Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    15-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Prof. Larry Cuban over vast patroon in opeenvolgende hervormingsgolven van onheilsprofeten/verlossers

    Prof. em. historische pedagogiek Larry Cuban: Success, Failure, and “Mediocrity” in U.S. Schools (Part 1)

    Samenvatting: vurige pleidooien en mislukkingen van progressieve’ (radicale) hervormers de voorbije 150 jaar volgens een vast patroon.

    *Toen er een generatie progressieve hervormers verdween , stond er weer een andere op. Het hervormingspatroon werd telkens opnieuw herhaald

    * In elke generatie manifesteerden politieke & andere elites zich vooreerst als onheilsprofeten die de zgn. ellende van het vigerende onderwijssysteem overbeklemtoonden en de scholen/leerkrachten veroordeelden voor de lage kwaliteit. De scholen/leerkrachten hadden gefaald. Ze leverden leerlingen af die volgens hen die niet in staat zijn om in de bestaande politieke, economische en sociale wereld hun intrede te doen.

    * Deze vurige schoolhervormers manifesteerden zich vervolgens als de verlossers uit de ellende: hun voorstellen voor nieuwe bestuursvormen, curricula, organisatorische en pedagogische hervormingen ... zouden van de falende scholen, succesvolle scholen maken.

    *De vurige hervormers onderschatten hierbij ook de complexiteit & bestendigheid van scholen als instellingen
    en de middelen die nodig zouden zijn om de door hen voorgestelde hervormingen door te voeren

    * Uiteindelijk, na verloop van tijd, toen de hervormers vaststelden dat de scholen niet voldeden aan hun hoge verwachtingen, verlieten ze teleurgesteld het schip. Teleurgesteld en tegelijk vol afkeer, toegevend dat de scholen niet veel beter waren dan toen ze aan de hervormingen begonnen waren.

    * Hun hervormingen waren mislukt, en de progessievelingen pakten dan uit met allerhande verontschuldigingen (uitvluchten) voor het falen. Het falen was te wijten aan de nukkige leerkrachten die niet wilden veranderen, de zwakke bestuurders, de verstokte bureaucratie, de vijandige ouders ...

    ---------------------

    For the past month or so I have been wrestling with questions that have bugged me for a long time.
    I have learned over the years that school reform have life cycles that follow a singular pattern. Join me in a fast-forward trip through school reform in the U.S.

    Late-19th century Progressives, for example,
    saw overcrowded classrooms, unqualified teachers, immigrants speaking dozens of languages and unfamiliar with being American, rote recitation, massive inefficiencies in administering schools, and students wholly unprepared for an industrial workplace. Schools were failing to educate children and youth. It was a crisis that had to be ended. New curricula, medical and social services, different forms of instruction, innovative school organization and democratic governance became the established ideology for “good” public schools between the 1890s and 1940s.

    After World War II, a rising movement of anti-communism rejected Progressivism in schools and spurred by the Cold War rivalry with the Soviet Union sought to inject academic steel into a Swiss cheese curriculum to produce more engineers, mathematicians and scientists. Again what constituted a “good” school shifted.

    By the mid-1960s, the Civil Rights movement spilled over both segregated and desegregated schools altering again Americans’ sense of what a “good” school is.

    And in subsequent decades, economic fears of Japanese and German exports out-performing U.S. cars, electronics, and other products led to business and civic leaders looking to schools to bolster an inefficient and sagging economy. A Nation at Risk (1983) coalesced those fears into a war plan to revive the economy through making schools stronger academically and turning out graduates who could enter the workplace prepared with requisite knowledge and skills. Again, the definition of a “good” school shifted. The U.S. continues to this day to be in the thrall of this education-cum-economy ideology.

    In this hop-skip-and-jump through the history of U.S. school reform a pattern emerged.
    First, policy elites in each generation, exaggerating existing conditions, condemned schools for their low quality. Schools had failed. They graduated students unfit to enter the existing political, economic, and social world. Then these ardent school reformers proposed governance, curricular, organizational, and instructional reforms that would turn failing schools into successful ones often underestimating the complexity of schools as institutions and the resources needed to make the proposed changes actually alter how schools operated and teachers taught. Finally, after time had passed, as schools didn’t conform to the expectations of these fervent reformers, they walked away in disappointment and disgust saying that the schools were not much better than when they had started. Their reforms had foundered. They blamed, among others, resistant teachers, unthinking administrators, a clogged bureaucracy, and hostile parents.

    As one generation of reformers passed through, another arose and the pattern reasserted itself anew. Historians and social scientists have documented these cycles of reform over the past 150 years (see here, here, here, and here).

    The chronic defeat of major school reforms authored by Progressives, Civil Rights leaders, CEOs and U.S. Presidents to achieve their lofty goals of fundamentally altering the system of schooling over the past century to school the “whole child,” raise all students to high proficiency levels in reading and math, and “personalize learning” reflects the often-used language within schooling of “success” and “failure.”

    For the past month or so I have been wrestling with questions that have bugged me for a long time. I have learned over the years that school reform have life cycles that follow a singular pattern. …
    larrycuban.wordpress.com

    15-12-2017 om 18:12 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:reformpedagogiek
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Blind geloof in zegeningen van universitaire/master -opleiding onderwijzers & regenten, niettegenstaande 5 jaar opleidide leerkrachten in Frankrijk en elders veel lagere leerresultaten behalen

    Unversitaire opleiding/masteropleiding voor onderwijzers/regenten: nu ook in Nederland en Vlaanderen?

    De voorbije dagen, maanden en jaren werden regelmatig voorstellen geformuleerd voor de invoering van een 5-jarige master-opleiding voor onderwijzers en regenten. In de bijlage blijkt dat men daar ook in Nederland al mee bezig is.

    Commentaar:

    Op onze lerarenopleiding leidden we in de periode 1970-1986 onderwijzers en regenten op in een tweejarige opleiding. Die leraren behaalden met hun
    leerlingen prima resultaten : cf. TIMSS vanaf 1995, TPISA vanaf 2000; cf. de veel eisende interdiocesane en kantonnale examens voor 12-jarigen destijds (met moeilijke vraagstukken & andere wiskundeopgaven, grammatica, spelling ...). Maar nu moet het al 5 jaar worden.

    Al in 1989 opteerden universitaire lerarenopleiders (CULOV), pedagogen als Jan Van Damme, Georges Monard en Jan Adé, de secretaris-generaal van het COV Van Beneden, Guy Tegenbos in De Standaard ... voor een universitaire lerarenopleiding van regenten en onderwijzers - en dit naar het voorbeeld van de invoering van de universitaire opleiding in Frankrijk in 1989 : IUFM. Tegenbos scheeft in 1991 zelfs dat zo'n universitaire opleiding al 25 jaar vroeger ingevoerd had moeten worden: dus al in 1966.

    De universitaire opleiding in Frankrijk leidde tot een spectaculaire daling van het onderwijsniveau : voor PISA-Wiskunde 2015 b.v. behaalden de Franse 15-jarigen nauwelijks 486 punten - ongeveer een jaar achterstand op de Vlaamse. In Frankrijk wordt de niveaudaling voor een groot toegeschreven aan de universitaire lerarenopleiding die al te ver afstaat van de praktijk en vooral pedagogische hypes propageert als constructivisme, reformpedagogiek en natuurlijk leren van Freinet ...

    Ook in Finland behaalden de universitair opgeleide leerkrachten voor wiskunde steeds een laqere score voor TIMSS- & PISA. Voor PISA-2003 behaalden onze tso-leerlingen nog 519 punten - evenveel als de doorsnee-score in Finland.

    -------------

    Het argument dat telkens terugkeert, als woordvoerders van de Radboud Universiteit uitleggen waarom ze het toch nodig vonden een universitaire pabo (voluit Pedagogische Wetenschappen van Primair Onderwijs) op te richten, ondanks de jarenlange goedlopende samenwerking met de HAN in de Academische Pabo (ALPO), is dat deze nieuwe opgeleide leraren ervoor zullen zorgen dat ‘wetenschappelijke inzichten worden vertaald in de praktijk van de klas.’

    De vraag is, of dit wel zo’n goed argument is. En er zijn nadelige bij-effecten, zoals het versterken van competitie tussen opleidingen en het leggen van een grotere nadruk op wetenschappelijk bewijs voor effectieve onderwijspraktijken, die beide voorbeelden zijn van een doorgeschoten cultuur van meetbaarheid, die wel ‘performativiteit’ genoemd wordt.
    In de eerste plaats is het niet zo, dat de klassenpraktijk nu verstoken blijft van wetenschappelijke inzichten. Die worden namelijk op reguliere pabo’s óók toegepast, en anders wel op de ALPO. En dan nog, het belangrijkste probleem waar leraren mee kampen, is niet hun gebrek aan wetenschappelijke inzichten, maar het vinden van een balans in het voortdurende beroep dat op ze wordt gedaan, op cognitief, persoonlijk-normatief, emotioneel en ook fysiek vlak.
    Focus op collegiale steun en samenwerking

    Er is weinig in te brengen tegen een pleidooi, dat alle leraren een masteropleiding zouden moeten hebben gevolgd. En ook zouden meer academische routes meer studenten kunnen verleiden om tot leraar opgeleid te worden. Maar waar het om gaat, als we leraren ook willen behouden voor het onderwijs, is collegiale steun en samenwerking. En in de tweede plaats, minder nadruk op ‘performativiteit’, dat wil zeggen: alle activiteiten binnen het onderwijs plaatsen binnen het perspectief van scoren en effectiviteit
    .
    Dat zijn ook wetenschappelijke inzichten, waar de RU hier voor kiest om die te negeren. Er worden op de nieuwe opleiding straks leraren opgeleid die de boodschap meekrijgen: jullie zijn beter, want jullie komen de wetenschap brengen. Daarmee is het gesprek in de lerarenkamer bij voorbaat vergiftigd. Zo importeren we de sterke nadruk op selectie, die een nadelig kenmerk van het Nederlandse onderwijs is, in de lerarenopleiding, en versterken we het hoog/laag-denken. Precies een vorm van ‘performativiteit’ die niet helpt bij het behouden van leraren voor het beroep.

    Goed leraarschap gaat niet alleen over wetenschappelijke kennis (in nauwe zin), maar ook praktijkkennis, voor het vinden van de balans tussen instrumentele en normatieve professionaliteit, voor het primair opvatten van onderwijs en lesgeven als handelingspraktijk. Daarom is voortdurende en intensieve uitwisseling nodig, tussen denken en doen, voelen en redeneren, onderzoeken en uitproberen, en vooral jezelf in vraag kunnen stellen als leraar (en, afgeleid daarvan: als schoolleider, onderzoeker …).

    Deze stap versterkt de versnippering in de opleidingen, daarmee de tegenstellingen binnen de beroepsgroep, verhoogt misschien het imago van deze nieuwe opleiding, maar verlaagt het imago van het vak van leraar in zijn geheel. Het lerarenberoep heeft meer gezamenlijkheid nodig, niet nog meer verdeeldheid.

    En of het voor kinderen beter is, daarover heeft niemand het. Waar is die wetenschappelijke onderbouwing eigenlijk? Of gaan we hier misschien – je durft het haast niet te zeggen – experimenteren met kinderen?
    Een eerdere versie van dit artikel verscheen op het weblog OnderzoekOnderwijs.net

    Onderwijsadviseur Hartger Wassink zet vraagtekens bij de argumentatie voor de start van de nieuwe universitaire pabo.
    scienceguide.nl

    15-12-2017 om 15:01 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:lerarenopleiding
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijskoepels ontkennen dat hun leerplannen de uitholling van het taalonderwijs bevorderden. Niets is minder waar.

    De koepels prijzen hun leerplannen Nederlands. en wassen de handen in onschuld : "onze leerplannen bevatten de nodige handvatten" voor degelijk taalonderwijs. Maar het zijn toch hun modieuze taalrelativerende opvattingen verspreid door de leerplannen en leerplanverantwoordelijken als Ides Callebaut, onderwijsbegeleiders, Leuvens taalcentrum Van den Branden ... die mede verantwoordelijk zijn voor de uitholling. We illustreren dit straks met een gestoffeerde bijdrage.

    Ook het VLOR-rapport 2005 over taalonderwijs opgesteld door Kris Van den Branden stuurde aan op verdere uitholling van het taalonderwjs.

    We schreven er in Onderwijskrant nr. 176 nog een bijdrage over in de context van de nieuwe leerplannen die op komst waren : Zullen/willen taaltenoren uitholling taalonderwijs verder zetten via nieuwe eindtermen/leerplannen voor wat leerplanverantwoordelijken zelf het post-standaardtaal-tijdperk noemen?

    Citaat vooraf: ex-leerplanvoorzitter Ides Callebaut pleitte in 2009 voor een nog sterkere breuk met het systematisch taalonderwijs. Dit kwam tot uiting in krasse beweringen.

    Enkele lllustraties:
    *Als er geen standaardtaal meer is, kunnen leerlingen geen taalfouten tegen die standaardtaal meer maken. *Als gesproken taal niet langer secundair is ten opzichte van geschreven taal, maar zelfs belangrijker, dan moet ook in het onderwijs de aandacht verlegd worden naar de gesproken taal. Dan moeten lezen, grammatica, spelling, ... plaats inruimen voor luisteren en spreken. *Geen afzonderlijke werkwoordspelling meer, maar werkwoorden als vaste woordbeelden. De speciale regels voor de werkwoordspelling zijn overbodig: “in de gesproken taal hoor je het verschil niet tussen 'antwoord' en 'antwoordt', tussen 'antwoorden' en 'antwoordden' en tussen 'heten' en 'heetten'. Dat brengt nooit verwarring mee als de spreker zich duidelijk uitdrukt.” *Geen klassiek en stapsgewijs schrijfonderwijs meer, maar vrij schrijven over eigen ervaringen. *Systematisch onderwijs in woordenschat en AN komen ook niet meer aan bod. (Bij de fietsenmaker spreekt men toch niet over ventiel, maar over soupape).
    *Callebaut is ook een fervent tegenstander van de invoering van intensief NT2-onderwijs. 


    Nog een krasse uitspraak Bart Masquillier, taalbegeleider Guimardstraat:: “De krachtlijnen van onze leerplannen komen in het boek van prof.  Van der Horst over het ‘einde van de standaardtaal’ duidelijk tot uiting. ... Maar dan zal het onderwijs zich ook aan de nieuwe situaties en ‘nieuwe taal’ moeten aanpassen” (Boekbespreking in ‘School+visie, december 2009)

    In 2014 onderschreef de pedagogische directeur van de koepel Machteld Verhelst nog de stelling van prof. Koen Jaspaert (in DS) dat het taalprobleem van veel allochtone leerlingen een 'aangepraat probleem' was en dat NT2 overbodig en zelfs nefast was.

    ----------------------

    1.Uitholling vak en leerplan Nederlands: de slogans nabij

    Een lid van de commissie onderwijs maakte zich tijdens de vergadering van 2 juli 2015 terecht grote zorgen over het taalonderwijs en over de nieuwe eindtermen en leerplannen die opgesteld zullen worden. De centrale bekommernis luidde: “Minister zult u bij de herziening van de eindtermen voldoende inzetten op het versterken van de kennis en beheersing van het Nederlands?”

    De praktijkmensen en professoren als Johan Taeldeman, Wim Van den Broeck, Geert Kelchtermans ... maken zich al lange tijd grote zorgen over de uitholling van het taalonderwijs in de eindtermen en leerplannen. In september 1993 drukten we in Onderwijskrant al uitvoerig onze kritiek uit op de ontwerpeindtermen. Vanaf het einde van de jaren tachtig kwam ook Vlaanderen in de ban van een aantal taalslogans. Ze sloegen niet aan bij de praktijkmensen, maar de ontwikkeling van de eindtermen en van de nieuwe leerplannen werd in de jaren negentig door een aantal universitaire taalkundigen en andere taaltenoren aangegrepen om die taalmythes toch ingang te doen vinden in de praktijk.

    De taaltenoren geven wel grif toe dat de praktijkmensen hun visie niet genegen zijn en heel vaak lippendienst bewijzen. Dit is volgens hen echter enkel te wijten aan de conservatieve ingesteldheid van de leerkrachten.

    We vrezen dat de nieuwe eindtermen/leerplannen die uitholling zullen bestendigen en vergroten. De twee taaltenoren van het (katholieke) leerplan van 1998, Ides Callebaut en Bart Masquillier, proclameerden de voorbije jaren dat er in het poststandaardtaal-tijdperk absoluut geen toekomst meer is voor het klassieke, systematische taalonderwijs. Dit is ook de visie van prof. Kris Van den Branden en zijn Leuvens Taalcentrum. Als de visie van deze taaltenoren wordt gevolgd. zal het vak Nederlands nog verder uitgehold worden. Het is geen toeval dat op de VLOR-startdag van 17 september Van den Branden eens te meer mocht komen verkondigen dat ons Vlaams onderwijs totaal verouderd is.

    Het vak Nederlands werd in de eindtermen- en leerplannen van de jaren negentig, in het tijdschrift VONK en tal van andere publicaties inhoudelijk uitgehold. Onze taaltenoren werk(t)en met simplistische en polariserende slogans als whole-language versus deelvaardigheden, normaal-functioneel versus schools-functioneel, analytisch en globaal i.p.v. synthetisch en systematisch, taalvaardigheid i.p.v. taalkennis, communicatieve competentie; taskbased of taakgericht: confronteer de leerlingen met authentieke taaltaken als een brief schrijven, telefoneren, de krant lezen ... en al de rest komt dan wel vanzelf; geïntegreerd taalonderwijs’inductief’ en al doende, constructivistisch: laat de leerlingen zelf hun kennis construeren, leervraag- of leerlinggestuurd’, ‘post-standaardtaal-onderwijs’ versus artificieel AN-onderwijs ...

    Onder het mom van 'taalvaardigheidsonderwijs' werd Nederlands steeds meer als een 'inhoudsloos vak' voorgesteld. Merkwaardig genoeg besteedde het zgn. vaardigheidonderwijs zelf weinig aandacht aan de vaardigheidsmethodiek: stapsgewijze opbouw, inoefenen, automatiseren en memoriseren. Intensief NT2-onderwijs voor anderstalige kleuters vonden de taalnieuwlichters, het Steunpunt NT2Leuven, de vele universitaire taalachterstandsnegationisten zelfs overbodig.

    2 Callebaut en Masquillier: geen plaats voor systematisch taalonderwijs In post-standaardtaal-tijdperk

    Ex-begeleider en -leerplanvoorzitter Ides Callebaut en Bart Masquillier, zijn mede-verantwoordelijk voor de uitholling van de eindtermen en het leerplan Nederlands (1998). Enkele jaren geleden lieten ze weten dat ze die trend in de toekomst nog verder willen doordrijven.

    Ides Callebaut ijverde in een bijdrage van 2009 voor het in sterke mate relativeren van de standaardtaal en schreef dat dit tevens vérstrekkende gevolgen had voor het taalonderwijs: ‘Wat doen we met ons taalonderwijs als er geen standaardtaal meer is?’ in: School- en klaspraktijk, nr. 199, 2009. Callebaut hing in die bijdrage vooreerst een karikatuur op van het klassieke taalonderwijs.

    Hij schreef vernietigend en zonder schroom: “We dragen nog de last van eeuwen schools taalonderwijs. Hoe is het toch mogelijk dat het onderwijs er toch maar niet in slaagt de nieuwe visie ( zijn visie in het leerplan van 1998) toe te passen?“ Callebaut beseft dus wel dat de praktijkmensen, wijzelf en vele anderen zijn visie niet genegen zijn.

    Callebaut pleit voor een sterke relativering van het belang van het Standaardnederlands en schetst vervolgens zijn idyllisch en fantasierijk post-AN-paradijs: “Als er geen standaardtaal meer is, krijgen we onze taal terug zoals die al die jaren van de mensheid geweest is, uitgezonderd de enkele eeuwen van de artificiële standaardtalen. We zullen taal dan ook gebruiken om banden met andere mensen nauwer aan te halen in plaats van om ons in de eerste plaats van hen te willen onderscheiden. Taal zal weer het middel zijn om in woorden onze eigen wereld op te bouwen en om met anderen te communiceren.”

    Callebaut bepleit voor de toekomt een nog sterkere breuk met het systematisch taalonderwijs. Dit komt tot uiting in krasse beweringen. Enkele illustraties:
    *Als er geen standaardtaal meer is, kunnen leerlingen geen taalfouten tegen die standaardtaal meer maken. *Als gesproken taal niet langer secundair is ten opzichte van geschreven taal, maar zelfs belangrijker, dan moet ook in het onderwijs de aandacht verlegd worden naar de gesproken taal. Dan moeten lezen, grammatica, spelling, ... plaats inruimen voor luisteren en spreken. *Geen afzonderlijke werkwoordspelling meer, maar werkwoorden als vaste woordbeelden. De speciale regels voor de werkwoordspelling zijn overbodig: “in de gesproken taal hoor je het verschil niet tussen 'antwoord' en 'antwoordt', tussen 'antwoorden' en 'antwoordden' en tussen 'heten' en 'heetten'. Dat brengt nooit verwarring mee als de spreker zich duidelijk uitdrukt.” *Geen klassiek en stapsgewijs schrijfonderwijs meer, maar vrij schrijven over eigen ervaringen. *Systematisch onderwijs in woordenschat en AN komen ook niet meer aan bod. (Bij de fietsenmaker spreekt men toch niet over ventiel, maar over soupape).
    Callebaut is ook een fervent tegenstander van de invoering van intensief NT2-onderwijs.

    Aangezien Callebaut ex-leerplanvoorzitter en -begeleider Nederlands (katholieke koepel) was, beschouwen we zijn uitspraken als een belangrijke getuigenis van een insider en mede-verantwoordelijke voor de evolutie binnen ons taalonderwijs. In de paragraaf ‘De leerplanmakers hebben ons eigenlijk al de weg getoond’ suggereert Callebaut dat zijn visie al grotendeels in het leerplan aanwezig is. Ook Bart Masquillier, begeleideropvolger van Callebaut, schrijft: “De krachtlijnen van onze leerplannen komen in het boek van Van der Horst over het ‘einde van de standaardtaal’ duidelijk tot uiting. ... Maar dan zal het onderwijs zich ook aan de nieuwe situaties en ‘nieuwe taal’ moeten aanpassen” (Boekbespreking in ‘School+visie, december 2009).” Beide taaltenoren geven wel grif toe dat de leerkrachten hun taalvisie en taalleerplan weinig genegen waren/zijn. Maar toch sturen ze aan op het verder doorknippen van de banden met het systematisch taalonderwijs.

    3 Ook Leuvens Taalcentrum & VLOR-rapport Taalvaardigheid sturen aan op verdere uitholling

    De relativistische en simplistische taalvisie vinden we ook terug in publicaties van het Leuvens Taalcentrum en ook in het door prof. Van den Brande en Co opgesteld VLOR-rapport Taalvaardigheidsonderwijs Wat de leerlingen zelf doen, doen ze beter! (2005).Met dit rapport wilden de VLORvrijgestelden de stand van zaken binnen de taaldidactiek opmaken en het taalonderwijs bijsturen.

    De kerngedachte in het VLOR-rapport luidt: “De effectieve manier om de schooltaalvaardigheid van de leerlingen te bevorderen is de ‘taakgerichte aanpak. Die neemt de spontane taalverwerving in een natuurlijke (nietschoolse) omgeving als model. Terwijl je de taken van het dagelijkse leven uitvoert, leer je taal al doende, met het nodige vallen en opstaan, missen en treffen. En niet dankzij uiteenzettingen over hoe het systeem van de taal in kwestie in elkaar zit.

    Bij de meeste leerders, kinderen zowel als volwassenen, verloopt dat niet-gestuurde proces van zelfontdekking heel succesvol. Parallel met de situatie in het natuurlijke leven wordt bij de taakgerichte aanpak in klas uitgegaan van het principe dat je taal leert via zelfontdekking, door taal te gebruiken in functie van een bepaald (niet-talig) doel dat moet worden bereikt: een voorwerp moet worden gemaakt, een handeling uitgevoerd, een probleem opgelost..... Ze leren taal door taken uit te voeren, en niet door onderwezen te worden over taal.”

    In dit rapport beweren Van den Branden en Co eens te meer dat systematisch onderwijs in woordenschat, NT2, spelling, grammatica uit den boze is: “Expliciete aandacht voor de betekenis van een woord of voor een grammatica- of spellingregel heeft binnen taakgericht taalvaardigheidsonderwijs enkel een plaats binnen de 'taakcontext' en (bij voorkeur) als de leerlingen vastlopen op het taalelement in kwestie terwijl dat binnen de taak een essentiële rol heeft, bijvoorbeeld de woorden oorzaak en gevolg als de leerlingen een tekst te lezen krijgen over bedreigde diersoorten, of de vorming van de superlatief als ze een informatie-folder moeten schrijven over 'buitengewone' gebouwen in een (fictieve) stad.”

    Kris Van den Branden, Machteld Verhelst en hun Leuvens Taalsteunpunt hebben destijds zelf een alternatieve taalmethode opgesteld. Hun ‘Toren van Babbel’ werd een grote flop. Het is uiteraard geen toeval dat de VLOR-vrijgestelden voor het VLOR-rapport enkel een beroep deden op tegenstanders van systematisch taalonderwijs.

    4 Enorm veel kritiek, verzet en lippendienst

    4.1 Kritiek Taeldeman, Saveyn & Van den Broeck

    In een interview bestempelde prof. em. Johan Taeldeman de taalfilosofie van de eindtermen/leerplannen als 'misdadig' (in: Over Taal, december 2005) Volgens hem luidt de kernboodschap in de eindtermen e.d.: "Als we ons maar vlotjes kunnen uitdrukken! De vorm doet er niet toe.” Taeldeman stelt “dat het volgens de geest van de eindtermen en volgens de visie van een aantal taalkundigen plus minus volstaat dat de betekenis van een geschreven of gesproken 'boodschap' ondubbelzinnig gedecodeerd (begrepen) kan worden.” Vanuit een 'normaal-functioneel' vertrekpunt maakt men zich inderdaad weinig zorgen over het gebruik van de algemeen-Nederlandse termen, de correcte uitspraak, de juiste spelling en grammatica …

    Taeldeman tilde ook zwaar aan eindtermenformuleringen als "de leerkrachten moeten ernaar streven dat de leerlingen 'het gepaste' taalregister gebruiken". Volgens hem "verwart men hier een hoge tolerantie ten aanzien van taalvariatie met een doemaar-aan-mentaliteit die het belang van de vorm van de taal en de invloed van de vorm op de communicatie minimaliseert.Het steekt allemaal niet zo nauw. Communicatieve competentie, assertiviteit en zo, allemaal goed – maar dat mag de
    talige inaccuraatheid niet verdoezelen.” Kris Van den Branden (CTO-Leuven) en Frans Daems (UA) die de eindtermen en leerplanen sterk beïnvloedden, schreven nog eens in 2004 dat systematisch onderwijs van woordenschat, spelling, regels voor woordvorming, grammatica … niet effectief is (Taal verwerven op school, Acco, 2004, 17).

    De vroegere pedagogisch coördinator van de Guimardstraat Jan Saveyn bevestigde in 2007 dat veel praktijkmensen terecht met veel vragen zitten omtrent het vak Nederlands. De misnoegdheid was volgens hem onder meer het gevolg van de invloed van de eenzijdige taalvisie van het Leuvens Taalsteunpunt van Van den Branden en Co. Saveyn beteurde dat het Leuvens Taalsteunpunt opteerde “voor radicaal vaardigheidsonderwijs. Woordenschatrijtjes, zinsontleding, aanleren van grammaticale – en spellingregels … waren uit den boze. De leerling moest volgens de analytische taalverwervingsmethode al doende leren vanuit globale taaltaken (brief schrijven, telefoongesprek. ..) en zelfontdekkend zijn eigen taal analyseren. Vanuit de constructivistische leertheorie moesten de leerlingen enkel geconfronteerd worden met realistische en uitdagende taaltaken. De leraar was vooral coach van het leerproces.” Saveyn vertelde er wel niet bij dat de taaltenoren van het (katholieke) leerplan, Ides Callebaut en Bart Masquillier, in het zelfde taalbedje ziek waren.

    Saveyn concludeerde: “Veel praktijkmensen nemen aanstoot aan de exclusieve keuze voor inhouden vanuit een louter functioneel oogpunt, evenals aan de stelling dat men onderwijsleerprocessen altijd aan realistische, authentieke contexten moet zien te koppelen, aan het ontbreken van banden met de traditie van het systematisch moedertaalonderwijs, aan het geen aandacht schenken aan de verwachtingen van het secundair onderwijs ten aanzien van de basisschool.”

    Uitgerekend een ex-medewerkster van het Leuvens Taalsteunpunt, Machteld Verhelst, werd de opvolgster van Jan Saveyn binnen de koepel. Mogen we van haar verwachten dat zij voor het nieuwe leerplan afstand zal nemen van wat ze vroeger aanbeden heeft? We merkten in elk geval al dat ze zich blijft verzetten tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.

    LeukMeer reacties weergeven
    Opmerking plaatsen
    Opmerkingen

    15-12-2017 om 11:44 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:taalonderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gun het onderwijs rust Het ministerie moet zich laten inspireren door de leegte. Die laat de kwaliteit van de leraren des te beter uit komen,

    Gun het onderwijs rust

    Het ministerie moet zich laten inspireren door de leegte. Die laat de kwaliteit van de leraren des te beter uit komen, aldus Pascal Cuijpers.

    13 december 2017

    Citaat: Wat zou het dan ook mooi zijn, wanneer tijdens deze nieuwe regeringsperiode de minister en staatssecretaris van Onderwijs een pas op de plaats zouden maken en zouden inzetten op het ‘less is more’- principe. Dat ze enkel oog zouden hebben voor het optimaliseren, aanpassen en verbeteren van de praktijk, zonder dat er wederom een berg aan nieuwigheden naar de scholen wordt geschoven. Dat ze leraren weer de kans geven om zichzelf te hervinden.


    Commentaar: dat is ook al lange tijd mijn wens - maar het bleek een vrome wens. Sinds Vlaanderen in 1989 totaal autonoom werd inzake onderwijs is de druk vanuit het steeds groter wordende vernieuwingsestablishment nog sterk toegenomen: de druk van topambtenaren als Georges Monard, de vele vrijgestelden binnen de begeleiding en onderwijskoepels, de nascholingscentra, DVO en de VLOR, de inspectie... Wat we zelf mogen doen, doen we voortaan anders aldus Monard en Co, Kurieren am Symptom heeft geen zin, enkel copernicaanse hervormingen brengen soelaas, want het Vlaams onderwijs is hopeloos verouderd. De gevolgen zijn gekend: niveaudaling op alle onderwijsniveaus. De mensen en de leerkrachten die zich bleven inzetten voor behoud en het verder optimaliseren van de sterke kanten van de sterke Vlaamse onderwijstraditie zorgden er el voor dat de niveaudaling kleiner was dan in veel andere landen. Lippendienst aan tal van pedagogische hypes was hierbij ook een belangrijke strategie.

    In mei 1992 was ik als spreker aanwezig op een oppepsessie van de onderwijsambtenaren onder leiding van Georges Monard in Nieuwpoort- aan Zee. In 1991 was er al zo'n oppepsessie in Dauville. Ik kwam op een bepaald moment even tussen en stelde dat ik schrik had van de revolutie die Monard en Co propageerden. Monard repliceerde monkelend dat het toch verwonderlijk was dat een mei-68-er als Feys schrik had van revoluties. Ik reageerde en stelde dat de meeste revoluties meer nadelen dan voordelen opleverden, en pleitte voor vernieuwen/optimaliseren in continuïteit, voor Aufhebung. Sindsdien was ik persona non grata voor het vernieuwingsestablishment. Jammer genoeg werd mijn waarschuwing in de wind geslagen. 

    --------

    Jarenlang zijn we opgezadeld geweest met ministers en staatssecretarissen van Onderwijs die geen enkele binding hadden of zochten met de mensen die hun ideeën moesten uitvoeren: de leraren. Of zichtbaar waren op de plaats waar het uiteindelijk allemaal moest gebeuren: voor de klas.

    Keer op keer werden onnodige en ondoordachte beslissingen genomen en doorgevoerd (o.a. rekentoets en eindtoets) om deze later weer te herzien. Bureaucratisch bedachte plannen, zogenaamd ‘van, voor en door’ de leraren, werden onbeholpen en onvoldoende onderbouwd op het bordje van de leraren gelegd, inclusief dreigement bij het niet opvolgen van de regels (lerarenregister). Salarissen werden bevroren.

    Er zijn stakingen nodig om de beleidsmakers ervan te doordringen dat goed onderwijs steeds meer een kwestie is van (meer) geld. Passend onderwijs werd ad hoc ingevoerd in het kader van ‘samen leren’, iets wat uiteindelijk neerkomt op ‘samen bezuinigen’ en waarvan uitvallers het kwalijke gevolg zijn. Het mag duidelijk zijn dat een en ander zijn weerslag heeft op de animo van jonge mensen om het prachtige vak van leraar uit te gaan oefenen. Iets wat onherroepelijk zal gaan leiden tot een dramatisch lerarentekort. En dan?

    De overheid zou zich moeten laten inspireren door de fotograaf Koen Verjans die -zoals beschreven in deze krant- een leeg reclamebord inzette om meer oog te krijgen voor de veeleisende wereld om ons heen. Het witte niets. Hij maakte foto’s van landschappen waarin een prominente plek was weggelegd voor zo’n leeg reclamebord. Het werd hem al snel duidelijk dat wanneer je deze lichtreclames vervangt door een steriel ogend wit vlak, dit een bijzondere uitwerking heeft op de omgeving en het reclamebord zelf.
    Het witte vlak geeft namelijk meer dimensie en urgentie aan de foto, doordat het in contrast staat met de drukke omgevingsfactoren die we vaak voor lief nemen of waar we in een zelfde tempo aan voorbij gaan. Een wijze raad, die nog steeds door veel kunstenaars, architecten en schrijvers wordt gehanteerd.

    Wat zou het dan ook mooi zijn, wanneer tijdens deze nieuwe regeringsperiode de minister en staatssecretaris van Onderwijs een pas op de plaats zouden maken en zouden inzetten op het ‘less is more’- principe. Dat ze enkel oog zouden hebben voor het optimaliseren, aanpassen en verbeteren van de praktijk, zonder dat er wederom een berg aan nieuwigheden naar de scholen wordt geschoven. Dat ze leraren weer de kans geven om zichzelf te hervinden.

    Dat ze nu alvast investeren in de toekomst door het aanbieden van een breed gedragen, stabiele basis in plaats van deze verder af te breken. En dat ze ons, de leraren, allemaal een ‘wit vlak’ van rust gunnen, in een onderwijslandschap dat momenteel bol staat van de hectiek, waarin elke leraar niets liever wil dan het verzorgen van goed onderwijs onder gezonde omstandigheden voor elke leerling. Dat is goede reclame voor een van een van de fundamenteelste beroepen. Het is slechts een kwestie van durven om geen angst te hebben voor de ‘leegte’. Enkel dat zal de juiste motivatie geven om het onderwijs weer in het licht te zetten, dat ook nieuwe leraren aantrekt.
    Pascal Cuijpers is leraar beeldende vorming en faalangstreductietrainer op een middelbare school en auteur van o.a. ,,Leraren zijn net echte mensen”.

    Blogger
    Maarten Huygen
    Maarten Huygen is redacteur onderwijs.

    15-12-2017 om 09:52 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:hervorming, vernieuwingsestablishment
    >> Reageer (0)
    14-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leuvense pedagogen Masschelein en Simons: schoolse vorming in het gedrang. Boek over ontscholenden tendensen in debat over toekomst van het Vlaams onderwijs.

    De leerling centraal in het onderwijs? Visie van Maarten Simons & Jan Masschelein (profs pedagogiek KU Leuven)   Schoolse vorming in het gedrang. Over ontscholende tendensen in debat over nieuwe eindtermen/leerplannen (ook ZILL) en grenzen van personalisering van het leerproces.

    Een paar maanden geleden verscheen het boek ‘De leerling centraal in het onderwijs? Grenzen van personalisering ‘ (Acco-Leuven). van de professoren Jan Masschelein en Maarten Simons. De kerngedachte luidt: "De uitdaging is duidelijk: de leerling meer centraal plaatsen komt heel vaak neer op een minder centrale plaats van de school. Maar, zo vragen de auteurs zich af, wat als dat ‘ont-scholen’ niet in het belang van de leerling is? Wat als dat ‘ont-scholen’ de  vorming, vrijheid, gelijkheid in het gedrang brengt?" 

     Op de kaft lezen we: “De leerling meer centraal plaatsen in het onderwijs is sinds lang een bezorgdheid van leraars en pedagogen. Vandaag is het ook een aandachtspunt van beleidsmakers. Verschillende ontwikkelingen getuigen daarvan: leerlinggericht onderwijs, onderwijs op maat en gepersonaliseerde leerpaden, open leertrajecten … De auteurs gewagen van fundamentele verschuivingen: van een onderwijsinstelling naar een leeromgeving, van disciplineren naar begeleiden,  van algemene normen - naar personalisering van het leeraanbod.

    Ze stellen b.v.: “Open leertrajecten, platformen, learning parks … “Als je kijkt naar de voorstelling van de scholen van de toekomst, dan zijn dat vaak geen echte scholen meer die in een beperkte tijd en op een bepaalde plaats een gezamenlijk & vast curriculum afwerken,  maar platformen en open leertrajecten die zichzelf  presenteren als een plaats waar de innovatieve en creatieve vermogens van de leerling aangesproken worden – en in die zin ook wat hen uniek of verschillend maakt (cf. ook voorstelling  in ‘Vlaanderen 2050’ als ‘learning park’). Dit  kinkt aantrekkelijk  omdat de associatie met de creativiteit een soort individuele vrijheid of bevrijding van opgelegde en gemeenschappelijke normen en van het gezamenlijk leren en optrekken binnen de klasgroep suggereert.”

    Aan de hand van pedagogische toetsstenen onderzoekt dit boek de ontscholende tendensen en de grenzen van personalisering/individualisering van het leerproces: “ De uitdaging is duidelijk: de leerling meer centraal plaatsen komt heel vaak neer op een minder centrale plaats van de school”, van de klassieke schoolgrammatica.   De Engelse minister Nick Gibb  formuleert dezelfde bezorgdheid: “The British education system puts too much emphasis on individuals and ignores problems of the collective.” NIck Gibb probeert nu al enkele jaren om de klassieke schoolgrammatica in  Engeland in ere te herstellen.  Zijn visie staat haaks op deze van de Vlaamse leerplanverantwoordelijken en nieuwlichters.     

    Nu in recente bijdragen over nieuwe eindtermen en leerplannen (b.v. ZILL) vooral gepleit wordt voor leerlinggericht, ontwikkelingsgericht, constructivistisch en gepersonaliseerd onderwijs en voor open leertrajecten en leerplannen, lijkt dit boek meer dan welkom. Zelf schreven we de voorbije jaren al veel bijdragen over de ontscholing van het onderwijs (zie o.a. Onderwijskrant nr. 140 & 176).  

     We lazen een uitgebreid interview van Goele Cornelissen & Riet Nackom met de auteurs van dit boek in het COC-blad Brandpunt, oktober 2017. We citeren & omschrijven de belangrijkste uitspraken van de auteurs.   

     Eigenheid van school en schools leren  in het gedrang: ont-scholing  

    “Wat ons opvalt in het hele debat over het centraal stellen van de leerling, van het gepersonaliseerd leren en van open leertrajecten is dat men nauwelijks de vraag stelt naar de eigenheid van de school en het schools leren. We proberen in ons boek  duidelijk te maken dat  het schoolse  leren iets heel specifiek is.   Je hebt daarnaast wel nog verschillende vormen van leren – socialisatie, ontwikkeling, het meester-gezel systeem. Maar er is wel  iets eigens aan de schoolse vorm én die is volgens ons het verdedigen waard. We  willen laten zien dat een doorgedreven focus op leerling gecentreerde en gepersonaliseerde vormen van leren,  niet alleen leidt tot een soort ontscholing, maar vermoedelijk ook niet in het belang is van de leerling zelf.“

     Leerlingen meer aangesproken vanuit hun verschillen, dan vanuit wat ze onderling gemeen hebben, en niet vanuit algemene normen

     Een fenomeen dat samengaat met het nastreven van doorgedreven vormen van personalisering, is dat onderwijsverantwoordelijken er meer en meer van uitgaan dat leerlingen meer moeten aangesproken worden vanuit hun verschillen dan vanuit wat  ze gemeen hebben. Natuurlijk zijn er de individuele verschillen tussen de leerlingen, maar op school is een leerling  toch in de eerste plaats een leerling binnen de klasgroep. 

     Het recht op verschil en personalisering/individualisering van het leerproces wordt ook steeds meer opgeëist door leerlingen. ‘Mijn verschil moet in rekening worden gebracht’, ‘ik wil op alle vlakken dat er met mijn persoon, met mijn identiteit rekening wordt gehouden.’ Waar die eis tot gepersonaliseerde aanpak niet ingelost wordt, stuit men geregeld op een sterke ervaring van onrecht dat de individuele leerling wordt aangedaan.  Dit leidt niet zelden ook tot conflicten die juridisch worden beslecht. Ook dat is iets waar leraren  momenteel vaker mee geconfronteerd worden”. De auteurs wijzen  verderop ook op het feit dat een leerling meer en meer bekeken wordt als een individuele klant-consument met specifieke eisen.  

     Haaks op kenmerken van typisch ‘schools leren’  

    “Het institutionele perspectief dat vandaag ook sterk aanwezig is (in traktaten over het onderwijs van de toekomst) gaat ervan uit dat de manier waarop we vandaag het onderwijs  organiseren, namelijk gezamenlijk leren binnen een vastgelegde tijd en plaats – de school als instelling – niet meer van deze tijd is. Dat jonge mensen op school leerling kunnen zijn, heeft  onder meer te maken met het klassikaal organiseren van het leren. De wijze waarop jonge mensen op een bepaalde manier samengebracht worden in een klas, maakt dat een leraar altijd tot op een zekere hoogte tot iedereen moet spreken. En niet geïndividualiseerd. Dit vergroot ook de kans dat je als leerling wordt aangesproken zoals alle andere, en niet als die speciale leerling die dit wel kan, maar dat niet kan. 

     Waar we in het boek stellen dat het schools leren altijd verbonden is met pedagogische gelijkheid, bedoelen we dat de leraren altijd vertrekken van de positieve aanname dat de leerlingen in staat zijn ‘om wat voorligt’ te leren. Leraren interveniëren natuurlijk  altijd als er indicaties zijn van het tegendeel. Het ‘niet kunnen‘ is echter nooit het vertrekpunt bij het schools leren.  Ook daarin zit in zekere zin de pedagogische vrijheid – in het ingaan tegen het te vlug willen vastleggen van een bepaalde bestemming van de individuele leerling - tegen het er te al vlug van uitgaan dat een bepaalde  leerling bepaalde zaken niet al aankunnen

     

    Het schools leren is  ook  tijd - en plaatsafhankelijk leren – in een bepaalde tijd en in klas een vastgelegd curriculum leren.   Zo onderscheidt het onderwijs zich ook van open leertrajecten en  kwalificaties. We hebben vandaag inderdaad wel (technologische) middelen  om onderwijs  op heel andere wijzen te organiseren die niet langer gebonden zijn aan vastgelegde tijden en plaatsen, maar die flexibel inspelen op de individuele behoeften van de leerlingen. Het (onderwijs)diploma verschuift  zo ook naar (deel-)kwalificaties die niet langer exclusief door onderwijsinstellingen worden uitgereikt. Ook daar zit een heel discours achter dat focust op de leerling die zijn persoonlijke leerresultaten maximaal in rekening wil brengen.”

     Leerling als individuele klant en koning: dienstverleningsperspectief

     “Vanuit het dienstverleningsperspectief van waaruit de school meer en meer bekeken wordt,  wordt leren ook opgevat als het verlenen van een dienst aan individuele klanten. De leerling-klant wordt centraal geplaatst. Van zodra je in een dienstverleningssituatie zit, heb je in zekere zin klanten. Van zodra je klanten hebt, heb je zeer specifieke criteria om naar kwaliteit te kijken. Eén criterium is klantvriendelijkheid. In de context van onderwijs wil dat zeggen dat je de leerling centraal plaatst. De klant is koning, en tegenwoordig wil die klant een gepersonaliseerd product. Je ziet dat bijvoorbeeld heel sterk in het streven naar evaluaties van de leerkrachten en van de school door de leerlingenklanten.  Ook daar zie je dus de focus op het centraal plaatsen van de leerling, de leerling die wil dat er rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke behoeften. 

     Individuele talenten van elke leerling benutten: sociaal-economisch perspectief

     Ook vanuit sociaal-economisch perspectief (kapitaal, efficiëntie, innovatie, creativiteit) kijkt men vaak  naar het onderwijs als een middel om menselijk kapitaal van elke leerling tot ontwikkeling te brengen. Geen enkel talent mag onbenut of onderbenut blijven. Elke leerling waarbij het talent niet tot ontwikkeling wordt gebracht, is economisch verlies. Iedereen en alles moet gemonitord worden en iedereen krijgt een voortdurende feedback  in functie van zo efficiënt mogelijk inzetbare leerresultaten.

     Scholen en onderwijsinstellingen worden op die manier een soort leerfabrieken.  Wellicht niet meer de industriële leerfabriek waar massaproductie plaats vond, maar innovatiegerichte labo’s waar gepersonaliseerde producten worden afgeleverd. Het centraal plaatsen van de individuele leerling is hier dan ingegeven door economische motieven. Aan dit perspectief zit natuurlijk ook een sociaal kantje. Er mag geen talent onbenut blijven. 

     Schoolse vorming in het gedrang 

     Voor het schools leren reserveren we graag de term vorming, schoolse vorming. De school is de plaats waar we de leerlingen middelen aanreiken om zelf vorm te geven aan de toekomst. Om een concreet voorbeeld te geven: de school is niet de plaats om onze moedertaal te leren, maar wel om de grammatica van de moedertaal te leren, om te leren lezen en schrijven.  Het gaat erom leerlingen geletterd te maken in een bepaald vak of beroep, om het aanreiken van middelen om zich tot een vak of een beroep te verhouden, materialenkennis, de uitrusting die je gebruikt om iets te doen, de technieken, de machines, maar  ook om inzicht in de relatie tussen een beroep en de samenleving, de organisatie van economie. Vandaag zeggen bedrijven dat ze heel specifieke vaardigheden zelf goed of  beter en efficiënter kunnen aanleren dan de school.  Maar de gelegenheid tot vorming ontbreekt er veelal. Op school gaat het om voldoende basisvorming, ook in  beroepsgericht onderwijs.

     

     

    14-12-2017 om 11:12 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:Masschelien, ontscholing, schools leren
    >> Reageer (0)
    13-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Furedi over therapieindustrie en jongeren; & Feys over therapeutisering van het onderwijs

    Furedi  over the therapy industry is in danger of screwing up our kids -
    en Feys over therapeutisering van het onderwijs

    (cf therapeutisering van het onderwijs - b.v. in ervaringsgericht onderwijs van Laevers/CEGO : bevrijdings- en genezingsprocessen & dictatuur van welbevinden, in 3 ZILL-leerplannen over persoonsvorming, in ... Zie deel 2)

    Deel 1 : Furedi over therapy industry en jongeren

    Furedi: "Anxiety is an intrinsic part of the human experience. Since the rise of modernity, commentators in every era have described theirs as an Age of Anxiety. Anxiety refers to the concerns and worries people have about the future, and about uncertainty. For centuries, theologians, philosophers and healers have discussed the debilitating effects of anxiety. At times, what we now know as anxiety was referred to as melancholia, or even a kind of hysteria. From the late 19th century onwards, extreme forms of anxiety started to be diagnosed as psychological conditions.

    Until the latter part of the 20th century, this medicalisation of anxiety remained relatively restrained. ...The growing trend for redefining the problems of life as issues of mental health has had a particularly pernicious effect on children and child development. Since the late 1970s, there has been a creeping tendency to portray children as uniquely vulnerable to emotional damage. Before then, it was commonly believed that children could recover their strength and resilience in the aftermath of an emotionally difficult experience. But in the late 20th century, in line with the expanding medicalisation of everyday life, society became preoccupied with the apparent fragility of childhood.

    It was at this point that the idea that mental illness is a common feature of childhood started to gain resonance. In the decades that followed, more and more children came to be diagnosed with a psychiatric illness. This trend was particularly striking in the US, where an estimated 575,000 children were diagnosed with anxiety disorders in the year ending March 2002 – 136,000 of them under the age of 10.

    By the turn of the 21st century, Britain was catching up with the US when it came to the medicalisation of children. Back in 1999, Dr Jennifer Cunningham, a community paediatrician from Glasgow, informed me that ‘mental health is defined so widely that any child who has a normal reaction to adverse circumstances [in their life] is now assumed to have mental-health problems’. The tendency for interpreting the troubles and anxieties of childhood through the prism of mental health has now become a dogma, and worse, it is a dogma through which the young are socialised.
    Children’s mental health is frequently talked about as if it were a condition that needs to be ‘improved’ in to order to save the child from psychiatric problems later in life. Consequently, the normal apprehensions of school pupils are now regularly viewed as medical or mental-health problems.


    Deel 2 Therapeutisering van het onderwijs: Bevrijdingsprocessen; dictatuur van welbevinden en feel-good-curriculum; bevrijding onderdrukte leerling & pedagogische incest

    1 Inleiding over bevrjjdingsprocessen & overzicht bijdrage

    Bevrijdings- en genezingsprocessen in EG(K)O & motorische ontlading van agressie

    De therapeutiserende benadering van het onderwijs komt heel duidelijk tot uiting in de theorie over de zgn. 'bevrijdingsprocessen', een van de belangrijkste pijlers van het EG(K)O.

    Laevers schreef hieromtrent: "Via een ervaringsgerichte dialoog proberen we kinderen te bevrijden uit de emotionele moeilijkheden waarmee ze te kampen hebben. We spreken dan in termen van 'bevrijdingsprocessen' bij kleuters. Het gaat hier op de eerste plaats om de drie à vier probleemkleuters die je wel in elke klas kan aantreffen. Daarnaast zal men ook bij de andere kleuters de noodzaak ontdekken om hulp te bieden bij het verkennen van diepere gevoelens.

    Laevers: "We spreken hier over 'genezingsprocessen'. Het kind wordt geholpen om over een emotionele hindernis heen te komen. Naarmate je als kleuterleidster meer en meer tot de eigen leefwereld van kleuters probeert door te dringen, merk je dat tal van kinderen signalen uitzenden van moeilijk te verwerken emoties. We denken aan de kleuter die zich achtergesteld voelt bij de komst van een broertje of zusje; de kleuter die geen zelfvertrouwen heeft; de kleuter met zijn onuitputtelijke honger naar aandacht en affectie; de agressieve kleuter" (Werkboek voor een ervaringsgerichte kleuterklaspraktijk, 1981, p. 10-11).

    Kinderen en jongeren lijken niet langer meer in staat zelfstandig met moeilijke momenten in hun leven om te gaan. Het (jonge) leven wordt afgeschilderd als een aaneenschakeling van ernstige risico’s en van emotionele stress die vragen om counseling en therapie en om andere vormen van tussenkomst. Bij de therapeutische interactie worden de leerlingen gepercipieerd en behandeld alsof ze op het spreekuur van een psychiater zijn.

    Ook in het verslagboek van het 'Forum Basisonderwijs' over zorgverbreding (1994, p. 137) onderstreepte Laevers nog eens het belang van bevrijdingsprocessen.

    Voor de aanpak van agressieve kinderen raadde Laevers aan om te werken met de methodiek van de 'motorische ontlading': opgekropte spanningen moeten een ontlading vinden. Dit afreageren kon volgens hem o.a. via het laten kloppen op de timmerbank, het laten slaan op dozen…

    Deze kindvolgende 'ontladingstechniek' is wetenschappelijk al lang achterhaald en bevordert enkel de toename van agressie – ook bij de observerende medeleerlingen. Op andere plaatsen lezen we dat het bij bevrijdingsprocessen de bedoeling is dat kinderen weer voeling krijgen met hun ervaringsstroom, oorspronkelijk aanvoelen. In de traditie van de anti-autoritaire schoolbeweging en van Carl Rogers zouden jonge kinderen door hun opvoeding en vele frustraties al vaak vervreemd zijn van hun ervaringsstroom. De leerkracht moet via zijn therapeutisch optreden de band met de ervaringsstroom herstellen.

    ----------
    Bijlage

    1.1 Ego-centrisch welbevinden en voorkomen van falen

    Een goede leerkracht is volgens het EGO en de welbevindenbeweging in de eerste plaats begaan met het momentaan welbevinden en de persoonlijke verwachtingen van de leerling; het kind moet leren als leuk ervaren en men moet frustraties vermijden. Dit was ook de centrale gedachte binnen de onderwijsvisie van minister Vanderpoorten. Laevers stelde onlangs nog dat het heel slecht gesteld is met het welbevinden in het S.O.:"de lessen sluiten immers niet aan bij wat de kinderen boeiend vinden.” Het S.O. is nog steeds leerstof- en prestatiegericht. Het leren is er te abstract, er moet meer aandacht gehecht worden aan de 'intuïtieve intelligentie', aan het concrete … (Annemie Eeckhout, 'Onderwijs fnuikt de creativiteit', Het Nieuwsblad, 26.04.06).

    'Welbevinden' is een toverwoord waarmee je vele richtingen uit kan. Binnen het EGO betekent het minder eisen stellen aan de leerling, soms ook ingaan op zijn allerindividueelste wensen. Van Herpen – directeur CEGO-Nederland – illustreerde onlangs het bevorderen van het 'welbevinden' met twee klassituaties. In een eerste casus kreeg een leerling die meer zin had om verder in een Harry Potter-boek te lezen dan de wiskundeles te volgen, de toestemming om de les wiskunde niet te volgen. Zo’n onmiddellijke beloning verhoogt volgens Van Herpen zijn actueel welbevinden. De tweede illustratie luidde: "In de evaluatiekring vertelt Henk (10 jaar) dat hij voor de zoveelste keer niet goed heeft gewerkt in de rekenhoek. Hij weet dat het ook aan hemzelf ligt. Hij neemt niet het initiatief om een andere plaats te zoeken als hij gestoord wordt. Hij merkt op dat hij in de taalhoek meestal veel beter werkt. Volgens Henk ligt dit aan de opstelling van de werktafeltjes in die hoek. Hij komt met het voorstel om de opstelling van de tafeltjes in de rekenhoek te veranderen. De leerkracht neemt dit voorstel op en vraagt Henk of hij morgen een plattegrondje wil maken van de rekenhoek met de opstelling die hij daar graag ziet. Henk gaat hiermee akkoord. Enige dagen later is de nieuwe opstelling in de rekenhoek naar Henks wens gerealiseerd" (Van Herpen, EGO, JSW, april 2006). Ook volgens CEGO-medewerker Luk Bosman moet men de leerlingen secundair onderwijs voortdurend vragen wat ze zinvol en wenselijk vinden.

    Een 'gewone' onderwijzer heeft geen tijd in het voortdurend bespreken van de allerindividueelste wensen van elke leerling. Verder is stellen van eisen een belangrijke zaak; een leerling kan zich bijvoorbeeld niet zomaar onttrekken aan de wiskundeles. In de klassieke opvatting moet een school vooral begaan zijn met de leerprestaties, met het eisen van inspanningen vanwege de leerlingen – ook voor dingen die niet zomaar 'leuk' zijn.

    De EGO-knuffelpedagogiek komt ook tot uiting in het feit dat het EGO zich overmatig wil moeien met het gevoelsleven van de leerling en die leerling op dit vlak als uiterst kwetsbaar en gekwetst beschouwt. De leerkrachten moeten de onzekere, onderdrukte, angstige, gestresseerde … leerling uit zijn affectieve ellende bevrijden. Laevers spreekt over ‘bevrijdingsprocessen’ en een leraar moet zich therapeutisch opstellen; hij overbeklemtoont de kwetsbaarheid van het kind. De Engelse socioloog Frank Furedy drukt het zo uit: "In sommige Amerikaanse klassen draagt elk kind een T-shirt waarop staat: 'I'm special.' Geen enkel kind mag falen, ze worden niet meer geconfronteerd met echte uitdagingen. Op die manier isoleer je hen voor alles wat vreemd of eigenaardig of potentieel bedreigend is, je leert hen niet meer wat mislukken is. En zo ontneem je hun de mogelijkheid om te leren wat het betekent mens te zijn. Risico's nemen hoort daar nu eenmaal bij” (J. De Ceulaer: 'Iedereen is kwetsbaar, 'KNACK, 24.10.04).

    1.2 Verdiend welbevinden

    De voorbije 15 jaar hebben we geregeld kritiek geformuleerd op het centraal stellen van het 'onmiddellijk welbevinden' van de leerling door Laevers, door topambtenaren, door minister Vanderpoorten, door een aantal onderwijskundigen… Vanderpoorten poneerde al in haar eerste 'beleidsnota' dat het welbevinden centraal moest staan en niet het leren: "Het verwerven van kennis is niet langer de hoofdopdracht van ons onderwijs" (p. 68). Leren op school moest volgens haar vooral als 'leuk' en zeker niet als 'lastig' ervaren worden. Vanderpoorten kreeg dan ook geregeld de kritiek dat ze met haar maatregelen en keuze voor de knuffelpedagogie de leeropdracht en het gezag van de leerkrachten, directies en besturen aantastte.

    We besteedden in Onderwijskrant veel aandacht aan de vele nefaste gevolgen van het overmatig beklemtonen van het 'momentaan welbevinden'. We schreven o.a: "Een school die werkkracht en diepere arbeidsvreugde wil stimuleren moet geleidelijk – langs methodische weg en met zachte hand – een overgang bewerkstelligen tussen onmiddellijk, oppervlakkig plezier voel-je-goed-nu welbevinden, presenteïsme) en een diepere tevredenheid (arbeidsvreugde) die moeilijker te bereiken is dan onmiddellijk en oppervlakkig plezier, maar tot een diepere en duurzamere voldoening (welbevinden) leidt. Een echte school streeft meer het welbevinden en beloning op termijn na dan het onmiddellijk welbevinden. Op enige afstand bekeken zijn veel leerlingen overigens het meest tevreden over veeleisende leerkrachten waarbij ze veel geleerd hebben." Vooral de vaststelling dat men na een inspanning iets gepresteerd heeft, bevordert o.i. het zelfvertrouwen en het gevoel van 'verdiend welbevinden'. Uit de ervaring en uit onderzoek blijkt dat vooral activiteiten waarvoor mensen moeite moeten doen om ze tot een goed einde te brengen veel meer bevrediging schenken dan de genoegens die je zonder noemenswaardige inspanning kunt verwerven.

    1.3 Overzicht bijdrage

    In deze bijdrage diepen we deze thematiek verder uit – vooral aan de hand van recente publicaties waarin het gedachtegoed van Laevers en van de 'welbevindenbeweging' in het algemeen sterk ter discussie staan. In punt 2 laten we vooral prof. Hans Van Crombrugge aan het woord over 'de dictatuur van het welbevinden' – die ook centraal staat in het onderwijspedagogisch onderzoek. Vervolgens beschrijven D. Ravitch en B. Lerner de 'welbevindenbeweging' en het fundamentele verschil tussen het 'onmiddellijk en oppervlakkig welbevinden' à la Laevers het leuk hebben in klas) en het 'uitgesteld' of 'verdiend welbevinden' en zelfvertrouwen dat men op termijn verwerft na een volgehouden inspanning om nieuwe kennis of vaardigheden te verwerven. In punt 4 formuleert prof. Maureen Stouts haar kritiek op het zgn. 'feel-good-curriculum'. We hebben het ten slotte over de psychotherapeutiserende benadering waarbij van leerkrachten verwacht wordt dat ze
    voortdurend inbreken in de gevoelswereld van de leerling, de leerling 'bevrijden' uit hun angst, stress, agressie … en het verloren contact met zijn zgn. ervaringstroom herstellen.

    2 Dictatuur van voel-je-goed-nu welbevinden

    2.1 Welbevinden en leuk-zijn als dé pedagogische norm

    In zijn recente lezing op de COV-studiedag (Kortrijk, 05.04.06) stelde prof. Van Crombrugge dat Vlaamse pedagogen, onderzoekers en beleidsmensen al te weinig het belang van de initiatie in de cultuur en het stellen van eisen beklemtonen, maar vooral het bevorderen van het welbevinden van de leerling. Het pedagogisch gebeuren en het bevorderen van een goed leerklimaat wordt veelal versmald tot de vraag "hoe bevorderen we het (onmiddellijk) welbevinden van de leerling?"…”

    “Bij onderwijsveranderingen gelden als pedagogische norm en criterium veelal ook het zich goed voelen van de leerling.” Dit laatste stond ook centraal in het beleid van minister Marleen Vanderpoorten en in rapporten van veel beleidsadviseurs. Ook in het onderwijspedagogisch onderzoek van de voorbije jaren ging de aandacht volgens Van Crombrugge eenzijdig naar onderzoek omtrent het welbevinden van de leerlingen. Hij verwees in dit verband naar de studie van professor N. Engels, T. Aelterman e.a. "Graag naar school. Een meetinstrument voor het welbevinden van leerlingen in het secundair onderwijs", 2004, Brussel, VUBpress. De onderwijskundigen onderzoeken "hoe de leerlingen de schoolcultuur beleven en dit wordt onmiddellijk gekoppeld aan het welbevinden van de leerling: waar voelt de leerling zich het best. … De vraag naar de meest waardevolle schoolcultuur wordt vertaald in de vraag naar het schoolklimaat waar het kind zich het best in zijn vel voelt. Vragen die peilen naar het schoolklimaat luiden dan: 'Kan er op jouw school al eens gelachen worden?', 'Ben je tevreden over de schoolsfeer?', 'Heb je de indruk dat de school hiervoor voldoende inspanningen levert?', "Is er voor jou voldoende afwisseling tijdens de schooldag'” (Voorbij schoolklimaat en welbevinden, Schoolwijzer, 22.04.06). Terloops: ook in vragenlijsten waarbij scholen peilen naar de beoordeling van het schoolgebeuren door de leerlingen, valt ons op dat veelal gevraagd wordt: 'Vind je wiskunde een leuk vak' en zelden of nooit: 'vind je wiskunde een belangrijk vak'? Moet rekenen even leuk zijn als ‘sport en spel’, vrij lezen…?


    2.2 Onderwijs moet (niet) per se leuk zijn

    Van Crombrugge poneerde verder: "… Als we kijken naar de geschiedenis van onderwijspedagogische ontwikkelingen, dan kunnen we vaststellen dat het welbevinden van de leerling van een voorwaarde voor goed onderwijs meer en meer motief en norm is geworden. … Men heeft de laatste jaren zoveel nadruk gelegd op dat voortdurend zich aanpassen van de leerkracht met als enige norm het welbevinden van de leerling, dat men dreigt te vergeten waar het in het onderwijs om gaat: cultuur. Cultuur zowel als schoolcultuur – die de fond vormt voor het welbevinden van de leerkracht en dat van de leerling, maar ook cultuur als datgene wat in het onderwijs al doorgevend verwerkelijkt wordt met als doel de leerlingen te vormen." Men zou ook kunnen stellen dat de belangrijkste taak van het onderwijs – de cultuuroverdracht via de leermeester – aldus in het gedrang komt.

    De leerkracht die vroeger zijn gedrag bijstelde, deed dat niet in de eerste plaats om zijn les plezant of aangenaam te maken, maar "op grond van zijn ervaring dat zijn methode van lesgeven niet werkte, dat hij er niet in slaagde de leerling te brengen tot het doel dat de leerkracht zich gesteld had (of beter geacht werd na te streven). … Het motief was en bleef dat de leerling zich bepaalde zaken die wij als volwassenen belangrijk vinden voor zijn opvoeding zou eigen maken. Ervaringsgerichtheid, levendig maken… waren enkel middelen daartoe. Het motief was niet dat de leerling zich goed zou voelen, niet dat hij niet gefrustreerd mocht worden, niet dat hij zich nooit eens zou vervelen. De norm voor pedagogisch verantwoord onderwijs was nog niet dat de leerling zich altijd en overal zou amuseren en zich goed in zijn vel zou voelen." Volgens van Crombrugge werd het onmiddellijk welbevinden vroeger niet als hét doel van het onderwijs gezien, maar hoogstens als een van de voorwaarden of aandachtspunten. Men ging er ook niet van uit dat onderwijs per se en steeds leuk kon zijn; men moest voldoende eisen stellen aan het kind en de leerling moest ook leren om te volharden, om door een zure appel te bijten.

    2.3 Welbevinden bij Aelterman en co

    Van Crombrugge verwees in dit verband ook naar de modieuze opvatting van prof. Tonia Aelterman (RU Gent) in haar bijdrage 'Opvoeding en school…' in H. Van Crombrugge (red.). Opvoedend Onderwijs (2001, Gent, Academia Press). Ook in de visie van Aelterman staan het welbevinden en de 'leerlinggerichtheid' centraal. Aelterman beschrijft en onderschrijft de visie in de DVO-tekst uitgangspunten bij de 'basiscompetenties' voor aanstaande leerkrachten waarin resoluut gekozen wordt voor 'leerlinggericht onderwijs' als dé emancipatorische opdracht voor de school. Hierbij wordt de pedagogische kernopdracht van het onderwijs losgekoppeld van leerinhoud en cultuuroverdracht.

    "Het eerste wat Aelterman als pedagogische opdracht van de leerkracht aankruist, is 'de aandacht voor het welzijn van de leerling als persoon. … 'Welbevinden op school drukt', aldus Aelterman, 'een positieve toestand uit van het gevoelsleven … Daarbij is de 'sociaal-emotionele' begeleiding van de leerlingen heel wezenlijk. Aandacht voor de emotionele noden van de leerling verwijst dus vooral naar een positief leefklimaat op school." … Aelterman reduceert weliswaar onderwijs niet tot deze 'coaching', … maar ons punt is dat het pedagogische van het onderwijs omschreven wordt als de aandacht voor het welbevinden van de leerling, het tegemoetkomen aan zijn behoeften, het scheppen van een aangenaam leerklimaat. Aelterman schrijft: 'De pedagogische basis van het leraarschap … gaat om de wijze waarop de leraar de leerling als mens, als persoon benadert, los van de inhouden die het leerplan voorschrijft. Het gaat om de affectieve band tussen leraar en leerling, de zorg om zijn welbevinden en de ontwikkeling van een zingevend vermogen'." Ook CEGO-medewerker Luk Bosman stelt in zijn bijdrage over het S.O. de sociaal-emotionele begeleiding van de jongeren en de ontplooiing van de persoonlijkheid centraal (Participatief leren en onderwijzen, Impuls, maart 2006; zie ook bijdrage over EGO in S.O.). Aan de universiteit leerden we in de jaren zestig nog dat de kern van de pedagogische opdracht vooral te maken had met instructie en vorming (Bildung) en niet losgekoppeld kon worden van de leerinhoud.

    3 'Voel-je-goed-nu' versus 'verdiend' welbevinden

    Diane Ravitch, prof. historische pedagogiek, betreurt dat vanaf de jaren tachtig in de Verenigde Staten en elders 'een self-esteem movement' ontstond waarin zelfwaardering en welbevinden niet enkel als een middel maar ook als het ultieme doel beschouwd werden. Lage prestaties van de leerlingen zouden volgens de pedagogen en psychologen die deze visie propageren in de eerste plaats te wijten zijn aan een laag zelfvertrouwen en welbevinden: "alles dat aanleiding zou kunnen geven tot hogere school-
    resultaten – hoge eisen, punten, examens, huiswerk, correctie van spelling… hield een potentiële bedreiging in voor het zelfvertrouwen en het welbevinden van de leerling. De leerling moet zich vooral goed in zijn vel voelen" (Left Back. A century of failed schoolreforms, Simon & Schuster, New York, 2000). Het EGO situeert zich duidelijk binnen deze 'welbevindenbeweging'.

    De Amerikaanse onderwijskundige Barbara Lerner betreurde in 1996 dat steeds meer pedagogen de indruk wekten dat 'momentaan welbevinden' de héfboom was voor het leerproces Zij maakte een groot onderscheid tussen 'feel-good-now self-esteem' (voel je goed nu-welbevinden à la Laevers) en anderzijds 'earned self-esteem' (verdiend welbevinden), dat het resultaat is van productieve inspanning, doorzettingsvermogen en zelfkritiek (Barbara Lerner, SelfEsteem and Excellence: the Choise and the Paradox', The American Educator, Summer 1996). Er is o.i. een groot verschil tussen motivatie en arbeidsvreugde enerzijds en anderzijds het momentaan welbevinden iets op dit moment als leuk en ontspannend ervaren). Ook de Leuvense onderzoekster Bieke De Fraine stelde vast dat scholen met een meer prestatiegericht karakter precies een grotere tevredenheid vanwege de leerlingen uitlokten (zie paragraaf over prestatiegericht klimaat, doorzettingsvermogen en verdiend welbevinden op pagina 17 in dit Onderwijskrantnummer).

    We mogen ons niet opsluiten in het presenteïsme, in het onmiddellijk welbevinden. Door de hoge eisen die destijds gesteld werden was ons 'onmiddellijk welbevinden' – het als leuk ervaren van vraagstukken of huiswerk – wellicht vroeger iets lager, maar het maken van leervorderingen leverde achteraf het nodige zelfvertrouwen en ('verdiend') welbevinden op. Onze meesters zagen de toename van het welbevinden en zelfvertrouwen vooral als een gevolg van het leerproces, van een geleverde prestatie. Ze gingen er van uit dat vooral de drang om zelfstandig nieuwe woordjes te kunnen lezen, de leesmotivatie bevorderde. Ze geloofden niet dat technische leesoefeningen 'leuk' en 'zinvol op zich' moesten zijn. Barbare Lerner schreef verder dat goed-bedoelde maar misleidende welbevinden-concepten ingebed geraakten in de schoolcultuur van tal van scholen en er een van de hoogste bedreigingen betekenen voor de leer-en leefkansen van de kinderen. Het nastreven van de leerdoelen wordt minder belangrijk dan het therapeutisch nastreven van het onmiddellijk welbevinden en succes.

    4 Feel-Good Curriculum

    4.1 Feel-Good Curriculum

    In 2000 verscheen het boek The Feel-Good Curriculum: The Dumbing down of America's Kids in the Name of Self-Esteem. Prof. Maureen Stouts stelt in deze publicatie dat veel oude vanzelfsprekendheden het moesten afleggen door het centraal stellen van het self-esteem (de zelfwaardering) en het welbevinden van het kind. Self-esteem en welbevinden zijn volgens Stouts de nieuwe mantra geworden van veel opvoeders en leerkrachten en van een aantal ouders. Ze willen vooral voorkomen dat de leerlingen zich minder goed zouden voelen als ze minder presteren of zich te veel moeten inspannen. Een 'dumbeddown' curriculum is volgens haar het gevolg van het vooropstellen van het welbevinden en het selfesteem als belangrijkste doel en het willen vermijden van alle frustratie. In de 'knuffelschool' worden minder eisen gesteld om frustratie en minder momentaan welbevinden te voorkomen en de kinderen worden verwend.

    In dit boek zoekt Stouts ook naar de roots van de 'self-esteem movement'. Deze gaan volgens haar terug naar de 'child-study' reform movement (S. Hall e.a.) die stelde dat de school kindgericht moest werken en niet vanuit klassieke disciplines en thema's. In de jaren dertig had de progressive education movement, met zijn beklemtoning van vrijheid van denken en handelen van de leerling, al een belangrijke invloed op het pedagogisch denken. Bovenop deze beweging kwam er vanaf de jaren zestig de psychotherapeutiserende beweging waarbij de interacties met de leerlingen steeds meer in psychotherapeutische termen gesteld werden en het rechtstreeks stimuleren van het zelfvertrouwen centraal staat. Dit alles samen betekende een radicale breuk met de meest typische kenmerken van de onderwijsgrammatica. Stouts schrijft: "The teacher is no longer respected for the unique skills and talents she brings to the classroom, and becomes nothing more than a caretaker, baby sitter, or counselor for kids who spend their time learning about their feelings and experiencing encounter groups".

    4.2 Vermijden van frustraties

    De goedbedoelde maar slecht doordachte beklemtoning van het welbevinden en het zelfvertrouwen van de leerling – los van het feit of hij het al dan niet goed doet, hindert de vorming van de leerling op tal van manieren: "He becomes narcissitic, doesn't under
    stand his role in the larger community, doesn't learn the relationship between cause and effect, action and consequence in everything from pop quizzes to moral standards”. We geven de kinderen aldus geen echte opvoeding; we onthouden hen wat ze nodig hebben. Omwille van het self-esteem durven we de kinderen niet veel eisen meer stellen.

    4.3 Overbescherming 'kwetsbare' kind

    Probleemgedrag bij kinderen wordt volgens Stouts "ook veel te vlug op naam gebracht van aangeboren defecten zoals ADHD e.d. en te weinig in verband gebracht met een te lakse en verwennende opvoeding. Op die vergoelijkende manier helpen we de kinderen niet om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun leerproces". Ook de Engelse socioloog Frank Furedy hekelt geregeld de neiging tot overbescherming en affectieve betutteling. Hij poneerde in een KNACK-interview: "Als je alle als kwetsbaar voorgestelde groepen binnen ons onderwijs optelt, heb je 120 procent. Iedereen wordt momenteel beschouwd als kwetsbaar. En als je dan vraagt waarvóór we zo kwetsbaar zijn, dan is het antwoord: voor álles. Zodra je kwetsbaarheid beschouwt als dé definiërende eigenschap van mensen, moet je hen tegen alles en nog wat beschermen" (J. De Ceulaer: 'Iedereen is kwetsbaar, 'KNACK, 24.10.04).

    Volgens Stouts mogen kinderen zich best goed voelen in een leersituatie en mag een leerkracht situaties vermijden die echt nadelig zijn voor het zelfvertrouwen, maar al te vaak worden kinderen overbeschermd. Stouts stuurt aan op het zoeken naar een goede balans tussen presteren en momentaan welbevinden/self-esteem. Het is trouwens vooral via het kunnen gebruiken van kennis en vaardigheden dat je werkelijk zelfvertrouwen verwerft en geen leeg 'self-esteem'. Self-esteem zit op de rug van de leerprestaties. Kinderen moeten ook ervaren dat opvoeders en leerkrachten eisen stellen en voldoende sterk begaan zijn met hetgeen ze presteren.

    M. Stouts besloot haar bijdrage aldus: "I'm not advocating that we go back to tying kids in chairs to get them to learn. I'm saying let's go back to some kind of common-sense ideas. I don't think there's any contradiction between being caring and being demanding. You can care about the emotional wellbeing of students and still expect the best of them. If we go to extremes, only the students lose." Stouts verwijst ook naar een grootscheeps onderzoek van 1986 dat besteld werd door 'The California Task Force on Self-Esteem' omtrent het belang van het
    self-esteem voor onderwijs en maatschappij. Niettegenstaande de meeste onderzoekers sympathiek stonden t.a.v. de self-esteem gedachte vonden ze weinig of geen correlatie tussen self-esteem en de vermindering van geweld op school, pesten, gebruik van drugs e.d.

    5 Therapeutische bevrijdingsprocessen 5.1 Therapeutische aanpak kwetsbare kind

    Binnen het ervaringsgericht kleuteronderwijs van Laevers (EGKO) stonden naast het vrij initiatief en de milieuverrijking de pedagogische bevrijdingsprocessen centraal. Laevers sloot zich aan bij de (anti-autoritaire) mythe van het 'creatieve kind' dat onderdrukt en zelfs verminkt en geketend wordt door de beperkingen die opvoeding en onderwijs hem opleggen. Leerlingen worden als heel kwetsbaar en gekwetst getypeerd. Laevers schrijft: "Er zijn o.a. uit therapie-contexten voldoende aanwijzingen om te stellen dat elk kind in sterkere of minder sterke mate problemen doormaakt, die in de relatie met zijn opvoeders, i.c. de kleuterleidster geen erkenning vinden" (Laevers, F., Het EGKO, doctoraatstudie, KU Leuven, 1980, p. 107.) Volgens Laevers komt de leerkracht er niet toe zich in te leven in wat er zich affectief afspeelt in elk kind en door zijn belering onderdrukt hij op zijn beurt het kind.

    De negatieve opvoedingsomstandigheden veroorzaken inperkingen van de (ervarings)mogelijkheden en vervreemding van de eigen ervaringsstroom. Leerkrachten moeten proberen die vervreemding ongedaan te maken "door 'emancipatie', door het proces van herstel van het contact met de oorspronkelijke beleving" (Cursus KU Leuven, 2002, p. 151). De EGO-visie van Laevers is zowel beïnvloed door de psychotherapeutische als de non-directieve beweging (Freud enerzijds, Maslow, Rogers, Holt anderzijds). Hierbij worden de onderwijsdoelen en de interacties met de leerlingen steeds meer in psychotherapeutische termen gesteld. Kinderen moeten worden behandeld als onderdrukte wezens die bevrijd moeten worden van hun ketenen, angsten en stress en terug voeling moeten krijgen met hun oorspronkelijke ervaringsstroom.

    5.2 Ervaringsgerichte, empathische omgang

    Volgens de EGO-visie moet de leerkracht veel aandacht besteden aan de omgang van de leerling met zijn gevoelens; ze moet hierbij frustraties proberen te voorkomen. De leerkracht weet volgens die EGO
    theorie ook precies wat er zich afspeelt binnen elke leerling en wat positieve en negatieve gevoelens zijn. We illustreren dit even aan de hand van een ervaringsgerichte dialoog à la CEGO-Leuven. In de bijdrage 'Pieter, je bent wéér ongehoorzaam geweest!" illustreert Annie Van Steen de theorie van de ervaringsgerichte dialoog waarbij de reflectie op de ‘nare’ gevoelens van de leerling en op de eigen gevoelens – in functie van het welbevinden en niet frustreren van het kind – centraal staat (Kleuters en Ik, juni 1997).

    Van Steen illustreert hoe men een moraliserende en frustrerende aanpak kan vervangen door een ervaringsgerichte. Een kleuterjuf analyseert achteraf haar tussenkomst waarbij ze een kind als 'ongehoorzaam' en 'koppig' terecht wees. We citeren even: "Gezien ik Pieter zag als een koppig kind dat zich verzette tegen mijn richtlijn, werd ik kwaad. Mijn boosheid deed me meteen reageren. Ik heb er eigenlijk niet over nagedacht wat in deze situatie de beste interventie zou zijn. Met boosheid in mijn stem heb ik toen gezegd: Pieter, je bent weer ongehoorzaam, nu ga je eerst opruimen in plaats van frisdrank drinken. Als Pieter enkele dagen later volop aan het bouwen is in de bouwhoek, reageert hij weer niet meteen op het signaal tot opruimen. Maar nu reageert juf Inge meer empathisch en ervaringsgericht: "Juf Inge gaat deze keer naar hem toe en zegt: 'Pieter je bent nog niet aan het opruimen.' Pieter zegt dat zijn kasteel nog niet af is. Dit gedrag geeft juf Inge dit keer geen boos maar eerder een blij gevoel omwille van zijn hoge betrokkenheid. Ze denkt heel even na en zegt dat zij begrijpt dat het niet prettig voor hem is om iets te moeten afbreken als het nog niet eens afgewerkt is. Nu moet hij wel stoppen maar ze stelt voor om straks, bij een volgend keuzemoment het kasteel verder af te werken. Pieter knikt tevreden."

    We kunnen ons voorstellen wat dit betekent als je dit moet toepassen in een klas met twintig leerlingen. We geloven verder dat je totaal onzeker wordt als je als leerkracht niet zozeer het klassikaal belang viseert, maar de individuele gevoelens van 20 ego's. Dit is ook een typische uiting van knuffelpedagogie die alle vormen van frustratie bij de leerlingen wil vermijden.

    De ervaringsgerichte omgang met de leerlingen heeft volgens Laevers alles te maken met het zich empathisch en 'vanuit het middenrif' inleven in elke leerling en met het therapeutisch begeleiden van de ‘nare’ gevoelswereld van het kind. Vorming is op de
    eerste plaats het stilstaan bij en reflecteren op de gevoelens van leerlingen. De therapeutische autoriteit van de leerkracht berust op de vooronderstelling dat hij/zij precies weet welke emoties positief of negatief zijn, hoe elke leerling zich precies voelt en hoe men rechtstreeks kan inwerken op de ‘nare’ gevoelens. Ze berust verder op de veronderstelling dat de leerkracht over de expertise beschikt om de gevoelens rechtstreeks te trainen en te dicteren hoe leerlingen zich moeten voelen. Furedy spreekt in deze context van ‘emotionele conformiteit’: mensen worden in een emotioneel keurslijf geperst. Het EGO heeft de mond vol van autonomie van de leerling, maar het EGO-zelfsturingsdiscours staat haaks op de EGO-bevrijdingsaanpak die zich voortdurend wil moeien met het eigen oordeelsvermogen en met de eigen gevoelens van de leerling.

    5.3 Inbreken in gevoelens

    Dirk Lorré, klinisch psycholoog RU Gent, wees op de grote gevaren en op de rolverwarring die ontstaan als de leerkracht naast de leraarsrol ook nog in sterke mate die van ouder en van 'psychiater' mag en moet opnemen en voortdurend moet inbreken in de gevoelswereld van de leerlingen. Dit is het gevaar dat volgens hem dreigt bij alle non-directieve en therapeutiserende schoolbewegingen, EGOincluis. Zo'n opstelling leidt volgens Lorré ook tot wantrouwen bij de leerlingen en tot een aantasting van de kwaliteit van het onderwijs (Lorré, D., De school als betovering', Caleidoscoop, mei 1991). De leerlingen appreciëren niet dat er voortdurend ingegrepen wordt op hun intieme gevoelens, dat de leerkracht zich voortdurend uitspreekt over hun affectieve identiteit en welbevinden, dat de afstand tussen wat er zich afspeelt op school en thuis te klein wordt, dat leerlingen gevraagd wordt zich uit te spreken over de medeleerlingen…

    Prof. Hans Van Crombrugge stelde in zijn al vermelde spreekbeurt dat hij het niet eens is met het voortdurend inbreken in de leefwereld en de gevoelens die het eigendom van de kinderen zijn; hij noemde dit zelfs ‘pedagogische incest’. De leerling heeft recht op een eigen leefwereld en op eigen gevoelens die voor de leerkrachten tot op voldoende hoogte een geheim blijven. Ook het voortdurend laten opbiechten van gevoelens is o.i. een vorm van 'pedagogische incest’. We zouden het ook een soort aantasting van de privacy kunnen noemen. Die aantasting komt o.i. ook tot uiting waar Laevers verwacht dat de leerkracht ook het welbevinden van het kind in relatie met zijn ouders beoordeelt en
    quoteert. Die neiging om in te breken in de gevoelswereld komt ook tot uiting in de eindtermen – vooral in het leerdomein 'sociale vaardigheden' waar geëist wordt dat we bij de leerlingen een groot aantal affectieve en sociale houdingen nastreven, maar ook tegelijk afdwingen, controleren en rapporteren. Bij een aantal toepassingen van de 'Axenroos' van Cuvelier is ook sprake van verregaand inbreken in de gevoelswereld van de leerlingen.


    6 Besluit

    Op het vlak van de cognitieve ontwikkeling overschat Laevers de innerlijke groeikracht en zelfsturing; op affectief vlak overbeklemtoont hij de kwetsbaarheid van het kind en het vermijden van frustraties. Wijzelf en vele anderen beklemtonen het belang van het ‘verdiend welbevinden’ dat vooral het gevolg is van inspanningen waarbij obstakels overwonnen worden. Leerkrachten bevorderen dit soort welbevinden en zelfvertrouwen door hun enthousiasme voor de leerinhoud (kennis, vaardigheden, voorbeeldige gedragingen van mensen …), door het creëren van een ontspannen leerklimaat – humor incluis, door hun degelijke instructie, door het leren uitstellen van de onmiddellijke behoeftebevrediging en het verhogen van het doorzettingsvermogen, door het expliciteren en appreciëren van de gemaakte vorderingen … Het zijn allemaal zaken die ingaan tegen het overaccentueren van het momentaan welbevinden, de onmiddellijke beloning, de allerindividueelste verlangens en betrokkenheid, de speelschool, de do-it-yourself-pedagogiek.

    Mensen die zich moeten en willen inspannen en bevlogen met de brede wereld bezig zijn, zijn verder minder bezig met hun ego, hun eigen gevoelens en probleempjes. Het ontdekken en ontwikkelen van de eigen sterke kanten en van een betrokkenheid op de wijde wereld, bevordert tegelijk een optimistische en wereldbetrokken levenshouding. Een egogecentreerde en pamperende aanpak à la Laevers levert een maatschappij van eigengereide, verwende en zelfbetrokken 'ego's' op en te weinig mensen die verder kijken dan hun allerindividueelste verlangens en ervaringsstroom.

    The therapy industry is in danger of screwing up our kids.
    spiked-online.com

    13-12-2017 om 14:03 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:therapeutsisering onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pleidooi voor een uitgebalanceerd curriculum kleuteronderwijs, met meer aandacht voor leerkrachtgestuurde activiteiten & pre-academische vaardigheden Haaks op eenzijdig ervaringsgericht kleuteronderwijs van Laevers en CEGO-Leuven

    Pleidooi voor een uitgebalanceerd curriculum kleuteronderwijs, met meer aandacht voor leerkrachtgestuurde activiteiten & pre-academische vaardigheden  Haaks op eenzijdig ervaringsgericht kleuteronderwijs van Laevers en CEGO-Leuven

    1  Inleiding en probleemstelling

    In TIMSS-2015 wordt betreurd dat ons Vlaams kleuteronderwijs te weinig aandacht besteedt aan aanbodgerichte activiteiten en pre-academische vaardigheden voor lezen, rekenen, ... “In ons kleuteronderwijs er opvallend minder aandacht voor cijfers en letters dan in andere landen’, zegt onder- zoekster Margo Vandenbroeck (KU Leuven), die meewerkte aan de Vlaamse analyse van TIMSS: ‘Leren lezen en schrijven b.v. behoort bij ons veel strikter tot het lager onderwijs’ (De Standaard, 30 november 2016). Vlaanderen bengelt bijna helemaal onderaan de rangordening wat de voorbereiding van de kleuters op het eerste leerjaar  betreft.

    Prof. Wim Van den Broeck reageerde instemmend: "Volgens TIMSS doet Vlaanderen het erg slecht qua voorbereiding op de lagere school. Dit is een erfenis van de ervaringsgerichte aanpak (CEGO-Leuven & Ferre Laevers). Zo’n aanpak creëert vooral ook sociale ongelijkheid." Het Vlaamse ontwikkelingsplan voor het kleuteronderwijs verwacht opvallend minder van de kinderen op het einde van de kleuterschool dan in de meeste landen..  Er staat ook geen woord in  verband met de nood aan intensief NT2-onderwijs voor anderstalige leerlingen. In Denemarken, Finland ... wordt veel aandacht besteed aan NT2.

    De ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs zijn in het Vlaams Ontwikkelingsplan 1998 opgesteld vanuit een overwegend kindvolgend ontwikkelingsmodel, in het Engels vaak child-development- of developmental-constructivist, of whole-child approach genoemd. De invloed van de ‘Ervaringsgericht kleuteronderwijs’ (EGKO) van Ferre Laevers was hier vrij groot. De koepelverantwoordelijke voor het ontwikkelingsplan van 1998, An Cardinael, zei me onlangs dat zij inmiddels besefte en betreurde dat de opstellers destijds ten onrechte voor het kindvolgend ontwikkelingsmodel kozen.

    De ontwerpers van de ontwikkelingsdoelen en ontwikkelingsplannen hielden 20 jaar geleden geen rekening met de vele pleidooien voor een meer gebalanceerde en intentionele aanpak, waarbij ook ruimte was voor aanbodgerichte programma’s voor taal- en woordenschatontwikkeling, voorbereidend lezen, beginnend rekenen ... De klok werd zelfs teruggedraaid. Jammer genoeg is dit ook het geval met het recente ZILL-ontwikkelingsplan. In een bijdrage in ‘school+visie’ van  maart 2015 pakt ZILL meer dan ooit uit de zgn. ‘ontwikkelingsgerichte aanpak’ in het ontwikkelingsplan van 1998. Enkel het huidige ontwikkelingsgericht concept van het ontwikkelingsplan zou “ten volle het  opvoedingsproject van het katholieke onderwijs ondersteunen.”  Ook de lagere school moet volgens ZILL in de toekomst ontwikkelingsgericht  werken als in de kleuterschool.  Gelukkig werken heel wat kleuterleerkrachten al op vandaag meer gericht dan in het oude en nieuwe ontwikkelingsplan.

    50 jaar geleden lazen we met veel instemming al een studie waarin het kindertuin- of 'child development'-model'  scherp bekritiseerd werd door de professoren Sullivan, Reidford, Engelman en Ausubel (P. Reidford, ed., Psychology and the Early Childhood Education', 1966, Ontario Institute for Studies in Education). We hebben nooit begrepen dat prof. Ferre Laevers vanaf 1976 met zijn ‘ervaringsgericht kleuteronderwijs’ (EGKO)  geen rekening hield met de vele kritiek die 50 jar geleden toen al te beluisteren viel. Die kritiek stimuleerde me om van bij de start afstand te nemen van het EGKO en er veel bijdragen in Onderwijskrant aan te besteden In het leerplan wiskunde katholiek onderwijs 1998 schreef ik een stukje over rekenen in het kleuteronderwijs waarin ik wel aandrong op een meer intentionele aanpak i.p.v. ontwikkelingsgerichte. Dit stond haaks op het Ontwikkelingsplan voor het kleuteronderwijs.  De ZILL-architecten stellen nu dat ze die tegenstelling wegwerkten, door mijn aanbeveling gewoon te schrappen.  .

    In tal van studies  werd ook de voorbije jaren en maanden aangetoond  dat zo’n ontwikkelingsgericht kleutercurriculum minder effectief is dan een meer uitgebalanceerd en rijker curriculum, een mengeling van kindgerichte en aanbodgerichte activiteiten die in steeds meer landen wordt toegepast. Zo’n evenwichtige en uitgebalanceerde  aanpak bevordert meer gericht de taal-en woordenschatontwikkeling, het beginnend lezen en rekenen ...,  en tegelijk ook attitudes die belangrijk zijn voor de schoolrijpheid: concentratie- en doorzettingsvermogen,  aandachtig leren luisteren,  gerichtheid op de leerkracht en de medeleerlingen ...  Verderop stellen we een groot aantal recente studies voor.

    De grote aandacht momenteel in veel landen voor het kleuteronderwijs heeft ook veel te maken met het feit dat wellicht de belangrijkste aangrijpingspunten voor het bieden van meer ontwikkelingskansen – vooral ook voor kansarme kinderen – zich situeren op he niveau van het kleuteronderwijs.  Het verontrust ons dan ook ten zeerste dat de sector kleuteronderwijs nauwelijks aan bod kwam in het debat van de voorbije jaren over de nieuwe eidntermen/leerplannen en de toekomst van het Vlaams onderwijs.

    2   Belang pre-academische kennis/vaardigheden & meer intentionale aanpak

    2.1   Gebalanceerde aanpakken met aanbod gerichte ingrediënten & pre-academische vaardigheden

    In wetenschappelijke publicaties maakt men veelal een onderscheid tussen twee aanpakken: de zgn. child-development of developmental-constructivist approach (soms ook whole-child genoemd), en de meer uitgebalanceerde aanpak. De voorstanders van een ontwikkelingsgerichte en kindvolgende aanpak vinden dat het vooral moet gaan om spel met materialen (leerling-materiaal interactie zoals in de visie van Piaget), simulatiespel, muzisch bezig zijn, exploreren, ... In dergelijke programma’s krijgen gericht woordenschatonderwijs en technische vaardigheden als letterkennis en klankbewustzijn & voorbereidend rekenen nauwelijks een expliciet plaatsje. Vrij spel in speelhoeken met materiaal staat centraal, “with open-ended activities such as finger-painting, sand and water tables, a dress-up corner, a puppet theatre, blocks, cars and trucks, and so on. Teachers’ roles are primarily supportive rather than directive” (R. Slavin).

    In een  recent rapport van Jenkins & Duncan lezen we op p. 38: “Whole-child curricula (sometimes termed global or developmental-constructivist) emphasize child-centered active learning that is cultivated by strategically arranging the classroom environment. Rather than explicitly targeting developmental domains such as early math skills, whole-child approaches seek to promote learning by encouraging children to interact independently with the equipment, materials and other children in the classroom environment.”

    Volgens dit rapport is zo’n eenzijdige aanpak niet enkel minder effectief, maar ook een moeilijk haalbare opdracht: “Implementing a whole-child curriculum effectively takes considerable skill on the part of the teachers. Each child engages with components of the classroom environment in his or her own way, and the teacher’s task is to support or “scaffold” learning with just the right amount of input –not so little that the child fails to learn, but not so heavy-handedly that the child’s interest in a given task disappears because of a teacher’s instruction. Moreover, the sequence of inputs provided by the teacher should promote cumulative development of academic or socio-emotional skills over the course a goal that is perhaps most difficult of all to achieve.”

    Slavin en Co omschrijven de uitgebalanceerde (= gematigde én-én) aanpak zo: “Gebalanceerde programma’s  combineren de beste aspecten van de  zowel ontwikkelingsgerichte benadering als de aanpak die  zich op het leren van specifieke vaardigheden richt.  Een deel van de dag wordt besteed aan intentionele  activiteiten  die specifiek gericht zijn op het aanleren van taal en aanvankelijke leesvaardigheden – klassikaal of in groepjes.  Veel aandacht gaat naar de planning van zowel leraargerichte als kindgebonden activiteiten die bijdragen aan de vooruitgang in de richting van specifieke taal- en geletterdheidsdoelen. De progressie van de leerlingen wordt goed opgevolgd.”  (Chambers, Chamberlain, Hurley, & Slavin, 2001).

    In een recente reviewstudie van 32 programma’s komen Slavin en Co tot een analoge conclusie met betrekking tot geletterdheid (voorbereidend lezen) en algemene taalontwikkeling.De onderzoekers stelden vast dat bij een meer intentionele en gebalanceerde aanpak kleuters beter scoren op metingen van beginnende geletterdheid (klankbewustzijn & letterkennis) en eveneens voor mondelinge taalontwikkeling dan bij een ‘ontwikkelingsgerichte’ (Chambers, B., Cheung, A., & Slavin, R. ,2015, Literacy and language outcomes of balanced and developmental approaches to early childhood education: A systematic review“ (zie Internet). 

    De kleuters die een gebalanceerd aanbod gevolgd hadden, waren dus ook beter voorbereid op leren lezen,  en hun mondelinge taalvaardigheid was ook beter: “Early childhood programs that have a balance of skill-focused and child-initiated activities programs had significant evidence of positive literacy and language outcomes at the end of preschool and on kindergarten follow-up measures. Effects were smaller and not statistically significant for developmental-constructivist programs.”

    Een andere onderzoeksconclusieluidt:  “Kind-gecentreerd onderwijs met veel vrije activiteiten leidt tot een te grote  letterlijke en figuurlijke  afstand van de leerkracht.  Als kleuters het grootste deel van hun tijd in groepen doorbrengen om met elkaar te praten en te spelen,  krijgen ze te weinig kans om b.v. nieuwe woordenschat te leren en om hun uitspraak te corrigeren vanwege de persoon in de klas die de Engelse taal beter beheerst.”  De leerkracht als taalmodel is uiteraard ook uiterst belangrijk binnen NT2-onderwijs.

    Ook de EURYDICE-studie van 2009 pleit voor een gebalanceerde aanpak met een dosis aanbodgerichte programma’s (directed curriculum woordenschatontwikkeling, voorbereidend rekenen en lezen, ...), die toeneemt naarmate de kleuters ouder worden (Early Childhood Education and Care in Europe: Tackling Social and Cultural Inequalities, 2009 ). Er wordt in die studie ook verwezen naar onderzoek van Spiked e.a. (1998) waatin vastgesteld werd dat een meer gerichte aanpak best kan samengaan met een positief socio-emotioneel klimaat in klas: “There is no reason on why an orientation on emerging school skills using authentic activities in which teachers participate, cannot go together with a positive socio-emotional climate.”

    Inzake ttalonderwijs is het b.v. incidenteel leren van woordenschat volstaat ook niet: “In general, emphazising explicit instruction is the best for beginning and for intermediate students who have limited vocabularies” (A. Hunt & David Beglar, Current research and practice in Teaching Vocabulary, The language teacher, januari 1998.) De meer gerichte en geleide activiteiten bevorderen ook meer de executieve functies.

    Analoge conclusies in de studie ‘Learning in complex environments: the effects of background speech on early word learning’  (McMillan, B., & Saffran, J. R. -2016. Child Development, 87(6), 1841-1855). Kleuters hebben ook moeite om taal te verwerken in een rumoerige omgeving. Achtergrondlawaai hindert kinderen om nieuwe woorden te verwerven. Dit lijkt ons nogal evident. In sterk ontwikkelingsgerichte kleuterscholen à la ervaringsgericht kleuteronderwijs van Ferre Laevers met veel vrij spel gaat het er veelal lawaaierig aan toe. Dit is nog meer het geval als  men een groot aantal kleuters van verschillende leeftijd in & grote ruimte samen plaatst. Verderop in deze bijdrage komen nog een groot aantal studies aan bod.

    2.2  Standpunt lerarenopleider Johan Dewilde en prof. Wim Van den Broeck

    In ‘Het weinige wat we weten over effectief kleuteronderwijs is best schokkend’ (Kleutergewijs 20.06-2017) verwoordt  de Vlaamse lerarenopleider Johan Dewilde zijn visie. We citeren even. “Ons (Vlaamse) brede curriculum (whole-child-aanpak à la Laevers)  drukt een mensbeeld uit. …Hoe meer je vanuit de kinderen laat komen, hoe minder je gericht aan specifieke doelen op vlak van bijvoorbeeld taal of wiskunde kan werken. …Zo’n globale benadering op kleuteronderwijs dat een breed gamma aan leerdoelen vooropstelt en actief leren vanuit het kind propageert, lijkt de verschillen tussen SES-kinderen en andere kinderen eerder te vergroten dan te verkleinen. Dat is een van de markantste conclusies van een team van Amerikaanse onderzoekers dat een overzicht heeft gepresenteerd van wat we weten over effectief onderwijs, onderwijs dat kleuters veel doet leren.

    Nu blijkt dat b.v. de Amerikaanse whole-child curricula de aanzienlijke prestatieverschillen tussen SES-kinderen en andere kinderen op vlak van taal en rekenen wanneer ze met de kleuterschool (pre-K) starten eerder nog een beetje vergroten dan verkleinen. Programma’s met extra aandacht voor taal en of wiskunde daarentegen verkleinen die verschillen aanzienlijk. Het gaat hier niet om drilprogramma’s maar om programma’s aangepast aan de leeftijd van de kinderen waarbij bijvoorbeeld dagelijks in kleine groepjes op een gestructureerde maar speelse manier twintig minuten aan wiskundig denken gewerkt wordt. De verschillen zijn bovendien van dien aard dat degenen die meer op taal focussen ook wiskundewinst boeken en omgekeerd. Een recent blogbericht van Clements (vermaard wiskunde-expert bij kleuters) en Sarama bevestigt dergelijke kruiseffecten vanuit een wiskundefocus naar een bijkomende leerwinst op vlak taal.”

    Ook de Brusselse psycholoog Wim Van den Broeck pleit al vele jaren voor een meer gerichte aanpak in het kleuteronderwijs. In verband met het stimuleren van de executieve functies pleitte hij in 2015  op de website van Klasse voor een dringende bijsturing.. Hij stelde dat de in Vlaanderen veelal gepropageerde kindvolgende & ontwikkelings gerichte aanpak ook belangrijke attitudes i.v.m. schoolrijpheid  en executieve functies verwaarloost. We citeren: “Eén van de belangrijkste en vergeten aspecten bij het schoolrijp maken is ‘het belang van het leren richten van de aandacht’ (o.m. op wat de juf klassikaal zegt). Ook het leren volhouden en doorzetten tot een taak tot een goed einde is gebracht is een belangrijk pedagogisch doel. De huidige ervaringsgerichte aanpak heeft deze essentiële, schoolrijpheid bevorderende, aspecten verwaarloosd. Door voortdurend de nadruk te leggen op het zelf kiezen van activiteiten, creëert men juist keuzedruk en installeert men (ongewild) een voor- en afkeur van bepaalde activiteiten, die de juf toch voor ieder kind belangrijk acht. Als de verwachting is dat alle kinderen bepaalde taken of opdrachten aankunnen en ook echt uitvoeren, dan creëert dat geen overdreven druk, maar precies een sterke gemeenschapszin die alle kinderen motiveert om te leren.”  Conclusie van Van den Broeck: “Het zou goed zijn om het doel van het kleuteronderwijs eens goed te herbekijken, maar dan liefst vanuit een gedegen kennis van de historisch-maatschappelijke ontwikkelingen, de wetenschappelijke kennis van de ontwikkeling van het kind, en niet op grond van oppervlakkige ideologische stellingnamen.”

    Ook wij pleitten voor meer aandacht voor de executieve functies. In de literatuur over het stimuleren van de executieve functies (EF) onderscheidt menvaak twee categorieën: de eerste categorie bestaat uit vaardigheden die het denken aansturen: plannen en organiseren, werkgeheugen, initiatief nemen, gedragsevaluatie. De tweede categorie bevat vaardigheden die emoties en gedragsregulatie aansturen: zelfbeheersing en inhibitie, emotieregulatie, flexibiliteit. De twee categorieën worden ook wel de ‘koude’ en de ‘warme’ EF genoemd.) In dit verband is b.v. het leren volhouden en doorzetten tot een taak tot een goed einde is gebracht een belangrijke doelstelling

    3  The Current State of Scientific Knowledge on (Pre-) Kindergarten Effects

    Op zijn blog van 24 april 2017 bracht de Amerikaanse onderwijskundige Daniel Willingham  een voorstelling van een heel recent Amerikaans onderzoek naar de effecten van voorschools– en vroegschools onderwijs(=vve): The Current State of Scientific Knowledge on (Pre-) Kindergarten Effects.

    Willingham:  “Veel studies wijzen uit dat kinderen die een divers palet van voorschoolse programma’s volgen, meer klaar zijn voor school dan kinderen die geen volgen. De meeste vorderingen zien we op onderwijsgebieden als lezen, schrijven en rekenen. Een kleiner aantal studies naar sociaal-emotionele ontwikkeling tonen in het algemeen meer bescheiden vorderingen op die gebieden.

    De programma’s zijn niet allemaal even effectief. In de succesvolste programma’s kunnen verscheidene effectiviteitsfactoren meespelen. Een effectief curriculum  en het trainen en richting geven aan leraren helpt. De basisconclusie luidt: Curricula die zich op het hele kind richten slagen er onvoldoende in om geletterdheid, rekenvaardigheid en zelfs sociaalemotionele vaardigheden te ontwikkelen. Curricula die ook gericht zijn op vaardigheden als rekenen, lezen scoren veel beter.

    Uit onderzoek onder verschillende groepen kinderen blijkt vaak dat economisch achtergestelde en tweetalige kinderen aan het eind van het voorschools programma sterker vooruit zijn gegaan dan meer bevoordeelde kinderen en kinderen die bedreven zijn in het Engels. Rijke en arme kinderen zouden andere ervaringen hebben als ze geen voorschools onderwijs zouden volgen, waarbij kansarme kinderen een kleinere kans hebben op een verrijkende omgeving dan welgestelde kinderen. Academische en sociale leerresultaten zijn ook niet alleen een product van ervaringen op school, maar ook van ervaringen thuis of andere buitenschoolse ervaringen. Als die niet bijzonder verrijkend zijn, hebben kinderen (in meer of mindere mate) baat bij vervangende voorschoolse ervaringen. Onderzoekers stellen terecht dat dergelijke programma’s zich ruimschoots terugbetalen. Dat voorschoolse programma’s minder succesvol zijn voor het sociaal-affectieve domein heeft te maken met het feit dat de erfelijke aanleg - b.v. temperament - hier een sterkere rol speelt dan bij het lezen e.d.

    4   Studie  Nederlandse prof. P.L. Slot

    Samenvatting van  recente studie van P.L. Slot: Curriculum voor het jonge kind : vanaf 3 jaar ook pre-academische vaardigheden (zie Internet).

    4.1   Vooraf enkele basisconclusies

    *Verschillende interventiestudies met kinderen tussen drie en vijf jaar oud hebben aangetoond dat  curricula gericht op taalontwikkeling, ontluikende geletterdheid en gecijferdheid een positief effect hebben op leerresultaten in de betreffende domeinen en op de leerresultaten in het eerste leerjaar. In veel landen wordt hier meer aandacht aan besteed dan in Nederland.

    *Verschillende internationale review- en overzichtsstudies hebben laten zien dat met name vooral kinderen die het risico lopen op een achterstand, zogenaamde doelgroepkinderen, veel baat  hebben bij een meer uitgebalanceerd aanbod van activiteiten. Ook voor het bevorderen van de aandachtsfunctie en andere executieve functies  geldt dat doelgroepkinderen  sterk blijken te profiteren van het gestuurd aanbod van activiteiten i.v.m. woorden-schatontwikkeling  ontluikende gecijferdheid & geletterdheid. 

    *Ook ouders vinden het voor kinderen vanaf drie jaar belangrijk dat er ook aandacht is voor de ontwikkeling van pre-academische vaardigheden, zoals ontluikende geletterdheid en gecijferdheid.  *Ze vragen ook aandacht voor  algemene leervaardigheden, zoals het uiten van ideeën, vragen stellen, plannen, en nadenken over de omgeving/wereld, bevorderen van concentratie en doorzettingsvermogen:  de zogenaamde ‘soft skills’.”  In de bijlage gaan we  uitvoerig in op deze interessante studie.

    3.2  Inhoudelijke invulling van het curriculum in verschillende landen 

    De invulling van het curriculum-raamwerk verschilt van land tot land, zowel in omvang als in inhoud. Zo telt het curriculum raamwerk voor de Poolse preschool (voorziening voor 3-6 jarigen) zes pagina’s terwijl het raamwerk van Mecklenburg-Vorpommern (een deelstaat in het oostelijk deel van Duitsland) maar liefst 296 pagina’s telt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de mate van detail en inhoudelijke uitwerking sterk verschilt van land tot land.  Sommige landen benoemen de ontwikkelingsdomeinen als ‘vakgebieden’ waar aandacht aan besteed moet worden in het licht van het behalen van ontwikkelingsdoelen, zoals in Engeland, Griekenland en sommige Duitse deelstaten. Terwijl andere landen ver blijven van dit soort terminologie en het informele karakter van voorschoolse voorzieningen benadrukken, zoals Denemarken.   Sommige landen spreken ook wel van leerervaringen of ontwikkelings- en leerdomeinen, zoals Finland, Noorwegen en Portugal.

    Over het algemeen blijkt de uitwerking van de curricula vooral gericht op de hard skills vergeleken met de soft skills. Hoewel er verschillen zijn in de accenten die gelegd worden. Zo wordt er momenteel in Engeland een sterke nadruk gelegd op schoolrijpheid, en dus op de ontwikkeling van pre-academische vaardigheden die het kinderen mogelijk maakt om later succesvol te zijn in de maatschappij. (Tot voor kort was dit niet het geval). In Engeland staan momenteel in de vroege jaren een aantal kerndomeinen centraal (communicatie en taal, fysieke ontwikkeling, persoonlijke, sociale en emotionele ontwikkeling). Naarmate kinderen ouder worden verschuift de aandacht naar meer specifieke domeinen (geletterdheid, rekenen, begrip van de wereld, expressie). 

    We  voegen er nog een verwijzing aan toe naar het huidige kleutercurriculum in Frankrijk. In verband met voorbereidend/beginnen lezen vermeldt het Franse kleuterleerplan o.a.: “Discriminer des sons - Reconnaître les lettres de l'alphabet et connaître les correspondances entre les trois manières de les écrire: cursive, script, capitales d'imprimerie. -Copier à l'aide d'un clavier.–Ecrire son prénom en écriture cursive, sans modèle.- Écrire seul un mot en utilisant des lettres ou groupes de lettres empruntés aux mots connus.”

    I.v.m. beginnend rekenen lezen we: “Dire la suite des nombres jusqu'à trente (i.p.v. tot 5 zoals in onze ontwikkelingsdoelen.) Lire les nombres écrits en chiffres jusqu'à dix. - Quantifier des collections jusqu'à dix au moins; les composer et les décomposer par manipulations effectives puis mentales. Dire combien il faut ajouter ou enlever pour obtenir des quantités ne dépassant pas dix.- Parler des nombres à l'aide de leur décomposition.” Volgens de Vlaamse ontwikkelingsdoelen  moet een kind op het eind van de kleuterschool b.v. slechts tot vijf kunnen tellen. 

    Voor het kleuteronderwijs in Nederland is er geen nationaal curriculum, maar zijn er wel kerndoelen en tussendoelen geformuleerd voor ontwikkelingsdomeinen waar aandacht aan besteed moet worden op de basisschool. Deze kerndoelen hebben betrekking op de inhoud, kennis en vaardigheden in verschillende vakgebieden (zoals lezen, schrijven, rekenen, natuur en technologie, kunstzinnige vorming en beweging), maar hebben ook betrekking op meer algemene leerattitudes, persoonlijke en metacognitieve competenties (zelfredzaamheid, burgerschap en samenwerking). Deze kerndoelen zijn breed geformuleerd en hebben betrekking op de aard van het leerstofaanbod, maar geven geen concrete einddoelen of tussendoelen. Naast de kerndoelen zijn er doorlopende leerlijnen en tussendoelen geformuleerd. De leerlijnen schetsen de inhoud en activiteiten die bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van de kerndoelen. 

     4.3   Hogere verwachtingen bij Nederlandse ouders dan bij de leerkrachten

    Over het algemeen blijken ouders van kinderen van 0 tot 6 jaar veel waarde te hechten aan de bijdrage die voor- en vroegschoolse voorzieningen kunnen leveren aan de ontwikkeling van zogenaamde ‘soft skills’. Hierbij gaat het om interpersoonlijke vaardigheden, zoals contacten en omgang met leeftijdsgenootjes, emotieregulatie, en een persoonlijke leer-/ werkhouding, zoals openstaan voor nieuwe ervaringen, nieuwsgierigheid, enthousiasme en zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen.

    Verder blijkt echter dat ouders het voor oudere kinderen vanaf drie jaar ook belangrijk vinden dat er aandacht is voor de ontwikkeling van pre-academische vaardigheden, zoals ontluikende geletterdheid en gecijferdheid, en aan algemene leervaardigheden, zoals het uiten van ideeën, vragen stellen, plannen, en nadenken over de omgeving/ wereld, de zogenaamde ‘hard skills’. In de meeste landen wordt er voor de jongere kinderen meer waarde gehecht aan soft skills, terwijl het belang van soft en hard skills voor oudere kinderen meer in evenwicht is. 

    Overigens blijken lager opgeleide ouders en ouders met een andere culturele achtergrond dan het land waar zij wonen meer waarde te hechten aan pre-academische vaardigheden vergeleken met midden tot hoogopgeleide ouders of autochtone ouders. Vergeleken met ouders hechtten pedagogisch medewerkers die met kinderen werken  minder belang aan pre-academische vaardigheden voor jongere kinderen. Er lijkt dus sprake te zijn van een kleine incongruentie in wat ouders verwachten en verlangen van het voorschoolse aanbod en wat pedagogisch medewerkers belangrijk vinden in wat zij de kinderen aanbieden. 

    4.4  Relaties tussen curriculumaanbod  & kwaliteitsvoorzieningen en leerresultaten

    Wat weten we over de relaties tussen het curriculumaanbod van activiteiten enerzijds en uitkomsten voor kinderen anderzijds? Eerst zullen we kort stilstaan bij uitkomsten uit internationaal onderzoek alvorens uitkomsten uit Nederlands onderzoek te bespreken. Verschillende interventiestudies met kinderen tussen drie en vijf jaar oud (de typische preschools in bijvoorbeeld de Verenigde Staten) hebben aangetoond dat curricula gericht op taal, ontluikende geletterdheid en gecijferdheid een positief effect hebben op leerresultaten in de betreffende domeinen (Clements & Sarama, 2007; Dickinson & Caswell, 2007; Fantuzzo, Gadsden, & McDermott, 2011; Lonigan, Farver, Philips, & Clancy-Menchetti, 2011)…

    De grootschalige en invloedrijke EPPSE-studie in Engeland concludeerde: ‘De kwaliteit van het curriculumaanbod gericht op ontluikende geletterdheid en gecijferdheid bleek een belangrijke voorspeller van kinduitkomsten, zowel op de korte termijn, in de vorm van betere pre-academische vaardigheden bij aanvang van de school’ (Sylva et al., 2006), als op de langere termijn in termen van betere schoolprestaties op 11-jarige leeftijd (Sylva et al., 2011).

    Onderzoek uit Duitsland laat zien dat meer aandacht voor ontluikende gecijferdheid een positief effect heeft op de rekenvaardigheid op 7-jarige leeftijd (Anders et al., 2013). Verder bleek de implementatie van een curriculum gericht op taal, ontluikende geletterdheid en gecijferdheid, wetenschap en technologie positieve effecten te hebben op de taal- en rekenvaardigheden op 8-jarige leeftijd (Roßbach, Sechtig, & Freund, 2010; Sechtig, Freund, Roßbach, & Anders, 2012).

    Er is ook beperkte evidentie uit Nederland met betrekking tot het activiteitenaanbod in relatie tot leerresultaten. Zo heeft de studie van de Haan en collega’s (2013) in Utrechtse peuterspeelzalen laten zien dat het aanbod van meer activiteiten gericht op taal, ontluikende geletterdheid en gecijferdheid een positief effect had op de ontwikkeling van de vaardigheden van peuters in die betreffende domeinen. Een mogelijke verklaring voor het uitblijven van meer effecten in Nederlandse studies (in vergelijking b.v. met Engeland) kan liggen in het, over het algemeen, geringe aanbod van met name pre-academische activiteiten. Een vergelijking van de curriculum kwaliteit op ontluikende geletterdheid en gecijferdheid met de ECERS-E laat zien dat Nederland veel lager scoort dan Engeland en ook lager dan Portugal met verschillen van een half tot een heel schaalpunt (Slot, Lerkkanen, & Leseman, 2015). 

    De onderzoeken van de Haan en collega’s (2013) en Henrichs & Leseman (2016) hebben twee belangrijke bevindingen laten zien.  De eerste is dat kinderen relatief veel tijd doorbrachten in vrij spel, namelijk zo’n 25% van de tijd (en ook veel tijd verliezen in zogenaamde transities of overgangen tussen activiteiten :zo’n 20%,  en dat kinderen veel minder vaak betrokken waren in taal- of rekenactiviteiten. Daarmee samenhangend, bleek dat kinderen tijdens vrij spel vooral interacties hadden met elkaar, terwijl kwalitatief hoogwaardige interacties met pedagogisch medewerkers vooral plaatsvonden tijdens educatieve gesprekken. Ook de resultaten van de pre-COOL studie hebben laten zien dat de kwaliteit van interacties tijdens educatieve activiteiten hoger was dan tijdens vrij spel (Slot et al., 2015). 

    De Nederlandse studies laten enig bewijs zien voor positieve effecten van met name de educatieve kwaliteit van interacties en het aanbod van pre-academische activiteiten op ontwikkeling van kinderen. Er is meer evidentie voor effecten van spel en specifieke activiteiten voor kinderen die extra aandacht en begeleiding behoeven, zogenaamde doelgroepkinderen, waar in de volgende paragraaf uitgebreid bij stil wordt gestaan.

     4.5  Vooral ook kansarmere kinderen hebben  nood aan rijk en uitgebalanceerd aanbod 

     Belangrijke fundamenten voor de sociaal-emotionele, cognitieve, en taalontwikkeling worden al in de eerste levensjaren gelegd (Shonkhoff, 2010) en om die reden zijn jonge kinderen maximaal gevoelig voor zowel positieve als negatieve ervaringen. Kinderen blijken al op tweejarige leeftijd te verschillen in hun sociale, cognitieve en taalvaardigheden die gerelateerd zijn aan achtergrondkenmerken zoals opleidingsniveau van de ouders, thuistaal en culturele achtergrond (pre-COOL consortium, 2016).

    Eenmaal opgelopen achterstanden worden niet of nauwelijks ingelopen (Ledoux et al., 2015), wat ervoor zorgt dat deze kinderen een minder goede uitgangspositie hebben voor vervolgonderwijs en kansen op de arbeidsmarkt (van de Werfhorst & Mijs, 2010). De SER (2016) voorziet een belangrijke rol voor voorschoolse voorzieningen om kinderen te ondersteunen in hun ontwikkeling om zo achterstanden te verminderen en gelijke kansen voor kinderen te bevorderen. Verschillende internationale review- en overzichtsstudies hebben laten zien dat met name kinderen die het risico lopen op een achterstand, zogenaamde doelgroepkinderen, baat kunnen hebben bij een uitgebalanceerd aanbod van activiteiten (bijv. Magnuson & Duncan, 2015; Yoshikawa, 2013). 

    Het Nederlandse pre-COOL onderzoek heeft laten zien dat met name voor kinderen die een achterstand hebben of het risico lopen hierop vanwege hun gezinsachtergrond gebaat zijn bij hoge kwaliteit van interacties met pedagogisch medewerkers, verrijking en begeleiding van spel en het werken met een VVE programma. 

    Het werken met een VVE programma bleek voor doelgroepkinderen de sterkste voorspeller van hun woordenschatontwikkeling van twee naar vijf jaar (Verhagen et al., 2016). Het werken met een VVE programma betekent dat er meer aandacht wordt besteed aan taal en activiteiten rondom ontluikende gecijferdheid.  Daarnaast bleek de begeleiding en het expliciet verrijken van spel  en fantasiespel in het bijzonder ook een positieve bijdrage te leveren aan de woordenschatontwikkeling. Ook voor de aandachtsfunctie geldt dat doelgroepkinderen blijken te profiteren van het aanbod van activiteiten rondom ontluikende gecijferdheid en de mate van spelverrijking die de pedagogisch medewerkers boden. 

    Hoewel de doelgroepkinderen, op basis van opleidingsniveau van ouders, thuistaal of culturele achtergrond, een achterstand in de aandachtsfunctie en woordenschat hadden ten opzichte van Nederlandse kinderen uit middenklasse gezinnen, werd die achterstand deels ingelopen. Dit inhaaleffect kan verklaard worden door het spel- en activiteitenaanbod en de kwaliteit van de interacties op de kinderopvang- en peuterspeelzaalgroepen.

    De review van Yoshikawa (2013) liet zien dat meer holistische curricula minder sterke effecten lieten zien op de ontwikkeling van kinderen in vergelijking met meer specifiek gerichte, veelal met een focus op pre-academische vaardigheden, curricula. …Een verdiepende observatiestudie van pre-COOL heeft laten zien dat fantasiespel een bijdrage kan leveren aan de cognitieve (planning, monitoring van doelgericht gedrag, volharding en persistentie) en emotionele (emotieregulatie, omgaan met conflicten en zelfcontrole) zelfregulatie die kinderen laten zien mits aan een aantal belangrijke voorwaarden werd voldaan. Zo ging het om relatief lang en doelgericht spel in kleine groepjes kinderen die actief begeleid en ondersteund werden door een pedagogisch medewerker. Verder was de kwaliteit van het spel hoog wat bleek uit een grote mate van symbolisering en een (uitgebreid) rollenspel. 

    Op die manier kan 'begeleid spel 'een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van zogenaamde 21ste eeuwse vaardigheden, zoals samenwerken met mensen van verschillende achtergronden, creativiteit, probleemoplossend vermogen, kritisch denken en zelfregulering. recente ontwikkelingen en de rol van een pedagogisch curriculum .

    De verschillende internationale en nationale onderzoeksgegevens onderstrepen het belang van een pedagogisch curriculum dat kinderen in staat stelt om zich op alle ontwikkelingsdomeinen te ontwikkelen. Hierbij gaat het om de persoonlijke en sociale competenties, aspecten als creativiteit en zelfregulatie, ook wel de soft skills, en ook domeinspecifieke vaardigheden met betrekking tot taal, ontluikende gecijferdheid en geletterdheid. 

     Hoewel de soft skills erg belangrijk worden gevonden kan hier in een pedagogisch curriculum explicieter aandacht aan worden besteed. Door bijvoorbeeld spel- en activiteiten te organiseren waarbij inhoudelijk wordt stilgestaan bij emoties, gevoelens, hoe je op goede wijze met elkaar omgaat en conflicten oplost, identiteit en hoe kinderen hetzelfde zijn en van elkaar verschillen.  Daarnaast is ook gebleken dat aandacht voor pre-academische vaardigheden vrij belangrijk  is. Zo gaat het volgens Catherine Snow – een gerenommeerd Amerikaans onderzoeker aan de Harvard University naar de ontwikkeling van taal en (ontluikende) geletterdheid – bij de woordenschatontwikkeling niet enkel om het uitbreiden van het aantal woorden, maar ook om het uitbreiden van kennis en concepten die een naam hebben. Vanuit die optiek zou dus de inhoud centraal moeten staan. 

    Met betrekking tot de inhoud blijkt dat er in Nederland nog niet heel veel pre-academische activiteiten aangeboden worden, terwijl hier wel positieve effecten van zijn gebleken. Daarnaast heeft de Europese studie laten zien dat met name activiteiten op het gebied van wetenschap en technologie diepgaande en kwalitatief goede interacties uitlokten. Wetenschap en technologie lijkt bij uitstek een onderwerp dat een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van aspecten als creativiteit en probleem oplossen en zou om die reden een grotere rol mogen spelen in een pedagogisch curriculum voor jonge kinderen.

    De manier waarop activiteiten aangeboden worden, lijkt minstens zo belangrijk als de inhoud van het aanbod.  De inhoud van spel of een activiteit kan betrekking hebben op een van de pre-academische vaardigheden (hard skills) terwijl de aard van de activiteit de soft skills kan bevorderen. De begeleider door de kleuterleidster is hierbij heel belangrijk. In het ideale pedagogische curriculum wordt aandacht besteed aan de verschillende leeftijdsfasen waarin de langere, doorgaande ontwikkelingslijnen vorm krijgen en tegelijkertijd wordt stilgestaan bij de verwevenheid van de ontwikkelingsdomeinen.

    6  Jo Kloprogge: Een nationaal curriculum voor het jonge kind - met meer aandacht voor pre-academische vaardigheden

    Een oproep van Jo Kloprogge op 25-07-2017 in didactiefonline.

    In het Europese onderzoeksproject ‘Care’  wordt gesteld dat Nederland terughoudend is bij het vragen van cognitieve inspanning en bij ‘early learning”.en weinig aandacht heeft voor pre-academische vaardigheden Men denkt dat dit ligt aan de Nederlandse angst voor verschoolsing van de ontwikkeling van jonge kinderen. Alle woorden waar ‘school’ in voorkomt bezorgen sommige pedagogen nu eenmaal een leven lang nachtmerries.

     Ik wil hier een pleidooi houden voor een nieuw curriculum voor het jonge kind. Een aantal van u hoor ik al roepen dat we dat al hebben; dat we eerst een pedagogisch kader hadden en sinds een paar maanden zelfs een pedagogisch curriculum onder redactie van Ruben Fukkink. Inderdaad, maar het woordje ‘pedagogisch’ geeft hier meteen de beperking aan. Dit curriculum geeft aan hoe je op een goede manier met jonge kinderen kunt omgaan. De vraag wat je hen moet aanbieden komt slechts mondjesmaat aan de orde.

    Een volwaardig curriculum gaat over zowel het wat als het hoe en het waarom, zoals wordt opgemerkt in de recente notitie ‘Working Toward a Definition of Infant/Toddler Curricula’ van het Amerikaanse Netwerk of Infant/Toddler researchers. Het ‘wat’ betreft de geplande ervaringen en activiteiten om het leren te ondersteunen en uit te breiden en om een daarbij passende omgeving. In Nederland wordt er tot nu toe weinig aandacht besteed aan de vraag ‘wat’ we jonge kinderen kunnen aanbieden.

    Dat komt onder meer naar voren in het Europese onderzoeksproject ‘Care’ waar wordt gesteld dat Nederland terughoudend is bij het vragen van cognitieve inspanning en bij ‘early learning’ en weinig aandacht heeft voor pre-academische vaardigheden. (Commentaar: volgens het recente TIMSS-10-jarigen is dit nog meer het geval in Vlaanderen.). Maar mocht die verschoolsing nou echt een risico zijn, dan zorgt het nieuwe pedagogisch curriculum wel voor immuniteit daartegen.

    Ik heb vooral drie argumenten om een nationaal curriculum voor het jonge kind te vragen. Het eerste is dat het erg belangrijk is dat alle kinderen kennis maken met noodzakelijke basisvaardigheden en met onze cultuur in brede zin. Vooral voor kinderen die opgroeien zonder veel educatieve impulsen thuis, is dit de eerste en misschien enige kans om de basis te leggen voor een stevige schoolloopbaan en straks een maatschappelijke positie. We hebben daar ook als samenleving belang bij. Als kinderen in ons land zich in grotere mate een communale kennis van de wereld eigen maken, kan dat de sociale samenhang alleen maar bevorderen. Het is een zwaktebod om de auteurs van educatieve programma’s of de instellingen zelf de inhoud van de educatie van jonge kinderen te laten bepalen.

    Een tweede argument is dat veel leidsters en leerkrachten behoefte hebben aan meer curriculaire ondersteuning. Ik heb daar geen cijfers over, maar merk wel dat er bij de steeds meer geprofessionaliseerde staf van de instellingen onzekerheid is over wat de kinderen concreet aan te bieden. Zelfs wat betreft de aan te bieden woordjes en het relateren van die woordjes aan concepten, is er nog veel te verduidelijken en te verbeteren.

    Het derde argument is dat we met de enorme groei van kinderopvang en voor- en vroegschoolse educatie al op jonge leeftijd bij kinderen een fundament leggen voor het latere leren. Wat kinderen hier ervaren en opdoen, nemen ze mee naar de basisschool en in hun verdere levensloop. Wat we hun willen meegeven aan ervaringen en kennis, moet goed worden doordacht en uitgewerkt. Dat is een nationaal belang.”

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    13-12-2017 om 10:49 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:ervaringsgericht kleuteronderwijs, CEGO, Laevers
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ervaringsgericht onderwijs van Ferre Laevers en CEGO-Leuven (sinds 1976). Prof. Wim Van den Broeck stelde vorige week in DS dat de slinger ws doorgeslagen in de richting van ervaringsgericht onderwijs e.d.

    Ervaringsgericht onderwijs van Ferre Laevers en CEGO-Leuven (sinds 1976)

    1.         Onheilsprofeet predikt Verlossing uit de ellende

    In 1976  startte de Leuvense profesosor Ferre Laevers met het project Ervaringsgericht Kleuteronderwijs (EGKO). Later trok hij dit door naar het lager en secundair onderwijs. Net als alle andere schoolreformers beklemtonen Laevers en zijn medeweerkers de ellende van de school.

    We bekijken eerst de kritiek  van Laevers en co op het onderwijs in de periode1981-1985  “Volgens Laevers is het traditionele schoolgebeuren bijna uitsluitend bekommerd om de onderwijsgevende en de leerstof. Het gevolg hiervan is dat het onderwijs is ingericht naar de eisen van het leerprogramma. Vermits doelstellingen en leerinhouden op voorhand gepland worden, is eenvormigheid het hoogste ideaal. Er is geen plaats voor creatieve diversiteit. Het EGKO wijst ook op de nefaste invloed van het vooraf formuleren van doelstellingen en plannen van activiteiten. Een strikte planning valt niet te verzoenen met het inspelen op de individuele ervaringen en behoeften van elk kind”  (Katrien Staessens in: De pedagogische relevantie van de zelfontplooiingstendens in onze maatschappij: een kritische analyse. Verhandeling K.U.-Leuven, 1986, 194 pagina’s., p. 48).

    “Op school wordt het kind in zijn diepe affectieve noden weinig beluisterd. Het patroon dat volgens het EGKO naar voor komt vertoont volgende kenmerken. Vooreerst worden heel wat gedragingen bij de opvoedeling, zoals agressie, verdriet, enz. niet aanvaard. De opvoeder komt er niet toe zich in te leven in de wereld van de opvoedeling. Depondt verwoordt het als volgt: “Het is voor de kleuter meestal niet mogelijk om zelf te ervaren of te bepalen welke de betekenis is van zijn gedrag of van zijn gevoelens, omdat de betekeniswerelden van kleuter en leidster nu eenmaal verschillen, en de leidster zich vaak in haar betekeniswereld opsluit. Volgens Depondt wordt een laagje vernis over de reële gevoelens uitgesmeerd“ ( o.c. p. 53).

    … Volgens het EGKO geldt de eerbied voor het gezag in de traditionele opvoeding als een autoritaire eis. Vaak krijgt gezag er de vorm van gehoorzaamheid. “Wat men van kinderen schijnt te verwachten is dat zij in hun ontwikkeling een soort automatische reactie van onderworpenheid zouden ontwikkelen” (o.c. p. 56). Bovendien creëert het traditionele onderwijs een innerlijke onvrijheid, omdat gevoelens systematisch in de doofpot worden gestoken. Volgens Depondt wordt de opvoedeling een ja-knikker in wie alle initiatief wordt gedood.

    Staessen: “Volgens Laevers brengt een dergelijke strakke opvoeding, die op blinde gehoorzaamheid is gericht, alleen ‘makke’ kinderen voort. Door middel van repressie, dogma en frustratie, gaat de opvoeder immers in tegen de oorspronkelijke behoeften van het kind. De opvoeder gaat niet uit van de eigen exploratiedrang van het kind, waardoor het van zijn eigen, innerlijke groeiproces vervreemdt. Het unieke, individuele kind, met zijn eigen behoeften en ervaringen dreigt verloren te gaan omdat er geen ruimte is om de eigen ontwikkelingsdrang te volgen. … Het fundament van deze problematische elementen zit volgens Laevers in de vooronderstelling die in de traditie besloten ligt, namelijk dat de mens in wezen slecht is. … “Als opvoeder moet men a.h.w. het kind helpen zijn natuurlijke neigingen te bestrijden … Dit leidt ertoe dat het kind een deel van zijn natuur, zeg maar een deel van zichzelf, gaat verwerpen.”

    2. Zelf-realisatie en groeimetafoor : omgangskunde

    2.1    Omgangskunde ‘vom Kinde aus’: zelfontplooiingsmodel

    Ferre Laevers startte in 1976 met het zgn. EGKO = Ervaringsgericht kleuteronderwijs.  Laevers negeerde en bekritiseerde de kenmerken van het klassieke onderwijsmodel.  Laevers inspireerde zich in sterke mate op het ontplooiingsmodel à la Carl Rogers (Freedom to learn van 1968) waarin de groeimetafoor centraal staat. Net als de vertegenwoordigers van de Nieuwe Schoolbeweging geloofde Laevers in de natuurlijke ontwikkeling van het kind, in een van binneuit door innerlijke wetmatigheden geleid groeiproces. Laevers stelde in 1976 het EGKO voor als de verlossing uit de ellende. En ook nog in 1992 en 1995 omschreef hij ons basisonderwijs als 'barbaars' en ‘autoritair’. Als alternatief pleitte hij voor het zelfontplooiingsmodel.

    Prof. Marc Depaepe (KU Leuven) typeerde het EGO van zijn collega Laevers in 1982 als volgt: "De leidster laat het initiatief voor de (zelf) ontwikkeling zoveel mogelijk aan de kleuters over, terwijl de leidster anderzijds zo weinig mogelijk zelf iets opdringt … Men kan niet ontkennen dat het EGKO zich binnen de klassieke strijdvraag 'führen oder wachsenlassen" dicht bij de pool van het wachsenlassen bevindt" (Tussen führen' en 'wachsenlassen', Pedagogisch Tijdschrift, jg. 7, 1982, p. 394).  Na een aantal jaren richtte Laevers in Leuven zijn’ Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs’, CEGO, op. Hij kon ook op veel steun vanuit het departement rekenen; vooral ook toen het CEGO begin de jaren 1990 een GOK-Steunpunt werd. 

    Het EGO (ervaringsgericht onderwijs) van Laevers bekijkt het kind als een op zichzelf besloten wezen (individuum, ego) dat zichzelf ontwikkelt vanuit aangeboren criteria en vanuit zijn allerindividueelste 'ervaringsstroom', behoeften en verlangens (= nature-model). Het ‘ego’ van de leerling voert de boventoon. Het EGO biedt geen omvattende onderwijstheorie; het gaat vooral  om ErvaringsGerichte Omgangskunde en om een pleidooi voor verregaande ontscholing en ont-intellectualisering van het onderwijs.

    Katrien Staessens (o.c.) typeerde de visie van Laevers als volgt: “Mede vanuit de kritiek op de traditie, wordt gestalte gegeven aan een nieuw alternatief opvoedingsdenken waarin de zelfontplooiing als kernbegrip wordt beschouwd. Laevers en co propageren het naturalistisch groeimodel. Laevers spreekt over ‘de aanwezigheid in het kind van een onuitputtelijke drang om te groeien, om de wereld en zichzelf steeds meer te verkennen en verder te ontwikkelen en te beheersen’. Deze innerlijke drijfkracht is een soort ‘ingebouwd kompas’ dat het organisme leidt naar maximale ontplooiing.

    In het EGKO wordt dit vertrouwen vertaald in het geloof dat het kind op elk moment datgene kiest wat zijn ontwikkeling het meest bevordert (cf. principe van het vrij initiatief). Elk kind komt via zijn eigen weg en een eigen reeks activiteiten tot ontwikkeling. De ontwikkelingsdrang drijft het kind op een bepaald moment naar activiteiten van een andere, hogere orde. Deze spontane exploratiedrang, als rijke bron van energie, is de beste garantie voor de verdere ontwikkeling van het kind. De ontwikkeling wordt immers gestuurd vanuit een innerlijke wetmatigheid” (p. 72). … Het einddoel van de ervaringsgerichte omgang werd oorspronkelijk omschreven als ‘zelfrealisatie’ en later als ‘emancipatie’.

    Volgens het EGKO kan “de opvoeder dan ook niet zomaar vanuit zijn denken, zijn theorie of gewoon vanuit de traditie, het leren van het kind plannen”. In het zelfontplooiingsdenken wordt het beroep op de traditie uitgeschakeld. Geen enkele theorie of denken kan de opvoeder leiden in dit project. De opvoeder “moet zijn rol voor een groot deel aflezen uit wat zich in het kind op een bepaald moment afspeelt”. Er is geen leidraad te geven buiten het kind zelf. De allerindividueelste ontwikkelingsbehoefte van elk kind is de enige basis waarop de opvoeder kan steunen. Op deze behoefte moet het milieu afgestemd worden. De opvoeder wordt dus in een ahistorisch vacuüm geplaatst.

    Het geloof in de innerlijke groeimotivatie van de opvoedeling is de basis van het leerproces. Dan zal de leerling intrinsiek gemotiveerd zijn om te leren. Het natuurlijk leren, eigen aan elk menselijk wezen, moet gerespecteerd worden. Individualisering wordt dan geplaatst in het kader van de zelfontplooiing. De grondhouding van de leerkracht berust volgens Depondt op het geloof in de groeikrachten van de mens (p. 87). Depondt geeft hierbij expliciet aan dat hij steunt op de theorie van Carl Rogers en Gendlin, leerling en medewerker van Rogers. Aan de basis van het zelfontplooiingsdenken ligt een groeimodel. De zelfontplooiingsbehoefte is in essentie een instinctoïde behoefte. Daarom kunnen we dit model als naturalistisch bestempelen.”

    De term 'ervaringsgericht onderwijs' heeft volgens Laevers  niets te maken met 'ervaringsgericht leren' in de betekenis van ‘ervaring opdoen’, maar betekent ‘leren vanuit de eigen ervaring als kompas’, vanuit het eigen innerlijk aanvoelen. De basiskritiek op deze visie luidt: EGO-gecentreerd onderwijs is gebaseerd op een eenzijdige wending naar het ego van het kind dat zichzelf ontplooit en construeert, op een 'vom Kinde aus'-aanpak. Criteria voor de gewenste ontwikkeling van het kind kunnen o.i. echter  niet zomaar aan het kind zelf worden ontleend. De motivatie om 'Vom Kinde aus' (vanuit het ego) op te voeden en te onderwijzen, maakt het in feite onmogelijk om echte opvoeding en onderwijs tot stand te brengen. EGO was/is Eigenlijk Geen Onderwijs in de echte betekenis van het woord; het is een contradictio in terminis.

    Prof. J.D. Imelman stelde dat mensen als Laevers en soortgenoten een ego-cultuur en een 'al-goekadullenpedagogie' propageren. Hij schreef: "Er zijn mensen die kinderen zien als creatieve samenballingen van energie die slechts ruimte nodig hebben om tot de meest persoonlijke van alle persoonlijke ontplooiingen te kunnen komen. Dit komt ook tot uiting in allerlei vormen van 'denken vanuit het kind', in het gezelligheids- en ontplooiingsdenken, in het overbeklemtonen van de individuele creativiteit van het kind. Alle aandacht gaat dan naar zelfontplooiing, zelfwerkzaamheid, zelfsturing, creativiteit, en dat steeds in de context van relationele en contactuele waarden. Met een ware verkondigingsdrift propageren deze mensen de ego-cultuur op school" (Een optimistische pedagogiek – en de praktijk?, in: B. Spiecker e.a., Theoretische pedagogiek, Meppel, Boom, 1982). Analoge kritieken werden de  voorbije decennia geformuleerd door Laevers’ Leuvense collega’s: Hellemans, Masschelein, Simons, Smeyers, De Fraine, Kelchtermans, Van Crombrugge …

    Laevers nam  veel zaken van het op dit moment (1976) opflakkerende anti-autoritaire opvoedings- en onderwijsmodel over. Ook  twee Leuvense pedagogen en collega’s – Walter Leirman en Gustaaf Tistaert – hadden zich  zelfs in 1972 op TV enthousiast uitgesproken over de film van Gerhard Bott ‘Opvoeding tot ongehoorzaamheid’ over de Berlijnse Kinderladen, een extreme vorm van anti-autoritaire opvoeding van peuters/kleuters waarbij kleuters ook gestimuleerd werden om hun agressie bot te vieren. Laevers integreerde in zijn ervaringsgericht model een aantal elementen uit die Kinderladen-aanpak: de permissieve aanpak, het vrij initiatief, het stimuleren van de kleuters om hun agressie af te reageren en zo stoom af te laten …

    1.2   ‘Laten groeien’-parabel  & vrij initiatief & milieuverrijking

    De term 'zelf-realisatie' stond/staat bovenaan in het EG (K)O-tempelschema. Laevers verwees hierbij naar de pedagogische EGO-parabel – die ook afgedrukt werd op de laatste pagina van het 'Werkboek voor een ervaringsgerichte kleuterklaspraktijk', 1983. We vatten de parabel even samen. Drie hoveniers ontvangen elk een bloembol van een vreemdeling.  Zowel bij de eerste als de tweede hovenier kwijnt de bloem weg. De eerste had elke toelichting van de vreemdeling weggewuifd, omdat hij het zelf beter dacht te weten. De tweede mishandelde de bloem door ze naar zijn hand te dwingen. Alleen de derde hovenier slaagde erin een mooie bloem te kweken. Hij liet de plant immers groeien uit eigen kracht, zonder ze te forceren. Zijn ingrijpen beperkte zich tot de omgeving van de plant. Een levende bloem had zichzelf geopenbaard.

    In 1992 beklemtoonde Laevers nog eens dat het zelfontplooiingsmodel centraal staat: "In een ervaringsgerichte benadering van het onderwijs wordt veel vertrouwen uitgedrukt in de groeikracht van het kind.' Goed  onderwijs sluit aan op de behoeften van ieder kind' is een bewering die inhoudt dat kinderen in principe gericht zijn op activiteiten die hun ontwikkeling stimuleren. Het behoeftepatroon is het sturend mechanisme voor de ontwikkeling, en de ontwikkelingslijn is in zekere zin vooraf bepaald" (Ervaringsgericht werken in het basisonderwijs, CEGO, 1992).

    Zo’n ontwikkeling veronderstelt een gunstig ontwikkelingsmilieu en een sfeer van vrijheid. Elk kind is vrij in de wijze waarop het zijn ontplooingsweg aflegt. Het kind wordt daargij geholpen door een ‘voorbereide omgeving’. Het klas-milieu moet zo uitgerust zijn met ontwikkeligsmteriaal  dat het het kind de kans biedt tot zelfontwikkeling via spontane, vrij gekozen activiteiten. Essentiële dimenseis van de werkelijkheid mogen niet ontbreken in het aangeboden materiaal.  Het ‘vrij initiatief’ staat dan ook centraal. Elk kind mag dus vrij zijn ontwikkelingsmateriaal kiezen, de werkduur bepalen, in eigen tempo werken, eventueel een beroep doen op de kleuterleid(st)er.   Dit veronderstelt volgens Laevers ook dat de kleuterleid(st)er de kinderen grondig observeeert en zo ontdekt waar het kind aan toe is. Veel aandacht en tijd gaat dus naar het observeren en inrichten van de speel- en werkhoeken. Laevers koos in 1976 voor EGKO waarin de 'child development-aanpak', de kind-materiaal interactie en de spontane exploratiedrang centraal stonden. Het EGKO-leerproces berustte vooral op het handelen met - en exploreren van de materiële omgeving en de interactie hierbij tussen de kinderen. De invloed van de ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget was hier sterk voelbaar. In onze scriptie over Piaget schreven we in 1969: "De visie van Piaget slaat vooral aan bij mensen die voorstander zijn van 'discovery- and activity-learning en heel weinig bij voorstanders van een (kleuter)school waarin de verbale en intentionele interactie tussen leerkracht en leerling(en) een centrale rol vervult."   

    Vrij initiatief,  vooral vrij handelen met - en exploreren van de materiële omgeving, en milieuverrijking zijn dan ook de belangrijke pijlers binnen het tempelschema.  Ook nog in de slottoespraak op de viering van 20 jaar EGO in 1996 stelde Laevers het 'vrij initiatief' van de leerling en doorgedreven individualisatie als centrale kenmerken voorop. We citeren even: "Een opvallend kenmerk van EGO-kleutergroepen is dat de kinderen 62 à 72 % van de netto-klastijd kunnen kiezen tussen vier of meer activiteiten. We ontdekten in ons onderzoek dat de vrijheid werkt! Ze leidt tot intensere activiteit" (Viering 20 jaar EGO, Kleuters en IK, jan. 1997).

    Vrij initiatief, vrij spel en zelfsturing werden dus nog in 1997 als dé voorwaarde gezien om betrokkenheid, intense activiteit te realiseren. Verder lazen we: "De kinderen kunnen (bijna) moment na moment bepalen wat ze gaan doen. De kinderen weten wat goed is vanuit hun innerlijke groeidrang. Begeleide activiteiten (b.v. vertellen) mogen niet als verplichte activiteiten gepresenteerd worden.”  Dit laatste gelijkt sterk op de eerste formulering in ‘Informatiebulletin 1’ van maart 1978: "In grote lijnen kan je stellen dat het de ganse dag vrij spel is. Een leidster mag ook wel een activiteit voorstellen (b.v. vertellen), maar enkel als 'aanbod' waarop kleuters al dan niet kunnen ingaan”. Een kleuterjuf  mocht dus volgens Laevers de kinderen zelfs niet verplichten te luisteren naar een verhaal dat ze vertelde; ze moest de kleuters vrij laten kiezen. We moe(s)ten volgens Laevers de kleuters zelf laten beslissen in welke speelhoek ze willen spelen. Als een kind voortdurend in dezelfde poppen- of constructiehoek bezig was, dan betekende dit dat het kind zich daar het meest kon ontwikkelen. Kleuters konden volgens Laevers evenzeer leesrijp worden via spel in de poppenhoek dan via de letterhoek. De kinderen weten volgens Laevers en Van Herpen uit zichzelf wat ze nodig hebben voor hun ontwikkeling.  In ‘ervaringsgerichte kleuterklassen’ was er wel veelal een grote afstand  tussen de theorie en de praktijk.  En  de voorbije 20 jaar zwakten Laevers en het Co ook wel zijn theorie af.  Maar in het ‘ontwikkelingsplan’ voor het (katholiek) kleuteronderwijs van 1998 is de invloed van Laevers duidelijk merkbaar.

    De invloed van het EGO op het kleuteronderwijs was wel veel groter dan in het lager onderwijs. Bij EGO-getrouwe kleuterleidsters zagen we inderdaad dat er overmatig veel tijd besteed werd aan vrij spel - in een klas volgestouwd met vele ‘hoekjes’ en speelmateriaal allerhande, schuifaf en huisjes inbegrepen. Laevers overschat heel sterk de vormende waarde van het vrij spel en de omgang met objecten. De kleuterleidster fungeert dan al te weinig als medium tot leren. Ze bevordert te weinig de groepszin, de betrokkenheid op de groep en op de leerkracht. Ook de ontwikkeling van de taal, de gerichte verkenning van de wereld, beginnend lezen en rekenen … worden al te weinig gestimuleerd.

    Prof. Verschaffel e.a. stelden een paar jaar geleden dan ook vast dat de Vlaamse kinderen op het einde van de kleuterschool slechter presteerden voor beginnend rekenen dan de Nederlandse. In Nederland is er een evolutie in de richting van een meer aanbod- en leerkrachtgestuurde benadering (zie bijdrage over kleuteronderwijs). Ook in Vlaanderen is het EGKO al een tijdje op de terugtocht, maar de opgetuigde klassen bemoeilijken deze evolutie af.  En jammer genoeg sluit het nieuwe ZILL-ontwikkelingsplan voor het kleuteronderwijs aan bij het ‘ontwikkelingsgericht’ plan van 1998.  

    2  Ervaringsgericht lager onderwijs: revolutionair EGO-plan van 1992: leerplan e.d. niet belangrijk 

    Vanaf ongeveer 1990 trokken Laevers en het CEGO het ervaringsgericht onderwijs ook door naar het lager onderwijs. De invloed was daar in vergelijking met de invloed in het kleuteronderwijs relatief beperkt.  Het feit dat Laevers en zijn CEGO vanaf 1992 de aanpak van de inspectie-nieuwe-stijl mocht uittekenen, het feit dat CEGO  vanaf  1994 tot 2010  jaarlijks een 20 miljoen BFr overheidssubsidie ontving als 1 van de 3 Steunpunten GOK-en zorgverbreding, … werkten de beïnvloeding wel in de hand. Zo werden ook de leerkrachten lager onderwijs destijds onder druk gezet om te werken met het uitgebreide CEGO-kindvolgsysteem- met een vijfpuntenschaal omtrent betrokkenheid en welbevinden van de leerlingen. En ook vanuit de inspectie en begeleiding werden de leerkrachten aangespoord en bijna verplicht om te werken met contract- en hoekenwerk.

    We citeren nu even uit de CEGO-publicatie van 1992 over EGO in het lager onderwijs. Volgens Laevers moet de leerkracht lager onderwijs vanuit het geloof in de natuurlijke ontwikkeling de leerinhoud afstemmen op de individuele behoeften van elk kind. "Het behoeftepatroon (van elk kind) wijst a.h.w. de weg aan waarlangs ontwikkeling zich realiseert" (p. 29). “Voor een succesvolle onderwijspraktijk (lager onderwijs) is het zorgvuldig vooraf formuleren van doelen niet de eerste zorg. Nog minder zullen we ons bezig houden met de logische deductie van tussenstappen die naar deze doelen leiden. Wat ons wel zal interesseren is het actuele behoeftepatroon van elke leerling" (p. 33) … "De basis van de klas- en schoolorganisatie blijft het vrij initiatief van de kinderen. Kinderen zijn tot aan de schoolleeftijd zo goed begeleid geworden dat veel sturende en beperkende maatregelen overbodig zijn geworden. … Zij kunnen dus ook in het lager onderwijs vrij beslissen omtrent aard, frequentie en duur van de activiteiten" (p. 176). “Zo schrijft elk kind zijn eigen leerplan” (p.177).  In deze publicatie worden vooral ook de werkvormen hoekenwerk en contractwerk gepropageerd.

    Laevers schreef dat ook in het lager onderwijs enkel een activiteit die aansluit bij de intrinsieke motivatie en bij 'het individueel behoeftepatroon' betrokkenheid kan uitlokken. En verder: "Aandacht die ontstaat omwille van extrinsieke motieven en die (helaas) veel schoolactiviteiten   ondersteunt, is niet wat we met ware betrokkenheid bedoelen" (p.14-15). Men bekwam volgens het EGO maar betrokkenheid als de individuele leerling vanuit zijn specifieke behoeften en verlangens zoveel mogelijk zelf kon bepalen wat en hoe hij leerde. Klassikale instructie e.d. is dus niet mogelijk.

    Vanuit zo'n visie is er niet langer sprake van het werken vanuit een leerplan en met klassikale activiteiten: "Er is binnen een EGO-aanpak geen leerplan meer dat bepaalt welke inhouden, wanneer en voor welke leeftijd aan de orde moeten komen, wat je allemaal bij kinderen vanaf een bepaalde leeftijd moet bijbrengen. … Het leerplan ontstaat door interactie tussen het behoeftepatroon en het geboden milieu. Zo schrijft ieder kind zijn eigen leerplan.   Kinderen laten door hun eigen keuzen zien of ze er aan toe zijn. Voor de enen is dit op vier, voor anderen pas op zes, of nog later. … Het initiatief van de leerlingen leidt onvermijdelijk naar een verscheidenheid van activiteiten. Tegelijk zijn verschillende dingen aan de gang op een school. Kunstmatige scheidingen tussen het leerse en het schoolse verdwijnen. Ook de kunstmatige opsplitsingen in vakken zijn verdwenen " (p. 177).

    De aldus in 1992 geformuleerde visie van Laevers betekent dus dat radicaal afgestapt werd van de klassieke schoolgrammatica en van alles wat samenhangt met het klassikaal systeem en het samen optrekken van de leerlingen binnen klasverband. Aangezien het moment waarop kinderen aan lezen e.d. toe zijn volgens Laevers enkele jaren kan verschillen, zullen er dus ook weinig of geen groepsactiviteiten meer zijn. Gezamenlijke thema's of projecten zijn uit den boze, aangezien de belangstelling en ontwikkeling zo sterk verschillend zijn. In een interview in 1995 (KNACK, o.c.) luidt de essentie van EGO nog steeds: "Een brede waaier van activiteiten aanbieden: bijvoorbeeld: contractwerk, vrije activiteiten, een overhoring in de vorm van een quiz, een diamontage na een uitstap i.p.v. een opstel.”

    In de klaspraktijk van het lager onderwijs werd de visie van Laevers niet zomaar en steeds minder toegepast. Maar veel leerkrachten lager onderwijs werden wel vanaf de jaren 1990 door de inspectie en een aantal onderwijsbegeleiders quasi verplicht om te werken met contract-en hoekenwerk en met het kindvolgsysteem van Laevers, een vijfpuntenschaal voor betrokkenheid en welbevinden. Naarmate de druk van bovenaf verminderde, verwaterden ook die praktijken. We kennen ook geen leerkrachten die nog werken met de omslachtige vijfpuntenschaal voor welbevinden en betrokkenheid. Meer recent propageerde het CEGO wel het gebruik van alternatieve rapporten zonder cijfers, verwijzingen naar het gemiddelde e.d. 

    3  Leren vanuit eigen ervaring & betrokkenheid en op eigen innerlijk kompas

    3. 1 Leren vanuit innerlijke ervaring en motivatie: ontplooiingsmodel, enkel ‘rijk milieu’ nodig

    Carl Rogers (Freedom to learn, 1968)  en Ferre Laevers gaan uit van het geloof in de aangeboren groeikrachten, innerlijke drijfkrachten naar het model van de biologische groei bij planten. De opvoedeling wordt wat hij in wezen is zoals een plant of een boom groeit vanuit het ene zaadje. Net zoals organismes weten kinderen wat goed is voor henzelf vanuit een organisch waarderingsproces,  en vanuit hun ervaringsstroom (innerlijk aanvoelen).

    Laevers nam de invulling van de term 'ervaring' over van Carl Rogers en dit in de eigenzinnige betekenis van ervaringsstroom, innerlijk aanvoelen (C. Rogers, Leren in Vrijheid, Haarlem, De Toorts, 1973). 'Het kind vaart op het kompas van de eigen ervaring', aldus Rogers. Zoals het kind bij honger kiest voor aangepast voedsel, zo kiest de kleuter ook voor aangepast voedsel binnen de speelhoeken. Ontwikkeling is loswikkeling van hetgeen al in aanleg aanwezig is en volgens visies à la Piaget verloopt dit volgens een inwendig, aangeboren plan. Als de omstandigheden het toelaten, als het milieu voldoende rijk is, kan de ontplooiing van alle in de kiem aanwezige mogelijkheden niet uitblijven. Enkel het kind weet en voelt aan wat het nodig heeft voor zijn ontwikkeling; het weet wat het wil en het heeft zijn doel helder voor ogen, aldus Laevers. Het kind leert vanuit de eigen ervaring (innerlijk aanvoelen) en bepaalt vanuit die betrokkenheid wanneer het aan leren lezen e.d. toe is. In de hierop volgende bijdrage maken we duidelijk dat leren vanuit ego-gerichte betrokkenheid en verlangens haaks staat op het wekken van brede betrokkenheid op culturele verwachtingen en op de wijde wereld.

    De leerkrachten moeten elk kind de vrijheid geven die het nodig heeft om zijn allerpersoonlijkste mogelijkheden te ontplooien en verlangens te bevredigen;  het vrij initiatief en de zelfsturing staan centraal. De leerkracht kan enkel een voedingsbodem, een rijk milieu, scheppen. De leerkracht moet zijn rol voor een groot deel – via veelvuldig observeren – aflezen uit wat zich op een bepaald moment in het kind afspeelt. Het voortdurend observeren van de cognitieve noden en affectieve roerselen van elk kind – zijn betrokkenheid - vergt dan ook veel tijd. De juf van de 'Kindergarten' vervult de rol van de tuinier die het kind laat groeien (wachsenlassen) in de kindertuin. De leerkracht moet discreet begeleiden en niet actief leiden en ingrijpen; hij mag geen leerinhouden opdringen. Met wat oudere leerlingen en in het secundair onderwijs moet permanent onderhandeld worden over wat ze al dan niet zinvol vinden.

    Rogers stelt uitdrukkelijk: "Onderwijzen is een betrekkelijk onbelangrijke en sterk overschatte bezigheid " (Leren in Vrijheid, p. 91); de kennis verandert immers vlug en we weten toch niet echt wat de leerlingen zullen nodig hebben. Bij Rogers en Laevers komen de typisch schoolse doelstellingen op de achtergrond (= ontscholing). Laevers heeft zijn EGO-visie kritiekloos aan bij die van Carl Rogers ontleend. Rogers schreef in 1968 letterlijk dat de school vooral moet zorgen voor een 'rijk  milieu' (p. 117), voor hulpbronnen (boeken, leermiddelen, excursie…). Rogers verwees ook al naar een onderwijzeres die 'contractwerk' gebruikte in het basisonderwijs (p. 118), met het opdoeken van de leerplannen en vertrekken van de leervragen van de leerlingen. Enkel zelf-ontdekte kennis is kennis die bijblijft (p. 134). Het kind is de architect van zichzelf (p. 237). 

    3.2  Spontane en ego-gecentreerde betrokkenheid     

    Naarmate er meer kritiek kwam op de termen ‘vrij initiatief’ en ‘milieuverrijking’ en Laevers zijn visie afzwakte,  werden de rekbare termen ‘betrokkenheid’ en ‘welbevinden’ steeds meer het alpha en de omega van het EGO-verhaal.  De term 'betrokkenheid' wordt door Laevers heel wollig en uiteenlopend beschreven en krijgt tegelijk een enge, ego-gecentreerde betekenis. Het kind vertoont volgens Laevers enkel belangstelling (betrokkenheid) voor alles wat zijn individuele behoeftebevrediging en verlangens in de hand werkt. In een recentere bijdrage over EGO in  het secundair onderwijs schrijft ook Laevers- medewerker Luk Bosman dat er moet "vertrokken worden vanuit de leervragen van jongeren en dat elke gelegenheid te baat genomen moet worden om jongeren te betrekken bij het vooraf bepalen van waarnaartoe gewerkt moet worden" (Participatief leren en onderwijzen, Impuls, maart 2006). Vooraf moet men de leerlingen vragen wat ze al dan niet zinvol vinden.

    Van Herpen – directeur CEGO-Nederland – stelde in 2006 dat je alle ruimte moet geven ‘aan de betrokkenheid die het specifieke kind spontaan vanuit zichzelf heeft’ en dat je dus geen zaken moet opleggen (Van Herpen, EGO, JSW, april 2006). Hij illustreerde  deze uitspraak met volgend dialoogje tussen leerkracht en leerling Harris: "Het was keileuk want de leesmoeder heeft nog een bladzijde voorgelezen uit 'de Vuurbeker' van Harry Potter", vertelt Harris op gewonden als hij de klas weer inkomt. …  “En wat wil je nu graag doen?" vraag ik. "Ik weet het niet", zegt hij. "Zou je graag zélf in Harry Potter lezen?", vraag ik. …"Hoe lang mag ik lezen?", vraagt hij? … "Tot je niet meer wilt." "Hoef ik dan niet te rekenen vandaag?"… "Zo lang je leest hoef je niks anders te doen. Dat lijkt me niet te combineren".

    Laevers en Van Herpen verwachten alle heil van het vrij initiatief, van de intrinsieke motivatie en de spontane exploratiedrang. De leerkracht moet dan ook de bijzondere behoeften van elk kind zo goed mogelijk & langdurig observeren. "De leidster moet uit (vaak kleine) signalen afleiden wat een kind van binnenuit nodig heeft, wat zijn oorspronkelijke behoeften zijn" (Werkboek voor een ervaringsgerichte kleuterklaspraktijk, 1981, p. 47). Van Herpen illustreerde dit met het geval Harris. De leerkracht leidde uit Harris 'opgewondenheid' af dat hij enkel zin had om 'Harry Potter' te lezen en niet om de wiskundeles te volgen. Volgens Van Herpen leidt de toestemming om verder te lezen ook tot een onmiddellijke beloning, tot het verhogen van momentaan welbevinden. Van Herpen sluit hier volledig aan bij Laevers’ (vroegere?) EGO-stellingen.

    Een 'nuchtere' onderwijzer zal Harris motiveren en zelfs verplichten om de rekenles te volgen. Hij gaat er tevens vanuit dat Harris via de rekenactiviteiten meer belangstelling voor het rekenen zal ontwikkelen. Volgens hem mag Harris de wiskunde-instructie niet missen en mag hij ook niet steeds zijn zin krijgen – ook al gaat dit in tegen zijn actuele verlangens. Een ‘nuchtere’ kleuterjuf weet dat een kleuter vooral leesrijp wordt via activiteiten ‘beginnende geletterdheid’ en dat precies kleuters zonder spontane interesse voor letters het meest nood hebben aan activiteiten voorbereidend lezen. Leerlingen krijgen vaak maar zin 'al doende' en moeten zich leren   inleven in de verwachtingen van de school.

    Enkel leren dat aansluit bij de persoonlijke behoeften en intrinsieke leervragen lokt volgens de CEGO-medewerkers betrokkenheid uit: "Aandacht die ontstaat omwille van extrinsieke motieven en die helaas veel schoolactiviteiten ondersteunt, is niet wat we met ware betrokkenheid bedoelen" (EGO in de basisschool, CEGO, 1992, p.14- 15). Bosman omschrijft in de geciteerde bijdrage 'betrokkenheid' nogal wollig als "de toestand waarin mensen verkeren wanneer zij zeer geconcentreerd met iets bezig zijn en  handelen vanuit verbondenheid met de eigen kwaliteiten en opvattingen".

    Iedereen kan het eens zijn met de stelling dat de motivatie een belangrijke rol speelt bij het leren. Laevers en co formuleren echter een eenzijdige en ego-gecentreerde visie op alles wat te maken heeft met motivatie. Het rijke en veelzijdige begrip motivatie wordt gereduceerd tot spontane betrokkenheid vanuit eigen innerlijk aanvoelen. Laevers en co betreuren zelfs dat extrinsieke motieven een belangrijke rol spelen. De extrinsieke motieven zijn nochtans een voorwaarde om intrinsiek gemotiveerd te geraken voor zaken waarvan je vooraf de zinvolheid of bestaan niet vermoedde.

    Volgens de klassieke visie is het vanzelfsprekend dat opvoeding en onderwijs ook steeds een breuk inhouden met de spontane en individuele verlangens en interesses en met de beperkte (voor)kennis. Dit heeft veel te maken met de complexiteit van de cultuur en wereld waarmee een kind als nieuwkomer geconfronteerd wordt. In de vorige bijdrage zagen we al hoe cultuuroverdracht en actieve ‘imitatie’ een centrale rol spelen. Het EGO gaat uit van een concept van het kind dat als een subject zelf het leerproces stuurt en pleit voor het aansluiten bij zijn specifieke leervragen. Kinderen beseffen echter maar al te goed dat ze niet vanuit zichzelf kunnen weten wat allemaal belangrijk is voor hun ontwikkeling en voor de toekomst van zichzelf en van de maatschappij. 

    Intens bezig zijn en vij spel nog geen voldoende garantie op ontwikkeling

    Als leerlingen vorderingen maken, een degelijk opstel of werkstuk afleveren … dan leiden  leerkrachten daar ook uit af dat ze gemotiveerd (betrokken) bezig geweest zijn. Volgens Laevers ben je echter al zeker dat leerlingen zich optimaal ontwikkelen van zodra je merkt dat ze intens met iets bezig zijn. Je moet niet eens kijken naar het product, maar enkel naar het proces. In een interview stellen Laevers en Moons dat het observeren van de betrokkenheid niet eens veel tijd vergt en dat men op basis daarvan ook onmiddellijk merkt wie uit de boot dreigt te vallen (Misjoe Verleyen, De school blijft zitten, Knack, 14 februari 1995). Kinderen met een leerachterstand die intens bezig zijn, hebben volgens Laevers ook geen nood aan zorgverbreding.

    Dr. Jo Nelissen toonde in 2002 met observaties en lesprotocollen aan dat het EGO-begrip betrokkenheid geen betrouwbare graadmeter is voor de beoordeling van de kwaliteit van de leerprocessen en nog minder voor de beoordeling van de kwaliteit van de leereffecten. Hij stelde vast dat ondanks een  grote activiteit en intens bezig zijn, leerprocessen toch vaak een ongewenst verloop kennen en weinig opleveren. Hij poneerde verder dat de leerkracht binnen het EGO een te geringe actieve functie toebedeeld krijgt (Het oog van de meester, De wereld van het jonge kind, november 2002).

    Een belangrijke kritiek slaat dus op het feit dat Laevers betrokkenheid afleidt uit het intens bezig zijn met een bepaalde activiteit, vooral met vrij spel in een speelhoeken. Actief en affectief betrokken zijn op iets garandeert volgens Laevers dat men veel bijleert en optimaal functioneert. Dit is volgens Nelissen en vele anderen vaak niet het geval. De toepassing van de stelling van Laevers en van zijn  GOK-Steunpunt CEGO dat een kind met leerachterstand maar dat intens (betrokken) bezig is geen zorgverbreding nodig heeft, leidt/leidde er ook toe dat veel kinderen van de nodige zorgverbreding verstoken blijven/bleven. De kansarme en allochtone leerlingen zijn het meest de dupe van zo’n aanpak.

    Laevers & CEGO verwachten al te veel heil van het vrij spel in speelhoeken. Ook voor het lager onderwijs pleitte hij in 1992 voor een evolutie waarbij het verschil tussen het 'leerse' en het 'speelse' zou wegvallen. Spel is volgens Laevers en co een activiteit die het kind uit eigen beweging zoekt en zonder dat iemand dit als plicht moet opleggen. Het gebruik van een ludieke stimulans om het leerproces in gang te zetten, is inderdaad vaak noodzakelijk bij kleuters en af en toe ook bij oudere leerlingen. Toch kunnen de meeste schoolse zaken niet zomaar spelenderwijs geleerd worden. Spelen garandeert nog geen ontwikkeling; we speelden als kind eindeloos het spel van 'zaaien, maaien en oogsten' zonder veel bij te leren. Spel betekent verder experimenteren met het toeval. Het leren op school richt zich vooral op geprogrammeerde, specifieke en weloverwogen doelen die zonder de school voor de meeste leerlingen niet bereikbaar zijn. Voor 'vrij spel' is er buitenschools veel ruimte. De filosoof Fernando Savater, drukt het zo uit: "Alleen al het idee om vooral naar school te gaan om te spelen, is onzinnig: om te spelen hebben kinderen meer dan genoeg aan zichzelf, daar hebben ze geen school voor nodig. Een van de eerste zaken die zelfs kleuters al op school zouden moeten leren, is nu juist dat wij niet heel ons leven met spelen kunnen vullen. Het spel en alles wat spelenderwijs tot ons komt, leren wij op eigen kracht of met hulp van vriendjes; we gaan naar school om datgene te leren wat niet elders onderwezen wordt. … De bedoeling van het schoolonderwijs is kinderen voor te bereiden op een leven als volwassenen, niet zomaar om hun kinderpret te bestendigen" (De waarde van opvoeden, Bijleveld, 2001, p. 99-100).

    4  Ervaringsgerichtheid à la Laevers = infantilisering;  voorbij de ervarings- en leefwereld

    EGO betekent leren vanuit de eigen ervaring en ervaringswereld. Het 'welbevinden-curriculum' beklemtoont het in sterke mate aansluiten bij de leef- en ervaringswereld, de leervragen, de specifieke identiteit en leerstijl van elke leerling. Laevers en Co pleiten tegelijk voor minder aandacht voor de 'cognitieve' intelligentie en voor het centraal stellen van de 'intuïtieve' of 'concrete' intelligentie.

    De Engelse socioloog Frank Furedy bestempelt eng ervaringsgericht onderwijs à la Laevers als infantiliserend. "In het onderwijs gaat het de verkeerde kant uit. De 'ervaringswereld' van het kind staat tegenwoordig centraal. Op zich lijkt dit prima, elke goede leraar zal die aansluiting zoeken. Maar het mag niet de essentie van een pedagogisch project worden. De essentie is en blijft overdracht van een bepaalde leerstof met een eigen logica en integriteit. Het belangrijkste criterium is niet hoe relevant je als leerkracht bent voor de leefwereld van de leerlingen, wel hoe goed je lesgeeft. Want met die relevantie voor de leerling kun je ver gaan. Een extreem voorbeeld: in bepaalde scholen in de VS zijn alle 'bergen' uit de leerboeken geschrapt, omdat de  kinderen in een regio wonen zonder bergen. In die logica zitten we een beetje. In Engeland hoor je dat ook: Shakespeare wat heeft die te maken met deze tijd? Wij onderschatten de verbeelding van een kind of jongere om zich met zijn verbeelding te verplaatsen in tijd en ruimte. Dat is nu zo geweldig aan   kinderen, dat ze altijd willen weten hoe het elders is, of hoe het vroeger was." Kinderen en jongeren moeten worden uitgedaagd om boven zichzelf uit te  stijgen (J. De Ceulaer: Iedereen is kwetsbaar, KNACK, 24.10.04).

     4.2 Voorbij de leefwereld: ontspoorde aandacht voor de leefwereld

    Op de COV-trefdag van 5 april 2006 te Kortrijk bekritiseerde pedagoog Hans Van Crombrugge de z.i. ontspoorde aandacht voor de leefwereld. Hij poneerde: ”Aansluiten bij de ervaringswereld van de leerling kan een middel en voorwaarde voor leerprocessen zijn. Dit is evenwel iets anders dan het centraal stellen van de leefwereld van het kind. De leerling heeft recht op een eigen leefwereld die voor de volwassenen tot op zekere hoogte een geheim blijft. Onderwijs dient op de eerste plaats andere werelden aan te bieden waarin de leerling op verkenning kan gaan, de eigen leefwereld mee kan vergelijken, veranderen en vorm geven. Deze confrontatie van de werelden is iets wat elke leerling zelf moet doormaken, met alle frustraties die dit kan meebrengen: het niet begrijpen, het niet kunnen plaatsen, het niet kunnen verzoenen van de verschillende werelden. Deze ‘frustraties’ die de motor kunnen zijn van leren, die oproepen tot verzet, tot nieuwsgierigheid en zo tot zelfbewustzijn bij de leerling mogen in het onderwijs niet ontbreken." 

    "Met de beste bedoelingen hebben opvoeders en leerkrachten gepoogd elk leren zo ervaringsgericht mogelijk te maken, de frustraties te beperken. Hierdoor zijn ze ook vervallen in wat we ‘pedagogische incest’ kunnen noemen: het inbreken in de leefwereld die het eigendom van de kinderen is. … Dergelijk recupereren van de leefwereld is evenwel niet mogelijk en ook niet wenselijk. Vorming is niet alleen en op de eerste plaats het stilstaan bij en reflecteren op de gevoelens van leerlingen, maar wel het aanbieden van talen en culturen waarmee ze moeten worstelen (…) Als we willen dat de leerlingen onder elkaar zinvolle gesprekken hebben, moeten we zeker niet proberen deze in de klas te brengen. In de klas mag en moet een andere wereld, een andere cultuur aangeboden worden. In deze zin zijn de zgn. kinderstudies waarin volwassenen pogen de leefwereld van kinderen in beeld te brengen, maatschappelijk contraproductief en pedagogisch onwenselijk."

    ”Begrip is belangrijk, maar belangrijker is de leerkracht die leerlingen weet te boeien. Een leerling boeien heeft niet zozeer te  maken met hem begrijpen en stilstaan bij zijn gevoelens. Een leerling boeien is hem wegvoeren van zijn eigen wereldje, hem nieuwe horizonten  bieden. En dat niet vrijblijvend, maar dwingend. Deze dwang van het boeien is echter geen fysieke dwang, ook geen hersenspoeling. Een leerkracht boeit door de leerling te laten genieten van wat hem zelf boeit. Je kan een leerling alleen maar begeesteren door iets waar je zelf enthousiast voor bent. Dat is wat men vroeger gezag noemde. 

    De geloofwaardigheid van een leerkracht bestaat er juist in dat hij de leerling meeneemt op een reis die voor hem interessant is en waarvan hij gelooft dat de leerling deze reis gemaakt moet hebben. Wat het effect ervan is, of de leerling werkelijk zelf begeesterd wordt of juist zich ertegen zal afzetten, valt buiten de verantwoordelijkheid van de leerkracht. Uiteindelijk zal de leerling zelf een vorm vinden, zelf een selectie maken van wat hij meegemaakt heeft. De zogenaamde wereldvreemdheid van scholen is in deze zin een pedagogisch goed: het is de toegang tot andere  horizonten. In de schoolcultuur als cultuur ontmoet de leerling die andere werelden.

    Leerling als drijvende kracht achter leerproces

    De noties ‘ervaringsgericht leren’ en ‘betrokkenheid’ zijn bij Laevers verbonden met het beeld van de leerling als een zelfstandige ondernemer. De leerling is 'de drijvende kracht achter zijn allerpersoonlijkst leerproces, omdat hij in zich het verlangen en zelfs de capaciteit zou bezitten om zichzelf te sturen en om te weten wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Ook in de al vermelde bijdrage van Luk Bosman luidt de centrale gedachte: aansluiten bij de leervragen van elke leerling en het voortdurend onderhandelen over wat leerlingen als leerinhoud (eindtermen, leerplan, thema's) zinvol en niet zinvol vinden.

    De meeste pedagogen en leerkrachten gaan ervan uit dat de wil tot leren op school vooral een relationeel fenomeen is, waarbij de leerkrachten de leermotivatie stimuleren en belangstelling uitlokken, extrinsieke motivering.  Dit verlangen om te leren en om te imiteren – deze leermotivatie – moet ook ondersteund en bevestigd worden door de ouders thuis, die datzelfde verlangen ondersteunen. De extrinsieke motivering – de verwachtingen van anderen – zijn uiterst belangrijk en leerlingen spiegelen zich aan die verwachtingen en aan het gedrag van de medeleerlingen. We maakten hiervoor al duidelijk dat intrinsieke motivatie niet iets is dat vooraf aan de leerprestatie al volledig aanwezig moet en kan zijn; naarmate men ervaart dat men een bepaalde leesprestatie kan leveren, zal men ook meer leesmotivatie verwerven. De leerlingen moeten ook hun vele tegenstrijdige verlangens en de belangen van de klasgroep leren afwegen; ze moeten hierbij hun verstand gebruiken en niet louter hun 'ervaringsstroom'  (onmiddellijk en affectief aanvoelen) en 'momentaan welbevinden'.

    Om als leerling de drijvende kracht te worden achter de keuze van eigen leerobjecten, moet men al een hoog niveau aan intellectuele autonomie en bekwaamheid verworven hebben. Een leerling in het basisonderwijs mist – net als een puber in het secundair, de maturiteit en kennis om zelf te oordelen over wat hij wil of kan en over wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Het belang en de mogelijkheden van het lezen bijvoorbeeld beseft men vooral ook naarmate men al technisch kan lezen. Laevers en co zien de leerling al te zeer als een autistisch of ego-betrokken wezen, en te weinig als persoon-in-relatie die ondersteund en gestimuleerd wordt door de verwachtingen van zijn omgeving – de leerkrachten, alle volwassenen die met hem in verbinding staan en de brede maatschappij die haar verwachtingen ook in eindtermen, leerplannen e.d. kenbaar maakt. Zij overschatten de leerkracht van de leerlingen en nemen de leraren hun leerkracht af; ze onderschatten ook de imitatiedrang van de leerlingen.

    4     Momentaan welbevinden versus verdiend welbevinden (op termijn)

    4.1  Ego-centrisch welbevinden  en voorkomen van falen 

    Een goede leerkracht is volgens het EGO en de welbevinden-beweging in de eerste plaats begaan met het momentaan/onmiddellijk welbevinden en de persoonlijke verwachtingen van de leerling; het kind moet leren op elk moment als leuk ervaren en men moet frustraties vermijden. Dit was ook de centrale gedachte binnen de onderwijsvisie van minister Vanderpoorten. Laevers stelde in 2006 nog dat het heel slecht gesteld is met het welbevinden in het S.O.: "de lessen sluiten immers niet aan bij wat de kinderen boeiend vinden.” Het S.O. is nog steeds leerstof- en prestatiegericht. Het leren is er te abstract, er moet meer aandacht gehecht worden aan de 'intuïtieve intelligentie', aan het concrete … (Annemie Eeckhout, 'Onderwijs fnuikt de creativiteit', Het Nieuwsblad, 26.04.06).

    'Welbevinden' is een toverwoord waarmee je vele richtingen uit kan. Binnen het EGO betekent het  minder eisen stellen aan de leerling, soms ook ingaan op zijn allerindividueelste wensen. Van Herpen – directeur CEGO-Nederland – illustreerde onlangs het bevorderen van het 'welbevinden' met twee klassituaties. In een eerste casus kreeg een leerling die meer zin had om verder in een Harry Potter-boek te lezen dan de wiskundeles te volgen, de toestemming om de les wiskunde niet te volgen. Zo’n onmiddellijke beloning verhoogt volgens Van Herpen zijn actueel welbevinden. De tweede illustratie luidde: "In de evaluatiekring vertelt Henk (10 jaar) dat hij voor de zoveelste keer niet goed heeft gewerkt in de rekenhoek. Hij weet dat het ook aan hemzelf ligt. Hij neemt niet het initiatief om een andere plaats te zoeken als hij gestoord wordt. Hij merkt op dat hij in de taalhoek meestal veel beter werkt. Volgens Henk ligt dit aan de opstelling van de werktafeltjes in die hoek. Hij komt met het voorstel om de opstelling van de tafeltjes in de rekenhoek te veranderen. De leerkracht neemt dit voorstel op en vraagt Henk of hij morgen een plattegrondje wil maken van de rekenhoek met de opstelling die hij daar graag ziet. Henk gaat hiermee akkoord. Enige dagen later is de nieuwe opstelling in de rekenhoek naar Henks wens gerealiseerd" (Van Herpen, EGO, JSW, april 2006).  Volgens CEGO-medewerker Luk Bosman  mag een leraar niet zomaar het leerplan en de methode volgen;  hij moet de leerlingen secundair onderwijs voortdurend vragen wat ze zinvol en wenselijk vinden en de leerstofkueze hiero afstemmen.

    Een 'gewone' leerkracht heeft geen tijd in het voortdurend bespreken van de allerindividueelste wensen van elke leerling. Verder is stellen van eisen een belangrijke zaak; een leerling kan zich bijvoorbeeld niet zomaar onttrekken aan de wiskundeles. In de klassieke opvatting moet een school vooral  begaan zijn met de leerprestaties, met het eisen van inspanningen vanwege de leerlingen – ook voor dingen die niet zomaar 'leuk' zijn.

    Verdiend welbevinden

    De voorbije 15 jaar hebben we geregeld kritiek   geformuleerd op het centraal stellen van het 'onmiddellijk welbevinden' van de leerling door Laevers, door topambtenaren, door minister Vanderpoorten, door een aantal onderwijskundigen… Vanderpoorten poneerde al in haar eerste 'beleidsnota' dat het welbevinden centraal moest staan en niet het leren: "Het verwerven van kennis is niet langer de hoofdopdracht van ons onderwijs" (p. 68). Leren op school moest volgens haar vooral als 'leuk' en zeker niet als 'lastig' ervaren worden. Vanderpoorten kreeg dan ook geregeld de kritiek dat ze met haar maatregelen en keuze voor de knuffelpedagogie de leeropdracht en het gezag van de leerkrachten,  directies en besturen aantastte.

    We besteedden in Onderwijskrant veel aandacht aan de vele nefaste gevolgen van het overmatig beklemtonen van het 'momentaan welbevinden'. We schreven o.a: "Een school die werkkracht en diepere arbeidsvreugde wil stimuleren moet geleidelijk – langs methodische weg en met zachte hand – een overgang bewerkstelligen tussen onmiddellijk, oppervlakkig plezier (= voel-je-goed-nu welbevinden, presenteïsme) en een diepere tevredenheid (arbeidsvreugde) die moeilijker te bereiken is dan onmiddellijk en oppervlakkig plezier, maar tot een diepere en duurzamere voldoening (welbevinden) leidt. Een echte school streeft meer het welbevinden en beloning op termijn na dan het onmiddellijk welbevinden. Op enige afstand bekeken zijn veel leerlingen overigens het meest tevreden over veeleisende leerkrachten waarbij ze veel geleerd hebben." Vooral de vaststelling dat men na een inspanning iets gepresteerd heeft, bevordert o.i. het zelfvertrouwen en het gevoel van 'verdiend welbevinden'. Uit de ervaring en uit onderzoek blijkt dat vooral activiteiten waarvoor mensen moeite moeten doen om ze tot een goed einde te brengen veel meer bevrediging schenken dan de genoegens die je zonder noemenswaardige inspanning kunt verwerven.

    13-12-2017 om 10:42 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:ervaringsgericht onderwijs, CEGO
    >> Reageer (0)
    12-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bezorgde Dirk Van Damme (OESO) in LISO-openingssessie: nog wel uitstekende PISA-score, maar nefast taal- en kennis-relativisme, laissez-faire mentaliteit onvoldoende aandacht voor kennis in nieuwe eindtermen en leerplannen, moeilijk uitvoerbaar modernis

    Een bezorgde prof. Dirk Van Damme (OESO daarnet op LISO-openingssessie: nog wel uitstekende PISA-score voor Vlaams secundair onderwijs, maar nefast taal- en kennis-relativisme, onvoldoende aandacht voor kennis in nieuwe eindtermen en leerplannen, moeilijk uitvoerbaar moderniseringsplan s.o., laissez-faire mentaliteit …

    "Naar de leerresultaten van leerlingen gemeten, scoort het Vlaams secundair internationaal nog steeds uitstekend”, aldus Van Damme. Van Damme waarschuwt wel voor een aantal gevaren. Hij waarschuwt voor de nefaste gevolgen van het grote taalrelativisme. Hij vraagt zich ook af of de nieuwe eindtermen wel een juiste balans zullen bieden tussen kennis en vaardigheden. Hij vreest ook dat het compromis ivm de modernisering van het s.o. moeilijk uitvoerbaar zal zijn. Ook de voorbije dagen, maanden en jaren formuleerde Van Damme al een aantal van die waarschuwingen (zie bijlage)

    Commentaar bij uitspraken op LISO-studiedag

    * De hoge PISA-2015-score voor b.v. wiskunde 15-jarigen is ook voor een groot deel te wijten aan het lager onderwijs: cf. ook hoge TIMMS-2012-wiskunde-score van Vlaamse 10-jarigen.

    Na de doorgeschoten kritiek op het lager onderwijs -vooral ook aan het adres van de jongere leerkrachten- is het tijd voor eerherstel. Voor de hoge TIMSS-wiskunde-score 10-jarigen ontvingen de leerkrachten lager onderwijs nooit enig compliment vanwege de minister, de 2 grote onderwijskoepels, de Leuvense TIMMS-verantwoordelijken - die eveneens het PILS-onderzoek patroneerden. Maar dezelfde Leuvense onderzoekers grijpen nu wel de zwakkere PIRLS-score aan om de leerkrachten te beschuldigen van onkunde en om voor universitair opgeleide leerkrachten te pleiten.

    *Dirk Van Damme wijst terecht op de nefaste gevolgen van het taalrelativisme in Vlaanderen. Sinds 1993 al waarschuwt Onderwijskrant geregeld voor de uitholling van hzt taalonderwijs door de vele taalrelativisten - met op kop: het Leuvens taalcentrum van Kris Van den Branden, Gents Steunpunt Diversiteit van Piet Van Avermaet, leerplanopstellers Guimardstraat als Ides Callebaut, ...
    *Van Damme vraagt zich ook tercht af of de nieuwe eindtermen wel een juiste balans zullen bieden tussen kennis en competenties. Ook wij trokken in dit verband al herhaaldelijk aan de alarmbel.

    *Van Damme vindt het plan voor de modernisering van het secundair onderwijs wel evenwichtig, maar vreest terecht dat het compromis moeilijk uitvoerbaar is.

    Bijlage

    Ook de voorbije maanden en jaren drukte Van Damme al zijn bezorgdheid uit over een aantal ontscholende tendensen .

    Vooreest enkele recente tweets van Van Damme
    *Tweet 9 december: Dirk Van Dammeþ : Scherpzinnige en grotendeels juiste analyse van prof. Wim Van den Broedvk in de krant ‘De Morgen. Deel volmondig de bezorgdheid dat bepaalde onderwijsvernieuwing en obsessie met welbevinden ongewenste effecten hebben gehad. Opletten om met terechte kritiek op constructivisme niet zinvolle pedagogische ontwikkelingen weg te gooien.

    Tweets 6 december: . Taalrelativisme: er zijn geen absolute standaarden meer want taal evolueert zo sterk en differentieert. Elke groep, elk individu heeft het recht zich op eigen manier talig uit te drukken... Dat inzicht in taal niet zo belangrijk is, enkel vaardigheid telt; dat dialect en tussentaal of dt-fouten toch niet zo'n enorm probleem zijn; dat migranten voldoende hebben aan basisbeheersing; dat men leerlingen niet moet sanctioneren op taalfouten in andere vakken...

    Tweet 5 december nav PIRLS: Misschien dat meer mensen er nu toch van overtuigd geraken dat er iets grondig mis is met ons taalonderwijs, dat we taalrelativisme en communicatief taalonderwijs grondig moeten herbekijken, en dat ambitie in talenkennis meer dan ooit noodzakelijk is.

    Dirk Van Damme (OESO) drukte ook al op 9 juni 2017 zijn grote bezorgdheid uit over de nieuwe eindtermen en leerplannen. Hij schreef: “Het debat over de nieuwe eindtermen en leerplannen gaat voorbij aan de essentie, namelijk dat veel uitspraken over eindtermen e.d. getuigen van vandaag achterhaalde onderwijskundige concepten: constructivisme, overtrokken pedagogisch optimisme, te radicale verwerping van kennis, naïeve visie op abstractie.“ Naast een algemene niveaudaling vreest hij dat daardoor ook het aantal toppers verder zal afnemen.

    In ‘Laisser-faire-mentaliteit bedreigt kwaliteit Vlaams onderwijs’ drukte Van Damme een tijdje geledne al nog meer zijn grote bezorgdheid uit. Hij schreef o.a.:“Als we in naam van gelijke kansen en welbevinden geen hoge eisen meer durven te stellen aan leerlingen, brengen we ons onderwijs in gevaar, . Met enthousiaste leraren die de vonk kunnen doen overslaan, is een veeleisende school het beste voor alle leerlingen”

    Van Damme betreurt verder het in vraag stellen van alles wat te maken heeft met evalueren. “Punten, rapporten, attesten... zijn nochtans belangrijk; ze staan voor slagen en mislukken, bepalen studie- en beroepsloopbanen, geven houvast aan ouders, legitimeren de autoriteit van leraren, bepalen de kwaliteitsperceptie van scholen.

    Maar al jaren is er een tegenbeweging in onderwijsland om het evalueren te milderen. Het pas gepubliceerde boek van Roger Standaert – de man die jarenlang in de Guimardstraat en later op het departement Onderwijs de pedagogische vernieuwing uitdroeg – tegen de cijfercultuur in het onderwijs, blaast het debat nu nieuw leven in. Standaert pleit tegen de cijfercultus in onderwijs en voor een zachtere manier van evalueren, zonder punten en eerder gericht op stimuleren en motiveren dan op bestraffen (DS 24 augustus 2014). Het boek doet onmiddellijk stof opwaaien en zal ongetwijfeld meegesleurd worden in het ideologische debat dat in Vlaanderen sinds kort over onderwijs gevoerd wordt.

    Pleiten voor een softe evaluatiecultuur omwille van het welbevinden van leerlingen is eigenlijk zeggen dat we in onderwijs niet zulke hoge eisen mogen stellen aan leerlingen. Toen ik nog niet zo lang geleden pedagogische begeleiders hoorde zeggen dat ze in naam van gelijke kansen leraren de raad gaven wat minder streng te zijn en minder hoge eisen te stellen, besefte ik met enig afgrijzen hoe sterk deze pedagogische visie in onderwijs had wortel geschoten. Ik huiver hiervan, en zeker als gelijke kansen als argument wordt opgevoerd.”

    Prof.-psycholoog Wim Van den Broeck sloot zich bij de recente opinie van Dirk Van Damme aan. Van den Broeck trok zelf al geregeld aan de alarmbel - samen met zijn Gentse psychologiecollega Wouter Duyck. Van den Broeck betreurt ook al lang dat “belangrijke onderwijsactoren (binnen Departement, VLOR, onderwijskoepels...) kiezen voor 'leerlinggerichte' of 'zelfontdekkende' leermethoden waarbij men ervan uitgaat dat kinderen zelfstandig hun eigen doelen in handen kunnen en moeten nemen. We moeten ook ophouden met het relativeren van kennisaspecten. Als basis voor degelijk onderwijs moeten we de verstandelijke vorming van alle leerlingen centraal stellen.” Hij voegde eraan toe dat de kansarme en zwakkere leerlingen het meest de dupe zijn van zo’n aanpak en dat precies ook daardoor de GOK-projecten al te weinig rendeerden.

    Ook de Nederlandse prof. Paul Kirschner hekelt de vele pedagogische hypes. Zo stelde hij:“De aanhangers van het nieuwe leren willen doen geloven: gooi al het oude weg en we gaan het nu op een nieuwe manier doen. De leraar heeft geen instructiefunctie meer, maar alleen een coach-functie. En je gaat geen kennis aanbieden, want ze moeten alles zelf vinden en ontdekken. Ik heb grote problemen met de veronderstelling dat alles wat we daarvoor deden, niet meer goed zou zijn.” Volgens Kirschner gaat het bij het zgn ‘nieuwe leren’ veelal om pedagogische hypes die vaak zelfs strijdig zijn met wat we allang weten over de cognitieve architectuur en de werking van het geheugen e.d.”

    12-12-2017 om 14:37 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:ontscholing
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Beetje eerherstel voor Vlaams onderwijs op LISO-studiedag. Dirk Van Damme (OESO):


    Overtrokken gelamenteer over lager onderwijs de voorbije week. Toch nog iets positiefs vandaag over het Vlaams onderwijs.

    Prof. Dirk Van Damme stelde daarnet op openingssessie LISO-project :"Naar de leerresultaten van leerlingen gemeten, scoort het Vlaams secundair internationaal nog nog steeds uitstekend." Een beetje eerherstel na het zoveelste alarmerend bericht - vandaag opnieuw zo'n bericht: dit keer vanwege Ann Brusseel (Open VLD) in de De Morgen. Van Damme wijst wel terecht op de nefaste gevolgen van het taalrelativisme (zie bijlage).

    Commentaar: Hoge PISA-2015-score voor b.v. wiskunde is voor een groot deel te wijten aan het lager onderwijs: cf. ook hoge TIMMS-2012-wiskunde-score van Vlaamse 10-jarigen.


    Na de doorgeschoten kritiek op het lager onderwijs en vooral ook aan het adres van de jongere leerkrachten is het tijd voor eerherstel. Voor de hoge TIMSS-wiskunde-score ontvingen de leerkrachten lager onderwijs nooit enig compliment vanwege de minister, de 2 grote onderwijskoepels, de Leuvense TIMMS-verantwoordelijken - die eveneens het PILS-onderzoek patroneerden.

    Uit de tegenvallende PIRLS-resultaten concludeerden prof. Bieke De Fraine en Co al te vlug en vooringenomen dat de leerkrachten l.o. blijkbaar hun taak niet aankunnen, te weinig opgeleid zijn.

    Sinds 1995 behaalden de Vlaamse onderwijzers voor TIMSS-wiskunde steeds een Europese topscore - veel hoger dan de Franse onderwijzers die al sinds 1989 universitair worden opgeleid - en zelfs hoger dan de Finse die ook een universitaire opleiding genoten. Voor PISA-wiskunde-2015 behaalden de universitair opgeleide leerkrachten in Frankerijk amper 486 punten - bijna een jaar achterstand op de Vlaamse 15-jarigen.

    De Leuvense onderwijskundigen Jan Van Damme en Co pleiten er al sinds 1989 voor om naar het voorbeeld van Frankrijk ook de Vlaamse leerkrachten basisonderwijs en de regenten universitair op te leiden. Het is niet verwonderlijk dat ze nu de tegenvallende PIRLS-uitslag misbruiken. Het is even verwonderlijk en oneerlijk dat ze de nefaste gevolgen van de overschakeling op universitaire opleidingen in Frankrijk blijven verzwijgen.


    Bijlage: taalrelativisme

    Dirk Van Damme wijst terecht op de nefaste gevolgen van het taalrelativisme in Vlaanderen.

    Sinds 1993 al waarschuwt Onderwijskrant geregeld voor de uitholling van het taalonderwijs door de vele taalrelativisten - met op kop m.i.: het Leuvens taalcentrum van Van den Branden, Gents Steunpunt Diversiteit van Van Avermaet, leerplanopstellers Guimardstraat als Ides Callebaut, ...


    12-12-2017 om 12:43 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Tags:PISA, gelamenteer
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wanneer bieden Vlaamse nieuwlichters/edukwakzalvers - net als de Zweedse ondewijskundige Linderoth hun excuses aan voor twintig jaar en meer onderwijsideologie: neomanie, taalrelativisme, ontscholing, egalitaire ideologie ...?
    Wanneer bieden Vlaamse nieuwlichters/edukwakzalvers - net als de Zweedse ondewijskundige Linderoth hun excuses aan voor twintig jaar en meer onderwijsideologie:  neomanie, taalrelativisme, ontscholing, egalitaire ideologie ...?

    Deze Zweedse hoogleraar biedt zijn excuses aan voor twintig jaar onderwijsideologie. Daar kan Nederland  van leren
    J Visser in De Correspondent

    Commentaar: ook hoog tijd dat de vele Vlaamse nieuwlichters hun excuses aanbieden.
    -------
    Een opmerkelijke bijdrage aan het begin van het schooljaar kwam van Jonas Linderoth, hoogleraar onderwijs aan de Universiteit van Göteborg. De kern van zijn stuk in Dagens Nyheter: mijn excuses voor wat ik het onderwijs de afgelopen twintig jaar heb aangedaan.

    Linderoth beschrijft hoe hij en collega-pedagogen in de jaren negentig het onderwijs wilden veranderen. Leerlingen zouden meer vanuit hun eigen interesse en motivatie moeten leren, het onderscheid in traditionele vakken zou afgeschaft moeten worden en het klaslokaal zou niet het verhaal van de docent, maar het zelfstandig werken van de leerling moeten ondersteunen.

    Ook Linderoth mocht die visie als pas gediplomeerd student op congressen delen. Op een conferentie in Stockholm stelde hij bijvoorbeeld dat hij meer Engels had geleerd van muziek dan op school, een claim die hij ondersteunde met een foto waarop hij temidden van spelende kinderen Pink Floyds Another brick in the wall (‘We don’t need no education’) speelde.

    Daarover schrijft hij nu: ‘Vandaag huiver ik door het hele lichaam van schaamte als ik nadenk over de simplistische en populistische boodschap die ik overgebracht.’ (Tenminste, zo vertaalt Google Translate het)

    Vanzelfsprekend veranderden de opvattingen over wat een goede docent kenmerkt mee. Die docent zou niet langer ‘een wijs persoon op een podium’ moeten zijn, maar ‘een gids die de pagina volgt.’ Een wiskundeprofessor en pionier op het gebied van digitaal leren, Seymour Papert, stelde dat de docent de honger van leerlingen om zelf de wereld te ontdekken alleen maar in de weg stond. Linderoth schrijft dat de traditionele docent voor de klas tijdens zijn eigen lerarenopleiding in de jaren negentig haast werd gezien als een moderne versie van de sadistische tiran Caligula.
    Geen wonder dat niemand meer leraar wil worden, concludeert Linderoth. Twintig jaar lang hebben we de status van de docent proberen te ontmantelen. En hij droeg daaraan bij.

    Het komt allemaal zo verschrikkelijk bekend voor. Van de docent die een coach zou moeten zijn tot internetpionier die de volgende onderwijsrevolutie aankondigt. Er kan geen onderwijscongres voorbijgaan of een goeroe moet opmerken dat leerlingen van nature nieuwsgierig zijn - en dat onderwijs die nieuwsgierigheid de nek omdraait. De Pink Floyd-anekdote heb ik de afgelopen jaren in velerlei vormen voorbij horen komen. Onderwijs2032, het belangrijkste onderwijsadvies van de afgelopen jaren, heeft de mond vol van vakoverstijgend en interdisciplinair leren.
    We hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden om over twintig jaar te concluderen dat de spaken krom staan. Van de bijdrage van Linderoth kunnen we ook in Nederland leren,.

    12-12-2017 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:onderwijsideologie, edukwakzalvers
    >> Reageer (0)
    11-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Transbaso-studie versus ons Leuvens CSPO- doorstromingsonderzoek van 1969-1970 : deels analoge vaststellingen, maar andere interpretatie en conclusies, andere conclusies ook dan in 13 andere studies

    Transbaso-studie  versus ons Leuvens CSPO- doorstromingsonderzoek van 1969-1970 : deels analoge vaststellingen, maar totaal andere interpretatie en conclusies

    Transbaso-uitspraken over onze eerste graad s.o. versus andere conclusies in recente studie onderwijsstelsels van Van de Werfhorst e.a.

    Transbaso-conclusies over functioneren van onze gedifferentieerde eerste graad s.o.:  ook haaks  13 internationale studies van Jaap Dronkers, Finse, Duitse, Amerikaanse en Vlaamse onderzoekers

    ------

    De transbaso-onderzoekers onderzochten de doorstroming van leerlingen naar het secundair onderwijs in 18 Antwerpse en 18 Gentse scholen.  Zelf participeerde ik aan de eerste grootscheepse doorstromingsstudie en dit voor 5.000 leerlingen die in 1969-1970 in het zesde leerjaar secundair zaten- net voor de invoering van het VSO : de Leuvense CSPO-doorstromingsstudie.  

    Al in 1969-1970 stelden we vast dat  praktisch alle de leerlingen met behoorlijke leerresultaten in het zesde leerjaar doorstroomden naar het aso. Ook de transbaso-onderzoekers stelden nu bijna 50 jaar later  vast dat de doorstroming naar een aso-optie in de eerste graad s.o. in heel sterke mate gebaseerd is op de leerprestaties voor rekenen en taal – en dus niet op de sociale afkomst van de leerlingen.  We voegen er nog aan toe:  Nederlandse en Vlaamse onderzoekers – o.a. Jan Van Damme - stelden ook al vast dat er een grote overeenkomst wis tussen de leerresultaten in het secundair  en deze in het lager onderwijs. Ook dat wijst er op dat de  gedifferentieerde structuur van onze eerste graad/ lagere cyclus s.o. niet de oorzaak is van deze verschillen.

    In onze Leuvense studie van 1969-1970  stelden we ook al vast dat er bij bij leerlingen met een schooluitslag lager onderwijs waarvan men mag verwachten dat ze aso niet zouden aankunnen, er toch een aantal zijn die doorstroomden naar het as;  en dat dit te hoog mikken het meest het geval was bij leerlingen uit hogere milieus. In de transbaso-studie stelde men ongeveer hetzelfde vast. Ouders uit hogere milieus zullen vlugger dit risico willen lopen dan ouders uit lagere milieus.  En omdat CLB’s en leerkrachten beseffen dat die leerlingen in het secundair onderwijs meer kans lopen om van huis uit extra ondersteund te worden, is het ook begrijpelijk dat ze het iets minder vlug zullen afraden.

    De transbaso-onderzoekers wijten  die laatste vaststelling  in de eerste plaats en ten onrechte aan de differentiatie in de eerste graad.  Ze vinden het te hoog mikken ook ten onrechte catastrofaal voor de leerlingen. In een studie van een aantal jaren geleden concludeerde prof. Jan Van Damme dat het eerder te hoog mikken interessante is dan te laag mikken. Ook prof. Jaap Dronkers e.a concludeerden in hun studie dat het feit dat in Vlaanderen opvallend veel leerlingen kiezen voor een veeleisende aso-optie een  positieve zaak is: in:  ”High performance of Dutch and Flemish 15-year-old native pupils’. Hun conclusie luidt: “De  lagere cyclus Vlaams onderwijs is uniek:   slaagt erin een  grote mate sociale gelijkheid te combineren met  hoge effectiviteit dankzij de unieke  gedifferentieerde structuur waarbij  70% starten met  veeleisende aso-optie . Die uitdaging voor de 12-jarigen is volgens Dronkers en Co  vrij positief. Zij stellen ook dat als leerlingen merken dat ze te hoog gemikt hebben, in Vlaanderen ook vlot geheroriënteerd worden naar een meer passende studie-optie. Een analoge conclusie in onderzoek van Roxanne Korthals :“Het indelen van leerlingen in verschillende onderwijsniveaus in secundair onderwijs  heeft een positief effect op de leerresultaten, mits de selectie plaatsvindt op basis van talent" (zoals in Vlaanderen grotendeels geval is). Dee conclusies in de twee vermelde Nederlandse studies staan dus haaks op de transbaso-conclusies.

    Minder keuze voor tso-optie

    De tabasco-onderzoekers betreuren  dat slechts 20% van de leerlingen een technische optie kiest. Voor heel Vlaanderen was dit tot voor kort 30%. Die daling van het percentage l kan te wijten zijn aan de steekproef + ook aan het feit dat door de invoering van de STEM-optie in aso-scholen  een aantal leerlingen nu oo de indruk kregen dat ze ook deze aso-optie aankunnen.  Minister Crevits en Co propageerden de invoering van STEM  vanuit het perspectief van de herwaardering van het tso, maar het effect is eerder tegengesteld. In 1969 kozen nog  meer leerlingen voor het tso en in die tijd waren de tso-scholen ook nog  van een hoger niveau en meer gewaardeerd dan op vandaag het geval is.De invoering van het VSO vaanf 1970 leidde al tot een sterke aderlating voor het tso.  Het feit ook dat sociologen, politici … voortdurend spreken over waterval heeft mede de waardering voor tso/bso aangetast.  

    De baso-onderzoekers trekken duidelijk totaal  andere conclusies  hun studie dan veel andere odnerzoekers en dat deze  wij trokken  uit onze CSPO-studie van 1969-1971. . Wat concludeerden wij in 1971: gezien de leerlingen in het zesde leerjaar vooral op basis van hun leerresultaten doorstromen naar een richting in het s.o., en gezien de leerresultaten in het s.o. in grote mate overeenstemmen met deze in het lager onderwijs, stelden we net als in het Nederlands Talentenonderzoek van Van Heek e.a. dat het nastreven van betere ontwikkelingskansen voor kansarme leerlingen zich minder situeerde op het niveau van het s.o. : Van Heek sprak van te weinig nog ontginbaar talent in het s.o. Volgens  de Nederlandse onderzoekers  en volgens ons  situeerde de GOK-inspanning zich vooral  op het niveau van het kleuter- en het lager onderwijs. In een reeks VRT-uitzendingen over onderwijskansen in 1972 hebben wij dat standpunt dan ook verdedigd. En ook de voorbije decennia was dit ons GOK-stokpaardje, maar de Vlaamse onderwijssociologen bleven alle heil verwachten van een gemeenschappelijke eerste graad en vele zelfs van een gemeenschappelijke eerste en tweede graad.

    ------

    Recente studie onderwijsstelsels van Van de Werfhorst e.a. komt tot andere en veel minder stellige conclusies dan Transbaso

    In ONDERWIJSSTELSELS VERGELEKEN: LEREN, WERKEN EN BURGERSCHAP (2017), formuleren Herman Van de Werfhorst e.a. nu veel minder stellige uitspraken over differentiatie in de eerste graad s.o. dan voorheen en vaak ook andere conclusies dan de Vlaamse sociologen en de Transbaso-sociologen. Een paar voorbeelden.

    “We moeten ons vooreerst hoeden voor al te stellige uitspraken. In de eerste plaats is het niet zo dat er in stelsels met een latere selectie in s.o. en zonder hiërarchisch geordende schooltypen geen kansenongelijkheid tussen sociale milieus bestaat. Het verschil komt daar alleen anders tot stand. De leerlingen worden binnen de school ingedeeld naar niveau voor alle vakken of kiezen voor vakken op verschillende niveaus.

    "De meeste internationale prestatie-indicatoren stellen ons niet in staat om leerlingen in de tijd te volgen, waardoor we niet met stelligheid kunnen aannemen dat de gevonden correlaties ook werkelijk oorzakelijke verbanden zijn. (Commentaar: we zouden b.v. ook moeten kijken naar de situatie in de hogere cyclus s.o. En dan blijkt b.v. dat in Finland de correlatie SES-schoolresultaten heel groot is,  veel hoger  dan in de lagere gemeenschappelijke cyclus.  In Finland is er een heel sterke selectie na het 3de jaar s.o.)

    Gedifferentieerde systemen (zoals b.v. eerste graad s.o. Vlaanderen) zijn efficiënter in de vorm van een hogere PISA-score op wiskunde en natuurwetenschappen, maar niet op taal, en alleen als ze zeer sterk differentiëren én scholen leerlingen bij de toewijzing sterk selecteren op basis van cognitieve kenmerken.  (ook differentiatie in sterke Oost-Aziatische landen.)

    Uit onze landenvergelijkende studies blijkt dat vroege selectie kan leiden tot een efficiëntere verwerving van typisch schoolse vaardigheden zoals wiskunde en natuurwetenschappen. Bij taal wordt dat verschil echter niet gevonden, wat te maken zou kunnen hebben dat taalverwerving ook buiten de context van de school plaatsvindt. Bovendien blijken wel enkel beter te presteren als ze dat a) heel gedifferentieerd doen (minimaal vier niveaus) en b) de toewijzing vooral gebeurt op basis van cognitieve entreevereisten. Met andere woorden, de uitkomsten wijzen erop dat vroege selectie gunstig kan zijn, maar daarvoor geldt wel: doe het goed of doe het helemaal niet.
     
    De rationale daarachter is vermoedelijk dat alleen in sterk gedifferentieerde systemen de leerstof echt wordt aangepast aan het niveau van de leerling. In ongedifferentieerde systemen moet een leraar ook rekening houden met verschillen in cognitieve prestaties, simpelweg door de grote verschillen binnen de klas. Leraren spelen daarop in door meer maatwerk te geven aan leerlingen. In de weinig gedifferentieerde systemen met maar twee of drie niveaus, passen leraren de leerstof wel aan de gemiddelde leerlingen in die niveaus aan, maar de heterogeniteit is toch nog te groot om dat goed te doen en weer te laag om maatwerk te leveren. Het is intuïtief eveneens goed te begrijpen dat differentiatie alleen werkt als het plaatsvindt op basis van een sterke selectie op cognitieve entreevereisten. Dit is immers de enige manier om de homogeniteit binnen de niveaus te bewerkstellingen, zodat de leerstof ook optimaal op de leerlingen kan worden afgesteld.

    Onderzoekers: "Het feit dat Finland, een goed presterend land  (commentaar: maar nog altijd zwakker voor PISA- & TIMSS-wiskunde dan Vlaanderen) & veel minder toppers)pas op latere leeftijd selecteert,  wekt de indruk dat uitstel niet noodzakelijk nadelig hoeft te zijn voor het gemiddelde prestatieniveau. Dat is echter  eenonvoldoende bewijs, omdat ook andere factoren van invloed kunnen zijn op de prestaties van een land. Voor die factoren moeten we in ons onderzoek dus controleren. De meeste internationale prestatie-indicatoren stellen ons niet in staat om leerlingen in de tijd te volgen, waardoor we niet met stelligheid kunnen aannemen dat de gevonden correlaties ook werkelijk oorzakelijke verbanden zijn." (Commentaar: we zouden b.v. ook moeten kijken naar de situatie in de hogere cyclus s.o. En dan blijkt b.v. dat in Finland de correlatie SES-schoolresultaten veel hoger is dan in de lagere gemeenschappelijke cyclus.  In Finland is er een heel sterke selectie na het 3de jaar s.o.)
    ------
    Internationale studies die conclusies van Vlaamse sociologen weerleggen

    We vermelden ook nog een aantal studies die uitwezen dat Vlaanderen in vergelijking met ander landen goed scoort inzake sociale gelijkheid  en leerprestaties van de zwakkere leerlingen– ook al trokken Vlaamse sociologen op basis van dubieuze criteria andere conclusies.  Zo is de prestatiekloof een dubieus criterium.  Even fout is  de voorstelling van de correlatie met het scholingsniveau  van de ouders als een louter sociale factor;  hierbij wordt  de grote invloed van de  intellectuele aanleg  in die samenhang niet meegerekend en wekken de sociologen ook de indruk dat de school in staat is om zomaar alle milieu-invloeden weg te werken.  

    De Vlaamse PISA-2000 verantwoordelijke  Luc Van de Poele  poneerde : Ons Vlaams onderwijs is ook heel efficiënt voor leerlingen  uit de  lagere klassen. Zij worden niet achtergesteld zoals sommigen in de media voorstellen: ze scoren zéér behoorlijk" (De Standaard, 30.10. 02)

    Prof Jan Van Damme concludeerde in TIMSS-2003-rapport: “Uit TIMSS blijkt dat Vlaanderen in vergelijking met alle andere landen (samen met Hongkong, Taipei en Nederland )er het best in slaagt zo veel mogelijk leerlingen (minstens)  lage standaard te doen bereiken :99% voor Wiskunde en  98% voor wetenschappen. (Opvallend  is ook dat de sociologen zwijgen over TIMSS, niettegenstaande TIMSS veel beter dan PISA  het effect van het onderwijs voor wiskunde e.d. weergeeft

    Finse onderzoekers poneerden: Excluding immigrant students considerably alters the country league tables: On top of the list in the PISA 2003 mathematics, Finland is replaced by Belgium and the Netherlands “ (Finland and PISA – Explanations and reasons, 2011 – zie Internet). 

    TIMSS-studie van R. Hofman e.a “het Vlaams onderwijs doet het in vergelijking met andere landen goed inzake het verschil tussen kansarme en kansrijke autochtone lln.” A cross-country comparison on quality and equity, 2004, Kluwer  #crevts @koendaniels @AnnBrusseel

    Joachim Wuttke concludeerde: Beschränkt man den internationalen Vergleich auf im jeweiligen Land geborene Schüler, wird Finnl in manchen Teiltests überholt von flämisch Belgien  & den Niederlanden (PISA:Nachträge zu einer nicht geführten Debatte GDM-Mitteilungen 87 · 2009 21  #crevits #hetcov

    Onderzoeker Hagemeister concludeerde “ One of  most important background variables is  language spoken at home. Excluding  immigrant students of the country league PISA-tables: On top of the 2003 mathematics league table, Finland is replaced by Belgium and the Netherlands #crevits @kathondvla

    Ludger Woessmann concludeerde op basis van TIMSS: “Vlaanderen is het land  dat de meest gelijke resultaten behaalt voor lerlingen met  verschillende familiale achtergrond; . (How equal are educational opportunities? Family background and student achievement in Europe and the US, zie Internet).

    In een lijvige studie concludeerde de Brusselse psycholoog Wim Van den Broeck: Uit PISA-2012 blijkt opnieuw dat Vlaanderen een goede score behaalt inzake sociale gelijkheid en veel onderwijskansen biedt;  en dat onze gedifferentieerde eerste graad goed functioneert ( Zie bijdrage uit Onderwijskrant nr. 169).

    Op ons blog stelden we uitvoerig 13 erstige studies voor die wijzen op het feit dat Vlaanderen ook inzake sociale gelijkheid goed scoort in vergelijking met andere landen.

    P.S. 13 studies - ook van socioloog Dronkers -  die wijzen op  grote sociale gelijkheid Vl onderwijs én op onze unieke en effectieve 1ste gr s.o. Haaks op transbaso-onderzoekers,  Jacobs,, Nicaise, Agirdag, Van Houtte ...  http://www.bloggen.be/onderwijskrant/archief.php?ID=2875019 … … … …

     

    11-12-2017 om 18:43 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:GOK, eerste graad, transbaso
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het decreet 'passend onderwijs' Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee

    M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het decreet 'passend onderwijs'
    Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee

    Rene Kneyber– 16:13, 6 december 2017Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend onderwijs.

    Want als iedere leerling 'passend' onderwijs zou ontvangen dan zou er ook geen aanleiding meer zijn om niet naar school te gaan. Hoe beter het onderwijs 'past' hoe minder kinderen thuis komen te zitten. Lekker overzichtelijk.

    (Via 'passend onderwijs' kunnen leerlingen die op andere vlakken niet mee kunnen komen dankzij een aangepast programma toch meedraaien in het reguliere onderwijs. Lees het eerdere verhaal in Trouw 'De nieuwe trend: passend onderwijs voor iedereen'.)
    Vorige week liet een basisschoolleerkracht me een opname uit zijn les horen. Terwijl hij instructie gaf aan de klas, zat een leerling dwangmatige keelgeluiden door hem heen te maken. De... hele... tijd... De jongen is zo beperkt dat hij een-op-een-begeleiding nodig heeft om te kunnen functioneren. Maar ja, in een gewone klas op een gewone school zijn er ook nog andere kinderen. De school had dan wel al een aanvraag voor speciaal onderwijs gedaan, maar moest nu weer een maand wachten omdat er iets niet klopte in de papieren. Niet dat er over een maand dan meteen een plek is, natuurlijk. Maar hij zit in ieder geval niet thuis.

    Nog zoiets: drie weken geleden bleek dat voor het eerst in jaren weer meer leerlingen naar het speciaal onderwijs zijn gegaan. Daartussen zitten veel leerlingen, zoals de jongen van hiervoor, die veel te lang in het regulier onderwijs hebben gezeten zonder de juiste begeleiding. Zij komen uiteindelijk zwaar beschadigd alsnog op de juiste plek.
    Tv-programma 'De Monitor' liet kortgeleden zien hoe dat kan gaan. De 14-jarige jongen Maris kon in het regulier onderwijs met zijn aandachtsstoornis niet meer meekomen, en begon burn-outverschijnselen te vertonen. De scholen in het samenwerkingsverband zaten kennelijk zó niet op hem te wachten, dat ze een privé-school een enorme sloot geld betaalden om hem les te gaan geven. Dat schijnt vaker te gebeuren, maar ja, de cijfers ontbreken. Wel mooi: hij zat in ieder geval niet thuis.

    Ik zal niet de eerste zijn die zal zeggen dat passend onderwijs mislukt is. Het is een complexe operatie, we moeten besturen wel de tijd gunnen voor we erover mogen oordelen. Maar het succes van de hele hervorming ophangen aan het aantal thuiszitters, en verder niets weten van wat er eigenlijk in lessen gebeurt, en wat voor 'oplossingen' er zoal door samenwerkingsverbanden worden verzonnen, dat lijkt mij nogal onverantwoordelijk, en vooral vragen om problemen.

    René Kneyber deelt zijn ervaringen als wiskundeleraar op het vmbo. Lees zijn eerdere columns hier.

    Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend…
    trouw.nl

    11-12-2017 om 13:40 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Meritocratisch onderwijs: ja! Meritocratische maatschappij: Neen! Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme : reactie op recente egalitaire uitspraken van prof. Ides Nicaise en op visie van transbaso-onderzoekers

    Meritocratisch onderwijs: ja! Meritocratische maatschappij: Neen! Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme : reactie op recente egalitaire uitspraken van prof. Ides Nicaise en  op visie van  transbaso-onderzoekers


    Meritocratisch onderwijs is heel iets anders - dan een meritocratische maatschappij (zie deel 1)

    Maar egalitaristen als Nicaise, Jacobs, Agirdag, transbaso-onderzoekers, Van Avermaet, Gennez, Meuleman ...beseffen dat blijkbaar nog niet. Egalitaire prof -economist Ides Nicaise pakte in Tertio 12 juni 2017 opnieuw uit met zijn egalitaire ideologie (zie deel 2) De Franse onderwijsminister Blanquer stelde onlangs terecht: : Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme

    Deel 1 meritocratisch onderwijs : Ja! Meritocratische maatschappij: Neen!

    Het onderwijs mag meritocratisch zijn, het is in de eerste plaats de maatschappij en de mensen die het goed stellen die moeten zorgen voor faire maatschappelijke kansen, welzijn van mensen die minder kansen kregen in het leven

    Passage uit The Ten SuggestionsChairman Ben S. Bernanke

    At the Baccalaureate Ceremony at Princeton University, Princeton, New Jersey
    The concept of success leads me to consider so-called meritocracies and their implications. We have been taught that meritocratic institutions and societies are fair. Putting aside the reality that no system, including our own, is really entirely meritocratic, meritocracies may be fairer and more efficient than some alternatives.

    But fair in an absolute sense? Think about it. A meritocracy is a system in which the people who are the luckiest in their health and genetic endowment; luckiest in terms of family support, encouragement, and, probably, income; luckiest in their educational and career opportunities; and luckiest in so many other ways difficult to enumerate--these are the folks who reap the largest rewards.
    The only way for even a putative meritocracy to hope to pass ethical muster, to be considered fair, is if those who are the luckiest in all of those respects also have the greatest responsibility to work hard, to contribute to the betterment of the world, and to share their luck with others.
    ------

    Deel 2: Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme .

    Egalitaire prof -economist Ides Nicaise pakte in Tertio 12 juni 2017 opnieuw uit met zijn egalitaire ideologie.

    Nicaise: "De schoolloopbaan wordt meer bepaald door sociale afkomst dan door talenten." En verder ook : Het Vlaams onderwijs scoort wel uitstekend voor PISA e.d., maar is tegelijk 'berucht' om sociale ongelijkheid.

    We formuleerden al herhaaldelijk kritiek op de egalitaire ideologie van Nicaise en co. Nog dit: als kinderen in lagere milieus veel lager zouden scoren dan in andere landen, dan zou Vlaanderen voor PISA & TIMSS uiteraard ook al wiskundig gezien geen topscores kunnen behalen.

    Reacties op die uitspraken Nicaise op twitter:
    *Prof.-psycholoog: Wim Van den Broeck: Mocht kloppen wat Nicaise beweert, dan zou erfelijkheidsfactor voor IQ- en prestatieverschillen veel lager liggen dan bekend is.

    *Prof.-psycholoog Wouter Duyck: Sorry, Tertio is geen A1 tijdschrift
    *Pedagoog Koen Daniëls: Tja... als je alle OESO, PISA en ander internationaal onderzoek alsook IQ negeert. Nicaise zwijgt over zijn ideologisch profiel.

    Nicaise heeft naar eigen zeggen in Tertio aan den lijve ervaren wat een elitaire school is. Zijn vader-professor stuurde hem naar het elitaire college van de abdij van Zevenkerken (Loppem). Daar heeft hij uiteraard weinig/geen arbeiderskinderen ontmoet.

    Ik bezocht tien jaar vroeger (1958-1964) een gewoon college en in mijn klas wetenschappelijke A zaten bijna uitsluitend handarbeiderskinderen die achteraf ook hoge scores behaalden aan de universiteit. Maar volgens Nicaise is er ook nooit sprake geweest van echte democratisering van het onderwijs. Een andere egalitaire stelling van Nicaise luidt: "De intellectuele aanleg is ook nog op vandaag evenredig verdeeld over alle maatschappelijke klassen."

    In Tertio beweert Nicaise eveneens dat de kansarmere leerlingen te weinig worden uitgedaagd. Maar destijds pleitte ook hij tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs: "

    In 2007 drukte prof. Ides Nicaise de gangbare sociologische verklaring en vergoelijking zo uit: “De jonge allochtone leerlingen zijn (taalkundig) niet gehandicapt; het gaat enkel om achterstelling in de maatschappij en op school” We mochten volgens Nicaise & CO ook geen heil verwachten van intensief NT2 en achterstandsdidactiek, want die waren volgens hem gebaseerd “op het deficit-model, op de theorie van de ‘socio-culturele handicap’.(‘De school van de ongelijkheid’, 2007 EPO). Hij pleitte destijds ook voor de nefaste kindvolgende, ervaringsgerichte aanpak.

    Bijlage: kritiek van prof. -socioloog Jaap Dronkers op egalitaire ideologie van veel sociologen

    Prof. Jaap Dronkers liet zich herhaaldelijk kritisch uit over de egalitaire ideologie van veel van zijn vakgenoten-sociologen. (De Vlaamse onderwijssociologen Jacobs, Van Houtte, Agirdag, Nicaise ... waren niet opgetogen met zijn kritiek op hun analyses)

    Dronkers publiceerde b.v. op 8 maart 2014 de opgemerkte opiniebijdrage ‘Intelligentie en schoolprestaties: primaire en secundaire effecten van ouderlijk milieu’ op de blog stukroodvlees (zie Internet voor de volledige bijdrage en voor de verwijzingen en tabellen). Hij verdedigde daarin standpunten die we ook al lange tijd in Onderwijskrant verdedigden en die regelrecht ingaan tegen analyses van de Vlaamse onderwijssociologen over onderwijskansen e.d.
    Dronkers verduidelijkte in die bijdrage dat de sociologen zelf aanleiding gaven tot de kritiek dat ze ervan uitgaan dat ouderlijk milieu en intelligentie niet samenhangen en dat ze al te vlug stellige uitspraken doen over SES-correlaties, sociale discriminatie en onderwijsstelsels – b.v. omtrent de vele zegeningen van een gemeenschappelijke lagere cyclus s.o. en van het werken met heterogene klassen.

    Dronkers bekritiseerde de egalitaire ideologie als volgt: “Vanaf de jaren zestig bestaat er al een taboe op verschillen in intelligentie en intellectuele aanleg. Er zijn ook nog steeds mensen die niet aannemen dat ‘momenteel’ de gemiddelde intelligentiescore van (autochtone) leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen. Het onderwijsbeleid en de GOK-ideologie gaan ook nog altijd uit van dat vele ontginbare talent uit de lagere klassen.”

    In het belangrijkste deel van zijn analyse vraagt Dronkers zich af waar de kritiek op de sociologen vandaan komt. Zijn belangrijkste stelling luidt: “Het modieuze radicalisme van de tweede helft van de 20ste eeuw zag ‘de structuur’ of ‘de maatschappij’ als dé oorzaak van bijna alle individuele verschillen tussen individuen. Binnen de sociologie en aanpalende disciplines werd het als politiek incorrect gezien om die individuele verschillen (b.v. leerprestaties, crimineel gedrag...) los hiervan te analyseren.” De structuur van de maatschappij en van het onderwijs - en vooral de sociale discriminatie - waren de oorzaken van het feit dat minder (hand)arbeiderskinderen participeerden aan het aso, enz.

    Volgens Dronkers bleek het afwijzen van de invloed van de erfelijke aanleg en intelligentie en het milieudeterminisme “destijds ook al uit het tumult rondom het boek The Bell Curve van Herrnstein en Murray, uit de grofheid van de aanvallen van sociologen op deze personen. (Dit boek wees o.a. op de grote invloed van de erfelijke aanleg op het IQ.) Dit tumult maakte onderwijssociologen terughoudend om met hun analyses naar de relaties tussen ouderlijk milieu en intelligentie naar buiten te komen. Mijn heranalyse van het boek The Bell Curve met superieure Nederlandse data werd gepubliceerd in het psychologen-tijdschrift Psychologie en Maatschappij (87:152-165), buiten het zicht van medesociologen en buitenstaanders...

    De nasleep van het modieuze radicalisme in de sociologie duurde lang en is nog steeds niet geheel verdwenen. Zo wordt intelligentie in de belangrijkste Nederlandse datasets die sociologen gebruiken niet gemeten, in tegenstelling tot het behaald opleidingsniveau. Het is dus niet vreemd dat buitenstaanders denken dat onderwijssociologen intelligentieverschillen onbelangrijk vinden.”
    Elders betreurde Dronkers “dat er ook nog steeds veel mensen en sociologen zijn die niet aannemen dat ‘momenteel’ de gemiddelde intelligentiescore van autochtone leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen.” Als de relatie tussen de intellectuele aanleg van de leerlingen en het scholingsniveau & de beroepspositie van de ouders vrij groot is, dan kan men de correlatie tussen de schoolprestaties en het ouderlijk milieu niet zomaar toeschrijven aan het feit dat leerlingen uit lagere milieus minder onderwijskansen krijgen.

    Dronkers betreurde verder dat veel sociologen zich aansloten/ aansluiten bij de dubieuze visie van de bekende Franse socioloog Pierre Bourdieu. Dronkers: “De Franse socioloog Pierre Bourdieu introduceerde het al dan niet bezitten van het juiste culturele kapitaal als een belangrijke verklaring van de relatie tussen ouderlijk milieu en onderwijsprestaties, naast financieel en sociaal kapitaal. … Dit begrip werd al snel een panacee voor veel sociologen om alle onderwijsongelijkheid mee te verklaren. Daarmee verdwenen andere verklaringen, zoals de relatie tussen ouderlijk milieu en intelligentie, uit het zicht.”

    Dronkers wijst er vervolgens op dat op basis van de PISA-data vaak dubieuze vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. Hij stelt o.a. : “Sinds 2000 zijn cross-nationale data beschikbaar gekomen, die meer bruikbaar zijn om effecten van onderwijsstelsels te meten dan nationale longitudinale datasets. De bekendste zijn de PISA-data. Het grote bezwaar van deze cross-nationale data is echter dat ze een momentopname vormen en dat een aantal politiek gevoelige kenmerken, waaronder (invloed van ) intelligentie en religie, niet worden gemeten.

    Daardoor verdwijnt in de analyses het onderscheid tussen het primaire, secundaire en tertiaire effect van ouderlijk milieu en lijken alle onderwijsverschillen verklaard te worden door ouderlijk milieu en onderwijsstelsels. De politieke afhankelijkheid bij cross-nationale data leidt ook tot foute schattingen van de relaties tussen ouderlijk milieu en taal- en rekenvaardigheden in OESO-landen.’ De officiële PISA-rapporten en sociologische analyses houden veelal geen rekening met de grote verschillen in achtergrondkenmerken van de leerlingen, in de samenstelling van de leerlingenpopulatie.

    Dronkers wijst er vervolgens nog op dat in de officiële PISA-vergelijkingen er ook geen rekening gehouden wordt met de enorme verschillen tussen de allochtone leerlingen. Dronkers: “De officiële PISA-publicaties behandelen alle migranten als een homogene groep. Er wordt geen rekening gehouden met de herkomstlanden van migrantenleerlingen en van hun ouders. Minder politiek correct onderzoek met deze PISA-data laat zien dat verschillen in herkomstlanden belangrijker zijn voor de verklaring van onderwijsprestaties van migrantenleerlingen dan verschillen in bestemmingslanden. (Dronkers verwijst naar eigen onderzoek.)

    11-12-2017 om 13:35 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:egalitaire ideologie
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het M-decreet Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee
    M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het M-decreet

    Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee

    Rene Kneyber– 16:13, 6 december 2017

    Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend onderwijs.
    Want als iedere leerling 'passend' onderwijs zou ontvangen dan zou er ook geen aanleiding meer zijn om niet naar school te gaan.

    (Via 'passend onderwijs' kunnen leerlingen die op andere vlakken niet mee kunnen komen dankzij een aangepast programma toch meedraaien in het reguliere onderwijs. Lees het eerdere verhaal  in Trouw 'De nieuwe trend: passend onderwijs voor iedereen'.)
    Vorige week liet een basisschoolleerkracht me een opname uit zijn les horen. Terwijl hij instructie gaf aan de klas, zat een leerling dwangmatige keelgeluiden door hem heen te maken. De... hele... tijd... De jongen is zo beperkt dat hij een-op-een-begeleiding nodig heeft om te kunnen functioneren. Maar ja, in een gewone klas op een gewone school zijn er ook nog andere kinderen. De school had dan wel al een aanvraag voor speciaal onderwijs gedaan, maar moest nu weer een maand wachten omdat er iets niet klopte in de papieren. Niet dat er over een maand dan meteen een plek is, natuurlijk. Maar hij zit in ieder geval niet thuis.

    Nog zoiets: drie weken geleden bleek dat voor het eerst in jaren weer meer leerlingen naar het speciaal onderwijs zijn gegaan. Daartussen zitten veel leerlingen, zoals de jongen van hiervoor, die veel te lang in het regulier onderwijs hebben gezeten zonder de juiste begeleiding. Zij komen uiteindelijk zwaar beschadigd alsnog op de juiste plek.

    Tv-programma 'De Monitor' liet kortgeleden zien hoe dat kan gaan. De 14-jarige jongen Maris kon in het regulier onderwijs met zijn aandachtsstoornis niet meer meekomen, en begon burn-outverschijnselen te vertonen. De scholen in het samenwerkingsverband zaten kennelijk zó niet op hem te wachten, dat ze een privé-school een enorme sloot geld betaalden om hem les te gaan geven. Dat schijnt vaker te gebeuren, maar ja, de cijfers ontbreken. Wel mooi: hij zat in ieder geval niet thuis.

    Ik zal niet de eerste zijn die zal zeggen dat passend onderwijs mislukt is. Het is een complexe operatie, we moeten besturen wel de tijd gunnen voor we erover mogen oordelen. Maar het succes van de hele hervorming ophangen aan het aantal thuiszitters, en verder niets weten van wat er eigenlijk in lessen gebeurt, en wat voor 'oplossingen' er zoal door samenwerkingsverbanden worden verzonnen, dat lijkt mij nogal onverantwoordelijk, en vooral vragen om problemen.
    René Kneyber deelt zijn ervaringen als wiskundeleraar op het vmbo. Lees zijn eerdere columns hier.

    11-12-2017 om 10:31 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pleitbezorgers van de vele zegeningen van het gebruik van de thuistalen op school reppen met geen woord over het belang van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs in recent VLOR- rapport over talensensibilisering

    Pleitbezorgers van de vele zegeningen van het gebruik van de thuistalen op school reppen met geen woord over het belang van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs in recent VLOR- rapport over talensensibilisering - 'tt Is goe, juf, die spreekt mijn taal! -

    In het VLOR-rapport over 'talensensibilisering' wordt merkwaardig genoeg met geen woord gerept over het belangrijkste: over het belang van intensief NT2-taalonderwijs (vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.

    Dit is geen toeval! Het rapport is opgesteld door neerlandici als prof. Piet Van Avermaet van het Steunpunt Diversiteit Gent, Centrum voor taal en onderwijs van prof. Kris Van den Branden .. die het belang van de kennis van het Nederlands in sterke mate relativeren en die zich al 25 jaar verzetten tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.

    Het is tochook merkwaardig dat de overheid geld besteedt aan het laten opstellen van instrumenten - teksten in de thuistalen e.d. - voor sensibilisering van de thuistalen, maar dat de leerkrachten er hun beklag over doen dat ze weinig of geen leermiddelen krijgen voor NT2.

    ‘VLOR-rapport : 'tt Is goe, juf, die spreekt mijn taal!
    Promotor: dr. Koen Van Gorp (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Copromotoren: Prof. dr. Lies Sercu (Specifieke Lerarenopleiding Talen, K.U.Leuven) Prof. dr. Piet Van Avermaet (Steunpunt Diversiteit & Leren, UGent) Projectmedewerkers: Mieke Devlieger (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Carolien Frijns (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Sven Sierens (Steunpunt Diversiteit & Leren, UGent

    11-12-2017 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:talensensibilisering, NT2
    >> Reageer (0)
    10-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Te weinig leertijd voor de basisvaardigheden . en basiskennis als begrijpend lezen e.d., maar straks wellicht nog minder als we rekening houden met de eindtermen-consultatiecampagne van minister Crevits en de commissie onderwijs

    Te weinig leertijd voor de basisvaardigheden en basiskennis, maar straks nog minder als we moeten rekening houden met de vele leerinhoud-voorstellen uit de Eindtermen-consultatiecampagne van minister Crevits en de commissie onderwijs

    In PIRLS-2006 werd al vastgesteld dat er in Vlaanderen veel minder tijd geïnvesteerd wordt in begrijpend lezen & in 2016 nog 40% minder dan in 2006.. De leertijd voor lezen, schrijven en rekenen ia al te beperkt, maar er komen steeds nieuwe opdrachten bij. In de O-ZON-campagne van 2007 wezen we al op dit probleem.

    In de refente Consultatiecampagne van minister Crevits ging het praktisch uitsluitend om nieuwe - vaak fantasierijke - leerinhouden. en nooit om meer leertijd voor de klassieke basisvaardigheden. De formulering van de doelstelling van die Consultatiecampagne werkte dit in de hand.
    We schreven hier o.a. volgende bijdrage over.



    Consultatiecampagne Crevits en Co gaat de verkeerde richting uit.

    2.Onze reacties van 3, 4 en 5 oktober 2016

    Minister Crevits beloofde al in december 2015 een breed maatschappelijk debat over de nieuwe eindtermen en over de toekomst van ons onderwijs. In februari 2006 lanceerde ze onder de titel ‘Van ‘LeRensbelang’ de consultatiecampagne van 50 dagen met een eigen website onsonderwijs.be, online- en offline-berichten.

    Op 4 oktober werden de eindrapporten van de grootschalige consultatiecampagne ‘VanLerensbelang’ voorgesteld in de commissie onderwijs: het rapport van de VSK-scholierenkoepel en het rapport VanLerensbelang gepatroneerd door drie consultatie-/studiebureaus. Op 3, 4 en 5 oktober 2016 publiceerden we enkele reacties op blog en facebook ‘Onderwijskrant Vlaanderen’. We vatten ze nog eens samen.

    Nog voor de start van de campagne ventileerden we ons ongenoegen over de populistische volksraadpleging waarbij God en klein Pierken zich ineens mochten bemoeien met de toekomst van het onderwijs en van de eindtermen. En waarbij drie begeleidende studiebureaus die niets afweten van de vigerende eindtermen uit die grabbelton van voorstellen en bijdragen net deze konden uitpikken die modieus klinken en/of die ze zelf genegen zijn. Zelf stuurden we een 40-tal gestoffeerde bijdragen naar #onsonderwijs en #eindtermen. Maar niks ervan vinden we terug in het eindrapport.

    De twee eindrapporten van de populistische en geïmproviseerde consultatiecampagne vallen zoals voorspeld uiterst mager uit. Met de geformuleerde voorstellen kunnen we heel weinig aanvangen. De voorstellen wekken tegelijk valse verwachtingen en de indruk dat er ruimte is voor veel nieuwe eindtermen/leerdomeinen.

    In beide rapporten gaat het ook veelal niet om eindtermen, maar om b.v. kritiek op het examensysteem, op het teveel aan kennis, op de prestatieeisen, ... en om zaken die in het ‘pedagogisch project’ van de school thuishoren, of niets te maken hebben met typisch schoolse kennis. Dit was ook de
    grote kritiek van Ann Brusseel (Open VLD) tijdens de voorstelling. De drie begeleidende studiebureaus LEVUUR, Indiville en TreeCompany gaven grif toe dat ze geen rekening hadden gehouden met de vigerende eindtermen en dat zij en de meeste deelnemers aan het debat die niet eens kennen. Ook de VSK-scholierenvertegenwoordigers bekenden dat ze geen rekening gehouden hadden met de bestaande eindtermen. Het is alsof je aan mensen die de bestaande verkeersregels niet kennen, zou vragen om nieuwe regels te formuleren.

    Eindtermen hebben in sterke mate te maken met het vastleggen van de basiskennis en -vaardigheden. Maar de drie studiebureaus bekenden bij de voorstelling van het rapport dat ‘basiskennis’ nauwelijks aan bod kwam tijdens de consultatie. In het eindrapport wordt er dan ook weinig of niets over gezegd. We vernemen enkel dat vreemde talenkennis belangrijk is en nog een paar kleine dingen.

    Ook uit de voorstellen van de scholieren blijkt dat ze geen oog & waardering hebben voor basiskennis. Zo lezen we b.v. in het “Thema klaar voor het leven na het middelbaar: “De duidelijke boodschap die we overal hebben gehoord is dat scholieren op eigen benen willen kunnen staan. Veel leerlingen geven aan dat ze bepaalde basisvaardigheden om te overleven missen. Ze weten perfect hoe warm het soms kan worden in de tropen, maar niet op welke temperatuur je de was moet doen. Ze kunnen vierkantswortels trekken, maar geen worteltjes koken. Ze vullen blindelings een matrix in, maar weten niet hoe te beginnen aan een belastingbrief. Echt klaargestoomd voor de toekomst voel je je op die manier niet wanneer je je diploma in de hand hebt. ‘Waarom is dit nuttig?’ is de centrale vraag die bij het opstellen van de eindtermen altijd in het achterhoofd gehouden moet worden”.

    Veel van de inhoudelijke voorstellen horen niet thuis in het onderwijs, vooral omdat het niet gaat om schoolse & ‘powerful’ kennis, maar om 'alledaagse' kennis, of om zaken die mensen die deftig onderwijs genoten hebben, later zelfstandig aankunnen: zoals een belastingformulier invullen, weten op welke temperatuur je de was moet doen.
    Populistische consultatiecampagne eindtermen: VanWeinigBelang! Scholieren willen leren op welke temperatuur je de was moet doen!
    Tendentieuze toonzetting, veel energie & spektakel, povere opbrengst, vooral ‘ontscholende’ voorstellen

    We lezen ook veel te veel voorstellen die slaan op aspecten van de persoonlijkheidsvorming, sociale & affectieve vorming, latere taak als ouder ... . Dit zijn zaken waar de leerkrachten minder grip op hebben en die zich vooral buiten het onderwijs situeren. “Hoe te leven, hoe op te voeden, ... dat behoort in eerste instantie tot de verantwoordelijkheid van de ouders, de buurt, de media. Het is te gemakkelijk om dat af te schuiven op het onderwijs, dat het al lastig genoeg heeft met het inwijden van kinderen in de taal, de wetenschappen en de wiskunde”, aldus ook de pedagoog Roger Standaert. Geregeld werden ook zaken die al lang tot het curriculum behoren als nieuwe eindtermen voorgesteld.

    De eindtermenrapporten wekken de indruk dat zowat alles kan binnen de schooluren. Een kenmerk van het onderwijs is precies de beperkte leertijd. Dat betekent o.a. dat men voorrang moet verlenen aan zaken die enkel op school geleerd kunnen worden. Dat betekent ook dat men bij voorstellen voor nieuwe eindtermen of vakken (b.v. economie in eerste graad s.o., burgerschapskunde ...) telkens moet aangeven welke andere eindtermen/vakken/domeinen dan moeten wegvallen of in aantal uren verminderen. Daar werd geen rekening mee gehouden. Er ook niet met de bestaande eindtermen; die waren bij de meeste deelnemers aan de consultatiecampagne niet eens bekend.

    Veel inhoudelijke voorstellen in de twee rapporten en de vraag van de scholieren om de prestatieeisen sterk te verminderen ... sturen aan op een verdere ontscholing van het onderwijs en op niveaudaling. Enkele voorbeelden. *De leraar moet een coach zijn i.p.v. lesgever. *Niets over belang van basis- en feitenkennis. *Niet denken in vakken en vakdisciplines. *Geen aandacht voor grammatica en spelling bij talenonderwijs - en voor AN. *Geen abstracte kennis, maar vooral praktische zaken. *Zo weinig mogelijk toetsen en examens.”

    Ook DS-redactrice Inge Ghijs ziet in de eindtermenadviezen een vurig pleidooi voor minder (basis-) kennis: “De leerlingen en de ouders hebben duidelijk de weg gewezen die we op moeten. Meer aandacht voor het mens-zijn, de jongeren klaarstomen voor het leven buiten de schoolmuren en de wereld in de klas halen. Ons onderwijs is nog te veel gericht op theorie en kennisoverdracht. Daar zal aan getornd moeten worden” (Durf de gebaande paden te verlaten, DS- 2 september).

    De O-ZON-campagne van Onderwijskrant van 2007 wees uit dat de overgrote meerderheid van de onderwijsmensen de niveaudaling en ontscholing van het onderwijs het belangrijkste onderwijsprobleem vinden. Er werd gepleit voor meer basiskennis en herscholing, voor meer eisen en discipline. De voorbije 2 jaar verschenen echter al 7 officiële en gesponsorde rapporten/adviezen over de toekomst van ons onderwijs en over de nieuwe eindtermen, die alle aansturen op ontscholing. Bij een verantwoorde eindtermenstrategie zou men in een eerste fase mensen met kennis van zaken inzake vakdisciplines, leerplannen, .... en met klaservaring in lager/secundair onderwijs een eerste ontwerp laten opstellen. Daarna zou men voldoende tijd uittrekken om die voorstellen voor te leggen aan de praktijkmensen, onderwijskoepels, de commissie onderwijs, ...

    Men zou vooraf ook oplijsten welke vakken/leerdomeinen en eindtermen/leerinhouden absoluut moeten blijven. Pas dan zou men ook kunnen zien hoeveel ruimte er overblijft voor nieuwe zaken. Op de voorstelling van de eindrapporten gaven de rapporteurs zelfs toe dat er niet gekeken werd naar de huidige eindtermen en leerplannen. Zo zijn er m.i. voor het lager onderwijs al bij al weinig zaken die men kan laten wegvallen. Ik ben zelf medeopsteller van de eindtermen en leerplannen wiskunde lager onderwijs. De nieuwe eindtermen wiskunde zouden m.i. zelfs meer einddoelen moeten opnemen: als de kennis van de belangrijkste formules voor de berekening van oppervlakte en inhoud, de regel van drie ...

    Men zou in die eerste fase ook de vigerende eindtermen moeten evalueren. Naast de officiële eindtermenevaluaties, landenvergelijkende studies als PISA & TIMSS, beschikken we b.v. over tientallen bijdragen waarin de voorbije jaren gewezen werd op de uitholling van het vak Nederlands als gevolg van de eindtermen en nieuwe leerplannen. Enzovoort. De consultatiecampagne werd begeleid door niet minder dan drie consultatie- of studiebureaus LEVUUR, Indiville en TreeCompany. In de meeste reacties wordt hun eindrapport VanLerensbelang bestempeld als een ‘maat voor niets’. We ergeren ons aan het feit dat Crevits & Co zoveel geld betaalden aan studiebureaus die zelf niets afwisten over de eindtermen/leerplannen en weinig of niets over het onderwijs.

    De drie bureaus pronken op hun website wel met de geleverde prestaties. LEVUUR schrijft: : “De afgelopen maanden woedde in Vlaanderen het maatschappelijke debat over de eindtermen van ons leerplichtonderwijs. Onder de titel 'VanLerensbelang' kon iedereen meediscussiëren; in de media, op www.onsonderwijs.be, via 200 lokale avonden, 5 provinciale avonden en 1 groots onderwijsfestival waar zo'n 700 jongeren, onderwijsprofessionals, parlementsleden en geïnteresseerde burgers en organisatie aan deelnamen.Levuur, Indiville en de Vlaamse Scholierenkoepel sloegen hiervoor op vraag van het Vlaams Parlement en departement Onderwijs de handen in elkaar. Welke vonken dit gaf op 13 mei tijdens het afsluitend onderwijsfestival in het Vlaams Parlement, kan u zien in dit filmpje:https://www.facebook.com/media/set/… Op dit filmpje zien we ook een overenthousiaste Kathleen Helsen & andere leden van de onderwijscommissie.

    Tenslotte betreuren we eveneens dat in het kader van de nieuwe eindtermen minister Crevits, de VLOR, Klasse, de commissie onderwijs ... op hoorzittingen e.d. veelal ook mensen aan het woord lieten die zelf medeverantwoordelijk zijn voor niveauverlagende eindtermen en leerplannen - zoals de Leuvense prof. Kris Van den Branden die overal werd opgevoerd. Op de VLOR-openingsdag september 2015 mocht hij er eens te meer verkondigen dat het Vlaams onderwijs hopeloos verouderd is.

    2 Nog een aantal kritieken

    2.1 Overtrokken ambities, tendentieuze vragen & belangrijk basisonderwijs vergeten.

    De campagne werd tendentieus gemotiveerd als volgt: “Onze samenleving verandert in hoog tempo, ons onderwijs moet volgen.” Het cliché dat we leven in een hooggespannen tijd waarin de samenleving in een snel tempo verandert, dook weer op. Vanuit die toonzetting is het niet verwonderlijk dat dit ook leidde tot voorspelbare karikaturen over wat leerkrachten en scholen momenteel maar presteren en tot fantasierijke voorstellen voor de toekomst van ons onderwijs.

    De vier toegevoegde vragen over WAT LEREN luidden: *om zich persoonlijk te ontwikkelen, *om levenslang te leren, *om deel te nemen aan de maatschappij en *om later aan het werk te kunnen, roepen een onderwijsvisie op waarbij het vooral gaat om zelfstandig leren & leren leren, om zelf
    ontplooiing, om arbeidskwalificaties en om maatschappelijke taken & problemen (drugs, ongezonde levensstijl, problemen van interculturele maatschappij, racisme, werking van het bankwezen, …), kortom: om een ontscholing van het onderwijs.

    In de aankondiging ging het om een ’officiële’ visie waarin de typisch schoolse zaken allesbehalve prioritair leken: de schoolse basiskennis- en vaardigheden, de cultuuroverdracht en de vakdisciplines, de expliciete instructie en de leerkracht als meester ... staan allesbehalve centraal. Het gaat om vragen die aansturen op een verdere ontscholing van het onderwijs. Het is dan ook geen toeval dat in de eindrapporten weinig of niets gezegd wordt over de basiskennis en het grote belang ervan. Voorstellen voor het behoud en de herwaardering van basiskennis- en vaardigheden en van de vakdisciplines ... werden vanuit die ’officiële’ toonzetting zelden of nooit geformuleerd. Veel concrete voorstellen sturen aan op verdere ontscholing van het onderwijs. De toonzetting en de vier ’officiële’ vragen wekte ook de indruk dat het enkel ging om eindtermen en voorstellen voor het secundair onderwijs. De bijna 10 belangrijkste leerjaren, deze van de basisschool, vielen buiten exhibitie. Het zijn nochtans de belangrijkste voor de leer- en levenskansen van jongeren. Zo zouden we b.v. in het kleuteronderwijs nog veel vooruitgang kunnen boeken. In de twee eindrapporten vinden we dan ook weinig of geen voorstellen voor het kleuter- en lager onderwijs.

    2.2 Populistische consultatiecampagnes ontwrichten het debat

    Iedere burger oproepen om zijn mening te geven over de eindtermen klinkt op een eerste gezicht wel democratisch, maar ook de COC-lerarenvakbond en vele anderen gewagen terecht van de valkuil van zo’n breed maatschappelijk debat. Als het over onderwijs gaat, wordt iedereen plots als een expert beschouwd. Men organiseert toch ook geen volksraadpleging over de opstelling van de ploeg van de Rode Duivels en hun spelwijze. Men vertrouwt de begeleiding van die opstelling ook niet toe aan studiebureaus die niets afweten van voetbal.

    Het feit dat veel mensen en leerlingen geïn-teresseerd zijn in het onderwijs, betekent nog niet dat hun voorstellen voor nieuwe eindtermen even valied, doordacht, gestoffeerd en wenselijk zijn. De huidige eindtermen/leerplandoelen, zijn geenszins perfect, maar het huidige curriculum is niet bij toeval bijeen geharkt. Men kan er ook niet zomaar ad hoc van alles en nog wat aan toevoegen, en men kan niet zomaar belangrijke zaken laten vallen. Maar de meeste mensen en jongeren die participeerden aan de consultatie kennen het vigerende curriculum niet, kennen onvoldoende het verschil tussen schoolse kennis & vaardigheden en anderzijds alledaagse en praktische kennis als het aanvragen van een zichtrekening ...

    Tot de jaren negentig waren het bijna uitsluitend ervaren leraars, vakdidactici en inspecteurs die zich inlieten met het opstellen van het curriculum en van de leerplannen. Bij de vorige eindtermencampagne nodigde de DVO bij de advisering vooral mensen uit met de nodige onderwijskennis en -ervaring.

    2.3 Schoolse leerinhouden & vakdisciplines versus praktische zaken & alledaagse kennis

    Veel leerlingen en burgers lijken te wensen dat leerlingen van alles leren op school; maar dat zou enorm veel leertijd vergen en die is al bij al vrij beperkt. We moeten dus prioriteit verlenen aan belangrijke leerinhouden, aan powerful knowlegde, aan typisch schoolse zaken. Wat men op de lagere en secundaire school aan kennis en vaardigheden opsteekt, kan men achteraf op 1001 dagelijkse problemen toepassen. Hoe men een zichtrekening moet aanvragen of een belastingbrief invullen, moet je niet op school leren. Op school gaat vooral om ‘eeuwige’, ‘duurzame’ basiskennis en -vaardigheden die ons in staat stellen om steeds opnieuw informatie op te nemen en te verwerken en om een kritische houding ten aanzien van informatie e.d. aan te nemen. Het gaat vooral om de vakdisciplines als cultuurproducten en gestolde cultuur.

    Lev Vygotsky stelde al bijna 100 jaar geleden dat er een groot verschil is tussen schoolse en alledaagse kennis. Als we focussen op praktische zaken, dan beroven we de leerlingen van de culturele erfenis Als we leerlingen geen of onvoldoende taalkennis en -vaardigheden aanleren, geen vierkantsvergelijkingen en abstractere wiskunde en fysica, ... , dan brengen we ook hun verdere studies in het gedrang. Tijdens de consultatiecampagne werd ook al te vaak gesuggereerd dat veel van wat de leerlingen op school leren waardeloos of te abstract is. Ervaren leerkrachten en vakdidactici ervaarden dit alles als een belediging van hun professionaliteit. Veel voorstellen wekten ook de indruk dat de school alle maatschappelijke en persoonlijke problemen en problemen van de ouders moet oplossen.

    2.4 Belangrijke rol curriculumdeskundigen en praktijkmensen

    Eindtermen en leerplannen moeten in de eerste plaats opgesteld worden door mensen die deskundig zijn in het betreffende leerdomein, die voldoende bekend zijn met de traditie van die vakdiscipline en met de klaspraktijk voor dat vak. Als medeontwerper van eindtermen en leerplannen wiskunde, hielden ook wij destijds rekening met de verworvenheden van de wiskunde als vakdiscipline & cultuurproduct en met bestaande leerplannen. We hadden er de voorbije 25 jaar al veel over gepubliceerd en we hadden ook veel ervaring met de klaspraktijk. En achteraf legden we de voorstellen voor aan een groep praktijkmensen met een bijzondere interesse voor het vak wiskunde en met de nodige praktijkervaring.

    Op ons O-ZON-symposium (2007) wees prof. Hans Van Crombrugge op de belangrijke rol van de vakdisciplines bij de opstelling van eindtermen en leerplannen, We citeren even: “De vakdisciplines - ‘grepen uit de beproefde cultuur’ - spelen hierbij een belangrijke rol. Deze canon verschaft de inhouden, vaardigheden en houdingen eigen aan een bepaalde cultuur, wetenschap, e.d. Deze canon wordt in de eerste plaats opgesteld door de gemeenschap van mensen die deskundig zijn in het betreffende domein.” De Engelse kennissocioloog Michael Young verkondigt een analoge visie: “We need to put subjects (vakdisciplines) at the heart of the curriculum. Neither subjects, nor the boundaries between them are arbitrary. They are a form of specialisation of knowledge with powerful educational possibilities. Powerful knowledge is systematic. Its concepts are systematically related to one another and shared in groups, such as subject or disciplinar associations. It is not, like common sense, rooted in the specific contexts of our experience” (Bringing Knowledge Back in)

    2.5 Besluit

    De dure consultatiecampagne van Crevits oogde spectaculair. De opbrengst ervan is uiterst mager Die campagne wekt ook de indruk dat in het onderwijs om het even wat aan bod mag en kan komen. De meeste deelnemers waren zich niet bewust van het grote verschil tussen schoolse en alledaagse kennis, en van de belangrijke rol die de vakdisciplines, grepen uit de beproefde cultuur, spelen bij de zorgzame opstelling van een curriculum. De meeste leerkrachten en de curriculumdeskundigen lieten het afweten. Terecht.

    10-12-2017 om 13:44 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:leertijd, lezen, eindtermen
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voorstelling van bijdragen over Ontscholing en niveaudaling op O-ZON-symposium van 5 mei 2007 in de Blandijnberg-Gent
    Voorstelling van bijdragen over Ontscholing en niveaudaling op O-ZON-symposium van 5 mei 2007 in de Blandijnberg-Gent
    (Onderwijskrant nr. 142, 2007)
    1  Cultureel leren en ‘transcontinuïteit’ 
    De maand mei was een belangrijke en hectische maand voor O-ZON en Onderwijskrant. We werkten actief mee aan het organiseren van een eerste O-ZON symposium op zaterdag 5 mei – met 8 enthousiaste sprekers en 100 geïnteresseerde deelnemers. In voorliggende Onderwijskrant publiceren we een aantal bijdragen. Op het symposium werd ook het eerste O-ZON-boek gepresenteerd: Ik moet mag naar school. Bouwstenen voor een debat (zie p. 51). Veel mensen waren spontaan bereid een bijdrage te leveren – ook de COC (Christelijke Onderwijscentrale). 
    De verschillende sprekers op het symposium en de vele auteurs van het O-ZON-boek, pleiten alle voor cultureel en ervaringsverruimend leren en voor talentontwikkeling. Onderwijs betekent in de eerste plaats overlevering, overdracht van datgene wat voor ons belangrijk is. Velen pleiten dan ook voor een herwaardering van oude waarden als gestructureerd lesgeven, basiskennis en basisvaardigheden, algemene vorming en vakdisciplines, eisen stellen, discipline... 
    In voorliggend themanummer nemen we een 20-tal recente pleidooien op – lange én korte. De bijdragen en getuigenissen tonen alle aan dat de O-ZON-visie op een brede instemming kan rekenen. De auteurs kiezen niet voor traditioneel óf  nieuw leren, voor restauratie óf cultuuromslag, maar voor veranderingin-continuïteit – door de filosoof Jacques Derrida ook ‘transcontinuïteit’ genoemd, door anderen Aufhebung. Zo’n vernieuwing of optimalisering impliceert herhaling en reproductie, behoud van oude waarden. Raf Debaene bestempelt de modieuze pleidooien voor zelfgestuurd leren en ontscholing als antimodern – als strijdig met de (moderne) Aufklärung (zie p. 29). 
    Veertien bijdragen zijn opgesteld door professoren en docenten hoger onderwijs: Hans Van Crombrugge, Wim Van den Broeck, Alex Vanneste, Raf Debaene, Geert Van Coillie, Frank Vande Veire, Luc Braeckmans, Alain Finkielkraut,  Sjoerd Karsten, Th. Dalrymple, Frits Van Oostrum, Patrick Vandermeersch en Winfried Böhm, Frank Furedi; vier door leerkrachten, één door een bedrijfsleider en één door een journalist. 
    2 Verslag O-ZON-symposium
    Een honderdtal mensen volgde op 5 mei een reeks lezingen in de Blandijnberg van de Universiteit Gent. Achteraf was er ook tijd voor inbreng van de deelnemers. We kozen voor de Blandijnberg: de plaats waar in het verleden veel gedebatteerd werd – in mei ’68 en later. De plaats waar Onderwijskrant rond 1980 druk bijgewoonde ‘nationale onderwijsdagen’ organiseerde – samen met andere verenigingen. 
    Het verbaasde ons dat zoveel mensen (leerkrachten, docenten en professoren) spontaan bereid waren om totaal belangeloos een lezing over de    O-ZON-thematiek te houden. Verderop in dit nummer publiceren we een aantal lezingen. In het volgende nummer nemen we nog een paar bijdragen op.
    Marc Hullebus: doel van O-ZON
    Marc Hullebus schetste bij de aanvang van het symposium de ontstaansgeschiedenis van O-ZON en de opvallende respons op zijn e-mail van eind november 2006. De e-mail van de Brugse leraar lokte veel  reacties uitlokte. Het was zijn bedoeling dat anderen die ideeën verder zouden uitwerken, nuanceren en uitdiepen. Met het O-ZON-witboek, de O-ZON-website, het symposium en O-ZON-boek 'Meester, ik moet/mag nar school' wil O-ZON een breed debat op gang brengen. 
    Raf Feys: O-ZON-actiepunten
    Raf Feys gaf vervolgens toelichting bij het O-ZONmanifest met de tien O-ZON-actiepunten: • Respect voor en vertrouwen in de professionaliteit en ervaringswijsheid van leerkrachten • Herwaardering van basiskennis en basisvaardigheden, van de vakdisciplines en van het belang van abstrahering en symbolisering • Herwaardering van de instructie, lesgeven en contacturen, prestatiegerichtheid, orde en discipline • Herwaardering van het jaarklassensysteem, klassikale aanpak en ‘samen optrekken’  Geen doorgedreven individualisatie, geen LATonderwijs: learning apart together • Verhoging van het niveau van het onderwijs en van de lerarenopleidinge
    • Meer niveaubewaking en naleving inspectiedecreet • Beter benutten van talenten van alle soorten leerlingen. Effectief achterstandbeleid en achterstandsdidactiek. Geen nivellering en ‘GOKkloof-mythe’. • Vernieuwing in continuïteit i.p.v. doorhollings- en omwentelingsbeleid;  respect voor oude waarden en verleden i.p.v. afbraak van sterke kanten • Verminderen van de druk en invloed van vernieuwingsestablishment,  van de vele vrijgestelden voor de permanente revolutie van het onderwijs • Afremmen en afbouwen van bureaucratisering en grootschaligheid, reductie van planlast, bureaucratische schil rond onderwijs en overhead in hoger onderwijs
    Pieter Van Biervliet: degelijk onderzoek
    Lerarenopleider Pieter Van Biervliet betreurde dat er in Vlaanderen geen ernstig wetenschappelijk onderzoek omtrent de evolutie van de kennis bij jongeren bestaat. Maar er zijn wel ernstige indicatoren voor de niveaudaling. Hij verwees hierbij o.a. naar allerlei instaptoetsen aan hogescholen en universiteiten waarbij elk jaar opnieuw de resultaten vergeleken kunnen worden (cf. referaat van prof. Vanneste). Hij verwonderde er zich over dat zo’n groot ‘bedrijf’ als het onderwijs nog nooit een vergelijkend longitudinaal onderzoek omtrent de evolutie van het kennisniveau heeft verricht. 
    Van Biervliet zette vervolgens een aantal grootschalige onderzoeken op een rijtje waaruit blijkt dat een meer leerkrachtgestuurde onderwijsvisie de meeste garanties biedt. Verder betreurde hij de  keuze van de Vlaamse overheid voor een eenzijdige leerlinggecentreerde benadering. Mede vanuit GOK-standpunt is deze keuze onverantwoord     omdat in de eerste plaats sociaalzwakkere en leerbedreigde kinderen hiervan het slachtoffer zijn.
    Prof. Vanneste: veelzijdig (taal)onderwijs ipv eenzijdig
    Alex Vanneste, professor Franse taalkunde UA,  toonde vooreerst aan hoe de beheersing van het Frans bij zijn eerstejaarsstudenten sterk is afgenomen. Het cijfermateriaal dat hij in dat verband voorlegde, was overduidelijk. Vanneste gelooft niet in het zogenaamde ‘natuurlijk leren’. Hij maakte een vergelijking tussen het aantal uren ‘natuurlijk leren’ van de moedertaal door een Franstalig kind met het aantal uren Franse les dat een Vlaams kind op school geniet. Via deze simpele vergelijking kwam hij tot de conclusie dat een valse imitatie van het natuurlijk leerproces van een Franstalig kind in de klas zinloos en onproductief is. 
    “Leerkrachten, ouders en wetenschappers, insiders en outsiders, zijn het er roerend over eens dat meer structurerende en gestructureerde kennis noodzakelijk is – maar evenzeer dat vaardigheden voor vele vakken en activiteiten belangrijk zo niet essentieel zijn, dat zij zelfs meestal het uiteindelijk doel van onderwijs en vorming zijn. Maar kunnen en doen kunnen enkel ontwikkeld en bereikt worden via (of na, mits of met behulp van) kennen en weten.” …” In het taalonderwijs zit de kenniscomponent – het cognitieve aspect – in de aanbreng van (o.m. grammaticale en lexicale) regels en/of structuren. De vaardigheden worden ontwikkeld vanuit de cognitieve structurering en, uiteraard, via praktische (liefst situationele of communicatieve) oefeningen”. 
    De spreker besloot: “Er moet dringend een evenwicht hersteld worden tussen kennis- en vaardigheidsgericht onderwijs, en wel in alle vakken. Gestructureerde en inzichtelijke kennisopbouw dient overal meer aandacht te krijgen: kennis is immers de bouwsteen van elke vorm van ontwikkeling en faciliteert vaardigheidsontwikkeling. En voor zover die vaardigheden een uiteindelijke doelstelling van het onderwijs van sommige vakken zijn, maakt kennis het structureren van het leerproces mogelijk en biedt het een stevig houvast voor de leerlingen.”  Vanneste beklemtoonde evenzeer het belang van attitudes: “Begrippen zoals discipline, motivatie,  inspanningen, aandacht, positieve instelling, respect voor de leerkracht en de medeleerlingen, medewerking, empathie e.a. hebben helemaal niets    conservatiefs!”  
    Leraar Nederlands Alex Gryson: ondraaglijke lichtheid van eindtermen Nederlands 
    Het hoofdstuk ‘taalonderwijs’ werd afgesloten met een praktijkgetuigenis door Alex Gryson, een leraar Nederlands aan een technische school. Hij had het vooral over de “ondraaglijke lichtheid van de eindtermen”. Volgens Gryson wordt in de eindtermen overdreven veel belang gehecht aan formele aspecten, ten koste van het inhoudelijke: “Alleen zakelijk, bedrijfsgericht Nederlands blijft over.” Een aantal concrete voorbeelden uit zijn eigen klassenpraktijk waren in dat opzicht zeer verhelderend. 
    Docent Raf Debaene: postmodern leren is antimodern
    In allerlei vormen van het zgn. nieuwe leren staat de zelfsturing centraal; men pleit voor een  postmodern leren in een postmoderne maatschappij. Raf Debaene, filosoof en docent aan de Arteveldehogeschool te Gent, betoogde dat de modieuze aanpakken eerder als antimodern dan als postmodern bestempeld moeten worden. De onderwijsvernieuwingen worden steeds verantwoord vanuit het (angst-)discours van de ‘razendsnelle veranderingen’ in een postmoderne en contingente wereld. De wereld zou zo snel veranderen dat het geen zin meer heeft nog inhouden mee te geven en aan cultuuroverdracht te doen. Het onderwijs moet zich beperken tot het aanleren van inhoudsloze vaardigheden (leren leren) zodat de leerling zich voortdurend kan aanpassen aan een continu veranderende werkelijkheid. De leraar moet dus verdwijnen en een soort coach worden die het discours van de (lege) vaardigheden hanteert. 
    Zo’n relativistische kijk op de werkelijkheid en de ermee verbonden afwijzing van de cultuuroverdracht noemt Debaene niet postmodern: “er wordt immers geen doordacht antwoord gegeven op een actuele problematiek en situatie.” Zo’n visie is anti-modern “omdat men niet meer beschikt over absolute waarheden en zekerheden, durft men niet eens meer eindige, historisch bepaalde waarheden en waarden bevestigen.” 
    Hans van Crombrugge: ‘kennis maakt vrij’
    Prof. Van Crombrugge (docent aan het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen en  aan de University of Plymouth) stelde in zijn betoog de vraag naar de specifieke opdracht van het onderwijs en vooral naar de rol van de leerinhoud en leerkracht hierbij. Hij slaagde erin om op een duidelijke en krachtige wijze essentiële ‘vergeten’ dimensies’ van het onderwijsgebeuren te belichten. “Op school gaat het niet om het exploreren van de eigen wereld van de leerling, maar wel om hem te laten nadenken over de werkelijkheid. … Niet om zaken die de leerling uit zich zelf kan leren, maar om zaken waarvoor een leraar nodig is. De leerkracht moet iets overbrengen; het gaat om wat hij wil doorgeven, om wat hij waardevol vindt om doorgegeven te worden”. De school is de plaats waar mensen gevormd worden: “leerlingen worden uit de eigen ‘ik’- en ‘men’-cultuur weggeleid naar de cultuur van ‘wat is’. De mens als natuurlijk en sociaal wezen wordt vooral geleid door eigenbelang, zelfbehoud en behoefte erbij te horen. De vrije en redelijke mens wil recht doen aan wat werkelijk waar en goed is.”  
    Het onderwijs heeft dus als eerste en laatste   bestaansreden het richten van de aandacht naar de werkelijkheid. De vakdisciplines – ‘beproefde cultuur’ – spelen hierbij een belangrijke rol. Elk vak heeft zijn eigen ‘geletterdheid’ die neergelegd moet worden in de eigen ‘canon’ van het vak. Daarnaast is ook de persoon van de leerkracht heel belangrijk: “In zowel de vormingstheorie als de didactiek is de persoon van de leerkracht vaak onderschat: ofwel vergat de eerste de persoonlijke bezieling en zette alles op de vormingsinhouden die op zich vormend zouden zijn, ofwel werd hij/zij door de didactiek gereduceerd tot een lesgever die vooral deskundig was in het overdragen van kennis en het organiseren van leerprocessen.”
    Jan Jambon: bedrijfswereld verwacht brede vorming
    Jan Jambon, algemeen directeur van Bank Card Company (BCC, de uitgever van de kredietkaarten VISA en Mastercard) begrijpt niet dat het Vlaamse onderwijs de laatste jaren zo onderhevig is aan permanente veranderingsprocessen: “Als het Vlaamse onderwijs aan de wereldtop staat, waarom moet iedere nieuwe minister van onderwijs zijn of haar revolutie door de scholen jagen?”  Volgens Jambon veranderen marktsituaties wel voortdurend, maar dit betekent niet dat het onderwijs zich minder moet bezighouden met fundamentele kennis en vaardigheden. De bedrijven zelf zullen er wel voor zorgen dat hun medewerkers voortdurend omgeschoold worden. Deze omscholingen zijn alleen maar mogelijk als zij over een voldoende basiskennis beschikken waarop nieuwe vaardigheden ontwikkeld kunnen worden. Voor die basiskennis en basisvaardigheden moet de school zorgen.
    Etienne Van Neygen over inspectie, Klasse en media   

    Journalist en ex-leraar Etienne Van Neygen nam de rol van de inspectie en van de media onder de loep. Hij had het o.a. over een ‘politiek-pedagogischonderwijskundig complex’, een soort samenspel tussen de politiek, de dominante vorm van pedagogie en onderwijskunde en de media. Dat complex zou  een vernieuwingsoffensief in het onderwijs op gang hebben gebracht en ook draaiend houden. Een  belangrijke speler in dat spel is volgens Van Eygen ongetwijfeld de inspectie. Die inspectie dringt een onderwijsvisie op, wat eigenlijk niet tot haar decretale opdracht behoort. Van Neygen ziet ook directies die de inspectierichtlijnen kritiekloos volgen en zo hun beste leraren demotiveren. Een andere belangrijke speler zijn de media. Volgens Van Neygen falen die in hun informatieve en kritische rol in het hele onderwijsdebat. Hij stak ook een beschuldigende vinger uit naar Guy Tegenbos van De Standaard: “een onderwijsbeleidswatcher die vanuit zijn eigen vernieuwingsideologie steeds op dezelfde nagels hamert.” Hij wees verder op de funeste rol van het overheidsblad  Klasse.

    10-12-2017 om 10:51 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:O-ZON, ontscjoling, niveaudaling
    >> Reageer (0)
    09-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De grote appreciatie voor het onderwijs als Bildung en voor de figuur leerkracht die Hans Van Crombrugge in 2007 nog schitterend verwoordde, is totaal omgeslagen inopinie bijdrage vandaag in De Standaard. 

    Visie van Hans Van Crombrugge,  lector pedagogiek  Odisee Hogeschool,  vandaag 9 december 2017 in De Standaard  (zie deel 1), haaks op wat hij in 2007 verkondigde op O-ZON-symposium van Onderwijskrant in De Blandijnberg. (zie deel 2) De grote appreciatie voor het onderwijs als Bildung en voor de figuur leerkracht die Hans Van Crombrugge in 2007 nog schitterend verwoordde, is totaal omgeslagen inopinie bijdrage vandaag in De Standaard. 

    In 2007 stelde Van Crombrugge nog: “De  inhoud van het onderwijs moet sterk bepaald worden door logica van vakdisciplines als cultuurproducten. En hij sprak met heel veel respect over de leraar metpassie voor zijn vak die de leerlingen confronteert met die werkelijkheid.  Nu denkt hij daar blijkbaar totaal anders over.

    Deel 1: Onderwijs, omdat de leerkracht belangrijk is? Centrale gedachte: “Je zou niet voor de klas mogen staan als je niet eerst een groot aantal jaren elders – in de ‘echte wereld’ geleefd en gewerkt hebt” Leerkrachten zijn wereldvreemde wezens. “De huidige uitzonderingen in  het onderwijs: de leraar die na jaren terugkeert nar het onderwijs om zijn professionele ervaring en bekwaamheden over te brengen zouden de regel moeten zijn.” Een merkwaardige opvatting van een lerarenopleider die zelf heel zijn leven zijn boterham in het onderwijs (eerst een aantal jaren in de universiteit) verdient heeft.

    -----

    Van Crombrugge: “Niemand schijnt nog te weten waarvoor het onderwijs staat. …Het onderwijs zelf speelt de zwartepiet ook aan andere toe. Juridisering, bureaucratisering of functionalisering: het is allemaal de schuld van de maatschappij, het beleid of de ouders. Die lijken niet te zien wat het onderwijs in wezen is: een dienst voor de vorming en de ontplooiing van het kind. En het onderwijs heeft nog gelijk ook: de buitenwereld ziet dat inderdaad niet, maar vooral omdat het onderwijs zelf niet weet wat dit inhoudt. … De paradoxale oorzaak van deze malaise is niet dat het onderwijs zich onvoldoende weet af te schermen van de maatschappij, maar wel juist zijn wereldvreemdheid. Het onderwijs heeft vooral oog voor zichzelf. Het heeft alles gedaan om de school het monopolie te geven om leerprocessen te organiseren, waarbij leerkrachten andere vormen om op hun beurt leerkrachten te fabriceren.  Het hoogste ideaal lijkt nog  altijd dat van de onderwijzer te zijn, zij het in de ultieme vorm: de professor. In onderwijs staat niet het kind, maar de leerkracht in het centrum.

    Het discours over professionele ontwikkeling in de onderwijswereld illustreert dit. …Het gaat altijd over leren en leven op school, en niet over samenleven. Het watervalsysteem, onlangs nog in het nieuws, wordt door het onderwijs  zelf in stand gehouden.: de enige geletterdheid die het echt kent en steeds weer als model gebruikt, is die van de klassieke humaniora. De Latijnse retorica blijft de moedertaal va het leermateriaal op school. Of je nu werkt met krijt en bord, stencils, handboeken, overhead, powerpointpresentaties of interactieve digitale media, verandert daar niets aan.

    De enige oplossing is drastisch. Niet dat de school en het onderwijs moeten worden afgeschaft. Wel moeten we af van de leerkracht die heel zijn leven doorbrengt  in de school: eerst als leerling, dan als leerkracht.  Die ervaart het onderwijs als alfa en omega van het leven en de wereld. Dat geldt trouwens ook voor inspecteurs en schoolbegeleiders die nooit iets anders hebben gezien dan de schoolbanken. De problemen die deze bewakers van de onderwijswereld hebben met de kunstenaars en hun kunstonderwijs zijn veelzeggend ‘DS 29 november).

    Stuiptrekking van stervend beest

    De huidige uitzonderingen in  het onderwijs: de leraar die na jaren terugkeert nar het onderwijs om zijn professionele ervaring en bekwaamheden over te brengen zouden de regel moeten zijn. Ze zijn de enigen die de leerlingen iets te zeggen hebben en te tonen hebben, die hen echt kunnen boeien.  Ze zijn niet de dam tegen de waterval, maar verleggen wel de stroom. Je zou niet voor de klas mogen staan als je niet eerst een groot aantal jaren elders – in de ‘echte wereld’ geleefd en gewerkt hebt. De onderwijswereld zal zich verzetten tegen zo’n voorstel. Dat doe ze trouwens allang en met succes.  (De pleidooien om een veralgemeende universitaire lerarenopleiding en om de verfoeide ‘d-cursus’ af te schaffen, zijn veeleer de stuiptrekkingen van een gewond en stervend beest dat wil overleven, dan pogingen van een vitaal wezen dat levenskwaliteit nastreeft. Waarom zou je de ervaren bakker en boekhouder niet samen in de avondles voorbereiden op dat leraarschap? Alleen de leerkracht kan daar tegen zijn. Niet de leerling.)

    Commentaar.

    1.Terechte kritiek van Bart Haers op te goedkope uitspraken van Hans Van Crombrugge over wereldvreemde leraars  (op zijn blog)

    Bart Haers: "Het is godgeklaagd dat men het lerarenambt, waarbij mensen een meer dan behoorlijke opleiding KREGEN, ongeschikt zou achten omdat ze nooit in de bouw of op een kantoor van een verzekeraar te hebben gewerkt. De echte wereld?

    Leraar mogen zijn, leraar mogen zijn, kinderen en jongeren meenemen in de wereld van de taal, wiskunde, in het verhaal van handelende mensen, in ruimte en in tijd, vergt veel van een leraar en ja, ze hebben een gezin, nemen deel aan het sociale leven, sommige zijn jeugdtrainer, anderen houden zich bezig met muziek en theater. Zal die pedagoog zelf ooit langer dan een jaar buiten de universiteit of universiteit hebben gewerkt.”

    2. De belangrijkste kritiek op de opiniebijdrage drukte Van Crombrugge overigens zelf uit in een spreekbeurt van 2007 waarin hij een totaal andere visie en appreciatie voor het onderwijs en de leraar uitdrukte (zie deel 2).

     

     

    Deel 2: Onderwijsvisie van Hans Van Crombrugge op O-ZON-symposium 2007

    Kennis maakt vrij: aandacht voor werkelijkheid en waarheid 

    Mens worden door vorming 

     ‘Mensen worden niet geboren, maar gevormd.’ Aldus een gevleugeld woord van Erasmus. Hiermee wou hij niet zeggen dat een pasgeboren kind geen mens is, wel dat de mens anders dan planten en dieren, niet zomaar groeit en ontwikkelt, maar dat hij zijn ware mogelijkheden alleen realiseren kan in een menselijke omgeving. Deze menselijke omgeving –  de cultuur – leidt de mens in in een wereld van   beproefde en waardevolle houdingen tegenover de werkelijkheid, van opgedane en herhaalde ervaringen en inzichten in de werkelijkheid, van talen en woorden waarin de mens worstelt met de formulering van de waarheid van de werkelijkheid. Elke nieuwgeborene moet zelf zijn leven waar maken; hierbij moet en kan hij niet vertrekken van nul. Persoonlijkheid, creativiteit, oorspronkelijkheid, individualiteit zijn woorden die verwijzen naar de wijze waarop een mens     omgaat met het bestaande, het reeds voor hem  ervarene. Het zijn verwoordingen van wat we vrijheid noemen. Vrijheid is dan geen maximale bevrijding van alles en nog wat dat vreemd is, maar is een houding waarin men inzicht en overzicht verworven heeft in een gegeven werkelijkheid op grond waarvan men dan zelf een constructieve en kritische bijdrage kan leveren aan de bestaande cultuur.

     Product van natuur, maatschappij én jezelf

     Mensen worden van bij hun geboorte heel vanzelfsprekend, anoniem, onbewust, functioneel ingeleid in de door mensen bewoonde wereld. In deze zin groeien mensen gewoon op en worden ze gesocialiseerd. Pestalozzi – de Zwitserse volksopvoeder en zeker geen idealistische Bildungsfilosoof – zei reeds einde 18de eeuw: op deze wijze zijn mensen product van de natuur en van de maatschappij. Maar de mens – als diegene die gevormd kan en moet    worden – is ook ‘werk van zichzelf’. Begrippen als vorming, onderwijs en opvoeding verwijzen naar de ervaring dat de mens geen dier of plant is, maar ook en vooral een vrij wezen, gekenmerkt door individualiteit, persoonlijkheid en zedelijkheid. 

     Uiteindelijk is elk mens in staat op een zelfstandige wijze inzicht na te streven in wat werkelijk, in wat waar, in wat goed en mooi is; en overeenkomstig deze vrijheid ook te handelen, waarbij hij zelf recht probeert te doen aan de werkelijkheid, aan de waarheid, aan de goedheid. Of de mens ooit met zekerheid geweten heeft of zal weten dat hij goed bezig is, is hierbij niet cruciaal : het punt is dat de mens streeft naar recht doen aan de werkelijkheid, goed te doen, schoonheid te verwerkelijken. De gevormde mens is hij die kan en wil kritisch denken en verantwoord handelen. 

     Vormbaarheid, redelijkheid en waarheid

     

    Als de pedagogische traditie zegt dat de mens   opvoedbaar (een inadequate vertaling van het Duitse Bildsamkeit) is, dan hebben we deze vrijheid op het oog. De mens is niet gedoemd door natuur en maatschappij gedetermineerd te worden: hij kan zelf  denken en handelen. Opvoedbaarheid is de pedagogische term voor wat filosofen bedoelen als ze zeggen dat de mens een redelijk wezen is.

    Redelijkheid wil niet eenvoudig zeggen dat de mens kan spreken en denken. Redelijk is de mens die over de rede (taal) beschikt om na te denken (te redeneren) en redenen te geven waarom hij zo en zo denkt en handelt. Deze redenen zijn niet louter eigen individuele overtuigingen of denkbeelden. Voor wat we zeggen, denken en doen, moeten de redenen zelf redelijk zijn: ze moeten juist zijn, de waarheid en werkelijkheid van de wereld betreffen. Redenen geven is belangrijk, maar belangrijk is dat hierover een redelijk gesprek mogelijk is. Dergelijk gesprek is dan niet louter een kwestie van overtuigen, maar ook van logica en vooral van werkelijkheidswaarde. In wat een redelijk mens denkt en doet, gaat het niet om de individueelste expressie van de individueelste emotie, zoals het ook niet gaat om de grootste gemene deler van waarmee ‘men’ kan   instemmen (rede is niet ‘Gerede’), maar wel om de waarheid van de wereld, wat werkelijk waar, goed en schoon is. Althans dat moet de betrachting zijn.

    Vorming en nadenken over werkelijkheid

     Hier liggen de bestaansredenen van onderwijs en vorming. De zorg voor de ontwikkeling van het kind is uiteraard waardevol en onmisbaar en de verantwoordelijkheid van de ouders kan hier niet overschat worden. Maar dat is nog geen vorming. De bekommernis van de samenleving dat kinderen leren functioneren en samenleven is ook cruciaal, maar ook dat is nog geen vorming. Vorming betreft het verwerkelijken van de menselijke mogelijkheden voor redelijkheid. En hier situeert zich de opdracht van het onderwijs. 

     Ik meen dat het Alain was die ooit zei dat in de school de leerlingen dat moeten leren wat onderwezen moet worden door een leerkracht. (Alain prefereerde het veelzeggende woord élève – leerling – boven het nietszeggende modieuze apprenant – lerende) Je moet leerlingen niet naar school halen om wat met elkaar te praten of ervaringen uit te  wisselen. Dit is wel belangrijk, maar daarvoor   moeten we geen scholen opzetten. Daarvoor moeten we zorgen dat ze ontmoetingsmogelijkheden hebben. In de school gaat het niet om het exploreren van de eigen wereld, maar wel om mensen te laten nadenken over de werkelijkheid. Het gaat niet om wat ik meen, niet om wat men zegt, niet om wat we denken, maar wel om wat werkelijk is.

     Aandacht richten naar werkelijkheid

     De school is de plaats waar mensen gevormd worden: hier worden ze uit de eigen ‘ik’ en ‘men’ cultuur  weggeleid naar de cultuur van ‘wat is’. Daar waar de mens als natuurlijk en sociaal wezen vooral geleid wordt door eigenbelang, zelfbehoud en behoeften om erbij te horen, wil de vrije redelijke mens recht doen aan wat werkelijk waar en goed is. Vorming is de mens weghalen uit de vanzelfsprekende wereld van ‘ik’ en ‘men’, naar de wereld van ‘wat is’. Dat is de wereld die zich toont in de ‘cultuur van de aandacht (attention) voor de werkelijkheid’. Onderwijs heeft als eerste en laatste bestaansreden dit richten van de aandacht naar de werkelijkheid. Dit richten van de aandacht naar de werkelijkheid – het leren attent te zijn voor de waarheid – is vorming.

     Hoe aandacht op werkelijkheid richten?

     Hoe wordt deze aandacht nu gericht? Door de cultuur: wetenschap, kunst, filosofie, levensbeschouwing. Dit mogen we niet verkeerd begrijpen. Het komt er niet op aan leerlingen vol te stoppen met allerlei wetenschappelijke kennis, culturele weetjes, filosofische problemen en levensbeschouwelijke standpunten. Ook niet om hen vrijblijvend kennis te laten maken met de werelden van cultuur. We moeten de leerlingen dompelen in die verschillende culturen van aandacht: hen boeien, bezielen, van binnenuit laten ervaren wat de werkelijkheid is en hoe aan de werkelijkheid recht gedaan kan worden. 

    De vraag of het hierbij gaat om kennis, vaardigheid of houding is naast de kwestie. In onderwijs wordt de leerling gevormd door het daadwerkelijk cultiveren van de aandacht voor de werkelijkheid zoals dit in die wetenschap, die kunst, die filosofie, die levensbeschouwing werkelijk gebeurt. Elke wetenschap staat voor een eigen cultuur van aandachtig zijn bij de werkelijkheid. Er is een geheel van      kennis, een geheel van methoden, een geheel van manieren van onderzoek, een geheel van taalschat; die allemaal met elkaar verweven zijn en elkaar veronderstellen. Wat de kern is van elke wetenschap wordt bepaald door de gemeenschap van wetenschappers en de vakleerkracht moet beschouwd worden – en moet vooral zichzelf zien – als vertegenwoordiger van die wetenschappelijke gemeenschap. Hij of zij is iemand die bezield is door die welbepaalde manier van aandacht voor die bepaalde werkelijkheid. Door die bezieling zal de leerling geboeid  worden. In de leerkracht krijgen de leerlingen een voorbeeld van en toegang tot die bepaalde cultuur.

     Leerkracht: bezield door zijn vak

     In zowel de vormingstheorie als de didactiek is de persoon van de leerkracht vaak onderschat. Ofwel vergat de eerste de persoonlijke bezieling en zette alles op de vormingsinhouden die op zich vormend zouden zijn, ofwel werd hij/zij door de didactiek gereduceerd tot een lesgever die vooral deskundig was in het overdragen van kennis en het organiseren van leerprocessen. Nu wordt hij vaak voorgesteld als de coach, de begeleider van leerprocessen. De leerkracht is in mijn visie op de eerste plaats iemand die zijn vak kent en die in de klas leeft en handelt vanuit zijn vak – en in die zin is voor mij de ‘vakidioot’ – wat een variant is op de idiot savant – een positief gegeven in de klas (wellicht niet in de wereld). Vanuit zijn kennis is hij bezield door ‘zijn’ vak. Vanuit die bezieling tracht hij de leerlingen te boeien, te laten genieten van wat het is om op die wijze met een bepaalde werkelijkheid om te gaan. 

    Dit kan niet los gezien worden van inhoudelijke  kennis en onderzoeksmethoden. Inleiden kan maar door het eigen maken van inhouden, vaardigheden, houdingen. Hoe dit moet gebeuren is niet zozeer een kwestie van algemene leerpsychologie, maar van de specifieke logica van het vak. Wat ‘is’ bepaalt ‘hoe’ ingeleid wordt. Het nadenken van de vakdeskundigen over wat de wezenlijke kern is van hun vak is tegelijk het nadenken over wat men moet kennen en hoe men dit zich eigen moet maken om zich thuis te voelen in het domein. 

     Inhoud moet sterk bepaald worden door logica van vakken, niet door verlangens van leerling en leerkracht 

    Dit alles sluit niet uit dat men weet moet hebben van algemeen didactische principes, maar deze zijn  secundair aan de inhoudelijke logica van het vak. Wat men wil overbrengen wordt dan ook op de   eerste plaats intrinsiek bepaald: de vraag is niet ‘wat is nuttig voor dit of dat?’. De vraag moet steeds zijn: wat is nodig om inzicht te hebben in dat werkelijkheidsdomein? Elk vak heeft zo zijn eigen ‘geletterdheid’ die neergelegd moet worden in – zeg maar – de eigen ‘canon’ van het vak. Het is niet aan de individuele leerkracht of leerling uit te maken wat belangrijk is. De leerkracht moet natuurlijk keuzes maken en zal met de groep van leerkrachten moeten overleggen over wat men nastreeft en aanbiedt in    functie van de context waarin men werkzaam is. Net zoals op een bepaald moment ook een leerling voor zichzelf zal moeten uitmaken of hij zich verder wil bekwamen. Het dus is dus zeker niet wenselijk dat derden – op grond van een of ander leertheorie of beroepsprofiel – gaan beslissen over wat al dan niet op welke wijze aangebracht gaat worden. 

     In die context is het ook absurd  leerlingen te laten evalueren of wat aangeboden wordt in de les zinvol of nuttig is. Vorming bestaat juist uit het meenemen van de leerling naar een wereld die hij niet kent en waar hij niet zal geraken als niemand hem meeneemt naar die wereld. Of de leerling zich gelukkig voelt of niet, kan niet criterium zijn om al dan niet die reis te ondernemen. Zoals bij Mozes het volk morde, zo zullen leerlingen altijd het verwijt hebben dat ze te veel moeten leren, dat het saai is, dat ze er niets mee kunnen aanvangen, dat ze beter dat alles niet geleerd hadden, en dat men hen met rust moet   laten. Dergelijke frustratie is onvermijdelijk. Dit wil niet zeggen dat de les per se saai moet zijn, dat ze per se nutteloos moet lijken, dat de leerlingen     gefrustreerd moeten worden. Neen, de taak van de leerkracht bestaat er wel degelijk in hen te boeien, mee te nemen in zijn verhaal en hen ervan te laten genieten (enjoy, enjouier, wat dus met geluk te   maken heeft). Onderwijs moet aantrekkelijk zijn  aldus de zeventiende eeuwse Fénelon – ‘une éducation attrayante’ – in de letterlijke betekenis van het woord. 

     Aantrekkelijk onderwijs nastreven is niet hetzelfde als voortdurend wakker liggen of de leerlingen zich amuseren of minstens goed voelen en daartoe voortdurend alles terugkoppelen naar de leefwereld en de gevoelens van de leerling. Integendeel: in plaats van voortdurend de ervaringen van de leerlingen centraal te stellen, daarvan te vertrekken, deze ter sprake te brengen, er opnieuw bij aan te sluiten, is vorming juist ook dat meenemen, wegsleuren uit de eigen sleur. Het succes van The Lord of the Rings, of The Nardia-Chronicles geeft aan dat verhalen kunnen aanspreken en jongeren in de diepte kunnen boeien, zonder dat ze aansluiten bij hun ervaring, zonder dat ze het nut ervan moeten inzien. School en vrije tijd waren voor de Grieken synoniem: dat moeten en kunnen ze vandaag ook zijn. Maar dan moet de leerkracht weten te boeien.

     Ingeleid worden in ‘beproefde’ cultuur

     Hier zit natuurlijk een groot gevaar. Is dergelijke leerkracht geen rattenvanger van Hamelen; is hij niet in plaats van een reisleider, een verleider. Dat gevaar is reëel in opvoeding. Daarom moeten     garanties gezocht worden opdat de kinderen niet misleid worden. De authenticiteit van de leerkracht volstaat niet. De leerkracht staat niet alleen en mag ook niet alleen staan. Uiteindelijk gaat het ook niet om zijn enthousiasme: het gaat om de geest van de werkelijkheid; om datgene wat hem inspireert. Hier ligt de betekenis van de inhoud van onderwijs, wat we traditioneel cultuur (objectieve geest) noemen. In wetenschappen, kunsten, wijsbegeerten, levensbeschouwingen liggen houdingen, vaardigheden en inzichten vervat die door generaties mensen als waardevol ervaren zijn en als zodanig bewaard worden. 

     

    Het weggeleid worden zal gebeuren door een ingeleid worden in die beproefde cultuur. Elke wetenschap, elke kunst, elke filosofie en elke levensbeschouwing staat elk op zich voor een bepaalde vorm van aandacht voor de werkelijkheid. Elk cultiveert een aspect van de redelijkheid. Het doel is niet volgepropt te worden met alle inzichten, maar wel doorheen goed gekozen elementen een kijk te    krijgen op de werkelijkheid, gevormd te worden in het richten van de aandacht zoals dat gebeurt in die welbepaalde wetenschap, die bepaalde kunst, die bepaalde levensbeschouwing. Zoals Comenius reeds duidelijk zegde: onderwijs moet de leerling inleiden in het geheel ‘overeenkomstig zijn grondwijzen’. Het is niet de bedoeling leerlingen te vormen tot wiskundige, of tot natuurkundiger of   historicus, noch hen vol te proppen met allerlei   inzichten en weetjes betreffende de wiskunde,    natuurkunde of geschiedenis; maar wel hen in aanraking te brengen met waar het in wiskunde, natuurkunde en geschiedenis werkelijk om te doen is. Wat is de blik van de wiskunde? Hoe kijkt een natuurkundige naar de werkelijkheid? Wat is geschiedenis? (Terloops: Comenius wordt vaak ten onrechte voorgesteld als voorstander van een vorming door encyclopedische kennis.)

     Canon van werkelijkheidsdomeinen

     Hier situeert zich de betekenis van het vastleggen van de kennisinhouden van onderwijs: een canon. Een canon van een werkelijkheidsdomein is niets anders dan die elementen die als geen ander inzicht geven in dat werkelijkheidsdomein. Het biedt niet zozeer ‘vensters’ waarlangs je kan binnenzien, maar wel ‘lenzen’ die je helpen om anders tegen de    werkelijkheid aan te kijken’ (cf. Tilburgse waardepedagoog Thom Geurts). Vorming is ‘met andere ogen’ leren kijken naar de werkelijkheid. De canon verschaft de inhouden, vaardigheden en houdingen eigen aan een bepaalde cultuur, wetenschap, wijsbegeerte, e.d. Deze canon wordt opgesteld door de gemeenschap van mensen die deskundig zijn in het betreffende domein. Zij laten zich daarbij niet leiden door algemene leertheoretische principes, maar wel door de intrinsieke structuur van het domein. 

     De leerkracht is de vertegenwoordiger van de   gemeenschap van deskundigen. De canon levert de inhouden waaruit de leerkracht kan en moet putten. De wijze waarop hij de elementen uit de canon  aanbrengt, is zijn deskundigheid als leerkracht. Maar ook bij de bepaling van de didactiek staat hij niet alleen: er zijn de verschillende gemeenschappen op verschillende échelons: de collega op school, de vakgroep, de vereniging van vakleerkrachten, e.d. Wagenschein – een Duitse natuurkundige en didacticus – stelt dat de ‘Canon der Hauptphänomene’ opgesteld kan worden op grond van historisch inzicht in de genese van de wetenschap. Elke wetenschap, kunst, beschouwing zijn historisch gegroeid en kennen hun ‘stichtende momenten’. Deze momenten leveren de stof  voor het onderricht. 

     Aandacht op fenomeen richten  

    Naast de bevlogen leerkracht en de canon is er het klasgebeuren. Het grondmodel van onderwijs zal de ontmoeting zijn van de leerlingen met elementen uit de canon. De rol van de leerkracht is de aandacht van de leerlingen te richten overeenkomstig de  wijze eigen aan zijn vak. Dit gebeurt door de leerlingen de kans te geven zelf de kernervaringen die als geen ander toegang geven tot het werkelijkheidsdomein op te doen. Het kan niet de bedoeling zijn de leerlingen deze hoofdmomenten aan te bieden om ze van buiten te leren, ook niet om ze louter te laten nabootsen. Het klasgebeuren moet er een zijn waar de leerlingen zelf de kans krijgen om ‘aangeraakt’ (Piet Raes) te worden door de werkelijkheid van het fenomeen. 

     Het voorbeeld van de bevlogen leerkracht werkt aanstekelijk, maar de leerkracht moet vooral de  aandacht van de leerlingen op het fenomeen richten, zodanig dat ze zelf komen tot een kritisch inzicht en verantwoord handelen. De reeds vermelde Wagenschein stelt de leerkracht voor als iemand die door allerlei vragen de leerlingen oproept hun aandacht te richten, met andere ogen te kijken. Dat doet hij niet door ze als Sokrates te veronzekeren, maar wel door zich eerder terughoudend op te stellen wat het geven van antwoorden betreft, en door de leerlingen te vragen nog eens goed te kijken, het vermeende inzicht te verwoorden, elkaar te bevragen. Ook hier biedt de canon heel interessante hefbomen: niet alleen geeft de canon aan wat aan bod moet komen, maar ook waarom en waartoe de ontmoeting met de canon moet leiden. 

     Ook op deze wijze kan de bevlogenheid van de leerkracht gericht worden: weg van hemzelf naar de grondwijzen van de wetenschap toe. Gesprek in de klas kan dus, maar het is niet het wat over en weer praten over meningen, gevoelens, ervaringen e.d. Daarvoor is er de speelplaats. In de klas gaat het gesprek over ‘iets’, over de werkelijkheid, niet deze van de leerlingen, niet deze van de leerkracht, maar de ‘objectieve’ werkelijkheid. Onderwijs is het op alle manieren richten van de aandacht naar die werkelijkheid. Dat is vorming: bevrijding uit de eigen fantasie, de eigen illusies, door geplaatst te worden tegenover de werkelijkheid die men recht wil doen.

     

    09-12-2017 om 14:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Van Crombrugge
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Prof. Wim Van den Broeck vandaag in DM :

    Prof. Wim Van den Broeck vandaag in DM : "Stop de radicalisering (lees: ontscholing, neomanie) van ons onderwijs: niet alle leren is leuk."

    Prof. Wim Van den Broeck neemt vandaag in DM terecht afstand van de "ervaringsgerichte en constructivistische onderwijsvisie die stelt dat het schools leren zoveel mogelijk moet lijken op natuurlijke vormen van leren"

    "Als op hogescholen en universiteiten jarenlang en systematisch de boodschap luidt dat kennis en taal moeten worden gerelativeerd , mag het niet verbazen dat je oogst wat je zaaide: minder kennis en minder taalvaardigheid."

    "Als het welbevinden van de leerling steevast wordt voorgesteld als een noodzakelijke voorwaarde om te leren, is het dan vreemd dat leerlingen no moeilijk een inspanning kunnen leveren ze steeds kwetsbaarder worden?"

    "Cultuuroverdracht als essentie van het onderwijs is zo op de helling komen te staan. In de plaats daarvan kwam het ideaal van het geïndividualiseerd leren. Individuele leerstijlen waren jarenlang ook de dada van veel onderwijskundigen" (en bijscholers)

    Van den Broeck stelt verder: 'De doorgeschoten ervaringsgerichte en constructivistische visie 'staat op gespannen voet met alles wat er in de wetenschap bekend is over leren en cognitieve ontwikkeling'. En toch zijn het vooral onderwijskundigen en universitaire lerarenopleiders die ze in Vlaanderen propageerden en propageren. "

    Leerlingen een goed gevoel geven bij het leren en bij wat er geleerd wordt , is heel iets anders dan het quasi psychotherapeutisch benaderen van leerlingen."
    (Zelf maken we steeds het onderscheid tussen momentaan welbevinden en verdiend welbevinden - grote voldoening omdat men ervaart dat men iets bijgeleerd heeft.)

    "Het is hoog tijd voor een moderne (geen postmoderne) visie op het onderwijs waarbij de essentie, cultuuroverdracht, niet ter discussie staat. " Van den Broeck bestempelt de nieuwlichterij van de voorbije decennia tercht als een 'stokoude opvatting' , als "een romantische visie, rechtstreeks weggelopen uit de tijd van Rousseau."

    Verantwoordelijkheid van beleidsmakers voor niveaudaling en ontscholing

    Van den Broeck stelt ergers: “Het zou unfair zijn de verantwoordelijkheid (voor de niveaudaling, ontscholing) bij de leerkrachten, leerlingen (en hun ouders) of zelfs politici te leggen. Al is er onder beleidslieden en opleiders nauwelijks eenstemmigheid, één specifieke onderwijsvisie was er de laatste tijd wél dominant. “
    Commentaar: Volgens ons dragen de beleidsmakers wel een heel grote verantwoordelijkheid. Ze reageerden overwegend afwijzend op de vele signalen omtrent niveaudaling (cf. ook reactie op O-ZON-campagne Onderwijskrant in 2007); ze reageerden niet op de kritiek vanaf 1994 dat de overheidsinspectie zich niet inliet met haar kerntaak: de (product)controle van de leerresultaten. 

    De beleidsmakers kenden de voorbije 25 jaar ook bijna uitsluitend subsidies toe aan onderzoekers, GOK-Steunpunten … die aanstuurden op ontscholing, nivellering, taalrelativisme, bestrijden van taaloproepen van opeenvolgende ministers. Zo ontvingen de GOK-Steunpunten NT2-Leuven, CEGO & Diversiteit in de periode 1990-2010 jaarlijks een 75 miljoen BFR om de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs en effectief achterstandsonderwijs te bestrijden, om een taal- en kennis-relativerende visie te verkondigen. Idem voor de vele subsidies voor sociologen die aansturen op een nivellering van ons secundair onderwijs, enz. Mensen die zich inlieten met de optimalisering van de sterke kanten van de Vlaamse onderwijstraditie ontvingen geen cent.


    ------------------

    Commentaar. Zo hoor je het ook eens van een ander. Cf. ons O-ZON-witboek-2007 over het ontscholingsdiscours vh vernieuwingsestablishment
    In Onderwijskrant bekritiseer ook ik al sinds 1989 de constructivistische onderwijsvisie en de vele andere vormen van ontscholing. Ik nam ook al vanaf de start van het ervaringsgericht kleuteronderwijs van Ferre Laevers in 1976 radicaal afstand van die simplistische visie - die jammer genoeg al te sterk doordrong in de opleiding van kleuterleerkrachten en in het kleuteronderwijs, maar nu al een aantal jaren weer aan het wegebben is.

    Het is geen toeval dat Onderwijskrant begin 2007 de O-ZON-campagne lanceerde tegen het ontscholngsdiscours en de niveaudaling. Leerkrachten, docenten en professoren onderschreven massaal die campagne, maar de kopstukken van de inspectie, DVO-directeur Roger Standaert, de kopstukken van de onderwijskoepels, een aantal politici ... beweerden dat er geen sprake kon zijn van niveaudaling e.d. Jammer!

    -------------

    Toch enkele relativerende bedenkingen: verschil tussen ontscholingsdiscours en de feitelijke ontscholing van de klaspraktijk

    *Voor PISA-2052 wiskunde behaalden onze 15-jarigen nog een Europese topscore. Voor TIMSS-2015-wiskunde behaalden onze 10-jarigen ook nog een Europese topscore. Dat die scores wat gedaald was zijn is jammer, maar is m.i. niet enkel het gevolg van de ontscholing, maar is mede het gevolg van de sterke toename van anderstalige/allochtone leerlingen en van het aantal probleemkinderen in het gewoon onderwijs. Dit beïnvloedt ook het leerproces en de leerresultaten van de andere leerlingen. 

    *In ons O-ZON-witboek-2007 schreven we: Om misverstanden te vermijden maken we in het debat wel een onderscheid tussen het ontscholingsdiscours en de feitelijke ontscholing in de klaspraktijk. Een voorbeeld: bij doorlichtingen stellen de inspecteurs vast dat veel taalleerkrachten de eenzijdige communicatieve aanpak van de eindtermen en leerplannen niet zomaar willen toepassen. Leerkrachten proberen zich in de mate van het mogelijke te onttrekken aan pedagogische hypes.

    In Vlaanderen is er al bij al nog meer aandacht voor directe en activerende instructie, voor basiskennis en basisvaardigheden dan in de ons omringende landen, Wallonië inbegrepen. Dit alles verklaart o.i. waarom de Vlaamse leerlingen relatief gezien veelal nog beter presteren voor TIMSS en PISA dan deze in het buitenland. Deze relatieve koppositie belet niet dat o.i. ook het niveau van het Vlaamse onderwijs en van de leerprestaties van de leerlingen gedaald is; ook bij ons ligt de lat vaak te laag. We moeten dringend de sluipende ontscholing tot stilstand brengen en her en der tot herscholing overgaan willen we een verdere niveaudaling voorkomen."

    *De invloed van de ontscholende hypes en hervormingen was/is in Vlaanderen m.i. beperkter dan in veel andere landen, omdat Vlaamse leerkrachten meer lippendienst bewezen/bewijzen aan hypes en omdat die hypes ook bestreden werden Als redacteur van Onderwjskrant en lerarenopleider heb ik samen met collega's - de voorbije 40 jaar ontscholing krachtig bestreden en de sterke kanten van de Vlaamse onderwijstraditie gepropageerd: cf. ook onze grootschalige O-ZON-campagne 2007 tegen de ontscholing, niveaudaling ...

    We slaagden er m.i. ook in om de klaspraktijk inzake rekenen, leren lezen in het eerste leerjaar, enz. enz.. gunstig te beïnvloeden. Wel jammer dat de nascholingen al te vaak de hype-toer opgaan en dat veel hypes ook gepropageerd worden door mensen uit de onderwijskoepels- denk maar aan het leerplan Nederlands van 1998, aan de recente ZILL-onderwijsvisie, aan het enthousiasme waarmee het M-decreet ondertekend werd ...

    In de Franse universitaire lerarenopleidingen voor onderwijzers/regenten werden veel meer de pedagogische hypes en de zgn. reformpedagogiek gepropageerd dan in de Vlaamse Normaalscholen. De achteruitgang van de leerlingenprestaties was/is er spectaculair - veel, veel groter dan in Vlaanderen. (PISA: nog 486 ptn.). Jammer genoeg werden jongere lectoren van de lerarenopleidingen tijdens hun eigen universitaire opleiding wel frequent geconfronteerd met de vele pedagogische hypes. Dat was lange tijd veel minder het geval op de Vlaamse normaalscholen.

    Wim Van den Broeck is professor in de onderwijs- en ontwikkelingspsychologie aan de Vrije Universiteit Brussel
    demorgen.be

    09-12-2017 om 12:06 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    Tags:ontscholing
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!