Het War Heritage
Institute, een instelling van het ministerie van Defensie, is sinds vorige
maand begonnen met het project onze
vergeten helden waarin aandacht wordt gevraagd voor een probleem waarop ik
in het verleden al herhaaldelijk heb gewezen, zijnde het verdwijnen van graven
van gesneuvelden uit de Grote Oorlog op de burgerlijke begraafplaatsen en
kerkhoven. Op zich is daar niks mis mee, integendeel. Er begon echter wel een
alarmbelletje te rinkelen toen bleek dat het startschot van deze campagne werd
gegeven door niemand minder dan de vorst der Belgen in hoogsteigen persoon.
Sterker nog, dezelfde vorst der Belgen zal op 11 november 2018 ook deze
campagne officieel afsluiten. Filip dus als Alfa en Omega van de Belgische
herinneringscultuur . Ik werd echter helemaal gealarmeerd toen ik ontdekte wat
de campagne onze vergeten helden
precies behelst: Op de vergeten graven zullen email plaatjes met de Belgische
driekleur en het opschrift Pro Patria worden
bevestigd Of hoe het Mort pour la
patrie plots weer opgeld maakt. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat
een van de partners van het project de Nationale Strijdersbond is. Het zijn de
revanchistische fossielen van dezelfde NSB die bijvoorbeeld in mijn bloedeigen
Hoogstraten al jaren druk uitoefenen op het stadsbestuur om op 11 november
zéker géén vlag van de Vlaamse gemeenschap naast de oorlogsmonumenten te
hangen, terwijl dit wettelijk verplicht is Onwillekeurig bezorgde het plaatsen
van dergelijke geëmailleerde plaatjes mij een reminiscentie aan een officiële
Belgische praktijk tijdens WO I. In het begin van juni 1917 verschenen er op de
graven van gesneuvelden in onder meer Sint-Jacobs-Kapelle, Reninge en Pervijze
witte marmeren plaatjes met een koninklijke kroon en de ééntalig Franse teksten
Souvenir en Mort pour la patrie . Zoveel koninklijk onbegrip leverde een
scherpe reactie van de nochtans gematigd Vlaamsgezinde Belgische
Stanaard op. In 1920 was het de beurt aan de ultra-patriottistische vzw Nos Tombes - Onze Graven om met de
steun van de toenmalige minister van Landsverdediging, de liberaal Devèze -dezelfde
minister die verantwoordelijk wordt geacht voor het laten vernietigen van
honderden heldenhuldezerken- om op alle Belgische militaire begraafplaatsen tricolore
kokardes in dun plaatstaal aan te brengen. Dezelfde kokardes waar een verbolgen
oud-strijder Rik Demoen naar verwees tijdens de IJzerbedevaart van 1923 in
Oeren: Noch de legeroverheid, noch het
officiële België had er om gedacht op de graven onze makkers iets te plaatsen
dat aan Vlaanderen denken deed: wél stonden er de duizenden eentonig-zwarte
kruisen met fransch opschrift en akelig rammelende blikken platen met de
lelijk-schreeuwende driekleur En nu, plots, bijna 100 jaar na dato zijn
ze er weer, de tricolore blikken plaatjes, zij het deze keer met een neutraal
want Latijns opschrift
De vraag mag niet uit de weg worden gegaan wat hier de
bedoeling van is. Het Vlaams-nationalisme, bouwde tot frustratie van de
Belgische nationalisten al vrij snel na het einde van de Grote Oorlog een
eigen, aan dit conflict gerelateerde herinneringscultuur uit. Deze specifieke
Vlaamsgezinde herinneringscultuur die Vlaams-nationale, pacifistische,
identitaire en emancipatorische elementen met elkaar verweefde, speelde een
belangrijke rol in zowel de Vlaamse ontvoogdingsstrijd als in de vorming van
een Vlaams natiebesef. Zo kwam deze herinneringscultuur op gespannen voet te
staan met de dominante Belgisch-nationale herinneringscultuur die haar symbolen
van collectieve herinnering zoals de Onbekende Soldaat- gebruikte om de
nationale eenheid te (her)definiëren en te representeren. Naarmate het
interbellum vorderde, vergrootten de spanningen tussen beide actoren. Zo poogde
de Belgische overheid de patriottische gevoelens van de bevolking aan te
wakkeren maar vormde het Vlaamse pacifisme een sterke tegenbeweging. Het
officiële Belgische discours werd in die periode gekenmerkt door een
staatsaanhankelijk patriottisme terwijl de Vlaamse Beweging een van de
belangrijkste vertegenwoordigers werd van de pacifistische en antimilitaristische
stroming. Een stroming die zo sterk was dat ze, naar de mening van de historici
Valérie Rosoux en Laurence Van Ypersele leidde tot een decentralisatie en
fragmentatie van het Belgische collectieve geheugen over de Eerste Wereldoorlog.
Historicus Marnix Beyen stelde zelfs dat de Belgische staat te zwak bleek om
een sterk collectief geheugen te vormen waardoor een tegenbeweging als het
Vlaams-nationalisme succesvol kon worden.
Het lijkt er alvast op dat men vanuit de Belgicistische
hoek van plan is om onder de dekmantel van een lovenswaardig project, een ideologische
inhaalbeweging te maken in een poging het collectieve geheugen rond de Grote
Oorlog te accapareren. Het is, naar mijn bescheiden mening, erg jammer ze
daarbij kunnen rekenen op de steun van een N-VA-minister die blijkbaar enig
historisch besef mist
Ik ben alvast benieuwd of ze met hun tricolore parafernalia in de Crypte van de IJzertoren zullen opduiken. Of op de heldenhuldezerk van
Cyriel De Smidt, een 24-jarige soldaat in de machinegeweersectie van het 11e
Linieregiment die op 28 september 1918 bij Stadensneuvelde en op het kerkhof van zijn
geboortedorp Lissewege werd begraven ook een pro patria zullen hangen. Op zijn zerk is immers onuitwisbaar en
voor eeuwig Gesneuveld voor Vlaanderen
in de verduldige arduin uitgehakt...
Een paar
dagen geleden stond ik even stil bij Givenchy Road Military Cemetery in Vimy. Een
paar jaar geleden vond ik bij een bezoek aan deze site dit sprekende gezicht.
Een foto én een gedenkschrift, mooi uitgehakt in een arduinen blokje, bij het
graf van William Harold Muldrew. Deze soldaat in het 102e Bataljon
Canadian Infantry was 19 jaar oud toen hij op 9 april 1917 sneuvelde bij de
bestorming van de strategisch belangrijke heuvelrug van Vimy. Hij werd geraakt
door een machinegeweerkogel in de buikstreek, een verwonding die fataal bleek
te zijn. Op de foto bij zijn graf heeft hij een stoere snor maar op de foto die
kort na zijn inlijving werd gemaakt en die op webstek Canadian Virtual Memorial
van Veteran Affairs Canada is terug te vinden is daar echter nog niets van te
bespeuren. Bij nadere beschouwing lijkt de geportretteerde aan de voet van de zerk zelfs niet op de W.H. Muldrew uit de Canadese database... Misschien een geval van Mistaken Identity ? Muldrew was op 27 oktober 1897 in Gravenhurst, Ontario geboren.
Toen hij op 1 december 1915 dienst nam was hij net begonnen aan een opleiding
als leraar. Hij woonde op dat ogenblik in Red Deer, Alberta wat meteen
verklaart waarom de leerlingen van de Lindsay Thurber secundaire school uit
datzelfde Red Deer, het herdenkingsplaatje op zijn graf plaatsten.
Een mooi en vooral sereen initiatief van
de CWGC om een aantal van de met een Victoria
Cross de hoogste Britse dapperheidsonderscheiding gedecoreerde gevallenen
uit de 3e Slag om Ieper (1917), beter bekend als de Hel van Passendale te herdenken.
Klik op onderstaande link:
Vorige week stond ik stil bij de Ierse
dichter Patrick MacGill en dat doe ik vandaag graag opnieuw met één van zijn
kortste, maar in mijn ogen, sterkste gedichten waarin hij het poëtische op de
rijke Keltische folklore geënte beeld van de feeën gebruikt om de gruwel van de
dood te accentueren..
Een of twee
seiners en ik moesten in het open terrein lopen vlak voor de Duitsers, die
misschien drie tot vijf kilometer verder zaten. Maar ze konden ons zien en ze
leverden een fraai staaltje schietkunst af; ze maakten cirkels om ons heen. Een
van de jongens, een grote, flinke knaap, riep: Zoiets heb ik nog nooit gezien
! Het was alsof hij juichte voor een goocheltruc of een ander kunstje of een
knap staaltje bowlen tijdens een cricketwedstrijd.Zelfs toen was ik onder de indruk van zijn
zelfbeheersing.Maar hijstond gewoon te kijken naar het opmerkelijke
vakmanschap van een ander mens en dat vond ik heel sterk...
Luitenant Edmund Blunden MC,
11e Bn. Royal Sussex Regiment
Na al het
Engelse verbale geweld van de laatste weken in Zondag Frontpoëziedag vandaag graag even uw aandacht voor één van
mijn favoriete War Poets, de Ierse
dichter en novellist Patrick MacGill. Hij werd op 24 december 1889 in Glenties
in County Donegal geboren als oudste in een gezin dat elf kinderen zou gaan
tellen. Zijn ouders hadden het niet breed en nadat hij tot zijn tiende naar
school was geweest, ging MacGill noodgedwongen werken, eerst als boerenknecht op de
schrale velden in het Noordwest van het niet altijd- Groene Eiland, later als
dagloner/arbeider, één, van de beruchte Ierse navvies, die als moderne slaven een substantieel deel van het
Britse imperium hebben uitgebouwd. De bijna auto-didact MacGill schoolde zich
na het werk zelf bij en in 1911 publiceerde hij met succes- een eerste
dichtbundel. Zijn debuut en een paar opgemerkte artikels van zijn hand
volstonden om hem een paar maanden later een full-time job te bezorgen bij de Daily Express. Nog voor 1914
had hij al drie bundels gepubliceerd.
Tijdens
de Grote Oorlog nam hij dienst in het 18e bataljon van the London Regiment, de London Irish Rifles. Het was in de
rangen van deze eenheid dat hij in de herfst van 15 ernstig gewond raakte bij
de slachtpartij rond het Frans-Vlaamse mijnstadje Loos. Persoonlijk ben ik van
oordeel dat zijn krachtige, expressieve gedichten maar ook zijn literatuur
zoals het beresterke The Great Push tot
het beste behoren wat er tijdens en over de Grote Oorlog is gepubliceerd.
A VISION
This is a tale of the trenches
Told when the shadows creep
Over the bay and traverse
And poppies fall asleep.
When the men stand still to their rifles,
And the star-shells riot and flare,
Flung from the sandbag alleys,
Into the ghostly air.
They see in the growing grasses
That rise from the beaten zone
Their poor unforgotten comrades
Wasting in skin and bone,
And the grass creeps silently o'er them
Where comrade and foe are blent
In God's own peaceful churchyard
When the fire of their might is spent.
But the men who stand to their rifles
See all the dead on the plain
Rise at the hour of midnight
To fight their battles again.
Each to his place in the combat,
All to the parts they played
With bayonet, brisk to its purpose,
Rifle and hand grenade.
Shadow races with shadow,
Steel comes quick on steel,
Swords that are deadly silent
And shadows that do not feel.
And shades recoil and recover
And fade away as they fall
In the space between the trenches. And the watchers see it all.
Drie fotos van de CWGC-site Givenchy Road Canadian Cemetery die als een momentopname inde tijd een mooi beeld geven van de evolutie
van deze militaire begraafplaats. De eerste foto dateert uit 1919, de tweede is
gemaakt in de jaren dertig en de laatste in de vroege herfst van 2017.
Givenchy Road Canadian Cemetery, in de schaduw van het grote Canadian Cemetery nr. 2 op de met bloed doordrenkte heuvelrug van
Vimy is een interessante site. Ze heeft een ongewoon, cirkelvormig grondplan en
wordt vandaag omsloten door een natuurstenen muurtje maar op de foto uit de jaren
dertig zien we op deze plaats een inmiddels verdwenen- haag. Zonder
uitzondering dragen de 111 zerken op
deze site het esdoornblad wat erop wijst dat alle militairen die hier werden
begraven Canadezen waren. Op vijf na
sneuvelden ze allemaal op 9 april 17 in de onmiddellijke omgeving van de
plaats waar ze nu rusten. Niet één van hen was een officier, het waren allemaal
soldaten of onderofficieren. Slechts twee van hen kon niet geïdentificeerd
worden. U zal merken dat alle zerken tegen elkaar aanleunen. Dit heeft alles te
maken met de instabiliteit van de met tunnels doorboorde ondergrond op deze
site.
EEN VAN VELE... - HILLYAR GEORGE EDWIN HILL TREVOR
Vandaag een tweede bijdrage in mijn nieuwe topic Eén van vele waarin ik op zoek ga naar
individuele monumenten, persoonlijk gekleurde Lieux de Mémoiredie op het
gewezen, westelijke front terug te vinden zijn.
In de Rue du Moulin in het desolate landschap bij het
Frans-Vlaamse Givenchy, op een boogscheut van het kanaal, staat ietwat verloren
weg, een ingetogen monumentvan een
treurende vrouw met lauwerkrans. Het moet de herinnering levendig houden aan
Hillyar George Edwin Hill Trevor. Het bevindt zich bij benadering op de plaats
waar deze luitenant in het 1e Bataljon van de Scots Guards op 21 december 14 aan het hoofd van zijn peloton
sneuvelde bij een artilleriebeschieting. De 1e Guards Brigade moest
die ochtend in alle vroegte de Duitse loopgrachten bij de Rue dOuvert ten oosten van Givenchy bestormen. Hillyar George Hill
Trevor voerde het voorste peloton aan toen hij door een kogel in het hoofd werd
getroffen en op slag werd gedood.
Tweede Luitenant Hill Trevor was pas op 18 december
bij zijn eenheid aangekomen en was één van drie Scots Guards die op 21 december
bij Givenchy sneuvelden. Hij was de enige zoon van the honourable George Edwin Hill Trevor en kleinzoon van the First Lord Trevor of Chirk in Noord
Wales.Een van zijn voorouders was Ann
Trevor, de moeder van Arthur Wellesly, de hertog van Wellington. Zijn veldgraf
ging verloren en daarom wordt hij herdacht op het Memorial to the Missing in Le Touret. Het monument werd bekostigd
door de familie. Toen het beeld in 1927 moest hersteld worden, zorgde zijn oom,
generaal-majoor Du Cane voor de nodige financiën en de overdracht van het
beheer aan de IWGC, de voorloper van de CWGC.
I am in the trenches and have been for three
or four days now. So far they are more uncomfortable and less dangerous than I
had been led to expect. Waders are essentialas the mud and water are well above the knee and the cold is intense. An
unpleasant feature is the vast number of rats which gnaw the dead bodiesand then run abouts one face, making obscene
noises and gestures. Aan het woord is Raymond Asquith (1878-1916), de oudste
zoon van de liberale Britse premier Herbert Asquith en broer van Herbert Jr. die
de twee laatste weken in de rubriek Zondag
Frontpoëziedag aan het woord is geweest. Hij schreef deze brief ergens in het Ieperse waar hij als
stafofficier bij de Grenadier Guards zijn vuurdoop kreeg.
Raymond was een briljante student in Oxford geweest
die met gemak de Ireland, Craven en Derby
scholarships had gewonnen, president werd van de Union Society en 1902 werd verkozen tot fellow aan het prestigieuze All
Souls College. Het was aan zijn tijd in Oxfor te danken dat hij openomen
werd in the Coterie, een hechte
vriendengroep van vaak adelijke-Edwardiaanse intellectuelen, schrijvers en dichters.
Bij het uitbreken van de oorlog liet deze, intussen
gerenommeerde advocaat die onder meer betrokken was bij de rechtszaak rond het
zinken van de Titanic, vrijwel meteen zijn praktijk in de steek om dienst te
nemen als vrijwilliger. Hij kreeg op 17 december 14 een aanstelling bij de
Queens Westminsters maar belandde in de herfst van 15 aan het front in de rangen van het 3e
Bataljon Grenadier Guards. Hij verzocht geregeld om uit de staf te worden
overgeplaatst naar de eerste lijn. Een verzoek, waar uiteindelijk in de zomer
van 16, kort voor het Somme-offensief aan werd voldaan. Op 15 september 16
bij de aanval op Guinchy werd hij zwaargewond door een kogel in de borst. De
legende wil dat hij doodkalm een sigaret opstak om aan zijn mannen te verhelen
dat hij gekwetst was Raymond Asquith stierf terwijl hij werd geëvacueerd naar
een verbandpost en werd begraven op de CWGC-site van Guillemont Road Cemetery. Op dezelfde begraafplaats ligt overigens
ook Raymond Asquiths zwager Edward Horne begraven die in dezelfde veldslag om
het leven kwam.
Waarom
heel dit verhaal in de rubriek Zondag
Frontpoëziedag ?Wel, omdat
verschillende Britse bronnen Raymond Asquith als War Poet omschrijven. Ik ben
nu al enkele jaren op zoek naar een gedicht van zijn hand, maar heb tot nu toe
niks kunnen vinden. Mocht iemand, een tip van deze sluier kunnen lichten, dan
graag een seintje; Hij kreeg alvast een pöetisch grafschrift, nl. een citaat uit Shakespeare's Henry V: Small time but in that small most greatly lived this star of England'...
Misschien heeft het te maken met de aanwezigheid van
de Royal Artillery Barracks in het
naburige Woolwich, maar het is me nooit helemaal duidelijk geworden waarom deze
historische mijlpaal in het groot Londense Shooters Hill van dit merkwaardige
gietijzeren plakket werd voorzien. Een bescheiden, maar daarom niet minder
aangrijpend Memento Mori voor het
Britse offer in Vlaanderens Velden tijdens de Grote Oorlog
Als ik een paar van mijn favoriete Britse militaire begraafplaatsen zou moeten opnoemen dan
komt Oosttaverne Wood Military Cemetery
gegarandeerd in dit lijstje voor. Vredig ingeplant, in de plooi van de
glooiende heuvels van het Heuvelland is het moeilijk voor te stellen wat voor
een oord van verschrikking het hier ooit is geweest, want ooit liep op deze
plek de frontlijn.. Er liggen 1.121 slachtoffers van de Grote oorlog begraven.
Eén van de jongsten is de amper 17-jarige Alfred Mills, een beroepsvrijwilliger
uit Cheltenham, die in het 1e Bataljon van het Gloucestershire
Regiment diende. Hij had zonder kleerscheuren de zware afweergevechten bij Mons
en aan de Aisne overleefd maar toen zijn bataljon midden oktober 14 in de
omgeving van Langemark werd opgesteld kwam aan zijn geluk een abrupt einde. Op
21 oktober 14 werd soldaat Mills gedood bij de ongemeen felle strijd bij
Koekuit, waar zijn eenheid een reeks van opeenvolgende massale aanvallen van
half getrainde Duitse reservisten en vrijwilligers met succes wist af te slaan.
Deze strijd zou - als verwijzing naar de honderden gesneuvelde vaak piepjonge
vrijwilligers - de geschiedenis ingaan als de Kindermord vor Ypern. Alfred Mills was het bewijs dat ook aan de
overzijde van de bloederige bietenvelden bij Langemark, kind-soldaten hadden
gestreden en geleden Hij werd kort na
de strijd door de Duitsers begraven op het Deutsche
Eherenfriedhof Koekuit en na deoorlogbijgezet in graf III E 3
op Oosttaverne Wood Cemetery dat van een originele frontbegraafplaats in 1917
was geëvolueerd tot een verzamelbegraafplaats.
Op 21 april 1918 werd de 26-jarige Manfred von
Richthofen met 80 bevestigde overwinningen de meest succesvolle jachtpiloot
van de Grote Oorlog, neergehaald boven de Somme. Dit zijn unieke beelden, op
het net gezet door Australian War
Memorial en dus waarschijnlijk gemaakt door een Australische cameraman van
de Rode Barons begrafenis in Fricourt:
De laatste dagen heb ik op deze blog geregeld stil
gestaan bij de ongenadig harde gevechten op en rond de Kemmelberg. Vandaag bij
wijze van afsluiter breng ik twee doodsprentjes uit mijn verzameling van Duitse
gesneuvelden. Beiden hadden gediend in een Beiers Jägerbataljon, elite-eenheden van de lichte infanterie. Max Flenkenthaler was Jäger in de 2e compagnie van
het 2e Beierse Jägerbataljon toen
hij op 25 april 1918, in de beginfase van de bestorming van de Kemmelberg
sneuvelde. Leonhard Schützinger
diende als sergeant in de 1e compagnie van het 1e Beierse
Jägerbataljon. Hij viel op 5 mei 18
bij de Kemmelberg. Beide mannen werden na de oorlog naamloos bijgezet in het Kameradengrab op de Duitse militaire
begraafplaats in Langemark.
Vandaag in Zondag
Frontpoëziedag opnieuw een gedicht van Herbert Asquith. (zie mijn blog van
6 mei) The Volunteer over een verveelde
klerk die ooit tussen de muffe boeken en leggers in zijn grauwe kantoor droomde
over grootse daden en epische heldenmoed, is wellicht het bekendste gedicht van
deze War Poet. In tegenstelling tot
wat velen denken is The Volunteer echter
geen gedicht dat ontstond tijdens de Grote Oorlog. Asquith schreef het al in
1912 toen hij als jurist in Londen werkte. Het tijdstip waarop dit werk ontstond heeft wellicht
te maken met het feit dat het voor het eerst in een gedrukte versie verscheen
in 1915 Trouwens, elke illusie over denderende cavaleriecharges was in de
eerste oorlogsweken al bloederig aan flarden gereten door het staccato geratel
van de dood en vernieling zaaiende machinegeweren .
Darum last uns trinken und in dem, was das Schiksal
will, auch noch unseren eigenen, persönlichen Willen sehen. Kameraden erzählt,
dass ihr Kerle geworden seid, da und dort, wo immer wir uns getroffen haben,
und dass ihr es jetzt wieder sein wollt, dan soll alles andere mich heut nacht
den Teufel scheren ! Erzählt von Langemarck, von Ypern, von Verdun, von Reims,
von Cambrai, von Flandern, von der Somme, das macht das Blut warm, solange man
noch in Trockenen sitzt. Und lasstdas
Bild der grossen Slacht aus dem Rauch aufschiessen wie eine blutrote Orchidee,
mit goldenen Feuerstreifen geflammt. Das ist ein Kunstwerk, wie es Männern Freude
Macht.
Het is met een ietwat dubbel gevoel dat ik De Geschreven Oorlog heb uitgelezen.
Enerzijds is dit in alle opzichten een monumentaal boek. Ruim 1.000 vaak erg
lezenswaardige paginas lang wordt een al dan niet literair verantwoorde
chronologie opgebouwd van dat wat zich ruim een eeuw geleden in Vlaanderens
Velden heeft afgespeeld. Grote en kleine dramas, pakkende en minder
beklijvende verhalen passeren in het strakke stramien van het door het blinde oorlogsgeweld
bepaalde tijdsverloop, de - vaak bloederige- revue. Anderzijds is het mij, al
naargelang ik in deze dikke pil vorderde, nooit echt duidelijk geworden waarom precies
welke auteur en precies dit fragment werd gekozen. Neem nou één van mijn spcecialismen, de Frontbeweging. Er zijn
in De Geschreven Oorlog gedichten
terug te vinden van Filip De Pillecyn en Jozef Simons én een fragment uit het oorlogsdagboek
van Gaston Le Roy. Ik begrijp echt niet dat er niet werd gerefereerd aan het
fascinerende oorlogsdagboek van Joris Van Severen of de geschriften van Jeroom
Leuridan, Hendrik Demoen, de broers Van Raemdonck, Frans Daels of Omer De
Landtsheer. Of zou de aversie van minstens één van de samenstellers voor al wat
in de richting van Vlaams Bewegen neigt hiermee te maken hebben gehad ? Een
ander voorbeeld ? Terecht werd aandacht besteed aan Ernst Jünger maar zijn
broer, de dichter en publicist Friedrich Georg, die thuis meestal Fritz werd
genoemd, moet zich met welgeteld één zin in deze bloemlezing tevreden stellen.
Nochtans zal de reddingsactie die Ernst op touw zette om zijn broer, die
tijdens de beginfase van de Derde Slag om Ieper zwaargewond werd bij het Artilleriewäldchen (Artillery Wood), het
leven van beide literatoren tekenen
Soms lijkt het eerder op of het er de samenstellers om
te doen was om ons, simpele lezers, een dieper inzicht te verschaffen in hun grote
belezenheid en eruditie Bovendien, en dit was echt een hardnekkige gedachte,
kon ik mij niet van de indruk ontdoen dat de samenstellers, in hun pogingen om
een zo breed mogelijke waaier aan fragmenten aan te bieden,soms de weg zijn kwijtgeraakt, tussen de
bomen het bos niet meer zagen. Wellicht is dit een subjectieve vaststelling,
maar dat is alvast de impressie die ik, helaas te vaak had. Ik meen ook een
zeker kwalitatief onevenwicht te mogen bespeuren wat betreft de historische en
biografische duiding bij de gekozen fragmenten. Sommige auteurs hadden
blijkbaar recht op een gedragen en stevig onderbouwde inleiding terwijl er over
anderen klaarblijkelijk lukraak wat informatie op het internet werd bijeen
gescharreld
Is De
Geschreven Oorlog daarom een slecht boek ? Nee, verre van Dit is zonder
enige twijfel een van de betere bloemlezingen over de Grote Oorlog. Deze
anthologie heeft, net als bijvoorbeeld het in 1978 uitgegeven Volksboek de Grote Oorlog, de grote
verdienste dat het opnieuw een menselijk gezicht aan dit vernietigende conflict
heeft gegeven. Alleen daarom is het al het lezen waard.
Vorige week besteedde ik uitgebreid aandacht aan de
Slag om de Kemmelberg. Een van de Franse militairen die in de nasleep van deze
Slag, vanaf 4 mei 18, er bij waren was
de later beroemd geworden Provencaalse schrijver Jean Giono (1895-1970), een
simpele soldaat in de 6e compagnie van het IIeBataljon van het 140eRégiment d' Infanterie. Dit regiment
bezette een geïmproviseerde lijn tussen Croix de Poperinghe en het kasteelpark Behaeghel
aan de rand van het felomstreden Loker.
Giono overleefde als één van de weinigen van zijn
compagnie de bloederige gevechten bij Les Eparges, Verdun, Noyon,
Saint-Quentin, Chemin des Dames en de Kemmelberg. Zijn gruwelijke oorlogservaringen
hadden er niet alleen diep ingehakt maar hem ook gestaald in zijn humanisme en pacifisme. In zijn in 1937 verschenen Réfus dobéissance legde hij een
opmerkelijke getuigenis af van zijn pacifisme toen hij beweerde er 100 % zeker
van te zijn dat hij in al die jaren nooit iemand, had gedood, omdat hij uit
voorzorg steeds zijn geweer had onklaar gemaakt . De oorlog bleef tot aan zijn
overlijden zijn metgezel, zijn dagelijkse compagnon
de route: Ik kan de oorlog niet
vergeten, ik zou het graag willen, soms denk ik er twee of drie dagen niet aan,
en dan plotseling zie of hoor ik het weer, ik ruik het, voel het weer aan den
lijve, en dan ben ik bang
Een fragment over de Kemmelberg:
Daar verderop
rookt de Kemmelberg als een actieve vulkaan. Ze lopen langs een weg met wilgen.
Een nieuwe aarde met bomen, gras, wilgen, die in deze aprilmaan al door de
lente zijn aangeraakt, vriendelijke knoppen gaan voor ons open. Kogels slaan
tegen de takken; het frisse groen is helemaal beschadigd; losgerukte brokken
aarde liggen te trillen; de akkers bloeden ( ) Vluchten granaten komen voorbij,
slaan in, ontploffen, rukken takken af, brullen onder de grond, ploegen zich
zwaar de modder in, draaien als tollen om hun as en blijven liggen. Bij elke
knal bukken we. De maaier loopt in de vlakte en de wind van de zeis blaast door
zijn haar.
En we blijven ook vandaag nog even in Frans - Vlaanderen. Tegenover de ingang van de grote Franse militaire begraafplaats
van Notre Dame de Lorette werd op 11 november 2014 door de Franse president
François Hollande LAnneau de la Mémoire ingehuldigd.
Dit sobere maar erg indrukwekkende gedenkteken, naar een ontwerp van de
architect Philippe Prost, huldigt 579.606 soldaten die tijdens de Grote Oorlog
hun leven gaven in de departementen Nord en Pas de Calais. Het esthetische, in
een elipsvorm gebouwde monument is opgevat als een open boek waarvan elke
bladzijde in alfabetische orde de namen geeft van de gevallenen, zonder
onderscheid naar nationaliteit of geloof. U kan er onder meer de namen
terugvinden van de Luxemburgse Tourwinnaar 1909 François Faber, luitenant John
Kipling, de zoon van Rudyard Kipling, Joseph Standing Buffalo, kleinzoon van
Sitting Bull en de Duitse alpinist Hans Dülfer. Dit monument, op deze plaats, is naar mijn persoonlijk aanvoelen één van de meest geslaagde herdenkingsinitiatieven van de laatste jaren en zou verplicht op de reisagenda van elke WO I-pelgrim moeten staan...
Het kon bijna niet anders dan dat er bij de
graafwerken voor de bouw van lAnneau de
la Mémoire menselijke resten zouden gevonden worden. Per slot van rekening
is en blijft dit een plaats waar onwaarschijnlijk fel gevochten is. In totaal
werden er bij de afgravingen van het terrein 31 lichamen geborgen, waaronder
twee Duitse gesneuvelden. Twee militairen konden worden geïdentificeerd: Léon
Senet uit Tours, een 30-jarige sergeant in het 282eRégiment d Infanterie die op 23 mei 15
was gesneuveld en Pierre Sorhaits, een 27-jarige soldaat in het 174eRégiment dInfanterie. Hij was
afkomstig uit de Landes en vijfde in een gezin van tien kinderen. Soldat
Sorhaits was op 21 mei 15 gesneuveld.
Hier en daar kan men langs het gewezen Westelijke
Front kleine gedenktekens terugvinden voor individuele slachtoffers. In de
nieuwe rubriek Eén van Velen sta ik stil bij deze unieke en erg persoonlijke individuele
Lieux de Mémoire
In de naar hem vernoemde straat, die achter de enorme Duitse
begraafplaats van Maison Blanche in
Neuville St. Vaast loopt staat, het monument voor de in he Frans-Vlaamse
Cambrin geboren aspirant Augustin Leuregans. Deze 18-jarige aspirant-officier
diende in het voorjaar van 15 als chef
de section in het 236eRégiment
dInfanterie, een territoriale eenheid die werd gevormd door de oudste
dienstplichtigen, die vaak ouder dan 40 waren. Deze eenheid had op 9 mei 15
deelgenomen aan het grote offensief in Artesië en tussen de eerste aanvalsdag
en de aflossing op 24 mei erg zware verliezen geleden. Op 30 mei stond ze
opnieuw in de eerste lijn en moest het regiment de zwaar verdedigde Hamburg-loopgraaf
innemen. De mannen liepen niet echt over van enthousiasme en hadden hun
bedenkingen bij het in hun ogen zinloze verdere bloedvergieten. Leuregans riep
hen toe: Hé opas ! Laten jullie de
jongste helemaal alleen sterven ? waarop hij met getrokken sabel over de
borstwering sprong. Hij werd vrijwel meteen op slag gedood, maar zijn voorbeeld
had aanstekelijk gewerkt en zijn mannen gingen in de aanval. Het regiment
verloor in deze stormaanval 450 man aan doden en gewonden. Na de slag werd het
lichaam van de jonge aspirant niet teruggevonden.Zijn oproep werd vereeuwigd op het monumentje
dat bij benadering op de plaats staat waar hij het laatst levend werd gezien.
Het werd bekostigd door zijn familieleden en de veteranen van de 53eDivision dInfanterie en op 30 mei
26 onthuld door generaal Berthelot, die in 15 het bevel over deze Divisie had
gevoerd.
De foto is vergeeld en vaag maar wel de enige die ik
ooit heb gevonden van de tegenaanval die eind april 18 bij het Bois de Hangard met ware doodsverachting
en zonder artilleriesteun werd uitgevoerd door het Franse Vreemdelingenlegioen.Een van de legionairs die deze strijd niet
overleefden was afkomstig uit de Noorderkempen.
Op 27 april 1918 bezweek in Ambulance 5/68 SP234 te Dury bij Amiens de
24- jarige Gerard De Prins uit buurgemeente Merksplas. Hij was
korporaal in de 9e compagnie
, 2e Bataljon van het Régiment
de Marche van het Légion Etrangere,
het Franse Vreemdelingenlegioen. Een vanhoogst onderscheiden -eenheden van het Franse leger tijdens de Grote
Oorlog.
Gerard De Prins had zich in 1912 in Valenciennes geëngageerd in
het mythische Franse Vreemdelingenlegioen. Bij het uitbreken van de oorlog
bevond hij zich in het garnizoen van Bel-Abbès. Op 31 augustus 14 vertrok hij
samen met een kleine 1.000 legionairs met een troepentransport vanuit Oran naar
Marseille. Op 25 september arriveerden
deze mannen in het opleidingskamp van Mailly om er een korte training te
ontvangen. De Prins vertrok al op 16 oktober 14 naar het front in de
Champagne. Hij overleefde zonder kleerscheuren de zware gevechten in de lente
van 15 in Artesië en in de herfst in de Champagne. Voor zijn inzet bij Belloy
in juli 16 werd hij onderscheiden met het Croix
de Guerre. Gerard De Prns werd tussen 24 en 26 april 18, ergens tussen
Villers-Bretonneux en de Hoeve Anchin, levensgevaarlijk gewond toen zijn eenheid
probeerde te verhinderen dat de Duitse stoottroepen zouden doordringen tot
Amiens.
Tot op de dag van vandaag ben ik op zoek naar de
plaats waar deze Spetser werd begraven. Mogelijk rust hij op de Nécropole française van Saint-Acheul of
in Saint-Pierre maar tijdens een plaatsbezoek, weliswaar in de oogverblindende, stromende
regen van een felle najaarsstorm, twee jaar geleden heb ik niets gevonden. Graag
een seintje als u dit toevallig wel zou weten .