 |
|
 |
|
|
 |
26-05-2019 |
Waar ik aangekomen ben |
Er is een tijd
geweest dat ik dacht ruim te zitten, dat ik dacht normaal nog over een massa
jaren te beschikken. Dit is nu niet meer het geval, ik weet nu dat mijn jaren
beperkt zijn tot hoogstens enkele eenheden, of ik nog ooit een Koningin
Elisabeth Wedstrijd voor Viool zal meemaken valt sterk te betwijfelen. Ik zal
er geen cijfer, geen percentage - waar vandaag mee gegoocheld wordt - op
kleven, maar de kansen zijn flinterdun geworden. Ik leef er mee, het is een
achtergrondgeruis, zoals naar ik hoor het geruis van de Big Bang nog altijd te
horen is, meer is het niet en ook, het stoort me niet, er is toch geen ontkomen
aan.
Deze toestand beïnvloedt
niet mijn levenswijze, het zijn enkel de beperkingen opgelegd door mijn
lichaam, niet mijn gedachten die me er op wijzen. Het is het onvermijdelijke
dat toeslaat, het is zo en we aanvaarden het, hierover is geen enkele twijfel. Daarenboven
hebben we het groot geluk nog niet uitgeleefd te zijn, nog heel wat te doen te
hebben en deze gedachte voedt en houdt ons recht. Ik wou het toch eens gezegd
hebben, opdat je me niet zou zien als een uitgedroogde man - wat ik wel ben
maar niet geestelijk. Het is maar dat ik ooit stond waar jij nu staat en dat
jij eens in de toestand komen zult waar ik nu sta en je weten zult wat ik weet,
vooral dat het geen drama is, in tegendeel, het is eerder een geruststelling,
een vooruitzien naar iets dat totaal anders zal zijn. Waarvan we misschien
zelfs niet zullen beseffen dat het anders IS. Des te groter is het verwachten. Op
deze wijze ben ik vandaag ingesteld op wat het leven is, op wat het verder
verloop van mijn dagen is.
Niemand echter,
behalve zij die me kennen, houden hier rekening mee. Zo krijg ik van uit alle
hoeken en kanten voorstellen alsof ik nog een jonge man zou zijn, zoals men
zegt in de fleur van zijn leven. Hou er mee op aub. Zo is er De Standaard die
me tracht te verleiden met allerlei voorstellen om me in te schakelen in hun
abonnee-circuit. Ik zoek een weg, en deze blog is er een, om hen te zeggen, dat
ik de Standaard op een voet van gelijkheid stel met Le Monde, met El País,
zijnde een massa interessante teksten die ik te lezen krijg en waarvoor ik de
tijd niet heb of wil hebben. Want ik vind het totaal onfair me te beperken tot
het lezen van de titels van een artikel als ik weet de moeite die het aan de
auteur-journalist moet gekost hebben om het te bedenken en te schrijven. Dit is
in elk geval het gevoel dat ik er aan overhoud telkens ik het dagblad dichtvouw,
een deel(tje) ervan gelezen.
De Standaard zou dus
het geboortejaar moeten toevoegen aan hun adressenbestand, want ik wens niet
voortdurend in verleiding te komen, noch door hen, noch door om het even welk ander
dagblad of firma.
Ter verdediging van
mijn standpunt, zeg ik hen, en dan
vooral aan De Standaard, dat ik een regelmatige lezer ben van hun vrijdag-uitgave,
omwille van hun Standaard de Letteren - SdL - dat dit en in feite enkel dit
deel, deze katern is die me nog boeit, die me soms helpt om een van mijn
dagelijkse blogs te schrijven, waarvoor ik hen dankbaar ben.
Het is dus goed voor
hen te weten dat ik hun blad zeer genegen ben, maar dat het dagelijks door nemen/lezen
ervan me overstijgt me, het bijhouden van mijn dagelijkse blog vergt te veel
van mijn concentratie, overspant me. En overspanning op mijn leeftijd is te
mijden.
Aan De Standaard
vraag ik dus begrip te hebben als ik niet wens in te gaan op de aanbiedingen
die me regelmatig gedaan worden. Op een bepaalde
leeftijd gekomen is men de wereld ontgroeid en dit is mijn geval.
Om
oprecht te zijn, vandaag niet helemaal. Wat ik moet, straks in het
stemhokje, is denken aan het gevaar dat mijn achterkleinkinderen lopen: het
binnensijpelen in dit land van oncontroleerbare religieuze fanatiekelingen die
de dood niet schuwen, welke partij, die zeggingskracht heeft, treedt hier openlijk tegen op?
26-05-2019, 07:57 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
25-05-2019 |
De tegenstelling. |
Ik zit nog altijd gevangen
in de wereld van de Koningin Elisabethwedstrijd voor viool die een bijzondere accent
legt op de meidagen van nu. De intensiteit ervan, zoals ik deze momenten beleef,
staat in schril contrast met wat de media te vertellen hebben over de komende
verkiezingen. Enerzijds, is er de verfijning, het stille genieten en het ingekeerd zijn en
anderzijds het brute, het obsederend, het afstotende, het zich immer herhalende
van de taal van de kandidaat-volksvertegenwoordigers, om daarna, eens verkozen,
laat ons zeggen voor 10% het land en voor 90 % de partij waartoe ze behoren, te
dienen, terwijl ze nochtans betaald worden, en goed betaald, om het land à 100
% te dienen. Dit is wat de jaren me geleerd hebben. Vandaag schitteren ze op
vele gebieden in de media; strooien ze beloftes rond op volle paginas, het kan
niet op. Ze verleiden ons wat ze allemaal gaan doen. Maar wat ze niet zeggen is
dat ze de tering gaan zetten naar de nering; wat ze niet zeggen is hoe ze de deficits
van de vorige regeringen gaan oplossen. Zeg me, geef me een goede reden waarom
ik naar hun gebazel zou gaan luisteren. Een zaak is zeker, ik moet het niet
hebben van al wat links is.
Hoe het eindigen zal
is geldig zo voor de verkiezingen als voor de Wedstrijd. Na de uitslag van
zaterdag is er de uitslag van zondag, beide zullen gejuich en teleurstelling brengen,
euforie en ontgoocheling, een momentopname waar we getuige van willen zijn.
De dag erop volgend,
herneemt het leven zijn gewone gang, hetzij met de laurierkrans op het hoofd,
hetzij met het hoofd in de grond.
Gelukkig zij die er aan ontsnappen, want welk resultaat ook, het leven waait
verder uit voor de overwinnaars als voor de verliezers.
Met mijn blog zit ik
er middenin. Kijk ik naar buiten, ik kom in de verkiezing terecht; kijk ik naar
binnen het is de Concours die zich aanmeldt, en het is deze laatste die me het
meest boeit. Het is een vreugde er mee begaan te zijn. Er blijven nog twee
avonden, voor driemaal Tsjaikovski en een Brahms, daarna komt de apotheose voor
de ene, de ontgoocheling voor de andere, we zullen meeleven met beide. Eén kans
op twaalf is niet veel, zes kansen op twaalf is verdedigbaar, dit is het risico
dat gelopen wordt. Ze weten dit van bij de aanvang, maar deel uitmaken van de verliezers
is zwaar om dragen voor een tijd dan toch, vooral voor zij die deelnamen en
zich realiseren dat ze nog niet zo ver staan als ze wel dachten. Hen wens ik volharding
en veel moed. Ik ben met hen begaan, zoals ik met allen begaan ben die een moeilijke
periode door te maken krijgen.
Het verschil tussen
wat buiten gebeurt en binnen is duidelijk, voor de verkiezingen heb je niet
veel te leren, soms wordt het je zelfs in de schoot geworpen. Voor de
deelnemers aan de Wedstrijd is het een gevecht van elke dag over een uiterst
lange periode, wil men enige kans maken. Het is een levensstijl, een opgaan in
de kunst van de muziek. Als ze slagen, en er zijn er altijd heel wat, zijn ze vreugde
en verwondering, zijn ze momenten van vervoering.
Het zijn die momenten
die we broodnodig hebben.
25-05-2019, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
24-05-2019 |
De Koningin Elisabethwedstrijd voor Viool 2019 |
Dit is wat
ik schreef, de morgen van donderdag 23 mei na de dag van het optreden van de
Roemeense violoniste Ioana Cristina Goicea.
Ik vraag me af voor
wie het is dat er geapplaudisseerd wordt, is het voor het orkest, eigenlijk niet,
is het voor de violoniste, wellicht, maar indirect is het zeker ook - al zegt
men het niet dikwijls - voor de componist van het concerto, hier Dimitri
Shostakovich. Dit is wat ik doe, ik applaudisseer in de eerste plaats voor de
componist, hij bedacht het, hij zette de lijnen uit, hij is de meester; aan de
viool en, de dirigent en het orkest, is het trachten het geschrevene in al zijn facetten te laten openbloeien.
Ik heb een grote band
met het werk van Shostakovich, ik zie hem in de verlenging van Gustave Mahler,
hij is een even grote vernieuwer geweest die in woelige omstandigheden onder
toezicht en druk heeft moeten werken. Velen menen in zijn vioolconcerto, nummer
1, opus 77, de angstgevoelens te horen die hem bezielden tijdens het schrijven
ervan, anderen zouden zelfs wensen dat deze gevoelens tot uiting zouden komen
bij de uitvoering van het concerto, wat volgens mij te ver gegrepen is en dit
onmogelijk te vertalen is door een solist of soliste.
Ik kan me moeilijk inbeelden
wat het betekent te schrijven/te componeren met het zwaard van Damocles - in
het midden van de nacht opgepakt te worden om te verdwijnen in een donkere cel
- boven het hoofd, maar het is in dergelijke omstandigheden dat een groot deel
van zijn concerti en symfonieën zijn tot stand gekomen.
Maar wat de wedstrijd
zelf betreft, verwacht niet dat ik me met kennis van zaken ga uitspreken over
de prestatie van Ioana Cristina Goicea, maar ik vond haar spel krachtig en
uiterst subtiel afgelijnd, zuiver en boeiend en het is zo, de prijzen worden
toegekend aan de durvers en de meesters in het vak. Ik denk dat zij een
grootmeester(es) is.
Weet ook dat ik een
voorliefde heb voor de klankenrijkheid van Shostakovich, dat ik hem graag mag,
vooral dan zijn concerti voor viool en deze voor piano. De trage bewegingen
erin zijn parels van intense muziek.
De Koningin Elisabeth
wedstrijd is dus voor mij geen concours. Ik kijk niet uit naar wie nu de beste
is van de twaalf. Ik een leek zijnde heb er geen behoefte aan te gaan
rangschikken. Maar steenbok zijnde ben ik een gevoelig mens en komen er soms vochtig ogen als ik
getroffen ben door een mooie passage, door hun technische vaardigheid, door hun
présence als jonge man of vrouw die het beste van zichzelf aan het geven zijn.
Ik denk dan niet zo zeer waar ze zullen eindigen, ik denk er wel aan dat het
jammer is dat er onder hen, onvermijdelijk, zes zijn die niet geklasseerd
zullen worden. Dit is samen met de mogelijkheid glorierijk te eindigen, het
risico dat ze allen
Natuurlijk ga ik ook
de overige concerti, deze van Brahms, van Tsjaikovski, van Beethoven beluisteren
en mijn oordeel hebben over de uitvoering ervan. Een oordeel dat ik dan toetsen
kan aan de beoordelingen van de specialisten ter zake. Er is hier niets
verkeerd aan.
En wat er ook van
zij, het zijn de componisten die centraal staan. Het is hun werk dat hier op
het voorplan is. Hoe ze er toe gekomen zijn, wat er aan vooraf is gegaan, hoe
ze er in geslaagd zijn dit resultaat te bereiken, gerangschikt te worden en
aanzien als de groten der aarde op muzikaal gebied is hun verdienste. Ze
blijven ons begeesteren, ze blijven ons ontroeren met hun werken. De tijd heeft
geen vat op hen. We weten dat er een wereld is die hen ignoreert, die zelfs hun
naam niet kent, laat staan hun muziek. Maar er is een grote kern die stand
houdt en overwinnen zal omdat hun werk het werk is van de geest in hen, en wie
geest zegt, zegt onsterfelijkheid. Zij zijn er het voorbeeld van.
Naschrift:
Voeg ik er nog aan
toe, deze morgen van 24 mei, dat de Beethoven en de Brahms van gisterenavond,
hoge, niet te evenaren monumenten zijn van wat een beschaving zoals die van ons
heeft voortgebracht. En de uitvoering ervan door twee jonge ontluikende dames een
schittering was van begaafdheid, technisch vermogen en inzicht. Verbazing op
twee gebieden: creatie van de geest en de begaafdheid tot het her-interpreteren
ervan, bijna onevenaarbare evenementen van wat de mens vermag.
24-05-2019, 06:12 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
23-05-2019 |
Het boek in de hand, Sibelius in het hoofd |
Het is een snoer van
momentopnames dat ik achterlaat. Voetstappen gezet in verse sneeuw, uitlopend
in de toendra van het leven. En, het is een lange tocht geworden die gelukkig
verder loopt, zelfs nadat de sneeuw gesmolten is, loopt het spoor door. Ik
retraceer het soms. Ik herneem een stuk weg ervan, niet omdat het een verkeerd
stuk was, maar omdat ik het met meer inzicht bewandelen wil. Zo is er niets
definitiefs van wat er is. Kan alles herbekeken worden, zelfs herontdekt, zoals
een violoniste die Sibelius speelt, die telkens en telkens een andere Sibelius
is. Hoe rijk we zijn, elke morgen op te staan in een andere gedachtewereld die
dezelfde is als de vorige maar toch verschillend wat de lichtinval betreft die
het vertrekpunt is en de richting aangeeft.
We merken het pas als
we onderweg zijn, als we, komende uit de holte van de slaap, uit de vervoering
van een droom die we vergeten zijn, de draad van het leven weer opnemen, zijnde
dans lattente de Godot, het
meditatiemoment, staande op de heuvel van de dag, wachtend op het onverwachte.
Ons leven is een lang
wachten op wat komt of op wat niet komt, het wachten is ons in elk geval
gegeven, we worden het niet moe, het is ons toegestaan te verwachten wat
misschien nimmer komen zal, en als het komt, het ofwel te laat zal zijn of te
vroeg, want het zijn niet wij die er over beschikken. We weten het en schikken
ons ernaar opdat we niet verschrikken zouden als het onverwachte komt.
Elke dag, elk uur van
de dag is dit zo. Een gedachte die je overvalt, een boek dat je in de hand
neemt, dat daar ergens lag tussen andere boeken, maar van het ogenblik dat je
het in je handen voelt, leven gaat, trillen gaat en je het meeneemt zoals het
tere van een kinderhand dat je hand omknelt alsof het een bloem was.
Een boek dat je
opneemt is zoals een bloem, is zoals een kinderhand, is zoals je verwacht dat
het is zoals je weet dat het is. Zoals je ook weet dat er binnenin nog altijd
iets in meer is. Of het oneindige van een waardevol boek, dat je, eens je het
in de handen houdt, je eens te meer koesteren gaat. Het is wel niet aan
iedereen gegeven een boek te koesteren, maar als het zo is, is het een geluk,
is het iets dat lijkt op het begin van het onverwachte dat zich toont, een deeltje
van de sluier erover opgelicht.
Het is een momentum
dat je vastlegt voor latere dagen, als je de tekst terug zult vinden - if ever - en je je afvragen zult wat je
die ogenblikken wel bezielde om te schrijven wat er staat. Wie je waart op dat
ogenblik eenvoudigweg bezield door een boek in de hand?
We kennen ons nimmer
volledig. Achter elke hoek gaat er een ander aspect schuil van je
persoonlijkheid, als je er een hebt. Je gaat zelfs schuil achter de totaliteit
van wie je bent. Het ken je zelf heb je nooit bereikt, het blijft een zoeken,
vooral tot in het kleine, les petites
choses qui donnent la paix wist Bernanos. Je weet het als je, zoals ook
deze morgen nog, in de ban bent van Sibelius, van het begin van zijn
vioolconcerto, de prachtige aanhef, zoals iemand in een breed gewaad gewikkeld,
die uit het geritsel van bladeren uit het donkere woud op jou afkomt die je
omhelzen wil. Hier is het de violoniste, de Koreaanse Ji Won Song die je
omhelzen wil, omdat haar bede haar te aanhoren zo subtiel teer, zo innig
verwachtend, ogenblikken lang zich herhalend, aangehouden wordt alvorens het
volledig orkest invalt.
Het boek in de hand ,
naast jou neergelegd - misschien ga je het kezen, misschien niet - en Sibelius
komende uit het woud van je dagen, twee momenten.
Twee momenten die je bewaren wil, houden wil, beleven wil een lange tijd nog, tot het moment van het
tijdloze.
PS. De tijd van het schrijven was de morgen van 22 mei. Een tekst die ik deze morgen herlezen heb en verbeterd. In feite is het, het vioolconcerto van Shostakovich die ik in mijn hoofd heb deze morgen van 23 mei. En dit is een ander verhaal, of ik het uitschrijven zal weet ik nog niet. Beide concerti zijn niet te vergelijken, Shostakovich overstijgt me, ontroert me omdat ik weet in welke omstandigheden het geschreven werd. Dit wou ik er nog deze morgen aan toevoegen.
23-05-2019, 05:44 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
22-05-2019 |
De poging |
Je houdt het beeld op
je netvlies. Je hield het in de nacht, telkens je ontwaakte uit telkens een
loden slaap. Je zoekt de woorden om te omklemmen wat je blijft zien, blijft
horen: beelden en klanken, vingers en snaren, een jong gelaat, een dirigent en
een orkest en centraal de viool. Alles in het kader van de Koningin
Elisabethwedstrijd voor viool en de uitvoering van een vioolconcerto.
Een concerto
neergezet, ogenblikken ver in het verleden, in magische tekens, door de magiër Antonin
Dvorák. Opgetekend wat hij toen in zich voelde opwellen aan klanken en ritmes,
komende uit het ongerijmde, uit het onbestaande; gegrepen wat van die ogenblikken
was en vastgezet. Erna de tijd erover en
nu teruggenomen, weer tot leven gebracht zoals het geschreven staat, een her-beademing
van energievelden: klanken en
krachtlijnen, kleuren vormend die warmte zijn, die ijzig zijn en er
tussenin zijn.
Dit alles en nog
oneindig meer dat was van de avond van 20 mei.
Thans, heel, heel
vaag geschetst, ontoereikend maar toch toereikend om een deel van wat gebeurde
uit te beelden, hij, het uitschrijvend, uit zijn confortzone gelicht.
(Het beluisteren van
een monument, dirigent en orkest, uur en datum, plaats en omstandigheden gekend
zijnde hij nu beschrijven gaat: het optreden van de violoniste Sylvia Huang. Gekluisterd
aan haar prestatie, haar interpretatie in dit onhandig ontleend kader, waarin
zij en Dvorák centraal staan, alle ogen, deze van de klassieke wereld, op hem,
maar meer op haar gericht. )
Ze ontglipt je niet,
je kijkt gefascineerd. Je volgt de golfbeweging van het lichaam, de taal van
haar gelaat, de schittering van de ogen, de zachte lijn van haar lippen, een
glimlach bijna, in een weelde van klanken, haar ziel die erin verweven ligt.
Je wil er zoveel over
zeggen. Je wil er een afdruk van die zich voortdurend wijzigen zal, als in een
vortex van klanken, innigheid in voluten van gevoeligheden, arabesken van
vrouwelijkheid, tederheid getekend in aquarel. Maar je hebt nog niets vermeld:
er zijn de vingers van de linkerhand, o, zo krachtig, zo soepel, zo hemels-vlug,
het spel ervan over de snaren, de viool die ze houdt onder haar kin, het
glanzende, geurende, trillende hout - de smaak ervan in haar mondhoeken, in
haar neusvleugels - en de strijkstok, hoe de strijkstok, hoe ze deze glijden
laat over de snaren, ver uit wandelend, of kort en krachtig, hemels vlug. Je
hoort en je ziet, het aller fijnste detail ervan. Niets ontgaat je, niets van
haar ingesteld-zijn op wat meer is dan dat klanken bieden kunnen.
Je dacht vanmorgen niets
er over te schrijven. Je zag op tegen de moeite dat het je vragen zou. Je wou
het momentum, de massa ervan, laten voor wat het was, ook omdat je wist dat je in
elke poging om te benaderen wat geweest was te kort zou komen, het ongepast zou
zijn.
Toch ben je na je
eerste zin, omdat het in je aard ligt, verder gegaan, oproepend wat je gezien
en gehoord had, want je wist dat wat zich afspeelde voor je ogen en wat je
hoorde, ogenblikken waren van een uitzonderlijke intensiteit: zij de noten
overnemend die Dvorák voor haar opnieuw aan het herschrijven was, geest op
geest geënt, verwoord via de vingertoppen van de linkerhand.
Freeman Dyson[1] zegde
ooit wat hij dacht over het schrijven. Hij had dit ook kunnen zeggen over het
vioolspelen.
Was het optreden van
Sylvia Huang een topprestatie? Het is niet aan mij om er over te oordelen, maar
ze heeft me begeesterd, ze heeft me diep geraakt, wat wellicht haar bedoeling
was.
Ik zal zelf met mijn woorden, de vormgeving van wat was, hier geen gevoelens opwekken. Ik wou er trouwens
veel meer over zeggen, dit hier is maar een poging. Maar ik kleefde vast aan de
handelingen die ik zag, terwijl het innerlijke gebeuren ongrijpbaar bleef. Ik
heb me moeten beperken tot wat grijpbaar was: de essentie, het overbrengen van
de geest van Dvorák naar de vingertoppen van Huang, bereikte ik niet, een
benaderende foto ervan misschien, wel.
Historiek:
Je begon aan deze
blog de morgen van 21 mei, vóór het licht opkwam. Je werkte er verder aan na
het ontbijt tot de vijfhonderd woorden er stonden. Je herwerkte hem,
twee, drie maal telkens met een tussenpoos. Je herschikte hem, verbeterde,
vulde hem aan en nam dingen weg. Het was middag toen. Je herbegon laat in de
namiddag. Je dacht dat hij passen zou, maar je herlas hem om 20.00 uur en je logde
hem in om 20.33 uur. Je haalde hem terug
om 23.30 om hem een laatste maal aan te vullen met deze paragraaf hier, waarna
je hem inlogde voor de dag van 22 mei. Je herlas hem de morgen van 22 mei en verbeterde wat je nodig dacht te verbeteren. Het is 07.51
[1] Freeman
Dyson: Infinite in all directions, Penguin books 1988, page 118:
To me the most astounding fact in the universe, even
more astounding than the flight of the Monarch butterfly, is the power of mind
which drives my fingers as I write these words.
22-05-2019, 17:15 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
21-05-2019 |
Elke dag. |
Elke dag is een
werkdag voor mij, hier is geen uitzondering op. Hij, de dag, begint vroeg in de
morgen en eindigt soms laat in de nacht als er in de loop ervan,
gebeurtenissen/omstandigheden zijn die me weg houden van mijn schrijftafel. Dit
was gisteren het geval. Het was ook gisteren dat ik me realiseerde hoe slecht
ik te been ben, hoe wankel mijn evenwicht is en hoe bezorgd mijn familie als ik
me verplaats. Tekenen die me erop wijzen hoe het, in tegenstelling tot mijn
geest, met mijn lichaam is gesteld. En ook hoe ik fungeer als ik rondloop met
een ongeschreven blog, hoe ik adem en waar ik blijf aan deken.
Het is nu eenmaal zo.
Ik haal het even aan als een verwittiging aan mezelf opdat ik weten zou waaraan
ik me te houden heb, namelijk, in alles prioriteit te geven aan mijn blog want
het schrijven ervan loopt soms uit. Zo, ik herhaal, het is me duidelijk, elke
dag is een werkdag van een bepaalde soort. Dit is wat ik me schrijf deze
morgen, een brief die ik wat later nog eens herlezen zal, hoewel het niet nodig
is deze te herlezen, hij is mijn adem. De adem van mijn dagen is mijn werk,
tenminste zo zie ik het.
Welk gezelschap ben
ik dan voor mijn echtgenote, welk voor mijn vrienden, welk voor mezelf? Allen
moeten ze omgaan met iemand die, ofwel bezig is met het denken aan, of met het
schrijven van een blog; ofwel aan het nadenken is over een blog die geschreven
staat of denken aan wat zijn volgende blog gaat zijn. Zo overleef ik als een
boom die met zijn wortels gekneld zit in een rotsspleet, en het is zo geweest
van jongs af.
Welk mirakel verwacht
ik nog dat zou kunnen gebeuren een van de komende dagen? Welk mirakel verwacht
jij nog, als, zoals deze morgen de luchten gesloten blijven? Dat het opklare,
dat de zon er door kome en alles in kleuren en geuren te voorschijn komen moge
- dat we nog eens voor de laatste maal de voorwaardelijke wijze gebruiken mogen
- opdat het ons verblijden zou!
Veel is het niet,
maar op het punt waar ik aangekomen ben valt er niet veel méér te verwachten.
Wat me wel nog deert is dat je me lezen blijft, zo talrijk mogelijk. Ik voel me
dan gesterkt, het is het voedsel en het water dat mijn geknelde wortels bereikt
en mijn groei mogelijk maakt; dat me in leven houdt.
Gedenk me in uwe
gebeden vraagt Villiard de Honnecourt;
gedenk me zoals ik ben en zoals ik schrijf vraag ik jullie. Laat me niet alleen
achter met het geschrevene van elke dag, maar neem het op, opdat de essentie
ervan openbloeien moge, gekeerd naar het licht waarvan Suger dacht dat het God
was, ook Akhnaton dacht het van de zon. Ook ik kijk er naar uit om te zien hoe
krachtig het leven is als het getekend wordt door het licht.
We zijn niet zo veel
als het anders is dan wat we wensen dat het zou zijn.
21-05-2019, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
20-05-2019 |
Nog over de kathedraalbouwers |
Wat is van de Islam
die ons belaagt wil ik vandaag het liefst vergeten, wil ik verdoezelen en terugkeren ver in de tijd,
heel ver, de tijd van de kathedraalbouwers, vooraleer hun geest - als hij nog
niet helemaal zou verdwenen zijn? - aan het verwateren is. Alles nu toegespitst
op de grote vraag, waarop we nog steeds een antwoord zoeken: wat bezielde de
bouwmeesters om plots de romaanse bouwstijl te verlaten, en de hoogtes, voor
hen die van het spirituele, op te zoeken en te verwerken in hun bouwwerken
waarvan we ons de moeilijkheidsgraad niet kunnen voorstellen.
Van de jaren duizend
af verrees er in bijna elk dorp in Frankrijk een romaans kerkje in witte steen.
Waar haalde men de bouwmeesters, metsers, steenhouwers, beeldhouwers,
timmerlieden vond weet ik niet. Wel las ik in een document van die tijd dat aan
de edelen, die rijker waren aan kinderen dan aan goud, gevraagd werd hun zonen
op te voeden in de edele kunst van Vitruvius en dat er overal in het land
scholen werden opgericht door de Benedictijnen om de bouwkunst aan te leren. Dit,
en het is niemand minder dan Kafka die dit vertelt, zoals de scholen die door
de Chinese keizer werden opgericht in het vooruitzicht van de bouw van de
Chinese muur.
Maar dan, in het
begin van de XIIde
eeuw gebeurt er iets vreemd in het Westen. De romaanse bouwtrant verzwakt,
verdwijnt en andere zeer goed gevormde bouwmeesters[1] steken
de kop op. Waarvan als voorbeeld, Suger, de abt van St.Denis bij Parijs, de
eerste die gotisch begon te denken. Hij verbouwde zijn abdijkerk door de muren
ervan te openen door het aanbrengen van grotere, wijdere vensters, opdat het
licht - dat God was - binnen zou vallen
op de gelovigen die aldus, via dit licht, nader tot God zouden kunnen komen.
Hij verpulverde zelfs edelstenen, pulver dat hij verwerkte in het glas om meer
kleur te geven aan het licht dat binnen viel. Suger was de eerste in Frankrijk
die hiermede de gotische, in feite zuiver Keltische, gedachte binnen bracht.
Daarna is er Chartres gekomen. Vermoed wordt zelfs dat de oude kerk daar in
brand werd gestoken om een totaal nieuwe te kunnen bouwen, en welke nieuwe: een
kathedraal die alle verwachtingen toen overtrof en nu nog overtreft. Men leze
maar Les mystères de la Cathédrale de
Chartres van Louis Charpentier (Ed.Robert Laffont).
Wie waren die
meesterbouwers, welke bezieling kenden ze en wie sleepten ze mee in die
bezieling. Ik zeg dit maar, omdat ik wens tegemoet te komen aan schrijvers zoals Follett, en er zijn er vele
anderen, die weten waar het omgaat in onze westerse wereld; die zich
vastklampen aan de geest van de kathedraalbouwers, de naamloze, de durvers, die
werkten in het aanschijn van hun, geestbrengende en levengevende God, en niet
alleen zij, iedereen die er aan meegewerkt heeft. Ook de ossen, het gespan
afgebeeld boven op de toren van de kathedraal van Laon - op een hoogte gelegen - werkten voor God en
kregen hun beeld boven op de torens van de kathedraal.
Dit alles is verleden
tijd, er zijn wel durvers gebleven, architecten die het onmogelijk geachte
gebouwd hebben, evenwel in een totaal andere geest. Elke stad van aanzien heeft
nu zijn museum, zijn concerthall, zijn voetbaltempel, om het volk, de toerist,
te lokken. Maar het doel dat beoogd wordt is geldgewin, is sensatie, is machtsvertoon,
maar is geen uiting meer van het metafysische, het religieuze dat woekerde in
de mens van toen.
We hebben, vandaag,
onze erfenis als kathedraalbouwers kwijtgespeeld, opgegeven. Ook in de kunst,
het zijn nu de Koons-en, de Hirst-en die het voor het zeggen hebben. Het is
voor hen dat we zijn gaan knielen en, op een ander gebied, voor de Madonnas
die als godinnen aangesproken worden.
Het kan gebeuren in
tijden zoals deze.
[1] Onder hen, Villiard de Honnecourt die
in het begin van de XIIIde eeuw een soort carnet nalaat, dat als volgt
aanvangt: Villiard
de Honnecourt vous salue et prie tous ceux qui travaillent aux divers genres
d'ouvrages, contenus dans ce livre, de prier pour
son âme et de se souvenir de lui.. (Carnet de Villiard de Honnecourt : XIIIe siècle,
Ed. Stock 1986, p 9).
20-05-2019, 00:10 geschreven door Ugo d'Oorde 
|
|
|
 |
|
 |
E-mail mij |
Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.
|
E-mail mij |
Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.
|
Gastenboek |
Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
|
E-mail mij |
Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.
|
|
|
 |