Inhoud blog
  • ZONDAG FRONTPOËZIEDAG - FRAGMENT UIT REGENERATION
  • BESTE WENSEN
  • KIJKTIP - CHRISTMAS 1915
  • ZONDAG FRONTPOËZIEDAG - LILLI MARLEEN
  • OVER DE SCHREVE - DEUTSCHE KRIEGSGRÄBERSTÄTTE ANNOEUILLIN
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    IN VLAANDERENS VELDEN
    Een gids naar het verleden
    30-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ERNST JÜNGER AAN HET FLANDERNFRONT - DEEL 4
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De troep van Ernst was niet afgelost geworden. In de vroege ochtend ontwaakte hij uit een diepe slaap en ging hij op zoek naar zijn compagniecommandant Olfe voor nieuwe bevelen, maar deze had intussen al lang de plaat gepoetst. Jünger was verbitterd maar vooral verontwaardigd over deze gang van zaken: ‘Nu zit ik hier alleen en weet gewoonweg niet wat aanvangen. Het is ronduit een zwijnenboel met dergelijke bevelvoering, maar wat kan je ook verwachten van een compagniecommandant die nog nooit een infanteriegevecht heeft meegemaakt ? Ik ga nu natuurlijk proberen  me een weg naar voor te vechten, een verdomde opgave wanneer je niet eens weet waarheen‘. Terwijl hij nog in zijn stelling zat te kniezen bracht een bataljonsordonnans hem een bevel waar hij meteen van opvrolijkte: Hij moest het  commando over de 8e compagnie overnemen. Deze compagnie had orders gekregen stelling te nemen in het Dobschützwald, waar de 3e compagnie onder luitenant Sandvoss in eerste lijn lag, nadat de nachtelijke tegenaanval met zware verliezen was afgeslagen door de Britten. Een van de gewonden was compagniecommandant Oberleutnant Büdingen die met een zware hoofdwonde buiten strijd was en die Ernst nu moest gaan vervangen. Het gevaar was niet denkbeeldig dat de Britten Sandvoss’ stelling konden innemen en daarom moest de 8e compagnie meteen deze positie gaan versterken. Jünger ging op zoek naar de hem toegewezen compagnie en trof hen aan als ‘een hoopje bevende, achter bunkertjes schuilende kereltjes’. Net op het ogenblik dat hij met zijn compagnie wou oprukken, concentreerde de Britse artillerie zich op deze omgeving. ‘Rondom ons stegen torenhoge stofzuilen in de hoogte en het knallen van de zware brisantgranaten deed bijna onze trommelvliezen scheuren’, noteerde Ernst in zijn dagboek. Hij liet zijn mannen meteen dekking zoeken in de bunkertjes, waar ze ‘ in afwachting van een voltreffer’ meer dan een half uur vastgepind bleven. Er was geen doorkomen aan. Toen Ernst merkte dat het Britse artillerievuur iets in kracht leek af te nemen, liet hij de mannen meteen aantreden en uitrukken. ‘In de gegeven omstandigheden maakte het niets uit of we bleven liggen, naar achteren of naar voren wegvluchtten’, schreef Jünger later. ‘Ik gaf dus bevel mij te volgen en rende het vuur in. Al na een paar stappen werd ik door een granaat onder aarde bedolven en in de dichtstbijzijnde krater teruggeworpen.’  Toen hij na ongeveer 200 m. omkeek, merkte Jünger tot zijn grote frustratie dat hij alleen was. ‘Eindelijk sprongen twee mannen  uit de stof- en vuurwand. Dan weer een en iets later nog twee. Dit vijftal dook meteen weg achter een verhoging in het terrein en bleef daar liggen. Al mijn roepen en fluiten haalde niets uit. Ik liep terug in het vuur en dwong die vijf kerels met me mee te komen.’ Uiteindelijk bereikten ze het Doschützwald waar Jünger in een half kapotgeschoten bunker gebriefd werd door Sandvoss. Tot verbijstering van Ernst kreeg hij hier te horen dat Fritz vermist was. Veel tijd om na te denken over het lot van zijn broer kreeg hij niet, want hij moest meteen de onbeveiligde linkerflank van Sandvoss’ compagnie gaan verdedigen. Ploegend door de granaattrechters, nam Jünger met mannen stelling rond een half vernielde bunker aan de westrand van het bos. Toen iets later op zijn linkerflank luitenant Schmidt verscheen met mannen van de 7e compagnie, kon Jünger eindelijk bekomen van de emoties van die dag. Hij nam ‘….gezellig plaats in een granaattrechter’, at een blik varkensvlees, stopte zijn pijp en las ‘Cäsars Denksaule’ van Ignatius Donnelly’.

     

    Dertien uur nadat hij was getroffen werd Ernst’s broer, half bewusteloos door drie van zijn mannen in een krater gevonden en moeizaam, tussen de beschietingen door overgebracht  naar een kleine hut waar twee verplegers de handen vol hadden met het verzorgen van tientallen gewonden. Zijn wonden werden er verbonden en hij kon er een slok water, wat brood en een nieuw gasmasker krijgen. Veel rust kreeg hij niet want terwijl de beschieting van de sector in kracht toenam hoorde hij roepen dat de Britten opnieuw oprukten en dat ze er rekening mee moesten houden om ze elk ogenblik voor de hut te zien opduiken. Wie echter als eerste opdook was een jonge Duitse officier die ‘van zijn schoenen tot zijn staalhelm met leem besmeurd was’  Het was Ernst die, toen hij van een melder van Sandvoss vernomen had dat zijn broer zwaar gewond gevonden was, meteen poolshoogte kwam nemen. naar eigen zeggen vond hij Fritz in ‘ een half kapotgeschoten, naar lijken stinkende schuilplaats. Naast hem lag fahnenjunker Bachmann en een hele hoop zwaargewonden (…) Fritz had twee splinters in de borst gekregen. Hij  kon hij zijn rechterarm niet meer bewegen en had ademhalingsproblemen. Verder had hij ook koorts. De tranen stonden mij in de ogen. Het was voor mij duidelijk dat hij hier niet kon blijven. Elk ogenblik konden hier de Engelsen opduiken of een granaat inslaan. ’  Veel tijd om te verwijlen was er niet. Ernst verzamelde een paar mannen en liet ze zijn broer in een tentzeil naar de iets verder gelegen bunker Kolombus-Ei dragen waar een verbandpost was ingericht. ‘Mijn blik volgde de heen en weer slingerende last die door een woud van torenhoge granaatzuilen kronkelde. Bij elke inslag kromp ik ineen, totdat de stoet in de nevelen van de strijd was opgeslokt. Ik voelde me zowel de plaatsvervanger van mijn moeder als tegenover haar verantwoordelijk voor het lot van mijn broer’, schreef Ernst later. Gelukkig voor Fritz was in Kolombus-Ei een arts aanwezig die hem de eerste zorgen toediende.

     

    De volgende morgen werd hij op een gewondenkar geladen, maar de rit werd geen pretje. Door de beschietingen waren de paarden door het dolle heen en bij elke inslag waren ze nauwelijks te houden. In een wilde vaart, hobbelend door het kraterlandschap en begeleid door inslaande granaten belande Fritz in een schuur op een paar kilometer van het front die propvol gewonden lag. Pas toen hij een paar uur later in de als veldhospitaal ingerichte kerk van Gits aankwam, werd hij voor het eerst grondig onderzocht. Zijn bebloede en beslijkte kleren werden van zijn lijf gesneden en hij werd nadat zijn verband ververst was, doorverwezen naar het militaire hospitaal van Roeselare. Na een kort oponthoud in de Rodenbachstad werd Fritz, terwijl de laatste granaten bij wijze van afscheid in de buurt van het station insloegen, naar de lazarettrein gebracht die hem naar Gelsenkirchen voerde. Hier werd eindelijk de schrapnelkogel, die net boven zijn hart zat door een chirurg verwijderd. De kogel in zijn rechterschouder zou hij voor de rest van zijn leven meedragen. Voor Fritz Jünger was de oorlog gedaan. De frustratie sloeg keihard toe: ‘Ik had geen schot afgevuurd, had geen levende tegenstander gezien. Aan de Somme had ik in de loopgrachten op wacht gestaan, in de nachten over de velden materiaal aangesleept. In Vlaanderen had ik deelgenomen aan een mislukte tegenaanval. Ik heb niemand een echte dienst bewezen, niemand hulp gebracht. Wat heb ik dan ook bereikt ? Niets. Heel mijn zorgvuldig uitgebalanceerde opleiding was voor niets geweest. Ik die droomde van de confrontatie, van de echte oorlog waar men man tegen man stond. Ik lag hulpeloos tussen de kraters,  buiten gevecht gesteld nog voor het gevecht begonnen was…’ Het enige lichtpuntje was dat hij in Gelsenkirchen bezoek kreeg van freiherr von Solemacher-Antweiler. Die was, kort nadat Fritz gewond werd, in zijn gezicht geschoten. Hij wist Fritz te vertellen dat Ernst de hel van Pilkem overleefd had…

     

    Dat Ernst de zware afweergevechten op de hoogte van Pilkem overleefde mag als een klein wonder worden beschouwd want nadat hij afscheid van zijn broer had genomen ging het van kwaad naar erger. Toen hij was teruggekeerd naar zijn stelling kon hij vaststellen dat nog een twintigtal mannen van de 8e compagnie en zes onderofficieren de paar kraters die voor zijn vuurlijn moesten doorgaan hadden vervoegd. Omdat zijn rechterflank ongedekt was, besloot hij zich rechts met een paar man en een machinegeweer bij een zwaar beschadigde bunker op te stellen. Vanuit deze stelling was hij bij valavond ooggetuige van wat hij zelf omschreef als ‘één van de zwaarste beschietingen’ van het Bataillonswäldchen, dat door het IR nr. 76 bezet was. De situatie was zeker niet rooskleurig voor de Hannoverse fuseliers. De Britten waren in de loop van de dag tot op een kleine 150 m. van het Dobschützwald genaderd. Tussen dit bos en de spoorweglijn lagen de restanten van drie compagnieën  van het 1e Bn. FR nr. 73 in de eerste lijn. Gemiddeld telde elke compagnie nog 30 tot 35 fitte mannen. Ze konden rekenen op de steun van 2 lichte en 6 zware machinegeweren. Terecht stelde de regimentsgeschiedenis dat ‘de slagkracht van het 1e Bn. niet langer voldeed om een nieuwe tegenaanval op te zetten’… Bij de andere bataljons in de eerste lijn was de toestand even dramatisch. Jünger, die besefte dat het zwaarste nog moest komen, liet de helft van zijn mannen rusten, terwijl de anderen een reeks van aansluitende granaattrechters bezetten. Na middernacht werd er gewisseld.  Jünger verbloemde – wellicht om begrijpelijke redenen – in zijn dagboek een tragisch incident dat zich in de vroege ochtend in zijn sector afspeelde. Een citaat uit de regimentsgeschiedenis: ‘In het morgengrauw van de 30e juli brok bij 8/73 aan de westrand van het Dobschützwald plots machinegeweervuur los. Donkere gestalten naderden, een van hen viel onder het salvo. Een tragische vergissing: het was een patrouille van de 76ers die de verbinding kwam herstellen.’

     

    Op 30 juli werden de vermoeide mannen van Jünger, die door de onophoudelijk inslaande brisantgranaten een slapeloze nacht achter de rug hadden, om 06.00 u. onverwacht afgelost door reserveluitenant Brahms en zijn 9e compagnie. Jünger moest nu met zijn troep stelling nemen in de Rattenburg, een met betonelementen versterkte ruïne van een woning, die ten oosten van de Mauseburg aan de Steenbeek lag. Bij dageraad bereikten ze Kolumbus-Ei waar Ernst even zijn broer opzocht, die klaarlag om verder getransporteerd te worden.  In een hagel van schrapnelkogels belandden ze uiteindelijk in de Rattenburg, waar Ernst meteen een uiltje knapte. Terwijl hij de slaap der onschuldigen sliep loste het IIIe Bn. in de eerste lijn de restanten van het Ie Bn. af. Na een hele dag van zware beschietingen - waarbij Ernst naar eigen zeggen ‘elk ogenblik het einde verwachtte’- kwam bij valavond leutnant Gaston Lemière hem verzoeken om een paar man ter beschikking te stellen, die het lijk van compagniecommandant Büdingen naar achter konden brengen.  De onfortuinlijke Büdingen, die al zwaar aan het hoofd gekwetst was, had op eigen krachten Kolumbus-Ei bereikt, maar werd daar dodelijk getroffen door een losgeslingerde brok cement. Ernst had hem ’s morgens, toen hij er Fritz had bezocht, al in een tentzeil gewikkeld zien liggen, klaar voor een inderhaast gegraven veldgraf. Jünger had weinig lust om voor een dode mensenlevens te wagen. Toen Lemière hem echter wist te vertellen dat het Kolombus-Ei ’s morgens twee voltreffers had gekregen, aarzelde hij echter geen ogenblik en vertrok hij, bevreesd voor het lot van zijn broer, met vier van zijn mannen naar het Kolombus-Ei. Maar voor hij dit deed was hij eerst nog met Lemière naar compagniecommandant Brixen gegaan die hen formeel het bevel gaf om de vallei van de Steenbeek kost wat kost te verdedigen.  Aangekomen bij de verpleegbunker kreeg een opgeluchte Jünger te horen dat zijn broer, zonder verdere kleerscheuren, in de ochtend naar de achterlijn was geëvacueerd. De intussen begraven vroegere compagniecommandant, liet hij bij het akelige licht van de opstijgende lichtfakkels en nabije explosies, ontgraven en door zijn mannen naar de regimentsstaf dragen.


    30-07-2017 om 13:14 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (86 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZONDAG FRONTPOËZIEDAG - RHYFEL
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vandaag, één dag voor het precies 100 jaar geleden is dat de Welshe dichter Hedd Wyn, het pseudoniem van Ellis Humphrey Evans bij de bestorming van Pilkem sneuvelde, breng ik u zijn gedicht Rhyfel. Eergisteren kon u het op mijn blog aantreffen in een gecomponeerde versie, maar vandaag in een gewone gesproken versie. Het beeldmateriaal voor dit filmpje werd opgenomen in en rond 'Yr Ysgwrn', Evans'ouderlijke woning in Trawsfynydd. Laat u betoveren door de klankleur van het Welsh en ontdek waarom Brian Harris het bij het rechte eind had toen hij dichtte: 'To be born Welsh is to born privileged / Not with a silver spoon in yout mouth / But music in your blood and poetry in your soul....'

    Veel luisterplezier: https://youtu.be/LKcUycZ3ciQ


    30-07-2017 om 10:34 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (73 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARTIN MCGUINNESS OVER LEDWIDGE
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    In vele gesprekken die ik de laatst decennia in Ierland met vrienden en kennissen had over de Grote Oorlog viel het me telkens op hoe weinig genuanceerd mijn gesprekspartners zich uitten over de Ieren die op aansporing van John Remond dienst hadden genomen in het Britse leger. Dat veel van mijn gesprekspartners tot de Ierse republikeinse traditie mochten worden gerekend was daar wellicht niet vreemd aan. Eén van de redenen waarom ik mijn boek 'Verdrongen Verleden' over de 16e Ierse Divisie schreef was precies dat ik vond dat dit verhaal wel wat meer nuancering en vooral meer ruchtbaarheid verdiende. Een Ierse republikein die de laatste jaren enorm heeft bijgedragen tot een meer open visie op Ierlands complexe geschiedenis was zonder twijfel de ons veel te vroeg ontvallen Martin McGuinness, gewezen IRA-commandant en Sinn Féin Deputy Firts Minister in de Noord-Ierse regering. Op 27 juli 2016 hield hij bij het onthullen van een buste van Ledwidge in de historische Richmond Barracks in Dublin een opmerkelijke toespraak over dit verleden, Francis Ledwidge en zijn bezoek een paar weken eerder aan Mesen en Wijschate.

    https://youtu.be/3T2IpyD9Sbk 

    29-07-2017 om 12:06 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (114 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ERNST JÜNGER AAN HET FLANDERNFRONT - DEEL 3
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Op de ochtend van 28 juli hield de troep van Ernst zich vooral zo goed als maar enigszins mogelijk was verborgen voor de Engelse piloten die - nadat de mist was opgetrokken - onophoudelijk op lage hoogte over het slagveld scheerden op zoek naar Duitse troepenconcentraties. Ernst was gedegouteerd over de slechte moraal van de troepen die ze moesten aflossen. In de loop van de voormiddag had hij na een zoveelste portie trommelvuur een uiteengeslagen machinegeweersectie uit zijn dekking gejaagd nadat hij ze eerst bedreigd had met arrestatie en de krijgsraad. Iets na 14.00 u. kon hij eindelijk in actie komen nadat een melder van het R.I.R. nr. 226 hem het bericht had gebracht dat de Britten het Dobschützwald hadden bereikt. Jünger moest uitrukken, maar aarzelde – zoals hij in zijn dagboek schreef – om dit ook effectief te doen. Hij wou pas in actie komen nadat hij de Britten ook daadwerkelijk in zijn vizier had gekregen. Hij had hiervoor drie goede redenen: de verdomde Britse piloten cirkelden nog steeds als ‘aasgieren’ boven hun stelling. Ten tweede kon hij pas bij het opduiken van de Britten zien in welke richting hij moest aanvallen en ten derde omdat hij intussen had kennisgemaakt met de nervositeit van de mannen van het R.I.R. nr. 225, die ‘in volle dag spoken schenen te zien…’ Hij had zeker geen zin slachtoffer te worden van ‘vriendelijk vuur’…

    Tegen de avond kwam dan eindelijk het bevel tot de tegenaanval. Rittmeister von Böckelmann, de commandant van het 1e bataljon had van zijn verkenners vernomen dat de Britten, links van hen, al meer dan een halve kilometer diep op de rechteroever waren doorgedrongen en op een kleine 150 m. voor de Tauentzien Stellung in granaattrechters lagen.

    De 1e, 3e en 4e compagnie moesten samen met een compagnie van het Ie Bn. RIR nr. 226 in het offensief. Op de linkerflank zouden ze worden ondersteund door het Bereitschaftsbataillon van IR nr. 102, terwijl rechts van hen het Bereitschaftsbataillon van IR nr. 76 diende op te rukken. Jünger moest met zijn mannen op aflossing wachten. Eens die hen had bereikt moesten ook zij over het kapotgeschoten terrein uitwaaieren en de Guards over het kanaal jagen. Om 22.30 u. stipt legde de Duitse artillerie een barrage van trommelvuur op de vermoedelijke Britse posities. Twintig minuten later vielen de Hannoverse fuseliers aan, maar dit werd geen onverdeeld succes. Vizefeldwebel Wellhausen diende in de 3e compagnie - de compagnie van Fritz - en beschreef wat er gebeurde: ‘In de morgen van de 28e lag onze compagnie verspreid over een aantal granaattrechters aan de westelijke rand van Artillerie Wald. Mijn peloton vormde de rechterflank van het bataljon maar er was geen contact met de eenheid rechts van ons. Onze compagniecommandant, luitenant Sandvoss bevond zich in een betonnen bunker die we de Armleuchter noemden. Het was een prachtige dag. De leeuwerikken zongen en juichten in de lucht terwijl granaten in het Artilleriewald vielen. De aarde schudde en beefde. Het was als de hel op aarde.  We konden niets zien van wat zich aan het front afspeelde. Van tijd tot tijd passeerden brancardiers met hun zware last. Britse piloten cirkelden eindeloos boven onze hoofden, onafgebroken met hun machinegeweren op ons vurend. Omstreeks 15.00 u. moesten mijn pelotonscommandant, luitenant Ehlert, Vizefeldwebel Schnell en ikzelf op rapport bij de compagniecommandant. Wij ontvingen er het bevel om ons tegen 21.30 u. naar de frontlijn te begeven om er samen met de restanten van R.I.R. 226 de Britten over het kanaal te jagen. Handgranaten werden afgehaald. Iedere man ontving twee stuks…

    Omstreeks 21.30 u. trokken we in één langgerekte rij voorwaarts. Luitenant Sandvoss leidde ons samen met zijn melders. Ondanks het helse artillerievuur ondervonden we weinig hinder. Onfortuinlijk genoeg werden we iets later evenwel opgemerkt door een Britse artilleriewaarnemer in een kabelballon. Amper hadden we de Tauentzien Stellung bereikt of de granaten hagelden op ons neer, erger dan wat we ooit aan de Somme hadden meegemaakt… Om 22.35 u. – een kwartier voor de aanval – regende het granaten en schrapnell op onze hoofden. Met onze uurwerken in de hand, wachten we in koortsachtige spanning. De laatste seconden tikten weg. Eindelijk: Klaar ! Voorwaarts ! Laat ons maken weg te komen uit dit helse vuur ! Na 150 meter waren we weg van het Dobschützwald en dus ook weg van de granaten. Ik had nog tien man bij me. Verder oprukken ! Plots: ‘Halt ! Wie is daar ?’ – Ehlerts peloton. Luitenant Ehlert had nog achttien man  bij zich.  Het 3e peloton viel nergens te bespeuren. We verspreidden ons en trokken nog een 400 meter verder. Plots vlogen lichtpatronen omhoog, gevolgd door het geratel van handvuurwapens. Het leek alsof we in plaats van een paar geïsoleerde soldaten een heel bataljon te lijf gingen. Desalniettemin waren we recht voor de Britse stellingen geraakt. Met onze Hurra-kreten stormden we voorwaarts maar we waren te zwak. We raakten niet verder en moesten dekking zoeken in de modder voor de Britse loopgraaf. Unteroffizier Nolte waagde het vooruit te kruipen maar raakte amper 20 meter verder… Op het einde slaagden we erin een verlaten Duitse stelling rond een bunker te bereiken, honderd meter ten oosten van de weg die langs het kanaal liep. Luitenant Ehlert gaf het bevel om ons in een egelstelling op te stellen in de granaattrechters rond de bunker. In totaal waren we nog met vijfentwintig, dertig man. Links van ons konden we duidelijk het knallen van handvuurwapens horen en zagen we de Britten constant lichtfakkels afvuren. Misschien was dit tegen onze 1e compagnie gericht. Luitenant Ehlert zond meteen een volledig situatierapport naar het bataljon. Na middernacht begon de Britse artillerie gasgranaten af te vuren op onze achterhoede. De oostenwind blies het gas terug over ons in de richting van de Britten. Tranen stroomden uit onze ogen, we konden nauwelijks spreken door de hoestbuien, maar we konden onze gasmaskers niet gebruiken omdat we anders niets in het donker konden zien. Eindelijk brak de dageraad aan…’ De troep die werd geleid door Ehlert was één van de verst gevorderde Duitse eenheden. De meesten waren afgestopt door het efficiënte Britse tegenvuur, waardoor de tegenaanval compleet was mislukt. Ernst Junger’s eerste Bataljon had een hoge prijs betaald: Het verloor 3 officieren, 13 onderofficieren en 119 fuseliers.  De Britten hadden een eerste bres van bijna 2 km. breed en 1 km. diep geslagen in de Duitse linies. Ze konden meteen ook beschikken een sterk bruggenhoofd op de rechteroever van het kanaal, dat het begin van het offensief beduidend zou vergemakkelijken…


     


    29-07-2017 om 11:46 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (85 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BBC HAALT ALLES UIT DE KAST...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De Britse officiële omroep BBC haalt dit weekend alles, maar dan ook écht alles uit de kast in het raam van de herdenking van het begin van de Derde Slag om Ieper. Bijna 1.000 technici, acteurs, muzikanten ed zijn naar de Kattenstad afgezakt om hun steentje bij te dragen aan het herdenkingsproject. Ik huiver altijd een beetje wanneer bij dergelijke grootschalige evenementen  het spektakel dreigt te prevaleren op het her-denken  en ik hoop dan ook dat de slachtoffers van de immense slachtpartij prominenter op het voorplan zullen staan dan pakweg de obligaat opgedraafde royals....  De BBC programmatie begint op zondag om 20.00 u. op BBC 2 met een live-verslag van de 'Last Post'-ceremonie aan de Menenpoort gevolgd door een live artistiek verantwoorde evocatie op de Grote Markt waarin onder meer Hellen Mirren en de cast van de speelfilm 'Wipers Times' figureren. Maandag richtten zowel BBC 1 als BBC 2 zich vooral op de herdenkingsplechtigheid op Tyne Cot Cemetery mét live-verslaggeving en commentaar.  

    29-07-2017 om 11:09 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (33 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ERNST JUNGER AAN HET FLANDERNFRONT - DEEL 2
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kort voor de middag op 25 juli 1917 ontving  Ernst Jünger het bevel om met de voorhoede van zijn bataljon naar Vlaanderen te vertrekken. Het Fusilierregiment nr. 73 moest stelling nemen ten oosten van het kanaal Ieper/Diksmuide op de hoogte van Pilkem tussen het Sas van Boezinge en de spoorwegberm van de lijn Boezinge-Langemark.

    Een paar minuten voor zijn vertrek kreeg Ernst op het perron van het station van Cambrai van een collega te horen dat zijn broer Fritz net was aangekomen en met het volgende bataljon zou volgen. Fritz was in het begin van ‘17 terug naar Duitsland gestuurd om er, net als zijn broer, op de Truppenübungsplatz Döberitz en in het garnizoen in Hannover tot Fahnenjunker opgeleid te worden. Op 20 juli ’17 had de kersverse aspirant-officier zijn marsbevel gekregen om vijf dagen later bij Cambrai het regiment te vervoegen. De volgende dag werd hij, precies zoals aan Ernst was medegedeeld, ook met zijn mannen naar Vlaanderen getransporteerd.

    Ernst was intussen al bijna op zijn eindbestemming aangekomen. Na een rit die heel de nacht had geduurd, stopte de trein in Staden en trokken de mannen naar ‘Ohndanklager’, het militaire kamp ten westen van Staden bij Den Ondank. Hier maakte hij kennis met het Vlaamse land. Zijn eerste indrukken vielen mee: ‘Overal vruchtbaar vlak land, met hagen doorkruist, met hoge bomen afgezoomde lanen, verstrooide huizen met laaghangende strodaken…’ Hij merkte wel op dat de Britse artilleristen hun best deden: ‘Het artillerievuur aan het front was erg, maar niet zo erg als ik verwacht had, misschien omwille van de zware bewolking. Toch vielen er in onze omgeving een aantal zware granaten’. In de loop van de namiddag nam de beschieting toe en sloegen de granaten op 2 à 300 meter in van de weide waar Jüngers eenheid op verdere bevelen zat te wachten. Toen Jünger om 22.00 u. met het voorcommando naar de eerste linie vertrok werden ze met grote regelmaat beschoten. Na een moeizame tocht door het modderige terrein kwam hij, iets ten westen van de hoogte van Pilkem in de verblijfplaats van de 2e compagnie van het R.I.R. Nr. 225 terecht.  Hij had er de grootste moeite om de slaap te vatten omdat het brisantgranaten bleef regenen in de onmiddellijke omgeving. Het was een voorproefje van wat hem de volgende dagen te wachten stond. De geallieerden waren vanaf 7 juli immers begonnen met het onophoudelijk en systematisch beschieten van de Duitse stellingen en aanvoerlijnen. Het aantal Britse granaten dat voor 31 juli werd afgevuurd bedroeg het ongelofelijke aantal van 4. 500.000 stuks. Alsof dit niet volstond openden tussen 13 en 21 juli de speciaal hiervoor opgeleide compagnieën van de Royal Engineers 5.100 cilinders met fosgeengas. De Britse artillerie schoot onophoudelijk granaten af die gevuld waren met chloorpicrine en lanceerde 14.000 met thermiet gevulde Stokes-mortiergranaten. Elke nacht vuurden strategisch opgestelde mitrailleursecties gemiddeld 30.000 schoten af om de Duitsers in de voorste lijnen nog meer af te matten…  

    De intensiteit van de Britse beschietingen had een onmiskenbaar effect op de Duitse troepen in de eerste lijn.  Op nog geen kilometer van de plaats waar Jünger - tevergeefs - probeerde wat slaap in te halen had een gevechtspatrouille van het 2e bataljon Scots Guards vastgesteld dat het grootste deel van de Duitse troepen in de eerste lijn zich had teruggetrokken. Het stond ook vast dat in diezelfde nacht een compagnie van het 226e Infanterie Regiment  op eigen initiatief de frontlijn had verlaten omwille van de intensiviteit van de beschietingen.

    De volgende ochtend kon Ernst voor het eerst een blik op het slagveld werpen en wat hij zag beviel hem absoluut niet: ‘Het is me helemaal niet duidelijk wat we in het geval van een aanval moeten doen. De compagnie ligt in groepjes over het pokdalige terrein verspreid. Omwille van het grondwaterpeil zijn hier geen loopgrachten te bespeuren. Ze zeggen wel dat wij de zogenaamde zuidelijke hoogtelijn bezetten, maar deze pisgoot zou zelfs door de grootste optimist niet als een loopgracht beschreven kunnen worden…’

    Diezelfde morgen was Fritz Jünger ook aangekomen. Nauwelijks had hij zich op 25 juli ‘s avonds in Cambrai voor de dienst aangemeld of hij kreeg het bevel om meteen naar het station te trekken en er een klaarstaande troepentrein naar Vlaanderen te nemen. Hij ging er tevergeefs op zoek naar zijn broer en genoot van een korte nachtrust op een bussel stro om de volgende ochtend met het bataljon via Douai, Lille, Roubaix en Tourcoing in Kortrijk te belanden. Vandaar trok de trein traag maar zeker via Izegem en Kortemark naar Staden, waar ze aankwamen met op de achtergrond het onophoudelijke, doffe geroffel van de beschietingen. Fritz vergeleek het artillerievuur met een grote trommel waar op werd losgebeukt. Zijn dichterlijke gevoelens kwamen meteen naar boven toen hij de vliegtuigen beschreef die in dichte eskaders boven hun hoofd in de richting van het front vlogen, begeleid door een eenzame ooievaar die traag zijn vleugels uitsloeg…

    Fritz moest zich gaan melden bij  3e compagnie, die al in de omgeving van Langemark in stelling lag. Hij kon echter niet meteen vertrekken omdat hij moest wachten op de bevoorradingsploeg die ’s avonds zou komen. Intussen was hij, net als zijn broer, ooggetuige van de felheid van de geallieerde artilleriebeschietingen: ‘Vanop een klein heuveltje zag ik het Werk van de Vernietiging. Granaat na granaat sloeg in de omgeving van het station in, en het duurde dan ook niet lang voor de vuur- en rookzuilen van een brand omhoog wervelden. In deze verwarring vluchtten de laatste inwoners met have en goed.  Vee werd weggedreven en een kreupele voerde een mekkerende geit aan een touwtje voort.’

    De bevoorradingsploeg had door de Britse beschietingen vertraging opgelopen en bijgevolg ging Fritz in de pikdonkere nacht op weg naar de 3e compagnie: ‘Wij voeren door het duistere Houthulster Wald waar gebroken en kapotgeschoten voertuigen stonden en tot bergen opgestapelde munitie aan de wegrand lag. Een zware, zoete geur van verval en verrotting doortrok het hele woud en bleef in onze neuzen en kleren hangen.  Nu belandden we tussen de marcherende troepen, artilleriestellingen en granaattrechters. Omdat onze chauffeur de weg was kwijtgeraakt moesten we met onze zaklampen op zoek naar de wegwijzers. Het keiharde knallen van de kanonnen die overal in de bosjes en het woud opgesteld stonden, was een beproeving voor onze trommelvliezen.  Onvermoeibaar met vurige donderslagen werd salvo na salvo afgevuurd, terwijl de opgeschrikte paarden wild steigerden. Als we op een begraafplaats, waar een paar onderkomens waren gebouwd, de weg vroegen, sloegen de Engelse granaten tussen de graven in en werden we met forse aardkluiten bekogeld.’ Fritz had, toen hij zich in de vroege ochtend bij zijn compagniecommandant luitenant Sandvoss aanmeldde, er meer dan zeven uur over gedaan om amper tien kilometer af te leggen. Een mooie illustratie van het feit dat de Britse beschietingen hun effect niet misten…

    De jongere Jünger kreeg nauwelijks tijd om te recupereren want aan de overzijde van het kanaal Ieper/Diksmuide werden in het hoofdkwartier van de Guards divisie plannen gesmeed die Fahnenjunker Jünger geen rust zouden gunnen. In de loop van de vorige nacht waren twee Britten bij een verkenning gewond achtergebleven vlakbij de Duitse gevechtslijn. Luitenant Hambro en soldaat Smith van het 3e bataljon Coldstream Guards gaven zich als vrijwilligers op om ze te gaan zoeken.  Toen het tweetal het kanaal was overgestoken konden ze niet alleen hun kameraden redden, maar ook met eigen ogen vaststellen dat de Duitse troepen in een groot deel van deze sector uit de eerste linie verdwenen waren. Toen dit nieuws majoor Generaal Fielding, de bevelhebber van de Guards-divisie ter ore kwam aarzelde hij geen ogenblik. Hij legde een vermetel plan op tafel om deze verassende ontdekking meteen maximaal uit te buiten: In volle daglicht moesten zijn mannen, zonder een voorafgaande beschieting het kanaal oversteken, de verlaten Duitse stellingen bezetten en een bruggenhoofd uitbouwen. Hij had geen beter ogenblik kunnen kiezen want de Duitsers waren net op dat ogenblik bezig met het aflossen van de XXIIIe en ILe Reserve-Divisionen door de CLIe Infanterie-Division en de IIIe  Garde-Division. Fielding gaf Luitenant-Kolonel Crawford, de commandant van het 3e Bataljon Coldstream Guards het bevel om met sterke aanvalsgroepen de Duitse verdediging in Babboon Support Trench, Artillery Wood en Cactus Junction te infiltreren. Fritz Jünger bevond zich op dat ogenblik in een stelling, rechts van Artilleriewald of Artillery Wood aan de westzijde van de huidige Poezelstraat.

    Om 18.20 u. openden de Britten de aanval op de stellingen van de ILe Reserve-Division, die zich ten zuiden van het FR nr. 73 bevonden. Ze slaagden er zonder veel weerstand in om Babboon Support Trench in te nemen. Tussen Artillery Wood en Cactus Junction ging het iets moeizamer. Fritz kon vanuit zijn positie in de alarmstelling alles observeren en beschreef de actie later als volgt:  ‘Als ik de vlakte voor mij wat beter bekeek zag ik de zwartgeblakerde, versplinterde stompen van enkele bomen er boven uit tornen. De treurige resten van een bos dat hier ooit was. Enorme rookkolommen trokken over onze hoofden en bezwangerden de avondlucht met duistere, zware wolken. Boven de kale, verscheurde aarde zweefden stinkende gassen, die traag geel en bruin kronkelden. Er werd ‘gereedmaken voor een gasaanval’ bevolen. Op dat ogenblik barstte het Engelse spervuur los.’

    Fritz moest met de compagnie de barrage ondergaan en meteen daarna in de tegenaanval. Deze bleek slecht geleid en nauwelijks gecoördineerd te worden: ‘ Het bevel ‘gereedmaken voor gasaanval !’ werd gegeven. Op dat moment begon een enorme beschieting – De aanval was door de Engelsen ontdekt. In sissende fonteinen spoot de aarde omhoog en een hagel van splinters joeg als een storm over het land.  Een ogenblik lang bleef iedereen als verstijfd staan en toen vlogen ze alle kanten op. Nog even hoorde ik de stem van onze bataljonscommandant die alle macht een bevel schreeuwde dat ik niet kon verstaan. Mijn mannen waren verdwenen.  In de verwarring die nu ontstond, drong alles door elkaar, op de vijand en de resten van een dorp toe dat de granaten tot puin hadden vermalen. De plaatsen waar ooit huizen hadden gestaan kon men alleen nog aan de tegelrode kleur van de aarde  herkennen. Hier wierpen we ons neer en haalden onze gasmaskers te voorschijn. Links van mij knielde luitenant Ehlert -  een officier die ik nog van de Somme kende - met naast hem een onderofficier. De kracht van het spervuur overtrof mijn stoutste verwachtingen. Voor ons waaierde een knalgele wand van vuur uiteen. Ontploffing volgde op ontploffing. Puin, een stortregen van brokken aarde, fragmenten van tegels en granaatsplinters hagelden op ons neer en sloegen helle vonken van onze staalhelmen. Ik had het gevoel dat het ademen nu moeilijker werd en er niet meer genoeg zuurstof in de van massief ijzer verzadigde  atmosfeer aanwezig was voor de menselijke longen. Ik zag voor mij het priemende mondingsvuur van een Engels machinegeweer maar het duizendkoppige bijengezwerm dat uit deze loop kwam konden we in dit geraas niet onderscheiden. Tweemaal, kort na elkaar brak een onwaarschijnlijke explosie door het woedende geluidsscherm. Mortieren van het allerzwaarste kaliber barsten uiteen. Hele puinvelden vlogen wervelend de lucht om met hels kabaal op ons neer te dalen.’ Fritz besefte dat hij vooruit moest. Net op het ogenblijk dat hij zijn dekking verliet zag hij in een verblindende flits voor zich, op zo’n drie meter hoogte een schrapnelgranaat uit elkaar klappen: Twee schrapnelkogels troffen hem vol in de borst en schouder. Zijn geweer schoot uit zijn hand en hij voelde hoe hij langzaam achterover in een modderige bomkrater viel, terwijl hij de voorbijlopende Ehlert hoorde roepen ‘die hebben ze flink te grazen genomen !’  Daarna raakte hij half bewusteloos.

    Ernst Jünger had geen idee dat zijn broer al aan het front was, laat staan dat hij vlakbij zwaargewond op het slagveld lag. Hij had de namiddag doorgebracht in de Mauseburg-bunker waar de bataljonscommandant van het Reserve Infanterie Regiment 225 hem een briefing had gegeven. ‘Voortdurend sloegen Dikke Brokken vlakbij in. Tegen de avond nam het vuren toe. Bonte lichtkogels stegen omhoog en van voor kwamen meldingen dat de vijand aanviel.’ De bataljonscommandant reageerde behoorlijk stoïcijns op de nieuwe situatie: ‘Hij stuurde de 2e compagnie als versterking naar voor en ging dan rustig verder met zijn kaartspel’, volgens Ernst die besloot terug te keren naar zijn voorcommando. Niets te laat zo bleek want ‘Toen de nacht inviel nam het vijandelijke artillerievuur geweldig in kracht toe. Secties werden naar voor gestuurd. Kerels die hun eenheid waren kwijtgespeeld, maar ook de onvermijdelijke lijntrekkers dwaalden over het terrein.’ Omdat hij niet meteen bij de actie betrokken was ging Ernst omstreeks 23.00 u. slapen, maar midden in de nacht werd hij onaangenaam gewekt toen een granaat hun bunkertje had getroffen. Van slapen kwam niets meer in huis want om 04.00 u. kwam zijn compagnie naar voor en nam hij twee secties mee naar de puinen van een huisje dat iets verder, midden op het onherbergzame gevechtsterrein lag.


    28-07-2017 om 21:08 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (86 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HEDD WYN'S RHYFEL - THE WAR
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Eén van de bekendste gedichten van Hedd Wyn was ongetwijfeld ‘Rhyfel’ of ‘De Oorlog’. Hier een sublieme versie gebracht door Côr y Gleision, het Cardiff Blues Choir in een compositie van de hand van dirigent Richard Vaughan.  Klik op onderstaande link:

    https://youtu.be/ej3-4OiLKA0

    RHYFEL

    Gwae fi fy myw mewn oes mor ddreng,
    A Duw ar drai ar orwel pell;
    O'i ôl mae dyn, yn deyrn a gwreng,
    Yn codi ei awdurdod hell.

    Pan deimlodd fyned ymaith Dduw
    Cyfododd gledd i ladd ei frawd;
    Mae sŵn yr ymladd ar ein clyw,
    A'i gysgod ar fythynnod tlawd.

    Mae'r hen delynau genid gynt
    Ynghrog ar gangau'r helyg draw,
    A gwaedd y bechgyn lond y gwynt,
    A'u gwaed yn gymysg efo'r glaw.

    WAR

    Woe is me that I live in an age so perverse,
    And God at ebb on a distant horizon;
    After him, man, the lord and commoner,
    Raising his ugly authority.

    When he felt God going away
    He raised a sword to kill his brother;
    The sound of fighting is on our ear,
    And its shadow on poor cottages.

    The old harps that were played before are
    Suspended on the branches of yonder willows,
    And the cries of the boys filled the wind,
    And their blood mixed with the rain.


    28-07-2017 om 13:15 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (72 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KIJKTIP - A POET'S REBELLION: LEDWIDGE & 1916 RISING
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het staat buiten kijf dat Francis Ledwidge een overtuigde Ierse nationalist was. Ledwidge, die al voor de oorlog enige bekendheid genoot als dichter, stichtte samen met zijn broer in 1913 in hun geboorteplaats Slaine een afdeling van de nationalistische Irish Volunteers, een para-militaire organisatie die de tegenhanger was van de loyalistische Ulster Volunteers. Deze laatste, pro-Britse militie wou zich desnoods gewapenderhand tegen het invoeren van zelfbestuur voor Ierland verzetten. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam het tot een open breuk binnen de Irish Volunteers, waarbij de volgelingen van de gematigde Ierse nationalistische politicus John Redmond als vrijwilligers dienst namen in het Britse leger in de hoop het door de Britse regering beloofde zelfbestuur voor Ierland te bekomen, terwijl de radicale vleugel - waartoe Ledwidge behoorde - ervan uitging dat de 'moeilijkheden van Engeland, nieuwe mogelijkheden voor Ierland' boden. Vreemd genoeg zou ook Ledwidge kort daarna een Brits uniform aantrekken en dienstnemen in de rangen van de Royal Inniskillen Fusiliers. Het blijft raden naar zijn motieven voor deze ommezwaai maar de meeste Ledwidge-kenners gaan er nu vanuit dat hij zich wellicht uit liefdesverdriet had geëngageerd om naar het front te trekken...

    Ledwidge kreeg zijn vuurdoop in april '15, in de hel van Gallipoli, waar een geallieerde landing op de Turkse kust uitliep op een bloederig fiasco. Daarna werd hij in Servië ingezet. Toen ook hier de geallieerde troepen moesten wijken, werd hij ernstig ziek en aangetast door artritis naar Engeland geëvacueerd. Terwijl hij in Manchester in een hospitaal lag, brak in Dublin de republikeinse Paasopstand uit en vernam hij hoe zijn goede vriend, de dichter Thomas MacDonagh, als één van de prominente IRA-leiders, door de Britten standrechtelijk was terechtgesteld. Ledwidges ontroerende 'Lament for Thomas MacDonaghr' wordt tot op de dag van vandaag als één van zijn beste gedichten beschouwd. De bloederige onderdrukking van de Paasopstand en de daarop volgende golf van blinde repressie sloegen de laatste illusies van Ledwidge aan scherven.

    In het volgende filmpje van de UCD School of Histoty en Archives duidt Dr. Lucy Collins op een bevattelijke manier de enorme impact die de Paasopstand had op Ledwidge: 

    https://youtu.be/C5pNMqwRHg4

    28-07-2017 om 10:59 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (71 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KIJKTIP: LEDWIDGE WAR POET
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    In het raam van de herdenkingen rond Francis Ledwidge die op 31 juli '17 bij Pilkem sneuvelde deze boeiende uiteenzetting door Dr. Lucy Collins van University College Dublin over de betekenis van Ledwidge als oorlogsdichter. Ze plaatst zijn werk niet alleen binnen het bredere raamwerk van de Grote Oorlog en verduidelijkt welke invloed dit conflict op zijn werk had maar maakt ook duidelijk welke grote verschillen er waren tussen zijn werk en bv. de gedichten van Britse collega's als Wilfred Owen of  Siegfried Sassoon. Morgen breng ik een tweede interview met Dr. Collins waarin ze de immense invloed van de Ierse republikeinse Paasopstand op Ledwidge verduidelijkt... Beide interviews werden geproduceerd door de UCD School of History and Archives in samenwerking met Century Ireland.

    https://youtu.be/Uul_UxD5WT0

    27-07-2017 om 14:59 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (91 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ERNST JÜNGER IN DE FLANDERNSLACHT - DEEL 1
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Deze week staat mijn blog, zoals u wellicht wel gemerkt hebt,  grotendeels in het teken van het sneuvelen van Francis Ledwige en Hedd Wyn. Maar er was nog een andere literaire grootheid nauw verbonden aan wat er nu precies een eeuw geleden op het slagveld tussen Boezinge en Langemark gebeurde, namelijk de Duitse schrijver en essayist Ernst Jünger. Deze jonge officier in het Hannoverse Fusilierregiment nr. 73 kende in de hete zomer van 1917 zijn enige inzet in Vlaanderen tijdens de zgn. Flandernslacht, de Derde Slag om Ieper. De volgende dagen publiceer ik op mijn  blog een aantal bijdragen om zijn inzet in die periode te duiden…Hier volgt alvast de inleidende tekst.

     

     

    Koekuit, 1 augustus 1917: Na een week van erg zware afweergevechten tussen de hoogte van Pilkem en Langemark marcheerden ’s ochtends, door de gietende regen, de schamele restanten van twee bataljons van het Hannoverse Fuselierregiment nr. 73 naar hun verzamelpunt. Op de achtergrond het onophoudelijke gedonder van de artillerie. ‘Aan weerszijden van de baan’, zo noteerde de van kop tot teen bemodderde jonge officier die hen aanvoerde,’ lagen ontelbare paarden met verschrikkelijke wonden, af en toe ook mensen.’ Naast een paar aan gort geschoten karren telde de jonge officier niet minder 12 paardenkadavers. Toen de uitgeputte militairen ergens op een weide voor het appel verzamelden bleek voor het eerst hoe hoog de verliezen in het regiment de laatste dagen waren opgelopen. De jonge officier kon niet anders dan de rekening maken: de twee bataljonscommandanten en de meeste compagniecommandanten waren uitgeschakeld. In feite schoten er nog slechts 2 of 3 officieren over. En dan werd er nog wijselijk gezwegen over de verliezen aan mannen...

     

    De jonge officier die de onthutsende balans van één week strijd in Vlaanderen had gemaakt was de 22-jarige Leutnant Ernst Jünger. Weinig veteranen hebben indringender de Grote Oorlog en hun persoonlijke ervaringen in de strijd beschreven dan hij. Zijn literaire erfenis blijft weliswaar tot op de dag van vandaag omstreden, maar ook uitzonderlijk. En dat heeft niet alleen met zijn unieke persoonlijkheid of schrijfstijl te maken. Er zijn immers maar weinig schrijvers wier leven en werk een eeuw overspannen.

     

    In de jaren tussen 1920 en 1932 vloeide - bijna met de cadans van het hem ooit zo vertrouwde dodelijke trommelvuur - het ene boek na het andere uit de pen van Jünger. Zijn opgemerkte literaire debuut, het autobiografisch ‘In Stahlgewittern: Aus dem Tagebuch eines Stosstruppführers’ (1920) zou met Remarque’s ‘Im Westen nichts Neues’ (1929) het meest bekende Duitstalige oorlogsboek worden. Ernst Jünger was zonder twijfel de tegenpool van Erich Remarque, wiens militante anti-militairisme haaks stond op Jüngers verheerlijking of beter esthetisering van de moderne, totale oorlog. Oorlog was voor Jünger extase. Zin of onzin ervan gingen aan hem voorbij. Het doel was de oorlog zélf.

    In het essay ‘Der Kampf als inneres erlebnis’ (1922) theoretiseerde Jünger voor het eerst over zijn oorlogsbelevenissen. In 1923 verscheen ‘Stürm’, als vervolgverhaal in de ‘Hannoverschen Kurier’. Twee jaar later verschenen ‘Das Wäldchen 125: Eine Chronik aus den Grabenkämpfen 1918’ en ‘Feuer und Blut’, gevolgd door ‘Die Unvergessenen’ (1928). In 1930 rolden ‘Feuer und Bewegung’, ‘Das Antlitz des Weltkrieges: Fronterlebnisse deutscher Soldaten’ en ‘Krieg und Krieger’  van de persen. De basis voor de meeste van deze werken lag in Jüngers oorlogsdagboeken. Hierin beschreef hij zijn leven in de loopgrachten. Zakelijk en bijna zonder emotie. Het alledaagse, banale leven, gekleurd door de regen, luizen of dodelijke verveling van de frontsoldaat was het raamwerk waaraan deze geschriften, vaak niet meer dan nota’s, werden opgehangen. Zelfs het doden werd uiteindelijk banaal. En toch zien we hoe Jünger twee jaar na de wapenstilstand er zichtbaar mee worstelde om het rauwe sterven op het slagveld en de talloze gesneuvelden zin te geven. Een verloren oorlog was al ondraaglijk genoeg - een verloren lotsbestemming en een verloren leven was voor Jünger gewoonweg ondenkbaar… Het resultaat van deze worsteling met zichzelf was ‘In Stahlgewittern’ te lezen en zelfs voor buitenstaanders voelbaar. Vanaf dat ogenblik zou het zin-geven de constante in zijn werk worden…

    Jünger was een kind van zijn tijd en niet voor niets was Friedrich Nietzsche een van zijn lievelingsfilosofen en diens ‘Geburt der Tragödie’ (1871) een van zijn lievelingsboeken. Ervaringen - hoe gruwelijk ze ook mochten zijn - primeerden op een rationele wereldbeschouwing. In Jüngers wereldbeeld moest men, om te kunnen leven, gevaarlijk leven. Deze idee liep als een rode draad door zijn essay ‘Das abenteuerliche Herz’ (1929). Wie sterk wil zijn moest, volgens Jünger, risico’s durven nemen en offers durven brengen. De actie, roes en glorie van de oorlog leidden naar de Weg van de Krijger; de verheffing van het individu boven zichzelf. Dit was de reden waarom Jünger zonder enig voorbehoud de oorlog omarmde. Maar tegelijkertijd observeerde hij de dood op het slagveld met dezelfde afstandelijkheid waarmee hij zijn collectie opgezette kevers bekeek. Contradictorisch en controversieel zijn dan ook de sleutelwoorden waarmee volgens mij zijn werk en leven kunnen samengevat worden.

     

    De oorlog, een eindeloze spiraal van dood en geweld waarin de krijger levens nam opdat het zijne niet genomen zou worden, zette Jünger aan het denken over de kern, het wezen van het menselijke bestaan. Hij kwam tot de overtuiging dat de oorlog de mens een kans bood zich opnieuw de wereld toe te eigenen. Een wereld waarvan men door de industriële revolutie op het einde van de negentiende eeuw vervreemd was geraakt: ‘Er was geen Natuur meer, geen Kunst, geen Grote Lijnen, zelfs geen Stijl meer; alles wat men zo benoemde was verkrampt en zelfbedrog. Sinds de komst van de machines was alles door de zwiepende vliegwielen vlak geslepen. Als een razende koorts had de mechanisering de Europese mensen in een dorre woestenij verandert. ‘Het ‘leven’ bood zich - voor wie het grijpen wou - door de uitzonderlijke oorlogsomstandigheden in zijn meest extreme vormen aan. Contradictioneler kan bijna niet: Jünger vierde het leven op de dansvloer van de dood die het slagveld was…

     

    De oorlog had bovendien schoon schip gemaakt en onverbiddelijk de negentiende eeuw met zijn kleinburgerlijke moraal en illusies aan flarden geschoten. Iets waar de jonge, rebelse Jünger zeker niet rouwig om was. De brute aanblik van het demonische oorlogsgeweld ontdeed volgens de jonge frontofficier het menselijk denken van de leugens en waandenkbeelden en veroorzaakte zo een schok, een reinigende catharsis die de mens niet alleen tot nieuwe inzichten maar ook tot een nieuw evenwicht kon brengen.

     

    De inzichten die Jünger uit zijn oorlogservaringen heeft gepuurd, maar ook zijn onnavolgbare schrijfstijl deden hem een bijzondere plaats bekleden in de wereldliteratuur. Plaats die, in tegenstelling tot wij hijzelf poneerde, niet als een verloren voorpost kan worden beschouwd. Jünger wist immers een unieke maar ook bijzonder controversiële stempel op zijn tijd te drukken. Verachting en verering zijn hem ten deel gevallen. Hij verwierf niet alleen als een van de jongste officieren ooit het ‘Pour le Mérite’, Duitslands hoogste militaire onderscheiding, maar ook de Goethe- en Schillerprijzen voor literatuur wat niet belette dat het politiek correcte gedeelte van de literaire wereld hem uitspuwde. Hij was een officier van de bezettingsmacht in het Frankrijk van 1940 tot 1944 maar kreeg wel na de oorlog het ereburgerschap van Montpellier en straatnamen in Guillemont en Cambrai. Op de Franco-Duitse verzoeningsplechtigheid in Verdun in september 1984 werd hij als gastspreker uitgenodigd door de Franse president. Mitterand en de Duitse bondskanselier Kohl bezocht hem thuis ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag.  Zij traden daarbij in de voetsporen van gerenommeerde schrijvers als Alberto Moravia en Jorge Louis Borges, maar Jean Paul Sartre haatte Jünger…

     

    Met deze kleine studie die ik in de loop van de volgende dagen in stukken publiceer wil ik Jünger noch verheerlijken noch zwartmaken. Hij heeft geen behoefte aan het eerste noch verdient hij het tweede. Ik heb alleen geprobeerd Jünger in zijn historisch kader te zetten in de hoop zo tot een beter inzicht te komen in leven en werk van een man die véél meer was dan een met dynamiet spelende landsknecht. Ik heb mij daarbij bewust beperkt tot die paar weken waarin Jünger aan het front in Vlaanderen is geweest. Niet alleen omdat hieromtrent relatief weinig werd gepubliceerd maar ook omdat deze periode – hoe kort ze ook is geweest – onuitwisbare sporen in het werk en leven van Ernst Jünger heeft nagelaten….


    27-07-2017 om 14:28 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (86 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Y GADAIR DDU - HEDD WYN'S ZWARTE ZETEL

    In mijn vorige blog heb ik uitgebreid stilgestaan bij het gegeven dat 100 jaar geleden de Welshe dichter Hedd Wyn bij Pilkem sneuvelde. Hierbij maakte ik melding van het feit dat de zetel die hem in 1917 postuum werd toegekend als eerste prijs voor de dichtwedstrijd op de nationale Eisteddfod was vervaardigd door de Vlaming Eugeen Vanfleteren. Deze getalenteerde beeldsnijder had voor het uitbreken van de Grote Oorlog een klein meubelatelier in de buurt van de Nekkerspoel in Mechelen. Bij de beschieting van de Dijlestad op 27 september 1914 koos hij het zekere voor het onzekere en vluchtte hij naar Engeland. Na een kort oponthoud in de buurt van Londen en later Liverpool vestigde hij zich in de zomer van 1915 in Birkenhead aan de Mersey waar hij kort na zijn aankomst opnieuw aan de slag kon als meubelmaker. Wellicht verwierf hij daar al vrij snel een goede reputatie als vakkundige ambachtsman want in november -december 1916 kreeg hij van de welgestelde aannemer David Evans de eervolle opdracht om de Gadair, de traditionele zetel voor de winnaar van de Eisteddfod te vervaardigen. Het resultaat was een buitengewoon fraai vormgegeven zetel waarin onder meer een Keltisch kruis, ingewikkelde Keltische knoopmotieven én de drakenhoofden van Y Ddraich Goch - de heraldische Rode Draak van Wales werden verwerkt. 

    De zetel die door het sneuvelen van de dichter al snel Y Gadair Ddu - de Zwarte Zetel werd genoemd, is zonder enige twijfel één van de belangrijkste historische Welshe meubelstukken. Dit werd bevestigd door Carwyn Jones, de Eerste Minister van Wales toen hij op 13 januari 2015 een replica die met de modernste 3D-technieken was gerealiseerd, voorstelde. Een technisch huzarenstukje van de gespecialiseerde firma Europac die aan de hand van niet minder dan 7.000 opnames een perfecte kopie van het origineel afleverde. Carwyn Jones zei over de Zwarte Zetel: '  As we commemorate one hundred years since the outbreak of the First World War, the Gadair Ddu has become a symbol of the devastating impact the Great War  had on communities and families across Wales, many of who lost fathers, brothers, uncles and sons to the conflict.'

    Eerder had Hugh Haley, die een gespecialiseerd bedrijf voor het restaureren van antiek meubilair leidt, al :meer dan een jaar gewerkt aan de restauratie van dit kostbare meubel. Om deze historische band tussen Wales en Vlaanderen nog meer te accentueren sloegen de Welsh National Memorial & Hedd Wyn Society, de Vlaamse overheid en de afdeling meubeldesign van de Mechelse Thomas More Hogeschool de handen in elkaar voor een uniek herdenkingsproject. Als een eerbetoon aan de honderd jaar geleden gesneuvelde dichter, symbool voor de meer dan 40.000 gesneuvelde Welshmen, maar ook als een getuigenis van de historisch erg rijke Mechelse meubeltraditie werd uit oude spoorwegbielzen die op het gewezen slagveld waren gevonden, een nieuwe Gaidar gemaakt die vanaf 24 mei 2017, samen met de 3D-kopie in de zuilenzaal van het Vlaams Parlement werd tentoongesteld. Deze nieuwe Gadair zal naar aanleiding van de herdenking aan de bevolking en regering van Wales worden geschonken. 

    Op de eerste foto ziet u de originele, gerestaureerde Gadair in Yr Ysgwrn, de ouderlijke woning van Hedd Wyn met Gerald Williams, de neef van de dichter die decennialang Yr Ysgwrn bewoonde. Op de tweede foto ziet u het nieuwe, Mechelse ontwerp.   Mae tyst y cyswllt rhwng Fflandrys a Chymry...





    27-07-2017 om 13:40 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (77 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KIJKTIP - HEDD WYN

    De Ier Francis Ledwidge (zie mijn vorige blog) was niet de enige dichter met Keltische 'roots' die op 31 juli 1917 in Vlaanderens velden sneuvelde. Bij Hagebos viel Ellis Humphrey Evans, die in Wales onder zijn 'nom de plume' Hedd Wyn nationale bekendheid als dichter had verworven. Ellis H. Evans werd op 13 januari 1887 als oudste zoon - in een gezin dat elf kinderen zou gaan tellen - geboren in Trawsfynydd, een schilderachtig dorpje in Noord-Wales. Meirionnydd, Evans' geboortestreek was op het einde van de 19e eeuw weliswaar dunbevolkt maar het hartland van de Welssprekenden. Uit het ter beschikking zijnde cijfermateriaal blijkt dat in 1901 niet minder dan 94 % van de ongeveer 50.000 inwoners van de regio nog Welsh sprak. de achteruitgang van het Welsh als dagdagelijkse omgangstaal ging er niet zo snel als in de rest van Wales en deze tendens heeft zich trouwens tot op de dag van vandaag doorgezet want ongeveer 65 % van de huidige bevolking bedient zich nog van deze oude Keltische taal.

    Als jonge knaap was Evans allesbehalve een briljante scholier, maar hij had wel aanleg als dichter. Op zich is niet echt verwonderlijk want de poëzie zit de Welshmen in het bloed. Dit heeft natuurlijk veel te maken met de uit de Keltische tijden stammende eeuwenoude mondelinge literaire traditie, waarbij de cyfarwydd, de sagenverteller of bard een prominente plaats innam. Een van de belangrijkste Welshe cultuuruitingen zijn tot op de dag van vandaag de poëziewedstrijden, de Eisteddfodau, waarvan de wortels in de middeleeuwen liggen. Vele steden en regio's hebben er een eigen Eistedfodd. Het jaarlijkse culturele hoogtepunt vormt de nationale 'Eistedfodd', die inmiddels is uitgegroeid tot een ware hoogmis van de Welshe cultuur en identiteit, die tienduizenden bezoekers lokt. Centraal op deze Eistedfodd staat de traditionele poëzie die gebonden is aan specifieke, traditionele rijmschema's. De laureaat wint een Cadair, een zetel in fraai houtsnijwerk, die symbool staat voor de traditionele ereplaats die de hofdichters naast de middeleeuwse Welshe vorsten bekleedden.   

    Voor zover bekend, schreef Evans zijn eerste gedichten op elfjarige leeftijd. Toen hij veertien werd, verliet hij de school om schaapherder te worden op 'Yr Ysgwrn', de familieboerderij. Wel bezocht hij nog de zondagsschool in het dorp, waar hij door John Dyfnallt Owen gestimuleerd werd om verder te gaan op het pad van de poëzie. Deze dominee zou na de Eerste Wereldoorlog een van de kopstukken van de Welshe nationalistische partij Plaid Cymru worden en veel bijdragen tot het heropleven van  het Welshe identiteisbesef. Vanaf zijn negentiende vond Evans de tijd en zijn talent rijp genoeg om deel te nemen aan de Eisteddfodau. Hij won zijn eerste Cadair' in 1907 in Y Balà met een ode aan 'Y dyffryn', 'De Vallei'. Het daarop volgende jaar zei hij het herdersleven vaarwel om in een steenkoolmijn in Zuid-Wales te gaan werken. Het barre mijnwerkersleven was echter niet zijn meug en na een paar maanden van hard labeur keerde hij terug naar de boerderij en de groene heuvels van Trawsfynydd. Tijdens een bijeenkomst van dichters in 1910 kreeg hij de naam Hedd Wyn of 'Witte Vrede'. Een poëtische naam die verwees naar de zondoordrongen nevelbanken in de valleien van Meironnyd. Hedd Wyn's talent kreeg de volgende jaren van langsom meer erkenning? In 1913 won hij de zetel in de 4eistedfoddau' van Pwlheli en Llanuwchllyn. Twee jaar later, in 1915, was hij de winnaar in Pontardawe en opnieuw in Llanuwchllyn. In datzelfde jaar nam hij ook voor het eerst deel aan de nationale Eisteddfod, die dat jaar in Bangor werd gehouden. Opnieuw bleek zijn talent want in 1916 werd hij tweede in de nationale Eisteddfod te Aberystwyth met een ode aan Ystrad Fflur, de ruïne van een middeleeuwse abdij Strata Florida in Midden-Wales.

    Hij nam zich voor om in 1917 opnieuw een gooi te doen naar de zetel van de nationale Eisteddfod, die in de late zomer van 1917 in Birkenhead zou worden georganiseerd. Vanaf november 1916 werkte hij aan een lang gedicht over het opgelegde thema 'Yr Arwr', 'De Held'. Dat er voor deze Eisteddfod een 'heroïsch'thema werd opgelegd was natuurlijk niet verwonderlijk want inmiddels woedde de Grote Oorlog al drie jaar. Een oorlog die, wat Wales betrof, al érg grote offers had gevergd. In februari 1917 was Evans opgeroepen voor het leger en meteen nadat hij zijn basisopleiding had gekregen met de versterkingen van het 15e Bataljon Royal Welsh Fusiliers naar Vlaanderen gestuurd. Op 31 juli '17, kort voor 04.00 u. rukte zijn eenheid op naar de hoogtelijn bij Pilkem, die ze, ondanks het zware Duitse mitrailleur- en artillerievuur wisten te veroveren. De Welshmen rukten vervolgens op naar Hagebos waar Hedd Wyn omstreeks 11.00 u. zwaar gewond werd door granaatscherven in de rug. Hij werd in de ruïne van een woning bij het kruispunt - waar een geïmproviseerde verbandpost was geïnstalleerd - binnengedragen en bezweek er kort nadien aan zijn verwondingen. Hij was één van de 14 mannen van het 15e Bataljon RWF die op die dag het leven lieten bij de aanval op Pilkem. Uit de officiële verliescijfers blijkt dat de Welshe 38e Divisie - waarin Hedd Wyn diende - en de samen met hen opererende Welsh Guards op 31 juli '17 bij Pilkem 327 gesneuvelden en meer dan 1000 gewonden telden...

    Hedd Wyn won postuum de nationale Eisteddfod en werd een nationale legende. Het is wellicht een merkwaardige speling van het lot dat de zetel die voor Hedd Wyn bestemd was, door een Vlaming was gemaakt. Eugeen Vanfleteren was een Mechelse meubelmaker die in 1914 naar Engeland was gevlucht en die zich in Birkenhead had gevestigd. Na afloop van de Eisteddfod werd deze zetel op een in het zwart gehulde kar, getrokken door zwarte paarden, naar de familieboerderij 'Yr Ysgwrn' overgebracht. De hoeve is sindsdien uitgegroeid tot een Welsh nationaal bedevaartsoord. Verschillende dichters wijdden werk aan de bard en zijn tragische lot, er verschenen boeken over zijn leven en werk en in 1932 werd in Trawsfynudd een monument voor hem onthuld. Sinds een paar jaar wordt overigens op Hagebos, iedere eerste maandag van de maand op 19.00 u. op initiatief van een aantal buurtbewoners een 'Last Post' geblazen bij de gedenkplaat voor Hedd Wyn.

    In 1992 werd een film aan hem gewijd. Regisseur van dienst was Paul Turner en het scenario was van de hand van de bekende Welshe dichter Alan Llwyd. Het was de eerste Welshtalige speelfilm ooit die werd genomineerd voor een Oscar. Als u op onderstaande lik klikt kan u de volledige film mét Engelse ondertiteling bekijken:

    https://youtu.be/C8JdhAUJFt0







    26-07-2017 om 16:51 geschreven door janhuijbrechts  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (95 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 31/12-06/01 2019
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!