Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    18-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dringend debat over taal-tijdbom, intensief NT2 en voorstel 2 leden van de commisie onderwijs

    Dringend debat over taaltijdbom , taal-voorstel van twee leden van de commissie onderwijs & NT2-campagne van Onderwijskrant

    Het voorstel voor een dringende aanpak van de taalproblemen die twee leden van de commissie onderwijs, Koen Daniels en Chris Van Dijck, in de Gazet van Antwerpen aankaartten, lijkt me het geschiktre moment om even in te gaan op de taal-strijd tussen de voorstanders van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs en anderzijds de vele taalachterstandsnegationisten die dit al vele jaren resoluut afwijzen. (Tussen haakjes: met Onderwijskrant verkiezen we de term specifiek en intensief NT2 boven de term ‘taalbad’. )

    De vele taalachterstandsnegationisten zijn doof voor de tikkende taaltijdbom. Dit kwam de voorbije jaren weer tot uiting in de taalstrijd omtrent de problemen van het sterk toegenomen aantal anderstalige leerlingen - zoals bleek uit PISA-2012 en uit twee nieuwe rapporten over schooluitval. De taalachterstandsnegationisten spannen zich al jaren in om de tikkende taalbom te ontkennen of sterk te minimaliseren. Volgens prof. Koen Jaspaert is het taalprobleem gewoon ’aangepraat’. Sommigen proclameerden dat het leren van het Nederlands en de integratie niet eens meer zo belangrijk zijn in onze superdiverse maatschappij. Volgens ‘politiek correctelingen’ ging het enkel om ’sociale discriminatie’. ‘Anti-racisten’ als Orhan Agirdag, Ico Maly en Helene Passtoors (jawel!) beschuldigden me als NT2-taal-pleitbezorger van taalracisme. Ook volgens de ’taalexperts’ Van den Branden (ex-directeur Steunpunt NT2-Leuven) en Van Avermaet (directeur Steunpunt ‘Diversiteit en leren’ is er geenszins nood aan meer Nederlands – laat staan intensief NT2.

    Niettegenstaande de Gentse sociologen Mieke Vanhoutte en Orhan in eigen onderzoek vaststelden dat de (Gentse) Turkse ouders en de leerkrachten willen dat de Turkse leerlingen zoveel mogelijk Nederlands spreken binnen en buiten de les, blijven Agirdag en Van Houtte beweren dat zij beter weten en dat dus de ouders en leerkrachten ongelijk hebbben.

    Eind augustus 2009 trok een bezorgde Mieke Van Hecke, toenmalig kopstuk katholieke onderwijskoepel, aan de taal-alarmbel. Merkwaardig genoeg kreeg ze niet de minste steun vanuit de eigen koepel. En vorig jaar nog sloot het ‘pedagogisch’ kopstuk van de koepel, Machterd Verhelst, zich nog aan bij het standpunt van prof. Jaspaert, haar vroegere directeur van het Steunpunt NT2. Dit Steunpunt ontving in de periode 1990-2010 een slordige 12,5 miljoen euro voor de ondersteuning en uitbouw van degelijk NT2. De kopstukken van het Steunpunt, de professoen Jaspaert en Van den Branden concludeerden dat specifiek en intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs overbodig was en dat NT2=NT1. Een schande!

    In de maand april 2014 noteerden we ook nog verordeningen en standpunten die het taalprobleem dreigen aan te scherpen. Op 11 april proclameerde Elke Decruynaere, de Gentse schepen van onderwijs, dat de leerkrachten voortaan de anderstalige leer-lingen niet langer mogen stimuleren om in en buiten de klas Nederlands te spreken i.p.v. hun thuistalen. De andersdenkenden, dus ook de meeste leerkrachten, verweet ze ‘ideologische hardnekkigheid’. Het is nochtans tijdens de speeltijden, aan tafel en in de buitenschoolse opvang dat ze het meest de kans krijgen Nederlands te spreken en in te oefenen. Decruynaere stelt terecht dat te veel leerlingen het zesde leerjaar verlaten met een enorme taalachterstand. In plaats van het invoeren van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuter- onderwijs, willen Decruynaere en de vele politiek correctelingen’ dit probleem aanpakken door het stimuleren van het gebruik van de thuistalen. De onderwijsschepen kreeg de volle steun van de ex-directeurs van het Steunpunt-GOK, van ondertekenaars van het pamflet ‘De (wilde) Gok van Pascal (Smet)’ van oktober 2009,... die allen geen heil verwachten van NT2 en meer taalonderwijs, maar des te meer van het gebruik van de thuistalen in en buiten de klas. Taalkundigen en andere weldenkenden zwaaiden met dé ’wetenschappelijke waarheid’ en bestempelden de ervaringswijsheid van de vele praktijkmensen als ’buikgevoel’ en quantité négligeable. De Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille dacht er in die dagen ook even aan om de voorrangsregeling voor Nederlandstalige leerlingen te schrappen. De andersdenkenden lieten zich ook niet onbetuigd in deze taalstrijd. Decruynaere en co kregen enorm veel kritiek te verduren vanwege praktijkmensen, maar ook van veel ouders van allochtone leerlingen, ... Ook Onderwijskrant plaatste een aantal reacties op het internet (kranten, blog, facebook, twitter e.d.) Sindsdien noteeden we nog vele pleidooien voor meertalig onderwijs (Turks, Arabisch) voor allochtone /anderstalige leerlingen.

    De taalproblemen en het ontbreken van intensief NT2 zijn allang zorgwekkend; maar een effectieve aanpak blijft maar uit en de taaltijdbom tikt verder. Onderwijskrant pleitte de voorbije 20 jaar onophoudelijk voor de invoering van intensief NT2. Een specifiek programma voor intensief NT2 viseert een doorgedreven NT2-aanpak voor anderstalige leerlingen vanaf de eerste dag van de kleuterschool – en zowel in de klas als buiten de klas. Het zijn merkwaardig genoeg de ex-directeurs van het GOK-Steunpunt, de professoren Piet Van Avermaet en Kris Van den Branden, die de grootste tegenstanders waren/zijn van NT2-onderwijs en zelfs van het stimuleren van de leerlingen om ook buiten de klas Nederlands te spreken. Er is meer dan ooit nood aan intensief NT2- en achterstandsonderwijs. Er is tegelijk meer weerstand dan ooit vanwege de vele taalachterstandsnegationisten.

    Pleidooien voor intensief NT2 en meer aandacht voor het Nederlands in het algemeen, vonden we niet terug in de verkiezingsdebatten en in de vele memoranda. In het lijvige VLOR-memorandum komt de term NT2 niet eens voor. De tegenstanders van NT2 en de ’politiek correctelingen’ pleitten recen-telijk zelfs tegen het stimuleren van het spreken van het Nederlands op de speelplaats e.d. Hierdoor zal de al te beperkte tijd die de meeste anderstalige leerlingen op school kunnen besteden aan het spreken en oefenen van de landstaal nog drastisch gereduceerd worden. Ook in het EPO-boek ‘Het Onderwijsdebat’ vind je geen pleidooien voor intensief NT2. Nicaise en andere auteurs hebben destijds de invoering van NT2 - die anderstalige leer-lingen meer onderwijskansen biedt - als reactionair bestempeld. Dit alles zijn redenen te over om in deze Onderwijskrant ook veel aandacht te besteden aan die taalthema’s.

    N-VA-parlementsleden Kris Van Dijck en Koen Daniëls willen mits een heroriëntatie van de GOK-middelen taalbadklassen voor alle anderstalige leerlingen inrichten en zo de kwaliteit voor alle leerlingen blijven garanderen. Voor een bedrag van 50…
    krisvandijck.be

    18-10-2015 om 10:57 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:NT2, taalbad
    >> Reageer (0)
    17-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.B-attest: vroeger diepe waterval; straks heilzame stroomversnelling en verbod op zittenblijven

    B-attest: vroeger nefaste waterval, straks heilzame stroomversnelling?

    Van afschaffing B-attest naar afdwingbaar B-attest &  quasi verbieden zittenblijven: haaks op visie van praktijkmensen, ouders, leerlingen ...                                             

    Veel ongenoegen & taaklast  bij leerkrachten, veel conflicten en juridische betwistingen, aantasting van verantwoordelijkheid van de ouders

    Raf  Feys en Noël Gybels

    1  Pleidooien voor afschaffen van B-attest als oorzaak watervalsysteem

    Het debat over B-attesten duurt al een tijdje. De B-attesten kregen het lange tijd hard te verduren en beleidsmakers, onderwijssociologen, Metaforum Leuven ... pleitten voor de radicale afschaffing.  B-attesten werden vooral ook gezien als oorzaak van het zgn. watervalsysteem of ‘afzakken’. In 2012 kondigde minister Smet aan dat het B-attest in elk geval zou verdwijnen in de eerste graad.  In een interview met De Morgen van 19 juni 2012 kondigde hij een eerste hervormingsmaatregel aan: “Een van de speerpunten wordt een brede eerste graad, waarin geen enkele leerling nog een B-attest kan krijgen”. Ook het Leuvens Metaforum - met Bieke De Fraine, Ides Nicaise e.d. – stelden in die tijd het afschaffen van B-attesten in de eerste drie jaren van het s.o. voor.

    Op die wijze probeerden Smet en Co naar eigen zeggen het zgn. watervalsysteem, het afzakken naar een ‘lagere’ richting uit te sluiten. Men stelde ook dat B-attesten tot sociale discriminatie leidden; enzovoort. Smet kreeg veel bijval van kopstukken van politici,  van onderwijssociologen, van kopstukken van de onderwijsnetten,... Vanwege de praktijkmensen kwam er destijds enorm veel kritiek – ook  op het verband dat gelegd werd tussen B-attesten en het ‘nefaste’ watervaleffect. Ook Onderwijskrant deed zijn zijn uiterste best. Wij stelden dat de B-attesten een belangrijk instrument waren bij de oriëntering en tijdige heroriëntering van de leerlingen en dat zo ook het overzitten werd beperkt. We betwistten ook  de term ‘waterval’. Ook Peter De Roover, momenteel parlementslid N-VA, verdedigde in 2012 als leraar nog de B-attesten en de wijze waarop ze tot nog toe op een uitgekiende wijze gehanteerd en geïnterpreteerd werden.  In november 2013 wees ook de Leuvense onderzoeker Carl Lamote plots op de zinvolheid van B-attesten voor de vlotte (her)oriëntering e.d. Een aantal beleidsmakers en kopstukken van onderwijskoepels – b.v. ook Chris Smits van het katholiek onderwijs -  waren niet gelukkig met de conclusies van dit onderzoek. Volgens het Masterplan moesten de B-attesten nog steeds afgeschaft worden op het einde van het eerste jaar: “Na het eerste jaar van de eerste graad is een B-attest niet mogelijk” (pagina 23).  Wij hebben ook dit voorstel onmiddellijk als nefast bestempeld.

     2    Dwingend karakter van B-attest: van waterval naar stroomversnelling?

    Minister Crevits stelde in het interview in De Standaard van 29 augustus: “Te veel jongeren met een B-attest blijven zitten, terwijl uit internationaal onderzoek blijkt dat dit lang niet altijd zinvol is. Alleen als de klassenraad er in uitzonderlijke gevallen mee akkoord gaat, moet een jaar overdoen met een B-attest nog mogelijk zijn.“ In de commissie onderwijs van 17 september verwoordde Crevits het zo:  “We vinden allemaal dat leraars moeten worden geherwaardeerd. Ik vind dan ook dat je klasseraden moet waarderen. Als men een B-attest geeft, dan zou dat eigenlijk moeten zijn met de bedoeling om jongeren ook eens een zicht te geven op heroriëntatie. Het besluit is nog niet goedgekeurd door de Vlaamse Regering, maar aangezien het inherent deel uitmaakt van het masterplan, ga ik ervan uit dat er ook op dat punt gestaag werk wordt gemaakt van de uitvoering.”  Tegelijk stelde Crevits dat men zo ook het zinloos zittenblijven quasi kon verbieden en vermijden.

    De beleidsmakers draaiden bij. B-attest-adviezen moeten nu niet enkel blijven; ze krijgen zelfs een afdwingbaar karakter. De C-attesten moeten als gevolg daarvan in principe verdwijnen; omdat overzitten volgens Crevits en Co praktisch steeds zinloos is.  De vroegere critici van de B-attesten en van de verfoeide waterval, lijken plots bekeerd. De heroriënterende B-attesten leiden nu plots niet meer naar de verfoeide waterval, maar naar een heilzame stroomversnelling – naar vlugger doorheen het onderwijs. 

     

    Uit de reacties van leerkrachten, directies, ex-zittenblijvers, leerlingen ... merken we dat de meesten het niet eens zijn met deze hervorming en met de stelling dat overzitten meestal zinloos is (zie punten 3 tot 5).     Ze vinden dat er al bij al veel meer nadelen dan voordelen aan het hervormingsplan verbonden zijn en dat zittenblijven behouden moet blijven (zie punten 3 en 4). Minister Crevits en Co bazuinen voortdurend uit dat ze de visie van de praktijkmensen meer  willen respecteren, maar inzake B-attesten, M-decreet, zittenblijven ... houden ze er helemaal geen rekening mee.

    Na de vele kritiek – ook vanwege de dochter van minister Geens die getuigde dat overzitten voor haar een zegen betekende -  stelde Crevits dat ze toch nog zou toelaten dat de klasseraad in uitzonderlijke gevallen een C-attest zou uitreiken. Tijdens de  commissie onderwijs van 14 oktober luidde het dan zo:  “We willen de B-attesten-beslissing laten respecteren, ook om de keuze van de ouders niet steeds doorslaggevend te laten zijn. Ik maak wel abstractie van de keuze van de leerling zelf Ik maak abstractie van de keuze van de leerling zelf. Want als een leerling bijzonder gemotiveerd is om het jaar over te doen en dat ook expliciet aan de klassenraad vraagt, dan kan de klassenraad daar rekening mee houden.” 

    Dit laatste betekent dus dat niet de ouders, maar wel kinderen/leerlingen vanaf 12 jaar in beroep kunnen gaan en een C-attest aanvragen. Crevits en co  zeggen dus expliciet  dat ouders niet langer mogen beslissen dat hun zoon/dochter van 12  tot 18 jaar het best om een of andere reden een schooljaar overzit. Dit lijkt ons een aantasting van de rechten en de verantwoordelijkheid van de ouders. Het  leidt ook tot veel juridische betwistingen, tot het overstappen naar privé-scholen... Dit besluit doet ons denken aan de ouders van kinderen als Flo die geen toestemming krijgen om hun kind naar het buitengewoon onderwijs te sturen om zo te voorkomen dat het een jaar zit te verkommeren in het gewoon onderwijs.  Als ouders i.v.m. het  recht op overzitten, het recht op buitengewoon onderwijs ... naar de rechtbank trekken, dan krijgen ze o.i. gelijk. Dit was in elk geval vorig jaar het geval in Duitsland.

    Deze hervorming van de B-attesten zou volgens de leerkrachten, directies  ...  tot heel veel problemen en betwistingen leiden (zie punten 3 tot 5). Professor onderwijsrecht Gunter Maes (UHasselt) stelde in dit verband nog: “Crevits’ hervormingsvoorstel zorgt er ook voor dat de klassenraad nog duidelijker zal moeten aangeven waarom een overstap naar een andere richting de juiste weg is. Maar scholen zijn Madame Soleil niet. Zij lopen dan natuurlijk het risico dat ouders het vernieuwde B-attest accepteren en een jaar na de heroriëntering het besluit van de klassenraad aanvechten, omdat hun kind het ook in de nieuwe richting niet heeft gehaald. Schadeclaims zijn in dat opzicht niet  meer ver weg".

    3  Crevits en Co willen zittenblijven quasi verbieden = aantasting ontwikkelingskansen

    De hervorming van de B-attesten is vooral bedoeld om het zittenblijven quasi te verbieden. Vooral in punt 4 het behoud van de huidige toepassing van de B-attesten te bepleiten,  staan we hier even stil bij de stelling van Crevits en Co dat zittenblijven niet zinvol is en in principe verboden moet worden.  In het VRT-journaal van 17 september klonk het zo: “Uit ‘alle’ studies blijkt dat zittenblijven niet zinvol is!” In de commissie onderwijs van 17 september stelde Crevits: “Ik vind het  in de discussie (lees: vele kritiek) die is ontstaan, totaal fout te doen alsof zittenblijven het meest romantische ideaal is voor jongeren die 15, 16 jaar zijn.” Dat zittenblijven zinloos is, was  ook de unanieme mening van de politici tijdens de commissie onderwijs van 14 oktober.

    Het is bekend dat de overgrote meerderheid van de leraren, directeurs, schoolbestuurders, ouders, leraren, ex-zittenblijvers ... zittenblijven veelal wel zinivol vinden. Dit betekent geenszins dat ze dit als een ‘romantisch ideaal’ beschouwen. De Brusselse onderzoeker Wim Van den Broeck repliceerde ook terecht: "Los van de rol van B-attest als heroriëntatie kunnen we over effecten van zittenblijven wetenschappelijk niets zeggen. Die studies deugen niet." Eens te meer blijkt dus dat Crevits en Co enkel rekening houden met een dubieuze Leuvense studie, maar niet met de ervaringswijsheid van praktijkmensen en ouders uit heden en verleden.

    De beleidsmakers baseren zich voor haar uitspraak over de zinloosheid van zittenblijven naar eigen zeggen op het (o.i. dubieuze) OBPWO-rapport over zittenblijven- in opdracht van de overheid (2012). Hier valt alles op af te dingen. De Fraine en Co gaven in het rapport-2012 zelf toe dat amper 0,5% van de studies over zittenblijven betrouwbaar is. Crevits poneert dat alle studies in de richting van de zinloosheid wijzen. De studies zijn tegenstrijdig en wijzelf en prof. Van den Broeck toonden in een themanummer aan dat ook de Leuvense studies van  De Fraine en Co en hun OBPWO-rapport geenszins betrouwbaar zijn. (Zie Onderwijskrant  nr. 171). Twee jaar na het verschijnen van het rapport moesten de  Leuvense onderzoekers zelf toegeven dat ze zich deerlijk hadden vergaloppeerd.  De Fraine en Co bekenden in 2014 o.a. “In ons OBPWO-rapport staat de aanbeveling om het zittenblijven in het onderwijs af te schaffen. Die drastische aanbeveling zouden we vandaag - met wat we nu weten- niet meer doen. Omtrent zittenblijven in het eerste leerjaar hadden we moeten vermelden dat we enkel de ‘twifelgevallen’ bekeken en niet de ‘duidelijke.... Vanuit onze onderzoeksresultaten kunnen dan ook weinig adviezen geformuleerd worden voor de praktijk. Een recentere studie relativeert ons vroeger onderzoek - in die zin dat zittenblijven niet als eenduidig goede of slechte maatregel gezien kan worden.” In een laatste Leuvense studie over zittenblijven  (nu: omtrent derde kleuterklas) werd zelfs geconcludeerd dat overzitten voor veel zwakkere kleuters veruit de beste keuze is.  De Leuvense onderzoekers distantieerden zich dus een paar jaar later van hun uitspraken van 2012. Maar intussen was het kwaad geschiedt. Dit bleek eens te meer tijdens de onderwijscommissie van 14 oktober j.l. waar we voortdurend de stelling zittenblijven=zinloos beluisterden en dit met een beroep op het OBPWO-rapport.

    We merkten dat Crevits en de leden van de onderwijscommissie er ook van uitgingen dat er heel veel zittenblijvers zijn in b.v. de eerste graad s.o. en dat de meeste ten onrechte overzitten. Dat is geenszins het geval. In 2014 waren er amper 2,65% gemiddeld in de eerste graad s.o. Slechts een beperkt percentage was blijven zitten na een B-attest (naar schatting 0,7%); jammer genoeg weten we niet hoeveel van die groep slaagden in het bisjaar. We voegen er nog aan toe: in de regio Antwerpen zijn er 4x meer zittenblijvers  (8,54%) dan in Antwerpen (8,65%). Het  zittenblijven heeft dus weinig of niets te maken met het B-attest.

    Het recht op zittenblijven is in de eerste plaats bedoeld om de ontwikkelingskansen van leerlingen – vooral ook uit benadeelde milieus - te bevorderen. In het eerste jaar s.o. zitten Antwerpse leerlingen vier maal meer het eerste jaar over – onder hen heel wat die omwille van hun taalachterstand niet tijdig de meet halen.  Verbod op zittenblijven zou voor hen betekenen dat vooral ook anderstalige leerlingen minder kans krijgen om een sterke richting te (blijven) volgen. Het zou leiden tot sociale discriminatie en vooral ook nadelig zijn voor de allochtone leerlingen. Een leerling in Antwerpen kost gemiddeld  meer, maar dat lijkt een verantwoorde en faire investering.

    De meeste mensen – ook politici – denken nog steeds dat er ongeveer 10% zittenblijvers zijn in eerste jaar i.p.v. 2,58% - een kwakkel uit een rapport van 1991. Er zijn veel minder zittenblijvers dan Crevits en de beleidsmensen laten uitschijnen. De toename in het 3de, 4de en 5 de jaar wordt ook niet veroorzaakt door de attestering, maar vooral omdat de huidige VSO-structuur met 3x2 jaar de (misleidende) indruk wekt dat de eigenlijke keuze kan uitgesteld worden tot na de 2de graad, tot bij de start van de zgn. determinatiegraad. Ook prof. Jan Van Damme stelde herhaaldelijk dat de klassieke structuur met een meer definitieve keuze na het derde jaar mislukkingen zou voorkomen. Het is geen toeval dat men overal ter wereld werkt met een systeem van lagere en hogere cyclus. 

    4   Doordacht karakter klassieke B-attest & algemene kritiek

    An Verelst repliceerde terecht: “Minister Crevits wil te vlug veralgemenen, en bezondigt zich hier aan een enorme simplificatie van de situatie te velde.” Minister Crevits, de leden van de commissie onderwijs ... blijken inderdaad niet op de hoogte te zijn van de geraffineerde en meervoudige wijze waarop B-attesten functioneren. Zij gaan er ten onrechte van uit dat een B-attest-advies betekent dat leraren het overzitten per se afraden. Dat bleek ook tijdens de commissie onderwijs van 14 oktober j.l.

    Het huidige B-attest betekent in de eerste plaats dat de klasseraad van oordeel is dat het zomaar overgaan naar een volgend schooljaar in dezelfde richting niet wenselijk en haalbaar is. Tegelijk wil men principieel de  keuze open laten tussen een andere richting kiezen of het jaar overdoen. Lerares An Verelst schreef terecht: ”In tal van gevallen zal de klasseraad bij een B-attest tegelijk adviseren om bij voorkeur toch het jaar over te doen.” Lerares Sophie Wuyts schreef: ”De leerlingen die een B-attest krijgen, maar eigenlijk de richting wel aankunnen kunnen bij de hervorming dan hun capaciteiten niet ten volle benutten of doen wat ze écht graag doen. Leerlingen mogen in de visie van Crevits dan ook geen fouten meer maken of geen steken laten vallen. Het kan toch niet de bedoeling zijn om dit als boodschap aan de jongeren mee te geven? Dit zou tevens een extra druk op leerlingen leggen.”

    Bij sommige leerlingen zal de klasseraad naast een B-attest een leerling tegelijk adviseren om het jaar toch het liefst niet over te doen. De betekenis van het B-attest is ook mede afhankelijk van de specifieke richting die een leerling volgt. Als de klasseraad de mening toegedaan is dat een richting veel te moeilijk uitvalt voor een bepaalde leerling, dan zal ze in haar advies bij het B-attest ook wel uitdrukken dat overzitten in dit geval weinig zin heeft. Binnen de klasseraad is er overigens niet steeds eensgezindheid over het  veranderen van richting of overzitten. Er zijn ook vaak leraars die op basis van hun eigen ervaring met de leerling toch vinden dat die leerling die richting zou aankunnen mits overzitten, verandering van school ... De klasseraad wil een leerling dus niet principieel beletten het jaar over te doen en zeker niet als de leerling en zijn ouders overzitten verkieslijk vinden en dat ook kunnen motiveren

    De uitgekiende en gevarieerde interpretatie van een B-attest betekent ook geenszins een aantasting van het gezag en de wensen van de klasseraad - zoals Crevits beweert. Integendeel.  De meeste leraren en directeurs pleiten voor het behoud van  het oorspronkelijke concept en van de kans op zittenblijven. De klassieke en flexibele interpretatie van een B-attest vergroot ook de mogelijkheid om binnen de klasseraad tot een vergelijk te komen. Leerkrachten beseffen tevens dat zij bij hun beslissing soms onvoldoende weten wat een leerling buiten en in de school zoal aan problemen meegemaakt heeft, die een invloed hebben op hun prestaties. De ouders en leerlingen verkiezen ook vaak om gedurende het schooljaar niet openlijk uit te pakken met problemen in het gezin, psychische problemen e.d. De praktijkmensen beseffen ook dat de hervorming niet enkel zou leiden tot een toename van de taak- en verantwoordingslast, maar tevens tot veel conflicten met ouders/leerlingen/collega’s-leraars – en tot  juridische en gewetens-problemen.

    Het verraste ons dat Lieven Boeve, topman katholiek onderwijs, meteen op TV enthousiast verklaarde dat hij dit een goed voorstel vond. Zijn verklaring leek ons voorbarig en hield eens te meer geen rekening met de visie van de leerkrachten, directies en schoolbesturen. Ook prof. Bieke De Fraine vond het onmiddellijk een goed voorstel. Het is  niet de eerste keer dat De Fraine van mening verandert. Enkele jaren geleden opteerde ze nog voor het radicaal afschaffen van B-attesten  als lid van het Leuvens Metaforum. Ze vergaloppeerde zich ook in het rapport over zittenblijven dat ze in 2012 opstelde voor de overheid en waarin zittenblijven als zinloos werd bestempeld.

    5    Kritische reacties vanwege praktijkmensen

    Een van de eersten die in de pen klom om Crevits terecht te wijzen was niemand minder datn de dochter van CD&V-minister Geens. We lezen: “Lut Geens, maatschappelijk werker en dochter van Cd&V-minister Koen Geens heeft een kritische open brief geschreven aan haar vaders partijgenote en Vlaams onderwijsminister Crevits. In een post op haar Facebook beschrijft ze haar eigen ervaring op school. Zij koos ervoor om met een B-attest toch haar jaar over te doen. Een keuze die ze zich niet beklaagt. Een nieuwe kans krijgen om hetzelfde te mogen doen maakt bij jongeren alles wakker om het met een propere lei te doen. Met het verschil dat ze dan heel anders in het leven staan dan het jaar voordien”, aldus Lut Geens.  Zij weigerde achteraf de publicatie van haar brief in de krant na overleg met de entourage van minister Geens.”   

    Intussen kon men al op websites e.d. lezen dat veel leerkrachten het niet eens zijn met Crevits’ B-attest-hervorming en met het quasi verbieden van het zittenblijven. Het huidige uitgekiende systeem van attestering draagt de goedkeuring weg van de overgrote meerderheid van de praktijkmensen. Enkele rake reacties van leerkrachten (op website Knack e.d.).

    Philippe Clerick schreef: “De ouders kunnen de capaciteiten en de inzet van hun kind soms fout inschatten, maar de klassenraden kunnen zich ook vergissen. Ik heb aan veel klassenraden deelgenomen en heb vaak met volle overtuiging bijgedragen aan een advies dat achteraf fout bleek. Statistisch zijn de beslissingen van de klassenraad wellicht vaker juist dan die van de ouders, maar als ouder wil je je kind niet tot een statistiek laten herleiden. Leerlingen die moeten veranderen van studierichting riskeren ook gedemotiveerd te raken, net als de zittenblijvers. De zittenblijvers met een B-attest vormen slechts een kwart van het totaal van de zittenblijvers. Ik vermoed dat de problemen met het zittenblijven bij de overige driekwart – die met een C-attest – groter zijn. Om al die redenen is het huidige systeem beter dan de vernieuwing die wordt voorgesteld. Het is niet ideaal. Leerlingen zijn niet ideaal, ouders zijn niet ideaal, leerkrachten zijn niet ideaal. Wie kiest kan zich vergissen. Maar ik huiver bij de gedachte aan een maatschappij waar mijn keuzes in handen liggen van een ‘raad’, die overigens het beste met mij voor heeft.”

     Leraar Frans Depeuter getuigde: ”Ik heb 40 jaar lesgegeven in het aso en stond ontelbare keren verbaasd dat leerlingen die een jaar hebben gedoubleerd in dezelfde richting, later zelfs universitaire studies hebben gedaan en een succesvolle carrière hebben gemaakt. Door de voorgestelde maatregel zouden al zulke mensen tot een ‘lager’ niveau gedwongen worden. Wie praktiseert hier het watervalsysteem? Volgens het Crevitsplan is een leerling die in een aantal vakken onvoldoende scoort en dus volgens het heersende systeem een B-attest zou halen maar toch dezelfde richting zou willen voortzetten, tevens slechter af dan iemand die in zijn globaliteit niet voldoet en een C-attest krijgt, want de eerste mag het jaar niet overdoen, de tweede wel. Begrijpe wie begrijpen kan. Ignace Geldhof bevestigde: “Dus, ben je beter af met een C-attest dan met een B-attest, want dan blijven alle opties nog open: je jaar overdoen in dezelfde richting, of je jaar overdoen, maar je ook heroriënteren.“  Hansie Godefridi stelde “Ik vrees dat dit het omgekeerde effect gaat hebben en dat er meer C attesten zullen worden gegeven om de jongeren toch nog een kans te geven in de richting die ze volgen.”

    Danielle Dergent: “Sommige leerlingen behalen een B-attest door allerlei omstandigheden die niets met de school te maken hebben (gezinstoestand, ziekte, trauma ...). Heel wat scholen richten ook geen herexamens in. Het zou verkeerd zijn de toekomst van deze leerlingen te hypothekeren door ze geen tweede kans te geven hun jaar over te doen en ze tegen wil en dank in een richting te duwen waar ze misschien geen voeling mee hebben ... Dat is pas problemen creëren ... Laat ouders en leerling hierin a.u.b zelf beslissen”

    Willem Van den Branden: ”Voorbeelden bij de vleet van kinderen met een B attest/zittenblijvers die nadien schitterende studies hebben gedaan op universitair/hogeschool niveau. Meer macht geven aan klassenraden is nefast voor het kind. Laat het kind kiezen wat het verder wil doen op studiegebied. Financiële argumenten zijn hier uit den boze.” Boris Michel Lecompte: ”Volgens mij geen oplossing, leerlingen die echt niet naar een andere richting willen, maar tijdens het jaar minder scoorden, zullen dan misschien het einde van het jaar bewust zeer slecht scoren om op die manier een C-attest te halen. Die wijziging van de wetgeving lijkt me op termijn zinloos....”

    Maxime De Clerck poneerde: “Schandalig. Ik ken een pak gevallen waarin de klassenraad een B-attest heeft gegeven met de boodschap: "jongen ik denk dat hier geen plaats is voor jou". Waarbij de leerling in kwestie zich totaal herpakt heeft en nadien primus werd en hogere studies afmaakt met succes die hij/zij nooit zou hebben begonnen indien ze afgezakt waren. Een klassenraad is gevuld met een (adjunct-directeur (die uw naam in vele gevallen amper kent) een klastitularis en een paar leraren van hoofdvakken en nog enkele leraren die je 1-2 uur gezien hebt per week. 1 minder resultaat en 1 vertroebelde relatie met een leerkracht kan genoeg zijn om in zo'n deliberatie een verkeerd oordeel te krijgen. En nu zou je nog compleet afgestraft worden op basis van een puberjaar (iedereen is puber geweest). Kijk naar Maggie De Block zij zou nooit zijn wie ze nu was moest ze de raad van haar toenmalige leraar opgevolgd hebben (ik weet dat ze geen B-attest heeft ontvangen) maar het principe is hetzelfde.”

     

     

     


    17-10-2015 om 16:29 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:ZB, B-attest, zittenblijven
    >> Reageer (0)
    16-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hautekiet: vragen over rol van CLB binnen M-decreet & vragen van CLB's


    2 bijdragen over CLB en M-decreet

    Deel 1: CLB in programma Hautekiet   Deel 2: "Vrije CLB's vragen bijsturing M-decreet' (De Standaard)

    Deel 1.Hautekiet over specifieke rol CLB bij M-decreet: laten oordelen over de noden van het kind

    Reacties:

    1.Raf Feys: Kunnen de CLB-medewerkers wel accuraat oordelen over de schoolnoden van een kind?

    De CLB-ers kennen vaak onvoldoende het kind en staan te ver af van de school, horen we in enkele reacties in Hautekiet. Laat het oordeel meer aan de school over. Ze beschikken over te veel beslissingsrecht, werd in een andere tussenkomst gesteld. De CLB-medewerkers hebben/krijgen ook de tijd niet om een leerling goed te leren kennen, reageerde iemand; terecht.

    Prof. Wim van den Broeck twitterde een paar weken geleden dat het grote vertrouwen van Crevits in de CLB’s gebaseerd was op "een cruciale misvatting van minister Crevits.” Hij stelde: ”CLB-ers kennen het curriculum onvoldoende om kind te beoordelen” en dus om te kunnen oordelen of een kind al dan niet op zijn plaats zit in het gewoon onderwijs. "

    Van den Broeck stelde tijdens de Hautekiet-uitzending ook nog dat het M-decreet al te vaag was en dat dus ook de CLB-mensen niet goed weten wat ze moeten doen en hoe ze kunnen oordelen over een leerling.

    We vrezen dat Van den Broeck gelijk heeft over de vaagheid van het decreet e.d. Sinds de hervorming van het CLB hebben deze zich ook nog weinig bezig gehouden met zaken als curriculum, vakdidactiek voor de basisvaardigheden .... Dat kan je ook afleiden uit de bijdragen in het tijdschrift ‘Caleidoscoop’.

    Volgens Van den Broeck zal al te grote beslissingsbevoegdheid van de CLB’s over een materie waarop ze te weinig zicht hebben, tot veel conflicten en foute beslissingen leiden. Van den Broeck voegde er in zijn reactie ook terecht aan toe: “de compensatie-. en dispensatie-maatregelen waarover het decreet het heeft zijn ook volstrekt onduidelijk.”

    2. Soetkin Goris: in de huidige regelgeving is een typewijziging tijdens het schooljaar niet mogelijk. Ook in ons geval, met een kind met een type4-attest dat les volgt in een gemengde type4/type2-werking, blijkt een attestwijziging naar type 2 niet mogelijk. 30 augustus ging het nog wel, toen we in september aanvoelden dat dit beter zou zijn, ging het niet meer. Daardoor wordt schoolverandering ook onmogelijk.
    We kunnen ons voorstellen dat meer mensen in deze situatie zijn. We stelden hierover een vraag aan minister Crevits: http://www.hallopolitici.be/vragen/detail/1264
    Door de vraag te lezen en te 'steunen', versterk je ons signaal. Dankjewel!

    3. Peggy Engrie Mijn ervaring als GON-begeleidster en als mama van een kind met leerproblemen is dat we hier met mensen werken. Sommige mensen nemen hun werk serieus, anderen wat minder. Ik ken CLB-medewerkers die prima werk leveren en echt een meerwaarde betekenen voor de leerlingen. Ik ken binnen hetzelfde CLB aan de ene kant een zeer geëngageerd personeelslid dat er alles aan doet om een goede oplossing voor de leerling te vinden, en een ander dat liever lui dan moe is. En ja, het helpt dat je als ouder assertief bent en je weg een beetje kent, anders dreigt de leerling in de kou te blijven staan. En dat is door het M-decreet ook niet veranderd. Daar ben ik wel in teleurgesteld. Ik zou aan alle ouders willen aanraden om zich goed te informeren alvorens hun kinderen in een school in te schrijven. Ga na hoe de school met leerlingen met leerproblemen omgaat, welke maatregelen er getroffen worden, hoe de ouders het zorgbeleid ervaren, hoe de communicatie leerkracht-ouders verloopt.

    4. Greet De Clerck het belang van het leereffect bij het kind.
    Te vaak hoor ik dat er een soort strijd ontstaat tussen ouders, leerkrachten, clb, ... Omdat men zoekend is en merkt dat het niet goed gaat met het kind. Als we samen kunnen vertrekken van de gedeelde bezorgdheid, dan kan ook die tijd verkort worden ten dienste van de jongere. De enige die kan aangeven wat de nood is, is de jongere en het is aan ons als pedagogisch ondersteuners om een kader te creëren, waar jongere kunnen ontdekken wat werkt en dus wat hun nood is.

    5.Annie Geerts Al eens achter de schermen gaan kijken?Hoe komt het dat CLB's nu dossiers afwijzen voor bv GON begeleiding.Dit zat er aan te komen.Tot vorig jaar stelden de gonbegeleiders zélfs de dossiers samen om op te starten: een hele klus hoor.Er kruipen uren werk in. Sinds dit jaar moeten

    7.Sofie Baert Tuurlijk moet men kijken naar de noden van het kind!! En vooral naar het WELBEVINDEN!!! Kunnen alle kinderen wel al die maatregelen aan, hoe voelen zij zich daar bij? Hoe reageren kinderen thuis? Is hun vatje niet vol? Wat als je als kind een ganse dag het gevoel hebt dat je niet kan wat de andere kinderen kunnen!? CLB's kunnen daar niet over oordelen! Ze zien de kinderen niet bezig. Leerkrachten en ouders en vooral het kind moeten daar veel meer in gehoord worden!

    Hoe goed we ook in het basisonderwijs ons best doen als leerkracht, we kunnen nooit bereiken wat een BOschool kan. Daar kunnen kinderen veel meer openbloeien! Als we hier geen werk van maken, dan gaan we veel jongeren met depressies afleveren!! Ik ben heel erg bezorgd om de toekomst van onze kinderen!! Er wordt teveel gekeken naar de diagnose en maatregelen en veel te weinig naar de draagkracht van het kind en de ouders! Daar is niet over nagedacht toen het MDecreet werd ingevoerd!! Met het Mdecreet zullen we mooie dingen kunnen realiseren, maar niet voor ALLE kinderen!!!

    8. Sven Godly

    Een regelrechte ramp. In onze school zitten er al probleem gevallen. 1 kind verziekt een klas voor jarenlang. Zelfs als hij weg is duurt het een lange tijd eer de groep zijn balans weer vind. Vele zijn immers aangestoken door het gewelddadig gedrag en feiten zijn gebeurd. Hebben we nu jaar na jaar gezien met verschillende probleemkinderen. Een opvoeder in een school voor minder begaafden zei me onlangs, "bij ons zitten ze per 6, maar dat zijn er dikwijls 4 teveel". Bespaar maar verder en hol maar uit...

    9 Thierry: .Beperk aub zo snel mogelijk de macht van het CLB bij jongeren met problemen/beperkingen tot enkel adviserend (zoals bij gewone jongeren), of laat hen de VOLLE verantwoordelijkheid dragen aub !

    Mijn zoon met beperkingen was vorig jaar aan zijn vijfde school toe. Ondanks het feit dat we duidelijk onze bezorgdheid hadden geuit bij aanvang van het eerste jaar middelbaar vorig jaar heeft het CLB onze zoon gedwongen via attesten willen of niet willen schrijven om die school te starten. Gevolg, reeds vanaf nieuwjaar liep het grondig mis en was het voor de school en mijn zoon niet langer haalbaar om die school verder te volgend. We zijn als ouder samen met de school op zoek gegaan naar een geschikte opvang voor dit jaar, en dat was absoluut niet eenvoudig. Het CLB heeft zijn foutje toegegeven en deed verder of hun neus bloedde ! Geen enkele verantwoordelijkheid genomen na die fout. Het enige wat men wilde was her-testen om zo een attest te kunnen schrijven voor een school met een vrije plaats. Niet in het belang van mijn zoon maar eerder om van die lastpost af te zijn voor opnieuw een jaar ...
    --------------------------------------------------------------------------------

    Deel 2: "Behoefte kind belangrijker dan diagnose' (DS, 16 oktober)

    * Ik las daarnet de vragen van de vrije CLB's over M-decreet in DS "Behoefte kind belangrijker dan diagnose." Een paar bedenkingen.

    *Grielens (CLB) stelt terecht: "Minister Crevits vroeg om in de startfase soepel om te springen met het decreet. De inhoud van het decreet laat te weinig ruimte voor interpretatie of soepelheid." Dat is ook een van onze stokpaardjes. Jammer dat de CLB-koepel pas nu dit bezwaar formuleert.

    *"Dat er door het decreet tijdens het schooljaar geen attestwijzigingen mogen gebeuren", zit de vrije CLB's eveneens dwars. " Dat is inderdaad een van de vele anomalieën van dit vaag decreet.

    *"De CLB's noemen de introductie van het M-decreet turbulent, maar geslaagd". ODe CLB-koepel heeft zich steeds een enthousiaste voorstander getoond van het M-decreet en hield hierbij weinig of geen rekening met de visie en bezwaren van de praktijkmensen. Bij de koepels van de onderwijsnetten was dit eveneens het geval.

    *"De CLB's hebben het gevoel in de rol van poortwachter gedwongen te worden". De CLB-koepel heeft nooit geprotesteerd tegen het feit dat de CLB's teveel bevoegdheid kregen en de eindbeslissing in eigen handen hebben.




    Hauterkiet over specifieke rol CLB bij M-decreet: laten oordelen over de noden van het kind

    Reacties:

    1.Raf Feys: Kunnen de CLB-medewerkers wel accuraat oordelen over de schoolnoden van een kind?

    De CLB-ers kennen vaak onvoldoende het kind en staan te ver af van de school, horen we in enkele reacties in Hautekiet. Laat het oordeel meer aan de school over. Ze beschikken over te veel beslissingsrecht, werd in een andere tussenkomst gesteld. De CLB-medewerkers hebben/krijgen ook de tijd niet om een leerling goed te leren kennen, reageerde iemand; terecht.

    Prof. Wim van den Broeck twitterde een paar weken geleden dat het grote vertrouwen van Crevits in de CLB’s gebaseerd was op "een cruciale misvatting van minister Crevits.” Hij stelde: ”CLB-ers kennen het curriculum onvoldoende om kind te beoordelen” en dus om te kunnen oordelen of een kind al dan niet op zijn plaats zit in het gewoon onderwijs. "

    Van den Broeck stelde tijdens de Hautekiet-uitzending ook nog dat het M-decreet al te vaag was en dat dus ook de CLB-mensen niet goed weten wat ze moeten doen en hoe ze kunnen oordelen over een leerling.

    We vrezen dat Van den Broeck gelijk heeft over de vaagheid van het decreet e.d. Sinds de hervorming van het CLB hebben deze zich ook nog weinig bezig gehouden met zaken als curriculum, vakdidactiek voor de basisvaardigheden .... Dat kan je ook afleiden uit de bijdragen in het tijdschrift ‘Caleidoscoop’.

    Volgens Van den Broeck zal al te grote beslissingsbevoegdheid van de CLB’s over een materie waarop ze te weinig zicht hebben, tot veel conflicten en foute beslissingen leiden. Van den Broeck voegde er in zijn reactie ook terecht aan toe: “de compensatie-. en dispensatie-maatregelen waarover het decreet het heeft zijn ook volstrekt onduidelijk.”

    2. Soetkin Goris: in de huidige regelgeving is een typewijziging tijdens het schooljaar niet mogelijk. Ook in ons geval, met een kind met een type4-attest dat les volgt in een gemengde type4/type2-werking, blijkt een attestwijziging naar type 2 niet mogelijk. 30 augustus ging het nog wel, toen we in september aanvoelden dat dit beter zou zijn, ging het niet meer. Daardoor wordt schoolverandering ook onmogelijk.
    We kunnen ons voorstellen dat meer mensen in deze situatie zijn. We stelden hierover een vraag aan minister Crevits: http://www.hallopolitici.be/vragen/detail/1264
    Door de vraag te lezen en te 'steunen', versterk je ons signaal. Dankjewel!

    3. Peggy EngrieVrijdag Mijn ervaring als GON-begeleidster en als mama van een kind met leerproblemen is dat we hier met mensen werken. Sommige mensen nemen hun werk serieus, anderen wat minder. Ik ken CLB-medewerkers die prima werk leveren en echt een meerwaarde betekenen voor de leerlingen. Ik ken binnen hetzelfde CLB aan de ene kant een zeer geëngageerd personeelslid dat er alles aan doet om een goede oplossing voor de leerling te vinden, en een ander dat liever lui dan moe is. En ja, het helpt dat je als ouder assertief bent en je weg een beetje kent, anders dreigt de leerling in de kou te blijven staan. En dat is door het M-decreet ook niet veranderd. Daar ben ik wel in teleurgesteld. Ik zou aan alle ouders willen aanraden om zich goed te informeren alvorens hun kinderen in een school in te schrijven. Ga na hoe de school met leerlingen met leerproblemen omgaat, welke maatregelen er getroffen worden, hoe de ouders het zorgbeleid ervaren, hoe de communicatie leerkracht-ouders verloopt.

    4. Greet De Clerck het belang van het leereffect bij het kind.
    Te vaak hoor ik dat er een soort strijd ontstaat tussen ouders, leerkrachten, clb, ... Omdat men zoekend is en merkt dat het niet goed gaat met het kind. Als we samen kunnen vertrekken van de gedeelde bezorgdheid, dan kan ook die tijd verkort worden ten dienste van de jongere. De enige die kan aangeven wat de nood is, is de jongere en het is aan ons als pedagogisch ondersteuners om een kader te creëren, waar jongere kunnen ontdekken wat werkt en dus wat hun nood is.

    5.Annie Geerts Al eens achter de schermen gaan kijken?Hoe komt het dat CLB's nu dossiers afwijzen voor bv GON begeleiding.Dit zat er aan te komen.Tot vorig jaar stelden de gonbegeleiders zélfs de dossiers samen om op te starten: een hele klus hoor.Er kruipen uren werk in. Sinds dit jaar moeten

    6. AZ: Beperk aub zo snel mogelijk de macht van het CLB bij jongeren met problemen/beperkingen tot enkel adviserend (zoals bij gewone jongeren), of laat hen de VOLLE verantwoordelijkheid dragen aub

    In het gewoon onderwijs is er een ruime keuze in scholen. Er bestaan verschillende netten, methodescholen,... In het buitengewoon onderwijs is de keuze erg…
    hallopolitici.be|Door Hallo Politici

    16-10-2015 om 12:54 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet, CLB
    >> Reageer (0)
    15-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ned onderzoeksgroep: vroegere selectie pakt vaak beter uit; mik eerder hoog ...

    Bij twijfel schoolniveaus in s.o.? Kies voor het hogere niveau. Vroege(re) selectie pakt vaak beter uit. Ook degelijk tso/bso bevordert in sterke mate de ontwikkelingskansen.

    Rapport van Nederlandse onderzoeksgroep sociale gelijkheid (AOB-bulletin)

    *bevestigt ongelijk pleitbezorgers gemeenschappelijke eerste graad,
    *bevestigt ongelijk Crevits en Co die zittenblijven bijna onmogelijk willen maken

    *bevestigt onze standpunten over ons secundair onderwijs en onze kritiek op de hervormingsplannen

    Drie belangrijkste conclusies (haaks op visie Vl ond.verantwoordelijken)

    1."De simpele conclusie luidt: een ideaal stelsel bestaat niet. Maar het is helemaal geen wetmatigheid dat late selectie -zoals in de Verenigde Staten of Scandinavië- beter uitpakt voor achterstandsgroepen dan vroege selectie zoals in Nederland en Duitsland." (en Vlaanderen. ). Vroege selectie kan zelfs gunstiger uitpakken, als dat tenminste goed wordt vormgegeven.

    2."Wanneer scholen bij plaatsing twijfelen tussen twee niveaus, is het meestal beter om de leerling op een hoger niveau te plaatsen."

    3) "Een goed stelsel van beroepsonderwijs (in Vlaanderen tso/bso) helpt bij het wegwerken van sociale ongelijkheid. Nederland loopt op dat punt voorop."

    Commentaar Raf Feys

    (1) Vroege(re) selectie pakt vaak beter uit dan gemeenschappelijke eerste graad/cyclus - zoals in Vlaanderen het geval is.
    Commentaar Raf Feys: zo hoor je het ook nog eens van een ander - van een onderzoeksgroep waarin ook 'Nederlandse' sociologen deel van uitmaken. Dit staat haaks op de ideologie van Vlaamse sociologen, de vele pleitbezorgers van een gemeenschappelijke eerste graad ... Nederlandse prof.J. Dronkers toonde aan dat relatief vroege selectie in Vlaanderen vrij goed functioneert.

    (2)Wanneer scholen bij plaatsing twijfelen tussen twee niveaus, is het meestal beter om de leerling op een hoger niveau te plaatsen.Als men een groot aantal leerlingen beter op een hoger niveau laat starten en uitdagen, dan is een nivellerende gemeenschappelijke graad niet mogelijk en niet wenselijk.

    Men mag m.i. echter niet de indruk wekken dat men een definitieve keuze te lang kan uitstellen. In die zin was 'determinatie' ten laatste na lagere cyclus (3 jaar) veel beter dan de huidige VSO-structuur die leerlingen en ouders wijsmaakt dat ze maar na het vierde jaar definitief moete kiezen.

    (3)Een goed stelsel van tso/bso) helpt bij het wegwerken van sociale ongelijkheid,beperken van schooluittaval ... Vlaanderen scoort op dit vlak nog steeds vrij goed en nog beter dan Nederland. Wel zouden aantal leerlingen ten laatste na 3de jaar moeten overstappen naar tso/bso. Destijds waren dit vaak leerlingen die sterk waren voor wiskunde en wetenschappen, maar iets minder voor de taalvakken, geschiedenis ...Ze kozen veelal voor industriële wetenschappen. Heel wat van die leerlingen werden later industrieel en zelfs burgerlijk ingenieur (zelfs rector van de KU Leuven).

    (4) In het verlengde van stelling 2 over het niet te laag mikken: zo is het meestal ook aangeraden om een jaar in een sterke richting over te zitten als leerkrachten, ouders en leerlingen ... dat om een of andere reden wenselijk vinden. Minister Crevits en de leden van de commissie onderwijs vergissen zich dus waar ze B-attesten afdwingbaar willen stellen en het zittenblijven bijna onmogelijk willen maken.

    --------------

    Samenvatting van rapport

    Wanneer scholen bij plaatsing twijfelen tussen twee niveaus, is het meestal beter om de leerling op een hoger niveau te plaatsen. Juist voor leerlingen met achterstanden pakt dat gunstig uit. Het verminderen van het belang van de eindtoets vergroot de sociale ongelijkheid. Dat schrijven wetenschappers in de vandaag verschenen studie 'Onderwijsstelsels vergeleken.'

    Vroege selectie of late selectie in het voortgezet onderwijs, internationaal woedt een fel debat over wat het meest gunstig is om ongelijkheid te verminderen. De Nederlandse onderzoeksgroep voor sociale ongelijkheid Amcis zette de verschillen op een rij in het rapport 'Onderwijsstelsels vergeleken'. De simpele conclusie luidt: een ideaal stelsel bestaat niet. Maar het is helemaal geen wetmatigheid dat late selectie -zoals in de Verenigde Staten of Scandinavië- beter uitpakt voor achterstandsgroepen dan vroege selectie zoals in Nederland en Duitsland.

    Middenmoot
    Bij late selectie, bijvoorbeeld rond vijftien jaar, is het gevaar groot dat de lessen te veel op de middenmoot worden afgestemd. In schoolsystemen die vroeg selecteren wordt per groep door leraren meer op de doelgroep ingespeeld. Vroege selectie kan zelfs gunstiger uitpakken, als dat tenminste goed wordt vormgegeven. Bij die vormgeving gaat het in Nederland nog wel eens mis. De conclusies op een rij:

    Het verminderen van het belang van de eindtoets is volgens de wetenschappers onverstandig. Leerlingen uit achterstandsmilieus krijgen bij dezelfde score namelijk een lager advies. Een objectieve maatstaf als de eindtoets vermindert dat effect. In België ontbreekt een centrale eindtoets en is de sociale ongelijkheid daardoor groter.
    Wanneer er vroeg wordt geselecteerd moet er ruimhartig kunnen worden gestapeld (mavo-havo, havo-vwo, mbo-hbo) om leerlingen gelijke kansen te geven. In Nederland is stapelen steeds moeilijker geworden.

    Een goed stelsel van beroepsonderwijs (vmbo-mbo-hbo) helpt bij het wegwerken van sociale ongelijkheid. Nederland loopt op dat punt voorop, met een lage jeugdwerkloosheid als gevolg.
    Het onderzoek laat zien dat bij twijfel tussen twee niveaus in het voortgezet onderwijs hoog inzetten gunstig uitpakt.


    15-10-2015 om 19:53 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:sociale gelijkheid, gelijke kansen, B-attesten, masterplan
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VLOR-advies: veel blaba & pleidooi voor verdere uitholling van leerplannen voor taal e.d.

    VLOR-advies over nieuwe eindtermen/leerplannen bevat o.i. vooral veel blabla, en een pleidooi ook voor het verder ontstoffen van de al uitgeholde eindtermen/leerplannen voor de taalvakken e.a.

    "De Vlor pleit voor een overzichtelijke set van kerndoelen Minder einddoelen dus, maar wel duidelijk en concreet geformuleerd en hanteerbaar voor de gebruikers."

    De overheid wil het eindtermenkader bijsturen. Eind oktober 2015 zal daarover een debat plaatsvinden in het Vlaams Parlement. Het aanpassen van het doelenpakket dat scholen met hun leerlingen moeten bereiken, is een fundamenteel proces dat gaat over de inhoud van onderwijs (Wat moeten leerlingen ler…
    vlor.be
    mmm

    15-10-2015 om 15:30 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vlamingen steeln heel veel vertrouwen in het onderwijs

    Vlamingen stellen volgens VRIND (Vlaamse Regionale Indicatoren) nog steeds  het meest vertrouwen in het onderwijs; niet minder dan 95%.  Slechts 5% wantrouwen.

    En toch was de stemmingmakerij tegen het onderwijs de 2 voorbije maanden weer enorm.

    En toch wekken de beleidsmakers in Masterplan,   Vlaanderen 2050 & rapport over 'onderwijs 2030' ... de indruk dat ons onderwijs hopeloos achterhaald is en dat we de school moeten vervangen door een Learning Park.

    Ook kopstukken van de katholieke onderwijskoepel propageren revolutionaire hervormingen zoals de invoering van grootschalige scholengroepen met 25 scholen en meer en van mammoet-schoolbesturen.mmmm

    Bijlagen:
    vrind.png (78.8 KB)   

    14-10-2015 om 21:52 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:vertrouwen in onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kritiek op 21st-Century learniong/skills

    What every teacher needs to know about ’21st-Century learning’

    October 9, 2015

    Here’s my column in this month’s Teach Secondary magazine which is packed full of stuff much better than my meagre scrawlings so you’d be well advised to subscribe.

    TS1

    You’ve seen Shift Happens, right? Several years back this ‘inspirational’ video was on heavy rotation in school INSETs up and down the land. Although it’s fallen from favour more recently, there’s still an updated 2015 version doing the rounds (look it up on You Tube if you can be bothered). Among its many outlandish propositions we’re told that “the top ten in-demand jobs in 2010 did not exist in 2004” and that “we are currently preparing students for jobs that don’t yet exist using technologies which haven’t been invented in order to solve problems we don’t even know are problems yet”. There may be a kernel of truth to such a claim but it’s slightly undermined by the fact that the top ten ‘in-demand’ jobs in 2010 included, according to careercast.com: actuary (at number 1), biologist, historian, mathematician, paralegal assistant, statistician, accountant and dental hygienist. All of which were – unsurprisingly – equally in demand in 2004.

    I get the point: the future is uncertain, unknowable and ‘exponential’, so obviously we should, er… prepare for it. Right. But how exactly? Well, perhaps we should stop delivering rapidly outdated facts and instead teach students the skills they will need to thrive in the 21st century. And what are these futuristic skills? Typically they are considered to include critical thinking, problem-solving, communication, collaboration and creativity. Wonderful things, all of them – but attempting to substitute them wholesale for a more traditional school curriculum comes with problems.

    Problem 1

    Are these really ‘21st-century’ skills? Or in fact, hasn’t this stuff always been pretty important? And if it was important for Socrates to think critically, Julius Caesar to solve problems, Shakespeare to communicate, Leonardo da Vinci to be creative and the builders of the Great Wall of China to collaborate – how on earth did they achieve what they did without a specific, 21st century learning curriculum? The point is, these skills are innate human characteristics. We all, to a greater or lesser degree, use them all the time. How could we not? Of course, we can encourage children to be more creative, critical and collaborative, but can we actually teach these things as subjects in their own right?

    Problem 2

    How, exactly, do you teach someone to communicate or solve problems in more sophisticated ways? What is it we want students to communicate? What sorts of things do we want them to create? What do we want to collaborate on? The problem with attempting to teach a generic skill like critical thinking is that you must have something to think critically about; if you know nothing about quantum physics no amount of training in critical thinking is going to help you come up with much on the subject that is very profound. Likewise, to be truly creative we need to know a lot about the form or discipline we’re trying to be creative in. Skills divorced from a body of knowledge are bland to the point of meaninglessness.

    Problem 3

    Is teaching facts really such a bad thing? Of course it’s true that we’re discovering new information at an exponential rate and that no one can ever learn anything but the tiniest fraction of what is known. Apparently, when Newton formulated the laws of force and invented calculus he knew everything that was currently known about science. This is no longer possible; as our collective knowledge grows our individual ignorance seems to expand. It might be the case, then, that the amount of new information is doubling every two years – but is it really true that half of what students studying a four-year technical degree learn in their first will be out-dated by their third year, as the makers of Shift Happens assert?

    Maybe those studying highly specialised areas of computer science will find the programming languages they learn are quickly superseded, but that doesn’t make the practice and discipline of learning them in the first place totally useless. And in most other fields of human endeavour – medicine, engineering, law, teaching – new discoveries and practices build upon a settled body of knowledge. Depriving students of this foundation is in no one’s interest and will do nothing to prepare young people for an uncertain future. And to those who would claim we can always ‘just look it up’ if only we teach students how to use the internet, I’d say knowing you can look something up is a very poor substitute for actually knowing it. Knowledge is only knowledge if it lives and breathes inside us.

    Whilst I’m sure no one sensible seriously objects to teaching subject knowledge, we are still easily seduced by the bright lights and glamour of the new (even when it’snot really ‘new’ at all, just packaged and lauded as such).In our enthusiasm for teaching collaboration, might we be missing the value and necessity of being able to do things individually? In our rush to teach creativity, might we be so busy thinking outside the box that we forget to look inside it? By focusing on generic skills we can easily miss the substance; we take for granted how much we as teachers know – we miss that we can only make use of the vast store of information at our fingertips because we know enough to make sense of it. We can get so excited about the future that we run the risk of neglecting the past.


    14-10-2015 om 21:48 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:21 eeuwse vardigheden, 21 Century skills
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Niveaudaling taalvaardigheid als gevolg van progressief en leerling-gecentreerd onderwijs

    Niveaudaling taalvaardigheid als gevolg van progressief en leerling-gecentreerd onderwijs

    *Years of progressive, child-centred and relevant education have conspired to keep the masses down by restricting their ability to read, write and speak their own language.

    For example, child-centred education turns children away from the teacher both physically and metaphorically. If they are spending most of their time in groups speaking to each other, they are being denied the opportu...nity to learn new vocabulary and correct pronunciation from the one person in the class who may (but frequently may not) have a better command of the English language.

    If these children never see a textbook, then they are also being denied the opportunity to look at technical vocabulary or a variety of sentence structures.

    If these children are being taught using an IWB and there isn’t a decent, ordinary whiteboard in the class (my experience) that can be used, then even the teacher is inhibited! IWBs are great for KS1, but atrocious for the demonstration of the kind of writing expected in the new curriculum because of lag or lack of definition. Only being able to write three words with a wireless, feckin, ‘child-friendly’, giant, banana-yellow ‘crayon’ on an IWB is rather frustrating, so I just end up using Word to demonstrate, therefore the children don’t get to see my joined writing as often.

    Meer weergeven
    Given that the English language is ever evolving, have you wondered recently about the direction of that evolution? I fear that, unless we all take control of the…
    thequirkyteacher.wordpress.com
    mmm

    14-10-2015 om 21:44 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:taalvaardigheid, taal
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kritiek van leraar2032 groep op advies van Platform onderwijs2032

    Kritiek van leraar2032 groep op advies van Platform onderwijs2032

    minder parate kennis?

    Tot zover de complimenten. Want ook voor ons is duidelijk dat het voorstel nog niet ‘af’ is, dat het nadere uitwerking behoeft en misschien ook niet ver genoeg gaat. Als we willen komen tot een goed omschreven, samenhangend kerncurriculum voor po en vo – en dat willen we – dan is het vanzelfsprekend dat er gekoesterde keninhouden moeten sneuvelen. Het zal nog een pittig debat worden – met leraren, met hun vertegenwoordigers en/of hun vakverenigingen, met andere belanghebbenden – welke inhouden dat precies zullen zijn! Het voorstel van de Commissie Schnabel, en ook de heer Schnabel zelf wekt in mediaoptredens nu en dan de indruk dat het (aan)leren van parate kennis niet meer van deze tijd zou zijn doordat kennis immers (?) ‘overal’ te vinden zou zijn. Het hoeft geen betoog dat zo’n tendentiele gelijkstelling van ‘kennis’ met ‘informatie’ apert onjuist is, en geen steun kan vinden bij veel vak- en andere docenten (vgl. Aleid Truijens in de Volkskrant, 9 oktober 2015).

    vakoverstijgen? Consequenties?

    De commissie breekt een lans voor meer vakoverstijgende thema’s of projecten, juist ook in het vo. Gezien de geconstateerde overlading en versnippering van het curriculum in dat domein lijkt dat een te rechtvaardigen keuze. Tegelijk raakt dit de grens tussen het ‘hoe’ en en het ‘wat’ in het onderwijs, en daarmee de ‘vrijheid van richting en inrichting’. Het voorstel is er naar ons gevoel niet duidelijk genoeg in of nu dit een harde eis aan, of een kwestie van eigen keuze voor individuele scholen is.

    Voor leraren, lerarenopleidingen en inmiddels ook voor de wetgever werpt dit aspect bovendien vragen op omtrent de vakbekwaamheid en de bevoegdheid, de registerwaardigheid ook van docenten in met name het vo-domein. Het zou al met al goed zijn als de commissie in haar definitieve advies nader in zou gaan op de consequenties van dit deel van plannen (evenals op het niet nader gedefinieerde, maar wel als betekenisvol gepresenteerde ‘maatwerk’) voor scholen, lerarenopleidingen en de kwalificatie(structuur) van docenten in ‘het veld’.

    beroepsonderwijs (tso/bso) vergeten

    Een een voorstel voor nieuwe nationale curricula kan alleen heel algemeen zijn. Het valt niettemin op dat het voorstel de geest lijkt te ademen van het algemeen vormende onderwijs, en het voorbereidend beroepsonderwijs in haar specifieke ‘zijn’ zelfs niet noemt. Niet alleen daarom zien wij het als een gemiste kans dat het mbo niet meer nadrukkelijk bij dit proces van curriculumvinding betrokken is: om vast te stellen wat leerlingen niet alleen aan het einde van het vmbo, maar ook na havo 3 moeten weten en kunnen is de inschatting van mbo-docenten cruciaal.

    kromme paden: staatspedagogiek?
    De vraag of kleuters wel of geen Engels zouden moeten leren heeft in het publieke debat al dan niet terecht de meeste aandacht getrokken. Ook hier is het de vraag of de Commissie denkt aan harde eindtermen voor groep 8 met vrijheid van invulling voor scholen, of inderdaad, zoals wel gesuggereerd, aan plicht tot les vanaf groep 1.

    14-10-2015 om 21:35 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:onderwijs2032, kennis, vakoverstijgend, thematisch
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Balans van 1 jaar beleid en visie van onderwijsminister Crevits

    Minister Crevits over zorgzame invoering M-decreet,  eerste graad s.o, aso  & B-attest, zinloosheid  zittenblijven, duaal leren, STEM, eindtermen ... Een eerste balans.

    Redactiecomité Onderwijskrant

    Vooraf: In deze bijdrage maken we een eerste en voorlopige balans op van het onderwijsbeleid van minister Crevits en van haar uitspraken over tal van thema’s. We laten de besparingen en de gevolgen ervan in deze bijdrage wel buiten beschouwing.  We voegen er nog  vooraf aan toe dat minister Crevits en Co ook hervormingen en beleidsmaatregelen moeten uitvoeren die de voorgangers in de vorige regering hebben beslist.

    1. M-decreet:  zorgzame invoering? Crevits steekt eens te meer de kop in het zand!

    In de geactualiseerde regeringsverklaring van de Vlaamse Regering (8 september) lazen we: “Met de zorgzame uitvoering van het M-decreet zetten we een belangrijke stap in de richting van inclusief onderwijs.”  Ook minister Crevits wekte de voorbije maanden de indruk dat de inclusie-operatie heel vlot verliep.  Dit is een stelling die weinig of geen onderwijsmensen uit het gewoon en buitengewoon onderwijs zullen onderschrijven. De invoering lijkt allesbehalve zorgzaam, maar geïmproviseerd. Het M-decreet leidde nu al tot grote problemen en die zullen de komende jaren enkel maar gevoelig toenemen. De uitdrukking dat het M-decreet slechts een stap is in de richting van inclusief onderwijs, suggereert ook dat  er nog verdere stappen in de richting van radicaal inclusief onderwijs moeten/zullen gezet worden. Voor de meeste praktijkmensen is het M-decreet echter al een stap te ver.

    In het interview met de krant De Standaard van 29 augustus werden ook vragen gesteld over het M-decreet. In haar antwoorden wekte minister Crevits de indruk dat alles naar wens verliep en dat er geen grote problemen opgedoken waren. Vraag van De Standaard: “Uit onze rondvraag blijkt dat het buitengewoon onderwijs leegloopt in de basisscholen”. Crevits reageerde: “Ik wacht nog op de eerste cijfers, maar de eerste signalen geven ons aan dat er geen aardverschuiving plaatsvindt. De scholen van het buitengewoon onderwijs zullen blijven bestaan, zoveel is zeker… Ik heb het buitengewoon onderwijs echt nodig!” Andere vraag DS: “Hebt u bezorgde berichten over M-decreet ontvangen”? Crevits: “Ik heb mails gekregen van ouders die niet terechtkunnen in het buitengewoon onderwijs. Maar niet omgekeerd.” Crevits verzwijgt de aard van die mails en verzwijgt de vele andere klachten.

    Crevits wekte ook de valse indruk dat de inclusieleerlingen voldoende extra-ondersteuning zouden krijgen, met de stelling dat er 180 personeelsleden uit het b.o. ingezet  zouden worden om de scholen te helpen bij de opvang en begeleiding van de inclusie-leerlingen. Wat betekent dit laatste concreet? Niet veel! Personeelsleden uit slechts drie West-Vlaamse katholieke CLB’s zullen enkele scholen in hun regio kunnen ondersteunen. Dat betekent b.v. dat een logopediste tijdens b.v. de 9 uren die ze verliest in het b.o. een aantal kinderen verspreid over een aantal gewone scholen zal kunnen ondersteunen. ) Effectief lijkt dit niet. Crevits  wekt zo de valse indruk  dat de inclusieleerlingen voldoende extra-ondersteuning zouden krijgen. Ze verzwijgt ook dat die kinderen geen recht meer hebben op (gratis) paramedische ondersteuning zoals in het b.o. De ouders van die inclusieleerlingen zullen die moeten zoeken buiten de school en er ook voor moeten betalen.

    Crevits stelde in het interview van 29 augustus en elders ook  ten onrechte dat de CLB’s in staat zijn om veel M-decreet-problemen op te lossen en dat ze daar veel heil van verwacht. Ze verzweeg de vele problemen en klachten i.v.m. de werking van de CLB’s i.v.m. het M-decreet. Prof. Wim van den Broeck twitterde ook terecht dat het grote vertrouwen van Crevits in de  CLB’s gebaseerd was op "een cruciale misvatting van minister Crevits.” Hij stelde: ” CLB-ers kennen het curriculum onvoldoende om kind te beoordelen” en dus om te kunnen oordelen of een kind al dan niet op zijn plaats zit in het gewoon onderwijs.  Inderdaad. Sinds de hervorming van het CLB hebben deze zich nog weinig of niet bezig gehouden met zaken als  curriculum, vakdidactiek voor de basisvaardigheden .... Dat kan je ook afleiden uit de bijdragen in het tijdschrift ‘Caleidoscoop’. En de al te grote beslissingsbevoegdheid van de CLB’s  over een materie waarop ze te weinig zicht hebben, zal tot veel conflicten en foute beslissingen leiden. Van den Broeck voegde er in zijn reactie ook terecht aan toe: de compensatie-. en dispensatie-maatregelen waarover het decreet het heeft zijn ook volstrekt onduidelijk.

    Er waren eind augustus en ook de maanden ervoor al veel  scherpe kritieken op het M-decreet geformuleerd; maar minister Crevits steekt meestal de kop in het zand en wekte ook  in recente interviews de indruk dat alles zorgzaam verloopt. De hashtag #Mdecreet alleen al staat vol met kritieken.  Prof. Wouter Duyck (UGent) twitterde terecht: “Ik ken (bijna) niemand in het onderwijsveld die het M-decreet een goed decreet vindt Ook prof. Wim van den Broeck en wijzelf lieten dit via twitter e.d. herhaaldelijk weten. Volgens Van den Broeck gaat het in het M-decreet niet enkel om het recht van een kind om gewoon onderwijs te volgen, maar ook om de plicht (verplichting) van de ouders om hun kind naar het gewoon onderwijs te sturen. In een andere tweet merkt hij op dat kinderen volgens de nieuwe beleidsfilosofie niet meer mogen blijven zitten, maar ook niet naar het buitengewoon onderwijs mogen.. Daardoor zal het functioneel analfabetisme volgens hem enkel maar toenemen Hij wijst er verder ook op dat de zorgcoördinatoren nu nog meer met vergaderen bezig zijn en zich nog minder inlaten met de begeleiding van de zorgleerlingen. 

    Minister Crevits reageerde ook niet op de alarmerende berichten vanuit het gewoon onderwijs , b.v. omtrent het feit dat  veel leerlingen die weinig profijt kunnen halen uit het volgen van gewoon onderwijs, toch in het gewoon onderwijs terecht kwamen.  We denken in dit verband ook aan de klacht  vanwege een Gentse KTA-school waar 16 van de 32 leerlingen in het eerste beroepsjaar uit type-1-lager onderwijs kwamen met een niveau van 2de-3de leerjaar. Veel leerlingen die weinig kunnen opsteken uit het volgen van de gewone lessen en het gewone curriculum zijn in het gewoon onderwijs beland en dit niettegenstaande een aantal beleidsverantwoordelijken (politici, Mieke Van Hecke ...) steeds beweerd hebben dat het bij inclusie enkel ging om leerlingen die het curriculum kunnen volgen.

    Kathleen Krekels (N-VA)  die het voorbije schooljaar dit  probleem al aankaartte, herinnerde minister Crevits hier aan tijdens de vergadering van de commissie onderwijs van 24 september. Ze stelde: “Het verbaast ons dat zulke zware vormen van autisme, het syndroom van Down,  enzovoort nu al in het gewoon onderwijs belanden. Deze bezorgdheid hebben we al voor de vakantie gehoord. De N-VA heeft er altijd voor gepleit dat scholen zich moeten kunnen beroepen op redelijke aanpassingen en dat het in de eerste plaats de bedoeling is dat het gemeenschappelijk curriculum kan worden gevolgd. Het verbaast ons dat scholen zich dan toch niet kunnen beroepen op die twee delen van het decreet. Er is een inschrijving onder ontbindende voorwaarden waardoor een school eerst stappen kan zetten. Als dan blijkt dat het toch niet lukt, kan de school zich daarop beroepen. Maar daar loopt het stroef. Ook in de samenwerking met het CLB blijken bepaalde regelgevingen niet altijd even duidelijk.“ Zelf schreven we al herhaaldelijk dat het M-decreet op tal van vlakken heel vaag en wollig geformuleerd is en sterk uiteenlopend geïnterpreteerd wordt – ook door de CLB-mensen die zo’n belangrijke rol toebedeeld kregen.  

    Ook dit keer kwam er op de bezorgde tussenkomst van Krekels een ontwijkend en dom antwoord vanwege minister Crevits: “Vandaag is alles stoornisgedreven. We willen gaan naar een toestand waar niet met de stoornis, maar met de specifieke behoeften van het kind rekening wordt gehouden. Een stoornis op zich betekent immers niet automatisch dat men nood heeft aan gon-begeleiding, en iemand zonder een stoornis zou daar wel nood aan kunnen hebben.”  Ook op de grote problemen met de rol  en het functioneren van de CLB’s ging  ze niet ze evenmin in. Ze wekte eens te meer de indruk dat er geen grote en dringende problemen waren.

     

    In een aantal types buitengewoon onderwijs als het vroegere type 8 lager onderwijs waren er dit jaar heel weinig nieuwe inschrijvingen. De achteruitgang wordt de komende jaren cumulatief en zal dus nog in sterke mate toenemen. In  de b.o-school Spermalie-Brugge werden er voor 42 dove/blinde inclusieleerlingengeen GON-ondersteuning toegekend.. Dat is ook het geval voor de andere b.o.-scholen. Al 8 maanden geleden was dit  geweten en kwam dit al ter sprake in de commissie onderwijs.

    Niettegenstaande de kroniek van een aangekondigde ontwrichting van het b.o., blijft minister Crevits  in ook zonder blozen beweren dat het buitengewoon onderwijs “uiterst waardevol is en nog veel toekomst heeft “(Interview 29 augustus in DS).  Crevits negeerde het voorbije schooljaar de kritieken en problemen vanuit het buitengewoon onderwijs. Ze wist eind augustus ook maar al te best dat er al een drastische reductie was van de ‘nieuwe’ inschrijvingen in het buitengewoon onderwijs, dat  heel wat leerlingen uit type-1 lager onderwijs met een peil 2de-3de leerjaar ingeschreven waren in de 1B-klassen s.o. of in het eerste jaar beroepsonderwijs.  Ze zal ook wel  weten  dat de leegloop van het buitengewoon onderwijs de komende jaren nog fors zal toenemen en dat dit ook tot een ontwrichting van het b.o. zal leiden.

    Crevits’ lovende uitspraken over het zo waardevol buitengewoon onderwijs klinken dus allesbehalve geloofwaardig. Nog een paar illustraties. Er zijn nu al veel banen verloren gegaan in het b.o., maar dit wordt gemaskeerd door het afdanken van tijdelijken en door de overstap van b.o.-leerkrachten naar het gewoon onderwijs binnen de eigen scholengroep. Crevits tilt blijkbaar niet zwaar aan het verlies van die b.o.-expertise dat de komende jaren nog sterk zal toenemen. Ze wekt de indruk dat er weinig mensen afvloeiden met de stelling dat er  180 overtallige personeelsleden zullen ingezet worden om de scholen te helpen bij de opvang en begeleiding van de inclusie-leerlingen. De grote afvloeiing van b.o.-personeel zal uiteraard ook pas volgend jaar plaatsvinden gezien de telling in de maand februari. Het mixen van type-1 en type-8 leerlingen in het nieuwe type basisaanbod maakte het b.o. voor  type-8 kinderen veel minder aantrekkelijk. Enzovoort.

    2   Geen brede eerste graad na 13 jaar gepalaver, wel nieuwe optie STEM  ten koste van tso

    2.1  Eindelijk een duidelijke uitspraak over eerste graad

    Vraag van DS over de invoering van de brede eerste graad, het stokpaardje van de hervormers.  Sinds de Rondetafelconferentie van 2002 drongen de beleidsmakers, onderwijssociologen, onderwijskundigen als Matrin Valcke ... aan op de invoering van een gemeenschappelijk en bredere eerste graad.  

    Wat stelde Crevits nu  eind augustus: “Onze eerste graad is redelijk oké zoals hij vandaag is. De brede eerste graad van Pascal Smet, de eenheidsworst, komt er niet. Er blijft ruimte voor differentiatie.” In  de krant De Morgen voegde ze eraan toe: “Eigenlijk is de eerste graad nu al breed opgevat.”  In de huidige eerste graad zijn er inderdaad niet minder dan 27/28 gemeenschappelijke lesuren. Minister Crevits sprak ook niet meer over de verbreding van de eerste graad met nieuwe vakken als Economie, Engels... waarover er destijds ook veel te doen was.   In het interview met De Standaard van 18 januari 2015  klonk de uitspraak van minister Crevits over de eerste graad nog enigszins anders:  “Mij interesseert het dat een kind bij de overstap naar het secundair onderwijs eerst twee jaar de tijd krijgt om van alles te proeven. Vervolgens moet hij in de tweede graad kunnen kiezen tussen een waaier van uiterst abstract naar uiterst praktisch.” De uitspraak ‘van alles kunnen proeven’ wekte bij velen de indruk dat er in de eerste graad nog meer gemeenschappelijkheid zou komen, en een nog ‘breder’ curriculum met van alles Ook prof. Martin Valcke ging er enkele maanden geleden nog van uit dat de komst van de brede eerste graad een voldongen feit was. In  een reactie omtrent de lagere wiskundeprestaties van meisjes stelde hij dat vooral de invoering van een bredere eerste graad daaraan kon verhelpen.

    We merken dus een evolutie en meer duidelijkheid in de uitspraken van minister Crevits, een evolutie die we uiteraard toejuichen. Crevits koestert wel nog de illusie dat de leerlingen na de (gedifferentieerde) eerste graad  nog alle mogelijke richtingen kunnen inslaan in de tweede graad. Wishful thinking! Hiervoor zou trouwens het niveau van veel richtingen in de 2de graad sterk omlaag gehaald moeten worden.

    Zelf stelden wij en de praktijkmensen de voorbije 24 jaar dat de eerste graad al grotendeels gemeenschappelijk is, en dat er eerder iets meer differentiatie nodig was, vooral voor de vrij heterogene groep leerlingen die kiest voor de optie ‘Moderne wetenschappen.” We wezen ook op de vele nefaste gevolgen van een gemeenschappelijke/comprehensieve graad, de problemen destijds met het VSO en de problemen in het buitenland. De hervormers bekritiseerden vooral de gedifferentieerde opties. Merkwaardig genoeg kwam er in een aantal scholen per 1 september – vooral in aso-scholen, nog een nieuwe optie bij: STEM. De hervorming en het Masterplan wou vooral ook het technisch onderwijs meer waarderen en meer leerlingen aantrekken. Maar door de invoering van STEM in het aso kiezen nu minder leerlingen voor tso-scholen en vrezen hun directeurs ook dat dit een bedreiging kan inhouden voor de richting industriële wetenschappen (zie ook punt 7 over STEM).

    2.2     Eerste graad sinds 1991 ten onrechte als dé probleemcyclus voorgesteld

    Het officieel gepalaver over de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad is al gestart in 2002 op de Rondetafelconferentie ingericht door de toenmalige minister Marleen Vanderpoorten. De meeste deelnemers aan die Rondetafel verwachtten veel heil van de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad. We publiceerden er in 2002 kritische bijdragen over in Onderwijskrant. Het gepalaver sleept dus al 13 jaar aan en er werd enorm veel tijd, energie en centen in geïnvesteerd. Het was ook een centraal thema en actiepunt binnen de groep van ‘Accent op talent’ en binnen publicaties van onze onderwijssociologen, van de Koning Boudewijnstichting e.d.

    Al sinds het rapport Het educatief bestel in België (1991) werd de eerste graad eigenlijk al als de grote probleemcyclus voorgesteld met niet minder dan bijna 10% zittenblijvers in het eerste jaar. Toen wijzelf aantoonden dat er slechts 3% zittenblijvers waren (momenteel: 2,7%) en later ook prof. Jan Van Damme dit moest toegeven, waren Monard en andere beleidsmakers niet bereid om deze kwakkel uit de wereld te helpen. We hebben de indruk dat Crevits’ gelamenteer over zittenblijven nog steeds op deze kwakkel gebaseerd is. We slaagden er destijds ook niet in om minister Vanderpoorten hiervan te overtuigen. Het kon volgens haar niet dat er zo’n kwakkel stond in een overheidsrapport van topambtenaren en professoren. Vanaf de Rondetafelconferentie van 2002 besteedden we tientallen bijdragen, een petitie e.d. aan de strijd tegen een gemeenschappelijke/comprehensieve eerste graad. Nu blijkbaar met succes aangezien Crevits dit niet langer als hervorming voorop stelt. Het is zelfs zo dat i.p.v. de afschaffing van de gedifferentieerde opties, er per 1 september op veel aso-scholen nog een nieuwe (en geïmproviseerde) optie, STEM, bijkomt.

    In het interview gewaagde Crevits in de context van de eerste graad wel denigrerend en ten onrechte van “de brede eerste graad als de eenheidsworst van Pascal Smet.”  Ook Crevits zelf wekte in het interview van 18 januari met haar stelling dat de leerlingen ‘van alles moeten kunnen proeven’ nog de indruk dat die brede eerste graad er kwam. De brede eerste graad en eenheidsworst was niet enkel een bevlieging van Pascal Smet. Al sinds de Rondetafelconferentie van 2002 is dit het belangrijkste hervormingspunt voor het s.o. vanwege de beleidsmakers (Sp.a, Groen, CD&V), Georges Monard, de katholieke onderwijskoepel, de GO!-koepel, de onderwijssociologen, onderwijskundigen als Martin Valcke, de GOK-steunpunten… Ook de CD&V-partijleden van Crevits (Kathleen Helsen op kop!) omhelsden de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad, nivellerende eenheidsworst.  Er is sinds 2002 ook heel veel energie aan deze hervorming besteed, maar het bleef meestal bij vage en algemene principes. We voorspelden dat pas bij de concretisering de grote problemen zouden blijken.  De katholieke onderwijskoepel ondernam de voorbije jaren wel een poging tot concretisering, maar slaagde er niet in om een concrete invulling voor zo’n brede/gemeenschappelijke eerste graad uit te werken.

    3  Colleges mogen blijven bestaan, geen referentiekader voor domeinscholen

    Het verdwijnen van de onderwijsvormen was lange tijd  een van de belangrijkste strijdpunten van de hervormers en van kopstukken van de onderwijsnetten.  Maar deze onderwijsvormen mogen nu toch blijkbaar blijven bestaan. Crevits: “Het Masterplan maakt het college niet onmogelijk. Ik heb daar geen probleem mee. Ik zeg niet dat ze zullen blijven bestaan. De maatstaf moet altijd het kind zijn. En dat kind moet een aanbod krijgen van zeer abstract tot zeer praktisch.” Een stelling: Crevits wijst niet op het belang van het zo vaak verguisde college, maar wil blijkbaar toch het college dulden, omdat de schrapping ervan niet voorzien is  in het Masterplan. Crevits zei hier vroeger al over dat de invoering van domeinscholen niet opgelegd zou worden. In verband met het oprichten van domeinscholen is het de voorbije maanden ook opvallend stil geworden.  Ook hier ontbreekt de nodige concretisering en een (officieel) referentiekader.  

    4   Zittenblijven niet zinvol, en dwingende B-attest-adviezen

    4.1   Meeste praktijkmensen wijzen hervorming B-attest af

    Minister Crevits stelde in het interview: “Te veel jongeren met een B-attest blijven zitten, terwijl uit internationaal onderzoek blijkt dat dit lang niet altijd zinvol is.” Crevits: “Alleen als de klassenraad er in uitzonderlijke gevallen mee akkoord gaat, moet een jaar overdoen met een B-attest nog mogelijk zijn.“ De voorheen zo verguisde B-attesten, werden niet enkel in ere hersteld, maar kregen nu zelfs een afdwingbaar karakter. In de commissie onderwijs van 17 september verwoordde Crevits het zo:  “We vinden allemaal dat leraars moeten worden geherwaardeerd. Ik vind dan ook dat je klassenraden moet waarderen. Je hebt A-, B- en C-attesten. Als men een B-attest geeft, dan zou dat eigenlijk moeten zijn met de bedoeling om jongeren ook eens een zicht te geven op heroriëntatie. Het besluit is nog niet goedgekeurd door de Vlaamse Regering, maar aangezien het inherent deel uitmaakt van het masterplan, ga ik ervan uit dat er ook op dat punt gestaag werk wordt gemaakt van de uitvoering.”

    In de aparte bijdrage over de thematiek van de B-attesten zal blijken dat de de meeste leerkrachten en directies die hervorming afwijzen.  Ook Crevits’ voorstel voor herexamens voor leerlingen van de derde graad s.o. via de middenjury vinden we ook geen goed voorstel. Het feit dat een aantal beleidsmakers aandringen op het terug invoeren van de herexamens verheugt ons wel. We betreuren dat kopstukken van de onderwijskoepels dit voorstel niet genegen zijn. Lieven Boeve stelde b.v. ‘Dit trekt het oordeel van de klassenraad in twijfel, terwijl dat juist steeds beter gemotiveerd wordt. Wij hopen dat dit geen systeem wordt want dan krijgen we een heuse herexamencommissie." (De Standaard))  

    4.2  ‘Zittenblijven niet zinvol’

    We staan hier wel even stil bij Crevits’ stelling dat zittenblijven niet zinvol is.  In de commissie onderwijs van 17 september klonk het ook zo: “Op TV klonk het zelfs: “Uit ‘alle’ studies blijkt volgens minister Crevits dat zittenblijven niet zinvol is!” In de commissie onderwijs van 17 september klonk haar ontwijkend antwoord op de kritiek ook  zo: “Ik vind het  in de discussie die is ontstaan, totaal fout te doen alsof zittenblijven het meest romantische ideaal is voor jongeren die 15, 16 jaar zijn.” Alsof leerkrachten overzitten zouden romantiseren. De Brusselse prof. en onderzoeker Wim Van den Broeck repliceerde terecht: "Los van de rol van B-attest als heroriëntatie kunnen we over effecten van zittenblijven wetenschappelijk niets zeggen. De studies deugen niet."  We voegen er nog aan toe: in de regio Roeselare zijn er 4x minder zittenblijvers (2,12%) dan in Antwerpen (8,65%).  Zittenblijven heeft dus niets te maken met de vorm van de attestering, met het feit dat leerlingen bij een B-attest toch nog het recht hebben om over te zitten.

    In het OBPWO-rapport over zittenblijven (2012) in opdracht van de overheid, poneerden prof. De Fraine en Co  dat amper 0,5% van de internationale studies over zittenblijven betrouwbaar is. Wij en prof. Van den Broeck toonden uitvoerig  aan dat ook de eigen Leuvense studies die De Fraine en Co tot de betrouwbare rekenen, geenszins betrouwbaar zijn. (Zie themanummer Onderwijskrant, nr. 171, www.onderwijskrant.be.) Achteraf gaven de onderzoekers dit ook in bedekte termen toe. “In ons OBPWO-rapport staat inderdaad de aanbeveling om het zittenblijven in het onderwijs af te schaffen. Die drastische aanbeveling zouden we vandaag - met wat we nu weten- niet meer doen.“ In een latere Leuvense studie over zittenblijven in de derde kleuterklas werd nu zelfs gesteld dat dit voor veel zwakkere kleuters de beste keuze is – waar veel praktijkmensen het  overzitten in het eerste leerjaar veelal zinvoller vinden. Minister Crevits en Co zijn blijkbaar nog niet op de hoogte van de bocht inzake zittenblijven die de Leuvense onderzoekers genomen hebben.

    5  GOK- en achterstandsleerlingen in de kou; nieuwe slogan ‘Elk kind heeft een talent’

    De voorbije 10 jaar was er in het beleid veel te doen rond de thematiek van de GOK- en achterstandsleerlingen. Als gevolg van de invoering van het M-decreet zullen de leerkrachten, begeleiders en CLB-mensen heel veel aandacht moeten besteden aan de nieuwe inclusieleerlingen en dit ten koste van de klassieke GOK-leerlingen. Naar verluidt is er voor die kinderen voortaan ook minder GON-ondersteuning. De bestaande GOK-aanpak was in het verleden al te weinig effectief, maar voortaan dreigen de GOK- en achterstandsleerlingen nog meer in de kou te zullen staan. Prof. Wim Van den Broeck liet nog weten dat mede als gevolg van het M-decreet de plan- en vergaderlast van de zorcoördinatoren nog is toegenomen. Hierdoor komen ze nog minder aan effectieve ondersteuning van zorgleerlingen toe.

    De krant De Morgen van eind augustus stelde minister Crevits in dit verband de vraag: “Hoe heeft u de verhalen van kansarme kinderen in de krant DM beleeft? Crevits maakte er zich van af met de stelling: “We moeten naar een nieuwe woordenschat. Elk kind heeft een talent.“ Bij die slogan voegde ze er nog een sneer aan toe over de GOK-aanpak van minister Pascal Smet: “Kan je geloven dat er wordt gesproken van sterke en zwakke leerlingen in het masterplan van mijn voorganger Pascal Smet. En dat wordt dan sterk verbonden met cognitieve capaciteiten.” Crevits verschuilt zich in het interview achter de  slogan ‘elk kind heeft een talent’. Elk kind heeft vanzelfsprekend een talent. Maar die slogan negeert tegelijk de grote verschillen tussen de leerlingen en de gevolgen voor het onderwijs.

    Met die slogan zegt Crevits overigens ook nog niets over haar visie op de  aanpak van  de GOK- en achterstandsleerlingen. Crevits geeft inzake onderwijskansen wel geregeld toe dat kennis van het Nederlands cruciaal is, maar in haar beleidsplan 2014-2019 wordt er b.v. met geen woord gerept over de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs. Crevits die steeds tegelijk de kool en de geit wil sparen voegde er ook onmiddellijk een relativering van het belang van het Nederlands aan toe: “Maar dat neemt niet weg dat ook een andere taal als een hefboom kan werken.” Steunt Crevits experimenten zoals een paar jaar geleden in Gent waarbij Turkse leerlingen zelfs eerst leerden lezen in het Turks en -tegen de zin van de Turkse ouders in - ook aangespoord worden om Turks te spreken in de speelhoeken en op de speelplaats?

    De  kritiek op minister Pascal Smet vinden we ook ongepast en onterecht.  Het denken in termen van sterke en zwakke leerlingen en de slogan “ons onderwijs is sterk voor de sterke leerlingen”, maar zwak voor de zwakkere” is vooreerst afkomstig van het duo Frank Vandenbroucke - Dirk Van Damme. Ook CD&V-leden van de onderwijscommissie onderschreven graag deze stelling en slogan. Het is overigens die domme en foute slogan die mede aan de basis ligt van een aantal  masterplanhervormingen die destijds ook door Crevits en Co ondersteund werden.  Het Masterplan is niet enkel door Pascal Smet opgesteld en goedgekeurd, maar evenzeer door CD&V-mensen en minister-president Peeters. Ook de kopstukken van de onderwijsnetten onderschreven dit plan. Het is dus al te goedkoop om het Masterplan en de verwoordingen erin enkel op naam te plaatsen van Pascal Smet. Crevits’ nieuwe slogan ‘Elk kind heeft een talent’ klinkt overigens even simplistisch als deze van minister Vandenbroucke. 

    6  Schooluitval en nieuwe aanpak duaal leren

    In het iinterview van 18 januari 2014 stelde  minister Crevits dat de schooluitval in Vlaanderen een enorm probleem was; een stelling die aansloot bij het Masterplan.  Ook Crevits verzweeg dat de schooluitval opvallend minder was dan in de andere (vergelijkbare) Europese landen: 7,5% volgens Europese cijfers ( zelfs minder dan de 9,3% in Finland). Ze zocht ook niet uit waarom er minder schooluitval is. Zo zorgen onze gedifferentieerde graad, de B-attesten met de ermee verbonden tijdige (her)oriëntering  voor minder schooluitval.

    De schooluitval is deels een gevolg van de toename van het aantal anderstalige leerlingen en is voor een aanzienlijk deel ook een gevolg van de ondoordachte verlenging van de leerplicht in 1983 door CVP-minister Coens - onder impuls ook van het ACW. Er werd onvoldoende geluisterd naar de kritiek van o.m. de Torhoutse CVP-politicus Roger Windels. (In Finland is er nog steeds geen verlenging van de leerplicht tot 18 jaar.)  Ook in Onderwijskrant werden destijds kritische vragen gesteld. We voorspelde de problemen voor jongeren die op 15-16 jaar al schoolmoe zijn    Ook de voorbije jaren hebben we binnen het debat over de schooluitval herhaaldelijk gesteld dat er voor een aantal leerlingen doorgedreven duaal leren nodig was.

    Crevits en Co hebben 32 jaar na de verlenging van de leerplicht eindelijk ingezien dat er voor jongeren die op een leeftijd van 15 of 16 jaar schoolmoe zijn, er meer aangepast leercontract-onderwijs, intense vormen van duaal leren in samenwerking met de bedrijfswereld, nodig zijn en gestimuleerd moeten worden. Zowel in de eerste Conceptnota. Duaal Leren als in de conceptnota bis staat de opwaardering en versterking van Duaal Leren als een volwaardige leerweg centraal. We vinden dit positieve hervorming al beseffen we dat er nog heel wat uit te klaren valt.

    7.   Meerstemmigheid en chaos over STEM-optie

    7.1 MeerSTEMmigheid en chaos

    De voorbije weken sprak minister Crevits zich euforisch uit over het succes van de nieuwe STEM-optie in de eerste graad s.o.  Op de blog Onderwijskrant Vlaanderen plaatsten we het voorbije jaar al een  aantal  bijdragen over STEM als nieuwe optie voor de eerste graad. Zo stelden we onder meer dat er veel onduidelijkheid was omtrent het STEM-concept en dat de scholen die dit inrichten die STEM-optie totaal verschillend invulden. We maakten ons ook zorgen over de combinatie van wetenschappen, wiskunde,  techniek, engineering ... en dit vanaf de eerste graad s.o. We stelden verder dat er door het ontbreken van een referentiekader een chaos zou ontstaan , dat de tso-scholen de dupe zouden worden van het feit dat vooral aso-scholen uitpakten met de oprichting van een nieuwe STEM-optie. We stelden ook vast dat universitaire STEM-ondersteuners slecht pleiten voor STEM vanaf de tweede graad, o.m. omdat de leerlingen dan al voer meer kennis van wiskunde en wetenschappen beschikken. 

    Het debat over  STEM over in commissie onderwijs van 1 oktober bevestigde onze stellingen omtrent de STEM-chaos en -improvisatie. Er werd gewezen op de totaal verschillende invulling van de STEM-optie, op de bedreiging voor het tso, enzovoort.  Minister Crevits gaf grif toe dat dit alles mede het gevolg was van het ontbreken van een referentiekader  en stelde dat daar momenteel werk werd van gemaakt.   Dit referentiekader is voor midden november gepland, maar we vrezen dat de uitwerking ervan geen gemakkelijke klus zal worden gezien de uiteenlopende interpretaties van STEM en het feit dat  dit referentiekader moet gelden voor STEM-leerplannen voor alle soorten leerlingen binnen aso en tso/bso.

    Binnen het debat in de commissie onderwijs viel het op dat ook minister Crevits precies zelf niet al te best weet wat STEM precies inhoudt en voor welk publiek  STEM bedoeld is. Ze stelde vooreerst enthousiast : "STEM als  alternatief voor Latijn is een meerwaarde”, een abstracte STEM dus. Maar er zijn toch ook heel wat typische tso-leerlingen die per 1 september in STEM-aso belandden en die dit allesbehalve zien als een ‘abstracte’ optie en als alternatief voor Latijn. Iets later beweerde minister Crevits dan weer  dat STEM ook een ideale optie was voor tso/bso-scholen.

    Ook  universitaire STEM-ondersteuners als prof. Wim Dehaene gewagen steeds over 'Abstracte' STEM (zie Impuls, september 2015) en vullen dit ook vrij abstract in.  Zo lezen we: “We richten ons op leerlingen met een sterk abstraherend vermogen” (p. 7).  We maken ons zorgen omtrent de visie van de universitaire  STEM-ondersteuners  in de bijdrage Een nieuwe didactiek richting abstract, geïntegreerd STEM-onderwijs  in Impuls, september 2015. We merken  bijvoorbeeld ook dat Dehaene en Co hierbij ook kiezen voor een constructivistische aanpak vertrekkende van contextrijke situaties en dat ze pas starten in de tweede graad.

    7.2  Debat in commissie onderwijs van 1 oktober

    7.2.1. Kathleen Krekels (N-VA) 

    “Mijn fractie is erg blij is met het succes van de STEM-richtingen. Ik houd evenwel vast aan het pleidooi dat ik in de plenaire vergadering van 6 mei heb gehouden. We blijven het toch betreuren dat voor de eerste opmaakoefening in het aso het tso – en dan de industriële wetenschappen en tso-techniek in het bijzonder – toch niet meer in de verf is gezet. In Klasse las ik dat de technische scholen vrezen dat hun richting industriële wetenschappen overbodig zal worden. Want de gelijkenissen zijn zo groot dat alle specifieke deskundigheid zal verdwijnen.

    In de brochures over de STEM-richtingen in het aso komt het er doorgaans op neer dat men via verschillende uitdagende projecten wiskundige, technologische en wetenschappelijke problemen zal leren oplossen en dat men abstract, probleemoplossend zal leren denken. Het basispakket van de aso-scholen wordt dan aangevuld met die vijf uren extra, met wiskunde, wetenschappen en programmeren.

    De invulling van die keuzevakken gebeurt wel erg uiteenlopend. De vraag naar het referentiekader is dan ook logisch. In een brochure van het tso – eerste graad industriële wetenschappen of techniek – staat exact hetzelfde. Ik citeer: “Industriële wetenschappen richt zich op bollebozen, zowel meisjes als jongens, met interesse voor techniek en wiskunde, en een goed redeneervermogen. Dit model biedt een perfecte basis voor verdere studies op masterniveau. De technische richting richt zich op meisjes en jongens met interesse voor techniek en praktijk. Dit model biedt een perfecte basis voor het professionele bachelorniveau.” Het komt er eigenlijk op neer dat de lessenroosters van de STEM-richtingen in het aso en het tso voor industriële wetenschappen mekaar dekken: ze bevatten evenveel wiskunde, evenveel techniek, evenveel Nederlands en Frans …

    In de oefening voor de eerste graad secundair onderwijs zal het erg belangrijk zijn om de STEM-richtingen goed tegen elkaar af te wegen en oog te hebben voor een correcte en eenduidige studieoriëntering voor alle leerlingen. Onze fractie pleit ervoor om te behouden wat goed is en enkel te veranderen wat beter kan. Hoe zult u dat aanpakken, minister? Ik veronderstel dat het antwoord terug te vinden zal zijn in de komende ontwerptekst van het referentiekader.

    7.2.2  Jos De Meyer (CD&V)

    Veel scholen voor algemeen vormend onderwijs zijn gestart met een optie STEM (science, technology, engineering and mathematics) in de eerste graad. Aso-scholen die STEM aanbieden, lijken het goed te doen: ze hebben duidelijk een gat in de markt gevonden. De STEM-initiatieven staan volgens de top van het katholiek onderwijs nog los van de visie op het geheel van het secundair onderwijs. Ze mogen de keuzemogelijkheden na de eerste graad niet beperken. … Belangrijk is vooral dat we duurzaam bouwen aan een sterk beroepsgericht onderwijs. Daarbij is het belangrijk dat de huidige tso- en bso-scholen er een duidelijke plaats in krijgen. Hoever staan we ondertussen met het kader waarbinnen deze optie geplaatst wordt? Welke vervolgtrajecten worden voorzien? Welk initiatief zult u hierrond zelf nemen? Hoe worden de eerste graad STEM en het uitwerken van de vervolgtrajecten ingewerkt in de broodnodige waardering voor beroepsgericht onderwijs?

    7.2.3  Antwoord van minister Crevits 

    STEM kent inderdaad een opmerkelijke groei. We kunnen daar niet naast kijken. …Maar, en daar hebt u zeer terecht aan gerefereerd, er moet een referentiekader komen, zodat de kern van wat STEM is en kan zijn, zeer helder afgelijnd wordt en zich plaatst in een internationaal perspectief én tegelijk ruimte laat voor pedagogische vrijheid. Ik stel vast dat het label ‘STEM’ nu vooral wordt gebruikt door aso-scholen. Het verbaast me dat technische scholen niet trotser zijn over het feit dat zij per definitie ‘STEM’ zijn. Men kan zich zorgen maken over het feit dat het aso STEM aanbiedt, maar er zijn nu eenmaal vrije programmatie-uren. Als dat past in het referentiekader, hoeft dat geen slechte zaak te zijn.

    De afgelopen maanden heeft mijn administratie werk gemaakt van een ontwerptekst. Hierbij werden experten betrokken, zoals de lerarenopleiders, een aantal onderzoekers en scholen. De input wordt verwerkt. Begin oktober – en we zijn vandaag begin oktober – is het de bedoeling dat dit referentiekader wordt aangeleverd aan de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) voor een spoedadvies. Het is de bedoeling dat het kader voor STEM tegen half november in alle scholen is. Het zal een kader zijn voor alle niveaus en alle richtingen, niet alleen voor de eerste graad, ook al besef ik dat daar vandaag wellicht de meeste vragen bestaan.

    Wat STEM in de eerste graad betreft, herhaal ik mijn eerder ingenomen standpunt: STEM als verdieping en alternatief voor Latijn is een meerwaarde. Maar het kan niet dat STEM in de eerste graad als een voorselectie voor de tweede en derde graad zou fungeren. Dat is niet de bedoeling. Het is van belang dat leerlingen kunnen kiezen voor de richting van hun keuze, ook in de tweede graad, ook in het bso en het tso. Het is mijn bedoeling om het kader tegen medio november aan de scholen te bezorgen.”

    8   Nieuwe eindtermen: leerinhouden sterk beperken? NEEN!

    Minister Hilde Crevits gaf haar dienst ‘Agentschap voor kwaliteitszorg’ de opdracht om een kader voor de opstelling van de nieuwe eindtermen uit te werken. In een eerder interview in De Standaard liet minister Crevits al haar mening hieromtrent ontvallen. Ze poneerde o.a.: "We kunnen serieus wieden in de eindtermen en leerplannen".  Ook kopstukken van de onderwijsnetten gewaagden van een grondige ontstoffing. Wij vragen ons af wat er bij de verdere ontstoffing van b.v. de al uitgeholde taalleerplannen nog zou overblijven.  Gelukkig wezen ook een aantal leden van de commissie onderwijs begin juli  2015 minister Crevits in deze context op het probleem van de gebrekkige taalbeheersing van de leerlingen.

     

     

     

     

     

     

     


    14-10-2015 om 17:08 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Crevits
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Siegfried Engelmann(Pédagogie Explicite - Direct Instruction )

    Constructivism Versus Students
    27 Juillet 2015 14:34

    Constructivism has captured the imagination of many educators, but it is not a strong theory. The tenets that serve as a foundation for constructivism don't rigorously or even vaguely imply any of the theory's practices. If we look at examples of first-grade children “learning” in a constructivist classroom, we may observe very few teacher-initiated activities; however, it's clear that the teacher's role is not to teach, but to facilitate. Children make decisions about their learning or at least the experiences that are designed to promote learning.

    This format of experiences and interactions of children with material, other children, and the teacher is supposed to have been generated by the theory of constructivism. But the theory does not have any provisions that would prioritize these activities over more formal teacher-directed activities.

    Stated more bluntly, the “theoretical foundations” that constructivists use to support their practices are capable of generating an enormous range instructional formats—from one in which the teacher directly teaches intricate details of what children are to learn to being something of a time keeper, peace­maker, and multi-purpose resource.

    What this means is that anybody with virtually any preference for how young children are to “learn” can assert that the theory behind what they do derives from the idea that underpins constructivism.

    The most celebrated assertion that is supposed to justify constructivists' practices is: Children construct their own reality (most prominently developed by Jean Piaget). [1]

    Who could possibly argue with this premise? Kids who grow up in China speak Chinese; kids who grow up in England speak English. These kids have different words for the same objects—books, rocks, fathers and children. Both have learned that fire burns and ice feels cold. Both children have private knowledge in the form of preferences and interpretations of how events are related. Particular colors and shapes are more appealing to one child than the other.

    Some relationships that they formulate may be inaccurate, such as the notion that liquids expand and contract, but these inaccuracies are consistent with children's experiences. The water that sprays out of a sprinkler appears to be a lot bigger than the water that flows from a faucet.

    The evidence shows incontestably that children create their own reality, but there are two important issues. The first is precisely how that fact leads to a “discovery” format for instructing children rather than directly instructing them in what they are to learn. It doesn't. The truth is that the student is faced with the same learning problem regardless of the type of instruction that is provided.

    For instance, an objective may indicate that grade-2 students are to memorize addition sums for all pairs of numbers 1-10. This specification clearly implies the content children are to be taught. It doesn't indicate what they discuss, whether they share their experiences or whether they go through a strictly specified series of exercises that provide the practice with the facts.

    The second issue is that “objectives” imply areas in which students are not permitted to learn their way but must learn what is publically accepted. In other words, the “learning” that we provide does not tolerate negotiation. We can't negotiate about which facts are to be taught. We can't negotiate the character of the facts. 3+7 will always equal 7+3, and will always equal 10. We can't let C.J. learn facts that are best suited to his orientation and let Carla learn from her preferences. Equally important, we can't negotiate the “answers” and hence the strategies that children prefer. All students will learn an effective personal strategy for identifying and remembering the facts. Whether students like 7+3 better than 3+7 is irrelevant. Whether they have unfortunate associations with 7 or 3, and prefer 8+2, is interesting but irrelevant.

    Data

    We can use a wide variety of approaches, but according to the standard, all approaches will be evaluated by the performance of the students. If we omitted data as a key variable, we could use a host of ineffective and preposterous ways to evaluate the outcome. The outcome, however, derives directly from the standard. All children are to memorize addition sums for all pairs of numbers 1-10. So the effectiveness of the program and practices used to teach the facts is clearly implied by a performance test in which items appear in an unpredictable order.

    Since students are to memorize the answers, they are not permitted to count on their fingers or use any other types of counting or calculating. No calculators. If all children score near perfectly on an exhaustive test of addition problems presented in random order, the instruction was highly effective.

    Of those approaches that are most successful with a population of average-to-low performers, the approaches that require less instructional time are superior to approaches that required more time. A reasonable assumption is that the more children learn during a given time span, the relatively smarter they become because they are learning at an accelerated rate. Therefore the program that meets the objective of requiring the least instructional time is the best program.

    So the central instructional issue is not how children construct their own reality about addition facts but how we effectively shape their reality in a way that accommodates the facts they are to learn.

    Anticipating Misconceptions

    A version of this analysis applies to everything students are to learn. The standard indicates precisely how their awareness and knowledge will change if the standard is met. Therefore, we are required to teach all students the material described in the standard. The only way to achieve this goal is to fashion experiences that are effective for all students with a particular skill set. However, if we remain true to the idea that students are creating their own realities from the teaching we provide, we design that teaching so it is sensitive to the possible misconstructions students may develop. Stated differently, we do not assume that all children learn at the same rate or make the same mistakes. The two main ways we address these differences is to (1) vary the rate at which program content is introduced and (2) design the material so it preempts major misconceptions that some students will otherwise learn.

    We can identify students who require more practice to learn things. We can provide appropriate instruction for them by slowing the rate at which new material is introduced. The students are grouped homogenously, placed in instructional programs according to their skill level, and taught at a rate that assures they perform at about 70% correct on any new material introduced in the lesson and nearly 100% correct at the end of each daily lesson. Applying this formula assures that all groups will remain properly placed.

    The program we use to teach the specified content must reflect awareness of the mistakes some students will make unless the program is designed to obviate these problems. For example, some beginning students make mistakes in identifying the letters b and d. These are perfectly reasonable errors, because the letters are the same shape in different positions. Students have never encountered objects that have one name when they face left and another name when they face right. So b-d confusion is probably not a result of students having “perceptual problems”. Their perception may be impeccable, but they don't know when to call that object “dee” and when to call it “bee”.

    The simplest way to address this problem is to introduce the letters at different times. For example, introduce d first. Then provide writing and reading practice for several weeks before introducing b. In most cases, b-d confusion is not a problem of students' learning mechanisms or “perception”; it's a problem of the program designers and teachers being unable to identify the problem that some naive learners have in conceptualizing b and d as characters that change their name when they are flipped.

    Note that classroom discussions in a typical constructivist classroom never identify the real problem some children have or the fact that their “perception” of b and d being the same are perfectly consistent with their mental schema and experiences.

    Program Expectations

    The reason it is important to obtain detailed data on student performance is that data reveals qualitative information about the extent to which students are altering their realities according to “expectations” of the program. If students make many errors on items that test what they have been taught, students are not formulating proper internal models of how things should work, or they are not able to process the material quickly enough. Performance problems imply more practice, and possibly a revised model for what they are to learn.

    In summary, learning objectives, standards, and evaluations are based on the premise that all children, regardless of their predilections, desires and personal preferences, will learn the same body of skills or information. This imposition is not negotiable. Children are to learn that 2 is more than 1 and less than 3 and all the numbers that follow 3. Children cannot impose preferences or predilections to modify this demand.

    So the first major clue that there is something seriously specious about constructivism is that it is at odds with the nature of standards, goals, and grade­level expectations. Constructivists apparently think standards are somehow compatible with the idea that children should figure out their own relationships; however, each standard specifies the only acceptable learning that is to take place and indicates a time frame in which the specific learning is to occur.

    Given these constraints, the first question that must be answered by constructivists is: Do you accept standards as indicators of specific content and relationships students are to learn? If their answer is no, they reveal themselves as radicals whose objectives are inconsistent with agreed-upon skills and information that students are to learn. If they say yes, they must next face what is the most fundamental question about their approach: How successful is your version of the constructivist approach? This question is not answered by how much the teachers or students enjoy their school experiences, but by data on how well students met specific standards. Did they do comparatively as well as students in a highly structured approach?

    Mislearning as a Form of Constructivism

    I worked with sixth grade “gifted” students who had been in a discovery­math program since kindergarten. The gulf between their verbal skills and their math performance was profound. They thought that the daily discussions about their math experiences were required steps in learning math. In other words, students didn't simply work math problems; they discussed them and other things that seemed related to the problem or the students' math history. Possibly the most telling incident of how handicapped they were occurred after I had been working with them for three days. I presented them with a set of word problems that paralleled the problems we had worked in the preceding lesson.

    One of the highest performers in the classroom was making no progress on the first problem. He drew some ilk of Venn diagrams and was doing a lot of erasing.
    I asked him to read the problem aloud.
    Then I asked, “Have you worked any other problems like this one?”
    He responded, “What do you mean?”
    I said, “Do you remember the problem you worked yesterday about the birds in the barn?”
    “Yes.”
    “Isn't that problem like this one?"
    “I don't know.”
    “Don't both of them tell about each part and ask about the whole group?”
    “Yes.”
    “You worked that problem correctly. Why aren't you working this problem the same way?”
    “Why should I?”
    “Because they're the same kind of problem.”
    Long pause, followed by, “You mean if the problems are the same you want me to work them the same way?”
    “Yes.”

    Imagine being in the sixth grade and not understanding that if two word problems have the same form, you use the same solution strategy to work them. The student didn't understand this relationship because he had never worked two word problems that were the same and had precious few experiences of solving any problem before the teacher went over the problems and led the discussion of various ways students could have solved them.

    At the time this student struggled with the fundamental assumption of word problems, we were working with a class of disadvantaged third graders who were at the same place as the gifted students. By the end of the school year they were more than 40 lessons ahead of the gifted students. They progressed much faster because they didn't have the misconceptions that prevented them from learning. The learning of the gifted students continued to be painful unlearning and relearning. The disadvantaged students had long since discovered that what they learned next built on what they had already mastered. Other discoveries they made included: I am smart; I learn fast and do well in math; I know how to use what I learn; I like math.

    The chaotic experiences and failures of the gifted students preempted them from making these discoveries. Their discoveries were consistent with their experiences. Their responses on a questionnaire we gave them indicated serious misconceptions: they thought working a word problem required a preamble that contained many random observations and much discussion; they had learned key word strategies that sometimes helped them figure out how to work some problems; they gave up trying to learn something from the ensuing discussion; more than half indicated that they hated math.

    Who Is the Teacher?

    The theme of constructivism is that children formulate their awareness of the world from their experiences. In the typical classroom students share their perceptions. Why? Does this provision benefit the student who is sharing or those who are supposed to be attending? If the input is supposed to benefit the listeners, what makes the input better than that of a knowledgeable teacher who has information about both what students are to learn and the students' current performance? If the input is supposed to benefit the speaker, only about 1/20th of the total time benefits a given student. Compounding the problem is the fact that this discussion robs time from the period, leaving less time for possible productive instruction.

    In summary, the “learners” in a constructivist classroom are very strange creatures. They learn from their experiences; they supposedly benefit from the often-inarticulate observations of other children; however, they are prohibited from learning from a knowledgeable teacher who understands what students are trying to learn and who has information about the various mistakes students make. Not surprisingly, those who promote this orientation don't have one shred of empirical data to support their prejudices. In other words, constructivism is philosophically impoverished and empirically sterile.

    [1] . 1955. Piaget, Jean. The Construction of Reality. Translated by Margaret Cook.


    14-10-2015 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Engemann, directe instructie, constructivisme
    >> Reageer (0)
    10-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Prof. Liessmann: ideale school van nieuwlichters zou catastrofaal zijn. Inderdaad.

    De ideale school die veel nieuwlichters/verlossers momenteel bepleiten, zou uitdraaien op een ware catastrofe, aldus prof. Konrad Liessmann (in 2006 verkozen als dé Oostenrijkse wetenschapper va het jaar.)

    (Onze visie komt vrij goed overeen met die van Liessmann. Ook in Vlaanderen dreigen catastrofen met lopende en komende hervormingen. En dan zwijgen we nog over de fantasierijke voorstellen voor Learning Park (leerpark) i.p.v. school van Vl nieuwlichters en beleidsmakers: zie een van vorige blogs).  

    "Die ideale Schule wäre eine Katastrophe" (Wiener Zeitung, 10 oktober)

    Prof. Liessmann, wetenschapper van het jaar 2006 in Oostenrijk, waarschuwt voor experimenten in het onderwijs en pleit voor meer eerlijkheid en bescheidenheid m.b.t. wat het onderwijs kan bieden

    Der Philosoph Konrad Paul Liessmann warnt vor Experimenten im Bildungsbereich und plädiert für mehr Ehrlichkeit darüber, was Bildung leisten kann.

    Liessmann (Jg. 1953) ist Universitätsprofessor für Methoden  der Vermittlung von Philosophie und Ethik an der Universität Wien. Wissenschaftler des Jahres 2006 vor kurzem ist sein Buch "Geisterstunde: Die Praxis der Unbildung. Eine Streitschrift" im Zsolnay-Verlag erschienen.

    Vooraf: basisstellingen van Liessmann

    (1)Liessmann pleit tegen competentiegericht onderwijs, tegen het grotendeels verlaten van de vakdisciplines en vervangen door thematisch/projectgericht onderwijs. Tegen de reductie van de parate kennis op school –met inbegrip van het literatuuronderwijs.  

    (2) Hij wijst hierbij aansluitend op het anti-intellectueel klimaat in Oostenrijk.

    (3)Liesmann pleit tevens tegen de invoering van een comprehensief onderwijs, Gesamtschule, een gemeenschappelijke cyclus tussen lager onderwijs en secundair onderwijs

    (4) Over het nastreven van sociale (diploma)doorstroming spreekt Liessmann zich genuanceerd uit. Men mag niet verwachten dat iedereen kan en wil doorstromen.

     (5) Liessmann heeft ook veel kritiek op de neomanie van veel zogenaamde onderwijsexperten die gevaarlijke utopieën najagen

    (6) We mogen ons niet enkel focussen  op Gymnasium(aso) en universiteit . We moeten ook tso/bso en hoger technisch onderwijs  meer herwaarderen en daar ook voldoende algemene vorming voorzien.

    1.Im Unterrichtsministerium wird seit Jahren der Fokus auf Kompetenzorientierung gesetzt. Sie sind dagegen – also weniger Projektunterricht, mehr Auswendiglernen?

    Ich spreche mich gegen die Kompetenzorientierug aus, weil dadurch der Stellenwert von Inhalten, die Bedeutung des Wissens und die Lust am Erkennen und Entdecken sabotiert wird. Ich spreche mich auch nicht gegen guten Projektunterricht aus, aber er kann nicht die einzige Methode sein. Überall werden gute Vorträge geschätzt, warum darf das in der Schule nicht sein?

    Projektunterricht lebt von dem Phantasma, alles neu entdecken zu können, und dabei kann man ja wirklich etwas lernen. Aber zur Idee von Bildung gehört unsere einzigartige Fähigkeit, die Errungenschaften und Erkenntnisse vergangener Generationen aufzugreifen, systematisch und konzentriert zu vermitteln und darauf aufzubauen. Mich stört an der Kompetenzrhetorik dieser geistlose Gestus, der glaubt, ein Roman, ein Kunstwerk oder eine wissenschaftliche Erkenntnis seien nur beliebige Anlässe dafür, dass junge Menschen im Sitzkreis kommunizieren lernen.

    Es werden Lehrpläne oktroyiert, in denen man so tut, als könne man auf Wissen verzichten, weil es doch genüge, wenn man Google installiert hat. Als Geschäftsmodell von Google ist das verständlich, der Begriff der Kompetenz machte ja auch zuerst in der Ökonomie Karriere, als Bildungskonzept taugt das aber nicht.

    Führen Sie darauf auch die großen Mängel beim Lesen zurück? Dafür gibt es viele Ursachen wie eine fragwürdige Didaktik, Probleme beim Spracherwerb, das Milieu und die neuen Medien. Die meisten Kinder lernen in den Volksschulen wahrscheinlich sogar ganz passabel zu lesen, aber Lesen ist heute nicht mehr lebensbegleitend. Das ist wie bei jeder Kulturtechnik: Wenn ich sie selten praktiziere, verlerne ich sie wieder. Wichtig wäre, das Kinder und Jugendliche im Alltag von Literatur begleitet werden, das kann dann ruhig auch Harry Potter sein – oder Karl May, wie in meiner Kindheit und Jugend. Dann kam aber auch gleich Karl Marx.

    2.In Ihrem aktuellen Buch schreiben Sie von einem Klima der Antiintellektualität. Ist das ein Österreich-Spezifikum?

    Die Möglichkeit zur Partizipation in Kunst, Kultur und Wissenschaft macht – neben politischem Engagement – Intellektualität aus, und all das ist in Österreich nicht besonders entwickelt oder geschätzt. Dass etwa in Frankreich Literaten, Wissenschafter oder Philosophen einen anderen Stellenwert haben als hier, ist offenkundig. In anderen Ländern werden auch Lehrer mehr geschätzt als hier. Und warum gibt es in Österreich nicht Medien wie die Neue Zürcher Zeitung?

    In Österreich sind auch die Bildungsdebatten nicht gerade von rasender Intellektualität geprägt. Auf die zutiefst berechtigte Frage der IG Autoren, ob die Zentralmatura wirklich das Beste ist, wenn die gesamte Literatur aus dem Lehrplan gestrichen wird, hat die Ministerin mit der Aussage reagiert, die Zentralmatura sei streng genug – da wurde offenbar das Problem gar nicht erfasst!

    3. Al dan niet Gesamtschule. Es gibt zwei große Brüche im Schulsystem, im Alter von 10 und 14 Jahren – wann ist ein junger Mensch reif für so eine wesentliche, lebensbestimmende Entscheidung? (Comprehensief onderwijs of gedifferentieerde aanpak behouden).

    Zäsuren, die über Bildungswege entscheiden, haben immer etwas Willkürliches an sich. Manche Entwicklungspsychologen sagen, zehn Jahre sei viel zu früh, um Begabungen oder eindeutige Eignungen zu erkennen, andere sagen, man kann mit hoher Treffsicherheit prognostizieren, für welchen Schultyp ein Kind nach der Volksschule geeignet ist. Das Problem ist ideologisch auch deshalb so aufgeladen, weil es empirisch kaum entscheidbar ist.

    In Österreich gab und gibt es keine klare politische Entscheidung für oder gegen eine gemeinsame Schule. Die Gesamtschule kann man nur einführen, wenn es genug Geld dafür gibt, für die notwendige Binnendifferenzierung und für eine Ausbildung aller Lehrer an Universitäten. Und eigentlich müsste man dann den Mut haben und Privatschulen verbieten: Denn das kann es nicht sein, dass alle, die es sich leisten können oder wollen, ihre Kinder auf eine gymnasialähnliche Privatschule schicken, und die "gemeinsame" Schule zur Restschule für die sozial Benachteiligten wird.

    Ich warne davor, zu glauben, die gemeinsame Schule der 10- bis 14-Jährigen wäre gleichsam automatisch wirklich eine "gemeinsame" Schule – sie wird es nicht sein. Das kann man übrigens schon an den Volksschulen erkennen. Vielleicht wäre es dann wirklich sinnvoller, das bestehende System auszubauen, noch durchlässiger und auf allen Ebenen noch etwas besser zu machen.

    4.Ist das Bildungsideal, dass Aufstieg durch Bildung möglich sei, nur noch ein leeres Versprechen? Over sociale (diploma)doorstroming

    Dass Privilegien, die sich durch die Standeszugehörigkeit ergeben, durch Bildungsanstrengungen kompensiert und korrigiert werden können, ist schon ein Konzept der Aufklärung, hat aber nie flächendeckend funktioniert, auch wenn die Kreisky-Ära zu einer Öffnung und Ausweitung der Bildungsmöglichkeiten geführt hat. Die Sozialdemokratie wollte Verbesserung der Lebenschancen durch Aneignung jener Bildung, die das Privileg des Bürgertums war. Bei den Arbeiterbildungsvereinen und den Volkshochschulen ging es darum, die humanistische Bildung und die modernen Wissenschaften nicht nur einer schmalen Elite zu überlassen. Das Bewusstsein dafür ist ein bisschen geschwunden.

    Nun geht es oft darum, überhaupt erst die Voraussetzungen dafür zu schaffen, dass Jugendlichen sekundäre und tertiäre Bildungswege offen stehen. Diese Verbesserung der Lebenschancen durch Bildung wird für Einzelne immer eine gute Perspektiven sein, doch gerade  die Sozialdemokratie muss damit rechnen, dass es immer Menschen geben wird, die sozial deprivilegiert sind und bildungsmäßig kurz gehalten werden, und sei es, weil man ihnen eine Universität verspricht und einen verschulten Bachelorstudiengang bietet. Trotz versprochener Aufstiegschancen werden sie ins Prekariat zurück gestoßen. Als billige Arbeitskräfte sind sie interessant, als kritische Bürger nicht.

    Das ist eine Entwicklung, die wir in manchen Bereichen beobachten können: Trotz Studienabschluss bekommen junge Menschen oft nur unbezahlte Praktika, kurzfristige Verträge, Projekte und irgendwann eine Stelle, die nicht ihrer Ausbildung entspricht.

    1. Wenn Bildung heute keine Garantie mehr für den sozialen Aufstieg ist, was dann?

    Die Formel "Aufstieg durch Bildung" ist noch für die Mittelschicht relevant, sogenannte bildungsferne Schichten glauben offenbar nicht daran, sonst würden sie nicht tatenlos zusehen, wie ihre Kinder zwar Schulen besuchen, dabei aber nichts oder nur wenig lernen – ungeachtet der Frage, auf welche Faktoren dieses Versagen zurückzuführen ist. In bestimmten Milieus wird Bildung und Lernen noch immer als Strebertum  denunziert.

    Oder denken wir an die Idole der Jugendlichen:  Sportler, Models, Rockstars – für deren Karrieren spielte Bildung wohl keine entscheidenden Rolle. Und für die Eliten ist Bildung auch keine Aufstiegsmöglichkeit, denn die sind schon oben. Deren Kinder können sich sogar erlauben zu scheitern, ohne tief zu fallen – irgendwie kommen sie schon zu den Abschlüssen, die man eben so hat.

    1. Sie werfen Bildungsexperten Realitätsferne vor. Ist es nicht nachvollziehbar, Wissenschaftler – wie auch Sie einer sind – zu ihren Ideen nach der idealen Schule zu fragen?

    Bei den von mir kritisierten Bildungsexperten ist der wissenschaftliche Status mitunter ja etwas uneindeutig. Es werden ja interessanter Weise nur selten Bildungswissenschaftler gefragt. Kommen diese einmal zu Wort, wie etwa mein Kollege Stefan Hopmann, klingt es ja gleich ganz anders. Andreas Salcher hingegen schreibt "wir brauchen die besten Volksschulen der Welt". Ich finde diese Superlativ- und Wettbewerbsrhetorik einfach nervig und realitätsfern. Seit uns die "Weltklasseuniversitäten" versprochen wurden, habe wir uns kontinuierlich verschlechtert – zumindest in den Rankings. Die Realität sind nun einmal eher durchschnittliche Schüler und eher durchschnittliche Lehrer. Damit müssen wir leben und das Beste daraus machen.

    Ich habe Vorbehalte, wenn es darum geht, ideale Dinge zu entwerfen: Jeder Versuch, eine perfekte Gesellschaft zu errichten, hat bisher in Terrorismus geendet, und das müssen wir in der Schule nicht probieren. Man soll mit den Lebenschancen von jungen Menschen überhaupt vorsichtig umgehen. Wir experimentieren etwa wild mit "Bologna", scheitern und sagen dann achselzuckend: "Drei Generationen von Studenten haben wir jetzt dafür verbraucht", oder wir erproben eine neue Lesedidaktik und stellen zehn Jahre später fest: Niemand kann richtig lesen. Und all das unter Überschriften wie Qualitätssicherung, Optimierung, Ressourcenausschöpfung.

    Wenn dieser technokratische Zugang, der den Menschen nur als zu optimierende Ressource sieht, die Bildung dominiert, wird dies nicht nur ein Horror, sondern es wirkt einfach kontraproduktiv. Wilhelm von Humboldt sagte einmal, das Wichtigste für Bildung wären Freiheit und die "Mannigfaltigkeit" der Situationen. Heute glaubt man an Standards, Evaluierungen und Kontrollen.

    6.Sie sind ein großer Verfechter der Lehrlingsausbildung. Wieso?:  aso en universiteit zijn belangrijk, maar tso/bso en hoger technisch onderwijs  meer herwaarderen en voldoende algemene vorming voorzien.

    Österreich gehört mit Deutschland zu den wenigen Ländern, die noch ein duales Ausbildungssystem haben. Die Diskussion dreht sich aber immer um die Schule, das Gymnasium und die Universität. Über Fachhochschulen sprechen wir wenig, auch Berufsbildende Höhere Schulen (BHS) oder Pflichtschulen werden vernachlässigt als wären sie ein Übel. Das ist eine ungenaue Wahrnehmung. Die Aufgabe einer sozialdemokratischen Bildungspolitik wäre es, die Bildung ihrer ehemaligen Kernschichten – also der Arbeiter und Angestellten – im Blick zu behalten, und die duale Ausbildung versucht dies. Sie sollte beibehalten, vielleicht sogar forciert werden, da sie viele Vorteile etwa bei der Bekämpfung der Jugendarbeitslosigkeit hat, wie uns die Krise gezeigt hat. Aber man sollte darauf achten, dass sie durchlässig bleibt und auch Elemente einer Allgemeinbildung enthält.

    Auch einem HTL-Ingenieur schadet es nicht, wenn er über gesellschaftspolitische und historische Probleme und Entwicklungen Bescheid weiß. Hier gibt es sicher Mängel und das sollte thematisiert werden, zumal in Österreich mehr Jugendliche eine BHS bzw. eine berufsbegleitende Schule als eine AHS besuchen. Akademisierung ist kein Allheilmittel, vielmehr sollte es wertgeschätzt werden, wenn sie andere, praxisorientierte Ausbildungen absolvieren und in nichtakademischen Berufen tätig sind.

    7.Warum emotionalisiert das Thema Bildung so sehr?

    Es geht um die Frage, nach welchen Kriterien Glück, Vermögen und Lebenschancen verteilt werden und bisher war klar, dass Bildung dabei eine entscheidende Rolle spielen sollte. Jetzt gerät dieser Glaube ins Wanken, hier brechen Fundamente zusammen, auf denen die bürgerliche Gesellschaft seit dem 18. Jahrhundert aufgebaut war. Deshalb spricht der Soziologe Heinz Bude auch von "Bildungspanik". Zudem ist Bildung ein Bereich, der jeden irgendwie betrifft: man war Schüler, man hat vielleicht Kinder, die in eine Schule gehen, man studiert oder arbeitet an einer Universität.

    Glauben Menschen noch an ein glückliches Leben durch Bildung?

    Sie würden es vielleicht gerne, aber sie spüren, dass es immer weniger zutrifft und immer unklarer wird, was gute Bildung ist. Eine klare Bildungslaufbahn aufweisen zu können ist heute für einen Job schon zu wenig, es gibt den Druck, Zusatzqualifikationen erwerben zu müssen: Kurse, Auslandsaufenthalte, Praktika. Und viele Personalchefs sagen, gute Noten interessieren sie nicht, denn die haben mittlerweile ohnehin fast alle, und sie achten auf andere Dinge wie gutes Benehmen, sicheres Auftreten, angemessene Kleidung - also genau die Kriterien, die wieder bestimmte Milieus bevorzugen.

    In einer Familie aus einem gehobenen Milieu lernt man ein anderes Auftreten als ein Kind, das sich durchwursteln musste. Die Gerechtigkeitschancen, die durch Bildung eröffnet werden sollten, werden so wieder tendenziell wieder verspielt, weil Bildung nicht mehr das hält, was man sich versprochen hat.

     

     


    10-10-2015 om 18:46 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:Liesmann, nieuwlichters
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Crevits: STEM-optie als alternatief voor Latijn, maar evenzeer optie voor tso/bso-scholen. Debat in commissie onderwijs.

    Debat over STEM-chaos en -improvisatie in commissie onderwijs 1 oktober

     Geen referentiekader= veelstemmigheid troef! *We waarschuwden vorig jaar geregeld voor de STEM-CHAOS die zou uitbreken.Tevergeefs

    *totaal uiteenlopende invulling
    *bedreiging van tso
    *Crevits: "STEM als verdieping en alternatief voor Latijn is een meerwaarde." (Maar er zijn toch ook hel wat typische tso-leerlingen die per 1 september in STEM-aso belandden en die dit allesbehalve zien als alternatief voor Latijn? Universitaire STEM-ondersteuners als Wim Dehaene spreken spreken dan weer enkel over 'Abstracte' STEM: zie bijdrage in Impuls).

    *Crevits geeft toe:: referentiekader ontbreekt nog, maar is in wording (midden november)

    *Crevits: "STEM als verdieping en alternatief voor Latijn is een meerwaarde." (Merkwaardige uitspraak. Crevits stelt tegelijk dat STEM een optie is voor tso-scholen. Wat is het nu? Het doelpubliek van STEM is niet duidelijk. Er zijn toch ook heel wat typische tso-leerlingen die per 1 september in STEM-aso belandden en die dit allesbehalve zien als alternatief voor Latijn, maar als alternatief voor tso. Universitaire STEM-ondersteuners als Wim Dehaene spreken echter enkel over 'Abstracte' STEM.).

    *
    1.Kathleen Krekels (N-VA) 

    Mijn fractie is erg blij is met het succes van de STEM-richtingen. Ik houd evenwel vast aan het pleidooi dat ik in de plenaire vergadering van 6 mei heb gehouden. We blijven het toch betreuren dat voor de eerste opmaakoefening in het aso het tso – en dan de industriële wetenschappen en tso-techniek in het bijzonder – toch niet meer in de verf is gezet. In Klasse las ik dat de technische scholen vrezen dat hun richting industriële wetenschappen overbodig zal worden. Want de gelijkenissen zijn zo groot dat alle specifieke deskundigheid zal verdwijnen.

    In de brochures over de STEM-richtingen in het aso komt het er doorgaans op neer dat men via verschillende uitdagende projecten wiskundige, technologische en wetenschappelijke problemen zal leren oplossen en dat men abstract, probleemoplossend zal leren denken. Het basispakket van de aso-scholen wordt dan aangevuld met die vijf uren extra, met wiskunde, wetenschappen en programmeren.

    De invulling van die keuzevakken gebeurt wel erg uiteenlopend. De vraag naar het referentiekader is dan ook logisch. In een brochure van het tso – eerste graad industriële wetenschappen of techniek – staat exact hetzelfde. Ik citeer: “Industriële wetenschappen richt zich op bollebozen, zowel meisjes als jongens, met interesse voor techniek en wiskunde, en een goed redeneervermogen. Dit model biedt een perfecte basis voor verdere studies op masterniveau. De technische richting richt zich op meisjes en jongens met interesse voor techniek en praktijk. Dit model biedt een perfecte basis voor het professionele bachelorniveau.” Het komt er eigenlijk op neer dat de lessenroosters van de STEM-richtingen in het aso en het tso voor industriële wetenschappen mekaar dekken: ze bevatten evenveel wiskunde, evenveel techniek, evenveel Nederlands en Frans …

    In de oefening voor de eerste graad secundair onderwijs zal het erg belangrijk zijn om de STEM-richtingen goed tegen elkaar af te wegen en oog te hebben voor een correcte en eenduidige studieoriëntering voor alle leerlingen. Onze fractie pleit ervoor om te behouden wat goed is en enkel te veranderen wat beter kan. Hoe zult u dat aanpakken, minister? Ik veronderstel dat het antwoord terug te vinden zal zijn in de komende ontwerptekst van het referentiekader.

    2.Jos De Meyer (Cd&V): Veel scholen voor algemeen vormend onderwijs zijn gestart met een optie STEM (science, technology, engineering and mathematics) in de eerste graad. Aso-scholen die STEM aanbieden, lijken het goed te doen: ze hebben duidelijk een gat in de markt gevonden. De STEM-initiatieven staan volgens de top van het katholiek onderwijs nog los van de visie op het geheel van het secundair onderwijs. Ze mogen de keuzemogelijkheden na de eerste graad niet beperken. … Belangrijk is vooral dat we duurzaam bouwen aan een sterk beroepsgericht onderwijs. Daarbij is het belangrijk dat de huidige tso- en bso-scholen er een duidelijke plaats in krijgen.

    Hoever staan we ondertussen met het kader waarbinnen deze optie geplaatst wordt? Welke vervolgtrajecten worden voorzien? Welk initiatief zult u hierrond zelf nemen? Hoe worden de eerste graad STEM en het uitwerken van de vervolgtrajecten ingewerkt in de broodnodige waardering voor beroepsgericht onderwijs?

    3.Minister Hilde Crevits 

    STEM kent inderdaad een opmerkelijke groei. We kunnen daar niet naast kijken. …Maar, en daar hebt u zeer terecht aan gerefereerd, er moet een referentiekader komen, zodat de kern van wat STEM is en kan zijn, zeer helder afgelijnd wordt en zich plaatst in een internationaal perspectief én tegelijk ruimte laat voor pedagogische vrijheid. Ik stel vast dat het label ‘STEM’ nu vooral wordt gebruikt door aso-scholen. Het verbaast me dat technische scholen niet trotser zijn over het feit dat zij per definitie ‘STEM’ zijn. Men kan zich zorgen maken over het feit dat het aso STEM aanbiedt, maar er zijn nu eenmaal vrije programmatie-uren. Als dat past in het referentiekader, hoeft dat geen slechte zaak te zijn.

    De afgelopen maanden heeft mijn administratie werk gemaakt van een ontwerptekst. Hierbij werden experten betrokken, zoals de lerarenopleiders, een aantal onderzoekers en scholen. De input wordt verwerkt. Begin oktober – en we zijn vandaag begin oktober – is het de bedoeling dat dit referentiekader wordt aangeleverd aan de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) voor een spoedadvies. Het is de bedoeling dat het kader voor STEM tegen half november in alle scholen is. Het zal een kader zijn voor alle niveaus en alle richtingen, niet alleen voor de eerste graad, ook al besef ik dat daar vandaag wellicht de meeste vragen bestaan.

    Wat STEM in de eerste graad betreft, herhaal ik mijn eerder ingenomen standpunt: STEM als verdieping en alternatief voor Latijn is een meerwaarde. Maar het kan niet dat STEM in de eerste graad als een voorselectie voor de tweede en derde graad zou fungeren. Dat is niet de bedoeling. Het is van belang dat leerlingen kunnen kiezen voor de richting van hun keuze, ook in de tweede graad, ook in het bso en het tso. Het is mijn bedoeling om het kader tegen medio november aan de scholen te bezorgen.mmm

    10-10-2015 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:STEM
    >> Reageer (0)
    09-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ouders & leerkrachten willen dat Turkse leerlingen zoveelmogelijk Nederlands spreken op school

    Ouders van Turkse leerlingen en leerkrachten willen dat Turkse leerlingen zoveel mogelijk Nederlands spreken binnen - en zelfs buiten -de klas.

    Deze bijdrage is mede een reactie op een bijdrage over deze thematiek in 'Basis' -COV-blad: .https://cov.acv-online.be/…/BASIS-11-p22-24-omarmenvanmeert… …Het gaat om de bijdrage over 'Omarmen van meertaligheid op school', een bijdrage van Carolien Frijns over haar doctoraatstudie. Met een aantal standpunten van Frijns zijn we het geenszins eens. Frijns is verbonden met het Leuvens CTO- Centrum voor Taal en Onderwijs, voorheen: Steunpunt NT2-Leuven. Dit centrum heeft zich steeds verzet tegen specifiek en intensief NT2-onderwijs vanaf de eerste dag van de kleuterschool. CTO-ers als Jaspaert & CO vinden ook dat men anderstalige leerlingen niet mag stimuleren om zoveel mogelijk Nederlands te spreken in en buiten de klas. We zijn het daar niet mee eens.

    Studie Gentse sociologen over gebruik van Turks in Gentse Turkse scholen
     
    De Gentse sociologen Agirdag en Van Houtte stelden in hun studie  vast dat lTurkse ouders en leerkracchten tegenstander zijn van het  stimuleren van het spreken van Turks in de klas en zelfs buiten de klas.

    Zelf  denken de Gentse sociologen dat ze beter weten wat die kinderen nodig hebben dan de ouders en leerkrachten.  Ze vinden dus dat de ouders en leerkrachten  ongelijk hebben en de Turkse leerlingen discrimineren

    1    Leraars en allochtone ouders tegenstander van minder stimuleren van het spreken van  Nederlands

    In april 2014   vernamen we  dat het Gents stadsbestuur bij monde van Elke Decruynaere, schepen van onderwijs, verordende dat men de anderstalige leerlingen in de Gentse scholen niet langer mag aansporen  om buiten de klas Nederlands te spreken. Men moet ze zelfs toelaten om ook in klas geregeld hun thuistaal  te gebruiken. Dit wordt dan ook een van de speerpunten in het Gents beleidsplan voor het schooljaar 2014-2015. Volgens een Gents experiment moest men zelfs die kinderen ook eerst in de eigen moedertaal leren lezen en rekenen.

    Uit de honderden reacties op de Gentse verordening bleek in april j.l. dat  niet enkel de praktijkmensen , maar ook allochtone ouders die verordening afwezen.  Eén  van de argumenten luidt dat anderstalige leerlingen tijdens de speeltijden, aan tafel en in de buitenschoolse opvang nog het meest de kans krijgen Nederlands te spreken en in te oefenen. In een klas met 20 leerlingen en 20 uren les per week is het aantal minuten dat ze de kans krijgen om zelf Nederlands te spreken al te beperkt. Men vindt ook dat een gebrekkige kennis van het Nederlands een belangrijke oorzaak is van leerproblemen bij veel anderstalige leerlingen.

    De afwijzing door - en visie van -  de leerkrachten blijkt ook nog eens overduidelijk uit een recente studie en bevraging van de Gentse onderwijssociologen Orhan Agirdag en Mieke Van Houtte (Speaking Turkish in Belgian Primary Schools: Teacher Beliefs versus Effective consequences, bilig/ SUMMER 2014 / NUMBER 70, zie Internet). Verderop in de bijlage citeren we uitvoerig de o.i. gefundeerde argumenten van de leerkrachten zoals Agirdag en co ze optekenden tijdens hun interviews met  Gentse leerkrachten uit scholen met veel, respectievelijk minder Turkse leerlingen.  Ook de Gentse sociologen stelden dus vast dat  de leraars , maar ook de Turkse ouders niet wensen dat hun kinderen Turks mogen spreken in en buiten de klas.   Ook leraars van Turkse afkomst sluiten zich volgens de onderzoekers bij die opvatting aan. In de studie van Agirdag en Van Houtte lezen we: “Teachers’ interactions with the few Turkish teachers in Belgian schools, who mostly teach Islam or used to provide mother-tongue education  in the  past, functioned  also  as a legitimization  of  monolingualism. That is, Turkish teachers communicated to their native Belgian colleagues that the mother tongues of Turkish speaking children were useless.”

    2. Gentse onderwijsschepen, taalachterstandsnegationisten, Agirdag en Van Houtte … bestempelen opstelling  van praktijkmensen en ouders als bevooroordeeld en discriminerend.

    Heel wat taalachterstandsnegationisten mengden zich in de maand april in het debat en steun(d)en  de Gentse verordening. Onder hen ook Kris Van den Branden (KU Leuven) en de Gentse sociologen  Mieke Van Houtte en  Orhan Agirdag . Dit was ook het geval met de bekende Helene Passtoors op de website ‘De Wereld Morgen’. Ze manifesteerde zich als vurige pleitbezorger van de thuistalen en van onderwijs in de eigen taal en cultuur (OETC).  Ze  stelde ook: “Het is zelfs principieel af te raden om een allochtone leerling te leren lezen in een taal die hij/zij nog onvoldoende kent.” Men leert ze dus het best eerst lezen in de thuistaal. – zoals in het Gentse experiment.

    Passtoors vond verder – net als Agirdag en Van Houtte,  dat enkel zij als ‘experts’ zich mochten/konden uitspreken over deze kwestie. Passtoors: “Het is zeer irritant dat mensen om het even wat verkondigen als het om migranten, Nederlands leren en, ja assimilatie gaat. Taalkundigen zullen inderdaad allen zeggen dat b.v. de discussie over wat migrantenkinderen op de speelplaats spreken geen taalprobleem is, maar vanuit sociale en politieke kant  tot probleem verheven wordt om redenen die niets met taalverwerving te maken hebben. Maar waarschijnlijk alles met de idee van assimilatie.” Enkel ‘experts’ als vrijheidsstrijdster Passtoors mogen blijkbaar uitspraken doen over het al dan niet aansporen van anderstalige leerlingen om b.v. in en buiten de klas zoveel mogelijk Nederlands te spreken en te oefenen. Passtoors stelde zelfs dat Raf Feys’ term ‘taalachterstand’ (Nederlands) bij anderstalige leerlingen die starten in het kleuteronderwijs een slechte term is die  “verdacht veel neigt naar ‘(taal)racisme’.” We citeren even: “Het woord ’achterstand’ is immers een fundamenteel  begrip  in het hele complex verbonden met racisme, inferieure rassen, de superioriteit van het blanke ras.”

    Schepen Decruynaere beschuldigde de mensen die het gebruik van het Nederlands ook buiten de klas promoten van ’ideologische hardnekkigheid’. In een reactie ergerde Joris Fhilips  zich  aan  “politieke correctelingen als Decruynaere die in feite tegen de allochtonen zeggen ’blijf maar lekker in uw achtergestelde positie zitten. In plaats van hen aan te moedigen alle kansen te grijpen, geeft men hen de boodschap dat het allemaal niet zo hoeft. “ Hij concludeerde: “Die ideologische hardnekkigheid waarover de Gentse groene schepen het heeft, merken we juist bij de zgn. progressieven”. (Website Het Nieuwsblad, 10 april.) Die ideologische hardnekkigheid en tirannieke trekjes kwamen in de donderpreek van Passtoors goed tot uiting.  Dit is overigens ook het geval in de al vermelde studie van de Gentse sociologen Ogirdag en Van Houtte.

    Dit alles betekent dus ook dat de (Groene) onderwijsschepen Decruynaere en het Gents stadsbestuur bij het afwijzen van de visie van de leerkrachten en van de allochtone ouders,  helemaal geen rekening willen houden met de opvattingen van de praktijkmensen. Ook Agirdag en Van Houtte beweren in hun studie dat de leerkrachten en de Turkse ouders ongelijk hebben, onwetend zijn over de negatieve effecten, bevooroordeeld zijn … Deze ‘negatieve beliefs’ van de leerkrachten zouden vooreerst in sterke mate een gevolg van ‘the policy context in Flanders (that very much favors assimilation and Dutch monolingualism)’.  Agirdag en Van Houtte gaan ook niet akkoord met de stelling van de leerkrachten dat de taalachterstand (Nederlands) een belangrijke oorzaak is van de leerproblemen van veel anderstalige leerlingen. Ook de voorbije jaren manifesteerden ze zich herhaaldelijk als taalachterstandsnegationisten. De onderzoekers stellen ook dat de leidende klasse  symbolisch geweld (à la Bourdieu)  uitoefent  op de anderstalige leerlingen … De gedomineerde allochtone ouders uit lagere milieus zouden  jammer genoeg de dominante visie van de leidende klasse, de machtigen in deze maatschappij, onbewust overnemen: “Bourdieu (1991) argues that social dominance can only persist because the dominant groups in society impose their judgments, such as beliefs about monolingualism,  upon dominated  groups,  such  as the bilingual Turkish community. Once the dominated groups internalize the point of view of the dominant,  they will  defend  it  as if  it  was a universal  point  of  view, even when these judgments are completely against their own interests.”

    De Brusselse  prof. Wim Van den Broeck  reageerde al in 2013 op de levensvreemdheid van pleidooien voor het stimuleren van het gebruik van de thuistalen.  Van den Broeck stelde: “Hoe wereldvreemd kan men zijn? Echte meertaligheid is natuurlijk een troef, maar taalachterstand in het Nederlands is wel degelijk een handicap, zoals blijkt uit zovele studies die aantonen dat de onderwijskansen en de arbeidskansen zwaar gehypothekeerd worden indien de landstaal zwak of niet beheerst wordt. Het is inderdaad beter dat anderstalige kinderen thuis in hun eigen taal converseren dan dat ze thuis een gebroken Nederlands zouden horen praten, maar dat betekent niet dat thuistaal toelaten op school hen taalvaardiger zou ‘maken’. Het maakt hen niet taalvaardiger in hun thuistaal, want op school spreken ze dan vaak een gemengde taal, en het maakt hen al zeker niet taalvaardiger in het Nederlands. Dit lijkt sterk op het ontkennen of minimaliseren van een reëel maatschappelijk en sociaal probleem dat in grote mate ontstaan is door het ontbreken van een doeltreffend en doortastend taalbeleid. Men moet in sommige kringen toch eens weten wat men wil: ofwel is er geen probleem, maar dan is het geen issue, ofwel is er wel een probleem, en dan moeten we er iets aan doen!” (17 mei  2013). Peter De Roover, leraar tso, reageerde zo:  “Vanuit mijn eigen beroepservaring stoot ik ook op een ander niet te verwaarlozen praktisch probleem. Als ik me beperk tot mijn leerlingen moeten er dan lessen gegeven worden in het Arabisch, Berbers, Turks, Pasjtoe, Urdu, Albanees, Bosnisch, Portugees, Spaans en Grieks. Ik verzeker niet dat ik volledig ben. In andere klassen zitten Russen (thuistaal?), Polen, Afrikanen, ... Dat is mijn schoolrealiteit van vandaag. Krijgen die allemaal les in hun moedertaal? Worden voor al die talen leerkrachten gerekruteerd ? Krijgen ze alleen les als 'hun groep' voldoende in aantal is en valt die eenzame Tsjetsjeen uit de boot? Maken we er dan een groepsrecht van en geen individueel recht? Vervalt dat recht als de moeder Nederlands spreekt thuis? Hoeveel bedraagt het kostenplaatje van zo'n maatregel die geen baat in leerprestaties brengt? Of er veel problemen worden opgelost met onderwijs in de 'moedertaal' mag betwijfeld worden. Dat er een hoop bijkomende  problemen door zullen ontstaan is wel zeker. Helpen we het onderwijs van achtergestelde kinderen vooruit door nieuwe praktische ellende te veroorzaken?” (DS 14.03.13).

    3              Verzet van Turkse ouders tegen gebruik/stimuleren van Turks  op school

    We citeren vooreerst een typische  getuigenis van leerkrachten omtrent de opstelling  van Turkse ouders - uit de recente studie van Agirdag en Van Houtte. Leraar Patrick stelt in het interview met de onderzoekers: “Each year, I have Turkish parents who come here, and one of  the  reasons, most  of  them  say:  “[in  other schools]  there  are  to many, they  speak Turkish  in the  classroom, Turkish  on  the  play ground, during the lunch, when they are in the rows, they always speakTurkish and we don’t want that anymore. We want our children to become perfectly integrated”. It might sound weird, but our most critical  parents are immigrant parents. And they are right, I think, they realize how important it is for their own future to become good integrated in  our culture. Because the future of those children is here, and they will have to speak Dutch in their professional life.”Er is veel overeenstemming tussen de opvatting van de leraars en deze van de Turkse ouders.

    In een bijdrage over deze thematiek in Onderwijskrant nr. 169 toonden we ook al dat niet enkel de leerkrachten,  maar ook de allochtone ouders bewust opteren voor het stimuleren van het gebruik van het Nederlands – ook op de speelplaats.  We vermeldden in deze context ook even het verzet van Turkse ouders tegen het Gents experiment waarbij men de Turkse leerlingen eerst leert lezen en rekenen in het Turks. In vier Gentse scholen werden uren Nederlands door uren Turks vervangen en leerde men die kinderen ook in het Turks lezen. Directeur Frank van de Mozaïek-school die betrokken was bij het experiment, gaf zelf grif toe dat heel wat Turkse ouders dit experiment niet genegen waren. Hij stelde:  “Voortdurend werden we op school aangesproken door  ouders op onze aanpak betreffende het gebruik van de thuistaal  Turks op school. Ouders zegden: Op die andere school mogen de kinderen geen Turks spreken. Dat is ook goed zo. Zo kunnen de kinderen veel Nederlands leren” (De Katholieke Schoolgids, januari 2010, p. 8). Men vergat hierbij  ook dat het Turks dat veel ouders thuis spreken dialectisch is en dat veel ouders hun kinderen niet kunnen ondersteunen bij het leren lezen in het Turks. (Dit komt overeen met de getuigenis van leraars van Turkse afkomst.)Het Turks is overigens een totaal andere taal dan het Nederlands.

    Het Gents experiment werd geëvalueerd door voorstanders van het experiment, maar toch bleek dat de lessen Turks geenszins leidden tot de verbetering van het Nederlands en van het Turks. In een bijdrage en getuigenis die de Gentse Karine Melitsetyan destijds omtrent het Gents  OETC-experiment naar Onderwijskrant stuurde,  lazen we o.a.: “In plaats van effectieve maatregelen te treffen om de Nederlandse taal te stimuleren op school, en kinderen en hun ouders ervan bewust te maken wat het maatschappelijk nut ervan is, besteedt de overheid veel aandacht aan de moedertaal van anderstalige leerlingen. Hiervoor worden binnen het Gents  onderwijs projecten opgestart en budgetten vrijgemaakt. Vanuit onze ervaring opgedaan in onze vzw Mariam, kunnen we die OETC-projecten niet toejuichen. Lessen in de eigen moedertaal vergroten  vooreerst de kloof tussen de sterkste en de zwakste leerling. (Nvdr: als de leerlingen 5 uur per week OETC-les krijgen, dan missen ze belangrijke lessen Nederlands e.d. waardoor ze nog meer achterstand oplopen.) Lessen in de eigen moedertaal vergroten tevens het mentaliteitsverschil tussen de gemeenschappen en de maatschappij waarin ze leven. Deze projecten zijn ook misleidend voor de niet gemotiveerde anderstaligen, die de sociale normen en attitudes van onze Westerse samenleving niet willen respecteren ....De Turkse ouders krijgen ook de boodschap dat Nederlands kennen toch niet zo levensnoodzakelijk is en de leerlingen zelf zullen buitenschools voor spreken, lezen en schrijven nog minder het Nederlands gebruiken. De neiging van de Gentse Turken om zich binnen de eigen gemeenschap op te sluiten, zal ook nog toenemen. Men kan zich ook afvragen wat het effect is voor de vele anderstalige leerlingen die niet van Turkse afkomst zijn. Velen vragen zich af, waarom men enkel het Turks promoot en niet de vele andere talen. Waarom bijvoorbeeld niet de vele Koerden met hun heel ei gen semitische, Indo-Germaanse, taal? En daarnaast zijn er nog de vele andere minderheidsgroepen.”

    4. Bijlage: opvattingen van leerkrachten volgens studie van Agirdag en Van Houtte

    We stelden al in punt 1 dat de opvattingen van de leerkrachten en allochtone ouders zoals ze in april j.l. uitvoerig tot uiting kwamen in reacties op de Gentse verordening, ook bevestigd worden in de recente studie van Agirdag en Van Houte. We illustreren dit nu uitvoerig.

    “The first objective of this study is to explore how and why negative beliefs about of the use of Turkish language emerge in school context. First of all, the results of the indepth interviews with teachers pointed out that teachers generally perceive Turkish pupils as being different than other minority pupils  such  as  Moroccan,  Spanish  and  Greek  pupils.  That  is, teachers argued  that  in   contrast  with  other  minority  students,  Turkish  students tend to retain their mother tongue and speak more frequently in Turkish at school:

    Katja: When I started working here, we used to have Italians, Spanish [pupils]  and  a  lot  of   nationalities.  Greeks  [as  well]. And  now,  it  is mostly Turks and Moroccan and some Belgian [pupils]. And the difference  is,  back  then,  more  Dutch was spoken, [pupils]  among  each other, and at the playground. Last year, I had a class and I had to say constantly: “speak Dutch, speak Dutch”. Actually, only Turkish children  do speak another language among each other, they speak Turkish. Other   nationalities don’t do that. So in the past, Dutch was here the common language. (Teacher, Black Circle = school met veel Turkse lln., Female, 45)

     Saskia: Turkish children speak Turkish among each other. But Moroccans, for instance, don’t do that because there are a lot of dialects and  they are less proficient in it. But Turkish children speak Turkish among each other. (Teacher, Black Square, Female, 30) As Turkish children were regarded as the only ones who persistently speak another  language  than Dutch, teachers  mostly referred  to   the   Turkish language when they argued about the alleged unfavorable consequences of mother tongue retention. In the Black Circle and in the Black Square (i.e. in schools with a majority of Turkish children), teachers perceived the use of the Turkish language as the antecedent of poor proficiency in Dutch, and poor academic achievement, and it was regarded as the ‘the big pro lem’ with respect to academic achievement:

    Researcher: What do you think is the decisive  factor [regarding  academic achievement]?  Sarah: Here, the language is the big problem, the language plays an important role. That is, they [the pupils] go outside and they immediately  start speaking Turkish. In the hall, again Turkish, with their friends, again in Turkish, when they quickly have to tell something, again Turkish. So we are like constantly, all day long: “Speak Dutch with each other, say it in Dutch.” (Teacher, Black Square, Female, 29)

    Kelly:  Those children do often speak another language than Dutch, or much less [Dutch] is spoken than within a typical Flemish family. As a  consequence, when they come to this school, they are not able to speak Dutch. Also in this neighborhood,  [there are] Turkish shops, Turkish  bakery, Turkish butchery. So they don’t come in contact with Dutch.  So  they start with underachievement  at  the  very  beginning.  (Teacher, Black Circle, Female, 26)

    These  negative beliefs about the use of the mother tongue  were  also present in schools where there are only few Turkish children. For instance, teachers form the White Circle (=minder Turkse lln.) stated that they do not have ‘the problem’ of speaking Turkish because Turkish pupils had very few classmates to speak  Turkish with. But even under these circumstances, there was still a strict Dutch  monolingualism   policy   and   children  would  get addressed  when they spoke another language.

    Lise: The problem  doesn’t happen [here] that much, we don’t have the issue because there are no many children who speak Turkish at school,  so it’s just a practical thing, there are just few or no classmates to speak  with. But, very rarely, for instance when a kid gets angry, then it happens that a kid speaks another language, that [he or she] expresses itself  in another language. But normally, when we hear a child speaks anoth er language, we will address it, we will say: “at school you have to speak  Dutch”. But the problem  does rarely or not happen here, because there  are only few Teacher, White Circle, Female, 47)

    Our core question in this study  is, however, where these persistent unfavorable  teacher opinions come from. Off course, the political climate that we have described earlier in this article  might have  an  influence  on  teachers’  cognition.  However, our findings suggest that social interactions between teachers and Turkish parents equally establish (or at least reinforce) negative thoughts about the Turkish language in school context. First, some Turkish parents communicated to the school staff that they prefer Dutch monolingualism in the school context. These parents argued that their proficiency in Turkish was not well anymore:

     Saskia:  Our audience  [pupils  at  school]  is  so linguistically   poor, we choose  for  [Dutch   monolingualism].   And the Turkish parents  they asked  it  themselves  –  they  [said]  could  not   speak  Turkish  well  any more, and neither Dutch, that is what Turkish parents told us, so we did choose for Dutch because they might learn Turkish at home, but at school there is just one language, so we choose to have only one language [Dutch]. (Teacher, Black Square, Female, 30)

    Especially social interactions with  middle-class Turkish parents reinforced monolingualism beliefs among teachers. For instance, one teacher argued that  high-educated   Turkish  families  spoke   more   frequently  Dutch with their  children  than low-educated  Turkish  families.  As such the   higher academic achievement of the middle-class Turkish children was attributed to the fact that they spoke less Turkish:

    Rik: [Turkish] pupils with high educated parents usually do also master the Dutch language very well. And at home they also speak Dutch all  the  time.  They have almost the  same  way of living  as we  do  and they speak Dutch and everything. While other [low educated] parents  insist on speaking Turkish at home. So they have difficulties with the  language at school, with the result that their academic performance is much lower than other pupils. (Teacher, Black Square, Male, 27)

    Secondly, teachers’ interactions with the few Turkish teachers in Belgian schools, who mostly teach Islam or used to provide mother-tongue education  in the  past, functioned  also  as a legitimization   of  monolingualism. That is, Turkish teachers communicated to their native Belgian colleagues that the mother tongues of Turkish speaking children were useless. These teachers were mostly educated in Turkey. And generally spoken, the middle-class from Turkey regards the Turkish language that is spoken by the working-class European Turks as degenerated and erroneous Turkish.

    Katja: The Turkish teachers that we had in the past, they said, and the  Islam teacher said that as well, they [pupils] don’t speak their mother tongue well. They always say, if they know their mother tongue well,  than  it will  be  easier  to  learn  a second  language.  But because  here  it [the Turkish language] is so degenerated, it does not have a positive e fect. That  [positive   effects]  will  only   take   place  if  they  knew  their mother tongue well. Those teachers that we used to have in the past, they taught in Turkish, they always said: it doesn’t work here because  they are not proficient in their mother tongue, even if they speak Turkish at home, it’s is not clean Turkish, neither a dialect, but a language  full  of  errors, wrong  sentences.  That  does  not  work.  (Teacher,   Black Circle, Female, 45)

    Thirdly, some Turkish parents avoided to enroll their children in schools such as the Black Square. They motivated their avoidance by referring to  the high share of Turkish pupils at these schools, which they believe would  be detrimental for the Dutch proficiency of their children:

    Maria: They [parents] compare schools. Once, a Turkish father came here, and one of the questions that is always being asked is: “are there a  lot of Turkish children here at school?” It was a Turkish parent. I said:  “Not all of them, but yeah, most of them are Turkish”. “Oh, because I want my child to learn Dutch very well”. So my answer was: “sir, here we are trained to teach those children Dutch as soon as we can. But does your child already speak Dutch?” “No” … So he found it hard to  enroll his child in a school where there are a lot of Turkish children, but he [himself] never spoke Dutch to his child. I just don’t get it, I can’t understand that. (Principle, Black Square, Female, 30)

     Similarly,  some Turkish parents  who  decided  to  enroll  their  children  in  the White  Circle, had   communicated   to  the  school  staff  that  the  single most important reason why they did choose for  White Circle is that they want to avoid contact between their children and other Turkish speaking children. It should be noted that analysis of quantitative data (not shown  here) revealed that Turkish families in the White Circe are mostly middle-class Turkish parents.

    Patrick: Each year, I have [Turkish parents] who come here, and one of  the reasons,  most  of  them   say:  “[in  other schools]   there  are  to many,  they  speak Turkish in  the  classroom,  Turkish  on  the  play ground, during the lunch, when they are in the rows, they always speak Turkish and we don’t want that anymore. We want our children to become perfectly integrated”. It might sound weird, but our most critical  parents are immigrant parents. And they are right, I think, they realize how important it is for their own future to become good integrated in  our culture. Because the future of those children is here, and they will have to speak Dutch in their professional life. (Principle, White Circle,  Male, 45)

    Koen:  Here, we have little trouble with  that.  Because  most  [Turkishparents]  who  come  to  our   school,  those  two  [Turkish  pupils]  in  the  sixth grade, they came here because they didn’t want to go to an inner-city  school  because  there  are  too   many  Turks  and  Moroccans   there, and   arely  Dutch  is  spoken.  Their  parents  have  decided   themselves: “My  children  have  to  speak  better  Dutch because   they  will grow up  here  and  later  they have to work  here.”  If  they  go school  elsewhere, there  will   be  a  lot  more   Turks,  and  they will  speak  Turkish among  each other  and  they  want  to  avoid   that. That was  in  act  their  main  reason. (Teacher, White Circle, Male, 52)

    Hans: For instance, the migrant children here in this school, their folks  have  chosen  to  come  to   our  school   because  here  Dutch is  spoken,  I mean, people who want to become integrated, you know, of course it  is in their benefit that their children speak Dutch well. (Teacher, White Circle, Male, 58)

    As shown in previous quotes, speaking Turkish was generally believed to result in poor academic performance. As such speaking Turkish was formally  forbidden  in most  schools. The  school  staff  communicated  their aversion toward  pupils’  mother  tongues  by strong  and  persistent  encou-ragement of the exclusive use of Dutch.

    The only exception to this rule was just one teacher who had some know- ledge of educational research and who talked about the benefits of bilingualism:

    Simon: I know it is politically spoken not self-evident, but I truly be lieve,  and  I am convinced   of   the  fact  that   if  we should  teach  those children reading and writing in Turkish, [then] their writing and read ings skills in Dutch will improve. But it doesn’t happen, nowhere. But when I hear about research saying that this would the best way to do it,  the best way to teach children to read and write, why don’t we do that?  (Black Circle, Teacher, Male, 56)

    Our  first  research question  focused on how the  persistent  negative  opinions  about  the  use  of  the  Turkish  language are reproduced within the Flemish education. The results of  in- depth   interviews   revealed   that  teachers   perceive  Turkish  pupils  as  being different  than  other   minority  students:  teachers  stated  that in  contrast with  other  ethnic minorities,   Turkish  pupils   do  speak  more  often  their mother tongue among each other. We also found that teachers in schools  with high share of Turkish students regard the use of Turkish as the single most   important  problem  of  their  schools,  as  they  believed  that  mother tongue retention was detrimental for academic achievement. Teachers in schools with few Turkish students noted that they do not have ‘the problem’,   but  still  imposed  strict Dutch monolingualism.   Most  importantly, we found that these negative beliefs might not only be influenced by the policy context in Flanders (that very much favors assimilation and Dutch monolingualism), but also that social interactions between Flemish teachers and the Turkish middle-class reinforce negative thoughts about the use  of  the   Turkish  language.  This  happened  at least  in four different ways.

    First, the middle-class Turkish parents avoided schools with high share of Turkish pupils, and they chose to enroll their children in school with very few Turkish children to rule out that their children will speak their mother tongue in school. Second, some Turkish parents requested to the staff in schools with high share of Turkish pupils to only allow Dutch at school. Third, some teachers argued that middle-class Turkish parents spoke more often Dutch with their children, and consequently teachers attributed the educational   success of Turkish  middle-class  children  to  their language choice. Fourth, Turkish teachers communicated to Flemish teachers that the  mother  tongue   proficiency   of  Turkish  children  were  rather  limited, erroneous and unclean Turkish. In fact, these four examples are clear illustrations of what Pierre Bourdieu calls ‘symbolic violence’ (1991). That is, Bourdieu (1991) argues that social dominance can only persist because the dominant groups in society impose their judgments, such as beliefs about monolingualism,  upon dominated  groups,   such  as  the  bilingual  Turkish community. Once the dominated groups internalize the point of view of the  dominant,  they  will  defend  it  as if  it  was a universal  point  of  view, even when these judgments are completely against their own interests.

    09-10-2015 om 11:47 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:NT2, Turks, Agirdag, meertaligheid
    >> Reageer (0)
    08-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Omvangrijke & onderschatte taak van (trotse) leerkracht
    blog: Oh captain, my captain...

    Zowat elk gesprek met vreemden...

    Ik ben leerkracht. Voilà, daar heb je het... Ik ben leerkracht en eigenlijk zou ik daar openlijk trots op willen zijn. En toch durf ik tegenwoordig maar amper tegen mensen te zeggen dat dit mijn droomjob is, dat ik nooit iets anders heb willen doen. Mijn job, mijn roeping is gereduceerd tot één zinnetje. En enkel dat zinnetje telt nog in de ogen van anderen; alles wordt gerechtvaardigd omwille van dat ene zinnetje.

    Een startende leerkracht verdient geen hopen geld.
    Maar ik heb veel verlof.
    Wanneer ik 's avonds thuis kom, moet ik opnieuw beginnen werken.
    Maar ik heb veel verlof.
    In drukke tijden zit ik vaak tot over 22u aan mijn bureau.
    Maar ik heb veel verlof.
    Ik heb moeite een hobby te behouden, want ook 's avonds word je vaak op school verwacht voor vergaderingen, oudercontacten, klassenraden...
    Maar ik heb veel verlof.
    De brandstof van de 100km die ik elke dag moet rijden om mijn school te bereiken wordt niet vergoed.
    Maar ik heb veel verlof.
    Alle problemen die leerlingen me komen vertellen, daar kan ik erg emotioneel op reageren. Zeker als je beseft dat je helemaal niets kan doen om hem of haar te helpen.
    Maar ik heb veel verlof.
    Ik durf een kind nog maar amper terecht te wijzen, bang voor de reactie van ouders, waarbij het steeds vaker 'mijn kind, schoon kind' is.
    Maar ik heb veel verlof.
    Hoewel ik aan mijn vijfde jaar als leerkracht begonnen ben, is mijn plaats voor volgend schooljaar nog altijd onzeker. Niet omdat ik niet voldoende presteer, maar omdat het systeem ons nu eenmaal niet ondersteunt zoals zou moeten.
    Maar ik heb veel verlof.
    Elk jaar moet ik weer energie investeren in het leren kennen van een nieuwe school, nieuwe collega's, nieuwe leerlingen...
    Maar ik heb veel verlof.
    Elk jaar is er weer die stress, die teleurstelling.
    Maar ik heb veel verlof.
    Ondanks mijn ervaring moet ik nog elke les die ik geef volledig uitschrijven, want de directie wil (terecht) kunnen checken of ik mijn job goed doe.
    Maar ik heb veel verlof.
    Doorheen de week zijn mijn sociale contacten uiterst beperkt, want deze les moet nog worden voorbereid en die klas wacht al een week op hun verbeterde toets.
    Maar ik heb veel verlof.
    Mijn overuren worden niet uitbetaald noch mag ik daar een dag vakantie voor opnemen.
    Maar ik heb al zoveel verlof.
    Als ik een afspraak wil maken bij een dokter, dan moet dit buiten de schooluren en bij sommigen merk je dat dit niet altijd met volle goesting is.
    Maar ik heb veel verlof.
    Sommige weken heb ik bijna geen middagpauze, omdat ik leerlingen bijles geef of hun toets laat inhalen. Of omdat we nu eenmaal ook toezicht doen op speelplaatsen.
    Maar ik heb veel verlof.
    Als ik eens een slechte dag heb, dan heb ik pech. Ik kan niet bellen dat ik die overuren van vorige week opneem omdat het me niet gaat. Ik moet dag in dag uit enthousiast en gepassioneerd voor de klas staan.
    Maar ik heb veel verlof.
    ...

    En toch... Toch doe ik al deze dingen met ontzettend veel overgave, enthousiasme, goesting... Ik zou mijn job voor geen geld in de wereld willen ruilen (dan zocht ik wel een job in de privé). Leerlingen die in al hun levendigheid 'Joe' naar je roepen op de speelplaats, of kinderen die ineens de werkwoorden kunnen spellen omdat je het nog eens hebt uitgelegd, kinderen die vertellen dat ze wel 32u per week les van je willen krijgen, die leerlingen maken het waard. En ik weet dat ik iets mag terugdoen voor al die vrije dagen die ik (en daarbij ook ieder zijn kinderen) krijg; dat vind ik ook geen probleem.
    Maar mag het dan alstublieft gedaan zijn met dat ene zinnetje? We beseffen dat echt wel, je hoeft mijn job niet te reduceren tot 'Maar je hebt toch veel verlof?'
    Ik zou nog eens mensen willen leren kennen die geïnteresseerd zijn in wat ik met zoveel passie doe, mensen die nog een klein beetje appreciëren dat je de volwassenen van de toekomst zo intensief mogelijk en zo gedreven als maar kan probeert klaar te stomen voor het echte leven, al dan niet met veel vakantie...


    08-10-2015 om 14:39 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:leerkracht
    >> Reageer (0)
    07-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leraars: sta op tegen terreur van de 'teacherpreneurs' & neomaniakken


    Toespraak Karel van Holland (Website BON (=Beter Onderwijs Nederland)

    recensie door Ton Bastings.

    Futuristische onderwijsnovelle

    Centrale idee: ",,Leraar, wees een rebel, zegt onze staatssecretaris van onderwijs. Ja, zeg ik tegen de leraren van Nederland, wees een rebel voor de deugd. Hoe vaak horen leraren niet dat het anders moet, dat het beter moet? Hoe vaak horen leerlingen niet dat ze ongemotiveerd zijn, dat ze lui zijn? Dit moet stoppen. De leraren, de leerlingen: ze zijn goed zoals ze nu zijn! De deugd is de vriend van het onvolmaakte. Ik zeg, om het sublieme ervan: lang leve het onvolmaakte Nederlandse onderwijs!”

    Voorpublicatie uit ‘Het Congres’ (deel hoofdstuk 6) van Joes Kuijs

    Het Congres, de onderwijsnovelle van Joes Kuijs, speelt zich af in 2032. Staatspedagogen bepalen in die tijd volledig wat er wel en niet mag in de klas. Karel van Holland, teamleider en leraar filosofie, houdt tijdens een congres een speech over zijn onderwijsvisie. Een utopist brengt hem tijdens dat congres echter op andere gedachten. Opstand en verzet tegen de pedagogische innovatiedictatuur is de enige weg om het onderwijs te redden. BON publiceert uit Het Congres de lezing van Karel van Holland. Als genre is Het Congres uniek. We kennen lerarenromans en onderwijsromans, maar geen futuristische onderwijsnovelle. De novelle doet zowel denken aan George Orwell 1984 als aan ‘De toespraak tot de hoofden van Lebak’ uit de Max Havelaar van Multatuli. Kuijs laat duidelijk zien dat de toekomst van ons onderwijs vandaag wordt bepaald.

    ,,Dames en heren. Goedemiddag.”

    Hij keek even naar zijn publiek. Stuk voor stuk toegewijde leraren, vermoeid gemaakt door het beleid van de Staatspedagogen, monddood gemaakt door de Innovatiecommissie. En toen was het, alsof er iets in hem knapte. Een frustratie die al jaren aanwezig was, maar die door zijn ontmoeting met ras-idealist Melvin of Seattle een laatste duwtje had gekregen. Hij wist plots: het is nu of nooit. De leraar moet zijn vrijheid terug krijgen, moet zijn stoffig zelve weer kunnen zijn, het moest maar eens afgelopen zijn met dat valse idealisme, dat doorgaat onder het modewoord ‘innovatie’!

    ,,Worden wie je bent, je kernkwaliteiten leren… Vanzelfsprekende motivatie, verantwoordelijkheid voor de geestelijke wereld nemen: het bewaken van je geestelijke grenzen...

    Pang, pang, pang! Zomaar wat dingen die ik tijdens dit congres heb opgepikt.

    Een congres over de toekomst van ons onderwijs. Een belangrijk congres. Want onderwijs gaat ons allemaal aan. Dat geldt niet alleen voor u, directe betrokkenen, maar voor ieder die in onze samenleving is opgegroeid. Geruisloos maakt het onderwijs onze wereld aangenaam: door via een rijke kennistraditie waarden als vrijheid, tolerantie, medemenselijkheid aan de mens mee te geven. Geruisloos. Want hoe mooi de net genoemde woorden ook klinken, ze duiden het echte leven niet aan. Dit, ja, ook dit hier..”

    Karel wees via de grond onder zijn voeten, met zijn vinger de zaal rond.

    ,,… is rauw… bewegelijk. Goed onderwijs dient deze eigenschappen ook te hebben. Je probeert leerlingen iets bij te brengen, maar je weet nooit of dit echt lukt. En dat is ook niet erg! Want zeg nu zelf: wie van u is in staat zich aan die onmogelijke Innovatienormen te houden?

    Ik weet: ik zou u eigenlijk iets vertellen over mijn teamvormingsmethode, ‘transparency maintenance’. Maar ik ga het anders doen. Ik ga u oproepen om in opstand te komen. Tegen de voortdurende innovatiedwang, tegen de terreur van de ‘teacherpreneurs’. Dit zal ik doen door u de staat van de huidige onderwijsdiscussie te schetsen, met als conclusie: we zijn wel erg ver afgedwaald van de kern van het leraarschap. Deze is: de vakbekwaamheid, een groot hart en vooral: de eigen onvolmaakte wijze deze twee in praktijk te brengen. Goed onderwijs, zoals goed leven, is alleen bij benadering te bepalen. Als een deugd. Daarom doop ik de titel van mijn lezing om tot: deugdelijk onderwijs.

    Dames en heren, beste leraren. Het is een toenemende neiging van onze tijd om het onderwijs een direct opvoedende taak te geven. We weten allemaal van de ‘volwassenheid’, waar wij onze leerlingen naartoe zouden moeten leiden; ik geef de definitie nog even, zoals deze door de Staatspedagogen is vastgesteld:

    ‘Een mentale toestand, waarbij de mens in staat is de eigen kwaliteiten optimaal te benutten, met als doel het leven van de medemens aangenamer te maken; vanuit het besef dat deze toestand door iedereen anders wordt beleefd’.

    Dit leidde tot de bevrijding van de leerling, jaja! Maar de leraar, u allen, gaat geboeid door het leven. Trap niet langer in de praatjes van de coaches en de trainers. Hoe interessant het ook allemaal lijkt, het idee, dat leerlingen kernwaarden van het eigen karakter is te leren, is een slechte ontwikkeling gebleken. Niet alleen heeft dit geleid tot slechte proza – zoals ‘het prachtige risico van onderwijs’: wat een misbruik van het bijvoeglijk naamwoord! – een pedagogische dictatuur was het gevolg. Kijk, er is in de kern niets mis met pedagogiek. Deze is ontstaan uit de wens meerdere lagen van de bevolking goed onderwijs te kunnen geven, en belichaamt de emancipatorische functie van het onderwijs. Melvin of Seattle, waar je ook bent… stop met proberen in de gunst te komen van de Innovatiedictatuur, blijf gedichten maken zoals je net liet horen:

    De wetenschap

    behoudt de heersende

    klasse in stand

    De heersende klasse

    wordt door de wetenschap

    bemand, schept de wereld

    valt nooit van de rand

    zoals mensen deden

    zoals mensen doen

    die van onbesproken blazoen

    in benauwde steden

    met kinderen in katoen

    buiten zichzelf treden

    zo was de wereld van toen

    zo is het in het heden

    Dat is nu een pedagogische waarheid! Maar het besef van de fundamentele ongelijkheid in de wereld is bij ons allen aanwezig, toch? En zo ook de unieke mogelijkheid om hier via deugdelijk onderwijs iets aan te kunnen doen. Al is het maar iets! Maar het is vooral de vormende werking van kennis, niet het superieure levensbesef van enkele betweters, die het middel hiertoe vormen.

    Natuurlijk, er zijn gelukkig nog steeds leraren die kenniseisen stellen. Zij overleven door zich flexibel op te stellen. ‘Buig een beetje mee, maar blijf ondertussen doen wat je altijd doet’ is hun credo. Ik moet toegeven: ik was één van hen. Maar ik heb vandaag ingezien dat er maar één weg is die ons uit de onderdrukking haalt: verzet! Mensen, we kunnen wel meedoen in de klaagzang over het gebrekkige taal- en rekenniveau van de Nederlander, maar pak dan ook door. Verabsoluteer de waarde van kennis weer, die achter deze klaagzang schuilt. Wees weer trots op de inzichten die je door je academische studie hebt vergaard, draag dit over aan je leerlingen. Durf kennis weer de vormende waarde te geven, dit te doen, dat is pas een ‘prachtig risico’: want deze waarde is in zijn wezen onvolmaakt.

    Beste, lieve enthousiaste, groothartige leraren: durf jezelf weer te zijn, durf hiervoor ook de samenwerking te zoeken, balanceer tussen het eigenzinnige en het samen, tussen kennis en relatie. Doe dit, en je mag hopen op een bescheiden bijdrage aan iemands ontwikkeling. Onderwijs gaat ons allemaal aan… maar moet niet teveel gewicht krijgen. Dit is de grootste fout die de afgelopen jaren is gemaakt…”

    Karel was al op weg naar zijn flipover om de sleutelwoorden van zijn lezing met geestdrift neer te stiften, toen Melvin of Seattles’ plasmahologram plots weer tevoorschijn kwam. Dit keer kleurde het de volledige congresruimte in regenboogtinten. Hier doorheen danste de zin Het onderwijs = een bepaalde manier van doen. Terwijl Karel vertwijfeld naar het midden van de zaal liep, ontstond een lichte golf van blijde opwinding. Hij zag zijn team, dat zichtbaar genoot. Helena en Jo overlegden even, en riepen toen drie keer:

    ,,Laat de leraar met rust!”

    Alberto stond op en zwaaide kort met zijn linkerarm. Hierdoor dwarrelden de woorden deugdelijk onderwijs door de congresruimte, als lentebloesem in een onstuimige wind. Karel ging zitten. Drukte zijn microfoon aan. Vanaf nu zouden zijn woorden schallen door de zaal.

    ,,Leraar, wees een rebel, zegt onze staatssecretaris van onderwijs. Ja, zeg ik tegen de leraren van Nederland, wees een rebel voor de deugd. Hoe vaak horen leraren niet dat het anders moet, dat het beter moet? Hoe vaak horen leerlingen niet dat ze ongemotiveerd zijn, dat ze lui zijn? Dit moet stoppen. De leraren, de leerlingen: ze zijn goed zoals ze nu zijn! De deugd is de vriend van het onvolmaakte. Ik zeg, om het sublieme ervan: lang leve het onvolmaakte Nederlandse onderwijs!”


    07-10-2015 om 12:47 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:nieuwlichterij, neamanie
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Knuffelpedagogiek (VS, CEGO-Leuven) versus Franse gezagsvolle pedagogiek

    Knuffelpedagogiek zoals in VS, ervaringsgericht kleuteronderwijs van prof. Laevers/CEGO .... versus gezagsvolle aanpak in Frankrijk

    Scherp gesteld komen de Franse en de Amerikaanse opvoedingslogica’s hier op neer. Voor Amerikanen is het kind koning en opvoeding competitiesport. .... Kinderen zijn kwetsbare kasplanten, hun driftbuien moet je er als ouder gewoon bijnemen terwijl je voortdurend meespeelt, troost en bemiddelt.

    In Frankrijk daarentegen moeten kinderen hun plaats... kennen, met twee woorden spreken en geduld leren oefenen. Hun nukken pikken is wel het laatste wat je doet als ouder. De wereld draait immers niet om hen en dat kunnen ze maar best van kindsbeen af leren. Dat de Fransen in Druckermans ogen amper opvoedingsstress kennen, verwondert dan ook niet. Maar haar aanvoelen wordt bevestigd door Krueger, Kahneman e.a. die in 2009 een vergelijkende studie publiceerden over het subjectieve welbevinden in de VS en Frankrijk.

    Druckerman out zich niet alleen omwille van haar eigen mamacomfort als fan van de Franse opvoedingsstijl. Ze komt tot het besef dat die verre van autoritair is en zwijgen niet tot hoogste goed verheft. Fransen respecteren kinderen juist enorm. Blijkbaar is de natie doordrenkt van het gedachtegoed van de in 1988 overleden Franse pediater en psychoanalyste Dolto. Kleine kinderen zijn rationele wezens, punt. Peuters zijn in staat een kader van elementaire regels te begrijpen. Punt, andere lijn. Dat kader biedt kinderen klaarblijkelijk houvast. Erbinnen genieten ze grote vrijheid.

    Maar eigenlijk zijn het niet de pedagogische principes die haar overtuigen. Het zijn de successen van de Franse opvoedingspraktijk, in de speeltuin, thuis met vriendjes, overal aan tafel. Opvoeden à la Française leidt ertoe dat overgewicht van kleuters quasi onbestaande is. Kinderen worden ingewijd in alle smaken, geen enkele is te complex of intens. Variatie troef, ook in textuur en bereidingswijze. Schimmelkaas, andijvie, pourquoi pas?

    Meer weergeven
    Opvoedingsboeken en ik, dat gaat niet goed samen. Ik ben pedagoog voor iets. Maar er is er eentje waar ik graag een boom over opzet en waarmee ik vrienden en familie tot leesplezier verleid. Intere...
    kleutergewijs.wordpress.com

    07-10-2015 om 11:19 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Knuffelpedagogeik, CEGO, Laevers
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vereenvoudigde spellingregels werkwoordsvormen

    Vereenvoudigde spellingregels voor de werkwoordsvorme  zoals we die zelf in Onderwijskrant in 1991 al formuleerden (ook met werkwoord 'stammen') - ook voor de hogere klassen van de lagere school. Ik vond ze vandaag terug op website Brutaal

    mmm

    07-10-2015 om 11:18 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:spelling, werkwoordsvormen
    >> Reageer (0)
    06-10-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Terechte kritiek op curriculum-advies Platform Onderwijs2032

    Terechte kritiek op advies Platform Onderwijs2032 (zie website  onsonderwijs2032.nl)

    Hevig debat in Nederland over curriculum van de toekomst. Dit kan ook het (toekomstig) debat in Vlaanderen over nieuwe eindtermen en leerplannen stofferen.

    1. Algemene indruk van advies

      1.1 Philippens

      Een chaotisch rommeltje. Er is van alles op aan te merken. Uiteindelijk weer een taal minder. En Engels wat Nederlanders al makkelijk beheersen ook nog doortrekken naar de kleuterleeftijd. Wie bedenkt zoiets? En wie neemt dat dan serieus. Dan het misverstand over maatschappijleer. Dat vak dat vooral kennis over het culturele, het juridische, het sociaaleconomische en politieke systeem bijbrengt, waar leerlingen pas aan toe zijn in de hogere klassen, verengen tot goed gedrag van kinderen in de basisschool. Ook hier: wie bedenkt zoiets en gooit alles op een hoop.

      En dan, het loslaten van vakken die zich voortdurend laten voeden door wetenschappelijke disciplines en die onontbeerlijk zijn als basis om in het leven op voort te borduren. En vervolgens naar het thema-onderwijs toe te gaan zonder de kinderen de vakkennis bij te brengen die daaronder zou moeten liggen. Het is eigenlijk een ongelooflijk en armetierig zootje wat hier gebrouwen is.

      1.2 MMHOFF

      Wat mij stoort in het hele verhaal is de continue ‘framing’ van het huidige onderwijs. Het zou allemaal teveel gericht zijn op het verleden, teveel gericht op feitenkennis, teveel gericht op alles waarvan OnsOnderwijs2032 vindt dat het anders moet. Het voorstel is verder doorspekt met mooie vergezichten maar tussendoor zaagt het verhaal wederom aan de elementaire zaken waar het in het onderwijs naar mijn mening om gaat. En dat is dat de jeugd de beschikbare kennis over de wereld, over Nederland, over natuurkunde, over wiskunde, over Engels, Duits, statistiek, maatschappijinrichting, sport, enz. enz. krijgt aangereikt. Maar nee hoor, kan best “meer van minder” met als framingsuggestie: “het huidige onderwijs is te breed en dus te weinig diep”. Enige onderbouwing hiervan ontbreekt echter. Dus wat vind ik van het voorstel: een verhaal vol met holle retoriek dat bedreigend is voor de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs.

      2.Vraag over essentiële kennis en vaardigheden

      Advies luidt:  Er wordt veel minder vastgelegd. Dus veel  schrappen en meer open ruimte. Veel minder feitenkennis en parate kennis over geschiedenis, aardrijkskunde e.d.

      2.1 Marijke Kaatee

      Feitenkennis is de basis voor verder leren en het begrijpen van de omgeving waar je in opgroeit. Het voorstel om deze brede basis te versmallen stelt mij niet gerust. Hoe breder deze basis, hoe beter leerlingen in staat zijn keuzes te maken en hun voorkeuren te ontdekken. Leerlingen die veel van thuis hebben meegekregen en dus van huis uit een bredere basis hebben, verkeren in het voordeel. Het onderwijs heeft een emanciperende en socialiserende functie. Alleen daarom al is het belangrijk dat er niet meer kennis wordt geschrapt. Dus niet minder en ook niet minder van meer. Scholen die vrijheid bieden, terwijl er al veel vrijheid is ten aanzien van de uitvoering van ons kerncurriculum, kan er gemakkelijk toe leiden dat er leerlingen met gebrekkige fundamentele kennis van school komen.

      Leerlingen leren waardevrij te denken en niet achter hypes aan te lopen vraagt om brede kennis aanbrengen, om de eenvoudige reden dat veel leerlingen de verschillende waarden nog niet zelf kunnen vinden, naast elkaar kunnen zetten en vergelijken en een eigen onderbouwde mening kunnen vormen. Leerlingen moeten namelijk beschikken over een rijke context om zelfstandig na te kunnen denken, te kunnen vergelijken, gevolgen te kunnen overzien en een standpunt te kunnen innemen. Daarvoor moetenleraren expliciet doceren en leerlingen overladen met feiten, waarden en meningen van anderen om te leren deze te ordenen en op waarde te schatten.

      2.2 Manderss

      Geschiedenis e.d. als vak schrappen? Het gaat bij vakken zoals Geschiedenis niet om het leren van historische feitjes, maar om het zien van verbanden. Hoe komt het dat hedendaagse verschijnselen zo gegroeid zijn? Ik vind het afdoen van geschiedenisonderwijs als ‘historische feitenkennis’ kortzichtig geformuleerd. Zeker als jullie benieuwd zijn naar de Nederlandse geschiedenis en identiteit.

      2.3 MMHOFF

      Ik ben het eens met manderss: het voorbeeld van het vak geschiedenis trek ik graag door naar Het hele verhaal van OnsOnderwijs2032. Daarin wordt het huidige onderwijs weggezet met suggestieve termen zoals ‘teveel feitenkennis’, ‘opsomming van feitjes’ en meer van dit soort semantische trucs. Goedkope retoriek, meer is het niet. Vaardigheden als “creativiteit”, “een ondernemende houding” en “samenwerken” zijn niet het domein van de school. Natuurlijk komen deze zaken wel aan de orde maar het is nogal lastig om iemand creatief, ondernemend of samenwerkend te maken. Althans: ik veronderstel tenminste dat het niet de bedoeling is om creatieven nóg creatiever, ondernemers nóg ondernemender en teamworkers nóg ‘samenwerkender’ te maken.

      •manderss : In aanvulling daarop: mijn inziens bevordert de commissie door het gebruik van deze suggestieve termen de denkwijze dat kinderen alleen maar op school zitten om die dingen te leren die ze tot economische eenheden producerende Nederlanders maakt. Het onderwijs is ook niet bedoeld tot vraagbak van het bedrijfsleven. Niet alles is te economiseren!

    1. Veel werken met brede thema’s

      3.1 MMHOFF

      Slecht idee aangezien hiermee wederom vakkennis wordt uitgehold. De juiste volgorde is naar mijn mening: eerst kennis aanbrengen, dan met die kennis leren omgaan. Gelijk beginnen bij thema’s leidt tot hap-snap aanreiken van brokjes kennis die toevallig ergens passen.

      3.2 Marijke Kaatee

      Een thematische ingang voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs vraagt om generalistische (verschillende disciplines) leraren die hoogwaardige kennis op (universitair) niveau hebben om met leerlingen de diepte in te gaan en verbanden te kunnen laten zien. Die generalisten hebben we nagenoeg niet en zullen we in de toekomst ook niet hebben. Wie doet er nu nog twee of drie studies en gaat het onderwijs in?  …Realiseer je dat je op een bepaald niveau toch echt de vakken per vak zult moeten laten onderwijzen door specialisten en dat kan per vak verschillend zijn wanneer dat niveau wordt bereikt. De huidige kerndoelen geven goed inzicht waar de grenzen liggen!

      1. Riemke Leusink rector Christelijk Lyceum Zeist

        De programma’s van de IBO (international Baccalaurate Organisation), die ook op ca. 10 (internationale) scholen in Nederland gegeven worden, werken vanuit vakoverstijgende thema’s. Daarmee is dus al tientallen jaren ervaring opgedaan. Laten we het wiel niet uitvinden, maar daarnaar kijken. Dan zal je ook zien dat tussen droom en daad wetten in de weg staan en praktische bezwaren, zoals wij ook bij het vak NLT ervaren:

        (a) Het vergt veel vakoverstijgende kennis van docenten (ik ben universitair opgeleid historicus, en het geven van Social Studies vergde heel veel studie van de vakken ak en ec. Dus: heel veel nascholing. En dat lukt met de wet op de onderwijstijd niet: als docenten naar nascholing moeten (of moeten overleggen), vallen er lessen uit.

         (b)Het vergt roostertechnisch teveel om docenten van diverse vakken tegelijk in te roosteren. Door lokalentekort en part-time werkenden levert het vak NLT voor de hele school slechte roosters op. Ook de CAO werkt niet echt mee.

        4. Veel vrije ruimte voor invulling door de leerling zelf

        MMHOFF : Hier zweemt weer het ‘zelf bepalen van je eigen leerweg’ doorheen wat al meerdere keren grandioos is mislukt. Vraag een jongen van 15 wat hij wil leren en hij kijkt je glazig aan. Of nee, hij wil weten hoe je een brommer opvoert en hoe je een meisje versiert. Pas later weet hij dat het automatiseren van de Duitse naamvallen hem helpt op de arbeidsmarkt. Het is het prerogatief van de ‘oudere’ generatie om enigszins te kunnen inschatten wat de jeugd zo ongeveer nodig heeft om straks het werkzame leven goed in te gaan. Het blijven natuurlijk inschattingen want u weet: voorspellen is lastig, met name waar het om de toekomst gaat.

        5. Veel aandacht voor persoonlijke ontwikkeling

        5.1 MMHOFF

        Persoonlijke ontwikkeling is m.i. geen primaire taak van de school. Dit is ten eerste een taak van de ouders en daarnaast is persoonlijke ontwikkeling ook iets dat perfect past bij bijvoorbeeld een voetbalclub. Al bij de F-jes leren de kinderen niet alleen spelplezier maar ook discipline (op tijd komen, teamwork leveren etc.).

        5.2 Pieter

        Het ligt er natuurlijk maar aan wat je onder persoonlijke ontwikkeling verstaat. Wat mij betreft hoort persoonlijke ontwikkeling geen enkele plek te hebben in het onderwijs. Persoonlijke ontwikkeling valt onder het domein opvoeding en het domein van de eigen persoon, het laat zich niet onderwijzen. Hoe kan men iemand nou leren zijn persoon te ontwikkelen?

        Persoonlijke ontwikkeling dat gaat vanzelf en is mede gebaseerd door kennis-onderwijs dat wél thuis hoort op scholen. Filosofie hoort daar wat mij betreft bij maar ik kan me voorstellen dat ze geslachtofferd zal moeten worden om de kernvakken meer aandacht te kunnen geven. Het idee van de persoon die zichzelf in alle richtingen ontwikkelt tot een beter persoon is altijd al onderdeel geweest van levensvisies van verschillende culturen van de Grieken via het onderwijs van kerkgeleerden in die middeleeuwen tot de moderne tijd. Ze vormt de wortel van het moderne onderwijs. Máár geen enkele keer is persoonlijke ontwikkeling een doelstelling geweest waarvoor ruimte in het onderwijs moest komen. Persoonlijke ontwikkeling is niet iets dat men onderwijst, dat gaat vanzelf, via alle zaken die iemand mee kan maken in het leven. Via opvoeding, via kennis-onderwijs de voetbalclub, maar niet als directe doelstelling voor scholen. Daarmee berooft men het onderwijs van kostbare tijd voor het onderwijzen! Ik ben het dus eens met @MMHOFF

        Veel ernstiger nog is nog de positie van @meedenker die via een link ook nog persoonlijke ontwikkelingsonderdelen als mindfullness lijkt te willen toevoegen aan de zinloze discussie over de inhoud van persoonlijke ontwikkeling in het onderwijs. Onderwijs is het domein van kennis. Deze kennis kan men later alle richtingen in uitbreiden zolang men de basis maar vat.

        6. Wetenschappelijk onderbouwing

        Kees Verde: Ik respecteer de deskundigheid van de 8 leden van de Platform-commissie. De leden zijn ervaren en gerenommeerd. Maar ik mis een lijst met recente onderzoeksrapporten, waarop de voorlopige voorstellen van het Platform zijn gebaseerd. Daarbij bedoel ik verslagen van zorgvuldig experimenteel-wetenschappelijk effectonderzoek, die zijn gepubliceerd in peer reviewed magazines. Vooral buitenlandse onderzoeken vind ik daarbij belangrijk, want Nederland is slechts een miniatuurlandje. En we moeten voorkomen dat we beleid ontwikkelen vanuit een landelijke tunnelvisie, belemmert door ‘groepsdenken’, ondanks alle goede bedoelingen.

        Er mag natuurlijk ook ruimte zijn voor ideologie, moraal, intuïtie en persoonlijke ervaringen, bij de ontwikkeling van landelijk overheidsbeleid. Maar daarbij mogen we niet voorbij gaan aan een gestructureerde rationele analyse, op basis van bestaand experimenteel effectonderzoek.


    06-10-2015 om 22:26 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Tags:curriculum, onderwijs2032
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Prof. Duyck over jargon in aula, sociale doorstroming, taalproblemen allochtone leerlingen

    Prof. Wouter Duyck heeft gelijk:1. Jargon uit de aula bannen zal de diversiteit niet vergroten. 2. Vlaams onderwijs presteerde de voorbije decennia wel goed qua sociale doorstroming 3.Taalproblemen moeten vroeger aangepakt worden.

    Leg de lat niet lager
    06 oktober 2015 | Wouter Duyck, Professor cognitieve psychologie (UGent)

    Situering: socioloog Jelle Mampaey stelde gisteren in DS dat docenten hun manier van lesgeven moeten aanpassen ('Alleen mooie woorden over gelijke kansen'). Hij pleitte voor ‘andere onderwijsmethoden’ met ‘minder abstract taalgebruik’. M. wijst op het taalprobleem, maar het zijn vooral Mampaey's collega's -sociologen en neerlandici - die zich als taalachterstandsnegarionisten steeds verzet hebben tegen intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.

    -----------------
    Basisstelling van Duyck: Eenvoudiger taalgebruik in de Vlaamse aula’s zal jongeren uit kansengroepen niet vlotter aan een diploma helpen. Iedereen die getalenteerd en gemotiveerd is moet, los van zijn sociale achtergrond, toegang hebben tot kwaliteitsvol hoger onderwijs. De lat lager leggen zal de sociale mobiliteit noch de welvaart verhogen, zegt Wouter Duyck.

    Vlaams onderwijs presteerde wel goed qua onderwijsmobiliteit tussen generaties!
    ...Eerst de stand van zaken: het Vlaams onderwijs deed het de voorbije decennia helemaal niet slecht qua onderwijsmobiliteit tussen generaties: heel veel Vlaamse kinderen halen een hoger diploma dan hun ouders. Binnen de Oeso heeft alleen Finland een betere diplomamobiliteit dan Vlaanderen.

    Commentaar Raf Feys: Vlaamse sociologen als Nicaise, Jacobs ... dat er geen sprake geweest is van externe democratisering en sociale doorstroming: "In de ogen van deze onderzoekers heeft de grote expansei van het onderwijs sinds de jaren 1960 niet geleidtot een democratisering in termen van gelijke kansen" (Een kwarteeuw onderwijs in eigen beheer, Acco, p. 38).

    -----------------------

    Mampaey haalt wel terecht aan dat te weinig jongeren met een migratieachtergrond doorstromen naar hoger onderwijs. . Volgens Mampaey ligt het probleem, en dus ook de oplossing, bij onderwijsmethoden.
    Hoe dat radicaal andere onderwijzen er dan uit moet zien, daarvoor verwijst de socioloog zonder nadere uitleg naar zijn collega’s pedagogen die zouden hebben aangetoond hoe het moet. Hoe dat er dan zou moeten uitzien, is echter hoogst onduidelijk.
    Als concrete maatregel stelt Mampaey voor om in het academisch onderwijs minder abstract taalgebruik en jargon te hanteren. Eenvoudiger universitair onderwijs dus.

    ... Het academisch onderwijs in Vlaanderen is van zeer goede kwaliteit en weinig docenten gebruiken bewust moeilijker taal dan nodig is om de boodschap over te brengen. Er zal hier en daar wel wat aan jargon kunnen geschaafd worden, maar de winst die kan worden geboekt op het vlak van onderwijsparticipatie door taalgebruik te optimaliseren, zonder aan inhoud of niveau te raken, is verwaarloosbaar. Als Vlaanderen een kenniseconomie wil zijn, moet men de verwachtingen ten aanzien van toekomstige universitairen geenszins verlagen.Excellentie aan onze universiteiten is geen hinderpaal, maar een noodzaak voor maatschappelijke, en sociaal rechtvaardige, welvaart.

    -----------------------------

    Taalproblemen moeten vroeger aangepakt worden, maar taalachterstandsnegationisten blijven zich verzetten tegen intensief NT2

    Duyck stelt ook terecht: "En de taalproblemen van die jongeren moeten veel vroeger geremedieerd worden, niet aan de universiteit."

    Commentaar: We stelden al dat uitgerekend de vele taalachterstands-negationisten ( onderwijssociologen,neerlandici van CTO-Leuven en van het Gents Steunpunt Diversiteit en Leren ... ) zich blijven verzetten tegen de invoering van intensief NT2, tegen het bij voorkeur speken van Nederlands tijdens én buiten de lesuren... Jammer genoeg behoort ook Machteld Verhelst, ex-medewerkster CTO-Leuven en momenteel topvrouw pedagogisch bureau katholiek onderwijs, tot degenen die intensief NT2-onderwijs niet wenselijk vinden.
    .

    Eenvoudiger taalgebruik in de Vlaamse aula’s zal jongeren uit kansengroepen niet vlotter aan een diploma helpen. Iedereen die getalenteerd en gemotiveerd i...
    standaard.be

    06-10-2015 om 11:05 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!