Velen van ons zitten op 1 januari op het puntje van hun stoel te wachten op de eindejaarsconference van Geert Hoste. We lachen voluit met zijn grappen over onze politici, over het koningshuis, over alles wat er is fout gelopen of misgegaan in onze televisieprogrammas, over de echte of vermeende stommiteiten van bekende Vlamingen.
Want lachen met de eigen machthebbers of verantwoordelijken, laten we eerlijk zijn, we doen het graag. We vinden het leuk te horen dat we domme ministers hebben. Dat onze burgemeesters en schepenen zich vergissen, dat onze politie fouten begaat, dat de leden van ons koningshuis zich houterig gedragen. En we knikken meewarig als men zegt dat alles wat fout gaat alleen maar komt omdat we nu eenmaal in een apenlandje wonen.
Ook in onze eigen werkkring, in onze school, in onze buurt, hebben we soms de neiging om fouten of vergissingen van verantwoordelijken uit te vergroten. We hebben daar een spreekwoord voor: niemand is sant in eigen land. Als mensen uit onze onmiddellijke omgeving een grote verantwoordelijkheid te dragen krijgen, zijn we soms overdreven kritisch tegenover hen.
Het heeft misschien ook met jaloezie te maken. Iemand heeft het wat verder geschopt dan wij, is wat hoger op de ladder geklommen, en we gunnen het hem niet helemaal. Jaloezie of afgunst heet dat. We merken het zelfs in het evangelie van vandaag. Jezus is aan het woord in de synagoge en het commentaar van de mensen luidt: is dat niet de zoon van die timmerman?
Waar haalt hij die wijsheid vandaan? Wat geeft hem het recht om zo te spreken?
En dan komt er nog iets bij. Eerst is er jaloezie of afgunst. Men gunt hem zijn succes of zijn populariteit niet. Maar meteen is er een andere reflex: als dit inderdaad één van ons is, kunnen wij daar dan geen voordeel uit halen? Gaat hij ons niet een streepje voor geven? Hij is tenslotte iemand van onze stad, van ons volk. Daar moet voor ons toch iets te rapen vallen ...
Maar dan reageert Jezus bijna onmiddellijk.
Hij haalt twee voorbeelden aan uit het Oude Testament, de weduwe van Sarepta in de tijd van Elia en de Syriër Naäman uit de tijd van Elisa. Beide voorbeelden illustreren de doorbraak van de heidenen. En tonen aan dat het eigen volk niet altijd en niet persé een voorkeurbehandeling moet genieten.
Wat Lucas hier beschrijft is eigenlijk het eerste openbaar optreden van Jezus. En Jezus toont zich hier meteen als een profeet. En een profeet is in feite altijd iemand die weerstand oproept. Een profeet is meestal niet erg geliefd in de tijd waarin hij optreedt en actief is. Zijn reputatie komt gewoonlijk pas later tot zijn recht. In zijn tijd is hij vaak een teken van tegenspraak.
Een profeet is iemand die de waarheid verkondigt. In onze taal geven wij aan het woord profeet vaak de betekenis van iemand die de toekomst kan voorspellen. Maar een profeet heeft veel meer te maken met het heden dan met de toekomst. Een profeet wijst zijn mensen op de tekenen van de tijd. Hij waarschuwt hen voor wat komen kan, als zij die tekenen niet verstaan.
Vandaar dat een profeet wel eens minder populaire theorieën moet verkondigen. Hij wijst mensen op gevaren en wijst hen terecht. Hij roept hen op hun leven te veranderen of om te keren. Het is geen toeval dat we in de advent en de vasten vaak profeten aan het woord horen.
In de eerste lezing hoorden wij Jeremia aan het woord.
Ook een profeet. En aan hem hebben wij in onze taal het woord jeremiëren ontleend. Jeremiëren betekent klagen of jammeren. Jeremia klaagt, zoals het past voor een profeet. Als alles goed gaat, als de mensen leven zoals ze zouden moeten, dan vindt Jahweh het niet nodig een profeet te sturen. Een profeet komt om zijn beklag te maken.
En Jeremia krijgt zijn opdracht mee. Hij moet zijn lendenen omgorden, wat zoveel betekent als: hij moet aan zijn taak beginnen, hij moet aan het werk gaan. En hij krijgt te horen dat hij veel tegenstand zal ondervinden: vanwege de koning, de edelen en het volk. Maar Jahweh spreekt hem moed in en zal hem sterk maken.
Het is een beetje de opdracht die wij ook mee krijgen.
Wij zijn geen profeten, maar we zijn ook geen sant in eigen land. We zijn niet meer in de meerderheid als ons geloof en onze religie ter sprake komen. Maar we blijven hier samenkomen, geraakt en geïnspireerd door Jezus en zijn blijde boodschap.
Daarnaar leven en daarover blijven getuigen is ook onze opdracht