 |
|
 |
|
|
 |
07-02-2013 |
Vers 3,19 uit Genesis |
Zo
zal je nimmer vooraf weten wat je hand
zal
schrijven als je zitten gaat en de roep er is
van
oude bijbels op de tafel en van stenen
die
je raapte, gebeeldhouwd door de regen.
En
het nacht weer is, zo vlug de morgen
weggeschoven,
de deemstering gekomen,
en
in Jobs vergeelde woorden weer gelezen
dat
de adem van de Almachtige ons het leven gaf.
Al
zegt ons niets of niemand ook met zekerheid
wie
die Almachtige is, een immanentie toch
in
ons gegleden, een oorsprong die bestemming is,
een
bron van leven, een verheerlijking.
En
zo geweten, al is het maar een ogenblik,
dat
ons de eeuwigheid is toegemeten.
Kap
dan, zoals je netels kapt, het stupide vers,
je bent uit stof en tot stof keer
je terug,
uit
Genesis weg, want het hoefde niet, voldoende
is
geweten dat dit lichaam sterven zal. En ook
als
er gelezen moet, zo leerden we en zo geloven we:
"je bent uit geest en tot
geest keer je terug."
Het
enige wat zinnig is.
07-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
06-02-2013 |
De Adem van de Dagen (14) |
Japprends
aussi longtemps que je vis,
schreef de Gentenaar, wijlen Louis Pauwels, tientallen jaren terug, maar hij,
Ugo gaat verder, hij kan optekenen: ik lees, ik leer, ik schrijf zo lang ik leef.
des te meer omdat zijn boek een werk van lange adem wordt.
En hij wil het verhaal van die maand augustus volledig
kwijt. Want er was wel Anja geweest maar enkele dagen ervoor had hij met zijn
twee vrienden het graf van Rainer Maria Rilke bezocht, hoog
boven de Rhone-vallei in het dorpje Raron,
gelegen aan de voet van een Romaans kerkje dat op zichzelf al gebed was, waar
hij voor het eerst Rilkes versregels las op zijn witmarmeren grafsteen.
Het was hij die zijn vrienden
had meegevraagd. Gewoonlijk was het andersom. Met hen had hij heel wat
bergtoppen beklommen en heel wat bergtochten gedaan. Beiden kenden zijn
mogelijkheden en beiden wisten ze dat de Zinal
Rothorn, boven zijn mogelijkheden lag, al liet hij herhaaldelijk
uitschijnen dat het een droom was die hij realiseren wou. Met hen voelde hij zich rustig,
klimmend tegen om het even welke rotswand, in om het even welke omstandigheden.
Zo herinnerde hij zich de dag
dat ze de top hadden bereikt van de Couronne de Breyonnaz, genietend van het majestueuze uitzicht en van hun sobere lunch,
toen Robert ineens aandrong om af te dalen. Hij vertrouwde de wind niet. En het
gebeurde dat kort daarna tijdens de afdaling de lucht zich sloot boven hen en
ze verrast werden door een stortregen van fijne stukjes ijs (du grésil, zegde Robert) die tot binnen
hun dicht toegehaalde windjak drongen.
Hij was bij het dalen altijd de
eerste van de cordée, en toen hij aan
een passage kwam waar de bergkam bijna loodrecht naar beneden liep, over een te
lange afstand om er gerust in te zijn en dan nog met slechts enkele, met
ijskorrels bedekte steunpunten, had hij niet geaarzeld, had hij even opgekeken
naar Robert boven hem die knikte en zegde: vas-y,
je tassure! en deze woorden waren voor hem voldoende om af te
dalen tot een klein platform waar hij wachten kon op hen om verder te gaan.
Alleen dit kleine detail om te
zeggen hoe groot de verbondenheid is tussen de gids en zijn cordée, wier veiligheid hij letterlijk en
figuurlijk in zijn handen houdt. Als er daarenboven tussen hen een grote
vriendschap is gegroeid, na tal van tochten, tal van dagen en avonden samen, na
tal van degustaties van oude en jonge wijnen uit de streek, dan is er via het
touw nog een band van samenhorigheid en groter veiligheid is er niet als je
samen klimt of daalt.
Het was in die geest van
verbondenheid dat ze de bergwegel waren opgegaan die stijgt vanuit het dorp, Rarogne,
naar de hoger gelegen Romaanse kerk. En hij die de kerk betreedt wordt stil in
de stilte, wetende dat deze ruimte een roep is tot de God, die kosmos is, en hoe
het eeuwige ervan in steen geschreven staat, nu ook Rilke er heeft gestaan en hij gezocht
moet hebben naar de woorden van een gebed die gedicht werden. En buiten zijn ze lang blijven staan voor
de witmarmeren, met mos begroeide grafsteen onder de struik witte rozen en hebben
ze gelezen:
Rose, oh reiner Widerspruch. Lust,
Niemandes schlaf zu sein unter
soviel
Lidern.
Wie is hij, die bij deze verzen
van Rilke niet stil is gebleven, die niet getracht heeft de betekenis van
Rilkes laatste boodschap te doorgronden. (Later zal hij lezen dat Anton van
Wilderode er zich had vanaf gemaakt door ze als sibillijns te betitelen.)
Het Duits was een vreemde taal
voor zijn vrienden en hij twijfelde aan de vertaling van sommige woorden, zodat
Rilkes raadsel bleef komen en keren in hem. Was het misschien dit blijvend
bewegen van de woorden, dit blijvend trachten te begrijpen dat Rilke beoogd had.
En ook, was het plaatsen van Lidern
op een derde lijn, gewild door Rilke, of was het een noodzaak voor de
steenhouwer geweest omdat het woord niet op dezelfde lijn kon gebeiteld?
En die avond - en hij vindt
deze woorden terug in zijn dagboek - toen hij terug was in de eenzaamheid van
zijn kamer met de boeken van Titus Burckhardt en La Kabbale van Serouya uit de kleine exquise bibliotheek van de
chalet open op de schrijftafel, was het alsof zijn gevoelens voor zijn
overleden vrouw terugkwamen, en kwam ook terug, lijk een gulp warmte, wat zo
dikwijls was geweest, dat hij binnengleed in haar, haar houdend, haar
bezittend, haar alles gevend en ze hem trillend ontving in haar schoot.
Hoe ver dit alles achter hem
ligt, alsof het een gebeuren was dat hij gelezen had en niet zelf beleefd, een
gebeuren dat betrekking had op een totaal andere persoon dan wie hij nu was. En hij begreep het symbool van
de roos van Rilke, de roos die niet zonder doornen is, de liefde die niet
zonder pijn en het leven dat niet zonder de dood is. En meende in het
grafschrift te mogen lezen dat hij, Rilke, die slapende is voor de levenden,
thans levend is onder de slapenden. En zeker niet te zijn, en nimmer geweest is,
slapend met degenen die door het leven gaan met gesloten oogleden.
Was dit de betekenis van Rilkes
woorden? Wellicht niet helemaal, maar het voldeed hem. Hij was ervan overtuigd
dat Rilke geloofde in het eeuwig leven. En hij was er nog meer van overtuigd
omdat hij thans, zoals zovele anderen die het grafschrift lazen, begaan zal
blijven met de zin ervan, wat al op zichzelf een bewijs is van de eeuwigheid
die Rilke omgeeft.
Het is een week later dat hij Anja zou ontmoeten.
*
06-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
05-02-2013 |
Fragmenten uit een dagboek |
Jaren
geleden heb ik getracht uit mijn dagboeken de meest sprekende fragmenten samen
te brengen tot een bundel van ruim 300 paginas. Had er best 500 paginas
kunnen van maken. Die poging van toen herwerk ik tussendoor omdat ik vaststel
dat, ondanks de jaren die er overheen zijn gegaan, mijn woorden in vele
fragmenten, tijdloos zijn geweest.
Ik
zou ook, wat ik ooit schreef over het Inferno
van Dante, kunnen herzien en inkorten, maar ik denk dat ik me zou overbelasten
en dat ik nergens zou uitkomen.
Zo
zit ik opgeschept met een massa geschriften en gedichten, gespreid over teksten
op memosticks en op vaste schijf. Ik denk aan hen die hiermede geconfronteerd
gaan worden na mijn vertrek, want ikzelf geraak er niet meer wijs uit omdat ik
ook maar niets verwijderen wil.
Dit
is ook waar voor de massas geprinte teksten die overal opgestapeld liggen. Ik
moet dus ook gaan denken aan een autodafe en eerder vroeg dan laat, maar dit
zal dan iets zijn dat ik in mijn boek zal opnemen.
Mijn schrijven echter kent geen
resultaat. Het
is niet zoals bij Burgess die 24 romans, waaronder A Clockwork Orange schreef
(zegt Wikipedia, die ik niet verder raadpleeg, omdat ik niet wil dat men me het
verwijt toestuurt dat men toestuurde aan Houellebecq in zijn 'La Carte et le Territoire') plus dan nog een studie
over de Engelse literatuur, plus een musical over de Ulysses van Joyce, plus
vertalingen, reisgidsen en biografieën - hij schreef zoveel dat hij meer dan
één naam nodig had van hem kan men zeggen dat hij schreef met overleg en dat
hij niet alleen een productieve maar ook een succesvolle schrijver was.
Heb,
om eerlijk te zijn, geen enkel boek van hem, al kijk ik uit naar zijn boek King Oedipus, zoals ik ook uitkijk
naar Gloed het werk van de
Hongaarse schrijver Sandor Marai, waar zoveel goeds werd over verteld.
We
zien wel.
05-02-2013, 00:38 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
04-02-2013 |
Gustave Mahler |
Hoe
Mahler ons beroert, hoe een snoer van klankkoralen
door
het venster weggedreven, de Leie over, de beemden
en
de landerijen, de torens over, de luchten in, het zog
van
daarde omheen de zon gewonnen en verder nog
de
klanken door verteld tot in het geruis van planeten,
sterren
en galaxiën, tot in het centrale, potentiële punt,
Foucaults
ene vaste punt dat van alle punten is
van
alle plaatsen en van alle ogenblikken, over alles heen,
en
in zijn grijploosheid God ook niet genoemd, al kon het wel
al
hoorden we van al degenen die de dingen aangeraakt
er
binnendrongen, en in klanken en in woorden weergegeven
het
ene punt bezaten en in de ban ervan gebleven.
En
God ook niet genoemd, al mocht het wel, al kon het wel
met
alle letters, alle vormen, alle elektronen van de kosmos
wel.
Aanvulling:
Hubert
Reeves
uit het rek halend lezen we:
"Le pendule de
Foucault, conscient de la hiérarchie des masses cosmiques, 'ignore' la présence
de notre petite planète, pourtant à proximité, pour aligner son comportement
sur la confrérie des galaxies qui renferment la majorité de la matière
universelle."
En
Umberto Eco noemde dit het ene vaste punt waaraan de slinger van Foucault is
opgehangen.
04-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
03-02-2013 |
De Adem van de Dagen (13) |
Een meer intiem samenzijn ware
er niet gekomen indien Anja niet had beslist in de berghut te overnachten en
pas de volgende dag terug te gaan en ook indien ze die avond, na hun korte
kennismaking niet samen hadden doorgebracht, kijkend naar het wondere effect
van de ondergaande zon op de besneeuwde bergtoppen. Geen van beiden, hij zeker
niet, besefte toen dat, naarmate de sterren een voor een, op het laken van de
nacht tevoorschijn kwamen, de geul van hun gevoelens breder en breder werd.
Maar al dit verklaarde slechts
hun ontmoeting. Echter welke andere feiten gingen niet vooraf aan haar
beslissing om op die dag, die uiteindelijk een belangrijke dag werd in zijn
leven, de tocht naar die berghut van de Grand
Mountet te doen?
Dan ook was er nog zijn
verhaal. Vooreerst, zijn aanwezigheid daar, nadat hij lang geaarzeld had,
omwille van de kinderen en het mogelijke gevaar verbonden aan een beklimming,
Robert en Gustave te vergezellen.
En als het een ontmoeting in een
bepaald punt en op een bepaald ogenblik betreft, kan tot in het oneindige
worden teruggegaan, tot de dag van zijn geboorte, tot de dag dat zijn vader
inging op zijn moeder en nog veel verder in de tijd, wat even betekenisvol zou
zijn, allemaal gegevens die maakten dat hij was wie hij was en dat hij was waar
hij was en dat ze er nu aanwezig waren, enkel en alleen opdat hij, zo zag hij
het nu, Anja zou ontmoeten.
We spreken dan van toeval maar
met Borges wist hij dat toeval geen woord is om uit te spreken, dat het slechts
een samenvloeien is van talloze, zo kleine als belangrijke feiten in het leven.
Ze had hem verbaasd toen hij
hoorde wie ze was. Ze verbleef met haar moeder in Saint-Luc, het dorp aan de
overkant van Grimentz, met enkel de vallei tussen hen en vertelde dat ze de cabane al bezocht had, vroeger, jaren
geleden toen haar vader nog leefde. Ze, hadden er toen overnacht en gezien er
nu nog plaats was, ze van gedacht was veranderd en besloten had pas de volgende
dag terug te gaan.
Waarom was ze eigenlijk
gebleven, misschien was ze te vermoeid na een klim van vier uren van 1600 naar 2886 meter, misschien was het,
hoopte hij, omwille van hem?
In de namiddag had hij zijn
vrienden niet vergezeld naar een plaats die ze hun jardin de génépi noemden en hij was in de zon gaan zitten om te
lezen of te schrijven. Het was daar dat ze hem was komen opzoeken en dat de
realiteit zich vormde tot verbeelden en de woorden die ze spraken, een kleur
hadden, een warme ondergrond. Zo had hij aangevoeld toen, dat ze een open
iemand was met een diepe zin voor literatuur en kunst en vooral een vrouw - hij
dacht dicht bij de veertig - bewogen, gegrepen door de bergen en de levende
natuur.
Hij herinnerde zich nog min of meer waarover ze toen gesproken hadden, hij vond het trouwens in zijn dagboek.
Het was lijk een aftasten van wie ze waren en wat ze wisten en hij herinnerde
zich even goed nog de stemmen van de cordée
van vier knapen, in de wand van de mamouth
die steeds maar hoger en hoger opschoof naar de top, hun stemmen duidelijk
leesbaar in de ijle lucht.
Later namen ze, samen met
Robert en Gustave, het avondmaal en bleef hij alleen met haar, buiten in de de
vrieslucht met een hemel die plots vol sterren stond.
Nam zij al een deel in van de
plaats die was vrijgekomen toen ze afscheid namen en zij haar slaapstede
opzocht en hij die van hem naast deze van zijn vrienden in een ander
slaapvertrek?
Lang nog had hij wakker gelegen
die nacht, denkend aan haar, hun gesprek voortzettend. Zij luisterend naar hem,
zij opkijkend naar die rijpere man met heel wat ondervinding over het leven,
met heel wat meer boeken gelezen dan zij en met een totaal andere kijk op God.
Je bedelft me onder woorden had
ze gezegd, en toen ze afscheid namen was haar gelaat heel dicht bij het zijne
alsof ze hem kussen wilde.
*
Ze stonden met hun drieën, in
de scherpte van de morgen aan de rand van een ijs- en sneeuwvlakte die ze
kruisen moesten om de bergkam te bereiken vanwaar ze en cordée naar de top
van de Besso konden. Maar het gebeurde dat Robert, de gids, bij het betreden
van het ijs, plots uitgleed en bij een misstap, zijn ligamenten scheurde zodat
ze verplicht waren, hem zo goed mogelijk ondersteunend, terug te keren naar de cabane.
Er werd een helikopter gevraagd
en Robert samen met Gustave waren ingestapt. Was er nog een plaats voor hem,
hij wist het niet meer, hij had waarschijnlijk gewild gewacht op Anja en in de
namiddag waren ze samen afgedaald over de gletsjer naar Zinal.
Hij had dit in een ruk
neergeschreven, alsof hij een lange brief aan het schrijven was, denkend aan de
te vele toevalligheden die er aan te pas kwamen; hij had zelfs gedacht in die
dagen dat het misschien zijn overleden vrouw was geweest die zich manifesteerde
in de persoon van zij, die zich Anja noemde, die zo maar was opgedoken uit het
niets om even vlug als ze gekomen was, weg te rijden van hem in het even grote
niets.
Dit alles was van de maand
augustus, van het jaar na haar overlijden. Tot en met zijn ontmoeting van Anja was
het een maand van innerlijke stilte geweest, en la chambre des preux waar hij verbleef, een kamer van de geest die
hem gekneld hield in een groot verlangen om te schrijven; een verlangen dat van
dan af, een noodzaak werd en hem niet meer verlaten zou om hem te brengen op
het punt in de tijd en de ruimte waar hij zich thans bevond.
Anja echter zou hij niet meer
terugzien, al wist ze heel goed waar hij
met de kinderen verbleef.
Hij was een paar jaren later
terug in dat dorp in de bergen. De oude chalet, nog donkerder getint door de
tijd, was er nog. De bomen waren uitgegroeid. Het licht was erover, de wind, de
regen, de jonge maan. In de late dagen van augustus zwermden de zaden van het
wilgenroosje (épilobe) erover uit, kleine schermpjes, voorbeelden van het
bruisende leven.
Vandaag is zijn hart ouder geworden, stiller, er zit een
beven in zijn handen. En in zijn gedachten, de stemmen van spelende kinderen
die verstoppertje spelen. En hij overweldigd door wat
was, grijpend naar een zin van T.S.Eliot:
Go, said the bird, for the leaves were full of
children, Hidden exitedly, containing laughter.
Hij heeft de nacht doorgebracht op de sofa en werd
wakker, het ogenblik tussen nacht en dag, het punt dat door de Romeinen le silencium genoemd werd, cette heure trouble qui est celle des morts et
des naissances.
Dit is waar hij zich thans bevindt, precies tussen
duisternis en licht, het silencium, het ogenblik dat noch nacht noch dag is.
Hij heeft niet de kracht op te staan maar hij heeft een boek te schrijven al
was het maar over de zin van dat alles, al was het maar over de zin van het
leven. Alsof het nodig was dat hierover geschreven werd.
03-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
02-02-2013 |
Anthony Burgess |
Als ik een artikel in een oude El País mag geloven zou Anthony
Burgess het aangedurfd hebben te schrijven: schrijvers zijn
lieden zonder belang, ze hebben hun innerlijk leven omgezet in wat ze reeds
publiceerden en hun uiterlijk leven beperkt tot het zich neerzetten om te
schrijven. Veel aantrekkelijker is het leven van een taxibestuurder.
Hij
was een wijs man, een veelschrijver, er zal dus wel een deel van waarheid in
zitten. Dag in dag uit, ben ik bezig met wat terecht komt in mijn blogs. Veel,
om niet te zeggen alles, is er op afgestemd, ook de dingen die ik nog doe
worden er door ontregeld en zeker mijn belangstelling
voor het dagelijkse, zelfs - zoals ik reeds zegde - voor het lezen.
Burgess,
die de dood van dichtbij heeft gezien op 42 jarige leeftijd werd bij hem een
hersentumor vastgesteld zegde ook dat hij denkend aan de dood schreef over
het leven.
Ik
herken me in beperkte mate in zijn woorden. Bij hem was het, zoals nu bij mij,
een vlucht in woorden, maar hij was enorm productief hij schreef vijf boeken
in het jaar dat de dokters hem nog gegeven hadden terwijl mijn productiviteit
te laag ligt, opdat ik er nog tijdig komen zou, en al weet ik niet waar ik
aankomen wil, ik blijf maar schrijven zodat het eindpunt zich maar blijft
verwijderen in de tijd, zelfs al komt het dichter en dichter.
Pero los
novelistas, son gente sin interés: han vertido su vida interior en lo ya
publicado y su vida exterior se limita a sentarse a escribir. Mucho màs
attractiva es la vida de un taxista. (El País van 27 oktober 2012))
02-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
01-02-2013 |
Bezinning |
Hoe
komt het dat velen onder ons zich tevreden stellen te eindigen in het Niets.
Dat ze aanvaarden van stof te zijn en tot stof terug te keren. En hoe komt het
dat ik er me met de moed der wanhoop tegen verzet, dat ik dit absoluut niet
aanvaard; dat ik een totaal andere zekerheid uitdragen wil die me brengt op de
rand van wat, als ik luister en lees, de maatschappij van vandaag erover denkt?
Wat
gebeurde er met mij, wie was ik als kind van mijn ouders - eenvoudige, werkende
mensen - opgegroeid in een landelijke omgeving tussen weiden met bloemen en
bossen zonder paden, en abelen in de beemden en weegbree en smeerwortel en ereprijs en sint-janskruid en
zovele andere bloemen en planten.
Heb
dit allemaal in mij opgeslagen: en vlinders en bijen, en eksters in de bomen en
merels in de hagen en lijsters en meesjes, en eieren in de nesten, en kastanjes
en hazelnoten en de geur van de meidoorn in de lente, en meikevers op de
bladeren van de eik.
Een
wereld van wonderen. En ik zou moeten geloven dat er niets was, niets is. Dat
dit alles er zo maar gekomen is, zo maar, zonder reden van bestaan, dat het
geen dingen zijn om ons de ogen te openen?
Zeker
is dat ik meer een kind van de natuur was dan een kind van mijn ouders, dat het
de natuur is waarin ik ben opgegroeid die mijn wereldbeeld heeft gevormd,
ondersteund door bepaalde boeken die mijn wegen hebben gekruist, om
uiteindelijk aan te komen waar ik me nu bevind en te verkondigen met fluiten en
trommels des fifres et tambours - dat er Iets in meer moet zijn, Iets dat enorm
is, onoverzichtelijk is, onverklaarbaar is. Maar dat IS.
01-02-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
31-01-2013 |
Goldberg Variaties |
Aan Anna Enquist
Haar
vingertoppen naar
de
toetsen toe getogen,
in
totale intimiteit
met
Johan Sebastian Bach.
Van
wie het componeren was,
van
wie het in elkaar verweven
van spiralen,
van voluten was.
Van wie in
kloostergangen
overspoeld,
naar boven,
naar beneden,
witte parels,
over donkere
tegels
uitgestrooid,
gemeten tot lang erna.
Hoorden toen
het
onvermogen
op te
stijgen, al wilde ze,
al wilden
allen die er waren,
alsof
mogelijk
dichter nog
te komen,
hoger te
geraken
In geest op
geest geënt,
een overgang
van eeuwen.
Overrompeling
van regenbogen,
verwondering
te leven
en het leven
uit te schrijven
in
runentekens.
En,
gekluisterd
in de
balken, wat we zagen,
vlinders
uitgedroogd
in
spinnenwebben
Ook wij
die avond
met
Bach
geconverseerd,
wij
allen die er waren.
Niet meer
wetende
hoe Bach de
klanken was.
31-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
30-01-2013 |
De Adem van de Dagen (12) |
En dan, wat hij niet zo
dikwijls deed, bladerend in zijn dagboeken, valt hij op enkele regels uit een
gedicht van Rilke die hij overgeschreven had en van uit het licht van de bergen,
komen de herinneringen aan Anja terug:
Einmal
wenn ich dich verlier,
wirst
du schlafen können, ohne
dasz
ich wie eine Lindenkrone
mich
verflüstre über dir?
Hij had dit geschreven toen
Rilke een toevlucht was voor zijn gevoelens van een beginnend verliefd zijn. En
hij de pijn die zwol in hem, onderdrukken wou omdat hij wist dat het verschil
in ouderdom met haar, en de levensomstandigheden van hen beiden, te groot waren,
te onoverkomelijk.
En zijn dagboek open voor hem:
Zal
je wel slapen kunnen als ik je verlies en me niet meer lijk een krans van
lindebloesems verfluister over jou?
Kort was hun ontmoeting
geweest, maar achteraf als hij naging hoeveel gebeurtenissen nodig waren
geweest opdat hij haar ontmoeten zou, op weg naar een berghut, op meer dan
2.800 meter hoogte in de Alpen, dan zag hij er, maar al te graag, elementen in
die vooraf - door het lot, dacht hij - vastgelegd waren opdat hij haar
ontmoeten zou.
Het was vroeg in de morgen dat
hij met zijn twee vrienden Robert en Gustave, enkele dagen na hun bezoek aan het
graf van Rilke, op weg waren om de beklimming van de Besso te doen en even
gestopt waren in de Cabane du Petit
Mountet, en ze haar ontmoetten waar ze neerzat, in de schemer en alleen,
aan een tafeltje, met een tas thee voor zich.
Dit was het begin geweest. Later,
aan een moeilijke passage over een stroom die langs de bergwand naar beneden
stortte, had ze schijnbaar gewacht op hen, ze zou hen vragen hoe het verder
moest en Robert die haar uitnodigde hen gezelschap te houden, over de gletsjer
tot in de Cabane du Grand Mountet.
Het begon als een totaal
onschuldige kennismaking, waarbij hij vernam dat haar naam Anja was en dat ze
een landgenote was, een streekgenote bijna. Ze wou de cabane bezoeken waar ze jaren geleden geweest was met haar vader en
was zinnens nog die zelfde namiddag terug te keren naar Zinal. Robert zegde
haar dat ze beter de nacht in de cabane
doorbracht en pas morgen, in de namiddag, als ze terug waren van de Besso, met
hen terug kon gaan, quen pensestu, Ugo? had hij gevraagd.
Hij wist, als hij verder
bladerde dat zijn dagboek van die maand augustus de echo droeg van hun ontmoeting
en vooral van zijn lange afdaling met haar over de gletsjer naar Zinal toe. Hij
hoefde het niet te herlezen, niet over te nemen. Hij wist dat de woorden komen
zouden zoals ze nog, na de vele jaren die erover waren, woonden in hem.
Maar hij aarzelde. Hij aarzelde
open te breken wat nog smeulde, omdat hij wist dat het een gebeuren was geweest
met een te groot impact aan mogelijkheden, die hij toen, de dagen na hun
afscheid van elkaar, had uitgeschreven om zijn gevoelens te onderdrukken.
*
Pas een paar dagen later zou
hij het verhaal verder openen. Hij zou gaan neerzitten in de tuin, de laatste
mooie dag van de herfst, aan de tafel onder de bomen, met het vallen van de
bladeren over hem zoals de vallende bladeren in het boek, en Zhivago toen een
ogenblik dacht dat het de schaduw van vogels was en het was in het gekir van
de tortels en het ruisen van de wind in de bomen dat hij begon aan het verhaal waarin
alle elementen aanwezig waren opdat in de bergen omheen de cabane du Grand
Mountet, zijn leven voor een tijd stil zou staan en zij binnen komen zou in
hem, om er tot deze dag in de herfst, en tot lang nog erna, te wonen, wat hij
ook deed om haar te vergeten.
*
30-01-2013, 00:05 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
29-01-2013 |
Identiteit |
Wie is het die schrijft en in welke mate is wat
hij schrijft realiteit of fictie? Weet ik het zelf wel, eens het geschreven
staat? Vroeg ik me gisteren af.
Ik weet enkel dat wat ik schrijf het product is
van mijn gesprek met mezelf, en ook dat de oude man, zoals ik me gisteren, meer
dan de andere dagen, voelde, zal blijven pogen creatief te zijn in woorden,
zoals hij bezig was in het voorbije, se
innanzi tempo, grazia a sé nol chiama.
Maar ik of hij, Ugo, bekennen ootmoedig dat er
op dagen, zoals dagen met sneeuw of dooi, grote verwarring bestaat en dat ze
beiden niet weten hoe de toekomst, vooral dan de nabije er zal uitzien.
En toch wordt er morgen een vervolg geschreven
dat voor het ogenblik nog woekert in hun hoofd.
Heel duidelijk en zeker toepasselijk is wat hij
leest in Le Monde:
toute littérature joue avec la notion
didentité: qui écrit? qui parle ? qui invente ? qui se souvient ?,
cest le je de la fiction et de la réalité,
Verwachtende, dat wat geschreven wordt wel degelijk
als literatuur mag gezien worden, want beiden kennen alleen de hoop dat het
antwoord positief is, niemand heeft het hen ooit gezegd.
Indien voor die tijd, de genade (la grazia di Dio)hem niet tot zich roept.
(Inferno
XXXI, 129).
29-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
28-01-2013 |
De andere oever (2) |
Je tijd is daar om in je fameuze boek te zeggen, wat je te zeggen hebt. Herlees wat Bernardus
hierover vertelt, je hebt het wel ergens opgetekend in een van je dagboeken, toen
Bernardus je aanzette tot schrijven, en je hem opzocht, niet in de kerk van
Vézelay waar hij de kruistocht predikte, dat was een andere Bernardus, maar in de
abdijkerk van Fontenaye waar je hem ontmoette in de schemerstilte, toen je de
kapiteelversiering zag op de eerste kolommen, links bij het binnenkomen in die
groot donkere ruimte met het lichtpunt in het oosten. Je hebt toen begrepen dat
daar waar de versiering van de kapitelen ophield, met de tekening van de halve
cirkel nog klaar gegrift om te worden uitgebeiteld, Bernardus is langs gekomen
en gezegd moet hebben aan de beeldhouwer die het kapiteel een meer speelse vorm
wou geven:
Stop ermee, geen versieringen die ons gebed kunnen
storen, de ruimte hier is van Hij die is, van Hij die de totaliteit is van het
Zijn, van Hij die ons levend houdt en het is in zijn geest dat we ons verliezen
moeten.
Jij ook heb geen nood aan versieringen, geen
nood aan boeiende gebeurtenissen, er zijn er trouwens geen geweest in je leven, die buiten het normale vielen - de dood eigen aan het leven zijnde -
en je wenst er geen dramatische aan toe te voegen, zoals het meermaals gebeurt;
teken op wat je te binnen valt of het nu echt is of fictief, van het ogenblik
dat het geschreven staat zal het geweest zijn.
28-01-2013, 07:01 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
27-01-2013 |
De Adem van de Dagen (11) |
Er was een boek dat ze elk jaar mee
nam naar de Valais. En hij vond haar soms als hij terugkwam van een tocht met
de vrienden, gezeten op de bank voor de chalet met het boek gesloten op haar
schoot. Ze had hem eens verteld dat het volstond het boek te openen op om het
even welke bladzijde, om verder te lezen, ze wist wat eraan voorafging zoals ze
wist wat er komen zou. Herhaaldelijk had ze hem gevraagd het te lezen, maar hij
was nooit begonnen aan Dokter Zhivago.
Het leest zoals de bijbel had ze hem
gezegd. Eens had ze hem verteld over de passage waar Zhivago opgebaard ligt
tussen massas bloemen en Lara hem een laatste groet bracht. Ze vertelde het
alsof het zijn lichaam was, bedolven onder de witte bloemen en zij, Lara
zijnde, haar geliefde, haar Zhivago, een laatste groet kwam brengen. Zo
beleefde hij het toch toen ze het hem vertelde.
Was ze verliefd geworden op die
Zhivago? Het kon. In elk geval was ze verliefd op het verhaal. Ze vond het, o
zo machtig, dat de jonge Zhivago staande voor een boom, de bladeren verbood
verder te trillen en de boom verplichtte roerloos te blijven, en de boom bleef
roerloos, zegde ze.
Het is Zhivago geweest die de
laatste jaren van haar leven heeft gevuld als boek. Elk jaar, in het verlof, op
die ene plaats die ze haar plaats noemde, in het dorp dat ze haar dorp noemde,
en zegde ze, waar ze begraven wilde worden. Weinig scheelde het of haar wens
was werkelijkheid geworden.
Daarna heeft hij Zhivago gelezen en is
het boek ook in hem gegroeid, zodat er na Zhivago nog weinig boeken van een
dergelijk gehalte zijn opgedoken. Weinig of geen. Pasternak was voor hem ook
Mahler, de twee waren onafscheidelijk verbonden, het waren kunstenaars die de
kosmos inkeken, die kosmisch gebonden waren, die woorden schreven en noten
plaatsten om de eeuwigheid in te gaan.
Hij schrijft dit bij het wondere
lied uit Ariodante van Händel.
En maar al te dikwijls worden zijn ogen vochtig, de minste emotie is voldoende.
Een slecht voorteken dacht hij.
27-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
26-01-2013 |
De andere oever (1) |
Je weet, dacht ik deze morgen, dat de andere
oever niet ver meer af is, maak je klaar voor de overtocht. Weet dat je niets
van al wat je vergaarde, van al waaraan je gehecht bent: je boeken, je
tekeningen, de stenen en stukken wortels die je meebracht van je reizen, dat je
niets van dat alles meenemen kunt, dat alles wordt achtergelaten, en verspreid
zal worden in andere handen, in andere kamers.
Weet dat na jou, de wereld even vol zal zijn,
maar leeg van jou, van je schrijven, van je dromen, van je kijken naar de
bomen, van je loeren naar de meesjes en vinken die met tientallen afkomen op de
bollen zaad die je ophing in de magnolia voor het raam. Enkel je woorden, je
tekeningen, je etsen zullen zwijgend vertellen over jou.
Aldus, onthecht je van al wat je bezit en
schrijf, schrijf; dit is het enige dat je bezitten kunt, totaal bezitten kunt,
en waaruit je nu bestaat. Dit is van jou en van jou alleen. Al hebben vele
anderen bijgedragen om te schrijven wat je schrijft de vormgeving, de wijze van
denken en uitdrukken ben jij.
Daarna, na het gelui van de kerkklok over de
velden en de Leie zal er de stilte zijn, de grote bevreemdende stilte, de
stilte in klanken van licht waarin je werd opgenomen.
Maar schrijf nooit dat de andere oever nog ver
af is en dat je nog een groot pak dagen hebt. Schrijf dus en laat niets je
ontmoedigen, laat niets je in verwarring brengen.
26-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
25-01-2013 |
Lees nog heel weinig. |
Ik lees nog heel
weinig, het is alsof ik het lezen ontleerd ben. Ik die vroeger nooit zonder een
of meer boeken was heb nu nog moeite om iets anders te gaan lezen dan wat ik
zelf heb geschreven.
Ik lees nog amper
het dagblad en als ik het lees - doorblader is beter - dan is het in functie
van een passend onderwerp voor mijn blog dat ik schrijven moet. En dan nog, de
blogs zelf komen in de marge van het boek dat ik, met horten en stoten aan het
schrijven ben.
Wat dit boek in
wording betreft, dacht ik vanmorgen aan Boris Pasternak, aan zijn Dokter
Zhivago en dan vooral aan de verhaallijn er in die ik vergeleek met de
soberheid van het verhaal dat ik tracht te ontwikkelen.
Hoe boeit men zijn
lezer, is het met gebeurtenissen die in elkaar gehaakt, zich opvolgen om ergens
te eindigen of nooit te eindigen bij vele boeken is dit het geval - maar
verder te leven in de lezer?
En zo gebeurt het
ook dat je bij het lezen van de laatste bladzijde spijt hebt dat het de laatste
pagina is, en je je afvragen gaat hoe het nu verder moet, wat ik dan een goed
boek noem.
Wat ik schrijf
ontstaat uit mijn herinneringen, op vele plaatsen aangevuld met, of gewijzigd
tot, fictieve herinneringen, daarom ook is het autofictie die ik schrijf, want
mijn leven is niet meer geweest dan het leven van een doorsnee burger. Ik heb
wel geleefd, als knaap, in tijden van oorlog, maar buiten wat samengekoekt kruim
van het brood dat uit moeders oven kwam de aren van tarwe en rogge waren door
de regen gezwollen toen er geoogst werd - heb ik er in het dorp waar ik woonde,
niet veel van gemerkt, dan toch geen sensationele gebeurtenissen zoals er
zoveel te boek staan. En om totaal nieuwe levens op te roepen heb ik geen zin,
het leven zelf, zegde me een dame, vele decades geleden ze had de ouderdom
toen die ik nu heb is al meer dan roman genoeg. En ik blijf er bij.
Zo waarde lezer,
dit alles om je te zeggen, dat ik de laatste twee jaren weinig gelezen heb,
maar veel geschreven. Of het geschrevene en de inspanning die het vergde
opweegt tegen het negatieve van het niet lezen van Tom Lanoye, of Erwin
Mortier, of Luuk Gruwez, of Annemarie Ector, weet ik niet. Hoef ik ook niet te
weten. Ik ben nog altijd wie ik was en ben, en blijf het beste geven van wat in
mij is. Is het veel, is het weinig, het is over het leven dat ik gekend heb als
over het leven dat ik had kunnen geleefd hebben.
25-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
24-01-2013 |
De Adem van de Dagen (10) |
Zondagavond, na het vertrek van de kinderen, de
echo van hun stemmen die nog hangen blijft in de schemerruimte van zijn gedachten,
woorden die hij gehoord had en begrepen of niet begrepen. Maar één zin die heel
duidelijk was toen hij onverwacht in de keuken kwam waar de dochters aan de
afwas bezig waren.
Liggend op de sofa, in een deken gewikkeld, draagt
hij de moeheid van hun bezoek in zijn lichaam, tot in zijn geest. Hij heeft de
bevestiging nu dat het steeds moeilijker wordt hen allen samen uit te nodigen,
bij dergelijke gelegenheden ontbreekt hem houvast en ook hij weet het, hij moet
de wijn laten, hoogstens een glas, en water drinken, maar die flessen Pinot
Sainte Anne had hij al zo lang in de kelder en de wijn was prachtig in het
glas, lichtjes bruin naar de boorden toe. Begrijpelijk dat hij er een glas te
veel van gedronken had.
Hij had ook niet gereageerd toen de kleinkinderen
naar boven in de kamer waren geweest en evenmin toen ze met kadertjes van haar
naar beneden waren gekomen en gevraagd hadden of ze er enkele mochten behouden.
Neem maar, had hij gezegd, kies maar uit. Nu weet hij niet hoeveel er weg zijn,
maar dacht hij, zoals er lege plekken zijn in mijn herinneren, zullen er nu ook
lege plekken zijn op de muren. Maar, waar hij lag, in zijn deken op de sofa voor
de haard, voelde hij zich goed en voldaan omdat alles voorbij was. Hij dacht
aan Tony, zijn kleinzoon, die trouwen ging in juni, hij dacht aan Carla, zijn
meisje. Er was groot jolijt geweest toen Tony was binnengekomen met een fles
champagne in de hand, die hij hem aanreikte. Hij begreep er eerst niets van,
maar Tony zegde hem dat hij lezen moest wat op het etiket stond. Hij las de
naam van de champagne en er onder de woorden, Elle a dit oui. En hij had begrepen. Zijn ogen waren ze hadden
zo weinig nodig - vochtig geworden, en heel de kamer was beginnen roepen en
juichen. Elle a dit oui,
elle a dit oui.
Zijn trouwen was een groot
onderwerp geweest: toekomend jaar in juni. Toekomend jaar is nog ver af, dacht
hij, zou hij er nog zijn? Hij
had hen iets gezegd over de ernst van het huwelijk, en dat het ook betekende
samen oud worden. En er was innigheid in deze kamer, innigheid in de vlammen
van de haard en in de brandende kaarsen. Vergeet deze dag niet, had hij gezegd
toen ze vertrokken.
Hij lag roerloos,
ontspannen nu, uitgestrekt op de sofa, de tijd stond stil in de kamer, het was het
uur entre chien et loup. De tijd in de schemering is
niets, dacht hij, alleen de smeulende haard is, alleen de zware Luikse kast is,
de tafel en de stoelen, de rekken met de boeken zijn, en het vele gebeuren in
het land en de wereld is.
Maar hij lag hier heel
goed. Hij dacht aan wat er gezegd was toen hij onverwacht in de keuken was
gekomen: waarom papa alleen was gebleven.
Hij had gedaan alsof hij
niets had gehoord. Ofwel wisten ze dat er na de dood van hun moeder iemand
geweest was, ofwel waren ze in de waan dat er na hun moeder, niemand meer was
geweest bij hem.
De muziek in sourdine:
Haydn dacht hij, of Händel, het lichte knetteren van de haard en zijn vochtige
ogen. Herinneringen die kwamen en gingen. En hij in zijn deken gewikkeld, op de
sofa, voor de uitdovende haard.
24-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
23-01-2013 |
Terug in Toscane |
Bladerend in wat ik in 2012 schreef,
viel ik - zoals het ergens geschreven stond - terug op de dag van 9 mei, met
mijn verhaal van toen dat ik reeds totaal vergeten was. Ik vond het een goed verhaal
dat ik nu wijzigen mag en een nieuwe kans geven, want het gebeurde in Toscane,
het land van Dante.
Het was toen van vele dingen, het uur van Venus want daar
waar de zon was ondergegaan, schitterde nu de planeet, geankerd tussen de
sterren en de sterren geankerd in het Universum in een onverstoorbare orde,
niet te verschalken, niet te verbreken, niet om te keren of te verwisselen. En plots, waar ik
stond, als uit de bomen neergedaald, een gestalte naast mij, in een lange
mantel die tot op zijn voeten viel. En in het licht van Venus, een gelaat met scherpe
neus dat ik kende.
E Amor
que move el sol e le altre stelle, zegde een stem naast mij, die geen stem
was, geen articulatie van woorden was. Ik schrok niet want ik wist dat het
Alighieri Dante was. Een stem die van dichtbij
en van nergens kwam, geluidloos in de geluidloze takken van de bomen, gedragen
door vreemde winden op vreemde golven tot mij gekomen, gedachten en begrippen, komende
uit de massa geest, drijvend over het landschap, tussen de verre horizon en de
sterrenhemel.
'Sono Alighieri. sono scendito per ringrazarlei
voor wat je schreef over mij , omdat je geraden hebt waarom ik mijn Vita Nuova plots heb verlaten.
En ik, zijn arm op mijn
schouders: Alighieri, vertel me over de wereld van nu.
Er valt niet veel
meer te vertellen over de wereld, hij is op een keerpunt gekomen, de geest is
stervende, wordt verjaagd uit boek en beeld, het sacrale wordt bedolven onder
het materiële, de hemel is dicht, wat kan er erger nog gebeuren?
En toch Alighieri,
blijf ik hopen in de mens.'
Doe maar, geloof
maar. Ik ben eens hier en eens daar, ik zie wat ik zie en ik hoor wat ik hoor,
en ik weet wat ik weten moet.
Alighieri, ook
over God?
Over God is niets
te weten, Hij IS. En over wat IS valt niets te zeggen, het IS, zoals het
Universum is. En er is niets dat niet IS. Ook je vraag over God IS. En het
volstaat dat de vraag er is, opdat Hij er zijn zou, anders zou niemand vragen
naar Hem.
Het was
middernacht, ik keek naar de sterren omheen Venus geschaard, de sterren en
Venus waar ik deel van was. De arm nog steeds op mijn schouder. Ik waagde nog
altijd te denken, dat het Dante was naast mij.
Je weet, zegde de
stem, de stem van Dante: je bent reeds dichtbij waar je aankomen zult. En er
is maar één plaats voor jou weggelegd, het Arcadia van de verloren schrijvers.
Allen wachten er op jou, je bent al aangekondigd, alleen je naam is nog niet
bijgezet, maar we weten dat je er aankomt, en voor ons, in dat Arcadia, de tijd
is niet.
De bomen even
roerloos, Venus even schitterend en Dante naast mij. Een stem in het licht van de
open deur die vraagt met wie ik aan het spreken ben.
En ik: het is
met Dante, liefste!, wat ze vermoedde.
23-01-2013, 07:18 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
22-01-2013 |
Génépi |
Ik kreeg het bezoek van mijn
gebuur in de namiddag, altijd een aangenaam moment. Hij bracht me een
verrassing, een fotomontage gemaakt door zijn dochter, van het bezoek van Jan
Hoet en fotos van een andere gelegenheid. En, even duurbaar, een interview van
De Tijd met Jan Hoet verschenen in hun jaaroverzicht (12).
We dronken samen een klein
glaasje génépi. Klein omdat de namiddag nog lang was. Maar ook en vooral omdat
het voor ons beiden een drank was die met veel respect diende gedronken te
worden; een drank die ons herinnerde aan de vele wijnoogsten die we samen
beleefd hadden in de Valais, dans les
vignes de Gustave.
En om deze reden, hebben we er
een tweede gedronken, even klein maar nog meer geladen met herinneringen. Ik
vertelde hem over het plantje génépi,
te vinden hoog in de bergen, gezel van de edelweis. Ik vertelde hem hoe ik, in
een fles pomme een appeljenever enkele plantjes génépi had ingebracht, samen
met een soupçon de miel en dat, wat we dronken het product was van vorige zomer.
Hij wist dit wel, had het hem
al verteld bij vorige gelegenheden maar ik kende de vreugde het hem te herhalen
en hij de vreugde het product te smaken want het waren voor ons grote
herinneringen die we dronken.
Hij is ook een lezer van mijn
blogs. Hij sprak me over het verhaal dat ik beleefde met die dame aan het meer
van Genève (blog van 19 januari). Hij verraste me eens te meer toen hij me
erover sprak alsof het een gebeuren was dat ik zou beleefd hebben.
Heb ik hem ontgoocheld toen ik
hem zegde dat ik wel eens neer gezeten heb in het gras of op een bank aan het
meer van Genève, maar dat het overige louter beelden waren geïnspireerd door
het gedicht van Odysseus Elytis?
22-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
21-01-2013 |
De Adem van de Dagen (9) |
Er was ook een tijd
geweest dat ze met haar tekeningen, een poging deed zo zegde ze hem - haar
naam te verlengen in de tijd. Een periode waarin ze met sobere middelen
getracht had, op grote witte bladen Schoeller-papier, het wondere leven van de
natuur te benaderen met potloden van verschillende hardheid. Als hij haar naar
de betekenis ervan vroeg antwoordde ze dat het haar betrachten was de groei van
mossen op rotsen en stenen, de nervenstructuur van rottende bladeren, de stille
kracht van het bevruchten, aanwezig in meeldraden en stampers, weer te geven en
aldus het verborgene erin, tot in de fossielen ervan, te suggereren.
En ze slaagde erin
met de meest eenvoudige middelen, in een suggestieve, geheimzinnige opbouw, haar
betrachting over te brengen in potloodlijnen en -vlakken en er in te slagen, te
tekenen wat niet te tekenen was?
Voor haar was, als
oningewijde, enkel het tekenen van het onvatbare dat de moeite loonde en dit
hield haar uren weg uit de wereld, met enkel de muziek, immer Bach, als
zuurstof in de ruimte over haar.
Ooit zegde ze hem
voor ze insliep, dicht tegen hem aan, dat niemand vermoeden kon de innerlijke
vreugde die ze kende, de impuls van haar hand te volgen en te zien hoe op het
blad, geleidelijk aan, de sluimer van de levensenergie in lijnen en tekens werd
opgebouwd, om dan op het einde vast te stellen, dat eens voltooid, eens haar
naam eronder geplaatst, de tekening begon te leven en haar aanstaarde vanuit
haar eigenheid.
Jaren heeft dit
geduurd, zonder dat ze hierbij haar plichten als moeder en huisvrouw ook maar
in iets verwaarloosde. Maar dan met de groei van de ziekte in haar, vervaagden
haar pogingen tot tekenen en hield ze zich nog enkel bezig met het drogen van
bloemen en het inlijsten ervan in kleine kaders met een zekere diepte, bloemen die
hun kleur verloren hebben nu, maar zaden, stukjes hout of wortel, schelpen, die
de eeuwigheid zullen ingaan.
Dit was het grote leven
in haar, en terug in de keuken trachtte hij zich te herinneren op welke wijze
zij haar poulet à lEspagnole klaar
maakte. Hij had een groot glas witte wijn toe gevoegd, het was op het
nippertje, en de rijst opgezet in een lichte bouillon. Ondertussen had hij een
wortel, een aubergine en het wit van een prei versnipperd en helemaal op het
einde, als de rijst bijna gaar was, eraan toegevoegd. Dit was haar manier van
rijst koken geweest en hij hoopte dat hij er min of meer in geslaagd was haar
te evenaren.
Een auto stopte op de binnenkoer,
kinderen kwamen buiten gerend, luidruchtig roepend naar elkaar. Waarom was het dat zijn hart
bonsde tot in zijn keel het was toch niet de eerste maal dat hij kookte voor hen?
21-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
20-01-2013 |
Nominatie |
Ik
heb het over de vijf door de vakjury genomineerde gedichten voor de Herman de
Coninckprijs. Het is de poëzie van vandaag. De poëzie zit niet in wat gezegd
wordt maar in wat niet gezegd maar begrepen wordt, precies omdat het niet
verwoord werd. Het is niet de poëzie die ik schrijf, wel de poëzie die ik zou
willen kunnen schrijven, maar nooit leren zal. Heb al dikwijls geschreven dat
ik niet weet wat poëzie is. Ik heb er hier een staal van.
Mijn
poëzie zit dieper, is minder poëtisch misschien maar meer geladen, grijpt naar
de diepte, naar wat achter de dingen is, neigt naar het kosmische. En zelfs al
zou ik willen, het zal maar sporadisch zijn dat ik een gedicht zou of zal
schrijven dat aanleunt bij de poëten van vandaag. Nu ik zal geen keuze doen, ik
laat dit over aan zij die de nominatie hebben gedaan, zelfs al heb ik een
voorkeur voor het gedicht van Annemarie Ector.
En dan, ten bewijze, het
gedicht van lang geleden, toen ik nog dichten kon, met wat andere woorden hier
hernomen:
Wat indien ik nimmer
de Bijbel had gekend en God gezocht
of wie Hij was of wezen kon.
Wat indien ik nimmer Dante had gelezen,
Cervantes noch Chateaubriand,
een bloem gedroogd, een boom
gehouden alsof het een broeder was,
de zee niet had gekend, de bergen.
Of diep bewogen, de tijdloosheid
van sterrenconstellaties niet had begrepen
en genoemd daar waar een naam gegeven.
Wat indien geen Mozart, geen Beethoven,
geen Mahler, geen Johan Sebastian.
En dichterbij, geen Saverijs,
Van de Woestijne niet,
geen Hertmans of geen Gilliams.
Wie ware ik geweest, hoe had ik hier
gestaan, de armen leeg, de mond gesloten,
de ogen dicht en niet gezien
hoe groot het leven,
hoe geordend quark en elektron.
Al begrijpen we er weinig van
de orde is en zal er blijven.
En wij, dit weten we, erin gegrepen
tot orde in ons genen.
Wie ware ik geweest
en hoe had ik het ooit begrepen
wat George Steiner schrijft:
La mort je le sens,
sera chose
intéressante.
En voor eens, er niets aan toegevoegd,
maar dan toch gedacht,
het kan, het zal, het staat geschreven.
20-01-2013, 00:11 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
19-01-2013 |
Verhaal voor later |
Een
kort verhaal, om misschien later te gebruiken, een meer naar binnen gerichte
gebeurtenis, toen ik in Genève was, en ik veel te vroeg, voor mijn vliegtuig
naar Brussel, gewandeld was tot aan het meer.
Het
was zondag, mensen zaten in groepjes neer in het gras onder de bomen. Het
water, een grote spiegel kringelend licht en aan de overkant in een lichte
nevel, de bergen in de verte.
Ik
was neer gaan zitten met een dichtbundel van Odyseus Elitis
in de hand. En een ogenblik, verloren in gedachten, opende ik de bundel en las:
Her soul took on a certain lightness
From the mountains opposite
Though the day had been cruel
And tomorrow was unknown.
Het
was toen dat een jonge vrouw in een lang wit kleed naar mij toekwam en ging
zitten op enkele meters afstand. Haar blik was over het meer, haar ogen
gezwollen. Ze weende of ging wenen of had geweend, ze hield een wit zakdoekje
in haar hand: Though the day had been cruel, and tomorrow was unknown.
Ik
wachtte, mijn vingers tussen de bladen van het boek. Voor zich uitstarend borg
ze haar zakdoekje weg in haar tas en haar gelaat klaarde op: Her soul took on a certain lightness from
the mountains opposite.
Ik
dacht nog aan haar toen ik in het vliegtuig zat. Had ik het gedroomd, toen ik
het las en was er helemaal geen vrouw in een lang wit kleed geweest die geweend
had, en had ik Elitis, half in slaap, omgezet in beelden?
Maar
ik wist met zekerheid dat ze naast mij was komen zitten. Misschien wachtte ze
op een woord van troost van mij, een onbekende man die haar helpen kon met een
simpel woord, een woord dat de greep om haar hart verlichten zou?
Maar
ik was zwijgend gebleven, starend naar de zeilboten op het water. Had ik haar
moeten toespreken en was dit de weg die ik had kunnen nemen en de zoveelste die
ik niet genomen heb, omdat het niet de weg was die opgetekend stond voor mij?
Ik
was blijven zitten in het gras met de treurende vrouw op enkele meters van mij,
het boek in de hand en toen het tijd werd was ik opgestaan en toen, even maar,
een ogenblik maar, hadden onze ogen elkaar geraakt, een fractie maar, en las ik
haar bede.
Wat
is er van een ontmoeting die kon maar niet was?
Gebeurt
het nog dat zij, zoals ik nu, terugdenkt aan die namiddag op het gras voor het
meer toen ze weende en een man dicht bij haar zat met een boek in de hand: een
ogenblik in het leven dat kwam en ging zoals zovele dingen die gebeuren of
dingen die niet gebeuren.
Zo
gaat er zelfs niets verloren van wat had kunnen zijn. Misschien, maar dit is
Bashevis Singer die zo iets zou schrijven, was er tezelfdertijd op een andere
plaats, in een ander land, een zelfde gebeuren waar de man wel is opgestaan om
naar de vrouw toe te gaan en naast haar is gaan neerzitten om haar nimmer nog
te verlaten.
Zou
Jung dit voorval bestempelen als een voorbeeld van synchroniciteit?
19-01-2013, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
|
 |
E-mail mij |
Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.
|
E-mail mij |
Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.
|
Gastenboek |
Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
|
E-mail mij |
Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.
|
|
|
 |