Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    29-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De taal- en maatschappijvisie van taalrelativisten & superdiversiteitideologen Van Avermaet, Blommaert & vele anderen

    De taal- en maatschappijvisie van taalrelativisten & superdiversiteitideologen Van Avermaet, Blommaert & vele anderen:

    *integratie is niet zo belangrijk & zelfs onmogelijk in zo'n diverse maatschappij; de kennis van het Nederlands is dus ook niet zo belangrijk *

    En dus verzetten Piet Van Avermaet en zijn GOK-Steunpunt zich dus ook al lang tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs; tegen de vele lessen Nederlands binnen OKAN en NT2-cursussen voor volwassenen…., tegen de taaloproepen van de ministers Vandenbroucke, Smets en Crevits, …  En tegelijk pleiten ze dan voor het  intens gebruik van de moedertaal op school, voor het eerst leren lezen en rekenen in het Tuks (cf. experiment in Gent o.l.v. Van Avermaet) …

     

    Wiens Nederlands? Over taalnaïviteit in het beleid. (Jan Blommaert en Piet Van Avermaet)

    13 januari 2013

    Citaat vooraf: “Foute opvattingen liggen aan de grondslag van het beleid rond Nederlands aan migranten. Men gaat ervan uit dat Vlaanderen een eentalig Nederlands gebied is, dat men zonder Nederlands onmogelijk kan functioneren in dit land, dat kennis van het Nederlands allerhande mogelijkheden opent die er anders niet zouden zijn. Men gaat er eveneens van uit dat de talen van de migrant een obstakel zijn voor inburgering, dat ze bijvoorbeeld een negatieve invloed hebben op de leerresultaten van allochtone kinderen, dat die kinderen vanuit hun achtergrond een taalprobleem hebben”

    Wanneer we de feiten volgen en erkennen dat Vlaanderen een meertalige samenleving is, dan zien we nu twee dingen  Ten eerste, we zien dat de Vlaamse nadruk op ééntaligheid een ideologische nadruk is, geen feitelijke. …De suggestie dat men enkel een goeie buur kan zijn wanneer men Nederlands spreekt gaat uit van de veronderstelling dat men Nederlands nodig heeft in die buurt, en dat die buurt normaal gezien eentalig Nederlands is. Op de feitelijke sociolinguïstische structuur van die buurten komen we verder nog terug, maar we kunnen hier al melden dat die buurten vanzelfsprekend door-en-door meertalig zijn. De ideologische norm mag dan eentaligheid zijn, het hier gegeven empirische perspectief keert deze norm op z’n kop: de feitelijke norm is meertaligheid. Er is dus een groot verschil tussen de taalideologische norm en de sociolinguïstische norm. Een gezond beleid zou de laatste als uitgangspunt moeten nemen.

    We zien echter nog een tweede zaak. De norm is selectieve meertaligheid. De meertaligheid van de ene wordt gezien als een verrijking, als een belangrijk instrument, terwijl die van de andere wordt gezien als een probleem, als een obstakel voor een goede sociale cohesie en vlotte gang van zaken. Het is een welbekend fenomeen: niet elke taal is gelijk, en slechts enkele talen tellen mee als positieve qualificaties. …We zien dus een onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid, en noteer dat ‘goeie’ meertaligheid gewoonlijk niet als meertaligheid gezien wordt: het zijn gewoon extra qualificaties van mensen die zichzelf doorgaans als volmaakt eentalig beschouwen. We hebben hiervoor zelfs een andere term: taalkennis. Een Vlaming ‘kent zijn talen’, maar is naar eigen zeggen en zelfbeeld eentalig, niet ‘meertalig’, en de Vlaamse Regering beschouwt zichzelf niet minder eentalig Vlaams omdat ze zich van een Engelstalige propagandamachine bedient. Dat soort reële meertaligheid is derhalve een blinde vlek in ons denken, een typisch ideologisch effect: we geloven in de norm, ook al wijzen alle feiten in een andere richting.

    Ons eigen onderwijssysteem is hiervan (letterlijk) een schoolvoorbeeld. Onderzoek in de opvangklassen voor ‘anderstalige nieuwkomers’ in een aantal Vlaamse scholen toonde aan dat de meertaligheid van die anderstalige nieuwkomers geen enkele waarde had als taalbagage. Concreet: een kind dat Russisch, Georgisch en wat Engels spreekt, en vlot kan schrijven in het Cyrillische alfabet, werd gezien als een taal-loos en ongeletterd kind, een kind dat geen taal spreekt om een courant Vlaams gezegde te hanteren. De zeer ontwikkelde taalbagage van dat kind werd eenvoudigweg weggetoverd, want het kind ontbeerde één reeks zeer specifieke taalmiddelen: Nederlands. Zolang het kind geen Nederlands kende was het taal-loos en ongeletterd, ook al was het perfect in staat om lange en complexe uiteenzettingen te doen, mondeling en geschreven, in andere talen.[4] Dat soort meertaligheid is dus ongeldig.

    Het doel van dit opvang-onderwijs (OKAN) is de kinderen uiteindelijk te mainstreamen, ze in de ‘gewone’ klassen te kunnen opnemen, waar ze dan na enige tijd naast Nederlands ook Frans en Engels aangeleerd krijgen, en zo een nieuw ‘meertalig’ individu worden. Dat laatste soort meertaligheid is geldig, en het danst op een solide vloer van Nederlandse eentaligheid.

    Slotsom: we leven in een meertalige samenleving, die echter een onderscheid maakt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meertaligheid. Het zelfbeeld van eentaligheid, zowel als het onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid zijn allebei ideologische fenomenen. In realiteit hebben ze geen enkele relevantie: we zijn niet eentalig, en ook ‘slechte’ meertaligheid is belangrijke meertaligheid voor zij die ze gebruiken, zoals we verder nog zullen zien. Maar één brok naïviteit hopen we uit de wereld te hebben geholpen: de idee van de eentalige norm.

    Welk Nederlands?

    Een tweede brok naïviteit gaat over taal zelf: datgene wat men verstaat onder een term zoals ‘het Nederlands’. Noteer dat namen van talen steeds in het enkelvoud staan: ‘het’ Nederlands, ‘mijn’ Frans, ‘zijn’ Engels. Dat is op zich een uiting van een andere taalideologie: dat elke taal kan gezien worden als één coherente brok elementen – woorden  en structuren (de grammatica). Een moedertaalspreker wordt geacht al die dingen volledig te beheersen, en we zullen van een anderstalige zeggen dat hij/zij ‘de taal goed spreekt’ wanneer we weinig grammaticale fouten en een ‘rijke’ woordenschat menen te bespeuren. Meertaligheid wordt dan ook vaak gezien als ‘volledige’ beheersing van twee of meer dergelijke systemen, en het aanleren van een taal heeft vaak dat doel voor ogen: de taal leren beheersen zoals een moedertaalspreker. Het is een axioma in onze samenleving dat migranten dit doel niet bereiken en derhalve verschillende vormen van ‘taalachterstand’ hebben – dit axioma is onderliggend aan dozijnen ‘inburgerings-’ of ‘integratie’ maatregelen. Die taalachterstand gaat men dan pogen te remediëren door taalonderwijs, en de ‘Huizen van het Nederlands’ zullen hierbij een steeds belangrijker rol gaan spelen.

    Welk Nederlands heeft men echter voor ogen? Wanneer men zegt dat een migrant ‘taalachterstand’ heeft, welk specifiek brokje Nederlands ontbreekt dan? Want daar gaat het om: meertalige competentie is in de regel specifiek georganiseerde competentie, een competentie die ontwikkeld is voor bepaalde specifieke communicatietaken maar niet voor andere. …Wie ons in een universitair auditorium bezig hoort zal de indruk hebben dat hier een zeer competent spreker van het Engels staat; de loodgieter of de magazijnier van de supermarkt zal evenwel de indruk hebben dat we Engels-onkundige buitenlanders zijn.

    Meertalige repertoires zijn zo gevormd, ze bestaan niet uit ‘talen’ maar uit specifieke stukken taal: genres, stijlen van taalgebruik, bepaalde speciale registers voor bepaalde themata, enzovoort.[5] Het is een fenomeen dat we allemaal kennen: we verstaan gesproken Duits maar kunnen het niet schrijven, spreken een mondje Spaans maar kunnen het niet lezen, kennen genoeg Italiaans om ons ongehavend door een maaltijd in Italië te loodsen maar niet genoeg om een theatervoorstelling bij te wonen. En dat geldt evenzeer voor onze ‘moedertaal’ …

    Wanneer we nu stellen dat migranten een ‘taalachterstand’ hebben, of stellen dat ‘een goede kennis van het Nederlands essentieel is voor de sociale kansen van migranten’, dan moet meteen de vraag gesteld worden over welk stuk Nederlands men het heeft. Immers, wat we uit onderzoek opmaken is dat ‘migranten’ vaak specifieke Nederlandstalige competenties hebben – in een migrantenbuurt is het niet ongewoon dat men een Turkse bakker zijn Russische of Congolese klant in het Nederlands hoort aanspreken. De taalcompetenties zijn echter beperkt en specifiek taakgericht: ze dekken onmiddellijk relevante communicatietaken op de werkvloer, in de onmiddellijke buurt, in winkels en in contacten met openbare diensten. Nieuwkomers zijn vaak perfect in staat zich in het Nederlands staande te houden als winkelbediende, kelner of chauffeur, of tegenover bedienden van het ziekenfonds, de politie of het OCMW. Ze hebben echter niet de specifieke competenties die nodig zijn om een gesprek met een CLB-psychologe te volgen, om het huiswerk rekenen van hun kinderen te begeleiden of om de les aardrijkskunde op te vragen in het vooruitzicht van de toets van morgen. Dat betekent niét dat ze Nederlands-onkundig zijn; ze zijn onkundig in het specifieke Nederlands dat deze taken vereisen, en dit is een probleem van dezelfde orde dan dat van een hoog opgeleide Vlaming die de technische uitleg van een bacterioloog niet begrijpt.

    De meertaligheid van migranten is dus specifiek georganiseerd en meestal zit het Nederlands op een bepaalde plaats in het repertoire. Waar moeten we beginnen om dit te onderzoeken? De beste plaats is de buurt waarin ze vertoeven. We weten allemaal dat ‘migranten’ zich niet eender waar huisvesten, maar in de regel belanden in goedkope segmenten van de huisvestingsmarkt: in migrantenbuurten. In die buurten zien we een zeer ingewikkelde meertaligheid aan het werk, waarbij de verschillende talen van migranten – de ‘slechte’ meertaligheid van hierboven – uiterst belangrijke functies vervullen voor het opbouwen en in stand houden van essentiële economische en sociale netwerken.[7] Immers, de etnische homogeniteit (in zoverre die bestond) van ‘migrantenbuurten’ heeft in de jaren negentig plaats gemaakt voor een veel diverser populatie, zowel etnisch als sociaal-economisch, en dat heeft op zijn beurt geleid tot een veel ingewikkelder samenspel van talen en taalcompetenties. …

    Wanneer een Nigeriaan immigreert in de Gentse Rabotwijk, een buurt waar de autoriteitsfiguren – de lokale middenklasse van handelaars en een opkomende generatie van intelligentsia – overwegend Turks zijn, dan is kennis van het Turks voor die Nigeriaan vaak belangrijker dan kennis van het Nederlands. Zijn huisbaas is immers Turks, en kennis van een beetje Turks kan hem een baantje opleveren in één van de vele Turkse handelszaken in de buurt. Onze Nigeriaan heeft bovendien een aantal verwanten en kennissen in Antwerpen, Rijsel en London, en daarmee communiceert hij via de GSM in Nigeriaans Pidgin-Engels en in Yoruba, zijn thuistalen.[8] Het publieke domein van die Nigeriaan kan daarenboven gedomineerd worden door MTV en CNN, niet door VRT en VTM, en daardoor is Engels een belangrijker taal dan Nederlands. Nederlands heeft in zo’n buurt zeer beperkte functies die bepaalde variëteiten van het Nederlands vereisen, en die variëteiten – geen andere – gaan deel uitmaken van het repertoire van onze Nigeriaan. Zijn leven speelt zich immers niet af in ‘Vlaanderen’ in het algemeen maar in de Rabotwijk van Gent, en de daar heersende taalpatronen zijn degene die aanpassing afdwingen. De migrant past zich aan aan z’n reële habitat, de migrantenbuurt, niet aan Sint-Martens Latem of Brasschaat, en die habitat vereist ‘slechte’ meertaligheid. Wie de woonkamer van onze Nigeriaan binnenkomt zal dan ook taalvermenging horen. De TV staat op MTV en schalt luidkeels Engelstalige songs. Met z’n vrouw spreekt de Nigeriaan Yoruba vermengd met Pidgin-Engels; de kinderen worden aangesproken in Pidgin-Engels vermengd met Nederlands (yu wan do huiswerk?) maar antwoorden in vlekkeloos Nederlands met een Afrikaans accentje (straks mijn huiswerk doen!). Op tafel ligt een exemplaar van de Nederlandstalige Metro, en met ons spreekt de Nigeriaan een mengsel van Nederlands en Engels. Het is hoog tijd dat men de retoriek inzake ‘thuistaal’ versus ‘schooltaal’ herziet in het licht van dit soort intense meertaligheid: ze is de regel en niet de uitzondering in een globaliserende samenleving.

    Men kan dit betreuren, maar het is een feit: Nederlands is voor veel migranten in ons land lang niet de belangrijkste taal en zal dat ook niet snel worden. De reden is niet onwil of onkunde om het Nederlands te leren, en evenmin is het een ‘verkeerde keuze’ vanwege de migranten. Het is een effect van elementaire sociologische processen die ervoor zorgen dat bepaalde groepen van mensen in bepaalde buurten (moeten!) gaan samenwonen, daar netwerken vormen, en economische, sociale, culturele en politieke processen in gang zetten. De zogeheten ‘onkennis van het Nederlands’, of de ‘taalachterstand’ van migranten, is dan ook een gevolg van een bepaalde sociale positie, van marginaliteit, of wat we ietwat handiger zouden kunnen omschrijven als een volmaakte integratie in de marge van onze samenleving. Het is een indicator van een sociaal probleem, geen oorzaak ervan, en die vergissing lijken onze beleidsmakers steeds vaker te begaan.

    Samenvattend: Vlaanderen is geen eentalig gebied, maar het maakt een ideologisch onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid. De ‘taalachterstand’ van migranten is een gevolg van hun marginale sociale positie, en slaat in de regel op de afwezigheid van zeer specifieke taalcompetenties uit het meertalige repertoire van migranten. Die taalrepertoires (vaak opgebouwd uit ‘slechte’ meertaligheid) bieden een diagnose van de situatie van migranten: doorheen de structuur van die repertoires leest men de sociale netwerken van de migrant af, z’n reële taalbehoeften en mogelijkheden, en ook ‘slechte’ meertaligheid blijkt daarin een cruciale rol te spelen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan ook geen probleem maar een probleemoplossend instrument voor de migrant. En bijgevolg bestaat er geen algemeen geldend recept voor de remediëring van ‘taalachterstand’: zo’n remedies moeten gebaseerd zijn op een realistische en accurate inschatting van de behoeften, mogelijkheden en gebreken. Zoniet biedt men mensen een volkomen nutteloos instrument aan: een paar rolschaatsen om zich tegen de regen te beschermen. Zolang onze Nigeriaan in de Rabotwijk blijft wonen en niet naar Sint-Martens Latem kan verhuizen, en zolang de Turkse migrantengemeenschap zich sociaal-economisch verder emancipeert in die buurt (wat men moeilijk kan bestrijden) zal hij Turks nodig hebben.

    Wiens Nederlands?

    Een laatste element van taalkundige naïviteit slaat op de wijze waarop mensen taal gaan gebruiken.. Met andere woorden, de kwestie is hier: wat gebeurt er wanneer onze migranten wél Nederlands kennen?

    Twee elementaire zaken moeten eerst aangegeven worden. Ten eerste, ‘het Nederlands’ is vanzelfsprekend in realiteit een bonte collectie van varianten, van accenten, registers en stijlen. Er zijn geen twee mensen die precies hetzelfde Nederlands spreken. ..Ten tweede: elke vreemde taal wordt aangeleerd met een accent, want net dezelfde wetten gelden in die vreemde taal. …Migranten die Nederlands leren, leren het dus met een accent, en dat is normaal. De uitkomst van dit leerproces is dan ook het ontstaan van nieuwe taalvarianten in het Nederlands, nieuwe dialecten zo men wil: Turks-Nederlands, Marokkaans-Nederlands, Georgisch-Nederlands, Congolees-Nederlands, noem maar op. En elk van die varianten kan op zijn beurt nog regionaal gekleurd zijn, want iedereen leert Nederlands in een bepaalde plaats. We krijgen dus Georgisch-Nederlands met een Antwerps, Gents, Hasselts accent. Die varianten bestaan reeds, en hoe meer en meer diverse migranten er zijn, hoe verder het Nederlands zich diversifieert. Het is dan immers niet langer enkel ‘van ons’, maar ook ‘van hen’.[9] Het is hun taal geworden en dat was net wat we wilden, maar we moeten beseffen dat dit met een prijskaartje komt: het Nederlands van nà de migratie is een ander Nederlands dan dat van voor de migratie. Dat Nederlands kan bijvoorbeeld vermengd zijn met elementen uit de thuistalen van de sprekers – het kan ‘onzuiver’ zijn, en net daaraan zijn efficiëntie als communicatie-instrument ontlenen. Dàt vermengde Nederlands is vaak de voertaal onder allochtone schoolkinderen, we komen daar verder nog op terug.

    Als we dit gegeven nu samenvoegen met de vorige elementen, dan staan we voor de volgende sociolinguïstische situatie: veel migranten spreken specifieke taakgerichte vormen van Nederlands, met een accent dat hun afkomst en leeftraject weergeeft. Dit is, zoals we eerder aangaven, een succes van aanpassing, en het is een aanpassing aan een reële reeks maatschappelijke contexten. Nu kunnen we twee zaken doen. Ofwel beschouwen we die nieuwe varianten als ‘fout’ en ‘slecht Nederlands’, ofwel beschouwen we ze als wat ze in werkelijkheid zijn: nieuwe, specifieke en nuttige varianten van het Nederlands, die als probleemoplossend instrument dienen voor degenen die ze hebben ontwikkeld.

    Helaas gebeurt het eerste. Een migranten-accent is een ‘slecht’ accent, een gestigmatiseerd accent, en ook al is wàt men in dat accent zegt volmaakt steekhoudend en intelligent, leerkrachten zullen het vaak interpreteren als een zoveelste bewijs van de ‘taalachterstand’ van hun leerlingen. En die leerlingen weten dat, ze zijn zich bewust van het stigma dat op hun accent rust en ze spelen dit uit. Het baanbrekende onderzoek van Jürgen Jaspers toonde aan hoe Antwerps-Marokkaanse leerlingen uit het secundaire beroepsonderwijs (typische ‘probleemjongeren’met andere woorden) een uitgebreid repertoire aan accenten en taalvarianten beheersten, gaande van ‘illegaal Nederlands’ (hilarische imitaties van het Nederlands van nieuwe migranten) en mengvormen van ‘thuistalen’ en Nederlands over vlekkeloos Antwerps tot imitaties van gepolijst Hollands of ‘nieuwslezer-Nederlands’.[10] Voor elk van deze accenten bleken ze zich bewust van de symboolwaarde ervan: sommige accenten symboliseerden de ‘seutigheid’ die ze met autochtone middenklasse-Vlamingen associeerden, andere droegen connotaties van stoer mannelijk adolescentengedrag, nog andere – ‘illegaals’ bijvoorbeeld – dienden om de marginalisatie van nieuwe migranten gestalte te geven.

    Ze waren zich acuut bewust van het stigma dat door hun leerkrachten gehecht werd aan ‘migranten-Nederlands’: Nederlands met een zwaar Marokkaans accent, met hier en daar een Arabisch of Berber woord tussen, en met de klassieke fouten tegen lidwoorden of aanwijzende voornaamwoorden (ik wil die werk niet). De jongeren kenden deze variant en speelden hem vaak uit tegen leerkrachten, als bevestiging van de negatieve stereotypen die zij bij die leerkracht meenden te herkennen – ze gedroegen zich, met andere woorden, naar het beeld dat die leerkracht van hen had. Maar noteer: dit migranten-Nederlands was niet de enige variant die ze spraken, ze zaten er niet in gevangen maar waren perfect in staat om grammaticaal correcte en complexe standaard-Nederlandse volzinnen te brouwen. Ze spraken migranten-Nederlands strategisch, als specifiek instrument voor het bereiken van bepaalde effecten. En dat effect lag voor de hand: leerkrachten waren ervan overtuigd dat de jongeren een ‘taalprobleem’ hadden, want tegen hen spraken ze migranten-Nederlands. Dat migranten-Nederlands verborg echter (of was een effect van) een virtuose taalcompetentie die allerhande varianten van het Nederlands op een vernuftige manier kon ontplooien en met elkaar vermengde, vaak nog met behulp van elementen uit het Arabisch en uit Berbertalen, alsook Engels en Frans. Deze jongeren hadden echter wel degelijk een probleem met het Nederlands. Ze hadden ernstige problemen met geschreven vormen: hun mondelinge virtuositeit stond haaks op zeer zwakke resultaten voor zowat elke schriftelijke schoolopdracht. Dit is echter een geletterdheidsprobleem, geen taalprobleem en nog minder een probleem van botsende culturen. En het was een probleem dat ze deelden met de autochtone klasgenoten in hun beroepsopleiding.

    Het is in het licht van dit soort gegevens, zoals we eerder zegden, de hoogste tijd dat we de retoriek inzake ‘thuistaal’ en ‘schooltaal’ aanpassen aan de werkelijkheid. Die is noodzakelijk veel complexer: er is waarschijnlijk meer dan één thuistaal en meer dan één schooltaal, en wellicht overlappen beide registers gedeeltelijk. Eén ding is zeker: migranten doen allerlei zeer merkwaardige en creatieve zaken met ‘onze’ taal. Vaak zijn die dingen positief, het zijn hulpmiddelen waarvan we de finaliteit moeten begrijpen – we moeten weten welke specifieke behoefte ze dekken. Ze beschouwen als negatief, als taalachterstand, getuigt van een verregaande onwetendheid over hoe taal werkt in die delen van onze samenleving en van weinig respect voor de manier waarop zij met onze taal omgaan. Het betreft hier een taalpotentieel dat nog grotendeels onbegrepen is maar dat voor hen duidelijk van het grootste belang is. Het is hùn Nederlands, het verschilt stevig van het ‘onze’, maar dat neemt niet weg dat het als zodanig moet worden begrepen.

    Samenvattend: migratie verandert de sociolinguïstische context van onze samenleving, en één van de elementen daarin is het ontstaan van nieuwe varianten van het Nederlands bij migranten. Die varianten worden doorgaans negatief bestempeld, als vormen van ‘taalachterstand’, terwijl ze voor de migranten net een positief, functioneel ingrediënt van hun meertalige repertoires zijn.

    Welk doel hebben we?

    De kern van dit alles is dit. We gaan in onze samenleving uit van het beginsel dat taal uniform is, en dat heel de samenleving zich op uiteenlopende manieren van deze uniforme structuur bedient en moet bedienen. Deze (alweer ideologische) idee is onderliggend aan heel het denken over ‘taalniveaus’ (basis – intermediair – gevorderd) en taaltesting: men gaat ervan uit dat er algemeen geldende niveaus van bekwaamheid en kennis zijn, die op dezelfde wijze verworven kunnen worden en dus ook eenvormig kunnen getetst worden. Dit beginsel is volkomen fout: taal lijkt alleen maar uniform maar is altijd een uiterst divers complex, en deze diversiteit neemt enkel toe wanneer migratie en toenemende sociale diversificatie toenemen. Niemand heeft precies dezelfde taalachtergronden, behoeften, mogelijkheden en bekwaamheden, en hoe men ook probeert, men zal dit niet kunnen uniformiseren.

    Een categorie zoals ‘anderstalige nieuwkomers’ toont dit aan. Op het eerste zicht lijkt ze voor de hand liggend: alle kinderen in die categorie kennen geen Nederlands, en moeten dus aan een (uniform) traject van NT2 onderworpen worden. De eerder vermelde wegdefiniëring van de taalbagage van die kinderen past in dit plaatje. Maar er is natuurlijk een groot verschil tussen een kind dat er al ettelijke jaren formeel en kwalitatief aanvaardbaar onderwijs heeft opzitten (zoals kinderen uit de voormalige Sovjet-Unie) en kinderen die nog nooit een leslokaal van binnen hebben gezien (zoals kinderen van vluchtelingen uit Sierra Leone). De eerste groep weet wat geletterdheid is, weet waarvoor het dient, kent het verloop van een schooldag, is vertrouwd met de rollenpatronen in een leslokaal, enzovoort. De tweede groep wordt vaak voor het eerst geconfonteerd met de discipline van een school, heeft nog nooit een pen vast gehouden, is op geen enkele manier vertrouwd met de rolpatronen en gedragsverwachtingen in een leslokaal, enzovoort. Beide groepen worden simpelweg bij elkaar gezet, want ze zijn allebei ‘anderstalige nieuwkomers’. Maar geen enkele pedagogische ingreep kan die fundamentele verschillen overbruggen, en als bij wonder scoren kinderen uit de eerste groep hoger dan kinderen uit de tweede – iets wat dan vaak verklaard wordt door verwijzingen naar ‘cultuurverschillen’: harde werkers versus luiaards.[11]

    Wanneer we dit terugkoppelen naar het beleid, dan rijst de vraag: wat is het doel van de campagne rond Nederlands voor migranten? Welk soort Nederlands moeten ze kennen? En vanaf welk punt spreken we van een ‘succes’ in dit proces? Of nog: wanneer oordeelt men dat een migrant ‘genoeg’ Nederlands spreekt om ‘ingeburgerd’ te zijn? Of nog: zijn we er zeker van dat het specifieke Nederlands dat we hen aanleren echt van nut is voor de migrant? En dat we dus onze inburgeringsdoelstellingen bereiken met dat soort Nederlandse les? En wat doen we indien het antwoord op die vraag negatief is?

    We zijn er zeker van dat het beleid die vragen niet stelt, laat staan dat ze er antwoorden op heeft. De hele campagne rond Nederlands-als-sociale-panacee is immers gebaseerd op uiterst naïeve visies op taal in de samenleving, op wat het is en hoe het werkt, en op hoe mensen taal gebruiken. Het is gebaseerd op sociolinguïstische speculaties, niet op feiten. Dat is een ernstige zaak, want van een deugdelijk beleid mag men verwachten dat het zich baseert op feiten, op een grondige kennis van het veld waarin het opereert, en op aanneemlijke criteria voor succes en falen….

    …Een beleid dat nadrukkelijk op taal leunt om zijn doelstellingen te bereiken zou taal ernstig moeten nemen en geen genoegen mogen nemen met de eigen door allerlei sociale factoren bepaalde intuïtieve opvattingen erover.

    Dat soort (foute)opvattingen liggen aan de grondslag van het beleid rond Nederlands aan migranten. Men gaat ervan uit dat Vlaanderen een eentalig Nederlands gebied is, dat men zonder Nederlands onmogelijk kan functioneren in dit land, dat kennis van het Nederlands allerhande mogelijkheden opent die er anders niet zouden zijn. Men gaat er eveneens van uit dat de talen van de migrant een obstakel zijn voor inburgering, dat ze bijvoorbeeld een negatieve invloed hebben op de leerresultaten van allochtone kinderen, dat die kinderen vanuit hun achtergrond een taalprobleem hebben. En tenslotte gaat men ervan uit dat mensen normaal gesproken eentalig zijn, dat het de universele regel is dat de moedertaal van het kind overeenstemt met die van beide ouders, dat het Nederlands dat men in NT2 cursussen leert ouders meteen in staat stelt het huiswerk van hun kinderen te begeleiden of de uitleg van de CLB-consulent te begrijpen, dat taalvermenging een bewijs is van gebrekkige taalkennis, en dat iedereen gelukkig zou zijn indien onze migrantenbuurten eentalig Nederlands zouden zijn.

    Als ze al niet eenvoudigweg fout zijn, schreeuwen al die uitgangspunten om empirische bewijsvoering. In hun huidige staat is geen enkele ervan een wetenschappelijke zekerheid. Voor ons eigen land bestaat er nauwelijks enig onderzoek hierover, en de snippers die we hebben wijzen systematisch in heel andere richtingen. Maar men begrijpt de impact van dit alles: wanneer een beleid steeds meer gewicht verleent aan iets waarvan de uitgangspunten zeer twijfelachtig zijn, dan kan men weinig vertrouwen hebben in de mogelijke uitkomsten. Zowel het Gelijke Kansen beleid als het Inburgeringsbeleid staan op drijfzand, en wie het goed meent met onze samenleving moet zich hierover ernstige zorgen maken.


    Bijlage: Een reactie van leraar Philip Clerick op deze uitspraken van Van Avermaet en Blommaert: op zijn blog en op Doorbraak
    De sociolinguïstiek in het geweer tegen Hilde Crevit: 12 maart 2017

    Enkele jaren geleden schreef Piet van Avermaet, die van Gent dus, samen met Jan Blommaert, ook van Gent, een lang stuk over het Nederlands van de allochtonen. In dat stuk van Jan en Piet staat allerlei interessant nieuws. Zo leer ik dat ‘sociolinguïstiek in dit land nauwelijks wordt gestimuleerd.’ Daar ben ik niet rouwig om. Als die sociolinguïsten allemaal zijn zoals Jan en Piet doen zij mij te veel uit de hoogte. Zij zijn de enigen die de ‘echte’ taal bestuderen als ‘feitelijkheid’ en iedereen die dat niet doet, of niet doet op hun manier, bezondigt zich aan ‘ideologie’, ‘speculatie’ of minstens aan ‘naïeviteit’.

    En wat hebben ze voor waardevols ontdekt door de ‘echte’ taal als ‘feitelijkheid’ te bestuderen? Dat Vlaanderen een meertalig land is, want Vlaamse geleerden publiceren in het Engels, Vlaamse studenten lezen Engelse studieboeken, de televisie zendt Engelstalige films uit, de Vlaamse regering heeft een Engelstalige website, oudere jongeren die niet seutig willen zijn, gebruiken woorden als ‘babes’ en ‘celebs’, en in advertenties worden Engelstalige woorden gebruikt als ‘junior account manager’. Ik neem aan dat dat allemaal op onderzoek is gebaseerd. En anders geloof ik het ook. Ik heb er ook geen bezwaar tegen – behalve tegen die ‘babes’, die ‘celebs’ en die ‘junior account managers’ – en ben dan ook blij dat Jan en Piet dat allemaal ‘goede meertaligheid’ noemen.

    Daarnaast bestaat ook ‘slechte meertaligheid’. Niet Jan en Piet vinden die slecht, maar andere mensen, bekrompen mensen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan die van een Nigeriaan die in de Gentse Rabotwijk woont en een beetje Turks kent om met zijn Turkse huisbaas te onderhandelen, in het Yoruba telefoneert met kennissen in Rijsel, naar Engelstalige zenders als MTV en CNN luistert, en met zijn kinderen Pidgin-Engels spreekt, vermengd met Nederlands (‘Yu wan do huiswerk?’). En nu besluiten Jan en Piet over die hele situatie als echte sociolinguïsten: ‘Men kan dit betreuren, maar het is een feit’.

    De lezer krijgt sterk de indruk dat Jan en Piet de toestand in de Rabotwijk helemaal niet betreuren. Misschien juichen ze die zelfs toe, maar dan heel stilletjes, want als sociolinguïsten moeten ze zich aan de ‘feiten’ houden. En ikzelf? Kijk, ik betreur niet dat die Nigeriaan Yoruba spreekt met landgenoten of naar Engelstalige zenders luistert. Maar ik zou het fijn vinden als hij daarnaast vorderingen zou maken in het Nederlands en ik zou het nog fijner vinden als zijn kinderen later goed Nederlands zouden kennen. Daarnaast mogen ze ook nog Engels en Yoruba en Turks en Frans en Duits en Grieks en Latijn kennen, maar toch eerst en vooral goed Nederlands.

    Ik heb daar geen onderzoek voor nodig om te weten dat ik dat fijn zou vinden. Als sociolinguïsten met alle geweld iets willen onderzoeken, kunnen ze proberen te achterhalen hoeveel Vlamingen dat net als ik fijn zouden vinden. Zo’n gezamenlijke wens van heel veel Vlamingen – en daar zullen wel wat Nieuwe Vlamingen bij zijn* – zou dat ook geen ‘feitelijkheid’ zijn?**

    Eerst en vooral goed Nederlands dus. Onze sociolinguïsten zullen dat ‘goed’ van ‘goed Nederlands’ echter moeilijk verteren vrees ik. ‘Goed’ is een waardeoordeel. ‘Goed’ is geen feitelijkheid. ‘Goed’ hoort niet thuis in hun wetenschap. Want wat is immers ‘goed Nederlands’? Het Nederlands dat je nodig hebt als je een arts raadpleegt? Als je met de loodgieter praat? Als je een toneelvoorstelling wilt bijwonen? Als je een stuk wilt schrijven over het Nederlands van de allochtonen?

    Jan en Piet stellen het voor alsof je in al die situaties een andere taal nodig hebt. Ik meen dat ze daarin sterk overdrijven. Als mijn dokter een woord gebruikt dat ik niet begrijp, kan ik om uitleg vragen. Als een loodgieter iets uitlegt dat ik niet kan volgen, kan ik nog net genoeg volgen om te weten dat ik het eigenlijk niet wil volgen. Bij een toneelvoorstelling begrijp ik inderdaad niet alles, maar dat komt omdat ik wat doof ben. En als ik een stuk wil schrijven over het Nederlands van de allochtonen, ja, dan moet ik hard mijn best doen, en nadenken, en opzoeken of ik een woord wel correct gebruik. Maar het lukt. En ik hoop voor de toekomstige generatie Nigerianen in de Rabotwijk hetzelfde. En voor de toekomstige generatie Turken ook.


    * In 2014 verscheen een studie van Agirdag en Van Houte waarin de houding van de Nieuwe Vlamingen werd aangeraakt. Blijkt dat Turkse ouders willen dat hun kinderen op school zoveel mogelijk Nederlands spreken en zo weinig mogelijk Turks. De antiracistische onderzoekers leggen dat uit als een gevolg van indoctrinatie door de Vlaamse leidende klasse.

    ** Kan zo’n gezamenlijke wens de ‘feitelijke’ taalsituatie in allochtone wijken beïnvloeden? Misschien wel, als die in onderwijsbeleid vertaald wordt. Jan en Piet lijken ervan uit te gaan dat alleen nieuwe ‘communicatieve situaties’ tot taalontwikkeling leiden. Als onze Nigeriaan naar Sint-Martens-Latem verhuist, zal hij volgens hen wel Nederlands leren. Dat geloof ik graag. Maar ik geloof ook dat het onderwijs, liefst vanaf de kleuterklas, kan bijdragen tot een taalontwikkeling die niet aan buitenschoolse ‘communicatieve situaties’ gebonden is.


     

     



    Geef hier uw reactie door
    Uw naam *
    Uw e-mail *
    URL
    Titel *
    Reactie * Very Happy Smile Sad Surprised Shocked Confused Cool Laughing Mad Razz Embarassed Crying or Very sad Evil or Very Mad Twisted Evil Rolling Eyes Wink Exclamation Question Idea Arrow
      Persoonlijke gegevens onthouden?
    (* = verplicht!)
    Reacties op bericht (0)



    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Klik hier
    om dit blog bij uw favorieten te plaatsen!


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!