Morgen zal het precies een eeuw geleden zijn dat een
reeks van gigantische mijnexplosies het grootste deel van de Duitse steunpunten
op de strategische heuvelrug van Mesen-Wijtschate aan flarden scheurden als
prelude voor wat later bekend zou worden als de Derde Slag bij Ieper. Sinds 2008 vinden we in het centrum van
Wijtschate het beeld van The Miner. Dit levensecht uitgevoerde gedenkteken
in bronskleurig polyester van de hand van Jan Dieusaert brengt hulde aan de
geallieerde tunnelers en de
ondergrondse oorlogsvoering die hier op 7 juni 1917 haar dodelijke bekroning
kreeg. Naar mijn aanvoelen is er geen
plek aan het gewezen Westelijke front zo geschikt als Wijtschate om even stil
te staan bij dit al te vaak vergeten maar zo belangrijke aspect van de Eerste
Wereldoorlog.
In mijn eerstdaags verschijnend boek Verdrongen
verleden De 16e (Ierse) Divisie in Vlaanderen wordt
logischerwijze veel aandacht besteed aan de bestorming van Wijtschate op 7 juni
17 en de ondergrondse mijnoorlog die mee het succes van deze aanval bepaalde.
Graag breng ik u een exclusieve voorpublicatie uit mijn boek, met name het
kaderstukje De Clay Kickers: de
onbarmhartige ondergrondse oorlog: De
mannen die deze mijnschachten uitgroeven en stutten waren bijna allemaal
gewezen mijnwerkers of mannen die hadden gewerkt bij de aanleg van de
rioleringen en metro in Londen. Ze werden Clay Kickers genoemd omdat de
vette, blauwige klei bij Ieper, alleen op een speciale manier kon worden
verwijderd: De graver lag in de koude en natte schacht op zijn rug op een
schuin aflopende steunplank en groef zich, door op een speciaal hiervoor
ontworpen schop te trappen, langzaam maar zeker een weg onder het niemandsland
en de Duitse lijnen. De vrijgekomen klei werd s nachts door honderden
infanteristen die van corvee waren, naar de wachtende vrachtwagens achter het
front gedragen, die op hun beurt de bagger kilometers verder, buiten het zicht
van de Duitse waarnemers stortten.
De
omstandigheden waarin moest worden gewerkt tartten alle verbeelding. Het werk
was fysiek erg zwaar én zenuwslopend. Er werd onophoudelijk gewerkt door drie
ploegen in een roterende 24-uren ploegendienst, waarbij 8 uur werd gegraven en
16 uur gerust. Elke shift duurde 4 dagen waarop 4 dagen rust volgden.. Men
probeerde de werklast te beperken door mechanische graafmachines in te zetten.
Dit gebeurde op 4 maart 17 bij Petit Bois in Wijtschate maar na een paar dagen
van experimenteren bleek de tonnenzware machine niet opgewassen tegen de
Vlaamse klei. Ze ligt tot op de dag vandaag ergens enkele tientallen meters
diep begraven... De nauwe schachten liepen vaak vol grondwater en moesten dan
met de schaarse elektrische pompen, maar nog veel vaker met handpompen worden
leeggemaakt. Af en toe stortte een gang in en raakten mannen bedolven.
Zuurstofgebrek was een andere stille doder. Er werd weliswaar perslucht in de
gangen gepompt, maar vaak was dit onvoldoende en kwamen de mannen naar adem
snakkend en met barstende hoofdpijn naar boven. Het grootse gevaar kwam echter
van de Duitsers die tot het uiterste gingen om aanvallen met mijnen te
voorkomen. Zij groeven ook mijngangen en af en toe wisten ze met torpedo- of
camoufletmijnen, kleine explosieve ladingen, de Britse gangen op te blazen, of
zich toegang te verschaffen tot een Britse schacht. Dan volgde steevast in het
schemerdonker een meedogenloos gevecht van man tegen man met houwelen,
schoppen, dolken en handgranaten.
Eén van
de meest dramatische verhalen uit de ondergrondse oorlog speelde zich af op het
grondgebied van Wijtschate. In de vroege ochtend van 10 juni 1916 was een ploeg
van de 250th. Tunneling Company aan het werk in een mijnschacht onder Petit
Bois. Een Duitse graafploeg had dit ontdekt en liet net boven hun hoofd een
camoufletlading ontploffen waardoor een deel van de gang instortte. Meteen werd kapitein Hayden Rees, die
ervaring had met vooroorlogse reddingsoperaties in Welshe mijnen, naar de plaats
van de ramp geroepen. Niemand wist of er overlevenden waren maar toch besliste
Rees om parallel aan de ingestorte gang, een reddingschacht te graven. Na zeven
dagen wist de reddingsploeg William Bedson, een sapper die jaren in de
koolmijnen in Cumberland had gewerkt, levend uit de ingestorte mijngang te
redden. Toen de camouflet geëxplodeerd was, had hij als enige het hoofd koel
gehouden. De andere elf overlevenden begonnen zich uit alle macht een uitweg te
graven en stikten in de volgende dagen door zuurstofgebrek. Bedson had zich
verder in de gang teruggetrokken met een veldfles vol water en wachtte rustig
op een bed van zandzakken zijn redding af. Zijn gestikte makkers liggen nu zij
aan zij begraven op Kemmel Chateau Military Cemetery.
|