|
xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Zijn autodafe is
evenwel niet volledig geweest want ook zijn essay over Elias heeft hij
teruggenomen en ook zijn vele dagboeken heeft hij gespaard en nochtans was het
met deze dat hij had moeten beginnen.
Maar welke weemoed
in dit ene gedicht dat hij had overgehouden: Te weten en niet te weten, te
houden en niet te houden, haar niet te bereiken mond waar elke stond zijn
aanvang vond.
Dan herinnerde hij
zich. Het was de namiddag, na de bank, dat hij T.S. Eliot ontdekte in een
Engelse boekenwinkel van de hoofdstad. Hij stond bij het rek Poetry en had een dun boekje genomen
en zijn ogen lazen de eerste zin ervan, toen ze naast hem stond, en ze heel
even maar zijn hand raakte. Hij kende haar. Hij zag haar regelmatig en ze
groette hem telkens met een zachte, belovende glimlach. Hij herinnerde zich
niet meer of hij toen een afspraak had gemaakt met haar, maar ze stond waar hij
stond en Eliot was tussen hen. Intuïtief wisten ze wat volgen zou, alhoewel het
ook een onmogelijke liefde was, maar de eerste stap was gezet en de andere
zouden onvermijdelijk volgen.
Eliot, denkt hij,
hoe diep heb jij en heeft zij me toen niet geraakt. Het nu van dat ene
ogenblik dat zich verplaatst in de tijd naar het nu van deze avond,
onuitwisbaar. Alsof hij haar nog altijd bezitten kan, alsof er nimmer een
afscheid is geweest, geen weggaan van elkaar, zij verdwijnend tussen de mensen
in de drukke straat en hij, verdwaasd en verloren achter gebleven.
|