DE INTELLECTUELEN IN DE MIDDELEEUWEN
(Jacques Le Goff) 1989
[Wereldbibiotheek DNB/Uitgeverij Pelckmans, Amsterdam-Kapellen, 1989]
Een boekje dat oorspronkelijk dateert van 1957 en dat in 1989 in het Nederlands werd vertaald. Grappig is wel dat in de inleiding van de Franse heruitgave van 1984 Le Goff zelf een opsomming geeft van alle dingen die minder goed of gedateerd zijn in zijn tekst, en dat lijstje is nogal lang. Le Goff doet deze openbare biecht zonder blikken of blozen, en alleen de allergrootsten kunnen en durven dat natuurlijk. Want De intellectuelen in de Middeleeuwen vormt wel degelijk een interessant overzicht van het intellectuele leven in de twaalfde en dertiende eeuw. De veertiende en vijftiende eeuw (met het opkomende humanisme) worden hier zoals Le Goff trouwens zelf toegeeft op een volstrekt onvoldoende wijze behandeld. Hieronder enkele lectuurnotities.
De befaamde uitspraak van Bernardus van Chartres: Wij zijn dwergen op de schouders van reuzen. Wij zien meer en verder dan zij, niet omdat onze blik scherper is of omdat wij groter zijn, maar omdat hun reusachtige gestalte ons verheft en draagt. Uit dit beroemde beeld spreekt het besef dat de beschaving vooruitschrijdt. Of anders gezegd: het besef dat geschiedenis hetzelfde is als vooruitgang [p. 44].
Over de Goliarden (12de eeuw): De vrouw kreeg een plaats binnen de door de goliarden ondersteunde beweging die ruimte eiste voor het lichamelijk genot, ook voor de geestelijken, met inbegrip van de priesters. De intellectueel eiste als humanist het recht op mens te zijn, in alle betekenissen van het woord. Alles wat daaraan afbreuk deed, wees hij af. Om zich volledig te kunnen verwezenlijken had hij een vrouw aan zijn zijde nodig [p. 74].
In zijn boek Sic et non uit 1122 toont Abélard aan dat de kerkvaders het over geen enkele kwestie eens zijn. Waar de één dit zegt, zegt een ander dat
[p. 81].
Over het humanisme van Chartres: Volgens de intellectuelen van Chartres was de mens het doel en het middelpunt van de schepping. Dat is de betekenis van de beroemde controverse Cur Deus homo uit deze tijd, zoals Père Chenu die op bewonderenswaardige wijze heeft aangetoond. Volgens de traditionele opvatting, die door Gregorius de Grote weer nieuw leven was ingeblazen, was de schepping van de mens een ongeluk. De mens was een ersatz, een noodsprong, bij toeval door God geschapen ter vervanging van de in opstand gekomen en gevallen engelen. Chartres stelde daar, voortbordurend op Anselmus, tegenover dat in het plan van de Schepper altijd al een plaats was ingeruimd voor de mens en dat de wereld ter wille van hem geschapen was. Er bestaat een beroemde tekst van Honorius van Autun waarin hij de opvattingen van Chartres heeft gepopulariseerd [p. 90].
De antithese tussen het beest en de mens was één van de grote metaforen uit de twaalfde eeuw [p. 91].
Adelard van Bath (12de eeuw) beweerde dat de twaalfde-eeuwse intellectuelen de Antieken en de Arabieren als dekmantel gebruikten om hun eigen nieuwe ideeën gemakkelijker ingang te doen vinden bij mensen die gewend waren steeds maar af te gaan op autoriteiten. Adelard gaf toe ook zelf die weg bewandeld te hebben [p. 93].
De Libri Sententiarum van bisschop Petrus Lombardus en de Historia Scholastica van Petrus Comestor (= Boekenverslinder) behandelden op systematische wijze filosofische waarheden en historische feiten uit de bijbel en werden de basiswerken van het universitaire onderwijs in de dertiende eeuw. Ze dateren zelf van de twaalfde eeuw [p. 101].
Door de opkomst van de stad werd het karakter van de spiritualiteit in de 13de eeuw steeds meer bepaald door het beroep dat men uitoefende. Dat gold ook voor de intellectuelen. Beroepsethiek werd belangrijk en de biechtboeken werden aangepast aan de activiteiten van de diverse sociale groepen, aan de diverse beroepen: zorgvuldig werden de zonden van de boeren, kooplieden, ambachtslieden, rechters enzovoort ingedeeld en vastgelegd. De zonden van de intellectuelen, van de leden van de universitaire corporatie, kregen extra aandacht
[p. 130].
Dertiende eeuw: verhitte discussies in universitaire kringen rondom de maagdelijkheid van Maria. Duns Scotus verdedigde verbeten de maagdelijkheid van Maria, terwijl Thomas van Aquino er om dogmatische redenen met zijn volle gewicht tegen inging [p. 130].
Nooit, schreef Gilbert van Doornik (13de eeuw), zullen wij de waarheid vinden als wij ons tevredenstellen met dat wat al gevonden is
Diegenen die voor ons schreven, zijn niet onze heren, zij dienen ons als gidsen. De waarheid staat open voor allen, wij bezitten haar nog niet volledig. Wat een intellectueel optimisme spreekt uit deze woorden als we ze vergelijken met het sombere: Alles is gezegd, wij komen te laat [p. 139].
Kardinaal Nicolaas van Cusa (15de eeuw) was de schrijver van de laatste grote middeleeuwse scholastieke Summa [p. 198].
[explicit 1 juli 1990]
|