Reformpedagogiek deel
14: Opmars van Het Nieuwe Leren in Nederland (2004- ) & bedrijvige mastodontscholen
Raf Feys
(Onderwijskrant 133, 2006)
1.1 Het nieuwe leren
(HNL)
Vooral sinds 2004 werd in Nederland de term' het nieuwe
leren' (HNL) gelanceerd. De HNL-aanhangers zetten het failliet van het
onderwijs in de verf en pakken uit met een verlossingsideologie; er wordt
gesproken in termen van aardbevingen, chaos, in het diepe springen, alles
loslaten, zondvloed, big bang, metamorfose enz. Zij beschouwen HNL als een
vlucht vooruit; HNL-critici vinden echter dat we met HNL teruggaan naar 1800 of
zelfs naar het stenen tijdperk.
De pleidooien voor radicale ontscholing van het onderwijs
volgden elkaar snel op. De term 'Het
Nieuwe Leren' is een grabbelton voor allerlei onderwijsvernieuwingen die één
ding gemeen hebben: de gedachte dat leerlingen van nature gemotiveerd zijn te
leren, dat het leren dus grotendeels aan de zichzelf sturende leerling
overgelaten kan worden. 'Het nieuwe leren' wil aldus ook 'maatwerk' op het
niveau van elke leerling bieden, en geen massaproductie die moet beantwoorden
aan algemene normen zoals eindtermen, leerplannen en centrale examens.
"Het huidige onderwijssysteem valt niet te optimaliseren. Aan het huidige
systeem is alles verkeerd", Dus daar moeten we van af", aldus prof.
Luc Stevens, dé HNL-goeroe. Carel van den Heuvel, algemeen directeur Katholiek
Pedagogisch Centrum (KPC), stelt eveneens dat "de vernieuwing radicaal
aangepakt moet worden en niet stapje voor stapje zoals de afgelopen decennia is
gebeurd (en is mislukt)". Binnen een dynamische kennismaatschappij waarin
de kennis van gisteren vandaag al verouderd is, hoort een nieuwe school waarin
de leerling zoveel mogelijk zelf zijn kennis construeert en de schoolleiding
een eigen beleid kan uitstippelen; de bevrijding van de leerling staat
centraal. De reformpedagogische hervormingen van de voorbije decennia waren
halfslachtig en mislukten; enkel verregaande ontscholing van het leerproces en
radicale autonomie kunnen de verlossing brengen.
Volgens prof. Stevens kan 'het nieuwe leren' lagere
schoolkinderen leren "rekenen in ongeveer twintig weken, in plaats van zes
jaar. En het vwo-programma (= ASO) kan in vier jaar in plaats van zes. En het
leren wordt een lust in plaats van een last (Leren rekenen kan in 20 weken, in:
Trouw, 22.06.05). 1.2 HNL gekoppeld aan 'bedrijvige school' & kloof tussen schoolleiders en
leerkrachten
Een HNL-school
kenmerkt zich niet enkel door de zelfsturing van de leerling, maar ook door de
zelfsturing van de school als instelling, door het model van de grootschalige, bedrijvige & lerende school. 'Het nieuwe
leren' (HNL) en het model van 'de bedrijvige school' (DBS) gaan hand in hand.
Het HNL-initiatief gaat niet uit van de leraars, maar van een aantal managers
van grote scholengroepen. HNL is blijkbaar enkel mogelijk binnen een nieuw
bestuurlijk kader waarin de kaderleden van de school het heft in handen nemen
en een voortrekkersrol vervullen; de centrale regelgeving moet daarom in sterke
mate worden afgezwakt en overgelaten worden aan de beleidsvoerders van de
regionale scholen(groepen). HNL en DBS zijn twee kanten van dezelfde medaille:
het gaat om 'doehetmaarzelf'-leren binnen een 'doe-het-zelf'-school die een
eigengereid beleid kan voeren. De meeste leerkrachten stellen dat de grotere
autonomie voor de scholen vooral door directie en managers aangegrepen
wordt/zal worden om hun eigen onderwijsvisie door te duwen, zonder veel overleg
met het docentencorps.
In 2004 werd het 'Netwerk Nieuw Onderwijs' (NNO) voor
bestuurders en directies van HNL-scholen
opgericht. Deze schoolbestuurders pleiten voor het model van de
regelvrije, zelfstandige en bedrijvige school, waarin ze als een soort
bedrijfsleiders over veel macht beschikken en samen met het middenkader een
voortrekkersrol vervullen. Het fenomeen van 'de bedrijvige school' was in
Nederland al sterk doorgedrongen in de scholen(groepen) van het voortgezet
onderwijs. Op een recente studiedag van de Nederlandse onderwijsvakbond OCNV
(26.11.05) werd betreurd dat veel directeurs pure managers zijn geworden en
zich niet meer als lid meer van het schoolteam beschouwen.
1.3 Schoolstrijd en kritiek
De opmars van 'het
nieuwe leren' en van het fenomeen van 'de bedrijvige school' leek niet te
stuiten ook al zijn de leerkrachten en de meeste burgers en onderwijskundigen
tegenstander van zo'n radicale innovatie. De kritiek op 'het nieuwe leren' in
de kranten en elders is nochtans heel scherp. Er woedt een geloofsstrijd in het
Nederlandse onderwijs. Een strijd tussen de voor- en tegenstanders van
'Entschulung, Entsystematisierung en Entsymbolisierung' van het onderwijs. De
HNL-profeten verwachten alle heil van radicale ontscholing; de vele critici en
de leerkrachten stellen dat ontscholing à la HNL vooral 'ontschoolde en
verwende individuen' oplevert die over te weinig competentie en
doorzettingsvermogen beschikken; de benadeelde leerlingen zouden hier nog het
meest de dupe van zijn. Zij pleiten eerder voor herscholing na de mislukking
van het zelfstandig leren in het studiehuis en zij geloven ook niet dat een
leerkracht voor elk van zijn twintig of meer leerlingen een menu op maat kan
aanbieden. 'Met HNL gaan we terug naar het stenen tijdperk', aldus Piet
Gerbrandy in 'De Groene Amsterdammer'.
Volgens veel waarnemers gaat het HNL-initiatief vooral uit
van 'mensen die nauwelijks weten hoe kinderen ruiken', van de bovenschoolse
managers van grote scholengroepen, van de bobo's van de landelijke
begeleidingscentra (KPC, APS, SLO, CPS
) en van enkele pedagogische goeroes
als prof. Luc Stevens. Critici gewagen van een blind geloof in een totaal nieuw
concept en in een naïeve maakbaarheidsfilosofie, een geloof dat geen rekening
houdt met de ervaringswijsheid en met de resultaten van het wetenschappelijk
onderzoek. De professoren Imelman Heertje & Von der Dunk stellen dat 'het
nieuwe leren' een absoluut dieptepunt betekent in een 'steeds minder
kennis'-evolutie die al sinds 1970 op gang kwam. Het onderwijs wordt volkomen
miskend als 'voertuig voor de overdracht van cultuur van generatie op generatie
en van heinde en ver'. 'Het nieuwe leren' verandert de school in een 'sociale
werkplaats', waar de jonge onwetende leerkracht slechts begeleider is van een
leerling die zijn eigen impulsen mag volgen. Imelman en Heertje hekelen de
leegheid van het begrip 'nieuw leren' (Steeds minder leren. De tragedie van de
onderwijshervormingen. Uitgeverij Ijzer Utrecht, 2005).
2 Drijvende krachten achter HNL
2.1 Druk vanwege
schoolverzorgingscentra e.d.
De opmars van 'het nieuwe leren' heeft vooreerst veel te
maken met het feit dat er talloze instanties, organisaties en commissies rond
het onderwijs gebaat zijn bij
vernieuwingen; het houdt ze bezig en zorgt ook vaak voor werk voor de eigen
winkel. Het zijn deze organisaties die gezorgd hebben voor de beeldvorming rond
'het nieuwe leren'. Prof. Wim Meijnen schrijft dat HNL-experimenten uitgaan van
grote begeleidingsdiensten als APS, van de managers en het middenkader van de
grote scholengroepen en van enkele pedagogische goeroes. Het gaat volgens hem om mensen die de
ervaringswijsheid en de vele onderzoeksresultaten resoluut opzij schuiven en nu
zeggen: "Hop, we doen het nu totaal anders" ('Zodra iemand ergens in
gelooft is het mis', Het Onderwijsblad, Aob, 19.11.05).
Ook in de CITO-studie 'Wat scholen beweegt' (2004) wordt de
grote invloed van de 'beeldvorming' die uitgaat van de 'educatieve
infrastructuur' aangestipt: "Deze beeldvorming over de nood aan 'het nieuwe
leren' ontstaat onder invloed van publicaties van de landelijke pedagogische
centra, het Ministerie, de Onderwijsraad en de Inspectie en andere organisaties
rond het onderwijs. Voor sommige scholen is deze algemene beeldvorming
aanleiding om het eigen onderwijs te veranderen of zelfs grondig te
vernieuwen." In publicaties van de pedagogische centra, van
innovatiecommissies en van topambtenaren werd bv. de voorbije jaren geregeld
gesteld dat het onderwijs oersaai is voor de leerlingen en dat enkel 'het
nieuwe leren' soelaas kan brengen. Zo lezen we bijvoorbeeld in het officiële
rapport 'Naar een kindgerichte basisvorming' in het voortgezet onderwijs (2004)
dat de gepresenteerde opvattingen "aansluiten bij de actuele
onderwijsbeweging 'het nieuwe leren', ook wel 'natuurlijk leren' genoemd".
In een afzonderlijke bijdrage beschrijven we de
HNLvernieuwingsdruk die uitgaat van de grote studiecentra en
begeleidingsdiensten als KPC, APS en SLO. Volgens Jo Kloprogge, directeur
Sardes, gaat het bij HNL in de eerste plaats om "een lichtelijk uit de
hand gelopen marketingtruc van een paar onderwijsondersteunende
instellingen". Ursie Lambrechts, woordvoerder Tweede kamerfractie D66,
stelde in de Kamer op 11.10.05 voor om die landelijke centra de omvangrijke
subsidies voor hun 'innovatie- en denktankfunctie' te ontnemen om dat ze veel
te veel vernieuwingsdruk uitoefenen. Zo is HNL inmiddels het belangrijkste
commercieel verkoopproduct geworden van
het KPC, het APS (Algemeen Pedagogisch Studiecentrum), de SLO (Stichting
LeerplanOntwikkeling), het CPS (Christelijk Pedagogisch Centrum) e.d.
KPC-bedrijfsleider van den Heuvel beschouwt HNL als een uiterst belangrijk
project en pompte meteen veel centen in de eerste HNL-school, het
Slas21-prestigeproject. .
2.2 Rol van managementteam
We lezen in de brochure van het 'Netwerk Nieuw Onderwijs'
dat 'schoolleiders met lef en verbeelding' de voortrekkersrol moeten vervullen.
Ook in de al vermelde CITO-studie vernemen we dat in de meeste gevallen 'het
nieuwe HNL-concept eerst uitgewerkt wordt door de schoolleiding waarna
leerkrachten kunnen solliciteren als ze op een nieuwe school willen werken." Leerkrachten, ouders en
leerlingen spelen een marginale rol bij deze vernieuwingen. In punt 1.2 zagen
we al dat het HNL-initiatief eerder uitgaat van een aantal managers van grote
scholengroepen. De opkomst van HNL heeft veel te maken met de alsmaar
toenemende greep op het onderwijs van de 'managers' en met de grote autonomie
van de 'bedrijvige' school. Joop Visser bestempelde ooit het 'legertje van
directeurs en begeleiders allerhande die geen les meer geven' als 'door het
departement uitgeplaatste ambtenaren'.
In zijn Didaktief-column van maart 2005 wijst Jo Kloprogge, directeur Sardes, op de
"diepe kloof die gaapt tussen een florerend management in het voortgezet
onderwijs en een verpieterend lerarencorps." Hij betreurt dat de
schoolmanagers zich in het kader van het PISA-onderzoek heel negatief
uitspraken over het tekort aan vernieuwingszin en inzet bij de leerkrachten en
dit niettegenstaande Nederland goed presteerde. Kloprogge besluit: "Als
het management de eigen leerkrachten een belemmering gaat noemen om goed
onderwijs te realiseren, zijn we wel erg ver van huis. De autonome school lijkt
zo een risicovolle onderneming te worden".
2.3 Besluit
Bij de propagandisten
van HNL & DBS die alle een 'big bang' propageren kan men een achttal
categorieën onderscheiden, een aantal stuwende krachten die deel uitmaken van
het innovatie-establishment en elkaar blijkbaar gevonden hebben:
onderwijsgoeroes als prof. Luc Stevens schoolverzorgende
landelijke (KPC, APS, CPS, SLO,
) en regionale centra: waarbij de
schoolverzorging steeds meer gecommercialiseerd wordt; louter commerciële
consulentenbureaus; innovatiecommissies (bv. voor basisvorming, vmbo);
bevlogen schoolleiders van grote scholengroepen met ideologische en
pragmatische motieven, gesteund door de vereniging 'Schoolmanagers_VO';
ontgoochelde nieuwlichters van de voorbije
decennia die vluchten in de radicalisering; nieuwe opleidingslectoren
vrijgesteld voor de 'innovatie'; sympathiserende innovatie-ambtenaren;
beleidsmensen die aansturen op autonome,
bedrijvige scholen(groepen) en proeftuinen allerhande subsidiëren.
3 Zonderwijs & ontscholing
3.1 HNL = ontscholing
Bij 'Het Nieuwe Leren' gaat het om een wollig containerbegrip, om een amalgaam van ideeën
en/ of recente schoolexperimenten die alle 'Het nieuwe Leren' in hun vaandel
dragen. De term 'nieuw' wekt in het HNL-kernconcept de indruk dat het gewone
leren totaal verouderd is en dat het hier om een totale hervorming gaat en niet zomaar om een accentverschuiving.
Andersdenkenden worden hiermee onmiddellijk in het verdomhoekje 'ouderwets'
gedrukt. De gedachte dat leerlingen van nature gemotiveerd zijn te leren en dat de leerlingen
'onderwijs op maat' moeten krijgen staat centraal. Het onderwijs moet zich
vooral spiegelen aan het natuurlijke leren buiten de school; een leerling is op
superieure wijze in staat de kennis aan te boren die in deze (informatie)maatschappij
overal voorhanden is en voortdurend verandert; hij construeert zijn eigen kennis. Het werken met leerplannen en
afzonderlijke vakdisciplines is dan ook uit den boze; radicale doorbreking van
de vakkenscheiding staat voorop. Het HNL-schoolgebouw moet ook een totaal ander
uitzicht hebben dan het traditionele
gebouw: veel individuele werkplekken met ICT, ruimten voor groepswerk,
praktijkruimten voor leer-werkmogelijkheden; voor het eerste HNL-project Slash
21 werd dan ook een nieuwe school gebouwd.
Op de Slash21-website lezen we: "Vakken zijn niet meer
het dominante ordeningsprincipe van de leerstof op Slash21 maar vakoverstijgend
en probleemgestuurd werken. Er zijn alleen clusters: natuur en techniek,
moderne vreemde talen, mens en maatschappij. De leerstof is geconcentreerd rond
kernconcepten zoals energie, macht of behoeften. De leerling krijgt de tijd en
ruimte om eerder visueel dan verbaal inzichten op te bouwen,
zelfstandigheid om feiten te leren". De intrinsieke motivatie en de vrijheid,
het vrij initiatief en het zelfstandig leren staan centraal. De school mag niet
langer werken vanuit standaarden allerhande (eindtermen, leerplannen, centrale
toetsen
), maar moet maatwerk leveren afgestemd op de ontwikkeling van elk
kind.
De schoolmeester moet
worden omgetoverd tot 'procesbegeleider' (coach) en de klas tot leerlandschap
of werkvloer. Jaarklassen, klassikale instructie, leerplannen met vaste
leerinhouden, leerkrachtgestuurd leren, de gezagsvolle meesters
moeten de
helling op. 'Plus de Maîtres', één van de kreten die op de muren van de
Sorbonne prijkten in mei 1968, lijkt actueler dan ooit.
Het 'Nieuwe Leren' zet het gewone onderwijs, het
jaarklassensysteem en het instructiemodel op zijn kop en pleit dus voor een
school zonder vakken, jaarklassen, klaslokalen en lesroosters. Volgens
HNL-critici gaat het bij HNL om 'zonderwijs', om een 'lege school': de
leerlingen leren immers het beste in reële praktijksituaties en die liggen nu
eenmaal meer buiten dan binnen de school; het gaat dus om ontscholing.
F. Nauta, secretaris van het Innovatieplatform, vertolkt de
mission van het 'Netwerk Nieuw Onderwijs' aldus: "Alle betrokkenen bij het NNO ervaren het Nederlandse onderwijs
als een veld in transformatie. De ontwikkeling is die van een traditioneel
georganiseerd veld, gebaseerd op industriële principes, naar iets 'nieuws',
iets wat beter past bij de kennissamenleving die we de afgelopen dertig jaar
geworden zijn. Het gaat om een inhaalslag: de samenleving is veranderd en het
onderwijs holt er hijgend achteraan. Dat blijkt ook uit de statistieken. Ons
land heeft op onderwijsgebied de afgelopen dertig jaar een koppositie ingeruild
voor een plekje achterin de Europese
middenmoot; het verkeert in een grote crisis" (NNO-brochure:
'Onderwijs maken. Van onderwijzen naar leren', NNO, 2004, ook op internet).
'Het nieuwe leren' beroept zich het meest op de leertheorie
van het socio(constructivisme), maar ook soms op 'hartbreinleren' & Parker
Palmerspiritualisme. Niettegenstaande Vygotsky heel sterk de rol van de
leerkracht en van de cultuurgoederen (vakdisciplines e.d.) beklemtoont, wordt
ook hij geregeld voor de HNL-kar
gespannen, samen met zijn tegenpool Piaget.
3.2 Visie van Netwerk Nieuw
Onderwijs:HNL-Contouren
In de NNO-brochure
(o.c.) omschrijven enkele aangesloten schoolleiders hun HNL-concept. De
bijdrage van Wim Littooy, bestuursmanager van een schoolvereniging S.O. met
niet minder dan 45 vestigingen, draagt als titel 'Radicale onderwijsvernieuwing
noodzakelijk'. Littooy schrijft: "Ons onderwijs is gebaseerd op een niet
meer bestaande industriële samenleving. Daardoor wordt de inhoud van ons
onderwijs teveel bepaald door eenzijdige waardering van cognitieve
intelligentie en reproductie van kennis'
De vernieuwing van het onderwijs
moet dus radicaal aangepakt worden en niet stapje voor stapje, zoals de
afgelopen decennia is geprobeerd. We kiezen voor een onderwijsmodel zonder
jaarklassen, zonder doubleren, zonder schooltypen met onoverbrugbare scheidslijnen
en zonder een centraal examen als selectiecriterium voor diplomering. Niet de
leerstof, maar de leerorganisatie, de leerbronnen en de leerling staan in dit
onderwijsmodel centraal. Het nieuwe onderwijs zal gebouwd worden rond de
leerling: zijn interesses, keuzes en competenties dienen tot hun recht te
komen.
De leerling zal zelf zijn leervragen bepalen, waarbij de
docent hem begeleidt en stimuleert. De leerling kiest overeenkomstig interesses
en competenties, zijn leergebieden en niveaus. Resultaten worden bijgehouden in
een portfolio, dat de wijze van diplomering en doorstromingsmogelijkheden
bepaalt.
Het schoolgebouw zal een totaal ander aanzien kunnen hebben dan het
huidige traditionele gebouw: grote
instructieruimten, individuele werkplekken, ruimten voor groepswerk,
praktijkruimten voor leer-werkmogelijkheden. Daarnaast zullen de leerlingen
meer dan voorheen leren in de maatschappij zelf: praktisch ingestelde
leerlingen in leerwerktrajecten en praktijkstages, theoretisch ingestelde
leerlingen in oriëntatiestages.
Deze vernieuwing vraagt meer dan vorige
pogingen, die niet meer waren dan veranderingen binnen de bestaande structuur.
De belofte van het nieuwe leren sluit vooreerst aan bij het
geloof in een nieuw tijdperk waarin plaats is voor een nieuwe werknemer in
nieuwe ondernemingen binnen een nieuwe economie. In deze (neoliberale)
ideologie maken collectieve arrangementen en een pluralistische benadering van
(arbeids)verhoudingen plaats voor individueel ondernemerschap. De nieuwe werknemer/leerling
is in deze visie individualistisch, zelfstandig, flexibel, geschoold, mobiel,
veeleisend en gericht op
persoonlijke groei en ontwikkeling. De nieuwe onderneming wordt
gekenmerkt door gelijkwaardigheid, zelfstandigheid, samenwerking, ontwikkelingsmogelijkheden,
verantwoordelijkheid, vertrouwen en verbondenheid in een sterke cultuur, waarin
'alle neuzen dezelfde kant op staan'. In de praktijk echter blijkt er geen
sprake te zijn van een nieuw tijdperk, een nieuwe werknemer en nieuwe
ondernemingen.
De nieuwe mens/leerling wordt binnen HNL vaak getypeerd als
'homo zappiens': een leerder die flitsend leert, en/of als (inter)Net-leerder
die zijn informatie haalt uit allerlei netwerken binnen onze
netwerkmaatschappij. In een CITO-onderzoek bij HNLbetrokkenen lezen we:
"We leven echter in een 'zapcultuur'; veel kinderen die bijvoorbeeld
ogenschijnlijk tv-kijken, chatten, bellen en internetten tegelijk. Binnen de school moeten de
leerlingen zich vaak voor lange tijd op één zaak concentreren, terwijl leerlingen buiten de school gewend
zijn om allerlei activiteiten snel af te wisselen. Volgens de HNL-scholen
zouden de leerlingen de school om die reden als saai en traag ervaren"
(Wat scholen beweegt, CITO, 2004, p.
27).
Volgens de
HNL-aanhangers storen de leerlingen zich niet aan het feit dat het er rumoerig
aan toe gaat binnen HNL-klassen. Volgens de filosoof Kant bestond echter een
van de eerste prestaties van een school en misschien wel de belangrijkste
erin om kinderen te leren stilzitten op hun stoel; onderwijzen zonder enige dwang, zonder bv.
orde en rust in klas, kon volgens Kant niet. Als lerarenopleiders die
regelmatig in rumoerige klassen vertoeven, zijn we geneigd om Kant gelijk te
geven.
3.3 Succesverhaal?
De HNL-woordvoerders stellen HNL voor als een succesverhaal.
De KPC-kopstukken bijvoorbeeld stellen zegezeker: "Er is geen twijfel meer
mogelijk: 'het nieuwe leren' zet door. Het is geen modeverschijnsel. Er is
bijval uit alle windrichtingen. Ook de minister is enthousiast. Steeds meer
(vooral grote) schoolbesturen en
bovenschoolse managers zetten pilots op in een of meer scholen om 'het nieuwe leren' verder te exploreren en vorm te
geven. Ze zoeken daarnaast naar mogelijkheden om de daaruit opgedane ervaringen
te benutten voor andere scholen." (School op de schop, KPC, 2004, p. 3).
Het eerste HNL-experiment -Slash21- is pas gestart is in september 2002 en het
KPC schrijft nauwelijks twee jaar later al dat minister Van der Hoeven heel
enthousiast is. En C.M. Bouché schrijft dat wereldwijd mensen baanbrekende
HNL-initiatieven nemen en dat zelfs in België 'Iederwijs op de deur klopt'
(VESchrift, oktober 2003). Het HNL-ideeëngoed dringt ook door in publicaties
waarin toekomstscenario's voor het leren in 2010 of 2020 beschreven worden (bv.
Anders leren in 2010, SLO, 2004).
In de kranten, in 'Het Onderwijsblad' van de grote
Aob-lerarenvakbond, in pedagogische publicaties
wordt de HNL-hype sterk
gerelativeerd en bekritiseerd (zie punt 4). We kunnen echter niet ontkennen dat
HNL op een eerste gezicht een succesnummer lijkt. Het in 2004 opgerichte
'Netwerk nieuw onderwijs' (NNO) groepeert een aantal Nederlandse
schoolbestuurders en onderwijsondersteuners die het HNL-concept omarmden en her
en der ook schoolexperimenten uitvoeren in het lager en secundair onderwijs,
vaak financieel gesteund door het ministerie. 4200 schoolmanagers zijn
aangesloten bij de vereniging 'Schoolmanagers_VO' die sterk het HNLideeëngoed
propageert. Voor haar rol als innovatiemakelaar ontvangt die vereniging een bedrag
van tussen de 4 en de 10 miljoen euro op jaarbasis. HNL is ook al sterk
doorgedrongen binnen de Nederlandse
visitatiecommissie voor de PABO's onder het voorzitterschap van twee
HNL-goeroes (Luc Stevens en Jozef Kok) en binnen een aantal lerarenopleidingen.
Aan bijvoorbeeld de Fontys'
lerarenopleiding zijn twee HNL-lectoren aangesteld.
4 Ondraaglijke
lichtheid van HNL
4.1 Inleiding
Straks zal blijken dat HNL niet zomaar een succesverhaal is.
De HNL-hype leidde tot een geloofs- en schoolstrijd in het Nederlandse
onderwijs, ook tussen
onderwijskundigen. Naarmate de invloed van de vernieuwers toeneemt, groeide het
verzet. Voor- en tegenstanders vliegen elkaar dan ook steeds feller in de
haren. De kritiek op HNL is heviger dan de kritiek op vernieuwingen uit het
verleden; ook de Aob-lerarenbond relativeert ten zeerste de sympathie voor deze
nieuwe hype. In de volgende punten resumeren we de kritiek, respectievelijk
vanwege de onderwijskundigen, de lerarenbond, de onderwijspublicisten en de mensen
die zich inlaten met de achterstandsdidactiek. We geven ten slotte ook nog het
woord aan HNL-dissident Free.
4.2 Verzet van enkele
onderwijskundigen
HNL krijgt veel kritiek vanuit de onderwijswetenschappelijke
hoek; we besteden er in dit nummer een aparte bijdrage aan, maar geven hier al
een voorzet. In punt 1 stelden we al dat de professoren Imelman en Heertje HNL
het absoluut dieptepunt vinden van een ontscholingsbeweging die zich al dertig
jaar laat voelen en die veel steun kreeg van politici en beleidsmakers. Volgens
Imelman moesten het klassieke leerplan en de gestructureerde aanpak langzaam
maar zeker plaatsmaken voor een benadering waarbij de persoonlijke interesse
van leerlingen of van de autonome school een steeds grotere rol gingen spelen. 'Het
nieuwe leren' en de 'Iederwijspraktijk' vormen het absolute dieptepunt binnen
deze evolutie ('Steeds minder kennis', o.c.). Een algemene kritiek luidt: het
zelfstandig leren levert vluchtige en
oppervlakkige kennis op; "dan klopt de term 'nieuw leren': je moet steeds
(op-) nieuw leren". Of: "In 'de nieuwe school' moet er niet veel
geleerd, maar vooral afgeleerd worden."
Ook prof. Greetje van der Werf uitte in haar oratie van 11
januari 2005 felle kritiek op Het Nieuwe
Leren en op het feit dat enkele onderwijswetenschappers zoals Luc
Stevens hierdoor gefascineerd zijn: 'De voorstanders van Het Nieuwe Leren
vertellen een heel ideologisch verhaal dat niet wordt onderbouwd door
wetenschappelijk onderzoek'. Het is volgens haar een rommelpotje van onbewezen
stellingen en waarheidsclaims die ook door een aantal schoolmanagers en
consulenten omarmd worden bijgebrek-aan-beter en als een ware plaag over het
land verspreid worden. Onderwijskundige charlatanerie dus.
Heel frappant is ook
de HNL-kritiek die prof. em. Michael Young formuleerde in de marge van een
recente onderwijssociologische conferentie in Lunteren (november 2005). Deze
invloedrijke Engelse kennissocioloog stelde dat hij destijds ten onrechte de
schoolse kennis en de vakdisciplines sterk gerelativeerd en bekritiseerd had,
o.a. in zijn boek 'Knowledge and control' (1971) en aldus ook het 'informeel
leren ' en ontscholingsbewegingen à la HNL inspireerde. Nu stelt Young dat hij
geenszins meer gelooft in 'Het Nieuwe Leren' dat de kennis in de verdomhoek
stopt: nu beschouwt hij schoolse en abstracte kennis als iets heel praktisch en
levendigs. De school moet net als vroeger meer contextonafhankelijke kennis
overdragen. HNL geeft volgens hem de leerlingen en de leerkrachten de verkeerde
boodschap mee en de kerntaak van de leraar blijft kennisoverdracht.
Andere
onderwijskundigen betitelen HNL als een zeepbellenfraseologie van pedagogische
praatjesmakers als Luc Stevens e.d. 'Het nieuwe leren is niet echt nieuw, en
het is ook geen echt leren', poneert dr. Jo Nelissen van het
FreudenthalInstituut. Volgens Jo Kloprogge "krijgen de belijdende leden
van het HNL-kerkgenootschap een zalige blik in de ogen, als een brave katholiek
die net de zegen van de nieuwe paus heeft gekregen (Nieuw leren, oud inspecteren,
Didaktief, oktober 2005).
Het nieuwe leren is
volgens Kloprogge en de vele critici een grootschalig experiment met
Nederlandse schoolkinderen als proefkonijn. Minister Van der Hoeven ondersteunt
volgens hen indirect deze experimenten
door het toekennen van een statuut van 'regelvrije experimenteerschool'
(proeftuin). Met een beetje gezond verstand had het beleid volgens Kloprogge al
de huidige heisa kunnen voorkomen: "Waarom niet op beperkte schaal een
paar jaar geëxperimenteerd met nieuwe concepten
rond het onderwijs, met een goede evaluatie om zo de waarde van het nieuwe leren te bepalen, in
plaats van met tientallen scholen tegelijk een ongewisse en onbeproefde
onderwijsvisie in te voeren, met grote risico's. Wil het onderwijs zo zijn eigen
parlementaire enquête afdwingen?" (Didaktief, oktober 2005). Kloprogge
hoopt vooralsnog dat de inspectie haar werk zal doen en de grens zal trekken
tussen wat aanvaardbaar en niet aanvaardbaar is. Anderen wijzen erop dat de
inspectie wel wat kritiek geformuleerd heeft aan het adres van enkele Iederwijsscholen,
maar tegelijk al flexibele beoordelingscriteria ontwerpt om de HNL-scholen op
een andere manier door te lichten. Ook het toetsinstituut CITO zou naar
verluidt al nadenken over alternatieve tests; in het recente verleden werden de
toetsnormen al verlaagd om de achteruitgang van de kennis te camoufleren.
Prof. em. Luc Stevens
dé HNL-goeroe bestempelde van der Werf en de vele andere critici als
angsthazen en leden van het conservatief collectief, dat elke vernieuwing wil
tegenhouden. "Het eerstegraads-establishment' noemt hij deze mensen: het
gaat volgens hem vooral om universitair opgeleiden die nog steeds de inhoud van
de vakken centraal stellen, maar niet de omgang met de leerlingen. Nergens ter
wereld is volgens Stevens wetenschappelijk bewezen dat de leerlingen van die
klassieke aanpak profiteren" (De Volkskrant, 22.06.05). Stevens zegt er
niet bij dat de kritiek evenzeer uitgaat van leraars en ouders die niet
universitair gevormd zijn, onder hen ook opvallend veel mensen die lesgeven in
het beroepsgericht onderwijs (vmbo en mbo).
4.3 Kritiek van lerarenbond & leraars
Uit tal van standpunten blijkt dat de lerarenvakbonden en de
leraars zich zorgen maken over de HNLhype en deze hype tegelijk relativeren. We
illustreren dit even met standpunten in het Aobvakbondsblad. F. Vergeer
schrijft in haar 'commentaar': "De snelheid waarmee modieuze vernieuwingen
zich presenteren is verbazend. Ook in het onderwijs. Het 'nieuwe leren' en
'Iederwijs' krijgen zoveel publiciteit dat de onderwijsleek die oppervlakkig de
krant leest, al gauw denkt dat het hele onderwijs zich aan de vooravond van een
totale omwenteling bevindt. Tot nu toe
zijn beide vernieuwingen in de praktijk slechts marginaal waar te nemen. Een massale overgang zie ik er nog niet
van komen. Gelukkig maar, want door de mislukking van de Middenschool en het
Studiehuis is duidelijk geworden dat je ook in het onderwijs geen oude en
beproefde schoenen weg moet gooien voor de
nieuwe goed zijn bevonden. Ik vrees bijvoorbeeld dat heel wat leerlingen
hun school niet afronden op het niveau dat ze hadden kunnen behalen, met de
strakkere aanpak binnen het meer traditionele
onderwijs. Zeker als het gaat om kinderen uit milieus zonder
studietraditie of uit die eigentijdse gezinnen waarvan de ouders hun
traditionele verantwoordelijkheden graag aan de school delegeren vanwege hun
drukbezette leven" (Onwijsgoed, in: 'het Onderwijsblad', 16.04.05).
Hoofdredacteur Robert Sikkes schrijft dat de 'ouders, en
misschien ook wel hun kinderen, niet zonder meer overtuigd zijn van de
zegeningen van het nieuwe leren' en dat steeds meer mensen kiezen voor de meer klassieke aanpakken
die hun deugdelijkheid al bewezen hebben. Sikkes stelt: "In Utrecht lieten
de ouders massaal scholen voor voortgezet onderwijs die werken met in hun ogen
al te moderne concepten links liggen. UniC de school die het verst is met het
nieuwe leren zag maar 80 van de 150 plaatsen gevuld. De twee zelfstandige
gymnasia en het als degelijk bekend staande Bonifatius puilden uit of moesten
zelf wachtlijsten aanleggen. In de vinex-wijk Leidsche Rijn kreeg het zichzelf
als supervernieuwend presenterende Amadeuscollege de brugklassen lang niet vol,
terwijl het voorzichtiger opererende Leidsche Rijncollege wel voldoende
aanmeldingen krijgt. Ouders, en
misschien ook wel hun kinderen, zijn niet zonder meer overtuigd van de
zegeningen van het nieuwe leren. Zo overweegt bijvoorbeeld ook het 2College in
Tilburg, dat de nieuwe naam met veel aplomb als modern in de markt zette, om
maar weer terug te gaan naar de namen als Cobbenhagencollege, Durendael en 't
Ruiven. Want: 'de oude namen wekken
vertrouwen bij de ouders'. Maar
misschien kiezen ouders en hun kinderen ook wel voor andere uitdagingen
dan HNL e.d. Landelijk is de trend dat de zelfstandige gymnasia en het
tweetalig onderwijs groeien. Niet alleen in absolute aantallen leerlingen, maar
ook in marktaandeel. Beide schooltypen leggen een extra accent op de
intellectuele uitdaging, voornamelijk voor vwo-leerlingen (= aso). De school die deze trend alleen
maar als traditionele flauwekul bestempelt, loopt de kans dat zijn brugklassen
wat leger zullen zijn dan verwacht (UniC of traditie, in: Het Onderwijsblad,
25.06.05).
Nog een paar reacties
van leerkrachten in de Volkskrant:
In onze derde klas zijn nu de hoofdvakken afgeschaft,
daarvoor kwamen projecten in de plaats, waarbij de leerlingen zelf als ze dat
nodig vinden lessen mogen aanvragen. Al met al een enorme kennisverlaging
(Onder onderwijzers, 29.09.05). Volgens lerares G. de Vries vragen leerlingen
niet naar 'het nieuwe leren'; ze snakken eerder naar een ordentelijke
standaardles. "Leerlingen hebben moeite met leraren die geen orde kunnen
houden, die niet kunnen uitleggen, onduidelijke repetities geven; leraren die
te snel of te langzaam gaan; die hun lessen onvoldoende voorbereiden, of
nauwelijks cijfers geven" (25.06.04).
4.4 Kritieken onderwijspublicisten
HNL wordt ook door onderwijsredacteurs en door columnisten
op de korrel genomen. We denken o.a. aan een tiental kritische bijdragen van
Martin Sommer in de Volkskrant' over de sluipende zegetocht van 'het nieuwe
leren' (september-december 2005) en aan de vele bijdragen in NRC-Handelsblad,
Trouw en De Groene Amsterdammer. Onderwijsredacteur Martin Sommer stelt in 'de
Volkskrant' onomwonden: "Het nieuwe leren is een kennisvijandige
ideologie, die rechtvaardigt dat niet alleen leerlingen, maar ook leraren in
toenemende mate van toeten noch blazen weten."
Op 30 september 2005 schreef de publicist en taalleraar Piet
Gerbrandy in De Groene Amsterdammer de bijdrage Met het nieuwe leren naar het
stenen tijdperk . Hij nam hierbij de vijf pijlers van het Nieuwe Leren
kritisch onder de loep: Leukte: het leren moet in de eerste plaats leuk zijn;
leerlingen moeten verwend worden; Onwetendheid: de nieuwe leerling moet zelf
het wiel uitvinden; Intrinsieke Motivatie: de nieuwe leerling is in ruime
mate voorzien van intrinsieke motivatie, maar wordt stelselmatig door de school
gefrustreerd in zijn drang om kennis te verwerven; zo moet en mag toetsen dan
ook niet meer en zijn centrale toetsen uit den boze; Democratie: opgelegde eisen en leiding zijn
overbodig; de groep leerlingen bepaalt het verloop Holisme: alles hangt met
alles samen, afzonderlijke vakken zijn heilloos.
Volgens Gerbrandy
hoeft onderwijs niet leuk te zijn; heeft zelfs een kenniseconomie mensen nodig
die voldoende weten; is bijna niemand intrinsiek gemotiveerd om complexe
problemen op te lossen; leidt een democratisch leerproces niet tot ware kennis,
maar tot compromissen; en moet de kennis ook
geordend worden ook al hangen veel dingen met elkaar samen. Een leraar
is ook niet zomaar een coach. Een echte leraar heeft nog steeds hartstocht voor
zijn vak, eerbied voor kennis en wetenschap en overzicht in zijn vakgebied. Hij
pobeert deze hartstocht en kennis over te brengen bij de leerlingen.
4.5 Kritiek vanuit
(achterstands)didactiek
Ook binnen de kring
van mensen die sterk betrokken zijn bij zorgverbreding en achterstandsonderwijs
wordt de HNL-aanpak als heel funest gekenmerkt. Op een eerste gezicht lijkt HNL
wel een verademing voor de leerlingen, maar in feite is HNL meedogenloos en
hard: "Steeds jonger moet de leerling tot zelfverantwoordelijk leren
worden gebracht, hetgeen veel meer omvat dan het zelfstandig werken aan een
leertaak of het maken van huiswerk. Dit leidt ook tot nieuwe discriminaties
t.a.v. leerlingen die minder tot zelfregulering in staat zijn."
Prof. Greetje Van der
Werf bestempelt de HNLaanpak als een 'harde en meedogenloze' aanpak voor
zwakkere leerlingen (oratie, 11.01.05, zie internet); dit is ook de mening van
Michael Young, prof. A. Bus, dr. K. Vernooy
Het 'zelfstandige' en 'natuurlijke
leren' zijn belangrijke slogans binnen de HNL- en Iederwijsscholen. Volgens dr.
Kees Vernooy verloopt het leren lezen allesbehalve op een natuurlijke wijze en
zal HNL tot grote leerachterstanden leiden; het is vooral een bedreiging voor
zwakkere leerlingen. Vernooy verwijst hierbij naar het wetenschappelijk
onderzoek. Ook Prof. Adriana Bus, hoogleraar 'ontluikende geletterdheid' in
Leiden, voorspelde dat de HNL-aanpak tot 'pseudo-dyslexie' zal leiden. Uit
onderzoek blijkt dat kinderen pas goed leren lezen als zij systematisch
oefenen, of zij dat nou leuk vinden of
niet. Critici als Van der Werf, Vernooy, Bus
hebben volgens een geprikkelde
professor Stevens echter geen recht van spreken omdat hun onderzoeksgegevens en
opvattingen volledig kaderen in het oude denken over onderwijs. "Waarmee
moeien ze zich", aldus een verontwaardigde Stevens (Jeugd in School en
Wereld, december 2004).
Voorstanders van een
effectieve achterstandsdidactiek wijzen er geregeld op dat de HNL-aanpak heel
nadelig is voor zwakkere leerlingen. R. Vogels en R. Bronneman-Helmers stelden
in hun studie vast dat de schoolprestaties van achterstandskinderen teruglopen.
Als belangrijkste oorzaak stippen ze aan: "de sterke nadruk die het
onderwijs tegenwoordig legt op zelfstandig leren en zelf initiatief nemen, dat
ook slechter aansluit bij de opvoedingsnormen in laaggeschoolde milieus"
(Autochtone achterstandsleerlingen: een vergeten groep. SCP, Den Haag, 2003).
Harm Beertema betreurt dat HNL "de jongeren aan de onderkant uit het
middelbaar beroepsonderwijs (mbo) opsluit in hun getto", waar het 'oude
leren' gericht was op de emancipatie van de onderklasse (Het MBO gaat eraan!,
Trouw, 3.01.06) en SP-partijleider Jan Marijnissen sluit zich hierbij aan op zijn
weblog.
Ton Gloudemans,
adviseur achterstandsbeleid, concludeerde onlangs: "De leerlinggerichte
aanpak die de lerarenopleidingen en nascholingsinstituten voorstaan, werkt(e)
averechts bij de bestrijding van
onderwijsachterstanden" (Stel leerstof centraal voor achterstandskind, Didaktief, januari 2004).
De sociaal en/of cognitief benadeelde kinderen betalen de zwaarste prijs voor
het al te sterke beroep op eigen zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, op de
do-ityourself aanpak. Gloudemans schrijft verder dat "de huidige tendens
om de scholing en nascholing van leerkrachten onvoorwaardelijk te baseren op de
leerlinggerichte pedagogisch-didactische inzichten, voorbij gaat aan de
werkelijkheid en aan de onderzoeksgegevens". Ook Anne-Marie Kusters, onderwijsadviseur
onderwijsachterstanden, vindt HNL nefast voor de 'onderwijskansenscholen';
dergelijke scholen hebben vooral leerkrachten nodig die goed kunnen lesgeven en
uitleggen en die ervoor zorgen dat de les ordelijk verloopt (Wel of niet Nieuw
Leren op de onderwijskansenscholen?, Toon, mei 2005).
4.6 Kritiek vanwege
HNL-dissident Free: oude waarden
optimaliseren
Leo Lenssen omschrijft in de 'inleiding' van de brochure van het 'Netwerk Nieuw Onderwijs'
de verschillende discussiebijdragen,
maar hij verzwijgt het artikel van schooldirecteur A. Free. Dit komt omdat Free in de NNO-bundel een dissidente
stem laat horen. Free pleit voor een herstel en opfrissing van de 'oude
schoolgrammatica', voor vernieuwing met behoud van de oude waarden. Waar de
andere auteurs opteren voor een radicale breuk pleit Free voor het terug in
ere herstellen en opfrissen van de oude onderwijswaarden. In tegenstelling met
de visie van de bestuurders van grote scholengroepen is Free ook een
tegenstander van de grote fusies van de voorbije jaren en van de grote
scholengemeenschappen met hun bovenschools management.
Geen gevoel voor
continuïteit
In zijn bijdrage 'Fundamentele discussie over onderwijs
noodzakelijk' spreekt Free zich vooreerst kritisch uit over de grote hervormingen
van de voorbije jaren en over het verloren laten gaan van een aantal 'oude
waarden'. Hij schrijft: "Het onderwijs wordt jammer genoeg al jaren
bestookt met puur instrumentele maatregelen als fusies, samenvoeging VBO en
MAVO (tot VMBO), marktwerking etc. Overheidsmaatregelen en -bezuinigingen, die
wrang genoeg vaak juist kansarme
jongeren en moeilijke doelgroepen treffen, maken de situatie er niet beter op.
Het onderwijs omwille van besparingen verplichten tot vrije marktbeginselen
als concurrentie, privatisering en rendement, is een miskenning van de rol van
het onderwijs als maatschappelijke voorziening.
We leven in een boeiende
wereld, die echter ook ieder gevoel voor continuïteit, traditie en geschiedenis
verloren lijkt te hebben, en daarmee ook haar oriëntatie en normbesef.
Ieder
mens heeft in zijn leven behoefte aan herkenningspunten, structuur en een
zekere regelmaat. Van oudsher dienden daartoe rituelen. Ook het onderwijs heeft
zijn 'rituelengeschiedenis'. Vanaf de jaren zestig is het onderwijs echter
gaandeweg ontdaan van allervertrouwde
rituelen, zoals overschrijven, jaartallen, tafels, rijtjes woorden en
plaatsnamen uit het hoofd leren,
natekenen en meezingen. Rituelen die, gekoppeld aan een
cultuur-historische overdracht, veel meer voorstelden dan ouderwets
tijdverdrijf. Ze ondersteunen de kennisverwerving als noodzakelijke basis voor vaardigheden, verleenden houvast
en bevorderden samenhorigheid."
Herstellen en optimaliseren
oude waarden
Als alternatief pleit Free vooral voor het in ere herstellen, optimaliseren en actualiseren van
het 'eeuwenoud onderwijsgoed' en tegen slogans als zelfsturing e.d.: "Het
is zeker de moeite waard om te overwegen of de tol die voor alle vernieuwingen
op dit terrein betaald wordt, niet aan de onnodig hoge kant is en of vele
problemen met betrekking tot de jeugd en het onderwijs niet voor een belangrijk
deel te herleiden zijn tot het radicaal uitwissen van dit soort rituelen.
Simpele feitenkennis geeft in ieder geval houvast. En nieuwe houvasten zijn in
deze postmoderne tijd, met haar ideologische vacuüm, zeer welkom. Een herleving
van eeuwenoud onderwijsgoed in gemoderniseerde vorm, een nieuw en ander elan
kunnen geven aan een onderwijsvernieuwing die nu steeds verder wegdrijft in de
richting van absolute zelfwerkzaamheid in een nieuwbouwwijk vol
studiehuizen.." Free zinspeelt hier ook op de bouw van nieuwe HNL-scholen
zoals Slash21.
Schoolmeester met
gezag
"Ook de rol van de leerkracht verdient hierbij grote
aandacht. De gezaghebbende schoolmeester en notabele leraar van vroeger zijn
bijna onherkenbaar vermomd in lesgevende welzijnswerkers, die in teveel opzichten zoveel mogelijk op hun
leerlingen willen lijken, tot in hun kleding toe. Er zit ongetwijfeld iets
aantrekkelijks in de verkleining van de afstand tussen leerling en leraar,
zoals de illusie van de eeuwige jeugd, maar ook hier wordt een hoge tol
betaald. Door allerlei omstandigheden is het beroep van leraar in de sfeer van
een restpost gekomen, zowel wat betreft de persoonlijke beroepskeuze en de
maatschappelijke waardering, als de belangstelling van de overheid.
"
Instructie en GOK
"Recente onderzoeken wijzen echter uit dat een leerling
uit een achterstandsmilieu, die gedurende drie opeenvolgende jaren begeleid
wordt door een uitmuntende leerkracht, zijn milieuachterstand volledig inloopt.
Dat is vele, vele malen effectiever dan het uitbouwen van studiehuizen of 600
miljoen uitgaven aan computers. Deze onderzoeken onderstrepen nog eens het
grote belang van het onderwijs. Onderwijs helpt en is dé kritische succesfactor
als het gaat om integratie en emancipatie.
We vinden het moedig dat directeur A. Free het aandurfde een
dissidente stem te laten horen en afstand neemt van het HNL-gedachtegoed van
veel schooldirecties en van het model van 'de bedrijvige school'.
5 HNL-school = bedrijvige school, zelfstandige school
(schoongroep) met machtige managers
5.1 Inleiding
HNL en DBS zijn
paradoxaal genoeg twee kanten van dezelfde medaille. De snelle HNL-opmars heeft
veel te maken met de macht van de managers binnen de 'regelvrije'
experimenteerscholen. Inhoudelijk lijken de ontscholingsideeën van de
HNL-beweging een kopie van de ontscholingsideeën van de voorbije 150 jaar, maar
de combinatie met de optie voor een school als een groot en zelfstandig bedrijf
met een krachtig management (partijbureau) is wel nieuw. Vroegere
ontscholingsinitiatieven waren meestal kleinschalige initiatieven die wars
waren van bureaucratisering allerhande en eerder collectief gedragen werden
door leerkrachten en ouders: denk maar aan het experimenteerschooltje van de
Russische schrijver Tolstoy rond 1860, de 'Laboratory-school' van Dewey rond
1900, L'école de l'hermitage' van Decroly, de methodescholen (Montessori,
Steiner, Freinet, Dalton
). De HNLexperimenten gaan niet uit van de
leerkrachten, maar van de bevlogen managers en het middenkader van de grote
scholengroepen, van de kopstukken van grote begeleidingsdiensten (KPC, APS,
)
en van enkele pedagogische goeroes.
5.2 Bedrijvige en regelvrije HNL-school
Het HNL-project betekent niet enkel een nieuw leerconcept
dat sterk afwijkt van het bestaande, maar tegelijk ook een radicale breuk
inzake innovatiestrategie en het besturen van een school of scholengroep.
Binnen de HNL-innovatiefilosofie staat de vrijheid van de zichzelf sturende
school centraal: beleid en vernieuwing van onderuit binnen regelvrije scholen
en zelfverantwoording moeten het centrale beleid en de top-down-vernieuwingen
vervangen. De HNL-kopstukken pleiten voor een radicale vernieuwing en zo'n
vernieuwing is volgens hen maar mogelijk als die uitgaat van schoolleiders met
macht en lef die hun 'medewerkers vooruit denken en die de vernieuwing
ontwerpen'. Een HNL-school kenmerkt zich niet enkel door de zelfsturing van de
leerling, maar ook door de zelfsturing van de school als instelling, door het
model van de bedrijvige & lerende school.
Schoolbestuurder F.
Nauta stelt in dit verband in de NNO-brochure: "De bestaande regelgeving
wordt als gedetailleerd en verlammend ervaren. Het onderwijs wordt
geconfronteerd met (veel) hogere eisen uit de samenleving, maar heeft niet de
ruimte om avontuurlijk te zoeken naar nieuwe mogelijkheden. Zelf ben ik een
radicale tegenstander van radicale hervormingen die van bovenaf worden
opgelegd. Succesvolle vernieuwing komt altijd van onderaf. Het radicale zit wat
mij betreft in de kunst van het loslaten, in het organiseren van de
bestuurlijke condities om vernieuwing van onderop te faciliteren. We opteren
dus voor een innovatiearrangement, een contract tussen een minister en een
aantal individuele scholen waarin de scholen ruimte krijgen om te innoveren. Ik
zou verder de regel willen voorstellen dat ongeveer vijftig procent van alle
innovatieve projecten hoort te
'mislukken', dat wil zeggen: iets anders oplevert dan verwacht. Als dit
percentage anders ligt, is er te risico-arm geëxperimenteerd. De kunst is dan
wel om van die mislukkingen te leren, maar die vaardigheid is nog maar mager
ontwikkeld in de publieke sector."
5.3 Regelvrije school
en schoolleiders met lef
Volgens de
HNL-schoolmanagers zelf is een radicale vernieuwing maar mogelijk als die
uitgaat van nieuwe 'schoolleiders met
lef'; zij opteren voor het model van de zelfstandige en 'De Bedrijvige School'
(DBS). J. Gispen, voorzitter bestuur Stichting Voortgezet Onderwijs te Utrecht,
schrijft onomwonden dat er op het vlak van bestuur en innovatie een radicaal
andere aanpak nodig is waarbij 'schoolleiders met lef en verbeelding' de
voortrekkersrol moeten vervullen en voor de metamorfose van rups- naar
vlinder-school moeten zorgen. Gipsen stelt: "Wil een rups een
metamorfose ondergaan tot vlinder dan heeft hij of zij visie nodig en lef.
Visie om te beseffen dat de toekomst andere doelen kent dan je vol vreten met
bladmoes en het alsmaar dikker willen worden. Lef bovenal, om uiteindelijk je
met moeite aan die cocon te ontworstelen
en dan te gaan fladderen en nectar uit bloemen te drinken. Zo gaat dat met
scholen ook. Een innovatief schoolleider denkt zijn medewerkers vooruit en is
bezig met de ontwerpfase van vlinders" ( NNO-brochure, o.c.). De
schoolleider en het middenkader spelen de belangrijkste rol bij de
HNL-metamorfose die de school moet ondergaan; zij moeten de leerkrachten
overtuigen (dwingen) hun cocon te verlaten.
De HNL-scholen
vroegen en verkregen het statuut van 'regelvrije' school. Aldus kunnen ze
zonder dat er politieke besluiten genomen moeten worden, geruisloos experimenteren en hun zin
doordrukken. Dergelijke scholen krijgen "alle ruimte voor
onderwijsinnovatie, organisatieontwikkeling, integraal personeelsbeleid en
natuurlijk vooral inzake de aanpak van het leerproces." Regelvrije scholen
sluiten een zevenjarig convenant met de minister. Ze krijgen ook vaak een
financiële injectie.
5.4 Steun vanwege minister
De HNL-visie op beleid
en innovatie krijgt ook de volle steun vanwege onderwijsminister Maria Van der
Hoeven en van de CDA en VVD: ook zij verwachten voortaan alle heil van de
lokale autonomie, van 'de bedrijvige school', de school die als een
zelfstandige onderne
|