Twijfel is mijn deel, twijfel mijn gegoochel met de naam van God, twijfel mijn gestamel, want meer is het niet. En jij, je vraagt me of het wel nodig is, in de tijden van nu, uit te weiden over een onderwerp als God, of oneindigheid, of eeuwigheid en, zoals het gebeurt, er telkens op terug te vallen en me erin te vergalopperen alsof er over niets anders zou kunnen gesproken worden.
Zijnde wie ik geworden ben, is het zo, blijft het nodig voor mij hierover te spreken om een lichtpunt te hebben, vooral in morgens zoals deze met de regen tegen het raam en de wind in de lege bomen; vooral als alles buiten nog duisternis is tot de duisternis in mijn gedachten.
Gelukkig, ik las Pessoa voor ik slapen ging, ik las van hem:
‘J’ai la taille de ce que je vois!’ Quelle puissance mentale sans limites que celle qui va du puits de nos émotions les plus profondes jusqu’aux étoiles les plus lointaines qui s’y reflètent et, d’une certaine manière, s’y trouvent ainsi à leur tour. Dès lors, conscient d’avoir appris à voir, je contemple la vaste métaphysique objective des cieux infinis, avec une assurance qui me donne envie de mourir en chantant : ‘j’ai la taille de ce que je vois[1] …
Dit gaat, zoals ik het lees, naar de essentie van het zijn. Dit is van het leven in ons en rondom ons, en enkel van het leven, niet van de omstandigheden, niet van de gebeurtenissen. Het is de eeuwige confrontatie van de mens met wat niet te noemen is, iets dat er is zonder er te zijn, iets dat is, iets dat er onvermijdelijk ‘moet’ zijn, en dat onze hunker betekent, dat onze hunker is naar het onbereikbare
Ik heb de grootte van wat ik zie, of van wat ik denk te zien achter de dingen; het kloppend hart ervan dat ik enkel raken kan met de voelhorens van mijn geest. Voor Pessoa ook was het schrijven een strijd met en over het metafysische bestaan. Hierover schrijven was noodzakelijk voor hem omdat het overige te alledaags, te voorbijgaand was en maar diende als een soort structuur waar hij zijn gedachten kwijt kon. Hij was een man van de dieptes en van de hoogtes, van al wat gebeurde binnen in hem als hij zich geplaatst zag tegenover de oneindigheid van het Universum.
Ik zal niet zeggen dat hij was zoals ik, wel dat ik geschreven heb in zijn spoor, een opeenvolging van stukjes tekst, niet zoals hij het deed, soms op sigarettenblaadjes die hij opsloot in een koffer, maar open en bloot en ook niet met een zelfde literaire geladenheid, verre van, maar dan toch in een zelfde richting en met een inhoud in het spoor van hem. Natuurlijk zal ik er wellicht nooit toe komen te schrijven:
J’ai la taille de ce que je vois. Et la vague clarté lunaire, totalement mienne, commence à abîmer de sa lueur indécise le bleu à demi noir de l’horizon. J’ai envie de lever les bras… en criant des choses d’une sauvagerie inconnue, de lancer des phrases aux mystères.
Wel dat ik de grootte heb van wat ik zie en denk en niet de grootte van mijn gestalte.
[1] Le livre de l’Intranquilité’, par.81, page 92
|