Jaarklassen, jaarklascurricula en
activerende instructie:
onderschat & verguisd emancipatorisch hervormingsproject :deel 1
Raf
Feys & Pieter Van Biervliet (Bijdrage
uit Onderwijskrant nr. 134, 2005)
1 Inleiding : van evidentie naar controverse
1.1 JKS-project: 'de nieuwe (echte) school',
revolutionaire
GOK-hervorming
De meeste praktijkmensen beschouwen het al een paar eeuwen als een
vanzelfsprekendheid en als een zegen; de meeste leerkrachten in Vlaanderen,
Finland
passen het nog steeds toe. Een
aantal theoretici en beleidsadviseurs bestempelen het echter al meer dan een
eeuw als de grootste kwaal binnen ons onderwijs. We hebben het hier over het
werken met het jaarklassensysteem (JKS), met jaarklascurricula en met voldoende
klassikale (collectieve, gelijktijdige) instructie. Ook de samenstelling van de
leerboeken is nog steeds op het JKS gebaseerd.
De invoering van het JKS-project en van meer activerende instructie
werd destijds als een revolutionaire en emancipatorische vernieuwing beschouwd;
men gewaagde van de overgang van de 'oude' naar de 'nieuwe' of de 'echte'
school. De daadwerkelijke intrede van de klassikale principes in het 'gewone'
basisonderwijs liet jammer genoeg lang op zich wachten. Ze was eng verbonden
met de lange strijd voor democratisering van de toegang tot het onderwijs, voor
kosteloos en kwaliteitsvol basisonderwijs en tegen de kinderarbeid.
Belangrijke auteurs en hervormers hielden al eeuwen geleden
'emancipatorische' pleidooien voor de invoering van jaarklassen en van
klassikale instructie (simultaan onderwijs) denk b.v. aan Pierre Fourier
(1565 1640) en J.A. Comenius (1592-1670). In het pre-klassikale tijdperk was
het volksonderwijs miserabel: er was slechts 1 onderwijzer voor een grote groep
leerlingen van verschillende leeftijd, de kinderen kregen weinig instructie en
begeleiding, de leerinhoud was vrij beperkt vooral 'mechanistisch' leren,
memoriseren en automatiseren, veel kinderen volgden slechts enkele leerjaren of
gingen nog niet naar school. Pas rond 1800 krijgen we de doorbraak van het
klassikaal onderwijs in Nederland en pas in de loop van de 19de eeuw
verspreidde het klassikaal systeem zich in toenemende mate in het Belgische
basisonderwijs. De invoering en optimalisering van het JKS vereiste de
democratisering van de toegang tot het (basis)onderwijs en een grotere
investering in leerkrachten, gebouwen en leermiddelen.
Op het einde van de 19de eeuw beschouwde ook de Belgische
wetgever het klassikaal systeem als een na te streven en haalbaar ideaal en ook
via de wet op de kinderarbeid probeerde men de toegang tot het volksonderwijs
te verbeteren. Sinds 1879 wordt de lagere school in zes leerjaren verdeeld. De
drie modelprogramma's die tussen 1880 en 1897 door de overheid gepubliceerd
werden, tonen duidelijk aan dat ook de beleidsmensen de opsplitsing in
jaarklassen als de meest wenselijke zagen, ook al moesten de onderwijzers in
die tijd nog meestal werken met jaarklassen binnen graad-groepen en soms nog
met meerdere graadgroepen tegelijk. De fundamenten van het klassikaal onderwijs
waren dus gelegd in de 19de eeuw, maar de omstandigheden waren verre
van ideaal door een tekort aan centen, leerkrachten en schoollokalen. Pas na de eerste wereldoorlog
kon het JKS ten volle gestalte krijgen. En pas in de jaren negentig kwam er
enige ruimte voor 'officiële' zorgverbreding e.d.
Het JKS-project is dus al eeuwen oud en heeft alles te maken met het
streven naar kwaliteitsvol onderwijs. De eerder late invoering in het
volksonderwijs is te wijten aan de moeilijke en lange strijd voor de toegang
tot het onderwijs en voor algemene volksverheffing. In de (Latijnse)
'elitescholen' werd er veel vroeger met klassikale instructie en een indeling
van de leerstof in jaarklassen gewerkt dan in het volksonderwijs; er zijn
aanwijzingen dat dit al her en der in de 15de eeuw het geval was. De
invoering van het JKS wordt door Mark Depaepe (1998 en 1999) en Peter Op 't
Eynde (2004) dan ook ten onrechte en eenzijdig in verband gebracht met de enge
tijdsgeest van de 19de eeuw
waarbij de rationele aanpak, de beheersbaarheid van de werkelijkheid en de
disciplinering van de leerlingen centraal gestaan zouden hebben. Zij beschouwen
de invoering van het JKS en van de klassikale
instructie eerder als een stap achteruit dan als een Copernicaanse
hervorming.
1.2 Klassikaal systeem: niet langer evident
Het feit dat het JKS voor de meeste mensen een evidentie betekent,
belet niet dat het JKS vanuit de 'hogere' pedagogiek al een eeuw lang kritiek
te verduren krijgt. Sinds 1970 stond het opdoeken van het JKS ook centraal binnen
allerhande beleidsadviezen. Heel wat beleidsadviseurs opteerden voor radicale
differentiatie en individualisatie, voor onderwijs op maat van elk kind, voor
het enkel werken met graadklassen of drieklassige stamgroepen, voor het laten
doorlopen van het (basis)onderwijs op eigen snelheid (cf. 'Ideeën over onderwijsvernieuwing' van minister De Croo uit 1975), voor zelfgestuurd en
leervraaggestuurd onderwijs, voor 'het
nieuwe leren', voor het niet langer werken met leerplannen waarbij de
leerinhoud opgedeeld wordt per jaarklas
of graad, voor vormen van ontscholing en ontsystematisering van het leerproces,
voor leerlinggericht onderwijs
.
Het begrip jaarklas en de JKS-grammatica werden in 1982 geschrapt binnen de Nederlandse wet op het
basisonderwijs en in 1997 binnen het Vlaamse decreet basisonderwijs. In dit
decreet verdwenen de verwijzingen naar
het werken met jaarklassen en graden. Er was voortaan geen verplichte indeling
in jaarklassen, graden of vakken meer. Tal van bewindsmensen stelden dat ze
hiermee de afbouw van het JKS en van de klassikale instructie wilden stimuleren.
We voorspelden dat de praktijkmensen het jaarklassensysteem zouden behouden en
dat de schrapping van dit principe in de wet weinig of geen invloed zou hebben.
We stellen 8 jaar later vast dat dit ook het geval is.
Waar bij het begin van de jaren zeventig in de JKS-kritiek de klemtoon
gelegd werd op radicale differentiatie, kwam daar de voorbije jaren vooral de
argumentatie voor zelfsturing en zelfstandig leren bij. Tegenover het
leerkrachtgestuurd klassikaal onderwijs en directe instructie werd het
leerlinggestuurd of leervraaggestuurd onderwijs geplaatst. Het denkbeeld van de
mens/leerling als een ondernemer van zichzelf staat meer en meer centraal in
het gangbare denken over onderwijs, economie en maatschappij (Feys, 2004b). Het
JKS met zijn klassikale interactie en instructie en zijn indeling van de
leerstof in leerjaren achten zij verantwoordelijk voor de vele onderwijskwalen.
Daarnaast is er ook nog de recente kritiek van prof. M. Depaepe die beweert dat
het JKS vooral ingevoerd werd om de leerlingen beter te kunnen disciplineren en
onderwerpen.
1.3 Eeuwenoud JKS weerstaat kritiek
Maar het JKS, de klassieke leerplannen, de instructie e.d. hielden/houden grotendeels stand, zelfs al
verdwenen de JKS-principes uit de wetgeving. In het onderwijsveld, bij de
leerplanontwerpers, in de wereld van de educatieve uitgevers
wordt het JKS nog steeds als een evidentie
beschouwd. Er wordt in veel klassen nog steeds veel tijd besteed aan klassikale
interactie: denk maar aan motiverende probleemstellingen, aan waarnemingen, aan
activerende instructie, aan open opdrachten waarbij de leerkracht de zwakkeren
een zetje geeft, aan gezamenlijke bespreking van zelfstandig gemaakte
oefeningen, aan vertellen, kringgesprekken, thematische wereldoriëntatie,
filosoferen met kinderen, en ga zo maar door. In al deze momenten zitten al
tegelijk veel differentiatie-kansen en daarnaast is er ook nog ruimte voor
structureel georganiseerde differentiatie. Klassikaal onderwijs is best verenigbaar
met differentiatie.
Ook de ontwerpers van de leerplannen van 1998 behielden de verwijzingen
naar graden, klassen en vakken. In Groot-Brittannië maken we al meer dan tien
jaar de 'return to interactive
whole-class-teaching' mee. Eén van de grootste tegenstanders van het JKS,
J. Letschert van de Nederlandse SLO, schreef
onlangs -samen met W. Kuiper en W. Vanobbergen een boekje over "De persistentie van het
leerstofjaarklassensysteem in het primair onderwijs in Nederland en
Vlaanderen" (W. Kuiper e.a, 2003).
Steeds meer Freinet-scholen voerden recentelijk weer jaarklassen in en op de
Freinet-website konden we een discussie omtrent de thematiek jaarklassen versus graadklassen volgen.
De meeste praktijkmensen en Vlaamse lerarenopleiders vinden dus nog steeds
dat het jaarklassensysteem gekoppeld aan activerende groepsinstructie één
van de belangrijkste pijlers is en dat binnen dat systeem ook het best tegemoet gekomen kan worden aan de noden van
de verschillende leerlingen. Binnen het JKS zijn er veel vormen van
differentiatie en zorgverbreding mogelijk. Pas als een leerkracht instructie
kan geven aan een grote groep leerlingen tegelijk, kan hij ook nog tijd
vrijhouden voor verlengde instructie en extra begeleiding voor de zwakkere
leerlingen.
Zelf hielden we als bijna de enige Vlaamse pedagogen - sinds 1973 vurige
pleidooien voor het behoud van de oerdegelijke JKS-principes en we werkten aan
de verdere optimalisering van de instructiemethodiek en van de JKS-principes,
b.v. zorgverbreding binnen een JKS-context. We zijn er van overtuigd dat het
klassikaal graan ook in de 21ste eeuw de orkaan zal doorstaan. Het
continueren van dit systeem en de verdere optimalisering ervan is sinds dertig
jaar een van onze belangrijkste bekommernissen. Het mooiste voorbeeld van een
oerdegelijke en permanente vernieuwing lijkt ons dus de invoering van het
jaarklassensysteem en de optimalisatie
ervan die nog steeds verder gaat.
Het klassikaal onderwijs is eeuwenoud en nog steeds wereldwijd
verspreid. De invoering van het jaarklassensysteem en van de klassikale
instructie stond destijds in functie van de algemene volksverheffing. De
ontvoogding via klassikale cultuuroverdracht die o.m. door Comenius werd
bepleit leidde ook daadwerkelijk tot het bieden van meer kansen binnen
onderwijs en maatschappij.
In veel hervormingsvoorstellen en zelfs in GOK-projecten staat echter het komaf maken met het
klassikaal systeem centraal. Volgens Peter Op ''t Eynde (KU Leuven) "maakt de uniforme,
klassikale aanpak immers abstractie van de verschillen tussen de
leerlingen". De voorbije pogingen tot interne en externe differentiatie
brachten volgens hem ook wel geen soelaas, maar de nieuwe, socio-constructivistische
visie biedt dé oplossing uit de huidige impasse: "De individuele leerling
is immers diegene die steeds op zijn eigen wijze, op grond van wat hij
belangrijk vindt, op grond van wat hij kan zijn, zijn leerproces stuurt en actief
nieuwe kennis opbouwt" (Themanummer 'Maatwerk op school', Impuls,
september 2004, p. 87).
Mede vanuit het mislukken van de refompedagogische hervormingen van de
voorbije decennia pleiten sommigen nu voor meer radicale alternatieven. In
Nederland en elders opteren voorstanders van 'Het Nieuwe Leren' voor radicale
ontscholing van het leerproces. De term 'Het Nieuwe Leren' spreekt tot de
verbeelding; het is een grabbelton voor allerlei onderwijsvernieuwingen die één
ding gemeen hebben: de gedachte dat leerlingen van nature gemotiveerd zijn te
leren, dat het leren dus grotendeels aan de zelfstandige en zichzelf sturende
leerling overgelaten kan worden. Het onderwijs moet zich vooral spiegelen aan
het natuurlijke leren buiten de school; een leerling is op superieure wijze in
staat de kennis aan te boren die in deze (informatie)maatschappij overal
voorhanden is, hij construeert zijn eigen kennis. Het werken met leerplannen en
afzonderlijke vakdisciplines is dan ook uit den boze, radicale doorbreking van
de vakkenscheiding staat voorop. De schoolmeester moet worden omgetoverd tot
'procesbegeleider' (coach) en de klas tot leerlandschap of werkvloer.
Jaarklassen, klassikale instructie, leerplannen met vaste leerinhouden,
leerkrachtgestuurd leren, de gezagsvolle meesters
moeten de helling op. 'Plus
de Maîtres' was overigens al een van de kreten die op de muren van de Sorbonne
prijkten in mei 1968.
Jos Letschert, een van de boegbeelden van de Nederlandse 'Stichting
voor Leerplanontwikkeling', pleitte voor het volledig verlaten van het gangbare
jaarklassensysteem en leerstofmodel: 'Het huidige onderwijsmodel is jammer
genoeg nog steeds gebaseerd op het instrueren van kinderen. Een klassikale
setting is dan de gemakkelijkste manier. Naar mijn mening moet de kern van het
onderwijs zijn dat kinderen zich de kennis zelf eigen maken, puur omdat ze er
nieuwsgierig naar zijn. De leraar kan daarbij alleen maar de condities
scheppen. Kinderen zijn nieuwsgierig, ze leren altijd, maar met ons
geïnstitutionaliseerd onderwijssysteem slagen we er voorturend in om ze
ongeïnteresseerd te maken" (Didaktief, juni 2004). De 'Nieuwe
Leren'-beweging' is niet echt nieuw. Ze situeert zich binnen de brede
ontscholingsbeweging van de voorbije decennia die in het Duits soms omschreven
wordt in termen van 'Entschulung, Entsystematisierung und Entsymbolisierung des
Lernens' (Franz Weinert). Volgens de emancipatorische pedagoog Herman Giesecke
levert zo'n ontscholing een 'anti-intellektuellen, anti-kognitiven und insofern
auch gegenaufklärischen' effect op en een bedreiging van de onderwijskansen van
benadeelde leerlingen. In de Nederlandse dag- en weekbladen lazen we de
voorbije maanden veel kritiek op de 'nieuwe leren'-projecten.
Naast voorstanders van ontscholing zijn er echter steeds meer sceptici
die pleiten voor het behoud en verder optimaliseren van het klassieke leren en
zelfs voor vormen van herscholing (re-schooling). Ook meer academici pleitten
de voorbije maanden voor de herwaardering van de basisgrammatica van de
eeuwenoude instructievormen en tegen de slogans van 'Het nieuwe Leren'.
Sommigen ijveren voor een terugkeer van de leer- en prestatieschool i.p.v. de
leef- en knuffelschool, voor meer aandacht voor de leerkrachtgestuurde
instructie, voor 'eine Pädagogik vom Lehrer aus' i.p.v. 'Pädagogik vom Kinde
aus', voor een herwaardering van klassieke leerinhouden. In Onderwijskrant nr.
117 schreven we hierover al de bijdrage: "1970-2000: Entschulung,
Entsystematisierung und Entsymbolisierung des Lernens". Het werken met
directe instructie en jaarklassen blijken ook de belangrijkste pijlers voor het
uitbouwen van een effectieve achterstandsdidactiek.
1.4 Onderzoekers pro JKS
In het onderwijsveld geldt het JKS
dus nog steeds als de basisgrammatica voor effectief onderwijs en voor
een efficiënte organisatie van het leerproces. Zelf voelden we ons in het
verleden wel wat eenzaam in onze pleidooien voor het behoud en verder
optimaliseren van het JKS. De voorbije maanden namen ook steeds meer academici
afstand van het zgn. 'nieuwe leren'. Een paar voorbeelden.
Bij haar recente aanstelling (januari 2005) als professor
onderwijskunde (Groningen) betoogde Greetje
Van der Werf in haar oratie 'Leren in
het studiehuis' dat het zgn. zelfgestuuurd 'nieuwe leren ineffectief is en
dat de principes van het leerkrachtgestuurde leren en van de directe instructie
in ere hersteld moeten worden. In de kranten en in de media kon ze op veel
instemming rekenen.
Van der Werf besloot: "Instructie
is effectiever en efficiënter dan zelfverantwoordelijk leren. Onderzoek heeft overtuigend laten zien dat
er maar weinig positieve effecten zijn van ontdekkend leren en dat het meestal
inferieur is en minder efficiënt dan directe instructie' (in Simone
Barneveld, 2005).
Prof. Wim Van den Broeck
(Univ. Leiden) formuleerde onlangs een visie op effectief (taal)onderwijs waarin hij
betreurt dat de leraargestuurde en klassikale aanpak door veel academici als
voorbijgestreefd wordt beschouwd (Hoofdstuk over 'Technisch lezen' in
Acco-handboek, 2004).
Hij opteert nog steeds voor
een meer leraargestuurde aanpak en voor voldoende klassikale instructie, met
inbegrip van een aantal vormen van differentiatie en zorgverbreding. Van den Broeck betreurt dat op
vandaag veelal gekozen wordt voor een
zelfontdekkende benadering waarin kinderen zelfstandig hun eigen leren in
handen kunnen en moeten nemen en waarbij aangesloten moet worden bij de
ervaringen van het individuele kind. We citeren een stukje uit zijn betoog: "Uit breed internationaal onderzoek
blijkt: dat leerkrachtgestuurd onderwijs in het algemeen een hoger
leerrendement oplevert; dat leerlinggerichte of zelfontdekkende
onderwijsmethoden nadelig zijn voor de zwakke of kansarme leerlingen en dat
vooral deze leerlingen meer afhankelijk zijn van de kwaliteit van de school;
dat de hoeveelheid leerkracht-leerling-interactie in klassikaal onderwijs hoger
ligt.
Onderzoek en ervaringen
leren verder dat korte, krachtige klassikale instructie, gevolgd door flexibele
differentiatievormen (b.v. verlengde instructie) goede resultaten oplevert. Kwaliteitsvol
onderwijs wordt gekenmerkt door het vooropstellen van concrete en meetbare
onderwijsdoelen, het maximaliseren van de effectieve leertijd, waardoor een
hoog niveau van actief inoefenen wordt bereikt, het verstrekken van
systematische en continue feedback en het regelmatig afnemen van toetsen die de
tussendoelen op een adequate wijze meten
Indien individuele ontwikkeling tot
norm wordt verheven, waarom zou men zich dan nog zorgen hoeven te maken over
het achterblijven van de zwakkeren?" Van den Broeck vertolkt hier een visie die ook
al lang de onze is en die aansluit bij recente studies over een effectieve
(achterstands)didactiek (zie bijdragen hierover in vorige Onderwijskranten). In
de bijdrage over de effectiviteit van het JKS besteden we verder aandacht aan
de wetenschappelijke ondersteuning van het JKS.
1.5 Prof. Genovesi versus prof. Depaepe
G. Genovesi, Italiaans professor historische pedagogiek, stelt dat het
jaarklassensysteem voor de meesten een evidentie was en nog steeds is. Hij wil
als historicus wel nagaan welke externe
factoren hebben bijgedragen tot het lange tijd uitstellen van de invoering van
het jaarklassensysteem en de jaarklascurricula, niettegenstaande vele
belangrijke theoretici zoals Comenius,
gewezen hadden op de evidente didactische belangrijkheid (Genovesi, 1987). Zo
kunnen we b.v. achterhalen dat men ook nog op het einde van de 19de
eeuw in de praktijk van de volksschool onvoldoende kon tegemoet komen aan het
jaarklasideaal; een onderwijzer was nog meestal verantwoordelijk voor een grote
groep leerlingen 50 of meer van diverse leeftijdsgroepen. De staat
investeerde nog te weinig in het onderwijs en het volksonderwijs was er slecht
aan toe; er was nog veel kinderarbeid, er waren nog geen lerarenopleidingen, er
was nog geen leerplicht,
De Leuvense collega van prof. Genovesi, prof. Mark Depaepe, verbaast er
zich echter over dat zo'n verderfelijk klassikaal systeem zich nog steeds kan
handhaven. Mark Depaepe en Lieve Vanmaele (KU Leuven) wekken ten onrechte
de indruk dat sinds 1970 dé onderwijsmensen de jaarklas verderfelijk vinden
(Vanmaele, 2004). Het zijn echter bijna uitsluitend een aantal theoretici uit
de kring van de 'hogere pedagogiek' en onderwijsondersteuners die het
klassikaal systeem bekampen.
1.6 Overzicht bijdrage
In deze bijdrage beschrijven we vooreerst de ambitieuze pedagogische,
didactische en maatschappelijke doelstellingen van het JKS-project en de grote
verschillen met het miserabel (volks)onderwijs uit de pre-JKS-periode. Daarna
beschrijven we de doelstellingen van het JKS; we maken hierbij ook duidelijk
dat de optie voor voldoende klassikale momenten, niet betekent dat alle
activiteiten klassikaal en voorgeprogrammeerd verlopen. In punt 4 bekijken we de kritiek op het JKS uit
heden en verleden. In punt 5 maken we een kritische analyse van de
JKS-alternatieven.
2 Van 'oude school' naar 'moderne' JKS
2.1 Pre-jaarklasperiode of 'oude school'
weinig instructie; reciteeronderwijs
De meeste auteurs zijn het er over eens dat de situatie van het volksonderwijs
vóór de invoering van de JKS-principes erbarmelijk was en dat de geleidelijke
invoering van het JKS de kwaliteit van het onderwijs en het welzijn van de
leerlingen sterk bevorderde. De overschakeling op het jaarklassensysteem werd
destijds veelal beschreven als een overgang van de 'oude' naar de 'nieuwe'
school. In het pre-jaarklastijdvak ging het veelal om een (niet-gediplomeerde)
leerkracht die verantwoordelijk was voor een grote groep leerlingen van
uiteenlopende leeftijd, collectieve instructie aan groepen leerlingen was niet
echt mogelijk. Kinderen werden in een sobere ruimte gegroepeerd en moesten er
vooral op hun eentje leren of vaardigheden inoefenen,
vooral memoriseren en automatiseren. Terloops: onze Torhoutse
normaalschool de oudste van het land leverde pas in 1841 de eerste
gediplomeerde onderwijzers af.
Een leergroep kende dus vijftig leerlingen of meer van
sterk verschillende leeftijd. Het lesgebeuren bestond erin dat die vele
leerlingen als eenlingen naast elkaar
zittend op lange schoolbanken, veelal zelfstandig een les moesten instuderen of
een vaardigheid inoefenen. Daarna verschenen ze een voor een, individueel of
in kleine groepen voor de schoolmeester die hen overhoorde of de
taakuitvoering controleerde. Als de taak af was, kregen de kinderen een nieuwe.
Van instructie was er nog weinig sprake: de leerlingen kregen individueel of in
groepjes wel af en toe wat uitleg van de meester of van oudere leerlingen. Op menig schilderij kan men taferelen zien
waar kinderen een voor een bij de meester opdrachten en aanwijzingen krijgen
(Annaert, 1986,184).. (Terloops: In het Frans
had de term 'école' oorspronkelijk betrekking op de ruimte van een klas; het
schoolgebouw werd dan met het meervoud 'écoles' aangeduid).
In het boek 'Geschiedkundig overzigt van het lager
onderwijs in Nederland' (Leiden, 1849)
stelde P.K. Görlitz dat het onderwijs in stof en vorm gedurende de 18de
eeuw zo'n grote gebreken vertoonde, dat een krachtige en alzijdige verbetering
en hervorming vereist waren. Niet alleen de methode en inrichting der
scholen lieten te wensen over, maar ook
een groot deel van de Nederlandse jeugd was geheel van onderwijs verstoken en
de situatie in de klaslokalen was miserabel
Over het lesverloop lezen we: "De
Meester heeft plaatsgenomen in zijn lessenaar.
Aan elke zijde van zijn
lessenaar staan op trapjes twee jongens aan de ene, twee meisjes aan de andere
zijde, op elke trede een. Ieder heeft zijn spel- of leesboek, waaruit hij zijne
les opzegt, altijd de twee bovenste tegelijk; soms leest de ene en spelt de
andere; het gehoor van de meester is scherp genoeg om de fouten op te merken,
terwijl hij intussen bezig is met het vermaken van pennen, het liniëren van
schriften, soms ook met het schrijven van voorschriften. Heeft ieder zijn getal
regels opgezegd, dan gaat hij naar zijn plaats, en wordt door die op de tweede
trede vervangen, en zo gaat het voort tot ieder zijn beurt heeft gehad. Van
tijd tot tijd komt op het voorste trapje een hoofd en een lei te voorschijn,
met het verzoek, of Meester de sommen eens wil nazien; ze worden met een teken
van goedkeuring, of met een aanduiding hoe ver zij goed zijn, teruggegeven, of
men verlangt wat uitleg waar men niet voort kan, deze wordt meestal gegeven
door de som op te zetten en aan te wijzen, met welke getallen moet
vermenigvuldigd, met welke gedeeld worden."
In De Menschenvriend
van 1788 lezen we: "De Meester
verheft zijne stem en de leerdreun begint. Het onderwijs neemt zijn aanvang,
zes naderen tegelijk de leerstoel drie klimmen het trapje op en beginnen
tegelijk de één:e-n, de ander d-a-t dat, een derde v-a va. De meester
herhaalt deftig: d-a-t, dat en naar je plaats en hij haalt met een vaert een
streep, waar ze eindigen. Anderen treden aan, rammelen op dezelfde wijze hun lesje
af; en zo doen binnen een half uur dertig of veertig kinderen. De meester versnijdt intusschen pennen en maakt fraaje letters op groot mediaan met allerlei
figuurtjes, om het een der voornaemsten present te geven; om de vijf minuten
vraagt hij om stilte. Thans verschijnen eenigen met hunne kladschriften voor
het plankgestoelte, en het voornaam werk van de Meester neemt een aanvang. De
Meester maakt na eenigen draajingen, op het kinderschrift allerlei krullen
onder dezen verdwijnen de letters met hun gebreken der kinderen, die, met met
deze kunststukken wonder op hun schik, al springende naar hunnen zitplaatsen
vertrekken."
2.2 'Hoofdelijk' onderwijs: geen onderwijs op
maat!
De situatie in het pre-klassikale tijdperk wordt vaak
aangeduid met de term 'hoofdelijk onderwijs' (Tihon, 2002, 21) of zelfs
'individueel onderwijs' hoewel er al bij
al weinig onderwezen kon worden. De termen 'hoofdelijk en individueel'
onderwijs wekken ten onrechte de indruk dat er in die tijd sterk
geïndividualiseerd werd en dat leerlingen onderwijs-op-maat kregen. Peter Op 't Einde (KU Leuven) laat zich
hierdoor misleiden en schrijft in een bijdrage over 'maatwerk op school' dat
het 'hoofdelijk onderwijs' van de 18de eeuw al een poging was om
onderwijs-op-maat te realiseren (Peter Op 't Einde, 2004, p. 85); de invoering
van het JKS zou dan voor een breuk in dat denken gezorgd hebben.
Op 't Eynde neemt hier een dubieuze voorstelling van zijn collega
Depaepe over. In publicaties van Marc Depaepe en Ariès wordt merkwaardig genoeg
de indruk gewekt dat de invoering van de JKS-principes een stap achteruit was,
er toe leidde dat de vrijheid van de leerling sterk beknot werd en dat er
voortaan minder gedifferentieerd werd,
Ariès en Depaepe beweren bijvoorbeeld:
"De voorheen schier ongebreidelde
vrijheid van de scholier moest bij de invoering van het klassikaal systeem
plaatsmaken voor een gedisciplineerde omgang" (Depaepe, 1998). Na een
lange periode van 'ongebreidelde vrijheid van de scholier' werd dus volgens
Depaepe vanaf het eind van de 18de eeuw de jaarklas-kazerne
ingevoerd. Zo'n geïdealiseerde beschrijving van de 'oude school' uit de
pre-jaarklasperiode en zo'n
vernietigende voorstelling van het JKS-hervorming treffen we nergens elders
aan.
2.3 Klassikaal onderwijs
De invoering van het klassikaal systeem is dus gegroeid vanuit de
onvrede met de situatie van het onderwijs in het pre-klassikaal tijdperk en
werd door de pioniers gezien als een revolutionaire hervorming; de 'nieuwe
school' moest vooral de onderwijskansen van de volkskinderen bevorderen.
Het jaarklasideaal werd al lang gepropageerd b.v. door J.A. Comenius
in 1657, maar kon pas veel later toegepast worden en dan nog vaak in weinig
ideale omstandigheden. Het klassikale systeem deed pas zn intrede in het gewone
onderwijs vanaf eind 18de eeuw. Het JKS nam in België een aanvang in de eerste
decennia van de 19de eeuw;
pas op het einde van de 19de eeuw kende het echter een betere
uitbouw, ook al waren de meeste onderwijzers ook dan nog verantwoordelijk voor
grote groepen kinderen veelal verspreid over meerdere leerjaren. De onderwijzer
gaf les aan een groep kinderen terwijl de anderen in stilte de leerstof konden
inoefenen of herhalen. Voor een uitgebreide historiek van het klassikaal
onderwijs verwijzen we naar de volgende bijdrage.
3 JKS-project: doelstellingen &
dosering
3.1 Doelstellingen
De belangrijkste argumenten die bij de invoering van het JKS en nog
steeds geformuleerd werden lijken ons heel waardevol:
*Uitbreiding en verbetering van de kwaliteit van het volksonderwijs: in
de elitescholen werkte men al langer met kleinere groepen wat het werken met
klassikale instructie mogelijk maakte. Volksverheffing en ontvoogding via
cultuuroverdracht stonden centraal.
*Binnen een JKS krijgen de leerlingen veel meer activerende instructie
en begeleiding. Klassikale instructie is efficiënt en effectief: bij mondelinge
instructie aan een grotere groep tegelijk krijgen de leerlingen meer uitleg en
begeleiding; bij sterke differentiatie e.d. is dit veel minder het geval.
Degelijk onderwijs is in sterke mate leraargestuurd.
*Door zijn activerende instructie en socratische vraagstelling komen de
leerlingen meer tot inzichtelijk leren. Voorheen stond het reciteren van de
leerstof centraal. Rijke leerinhouden en
hoogwaardige doelstellingen vereisen voldoende klassikale instructie en een
interactief leerproces.
*Activerende (groeps)instructie bevordert het inspelen op de vragen en
problemen van de leerlingen.
(Terloops: Ook ervaringsverruimende leerinhouden op het vlak van de
sociale wereldoriëntatie, filosoferen met kinderen
vereisen de leiding door
de leerkracht.)
*Het klassikaal model vergemakkelijkt het ordelijk verloop van het
leerproces; de leerlingen kunnen meer geconcentreerd en in stilte werken. Dit
laatste bevordert de diepgang van het zelfstandig werk.
*De leerkracht werkt doelgerichter en enthousiaster: klassikaal
onderwijs leidt tot een grotere didactische inspanning; de onderwijzer moet
'namelijk de juiste methode en de geschikte leermiddelen zoeken zodat de
leerstof ineens aanslaat'. Hij kan zich dus ook beter voorbereiden.
*Door het JKS ontvangen de leerlingen meer feedback, o.a. dankzij de
klassikale verbetering en bespreking van de taken.
*Door de gezamenlijke instructie komt er meer tijd vrij voor extra-instructie
en -begeleiding van bepaalde leerlingen, voor zorgverbreding, voor haalbare
vormen van differentiatie. De JKS-principes zijn heel belangrijk binnen het
nastreven van een effectieve achterstandsdidactiek.
*Ook het collectieve aspect van het leerproces is volgens de
JKS-filosofie heel belangrijk. De interactie met de leerkracht en tussen de
leerlingen vergroot de gezamenlijke beleving en het samenhorigheidsgevoel. Het
behoud van de klas als werkstructuur verdiept de sociale gevoelens; dit vertaalt
zich in een 'deel-van-de-keten'-gedachte waarbij de kinderen zich allemaal even
belangrijk voelen': samen uit- samen thuis.
*De leerlingen trekken grotendeels gelijk op waarbij het werken met
heterogene groepen toch mogelijk blijft. De jaarklas geeft de leerling een
gevoel van veiligheid. Kinderen wisselen niet steeds van groep en leerkracht.
Dit wisselen veroorzaakt vaak onrust en onzekerheid. Zwakkere en langzame
leerlingen worden niet keer op keer geconfronteerd met het feit dat jongere,
meer begaafde of vluggere leerlingen hen voorbijstreven en steeds een aparte
behandeling krijgen. Een leerkracht verwoordt het zo: "De ervaring dat men de lessen en de opdrachten kan blijven volgen
in de eigen klasgroep werkt motiverend en voorkomt het minderwaardigheidsgevoel
van het moeten samenwerken met kinderen van een lagere leeftijdsgroep'. De
leerlingen doen ook hun best om met de leergroep en het klassikaal leerproces
mee te zijn.
*De indeling in (zes) jaarklassen vergemakkelijkt de organisatie van de
leerinhoud (de curricula) en het opstellen van leerplannen en leerboeken.
Vanuit de optie voor een minimale basisvorming van alle leerlingen zijn
afgebakende streefdoelen in de loop van het parcours heel belangrijk. Onderzoek
wijst uit dat goede leerplannen en leerboeken in aanzienlijke mate de kwaliteit
van het onderwijs bepalen. Dit alles belet niet dat een leerkracht voor een
bepaalde leerling nog wel eens zal moeten afdalen naar de leerdoelen van een
lager leerjaar, dat een leerkracht ook af en toe moet loskomen van dit
leerplan,
*Binnen het JKS-project is ook altijd veel aandacht besteed aan het
aspect cultuuroverdracht. Hierbij is de oordeelkundige selectie van de
leerinhoud en van de vakdisciplines heel belangrijk. We moeten de kinderen
laten kennis maken met wat we waardevol vinden binnen onze cultuur, ze
confronteren met de wereld van de wiskunde, de taal, geschiedenis, vreemde
volkeren
3.2 Dosering versus kunstmatige tegenstelling
De optie voor voldoende klassikale instructie en leraargeleid onderwijs
betekent niet dat het leren in klas volledig klassikaal verloopt en dat de
leerinhoud volledig op voorhand vast ligt in leerplannen e.d.
Klassikale instructie is ook best te combineren met bepaalde vormen van
differentiatie binnen en buiten de klassikale momenten en met eerder
leerlinggestuurde activiteiten. Door het hoge rendement van klassikale
instructie komt er zelfs meer tijd vrij voor minder klassikale leerinhouden en
activiteiten.
We opteren voor een veelzijdige aanpak en voor dosering. Enkele
voorbeelden. *Klassikale instructie ging/gaat altijd gepaard met veel aandacht
voor zelfstandig inoefenen. Doserings-studies die nagaan in welke mate
verschillende soorten instructie en andere werkvormen aanwezig moeten zijn,
kunnen hier inspirerend. Zo leert ons een Brits onderzoek dat voor goede
rekenresultaten 50 tot 70% klassikale instructie en inoefening (d.w.z. de
leerlingen maken dezelfde oefeningen die dan klassikaal worden besproken)
vereist is (Koshy e.a., 2000, 197); daarnaast is er ruimte voor meer
leerlinggestuurd werk e.d. *Sommige leerinhouden vereisen een leraargeleide dialoog; volgens Vygotsky
kan de zone van de naaste ontwikkeling slechts via een 'magistral dialogue' bereikt worden waarbij de stem van de
leerkracht en de stem van de leerinhoud doorklinken. Er zijn anderzijds ook
meer 'child-centered dialogen' nodig
waarin vooral de stem van de leerling(en) doorklinkt, denk maar aan filosoferen
met kinderen.
*Wat de leerinhoud betreft opteren we voor een combinatie van 'old basics
en 'new basics'. Voor wereldoriëntatie in de hoger klassen betekent dit een
combinatie tussen de vakgerichte en de thematische aanpak. Als propagandisten
van de thematische aanpak (b.v. via uitgaven van Projectenfonds) besteedden we
tegelijk veel aandacht aan de vakken geschiedenis, aardrijkskunde
*Inzake dosering bij de instructie zelf opteren we voor een gezonde mix
van klassikale instructie en instructie aan kleine groepjes of aan een
individuele leerling (bijvoorbeeld verlengde instructie aan een zogenaamde
instructietafel). Zo'n dosering blijkt heel belangrijk in functie van een
effectieve achterstandsdidactiek.
Zelf bestrijden we al lang allerhande kunstmatige schijntegenstellingen
zoals leerstof- of leerkrachtgericht versus leerlinggericht onderwijs. Ook in
een recente studie van G. Carebout, Jan
Elen en Wouter Goolaerts (KUL) werd vastgesteld dat doorsnee volwassenen
niet denken in termen van dergelijke modieuze tweedelingen. Volgens hen kunnen
beide best samengaan (Instructie- en
kennisopvattingen: op zoek naar een
basislijn, Persoon en Gemeenschap,
2004, 57/1, 4353). We voeren al 30 jaar strijd tegen dergelijke
schijntegenstellingen.
|