Een aantal jaren geleden stonden de Story, de Privé en hoe
al die van pulp gemaakte en met dezelfde substantie gevulde bladen ook mogen
heten, vol van het bericht dat prinses Irene gesprekken voerde met bomen. De in
vorsten en vorstenhuizen geïnteresseerde societyliefhebbers waren meteen in
twee kampen verdeeld: aan de ene kant stonden zij die met Irene meevoelden en anderzijds
zij die hoofdschuddend de paginas van het pulpen gossipblaadje omsloegen. Als
men mij had gevraagd: wat vind jíj ervan? dan had ik als zo vaak geantwoord: ik
weet het zo net nog niet. Want zo lang ik leef, heb ik iets met bomen. Niet met
bossen met bomen als kuddedieren, maar met individuele, onafhankelijke, zelfbewuste,
solitaire bomen. Ik voer er geen gesprekken mee, maar ze laten mij niet koud.
Zeker, mijn hele leven al houd ik van bomen en maak fotos van hen.
Het bewijs lever ik u op de voet. Onder dit verhaal staat twee keer dezelfde
boom, een eerbiedwaardige beuk. Hij staat met een stuk of vijf soortgenoten aan
de rand van een groot bos, het Anholtse Broek genaamd, daar waar het beekje (de
zogenoemde zwarte beek) stroomt en de fietser haar tocht kan vervolgen op de
asfaltweg in plaats van op het smalle, rulle bospaadje. Tussen de zwartwitte en
de kleurige foto van dezelfde magistrale boom ligt om en nabij veertig jaar. De
eerste zwart-witte foto is gemaakt met mijn eenvoudige Adox-kleinbeeldcamera; de kleurige tweede met
mijn digitale alleskunner.
Bomen hebben niet het eeuwige leven. Het mag dan waar zijn
dat sommige Wodanseiken eeuwen trotseren, maar onze fruitbomen in de kleine boomgaard
hebben nu na tachtig jaar allemaal het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.
Ze zijn dood, ze zijn óp, hun tijd is definitief voorbij. Tachtig jaar is
trouwens ook een mooie leeftijd voor een goudrenet of voor een stoofperenboom.
Populieren (peppels zeggen wij) leven hoogstens veertig jaar. Dan is het over
en uit. Maar geen enkele populier maakt dat stadium mee. Ze zijn eerder gekapt
en verwerkt tot lage of hoge klompen.
Toen wij noodgedwongen van onze oude fruitbomen afscheid
hebben genomen, waren er al plannen voor vervanging. Want een boomgaard zonder
bomen is onbestaanbaar. Dus heb ik bij een kweker in de buurt een aantal
appel-, pruimen- en kersenbomen alsmede enkele perelaars uitgezocht en geplant.
Om ze te behoeden voor omvallen in hevige herfststormen heb ik bij ieder een
steunpaal gezet.
Steunpalen bij pas
geplante bomen hebben hun voor- en tegenstanders. Voorstanders betogen dat een
steunpaal nodig is om te voorkomen dat door onverhoedse bewegingen de tere
wortels schade lijden. Bovendien zou de paal het aanslaan bevorderen.
Tegenstanders zeggen dat dit wel waar mag zijn, maar dat ieder jong levend
wezen, dus ook een boom, vanaf het begin geoefend moet worden in het omgaan met
tegenslagen en tegenwind. Dus geen pampering, geen in-de-watten-leggerij of
vertroeteling.
Prinses Irene schijnt dus gesprekken te voeren met bomen.
Dat doe ik persoonlijk zelden, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Zelf
leg ik graag mijn hand op een beukenstam en verbeeld mij dat iets van de
sapstroom op mij overgaat. En toen onze pas geplante fruitbomen in de droge
zomer van 2005 dreigden te verdrogen, kregen ze van mij iedere avond elk een
gieter water. Dan legde ik mijn hand teder om hun dunne stammetje en zei: kom
op, recht je rug, er komen best wel weer andere tijden.
Het wemelt van
spreekwoorden en zegswijzen waarin over bomen gesproken wordt. Daaraan kun je
zien hoe groot de plaats is van de boom in s mensen leven. Ter afsluiting
noem ik er een die tegelijk het leed van de bomenplanter aangeeft: boompje
groot, plantertje dood.
Nee dan mijn grote
favoriet Martin Luther. Die sprak immers de volgende onvergetelijke woorden:
als ik wist dat ik morgen zou sterven, zou ik vandaag een kind verwekken en een
boom planten. Zo mag ik het horen.
De bekende ex-voetballer
Youri Mulder (FC Twente, Schalke 04), zoon van de even bekende ex-voetballer
(Ajax, Anderlecht), excellent schrijver en sidekicker
Jan Mulder, vertelt over zijn favoriete voorleesverhaal. Het is het verhaal van
de kleine mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept. Oorspronkelijk geschreven
in het Duits onder de titel Vom kleinen
Maulwurf, der wissen wollte, wer ihm auf dem Kopf gemacht hat (1989). De
Engelse versie van 1994 verraadt nog meer de humoristische lading: The Story of the Litlle Mole who knew it was
None of his Business. Ik laat nog even een fragmentje zien:
Heb jij op mijn kop gepoept? vroeg de kleine mol aan
de koe.
Ik nee, hoezo? Ik doe dat zó! antwoordde de koe.
(En ffflatsss, daar kledderde een grote bruingroene
koeienvla naast de kleine mol in het gras. Hij was blij dat hij die niet op
zijn kop had gekregen.)
Van dit stukje fraaie tekst
staat een alinea verder naar beneden de (Zuid)Afrikaanse vertaling van 2002. Die
is overgenomen uit een boekje dat ik tijdens een werkbezoek aldaar van een
bevriende collega kreeg. Het toont voor de zoveelste keer aan hoe prachtig,
beeldend en grappig tegelijk het Afrikaans zich leent voor een kinderboek (en
vanzelfsprekend niet alleen daarvoor).
Het jy op my kop gedinges? vra hy vir die koei wat
besig is om te herkou.
Ek? Nee, nog nooit. Myne lyk só! antwoord die koei.
(En-sjloep-sjlap-plerts daar n groot bruingroen
pannekoek vlak langs die molletjie in die gras neer. Sjoe! Was hy bly dat was
toe nie die koei wat op sy kop gedinges het nie!)
Het meest getroffen ben ik
door het woord gedinges. In plaats van het alles verklarende Nederlandse
gepoept geeft de Afrikaanse bewerking de voorkeur aan een versluierend
gedinges. Om het raadsel op te lossen moet je het hele verhaal lezen. De
kleine mol wil precies weten wie er op zijn kop je weet wel, eh dinges, gedinges heeft.
Eh dinges is trouwens een staande uitdrukking uit de koker van
Marten Toonder. Deze heeft het als stopwoord meegegeven aan de fameuze
kunstschilder Terpen Tijn toen deze een portret van Heer Ollie B. Bommel
schilderde dat, toen het klaar was,bij
de afgebeelde niet bijzonder in de smaak viel.
De moraal van dit verhaal?
Geen, behalve de opvatting mijnerzijds dat je de waarde van voorlezen niet
genoeg kunt beklemtonen. Dat vindt Yoeri Mulder ook. En niet alleen tijdens de
Nationale Voorleesdagen of de Boekenweek.
Bron: Werner Holzwarth/Wolf
Erlbruch: Die storie van die molletjie wat wou weet wie op sy kop gedinges het.
(Kaapstad: Human & Rousseau, 2002)
Natuurlijk weet ik nog wat
mijn eerste leesboekje was. Hoe het heette, van wie ik het kreeg, wanneer, bij
welke gelegenheid en wat ik ervan vond. Voordat ik u dat met alle respect aan
uw neus ga hangen, moet ik zeggen dat ik, voor zover mijn geheugen reikt,
altijd tussen boeken heb geleefd. En ook al kon ik nog niet lezen, ik herinner
mij de klimpartijen in de boekenkast van mijn vader naar de tweede en derde
plank waar de plaatjesboeken lagen. De kunstboeken met onbekende Duitse grootheden
als Liebermann en Klimt, de boeken over de landen en volkeren van dit aardrijk
(in zes delen bij elkaar geschreven en van plaatjes voorzien door een zekere
J.A Hammerson) en natuurlijk de talrijke geschiedenisboeken, zoals daar was het
tweedelig Huiselijk en Maatschappelijk Leven
onzer Voorouders, door de hooggeleerde H. Brugmans en in 1915 bij Elsevier
te Amsterdam uitgegeven. 1915! en tot op heden nauwelijks verouderd! (Maar dat
kan natuurlijk ook aan het onderwerp liggen.)
Maar laat ik mij terugbegeven
naar de oorspronkelijke vraag en geen zijpaden bewandelen. Mijn eerste boek
heette: Het avontuur van de wonderkippen
en den bozen houthakker. De schrijver was een zekere K.B. Kok. Het boekje
kwam van Bruna uit Utrecht. In welk jaar kan ik u niet meer zeggen omdat wij de
harde voorkaft en enkele begeleidende eerste (titel)bladzijden zijn
kwijtgeraakt. Het boek handelde over vier kippen, te weten Mie, Rie, Pie en
Sophie (uit te spreken als Sop-hie) die slim voorkómen dat een boze buurman hen
met een hakbijl een verder leven onmogelijk maakt. De beschrijving van de
kippen vond ik zeer amusant. Die van de buurman met zijn hakbijltje minder.
Mijn uitgesproken favoriet
uit mijn eerste leesjaren was echter zonder enige twijfel de geschiedenis van Bolke de Beer. Geschreven door A.D.
Hildebrand. Door het grote succes onder meer gevolgd door Bolke de Beer en Dorus Das en De
zoon van Bolke de Beer. Ik heb het niet goed bijgehouden, maar ik denk dat
het boekje Bolke en zijn
betachteroverkleinzoon Bolletje nu aan zijn 23ste druk toe is.
Hoe heb ik niet genoten van Bolke, woonachtig op de Veluwe, die zijn berenzusje
ontvoert uit het circus dat toevallig Apeldoorn aandoet! En dan het meereizen
met Bolke naar De Harz waar volgens iemand van de krant nog echte beren in het
wild leefden! Hoe spannend was daar de eerste ontmoeting van Bolke met Katja,
zijn latere eega!
Bijna al mijn kinder- en
jeugdboeken heb ik bewaard. Misschien vindt u het kinderachtig, maar ik mag er
graag in bladeren en weer eens een paar bladzijden lezen. En dan maar denken
wat je dacht toen je het boek voor de eerste keer las.
Heeft het papieren
(kinder)boek nog toekomst? Of zijn we binnenkort allemaal behalve aan de
smartphone en de i-pad overgeleverd aan het e-book en de e-reader? Voor mij
haalt niets het bij het papieren boek met de lekker ruikende drukinktletters en
de prachtige kleurenplaten.
Maar het gaat natuurlijk
vooral om de inhoud. Die moet kloppen: spannend, ontroerend, ontregelend,
interessant, leerzaam, opbeurend, wat u maar wilt, zijn. Dat geldt ook voor
kinderboeken. Dat geldt vóóral voor kinderboeken. Want met lezen kun je niet
vroeg genoeg beginnen.
Vandaag, deze derde februari,
regent het katten en honden (zoals de Engelsen zeggen). In plaats van dat het -
gelet op de datum - vriest dat het kraakt, regent en mist het voortdurend.
Sommige vogels komen niet meer buurten op mijn voederplankje, maar zijn bezig
bij het plaatselijk reisbureau een nestplaats te reserveren waarna zij op zoek
gaan naar een geschikte partner.
Vandaag een week geleden
maakte men zich op voor wéér een toertocht. Een reis per schaats over bevroren sloten,
meren en kanalen, van de ene stempelplaats naar de volgende koek-en-zopietent.
Je ziet goed ingepakte slierten van duizenden toertochtrijders door het
landschap glijden, op hoge of lage noren, van enige spijs en drank voorzien, goed
gemutst, met vrolijke ogen en rode neuzen. Je hoort de krassende
schaatsgeluiden en hoort de mensen tegen elkaar zeggen: geniet van het ijs,
maak een toertocht, benut nog vlug deze gelegenheid, want morgen dooit het.
Schaatsen hebben we hier in
de lage landen altijd gedaan. Zolang die lage landen bestaan en het door- en
overstromende water bevriest. Aanvankelijk op benen botjes, later op Friese
doorlopers met van die onmogelijke teen- en hakleren en dito linten om ze onder
je schoenen te binden. Als kind - achter een stoel of gesteund door je vader -
op wiebelende voeten lopend en glijdend. Tot je de slag te pakken had. En
wanneer dat het geval was, was je voor je hele leven onder de pannen. Immers:
wie eenmaal heeft leren schaatsen leert het nooit meer af.
Dit jaar verliep alles iets
anders. De winter duurde maar veertien dagen en voordat het ijs dik genoeg was
om al die duizenden toertochtrijders te dragen waren er van die veertien al
tien dagen voorbij. Iedereen zei dus: profiteer ervan nu het nog kan!
Het gevolg was dat er zoveel
toertochtrijders op kwamen draven dat er op de meren en plassen files
ontstonden. En het gevolg dáárvan was weer dat mensen van het ijs weggestuurd
moesten worden omdat het te gevaarlijk werd. Maar niet getreurd! Want daar komt
over de dijk een tractor aangereden met een lange aanspan die je meeneemt naar
de finish. Winter 2013.
hieronder: ijspret anno 1677 (Avercamp), 1935 (Amsterdam-Noord) en 2013
Situatie 1: Op een koude
februari-avond fietst Jannes de Kluinder langs het kanaal wanneer plotseling de
bestuurder van een auto die van de andere kant komt de macht over het stuur
verliest waardoor de auto te water raakt. Jannes de Kluinder aarzelt geen
moment: hij gooit zijn fiets aan de kant, springt in het ijskoude kanaal en
bevrijdt de bestuurster (mevrouw Jansen-Grijsoord) uit haar hachelijke positie.
Situatie 2: Op een koude
februari-avond steekt Betty Jansen-Grijsoord al vroeg de open haard aan waarna zij
zich voor de tv zet om naar haar favoriete programma Voice of South Holland te gaan kijken. Anderhalf uur en vijf
reclame-onderbrekingen verder ziet zij dat haar favoriet Johnny the Clover
(artistennaam voor Jannes de Kluinder) de finale wint.
Sommige woorden verliezen in
de loop van de tijd hun oorspronkelijke betekenis. Daar is op zichzelf niets op
tegen: de taal is altijd in beweging. Nieuwe woorden komen en oude versleten
uitdrukkingen verliezen hun betekenis en verdwijnen uit het gezichtsveld. Toen
ik eens in Suriname iemand een bosje bloemen gaf, sprak zij over een 'ruiker
bloemen'. Maar wie weet tegenwoordig nog wat een ruiker is?
Sommige andere woorden verschuiven
hun betekenis. Beter gezegd: zij verbreden hun betekenis. Neem bijvoorbeeld het
woord 'held' Vroeger was een held iemand die met gevaar voor eigen leven het
leven redde van iemand anders. Iemand die een oud vrouwtje uit een brandend
perceel haalde was een held. En terecht. Tegenwoordig is iedereen die een beetje opvalt een held.
Jannes de Kluinder uit
situatie 1 is een echte held. Dit in tegenstelling tot zijn naamgenoot in
situatie 2. Want wat die laatste doet heeft niets met gevaren voor eigen leven
te maken. Dat hoop ik althans. Maar iedereen noemt hem wél een held!
Zo is het: elkeen die maar
een beetje (zeg maar rustig: een klein
beetje) bijzonder is, noemen wij tegenwoordig een held. Zelfs de nationale
figuren uit onze geschiedenisboekjes. Hieronder ziet u vijf nationale
Nederlandse helden die zich voor deze gelegenheid in een batman-achtige
uitrusting hebben gestoken. Aan u de eer (en voor de zeer geachte Vlaamse
lezeressen en lezers een uitdaging) om deze geschiedenishelden met naam en
toenaam te noemen. Als u meedoet moet u even de volgende alinea overslaan, want
dáár staan de antwoorden.
Prins Willem van Oranje - 1533-1584
(commentaar overbodig, want die kent iedereen)
Willem Drees - bekend
PvdA-staatsman en grondlegger van de AOW waarbij je van Drees trekt
Thorbecke - beroemd Nederlands
staatsman uit de negentiende eeuw
Johan Cruijff - eminent
voetballer en zakenman
Michiel A. de Ruijter -
admiraal en draaier aan een groot wiel
Kijk, dat bedoel ik. Niemand
zal ontkennen dat de vijf getoonde Nederlanders van eminent belang zijn geweest
voor de samenleving in onze lage landen aan de zee. Maar noemen wij deze
eerbiedwaardige personen 'helden'?
U mag het zeggen want de
Nederlandse taal richt zich naar degenen die haar uitspreken en gehoorzaamt
hen. U hebt het voor het zeggen. En niet andersom.
Nu ik u dit schrijf,
schrijven wij 21 december: de kortste dag van het jaar. En omdat het vandaag
zwaarbewolkt is en miezert, blijft het praktisch de hele dag donker. Veel
mensen hebben een hekel aan het donker. Ik niet.
Bijna integendeel: het donker
is mijn vriend. Lichtelijk overdreven natuurlijk, maar toch met een kern van
waarheid. Als u mij op een koude, pikdonkere winteravond met nieuwe maan vraagt
om de krant uit de brievenbus te halen, waarbij u moet weten dat deze bus tweehonderd
meter verderop aan de grote weg staat, dan straft u mij daarmee niet. Althans
niet met de duisternis an sich. Ik
weet de weg en vind ook zonder een hand voor ogen te zien vlug en soepel het
juiste pad. Sterker nog, ik geniet ervan zo in het donker mijn weg te gaan.
Natuurlijk begrijp ik dat
velen de duisternis associëren met zaken als angst, afschuw, schrik,
bedreiging, leed en ellende, ziekte en dood. Even vanzelfsprekend vind ik het
dat velen niet meer in het donker over straat durven gaan, omdat aan alle
kanten onheil schijnt te dreigen. Toch is dit op mij persoonlijk minder van
toepassing. Natuurlijk verkies ik het licht boven het donker. En ik ben ook wel
eens erg bang geweest ín het duister,
maar ik heb nooit geen angst gekend vóór
het duister. Het heeft waarschijnlijk te maken met een karaktereigenschap die
zich al in mijn vroege jeugd heeft ontwikkeld.
Ik denk dat ik om en nabij
vijf, zes was. Ooit heb ik toen een flard van een gesprek opgevangen dat mijn
moeder had met een bezoekende vriendin. Het ging over mij, daardoor staat het
gebrand in mijn herinnering. Het is een aardig kereltje, zei Ma, jammer
alleen dat hij zo ontzettend driftig kan worden.
U kent misschien ook wel de
emotie die je overvalt wanneer je denkt dat jou onrecht wordt aangedaan, wanneer
je je zin niet krijgt, wanneer anderen voor hun beurt gaan terwijl jij toch aan
de beurt was, en u voelt al wat dan komt. Een laaiend gevoel dat vanuit je
lendenwervels via je ruggenmerg opstijgt naar je hoofd en culmineert in je
kleine hersenen waar de emoties zetelen. Je wordt tegelijk bloedrood en
witheet, verblindt totaal, en slingert alles wat toevallig voor de hand ligt
door je schootsveld, zodat iedereen dekking moet zoeken. Als het met mij weer
eens zo ver was dat ik met vorken en lepels ging smijten of een kleerhanger
doormidden brak, ging mijn moeder over op rigoureuze maatregelen. Zij schakelde
de duisternis in. Ofwel: ze sloot me op in een pikdonkere kast.
Het was een ingebouwde
muurkast op de eerste verdieping, aan het eind van de overloop. Er hing een
penetrante geur van mottenballen omdat de wintercollectie er werd bewaard. Her
en der stonden zakken en dozen met spullen die elders in de weg lagen. Op de
grond een stuk zeil, geen lap stof om een schip over het water te verplaatsen,
maar een stuk vloerbedekking met die onmiskenbare boengeur. Vertel mij niets,
ik weet er alles van. Bij een driftbui deponeerde Ma mij in de kast en sloot de
deur. Potdicht, maar niet op slot. Een dikke duisternis overstelpte mij, want
de kast had geen enkele relatie met de buitenwereld. Elke twee minuten kwam Ma
vragen of het over was en na een keer of vier was dat zo. Dan werd je
vrijgelaten met het verzoek om je in het vervolg beter te gedragen. Daar in die
pikdonkere kast, zittend op het zeil, met mijn rug tegen de muur, werden het
donker en ik vrienden.
Nu begrijpt U waarschijnlijk
ook hoe het komt dat ik het wel eens jammer vind dat je bijna nooit meer kunt
spreken van een complete duisternis. Want er is, ook bij ons in de afgelegen plattelandsgebieden,
geen minuutje in een etmaal dat het écht donker is, ongeacht het jaargetijde,
de weersgesteldheid en de toevallige stand van de maan. Ergens is er altijd en
overal wel een lichtpuntje dat met de beste bedoelingen de reiziger lichtend
helpt om veilig en gezond weer thuis te komen.
Soms kan ik s nachts de
slaap niet vatten. Dan sta ik op, loop zonder een lampje op te steken naar
beneden om daar mijn zonden te overdenken. Als ik door het keukenraam kijk, zie
ik op hemelsbreed driehonderd meter afstand om drie uur in de nacht een heldere
straatlantaarn die niemand bijlicht. (De kleine foto beneden.) Het licht is zo sterk dat je praktisch de
krant kunt lezen en niet bij wijze van spreken. De enige manier om de
vriendschap met het donker te onderhouden is je ogen te sluiten. Zo ver zijn we
van het duister vervreemd.
Na de kortste dag is het
spoedig Kerstmis: het feest van het licht. Daarom sluit ik afmet u prettige kerstdagen te wensen. Met
licht in de duisternis.
Iedereen kent de beroemde graficus M.C. Escher.
Iedereen kent ook Eschers meest beroemde driedelige houtsnede, die van de Metamorphose (II) uit 1939. Een summiere
beschrijving volstaat om te zeggen: o die, ja natuurlijk ken ik die. Een lange
(4 meter)
houtsnede met aan de uiterste linker- en rechterkanten het woord METAMORPHOSE.
Gaande van links naar rechts of omgekeerd zie je de vormen veranderen. Vissen
worden vogels worden reptielachtige dieren worden bijenraten worden velden op
een schaakbord worden huizenblokken worden
Als ik het moet zeggen, ik
ben tamelijk dubbelhartig in mijn opvatting over Eschers werk. De ene ziel in
mijn borst geniet van de sublieme, vernuftige en mysterieuze veranderingen in
het spel van lijnen en vormen. Mijn andere kant wordt er kregel van. Het is te
gezocht, te bedacht, te mooi om waar te zijn. Geef mij dan maar een simpel,
eerlijk landschapje met grazende koeien waarnaar je alleen maar hoeft te kijken
en waar je niets bij hoeft te denken.
Onlangs zat ik een boekje te
lezen met beschouwingen over het werk van Escher toen ik bedacht dat er ergens
bij ons op zolder nog een grote reproductie van dezelfde hand moest liggen.
Niet die lange, smalle metamorphose,
maar een andere beroemde. De daad bij het woord voegend en gewapend met een
zaklantaarn toog ik naar boven om te gaan zoeken tussen de talloze dozen en
zakken met spullen die je goed beschouwd al lang met het vuilnis had moeten
meegeven.
Ergens onder het schuine
afdak, overdekt met een stoflaagje dat glinsterde in het lamplicht vond ik mijn
bewaarmap. Zon grote grijze waarin je al je verzamelde reproducties bewaart
voor het nageslacht. Ik bukte mij om de map tevoorschijn te halen en open te
doen. Wat er toen gebeurde tart ieder voorstellingsvermogen.
Een klein sierlijk diertje
(salamander, hagedis?) was bezig de reproductie van Eschers Reptielen binnen te
wandelen. Op deze litho zie je reptielen zich losmaken van het papier waarop
zij zijn getekend. In een lange rij bewandelen zij vervolgens een route via een
dierkundeboek, een driehoekig plankje, een veelvlakkige bol, een koperen bakje
met sigaren en een Zwaluw-lucifersdoosje met het waarschuwend opschrift
Säkerhets Tandstickör terug naar het papier waar zij tot stof wederkeren om
even later een hernieuwd rondje te maken. Naar kenners beweren onovertroffen
getekend, niet zonder humor in beeld gebracht, en voorzien van een aantal
symbolische elementen waarover wij ons hoofd kunnen breken omtrent hun
betekenis. Het was duidelijk wat het oogmerk van het bezoekende reptiel was:
het wilde ook eens ervaren hoe het is om zon rondreis te maken.
Drie mogelijkheden dienen
zich aan.
(1)Een reptiel uit de rij zegt: Ga je gang, ritsen
toegestaan, houdt in en maakt plaats in de rij.
(2)De dieren in de rij herhalen ter plekke hun belofte dat
zij nooit en te nimmer een ander dier in hun rij zullen toelaten.
(3)Het bezoekende reptiel wacht rustig aftot iemand uit de rij even niet goed oplet en
per ongeluk een gat laat vallen dat hij vlug en handig al tussenwringend opvult.
Hoe het afloopt, kan ik u
helaas niet vertellen. Ik zou het wel kunnen, maar zoals bij iedere Escher moet
er wat te raden overblijven.
Bron : M.C. Escher: Reptielen
(1943) Litho, 334*386
U mag het
best weten: ik kijk weinig tv. Dat komt niet alleen omdat ik door al dat
geschrijf weinig tijd en energie kan spenderen aan de publieken of commerciëlen,
hoewel dat zeker een rol speelt. Het komt ook omdat ik in de tijd gezien mij
steeds minder blijk te kunnen concentreren op één bepaald iets. Een reportage,
een speelfilm, een documentaire. Zaken waar ik vroeger voor thuis bleef;
waarbij de tijd scheen stil te staan. Tegenwoordig kan weinig mij meer echt en
vooral langdurig boeien, zelfs bij
een fantastische pot voetbal dwaal ik na een kwartier af en zap naar iets anders dat evenmin mijn
aandacht kan vasthouden. Eerst dacht ik dat het aan het tv-aanbod lag, dat zou
immers kunnen, maar hoe langer hoe meer moet ik toegeven dat ik zelf de
schuldige ben. Ongedurig, dat is het woord. Er is echter één programma dat ik
zelden oversla. Dat is het onvolprezen Kunst en Kitsch.
Het meest
geniet ik van de van het tv-scherm afdruipende hebzucht van iemand die een
Delfsblauwe aardewerken kom met een Chinees tintje heeft meegebracht en nu
alleen maar één ding wil horen, namelijk de onvervangbare waarde die op de
erfgenamen (meestal het kinderengebroed) afkomt. Alle andere belangwekkende
informatie die de ter zake deskundige prijsgeeft, kan mevrouw Clarisse gestolen
worden. Zij wacht slechts op het ultieme, door Nelleke van der Krogt subliem
opgebouwde spannende moment dat bekend gemaakt wordt voor hoeveel euro het
kommetje verzekerd moet worden.
Spannend
is ook het advies van de vriendelijke meneer van de klassieke schilderkunst
vanaf de Gouden Eeuw tot en met Louis Quinze die steevast oppert om eerst maar
eens te beginnen met een schoonmaakbeurt. Het doek is namelijk vergeven van
stof, roet, sigarenrook en overig CO2-vergif dat zich met graagte aan het
vernis heeft vastgemaakt. Ziet u het vóór u? Hij pakt een wattenstaafje en
strijkt daarmee, nadat hij het stokje bevochtigd heeft met een of andere terpentinale
geheime vloeistof, over een hoekje van het schilderij. En zie daar: eeuwen
geleden geschilderde details worden plotseling weer zichtbaar!
Nu wil
het geval dat mijn kunstzinnige jongste broer mij enkele jaren geleden een op
een kunstveiling opgeduikeld schilderij liet zien. Ongesigneerd, bedekt met het
stof der eeuwen en voorstellende een (dienst)meisje dat zich in de lommer van
de klimroos, die zich zo mooi achteloos langs de muur naar boven begeeft, heeft
neergezet teneinde even wat slaboontjes af te halen. Het kan nog net voor het
donker wordt, schijnt ze te denken. Aan haar voeten scharrelt een toom kippen
op zoek naar iets eetbaars, want zoals iedereen weet gaat een kip nooit met een
lege krop naar bed. Het lijkt een lauwwarme zomeravond, maar de schijn kan
bedriegen, want kronkelt daar niet een sprankje rook uit de schoorsteen?
(Scroll voorzichtig even naar beneden, naar het bovenste plaatje van de twee,
dan begrijpt u wat ik bedoel.)
Met mijn
lekenoog zie ik dat bijna alles aan dit schilderij aanleiding is om het bij het
grof vuil te zetten. De lijst ontbreekt, en wat erger is, daar waar vroeger
waarschijnlijk een lijst gezeten heeft is overal langs de rand de complete
verflaag verdwenen. Met huid en haar afgebladderd. Ook elders in het beeld
dreigen stukjes verf van het doek af te vallen, daarbij stukjes voorstelling
meenemend.De schaduwpartijen zijn
bruin, grijs en grauw en het lijkt mij sterk dat dát vanaf het begin de
bedoeling van de onbekende schilder is geweest.
Maar kijk
nou eens goed, zeg ik tegen mijzelf. Zie je niet dat hier een meester aan het
werk is geweest? Je moet kijken naar de details die ertoe doen. Hoe fijn is
niet het meisje geschilderd! En die klimroos: fabelachtig, om maar helemaal
niet te spreken van de manier waarop de kippen en de haan zijn geschilderd. In
mijn ogen is dit een klein meesterwerk, en wanneer u zegt dat dit dan een
kwestie is van mijn slechte ogen, dan trek ik mij daar niets van aan.
Laten we
het advies van de vriendelijke Kunst &Kitsch-deskundige opvolgen en om te
beginnen proberen het schilderij schoon te maken. Maar hoe doe je dat zonder iets
te beschadigen? Begin er niet zelf aan, zegt de deskundige, maar laat dat tegen
een kleine vergoeding (droog brood bijvoorbeeld) doen door een expert. Maar dat
moet je niet tegen Terra zeggen, want dat is zijn eer te na.
Dus zocht
ik diverse bronnen (boeken, paperassen, internetsites) naar hulp. Over hoe je
een klassiek olieverfschilderij moet schoonmaken blijken bibliotheken gevuld te
kunnen worden. Sommige betweters zweren bij het wattenstaafje met spuug (spi-je zeggen wij in ons beeldend
dialect), anderen gebruiken een halve doorgesneden rauwe aardappel. Een
enkeling beweert bij hoog en bij laag dat niets beter helpt dan roggebrood dat
je eerst tussen je vingers tot een soort stopverf hebt gekneed. Het schijnt de
kunst te zijn de bovenste laag vernis, en daarmee alle in de tijd opgelopen
viezenis te verwijderen. De moeilijkheid is uitsluitend
de vernis en niet de verf zelf aan te pakken.
Met gedenatureerde96procents alcohol en een wattenstaafje heb
ik een poging gewaagd. Het is helemaal niet onmogelijk dat er nu iemand in het
land opstaat en mij toevoegt: dat had je nu juist níet moeten doen. Had maar
(en dan volgt een ander huismiddeltje) gebruikt. Na het schoonmaken heb ik het
schilderij weer voorzien van een vers vernislaagje dat de beeldschone beeltenis
beschermt tegen weer en wind. Bovendien heb ik het schilderij voorzien van een
nieuwe lijst. Helemaal beneden ziet u het resultaat. De bovenste afbeelding is
een scan van het grootste gedeelte van het schilderij. Het tweede plaatje is
een uit de hand genomen foto. Ik heb geprobeerd alles zo natuurgetrouw op uw
computerscherm te projecteren, zodat u het verschil kunt zien.
Het grote
voordeel van zon grote schoonmaak is dat je iedere vierkante centimeter van
een schilderij grondig leert kennen. Al onder het schoonmaken vallen je dingen
op die je eerst helemaal niet bemerkt had. Zoals die mooie ronde hoepeltjes om
de duigen van de Jan Huygen-ton. Het nadeel is dat je weer vijfentwintig jaar
moet wennen aan de nieuwe aanblik.
Het
schilderij? Mooi is het en mooi blijft het. Net als K & K.
Mannen, zo zegt de
overlevering die ik tot voor kort zonder veel mitsen of maren voor waar heb
versleten, zijn van oudsher jagers en vissers. Daartoe bevaren zij de visrijke
wateren in de buurt van de Doggersbank of trekken jachterig door de bosrijke
dreven van de Kaukasische driehoek. Beide, wat ik zou willen noemen
lichaamsoefeningen, hebben geen of weinig sportieve waarde. Wil iemand de jacht
als een sport betitelen, dan kan dat natuurlijk, maar niet nadat men het hert,
de haas en/of het wilde zwijn eveneens van een dubbelloops jachtgeweer heeft
voorzien inclusief munitie, in dit geval hagel. Desnoods hagelslag. Voor de
visserij kunnen we eenzelfde redenering ophangen. Geen enkele vorm van visserij
is sportief, in ieder geval niet vanuit de vis bezien. Of het nu de Groenlandse
walvis, de zoute haring of de zalm met een kleine letter betreft.
Volgens dezelfde, door
sommigen als achterhaald betitelde overlevering deden vrouwen niet aan sport.
Zij werden geacht te zorgen voor de voedselwinning en voor de verwerking
daarvan tot eetbare waar. Vrouwen in de oudheid zorgden voor het zaaien en het
maaien, zij oogstten (met dubbel t) en transformeerden die oogst door middel
van kook- en braadactiviteiten in voedzame en smakelijke gerechten. In de
herfst waren zij het die bramen en paddenstoelen verzamelden en het waren (dezelfde)
vrouwen die tegen het einde van het jaar voor Sinterklaas speelden en drie
weken later de kerstboom optuigden. (Of is het optogen?) Mannen kwamen pas
terug van hun jachtige visserijen wanneer zij veronderstelden dat de vrouwen
intussen het meeste werk al wel zouden hebben gedaan, zodat zij thuis meteen
aan tafel konden.
Soms dwingt het zien van een
afbeelding je tot een innerlijke gedachtewisseling. Je bent immers tot in je
haartoppen geconditioneerd en gehersenspoeld. Het is je met de paplepel
ingegoten: mannen doen aan sporten als jagen en vissen en vrouwen koken de pot
en voeden kinderen op. Dat is de rolverdeling zoals wij die kennen en in stand
proberen te houden. Het zijn twee tamelijk recent aan het licht gekomen lichtbeelden
die aanleiding geven tot een heroverweging. Tenminste, als zij de waarheid en
niets anders dan de waarheid weergeven. Aan het eind van deze bijdrage staan de
plaatjes afgebeeld die mij in verwarring brengen.
De eerste, bovenste,
afbeelding laat zien waartoe een vrouw in staat is wanneer de man haar toestaat
sportieve prestaties te verrichten. Op professionele wijze, dat spreekt vanzelf. Dus om brood op de plank te verkrijgen. U ziet meteen dat zij erin slaagt het
houten balletje door het ijzeren poortje te slaan, wat trouwens ook de
bedoeling is. U ziet dat, ook al bent u volslagen a-sportief en een volkomen
ignorant als het gaat om kennis van en ervaring met het edele croquetspel. Zet
een aantal boogjes en poortjes op een grasparcours, geef een viertal vrouwen
ieder een hamer en een houten bal-om-te-meppen, en u zult versteld staan van de
sportieve prestaties die hier worden geleverd. Sterker: ieder vrouwenteam dat u
op de been brengt is in staat een vergelijkbaar mannenteam te verslaan. Dat déze mevrouw professioneel bezig is ziet men meteen aan de kleding.
Het tweede beeld is zo
frappant dat ik eerst eens goed door mijn ogen moest wrijven om de waarheid
onder die ogen te kunnen zien. Wij zien een vrouw aan het werk die op
wonderbaarlijke wijze sport en broodwinning combineert. Met een zogenoemde negenoog of rivierprik als aas aan de haak vist zij op tarbot. Jawel tarbot, een platte platvis, aan de ene zijde wit (de
onderkant), aan de andere kant versierd met een schutkleur. Groot, zwaar en berstensvol
eiwitten, vitamines en andere gezondhouders. Wij kunnen helaas niet zien of deze
dame beet heeft, maar haar houding en allure wijzen erop dat het in elk geval niet
lang meer zal duren of het is zover.
Beide voorstellingen zijn op
treffende wijze gemaakt aan het begin van de vorige eeuw. Zij zijn afkomstig
uit een wat wij tegenwoordig een meidenblad zouden noemen: een Duitstalig blad1)
voor jongejuffrouwen. Over het fraaie portret van de tarbotvisserin wordt
nog speciaal gezegd dat het afgebeelde meisje van Nederlandse komaf is.
Het is hoog tijd om onze
vooroordelen bij te stellen en onze rolpatronen te overdenken. Het eerste wat
ik nu ga doen is afbeeldingen zoeken van dames die in de Canadese wouden op
wisenten jagen en vrouwen die op Urker botters annex loggers haring en
kabeljauw vangen. Ze moeten er zijn, alleen heb ik ze nooit willen zien. De mannelijke partners
zijn intussen respectievelijk aan de Canadese afwas of, voor wat betreft de
mannelijke Urker bevolking, bij de Lidl om de wekelijkse boodschappen te doen. (Enkelen blijven thuis en
vouwen daar religieuze folders.)
Misschien hebt u op dit blog in
een van de verhaaltjes wel eens een stukje van mijn hand gelezen over het
verschijnsel dat we aanduiden met de ingewikkelde term synchroniciteit. Dat lijkt inderdaad moeilijk te begrijpen en
ingewikkeld te vatten, maar het tegendeel is het geval. Het is een fenomeen dat
u en ik herhaaldelijk ontmoeten. Het verschil is dat het u niet, en mij wél
opvalt.
Waar gaat het om? Om twee
gebeurtenissen die op zich niets met elkaar van doen hebben, die zich in twee verschillende
contexten afspelen en die vaak op twee verschillende plaatsen op deze wereld
plaatsvinden. Het punt is wel dat zij precies op hetzelfde moment geschieden.
Dat noemen we synchroniciteit: het gelijktijdig plaats vinden van in feite twee
afzonderlijke gebeurtenissen.
Zonder een pakkend voorbeeld
blijft dit verhaal wollig en onbegrijpelijk. Ik voldoe aan uw verzoek en
presenteer u een pakkend voorbeeld. Het is mij ongeveer een maand geleden
overkomen. Ik schilder u eerst even de contexten.
(1) Op een donderdagavond,
pas geleden, het was de 20ste september 2012, dacht ik eraan dat ik de volgende
morgen niet vergeten moest een e-mailtje te sturen aan mijn oudste zoon om hem
te feliciteren met zijn verjaardag. De naam van mijn zoon is Michiel.
(2) Af en toe ontvang je al
surfend over het wereldwijde internet een reclame voor het een-of-ander. Zoals
voor een nieuwe i-pad die de firme Apple ons wil voorzetten. In die reclame zie
je bijvoorbeeld hoe zo'n i-pad ook heel goed als agenda of notitieblok gebruikt
kan worden.
Dit zijn de twee contexten.
Het een heeft niets met het ander te maken behalve dat het in beide gevallen
gaat om een e-mailtje. Maar nu komt het bijzondere waarin beide gevallen op een
niet na te vertellen manier aan elkaar gekoppeld worden.
Op vrijdagmorgen, 21
september is het intussen, zet ik mij om tien uur 's ochtends voor mijn monitor
met de bedoeling om als de computer klaar is met opstarten het eerst een
mailtje te sturen aan mijn jarige zoon. Tijdens dat opstarten en surfen verschijnen
allerlei reclames op mijn monitor. Opvallend is een reclame van Apple voor een
nieuw uitgekomen i-pad die met korting te koop is. Je kunt deze i-pad ook goed
als notitieblok gebruiken, zegt men. En wat zie ik op het begeleidende plaatje?
Een foto van een i-padscherm. Daarop een i-pad met de notitie: vandaag:
Michiels verjaardag!!! Nota bene!
De firma Apple herinnert mij
eraan dat ik niet moet vergeten mijn zoon te feliciteren met zijn verjaardag.
Maar hoe weet Apple dat ik een zoon heb? Hoe weet men dat deze zoon Michiel
heet? En hoe ter wereld weten de Amerikaanse i-padmakers dat mijn Nederlandse zoon
uitgerekend vandaag jarig is? Op deze 21ste september?
Dit nu is een mooi voorbeeld
van synchroniciteit. Heel bijzonder en heel vreemd. Als je er tenminste
gevoelig voor bent. Beslist u zelf: is dit nu toeval of kan dit geen
toeval zijn?
Het meervoud van enkel is
enkels. De enkelen die dat zouden willen ontkennen worden op hun wenken bediend
met een voorbeeld. - Na twaalf jaar eredivisievoetbal en na dertig aanslagen
op mijn enkels hou ik het voor gezien, zei de spits en vertrok met de
noorderzon. - Einde citaat.
Enkel of dubbel, wat maakt
het uit. Je hebt dubbele begonias en dubbelblind onderzoek. Enkel de
aangepasten overleven, zegt de darwinist optimistisch. Dit quiltje is
provisorisch vastgezet met een enkele steek, zegt mijn eega. Enkel en dubbel
hebben beide recht van bestaan. De enige dubbele die met onmiddellijke werking
moet worden afgeschaft is de dubbele fout bij de tennisservice. Bij geen enkele
andere sport krijg je de gelegenheid een verprutste eerste opslag nog eens
dunnetjes over te doen, zelfs niet bij rugby of waterpolo. Onbegrijpelijk conservatief gedrag
van de Old England Club, maar economisch wel te verantwoorden. Want een dubbele
fout garandeert in ieder geval waar voor je geld, althans in tijd gemeten.
Niemand gaat met een vrolijk gezicht naar huis wanneer een potje tennis al na
twintig minuten klaar is met veertig aces en geen enkele dubbele fout (want die
hebben we immers afgeschaft), terwijl de toegangsprijs onverminderd eveneens veertig
euro betreft.
Een heel apart geval is de
enkel/dubbel-discussie bij bloemen en planten. Ik heb er weinig verstand van,
maar wel veel oog voor. Vaak vind ik dubbele bloemen een typisch staaltje van
als het veel is, is het goed. Terwijl het spreekwoord terecht luidt: niet
het vele is goed, maar het goede is veel. Een dubbele geranium wordt protserig
door haar overdaad en hetzelfde geldt voor onze klaprozen die nu overal om ons
huis in twee dagen tijds hun schoonheid laten zien. Kijkt u zelf hoe oneindig
veel mooier een enkele klaproos is vergeleken met zijn dubbele naamgenoot. Tenzij
u er anders over denkt.
Wij hebben in onze
woon/zit/leefkamer een nieuwe tafel. Dat is natuurlijk geen wereldschokkend
nieuws, ware het niet dat de tafel op een bijzondere manier tot stand gekomen
is. Een manier die zelfs hoogwaardigheidsbekleders deed opkijken!
Het verhaal begint met een
oude boom, een es, achter onze boerderij, die ten gevolge van ruilverkavelingen
en andere misères het loodje heeft moeten leggen. Nu is de es een bijzondere
boom, (volgens de oude Germanen zelfs een heilige,) maar dat was niet de reden
dat mijn schoonvader jaren geleden de stam in acht tot twaalf centimeter dikke
planken heeft laten zagen. Lengte drie-en-een-halve meter en zo'n veertig
centimeter breed. Deze planken hebben zeker dertig jaar bij ons in een achterafschuurtje
liggen drogen, totdat wij besloten een al lang geopperd plan te doen uitvoeren:
we laten van dat essenhout een grote tafel maken voor onze huis/woon/leefkamer.
Zo'n tafel waar je zonder van elkaar last te hebben de complete krant opengevouwen
kunt lezen en op zon- en feestdagen met z'n achten kunt aanschuiven om te
dineren.
Dit voornemen is al die
afgelopen jaren niet tot uitvoering gekomen. Totdat een vriend van onze jongste
zoon er lucht van krijgt. Die vriend is in zijn vrije tijd een hartstochtelijk
meubelmaker. Hij biedt aan voor een schappelijk prijsje de tafel wel te willen
maken.
Zo gezegd, zo gedaan. Wij lenen
van de buurman een bestelbusje en sjorren met veel pijn en moeite de lange,
zware brede planken op het dak. In plastic verpakt en goed vastgegespt. Daarna
in een vliegende storm over de autoweg op weg naar de Wageningse fabriekshal
waar onze amateur-meubelmaker z'n werkplaats heeft ingericht.
Enkele weken later bericht de
maker ons dat de tafel klaar is en opgehaald kan worden. En nog weer een paar
dagen later wordt de uit elkaar genomen tafel naar de plaats van bestemming
gebracht, vakkundig in elkaar gezet, waarna wij met rode oortjes van verbazing
en bewondering naar een magnifieke essenhouten eettafel staan te kijken
(afmetingen 2 bij 1 meter en 75 cm. hoog)die vanaf heden onze woon/huis/leefkamer verfraait. We kunnen niet
anders zeggen: de maker heeft eer van zijn werk. Op een foto ziet u hoe mijn
jongste zoon en hijzelf bij een kopje koffie aan een keukentafel napraten over
de gang van zaken. Let u even ophet
gezicht van de maker, rechts.
Want dat gezicht ziet u ook
op de laatste foto, samen met dat van onze nu demissionaire minister-president
Mark Rutte en de rector-magnificus van een Nederlandse universiteit. Ik wed dat
zij net als wij met bewondering en verbazing naar onze nieuwe tafel staan te
kijken.