De lezingen in onze vieringen zijn niet altijd licht verteerbare kost. Ook vandaag zullen er mensen zijn die zich afvragen: “Wat kan ik hier mee aanvangen?”
We weten waarom die teksten soms zo lastig zijn. We hoorden vandaag een mengeling van uitspraken, herinneringen, flarden van wat die eerste christenen over Jezus vertelden. Jarenlang gingen die verhalen van mond tot mond, op vele plaatsen, en die herinneringen gingen terug op verschillende momenten in het leven van Jezus, kregen andere accenten, veranderden, werden aangevuld of verbeterd. En vandaag horen we het resultaat van die jarenlange mondelinge overlevering: uitspraken van en over Jezus die leerlingen van Jezus zo goed mogelijk in een min of meer samenhangend geheel hebben uitgeschreven.
Als we de schrift lezen, zijn we parelvissers. Die duiken in een diepte waarin vanalles te vinden is, waarin ze kunnen verdwalen, waarin hindernissen opduiken die vlot zwemmen lastig maken. Maar het is genoeg om één parel te vinden, één uitspraak van Jezus die ons op weg zet om het evangelie beter te begrijpen, en dat lastige teksten in een ander licht kan plaatsen.
Wat Jezus zegt over de verzoening met mijn broeder is zo’n parel. Die parels in het evangelie zijn dikwijls familie van elkaar. Elders lees ik: ik heb liever barmhartigheid dan offers. Deze zinnetjes wijzen in dezelfde richting als het antwoord van Jezus op de vraag wat het grootste gebod is. Hij geeft een verrassend antwoord, want hij noemt er twee. God beminnen, en uw naaste beminnen als uzelf. En die twee zijn aan elkaar gelijk. Dat, zegt Jezus ook vandaag, is de kern van de wet, waaraan geen komma mag veranderd worden.
Waar komt het in het evangelie op aan? Op veel bidden, op vasten, op offers van welke slag dan ook? Op leven geven aan elkaar, zoals ik zelf wil leven. En dat vraagt barmhartigheid voor de mens naast mij, ook in zijn diepste nood, ook als hij alle krediet verspeeld zou hebben en zwaar in de fout zou zijn gegaan. Ja, zoals die man uit Nazareth zich ontfermde over uitschot in de samenleving en de voeten waste van zijn leerlingen, die hem zouden verraden.
Over leven geven gaan die zinnetjes over het uitschelden van je zuster en broeder.
De wet zegt: gij zult niet doden. Daar verandert Jezus geen letter aan. Maar hij gaat verder dan de letter van de wet. Wij kunnen iemand geestelijk doden, wij kunnen door ons gedrag, door onze woorden, door onze onverzoenlijkheid, door ons veroordelen, door onze boosheid het leven van anderen onleefbaar maken, zodat zij ‘geen leven hebben’.
Welke richting willen wij uitgaan, vraagt het evangelie. De weg van het conflict, de strijd, de weg die desnoods over lijken gaat? Als wij hier rond dit altaar samenkomen, betekent dat dat we kiezen voor de weg van de verzoening, ondanks alles. Het betekent dat wij in de richting van Jezus willen gaan, die liever barmhartigheid wil dan offers.