Redactie
Medjugorje België en Nederland
Chris De Bodt
(1958 - 2012)

medjugorjebn@gmail.com

Patty De Vos
Kasteelstraat 81
9180 Temse
België
patty.de.vos@hotmail.com

Dr. Guy Claes
Platanendreef 40
8790 Waregem
België
gclaes@scarlet.be

Henk
Twan Vereecken
Geertrui Schonken
Veerle De Caluwé
Anne Van Der Sloten
p. Alfons J. Smet
Broeder Joseph
Zoeken in blog

Medjugorje 2015 Medjugorje 2014 Medjugorje 2013 Medjugorje 2012 Medjugorje 2011 Medjugorje 2010

 

Voorlopig worden enkel de boodschappen gepubliceerd.
01-04-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Get us out of here!! Hoofdstuk 1. Inleiding
Nicky Eltz en Maria Simma: Get us out of here!!

Hoofdstuk 1. Inleiding

Beste lezer,

Wat u nu gaat lezen is bijzonder interessant. De onbekende wereld spreekt, geeft ons advies, vraagt onze hulp, biedt hulp aan en geeft antwoorden. Het bestaat en het spreekt over het leven, ons leven hier op aarde en de mogelijke gevolgen van ons gedrag. Deze wereld vertelt ons dat nederig, liefdevol, goed, genadevol, vrijgevig en eerlijk zijn niet hetzelfde is als hoogmoed, haat, meedogenloos, verraderlijk en oneerlijk zijn. Bij de dood wordt dit niet vergeten, maar eerder in totale duidelijkheid herinnerd. Niet alleen wordt er over de boete gesproken, of beter gezegd "de zuivering", maar ook over de duur ervan en nog veel meer.

U vraagt zich af: "Is dit mogelijk?"

In de Katholieke Kerk spreekt men van een "overgangsplaats", waarnaar men sedert heel lang verwijst als het "vagevuur". Ondanks de verschillende theorieën is deze plaats steeds heel ernstig genomen. De ziel heeft deze nodig omdat deze enkel zuiver en puur voor God kan verschijnen.

Het wordt ook aanvaard binnen de Katholieke traditie dat bepaalde mensen, met bijzondere gaven, buitengewone ervaringen kunnen hebben met de zielen uit het Vagevuur. Eén ervan is Maria Simma. Het is geen volledig onbekend fenomeen, maar in deze overmatige op rede gebaseerde tijden waarin het gevaar bestaat dat men enkel gelooft wat meetbaar en begrijpbaar is met natuurwetten, wordt het dikwijls moeilijk om hierover te praten, laat staan er in te geloven. Tellen we daar dan nog eens het atheïsme bij, dat deze wereld volkomen verwerpt en gaat voor de volledige "alles-is-nodig-te-meten-mentaliteit," dan wordt het duidelijker dat het hier gaat over een hoogst interessante tekst met een rijke inhoud. Wanneer met daarbij nog eens de stijl neemt van de schrijver die vol is van levendige uitdrukkingen en beeldspraak, met een prikkelende verbeelding bij het stellen van zijn vragen aan de zienster, dan is het een ware vreugde om het te lezen.

En alhoewel ik, als theoloog, aanvankelijk zelf problemen had met de antwoorden, verdwenen alle persoonlijke twijfels die ik had, toen ik persoonlijk Maria Simma mocht ontmoeten. Zij is echt. Haar ogen en gelaatsuitdrukkingen dwingen een diep respect en een gezond vertrouwen af. Wanneer er door de andere wereld gevraagd wordt om voor hen te lijden, aanvaardt ze dit met de meest volle vrijheid. Zij leeft in een diepe vrede.

Maria’s stem overstroomt haar gasten met een ongelofelijk sterk verlangen, zoals de weilanden naar de lenteregen verlangen. Bij haar gasten groeit onmiddellijk de wens om met haar mee te werken en deze te helpen die lijden. Nadat ik met haar gesproken had, voelde ik mij als een jeugdig iemand die vele vragen had en geen antwoorden gevonden had. Op Maria’s advies begon deze jeugdige man te bidden en na dit gebed had hij niet langer tergende vragen, maar vrede en vreugde in het hart.

Beste lezer!

Mijn wens voor u is dat u, door het volgende te lezen, uzelf openstelt voor de wereld aan gene zijde. Zo komt u ook te weten dat ook u kunt meehelpen aan het verzachten van het lijden van uw broers en zussen. Beslis er nu voor met de liefde die geen dood kent en maakt er uw plicht van. Op het einde zult u zeker ontdekken of u iemand bent die gelooft of niet, dat het leven enkel waardig is te leven wanneer men liefheeft en door deze liefde dient.

Vader Slavko Barbaric, OFM
Parochie Medjugorje
Bosnie en Herzegovina

Maria Simma, hier geboren in Sonntag, bracht de meeste van haar achtenzeventig jaren door in onze parochie. Haar bescheiden huis bevindt zich dicht bij de kerk. Voor haar is het erg belangrijk om zo dicht bij de kerk te wonen en zo is het ook normaal dat ze dagelijks de Heilige Mis bijwoont. Zij koestert boven alles de Heilige Mis. Haar religieuze leven wordt bepaald door het gebed, de boete, het herstel en door haar moedige getuigenissen voor het behoud en het verspreiden van het ware Katholieke geloof in éénheid met de Paus. Zij heeft een grote verering voor de Heilige Maagd Maria en maakt dikwijls bedevaarten naar Maria oorden. Haar levensstijl is eenvoudig en nederig.

Mensen met een waar Christelijk geloof en een diepe vroomheid zijn de beste voorbeelden voor de anderen die dan, met hun hulp, op het rechte pad kunnen worden gehouden. Op deze wijze werd Maria dikwijls en nog steeds, [op het tijdstip van het schrijven van het boek] ondanks haar gevorderde leeftijd, door velen geraadpleegd voor advies, voorlichting in het religieuze leven en bijstand in alle soorten omstandigheden. Ondanks dat ze leeft in het kleine Sonntag in Vorarlberg en zonder de aandacht naar zich toe te halen, is ze heel bekend over heel Europa. Vanuit de verste hoeken van de wereld zijn de mensen haar komen opzoeken. Ontelbaar zijn de brieven die zo ontvangt, met een enorme verscheidenheid aan intenties aan problemen en haar vermogen om al deze brieven te kunnen beantwoorden ligt ver buiten haar mogelijkheden. In de meest ware zin van het woord is Maria Simma ook een uitdrager van het geestelijke geloof via de telefoon. Ook hier gebruikt ze vele tijd in het aanhoren van de velen die vragen om advies en dit op elk uur van de dag. Zij spreekt tot hen en leidt hen met de basisbeginselen over Gods ware geloof en het gebed en helpt en troost hierin steeds diegenen die haar opbellen. Gods verspreidt Zijn genaden aan wie en waar Hij dat wenst.

Vader Fridolin Bischof
Parochiepriester van Sonntag sedert 1976
Vorarlberg, Oostenrijk

Tijdens het jaar 1990 bad ik de gebeden van de Heilige Brigitta die werden opgezegd gedurende één jaar. In september van dat jaar hoorde ik voor de eerste maal praten over Maria Simma en haar verbazingwekkende opdracht. Op 30 december 1990 ontving ik haar telefoonnummer van de maatschappij in Wenen, Oostenrijk en daags daarop belde ik voor de eerste keer Maria op en vertelde haar in twee minuten over mijn intenties, waarop zij antwoordde: "Kommen Sie sofort!" Op 1 januari 1991, kwam ik voor de kerk aan, om precies drie uur in de namiddag, na een van de meest frustrerende en uitputtende ritten van mijn leven.

Alhoewel de afstand niet langer was dan 260 kilometer, waarvan minstens de helft op Duitse en Oostenrijkse snelwegen, had ik bijstand nodig van maar liefst vier Wegenhulpinstanties, moest ik twee hevige sneeuwstormen trotseren en verloor ik een ketting die uit elkaar was gesprongen. Aan de andere kant van de wereld slipte mijn vrouw, op hetzelfde uur, terwijl ze op een bekend stuk weg reed, met haar wagen over een stuk ijs en verloor ze de controle over het stuur en tuimelde ze met haar wagen in de sloot, waarbij haar Volvo Sedan volledig vernield werd. Zijzelf hield er geen schram aan over.

In Sonntag ging ik de kerk binnen op het ogenblik dat de aanbidding van het Heilig Sacrament begon. Ik had mij reeds een goed idee gevormd over Maria’s uiterlijk via foto’s uit oudere boeken en dacht haar in de kerk te zullen vinden. Ik ging de kerk binnen en bekeek alle vijftien aanwezige vrouwen, maar zij was er niet bij die dag. De vrouwen, die geleid werden door de priester, baden de Rozenkrans en zongen enthousiast mee tussen de gebeden door. De priester knielde voor de monstrans met zijn rug naar de parochianen. Na het eerste tientje begon hij te spreken en zijn eerste woorden waren: "Klop en er zal worden opengedaan." Ik glimlachte, verliet de kerk en begaf mij steil naar de voet van Maria’s huis, vechtend tegen de tweede hevige sneeuwstorm op die gedenkwaardige dag. En zo was het een beetje na drie uur ’s namiddags toen ik aanbelde aan de deur van Maria en zij riep mij naar boven voor het eerste van de uiteindelijk vele bezoeken. Na mijn verhaal te hebben gehoord, nam zij mij mee naar de voordeur en wees zij naar een andere dorp, zo’n zes kilometer verder, richting zuidwesten, aan de overkant van de vallei van Sonntag. Ginds, naast de kerk, had ze mij uitgelegd, zou ik de enige man vinden van wie ze wist dat hij mijkon helpen. Ik reed weg met veel nieuwe hoop in mijn hart en vond al vlug mijn weg naar het huis van de man.

Vier maanden later keerde ik terug naar Maria als vertaler en chauffeur, met een medewerkster. Ik had eraan gedacht om een diepgaand boek te schrijven over Maria. Daarom kwam ik met een bandopnemer in de hand. Dit was het begin van een ongewild lang pad, vol obstakels, dat zou leiden naar het uiteindelijke boek.

De dag na dat eerste interview met Maria en alvorens de Grosselwalser Vallei te verlaten, gaf een vriendin van Maria, mij een dertig centimeter groot beeld van de Madonna van Fatima mee. Dit was nogal eigenaardig, want niemand van ons had nood aan nog meer Mariabeelden. Tijdens de lange rit die hierop volgde, besloten ik en mijn medewerkster, eveneens zeer geïnteresseerd en actief voor de Arme Zielen, om de Rozenkrans voor hen te bidden en bij deze gelegenheid bespraken wij ook de mogelijkheid om een boek te schrijven. Het was tijdens het bidden van de Rozenkrans dat er zich twee eigenaarde gebeurtenissen voordeden.

Tijdens het rijden vroeg ik luidop: "Wat moeten we doen met deze Madonna die hier op de achterbank ligt?" Binnen de paar seconden kreeg ik luidop te horen: "Geef het aan de eerste vrouw die u tegenkomt aan de rechterkant van de weg." Het was niet mijn passagierster die had gesproken, omdat zij met een vriendelijk schouderophalen reeds haar onwetendheid had uitgedrukt, en toch was het een duidelijk zachte stem die ik aan mijn rechterzijde had gehoord. De stem kwam niet van binnenuit en was niet het resultaat van een normale gedachtenverloop in mijn geest. Het was een vlug en een klaar antwoord. Toen ik dit hoorde bevond ik mij met de auto op een lang, recht stuk weg met kleine bomen die het zicht enigszins over een afstand van zo’n vijftig meter belemmerden. Vijf tot tien seconden na het antwoord, zag ik een oude boerenvrouw aan de rechterzijde van de weg. Ik vertraagde en zei aanvankelijk niets tegen mijn medewerkster. Ik keek naar de vrouw met de zowat nieuwsgierige vraag of het een levende persoon zou zijn of een Arme Ziel. Bijna onmogelijk, maar het was deze vrouw die onze Madonna nodig had! Pas daarop vertelde ik het verhaal aan mijn passagierster en zij schreeuwde het uit: "Keer terug, keer terug!" Ik deed dit vlug en reed opnieuw met, naar beneden gelaten vensters, naar de oude vrouw. Zij zag er zo’n tachtig jaar uit en had maar twee tanden in haar gerimpelde mond. Zij sprak een te sterk dialect voor ons om haar te kunnen begrijpen, maar reikte naar handen naar de Madonna en omhelsde haar terwijl zij tegelijkertijd spontaan begon te wenen en te glimlachen. Zij hield het beeld, als een klein kind die een pop omhelst, zachtjes in haar armen en terwijl we wegreden en wuifden, pruttelde ze nog: "Godzijdank, Godzijdank." Toen draaide ik de auto opnieuw en zag ik haar door de achteruitkijkspiegel naar haar huis strompelen, terwijl ze nog steeds de Madonna op dezelfde wijze koesterde.

We vervolgden onze weg en baden alle vijftien tientjes van de Rozenkrans voor de Zielen in het Vagevuur. Korte tijd later praatten we opnieuw over de mogelijkheid van een boek, gebaseerd op een lang interview met Maria. Toen vroeg ik luidop: "Wat moet de titel zijn, vooral opdat het de mensen van vandaag zou kunnen bereiken? Ik wil niet dat het een gewone titel wordt, zoals God, vergeef me, een titel voor enig ander godsdienstig boek." Opnieuw zei mijn passagierster niets, maar plotseling sprong ze rechtop en riep het uit:

"Ik heb het, ik heb het!"
"U hebt wat?"
"De titel, de titel! U vroeg er zojuist naar, wel hier is de titel!"
"En wat is de titel dan? Vertel het mij!"
"Get us out of here!!"
"Waarom? Wat is er verkeerd?" terwijl ik al aanstalten maakte om uit te stappen en ik in alle richtingen keek.
"Ik bedoel niet uit de auto! Neen, dat is de titel van het boek, stom hé!"

Dat was het zeker! Mijn passagierster had de woorden letterlijk van buitenaf gehoord en voor deze reden voel ik mij verplicht om deze opmerking over deze zo diep toepasselijke woorden neer te schrijven. Enkel na veel nadenken, vele gesprekken en begrijpelijke twijfels, niet in het minst omdat ik nooit over iets dergelijks had geschreven, bleef ik om een bevestiging vragen van God, of het werkelijk mijn doel zou zijn om een boek te schrijven over Maria Simma.

En hoe, kan de lezer zichzelf de vraag stellen, kan de auteur beweren dat het werkelijk zo is gegaan? Ik ging nog dagen door met erover na te denken en bleef steeds zo voorzichtig en nauwgezet als mogelijk. Ik bevond mij al die tijd onder biddende mensen en ikzelf bad ook heel veel. Dan vroeg ik aan een zestal liefhebbende en veel meer ervaren personen uit mijn omgeving, die over mijn project wisten, om hun oordeel. Vriendelijk maar vastberaden wezen al hun antwoorden, over verscheidene maanden, in dezelfde, bevestigende richting.

Hoewel bijzonder zeldzaam, waarbij weloverwogen en ervaringsgevoel nodig is, zijn er onder biddende personen een ware zeldzame, voor het overgrote gedeelte, voorzichtig verborgen personen die, zoals Maria Simma, buitengewone gaven hebben. Onder hen bevinden er zich die de gave van "innerlijk gesprekken" bezitten, wie het toegestaan is om liefdevolle, zachte en altijd beschermende begeleiding van hierboven te ontvangen. Toen ook ik uiteindelijk twee sterke duwtjes, uit twee totaal verschillende innerlijke gesprekken, in mijn geval met de Maagd Maria, in dezelfde richting kreeg, was de eerste stap van het vertrouwen voor het schrijven van deze meest nauwgezette opdracht, gezet.

Maria overhandigde mij het boek dat Vader Alfons Matt, samen met haar, had geschreven in 1968, drie audio-cassettes en sommige van haar gesprekken met de Arme Zielen en de aanbevelingen van de Arme Zielen. Tussen de zomer van 1991 en de lente van 1996 keerde ik zo’n dertigtal keer terug bij haar. Bijna elke keer had ik meer vragen, of zocht ik naar verduidelijking over eerder besproken aangelegenheden.

Het was met Maria’s toelating dat ik met een boekformaat van gesprekken achterbleef en daarom is, wat u nu krijgt te lezen, een samenstelling van een lang geheel aan interviews, die begonnen in de lente van 1991, mijn vele ontmoetingen, evenals optekeningen uit andere bronnen. Begrijp en vertrouw erop dat het met onze wederzijdse toestemming is dat alles zoals hier wordt uitgegeven, omdat niets ander de omstandigheden zo duidelijk weergeeft. Hiervoor danken wij u allen van harte.

Het was reeds op het einde van november 1993 toen er enkele kleine gedeelten uit dit boek werden vrijgegeven. Om er in het bijzonder zorg voor te dragen dat alles wat het boek bevat, de waarheid is, deed ik drie dingen. Eerst vroeg ik achtenswaardige en biddende theologen om alles zo kritisch mogelijk te doorlopen. Tot op vandaag heeft niemand onder hen enige bezwaren te kennen gegeven. Toen nam ik het boek mee naar iemand die "innerlijke gesprekken" doorkrijgt en die ook een uitdrijver is en die alle misleidende, valse en slechte dingen automatisch aanvoelt, wanneer hij erover bidt. Toen hij dit gedaan over "Get us out of here!!" zei hij dat alles zuiver en waar was. Uiteindelijk, om helemaal zeker te zijn, werd het Maria Simma toegelaten om aan een Ziel in het Vagevuur te vragen of alles wat in het boek stond ook de goedkeuring van de Arme Zielen genoot. Het antwoord van de Ziel was: "Er is geen enkel bezwaar." Daarnaast, volledig onafhankelijk van mijzelf en Maria Simma, vervolgde de Ziel: "Alle aanvallen tegen Nicky en zijn familie, gedurende al die jaren, zijn gebeurd omwille van dit boek." In december 1994 en Januari 1995 werd deze procedure opnieuw herhaald en opnieuw waren alle antwoorden goedkeurend. Toen Maria opnieuw aan een Ziel vroeg of alles wat in dit boek geschreven staat, de waarheid bevat, antwoordde de Ziel opnieuw: "Ja, alles is de waarheid."

De lezer kan zich afvragen wat de aanvallen waren, waar de zielen op het einde van 1993 naar verwezen. Hier krijgt de lezer enkel een basisomschrijving van de vele jaren van pijn, chaos en verlies.

Ik was in mijn eigen huis getuige van een zulke enorm hatelijke, kwade, onnatuurlijke en schrikwekkende demonische activiteiten, dat de duivel er in slaagde om mijn benen te verlammen, mijn stem te ontnemen, mijn geheugen te wissen en in een paar seconden mijn shirt nat van het zweet te maken, en dit op een heel frisse avond in februari. Ik leed tot in het binnenste van mijn ziel over de afwezigheid van mijn familie, van wie ik zo onnoemelijk veel hou en voor wie ik mij onmiddellijk zou opofferen als martelaar, indien God mij erom zou vragen. Een echtscheiding en het daarbij horende gerechtelijke oordeel werden "vindingrijk voorbereid," onder zogenaamde "noodtoestanden." Ik was niet alleen mijn hele vermogen kwijt, maar zat eveneens tot 120 procent in de schulden. Dit alles gebeurde tijdens mijn afwezigheid en meer in het bijzonder te Medjugorje. Ik verloor mijn internationale erkende gallerij van antiek geweven kunst. Ik verloor mijn huis, honden en kunstwerken die ik van mijn goede en zachte vader had geërfd en die recentelijk in de Hemel was afgeleverd. Hij werd als mentaal ziek beschouwd, hoewel vier psychiaters getuigden [en dit ook neerschreven] dat er hiervoor niet het minste soort bewijs was. Ik werd tweemaal door de staat onterecht tot een gevangenisstraf veroordeeld, en waarvan ik telkens achteraf volledig ben vrijgesproken, omdat alle aanklachten tegen mij volledige verzonnen waren. Ik werd korte tijd vastgehouden in een Instituut voor Misdadige Gestoorden, waaruit ik vlug werd vrijgelaten toen de hoofddokter ervan openlijk toegaf dat hij de reden niet kende waarom ik daar onder geweld naartoe werd gebracht. Later werd bewezen dat dit laatste een poging was om mij te kunnen vermoorden, onder het mom van "bureaucratie." Ook werden er stukken rots naar mij geworpen door een volledige vreemde. En toch, ondanks al het gebeuren, bleef ik volledig blind en onwrikbaar vertrouwen in mijn familie.

Ik heb diverse reden om wat hierboven staat vermeld zo openbaar te maken.

De eerste is mijn hoop om verder de ongelovigen te kunnen wakker schudden voor de fundamentele waarheden waarover Maria Simma spreekt, omdat alles wat ik heb meegemaakt, al mijn ervaringen en al haar tussenkomsten bij de Arme Zielen bevestigen wat ik zeg.

De tweede is om opnieuw duidelijk en openlijk toe te geven dat het de crisis binnen mijn familie is die ertoe heeft geleid dat ik Maria Simma heb ontmoet en door juist aan te voelen dat mijn vrienden, zowel de levenden als de doden, mij zeker zouden bijstaan. Dit is thans geschied tot op een niveau dat ver boven mijn gezonde verbeelding gaat op dit ogenblik.

De derde is om aan de lezers te vragen om nooit de hoop te verliezen en steeds te blijven volhouden wanneer u grotere of kleinere tegenspoed ontmoet, om alles over te laten aan Onze Lieve Vrouw, in de wetenschap, of u nu in God gelooft of niet, dat alles terug vredevol zal worden rondom u.

De vierde reden is om twee belangrijke en absolute waarheden uit te drukken, zo stevig, dat ze zelfs geestelijke wetten kunnen worden genoemd. Het zijn de volgende waarheden:
  • God beantwoordt Zijn kinderen in die mate dat zij op Hem vertrouwen en het is evenredig aan dit vertrouwen dat Hij door hen kan werken met mirakelen.
  • Voor elke geestelijke aanval van welke aard of hoe groot ook, van de kleinste to de meest onmetelijke, is er niet alleen een oplossing, maar bijkomend een beloning, een genade door God geschonken, die zonder uitzondering, groter is dan de aanval zelf.
Met deze twee waarheden kunt u heel uw leven leiden.

De vijfde reden is het vragen van een klein gebed door diegenen voor wie dit boek zo belangrijk is:

Heilige Moeder Maria,
Lieve Aartsengelen Michaël, Gabriël en Raphaël,
laat door uw tussenkomst, Onze Goede Heer:
de harten van zij die hovaardig zijn, bescheiden worden.
de harten van zij die angstig zijn, versterken,
de harten van zij die lijden, troosten,
de harten van zij die gebonden zijn, bevrijden,
de harten van zij die misleid zijn, verlichten,
de harten van zij die vol van haat zijn, genezen.
Amen.

De Arme Zielen in het Vagevuur smeken ons om hen te helpen en zullen ons beantwoorden met gunsten die ons elke keer zullen verbazen. Tijdens al de jaren, sinds ik voor het eerst Maria Simma heb ontmoet en zelf veel begon te bidden voor de zielen, kan ikzelf bij diverse overige gelegenheden getuigen dat ik ontelbare keren heb ervaren dat de Arme Zielen mij hebben begeleid en bijgestaan in omstandigheden die niet in dit boek staan vermeld.

Hier is er een getuigenis van iemand die vele tientallen jaren meer ervaring heeft dan ik. Dit gebeurde in januari 1994, toen een oudere vrouwenstem mij, een paar minuten voor het ontbijt het volgende zei:

"U begrijpt nog niet hoe dik dit boek zal worden."

Hierin geadviseerd door Maria Simma dat het de Arme Zielen enkel is toegelaten om te spreken met de goedkeuring van Onze Lieve Vrouw en, tegelijkertijd, met de wetenschap in het achterhoofd dat ze enkel de waarheid kunnen vertellen zoals het aan hen op een bepaald ogenblik wordt getoond, zal iedereen van u de bovenstaande zin in vervulling zien gaan. Daardoor zullen de lezers later zelf het besluit nemen of dat wat Maria Simma zegt en dat wat de Arme Zielen zeggen de waarheid is.

Als dit later klaarblijkelijk het geval zou zijn, dan wil dit onrechtstreeks zeggen dat Onze Lieve Vrouw ons en onze families vraagt om dit boek heel ernstig te willen nemen om zo de Arme, Heilige en Gekozen Zielen op alle mogelijke manieren, in dit boek beschreven, te helpen. Vraag dit alstublieft ook aan al uw vrienden, zowel als aan al uw vijanden, om dit boek te lezen, omwille van het beste voor hun families, en op deze wijze eigenlijk ook voor de hele wereld.

Indien er onder u, na dit alles, nog twijfelaars zouden zijn, ook onder de Bijbelse geleerden, of er al dan niet in de Hemel zelf wordt gebeden voor het welzijn van onze overleden broers en zussen, dan verwijs ik vriendelijk naar Mattheus 16: 18-19, en terwijl u nadenkt over deze woorden, die door Jezus zelf zijn uitgesproken, vraag ik dat dit boek, de rest onder u die reeds in Maria Simma vertrouwen, nog dichter tot de werkelijkheid van God en Zijn Moeder zou brengen, want Zij hebben ons boven het onmetelijke lief.

Enkel door met onze harten bij Jezus, door Maria, te zijn, zal er ware vrede zijn in deze gebroken, verwarde en snel voorbijgaande wereld.

Nicky Eltz,
Schrijver van het boek

Dr. J. Paul Pandarakalam

Maria’s ervaringen als zieneres zijn een waardevolle bijdrage tot de studie over de verschijningen en zo dient de volgende uiteenzetting voor het groter belang van zij die het fenomeen verschijningenijverig bestuderen en minder voor de lezer zelf die, op een veel eenvoudigere wijze, reeds de liefde van God heeft ontdekt.

De technologische evolutie heeft bijna de indruk van het idee van een Schepper uitgewist. Wij staan op het punt om ons gevoel voor het hiernamaals en het mystieke te verliezen. De vervreemding van de traditionele godsdienst tijdens de laatste eeuw heeft voor een gedeelte te maken met de verwarring die er is ontstaan door de wetenschappelijke vasthoudendheid aan de evolutietheorieën en de recente verkeerde opvatting dat de menselijke wezens slechts een geheel zijn van een complexe zenuwstelsels. Beide van deze opvattingen pogen het geloof in een leven na de dood af te doen als irrelevant of uit de mode.

Aan de andere kant is er bij de parawetenschappers een steeds groeiende bewijsvorming die ingaat tegen de mening van de sceptici dat er niets is na het vergaan van het lichaam. Boven alles bieden in het bijzonder de recentere wetenschappelijk onderzochte Mariaverschijningen, een fascinerende bewijsvorming om niet alleen in verschillende vormen van onstoffelijke overleving maar eveneens in de geldigheid van de Heilige Sacramenten, het historische bestaan van Jezus Christus, de vrucht van Gods liefde voor alle menselijke wezens, te geloven. Deze verschijningen van Maria en Haar onthullingen verhoogden de spirituele evolutie van de maatschappij en eveneens de aandacht van de mensen voor de Heilige en Arme Zielen, die eveneens een zaligmakende aanschouwing te wachten staat.

Wat er gebeurt na de ontbinding van het menselijke lichaam is een normale nieuwsgierigheid van elk intelligent menselijk wezen. Medische wetenschappers zijn zich ook gaan bezighouden met de doorslaggevende essentie van een onstoffelijk overleven, een onderwerp dat vroeger tot de filosoof, de parapsycholoog, of de theoloog beperkt bleef. In medische kringen gebruikt men dit onderwerp voornamelijk bij het troosten van rouwende families, het helpen van patiënten met zelfmoordneigingen en bij het lopende debat over de euthanasie.

Idealiter zou het onderzoek naar het leven na de dood voordelige resultaten moeten opleveren voor zowel de doden als de levenden en Maria Simma’s ervaringen dienen beide deze doelen: wanneer zij de levenden verzoekt om te bidden voor de Arme Zielen, staan de Arme Zielen ons bij met bewijsmateriaal voor het onstoffelijke overleven begeleiden ze ons eveneens op ontelbare manieren.

"Get us out of here!!" is gebaseerd op Maria’s ervaringen over meerdere tientallen jaren en haar ontmoetingen met de Arme Zielen uit het Vagevuur zijn ongebruikelijk en nogal uitzonderlijk in de geschiedenis van de verschijningen. Het is een ontmoetingen met de Arme Zielen die wachten op de bevrijding uit hun staat van passieve bezinning naar een actief deelnemen met het ultieme doel van de Schepper: de Hemel. De onstoffelijke persoonlijkheden hebben een geestelijk streven naar zowel een ontmoeting met Maria, voor de verzachting van het eigen lijden als naar een ontmoeting met diegenen in de aarde sfeer.

Nicky Eltz heeft met het schrijven van dit boek niet enkel een geestelijk doel als oogmerk, met tegelijkertijd is het geschreven om de om de wetenschappelijke maatstaven van paranormale onderzoeken te helpen verbeteren. Het boek is absoluut niet geschreven om aan de lezers een intellectueel vermaak te bieden, maar dit eerder als een geestelijke stimulans, iets waar de schrijver op voortreffelijke wijze in geslaagd is.

Nieuwe technieken zoals hersenscans die de activiteiten van de hersenen kunnen visualiseren, hebben jammerlijk genoeg discussies over de materialistische kijk op dergelijke fenomenen opnieuw doen oplaaien. Als we rekening houden met sommige nieuwe informatie dat is bekomen door lichamelijk onderzoek, zou het menselijk brein kunnen worden vergeleken met een muziekinstrument dat bespeeld wordt door een onzichtbare speler. Vele wetenschappers geloven nu echter dat we zowel in een natuurlijke ruimte als in een persoonlijke mentale ruimte of hoger dimensionale ruimte leven, een concept waarin wij ons kunnen vinden en ons toelaat om een geestelijke ruimte te aanvaarden. Maar, onze geesten kan wel een bestaan in hogere dimensionale sferen, toch blijft ons brein omhult door het mysterie. Het bekijken van het brein langs een wetenschappelijke en materiële kant, wordt uitgedaagd door ervaringen zoals deze van Maria Simma, deze van de zieners in Medjugorje, alsmede andere zieners van Maria, ook al worden ze dikwijls afgedaan als een soort bedrieglijke redenering.

Het gebruik aan een wetenschappelijk model op het niet-lichamelijke gebied is een strem voor vele wetenschappers om de werkelijkheid van een hemels bezoek te aanvaarden. Zoals er wisselende sferen bestaan, bestaan er ook hogere dimensionale sferen. De "voorwerpen" in deze subatomaire ruimten zijn voor ons onzichtbaar omdat de elektronen een hogere trillingsgraad hebben dan in onze natuurlijke wereld. Ze zijn voor ons onzichtbaar, zoals de bladen in een draaiende ventilator, maar we weten dat de bladen er zijn.

Ziel en geest zijn begrippen onderling verwisselbaar worden gebruikt, maar ze vertegenwoordigen twee werkelijkheden. Maria Simma heeft dit verschil opgemerkt. Menselijke wezens hebben een vormplaat van hun natuurlijk lichaam en de ene term verwijst naar het andere. Dieren hebben ook een vormplaat van het natuurlijke lichaam, maar geen ziel.

Maria’s ongebruikelijke ervaringen met de Arme Zielen tonen aan dat de overledenen de levenden kunnen begeleiden. Een persoon die zich op de top van een heuvel bevindt is beter zichtbaar dan de mensen die zich in de vallei bevinden. Op dezelfde wijze hebben onstoffelijke entiteiten een voordeel tegenover de stoffelijke en kunnen ze de gevolgen van de menselijke daden voorspellen, maar zonder onfeilbaarheid. Noch onstoffelijke entiteiten, zelfs engelen kunnen onfeilbaar de toekomst voorspellen. Vele van de gerapporteerde, voltooide voorspellen hebben een sterke alternatieve parapsychologische uitleg. Elke voorspelling van een geografische gebeurtenis die in vervulling is gegaan, en die lang genoeg en duidelijke gedetailleerd op voorhand is gemaakt, moet worden beschouwd als een echt geval van erkenning en hier zou ik willen aan toevoegen dat enkel de Schepper dergelijke informatie heeft. De zichtbare tekenen die beloofd zijn in Garabandal en Medjugorje moeten worden beschouwd als voorbeelden van een dergelijke voorspelling, omdat er een geofysische gebeurtenis bij deze in de toekomt liggende daten, wanneer het blijvende teken zal worden achtergelaten, kan bij betrokken zijn. Ook hebben de zieners van beide deze verschijningsplaatsen de details lang genoeg op voorhand gegeven over deze bevestigende tekenen die ooit een werkelijkheid zullen worden. Een gehoorzaam dienaar van de Almachtige kan een instrument zijn in het doorgeven van zo’n boodschap, onder de invloed van de Heilige Geest, maar toch blijven zulke invallen eerder uitzonderlijke zeldzaam. Er zijn niet zoveel voorspellingen meegegeven aan de zieners, zelfs al vinden Mariaverschijningen reeds plaats vanaf de begindagen van het Christendom. De zieners van Medjugorje kregen tien bijzondere boodschappen of voorspelling toevertrouwd, terwijl er in Medjugorje duizenden verschijningen hebben plaatsgevonden.

Onze Lieve Vrouw heeft het bestaan van negatieve geesten meer dan vijftig maal herbevestigd in Medjugorje en Simma’s ervaringen dragen bij tot deze hemelse bevestiging. Negatieve entiteiten slagen erin om ons leven minder normaal te maken, ons te misleiden en ons doen wegzwemmen van de oever en aldus een vernietigende invloed kunnen hebben. Zo veroorzaakt de mogelijke aanwezigheid van wilde dieren angst en een gevoel van onbehaaglijkheid in het bewustzijn van een persoon die door het woud wandelt en zal hij zijn voorzorgen nemen tegen een eventuele aanval door wilde dieren. Een persoon die zich niet bewust is of de aanwezigheid van wilde dieren ontkent, kan misschien voor een tijdje rustig rondlopen in het woud, maar kan ook aan hen ten prooi vallen tijdens zijn reis door het woud. Dit is ook zo het geval met de kennis over negatieve entiteiten waarmee wij, de menselijke wezens, strijden op deze aardse planneet. Zij beïnvloeden ons door de werking van de ontwikkeling. Achter het doek van deze zichtbare wereld vindt er een geestelijke strijd plaats waarbij alle mensen zijn betrokken, en die we kunnen letterlijk uitgeput raken als we niet goed gewapend zijn om er het hoofd aan te bieden.

Deze negatieve entiteiten worden verborgen gehouden achter de psychiatrische terminologie van waanvoorstellingen, zinsbegoocheling en psychodynamisch onderzoek, maar zijn actiever dan ooit ervoor. Geestelijke beïnvloeding betekent dat het menselijke gedrag eveneens parapsychodynamisch is. We moeten niet onrechtmatig bezorgd zijn over de werking van hun invloed op ons, maar enkel de genezende maatregelen aanvaarden die zijn voorgeschreven door de Moeder van Genade, want zoals er "verleiders" zijn, zijn er eveneens "helpers," de engelen. Een geloof in het bestaan van kwade geesten zonder een gelijkaardig geloof in goede geesten en de Heilige Geest, kan ongezond zijn. Rechtschapen geesten kunnen kwade geesten gemakkelijk uitschakelen, want er zijn meer engelen dan sterren in de hemel. Onze Lieve Vrouw roept ons op tot een algemene bevrijding van ons gevangenschap door satan en zijn soldaten, door het gebed en het vasten.

Maria heeft de spirituele oorzaak van ziekten herbevestigd en dit telelichamelijke concept wint terrein in wetenschappelijke kringen. Volgens deze notie kan een lichamelijke ziekte gelijkstaan met het weerstand bieden aan een telepatische boodschap. Dit concept kan zelfs worden uitgebreid naar sommige tegenvallers in uw leven. In eenvoudige fysieke termen is het telelichamelijke concept analoog aan het gooien van een licht voorwerp naar een in gedachten verzonken persoon die niet luistert naar mondelinge boodschappen die hem uitnodigen om hier een meer dringende aandacht aan te besteden. Wanneer de Arme Zielen niet kunnen in contact treden met de levenden, gebruiken ze gewoonlijk natuurlijke middelen, zonder dat deze echter geestelijke vernietigend werken. Psycholichamelijke en telelichamelijke omstandigheden krijgen gemakkelijk een verkeerde diagnose en hier zou ik ook de lezer willen waarschuwen om de natuurlijke oorzaak van de ziekten niet te veronachtzamen, maar tegelijkertijd beide van de bovenstaande omstandigheden te erkennen. Het is in deze richting van onderzoek dat het moedige werk van Dr. McAll zo’n grote waarde heeft. Geen van de medische noties kan het raadsel van het geestelijke en het lichamelijke lijden volledig ontrafelen. Dikwijls zijn er voorouderlijke zonden rond betrokken en biedt de het gezegde "hij is blind omdat Gods werk in hem zou kunnen worden gezien," de enige, uiteindelijke verklaring. De Heilige apostel Paulus stelde zich ook de vraag rond de lonende opzoeking over voorouderlijke tekortkomingen in zijn onderrichtende brief aan Timotheus. Het telelichamelijke concept kan soms allen de "voorouderlijke roep" inhouden en niet de gevolgen van hun aardse misdaden. De. McAlls notie van de wraakzuchtende, zwervende zielen leggen sommige van de onuitsprekelijke menselijke pijnen uit. Het is eveneens een hoogst bruikbaar concept in deze overgangsperiode van het wetenschappelijk ontkennen van het bestaan van negatieve entiteiten naar het betere, maar het meer beangstigende begrijpen van de kwade wegen van de ongekende geestelijke wereld, terwijl de geestelijken die zich bezighouden rond het genezen van de stamboom aan de families meer inzicht hebben verleend op het paranormale vlak.

Aan Medjugorje en Maria’s kijk op depressies zou meer belang moeten worden gehecht door de medische kringen. Depressiviteit is tijdrovend geworden en een enorme financiële last voor het gezondheidssysteem. De ziekte is enkel "een gemeenschappelijke koudheid van de geest" en kan een proces van ontwikkeling betekenen, maar kan eveneens potentieel gevaarlijk zijn wanneer de persoon zelfmoordneigingen heeft. Psychoanalytici hebben gepoogd om traumatische gebeurtenissen uit het verleden naar boven te brengen om zo de oorzaak te kunnen vinden van de depressie. Wanneer herinneringen zich blijven herhalen en zich vermenigvuldigen en zo meer nadrukkelijk worden moeten we denken aan Onze Lieve Vrouw die ons meerdere malen heeft gewaarschuwd over de tirannie van de herinneringen. Biochemici proberen een chemische oorzaak te vinden voor de ziekte en hebben resultaat opgeleverd bij enkele waardevolle theorieën, maar blijven uiteindelijk enkel strohalmen in de wind. In zuivere medische termen wordt een depressie verklaard als een ingewikkelde, prikkeloverdragende ziekte van de zenuwen. Biologische psychiaters kunnen een aantal gevallen aantonen waar de oorsprong ligt bij biochemische veranderingen, maar een andere kijk is dat dergelijke veranderingen enkel bij lang bestaande depressies kunnen worden aangetoond. Het chemische verdedigingsapparaat in het hersenen kan bij mensen ook aangetast worden door het verouderingsproces. De indeling van depressieve ziekten en diverse andere psychiatrische aandoeningen is nog steeds een onuitgemaakt punt. Een depressieve ziekte kan het gevolg zijn van de optelsom van een aantal negatieve levenservaringen, samen met een onopgelost angst- en schuldgevoelen, die voortdurend de chemische werking van de hersenen verstoren en daardoor biologische symptomen voortbrengen. Met andere woorden begint de depressie vanaf de kinderjaren en als deze niet kan worden geneutraliseerd, zal deze tijdens het leven vooruitgang maken. Er wordt ook uitgelegd dat een depressie de nasleep kan zijn van een cognitieve revolutie in het brein. Aldus heeft een depressie zowel een biologisch als een cognitief aspect.

De Koningin van de Vrede heeft "agent blue" [ontbladeringsmiddel dat cyanide bevat en dat gebruikt werd tijdens de oorlog in Vietnam] uitgesloten, toen ze waarschuwde dat negatieve entiteiten aan de oorzaak liggen van depressies. Deze neerslachtige patiënten zijn enkel de gewonde soldaten van een geestelijke strijd en verdienen meer begrip en eerbied. Een neerslachtige persoon kan dichter bij God komen als hij zich in een staat van lijden bevindt. Over deze gedachtegang heeft een bedevaarder ooit aan Mirjana Dragicevic, een zienster uit Medjugorje, de vraag gesteld of hij ziek was geworden vanwege feit dat hij een "slechte Christen" was geworden. Mirjana’s antwoord was echter het tegenovergeselde van wat de pelgrim dacht en dat hij precies ziek was geworden omdat hij een "Goede Christen" was. Depressiviteit kan zelfs een laatste geestelijk verdedigingsmiddel zijn tegen verder geestelijke aanvallen. Mijn ervaring in de psychiatrie in twee culturen heeft mij aangetoond dat vele van de depressieve patiënten blijkbaar in de val zijn gelokt in een menselijk netwek van manipulaties. Deze sociologische invloeden zijn dooreengevlochten met de psychologische en de spirituele factoren die een depressie veroorzaken. Als deze spirituele opvattingen worden aanvaard, wordt het zonneklaar dat depressies een gezamenlijke menselijke verantwoordelijkheid als oorzaak hebben, en tijdens deze dagen van een nieuwe wereldorde, meer een maatschappelijke oorzaak hebben als een louter technologische. Een depressie is een psycho-bio-socio-spirituele omstandigheid en de biologische facetten van dit wereldwijde fenomeen mogen niet worden onderschat. Laat ons hopen dat de verdere onderzoeken meer licht zullen werpen in de gedetailleerde biochemische facetten van depressieve ziekten. De Arme Zielen hebben aan Maria Simma medegedeeld dat 60 procent van de depressies een geestelijke oorsprong hebben en zo hebben de biochemisch gerichte medische wetenschappers ruimte genoeg om de chemische theorieën aan te passen.

De Arme Zielen die Maria Simma bezoeken, zijn uitgekozen door de Moeder van Genade. Hun bezoek heeft een bijzonder doel en mogen niet worden verward met accidentele verschijningen waarvan sprake is in de paranormale literatuur. Spontane verschijningen zijn nog steeds een onderwerp van controverse daar er, buiten de overlevingshypothese, diverse ingewikkelde parapsychologische verklaringen zijn voor dit verschijnsel. Gezamenlijke verschijnen kunnen niet worden afgedaan met de telepathische veronderstelling over verschijningen en zijn objectief en paranormaal. Over accidentele verschijningen is men eerder zwijgzaam. Het haalt zelden het nieuws. Voor een onbekende reden is hun vermogen tot verbale communicatie beperkt, daar waar de Arme Zielen, die Maria Simma bezoeken, zowel kunnen spreken als horen. Dit is, denk ik, een te onderscheiden aspect tussen accidentele en doelmatige verschijningen zoals deze van de Arme Zielen. Simma’s unieke ervaringen zullen de algehele vrees voor hemelse bezoeken doen afnemen. Een geloof in doelmatige verschijningen zoals deze die in dit boek worden beschreven kan een doorbraak betekenen in het scepticisme over religieuze verschijningen en niet genegen mensen helpen om plaats te geven aan het begrip Mariaverschijningen in hun wetenschappelijke denken. Studies rond verschijningen worden dikwijls versierd met de nodige volkskunde, maar dit boek heeft er een eerbiedwaardig onderzoeksvoorwerp van gemaakt en zal er toe bijdragen om ze op dezelfde hoogte te brengen als normale wetenschappelijke onderzoeken.

Hierna volgen zes veel verbreide theorieën over verschijningen in de wetenschappelijke en parapsychologische literatuur:
  • De dromers: Deze theorie ondersteunt het standpunt dat de "verschijner" een beeld van zichzelf ontwikkelt in het geheugen van de waarnemer, die dan een geestesverschijning krijgt te zien. De onstoffelijke persoonlijkheid is aanwezig op de verschijningsplaats, maar de ziener kan de ziel van "verschijner" niet waarnemen.
  • Het etherische lichaam: Deze theorie beweert dat het astrale lichaam van de "verschijner", via de normale zintuigen, als een verschijning wordt waargenomen.
  • ESP-PK: hier is de "verschijner" aanwezig op de natuurlijke plaats. De extra zintuiglijke waarnemingskrachten van de ziener, tezamen met de psychokinethische krachten van de "verschijner" resulteert in het zin van de verschijning. Hier zijn zowel de paranormale voorstelling als de voorstelling via de normale zintuigen aan het werk. In beschouw deze theorie als een goede regel in het verklaren van ware verschijningsgebeurtenissen.
  • Retro: Deze theorie veronderstelt dat bepaalde verschijningen enkel de buitenzintuiglijke waarneming is van het verleden van de ziener.
  • Helderziendheid: De voorstanders van deze theorie geloven dat de verschijning alleen maar wordt geschapen door de waarnemer, door het gebruikt van zijn eigen "helderziende" indruk van de "verschijner."
  • Telepathie: Volgens deze theorie gebeurt de verschijning enkel in de geest van de waarnemer, maar deze theorie geeft geen antwoord op "collectieve waarnemingen."
In de parapsychologie is een "gelegenheidsbezoeker" iemand die volledig onbekend is aan het medium en de deelnemers op het ogenblik van het gesprek, en er wordt een grote waarde gehecht aan het onderzoek van het postmortale voortbestaan. Simma’s hemelse bezoekers zijn blijkbaar gelijkaardig aan deze "gelegenheidsbezoekers." Het is de onbekendheid van de bezoekers die deze verschijningen meer buitengewoon maakt. Hier is diegene die verschijnt bij verschillende gelegenheden telkens een andere personaliteit en ook volledig onbekend aan de waarnemer. Tegengesteld aan mediums, geeft Simma niet de aanzet tot de geestelijke verbinding, maar blijft zij enkel een waarneemster op een heel gebruikelijke en natuurlijke wijze, zonder over te gaan naar een gewijzigde staat van bewustzijn. Hiermee bevestig ik dus dat ze niet handelt als een medium. De ervaringen en de verbindingsinstrumenten kunnen vals zijn wanneer deze zelf worden opgewekt [via een medium]. De kerk waarschuwt tegen door de mens veroorzaakte contacten, maar Simma’s ervaringen vallen bijlange niet onder deze categorie. Simma ziet de verschijningsfiguur in de objectieve ruimte zonder over te gaan in een toenemende staat van aandacht, een daarvoor is hier de veronderstelling van een "zelfhypnose" een heel zwak tegenargument. De onbekendheid, de veranderende identiteit en het veelvoud aan verschijnende persoonlijkheden verdedigt op zichzelf haar hemelse ervaringen vanuit een andere verklaring dan deze gebaseerd op de zelfhypnose.

Het onderzoekende gedrag van de Maria’s hemelse bezoekers en het verschaffen van de gevraagde informatie over anderen na een sluimerende periode wordt niet waargenomen in enige vorm van ware en onware hallucinerende ervaringen. Het is juist dat onechte hallucinaties voor het merendeel visueel zijn, maar ze zijn een kenmerkende eigenschap van ingewikkelde taferelen of actiefragmenten die herhalend en stereotype zijn en die dikwijls taferelen weergeeft van ware gebeurtenissen met een emotionele betekenis uit het verleden van de persoon. Simma’s ervaringen zijn totaal verschillend van deze bewering omtrent onechte hallucinaties.

Ook bestaat er een veel verbreide misvatting dat parapsychologie, de moderne term voor geestelijke studies, een vervangmiddel is voor godsdienst. Parapsychologie is geconcentreerd op de geest, terwijl de godsdienst geconcentreerd is op God. Spiritualisme houdt beginselen en praktijken in die gebaseerd zijn op het geloof van het voortbestaan na de persoonlijke lichamelijke vernietiging, alsmede een verbinding tussen de levende en de dode, gewoonlijk via een medium, maar zonder een Schepper. Terwijl zowel parapsychologie als spiritualisme zonder een God werken, zijn beide sterk tegengesteld aan elkaar. Er moet dus de nadruk op worden gelegd dat een medium zich in een "trance" bevindt terwijl ze pogen contact op te nemen met de onstoffelijke wereld. Simma’s bewustzijn blijft onveranderlijk en zo mogen haar verschijningservaringen dus niet worden verward met deze van een medium die overgaat in trance. Er wordt eveneens beweerd dat nieuwsgierigheid naar paranormale fenomenen zonder enige mystieke kwaliteiten de mensen kunnen in verwarring brengen en hen verwijderen van de ware geestelijke en mystieke doelstellingen van de godsdienst. In dit opzicht levert "Get us out of here!!" een waardevolle bijdrage.

Tijdens de laatste vier decennia zijn een heel wat boeken en artikelen verschenen over het voortbestaan van de mens na de ontbinding van het stoffelijke lichaam. Jammerlijk komen vele van deze resultaten van stuurlui die zich aan wal bevinden en fictie zijn en zo kunnen leiden tot een intellectueel Disneyland. De wetenschappelijke beloften van leven na de dood zijn, zonder uitzondering, ultra optimistisch zonder een duidelijk ondersteunende bewijsvorming. En dus is het alleszins welgekomen om een bijdrage te hebben zoals deze van Maria Simma, die zonder materialistische, maar enkel met spirituele motieven, graag haar bijdrage levert aan de menselijke maatschappij.

Parapsychologie heeft het voordeel om magische geloof uit het ware mysticisme weer te geven, maar houdt anderzijds het risico in om opnieuw de overvloed aan bijgeloof te stimuleren. Op bewijs gericht onderzoek binnen de parapsychologie is onschadelijk en kan nuttig zijn, terwijl proces gericht onderzoek binnen de parapsychologie kan leiden tot het ontsluieren van vele, nieuwe en tot dusver onbekende vernietigende krachten.

Elke menselijke beoordeling over de toekomt is voorwaardelijk. De woorden van Onze Lieve Vrouw, gericht aan de herdertjes van Fatima in 1917: "In Fatima zullen de dogma’s van het geloof altijd bewaard blijven," houden eveneens in dat het geloof breekbaar zal worden en zelfs verloren in vele gedeelten van de wereld tijdens de komende jaren. Zo is het logisch om denken dat de bovenvermelde kijk van een dreigende crisis in het geloof, waartoe pathologische wetenschappelijke ontwikkelingen, aanleiding kunnen geven, waarschijnlijk betrekking heeft op het onthullingen van Fatima. Te Medjugorje heeft Onze Lieve Vrouw gewaarschuwd om niet te veel te blijven stilstaan bij toekomstige incidenten en zo ben ik voorzichtig om dit te uitvoerig te behandelen.

"Get us out of here!!", geschreven tegen de achtergrond van de Mariaverschijningen, zal van een onschatbare waarde blijken voor de huidige en toekomstige generaties die zullen worden overstelpt met onechte en opgeblazen wetenschappelijke literatuur over het leven na de dood en de spirituele wereld en zal de lezers overtuigen om toevlucht te zoeken onder de mantel van de Moeder van de Redder. Het zal een van de werktuigen zijn van de theïstische metapsychiatrie, gebaseerd op Mariaverschijningen, om de ontwikkelingen in de parawetenschappen bij te sturen.

Tijdens de analyse van het paranormale fenomeen zijn er barsten en met elkaar in verband staande feiten die aanvullend zijn, maar de gaten worden gevuld naarmate het onderzoek vordert. Als er aan de barsten overmatige aandacht wordt geschonken, kunnen bepaalde feiten over het hoofd gezien worden en kan dit leiden tot een vertragingsproces in de besluitvorming. Er is maar een dunne marge tussen de wetenschappelijke analyse en de wetenschappelijke ontleding, wat in het bijzonder zo is bij een delicaat onderwerp als de verschijningservaringen. Vandaag kijkt iedereen door het hetzelfde kijkgat en gaat hij de identiteit na van de bezoeker, nog voor de deur wordt geopend. Maria heeft haar unieke persoonlijke ervaringen voor zichzelf op een heel strikte manier gestuurd, zowel objectief als subjectief, alvorens ze begon met het verwelkomen van haar hemelse bezoekers. Men mag niet vergeten dat de boodschappen van de Arme Zielen belangrijker zijn dat het bezoek zelf.

Deze verschijningen vonden plaats in de Oostenrijkse culturele sfeer. De kijk dat de cultuur de verschijning uitbeeldt en de verschijningen zich aanpassen aan de cultuur zijn waarschijnlijk gegrond in het vroege stadium van een verschijning. De waarheid kan ook zijn dat een gunstig gezinde cultuur een paranormale gebeurtenis gemakkelijker doet plaatsvinden dan elders. De visionaire ervaringen van deze reeds oudere, Oostenrijke dame, zijn de culturele onderdelen en grenzen reeds ontgroeid. Simma heeft geen dagboek bijgehouden over haar ervaringen met de Arme Zielen, zoals ze ook nooit voor zichzelf de bedoeling had om deze naar buiten te brengen, naar de wereldgemeenschap. Op deze wijze zijn de antwoorden op de vragen van de auteur uiteraard vermengd met haar eigen innerlijke psychologische wijsheid en terwijl ze een eerlijk instrument is in het overbrengen van de boodschappen van de Arme Zielen, kan Maria, zoals elke sterfelijk persoon, fouten maken. Vele van de onderzoeken in de parapsychologie beëindigen, zijn voorwaardelijk gebaseerd op de betrouwbaarheid van de waarnemers en de informanten. De waarnemer en de informant van het paranormale, zoals de mystieke ervaringen beschreven in "Get us out of here!!" zijn betrouwbaar en waarom zouden wij twijfelen in het vertrouwen van deze hemelse bezoekers en van Maria Simma? Toen ik haar in januari 1995 ontmoette in haar huis in de bergachtige dorp, kreeg ik de indruk alsof ik had te maken met een goudmijn van spirituele wijsheid. Haar ontmoetingen met de Heilige Zielen zijn, maar mijn gevoel, een aanvulling bij de Mariaverschijningen van de recente tijden. Ook al zegt het Bijbelse geloof dat we enkel maar zeker zullen weten of we gered zijn, na het laatste oordeel, heeft Onze Lieve Vrouw ons informatie gegeven over de geestelijke staat van een aantal overleden mensen in haar verschijningen, zowel te Fatima als te Medjugorje. Deze ondersteunen en rechtvaardigen Simma’s informatie over de verblijfplaats van een aantal onstoffelijke zielen in de geestelijke wereld.

De bevestigingen van de Arme Zielen via Maria Simma over de geestelijke aspecten die zijn betrokken in strijdige levensgebeurtenissen van de auteur, zowel voor als tijdens zijn voorbereiding van het boek, zijn op zichzelf illustratief voor de totstandbrenging van de "paranormale driehoek." Ieder van ons moet doorheen negatieve hindernissen gaan in onze strijd om onze gunstige positieve doelen te bekomen. Echter, hoe waarachtiger, zuiverder, dieper en dus meer genezend deze positieve doelen worden, des te meer zullen de "verleiders" proberen de ontwerpers te kwellen. Omdat dit boek een zo sterk tegengewicht vormt voor de richting die de meest invloedrijke denkers van de wereld hebben genomen, probeerden de "verleiders" een verbazingwekkend aantal variëteiten uit om de auteur, zijn geliefden en zijn werk te beschadigen. De toewijding van de schrijver voor "Get us out of here!!" is, naar ik geloof, heel toepasselijk, want de "verleiders" zullen een alles doen om de vermaarde wetenschappers van vandaag aan hun zijde te houden, waarvan de meesten onder hen ongespaard zullen blijven van Gods verheven liefde voor hen, weg van de waarheid van de liefdevolle Schepper.

Toch keken de Arme Zielen en de helpers, begeleid door de Koningin van de Vrede, de Moeder van genade en de Koningin der Engelen, nauwgezet toe en reageerden ze, zoals reeds eerder vermeld, terwijl de "verleiders" doorgingen met het veroorzaken van pijnlijke scheuringen tussen de goede mensen die in alle eer en geweten en in waarheid, de auteur begeleidden. Daarom is de getuigenis van de schrijver een uitzonderlijk duidelijk en aldus waardevolle weerspiegeling van het parapsycho-dynamische in ons alledaagse leven.

Dr. J. Paul Pandarakalam
Psychiater
Billinge Hospital
Wigan, Engeland.

Dr. James Paul Pandarakalam is de oprichter van de Theïstische Metapsychiatry en interim voorzitter van de Theïstische Matapsychiatrische Vredesorganisatie en een buitengewoon medeweker van de Amerikaanse Vereniging voor Wetenschappelijke Verklaringen. Hij is de schrijver van een parapsychologische studie over Medjugojre, "Like a Heavenly Breeze."

Bron: Nicky Eltz

Vertaling: Chris De Bodt

» Reageer (0)
13-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 4.2
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 4.2 Van Jezus' vasten tot na de Bruiloft van Kana

Naar de bruiloft te Kana. Roeping van Nataniël Chased [Joh. 1: 45-51]

Op 30 december begaf Jezus zich met de leerlingen en verwanten zeer vroeg op weg naar Kana. Maria en de andere vrouwen gingen alleen langs de rechtere en kortere weg. Dit was maar een smal pad dat meer over gebergte liep. De vrouwen gaan over Massalot aan de noordkant van de hoge berg die ten Westen van Magdalum oprijst, verder door het gewest van de baden van Betulië en, in de vallei Roemmaneh gekomen, naar het westen.

Jezus gaat langs Magdalum ten oosten van die zelf­de hoge berg, volgt daarna westwaarts de grcte weg die over Loebijeh [Gennabris] loopt, ontmoet hier Natanael, richt zijn roep tot hem, volgt verder dezelfde grote weg, tot Hij links inslaat en door een ander, kleiner, opstijgend dal te Kana komt]. De vrou­wen volgden meest zulke paden, omdat zij daar eenzaam konden reizen. Ook hadden zij geen brede wegen nodig, want zij gingen gewoonlijk op een rij achter elkander. Op enige afstand vóór en achter hen ging een mannelijke gids. Die weg van ongeveer 7 uren, liep van Kafarnaüm in zuidwestelijke richting.

Jezus reisde met zijn gezellen over Gennabris. Wel was dit een omweg, maar hij was breder en dus beter geschikt voor zijn leermethode, daar Hij vaak onderweg stil­stond om zijn reisgezellen te onderrichten, om hen iets duidelijk te maken, aan te wijzen of te verklaren. Zijn weg liep eerst meer naar het zuiden dan de weg van Maria. Hij bedroeg van Kafarnaüm tot Gennabris wellicht 6 uren. Te Gennabris liep hij rechter naar het westen en daar was men nog drie uren van Kana.

Gennabris was een schone stad. Er was een school en een synagoge, ook een rederijkersschool en een bloeiende handel. Natanael oefende zijn schrijversberoep uit in een hoog huis voor de stad. Het vormde met nog een groep andere huizen die er omheen stonden, een soort voorstad of wijk. Natanael kwam niet naar de stad, hoewel zijn vrienden die hij onder de leerlingen had, hem daartoe uitgenodigd hadden.


» Reageer (0)
12-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 4.1
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 4.1 Van Jezus' vasten tot na de Bruiloft van Kana

6 december. Na het zegefeest in de vastenspelonk zag Ik Jezus [in de nacht tussen 5 en 6 december] de spelonk verlaten en naar de Jordaan afdalen. De dageraad brak aan. Op dezelfde enge plaats waar Hij, veertig dagen geleden, de Jordaan overgevaren was, zette Hij zich weer over de stroom. Er lag daar nog steeds een balkenvlot voor de overvaart. Nochtans was dit niet de overzetplaats van de grote verkeersweg, maar een plaats van minder belang.

Jezus ging nu op de overzijde van de Jordaan afwaarts tot tegenover de doopplaats van Johannes. En zie! Ik zag dat Johannes die preekte en doopte, aanstonds naar de overkant wees en degenen die hem omringden, luidop toeriep: "Ziet het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt." Jezus verwijderde zich nu van de oever en richtte zich naar Betabara.

Andreas en Saturninus, die bij Johannes gestaan hadden, zetten zich haastig over de Jordaan op dezelfde plaats waar Jezus er over gevaren was. Eén van de twee neven van Jozef van Arimatea en twee andere leerlingen van Johannes volgden eveneens. Na overgevaren te zijn ijlden zij Jezus achterna en ik zag dat Jezus zich omkeerde, hen tegemoet ging en vroeg wat zij begeerden. Andreas was buiten zichzelf van vreugde, omdat hij Jezus weergevonden had. Hij vroeg Hem waar Hij woonde. Jezus ant­woordde dat zij Hem maar moesten volgen en Hij leidde hen in een herberg even bui­ten Betabara. Deze lag tegen het water of het beekje Karrar en ongeveer 1 km van de Jordaan. Hij bleef heden met deze vijf leerlingen te Betabara en nam met hen een maaltijd in de herberg.

Hij sprak met hen over het begin van zijn leerambt en vertrouwde hun toe dat Hij leerlingen wilde verzamelen. Andreas noemde Hem verscheidene van zijn bekenden en prees hen als geschikte kandidaten. Hij noemde o.m. Petrus zijn broer, Filippus en Natanaël. Jezus sprak ook over de doop hier aan de Jordaan en zei dat sommigen van hen hier moesten dopen. Zij antwoordden dat hier geen geschikte doopplaats was, tenzij waar Johannes doopte en dat men toch niet welvoeglijk zijn doopplaats kon in­nemen. Hierop sprak Jezus hun over de roeping en de zending van Johannes. Zijn taak na­derde definitief haar einde. Jezus bevestigde al wat Johannes over zichzelf en over de Messias gezegd had.

Jezus vertelde hun ook over zijn eigen voorbereiding in de woestijn tot zijn openbaar leerambt en over de voorbereiding die tot ieder gewichtige onderneming nood­zakelijk is. Hij was zeer vriendelijk en vertrouwelijk met de leerlingen. Niettemin betoonden zij een grote schuchterheid, eerbied en ootmoedigheid.

7 december. 's Morgens ging Jezus met de leerlingen van Betabara naar de Jordaan tot de overzethuizen [Betania = boothuis] en leraarde daar voor een vergaderde menig­te. Daarna stak Hij de Jordaan over en predikte in een klein dorp, een uur van Jericho,dat bestond uit een twintigtal huizen. Talrijke dopelingen en leerlingen van Johannes kwamen en gingen om Hem te horen en dan alles aan de Doper te berichten. Het was tegen de middag, toen Hij hier leerde.

Jezus gaf aan verscheidene leerlingen opdracht om na de sabbat aan gene zijde van de Jordaan, ongeveer een uur stroomopwaarts van Betabara, weer een doopplaats in te richten of te herstellen, daar waar Johannes gedoopt had na Ennon verlaten te hebben en eer hij op de westzijde van de Jordaan tegenover Betabara doopte.

Men wilde hier voor Jezus een maaltijd bereiden, maar Hij verliet het dorp voor het begin van de sabbat, vaarde weer over de Jordaan en keerde naar Betabara terug, waar Hij at en sliep in het huis van de overste van de synagoge.

8 december. Sabbat. Jezus vierde de sabbat te Betabara, onderwees er in de synagoge en bleef er de gehele zaterdag. Hij overnachtte opnieuw in hetzelfde huis.

9 december. Ik zag Jezus,vergezeld van Andreas, Saturninus, van veel volk en leerlingen van Johannes, naar de doopvijver trekken, ongeveer een uur ten noorden van Betabara aan de Jordaan en tegenover het gewest of hoogveld Gilgal gelegen. Johannes had daar een korte tijd gedoopt, voordat hij de algemene doopplaats dichter bij Jericho in gebruik had genomen. De leerlingen hadden die doopplaats weer in orde gebracht. De vijver was er niet zo ruim als die van Johannes bij Jericho en had een verheven rand met een kleine inlopende landtong, waarop de doopbedienaar stond. Deze rand was door een ka­naal of kleine gracht omgeven, van waaruit het water in de vijver gelaten kon worden.

Er zijn nu hier, in de vallei van de Beneden-Jordaan, niet ver van elkaar drie doopvijvers, namelijk één boven of ten noorden Betabara, dan Jezus' doopvijver op het te voor­schijn gekomen Jordaaneiland en de algemene doopvijver van Johannes, bij Jericho. Bij de eerste, of nieuw ingerichte, vijver aangekomen goot Jezus er een deel in van het doopwater uit de vijver op het eiland, waarin Hij gedoopt was. Andreas had dit medegebracht in een waterzak. Daarna zegende Hij de vijver. Allen die er de doop ontvingen, werden op een onverklaarbare wijze ontroerd en bewogen. Andreas en Saturninus doopten. Er had geen indompeling plaats. De dopelingen traden naast de rand in het water. Men legde de handen op hun schouders en de doopbedienaar schepte driemaal met de hand water op ben en doopte hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Johannes deed het anders: hij gebruikte een bekken, of kleine schaal met drie groeven, waaruit het water zich in drie stralen op het hoofd uitstortte. Hier lieten zich zeer vele mensen dopen, vooral uit Perea.

Jezus hield een preek op een kleine, met gras begroeide heuvel, die in de nabij­heid lag. Hij handelde over de boetvaardigheid en de doop van de Heilige Geest. Hij zegde o.m. "Mijn Vader heeft bij mijn doop de Heilig Geest neer gezonden en gezegd: “Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb.” Doch dit zegt Hij ook tot allen die Hem beminnen en berouw over hun zonden hebben. En op allen die gedoopt worden in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, stort Hij zijn Heilige Geest uit en dan zijn zij allen zijn zonen in wie Hij welbehagen heeft, want Hij is de Vader van allen die zijn doop ontvangen en daardoor voor Hem geboren worden.

Het bevreemdt me telkens opnieuw hoe dit alles in het Evangelie zo kort verhaald is [als volgde alles onmiddellijk op elkaar] en hoe bijvoorbeeld, volgens het evangelie, An­dreas na op aanwijzing van Johannes Jezus teruggevonden te hebben, aanstonds Petrus ontmoet en hem bij Jezus brengt, ofschoon Petrus alleszins niet daar, maar in Galilea was. Nog vreemder komt het mij altijd voor [om een ander voor­beeld te geven] dat na Jezus' intocht in Jeruzalem, die wij op Palmenzondag herden­ken, in het Evangelie zo spoedig het laatste avondmaal en het Lijden volgt, ofschoon ik tussen de Intocht en Passie zo vele onderrichtingen van Jezus hoor en zo vele da­gen zie verlopen. Hierom geloof ik dat Jezus hier nog wel veertien dagen zal ver­toeven, alvorens naar Galilea te gaan.

Andreas was eigenlijk nog niet als leerling aanvaard. Jezus had hem niet geroepen. Hij was uit eigen beweging gekomen en hij had zich aangeboden en zijn verlangen om bij Hem te zijn, te kennen gegeven. Hij is begeriger en gereder voor Jezus' dienst dan Petrus. Deze dacht zeer licht: "Daartoe ben ik te gering. Dat gaat mijn krachten en bekwaamheden te boven,” en daarmee keerde hij tot zijn bezigheden terug. Ook Saturninus en de twee neven van Jozef van Arimatea, Aram en Temeni, hadden zich uit eigen beweging bij Jezus gevoegd.

Er zouden nog vele andere leerlingen van Johannes, wiens doopplaats nu minder en minder bezocht werd, tot Jezus gekomen zijn, zo niet enige eigenzinnige leerlingen van Johannes, die Jezus als een concurrent van hun meester beschouwden, hen daarvan weerhouden hadden. Zij klaagden gedurig bij Johannes over de handelwijze van Jezus. Zij meenden dat Jezus, met hier te laten dopen, inbreuk op Johannes' rechten maakte en zich geen doop aan te trekken had. Johannes had de grootste moeite om hen hun kort­zichtigheid te doen inzien. Hij zegde hun dat zij zich zijn woorden moesten herin­neren en hoe hij het hun sedert lang voorop gezegd had dat hij slechts de weg bereid­de en dat zijn taak nu binnenkort, zodra de wegen bereid waren, een einde zou nemen. Maar zij hielden buitengewoon van Johannes en zij konden zich met dit vooruitzicht niet verzoenen. Er was heden reeds zulk een gedrang bij de doopplaats van Jezus, dat Hij tot de leerlingen zei dat ze morgen verder zouden gaan.

Jezus te Ofra

10 december. Jezus heeft weer bij de overste van de synagoge te Betabara overnacht. Ik zag Hem vanmorgen vroeg met een twintigtal reisgezellen, waaronder Andreas, Saturninus, Aram en Temeni, Betabara verlaten. Zij voeren over de Jordaan op de gewone, gemakkelijke overzetplaats [Betania], lieten Gilgal rechts en begaven zich naar de stad Ofra, die in een nauw bergdal zeer verborgen ligt. Door deze stad kwamen gestadig mensen uit de streek rond Sodoma en Gomorra die met koopwaren op kamelen naar de oostzijde van de Jordaan trokken en zich door Johannes lieten dopen. Er liep hier [te Ofra] een dwarsweg uit Judea naar de Jordaan. De stad lag overigens zeer vergeten, ongeveer drie of vier uren van de doopplaats van Johannes, maar niet zo ver, dunkt me, van Jericho en een uur of zeven van Jeruzalem. Ze lag koud en ze had, wegens de hogere bergen rondom, niet veel zon. Ze was overigens goed gebouwd.

De inwoners waren tamelijk rijk en genoten van de welstand van kramers, koophandelaars, tollenaars en smokkelaars. Het kwam me voor dat zij uit de hierlangs reizen­de karavanen alle mogelijk voordeel trachtten te halen. Zij waren niet tegen de godsdienst, maar lieten er zich weinig aan gelegen liggen, gelijk dit nog wel het geval is met kramers en hoteliers, dien het al in de mond vliegt. In deze stad ben ik nog niet geweest en ook Jezus heb ik er tot nog toe nooit gezien. Zij hadden er zich ook niet veel met de doop van Johannes bekommerd. Zij hongerden niet naar de zaligheid. Alles was hier gelijk in een plaats waarvan men pleegt te zeggen: er is veel nering.

Toen zij de stad naderden, zond Jezus de neven van Jozef van Arimatea vooruit. Zij moesten de sleutels van de synagoge gaan vragen en de mensen tot de preek oproepen die Jezus wilde houden. Hij gebruikte die twee altijd voor zulke boodschapper omdat zij de omgangsvormen kenden, minzaam en be­leefd waren.

Bij Jezus' intrede in de stad liepen er beze­tenen en krankzinnigen rond Hem en riepen van op een afstand: "Daar komt de Profeet! de Zoon Gods! Jezus Christus, onze vijand. Hij zal ons verdrijven! Jezus legde hun op te zwijgen en gebood hen om zich rustig te gedragen. Nu werden zij allen stil en volgden ze Hem naar de synagoge die bijna aan het ander einde van de stad gelegen was. Binnengetreden leraarde Jezus tot 's avonds toe en ging er slechts eenmaal uit om een verkwikking te nemen. Hij sprak over de nabijheid van het Rijk Gods en over de noodzakelijkheid van de doop en Hij waarschuwde de burgers zeer streng om uit hun lauwheid en valse gerustheid te ont­waken, indien zij Gods strafgericht wilden ontgaan. Hij hekelde ook zeer krachtig hun woeker, sluikhandel en al zulke zonden die eigen zijn aan tollenaars en zij die met geld omgaan. De inwoners spraken Hem niet tegen, maar zij waren toch niet zeer ontvan­kelijk, noch met Jezus ingenomen, want zij waren te verslaafd aan hun bedrijf. Toch trof zijn woord er enigen, die zich dan ook bekeerden. Zo kwamen er des avonds meer­deren, zowel aanzienlijke als geringe personen, tot Hem in de herberg. Zij waren vast besloten om zich te laten dopen. Ook gingen zij reeds in de eerstvolgende dagen tot Johannes. Jezus sliep hier in de herberg.

11 december. Heden verliet Jezus Ofra en ging ‘s morgens met de leerlingen naar Betabara terug. Zij verdeelden zich op de weg: Hij zond Andreas met het grootste deel van hen vooruit op de weg die zij in het naar hier komen hadden gevolgd. Nu hadden zij dus Gilgal links en passeerden voorbij de Steen van de Ark. Jezus zelf met Saturninus en de neef van Jozef van Arimatea [me dunkt dat er maar een van beide bij Hem was] ging meer in de richting van Johannes’ doopplaats [kwam voorbij de 12 stenen] en trok langs dezelfde weg waar Johannes, kort na Jezus' doop, zijn getui­genis voor Jezus uitgeroepen had. Doch ditmaal vond er niets opvallends plaats. Op deze weg die naar de overzetplaats van de Jordaan leidde, trad Jezus nog in enige huizen,onderrichtte de mensen en spoorde hen aan tot de doop.

Pas’ s namiddags kwamen zij weer in Betabara aan en nog dezelfde dag zag ik Je­zus op de doopplaats dopelingen voorbereiden en Andreas en Saturninus hen dopen. Daar de lieden die tot de doop komen, telkens andere zijn, komt de inhoud van Je­zus' voorbereidingswoord meestal op hetzelfde neer en wel op deze hoofdgedachte dat zijn hemelse Vader tot ieder boetvaardige gedoopte zegt: "Dit is mijn geliefde zoon" en dat alle gedoopten zijn kinderen worden en nog meer soortgelijks. De meeste dopelingen waren hier uit het land van de viervorst Filippus, die een goedaardig man was. Zijn onderdanen leefden in een tamelijke voorspoed en hadden er daarom tot nog toe weinig aan gedacht om zich te laten dopen.

's Avonds zegde A.C. Emmerich, buiten alle samenhang, dat Jezus na zijn vasten hier nog onge­veer twintig dagen verbleef. Aldus besloot Hij om nog veertien dagen te blijven om zich daarna naar Kana te begeven, waar zijn Moeder op Hem wacht.

Rondreis in het oostelijk Jordaanland te Dibon

12 december. Wegens zware ziekte kon A.C. Emmerich eerst in de avond van de volgende dag [13 december] verhalen wat zij zich van Jezus’ handelingen op heden, 12 december, herinnerde.

Jezus is heden [12 december] met drie leerlingen uit Betabara opwaarts getrokken,om naar de stad te gaan, waar Hij op 15 oktober, bij de aanvang van het Loofhuttenfeest, aangekomen was. Hij ging namelijk naar Dibon. Hij onderrichte onderweg in verscheidene gehuchten. Nabij de stad, wanneer Hij de huizenrij in het lange dal voorbij was, leerde Hij in de synagoge, die op enige afstand van de eigen­lijke stad gelegen was, in het dal dat Hij op het loofhuttenfeest had doorgewandeld. Hij overnachtte een weinig van daar in een herberg, afdak of stalwoning, waarin allerlei veldarbeiders uit het gewest hun eten en onder­komen kregen.

Men zaait hier reeds aan de zonnekant, de vruchten zullen omstreeks Pasen rijp zijn en zij hebben eerst onlangs een deel van de opgestapelde voorgaande oogst binnengedragen. Jezus vertelde in de synagoge en voor de veldarbei­ders de parabel van de zaaier en legde hun die uit. Hij legde de parabelen niet al­tijd uit. Voor de Farizeeërs vertelde Hij die vaak zonder enige verklaring [Mt.13:11-16].

13 december. Heden de dertiende,onderrichtte Jezus de mensen hier nog op dezelfde wijze. Andreas, Saturninus en andere leerlingen, die gisteren bij Betabara gedoopt hadden, zijn heden naar Ofra teruggegaan om daar de personen,die door Jezus' vermaningen tot betere gevoelens gebracht waren,in hun goede gesteldheid nog te versterken.

In de woning, waar Jezus zich bij Dibon ophield, hebben de vrouwen van de arbeiders hun apart verblijf om er de spijzen voor hen te bereiden. Het zijn allen goede lie­den die een eenvoudig leven leiden. De bewoners van de omliggende plaatsen zijn Jezus minder gunstig gezind, omdat Hij te Dibon en niet bij hen tijdens het loof­huttenfeest vele zieken genezen heeft. Jezus is nu eigenlijk niet in Dibon zelf, ook niet bij de tollenaars die nader bij de Jordaan wonen, maar tussen beide, in het dal Nimrin,dat wel drie uren lang is.

Jezus te Elal [Eleale]

14 december. Jezus verliet heden de herberg bij Dibon. Deze huizen staan verspreid in het dal dat zich tussen Dibon en de Jordaan uitstrekt en wel drie uren lang is. Hij trok zuidwaarts en kwam op een weg die van de Jordaan oostwaarts leidde. Hij liep wel twee uren meer zuidelijk dan de tweede helft van de weg die Jezus ge­volgd was om van Betabara naar Dibon te gaan.

Ongeveer drie uren van Dibon kwam Hij in een dorp met een zonderlinge naam. Ik kon in het begin niet geloven dat het dorp zo heette. Bestaat er wel zulk een dorp? Ik vond het een heel rare naam, om de volgende reden: Wanneer wij als kinderen de koeien naar de weide dreven, riepen wij elkander over het veld toe: 'Helo!Helo!' Ook moest ik de naam meermalen horen, eer ik hem kon aannemen! Wat nu, dacht ik, dat is toch 'Hèlo!Helo!' gelijk de kinderen riepen, wanneer zij de koeien buiten lieten, In ons boerendorp overal, riepen wij dan altijd, over de akkers heen, onze vriendinnetjes toe dat ook zij met hun koeien hier of daar heen moesten trekken en zij schreeuwden mij dan terug: “Helo!Helo! Anne Kathrinken Emmericke, wil je meegaan naar het waterwad, haast je dan Helo!loh!loh!"

De zienster galmde dit uit op een zingende toon als die van een koehoorn en zij noemde de namen van al haar vriendinnetjes uit haar kinderjaren. Met heimwee dacht zij terug aan die schuldeloze onbezorgde kindertijd!

Jezus kwam met een zevental leerlingen te Elal aan. Er moeten, meen ik, nog enige tot Hem gekomen zijn, die ik vergeten was. Andreas, Saturninus en andere, die naar Qfra gegaan waren, zijn op de terugweg, maar waren nog ergens elders gegaan. Nu zullen zij straks bij Jezus aankomen. Jezus nam weer zijn intrek bij de synagoge-overste.

De vrijdagavond met het begin van de sabbat, leerde Hij in de synagoge over een parabel van boomtakken die, door de wind bewogen, hun eigen bloesems afschudden en geen vruchten dragen. Ik weet daar alleen nog van dat Hij daardoor de inwoners er over wilde berispen dat de meesten onder hen, na de doop van Johannes ontvangen te hebben, zich niet beterden en de bloesems van de boetvaardigheid door de eerste de beste wind van zich lieten afschudden en geen vruchten voortbrachten. De inwoners waren hier zo. Jezus koos klaarblijkelijk deze gelijkenis, omdat de boomvruchtenteelt hun hoofdbestaansmiddel was. Zij moesten het fruit ver dragen om het te verkopen, want hun dorp was ver van de verkeerswegen afgelegen. Zij vervaardigden ook dekens en grof breiwerk in het groot.

Jezus had tot nog toe geen tegenspraak ontmoet: de mensen in Dibon en overal in dit gewest waren Hem zeer genegen en herhaalden telkens opnieuw dat zij nooit zulk een leraar gehoord hadden. De oudjes onder hen vergeleken Hem met de profeten. Zij hadden immers hun grootouders vaak de leer en prediking der laatste profeten horen roemen.

Jezus heeft onlangs iemand tot zijn Moeder te Kana gezonden met de boodschap wanneer Hij bij haar zal komen. Van Jeruzalem was er [sedert zijn vasten] nog geen enkele bij Hem geweest, maar van degenen die Hem vergezeld hadden nadat Hij de doop van Johannes ontvangen had, waren de meesten te Betabara weer bij Hem gekomen en gin­gen van Jezus naar Johannes heen en weer.

15 december. Sabbat. Op zaterdag 15 december sloot Jezus te Elal de sabbat.

Jezus te Betsjesimot

16 december. Jezus ging op zondag 16 december zowat drie uren westwaarts naar Betjesimot,een stad aan de morgen- en zonnekant van een berg of heuvel, bij een riviertje en een klein uur van de Jordaan. Op de weg daarheen zijn Andreas, Saturninus en nog andere leerlingen tot Hem teruggekomen van bij Johannes en ik hoorde onderweg de Heer met hen over de kinderen van Israël spreken,die hier in de vlakte van Moab gekampeerd hadden [Num.33,4.9]. Hij vertelde hun hoe Mozes en Jozuë hen toegesproken hadden. Hij paste dit op de tegen­woordige tijd en op zijn eigen leer toe. Betjesimot is niet groot, maar vruchtbaar, vooral in wijn.

Op het ogenblik dat Jezus aankwam, had men zo even een groep bezetenen, die samen in een gesticht opgesloten waren, laten buitenkomen. Deze begonnen nu te razen en te schreeuwen: "Daar komt Hij, de Profeet. Hij wil ons verdrijven, enz…" Jezus wendde zich tot hen en gebood hen te zwijgen. Hun boeien zouden afvallen en zij moes­ten Hem naar de synagoge volgen. Nu braken aanstonds hun boeien door een wonder en zij werden zeer stil. Zij wierpen zich voor Jezus neer, dankten Hem en volgden Hem naar de synagoge. Jezus leerde daar in parabelen over de vruchtbaarheid van de wijnstok. Daarna bezocht en genas Hij ten huize vele zieken. Het dorp ligt niet aan een verkeersweg. De mensen moeten hun vruchten zelf naar de markt brengen.

17 december. Ook op maandag de zeventiende genas en onderwees Jezus hier nog.

Jezus te Samaria, op de westelijke Jordaanoever

De mensen van Betjesimot smeekten Jezus dringend toch nog wat bij hen te blijven, omdat Hij na zijn terugkeer uit de woestijn zijn eerste genezingen bij hen gedaan had. Maar nochtans vertrok Hij heden met Andreas, Saturninus,de neven van Jozef van Arimatea en de overigen, d.i. met in het geheel ongeveer 12 reis­gezellen. Hij wendde zich schuin naar het noord-noordwesten en kwam na twee uren aan de algemene openbare overzetplaats [waarschijnlijk was dit Ghoranijeh, bij de derde doopplaats], waarheen de heerbaan van Dibon leidde en waarlangs Hij, juist voor het loofhuttenfeest, uit het gewest Gilgal naar Dibon gereisd was. Men moest hier nog al lang varen, omdat wegens een steile oever de landingplaatsen niet recht tegenover elkander lagen. Men kon dus niét aan­landen tegenover de plaats van waar men afgevaren was [Zeer duidelijk is de overzetplaats Ghoranijeh bedoeld bij de derde doopplaats].

Op de westzijde zag ik hen nog ongeveer een uur in de richting van Samaria over de voet van een berg nog een dorpje doorgaan, dat uit een rij huizen zonder school bestond. Enige uren van hier naar het westen [meerdere uren naar het noordwesten] ligt in een berghoek Fasaèl waar Jezus op 23 en 24 oktober de Esseen Jaïrua bezocht. Dit dorp hier [Samaria] was uitsluitend door herders en eenvoudige men­sen bewoond, die nagenoeg als de herders bij Bethlehem gekleed waren. Jezus preekte hier op een verheven plaats. Onder de blote hemel was daar een leerstoel opgericht. De inwoners hadden de doop van Johannes ontvangen.

Reis naar Galilea. Jezus te Sillo

19 december. Op de avond van de negentiende zag ik Jezus aankomen te Silo op de hoogte van een zacht opstijgende berg. Silo is een half verwoeste stad. Ik bemerkte dat aan haar poorten grote gebroken deuren hingen. Op enige afstand van de stad lag een verwoest Essenerklooster en er stond ook, naar ik zag, een ander gebouw niet ver van de ingang van de stad, waarin de Benjamieten eens vele jonge dochters opgesloten hadden, die zij op een loofhuttenfeest geschaakt hadden [Recht. 21:15-24]. De synagoge van Silo lag zeer hoog, op het hoogste punt van de stad. Van daar kon men buitenge­woon ver zien. Het vergezicht omvatte de bergen van Jeruzalem, het Meer van Galilea en vele andere bergen.

De inwoners schenen mij niet goed. Zij waren hovaardig, laatdunkend, onver­schillig en vol zelfvertrouwen. Ik zag Jezus met zijn reisgezellen, die wel met twaalven konden zijn, Saturninus en Andreas inbegrepen, in een groot huis hun intrek nemen. In dat huis schenen vele Farizeeërs en schriftgeleerden te wonen. Althans hiel­den zij zich daarin op, want rond Hem zag ik er wel twintig verzameld in hun lange klederen met gordels en lange, neerhangende harige stroken stoffen aan de mouwen. Ik geloof dat Hij hier tegenspraak zal hebben, want zij hielden zich alsof zij Hem niet kenden en, om Hem onderduims te treffen, stelden zij Hem schimpvragen zoals deze: "Wat mag er nu aan de hand zijn, meent U? Waar wil die verwarring, waar we nu getuige van zijn, naartoe? Wat gaat daaruit voortkomen? Nu zijn er reeds twee dopen, die van Johannes en dan nog een van een zekere Jezus, een timmermanszoon uit Galilea. Kan U voor ons geen opheldering daarin brengen en ons zeggen welke van beide dopen de goede, de orthodoxe is? Men verneemt nu bovendien dat andere vrouwen, bijvoorbeeld een weduwe en haar twee zonen [ik ben nu hun naam vergeten] zich bij de moeder van die timmermanszoon hebben aangesloten. Deze trekt met haar aanhangsters overal rond en werft volgelingen voor haar Zoon. Hebben wij nu wel nieuwigheden nodig en wel zulke nieuwigheden? Hebben wij de Belofte en de Wet niet?"

Zulke valse taal en smaadwoorden flapten zij er niet zo ruw en onbehouwen uit, maar afgerond en met een verfijnde leugenachtige vriendelijkheid jegens Jezus en ik dacht daarbij aan de geveinsde beleefdheid, de valse belangstelling, waarmee be­spiedende, zogenaamde verlichte geleerden de hatelijke smaad verbloemen, die zij mij op mijn kruisweg aandoen.

Het huis waarin Jezus te Silo herbergt, is een huis waarin reizende leraars en profeten het recht hadden te verblijven. Het maakte deel uit van het gebouwencomplex met de woningen en scholen van de Farizeeërs en Sadduceeërs van deze plaats. Het was als een seminarie. Het lag niet ver van het hoogste punt van de berg, waar oudtijds de Verbondstent en Ark gestaan hadden. Die hoogste top was als een aparte, steile rots en had boven een grote vlakte, wellicht met een uitgestrektheid, dunkt mij, als die van Dülmen, mijn woonplaats. Er was daar een grote ruimte, met een half verwoeste muur omgeven en daarin lagen de aanzienlijke, verwoeste grondslagen van een stenen gebouw, dat eertijds boven de heilige tent opgericht was. Misschien was het eertijds ook maar een prachtige ringmuur, die een vrije plaats of binnenhof om­gaf. Waar de Verbondsark eertijds gestaan had, was onder een dak dat op open bogen rustte, een kolom gelijk die te Gilgal, en onder deze kolom was, zoals daar, een soort van groef in de rotsgrond.

Er was ook een synagoge op diezelfde ommuurde hoogte en niet ver van de plaats der Verbondsark was er een offerplaats en een overdekte groef, waarin zij de onreinheden wierpen die van de geslachte offerdieren voortkwamen. Ik hoorde inder­daad dat zij hier nog drie- of viermaal in het jaar mochten offeren.

Ik weet niet meer hoe de handelingen en toespraken van Jezus hier op elkander volgden. Ik herinner me alleen nog dat Jezus hen op hun beledigende uitlatingen ten antwoord gaf, dat Hij Diegene was van Wie zij spraken. En aangezien zij ge­sproken hadden van de stem die bij zijn doop gehoord was, verklaarde Hij dat dit de stem van zijn hemelse Vader was geweest, die ook de Vader is van ieder mens die zijn zonden verfoeit en uit de doopwateren herboren wordt.

Daar zij Hem en de leerlingen niet wilden toelaten op de plaats van de Ver­bondsark, als mensen die niet waardig waren zulk een heilige plaats te betreden, ging Hij er toch naartoe en Hij verweet hun daar dat zij eertijds ter oorzaak van hun boosheid hier van de Verbondsark beroofd geworden waren, en dat zij nu, bij de ledige plaats, even slecht bleven handelen en, gelijk toen, hun Wet overtraden. En, zoals de Verbondsark hun toen ontnomen geworden was, zo zou ook nu de vervulling van de Wet van hen wijken [cfr Mt.21,43].

Daar zij Hem en de leerlingen niet wilden toelaten op de plaats van de Ver­bondsark, als mensen die niet waardig waren zulk een heilige plaats te betreden, ging Hij er toch naartoe en Hij verweet hun daar dat zij eertijds ter oorzaak van hun boosheid hier van de Verbondsark beroofd geworden waren, en dat zij nu, bij de ledige plaats, even slecht bleven handelen en, gelijk toen, hun Wet overtraden. En, zoals de Verbondsark hun toen ontnomen geworden was, zo zou ook nu de vervulling van de Wet van hen wijken [cfr Mt.21,43].

Daar zij met Hem over punten uit de Wet wilden redetwisten, plaatste Hij hen twee aan twee. Hij ondervroeg hen nu als kinderen. Hij stelde hun allerlei diepzin­nige vragen over onderwerpen uit de Wet en zij konden die niet beantwoorden. Zij werden grimmig, voelden zich vernederd en begonnen elkander aan te stoten en te morren en reeds wilden sommigen zich uit de voeten maken. Maar Jezus leidde hen nog eerst bij de overdekte groeve, waarin men de offerafval wierp, deed ze openen, en hen met die put vergelijkend, verweet Hij hen dat zij als die gracht waren, van binnen vol vuiligheid en rotheid, afval die niet geofferd mocht worden, doch aan de buitenkant zorgvuldig en net toegedekt en dit op een plaats waarvan het heilig­dom geweken en hun ontnomen was om de zonden van hun vaderen. Hij zei ten slotte nog dat Hij hier niet meer tot hen terug zou komen. Schuimbekkend van woede gingen zij allen weg van de plaats.

20 december. Het onderwerp van Jezus' onderricht hier in de synagoge was vooral de eerbied voor de hoge leeftijd en dan de liefde tot de ouders. Hij sprak hierover zeer streng, want de burgers van Silo hadden sedert lang in hun stad de slechte gewoon­te hun ouders, als zij oud geworden waren, te verachten, te versteken, te verstoten.

Van Betel, dat zuidelijk van hier ligt, loopt een straat hierheen. Lebona ligt in de nabijheid [1 uur ten west-noordwesten]. Van hier tot de stad Samaria kan de afstand acht of negen uren zijn. De stad ligt rond de rots [heuvel] en is niet dicht bevolkt. Ze heeft een farizese school en een tweede school die toebehoort aan een andere sekte. Ook ligt de profeet Ahias hier begraven.[Bij vergissing zegde A.C., "Jonas.” Ahias is de profeet die op het einde van Salomon's regering aan Jeroboam voorspelde dat 10 delen van het rijk hem na Salomons dood ten deel zouden vallen. [I Kon. II: 9-12, 29-39, 12,15].

Jezus te Kibzaim

21 december. Deze morgen ging Jezus de stad uit langs de andere zijde, te weten aan de noordwestkant. Ik zag dat Andreas, Saturninus en de neven van Jozef van Arimatea van Hem scheidden en vooruit naar Galilea trokken. Nu zal Andreas tot Petrus gaan en hem zeggen dat hij Jezus teruggevonden heeft en nu zal plaats hebben wat in het evangelie van Johannes 1: 41 verhaald is.

Ik zag Jezus met de andere leerlingen van Johannes, die nog bij Hem waren, op vrij­dag 21 december, vóór de sabbat te Kibzaim aankomen. Het ligt in een dal tussen takken van het gebergte dat midden door het land loopt en zich hier bijna in de vorm van een wolfsklauw vertakt. De mensen wa­ren hier rechtschapen, openhartig, vriendelijk en Jezus hartelijk genegen. Zij hadden Hem verwacht. Het was, geloof ik, een levietenstad. Je­zus nam in de school [synagoge] zijn intrek bij een overste.

Ik zag hier Lazarus en Martha en Johanna Chusa en Simeons zoon [Obed], die een ambt in de tempel heeft, en de oude dienaar van Lazarus aankomen. Vol vreugde en eerbied groetten zij Jezus. Zij waren eveneens op weg naar de bruiloft van Kana, en ik geloof dat zij door een boodschap wisten dat zij Jezus hier zouden ontmoeten. Jezus bejegende Lazarus bij elke ontmoeting met onderschei­ding als een bijzonder geliefde vriend, maar ik hoorde Hem toch nooit vragen: "Hoe stelt het deze of die van uw verwanten of bekenden?"

Jezus leerde op de sabbat [vrijdagavond] in parabelen die mij nu ontgaan zijn.

Kibzaïm ligt eenzaam in een berghoek verborgen en de inwoners leven van boomvruchtenteelt. Ook zijn hier vele tenten- en tapijtenwevers, maar vooral heb ik nog ner­gens zo vele zolenmakers gezien. Hedenavond hield Jezus hier nog de sabbatvoor­avond en genas verscheidene zieken door een bevel: waterzuchtigen en krankzinni­gen, die op kleine bedden tot Hem vóór de school gebracht werden. Jezus kreeg een maaltijd bij een voorname leviet.

De bruiloft te Kana zal waarschijnlijk pas over een tiental dagen beginnen, want ik zie dat men zich hier en overal in het land op een groot achtdaags feest voor­bereidt, namelijk op het inwijdingsfeest van de tempel der Maccabeeën,waarbij men talrijke lichten ontsteekt. Men was niet verplicht naar Jeruzalem te gaan om het te vieren. In mijn visioenen over de geboorte van Christus, heb ik dit feest onlangs door de H. Jozef enige dagen na de geboorte in de spelonk van de kribbe zien vieren, omdat in Jezus' geboortejaar dit feest op 7 de­cember viel.[Jezus is volgens A.C. op 25 november geboren.]

Ik vermoed dat Jezus eerst na dit feest te Kana zal zijn. Ik heb ook een voor­stelling gehad als zouden Natanael, Filippus en andere apostelen in die dagen met Jezus samenkomen. Waar, weet ik niet meer juist, maar in die dagen zal de ontmoe­ting plaats hebben.

22 december. Jezus ging na de sabbat, die Hij te Kibzaïm had doorgebracht, ‘s avonds nog naar Sikar, waar Hij laat aankwam en overnachtte in een herberg die men Hem aangewezen had. Lazarus en zijn gezelschap reisden van Kibzaïm recht naar Galliea.

Jezus te Tebez

23 december. Jezus ging de volgende morgen vroeg van Sikar noordoostwaarts naar Tebez. Te Sikar of Sikem kon Jezus niet onderwijzen [beide namen duiden dezelfde stad aan]. Er waren daar geen Joden, doch Samaritanen en nog een ander ras van volk, dat uit een gevangenschap in Babylonië of na een oorlog hierheen gekomen was. Zij gaan naar Jeruzalem ten tempel, maar zij offeren niet mee.

Bij Sikem [ten oosten ervan ligt het schone veld dat Jakob voor zijn zoon Jozef gekocht had. Een deel daarvan behoort reeds aan de Herodes van Galilea [Antipas]. Een grens is door het dal getrokken door middel van een aardwal, pad en palen.

Tebes is een stad van betekenis. Er loopt een grote verkeersweg door. Er is daar veel handel en doorgang van kamelen, hoogbeladen: het is wonderbaar om te zien hoe die hoogbeladen dieren, als kleine torens, langzaam de berg opklimmen en hoe zij gedurig hun kop op de lange hals voor de torenhoge lading wegens de inspanning op en neer bewegen. Ook drijft men daar veel handel in ruwe zijde.

De inwoners waren echt niet boos en boden Jezus geen tegenstand, maar zij waren evenmin eenvoudig en volgzaam. Zij waren lauw, onverschillig, zoals dikwijls welge­stelde kooplieden zijn. Anderzijds waren de priesters en schriftgeleerden zonder ijver, om niet te zeggen neutraal, daarbij laatdunkend en zelfvoldaan.

Bij Jezus' aankomst in de stad verhieven bezetenen en krankzinnigen hun gewone uitroep: "Daar komt de Profeet uit Galilea. Hij heeft macht over ons, Hij zal ons verdrijven." Jezus beval hen rustig te zijn en nu waren zij stil.

Jezus ging binnen in een herberg bij de synagoge. Vele mensen volgden Hem daar en men bracht ook vele zieken bij Hem. Hij genas een groot deel er van. ‘s Avonds nam Jezus hier te Tebez het woord in de synagoge: het tempelwijdingsfeest was be­gonnen en Hij vierde het mee. In de synagoge en alle huizen werden zeven lampen aangestoken. Ik zag ook buiten op het veld en op wegen bij herderswoningen kleine fakkels op hoge palen branden. Normaal begint het tempelwijdingsfeest op de avond van 24 Kislew, dit jaar 23 december. De eerste dag is 25 Kislew, dit jaar 24 dec. De achtste dag van het feest of de octaafdag zal vallen op 31 december. De 7 lampen zijn een navolging van de 7 lampen op de zevenarmige kandelaar in de tempel.

Tebez lag wonderschoon op een berg. Op enige afstand kon men de bergweg er door zien lopen en hoe de hoogbeladen kamelen langs die weg afdaalden. Van dichtbij zag men dit niet.

Oogslag op leerlingen en vrienden van Jezus

Andreas, Saturninus en Jozefs neven waren reeds van Silo naar Galilea vertrokken. Andreas was bij zijn familie te Betsaïda gegaan en had Petrus gezegd dat Hij de Messias teruggevonden had en dat Hij nu op weg naar Galilea was. "Kom mee met mij,” zei Andreas, “je moet alleszins eens bij Hem komen, ik wil je aan Hem voorstellen!" Al dezen gingen samen naar Arbela, dat ook Bet-Arbel heette en op 1 uur ligt ten noordwesten van. Nu heet het Irbid. Te Arbela haalden zij Chased [Natanaël],die daar juist zaken te verrichten had, af om met hem het feest van de tempelwijding te Gennabris te gaan vieren. Natanaël Chased had immers in die tijd zijn verblijf of kantoor te Gennabris en wel in een hoog huis dat met verscheide­ne andere huizen bij de ingang van de stad afzonderlijk gelegen was.

Zij spraken hoofdzakelijk over Jezus, en Andreas had hen opzettelijk daar naar het feest geleid, omdat hij, zoals trouwens ook de anderen, veel van Natanaël hield. Zij verlangden zijn mening te horen, doch hij zegde hun dat hij aan het hele gebeu­ren [en aan hun zogenaamde Messias] geen bijzonder belang hechtte.

Lazarus had Martha en Johanna Chusa naar Kafarnaüm tot Maria gebracht, waar deze van Kana was teruggekeerd. Vervolgens ging hijzelf weer zuidwaarts naar Tiberias, in de hoop om Jezus daar aan te treffen. Simeons zoon vergezelde hem en ook de bruidegom van Kana ging daarheen, de Heer tegemoet. Deze bruidegom was de neef van een dochter van Sobe, die een zuster was van de Heilige Anna. Hij heette eveneens Natanaël en was niet van Kana, doch na zijn huwelijk zou hij zich te Kana vestigen.

De stad Gennabris was dicht bevolkt. Een grote weg liep er door en er was veel handel en nijverheid. Vooral bloeide er de zijdehandel. Ze lag een paar uren van Tiberias, landwaarts is, doch door hoge berghellingen er van gebcheiden [530 m hoger], zodat men, om het van Tiberias uit te bereiken, eerst in zuidelijke richting moest gaan tot tussen Emmaüs en Tiberias, waar men zich weer naar Tiberias omwenden moest. Arbela ligt tussen Sefforis en Tiberias [veel dichter echter bij Tiberias].

Andreas met Petrus bij Jezus

24 december. Nog vóór het aanbreken van de dag vertrok Jezus uit Tebez en Hij ging met de leerlingen eerst oostwaarts [Hij doorkruiste de vlakte]. Zich vervolgens naar het noorden wendend, ging Hij aan de voet van de bergen in het Jordaandal in de richting van Tiberias. Hij trok door Abelmehola, een schone stad, waar het gebergte zich nu meer naar het noorden wendt. Het is de geboorteplaats van Elizeüs. Deze stad strekt zich uit op een berg en ik bemerkte het groot verschil in vruchtbaarheid tussen de noord- en de zonnekant. De inwoners waren hier tamelijk goed. Zij hadden reeds van Jezus' wonderen te Kibzaim en te Tebez gehoord. Zij hielden Hem op de weg tegen en gaven Hem hun wens te kennen dat Hij enige tijd ook bij hen zou blijven en hun zieken genezen. Het begon er uit te zien als bij een toeloop, maar Jezus vertoefde hier niet lang. Hij zette zijn weg voort en trok naast Skytopolis tussen de­ze stad en de Jordaan door. Abelmehola kan vier uren van Tebez liggen.

Toen ik Jezus van Abelmehola verder zag reizen en terwijl de andere vrienden reeds in Gennabris waren, kwamen Andreas, Petrus en Johannes bij een stadje zowat zes uren van Tiberias, de Heer tegemoet. Petrus en Johannes waren in dit gewest gekomen voor enige zaken van hun visserij. Zij wilden ook naar Gennabris gaan, maar Andreas overhaalde hen om eerst de Heer te gaan begroe­ten. Nu was het dat Andreas zijn broer tot Jezus bracht en dat Jezus tot Simon zeide: "Gij zijt Simon, Jonas' zoon, voortaan zult Gij Kefas [=Petrus] heten." Dit geschiedde heel kort in een vluchtige aanspreking. Tegen Johannes die Hem reeds langer bekend was, zegde Hij iets van een spoedig wederzien.

Hierop begaven Petrus en Johannes zich naar Gennabris, maar Andreas bleef bij Jezus. Ik meen dat zij hier nog enige tijd bij de stad bleven, die 12 uren van Tebez verwijderd kan zijn.

Oogslag op De Doper

Johannes heeft zijn doopplaats aan deze kant [westzijde] van de Jordaan verlaten. Hij is over de Jordaan getrokken en heeft zijn doopwerk voortgezet in de vijver, een uur boven Betabara, waar Jezus onlangs heeft laten dopen en waar hij, Johannes, vroeger eveneens gedoopt had. De naam van een nabije plaats ben ik vergeten. Ik herinner er me alleen de lettergreep “MA” van.

Johannes heeft hier gedoopt, hoofdzakelijk omdat vele burgers uit het land van de viervorst Filippus, die een goedaardig man was, zich wel wilden laten dopen, doch ten no­de over de Jordaan gingen, te meer omdat er vele heidenen onder hen waren. Tijdens Je­zus' laatste tocht door dit gewest, hadden vele inwoners zich door zijn woord laten bewegen om Johannes' doop te gaan ontvangen. Johannes doopte weer op dezelfde plaats waar Jezus had laten dopen, ook om te laten zien dat hij geen concurrent van Jezus was, noch onafhankelijk te werk ging, doch in goede verstandhouding met Hem leefde.

Jezus te Tarichea

25 december. Jezus kwam heden met Andreas in de nabijheid van Tarichea [stad nabij het zuidelijk punt van het Meer] en nam dicht bij het Meer zijn intrek in een huis dat tot de visserij behoorde. Ik geloof dat men daar vis verkocht of zoutte. Het verblijf was door Andreas reeds besproken, ofwel behoorde het huis nog tot de door Petrus gehuurde visserij. Jezus ging niet in de stad [die wij later even zullen beschrij­ven,wanneer Jezus er terugkeert]. De inwoners waren nog al aardsgezind, weerbar­stig en erg verslingerd op woeker en winst.

Simon [niet Petrus] had in deze stad een ambt. hij werd de Kananeër of ijveraar genoemd en was een soort van rechtsverdediger in handelsgeschillen. Hij was met Taddeüs en Jakobus de Mindere, die zijn broers waren, op het feest te Gennabris, waar ook Jakobus de Meerdere en Johannes nu waren. Thans kwamen hier tot Jezus ook Lazarus, Saturninus, Simeons zoon en de brui­degom van Kana. Deze laatste nodigde Jezus met al zijn gezellen uit op zijn brui­loft. 's Avonds vierde Jezus in het huis het feest van de lichten met gebeden.

26 december. Heden wandelde Jezus met enige leerlingen in het gebergte in de nabij­heid. Er waren hier en daar ook spelonken. Hij zonderde zich af om in de eenzaam­heid te bidden. 's Morgens en 's avonds bad Hij in het huis met de leerlingen en vierde ‘s avonds het tempelwijdingsfeest, waarbij dan lichten ontstoken werden. De hoofdreden waarom Jezus hier bij Tarichea twee dagen vertoefde was, dat Hij de toe­komstige apostelen en leerlingen de tijd wilde laten om elkander mede te delen wat over Hem verteld werd en in 't bijzonder wat Andreas en Saturninus, die vol geest­drift voor Hem waren, hen over Hem gezegd hadden, en om het met elkaar over dit on­derwerp eens te worden.

Ik zag dat Andreas, terwijl Jezus in het gewest rondging, in het huis bleef. Hij schreef brieven op repen als van boombast en gebruikte daarbij een rieten pen. Men kon het beschreven gedeelte der brieven in een gespleten stok schuiven en oprollen. In dit huis kwamen dikwijls mannen en ook jongelingen die werk zochten en nu ge­bruikte Andreas hen als bode. hij zond deze brieven aan Filippus en zijn eigen halfbroer Jonathan en aan Petrus en anderen te Gennabris. Hij liet hun er door mel­den dat Jezus naar Kafarnaüm zou komen, daar de sabbat zou houden en hij nodigde hen uit om er zich ook heen te begeven.

Jezus zou wellicht eerst op vrijdag 28 december naar Kafarnaüm vertrokken zijn, maar uit Kafarnaüm kwam een boodschap tot Andreas, waarbij hij verzocht werd Jezus te bidden om zonder uitstel te komen, omdat daar al verscheidene dagen een bode uit Kedes op Jezus wachtte. De man verlangde Jezus' hulp in te roepen [Kedes ligt 8 km ten noordwesten van het meer Merom of Hoeleh]. De bruidegom Natanael was met enige van Johannes’ leerlingen reeds afgereisd.

Jezus te Kafarnaüm

27 december. Kafarnaüm ligt niet dicht bij het Meer, maar op de hoogte en de zuidhelling van een gebergte [dat in noordelijke richting steeds maar hoger stijgt tot een niveau van 838 meter bij Safed]. Dit gebergte vormt een dal aan de westkant van het Meer, doordat het tussen zijn voet en de oever de zo beroemde vruchtbare vlak­te van Gennezareth laat bestaan langs de noordwestelijke zijde van het Meer. De volgende zin bevat een verwarring, hetzij tussen de twee Betsaïda's, hetzij tussen twee rivieren en we laten hem daarom voor wat hij is. Daar mondt de Jordaan in het Meer uit. Betsaïda echter ligt aanstonds onder de uitmonding van de Jordaan in het Meer.

Heden verliet Jezus met Andreas, Saturninus, Obed en enige van Johannes’ leerlingen het vissershuis bij Tarichea en vertrok Hij naar Kafarnaüm. Zij volgden de weg naast het Meer, gingen ten oosten van Magdalum, kwamen door het dal vóódör Kafarnaüm [de vlakte van Gennezareth] en lieten Betsaïda rechts. Zij gin­gen in kleine groepen verdeeld.

Andreas ontmoette op deze weg zijn stiefbroer Jonathan en ook Filippus, die hem op zijn schrijven, geloof ik, tegemoet gekomen waren. Zij spraken echter Jezus op deze weg nog niet aan. Zij bleven bij Andreas, achter of voor Jezus, dit weet ik niet meer duidelijk. Ik hoorde Andreas zeer vurig tot hen spreken en hun alles vertel­len wat hij van Jezus gezien had. "Dus,besloot Andreas, is Hij waarachtig de Messi­as. Indien gij Hem wilt volgen, hoeft gij Hem dit zelfs niet te vragen. Wanneer gij bij Hem komt, hebt gij maar goed op alles acht te geven! Indien gij het oprecht ver­langt, zal Hijzelf u met een wenk, met een woord aanvaarden!"

Genezing van een knaap

Nu kwam hier de man tot Jezus, die reeds twee dagen te Kafarnaüm op Hem gewacht had. Hij viel voor Jezus' voeten neer en zei dat hij de knecht van een heer uit Kedes was: "Mijn heer smeekt U er om, zei Hij, dat Gij met zijn knecht zoudt medeko­men om zijn zoontje te genezen. Het is melaats en door een stomme duivel bezeten."

Dit was een zeer trouwe knecht en hij stelde de kommer van zijn heer met gevoe­lens van oprechte deelneming voor. Jezus antwoordde hem dat Hij niet kon meegaan, maar dat Hij het zoontje toch zou genezen, omdat het een onschuldig knaapje was. Hij zei dan tot de knecht dat de heer zich met uitgebreide armen op zijn zoon moest uitstrekken en een zeker gebed doen, dan zou de melaatsheid van het kind wijken en dat daarna hij, de knecht, zich op dezelfde wijze plat op het kind moest leggen en zijn adem in zijn mond moest blazen. Er zou dan een blauwe damp van het kind uit­gaan en het zou ook van zijn stomheid genezen zijn. De overige bijzonderheden ben ik vergeten. Ook heb ik in een bijvisioen gezien hoe de vader en de knecht het kind op die manier genezen hebben.

Het bevel aan vader en knecht om zich op het zieke kind uit te strekken, had be­paalde geheime oorzaken of redenen die ik niet meer nauwkeurig weet. Dit kind was onwettig en scheen mij het natuurlijke kind te zijn van de knecht, die het op zon­dige wijze gewonnen had bij de vrouw van de huisvader, zonder dat deze het wist, maar Jezus wist het. Zij moesten beiden een schuld van het kind wegnemen, maar ik kan niet duidelijk maken op welk een geheimvolle wijze dit geschiedde.

De stad Kedes lag ongeveer zes uren ten noorden van Kafarnaüm, op de grenzen naar Tyrus toe en ten westen van Paneas of Cesarea-Filippi,aan de voet van de grote Hermon. Kedes was eertijds een kanaanietische hoofdstad en nu een vrijstad [Jos.12:22 en 20:7], waarin degenen die door het gerecht [versta:door bloedwrekers] vervolgd waren, konden vluchten en een onderkomen vinden. Ze grensde aan het gewest Kaboel, dat eertijds door Salomon aan de koning van Fenitië ten geschenke gegeven werd. Dit land vertoont zich steeds donker aan mij, akelig en onveilig. Jezus vermeed het telkens,wanneer Hij naar Tyrus en Sidon ging. Ik meen dat er moord en struikroverij gepleegd werd.

Roeping van Filippus

28 december. Op de vooravond van de sabbat [vrijdagavond] zag en hoorde ik Jezus in de synagoge leraren. De volkstoeloop was enorm en ook alle vrienden en verwanten van Jezus waren er aanwezig. Zijn leer was voor de toehoorders geheel nieuw en aantrekkelijk. Hij sprak over de nabijheid van het Rijk Gods, over het licht dat men niet onder de korenmaat mag verbergen, over de zaaier en het geloof, niet gro­ter dan het mosterdzaad [Mat. Hoofdstuk 15]. Die parabels vormden niet de gehele in­houd van zijn toespraak, doch de parabelverhalen werden met verklaringen en toe­lichting aangevuld. De parabels waren slechts de kern van zijn leer: korte voorbeel­den en vergelijkingen om er zijn leer uit af te leiden, er aan vast te knopen, om ze aanschouwelijk en vatbaar voor te stellen. Ik heb veel meer parabelen in zijn prediking gehoord dan er in het evangelie voorkomen, maar deze laatste herhaalde Hij toch het vaakst en Hij gaf er telkens [volgens de omstandigheden] een andere uitleg [en toepassing] van.

29 december. Sabbat. Op heden, zaterdag, leraarde Jezus op dezelfde wijze tot het einde van de sabbat. Nadat deze besloten was, zag ik Jezus met zijn leerlingen in een klein dal naast de synagoge gaan. Dit dal was als een wandelplaats, een oord voor afzondering. Voor de ingang en in het dal stonden bomen. De zonen van Maria van Kleofas en van Zebedeüs en ook nog andere leerlingen vergezelden Hem, maar Filip­pus, die schuchter en zeer ootmoedig was, aarzelde te volgen. Hij vroeg zich af of hij wel mocht, of Jezus het goedvinden zou dat hij meeging. Toen keerde Jezus, die voor hem ging, zich met een teken van het hoofd tot hem en zei: "Kom,volg Mij" [Joh. 1:43]. Filippus ging nu vreugdig met de anderen mede. Zij waren wel met twaalf.

Jezus onderrichtte hen nog op deze plaats onder een boom over de vereisten om Hem te volgen en aan zijn oproep te beantwoorden. Andreas was zeer blij, omdat de leerrede van Jezus op de sabbat hen allen verrukt had. Hij wenste en betrachtte buitengewoon vurig dat alle overigen even overtuigd mochten worden als hij, van Je­zus messiaanse waardigheid. Hij had het hart zo vol dat hij geen enkele geschik­te gelegenheid liet voorbijgaan om hun de omstandigheden en verschijnselen bij Jezus' doop en alle overige wonderen, waarvan hij reeds getuige was geweest, opnieuw te vertellen en plechtig te bevestigen.

Ik hoorde ook dat Jezus de hemel tot getuige nam dat zij nog grotere dingen zou­den zien en ik zag Hem ook zich met zijn hemelse Vader over zijn zending onderhou­den. Jezus sprak ook over de voorwaarden van de navolging: zij moesten bereid zijn om alles te verlaten wanneer Hij hen zou roepen. Hij wilde voor hen zorgen en zij zouden al het nodige hebben. Voorlopig mochten zij hun bedrijf nog voortzetten. Van nu tot het volgende paasfeest had Hij nog ander werk te verrichten, maar, wanneer Hij hen daarna zou roepen, moesten zij Hem onbezorgd volgen.

Zulk een verklaring deed Hij hier, omdat sommigen Hem openhartig gevraagd hadden hoe zij zich tegenover hun verwanten en familie moesten gedragen, met wier zorg zij belast waren. Zo had b.v. Petrus de moeilijkheid geopperd dat hij nu niet opeens zijn oude stiefvader, die ook de oom van Filippus was, kon verlaten. Maar Jezus ruim­de al die bekommernissen uit de weg door te verklaren dat Hij niet voor Pasen zou beginnen. Toch konden zij zich van nu af reeds onmiddellijk van hun zaken scheiden, in zover zij hun hart er aan onthechtten, hoewel zij hun bedrijf uitwendig mochten voortzetten tot Hij hen riep, konden zij nu reeds het overlaten van hun zaken aan anderen in overleg nemen.

Hierna ging Jezus met hen langs het tegenovergestelde einde uit het dal en be­gaf zich naar de woning van zijn Moeder in de groep huizen tussen Kafarnaüm en Betsaïda. De naaste verwanten van Hem volgden Hem daarheen, trouwens hun moeders waren er eveneens.

Catharina's mededelingen waren in de voorgaande dagen tamelijk schraal door hevige ziekten. Haar dood waande zij herhaaldelijk nabij en haar gewicht nam ongelooflijk af. Haar handen en voeten geleken letterlijk op die van een geraam­te, slechts met een slappe gerimpelde huid overtrokken.



» Reageer (0)
11-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 3.3
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 3.3 Van Jezus' doop tot na zijn vasten

De berg Qarantania

Van 27 oktober tot 6 december

Volgens onze zienster was alleen de berg Qarantania van het begin en einde van Jezus' vasten en bekoringen getuige.

Nog 26 oktober. Van Lazarus vergezeld ging Jezus vóór het begin van de sabbat naar de herberg van Lazarus naar de woestijn toe. Alleen aan Lazarus maakte Hij bekend dat Hij na 40 dagen terug zou komen. Uit de herberg zette Hij zijn weg alleen en blootsvoets voort. Hij ging aanvankelijk niet in de richting van Jericho, maar meer naar het zuiden, als wilde Hij naar Betlehem, als wilde Hij tussen de woonplaats van Anna's verwanten en tussen die van Jozef s verwanten bij Mizpa doortrekken. Daarna wendde Hij zich naar de Jordaan toe. Hij ging langs voetpaden, voorbij alle dorpen, en kwam ook dicht voorbij de plaats waar eenmaal de Ark gestaan had en Johannes onlangs een feest had gevierd.

Ongeveer een uur van Jericho beklom Hij het gebergte en trad Hij binnen in een ruime spelonk. Hier begon Hij zijn vasten, maar zette hem voort in een ander gebergte, dat aan de oostkant van de Jordaan ongeveer tegenover Jericho begint. Het loopt van dat punt aan de overzijde van de Jordaan tussen oost en zuid [min of meer zuidoostwaarts] naar Midian [ten oosten van de Akabische Golf].

Jezus heeft hier bij Jericho zijn vasten begonnen, heeft het in een andere woestijn over de Jordaan voortgezet en hier beëindigd, nadat de duivel Hem hier op de berg teruggeplaatst had. Deze berg biedt op zijn top een uitgestrekt vergezicht. Deze is gedeeltelijk met struikgewas begroeid en gedeeltelijk dor en kaal. Hij ligt niet zo hoog als Jeruzalem zelf [nl. 98 meter boven de zeespiegel, tegenover 780 meter], maar hij verheft zich boven een dieper grond [die bij Jericho 258 meter onder de zeespiegel is] en hij steekt er meer eenzaam en hoog boven uit. Op de berghoogte van Jeruzalem ligt de Kalvarieheuvel met de tempelgebouwen gelijk [755 meter, burcht Antonia op rotsbank ook 755 meter, tempelplein 740 en 744 meter en een tiental meters voor de gebouwen]. De Kalvarieheuvel ligt te Jerusalem [niet] het hoogst, [Sion bereikt 768 meter en 775 meter, Bezeta en Gareb 780 meter]. Naar de kant van Bethlehem, dit is ten zuiden ligt Jeruzalem duizelingwekkend steil. Aan deze kant is er ook geen ingang [heel de zuidelijke muur heeft alleen aan zijn twee uiteinden een poort] en alles is daar in die wijk met paleizen of villa's, waarvan meerdere mozaïekvloeren teruggevonden werden, bijvoorbeeld in de omgeving van het Assumptionistenklooster, bezet.

Jezus beklom ’s nachts, tussen 26 en 27 oktober, in de woestijn de steile en woeste berg die men nu Qarantania noemt. Er zijn drie toppen op die berg en drie spelonken: de ene boven de andere. Achter de bovenste spelonk waar Jezus binnentrad, viel de blik in een steile, donkere, diepe afgrond. Het gehele gebergte was vol van verschrikkelijke en gevaarlijke ravijnen.

In dezelfde spelonk had vóór 400 jaren een profeet gewoond, wiens naam me nu niet invalt. Ook heeft Elias hier eens nog al een lange tijd heimelijk gewoond. Hij heeft de ene spelonk verruimd. Zonder dat iemand wist waar hij vandaan kwam, verscheen hij dikwijls van hier uit onder het volk, deed hij voorzeggingen en bewerkte eendracht en vrede. Vóór 150 jaren hadden een vijfentwintigtal Essenen hier hun woning.

Aan de voet van die berg stond het leger van de Israëlieten, terwijl de Verbondsark onder bazuingeschal rond Jericho gedragen werd. De bron, waarvan Elizeüs het water zoet maakte, ontspringt in dit gewest, de bron bij Oud-Jericho, nu Ain es-Soel-tan geheten. De Heilige Helena heeft die spelonken tot kapellen laten inrichten. In een daarvan heb ik eens een schildering van Jezus' bekoring op de wand gezien. Later heeft daarboven ook een klooster gestaan. Ik heb me nooit kunnen indenken hoe de werklieden daar zelfs maar op geraakten.

Helena heeft zeer veel heilige plaatsen met kerken opgeluisterd. Zij bouwde ook een kerk boven het geboortehuis van de Heilige Moeder Anna, twee uren van Sefforis [namelijk te Bethlehem in Zabulon, want volgens A.C. Emmerich is zij daar geboren]. Te Sefforis zelf hadden Anna's ouders ook een huis. Ook hierboven werd een kerk gebouwd in de vierde eeuw, waarvan er nog overblijfselen bestaan.

Hoe jammer dat de meeste van die heilige plaatsen, ja, zelfs de herinnering eraan vergaan, verdwenen zijn! Wanneer ik als meisje, vóór dag en dauw in de winter door de sneeuw naar de kerk te Kebsfeld ging, zag ik al die heilige plaatsen zo duidelijk en ook zag ik dikwijls hoe sommige goede mensen, om ze te verdedigen tegen de vernielingszucht van heiligschennende, barbaarse krijgslieden, zich vóór de voeten van dezen plat op de grond lieten vallen.

Het woord in de Heilige Schrift "Toen werd Jezus door de Geest in de woestijn geleid" betekent: "De Heilige Geest die in de doop over Hem kwam, bewoog Hem om, in zover Jezus zich als mens aan de goddelijke werking overgaf en Gods leiding volgde, naar de woestijn te gaan en zich onder het oog van zijn hemelse Vader menselijkerwijze op zijn lijdenstaak en verlossingswerk, dat door lijden volbracht moest worden, voor te bereiden.

Vasten: eerste en tweede dag

27 oktober. Sabbat. Ik zag Jezus in de spelonk met uitgestrekte armen knielen en zijn hemelse Vader vurig smeken om kracht en troost tegen die berg van lijden die voor Hem oprees. Hij zag zijn gehele lijden voorop [dus nu reeds zoals in de Olijfhof] en Hij bad om de nodige genaden voor iedere pijn. Ik had dit visioen van twee uur tot een kwartier vóór vijf in de morgen. Het was zo rijk aan inhoud en bijzonderhe­den, het leerde mij zoveel, als had ik er een jaar lang op geschouwd. Ik zag alle kom­mer, alle lijden van Jezus tot zijn dood toe in beelden weergegeven. Geheel overwel­digd smeekte Hij dringend tot Zijn Vader om kracht, en ik zag Hem ook troost, ver­sterking en verdiensten voor elke smart ontvangen.

Ik zag een witte lichtwolk, zo groot als een kerk, over Hem nederdalen en na zijn verschillende gebeden naderden tot Hem meerdere slanke, geestelijke gestalten, die in zijn nabijheid een menselijke gedaante kregen. Deze eerden Hem en brachten Hem een troost of een belofte, een hoopvol vooruitzicht: wat en hoe ik alles zag is mij onuitsprekelijk. Ik zag dat Jezus hier in de woestijn alle troost, alle hulp, alle zegepraal in de bekoringen voor ons verwierf, de verdiensten van onze strijd en ze­gepraal betaalde, de waarde van onze verstervingen en vasten voorbereidde. Ik zag dat Hij hier al zijn toekomstige arbeid en lijden aan God de Vader opofferde, om de latere arbeid in geest en gebed van allen die in Hem geloven zouden, verdienstelijk te maken. Ik zag zelfs de gehele schat, die Jezus voor zijn Kerk daardoor won en grondvestte en die door de Kerk in de veertigdaagse vasten geopend wordt. Ik zag Jezus gedurende dit zijn gebed bloed zweten en ikzelf bevond mij tij­dens dit visioen aan hoofd en borst met bloed overstroomd. De dag brak toen aan.

28 Oktober. Heden daalde Jezus van de berg af naar de Jordaan toe, tussen Gilgal [hoogveld Gilgal] en Johannes' doopplaats die zowat een uur meer zuidelijk lag. Op een vlot dat hier in het water lag, zette Hij zichzelf over de Jordaan op deze smalle en diepe plaats, die ik vroeger niet kende. Hij ging op de oostzijde van de Jordaan, liet Betabara rechts, kruiste verscheidene verkeerswegen die naar de Jordaan liepen en trok langs bergpaden door woeste streken zuidoostwaarts het geberg­te in.

Hij kwam door een dal dat naar Kallirroë loopt, ging over een riviertje en richtte zich op een gebergte weer noordwaarts tot tegenover Jahsa [Jachza], dat beneden in het dal ligt. Hier hebben de Israëlieten de Amorietenkoning Sihon verslagen [Num. 21:21-26]. In die veldslag waren er [in verhouding] slechts drie Israëlieten tegen zestien vijanden, doch er gebeurde een wonder. Er kwam een schrikwekkend ge­druis over de Amorieten, dat hun de moed benam.

Jezus bevond zich hier op een zeer woeste berg, nog ruwer dan de berg bij Jeri­cho, waar hij ongeveer tegenover ligt en dit op ongeveer negen uren van de Jordaan. Hier zal Jezus veertig dagen vasten. Hier heeft Hij weer reeds gebeden en al het lijden dat Hem te wachten stond, in al zijn omvang en hevigheid gezien. satan is nog niet bij Hem geweest. De Godheid en zending van Jezus zijn Hem volstrekt verbergen. De woor­den: "Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen schep" heeft hij slechts als van een begenadigd mens, een profeet, verstaan. Nochtans is Jezus reeds dikwijls en op ve­lerlei wijze inwendig zeer beangstigd geworden. De eerste bekoring was: "Dit volk is zo bedorven. Moet Ik dat alles voor hen lijden en toch mijn werk niet voleindigen?" [mijn doel onvolkomen bereiken? Zie Jes.49,4]. Doch Jezus had met een oneindige liefde en barmhartigheid de bekoring overwonnen en dit in het zicht zelf van zijn eindeloze smarten!

In de Bergspelonk bij Jachza

29 oktober. Derde dag. Ik zag Jezus in de wildernis in een enge bergspelonk in het gewest van Jachza. Geknield volhardde Hij in voortdurend gebed. Hij zag naar omhoog en sprak tot zijn hemelse Vader: ik zag hoe Hem hier alle zonden van de wereld voor de ogen kwamen, alsook het verval van de mensen van het eerste begin af. Dit kwam als zware dichte onweerswolken over Hem en Hij zag alles wat Hij daarvoor te lijden zou krijgen, wat er gewonnen zou worden, wat er verloren zou gaan. Er kwamen ook weer engelen tot Hem.

Ik zag satan rondsluipen. Hij naderde tot de ingang van de spelonk en hij maakte gerucht. Hij kwam in de gedaante van een zoon der weduwen, die door Jezus bijzonder be­mind werd. Hij dacht dat Jezus er zich aan zou ergeren dat de leerling Hem tegen zijn verbod in gevolgd was. Dit was zeer belachelijk en dom voor satan. Jezus zag niet eens naar Hem om. satan keek naar binnen en kraamde een hoop leugens uit aan­gaande Johannes de Doper, die, naar zijn zeggen, zeer boos op Jezus geworden was omdat hij vernomen had dat Hij hier en daar liet dopen, ofschoon dit zijn zaak niet was.

30 oktober. Vierde dag. A.C. Emmerich verhaalt niets over deze dag.

Jezus lijden wordt hem getoond

31 oktober. Tot vier uur in de morgen duurde mijn nachtelijk visioen. Het geschiedde als volgt. Ik kwam tot Jezus in de spelonk. Ik zag ze thans ruimer, want giste­ren had ik Jezus slechts van bij de ingang gezien. Er was in de spelonk een gat, waardoor een ruwe, koude wind binnenwaaide. In deze tijd van het jaar was het hier zeer koud en nevelig. De spelonk was ruw en van rots en ook de grond zeer ongelijk. Ze was van bontgeaderde steen. Gepolijst zou ze er als geschilderd uitgezien heb­ben. De rots of heuvelhelling waarin de spelonk was, was in de omtrek met enig struik­gewas begroeid. Ook lagen daar rotsstukken die er bijna als struikgewas uitzagen. De spelonk was zo ruim dat Jezus op een plaats kon knielen en liggen zonder zich on­der de opening te bevinden.

Op het ogenblik van mijn aankomst in de spelonk lag Jezus op zijn aangezicht. Ik stond lang bij Hem en bekeek zijn blote voeten. Zijn kleed reikte slechts tot zijn enkels. Ze zagen rood en waren door de ruwe wegen gewond,want hij had barrevoets de woestijn doorkruist. Ik zag Jezus zich nu eens oprichten, dan weer op zijn aangezicht liggen bidden. Ik kon alles zien, want Hij was omgeven door licht.

Opeens daalde van de hemel een gedruis en stroomde er een vloed van licht de spelonk binnen en in dat licht daalde een talrijke schare engelen af, die aller­hande voorwerpen en werktuigen droegen. Ik voelde mij overweldigd en zo tegen de rotswand geklemd, dat ik er mij als ingedrukt voelde, met een gewaarwording alsof ik verzonk begon ik dan te roepen: "Ik verzink! Ik zal hier naast mijn Jezus verzinken."

Hierop werd ik wakker,ontstak mijn licht,hoorde de klok slaan en beschouwde dan in wakende toestand het volgende. De engelen bogen zich voor Jezus, vereerden Hem en vroegen Hem of zij hun op­dracht mochten vervullen. Zij vroegen Hem ook of het nog zijn wil was voor de mensen als mens te lijden, zoals dit zijn wil was geweest, toen Hij uit de schoot van zijn hemelse Vader neerdaalde om het vlees in de schoot der H. Maagd aan te nemen.

Nadat Jezus had toegestemd en zijn lijden opnieuw aanvaard had, richtten de engelen een hoog kruis voor zijn ogen op, waarvan zij bij hun aan­komst de stukken uiteengelegd droegen. Dit kruis was in de vorm, zoals ik het altijd zie, en wel uit vier stukken bestaande, zoals ik in mijn gezichten steeds de kruis­wijnpersen zie. Het bovenste deel van de kruisstam namelijk, dat tussen de beide ingezet­te armen omhoogstak, was ook een afzonderlijk stuk. Ik geloof zowat 25 engelen daar­bij gezien te hebben. Vijf droegen de onderste stam van het kruis, drie het bovendeel, drie de linker- en drie de rechterkruisarm, drie de blok waarop zijn voeten stonden, drie droegen een ladder, een andere een korf met allerhande touwen en gereedschappen en de overigen droegen de speer, het riet, de gesels, de doornenkroon, de nagelen en ook al zijn spotklederen. Ja, alle foltertuigen die in zijn lijden zouden voorkomen.

Dit kruis was als hol. Men kon het opendoen zoals een kast en deze was in al haar delen met ontelbare, veelsoortige foltertuigen opgevuld, doch in het midden, waar Jezus' Hart gebroken en doorstoken werd, zag men een dooreenvlechting van alle moge­lijke zinnebeelden en voorstellingen van pijnen. Deze waren daar door de meest ver­scheidene werktuigen uitgedrukt en ook de kleur van het kruis was op dat punt die van bloed: het liet de aangrijpendste en smartelijkste indruk na. De overige delen en plaatsen van het kruis waren, volgens de aard en graad van het voorgestelde lijden, verschillend en smartelijk gekleurd en aan die kleur was te zien welke pijn daar geleden zou worden.Alle smarten liepen uit al die plaatsen in stralen naar het Hart. Ook de werktuigen waren op al die plaatsen het zinnebeeld en als de belicha­ming van de daar te lijden toekomstige pijnen. Zo waren er ook vaten met gal en azijn in het kruis, doch ook zalven, mirre en iets als reukkruiden, die waarschijnlijk op zijn dood en begrafenis betrekking hadden.

Bovendien hingen er een menigte van lange, ontvouwde rollen in, ter breedte van een hand en eveneens verschillend gekleurd, waarop allerlei smarten en folterwerken geschreven stonden. De kleuren duidden de verschillende graden en soorten van duis­ternis aan, die door zijn lijden moesten verhelderd, verlicht en verdreven worden. Het zwart was datgene wat verloren ging. Het bruin was het troebele, het dorre, het onverschillige, het gemengde en vuile. Het rood was het zware, aardse, zinnelijke. Het geel het verwijfde, laffe, pijnschuwende.

Er waren ook halfgele en halfrode stroken bij, die allebei wit moesten worden. Tenslotte was er ook een menigte witte banen in het kruis, zo wit als melk, en het geschrift dat er op schitterde. Deze laatste waren doorschijnend en betekenden wat gewonnen, voltooid en volmaakt was.

Al deze gekleurde banen waren als de rekening, als de som van Jezus' verschillen­de smarten, moeiten, inspanningen en werken, die Hij in zijn omgang en wedervaren met de leerlingen en andere mensen zou moeten doormaken. Ook werden Hem al die mensen getoond, van wie hij het meest geheime, Hem alleen bekende lijden te verduren zou krijgen: de kuiperijen van de Farizeeërs, het verraad van Judas en de wreedheid van de Joden bij zijn smadelijke, bittere dood.

Dit alles ontvouwden de engelen voor de ogen van de Zaligmaker in volgorde, met een onuitsprekelijke eerbied en een priesterlijke plechtigheid. Nadat nu dit lij­densdrama met al zijn bijzonderheden aan de Zaligmaker getoond en beschreven was, zag ik Hem en de engelen wenen. Daarna trokken de engelen zich terug en ik werd verplaatst in een visioen, waarin ik met de arme zieltjes in aanraking kwam.

1 november. Nieuwe maan. Niets over Jezus medegedeeld.

2 november. De zevende dag. Bij de Heer komend, zag ik Hem in gebed op de grond liggen. De duivel had opeenvolgend de verschijningen van zeven tot negen leerlingen naar de berg gezonden. Zij kwamen een voor een in de spelonk en zegden dat Eustachius hun medegedeeld had dat zij Hem hier zouden vinden. Zij hadden Hem zo angstvol ge­zocht. Zij baden Hem zichzelf hierboven toch niet geheel te ondermijnen en hen niet te verlaten. Er werd zoveel in zijn nadeel gepraat. Hij mocht zijn goede naam niet zo laten bezwadderen, maar moest zich komen rechtvaardigen. Jezus antwoordde hier niets anders op dan: "Wijk van Mij, satan, het is nu de tijd daartoe niet." En hier­op verdwenen zij allen.

3 november. Sabbat. Ik zag de Heer in gebed in de spelonk op zijn aangezicht liggen. Vervol­gens afwisselend knielen, rechtstaan en ook wel eens op zijn zijde lig­gen. Ik zag een zeer zwakke, afgematte, eerbiedwaardige grijsaard moeizaam de berg opklimmen. Hij scheen het zo lastig te hebben en zo afgemat te zijn. Ik kreeg er werkelijk medelijden mede. Hij naderde de spelonk en met een luide zucht van ver­moeidheid zonk hij bij de ingang van de grot ter aarde neer en lag in onmacht. Het smartte me bijna dat Jezus hem niet hielp. Jezus bezag hem niet eens. De oude richtte zichzelf wederom op en zegde tot Jezus dat hij een Esseen van de Karmelberg was. Hij had van Hem gehoord en was Hem ten koste van dodelijke vermoeidheid hier komen opzoeken. hij bad Jezus even naast hem te willen zitten en hem een onderhoud over heilige onderwerpen toe te staan. Bidden en vasten was trouwens niet zo eenvoudig. Hij wist er alles van, maar als er twee in God tezamen waren, dan sticht­te en hielp de een de ander en ook de vruchten waren groter. Nog meer andere dingen stotterde hij. Jezus dreef deze duivel met deze paar woorden op de vlucht: “Wijk, satan, nu is het de tijd niet." Eerst nu zag ik dat het de duivel geweest was, want ter­wijl hij zich omwendde en uit de voeten maakte, zag ik hem duister en woedend worden. Ik kon me niet weerhouden te lachen, omdat hij zichzelf had laten vallen en alleen, zonder hulp weer had moeten opstaan.

satan kende de Godheid van Christus niet en hield Hem voor een profeet. Wel had hij zijn heiligheid vanaf zijn jeugd gezien en ook de heiligheid van zijn Moeder, op wie zijn verleidingen geen pak hadden, daar zij er niet de minste aandacht aan schonk. De duivel vond geen aanknopingspunt in haar en kon niets met haar beginnen. Zij was de schoonste Maagd en vrouw en had nooit bij weten minnaars gehad, behalve bij haar uit­huwelijking in de tempel, toen haar toekomstige man haar door het lot of het wonder van de takken aangewezen moest worden.

Omdat Jezus er niet een farizese strengheid in bijkomstige gebruiken jegens zijn leerlingen op nahield, bracht dit de boze vijand op een dwaalspoor. Daardoor hield hij Hem voor een mens, omdat Hij bij zijn leerlingen menige nalatigheid, die de Joden ergerde, door de vingers zag. Daar hij Jezus dikwijls ijverig had gezien, wilde hij Hem on­langs door de naar hier gekomen leerlingen in onrechtmatige verontwaardiging bren­gen. Daar hij Hem barmhartig had gezien, wilde hij Hem in de verschijning van een grijsaard, die van zwakheid in zwijm valt, ontroeren en als een Esseen met Hem rede­twisten en een onderhoud over geestelijke zaken voeren.

4 november. Ik zag een lichtwolk bij de spelonk hangen, waarin ik alle aangezichten on­derscheidde. Er gingen engelen uit de wolk, die, toen ze te voorschijn kwamen,een menselijke gedaante aannamen. Zij naderden tot Jezus, troostten en versterkten Hem.

5 november. Ik zag Jezus in de spelonk uitgestrekt op zijn aangezicht liggen. Ik zag Hem ook geknield en staande bidden [Drie gebedshoudingen die de oosterlingen in het gebed regelmatig aannemen]. Ondertussen zag ik engelen tot Hem in- en uitgaan.

6 november. Ik zag Jezus in de spelonk op zijn zijde te gronde liggen rusten en de verschijning van de Esseen Eliud bij Hem binnengaan. Het was satan en meteen vernam ik dat hij moest weten dat het kruis onlangs aan Jezus voorgesteld geworden was, want hij zegde Hem dat hij door een openbaring te weten gekomen was welk een berg van lijden en zware strijd Hem getoond waren. Het was duidelijk dat Hij zoveel leed het hoofd niet zou kunnen bieden. Om een vasten van veertig dagen uit te houden zou Hij evenmin in staat zijn. Uit liefde tot Hem was hij derhalve naar hier geko­men om Hem nog een keer te zien en om, met zijn goedvinden, deze eenzaamheid met Hem te delen. Ook wilde hij zich belasten met een deel van zijn belofte of voorgenomen vasten. Jezus sloeg op dit alles geen acht, maar Hij stond op, strekte de handen ten hemel en bad: "Mijn Vader, in de hemel, neem deze bekoring van Mij weg!” Hierop zag ik satan knarsetandend onder een akelige gedaante verzwinden.

Nu knielde Jezus en zette Hij zijn gebed voort, doch na enige tijd zag ik drie jongelingen naderen, die, althans twee daarvan, Hem op zijn eerste reis uit Nazareth naar Hebron vergezeld hadden,maar dan weer van Hem weggegaan waren. Deze gasten naderden vreesachtig, vielen voor Jezus neder en klaagden dat zij geen rust konden vinden, noch ooit vinden zouden, totdat Hij hun ontrouw vergeven zou hebben. Zij smeekten Hem zich over hen te erbarmen, hen weer aan te nemen en hen tot boete voor hun afvalligheid met Hem te laten vasten. Zij wilden voortaan zijn trouwste leerlingen zijn. Zij klaagden en jankten erbarmelijk en gingen in de rui­me spelonk rond Hem, terwijl zij voort een onbedaarlijk gejank lieten horen. Jezus stond op, verhief zijn handen, smeekte tot God en zij verdwenen.

Nu knielde Jezus en zette Hij zijn gebed voort, doch na enige tijd zag ik drie jongelingen naderen, die, althans twee daarvan, Hem op zijn eerste reis uit Nazareth naar Hebron vergezeld hadden,maar dan weer van Hem weggegaan waren. Deze gasten naderden vreesachtig, vielen voor Jezus neder en klaagden dat zij geen rust konden vinden, noch ooit vinden zouden, totdat Hij hun ontrouw vergeven zou hebben. Zij smeekten Hem zich over hen te erbarmen, hen weer aan te nemen en hen tot boete voor hun afvalligheid met Hem te laten vasten. Zij wilden voortaan zijn trouwste leerlingen zijn. Zij klaagden en jankten erbarmelijk en gingen in de rui­me spelonk rond Hem, terwijl zij voort een onbedaarlijk gejank lieten horen. Jezus stond op, verhief zijn handen, smeekte tot God en zij verdwenen.

7 november. In mijn visioenen zag ik Jezus in de spelonk geknield bidden en satan in een schitterende kleding aan de zeer steile oostzijde van de rots, als op de lucht gedragen omhoog zweven. Aan die zijde was er geen ingang, doch slechts enige gaten in de wand van de spelonk. Jezus zag niet naar satan die een engel wilde voorstellen, doch bij zulke verschijningen is zijn licht nooit doorschijnend, maar als buiten er op gesmeerd of geschilderd en zijn kleding maakt een indruk van stijfheid, terwijl het gewaad der engelen licht,waaiend en doorzichtig schijnt.

Hij zweefde in de ingang van de spelonk en zei tot Jezus: "Ik ben door Uw Vader gezonden om U te troosten." Jezus keek niet naar hem om. Dan verscheen hij weer bij een opening van de spelonk aan de gans ontoegankelijke oostzijde en zei tot Je­zus dat hij Hem nu zou tonen dat hij een engel was, aangezien hij hier in de hoogte om de rots kon zweven. Maar Jezus gunde hem geen blik. Hierop werd satan in de hoog­ste mate grimmig en deed alsof hij Jezus door de opening met zijn klauwen wilde vastgrijpen, maar ook nu gunde Jezus hem geen blik. Hierop versomberde zijn gedaante. Hij werd afschuwelijk en verdween.

8 november. Heden zag ik Jezus in een knielende houding bidden in de spelonk.

9 november. Heden nacht zag ik Jezus in de spelonk, nu liggend,vervolgens knielend en dan weer in staande houding bidden. Ik heb het grootste gedeelte van de nacht in de spelonk aan de zijde van Jezus geknield en gebeden. Ik heb een zware en vreselijke nacht achter de rug. Het was zo koud, zo guur op de berg, het stormde en er viel regen en ijselijk zag ik de zonden van de gehele wereld en ook mijn eigen bedorvenheid. Ik zag de bedroevende toestand van de Kerk en het verval in velerlei opzicht van haar priesters. Ik zag de onbeschrijfelijke genaden en hulpmiddelen die Jezus hier verdiende en ons ge­schonken heeft. Ik had een duidelijk begrip van al wat Hij reeds voor ons gewonnen had door zijn vasten en strijd in de woestijn in deze eerste dagen. Ik voelde me totaal verpletterd en vermorzeld en ik had daarbij een hartverscheurend medelijden met Jezus naast mij en een diep besef van mijn eigen zondigheid. En toch, in al die smarten kon mijn lafheid van tijd tot tijd de gedachte niet onderdrukken: "Waarom zegt Jezus mij geen woord? Waarom zegt Hij me niet: sta op?" Inder­daad, het gevoel van mijn ellende blies mij de gedachte in dat het niet was om uit te houden. Toen ik nu het geduld bijna verloor, zegde Hij me toch dit éne woord: "Geduld!" Maar hoe verkwikte het mij! Ik bleef daar nog een tijdlang liggen en voelde al de guurheid van het weer, de afgrijselijkheid van de woestijn en de smar­ten van mijn Jezus.

Dan bereikte me dwars door de koude een warm briesje en ik ervoer iets heel bij­zonders: er zweefden drie zielen in de spelonk naar mij toe. Bij elke ziel waren twee engelen. Zij dankten mij voor mijn lijden dat hen geholpen had en zij verdwe­nen. In de spelonk herkende ik ze, maar nu ken ik ze niet meer.

Ik ben nog vol miserie. Er werd mij ook bevolen te bidden tot afwending van aller­lei rampen die op handen zijn en die ik zag en wel bijzonder wegens gemengde hu­welijken, waaruit, zoals het mij getoond werd, onnoemelijke onheilen voor de Kerk te allen tijde voortvloeien.

10 november. Sabbat. Ik zag Jezus, zoals vroeger, in de spelonk, deels liggend, deels knielend, deels al staande bidden. Hij is in zijn gewone kledij, maar deze hangt wijd en los. Hij draagt geen gordel en is blootsvoets. Zijn mantel, gordel en een paar tassen die de Joden gewoonlijk dragen, liggen naast Hem op de grond. Ook Hijzelf gaat menigmaal ter aarde liggen. Hij eet noch drinkt. Hij heeft ook dikwijls aan­vallen van honger, maar de engelen verkwikken Hem geestelijkerwijze. Er komt dan een lichtwolkje tot Hem en het stroomt als een dauw in zijn mond.

De veertig dagen in de woestijn is een geheimvol getal en heeft, evenals de veertig jaren van de Israëlieten in de woestijn, betrekking op iets wat ik me nu niet herinner.

Dagelijks is Jezus gebedswerkzaamheid nieuw. Dagelijks verdient Hij ons nieuwe genaden, verschillend van die welke Hij reeds bekwam. Het vorige komt niet meer terug. Zonder deze arbeid en overwinning van Jezus zou onze weerstand tegen de bekoringen nooit verdienstelijk hebben kunnen worden.

11 november. Heden zag ik Jezus in verschillende houdingen bidden, zoals tot nog toe.

12 november. Ik zag satan in de gedaante van een oude, geheel verwaarloosde kluizenaar van de berg Sinaï naar Jezus in de spelonk komen. Hij klom met grote inspanning de berg op, was half naakt, geheel haveloos en had slechts huiden om het lijf han­gen. Hij droeg een lange baard, maar zijn aangezicht verried iets vals en listigs. Hij vertelde tegen Jezus dat een Esseen van de Karmelberg bij hem was geko­men en hem over Zijn doop, wijsheid en wonderen, en nu laatst over Zijn streng vas­ten gesproken had. Daarom had hij, niettegenstaande zijn hoge leeftijd, de zo lange reis naar hier tot Hem ondernomen. Hij wenste nu een geestelijk gesprek met Hem te hebben, want hij was een ervaren asceet, geoefend in de versterving. Daarom meende hij dat Jezus nu reeds genoeg gedaan had en het daar bij mocht laten. Ontbrak er eventueel nog iets aan, dan nam hij dat gaarne voor zijn rekening. Hij zegde nog vele dingen in dezelfde zin. Maar Jezus keek eenvoudig ter zijde en zei: "Wijk van Mij, satan." Hierop zag ik satan verduisteren en als een zwarte bal met gekraak van de berg neerrollen.

Ik vroeg mijzelf toen inwendig af hoe het mogelijk was dat de duivel vol­strekt niet wist dat Christus God was en ik bekwam daarover wonderbare en verrassen­de verklaringen. Ik dacht na hoe ik er in zou slagen deze duidelijk uiteen te zetten, maar helaas, ik heb er nog eens te weinig van onthouden. Toch zag ik zeer duidelijk het onbegrijpelijk nut voor de mensen van satan en dat zij het niet wisten en dat zij het moesten leren geloven. Een van de woorden die de Heer zei, heb ik onthouden: "De mens heeft niet geweten dat de slang die hem verleidde, satan was. Daarom mag ook satan niet weten dat God zelf het is, die de mens verlost." Dan kreeg ik hierover ook zeer schone taferelen te zien en ik zag ook dat satan de Godheid van Christus niet eerder te weten kwam dan toen Hij de zielen uit het voorgeborchte der hel verloste.

13 november. Niets medegedeeld.

14-16 november: wegens ziekte niet in staat tot enige mededeling.

17 november. Sabbat. Ik heb in al deze dagen Jezus in verschillende houdingen in de spelonk zien bidden en vasten. De nadere omstandigheden ben ik vergeten. De spelonk is niet op de hoogste top van de berg gelegen.

18 november. Heden zag ik satan in de gedaante van een voornaam man uit Jeruzalem naar de spelonk van de biddende Zaligmaker komen. Hij zei dat hij kwam uit loutere belangstelling in Hem en uit sympathie voor zijn zaak, daar hij wel wist dat het zijn zending was de vrijheid voor de Joden te heroveren. Hij vertelde Hem ook alle geruch­ten en meningsverschillen die te Jeruzalem over Hem in omloop waren. Hij kwam nu om zijn zaak te steunen. Hij hoefde slechts met Hem naar Jeruzalem mede te gaan en hei­melijk bij hem in het paleis van een der Herodessen te wonen. Ik geloof dat satan die Herodes bedoelde, wiens vrouw door Herodes Antipas, die te Kallirroë woonde, ge­schaakt was. Het leek me dat de gedaante, waaronder de duivel verscheen, deze was van een beambte van deze Herodes. Daar kon Jezus zijn leerlingen heimelijk verzamelen en van daar uit een begin maken met de uitvoering van zijn plannen. Hij moest dus nu maar aanstonds met hem meegaan. Dit alles betoogde hij aan Jezus zeer uitvoerig. Jezus zag niet naar hem om, maar bad vurig en ik zag satan terugwijken, zijn gedaante akelig worden en uit zijn neus vuur en damp komen, waarop hij verzwond.

19 november. Ik was stervensziek. Van 's avonds af en de hele nacht bevond ik mij ononderbroken in beschouwing van Jezus in de spelonk.

20 november. Ik zag geheel Jezus' lijden als een boom vóór zijn ziel oprijzen. Zelf geheel overstelpt van smarten en kwalen zag ik hoe aan Jezus geheel zijn toekomstig lijden met alle onderdelen tot aan de kruisiging toe in wonderbare afbeeldingen voorgesteld werd. Ik zag bij die voorstellingen het kruis, zoals altijd, van vijf verschillende houtsoorten gemaakt en de armen er in gevoegd. Onder iedere arm was een wig of spie ingeslagen en op de stam was een steunblokje voor de voeten. Het stuk van de stam boven het hoofd voor het titelbordje was er apart opgezet, want de stam was eerst te laag om er de titel op te plaatsen,indien men wilde dat hij bo­ven het hoofd uitstak.

Ik zag dit alles in een wonderbaar en betekenisrijk visioen. Ik zag daarbij aller­hande geheimenissen en veranderingen [van de zelfstandigheid van brood en wijn] in het Heilige Sacrament. Ik geloof dat ook Jezus die geheimenissen zag, want ik zag engelen bij Hem en deze vereerden ze. Gedurende dit visioen ontwaakte ik af en toe onder de verschrikkelijkste pijnen en telkens als ik weer in slaap [extase] viel om op­nieuw met Jezus te lijden, was ik blij.

24 tot 27 november. Sabbat. In al deze dagen zag ik Jezus in de spelonk in gebed en vasten volharden en ik verenigde mij met Hem in gebed, versterving en bestrijding van mijn kleinmoedigheid, ongeduld en gramschap.

28 november. Heden zag ik dat engelen in vele taferelen aan Jezus de ondankbaarheid van de mensen toonden, hun ongeloof, spot, haat en hoon, het verraad van de apos­tel, de verloochening door vrienden en vijanden tot zijn dood toe, en al wat na zijn dood van zijn arbeid en lijden verloren zou gaan. Hij zag dit alles in beel­den en van angst en schrik en zweette Hij water en bloed. Tot troost toonden zij Hem daartegen al wat gewonnen zou worden. Zij wezen met hun handen naar de beelden.

29 november. Heden zag ik Jezus afgemat in strijd en droefheid bij het zien van het verlies van zo vele zielen, bij het zien van zijn vergeefse pogingen om ze te redden.

30 november. De zienster zag Jezus heden wederom in een bekoring. Hij begon meer honger te krijgen en voornamelijk dorst. Ik zag Hem weliswaar, enige malen verkwikt worden door engelen, doch nooit eten of drinken. Ook zag ik Hem nooit bui­ten de spelonk. Hij scheen niet magerder geworden, maar uiterst bleek. Ik zag de satan in de gedaante van een oude, vrome kluizenaar tot Hem naderen en Hem zeggen: "Ik heb zo’n geweldige honger, ik bid U, geef me toch van de vruchten die daar voor de spelonk op de berg staan, want ik wil er geen van plukken zonder dit eerst aan de eigenaar te vragen. Hij deed alsof hij Jezus voor de bezitter van de vruchten aanzag. "Laten wij daarna, vervolgde hij, samen over heilige onderwerpen zitten spreken." Niet bij de ingang, maar aan de andere zijde, aan de oostkant, stonden op enige afstand vijgen en een soort van vruchten als noten, doch met zachte schalen, gelijk de mispelen er hebben, granaatappelen en ook bessen.

Jezus antwoordde: "Wijk van Mij, je bent een leugenaar van het begin af en laat geen schade op de vruchten na." Toen zag ik de kluizenaar in een kleine donkere gedaante, een boog beschrijvend, over de berg wegvluchten en een zwarte damp van zich afgeven. Ik wist niet dat hij schade op vruchten kon nalaten. Ik dacht vroeger dat hij alleen stank naliet.

In verband met het feest van de apostel Andreas op heden, zegde zij: Andreas is heden bij een broer of halve broer geweest, die hij, benevens Petrus, nog had en die ook een leerling geworden is. Andreas sprak met hem en verkeerde in een droevige stemming. Sinds Jezus naar de woestijn gegaan was, hadden droefheid en angst hem niet verlaten. Hij vroeg zich kommervol af of hij Hem nog weerzien zou en hij worstelde tegen zijn twijfel. Hierover sprak hij met zijn halfbroer Jonathan.

1 december. Sabbat. satan kwam ook in de gedaante van een reiziger tot Jezus en vroeg Hem of Hij niet van de verlokkende, sappige druiven wou eten, die daar in de nabijheid stonden. Ze schenen zo goed te zijn tegen de dorst. Jezus antwoordde niet en keek zelfs niet eens in zijn richting.

2 december. De volgende dag bekoorde hij Jezus op dezelfde wijze met een bron.

3 december. Heden middag zag ik satan tot Jezus in de spelonk naderen. Hij kwam als een kijk- of panoramakundige en zei dat hij tot Hem kwam als tot een hooggeleerde aan wie hij een staaltje van zijn eigen kunst wou laten zien. Hij moest maar eens, als het Hem beliefde, in zijn kijkapparaat zien. Het hing aan zijn hand. Het was een soort kaleidoscoop en geleek op een grote bol of liever nog meer op een ronde vogelkooi. Jezus zag niet naar hem om, keerde hem de rug toe en ging buiten de spe­lonk. Dit was de eerste keer dat ik hem deze zag verlaten.

Ik heb gezien wat er in die kijkkast was. Men zag daarin een rijke weelderige natuur. De blik verloor zich in allerliefste, overheerlijke tuinen, vol dicht en lom­merrijk groen en gebladerte, op rijk beladen vruchtbomen met zeldzaam grote, sappig gezwollen druiven en daartussen zag men koele bronnen. Alles vertoonde zich dichtbij, als lag het voor het grijpen, en dit in zulk een verscheidenheid en afwisseling, dat het ene al schoner en verlokkelijker was dan het ander. Maar Jezus keerde satan de rug en aanstonds week de boze geest.

Dit was nogmaals een bekoring om Jezus zijn vasten te doen onderbreken, want nu begon Hij grotere honger en dorst te voelen dan ooit in de vorige dagen. satan weet helemaal niet dat hij met Jezus te doen heeft. Hij kent wel de voorzeggingen over Hem en voelt ook dat die geheimzinnige man van God macht op hem heeft, maar hij weet toch niet dat Hij God is, dat Hij de Messias is, wiens werk en zending niet verhinderd kunnen worden, daar hij Hem ziet vasten, de bekoring verduren en honger lijden. Daar hij Hem zo arm en in vele dingen zo lijdend, zo echt men­selijk ziet, blijft Jezus' Godheid hem verborgen. Satan is hierin gedeeltelijk zo verblind als de Farizeeërs. Hij houdt Hem dus enkel voor een heilig mens die hij heel zeker kan bekoren en tot val brengen.

De drie grote bekoringen

4 december. Ik zag Jezus lastig gevallen en hevig bekoord worden. Hij leed grote honger en dorst [God beschikte het zo dat zijn mensheid, wellicht door vermindering van gevoelige troost, de honger meer dan kwellend voelde]. Ik zag Hem verscheidene malen buiten de spelonk. Tegen de avond zag ik satan als een grote sterke man naar Je­zus komen. Ik zag dat hij aan de voet van de berg twee stenen van de grond opnam en er mee naar boven ging. Ze hadden de lengte van kleine broden, met dit verschil dat ze hoekig waren, doch ik zag dat satan hun, terwijl hij de berg opging, tussen zijn handen de vorm van echte broden gaf. Tot Jezus binnentredend zag hij er ui­terst verbeten uit. In ieder hand zulk een steen houdend sprak hij tot Jezus na­genoeg als volgt: "Gij hebt gelijk geen vruchten te willen eten, want ze prikkelen de eetlust slechts nog meer. Indien gij Gods geliefde Zoon zijt, op wie de Geest bij de doop is neergedaald, verandert Gij dan deze stenen, waaraan ik reeds de vorm van broden gegeven heb, in werkelijke broden." Jezus zag naar satan niet om. Ik hoorde Hem slechts deze woorden zeggen: "De mens leeft niet van brood." Alleen deze woor­den heb ik duidelijk verstaan of onthouden. In het evangelie staan er nog andere, die mij bijgevolg waarschijnlijk ontgaan zullen zijn, want ik zag satan woedend worden [en mijn aandacht was op hem gevestigd]. Hij stak zijn klauwen naar Jezus uit en op dit moment zag ik de beide stenen op zijn armen liggen. Hierop vloog hij weg en ik moest er om lachten dat hij zijn stenen had moeten meenemen.

5 december. De volgende dag tegen de avond zag ik satan in de gedaante van een machtige engel met groot gedruis naar Jezus komen toezweven. Zijn uitrusting en kleding geleek op die van een krijgsman, zoals ik gewoonlijk de H. Michael zie verschijnen, maar steeds kan men dwars door zijn grootste glans iets donkers en akeligs ontdekken. Met grootspraak zegde hij ongeveer het volgende tot Jezus: "Ik wil u tonen wie ik ben en wat ik vermag en hoe de engelen mij op hun handen dra­gen. Kijk, daar ligt Jeruzalem. Zie de tempel, ik wil U op zijn hoogste punt plaat­sen. Van daar kunt Gij tonen wat Gij vermoogt en of de engelen ook U naar beneden zullen dragen." Terwijl hij in die richting wees, was het alsof ik Jeruzalem en de tempel dicht voor de berg zag liggen, maar ik geloof dat dit maar een voorstelling [in de verbeelding] was.

Jezus gaf hem echter geen antwoord en satan vatte Hem bij de schouders en droeg Hem door de lucht naar Jeruzalem. Hij zweefde op geen grote hoogte en daar plaatste hij Jezus op het hoogste van een tempeltoren. Er stonden vier zulke torens aan de vier hoeken van de omheiningsgebouwen. Tot nog toe had ik op die torens niet gelet. Deze toren stond aan de westzijde van de tempelberg, tegenover de brug Antonia.

De tempelberg viel daar zeer steil af. Die torens waren als gevangenissen. In een er van werden de kostbare gewaden van de hogepriester bewaard. Boven waren die torens plat, zodat men er op rond kon gaan, want in het midden van dat terras verhief zich een hol, kegelvormig torentje, dat van boven met een grote bol eindigde, ruim genoeg opdat twee mensen er in konden staan. Vandaar zag men de gehele tempel onder zich.

Op dit hoogste punt van de toren werd Jezus, die niets zei, door satan nedergezet. Nu vloog satan van boven naar beneden en riep Jezus van op de grond toe: "Indien Gij Gods Zoon zijt, toon nu uw macht en daal naar beneden, want er staat geschreven: Hij zal zijn engelen bevel geven U op hun handen te dragen, opdat Gij U aan geen steen zou stoten." Toen sprak Jezus: "Er staat ook geschreven: gij zult uw Heer niet op de proef stellen."

Nu kwam satan razend tot Hem terug en Jezus zei hem: "gebruik de macht die u gegeven is." Hierop vatte satan Hem weer zeer grimmig bij de schouders vast en vloog met Hem over de woestijn naar Jericho toe. Op de toren staande, zag ik in het westen schemerlicht aan de hemel. satan scheen me ditmaal langzamer te vliegen. Ik zag hem in de hoogste mate woedend en vol haat. Ik zag hem met Jezus nu hoog, dan laag vliegen, op en neder zwenkend, zoals iemand die zijn woede wil koelen, zich wreken, maar zwakker is dan zijn vijand en niets vermag. Hij droeg Jezus terug op dezelfde berg, zeven uren van Jeruzalem, waar Hij zijn vasten aangevangen had.

Ik heb gezien dat satan met Jezus dicht boven de grote oude terpentijnboom vloog, waarvan ik de onlangs herkende relikwie in mijn bezit heb. Deze geweldig grote boom staat in de vroegere tuin van een Esseen, die eertijds hier gewoond had. Ook Elias heeft zich hier enige malen opgehouden. Die boom stond achter de spelonk, niet ver van de steilste helling. Aan zulke bomen worden driemaal in het jaar insnijdin­gen aangebracht, waaruit dan balsem druipt, telkens in een mindere hoeveelheid.

satan plaatste de Heer op de hoogste spits van de berg, op een overhangende, on­toegankelijke klip, die nog hoger is dan de spelonk. Het was reeds nacht, doch terwijl satan om zich heen wees, was het klaar waarheen hij wees en men zag de wonderbaar­ste gewesten van de wereld in alle richtingen. De duivel sprak Jezus nu ongeveer toe als volgt: "Ik weet het, Ge zijt een groot leraar en Gij wilt nu leerlingen verzamelen om Uw leer te helpen verspreiden. Zie al die heerlijke landen daar liggen. Zie welke machtige volkeren daar leven en zie hoe hier dichtbij Judea zo klein en onbeduidend is. Ga liever naar die heerlijke landen, ik geef ze U allemaal, indien Gij neerknielt en mij aanbidt."

Met dit aanbidden bedoelde de duivel een gebruikelijke vernedering, waaraan de Joden en vooral de Farizeeërs zich voor hoge personen en koningen gaarne onderwierpen, wanneer zij iets van hen verkrijgen wilden. De duivel had hier maar een verwijderde, onrechtstreekse bekoring voor, gelijk toen hij onder de gedaante van een hofbeambte van Herodes uit Jeruzalem tot Jezus kwam en Hem naar Herodes' paleis ontbood, onder voorwendsel Hem daardoor in zijn onderneming te steunen.

Terwijl satan aldus rondwees, zag men grote landen en zeeën, vervolgens vele steden, waarin koningen met pracht en praal triomfantelijk binnenrukten aan het hoofd van grote legers en te midden van hun hovelingen. Men zag dit alles zo duidelijk, alsof men er bij was, ja, nog duidelijker. Men voelde zich werkelijk overal bij tegenwoordig en als het ware in die landen verplaatst. Elk tafereel, elk volk onderscheidde zich door eigen glans en pracht, zeden en gebruiken.

satan roemde de hoedanigheden van ieder volk in het bijzonder en wees bij voorkeur naar een land waar prachtmensen woonden,die door hun grootte op reuzen geleken, ik meen dat het Perzië was [waar inderdaad nu nog grote mensen wonen]. Hij raadde Hem boven alles aan zijn leer daar te gaan verspreiden, niet in dat onbedui­dend, onooglijk Palestina. Dit was een zeer wonderlijk tafereel: men zag zo veel en zo klaar, alles was zo schitterend en prachtig. Jezus antwoordde niets dan deze woorden: "Gij zult God, uw Heer, aanbidden en Hem alleen dienen, wijk van Mij, satan!" Op dit woord zag ik satan zich in een onbeschrijflijk gruwelijke gestalte van de rotsberg wegpakken, in de diepte neerstorten en verdwijnen als verslond hem de aarde.

Jezus door de engelen gediend

Toen verliet Hem de duivel, en zie, de engelen naderden en dienden Hem [Mat. 4: 11]

Aanstonds hierop zag ik een schaar engelen tot Jezus naderen en voor Hem neerbuigen. Zij namen Hem, ik weet niet op welke wijze, als op hun handen en zweefden met Hem zachtjes van de rots naar de spelonk waarin Jezus zijn veertigdaagse vasten begon­nen was.

Hij werd door 12 engelen neergedragen, die vergezeld waren van andere die­nende engelen ook in een bepaald getal. Ik weet niet zeker of er in totaal 72 engelen waren, maar ik ben toch geneigd het te geloven, want de gehele tijd herinner­de de voorstelling mij aan het getal apostelen en leerlingen. [Iedere voorname engel had 5 of 6 ondergeschikte engelen. In het eerste geval waren zij gezamenlijk met 72. In het tweede geval met 12 en 72 in getal].

Er werd nu in de spelonk al een dank- en een zegefeest met een maaltijd ge­vierd. Ik zag de engelen de spelonk van binnen met wijngaardranken bekleden. Ze ging van boven open en door het geopend gewelf daalde een zegekroon van groen op Jezus neder.

Dit alles geschiedde in de volmaaktste orde en met feestelijke plechtigheid. Alles was zinnebeeldig, schitterend en spoedig voltooid. Wat met een bepaalde bedoe­ling geplaatst of gebracht werd, schikte zich naar die bedoeling en breidde zich uit overeenkomstig zijn bestemming. De voorwerpen, die de engelen nodig hadden, kwamen vanzelf in hun handen op het ogenblik dat zij die verlangden en beantwoordden vol­komen aan hun doel.

De engelen brachten ook een tafel, die aanvankelijk maar klein was, maar die zich snel uitbreidde en met hemelse spijzen bedekt werd. De spijzen en borden wa­ren van hetzelfde soort als die welke ik steeds op de hemelse tafelen zie. En ik zag Jezus en de 12 engelen en ook de overige engelen hun deel van deze tafel krij­gen. Maar het was geen eten met de mond, en toch een innemen en een genotvol over­gaan van een geestelijk voedsel in de etenden, die genoegens, verkwikkingen en gaven ontvingen. Het was alsof de innerlijke betekenis van de spijzen en vruchtengestal­ten in hen overging. Zo iets is echter onuitsprekelijk.

Aan het einde van de tafel stond afzonderlijk een lichtende, grote kelk en klei­ne bekers er omheen, allemaal van dezelfde gedaante als die, welke bij de instelling van het Heilig Sacrament gebruikt werden, doch ze waren groter en minder stoffelijk. Er stond daar ook een bord met gelijke, dunne broodkoeken. Ik zag dat Jezus uit de grote kelk in de bekers goot, stukjes van het brood daarin doopte en dat de engelen die ontvingen en wegbrachten. Met deze handeling eindigde dit zegefeest en Jezus verliet de spelonk en daalde af naar de Jordaan.

De engelen die Jezus kwamen dienen, verschenen in een verschillende vorm. Vol­gens hun rangorde was ook hun kleding verschillend. De engelen die op het einde het brood en de wijn wegbrachten, waren in priesterkleding. Op hetzelfde ogenblik zag ik nu allerlei wonderbare troost komen op hen die nu Jezus' vrienden waren of het later zouden worden. Emmerich zag Jezus aan de H. Maagd te Kana in een visioen ver­schijnen en haar troosten. Ik zag Lazarus en Martha ontroerd en met liefde tot Je­zus vervuld. Ik zag de zwijgzame Maria door een engel met de gave van de tafel des Heren werkelijk gespijzigd worden. Ik zag die engel bij haar en hoe zij die gave met de grootste eenvoud ontving. Zij had ook al het lijden en de bekoringen van Je­zus in de geest ononderbroken gezien. Zij ging geheel in die beschouwing en in dit medelijden op zonder zich te verwonderen [als overkwam er haar iets vreemds].

Ook Magdalena onderging een heilzame ontroering. Zij smukte zich juist op en kleedde zich aan voor een feest, toen een schielijke angst wegens haar zondig leven en een geheim verlangen naar redding haar overviel. Ook wierp zij haar pronk gewaad en sieraden op de grond, zodat zij door haar omgeving uitgelachen werd. Vele van de latere apostelen zag ik ook met troost en heilige begeerten vervuld worden. Ik zag Natanaël in zijn woning aan alles denken wat hij van Jezus gehoord had. Deze herinnering ontroerde hem ten zeerste, maar ik zag hoe hij die gedachten weer van zich afzette.

Petrus, Andreas en alle overigen werden insgelijks getroffen en gesterkt. Het was een zeer wonderlijke en rijke beschouwing, waarvan ik me maar de weinige genoemde bijzonderheden meer herinner.

Maria en Johannes De Doper in die tijd

In het begin van de vasten van Jezus verbleef Maria in haar huis bij Kafarnaüm. In de wereld ging het toen gelijk nu. De menselijke zwakheid blijft eeuwig dezelfde. Praatzieke vrouwen uit de buurt kwamen tot Maria en onder voorwendsel haar te troos­ten, legden zij Jezus te laste dat Hij overal rondzwierf. Niemand wist waar, Hij was overal. Hij verwaarloosde zijn Moeder, terwijl het toch zijn plicht was zijn ambacht uit te oefenen, om, nu Jozef er niet meer was, voor zijn Moeder te zorgen.

In het algemeen werd er nu door heel het land veel over Jezus gesproken. Het won­der bij zijn doop, het getuigenis van Johannes en de verhalen van de uiteengegane leerlingen, alles werkte samen [en het een bevestigde het ander] om de aandacht op Jezus te vestigen. Slechts nog eenmaal, namelijk na Lazarus' opwekking uit de dood, kort vóór Jezus' dood, was het gepraat over Hem zo algemeen en veelvuldig.

De H. Maagd was droevig gestemd en verdiept in gedachten, want tijdens elke afwe­zigheid van Jezus kon zij een zekere vrees, vermoedens en medelijden niet van zich afzetten. Tegen het einde van die 40 dagen was Maria te Kana in Galilea, bij de ou­ders van de bruid van Kana. Het zijn voorname lieden en als stadsoverheden. Zij bewo­nen een schoon huis, bijna in het midden van de stad, die net gebouwd is. Een straat die, denk ik, van Ptolemaïs komt, ziet men van de naburige hoogten naar Kana af da­len. [Kana is door heuvelen ingesloten en heeft alleen een uitzicht in het noord-noordwesten]. De weg doorkruist de stad, die niet zo wanordelijk en ongelijk gebouwd is als vele andere.

De bruidegom trouwt binnenkort hier in het huis. Ze bezitten nog een ander huis in de stad, dat zij, gans ingericht, aan hun dochter zullen geven. De H. Maagd woont er nu in. De bruidegom is bijna even oud als Jezus. Hij is, geloof ik, een toegebrachte zoon van een der drie weduwen van Nazareth [nl.Mara]. Hij is geen van hen die eens met Jezus naar Hebron gingen. Hij is als een huisvader bij zijn moeder en bestuurt het huishouden voor haar. Nu is hij eveneens te Kana. Ik geloof dat hij later zijn schoonvader in diens bedrijf zal helpen. Die goede mensen raadplegen de H. Maagd bij het regelen van de zaken van hun kinderen en leggen alles voor haar bloot. Maria geeft ook raad aan de bruid die een bevallig meisje is, ik zie haar thans, doch gesluierd, bij de bruidegom in tegenwoordigheid van anderen.

Ik zag Johannes gedurende deze tijd ononderbroken doorgaan met dopen. Herodes ge­troostte zich alle moeite om Johannes tot zich te doen komen en ook zond hij boden tot hem om hem over Jezus uit te horen. Johannes behandelde hem nog onveranderlijk met dezelfde geringschatting en herhaalde zijn vroegere getuigenis over Jezus.

Ook zijn weer afgezanten uit Jeruzalem bij hem geveest om hem over Jezus en hem­zelf te ondervragen. Johannes antwoordde, zoals altijd, dat hij Hem te voren nooit met zijn lichamelijke ogen gezien had, maar gezonden was om zijn weg te bereiden.

Ik zag dat Johannes sedert de doop van Jezus telkens opnieuw herhaalde dat het water door Jezus' doop en door de H. Geest die op Jezus nedergedaald was, nu gehei­ligd was, en dat zeer veel kwaads uit het water geweken was. Dit was geschied, toen het zwarte beeld of de wolkgedaante van satan en het menigvuldig ongedierte zich aan mij vertoonde. Dit ongedierte zag ik in die wolk binnendringen op het ogenblik dat de H. Geest op de Gedoopte Jezus nederdaalde. Zijn doop had het uitwerksel gehad van een duivelbezwering. Jezus liet zich dopen opdat het water geheiligd zou worden, want Hij had de doop niet nodig. De doop van Johannes was hierna zuiverder en heiliger. Daarom werd Jezus, zoals ik zag, in een nieuwe aparte vijver gedoopt. Daarom zag ik Johannes water uit deze vij­ver in de Jordaan leiden en in de algemene doopvijver overbrengen, en ik zag Jezus en de leerlingen om dezelfde reden van dit water meenemen om op verdere plaatsen er mede te dopen.

Qarantania, of de berg van Jezus’ vasten

Qarantania, in 't arabisch Qarantal! Zo noemt men nu algemeen en wel reeds sedert de 12de eeuw de berg bij Jericho, waar Jezus volgens een aloude traditie veertig dagen in absolute afzondering en algeheel vasten doorgebracht heeft. Wij weten dat de zienster een andere voorstelling geeft, waaruit eens te meer blijkt dat zij in al­les origineel en van niets, hetzij traditie of apocriefen of andere meningen, af­hankelijk is. In haar voorstelling echter heeft Jezus hier zijn vasten begonnen en geëindigd en de laatste definitieve zegepraal op de duivel behaald.

Op deze berg verbleef Jezus onder de dieren, zegt de Heilige Marcus, waardoor hij te verstaan wil geven dat de berg buitengewoon woest was, geen verblijf voor mensen, maar voor hyena's en andere wilde dieren die in Jezus' tijd nog talrijk waren. Hier is echter ook niet af te leiden dat A.C. Emmerich de evangelist tegenspreekt, want hij bepaalt geen enkele berg, en daar niemand Jezus' verblijf in die dagen kende, zijn later misschien slechts weinigen of zelfs niemand te weten gekomen waar Hij zich opgehouden had en dat Hij reeds de tweede dag van berg veranderde. De evangelisten zijn overigens niet geneigd om in duizenden bijzonderheden te treden.

De naam Qarantania wordt bij uitbreiding ook soms gegeven aan het gebergte dat naar Midden-Palestina opwaarts loopt en dat wij met Catarina tot nog toe de woestijn van Jericho en ook van Efraïm noemden. Deze woestijn is het meest noorde­lijk gedeelte van de beroemde affreuze woestijn van Juda, die zich in het zuiden tot voorbij de Dode Zee verlengt. Naar het Westen echter gaat de bodem snel opwaarts,ter­wijl hij oostwaarts verschrikkelijk steil naar de vlakte van Jericho afdaalt.

Reeds in de eerste eeuwen van het christendom trok het heilig karakter van de berg met zijn vele grotten en cellen talrijke kluizenaars aan, zodat er kunstmatige grotten bijgebouwd moesten worden. In de vierde eeuw geleek deze ontoegankelijke en onbewoonbare berg op een volkrijke stad. Hij droeg toen de naam Doeka, die dezelfde naam schijnt te zijn als de bijbelse naam. Doch, deze schijnt nog voort te leven in de naam van de bron Ain ed-Doek, die ontspringt aan de noordoostelijke voet van de berg.

In 1874 kwam Qarantania in de handen van Orthodoxe Grieken. Zij bouwden er in 1895 een oud vervallen kloostertje tot een ruim klooster uit. Het verheft zich anderhalve kilometer ten Westen van oud-Jericho of Teil es-Soeltan. Van op deze heuvel gezien, schijnt het klooster schilderachtig aan de berg opgehangen te zijn tegen de rotswand. Het bevindt zich bij een groep grotten, waarvan één sedert de vierde eeuw beschouwd wordt als de spelonk van Jezus' veertigdaagse vasten. Ze bevindt zich vóór het klooster en achter een kapel, die de Grieken in 1902 bouwden.

De berg is vol grotten: wanneer men aan de voet van de berg noordwaarts gaat, be­merkt men in de oostelijke wand 30 à 40 grotten, hetzij natuurlijke, hetzij kunstmatige. In de zuidelijke wand, langs en boven de wadi Denoen en Retina zijn de spelonken niet minder talrijk.

Een smal bergpad leidt naar het klooster en de spelonk van het vasten langs duizelingwekkende diepten. Vóór de bouw van het nieuwe klooster was dit pad niet alleen moeilijk, maar zelfs gevaarlijk: de trappen die van afstand tot afstand aan­gebracht waren, soms gebroken en overal in slechte staat, boden nauwelijks enige vastheid aan de beklimmer. Een verkeerde stap kon hem in de afgrond storten. De dappere pelgrim Mislin waagde het in 1848 nauwelijks tot bij de grot op te klimmen.

De grot tussen klooster en kapel is vanaf de vroegste eeuwen tot kapel ingericht. De fresko’s op haar binnenwanden, waar nog sporen van overblijven [en door Emmerich gezien en vermeld zijn], dateren uit de 12e eeuw, toen kanunniken van het Heilig Graf in het be­zit van de berg waren. In deze grot immers laat een traditie Jezus zijn vasten doorbrengen.

Een Vlaams priester-pelgrim beschrijft zijn bestijging van de berg en bezoek aan de grot als volgt: "Wij vangen de beklimming aan van die kegel van 348 m hoog. De helling is steil als een zoldertrap. Wie onderhevig is aan hoofdduizelingen sluit bij die gelegenheid liever maar de ogen. Na een half uur pijnlijk zwoegen komen wij 200 meter hoog op een rotsvlak. Onze paarden dampen van het zweet en komen als uit het water de termometer wijst 35 graden aan. Nat van het zweet komen wij eindelijk bij een gaanderij [of terras] met een staketsel afgezet en we treden binnen in een rotska­mer. Het klooster was nog niet vernieuwd. Vol heilig verlangen klimmen wij langs een trap naar de heilige spelonk op en lezen daar geknield het evangelie van de bekoring. Men ziet er nog een fatsoenlijke schilderij die de bekoring voorstelt. Deze spelonk is nagenoeg vierkant met zijden van ongeveer 3 meter. Na het voldoen van onze godsvrucht kloppen wij aan bij de Griekse paters, rusten een weinig en bege­ven ons op het balkon, waar wij een prachtig vergezicht genieten op de uitgestrek­te vlakte van Jericho en de naburige bergen.

Wij zien honderd nissen, hetzij in de rots gehouwen,hetzij door de natuur gemaakt. Wij bedanken de gastvrije monniken en beginnen af te dalen. Bij onze paarden gekomen nemen wij die bij de toom en ke­ren te voet op onze stappen terug.

Ik daalde te voet af, zegt ook Mislin, want de laatste helling van de berg naar de vlakte is zeer steil. Ik bezag nog de hooggelegen spelonken in de bergwand, de ene boven de andere, beschermd door een kleine muur en toegankelijk gemaakt door in de rots gehouwen trappen en paden. Ra­ven zweefden krassend er omheen."

Het staat vast dat de kruisvaarders in die bepaalde berg de berg van Jezus' vasten herkend hebben. Dit blijkt bijvoorbeeld uit twee handvesten van de Patriarch Wilhelmus, waarvan het ene de kanunniken van het H. Graf in 't begin van de twaalde eeuw in het bezit stelde van de heilige berg Qarantania en het ander in 1136 hun de tienden van Jericho toekende tot onderhoud van het klooster en zijn bewo­ners en hun kerk. Sedertdien wordt deze berg met de heilige grot nagenoeg in alle bedevaartsoorkonden vermeld.

Maar, zo redeneert hij verder, het is zeker dat de kruisvaarders deze mening of lokalisering niet zelf uitgevonden hebben, maar dat zij een bestaande en algemeen aanvaarde traditie overgenomen hebben. Deze was bewaard gebleven dankzij de monni­ken, die vanaf de eerste eeuwen de berg bewoond hebben en in navolging van Christus daar een leven van gebed, vasten en duivelbestrijding zijn komen leiden.

De naam alleen "berg van Jezus' vasten," Qarantania, heeft een zekere bekoorlijk­heid en wekt de belangstelling op. Hij verheft zich bijna of loodrecht vlak tegenover de ruïneheuvel van het oude Jericho, teil es-Soeltan, op een afstand van nog geen anderhalve kilometer. Zijn top bereikt 492 m boven de Dode Zee, 323 meter boven Oud-Jericho, 98 meter boven de Middellandse Zee. De oostflank is totaal kaal en in scherpe tegenstelling met de groene, waterrijke oaze van Aïn Doek aan de noordoostelijke voet van de berg.

Onder de talrijke grotten is die van Jezus' vasten natuurlijk de vermaardste. Ze bevindt zich nagenoeg op het zuidelijke einde van de bergblok, waar deze zich boven een diepe ravijn naar het westen wendt. Om ze te bereiken moet men tot halverwege de helling opklimmen langs een in de rotswand gehouwen pad, dat vroeger zeer moeilijk en gevaar­lijk was, maar nu verbreed en bruikbaar.

Aan alle zijden is de berg om zo te zeggen ontoegankelijk. Ten westen, wegens de lange,hoewel afdalende hellingen en heuvelen en diepe wadi Soeëinit, ten noorden door die van Maqoeq en Roemman, ten oosten door de steile hel­ling, ten zuiden door de Denoen en Retmeh en verder in dezelfde richting door de el-Qelt. Ook werd hij nooit bewoond, tenzij door luipaarden, hyena’s, andere wilde dieren en eremijten. Onder dezen zijn vooral bekend en vermaard: de Heiligen Chariton, Elpidius, Eus-tacius en Enesius. In de achtste eeuw kwam een monnik en wonderdoener, met name Stefanus uit het klooster Mar Sabas, hier een vasten van veertig dagen doorbrengen.

Vermeldenswaardig in verband met deze berg is dat aan zijn noordoostelijke voet zich een synagoge bevindt. In september 1918 kwamen de fundamenten en een mozaïekvloer ervan, door de inval van een Turkse obus, bloot te liggen. Ze lag op een hoogte. Dit laatste wordt door A.C. Emmerich verzekerd, omdat dit met synagogen dikwijls het geval was, ook al lagen er ze min of meer eenzaam bij. Van op de bergtop overziet men geheel de helling van de Palestijnse bergketen tot haar rug toe.

Onder de talrijke grotten is die van Jezus' vasten natuurlijk de vermaardste. Ze bevindt zich nagenoeg op het zuidelijke einde van de bergblok, waar deze zich boven een diepe ravijn naar het westen wendt. Om ze te bereiken moet men tot halverwege de helling opklimmen langs een in de rotswand gehouwen pad, dat vroeger zeer moeilijk en gevaar­lijk was, maar nu verbreed en bruikbaar.

Aan alle zijden is de berg om zo te zeggen ontoegankelijk. Ten westen, wegens de lange, hoewel afdalende hellingen en heuvelen en diepe wadi Soeëinit,ten noorden door die van Maqoeq en Roemman, ten oosten door de steile hel­ling, ten zuiden door de Denoen en Retmeh en verder in dezelfde richting door de el-Qelt. Ook werd hij nooit bewoond, tenzij door luipaarden, hyena’s, andere wilde dieren en eremijten. Onder dezen zijn vooral bekend en vermaard: de Heiligen Chariton, Elpidius, Eustacius en Enesius. In de achtste eeuw kwam een monnik en wonderdoener, met name Stefanus uit het klooster Mar Sabas, hier een vasten van veertig dagen doorbrengen.

Vermeldenswaardig in verband met deze berg is dat aan zijn noordoostelijke voet zich een synagoge bevindt. In september 1918 kwamen de fundamenten en een mozaïekvloer er van door de inval van een Turkse obus bloot te liggen. Ze lag op een hoogte. Dit laatste wordt door A.C. Emmerich verzekerd, omdat dit met synagogen dikwijls het geval was, ook al lagen er ze min of meer eenzaam bij. Van op de bergtop overziet men geheel de helling van de Palestijnse bergketen tot haar rug toe.


» Reageer (0)
10-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 3.2
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 3.2 Van Jezus' doop tot na zijn vasten

Jezus bij de voorlaatste halte van Maria

Op 11 oktober ging Jezus met zijn leerlingen een paar uren verder en kwam aan een hofstede, die de voorlaatste herbergplaats was geweest van Maria op haar reis naar Bethlehem en die er ongeveer vier uren van verwijderd kon zijn. Er kwamen Hem mannen uit het huis tegemoet. Zij wierpen zich voor Hem op de weg neer om Hem in hun huis uit te nodigen. Op de verdere weg werd het huis van Jozefs verwanten niet bezocht. Zij hielden alleen nog een halte te Qatamin en zo is de hofstede te Q. Madadi Maria's voorlaatste rustplaats op haar reis naar Betlehem.

Jezus werd in dit huis met grote vreugd ontvangen. Deze mensen gingen bijna dagelijks naar de prediking van Johannes en kenden het wonder van zijn doop. Er werd Hem een maaltijd opgediend en ook een warm bad aangeboden; ook hadden zij voor Hem een mooi slaapvertrek gereed gemaakt. Jezus onderrichtte hen als naar gewoonte.

De vrouw die hier vóór dertig jaren de H. Familie geherbergd had, leefde nog. Zij woonde alleen in het hoofdgebouw en de kinderen woonden daarnaast en lieten haar de spijzen brengen. Na zich gebaad te hebben, ging Jezus ook tot deze vrouw. Zij was blind en sedert verscheidene jaren geheel ineengekromd. Jezus sprak tot haar over de barmhartigheid en de gastvrijheid, over de onvolmaakte werken en de eigenbaat en verklaarde haar dat haar tegenwoordige ellende een straf daarvoor was. De vrouw was zeer ontroerd, bekende haar misslagen en Jezus genas haar. Hij beval haar om zich in het water te leggen waarin Hij zich gewassen had. Toen kreeg zij het licht van haar ogen terug en werd kaarsrecht en weer volkomen gezond, doch Hij legde haar het stilzwijgen daarover op.

Deze mensen hier vroegen Hem in vertrouwen wie nu de grootste was, Hij of Johannes? Hij antwoordde: "Degene van wie Johannes getuigenis aflegt!" Zij brachten het gesprek ook op Johannes' ijver en sterkte en op Jezus' schone en krachtige gestalte. Maar Jezus antwoordde: "Nog eer drie jaren verlopen zijn, zult gij geen gestalte of schoonheid meer aan Mij ontwaren, ja, Mij zelfs niet meer herkennen. Zodanig zal ten gevolge van folteringen en mishandelingen mijn Lichaam misvormd zijn!"

Hij sprak van de kracht en de ijver van Johannes als van iemand, die vóór de aankomst van de Heer aan het huis van de slapenden aanklopt, als van iemand die een weg door de woestijn baant, opdat de koning er zijn intocht zou kunnen doen, als van een stroom die zijn bedding reinigt.

Zie het Lam Gods

12 oktober. 's Morgens bij het aanbreken van de dag ging Jezus met zijn leerlingen [en ook nog gevolgd door een groep mensen die zich bij hem gevoegd hadden] naar de Jordaan toe, die van hier drie uren, zo niet meer, verwijderd kon zijn. De Jordaan vloeit hier in een twintig kilometer breed dal, dat aan weerskanten wel een half uur omhoog stijgt. De steen van de Verbondsark in de omsloten plaats, waar onlangs het feest was geweest, lag omtrent een uur van Johannes' doopplaats, wanneer men recht naar Jeruzalem ging. De hut van Johannes bij de twaalf stenen lag in de richting van BetaRaba, iets meer naar het noorden dan de steen van de Verbondsark. De twaalf stenen lagen een half uur van de doopplaats in de richting van Gilgal. Gilgal ligt op de westzijde der hoogte, waar deze weer een weinig afdaalt naar de beek toe die uit de bron van oud-Jericho komt.

Van Johannes' doopvijver had men op de beide oevers opwaarts, die zeer vruchtbaar waren, een mooi uitzicht. De vlakte van Jericho was om haar vruchtbaarheid vermaard en ook de vlakte van Moab, aan de overzijde, is in 't algemeen vruchtbaar. Deze echt verrukkelijke en vruchtbare streek, vol vruchtbomen en rijkdom, was bij het Meer van Galilea. Hier en rondom Bethlehem was meer landbouw, meer kweek van doerra, knoflook en komkommers en ten slotte meer weiden.

Jezus was reeds voorbij de steen van de Verbondsark en kwam door een dalopening op een plaats voorbij, waar men Johannes, die een kwartier van daar bij zijn hut juist stond te leren, een korte tijd in de verte kon zien. Jezus was hier voor de Doper niet langer dan een paar minuten zichtbaar. Maar Johannes werd door de Geest aangegrepen. Hij wees op Jezus en riep uit: "Ziet het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt."

Jezus trok voorbij. Zijn leerlingen gingen in groepen, deels voor en deels achter Hem. De groep die zich het laatst bij Hem had aangesloten, was de laatste. Het was in de vroege morgen. Zeer vele mensen kwamen op de woorden van Johannes naar de plaats gelopen, maar Jezus was reeds voorbij. Zij riepen Hem nog met lofwoorden achterna, doch Hij verdween uit hun gezicht.

Op het verzoenfeest, zo vervolgt Brantano,vervloekte de Hogepriester in de tempel een bok, na hem met zijn eigen zonden en met die van het hele volk beladen te hebben.. en liet hem naar de woestijn jagen. Het ligt voor de hand dat de Doper deze handeling en ceremonie voor ogen had en zeggen wilde: deze is de ware bok, het Lam dat de zonden der wereld werkelijk wegneemt. Bij Hem is het meer dan een afbeeldsel. De gelijktijdigheid of quasi-gelijktijdigheid van Johannes woorden met die ceremonie, werpt een verrassend licht op Johannes' woorden: Ziet het Lam van God, enz… Bij hun terugkeer zegden die mensen tot Johannes dat Jezus door een ganse menigte nagelopen werd. Zij hadden ondertussen vernomen dat zijn leerlingen reeds gedoopt hadden. Zij vroegen dus wat daaruit zou voortkomen? Johannes herhaalde hun nogmaals: "Om voor Jezus te wijken, zal ik spoedig deze plaats verlaten, want mijn enige zending is het geweest zijn voorloper en knecht te zijn." Dit scheen zijn leerlingen volkomen onbillijk. Zij waren afgunstig op de leerlingen van Jezus.

Jezus richtte zich nu naar het noordwesten, liet Jericho rechts en begaf zich naar Gilgal, dat een paar uren van Jericho kon liggen. Op deze weg heeft Hij in menig gehucht vertoefd. de kinderen hadden Hem onder het zingen van zijn lof onderweg vergezeld en andere waren in de huizen gelopen om hun ouders te gaan halen.

Jezus te Gilgal

De gehele hoger gelegen vlakte, die zich boven het diepe dal van de Jordaan verheft en doorsneden en besproeid wordt door beken die in de Jordaan vloeien, heet Gilgal. Zijn uitgestrektheid is wel vijf uren in de omtrek. Maar de stad Gilgal, waartoe Jezus tot de avond naderde, strekt zich verspreid en door vele tuinen onderbroken, in de lengte wel een uur ver uit naar de kant van de verblijfplaats van de Doper.

Eerst ging Jezus voor de stad in een omsloten heilige plaats, waarin men profeten en beroemde leraars liet binnenkomen: hier was het de plaats waar Josuë aan de kinderen van Israël iets bekend maakte, wat Mozes vóór zijn dood aan hem en aan Eliëzer geopenbaard had. Het waren 6 vervloekingen en 6 zegeningen [Deut. 11: 29; 27: 12-26; Jos. 8: 30-35. Ook de besnijdenisheuvel van de Israèlieten [Jos.5: 2-3] met een eigen muur omringd, lag nabij deze plaats.

Naar aanleiding daarvan werd mij de dood van Mozes getoond. Hij stierf op een kleine, steile heuvel, die in de schoot van het gebergte Nebo tussen Arabië en Moab ligt. Het Israëlische leger lag in een wijde omtrek verspreid. Slechts enige afdelingen hadden post gevat verder het dal in, dat de heuvel omgaf. Die heuvel was geheel met een gewas als loof overdekt, alsook met korte, kroezige struiken, zoals de jeneverstruik groeit. Mozes moest zich aan deze struiken vasthouden om op de top te geraken. Josuë en Eliëzer vergezelden hem. Ik weet niet meer alles wat met hem gebeurde. Ik meen dat hij een visioen had van God, dat de anderen niet zagen. Hij overhandigde aan Josuë een rol, waarop zes vervloekingen en zes zegeningen geschreven waren, die hij in het Beloofde Land aan het volk bekend moest maken. Na hen vervolgens omhelsd te hebben,beval hij hun weg te gaan en niet meer om te zien. Nu knielde hij met uitgestrekte armen neer en zonk hij op zijn zijde ter aarde. Ik zag deze onder hem opengaan en hem daar als in een schoon graf omsluiten. Toen Mozes bij Jezus' gedaanteverandering op de Tabor verscheen, zag ik hem van deze plaats naar die berg komen. Josuë las de zes zegeningen en vervloekingen voor aan het volk.

Te Gilgal wachtten vele vrienden van Jezus op Hem in een herberg, waar zij Hem ontvingen. Lazarus, Jozef van Arimatea, 0bed, een zoon van de weduwen van Nazareth en zijn gezellen. Anderen wasten de voeten van de Heer voeten en dienden hem een verkwikking toe.

Jezus hield voor een talrijke verzameling, waarvan velen voornemens waren de doop van Johannes te gaan ontvangen, een leerrede in een bad- en reinigingsplaats. Deze was aangelegd aan de rand van een bijrivier van de stroom op de hoge terrasvormige, met trappen opstijgende oever. De plaats was met een tentdak overspannen en er lagen lusthoven met mooie sierbomen, struiken en graspleinen omheen.

Saturninus en, zo ik meen, nog twee andere leerlingen, die Hem van bij Johannes gevolgd waren, doopten hier nadat Jezus over de H. Geest gesproken had. Hij had geleerd over de verschillende eigenschappen van de H. Geest en van de tekenen waaraan men erkennen kon of men Hem ontvangen had.

Aan de doop van Johannes ging er slechts een algemene vermaning tot boetvaardigheid, een akte van berouw en goed voornemen of belofte van beternis vooraf, doch bij de doop van Jezus had niet alleen de algemene zonden bekentenis plaats, maar iedereen beschuldigde zich in het bijzonder en beleed al zijn zware zonden en hoofdgebreken. Jezus gaf hun de gepaste vermaning en wanneer iemand uit hovaardigheid of valse schaamte aarzelde zijn zonden te bekennen, zegde Jezus hem die openlijk in zijn aangezicht om hem tot vermorzeling te stemmen.

Jezus leraarde hier ook over de doortocht door de Jordaan en over de besnijdenis die hier had plaatsgehad [Jos.5,l-9] en zei dat Hij daarom nu hier op dezelfde plaats liet dopen. Voortaan moesten zij door de doop in hun HARTEN besneden zijn. Jezus sprak ook nog van de vervulling der Wet.

De dopelingen traden hier niet geheel in het water. Zij bogen er maar het hoofd boven. Zij kregen ook geen geheel doophemd. Er werd hun slechts een witte doek over de schouderen gelegd. De leerlingen gebruikten geen schaal met drie groeven, zoals Johannes, maar zij schepten driemaal met de hand uit een bekken dat men hun voorhield. Jezus had het water gezegend en van het water uit zijn doopvijver er bij gegoten. Er waren wel 30 dopelingen. Wanneer zij de badplaats verlieten en buitenkwamen, waren zij vol vreugde en troost en zegden ontroerd dat zij wel voelden dat zij de H. Geest ontvangen hadden. Jezus trok onder toejuichingen naar Gilgal naar de sabbatoefening in de synagoge.

13 oktober. Sabbat. Op de sabbat zag ik Jezus met een talrijk gevolg en onder geestdriftige toejuichingen naar de synagoge van Gilgal gaan. Deze lag aan de oostzijde van de stad, of hoofdwijk. Deze was ook zeer groot en oud. Er waren drie scholen boven mekaar en het gebouw vormde een rechthoek met gebroken hoeken en was dus eerder een achthoek. Op ieder der drie verdiepingen lag een gaanderij of gang langs buiten en de trappen naar die gaanderijen waren buiten tegen de muur aangebouwd. Boven in de stompe hoeken van het gebouw waren langwerpig ronde nissen,waarin men kon staan en een ver uitzicht genoot.

De synagoge lag aan twee zijden vrij en had ter zijde meerdere afgescheiden tuintjes. Vóór de ingang was een vestibule met een leerstoel, zoals te Jeruzalem in de tempel. De synagoge was ook door een voorhof voorafgegaan. Hierin stond onder de blote hemel een altaar waarop voortijds geofferd geworden was. Ook waren daar overdekte plaatsen voor vrouwen en kinderen. Men zag er de sporen van een gehele inrichting gelijk in de tempel. Het was te zien dat de Verbondsark hier gestaan had en dat men hier geofferd had.

In de onderste school, die bijzonder kunstig ingericht was, stond aan het ene einde, dat wat beantwoordde aan het Heilige der Heiligen in de tempel, een achthoekige kolom waarin rondom vakken waren, die boekrollen bevatten. Beneden was rondom de zuil een tafel aangebracht en daaronder was er een gewelf, waarin eertijds de Verbondsark gestaan had. Ik weet niet of die kolom ook in die tijd reeds daarboven stond. Ik geloof dat ze er slechts naderhand als gedenkzuil gezet is geworden om de heilige plaats aan te duiden, want men hield deze nog steeds in ere. Deze zuil was van een witte, gladde steen en was prachtig.

Jezus leraarde in de onderste school voor het volk, de priesters en de geleerden. Hij zei ondermeer dat het beloofde rijk hier het eerst gegrondvest was geworden, maar dat men er later schandalige afgoderij had gepleegd, zodat hier nauwelijks nog zeven rechtvaardigen te vinden waren. Ninive was vijfmaal groter en [op een bepaalde tijd] waren er slechts vijf rechtvaardigen geweest. Gilgal was door God gespaard geworden, maar nu mochten zij de vervulling van de belofte niet ontkennen, noch de gekomen Gezant verwerpen. Zij moesten boetvaardigheid doen en door de doop herboren worden, enz. Ook rolde Hij bij de zuil schriftuurboeken open, las er uit voor en verklaarde de lezing.

Hierna richtte Hij op de tweede verdieping het woord tot de jongelingen, waarna Hij in de bovenste voor de kinderen vertelde. Na weer beneden gekomen te zijn, onderrichtte Hij nog op de open binnenplaats onder een zuilengang de vrouwen en ten slotte de meisjes. Voor deze sprak Hij over de kuisheid en de eerbaarheid, over het bedwingen van de nieuwsgierigheid, over de zedige klederdracht en over het verbergen van het haar en het sluieren van het hoofd in de tempel en in de school of synagoge. Hij wees hun op de tegenwoordigheid van God en van engelen op heilige plaatsen en zei dat de engelen zelf daar hun aangezicht bedekken. Hij verzekerde dat er vele engelen in de tempel en de school om de mensen zijn; Hij gaf ook de reden waarom de vrouwen het hoofd en het haar moeten bedekken, maar ik ben dit vergeten.

Jezus ging met de kinderen zeer beminnelijk om. Hij zegende ze en hief ze omhoog en ook zij betoonden zij Hem een grote aanhankelijkheid. Hier heerste een algemene grote vreugde. Toen Hij de school verliet, juichte en jubelde het volk Hem op alle plaatsen achterna met woorden ongeveer als deze: "Dat de Belofte mag vervuld worden! Dat ze onder ons blijft en nimmer van ons wijkt!"

14 oktober. Nadat Jezus de veertiende zijn onderricht te Gilgal besloten had, wilden de inwoners hun zieken tot Hem brengen, maar Hij willigde hun verlangen niet in, omdat de plaats en de omstandigheden er niet gunstig toe waren. Nu moest Hij weg. Zijn zending eiste Hem elders op.

Lazarus en de vrienden van Jeruzalem waren na de sabbat naar hun huis teruggekeerd. Jezus liet de H. Maagd boodschappen waar Hij met haar samen wilde komen, alvorens naar de woestijn te gaan om er te gaan vasten. Ik meen dat Hij haar Chorazin aanduidde. De Heilige Vrouwen waren niet meer in Tebez en waren reeds op weg naar de plaats waar zij bij Jezus wilden komen. Zij gingen echter niet naar Kafarnaüm, omdat hun heen- en wedertrekken daar veel opspraak had verwekt.

Beraadslaging van het Sanhedrin

14 oktober. Te Jeruzalem heersten grote meningsverschillen over Jezus, over wie men daar zo veel had vernomen. De joodse overheden hadden immers overal omgekochte spionnen die hen van alles op de hoogte brachten. De rechtbank, de Hogeraad of Sanhedrin genaamd, de uit 71 priesters en wetgeleerden, zette tegen Jezus een langdurige beraadslaging op touw. Bovendien benoemde men een commissie van 20 leden die op haar beurt in vier ondercommissies, ieder van vijf leden, ingedeeld werd en die beraadslaagde, overlegde en Jezus' geval onderzocht.

Zij gingen de geslachtsregisters na en konden niet ontkennen dat Jozef en Maria uit de stam van David waren en Maria's moeder uit het geslacht van Aaron kwam. Zij zegden dus dat die families roemloos ten onder gegaan waren en dat Jezus met louter gespuis en straatvolk het land doorkruiste, dat Hij zich met tollenaars verontreinigde en met demagogisch gevlei de gunst van de slaven zocht te winnen Zij hadden immers vernomen dat Jezus onlangs in het gewest van Bethlehem [nabij Betaraba] was geweest, waarna Hij zich naar Bethlehem zelf begaf en met de Sikemieten, die van hun werk huiswaarts keerden, zo gemeenzaam en zonder zelfrespect gesproken had. Daarom vreesden zij dat Hij met al dat gespuis wel een staatsgreep in de zin kon hebben. Enigen uitten het vermoeden dat Hij wellicht een onderschoven kind was en dat Hij op zekere dag het masker zou afwerpen en zich tot een koningszoon zou verklaren. Dit leidden zij af uit sommige parabels die zij verkeerd interpreteerden. "Hij zal,” redeneerden zij, “een geheim onderwijs bekomen hebben en van wie kon dit anders zijn dan van de duivel, want Hij zonderde zich dikwijls af en ging des nachts alleen in de wildernissen en op de heuvelen, waar de duivels verbleven.

Onder deze twintig waren er nochtans verscheidene die Jezus en de zijnen beter kenden,die reeds onder de indruk van zijn woorden gekomen, ja, zelfs heimelijk vrienden van Hem geworden waren. Doch zij spraken de anderen niet tegen om Jezus en zijn leerlingen te kunnen dienen. Ook brachten zij Hem daarna van alles op de hoogte en zo werd eindelijk de hoge uitspraak van de twintig, gelijk men hun mening en besluit ongeveer placht te noemen, in Jeruzalem verspreid: "Jezus had onmiskenbaar onderricht van de duivel ontvangen." [Joh. 8: 4-8]

Ook nu weer brachten leerlingen van Johannes aan hun meester het bericht over van Jezus' doop te Gilgal en zij stelden hem dit voor als een inbreuk op zijn rechten. Maar hij zette hun opnieuw, nu voor de zoveelste maal uiteen, en dit met de diepste zelfvernedering, dat hij weldra de plaats voor zijn Heer zou verlaten, daar hij slechts diens voorloper en wegbereider geweest was, doch dit wilde er bij de leerlingen niet in.

14 oktober. Te Jeruzalem heersten grote meningsverschillen over Jezus, over wie men daar zo veel had vernomen. De joodse overheden hadden immers overal omgekochte spionnen die hen van alles op de hoogte brachten. De rechtbank, de Hogeraad of Sanhedrin genaamd en uit 71 priesters en wetgeleerden bestaande, zette tegen Jezus een langdurige beraadslaging op touw. Bovendien benoemde men een commissie van 20 leden die op haar beurt in vier ondercommissies, ieder van vijf leden, ingedeeld werd en die beraadslaagde, overleg peegde en Jezus' geval onderzocht.

Zij gingen de geslachtsregisters na en konden niet ontkennen dat Jozef en Maria uit de stam van David waren en Maria's moeder uit het geslacht van Aaron kwam. Zij zegden dus dat die families roemloos ten onder gegaan waren en dat Jezus met louter gespuis en straatvolk het land doorkruiste, dat Hij zich met tollenaars verontreinigde en met demagogisch gevlei de gunst van de slaven zocht te winnen Zij hadden immers vernomen dat Jezus onlangs in het gewest van Bethlehem [nabij Betaraba] was geweest, waarna Hij zich naar Bethlehem zelf begaf en met de Sikemieten, die van hun werk huiswaarts keerden, zo gemeenzaam en zonder zelfrespect gesproken had. Daarom vreesden zij dat Hij met al dat gespuis wel een staatsgreep in de zin kon hebben. Enigen uitten het vermoeden dat Hij wellicht een onderschoven kind was en dat Hij op zekere dag het masker zou afwerpen en zich tot een koningszoon zou verklaren. Dit leidden zij af uit sommige parabels die zij verkeerd interpreteerden. "Hij zal," redeneerden zij, "een geheim onderwijs bekomen hebben en van wie kon dit anders zijn dan van de duivel, want Hij zonderde zich dikwijls af en ging des nachts alleen in de wildernissen en op de heuvelen, waar de duivels verbleven.

Onder deze twintig waren er nochtans verscheidene die Jezus en de zijnen beter kenden,die reeds onder de indruk van zijn woorden gekomen, ja, zelfs heimelijk vrienden van Hem geworden waren. Doch zij spraken de anderen niet tegen om Jezus en zijn leerlingen te kunnen dienen. Ook brachten zij Hem daarna van alles op de hoogte en zo werd eindelijk de hoge uitspraak van de twintig, gelijk men hun mening en besluit ongeveer placht te noemen, in Jeruzalem verspreid: "Jezus had onmiskenbaar onderricht van de duivel ontvangen." [Joh. 8: 4-8]

Ook nu weer brachten leerlingen van Johannes aan hun meester het bericht over van Jezus' doop te Gilgal en zij stelden hem dit voor als een inbreuk op zijn rechten. Maar hij zette hun opnieuw, nu voor de zoveelste maal uiteen, en dit met de diepste zelfvernedering, dat hij weldra de plaats voor zijn Heer zou verlaten, daar hij slechts diens voorloper en wegbereider geweest was, doch dit wilde er bij de leerlingen niet in.

Nog 14 oktober. Met een twintigtal gezellen trok Jezus op 14 oktober over de vlakte of het hoogveld Gilgal een paar uren noordwaarts. Dan vaarden zij op een boomstam of een vlot van boomstammen over wat de beek Noeëmeh was. Vervolgens gingen zij door een woud en wendden zich nu oostwaarts op een weg die naar de Jordaan liep. Zij vaarden er over op een vlot, waarbij zij zich van roeispanen bedienden. Rondom was het vlot voorzien van banken die aan de balken vast waren. In het midden waren een paar bakken aangebracht,waarin men gewoonlijk kamelen plaatste,die anders tussen de balken in het water getrapt zouden hebben. Er was daarin voor drie kamelen plaats. Nu waren er geen kamelen op: de Heer was met de leerlingen alleen. Het was avond en men gebruikte fakkels bij de overvaart. Jezus vertelde de parabel van de zaaier, waarop Hij ook de volgende dag nog terug zou komen.

De overvaart duurde wel een goed kwartier, want het water stroomde hier zeer geweldig en men moest een eind opwaarts varen en zich dan schuin laten afdrijven. De plaats waar zij naartoe vaarden, lag niet rechtover het afvaartpunt.

De Jordaan is een zeer eigenaardige stroom. Op vele plaatsen kan men er niet over en is er hoegenaamd geen weg aan de steile oever. Dikwijls maakt hij schielijke bochten. Hij schijnt recht naar een plaats te willen stromen, maar hij draait er omheen. Ook liggen er vaak rotsen in die zijn wateren splitsen en ook meerdere eilandjes. Hier is hij troebel, daar helder, naar de aard van zijn grond en oevers, naar gelang zijn bodem rotsachtig of slijkerig is. Ook vindt men hier en daar watervallen. Zijn water is zacht en lauw.

Zij landden op een plaats waar tollenaarshuizen stonden aan de zijkant van de rivier Nimria, waar ook nu nog een hoofdweg voorbijloopt en waar later Johannes' derde doopplaats zal komen. Er liep hier een grote weg, die uit de streek van Kedar [of uit het oosten] afdaalde. Het Nimrindal liep in die richting. Jezus nam hier zijn intrek bij tollenaars [die hier bij de grote weg op een gepaste plaats woonden en] die reeds Johannes' doop ontvangen hadden. Verscheidene van zijn gezellen waren over zijn gemeenzaamheid met dit verachtelijke mensenras verwonderd en bleven vol schrik achteruit. Jezus en de leerlingen echter sliepen hier en werden gastvrij en ootmoedig door de tollenaars geherbergd. Hun huizen lagen aan de weg in het dal dicht bij de Jordaan. Een weinig verder stonden de herbergen voor de kooplieden en hun kamelen. Voor 't ogenblik waren hier zeer veel kooplieden, want wegens het loofhuttenfeest dat morgenavond begon, mochten zij niet reizen. Het waren meestal heidenen, maar nochtans moesten zij op de feestdagen rusten [Exodus,23,12].

De tollenaars vroegen Jezus wat zij met het onrechtvaardig verworven goed moesten aanvangen. Jezus zegde dat het aan de tempel gegeven moest worden, maar Hij hechtte aan zijn woorden een geestelijke betekenis en verstond onder de tempel de gemeenschap, de Kerk die Hij kwam stichten. Later moest daarmede een akker gekocht worden voor de arme weduwen bij Jeruzalem. Hij legde hun uit waarom het een akker moest zijn en dit bracht Hij wederom te pas bij een uitleg van de parabel van de zaaier.

15 oktober. Ook de volgende dag ging Jezus met hen nog op de oever in het gewest rond. Hier leraarde Hij altijd over de zaaier en de toekomstige oogst. Dit was vermoedelijk wegens het aanstaande loofhuttenfeest, dat ook een feest is om de oogst van vruchten en van wijn. Ik ben vergeten te zeggen dat in het gewest, waar Hij onlangs oogst- of landbouwwerk zag, toen Hij met de Sikemieten sprak, er ook druiven ingezameld werden.

Nadat de Heer de tollenaars op deze wandeling onderwezen had [maar ik ben er het meeste van vergeten] zag ik Hem op deze dag zijn weg voortzetten in het dal Niarin. Weldra kwam Hij bij een rij huizen, die aan beide zijden wel een half uur ver aan de weg lagen en wel hoger en lager, geheel ongelijk. Deze weg leidde naar Dibon, waarvan deze huizenrij een voorstad scheen. In elk van deze huizen werd het loof huttenfeest gevierd. Ter zijde van de huizen stonden groene hutten van boomtakken met bloemenruikers, kransen van vruchten en druiventrossen versierd.

Aan de ene zijde van de weg zag ik de loofhutten en de kleinere hutten van de vrouwen afgezonderd en aan de andere zijde de slachthutten. Zij brachten alle spijzen over de weg. Op de weg trokken ook scharen van kinderen van de ene loofhut naar de andere. Zij maakten muziek en zongen: zij waren met kransen getooid en hadden driehoekige instrumenten met ringen,waarmede ze klingelden. Andere driehoekige instrumenten waren met snaren bespannen en zij hadden ook een blaasinstrument, waaruit vele buizen kwamen, die als slangen gekronkeld waren.

Jezus vertoefde hier en daar om te leren. De mensen brachten Hem en de leerlingen ook spijzen, zoals druiventrossen die aan stokken hingen en door twee mannen gedragen werden. 's Avonds nam de Heer zijn intrek in een herberg aan het einde van de rij huizen. Deze stond niet ver van de grote en schone synagoge van Dibon, die tussen Dibon en die woningen op een breder plaats in het midden van de weg gelegen en met bomen omringd was. Jezus was ook in een loofhut en ook hier hield Hij een toespraak.

16 oktober. De volgende dag leraarde Jezus in de synagoge. Hij herhaalde nog altijd de parabel van de zaaier. Hij sprak over de doop en de nabijheid van het Rijk Gods en ook over het loofhuttenfeest en de manier waarop men het vierde. Hij maakte er hun een verwijt van dat zij heidense elementen in hun godsdienstige gebruiken opgenomen hadden. Er waren hier inderdaad nog Moabieten en de inlanders hadden zich met hen vermengd. De rivier Nimrin is lange tijd de noordgrens van Moab geweest.

De synagoge verlatend vond Jezus op het voorplein zeer vele zieken, die men op draagbedden aangebracht had. Zij riepen Hem aan: "Heer, Gij zijt een profeet. Gij zijt door God gezonden! Gij kunt ons helpen, ons genezen. Genees ons, Heer!" Ook genas Hij er velen. Tegen de avond gaf men Hem en de zijnen een rijke maaltijd in de herberg. Jezus hield een leerrede aan tafel. Vele van de heidense kooplieden die hier wegens het feest in de nabijheid legerden, luisterden aandachtig toe. Trouwens in zijn rede ging het ook over de roeping van de heidenen en over de ster die in het land van de koningen verschenen was en hoe zij het Kind waren komen bezoeken.

In de nacht tussen 16 en 17 oktober, verliet Jezus zonder gezelschap de plaats om eenzaam op een berg te gaan bidden, waar het gebergte steil begint te stijgen . Hij had aan zijn leerlingen een punt op de weg aan de andere kant van Dibon aangeduid, waar Hij hen de volgende morgen zou vervoegen. Dibon ligt 6 uren van Gilgal. Het is er zeer rijk aan bronnen, weiden, tuinen en terrassen [bankvormig ingerichte heuvelhellingen,zoals dit het geval is met de heuvel Beleibil]. 

Oogslag op Sint Lucas

Terwijl Jezus te Dibon was, zag ik Lucas in het dal Zabulon bij Bartolomeüs, die daar zijn beroep uitoefende. Zij spraken van de doop van Jones, die Bartolomeüs ontvangen had en ook van de geruchten rond de persoon van Jezus. Lucas kon maar niet begrijpen dat Jezus bij voorkeur met het kleine volk omging.

Ik weet eigenlijk niet wat voor een godsdienst Lucas volgde. Hij was Jood noch heiden. Hij was een geleerde die overal alle geruchten opving. Hij was van Antiochië en zijn klederdracht was meer Romeins dan Joods. Hij had in Egypte gestudeerd, was geneesheer, verzamelde kruiden en schilderde ook afgodsbeelden, die hij naar Egypte zond. Hij had hier en daar veel omgang met leerlingen van Jezus, doch eerst kort vóór Jezus' dood trad hij definitief tot de Gemeente toe.

Jezus te Soekkot

17 oktober. Jezus ging des nachts niet op de handelsbaan die door Dibon loopt, maar volgde een weg door het land, een paar uren van de Jordaan en stroomopwaarts. In de vroege morgen van woensdag 17 oktober zag ik Hem met de leerlingen door een schamel gehucht trekken, waarvan de huizen met biezen gedekt waren. De mensen in de loofhutten waren nog niet wakker. Dit dorp had een naam die in onze taal hysopshuis betekent. Jezus trok er enkel door, doch onderweg sprak Hij met de leerlingen over de verschrikkelijke godsgerichten die op komst waren, over tijden van nood, wreedheid en vernieling, zo vol ellende dat een moeder er toe komen zou haar eigen kind op te eten. Hierbij kreeg ik een neventafereel te zien van een vrouw die nu nog niet geboren was, maar later uit dit dorp Betzob naar Jeruzalem trok, waar zij tijdens de belegering, die haar daar verraste, uit wanhoop haar eigen kind braadde en opat.

Jezus kwam ook in een stadje en voerde daar het woord, doch men was er Hem vijandig. Er waren daar Jeruzalemse bespieders, die Hem tegenspraken en Hem van godslastering beschuldigden om hetgeen Hij zei over Zijn Hemelse Vader. Na een kort oponthoud verliet Hij weer de stad. Hierop, zo zag ik, zette Jezus zich over een riviertje [de Jabbok] en daarna kwam Hij tegen avond te Soekkot aan [thans teil Deir Allah]. Deze stad was niet erg groot, maar er kwamen hier verbazend vele mensen tot Jezus, ook vele zieken. Hij gaf onderricht in de synagoge en liet ook dopen. Benevens Saturninus doopten nog vier andere leerlingen.

Toen Jezus voorbij Johannes ging en onder de vele mensen, die hem achterna liepen, waren Hem ondermeer die ik vergat, ook twee broeders gevolgd, nl. Aram en hoe is ook weer de naam van de tweede? Hij klonk als Theme of Themeni. Het waren neven van Jozef van Arimatea van moederlijke zijde en zij waren afkomstig van Jeruzalem en verweesd. Jozef was zich uit Arimatea naar Jeruzalem gaan vestigen, hoofdzakelijk om hun voogd te zijn. Zij waren medebezitters van de tuin waarin Jezus begraven werd. Ik werd hieraan herinnerd op het feest van de Heilige Lucas [18 oktober]. Zij werden immers zijn leerlingen en hadden hem vroeger reeds gekend, wanneer hij nog als geneesheer en als schilder rondreisde en zij hadden hem kostbare diensten bewezen door hem allerhande wetenswaardigheden mede te delen. Ook zijn zij bij de H. Paulus geweest, maar toen hadden zij andere namen bekomen. Zij waren bij de H. Lucas in Egypte en ook in het land van zijn marteldood, in Bythinië, waarbij vergeleken, Judea hooggelegen is. De plaats van Lucas' marteldood is niet met zekerheid bekend.

Jezus ontmoet Maria

18 en 19 oktober. Jezus begaf zich op reis naar Groot-Chorazin [8 km ten oosten van het noordelijk punt van het Meer van Gennezareth], waar Hij zijn Moeder en de H. Vrouwen een naburige herberg voor hun samenkomst had aangeduid. Op de weg daarheen trok Hij door Gerasa, een uur meer zuidelijk. Hier te Gerasa hield Hij de sabbat [de sabbatoefening op vrijdagavond].

20 oktober. Na het sluiten van de sabbat [zaterdagavond] ging Hij naar een herberg in de woestijn en enkele uren van het Meer van Galilea. De mensen die het toezicht over de herberg hadden, woonden in de nabijheid. Ze was met groen tot een loofhut versierd. De vrouwen hadden die sinds enige dagen gehuurd of besproken en alles in gereedheid gebracht. Zij vierden daar waarschijnlijk hun Loofhuttenfeest. Zij lieten hun spijzen van Gerasa halen. Ook de vrouw van Petrus en alle overige vrouwen, zelfs Suzanna van Jerusalem, behalve Veronika, waren hier bij hen.

Jezus had een onderhoud met zijn Moeder alleen en Hij zei haar dat Hij nu naar Betanië en van daar naar de woestijn ging. Maria was ernstig en bedroefd. Zij bad Hem niet naar Jeruzalem te gaan, want zij had kennis gekregen van het eindbesluit van de Hogeraad tegen Jezus. Jezus sliep hier [in de nacht tussen 20 en 21 oktober]. Later hield Hij hier een onderrichting op een heuvel, waarop een stenen preekstoel stond, die voortijds dikwijls dienst had gedaan. Er waren vele mensen uit de omstreken tegenwoordig, alsook een dertigtal vrouwen. Deze stonden bijeen, afgezonderd van de mannen. Na zijn toespraak zegde Hij tot zijn reisgezellen dat Hij zich binnenkort voor enige tijd van hen moest verwijderen. Dan moesten zij ook van elkander scheiden en moesten zelfs de vrouwen uiteengaan tot zijn terugkeer. Hij sprak nog over de doop van Johannes, die weldra moest ophouden en over de zware vervolgingen welke Hij en al de zijnen te verwachten hadden.

Jezus te Aroema

21 oktober. De zondagavond verliet Jezus de herberg met een twintigtal leerlingen en andere medereizigers en legde in één tocht een afstand af van niet minder dan 12 uren [17 uren in rechte lijn] in zuidwestelijke richting. Op zijn weg lagen vele steden. De naam van de meeste ben ik weer vergeten. Ik heb heden nacht een groot aantal steden duidelijk gezien,waarvan absoluut niets, geen spoor meer overblijft.

22 oktober. Hij ging naar de stad Aroema, 8 km ten zuidoosten van Sikem, waarbij voor Hem en voor de zijnen een herberg gehuurd was, en dit voor altijd, een vrije herberg. Marta, wier eerste inspectietocht met de H. Vrouwen de reis naar Gerasa was geweest, had hier deze herberg [op haar heenreis] ingericht. De opzichters woonden in de nabijheid. De vrienden uit Jeruzalem droegen er de kosten van. De vrouwen hadden ze gisteren aan Jezus bij zijn afreis aangeduid. De stad ligt een negental uren van Jeruzalem en een zevental van Jericho.

Bij de herberg hadden ook Essenen hun woning. Zij kwamen tot Jezus en spraken en aten met Hem. Hij bezocht ook de synagoge en sprak er over de doop van Johannes als over een doop van boetvaardigheid, een eerste, grover reiniging, een voorbereidende handeling, zoals de handelingen van die aard in de Wet zijn. Johannes' doop verschilde van de doop van Hem, die door Johannes aangekondigd werd. Nochtans heb ik de door Johannes gedoopten niet vroeger met de doop van Jezus herdoopt zien worden dan na de dood van Jezus en na de nederdaling van de H. Geest. Dit geschiedde in de vijver Bethesda. De Farizeeën vroegen Hem hier naar de tekenen waaraan men de Messias zou herkennen en Hij zei hun die. Hij leerde bovendien tegen de gemengde huwelijken met de Samaritanen en de heidenen. In dit gewest loopt thans de grens tussen Judea en Samaria.

Hier had Judas Iskariot, de latere apostel, Jezus' leerrede gehoord. Hij was er alleen en niet met de leerlingen gekomen.

23 oktober. Nadat Judas hier gisteren en heden de prediking van Jezus gehoord en ze tegen de kritiek van de Farizeeën zwetsend opgehemeld had, was hij naar een naburig, veracht dorp, Fasaël, gegaan en had ook daar bij een godvrezend man de mond vol lof gehad over Jezus' leer. Deze man liet Jezus nu tot zich uitnodigen.

Judas trok te lande overal rond, dreef koophandel, deed schrijverswerk of bewees allerhande andere diensten aan de mensen. Daarvan leefde hij. Hij had Jezus hier hoog geprezen, want Hij was een ogendienaar en praatte iedereen naar de mond. Van hier, het geminachte dorp, was hij reeds weer weg, toen Jezus er aan kwam.

Jezus bij de Esseen Jairus

24 oktober. Op de uitnodiging van die man ging Jezus na het sluiten van zijn toespraak met zijn leerlingen tot hem. Deze man woonde in een nieuw klein dorp. Ter oorzake van allerhande gespuis dat daar woonde, was het veracht. Herodes had in de nabijheid een kasteel.

Er moest ook wel, ergens hier in de omtrek, iets geschied zijn, wat betrekking had op de Benjaminieten, want er stond in de nabijheid een boom met een muur omringd zodat niemand hen kon aanraken. Hier was het ook dat Abraham en Jacob eens geofferd hadden [Gen 33: 20]. Ook Esati was eens naar hier geweken, nadat hij het met Jakob nopens de zegen oneens geworden was. Isaak woonde toen bij Sikar [Sikem].

De man die door Jezus hier bezocht werd, heet Jaïrus. Hij behoort tot dat soort van Essenen die trouwen. Hij had een vrouw en verscheidene kinderen. Zijn beide zonen heten Aamon en Kaleb. Hij had ook een dochter die later door Jezus genezen [uit de dood opgewekt] werd, doch hij is niet de Jaïrus uit het evangelie. Hij is een nakomeling van de Esseen Chariot, die de kloosters bij Betlehem en te Mizpa gesticht heeft.

Deze man wist veel over de verwanten en over de jeugd van Jezus. Hij trok met zijn zonen Jezus tegemoet en verwelkomde Hem zeer ootmoedig. Dank zij zijn liefdadigheid was hij als de hoofdman van dit geminachte dorp. Hij droeg zorg voor de armen en trok zich de kinderen en onwetenden aan. Hij onderwees ze op bepaalde dagen. Er was hier immers school, noch priester. Hij verpleegde ook de zieken. Jezus at en herbergde in zijn huis.

Volgens zijn gewoonte sprak Jezus hier over de doop van Johannes als over een doop van boetvaardigheid, ter voorbereiding en ook over de nabijheid van het Rijk Gods, en meer andere verwante onderwerpen. Hij ging met Jaïrus de zieken bezoeken. Hij troostte hen zonder iemand te willen genezen, doch Hij beloofde over vier maanden terug te keren en hun dan de gezondheid terug te geven. In zijn leerrede noemde Hij de gebeurtenissen die hier hadden plaatsgehad. Ook vergeleek Hij het woeden van Esatt tegen zijn broeder met een minachting waarmede schijnheiligen dit dorp bejegenden. Zo handelde de hemelse barmhartige Vader niet, want de tegenwoordige vervulling der Belofte zou ten goede komen aan allen die geloofden in de Messias die Hij gezonden had, aan allen die zich lieten dopen en boetvaardigheid deden. Hij zei ook dat de boetvaardigheid de gevolgen van de boze handelingen onderbreekt.

's Avonds begon Jezus de reis naar Betanië. Hij was vergezeld van de leerlingen en van Jaïrus en diens zonen. Deze laatsten gingen wel de helft van de weg mee.

25 oktober. De volgende dag was Jezus met zijn leerlingen in een herberg in de nabijheid van Betanië. Hij hield daar weer een langdurige toespraak tot afscheid, waarin Hij wees op de gevaren die Hem en allen die zijn leven en onderneming zouden delen, te wachten stonden. Hij zei tot zijn leerlingen dat zij Hem verlaten mochten [indien ze de moed niet voelden] en zichzelf grondig moesten onderzoeken of zij het in de toekomst bij Hem zouden kunnen uithouden.

Lazarus kwam Hem hier tegemoet en, nadat de leerlingen naar huis vertrokken waren, gingen alleen Aram en Itemeni naar Betanië mede. Hier wachtten reeds vele vrienden uit Jeruzalem op Jezus, ook vrouwen onder wie Veronika.

Beraadslaging van het Sanhedrin

14 oktober. Te Jeruzalem heersten grote meningsverschillen over Jezus, over wie men daar zo veel had vernomen. De joodse overheden hadden immers overal omgekochte spionnen die hen van alles op de hoogte brachten. De rechtbank, de Hogeraad of Sanhedrin genaamd en uit 71 priesters en wetgeleerden bestaande, zette tegen Jezus een langdurige beraadslaging op touw. Bovendien benoemde men een commissie van 20 leden die op haar beurt in vier ondercommissies, ieder van vijf leden, ingedeeld werd en die beraadslaagde, overlegde en Jezus' geval onderzocht.

Zij gingen de geslachtsregisters na en konden niet ontkennen dat Jozef en Maria uit de stam van David waren en Maria's moeder uit het geslacht van Aaron kwam. Zij zegden dus dat die families roemloos ten onder gegaan waren en dat Jezus met louter gespuis en straatvolk het land doorkruiste, dat Hij zich met tollenaars verontreinigde en met demagogisch gevlei de gunst van de slaven zocht te winnen. Zij hadden immers vernomen dat Jezus onlangs in het gewest van Bethlehem [nabij Betaraba] was geweest, waarna Hij zich naar Bethlehem zelf begaf en met de Sikemieten, die van hun werk huiswaarts keerden, zo gemeenzaam en zonder zelfrespect gesproken had. Daarom vreesden zij dat Hij met al dat gespuis wel een staatsgreep in de zin kon hebben. Enigen uitten het vermoeden dat Hij wellicht een onderschoven kind was en dat Hij op zekere dag het masker zou afwerpen en zich tot een koningszoon zou verklaren. Dit leidden zij af uit sommige parabels die zij verkeerd interpreteerden. "Hij zal,” redeneerden zij, “een geheim onderwijs bekomen hebben en van wie kon dit anders zijn dan van de duivel, want Hij zonderde zich dikwijls af en ging des nachts alleen in de wildernissen en op de heuvelen, waar de duivels verbleven."

Onder deze twintig waren er nochtans verscheidene die Jezus en de zijnen beter kenden, die reeds onder de indruk van zijn woorden gekomen, ja, zelfs heimelijk vrienden van Hem geworden waren. Doch zij spraken de anderen niet tegen om Jezus en zijn leerlingen te kunnen dienen. Ook brachten zij Hem daarna van alles op de hoogte en zo werd eindelijk de hoge uitspraak van de twintig, gelijk men hun mening en besluit ongeveer placht te noemen, in Jeruzalem verspreid: "Jezus had onmiskenbaar onderricht van de duivel ontvangen" [Joh. 8: 4-8].

Jezus nogmaals bij de zwijgzame Martha

Jezus sprak ook met de vrouwen. Dit geschiedde in de vroegere salons van Magdalena, die op de weg naar Jeruzalem uitzicht hadden. Op verzoek van Jezus bracht Lazarus zijn zuster, de stille Maria, hier tot Hem en liet hen beide alleen. De andere vrouwen wandelden ondertussen in de voorplaats.

Heden was het gedrag van de zwijgzame Maria jegens Jezus een weinig anders. Zij viel voor Hem neder en kuste zijn voeten. Jezus liet dit geschieden en hief haar bij de hand op. Nu sprak zij weerom zoals de laatste maal, naar omhoog kijkend, over de geheimzinnigste en wonderbaarste geheimen en waarheden, en dit op een gans eenvoudige en ongedwongen wijze: zij sprak over God, zijn Zoon en zijn Rijk, zoals een boerenmeid over de vader van haar heer en diens bezitting. Geheel haar gesprek was een voorzegging of vooruitzicht, terwijl zij alles vóór zich zag gebeuren. Zij sprak van grote schulden,die de boze, ontrouwe knechten en meiden door hun slecht beheer hadden gemaakt, over de wanorde die zij door zorgeloze huishouding aangericht hadden. Doch nu had de Vader zijn Zoon gezonden om alles goed te maken, de schade en de schulden te betalen. Zij zag en zei voorop wat Hem te wachten stond, dat Hij slecht ontvangen en wreed behandeld zou worden, dat Hij in ontzettend lijden zou moeten sterven en met zijn bloed de burgers van zijn rijk verlossen en de schulden van de knechten delgen, opdat zij weer kinderen van de Vader zouden worden.

Zij zette dit alles zo levendig en op zulk een natuurlijke wijze uiteen, als sprak zij van iets wat naast haar gebeurt. Zij verheugde zich daarover en verviel dan weer tot droefheid bij de gedachte dat ook zij een onnuttige dienstmeid was en dat de taak, waarvoor de Zoon van die barmhartige Heer en Vader, nu kwam te staan, zo enorm zwaar was. Zij beweende ook de verblindheid van de knechten,die dit niet wilden inzien, hoewel het toch zo natuurlijk was en zo zijn moest.

Zij sprak ook over de verrijzenis en zei dat de Zoon ook tot die knechten zou gaan, die in de onderaardse kerkers opgesloten zijn en dat Hij hen zou troosten en in vrijheid stellen, nadat Hij hen vrijgekocht en verlost had. Met hen zou Hij dan tot zijn Vader terugkeren. Anderzijds zullen allen, zei zij, die zijn voldoening en verlossing niet aannemen en in hun boze werken volharden, in het vuur geworpen worden, wanneer Hij zal wederkomen om levenden en doden te oordelen.

Zij sprak ook over Lazarus' dood en zijn opwekking: "Hij verlaat de aarde," zei ze, "en hij ziet alles af, en zij wenen om hem, alsof hij niet meer zou wederkeren, maar de Zoon roept hem terug en hij arbeidt in de wijngaard."

Zij zei over Magdalena: "De dienstmeid is in de verschrikkelijke woestijn waarin de kinderen van Israël waren, in die schromelijke plaats, waar de Israëlieten door moesten trekken, na zich weer aan een misdrijf schuldig gemaakt te hebben. Elf dagen trokken zij door die woestijn, die zo gruwzaam was dat nooit een mens er de voet had gezet, maar in een andere woestijn zal zij alles door boetvaardigheid herstellen.

Zichzelf noemde zij "een gevangene in het lichaam." Zij wist niet dat dit leven hier het normale leven was, daar zij het eerder als een dood en kerker beschouwde. Ook wenste zij vurig naar huis te gaan. Alles was hier zo nauw, zo verstikkend en niemand die haar verstond. Haar omgeving scheen blind te zijn. Nochtans wilde zij nog langer blijven en alles met berusting verduren, omdat zij meende niets beters te verdienen.

Jezus sprak zeer minzaam met haar, troostte haar en zei: "Gij zult na Pasen, als ik hier terugkeer, naar uw huis en land terug mogen gaan." Zij knielde voor Hem en Hij zegende haar. Hij legde de handen op haar, en me dunkt dat Hij ook iets uit een fles over haar hoofd gegoten heeft, maar ik weet niet juist of het olie of water was. Eenmaal kwam de gedachte bij mij op dat het de doop kon zijn, maar nu kan ik daar niets zekers over zeggen. Het bleef mij duister en nu geloof ik dat ik het niet weten moest." Na een ogenblik zwijgen, vertelde de zienster verder ... De zwijgzame Maria was een zeer heilig persoon, doch niemand doorzag of begreep haar. Zij leefde in een wereld van gezichten over het verlossingswerk, waar niemand nog geen gedachte of vermoeden over van had, maar dat zij verstond als iets zo vanzelfsprekend, dat ook een kind het moet verstaan. Men hield haar voor krankzinnig.

Na haar het tijdstip van haar dood medegedeeld te hebben met de woorden: "Als Ik na Pasen hier terugkeer, zult gij uit uw gevangenis naar huis mogen gaan," zalfde Jezus haar lichaam in voorbereiding op haar dood. Men kan hieruit besluiten dat de zalving van het lichaam zulk geen geringe zaak is als vele: mensen het menen. Jezus nu had medelijden met de zwijgzame Maria, die als vermeende krankzinnige geen zalving te verwachten had, want haar heiligheid was een geheim. Jezus zond nu de stille Maria weer heen en zij keerde naar haar woning terug.

Hierna onderhield Jesus zich nog met de mannen over de doop van Johannes en de doop van de H. Geest. Ik herinner me geen groot verschil tussen de doop van Johannes en de eerste doop van Jezus' leerlingen. Deze laatste bewerkte evenwel doeltreffender de vergiffenis van de zonden. Ook heb ik geen dopelingen van Johannes vóór de nederdaling van de H.Geest herdoopt zien worden met de doop van Jezus.

Vóór de sabbat gingen de vrienden van Jeruzalem nog naar de stad terug. Aram en Temeni vergezelden Jozef van Arimatea daarheen. Jezus had hun gezegd dat Hij zich enige tijd wilde afzonderen om zich op zijn zwaar leerambt voor te bereiden, maar Hij zei hun niet dat Hij wilde gaan vasten.


» Reageer (0)
09-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 3.1
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 3.1: Van Jezus' doop tot na zijn vasten

Jezus te Betel, Luz en Ensemes

28 september. Nog dezelfde dag trok Jezus met zijn gezellen een paar uren verder in de richting van Jeruzalem en kwam in een kleine, onbeduidende plaats met een naam die als Betel klonk.

Jezus nam daar zijn intrek in een soort hospitaal, waarin vele zieken lagen. Ik zag Hem daar met zijn medegezellen enige spijs gebruiken. Er kwamen ook nog verscheidene ouderlingen tot Hem. Men ontving en groette Hem plechtig als een Profeet, want men had hier door dopelingen reeds de verklaringen vernomen die Johannes over Hem afgelegd had. Jezus ging hier in de kamers van alle zieken, die Hij troostte en tot wie Hij zei dat Hij zou terugkeren en hen genezen zou, indien zij in Hem geloofden. Eén echter, ik meen die in de derde kamer, genas Hij. Deze was uitgeteerd, had ook zweren aan het hoofd en een witte uitslag. Hij zegende hem en beval hem op te staan. De man stond op en knielde voor Jezus neder. Ook werden hier door Andreas en Saturninus verscheidene mannen gedoopt. Jezus deed een bekken vol water, zo groot dat een kind er in kon liggen, zette het bekken in een zaal van het gesticht op een voetbank en ik zag dat Hij het water zegende en dat Hij er met een tak iets in sprenkelde, ik vermoed van het doopwater dat zij in een zak medegebracht hadden. De dopelingen ontblootten zich tot op de borst, bogen het hoofd boven het bekken en werden door Saturninus gedoopt. Mij dunkt dat deze andere woorden gebruikte dan Johannes. Jezus zei ze hem, doch ik kan ze mij niet meer nauwkeurig herinneren.

29 september. Op deze plaats vierde Jezus ook de sabbat en daarna vertrok Andreas naar Galilea.

30 september. Van hier begaf Jezus zich naar een stad die Luz heette. Hier ging Hij in de synagoge en hield er een lange redevoering, waarin Hij zeer veel oude, diepzinnige voorafbeeldingen uit de Heilige Schrift verklaarde. Hij sprak van de kinderen van Israël en ik herinner me dat Hij daarin ondermeer zegde, dat zij, na door de Rode Zee gegaan te zijn, zo lang in de woestijn rondgedwaald hadden omwille van hun zonden.

Daarna waren zij door de Jordaan getrokken en hadden het Beloofde Land ontvangen: nu was het de tijd waarin dit werkelijk geschiedde door de doop in de Jordaan. Toen was het maar een voorafbeelding geweest. Nu moesten zij getrouw zijn, en na hun doop volharden in het onderhouden van Gods geboden en zij zouden bezitters worden van het ware Beloofde Land, de stad van God. Onder deze stad verstond Hij geestelijker wijze het hemelse Jeruzalem. Zij dachten steeds aan een aards rijk en aan de bevrijding van het juk der Romeinen.

Hij sprak van de Verbondsark en de strengheid van de Oude Wet: wie de Verbondsark naderde en zich verstoutte die aan te raken, werd gedood.

Maar nu was de Wet vervuld en de genade Gods gekomen in de Zoon des Mensen. Hij zei ook dat het nu de tijd was, waarin Tobias door de engel in het Beloofde Land teruggeleid werd, hij die, getrouw aan Gods geboden, zo lang in de gevangenschap had gezucht. Hij sprak ook van Judith, de weduwe, die de dronken Assyriër Holofernes de kop had afgehouwen en het bedreigde Betuel [Betulië] bevrijd had. Nu zou de Maagd, die van eeuwigheid geweest is, groeien, zich uitbreiden en groot worden. Vele trotse koppen, die Betuel benauwden, verdrukten en vervolgden, zouden door haar afgeslagen worden. Hij verstond dit van de Kerk en haar zegepraal op de vorsten dezer wereld.

Jezus haalde nog veel zulke voorafbeeldingen en gelijkenissen aan, die nu allemaal in vervulling gegaan waren. Nochtans zei Hij nooit: "Ik ben het," maar Hij sprak altijd als van een derde persoon. Hij sprak ook van de navolging en hoe men alles moet verlaten en geen overtollige zorg mag hebben voor zijn levensonderhoud. Het was iets groter en moeilijker om herboren te worden dan voedsel te vinden, en indien zij herboren werden uit het water en de Heilige Geest, dan zou Degene die hun de wedergeboorte, het nieuwe leven geschonken had, hen ook het voedsel geven. Hij zei ook nog dat zij die zijn leerlingen wilden worden, hun verwanten moesten verlaten en zich van vrouwen onthouden, omdat het nu geen tijd was om te zaaien en uit te strooien, maar om te oogsten en te verzamelen. Hij sprak ook nog van het brood van de hemel. Zijn toehoorders waren allen wel vol bewondering en eerbied, maar zij namen al zijn uitspraken in een aardse en materialistische zin op.

Lazarus ging van hier terug. De andere vrienden van Jeruzalem waren reeds van bij de Jordaan teruggekeerd. Lazarus was tot hier meegekomen. De Heilige Vrouwen, die te Jeruzalem een bezoek aan Suzanna gebracht hadden, zijn ook door de woestijn van Giba en Efron over Mikmas, waar zij bekenden hadden, afgereisd. Zij begeven zich, vermoed ik naar Tebez, waar Jezus een ontmoeting met hen zal hebben.

1 oktober. Jezus heeft de stad Luz verlaten en, in zuidelijke richting, de woestijn doorkruist. Hij trekt zuidwaarts en is, schat ik, van 12 leerlingen vergezeld. Benevens Saturninus zijn er Hem na zijn doop twee andere gevolgd. De zoon van Veronika is reeds gisteren vertrokken, misschien met een boodschap voor de Heilige Vrouwen. Op zijn voortgezette reis zag ik Jezus en de leerlingen eenmaal tussen een laan van dadelbomen voort wandelen en daar de leerlingen bevreesd waren om de afgevallen vruchten op te rapen en te eten, zei Jezus tot hen: "Ge kunt er gerust van eten. Op dergelijke dingen behoeft ge voortaan niet meer zo angstvallig te zijn, maar zoekt uw reinheid in de eigenschappen van de ziel en in de woorden die uit uw mond komen, niet in de dingen die de mond ingaan." Ik zag Jezus onderweg in een rij van afzonderlijk gelegen huizen een tiental zieken bezoeken, hen troosten en enkele er van genezen. Sommige van deze volgden Hem.

Hij kwam vervolgens in een plaats die Ensemes heet [8 km ten oosten van Jeruzalem, bij de beek es-Sidr, ter plaatse waar de bron el-Hewd ontspringt. Hier kwamen de inwoners Hem tegemoet. Zij hadden reeds de tijding gekregen dat de nieuwe profeet naderde en velen hadden hun kinderen aan de hand mede. Zij groetten Hem eerbiedig en wierpen zich voor Hem neder, maar Hij deed hen vriendelijk opstaan.

Zij die Hem eer bewezen waren voorname lieden uit het dorp en zij ontvingen Hem in hun huis, doch de Farizeeën haalden Hem van daar weg naar de synagoge. Zij waren Hem niet ongunstig gezind en verheugden zich er over een profeet in hun midden te hebben. Op de bekentenis evenwel van de leerlingen dat Jezus de zoon was van een timmerman van Nazareth, ontdekten zij veel in Hem dat hun laakbaar scheen, hoewel zij hun mening voor zich bewaarden. Zij hadden Hem voor een andere profeet gehouden, die meer aan hun opvattingen beantwoordde.

Jezus sprak hun over de doop. Om Hem uit te horen vroegen zij welke doop de beste was, de Zijne of die van Johannes. Jezus herhaalde wat Johannes over zijn eigen doop en de doop van de Messias gezegd had [Mt. 3: 11 en Joh.1: 26-33]. Hij voegde er nog aan toe: "Wie de doop van de Voorloper versmaadt, zal ook de doop van de Messias niet eren." Hij zegde nochtans nooit: "Ik ben het", maar sprak altijd in de derde persoon, zoals daarna in het evangelie, waar Hij zich de Mensenzoon noemt. In het huis waarin Hij zijn intrek genomen had, nam Hij nog een maaltijd en voor het slapengaan bad Hij gezamenlijk met zijn leerlingen.

Van Luz uit was Jezus zuidwaarts naar Ensemes gegaan. Bij Ensemes vloeide de Kedron. De Kedron komt uit het dal,waar Judas zich verhangen heeft en vloeit naast de olijfberg door het dal Josafat en verder dan oostwaarts om in de Dode Zee uit te monden. Het was hier een bergachtig gewest. Het gebergte strekte zich opwaarts uit tot bij de berg Ammon bij de woestijn tegenover Giah. Jezus was daar geweest de avond eer Hij te Betanië kwam.

Bezoek aan twee rustplaatsen van Jozef en Maria op hun reis naar Bethlehem.

2 oktober. De volgende dag zag ik Jezus met zijn gezellen Ensemes verlaten, over de beek gaan en aankomen in Juda komen.

2 oktober. De volgende dag zag ik Jezus met zijn gezellen Ensemes verlaten, over de beek gaan en aankomen in Juda.

Jezus volgt meestal binnenwegen en me dunkt dat Hij de plaatsen in de omstreken van Johannes' doopplaats wil bezoeken en ook door de dalen wil trekken, waar de Heilige Maagd met Jozef langs omwegen op hun reis naar Bethlehem, geherbergd hebben. Hij wil zelfs Bethlehem bezoeken en ook enige plaatsen waar Maria op haar vlucht naar Egypte overnacht heeft. Overal wil Hij de mensen onderrichten en ook zieken genezen en dan op zijn terugweg voorbij de doopplaats gaan. Zulke vooruitzichten leest A.C. Emmerich, zoals zij eens zegde, in de wil van Jezus.

Daar in het land is het nu nevelachtig beneden en tamelijk koud boven. Ik zie menigmaal sneeuw en ijzel in de diepe dalen liggen, terwijl aan de zonnekant alles nog groen en aangenaam is. Ook hangen overal nog vruchten, waarvan de Heer en de leerlingen onderweg aten.

Jezus bezoekt nu geen steden, omdat men daar reeds overal de mond vol heeft van zijn doop, van de omstandigheden die hem vergezelden en van de woorden of het getuigenis van Johannes. Vooral in Jeruzalem wordt daar veel over gesproken. Pas na zijn terugkeer uit de woestijn [na zijn vasten] zal Jezus geheel openbaar optreden, beginnend van Galilea. Nu gaat Hij hier alleen rond om uit liefde nog enige bijzondere mensen tot de doop te bewegen.

Al zijn leerlingen zijn niet steeds onafgebroken bij Hem. Dikwijls zijn er slechts twee bij Hem. De overigen bezoeken afzonderlijk verspreide herdershuizen, die van de weg afliggen. Zij zetten de verkeerde meningen der bewoners recht, want deze hebben zulk een hoge dunk van Johannes, dat zij menen dat Jezus slechts zijn helper is. Ook noemen zij Hem eenvoudigweg zijn helper. De leerlingen verklaren hun de verschijning van de Heilige Geest, bij Jezus' doop en de woorden die gehoord werden en zeggen hun wat Johannes verklaard heeft, ondermeer dat hij slechts de bereider van Jezus' wegen is. Daarom was het dat hij zo onstuimig optrad en zich zo onvermoeid inspande. Hij bereidde immers de weg die gereed moest zijn. En zo komen dan de herders en wevers, die in de dalen hier rondom zo talrijk zijn, tot Jezus en aanhoren onder bomen en afdaken zijn korte toespraken. Ze vallen voor Hem neder en Hij zegent en vermaant hen.

Enigen onder de Hem vergezellende leerlingen hadden bij zijn doop de woorden gehoord: "Deze is mijn lieve Zoon." Onderweg verklaarde Jezus hun dat zijn hemelse Vader dit ook bedoelde te zeggen van allen die zonder zonde [dit is met berouw over hun zonden] de doop van de Heilige Geest ontvangen.

Dit gewest hier doorkruisten Jozef en Maria op hun reis naar Bethlehem, heel kort voor de geboorte van Christus. Jozef kende de streek zeer goed en wist er de weg, want zijn vader had hier weiland gehad. Jozef heeft toen langs de zijkant van Jeruzalem [achter de stad om] een omweg van wel anderhalve dag gemaakt. Hij heeft alle steden vermeden en is met zeer kleine dagreizen van een paar uren liever hierlangs doorgetrokken, omdat de herdershuizen hier zeer dicht lagen, want voor Maria was op de duur het zitten op het dwarszadel en ook het gaan zeer bezwaarlijk.

Eerste bezoek. De twee hoofddoeleinden van Jezus' rondgang op heden waren twee herdershuizen,waarheen zijn ouders op hun reis naar Bethlehem hun toevlucht genomen hadden, 's Voormiddags [na een weg van twee uren in oostelijke richting], kwam Hij bij het herdershuis, waar Maria slecht onthaald was geworden en hij onderrichtte daar het verzamelde volk.

De herder van dit huis was een ruwe,oude man, die ook nu Jezus niet wilde ontvangen. Hij was brutaal van manieren en onverschillig, zoals men hedendaags ook soms wel een zelfvoldane boer hoort zeggen:: "Wat heb ik dit of dat nodig? Ik betaal mijn schulden en ga naar de kerk, laat me voor de rest met rust." En zo leven zij voor het overige gelijk zij willen. Zo was ook de mentaliteit van de mensen van dat huis: "Wat hebben wij weer nieuwigheden nodig, mopperden zij, wij hebben onze wet, die van Mozes komt en deze heeft God geopenbaard en ons gegeven en verder behoeven wij niets."

Toen sprak Jezus hun van de gastvrijheid en de barmhartigheid, die alle heilige oudvaders beoefend hadden, want waar zou de zegen zijn, welke die voorvaderen ontvingen? Waar zou datgene zijn, waardoor de zegen bewaard bleef, indien Abraham de engelen afgewezen had, die hem de zegen brachten?

De Heer zegde hun ook in parabelen: "Wie de Moeder met het Kind onder het hart wegzendt, wanneer zij vermoeid van de reis aan de deur aanklopt en wie de man bespot, die ootmoedig om een onderkomen smeekt, die zal ook de Zoon verstoten en meteen het Heil dat Hij met zich medebrengt." En Jezus zei dit zo duidelijk, dat ik zijn woorden als een donderschicht in het hart van de man zag varen, want in dit huis was het dat men Maria en Jozef op hun reis naar Bethlehem niet wou ontvangen en hen met snode bespottingen de deur had gewezen. Ik herkende dit huis zeer goed,en de oudsten onder die mensen, die toen reeds leefden en hier nu aanwezig waren, kwamen in de grootste verlegenheid, want zonder Zichzelf en zijn Moeder en Jozef te noemen, had Hij alles wat zij gedaan hadden, in een gelijkenis gezegd.

Toen wierp zich daar de schuldige man voor Jezus neer en bad Hem toch binnen te treden en iets aan te willen nemen,omdat Hij zeker een profeet moest Zijn, aangezien Hij alles wist wat hier vóór dertig jaren voorgevallen was. Jezus nam evenwel niets van hem aan. Hij zette zijn toespraak tot de hier bijeengekomen herders voort en zei, op het hier gebeurde zinspelend, dat alle handelingen de aard en de kiem van de volgende handelingen bevatten: de eerste determineren de tweede en zoals men gehandeld heeft, zal men in een volgende geval opnieuw handelen, gelijk het ook hier aanvankelijk gebeurde, maar, zo betoogde Jezus verder, berouw en boetvaardigheid kunnen de oude wortels vernietigen, zodat wij betere handelingen gaan stellen. Aldus kan de mens door verandering van gezindheid en verbetering van het leven, door het doopsel van de H. Geest herboren worden en vruchten voor het eeuwige leven voortbrengen.

Van hier zag ik Hem verder, in zuidoostelijke richting, door de dalen gaan en hier en daar onderrichten. Ook op deze weg schreeuwden bezetenen Hem na, doch zwegen op zijn bevel.

Tweede bezoek. In de namiddag kwam Jezus bij een tweede herdershuis, gelegen op een hoogte waar nu Nebi Moesa ligt, 8 km ten zuidoosten van het voorgaande huis.

De man was een bezitter van talrijke kudden. Herders en vele tentenwevers woonden in lange rijen langs de dalen. Zij hadden lange banen weefsel in de open lucht uitgespannen en ze werkten twee en twee tegenover elkaar. Er waren in deze omstreken zeer vele schapenkudden en ook veel wild. De duiven liepen er in grote benden als hoenderen rond, zoals ook een soort van grotere vogels met een lange staart. In de wildernis liepen ook vele dieren als reebokken, doch met kleine horens. Ze waren niet schuw en kwamen tussen de kudden.

In dit huis werd Jezus vriendelijk ontvangen. De bewoners en buren en kinderen trokken Hem vreugdevol tegemoet en wierpen zich voor Hem neder. In dit huis had men de H. Maagd en Jozef zeer vriendelijk geherbergd. Er waren een paar jonge mensen in het huis, kinderen van de huisvader die nog leefde en nu een gebogen oudje was met een herdersstaf. Jezus nam hier een kleine maaltijd: vruchten en groenten die in een saus gedoopt werden en kleine, onder de as gebakken broden.

Deze mensen waren zeer deugdzaam en verlicht. Zij leidden Jezus in de kamer waar de H. Maagd overnacht had. Sedert lang hadden zij die in een bidplaats veranderd. Die kamer was voortijds slechts een afgeschermd gedeelte in een grotere ruimte geweest, maar zij hadden ze geheel afgescheiden en een speciale gang gebouwd, die er heen leidde. De vier hoeken van de kamer hadden zij gebroken, zodat ze nu achthoekig was en zij hadden aan het dak de vorm van een afgeknotte spits [stompe koepel] gegeven. In het midden hing een lamp. Ook was er een luik in het dak dat geopend kon worden. Voor de lamp stond een soort van smalle tafel [of bidbank], zoals een communiebank bij ons, waartegen zij onder het bidden konden leunen. Het was er zeer stemmig en net als in een kapel. De grijsaard leidde Jezus daar binnen en toonde Hem waar zijn H. Moeder gerust had en waar zijn grootmoeder Anna geslapen had. Inderdaad, ook deze was hier gekomen, toen zij na Jezus' geboorte de H. Maagd te Bethlehem bezocht.

De huisbewoners waren op de hoogte van de geboorte van Jezus, van de aanbidding der H. Driekoningen, van de profetie van Simeon en Hanna in de tempel, van de vlucht naar Egypte en van Jezus' wonderbaar onderricht als twaalfjarige knaap in de tempel. Zij hadden ook verscheidene van die gebeurtenissen in hun bidplaats met gebeden herdacht en van het begin af trouw geloofd, gehoopt en bemind. Zij vroegen Jezus, zoals naïeve landelijke mensen, wat er nu aan de gang was, wat er te gebeuren stond, dat te Jeruzalem onder voornaam volk het gerucht in omloop was dat de Messias verschenen was, die als koning van de Joden het rijk zou herstellen en hen van het juk der Romeinen bevrijden. Mogen wij ons daar werkelijk aan verwachten? vroegen zij.

Jezus verklaarde hun alles in een parabel van een koningszoon die door zijn vader uitgezonden wordt om zijn troon te beklimmen,het heiligdom te herstellen en zijn broeders van het juk te bevrijden. Maar dezen zouden de Zoon niet erkennen. Zij zouden Hem integendeel vervolgen en mishandelen. Doch Hij zou verheven worden en allen die zijn geboden onderhouden tot Zich trekken in het Rijk van zijn hemelse Vader.

Er gingen vele mensen met Jezus de bidplaats binnen en, als ik het goed voorheb, heeft Hij er een toespraak gehouden. Ook heeft Hij gedurende zijn verblijf hier, zieken genezen. De oude herder bracht Hem bij een buurvrouw, die sedert lange jaren met jicht te bed lag. Jezus nam haar bij de hand en beval haar op te staan. Zij deed dit aanstonds, knielde neer aan de voeten van de Heer en bedankte Hem en vergezelde Hem tot bij de deur. Zij ging niet minder gebukt dan Petrus' schoonmoeder.

Hierna liet Jezus zich door die vrienden in een diep dal brengen, waar vele zieken waren. Valleien omgeven de heuvel Nebi Moesa nagenoeg rondom. Bovendien ligt de heuvel hoog en zijn de dalen dus diep. Hij genas er een deel van en troostte ze allen. Hij genas er wel een tiental en dan verdween mijn visioen. Hij heeft bij de herders overnacht.

Johannes zet zijn doopwerk voort, want nu komen er nog meer dopelingen. De boom uit de doopvijver van Jezus is midden in de grote doopvijver [tussen Qasr Jehoed en de Jordaan] geplant. Hij staat zeer schoon groen. Deze grote doopvijver heeft trappen van de rand naar beneden. Verscheidene landtongen, waarop de mensen achter elkaar kunnen aantreden, lopen van het land in de vijver. De mensen komen van de ene kant aan en gaan langs de andere kant weer weg.

Jezus te Betaraba. Onderweg onderricht Hij veldarbeiders

3 oktober. Bij Jezus' vertrek deden de bewoners van het herdershuis, dat een vijftal uren van Bethlehem ligt, Hem uitgeleide. Deze mensen onderhielden betrekkingen met de herders die Jezus in de kribbe bezocht hadden en daardoor waren zij zo goed gesteld. De Heer en de leerlingen wandelden, zoals gisteren, langs slingerpaden en bochten en zo verzamelden zich hier en daar groepen herders en arbeiders om Hem, die Hij onderwees in gelijkenissen, die Hij aan hun bezigheden ontleende. Hij vermaande hen nog altijd tot de doop en de boetvaardigheid en sprak van de nabijheid van de Messias en van de tijd der zaligheid.

Op de helling van het gebergte [waarschijnlijk de oosthelling die afdaalt naar de Jordaanvallei, die hier zeer breed is] en op een schoon gelegen plaats bij deze weg van Jezus, zag ik veel volk met allerlei veldarbeid bezig. Ik zag op enige plaatsen mensen aan het werk in wijnbergen. Ook zag ik andere mensen koren, dat daar gestapeld lag, binnen brengen. Ik zag ploegen, zaaien en planten. Het was hier zeer vruchtbaar, hoewel er op andere plaatsen ijzel of sneeuw in de dalen lag. De winter is dit jaar vroeg gekomen. Het koren vormde geen lange schoven, maar men sneed het ongeveer een halve voet onder de aren af en twee bundeltjes aren waren in het midden telkens zo samengebonden, dat de halmen op elkander lagen en de aren de twee uiteinden van de schoof vormden. Deze schoven lagen op hopen gestapeld. Men droeg deze arenbundels niet binnen, alsof het juist nu oogst was geweest. De oogst was veel vroeger, maar de arenbundels waren in zeer hoge, brede hopen als heuvels op het veld blijven staan, doch nu dat de regentijd begon en het veld opnieuw bereid moest worden,werden ze verplaatst en met stro bedekt. De aren werden in de oogst met een krom mes afgesneden. Het stro werd achteraf uitgerukt en op hopen geworpen. Ik zag de arenbundels binnenbrengen op draagbaren die door vier mannen werd gedragen. Het stro lag ook in lijnen en werd in bundels gerold, om te verbranden, meen ik.

Op andere akkers zag ik ploegen. Deze had geen wielen en werd door mensen getrokken. De ploeg die ik zag, was als een slede met drie ploegscharen en er lag een gewicht op.Daartussen was de aanspan of de haak om er het trektouw aan vast te leggen. Gewoonlijk werd de ploeg door mensen of ezels voortgetrokken, zonder van achteren door iemand bestuurd te zijn. Zij ploegden in de lengte en de breedte en de egge die ik zag was driehoekig. Het brede deel was van voren. Waar de grond rotsachtig was, krabden zij er wat aarde boven en ook daar groeiden er vruchten. De zaaiers droegen de zak van achter en van voren, ook over de nek met de beide uiteinden op de borst. De planten die ik zag zetten, waren knoflook en een plant met grote bladeren, die, geloof ik, tot bijgerecht diende. Een daarvan heette doera.

De druivenoogst heeft plaats van september tot in oktober. Voor het zaaien waren oktober en november de geschikte tijd, iets vroeger of later naargelang de regens vroeger of later begonnen en de veldarbeid onmogelijk maakten. Het zaaien ging samen met het ploegen. Het graansnijden hangt af van de rijpheid van het koren en hiertoe draagt de temperatuur in de eerste plaats bij. In warme, beschutte valleien is het koren vroeger rijp. De oogst geschiedt in mei en in hoge landstreken en gebergten in juni.

De oogster grijpt met een haak of zijn arm of hand een hoeveelheid halmen nabij de aren en snijdt ze halverhoogte af met een gebogen mes, sikkel of halvemaanvormige zeis. De onderste helft of iets meer van het stro blijft staan, want door de Wet was bepaald: "ge zult het koren niet tot tegen de grond afsnijden." Het koren wordt anders gebonden dan bij ons, namelijk in kleine bundels en deze blijven op een hoek van het veld en blijven daar vaak nog lang liggen. Is de tijd gekomen, dan wordt het door mensen, kamelen of ezels naar de dorsvloer in openlucht gebracht en het graan door ossen uitgetrapt of met een rol of slede uitgestoten. Ook het graan blijft dikwijls nog een hele tijd, zelfs tot de regentijd in de open lucht buiten liggen. Zo zag de pelgrim Mislin er nog liggen half september en in de Esdrelonvlakte tot 25 oktober. Het blijft min of meer lang buiten, al naar gelang er zich een koper aanbiedt. Dezelfde was eens getuige van een verkooponderhandeling. Het is dus normaal dat A.C. Emmerich hier eerst begin oktober koren ziet binnenbrengen, enz.

De leerlingen verzamelden die mensen aan de weg tussen Nebi Moesa en Betaraba en Jezus sprak hen toe in parabelen over het zaaien en oogsten. Hij sprak met de leerlingen over het geestelijk zaad, dat zij door de doop in de zielen moesten uitstrooien. Hij duidde er twee aan, onder wie Saturninus, die binnenkort aan de Jordaan moesten dopen. Hij zei hen dat dit dopen het zaad was en dat zij ook over twee maanden, zoals deze mensen hier, zouden oogsten of het graan binnen brengen. Hij maakte ook gewag van het stro dat in het vuur geworpen moet worden. Het getal "twee maanden" is op de volgende wijze te rechtvaardigen. Na twee maanden is Jezus' vasten geëindigd. Hij zal dan nog enige tijd in deze omstreken rondgaan en onderrichten en dan zullen de leerlingen reeds de vruchten van het door hen toegediende doopsel kunnen vaststellen. Ook wordt doerra reeds geoogst drie maand na’t zaaien.

Jezus bij de Herders te Bethlehem

4 oktober. Onder het uitgeleide van vele toehoorders verliet Jezus deze plaats en ging Hij in de richting van het herdersdal, dat ongeveer drie en een half uur, van hier afgelegen, zuidwaarts is. Ik weet niet waar Hij overnacht heeft. Ik zag Hem eens met de leerlingen onder een open afdak alleen en zij aten vruchten en rode bessen, die zij verzameld hadden en ook korenaren van het veld met water als drank.

's Nachts gaan zij verspreid. Jezus wijst hun een plaats aan waar Hij op deze of die tijd zal zijn. Zij verspreiden zich wijd in de omtrek, verschaffen de mensen inlichtingen over Jezus, vermanen hen tot de doop en tot boetvaardigheid, indien zij nog niet gedoopt zijn. Die mensen komen dan op de aangewezen leerplaatsen bijeen. Een deel van hen komen met de leerlingen mede. Ook bewandelt Jezus grote omwegen, en ik zie Hem dikwijls op de heuvelen gaan om er de helft van de nacht in de eenzaamheid te bidden. Zo is zijn tijd onderweg nuttig besteed.

Ik hoorde de leerlingen Jezus eens smeken om toch op te letten, om niet door zulk een harde levenswijze, door dat vasten, nachtwaken en barrevoets te gaan over die stenige wegen, in dit koude en vochtige jaargetijde en zo Zijn lichaam voor de tijd te knakken. Hij wees hen met alle zachtmoedigheid, doch ernstig en beslist terug en volhardde standvastig in hetgeen Hij als zijn taak beschouwde.

In de morgenschemering zag ik Jezus met de leerlingen langs de helling van een berg in het herdersdal afdalen.

De herders in dit gewest wisten reeds dat Hij komen zou. Allen waren zij reeds door Johannes gedoopt en enkele van hen hadden ook dromen en visioenen gehad over de Heer die tot hen kwam. Daarom hielden enigen de wacht en keken altijd uit naar de kant van waar Hij moest afdalen. Eindelijk zagen zij Hem lichtend en door glans omstraald in het dal neerkomen, want vele van die eenvoudige herders waren met grote genaden begunstigd. Aanstonds bliezen zij op een hoorn om de verderaf gelegen herders te wekken en te roepen. Dit was hun gewoonte bij ieder ongewoon voorval.

Nu snelden zij allen de Heer tegemoet en vielen voor Hem neder met een ootmoedig vooruitgestoken hoofd, terwijl hun lange staven in hun armen lagen. Menigeen lag met zijn aangezicht tot op de grond. Zij droegen korte wambuizen, meest van schaapsvellen, enige op de borst open, andere helemaal dicht. Ze hingen tot op hun knieën en enige hadden zakken dwars van hun schouders hangen.

Zij begroetten Jezus met psalmwoorden die de komst van de Verlosser voorspelden en waarin Israël aan God zijn dank uitspreekt voor de vervulling van de Belofte. Jezus ging zeer vriendelijk met hen om en sprak hen van hun geluk tot de herdersstand te behoren. Hij leerde hen ook in de hutten, die hier en daar in het brede weidedal verspreid lagen, en dit meestal in parabelen aan hun herdersbedrijf ontleend. Hierop trok Hij met hen verder door het dal in de richting van Bethlehem, naar de herderstoren. Jezus zegde ook dat Hij hen nu aan huis kwam bezoeken, omdat ook zij Hem in zijn wieg waren komen groeten en Hem en zijn ouders in die dagen liefde betoond hadden. Hij verhaalde hun tot onderricht met parabelen van herders en kudden en zegde dat ook Hij een herder zou zijn en andere herders onder zijn gezag zou hebben, dat Hij de kudden zou verzamelen, verzorgen en leiden tot het einde der dagen.

De herders vertelden Hem van de engelen die zijn geboorte geboodschapt hadden en hoe zij de H. Familie en het Kind waren gaan bezoeken. Ook hadden zij in de ster boven de geboortegrot het beeld van het Kind gezien. Zij verhaalden ook over de koningen, die ook de herderstoren in de gesternten gezien hadden en over de menigvuldige gaven die zij daar achtergelaten hadden. Zij hadden veel daarvan en wel het ruwere tentdoek hier in de toren en in de hutten verbruikt. Hier waren nog enige bejaarde mannen die als jongelingen Jezus in de kribbe bezocht hadden. Zij vertelden tegen Jezus nogmaals alles wat toen geschied was.

5 oktober. De volgende dag werden Jezus en de leerlingen door de herders meer naar Bethlehem toe, naar de woning van de zonen der drie oude, overleden herders geleid, aan wie de engelen bij Jezus' geboorte het eerst verschenen waren en die Hem ook als eersten vereerd hadden. Zij lagen niet ver van hun woning begraven en deze was zowat een uur van de geboortegrot gelegen. Drie reeds bejaarde zonen van die oude herders waren in leven en stonden hoog in aanzien bij hun medeherders. Ook was deze herdersfamilie als een soort overheid door hen met gezag over hen erkend, gelijk de stammen der drie koningen dezen als hun hoofden erkenden. Zij ontvingen Jezus zeer ootmoedig en verheugd en zij brachten Hem bij het graf hunner ouders. Dit was een heuvel waartegen een wijnplanting groeide en hij lag afgezonderd. Beneden was hij rondom met een afdak omgeven, waaronder men in velerhande kelders en spelonken ging, doch hogerop was in de heuvel de grafspelonk van de oude herders. Het licht viel er langs boven in, de graven lagen in deze richting in de grond en waren met deuren bedekt. De herders openden voor Jezus de graven en ik zag de ingehulde lijken met bruine aangezichten. De ruimte rondom de kisten was met kleine steenbrokkelingen opgevuld en er lagen naast hen ook stenen.

De herders lieten Jezus ook nog hun schat zien, die hun ouders van de geschenken der drie koningen bewaard hadden en die hier in de spelonk in een kuil verborgen waren. Deze bestond uit massieve goudstaafjes en stukken van zeer kostbare, met goud doorweven stoffen. Zij vroegen Jezus of zij het aan de tempel moesten geven, maar Hij zegde hun het voor de Gemeente te bewaren. Deze zou de nieuwe tempel zijn. Ook voorzegde Hij hun dat er boven dit graf eenmaal een kerk opgericht zou worden. Dit geschiedde onder de Heilige Helena.

Deze heuvel was het begin van de wijnbergen die zich naar Gaza toe uitstrekten. Het was de algemene begraafplaats van de herders. Van hier gingen die herders met de Heer naar zijn geboorteplaats, naar de spelonk van de kribbe, nagenoeg een kilometer gaans. De weg liep door een overschoon weidedal, met drie paden. Deze liepen tussen rijen van zorgvuldig gesnoeide vruchtbomen. Onderweg vertelden zij tegen Jezus over het Gloria der engelen. Hier zag ik, in bijvisioenen, de taferelen van hun verschijningen, die zich op drie plaatsen voorgedaan hadden: eerst aan de drie herders, de volgende nacht bij de herderstoren en ten derde aan de bron, waar de herders Jezus gisteren morgen tegemoet gekomen waren. Bij de herderstoren waren zij in groter getal verschenen. Ze waren groot van gestalte en hadden geen vleugelen. Op de weg naar de geboortegrot leidden die herders de Heer in het voorbijgaan ook in de grafspelonk van Abrahams voedster Maraha bij de grote terpentijnboom.

Jezus in de Geboortegrot: zij is tot bidplaats ingericht

Nu brachten zij Jezus in de geboortegrot. Van deze oostzijde uit was Bethlehem in de rechte lijn niet toegankelijk. Van hier liep geen rechte weg er heen. De stad was van die zijde zelfs nauwelijks te zien. Ze was door vervallen wallen en dik, verbrokkeld muurwerk, waartussen diepe wegen liepen, van het herdersdal gescheiden. De eigenlijke en naaste of normale ingang van de stad was de zuidpoort, die naar Hebron leidde. Van deze poort uit moest men om de stad ooswaarts gaan om in het gewest van de geboortegrot, dat aan het herdersdal grensde, te komen en uit dit herdersdal kwam men in het voornoemd gewest der geboortegrot, zonder bij Bethlehem te komen.

De geboortegrot en de daarnaast gelegen spelonken behoorden ook aan de herders en zij hadden die sedert lang in gebruik om er hun vee en gereedschappen in te plaatsen en niemand uit Bethlehem betrad hier weg of steg, noch kwam hier iets verrichten.

Jozef, wiens ouderlijk huis aan de zuidzijde lag, had reeds als knaap hier dikwijls met de herders verkeerd, en was hier vaak komen bidden, wanneer hij zwichtte voor zijn broers en zich hier kwam verbergen.

De geboortegrot waarin de herders Jezus brachten, had sedertdien menige verandering ondergaan. De herders hadden haar als een heilige bidplaats ingericht. Niemand mocht de heilige bodem betreden.Daarom hadden zij een gang rondom de geboortekamer met traliën gemaakt en de spelonk daardoor verwijd. Van aan deze gang waren er cellen in de rots, zoals in een klooster. De wanden en de bodem waren met tapijten van de H. Driekoningen behangen en belegd. Ze waren bont en met veelkleurige driehoeken doorweven.

Zij hadden daarenboven twee trappen aangelegd, die van uit de omringende gang tot op de geboortespelonk liepen [in de noord-oosthoek bestond in elk geval één opening] en zij hadden boven de eigenlijke spelonkkamer het dak of gewelf, waarin schuine lichtgaten geweest waren, geheel weggenomen en er een dak als een koepel boven aangebracht. Hierdoor viel nu het licht van bovenaf in de grot. Zij konden langs de éne trap op de heuvel komen en zo vanop de heuvel naar Bethlehem gaan. Zij hadden al die veranderingen uitgevoerd met de middelen die de koningen hun achtergelaten hadden.

Het was vrijdagavond en de sabbat begon, toen zij met Jezus hier kwamen. Zij hadden sabbatlampen in de geboortespelonk aangestoken. De kribbe zelf stond nog waar ze gestaan had. Jezus toonde hun [wat zij niet wisten] de plaats waar Hij geboren was. Hij hield hier een leerrede voor hen en zij vierden de sabbat.

Hij zegde hun dat zijn hemelse Vader deze plaats had aangeduid en voorbestemd, toen Maria ontvangen werd. Ook ontving ik de kennis van verscheidene voorafbeeldende gebeurtenissen, die in het Oud Testament op deze plaats voorgevallen waren. Ook Abraham en Jakob waren hier geweest. Set, het kind van de belofte, was hier, na een zevenjarige boetepleging van Eva uit deze geboren. Hier zegde een engel tot Eva dat God haar dit kind in de plaats van Abel had gegeven. Set werd hier lang verborgen gehouden. Hij werd in de melkgrot of grafspelonk van Maraha verborgen en gevoed, want zijn broers vervolgden hem, zoals Jakobs zonen Jozef vervolgden.

De herders leidden Jezus ook in de aangrenzende spelonk, waarin de H. Familie enige tijd verbleven had [de eerste en tweede van het grottencomplex]. Zij hadden de bron die daar bij Jezus' geboorte ontstaan was, sierlijk ommuurd en in hun ziekten gebruikten zij van haar water. Ook Jezus liet van dit water door de leerlingen meenemen.

6 oktober. Emmerich: Ik herinner mij uit mijn beschouwingen uit Jezus' openbaar leven dat Hij op 6 oktober, na zijn doop, in de geboortegrot, die door de herders reeds tot bidplaats ingericht was, de sabbat vierde. Bij deze gelegenheid zei Hij tot de herders dat zijn hemelse Vader reeds bij de ontvangenis van Maria deze spelonk tot zijn geboorteplaats had voorbestemd.

Jezus gaat naar Anim

Gisteren op de sabbat, 6 oktober, en heden 7 oktober, was A.C. Emmerich zo bedroefd wegens de zonden en slechtheid van zo vele mensen dat zij de dood nabij scheen. Haar visioenen over Jezus' leven kon zij niet vertellen, maar de volgende dag, 8 oktober, kon zij weer iets mededelen over haar gezichten van daags daarvoor. Zij reikte de schrijver de hand en zegde hem liefdevol het volgende.

7 Oktober. Ik heb alles gezien. Hij is nog bij de herders. Jezus bezocht alle in het veld verspreidde gelegen herderswoningen en Hij troostte en onderrichtte hen. De leerlingen gingen gedeeltelijk alleen in enige huizen en verklaarden aan de bewoners de onderrichtingen van Jezus en de verschijning bij zijn doop.

Saturninus doopte verscheidene grijsaards die niet meer naar de doop van Johannes waren kunnen gaan. Zij goten van het doopwater van Christus uit de doopvijver van het Jordaaneiland in het water uit de bron der spelonk naast de geboortegrot. De ouderlingen knielden neer. Hun lichaam was tot op de borst ontbloot. Vóór hen stond een groot bekken. Zij bogen het hoofd erboven en ontvingen het doopsel.

Jezus gaat naar Anim

In de formule van deze doop, zoals in de uitdrukking die Johannes bij Jezus' doop gebruikt had, werd gewag gemaakt van de naam Jehova en van de gave der drie eigenschappen. Daarenboven werden er de woorden "In de naam van de Gezondene" aan toegevoegd. Bij de doop van Johannes had er een algemene zondebekentenis plaats, doch bij die van Jezus beleden zij hun zware zonden in het bijzonder, verwekten er een akte van berouw over en bekwamen vergiffenis.

Meestal bracht Jezus de nachten eenzaam in gebed op de heuvelen door. Op het einde van zijn verblijf bij de herders in deze dagen zegde Hij tot de leerlingen dat Hij nu een tocht alleen wilde ondernemen naar de mensen die Hem en zijn vluchtende ouders liefdevol ontvangen hadden, dat Hij daar zieken wilde genezen en een zondaar bekeren. Geen voetstap van zijn heilige ouders mocht ongezegend blijven. Allen die Hem toen gastvrijheid en liefde bewezen hadden, wilde Hij opzoeken en op de weg van de zaligheid brengen. Alle weldaad en barmhartigheid was hier,zoals trouwens reeds vroeger en te allen tijde een aandeel aan en een bevordering van de zaligheid geweest en zou dit te allen tijde blijven. En, zoals Hij nu allen bezocht, die Hem en de zijnen toen liefde bewezen hadden, zo zou zijn hemelse Vader allen gedenken die aan de geringsten van zijn broeders liefde en weldaden bewijzen. Hij duidde zijn leerlingen een zekere plaats aan, een spelonk bij de stad of een gebergte dat Efraïm heet. Daar moesten zij in de volgende dagen op Hem wachten.

8 oktober. Heden, 8 oktober, zag ik Jezus alleen, zonder gezelschap, op de grens van Herodes' gebied, naar de woestijn toe, nabij Anim of Engannim, enkele uren van de Dode Zee, in een wild en nochtans tamelijk vruchtbaar gewest. In deze stad woonde veel slecht volk. De vlucht naar Egypte geschiedde over de oostkant van Judea, de terugkeer over de Gaza langs de zee.

Hier in dit gewest weidden vele kamelen binnen omheiningen, misschien niet minder dan veertig. Reeds onderweg had ik Jezus door zulke kudden zien gaan. Hij begaf zich nu naar een huis dat een soort van herberg was voor reizigers die door de woestijn moesten. Verscheidene hutten en stallen stonden dicht bijeen. De eigenaars bezaten ook vele kamelen en waren, geloof ik, kameeldrijvers van beroep. De huizen lagen op een hoogte en overal rond groeide hier veel fruit in het wild.

Deze plaats was de laatste herberg of rustplaats van de H. Familie op het gebied van Herodes op haar vlucht naar Egypte. De bewoners, hoewel verdacht gespuis, dat ook niet terugschrok voor diefstal, hadden de H. Familie toch goedhartig onthaald. Hier, en ook in de naburige stad, leidden vele mensen, zoals gezegd, een ongeregeld leven. Na de oorlogen waren zij zich hier als veteranen komen vestigen.

Jezus ging in het huis en vroeg om verblijf. De heer des huizes heette Ruben, was zowat vijftig jaren oud en woonde hier reeds bij Maria's vlucht naar Egypte. Toen Jezus hem aansprak en bezag, schoot er als een straal uit Hem in de borst van de man. Hij was er geheel van onthutst. Als een zegen voelde hij Jezus' woorden en groet aan en verrast en ontsteld zei hij: "Heer, het is alsof U met het gehele Beloofde Land in mijn huis kwam." Jezus antwoordde hem: "Gij zult inderdaad het Beloofde Land deelachtig worden, indien gij aan de Belofte gelooft en de vervulling [Jezus zelf] niet van u afstoot!"

Jezus sprak vervolgens over de goede werken en hun heilzame gevolgen en zei dat Hij hem nu de zaligheid kwam verkondigen en aanbieden, omdat zijn Moeder en voedstervader vóór dertig jaren op hun vluchtreis naar Egypte in zijn huis gastvrij onthaald geworden waren. Zoals die handeling vrucht droeg, zo draagt elke andere handeling vrucht, de goede zowel als de slechte.

Toen wierp de man zich vermorzeld ter aarde en zei: "Heer, van waar kan het mij, ellendig en verworpen mens, geschieden dat Gij in mijn huis treedt?" Jezus verklaarde hem dat Hij gekomen was om de zondaars te bekeren, te reinigen en tot God terug te brengen. De man geraakte niet uitgesproken over zijn verworpenheid en beleed dat zij allen hier een onwaardig, verlopen en verloren ras van mensen waren. Hij bekende dat ook zijn kleinzonen ziek en ellendig waren en Jezus zegde hem dat Hij zijn kleinzonen de gezondheid terug zou schenken, indien hij in Hem geloofde en zich wilde laten dopen. De man waste Jezus dan de voeten en gaf Hem ter verkwikking van het beste dat hij in zijn huis beschikbaar had.

Ook de buren kwamen in dit huis en de man vertelde hun wie Jezus was en wat Hij hem beloofd had. Onder de buurlieden was een verwant van de man. hij heette Issakar. Hij leidde Jezus ook tot zijn zieke kleinzonen: de ene waren melaats, de andere lam en nog andere krom gegroeid. Ook ging Jezus tot vrouwen die aan ziekte en bloedvloeiing leden. Hij beval de kinderen op te staan en zij waren gezond en Hij beval een bad voor de kinderen te bereiden. Zij plaatsten een groot vat vol water onder een tent en Hij goot daarin een weinig van het doopwater uit de Jordaan en zegende het water. Dit Jordaanwater droeg Hij met zich mee in twee flessen, die onder zijn lang kleed met riemen aan zijn zijde vastgemaakt waren. De zieken moesten zich hierin wassen. Zij kwamen er allemaal genezen uit en zij dankten de Heer. Hij doopte hen niet eigenlijk, maar dit wassen kon in geval van nood tot doopsel dienen. Hij stelde de eis dat zij de doop aan de Jordaan zouden gaan ontvangen.

Zij vroegen Hem of de Jordaan dan zulk een bijzondere kracht had en Hij zei hun dat zijn hemelse Vader de loop van de Jordaan gemeten en getrokken en alle heilige plaatsen van dit land voorbestemd en gegrondvest had nog voordat hier mensen bestonden, ja, eer het land en de Jordaan er waren.. Hierover zegde Hij zeer wonderbare dingen, die ik helaas niet onthouden heb. Hij sprak over het huwelijk en in het bijzonder tot de vrouwen en wekte allen op tot matigheid, kuisheid en onthouding. Hij verklaarde dat de achterlijkheid van de mensen hier en de ziekelijkheden van de kinderen de gevolgen waren van de wanordelijke echtverbintenissen in dit gewest. Ook sprak Hij van de schuld der ouders aan de ellende en de gebrekkigheid van de kinderen. Als middel tot onderbreking van het kwaad wees Hij hun de boetvaardigheid en voldoening aan en kwam nogmaals terug op de wedergeboorte door de doop.

Hij haalde de weldaden aan die zij aan de H. Familie op haar vluchtreis bewezen hadden en onderrichtte hen op de plaatsen waar ze gegeten en gerust hadden. Hij toonde hun al hun handelingen van toen als voorafbeeldingen van hun tegenwoordige stap uit de zonde tot de zaligheid. Zij bereidden de Heer een maaltijd met het beste wat zij hadden. Dit bestond uit een soort dikke melk als witte kaas, uit honig, kleine, onder de as gebakken broodjes en ook uit druiven en vogelen.

Jezus in de spelonk bij Efraïm

9 oktober. Zesde rustplaats der H. Familie op haar vlucht naar Egypte. Bij Jezus' terugkeer van Anim deden enige van die mannen Hem uitgeleide. Hij keerde langs een andere [meer westelijke] weg terug [in tegenovergestelde richting van de weg van zijn vluchtende ouders],en kwam tegen de avond bij een plaats die aan twee zijden van een gebergte lag en tussen de twee delen van deze plaats liep een uit het oosten komend, wild dal met diepe verscheurde kloven. Deze plaats of het gebergte had een naam als Efraïm of Efron. De richting van het gebergte was naar Gaza toe. De bergrug loopt in die richting en een uur verder vindt men thans op het gebergte nog een ruïne met name Taiyibeh, wat de Arabische vertaling is van Efraïm.

Jezus was door het gewest Hebron gekomen. Ook lag er ver, doch zichtbaar van op zijn weg, een verwoeste stad met een toren, waarvan de naam als Malaga klonk. Niet verder dan een uur van hier was het bos Mambre, waar een engel aan Abraham de belofte van Isaak bracht. Ook vindt men daar de dubbele spelonk die Abraham van Efron, de Hetiet, aankocht als familiegraf. Ook het slachtveld, waar David Goliath versloeg, was niet zo ver van hier. Dit slachtveld was het dal tussen Socho en Azeka, vier uren ten noordwesten van hier.

Jezus' begeleiders waren teruggekeerd en Hij ging nu om de ene zijde van de tweedelige stad en zijn leerlingen, aan wie Hij dit gewest als de plaats der ontmoeting aangewezen had, troffen Hem aan op de holweg in het wilde dal. Zich uit dit diepe ravijn wegwendend, leidde Hij hen in een spelonk die zeer wild en moeilijk toegankelijk, maar zeer ruim was. Hier brachten zij de nacht door. Hier had de H. Familie op haar vlucht naar Egypte haar zesde rustplaats gehad. Later op 18 oktober vulde A.C. Emmerich dit verhaal aan als volgt.

De spelonk bij Efraïm, waarin Maria op haar vlucht gerust had, werd later rust- of verblijfplaats van Maria genoemd en door de pelgrims bezocht, zonder dat men nauwkeurig haar geschiedenis kende. Later woonde daar slechts arm en banaal volk.

Jezus vertelde hierover aan de leerlingen, die met een primitief toestel of apparaat vlam verkregen en een vuurtje aangelegd hadden. Om op die primitieve wijze vuur te verkrijgen wordt een stuk hout in een ander snel rondgewreven of gedraaid. Hij sprak hun over de heiligheid van deze plaats. Ook had zich hier dikwijls een profeet opgehouden om te bidden. Het zal wel Samuel geweest zijn. David had hier in het gewest de schapen van zijn vader gehoed, in deze spelonk gebeden en door engelen bevelen van God ontvangen. Hij kreeg hier ondermeer in zijn gebed de opdracht om tegen Goliath te gaan strijden. Ik weet niet meer alles wat ik hier gebeuren zag.

Ik zag dat de H. Familie op haar vlucht hier zeer uitgeput en terneergeslagen aankwam, dat de H. Maagd buitengewoon bedroefd was en weende. Zij leden gebrek aan alles, want op hun vlucht vermeden zij alle steden en openbare herbergen en volgden omwegen. Hier was het hun zesde rustplaats en zij brachten er een gehele dag door. Ook kregen zij hier grote genaden tot hun verkwikking. Er ontstond een bron in de spelonk en er kwam een wilde geit tot hen die zij molken en zij ontvingen ook troost van een engel.

Jezus sprak tot de leerlingen over de grote vermoeienissen welke zij en al zijn volgelingen te verwachten hadden. Hij weidde uit over de bezwaren die zijn H. Moeder en Hij op hun reis door dit gewest hadden verduurd en over de barmhartigheid van zijn hemelse Vader en over de heiligheid van deze plaats. Hij zegde hun ook dat hier eens een kerk gebouwd zou worden en Hij zegende deze spelonk, als wijdde Hij de kerk bij voorbaat in. Zij aten hier enige vruchten en kleine broden, die de leerlingen bij zich hadden.

Jezus te Mizpa en in het dorp, bij de aanverwanten van Jozef

10 oktober. Heden morgen verliet Jezus de spelonk en zij trokken in de richting van Betlehem, rond de andere zijde van de berg en het dorp om en namen aan de overzijde, buiten het dorp bij afgezonderd liggende huizen, hun intrek in een herberg. Zij verkwikten zich daar en wasten hun voeten.

De mensen waren hier goed en leergierig. Jezus hield een toespraak over de boetvaardigheid, de nabijheid van de zaligheid en de navolging. Ook deze mensen vroegen Hem waarom zijn Moeder toen de verre reis van Nazareth naar Bethlehem ondernomen had, aangezien zij het tehuis zo goed had kunnen hebben. Dan sprak Jezus van de Belofte [en van de profeten die zijn geboorte te Bethlehem voorspeld hadden]. Hij zegde dat Hij te Bethlehem in armoede onder de herders geboren moest worden, daar Hijzelf een herder was die de kudde moest verzamelen. Daarom wandelde Hij nu ook het eerst door deze herdersgewesten, nadat zijn hemelse Vader getuigenis van Hem had gegeven.

Van hier trok Hij naar de zuidzijde van Bethlehem. Ruim drie uren verder, doorkruiste hij een stuk van het herdersdal, waar dit zich zuidwaarts wendde en draaide hij om de westzijde van Bethlehem en liet het huis van Jozefs ouders rechts en kwam ‘s avonds in de thans kleine stad Mizpa [Masfa] aan, die weinige uren van Bethlehem verwijderd ligt. Mizpa kon men van zeer ver zien. Er brandden vuren in ijzeren korven op de grote wegen om de stad. Deze had muren en torens en hier liepen grote banen voorbij. Deze stad was lange tijd een voorname bedevaartplaats geweest. Judas de Makkabeeër had hier een lang en plechtig gebed voor de strijd uitgesproken en God de smadelijke vervolgingsmaatregelen der vijanden en Zijn eigen beloften voor ogen gesteld en ook de priesterklederen voor het volk ten toon gelegd. Dan zijn hun voor de stad vijf engelen verschenen die hun de zege beloofden.

Hier heeft ook Israël zijn strijdkrachten verzameld om de stam Benjamin te bestrijden en te bestraffen wegens de dodelijke mishandeling en verkrachting van de vrouw van de reizende leviet. Deze schanddaad geschiedde bij een boom. De plaats was nog door een muur omringd en werd door niemand benaderd. Ook heeft Samuel zijn ambt als rechter te Mizpa uitgeoefend en hier stond het Essenerklooster, waarin Manahem woonde, die de jeugdige Herodes het koningschap voorspelde. De Esseen Karot had het gebouwd. Omstreeks honderd jaar voor Christus heeft hij geleefd. Deze getrouwde man uit het gewest van Jericho was van zijn vrouw, met haar goedvinden, gescheiden en beiden hadden, hij voor de mannen en zij voor de vrouwen, essenerverenigingen gesticht. Zij hadden ook nog een ander klooster nabij Bethlehem gesticht, waar hij gestorven is. Hij was een zo heilig man geweest dat hij bij Christus' dood als een van de eersten uit zijn graf was opgestaan en verschenen is.

Hier in de stad waren zeer vele herbergen en het was aanstonds bekend, telkens als er een vreemdeling in de stad gekomen was. Jezus was nauwelijks in de herberg of Hij werd door vele mensen omringd. Men leidde Hem naar de synagoge waar Hij de Wet verklaarde. Er waren daar ook bespieders, wie het niet om de waarheid te doen was. Zij wilden Hem uithoren en bekentenissen uitlokken, daar zij gehoord hadden dat Hij óók de heidenen tot het Rijk Gods wilde brengen. Zij hadden vernomen op welk een wijze Hij bij de herders over de drie koningen gesproken had. Doch Jezus leerde hier zeer beslist en zei dat de tijd van de Belofte nu vervuld was, dat allen die door de doop herboren worden, die geloofden in Hem, de Gezondene van de Vader, en die zijn geboden onderhouden [ook de heidenen] het Rijk deelachtig zouden worden. Zijn volgelingen zouden erfgenamen worden van zijn Rijk. "De Belofte," zei Hij, zal zich verwijderen van de Joden die niet geloven, en zich wenden tot de heidenen."

Ik heb moeite om mij uit te drukken, maar Hij zei dat Hij wel wist dat zij alleen gekomen waren om Hem te bespieden, maar zij mochten Hem gerust te Jeruzalem gaan verklikken en daar vertellen welke leer Hij hier [in verband met de heidenen] verkondigd had.

Jezus heeft ook over Judas de Maccabeeër gesproken en over de gebeurtenissen die zich hier hadden voorgedaan. Zij echter kwamen terug op de heerlijkheid van de tempel en op de voorrang van de Joden boven de heidenen. Maar Hij toonde hun aan dat het doel van het uitverkoren volk en van de joodse tempel bereikt en hun rol uitgespeeld was en dat nu Degene, die God door de profeten beloofd had, gekomen was om het nieuwe Rijk en de nieuwe tempel van de hemelse Vader te stichten.

Na deze redevoering verliet Jezus Mizpa en trok ongeveer een uur oostwaarts. Hij kwam door een rij huizen en dan in een afgezonderde hofstede bij verwanten van Jozef. Een weduwe had aan de vader van Jozef een stiefzoon toegebracht. Deze was hier getrouwd en zijn nakomelingen woonden hier nog. Zij hadden kinderen, waren gedoopt en onthaalden Jezus vriendelijk en ootmoedig. Er kwamen nog vele buren bij. Jezus hield hun een onderrichting voor en nam een maaltijd in hun huis. Na het maal ging Hij met beide mannen alleen. Zij heetten Aminadab en Manasse. Zij vroegen Hem of Hij hun betrekkingen kende en of zij Hem nu aanstonds moesten volgen. Hij zei "neen." Zij mochten voorlopig geheime leerlingen blijven. Zij knielden neder en ontvingen zijn zegen. Nochtans zijn zij al voor zijn dood tot de openbare leerlingen gekomen. Jezus bleef hier overnachten.


» Reageer (0)
08-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 2.2
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 2.2: Johannes De Doper tot het doopsel van Jezus

Oogopslag op Josuë

Toen Josuë de Israëlieten door de Jordaan leidde, zag ik dat de Jordaan zeer aangezwollen was [Jos:3, 15]. De Verbondsark werd ver voor het volk uit naar de Jordaan gedragen. Onder de twaalf leiders en dragers, wier namen ik allemaal geweten heb, waren Josuë, Kaleb en een man met een naam die bijna als Enoï luidde. Bij de Jordaan nam een van die dragers het voorste deel, dat anders door twee mannen gedragen werd. De overigen droegen achter hem, en zohaast hij de voeten van de Ark in het water had gezet, hield het aanstromende water op met vloeien en het zwol het aan tot een watermassa die gesteven scheen als gelei en die groeide tot een berg, zo hoog dat men hem van verre bij de stad Zartan kon zien. Het water naar de kant van de Dode Zee stroomde weg en men kon droogvoets door de bedding van de stroom gaan. De Israëlieten togen door de Jordaan op een [eerbiedige] afstand van de Ark [Jos. 3: 4] en over een breedte verder naar beneden. Verder in het bed van de stroom gekomen zetten de levieten de Ark neer op een plaats waar vier vierhoekige stenen regelmatig op de bodem lagen. Ze waren bloedrood en aan elke zijde lagen twee rijen van zes driekantige, gladde en als behouwen stenen, dus aan elke zijde twaalf. De twaalf levieten zetten de Verbondsark op de vier middelste [vierhoekige] stenen neder en traden zelf, zes rechts en zes links, op de naastgelegen twaalf driehoekige stenen. Deze stenen staken met hun spits in de grond en hun driehoekig vlak was van boven.

Twaalf andere, verderaf naar buiten gelegen, insgelijks driehoekige zeer grote en dikke stenen [nochtans kleiner dan de voorgaande] waren bontkleurig, in kleur verschillend, en sommige met allerhande figuren en bloemen dooraderd. Josuë liet twaalf mannen uit de twaalf stammen uitkiezen, om die stenen [nl. de buitenste] op hun nek naar de oever en tamelijk ver landwaarts in te dragen. Zij moesten die in twee rijen daar als gedenkstenen neerleggen. In de buurt van de plaats waar zij ze neerlegden, ontstond later een dorp. De namen van de twaalf stammen en van de twaalf dragers werden in die stenen gebeiteld. De stenen waarop de levieten stonden [de twaalf binnenste] waren groter dan die der buitenste rijen en ze werden, toen de levieten het bed van de stroom verlieten, omgekeerd, zodat ze met hun spits omhoog kwamen te liggen. De stenen die men aan land gedragen had, waren ten tijde van Johannes niet meer zichtbaar. Of ze slechts met aarde bedekt of door oorlog vernietigd waren, weet ik nu niet. Later werd er door Helena, zo ik meen,een kerk gebouwd. Johannes had er zijn tent tussen opgericht.


De juiste plek waar de Verbondsark in de Jordaan nedergezet was geworden, is die van de doopvijver van Jezus op het eiland, dat onlangs uit het water te voorschijn kwam. Nadat de Israëlieten met de Ark aan de overkant gekomen waren en de 12 stenen opgericht hadden [d.i. nadat zij de 12 in de bedding achtergebleven stenen omgekeerd en met hun punt in de hoogte opgericht hadden], begon de Jordaan weer te stromen.

De overige stenen bleven in de Jordaan, maar eer de levieten de bedding verlieten, keerden zij de stenen uit de rijen 2 en 5 om met hun punt omhoog. Deze en de vierkante stenen kwamen vóór Jezus' doop met het eilandje omhoog. Afgezien van de bijzonderheid over het eilandje, zijn dit Bijbelse gegevens, die echter daar niet zo duidelijk zijn. Immers, na het wegdragen van de 12 stenen [de buitenste] verhaald te hebben, vervolgt de Bijbel: "Tevens plaatste [zo vertaalt men] Josuë 12 stenen midden in de Jordaan, waar de voeten van de priesters die de Ark droegen,gerust hadden. Ze zijn daar nog tot op de dag van heden."

Dit is de exegeten een raadsel: waarom 12 stenen uit de Jordaan nemen en er 12 terugbrengen, leggen of plaatsen? Zulke vertaling is eigenlijk onjuist. Men vertaalt zo,omdat men niet weet hoe de zaak ineenzit. De juiste vertaling moet zijn: "Josuë richtte de 12 stenen op." "Erexit" is de letterlijke vertaling. Volgens A.C. Emmerichs verklaring wordt bedoeld dat Josuë de stenen omkeerde met hun spits omhoog, opdat ze een gedachtenis zouden zijn voor het nageslacht.

Hier lost Emmerich dus weer een schriftuurprobleem op en anderzijds wordt haar mededeling door de H. Schrift bevestigd. Daaruit volgt ook dat haar andere mededelingen over Melchisedek betreffende het hier en daar plaatsen van stenen als een grondslag en aankondiging van toekomstige heilswerken. Ja, ook haar verklaring over het "engel zijn" van Melchisedek kan niet te versmaden zijn. 

Het waren dooraderde, doorbloemde stenen. Zulke noemt men dendrietstenen. Ze vertonen op hun vlakken, als men ze breekt of splijt, figuren van heesters of planten, gelijk bevroren dampen op vensterruiten bloemen vertonen.

De uitdrukking "Johannes plaatste zijn tent tussen de stenen" zou volgens andere gezegden, zo te verstaan kunnen zijn: "tussen de 12 stenen in het noorden enerzijds en de steen der Verbondsark in het zuiden anderzijds.”

In Hiëronymus' tijd waren die stenen overgebracht naar het dorp Gilgal. De oude pelgrims vermelden een kerk te Gilgal [Djeldjoel]. Deze is nu gans vernietigd, maar men veronderstelt dat ze gestaan heeft op een aardterras, waar vele mozaïeksteentjes liggen die afkomstig geacht worden van die kerk.

Hier uit Brentano, in een nota, het vermoeden dat die stenen door Johannes' verblijf alhier weer aan de dag kunnen gekomen zijn, of dat ze wellicht door andere vervangen waren in een laterr tijd, want Hiëronymus verzekert dat de H. Paula ze te Gilgal gezien heeft. Eusebius verklaart in zijn Onomastikon dat ze in zijn tijd te Gilgal nog bestonden. Johannes Moshus vertelt van abt Agiodulus dat hij van God de genade bekomen had de 12 stenen te zien, die "in de Jordaan opgericht werden". [Dit laatste wijst op een verwarring tussen de 12 stenen die aan land gebracht werden en de 12 die in de Jordaan bleven liggen.] In zijn nota zegt Brantano nog [wat van minder belang is], dat de Doper op die stenen wees, naar de mening van sommige kerkvaders, toen hij zegde: God kan uit die stenen kinderen van Abraham verwekken.
 
Jezus’ doopvijver op het eilandje en Melchisedek

29 augustus. De waterspiegel van Jezus’ doopvijver lag zo diep, dat men van op de oever de dopeling slechts tot onder de borst kon zien. De verdieping was zacht neerhellend en daarin was de achthoekige waterkom, die een doorsnede had van ongeveer vijf voet en omgeven was door een rand met vijf insnijdingen, openingen of doorgangen. Op deze rand konden verscheidene mensen gemakkelijk plaats nemen. Ik heb nu ook gezien dat de 12 driehoekige stenen, waarop de Levieten gestaan hadden en die zij daar op wonderbare wijze met de spits in de grond aantroffen, opgericht werden met de spits omhoog. Ik heb gezien, zeg ik, dat die twaalf kleine piramiden aan beide zijden van Jezus' doopvijver met hun spits uit de grond omhoogstaken. In de doopvijver zelf [dus op zijn bodem] lagen onder de waterspiegel de vierhoekige rode stenen, waarop de Ark had gerust. Ik dacht daarbij dat ze moesten gezonken zijn, want bij de doortocht lagen zij op gelijke hoogte [als de andere stenen], of dat de 12 levietenstenen moesten gestegen zijn. Die stenen staken voortijds bij laag water met hun spitsen boven de Jordaan uit. Dicht bij de rand van de waterkom lag een driehoekige, pyramidevormige steen met zijn spits in de grond. Op deze steen stond Jezus bij [onmiddellijk na] zijn doop, op het ogenblik dat de H. Geest over hem kwam.

Aan zijn rechterzijde stond de dunne palmboom dicht bij de rand van de waterkom. Hij omvatte die boom met zijn rechterhand en aan zijn linkerzijde stond de Doper. Dit geldt voor het ogenblik onmiddellijk na zijn doop, toen Hij, uit het water tredend, op de steen plaats had genomen en zich naar het noorden gekeerd had. Deze driehoekige steen, waarop Christus stond, is, gelijk ik het me vaag herinner, geen van die 12 omringende stenen. Me dunkt dat Johannes hem van de oever aangebracht heeft. Het had ook een verborgen, diepzinnige betekenis en was met allerhande bloemen en figuren dooraderd. De twaalf andere stenen waren van verschillende kleuren en ook op veelvuldige wijze dooraderd en doorbloemd. Ze waren groter dan die welke aan land gedragen werden.

Ik herinner mij iets wat ik op dit ogenblik niet met voldoende duidelijkheid kan vertellen, nl. als waren die stenen geheimnisvol [rijk aan betekenis, zoals verder aangetoond zal worden] en als waren het edelstenen geweest en als had Melchisedek ze klein geplant eer de Jordaan op deze plaats voorbijvloeide. Hij heeft op meerdere plaatsen op die manier iets gevestigd [een soort eerste steen gelegd], wat, na lang met slijk en aarde bedekt gelegen te hebben, later aan het licht kwam en een heilige plaats werd, waar zich een heilsgebeurtenis voordeed.

Emmerich vulde deze uitlating bij een later gelegenheid aan als volgt: Melchisedek nam vele plaatsen van het Beloofde Land door aanbrenging van een teken [of steen] als het ware in bezit. Hij nam de afmetingen op van de latere vijver Bethesda. Hij grondvestte een steen waar de tempel moest oprijzen, nog eer Jerusalem bestond. Ik zag hem de 12 edelstenen, waarop de priesters met de Verbondsark bij de doortocht van de kinderen van Israël gingen staan, in de korrel- of zaadtoestand a.h.w. planten, en ze zijn gegroeid. Die edelstenen liet men als heilig onaangeroerd liggen. Later waren ze niet meer te zien, werden ze vergeten en daarna tot sierstenen in de kerken verbruikt.

Ook meen ik mij te herinneren, doch niet heel duidelijk, dat van die 12 stenen of van die welke aan land gedragen werden, de edelstenen voortkwamen, die ingezet waren op het borstschild dat de Doper op het tegenwoordige driedaagse feest droeg.

Derde gezant uit Jeruzalem. Derde bezoek van Herodes. Johannes op alle manieren geknoeid.

3 tot 17 september. Na het driedaags feest, wanneer Johannes weer aan de doopplaats werkzaam was, zag ik een nieuw gezantschap van ongeveer 20 personen uit alle rechtbanken van Jeruzalem tot hem komen om hem ter verantwoording te roepen. Zij wachtten ter plaatse waar men het feest gehouden had en daar ontboden zij Johannes tot zich. Maar hij kwam niet.

Daags daarna naderden zij tot op een klein half uur van de doopplaats. Johannes liet hen zelfs niet toe in de kring der vele omliggende woningen[die er als een kleine stad begonnen uit te zien]. Dit terrein was afgetuind. Ik zag Johannes na zijn arbeid van op een zekere afstand met hen onderhandelen. Zijn manier van spreken met hen was zoals altijd: hij verwierp al hun vragen en verwees hen naar Degene die weldra naar zijn doop zou komen, die méér was dan hij en die hij nooit had gezien.

Hierna zag ik Herodes in een soort kast op een muilezel rijdend, en zijn broers vrouw met wie hij leefde en die ook op een muildier reed. Zij was trots en schaamteloos opgedirkt, vouwrijk en breed gekleed. Zij kwamen met een gevolg van dienaren tot in de nabijheid van de doopplaats.

De vrouw bleef vrij ver verwijderd en op haar muildier gezeten, maar Herodes steeg af en kwam nader tot op een zekere afstand en Johannes begon nu een gesprek met hem. Herodes redetwistte met Johannes,want deze had een ban over hem uitgesproken, nadat hij hem het pleitschrift van zijn overspelige verbintenis had voorgelegd. Johannes had hem daardoor van alle deelneming aan de doop en aan het Heil van de Messias uitgesloten, indien hij die schandelijke verbintenis niet verbrak. Herodes vroeg aan Johannes of hij geen Jezus van Nazareth kende, van wie er nu in het land overal zoveel gesproken werd, of hij boden van hem ontving en of deze het misschien was, wiens komst hij altijd aankondigde. Herodes bad Johannes hem dit te zeggen en wel in zijn eigen voordeel, want dan wilde hij zich met zijn petitie tot deze wenden.

Johannes wedervoer dat deze hem evenmin zou aanhoren, dat hij een echtbreker was en bleef. Hij mocht zijn zondige verhouding voorleggen aan wie hij wilde, het zou een echtbreuk blijven. Toen vroeg Herodes hem waarom hij niet nader tot hem kwam en steeds maar uit de verte tot hem riep, en Johannes antwoordde: "Gij waart blind en zijt door uw echtbreuk nog blinder geworden, en hoe meer ik nader, hoe blinder gij zult worden, maar wanneer ik in uw macht zal zijn, zult gij iets doen wat u zal berouwen!" Dit was een voorzegging van zijn dood. Herodes en zijn wijf verlieten nu zeer verbitterd Johannes.

In de laatste dagen zag ik Johannes zeer bedroefd. Het was alsof zijn tijd nu welhaast ten einde liep, want in zijn doen legde hij niet meer zoveel vurigheid aan de dag. Ik heb gezien dat hem grote moeilijkheden aangedaan werden. Het ene gezantschap volgde op het andere, nu uit Jericho, dan uit Jeruzalem en ook van Herodes en allen wilden zij hem uit de doopplaats verdrijven. Zijn aanhangers hadden een aanzienlijk terrein rond de doopplaats als een kampeerplaats ingenomen. Men eiste nu van Johannes dat hij van die plaats zou wijken en zich over de Jordaan terugtrekken. Ik zag zelfs dat soldaten van Herodes zij die hier kampeerden wegdreven en de omtuiningen tot op een zekere oppervlakte na wegbraken, maar tot Johannes in zijn tent bij de 12 stenen zijn zij toch niet gekomen.

Ik zag Johannes zeer bedroefd en terneergeslagen met zijn leerlingen daarover spreken. Hij wenste zo vurig dat Jezus tot zijn doop zou komen en hij voor Hem naar de andere zijde mocht wijken. Hij zou niet lang meer onder hen, zijn leerlingen blijven. Dezen waren hierover zeer bedroefd, want zij wilden niet dat hij hen verliet.

Jezus’ doop is nabij

19 tot 26 september. In deze dagen zijn bij Johannes verscheidene groepen aangekomen die Jezus tot de doop door Johannes had opgewekt. Ook Parmenas en zijn ouders trokken er uit Nazareth heen, zoals ook meerdere tollenaars. Ik zag met vreugde hoe Johannes de boodschap van Jezus' nadering ontving, daardoor met nieuwe moed vervuld werd, opstond en ijverig zijn doopwerk hervatte. Hij hield een schone toespraak over de Messias, voor wie hij weldra de plaats inruimen en wijken zou. Hij verootmoedigde zich zo diep voor Hem, dat zijn leerlingen er zich smartelijk over bedroefden.

Het eiland van Jezus' doopvijver is nu reeds geheel en schoon groen. Niemand betreedt het, tenzij af en toe Johannes. De brug erheen houdt hij gewoonlijk afgesloten. Johannes was na de laatste aanvallen van Herodes en de Joden zeer neerslachtig. Het was echt aandoenlijk om zien, hoe zijn vurigheid verminderde, naargelang de tijd van Jezus' komst [buiten zijn weten] naderde, maar nu hij het bericht van Jezus komst ontvangen heeft, vat hij nieuwe moed. Ik meen dat Jezus binnen 8 of 10 dagen hier zal zijn.

Verscheidene scharen begeleiders, die Jezus vooruit gezonden had uit Nazareth zag ik bij Johannes aangekomen. Ik zag hen in zijn tent tegen hem over Jezus vertellen. Johannes was zo vol liefde tot Jezus en daarom zo vol ijver, dat hij bijna ongeduldig werd, omdat Jezus nog steeds niet duidelijker gezegd had dat Hij de Messias was. Dit is begrijpelijk en het was zeer menselijk. Terwijl Johannes nu die vrienden van Jezus doopte, kreeg hij de zekerheid van Jezus nabijheid, want hij zag een lichtwolk over hen komen en zag in een visioen Jezua en al zijn leerlingen rondom Hem. Sinds dit ogenblik is Johannes onbeschrijfelijk verheugd. Hij ziet telkens opnieuw in de verte of de Heer nog niet nadert.

Jezus’ doop is nabij

19 tot 26 september. In deze dagen zijn bij Johannes verscheidene groepen aangekomen die Jezus tot de doop door Johannes had opgewekt. Ook Parmenas en zijn ouders trokken er uit Nazareth heen, zoals ook meerdere tollenaars. Ik zag met vreugde hoe Johannes de boodschap van Jezus' nadering ontving, daardoor met nieuwe moed vervuld werd, opstond en ijverig zijn doopwerk hervatte. Hij hield een schone toespraak over de Messias, voor wie hij weldra de plaats inruimen en wijken zou. Hij verootmoedigde zich zo diep voor Hem, dat zijn leerlingen er zich smartelijk over bedroefden.

Het eiland van Jezus' doopvijver is nu reeds geheel en schoon groen. Niemand betreedt het, tenzij af en toe Johannes. De brug erheen houdt hij gewoonlijk afgesloten. Johannes was na de laatste aanvallen van Herodes en de Joden zeer neerslachtig. Het was echt aandoenlijk om zien, hoe zijn vurigheid verminderde, naargelang de tijd van Jezus' komst [buiten zijn weten] naderde, maar nu hij het bericht van Jezus komst ontvangen heeft, vat hij nieuwe moed. Ik meen dat Jezus binnen 8 of 10 dagen hier zal zijn.

Verscheidene scharen begeleiders, die Jezus vooruit gezonden had uit Nazareth zag ik bij Johannes aangekomen. Ik zag hen in zijn tent tegen hem over Jezus vertellen. Johannes was zo vol liefde tot Jezus en daarom zo vol ijver, dat hij bijna ongeduldig werd, omdat Jezus nog steeds niet duidelijker gezegd had dat Hij de Messias was. Dit is begrijpelijk en het was zeer menselijk. Terwijl Johannes nu die vrienden van Jezus doopte, kreeg hij de zekerheid van Jezus nabijheid, want hij zag een lichtwolk over hen komen en zag in een visioen Jezua en al zijn leerlingen rondom Hem. Sinds dit ogenblik is Johannes onbeschrijfelijk verheugd. Hij ziet telkens opnieuw in de verte of de Heer nog niet nadert.

Jezus door Johannes gedoopt

28 september. Op zijn weg naar Jericho tot zijn doop was Jezus alleen van Lazarus vergezeld. In het begin van de weg echter ging een dienaar van Lazarus met een fakkel mee, want het was nog nacht. Na omtrent een half uur kwamen zij aan een herberg, die aan Lazarus toebehoorde en waarin de leerlingen zich later dikwijls opgehouden hebben. Nochtans is dit een andere herberg dan die welke op een grotere afstand naar de andere kant [de noordkant] gelegen is en eveneens door hen gebruikt werd. Ik heb in mijn verhalen die herberg reeds dikwijls genoemd. De zaal, waarin Jezus en daarna Maria door Lazarus ontvangen werden, was dezelfde waarin Jezus vertoefde en leerde, alvorens Lazarus van de dood op te wekken. Daar was het ook dat Magdalena bij dezelfde gelegenheid Hem tegemoet kwam.[Men herinnert zich hier nog eens dat Emmerich het laatste jaar van Jezus' leven zag voor het eerste gedeelte].

Aan de herberg gekomen trok Jezus zijn sandalen uit en ging barvoets. Juist hier begint Jezus het meest woeste en steenachtigste gedeelte van Palestina te doorkruisen, de fameuze woestijn van Juda en Jericho, met wegen vol losse kelen en scherpe rotsstukjes. Uit medelijden bad Lazarus Hem dit toch niet te doen, daar de weg zo woest en steenachtig en voor een barvoetsganger niet begaanbaar was. Maar Jezus zei hem ernstig: "Laat dit zo geschieden, Ik weet wat Ik te doen heb." En zo vervolgden zij hun weg door de wildernis. Ik kon nauwelijks uit liefde en medelijden met de Heer mijn tranen weerhouden.

Die woestijn strekt zich vijf uren ver met enge ravijnen en diepe wegen tussen de rotsheuvelen naar Jericho uit. Dan komt men in het vruchtbare dal [of de vlakte] van Jericho, dat twee uren lang gaan is. Nochtans vindt men ook hier nog verscheidene stroken woeste grond. Bij Jericho is men nog eens twee uren gaans van Johannes' doopplaats verwijderd. Jezus ging veel sneller dan Lazarus en was dikwijls een uur voorop.

Ik zag een groep, die Hij uit Galilea naar de doop gezonden had, van de doop terugkeren. Er waren tollenaars bij. Zij trokken een eind ter zijde van Hem door de woestijn naar Betanië. Zij volgden zeer waarschijnlijk de gewone klimweg Jericho en Jeruzalem, terwijl Jezus een meer zuidelijke weg schijnt genomen te hebben. Ik zag Jezus nergens binnengaan. Jericho liet Hij links liggen. Ook een paar andere steden lagen bezijden zijn weg. Hun namen herinner ik me niet meer. Hij ging ze voorbij.

Jezus, die vlugger dan Lazarus ging, kwam bijna twee uren voor deze op Johannes' doopplaats aan. Op het uur van de morgenschemering achterhaalde Jezus in de nabijheid van die plaats op de weg een groep mensen die eveneens naar de doop trokken. Zij kenden Hem niet, maar Hij voegde zich bij hen en zette met hen de weg voort,maar zij bezagen Hem toch dikwijls nieuwsgierig, want zijn voorkomen maakte op hen indruk.

Toen zij aankwamen was het morgen. Een overgrote menigte mensen stond reeds te luisteren naar Johannes die hun met gloedvolle geestdrift sprak over de nabijheid van de Messias en de boetvaardigheid en die zei dat het uur voor hem gekomen was om te wijken. Jezus stond reeds in het gedrang onder de toehoorders. Johannes voelde zijn nabijheid en zag Hem ook hoed. Hij was overstelpt van vreugde en vol vuur, maar hij onderbrak zijn redevoering niet en begon daarop te dopen.

Hij had er reeds zeer vele gedoopt en het was omstreeks 10 uur, toen Jezus in de rij der dopelingen op zijn beurt tot de doopvijver afdaalde. Johannes echter boog zich diep ontroerd en zei: "Ik heb het nodig door u gedoopt te worden en Gij komt tot mij!" Jezus antwoordde hem: "Laat het nu geschieden, want het betaamt dat wij alle gerechtigheid vervullen, dat gij Mij doopt en Ik door u gedoopt wordt." Hij zegde hem ook nog: "Wat u betreft, gij zult de doop van de H. Geest en van het bloed ontvangen." Hierop bad Johannes tot Jezus om hem naar het eiland te willen volgen. Jezus zegde dat Hij dit wilde doen, maar dan moest er van het water, waarin allen gedoopt werden, in de eilandvijver gegoten worden en zij die nu hier waren, moesten daar dan ook gedoopt worden. En de boom die Hij zou omvatten, moest daarna op de gewone doopplaats overgeplant worden, opdat voortaan allen zich daaraan vast zouden kunnen houden.

De Zaligmaker ging nu met Johannes en diens twee leerlingen Andreas en Saturninus over de brug naar het eiland. Andreas was van de negen leerlingen en gezellen van de Heer, van wie hierboven sprake geweest is, van Kafarnaüm naar hier gevolgd. Op het eiland trad Jezus in een kleine tent, die men dicht aan de oostzijde van de doopvijver opgericht had om er zich te ontkleden en weer aan te kleden. De leerlingen volgden tot op het eiland, terwijl een grote menigte mensen zich op de oever en de brug tot aan haar einde verdrongen. Op de brug konden een drietal mensen naast elkander staan. Lazarus was een van de voorste. De doopbron lag in een achthoekige, zacht afhellende diepte, waarin op de bodem een achthoekige rand de bron of vijver omvatte. Deze was door vijf ondergrondse kanalen met de Jordaan in verbinding gesteld. Het water omgaf gans de rand van de bron en liep in de bron langs de doorsnijdingen,die in de rand waren. Drie van deze randdoorsnijdingen waren aan de noordkant, aan het noordelijk einde van het waterbekken of vijver. Langs deze liep het water er in en ze waren zichtbaar. Twee andere, waardoor het overtollige water wegvloeide, waren aan de zuidzijde van de bron en deze waren overdekt en aan de oppervlakte verborgen, want aan deze zijde was de toegang en de plaats van de handeling. Daarom zag men hier het water de bronrand niet omgeven.

Aan de zuidzijde leidden graszoden trappen, langs de schuine helling van de verdieping [ze was een halve man diep] naar de bronrand. Op de zuidoostrand van het watervlak was een driehoekige, glanzende steen dicht tegen de boord van de bron ingevoegd. Eén zijde lag tegen het water en de hoek tegen [of in] het land.

De zijde van de steen was bespoeld door het water en de hoek drong in het land. De zijde van de bronrand, waarnaar de trappen afdaalden, was iets hoger dan de noordelijke zijde, die voor de toevoer van het water drie openingen had. Op de zuidwestzijde van de bron- of vijverrand leidde een afdalende trede tot het ietwat dieper gelegen deel van het overige van de rand en langs die kant alleen ging men op deze rand. In de bron zelf, vóór de driehoekige steen, stond een groene slanke boom en op de bodem lagen de vier vierkante oude heilige stenen.

Het eiland was niet volmaakt effen, maar iets hoger in het midden. Deels bestond de bodem uit rots, deels ook uit zachte plaatsen. Het was met gras bedekt. In het midden stond een boom met wijd uitgebreide takken, en de twaalf bomen die rondom aan de rand van het eiland geplant waren, reikten met hun toppen of kruinen tot bij de takken van die middelste boom en tussen deze twaalf randbomen was een haag van vele kleine struiken geplant.

De negen leerlingen van Jezus, die Hem in de laatste tijd bestendig vergezeld hadden, daalden tot de bron af en gingen op haar rand staan. Jezus legde in de tent zijn mantel af, dan de gordel en een geelwollen kleed, dat van voren openging en met strikken gesloten was. Dan was er die smalle wollen strook om de nek en op de borst gekruist, die 's nachts en bij slecht weder over het hoofd getrokken werd. Nu behield Hij nog het bruin gestikte hemd [ondertuniek] op het blote lichaam, waarmede Hij uit de tent tot de rand van de bron afsteeg en waar Hij het over het hoofd uittrok. Hij droeg om het middellijf een lendendoek, die om elk van zijn benen tot beneden bij de enkels gewonden was. Saturninus ontving al zijn klederen en reikte die ter bewaring over aan Lazarus, die plaats had genomen op de rand van het eiland. Nu daalde Jezus in de bron af, waarin Hij tot aan de borst in het water stond.

Met zijn linkerhand omvatte Hij de boom en zijn rechterhand legde hij op de borst. De witte lendendoek vlotte met de losgeraakte zomen op het water. Johannes stond bij het zuidelijk einde van de vijver. Hij had een schaal met brede rand, die van drie groeven voorzien was. Hij bukte zich, schepte water en liet het in drie stralen over het hoofd van de Heer vloeien: een straal vloeide op het achterhoofd, een kwam neer midden op zijn hoofd en de derde bevloeide zijn voorhoofd en zijn aangezicht.

De woorden die Johannes bij het dopen sprak, weet ik niet meer juist. Ze luidden ten naaste als: "Jehova door cherubijnen en serafijnen stortte zijn zegen over U uit met wijsheid, verstand en sterkte."

Ik weet niet meer zeker of de laatste drie woorden juist deze waren, maar het waren drie gaven voor geest, ziel en lichaam en daarin was zoveel besloten als iedereen nodig heeft om aan de Heer zijn geest, zijn ziel en lichaam hernieuwd terug te schenken. Terwijl Jezus nu uit de diepte van de doopbron weer opsteeg, wierpen Andreas en Saturninus, die aan de rechterhand van de Doper rond de driehoekige steen stonden, een doek op Hem, waarmede Hij zich afdroogde en zij deden Hem een lang, wit doophemd aan. En toen Hij nu op de driehoekige, rode steen trad, die rechts lag van de toegang tot de bron [of van de trap, als men afdaalde], legden zij hun hand op zijn schouders en Johannes de zijne op zijn hoofd. Toen dit volbracht was en zij op het punt stonden om de trappen weer op te klimmen, kwam Gods stem over Jezus, die alleen op de steen te bidden stond er kwam een groot gedruis van de hemel, een gerucht als een donder en alle aanwezigen beefden en keken omhoog. Een witte lichtwolk daalde neder en ik zag boven Jezus een lichtgedaante met vleugels die zich als een stroom op Hem uitstortte. Ook zag ik de open hemel en daarin de verschijning van de hemelse Vader in de gewone gedaante en ik onderscheidde in de stem van de donder deze woorden: "Deze is mijn lieve Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb." Jezus was geheel met licht doorstraald, zodat men Hem nauwelijks nog aanstaren kon. Zijn gestalte was doorzichtig. Hij was ook door engelen omringd.

Op enige afstand bemerkte ik op het water van de Jordaan de satan, een zwarte gedaante als een donkere wolk en in die wolk zag ik een gewemel van afgrijselijk gewormte en zwart ongedierte, dat zich onrustig rond hem verdrong. Het was als werd alle kwaad, alle zonde, alle gift uit het gehele gewest, op het ogenblik dat de Heilige Geest zich uitstortte, in vormen zichtbaar werd en alsof het in die donkere gestalte vluchtte, terug in zijn oorsprong. Het was gruwelijk, maar het verhoogde [door zijn kontrast] de onbeschrijfelijke glans, de vreugde en klaarheid, die zich over de Heer en het eiland uitstortten. De heilige doopvijver schitterde tot op de bodem en alles schitterde op bovennatuurlijke wijze. Ook de vier stenen waarop de Verbondsark gestaan had, zag men op de grond van de put vol van vreugde blinken en op de twaalf stenen rondom de vijver, waarop de levieten gestaan hadden, schenen aanbiddende engelen te staan. Want de Geest van God had ten aanschouwen van allen aan de levende Grondsteen, aan de uitverkoren, kostbare Hoeksteen van de Kerk getuigenis gegeven, waaromheen wij als levende stenen gebruikt een geestelijk huis, een heilig priesterschap moeten vormen, om God geestelijke offers door zijn lieve, welgevallige Zoon, te kunnen brengen.

Nu ging Jezus de trappen op en begaf hij zich onder de tent bij de vijver en deed hier weer zijn klederen aan, die Lazarus in bewaring had en die Saturninus hier nu weer binnengebracht had. Aangekleed trad Hij uit de tent en omgeven door zijn leerlingen ging Hij staan op de open plaats van het eiland ter zijde van de middelste boon [waar ook de grond het hoogst was]. Met opgetogen vreugde richtte Johannes nu het woord tot het volk en legde getuigenis voor Jezus af. Hij verklaarde plechtig dat Hij de Zoon van God en de beloofde Messias was. Hij haalde alle beloften van de patriarchen en profeten aan, die nu vervuld waren en deelde ook mede wat hijzelf gezien had. Hij wees hen nog op de betekenis van Gods stem die zij allen gehoord hadden.

Hij zelf zou nu spoedig, bij Jezus' terugkeer [uit de woestijn na zijn vasten], wijken voor Hem. Hij beklemtoonde de betekenis van deze plaats en trok een parallel tussen de voorafbeelding en de vervulling in verband met deze plaats: de Vervuller van het Verbond had zonet getuigenis van zijn Vader, de almachtige God, ontvangen op dezelfde plaats waar, toen Israël het Beloofde Land in bezit kwam nemen, de Ark gestaan had. Hij verwees allen naar Hem en prees gelukkig de dag waarop de belofte vervuld was, Israëls droomwens werkelijkheid geworden was en zijn verzuchtingen verhoring gevonden hadden.

Ondertussen waren nog vele mensen en ook vrienden van Jezus aangekomen. Ik onderscheidde in de menigte Nikodemus, Obed, Jozef van Arimatea, Johannes Markus en anderen. Johannes zegde tot Andreas dat hij in Galilea de doop van de Messias moest verkondigen. Van zijn kant bevestigde Jezus in alle eenvoud dat Johannes de waarheid gesproken had. Hij zegde ook dat Hij zich nu voor een korte tijd wilde verwijderen. Dan mochten alle zieken en bedroefden tot Hem komen. Hij wilde hen troosten, helpen en genezen. Zij moesten zich ondertussen door berouw en goede werken er op voorbereiden. Nu wilde Hij zich nog eerst verwijderen om dan de stichting van het Rijk in te luiden, dat zijn hemelse Vader Hem gegeven had. Jezus kleedde dit in een parabel in, als van een koningszoon die, alvorens zijn troon in bezit te nemen, zich terugtrekt om er zich op voor te bereiden, om de bijstand van diens Vader af te smeken en alles te regelen.

Onder de talrijke aanwezigen waren ook enige Farizeeën, die alles in het belachelijke trokken en zeiden: "Hij is misschien toch niet de timmermanszoon, maar een onderschoven koningskind. Wil Hij misschien militanten recruteren om Jeruzalem binnen te trekken?" Zo'n plan vonden zij vreemd, hachelijk en onbezonnen.

Johannes ging nog door met alle aanwezigen heden in de doopvijver van Jezus op het eiland te dopen. Het waren meestal mensen die zich later bij de Gemeente van Jezus aansloten. Zij traden in het water dat de bronrand omgaf en op deze rand stond de Doper om hen te dopen. Jezus echter verliet nu de doopplaats met zijn negen leerlingen en enige anderen, die hier tot Hem gekomen waren. Lazarus en Saturninus volgden. Zij hadden op zijn bevel een zak met water uit de eilandvijver gevuld en namen hem met zich mee. De aanwezigen vielen Jezus aan de voeten en smeekten Hem nog om bij hen te willen blijven, maar Hij beloofde weer te zullen keren en vertrok.


» Reageer (0)
07-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 2.1
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 2.1: Johannes De Doper tot het doopsel van Jezus

Johannes’ verblijf in de woestijn

Ik zag de nog jeugdige Johannes tijdens zijn verblijf diep in de woestijn aller­hande boetebedingen verrichten: hij sliep op de harde rots onder de blote hemel, liep met geweld over ruwe stenen, door distels en doornen, geselde zich met doornen takken, arbeidde zich moe aan bomen en stenen en lag lang in gebed en beschouwing.

Dikwijls zag ik bij hem in de wildernis lichtende gestalten, en ik zag hem eens op de leeftijd van ongeveer 17 jaar heimelijk en ongemerkt het huis van zijn ouders bezoeken. Zacharias was al dood, maar Elisabeth leefde nog.

Na dit bezoek drong hij nog veel dieper de woestijn in dan hij tot nog toe ge­daan had. Hij trok in noordoostelijke richting en naderde het gewest waar ik in mijn visioenen de wonderbare profetenberg en de bovenaardse wateren zie. Hij kwam in het gewest, waar ik de H. Evangelist Johannes veel later eens onder hoge bomen zag liggen schrijven. Onder die hoge bomen stonden struiken met bessen, waar hij van at. Ik zag hem ook van een kruid eten: dit heeft ronde bladertjes gelijk de klaver, en een witte bloem. Bij ons thuis stonden dergelijke kruiden, doch kleiner. Ze groeiden onder de hagen. De bladertjes smaken zuurachtig en als kind at ik ze veel wanneer ik in de eenzaamheid het vee moest hoeden, daar ik al toen er ook Johannes van had zien eten.

Ik zag hem uit holten in bomen en uit het mos op de aarde bruine stukken halen en opeten. Het leek mij wilde honig te zijn die daar in overvloed voorhanden was [in Palestina en buurlanden zijn vele bijen, zowel wilde als tamme]. Ik zag hem ook als hij ouder geworden was. Hij had geen ander gewaad dan het vel dat hij van huis had medegebracht en dat nu om zijn lenden geslagen was. Later echter had hij zich zelf een bedekking gevlochten die bruin en harig was en van zijn schouderen afhing. Er liepen daar in de wildernis allerlei wollige dieren tam rondom hem, ook kamelen met lange haren aan de hals. Ze lieten er zich door Johannes zeer gedwee van beroven. Ik zag hem daarmee strengen draaien en een kleed vlechten, dat hij nog droeg toen hij weer onder de mensen verscheen en doopte. Ik zag hem in de woestijn zijn versterving en zelfkastijding steeds strenger voortzetten en zijn gebed langer en vuriger verrichten.

Johannes heeft Jezus driemaal gezien

In zijn ganse leven heeft Johannes de Zaligmaker slechts driemaal van aangezicht gezien: de eerste maal in de woestijn, toen de Heilige Familie op haar vluchtreis naar Egypte in zijn nabijheid voorbijtrok. Ik zag nogmaals dit onbeschrijfelijk ontroerend tafereel: Johannes, door de Geest aangedreven, snelde toe om zijn Meester te groeten, die hij reeds in de moederschoot verwelkomend tegemoet was gesprongen.

Johannes droeg toen zijn vel dwars over de schouder en om het lijf gegord. Hij voelde dat zijn Zaligmaker nabij was en dorst leed. De kleine Johannes bad en stiet met zijn staafje in de aarde, waarop een overvloedige bron ontsprong. Johannes liep de ontstane beek vooruit en waar ze uitstortte, bleef hij staan om Jezus en Maria voorbij te zien reizen. Hij danste van vreugde en wenkte met zijn vaantje.

De tweede maal zag hij Jezus bij de doop en dus van zeer nabij. De derde maal, toen hij Hem aan de Jordaan zag voorbijgaan en getuigenis van Hem gaf. Ik hoorde de Zaligmaker eens tot zijn Apostelen van de grote zelfoverwinning van zijn voorloper spreken: zelfs bij Jezus' doop had Hij zich binnen de palen van een eerbiedige, noodzakelijke aanschouwing gehouden, en dit, hoewel zijn verlangen naar Jezus' komst en zijn liefde tot Hem zijn hart bijna had doen breken. Daarna was hij ootmoedig nog meer voor Hem geweken, dan hij vroeger, toegevend aan zijn liefde, naar zijn komst had verlangd.

Doch Johannes zag de Heer voortdurend in de geest, want hij verkeerde bestendig in een profetische toestand. Hij zag in Jezus de vervulling van zijn zending, de verwezenlijking van zijn profetenroeping. Jezus was voor hem niet een tijdgenoot, noch een medemens. Hij was voor hem de Verlosser van de wereld, de mens geworden Zoon van God, de Eeuwige die verschijnt in de tijd.

Vandaar dat hij er zelfs niet aan den­ken kon met Hem te willen omgaan. Johannes voelde, zoals dit met andere mensen het geval is, zichzelf niet als iemand die in de tijd en in de wereld leeft en er mede verbonden is. Reeds in de moederschoot werd hij door de Eeuwige gegrepen, aangedreven en door de H. Geest met zijn Verlosser in betrekking gebracht boven tijd en wereld uit. Reeds als kind werd hij aan de wereld ontrukt en in de met God vervulde na­tuur aan hoger invloeden ter opleiding toevertrouwd. Hij bleef, van niets dan van zijn Verlosser wetend, aan zijn tijd en medemensen ontrukt en in de eenzaamheid der woestijn gescheiden van de wereld, totdat hij, als een tweede maal geboren, er uit te voorschijn kwam. Dan begon hij zijn wonderbaar werk, ernstig, geweldig, geestdriftig, onvermoeid en nergens om bekommerd.

Nu is Judea voor hem de woestijn geworden en, zoals hij voorheen in de woestijn met bronnen, rotsen, bomen en alle dieren verkeerde, met hen leefde en sprak, zo spreekt en doet hij nu ook met de mensen en zondaren, zonder aan zichzelf te denken. Hij ziet en kent en verkondigt slechts Jezus. Zijn boodschap luidt: "Hij komt, bereid zijn wegen! Doet boetvaardigheid! Ontvangt de doop! Ziet het Lam van God dat de zonden van de wereld op Zich neemt!"

Rein en onschuldig als een kind in de moederschoot, is hij uit de woestijn getreden, rein en eenvoudig gelijk een kind aan de moederborst! "Hij is rein als een engel," hoorde ik de Heer tot de apostelen eens zeggen, "nooit is iets onreins in zijn mond gekomen, noch een zonde of onwaarheid uit zijn mond."

Johannes graaft een vijver

Ik zag dat Johannes een openbaring had betreffende de doop en dat hij, ten gevolge daarvan, een doopvijver aanlegde. Dit geschiedde kort voor zijn terugkeer uit de woestijn, reeds nader bij het bewoonde land. Eer Johannes deze vijver begon te graven, zag ik hem vóór zijn spelonk aan de westzijde van een steile rotswand. Aan zijn linkerhand vloeide een beek, waarschijnlijk een van de bronnen die de Jordaan doen ontstaan [waarschijnlijk zelfs de beek en bron en spelonk van Banias of Cesarea-Filippi]. Zij ontspringt nabij de Libanon tussen twee bergen, in een spelonk. Mmen ziet het niet, tenzij men er dicht bij gekomen is.

Aan zijn rechterhand lag op een wildernisgrond een effen plaats waarop de vijver gegraven moest worden. Johannes zat op één knie. Op de andere, opgeheven knie had hij een lange rol van boombast liggen, waarop hij met een riet schreef. De zon scheen blakerend op hem. Hij was naar de Libanon gekeerd, die in het westen voor hem lag. Terwijl hij aldus aan het schrijven en tekenen was, werd hij opeens als roerloos en stijf. Ik zag hem geheel buiten zichzelf en als in geestverrukking. Er stond, naar ik zag, een man bij hem, die gedurende zijn verrukking zeer veel op de rol schreef en tekende. Tot zichzelf teruggekomen, las Johannes wat er op de rol stond, en begaf zich daarop met alle ijver en inspanning aan het werk. De boomschorsrol lag bij hem op de grond en twee er op gelegde stenen beletten haar samen te rollen. Herhaaldelijk sloeg hij er de ogen op, want het leek mij dat het plan van de te graven vijver daar nauwkeurig op getekend stond.

Met betrekking tot de ligging van de vijver zag ik uit het leven van Elias het volgende. De profeet zat droefgeestig over een begane fout in de woestijn en viel in slaap. Dan droomde hij dat een knaap hem met een stokje stiet en dat er naast hem een waterput lag, zodat hij vreesde er in te vallen, want van de stoot zag ik hem een eindje verder rollen. Hierop zag ik de engel hem wekken en te drinken geven. Dit geschiedde op dezelfde plaats waar Johannes nu zijn vijver groef.

Ik begreep de betekenis van iedere aardlaag die Johannes in het maken van de vijver doorgroef en van alle bijzondere werkzaamheden, tot de vijver voltooid was. Alles had betrekking op de hardheid en andere gebreken van de mensen, die hij moest verbeteren, opdat de genade van de Heer op hen zou kunnen inwerken. Ik werd hierbij onderricht dat zijn arbeid, zoals ook al zijn andere handelingen en zijn hele leven een zinnebeeld en voorafbeelding waren. Hierdoor werd hij niet alleen door de H. Geest onderricht nopens hetgeen hij te doen had, maar hij deed er door ook dat­gene, wat zijn verschillende verrichtingen beduidden, aangezien God de goede mening waarmede hij zijn werk bezielde, in aanmerking nam.

Tot dit alles werd hij, zoals weleer de profeten, door de H. Geest aangedreven. Hij schilde eerst de grasgrond in een ronde vorm weg en groef dan door de harde mergelgrond een rondvormige, grote vijver, zeer schoon en zorgvuldig, en bevloerde de bodem met verschillende stenen, uitgenomen in het midden op de diepste plaats, waar hij tot op een kleine waterbron gegraven had. Met de uitgegraven aarde legde hij hierna rondom de vijver een rand aan, die op 5 plaatsen doorsneden was. Tegenover vier van deze doorgangen plantte hij rondom de vijver, op gelijke afstanden,vier slanke stammetjes, die van boven schoon groen waren. Het waren vier boompjes van een verschillende soort. Ze hadden elk hun bijzondere betekenis. In het midden van de vijver plantte hij een speciale boom met smalle bladeren en piramide­vormige bloemtrossen, die met een stekelachtige knot of bolster omgeven waren. Deze boom had een tijdlang half verwelkt vóór zijn spelonk gelegen.

De vier boompjes rondom schenen mij eerder dunne heesters te zijn die bessen droegen [boompjes met in hun kruis rode beters]. Hij hoogde de aarde rondom hun voet op om ze vast te zetten. Nadat hij in het uitgraven van de vijver tot op de bron gekomen was, waar daarna de middelste boom geplant werd, maakte hij een gracht of kanaal om het water uit de beek bij zijn spelonk in de vijver te leiden en ik zag hem in de steppe of wildernis holle rietstengels verzamelen [die in Palestina echte holle stokken zijn en ik zag hem die als buizen op elkander steken tot een soort pijp of waterleiding. Hij bedekte deze met aarde. Het was zo geregeld dat hij ze kon sluiten.

Hij had door het struikgewas tot aan de vijfde tegenover gelegen doorsnede van de vijverrand een pad gebaand. Dit pad liep rondom de vijver, tussen de vijverrand en de vier boompjes, welke hij tegenover vier van de vijf doorsneden van de rand had geplant. Tegenover de doorsnede die tot ingang diende, stond geen boom. Aan deze kant alleen was een toegang tot de vijver. Aan de andere zijden was hij slechts door het omlopende pad van de struiken en rotsen gescheiden. Hij plantte op de verhogingen rondom de voet van de vier boompjes een plant die mij niet onbe­kend is. Reeds als kind heb ik ze altijd zeer lief gehad,en wanneer ik ze ergens aan­trof, verplantte ik ze in de nabijheid van ons huis. Ze heeft een hoge, vette stengel, draagt bruinrode, lichtpurperen bloembollen en is zeer heilzaam tegen zweren en keelpijn, wat ik heden vernam. Hij zette er nog allerhande kleine boompjes, struiken en planten omheen.

Bij al die verrichtingen zag hij van tijd tot tijd de voor hem liggende boomschorsrol na en mat met een staf nauwkeurig alles uit, want het scheen mij dat alles, zelfs de bomen die hij plantte, daarop geschetst stonden. Ik herinner mij de figuur van de middelste boom daarop gezien te hebben. Ik wist ook wat alles beduidde, maar het is te veel om alles te kunnen onthouden.

Hij besteedde verscheidene weken aan dat werk en pas toen hij met alles klaar was, kwam op de grond van de vijver een klein watervlak te staan. De middelste boom, waarvan de bladeren reeds half verwelkt en bruin geworden waren, werd weer fris en groen. Johannes haalde water uit een andere bron in een vat dat vervaardigd was met grote stukken boomschors, die tot een waterzak samengevoegd en aan alle kanten ge­pekt waren en hij goot dit water in de nieuwe vijver. Dit water was uit een bron die op de plaats van een zijner vorige verblijven uit een rots ontsprong, toen hij met zijn kruisstaafje er op stootte. Ik ben voor 't ogenblik vergeten welke voorname gebeurtenis daar had plaats gehad.

Ik vernam ook dat hij op die vroegere verblijfplaats de vijver niet had kunnen maken, omdat de grond er uit louter rotssteen bestond en ook dit had zijn betekenis. Hij liet daarna zoveel water uit de beek in de vijver als nodig was. Kwam er te veel water in, dan vloeide het door een afleidingsopening op de omliggende ruimte,waar het de planten verkwikte.

Ten slotte zag ik dat Johannes tot aan de gordel in het water afdaalde, met zijn één hand het middelste boompje omvatte en met zijn staafje, waaraan hij een dwarsstaafje en een vaantje had vastgemaakt, zo in het water pletste, dat de waterstralen boven en op zijn hoofd tezamen spuiten. Ik zag op dit eigenste ogenblik een lichtwolk van Boven en een uitstorting als van de H. Geest op hem neerkomen en twee en­gelen aan de rand van de vijver verschijnen die iets tot hem zegden. Dit zag ik als zijn laatste handeling in de woestijn.

In juni 1820 laste zij het volgende tafereel in tussen andere episoden uit het leven van Johannes: "Ik zag hem bij een andere gelegenheid als een volwassen, sterke man bij een droge put in de woestijn. Hij scheen te bidden en er kwam een glans over hem gelijk een lichtwolk, en het scheen mij als kwam ze uit de hoogte van bij de wateren boven de profetenberg, en er stortte een lichtende, glanzende waterstroom op hem in de vijver neer en, naar deze uitstorting starend, zag ik hem niet meer aan de rand van het waterbekken, doch er in, en met het schitterende water overgoten en de vijver was nu met dit schitterende, lichtende water gevuld en nu zag ik hem weer aan de rand staan, zoals in het begin. Ik zag echter niet dat hij er in afdaalde of er uit opsteeg en ik geloof dat hem wellicht door dit visioen te verstaan werd gegeven dat hij moest beginnen dopen. Mogelijk ook was het een geestelijke doop die in het visioen over hem kwam.

Nog na Jezus' dood heb ik deze vijver in gebruik gezien [Het is dus wel een reële vijver]. Wanneer de Christenen vluchtten, werden daar reizigers en zieken gedoopt en ook placht men er te gaan bidden. In die tijd, in de preekjaren van Petrus was die vijver met een schutsmuur omgeven.

De "profeet" Johannes begint zijn zending

Kort na de voltooiing van de doopvijver zag ik Johannes uit het noorden en uit de woestijn die bij de Jordaanbron is, zuidwaarts komen en tot de mensen terugke­ren. Hij maakte een wonderbare indruk. Hij is groot,door het vasten en de lichaams­versterving mager, maar toch sterk en vol spieren. Zijn voorkomen is ongemeen edel, rein, eenvoudig. Hij spreekt ronduit, gebiedend, zonder omwegen, op de man af. Zijn kleur is bruinachtig, zijn aangezicht mager en ingevallen, ernstig en streng. Zijn haar is roodachtig bruin en gekruld. Hij heeft een kleine baard. Om zijn middellijf is een doek gewonden die tot op de knieën neerhangt. Hij draagt een ruwe bruine mantel die uit drie stukken schijnt te bestaan. Van achteren is hij geheel [bedekt de gehele rug] en om het middellijf is hij met een riem samengebonden. Zijn armen en borst zijn vrij en onbedekt. Zijn borst is ruig en vol haar en heeft bijna de kleur van zijn mantel. Hij draagt een staf die als een herdersstaf gekromd is.

Toen hij zuidwaarts uit de woestijn zuidwaarts, zag ik hem eerst over een beek een kleine brug slaan, zonder de minste rekening te houden met een overgang op een ge­ringe afstand van daar, want altijd arbeidde hij recht voor zich uit, waar zijn weg naartoe liep. Er was daar een oude volkerenweg, een internationale verkeersweg.

Ik zag hoe hij bij Cydessa geweest is [3 uren ten Noorden van Nazaret] en voor de be­woners daar in de omstreken gepredikt heeft en dat dezen de eerste heidenen waren, die tot zijn doop gekomen zijn. Zij leefden hier gans verwaarloosd en in aarden hutten. Zij stamden af van allerlei volk dat bij de laatste verwoesting van de tem­pel voor Jezus zich hier had nedergezet. Ik heb gezien dat een der laatste profe­ten hun gezegd had dat zij hier moesten blijven wonen tot iemand zou komen gelijk Johannes. Deze zou hun dan zeggen wat zij doen moesten. Ik heb ook gezien dat zij daarna naar Nazareth getrokken zijn.

De "profeet" Johannes begint zijn zending

Nergens door weerhouden, ging Johannes recht naar de mensen toe en sprak hun slechts van één zaak: de boetvaardigheid en de nabijheid van de Heer! Waar hij kwam stonden allen verbaasd en werden ernstig. Zijn stem was scherp als een zwaard, luid en streng en niettemin liefelijk, aangenaam! Met alle soort van mensen ging hij om zoals met kinderen. Overal ging hij recht door. Niets kon hem van zijn doel af­leiden. Hij zag nergens naar om en had niets nodig.

Zo zag ik hem, terwijl hij door wouden en woestijnen liep, hier en daar groef, stenen voortwentelde, bomen wegruimde, rustplaatsen bereidde en de mensen, die hem met verbazing aanstaarden, tezamen riep, ja: uit hun hutten haalde, om hem bij zijn ar­beid te helpen. Ik zag hoe allen hem verstomd aanblikten en bewonderden, hoe hij zich nergens lang ophield en weldra op een andere plaats verscheen. Ik zag hem langs het Meer van Galilea gaan, rond Tarichea om en door het dal van de Jordaan zuidwaarts afzakken, daarna bij Salem afslaan, en opnieuw zuidwaarts, in de richting van Betel trekken, de woestijn [van Efron en Giba] doorkruisen en voorbij Jerusalem komen. In deze stad is hij van zijn leven niet geweest. Hij aanschouwde ze met droefheid en onder weegeklaag. Altijd doordrongen van zijn bestemming, bewust van zijn verantwoordelijkheid, ernstig, streng, eenvoudig en geestdriftig verkondigde hij slechts één zaak: boetvaardigheid! bereid u voor! De Verlossing is op handen, de Zaligmaker komt!

Daarna trok hij door het herdersdal [van Betlehem] naar zijn geboorteplaats. Zijn ouders waren dood, maar enige jongelingen, die van Zacharias' zijde aan hem verwant waren, werden zijn eerste leerlingen. Toen Johannes door Betsaïda, door Kafarnaüm en Nazareth kwam, zag de H. Maagd hem niet. Sedert Jozefs dood kwam zij weinig uit haar huis, doch mannen uit baar verwantschap hoorden zijn vermaningen en vergezelden hem ook wel een eindweg.

Drie maanden vóór de doop trok Johannes tweemaal door het land [cfr Lk.3,3], om Diegene aan te kondigen die na Hem moest komen. Zijn tocht was gekenmerkt door buitengewone kracht, zijn gang door een onvermoeide stap, die snel was, zonder overhaastig te zijn. Hèt was geen zacht wandelen, gelijk [meestal] de gang van de Zaligmaker. Waar hij niets te doen had, zag ik hem ook wel lopen van veld tot veld. Hij gaat in de huizen, in de scholen en synagogen om te vermanen en te prediken. Hij verzamelt het volk ook op pleinen en straten rondom zich. Ik zag dat priesters en overheden hem hier en daar aanhielden, ter verantwoording riepen, doch verrast en vol verbazing hem weer op vrije voeten stelden.

Ik begreep dat de uitdrukking "de Heer de wegen bereiden" niet louter zinnebeeldig te verstaan is, want ik zag hem zijn zending met het bereiden van wegen beginnen en ik zag hem door alle wegen en plaatsen trekken waarlangs later ook Jezus met zijn leerlingen gekomen is. Hij ruimde hier en daar struiken en stenen uit de wegen en baande paden. Hij legde brugjes over beken, reinigde hun bedding, groef doopvijvers met hun waterbekken, maakte zitplaatsen, rustbanken en lommerhutjes. Ik heb hem plaatsen zien bereiden waar de Heer later gerust, gepredikt en geheeld heeft.

Door al deze werkzaamheden trok Johannes, de ernstige, eenvoudige en eenzame man in zijn ruwe kleding en ongewoon voorkomen de aandacht van de landmensen op zich en wekte de verwondering van de hutbewoners waar hij binnentrad om gereedschappen voor zijn werk te lenen en ook wel om de bewoners te verzoeken met hem mee te komen werken. Overal was hij aanstonds door nieuwsgierigen omringd. Hij vermaande hen vrijmoedig en ernstig tot boetvaardigheid, terwijl hij hun de nabijheid van de Messias die na hem kwam en wiens wegbereider hij zich noemde, aankondigde. Dikwijls zag ik hem in de richting wijzen van het gewest waar Jezus zich op dat ogenblik bevond. Ik zag Jezus nooit bij hem, hoewel zij vaak nauwelijks een uur gaans van elkander verwijderd waren. Eens zag ik hem ten hoogste een klein uur van Jezus en dan riep hij de mensen toe dat hijzelf het verwachte Heil, de Messias niet was, doch slechts een arme bereider van Zijn wegen, de voorloper van die Zaligmaker, die op dit ogenblik daar wandelde, en terzelfder tijd wees hij hun in die richting.

Johannes’ doopplaats te Ennon Melchisedek

Johannes doopte op verscheidene plaatsen. Eerst te Ennon in de streek van Salim [of Salem]. Dan te On, tegenover Betabara op de westzijde van de Jordaan, niet ver van Jericho, waar hij over enige weken Jezus zal dopen. De derde doopplaats was aan de oostzijde van de Jordaan, een paar uren meer noordelijk dan de tweede. Ten laatste doopte hij wederom te Ennon, waar hij ook gevangen genomen werd.

Het water waar Johannes doopt, is als een arm van de Jordaan, die aan de oostzijde van de stroom een bocht maakt van wel een uur lang. Die arm is op enige plaatsen zo smal, dat men er kan overspringen, en op andere weer breder zijbed kan zich hier en daar veranderd hebben, want reeds toen zag ik op menige plaats geen water. Die bocht of arm van de Jordaan omvat kleine vijvers en bekkens die hun water uit die arm van de Jordaan ontvangen. Zulk een vijver, door een dijk van die arm gescheiden, is de doopplaats van Johannes te Ennon.

Er lagen buizen onder de dijk,waardoor men het water er in en uit kan laten. Johannes had die plaats daartoe alzo ingericht. Hij had bij de oever een inham [bucht] gemaakt en er liepen landtongen in. De dopeling stond tussen twee van die landtongen tot bij de gordel in het water en kon tegen een borstwering leunen. Deze liep voor de tongen [en verenigde zodoende hun punten]. Op één van de landtongen stond Johannes en schepte water met een schaal op het hoofd van de dopeling. Op de tegenover gelegen landtong stond een gedoopte,die de hand op de schouders van de dopeling legde. Aan de eerste dopeling had Johannes zelf de hand opgelegd. Het bovenlijf van de dopelingen was niet geheel ontbloot. Er werd hun een soort witte doek omgeslagen die slechts de schouders bloot liet. Er was daar ook een hut, waarin zij zich konden uit- en aankleedden. Ik heb hier geen vrouwen gedoopt zien worden. Onder zijn doopwerk heeft Johannes een wit, lang gewaad aan.

Het gewest Salem [Salim], waar hier gedoopt wordt, is hoogst aangenaam en waterrijk. Het dorp Salem ligt aan beide zijden van een bijrivier van de stroom, maar Ennon [met de doopplaats] ligt aan de overzijde van de Jordaan, meer noordelijker dan ;Salim en nader bij de Jordaan en is groter. Er weidt vee in de omstreken. Vele ezels grazen op de groenen weiden rondom de vele wateren. Het is hier bij Salim en Ennon een soort vrijgewest. Het geniet een aloud privilegie, krachtens hetwelk men hier niemand weg mag drijven.

Te Ennon had Johannes zijn hut op de oude grondmuren van een oud, groot gebouw. Het terrein was geheel verwilderd, overgroeid en met gras bedekt. Hier en daar was er een hut op gebouwd. Die grondmuren waren het fundament van een oud tentkasteel, dat Melchisedek hier gehad had. In verband met deze plaats heb ik allerlei taferelen uit een vroeger tijdperk gezien, waarvan ik mij alleen nog dit herinner dat Abraham hier een visioen had en twee stenen oprichtte, een om op te knielen en een ander om tot altaar te dienen. Ik kreeg ook zijn visioen te zien. Het was een stad van God, gelijk het hemelse Jeruzalem en er vloeiden stromen van water uit neder. Er werd hem ook bevolen te bidden voor de komst van die stad Gods.

Het water dat uit de stad neerstroomde, vloeide naar alle zijden. Abraham kreeg dit visioen een vijftal jaren eer Melchisedek hier zijn tentkasteel begon te bouwen. Ook heb ik Melchisedek een kasteel bij Salim zien bouwen.[Bedoeld is hetzelfde, juist genoemde kasteel]. Doch het was eerder een soort van tent met gaanderijen en trappen rondom in de trant van het kasteel van Mensor in Arabië. Slechts de grondslagen waren van steen gemaakt en zeer sterk. Ik meen nu, ten tijde van Johannes,de vier hoeken nog gezien te hebben waar de hoofdpalen in stonden. Dit duurzaam, stenen fundament bestond nu nog als een begroeide, boven de grond uitstekende schans en daarop had Johannes zijn kleine hut van biezen opgericht.

Johannes’ doopplaats te Ennon Melchisedek

Dit tentkasteel was een plaats waar vele vreemdelingen zich op hun doorreis ophielden, een soort van open, vrije en schone herberg bij het aangename water. Er liep toen, zoals nu nog, een grote verkeersweg voorbij. Het is mogelijk dat Melchisedek, die ik altijd aan verhuizende, zwervende, heen en weer trekkende stammen tot gids en raadsman heb zien dienen, dit kasteel gebruikt heeft om ze daar te herbergen of te onderrichten. Dit had toen reeds een betrekking op de doop.

Melchisedek had hier zijn hoofdverblijf, zijn basis, van waaruit hij naar zijn gebouwen te Jeruzalem en tot Abraham of waar ook elders ging. Hij verzamelde en verdeelde hier ook families en mensen, aan wie hij hier of daar hun plaats van nederzetting aanwees. Dit geschiedde nog voor de offerande van het brood en de wijn, die, naar ik vermoed, in een dal ten zuiden van Jeruzalem plaats had, namelijk in het koningsdal waar Salomon later zijn tuinen had, bij de samenloop van de Kedron- en de Geënnom-vallei. Melchisedek bouwde dit kasteel te Ennon, alvorens hij in Jeruzalem begon te bouwen.

Een visioen over de waterdoop en de bloeddoop op de Kalvarieberg ben ik vergeten. Melchisedek zag er uit als een jonge man van vijf en twintig jaren. Ik heb hem in de meest verschillende tijden, doch nooit ouder gezien. Zijn voorkomen geleek minder op dit van mensen dan het voorkomen van Jezus. [Volgens Emmerich was hij immers een engel]. Hij droeg nooit een hoofdbedekking. Zijn blonde haren waren achter de oren gestreken. Waar hij kwam, was hij als de meester van de plaats. Hij was dikwijls afwezig en dan scheen hij mij ergens elders dan op aarde te zijn, hetzij in het paradijs, hetzij in een ander gelukzalig verblijf. Dikwijls zag ik hem alleen op zijn weg en andere keren met mensen die beladen dieren leidden. Zijns gelijken, zoals bloedverwanten of priesters, heb ik nooit bij hem gezien. Waar hij werkte en bouwde, was het als legde hij daar de grondsteen van een toekomstige genade, als vestigde hij de aandacht op een plaats, als begon hij iets dat in de toekomst voltooid moest worden. Ik heb daar nooit dieper op ingegaan. Ik neem het zoals het komt.

Bij een andere gelegenheid zei Emmerich over Melchisedek: Reeds vroeger heb ik dikwijls gezien, hoe hij lang vóór de tijden van Semiramis en Abraham, in het Beloofde Land, toen het nog woest en eenzaam lag, hier en daar verscheen, als ordende hij het land, als regelde hij iets, als bestemde en bereidde hij een plaats. Zo opende hij ook, meen ik, de hoofdbron van de Jordaan. Reeds vaak had ik zulk een gezicht: ik zag een man geheel alleen in een land en moest daarbij denken: "Wat wil die man hier zo vroeg? Want er is hier nog niemand!" Op deze wijze zag ik hem op een berg een bron boren. Het was een hoofdbron van de Jordaan. Hij gebruikte een lange, dunne boor, die als een straal in de berg drong. Zo zag ik hem op verscheidene plaatsen van de aarde weibronnen openen. In de oudste tijden vóór de zondvloed zag ik de stromen niet, zoals nu, te voorschijn springen en vloeien, maar ik zag een overvloed van water van een hooggebergte in het oosten neerstromen.

Ik heb Melchisedek altijd alleen gezien, behalve wanneer hij zich inliet met families en volksstammen om ze te verzoenen, te splitsen en te leiden naar een geschikt land of woongewest. Kortom, ik zag Melchisedek voorbereidingen treffen, grondslagen leggen, bouwen, de mensenfamilies verspreiden en gidsen.

Ik zag in Melchisedek een engel en een voorafbeelding van Jezus Christus als priester op aarde. In zover het priesterschap in God is, was hij als engel een priester van de eeuwige hiërarchie. Hij was over vele engelen aangesteld.

Ook Jacob had zich eertijds met zijn kudden vrij lang hier bij Ennon opgehouden. De put van de doopvijver bestond toen reeds en ik zag dat Jacob hem vernieuwde. De overblijfselen van Melchisedeks kasteel lagen nabij het water en de doopplaats. Ik zag dat in de eerste eeuwen van het christelijk Jeruzalem een kerk stond op de plaats waar Johannes gedoopt had. Ik zag ze nog bestaan toen Maria in Egypte voorbij deze plaats naar de woestijn trok. Salim was een mooie stad, maar werd in de oorlog [ik meen bij de tempelvernietiging voor Jezus] verwoest. Ook de laatste profeet heeft zich hier opgehouden.

Herodes en Johannes

Na de voorgaande algemeenheden over het verschijnen van Johannes, volgen nu meer bijzonderheden op bepaalde datums. Deze brengen ons terug naar het begin van Jezus' optreden. Zo zijn ook hier de mededelingen weer karig. De data van hier kan men vergelijken met die van ginds. Wijzelf zullen er naar verwijzen.

Johannes kon een paar weken door zijn prediking en doopaktie beroemd zijn geworden en toen zag ik in die dagen enige boden van Herodes uit Kallirrhoë naar hem komen. Herodes woonde daar in de buurt nl. te Macherus op een slot aan de oostkant van de Dode Zee. Er zijn daar warme bronnen [Kallirroë = schone beek] en gezochte badinrichtingen.

Herodes verzocht Johannes voor hem te willen verschijnen, doch Johannes liet Herodes door boden antwoorden dat hij het te druk had. Indien Herodes hem evenwel wilde spreken, kon hijzelf tot hem komen. Daarna zag ik Herodes, begeleid door een escorte soldaten, naar Johannes rijden. Hij zat op een wagen met lage wielen, maar met een hoge zitbank, van waar hij, als van een overdekte troon, ver in het rond kon zien. Het doel van zijn reis was een stadje dat een vijftal uren ten zuiden van Ennon kon liggen [waarschijnlijk Livias of Betaram, 7 km ten Noord Oosten van de Dode Zee]. Naar dit stadje liet hij nu Johannes uitnodigen. Johannes kwam inderdaad tot vóór de kleine stad in een vreemdelingenhut en Herodes ging daar zonder begeleiding tot hem. Al wat ik mij uit hun kort gesprek herinner is, dat Herodes hem vroeg waarom hij te Ennon in zulk een ellendige hut woonde, dat hij hem daar een huis wilde laten bouwen. Johannes antwoordde dat hij geen huis behoefde, dat hij het onmisbare had en de wil deed van Degene die groter is dan hij. Hij sprak ernstig, streng en kordaat en keerde terug. Hij was op een aanzienlijke afstand van Herodes blijven staan. Hij had weinig gesproken en de blik van hem afgewend gehouden.

30 juni. Ik heb gezien dat de zonen van de overleden Alfeüs en Maria van Kleofas, nl. Simon, Jacobus de Mindere en Taddeüs en haar zoon uit haar tweede huwelijk met Sabas, Joses Barsabas, zich bij Ennon door Johannes hebben laten dopen. Ook Andreas en Filippus zijn reeds bij hem geweest en Andreas is door hem gedoopt en, naar ik meen, ook Filippus. Daarna zijn zij tot hun bezigheden teruggekeerd. Johannes de Doper heeft reeds een twintigtal leerlingen.

4 juli. De meeste apostelen en vele leerlingen zijn reeds gedoopt, maar Natanaël nog niet en ook nog niet een leerling wiens naam me nu niet invalt.

Hier werd de zienster gevraagd of zij zich niets betreffende een doopsel van Maria herinnerde, maar zij zeide: "Neen, niet duidelijk, maar me dunkt dat zij door de apostel Johannes na Christus' hemelvaart geheel alleen in de vijver Bethesda is gedoopt, maar ik herinner het me niet met zekerheid. De overige vrouwen zijn toen allemaal in de vijver Bethesda gedoopt. Dit weet ik zeer duidelijk."

Overheden en priesters bij Johannes

Heden [nog 4 juli] zag ik vele overheden en priesters uit de omliggende plaatsen en Jeruzalem tot Johannes komen en hem ter verantwoording roepen. Zij vroegen wie hij was, wie hem gezonden had, wat hij onderwees en meer dergelijke dingen. En ik zag hem met buitengewone beslistheid en stoutmoedigheid antwoorden en hoe hij hen de nabijheid van de Messias verkondigde en hen van onboetvaardigheid en huichelarij beschuldigde. Dit was echter nog de ontmoeting niet die in het evangelie staat [Mt 3:7] en waarin hij hen "adderengebroed" noemde.

7 - 11 juli. Ik zag uit drie steden, Nazareth, Jeruzalem en Hebron talrijke gezantschappen komen, die door de oversten en Farizeeërs van die plaatsen tot Johannes afgevaardigd waren om hem te ondervragen over zijn zending. Ook was het bezwaar tegen hem ingediend dat hij zich wederrechtelijk van de doopplaats meester had gemaakt. Ook waren vele tollenaars tot hem gekomen. Hij had hen gedoopt, doch na hen eerst te hebben beschuldigd. Onder hen was de tollenaar Levi, later Mattheüs genoemd, de zoon uit het eerste huwelijk van Alfeüs, die als tweede vrouw Maria van Kleofas gehuwd had. Levi had een gevoel van vermorzeling ondergaan en hij beterde zich. Hij werd in de familie veracht en ik zag Johannes zeer krachtig voor die mensen preken, vele van hen afwijzen en anderen dopen.

Ik zag ook in deze dagen de zonen van de drie weduwen, die onder elkaar en ook door geboorte en aanhuwing met de H. Familie verwant waren, tot de doop van Johannes komen. Men verweet hun later, in de tijd na Jezus, hun fierheid op die verwantschap, maar het was toch de waarheid.

A.C. Emmerich spreekt van al die personen, als kende zij ze beter dan haar eigen nog levende verwanten. Deze drie weduwen woonden vroeger te Nazareth en in de streek van de Tabor en zij trokken, deels reeds in Jezus' jeugdjaren, toen hun zonen in de visserij een positie kregen, deels later naar ik meen, met Maria naar Kafarnaüm, want ik zag nog ene van hen zo bitter wenen, omdat haar vijfjarig zoontje, Simon, gestorven was. Zij behoorden tot de eerste volgelingen van de Heer en bleven bestendig vriendinnen van de H. Maagd. Zij waren zeer goed en vroom. Zij hadden elkander zo lief en hielpen elkaar er door.

Deze drie weduwen waren zusterdochters van Elisabeths moeder of beter nog: achternichten, althans een daarvan, nl. Sobe. Zij waren met de eerste vrouw van Alfeüs, de man van Maria van Kleofas, verwant geweest, doch of zij dit door zichzelf of door hun mannen geweest waren, weet ik niet. Twee van deze weduwen waren gezusters. De ene, met name Mara, was de moeder van Natanaël, de bruidegom van Kana, die als leerling een naam had als Amandor [Amator] en aan wie de twaalfjarige Jezus, na zijn terugkeer van de tempel, op een feest in Anna’s huis, iets voorzegde en ook dat Hij op zijn bruiloft zou zijn.

Een van die weduwen zal Emmerich later Seba noemen [=Sobe], en haar zoon Kolaja was een leerling. Een tweede heette Lea. De zoon van een dezer noemt Emmerich eenmaal Eustachius, doch de namen schijnen wel eens verwisseld te zijn. De derde is Mara.

Zij hadden verscheidene, zo ik meen, drie zonen, die speelmakkers van Jezus geweest waren en daarna vissers geworden zijn. Uiteindelijk werden zij leerlingen.

Soldaten, gezanten: dopelingen bij Johannes

4-19 juli. Te Dotaïn, waar Jezus eens razende bezetene gestild heeft, woonden sedert de Babylonische gevangenschap heidenen en Joden gemengd. De heidenen hadden op een heuvel in de buurt hun afgodsbeelden en een offerplaats. De Joden nu, opgehitst door het gerucht van de nabijheid van de Messias, die uit Galilea moest komen, wilden de heidenen niet langer in hun nabijheid dulden. Dit gerucht had zich daar, zowel door de reis van Johannes door dit gewest, als door zijn dopelingen verspreid.

Een naburige vorst van Sidon had soldaten ter bescherming van de afgodendienaars gestuurd en ook Herodes wilde er nu soldaten heensturen om onder de stedelingen de rust te herstellen.

Die soldaten waren bijeengeraapt gespuis. Ik zag ze te Kallirroë bij Herodes. Zij stelden hem in kennis van hun plan om zich eerst door Johannes te laten dopen, doch dit was enkel diplomatie. Het was een list om daardoor meer gezag op de mensen te hebben.

Herodes antwoordde hun dat dit niet strikt vereist was. Daar Johannes geen wonderen deed, hoefde men ook zijn zending niet te erkennen. Zij mochten overigens raad te Jeruzalem gaan inwinnen. Ook zag ik hen inderdaad hierna te Jeruzalem. Zij wendden zich tot drie verschillende raden om inlichtingen, waaruit ik kon opmaken dat het de raden van drie partijen [richtingen of gezindheden] waren. Dit geschiedde in het gerechtshof, waar Petrus later de Heer verloochende. Er zaten daar vele rechters [juist in zitting vergaderd] en er was veel volk. De priesters antwoordden hun spottend en hooghartig dat zij dit doen of laten konden, dat zulks volkomen eender was.

Ik zag dan ongeveer dertig van die mannen bij Johannes, maar deze stuurde hun heftige verwijten toe. Hij doorzag hen en verweet hen dat het hun er niet om te doen was hun leven te beteren. Daarom doopte hij maar enkelen van hen, in wie hij nog enige goede grond zag, nadat hij hen over hun huichelarij scherp had berispt.

Bij Johannes te Ennon komen nu vele mensen bijeen. Johannes doopt nu niet gedurende verscheidene dagen, maar hij preekt onvermoeid en streng. Grote menigten van Joden, heidenen en Samaritanen lagen, van elkander gescheiden, op de heuvelen en schansen, en onder afdaken, deels in de schaduw, deels onbeschut onder de blote hemel rondom het leergestoelte van Johannes, naar wie zij allen luisterden. Zo lagen er bij honderden rond hem om zijn woord te horen en de doop te ontvangen, om dan weer weg te trekken. Eenmaal zag ik vooral vele heidenen, ook mensen uit Arabië en van nog dieper uit het oosten. Zij leidden grote ezels en schapen met zich mee. Zij hebben verwanten hier in het land. Zij kwamen naar hier of waren hier op doortocht en kwamen zo tot Johannes.

In deze tijd hield het Sanhedrin te Jeruzalem een grote beraadslaging over Johannes. Door drie rechtbanken werden negen mannen tot hem gezonden. Annas zond Jozef van Arimatea, de oudste zoon van Simeon [Obed] en een priester, die met de keuring en het toezicht van de offerdieren belast was. Ook uit de Hoge Raad werden drie leden gezonden, benevens drie gewone burgers. Zij moesten door uitvraging te weten trachten te komen wie Johannes was en hem bevelen zich te Jeruzalem te vertonen. Was zijn zending rechtmatig en wettig, dan moest hij zich eerst in de tempel aanmelden. Zij namen ook grote aanstoot aan zijn ongemanierde kleding en ook aan het feit dat hij Joden doopte, daar men slechts [bekeerde] heidenen placht te dopen. Enigen geloofden dat hij Elias was die van de overzijde van de Jordaan was teruggekeerd.

Andreas en Johannes de evangelist zijn bij de Doper. Ook zijn nu de meeste toekomstige apostelen en vele leerlingen bij Johannes gekomen. Petrus echter, die al gedoopt was, was hier niet. Ook was hier nog niet gekomen: Judas de verrader, die nochtans in het gewest van Betsaïda reeds bij de vissers geweest is en daar inlichtingen over Jezus en Johannes ingewonnen heeft.

Toen de afgezanten uit Jeruzalem bij Johannes aankwamen, had hij sedert drie dagen het dopen gestaakt, maar nu was hij even weer begonnen. De afgevaardigden wilden dat hij kwam onderhandelen, doch hij antwoordde: "Zodra ik klaar ben." Hij heeft hun een kranig en kort bescheid gegeven. Zij legden hem te laste dat hij eigenmachtig te werk ging, dat hij zich eerst te Jeruzalem aangeboden moest hebben [om de nodige volmacht te krijgen] en dat hij niet aldus gelijk een woesteling gekleed moest zijn. Toen de gezanten zich terugtrokken, bleven Jozef van Arimatea en de zoon van Simeon bij Johannes en ontvingen van hem de doop. Vele mensen die hier gekomen waren, had Johannes niet willen dopen. Dezen wendden zich nu tot het gezantschap en beschuldigden hem van partijdigheid.

De latere apostelen keerden naar hun gewesten terug, waar zij veel over Johannes vertelden, maar werden ondertussen aandachtiger op Jezus. Door Johannes' leer immers krijgen zij een voorgevoel nopens Hem, dat Hij Degene zou kunnen zijn die door Johannes aangekondigd wordt.

Op zijn terugweg naar Jeruzalem ontmoette Jozef van Arimatea Obed,een bloedverwant van Serafia [Veronika], die een beambte in de tempel is. Hij vertelde aan deze, op zijn verzoek, veel over Johannes. Obed laat zich nu ook door Johannes dopen. Als tempeldienaar bleef hij een geheime leerling van Jezus tot hij later [openlijk] tot Jezus kwam.

Doop van zieken, Johannes naar Jericho

Niettegenstaande grote hitte en afgematheid, glimlachte de vertellende hartelijker dan naar gewoonte. Naar de reden hiervan gevraagd antwoordde zij: Ik zag Johannes over de Jordaan gaan om zieken te dopen. [Hij kwam dus op de Westelijke oever]. Ik dacht: hij moet het ook zo warm hebben als ik. Hij had slechts zijn doek om zijn middellijf geslagen en de mantel over zijn schouders hangen. Aan zijn ene zijde droeg hij een zak vol doopwater en aan de andere zijde zijn doopschaal.

Op de oever van de Jordaan tegenover Johannes' doopplaats heeft men vele zieken op draagbedden en op een soort van kruiwagens aangebracht. Zij konden niet op het balkenvlot overgezet worden en lieten hem uitnodigen om zelf tot hen te komen. Hij kwam met een paar leerlingen. Hij bereidde een mooie vijver, die door een wal gescheiden was van de Jordaan. Hij deed dit zelf, want hij had altijd een spade bij zich. Hij voorzag de vijver van een kanaal dat gesloten kon worden en hierdoor liet hij er water in. Dan goot hij uit een lederen zak nog van het meegebrachte doopwater er bij. Na vooraf de zieken onderricht te hebben, doopte hij hen, terwijl hij water uit een schaal over hun hoofd goot. Hiervoor had men ze op de rand van de put gezet. Ik zag dat Johannes, nadat hij de zieken aan de overzijde [d.i. aan de andere zijde dan Ennon] gedoopt had, weer aan de oostkant van de Jordaan naar Ennon trok.

Terwijl hij in deze dagen in zijn hut eens te sluimeren lag, zag ik een engel op hem toetreden. Deze zei hem dat hij op de andere zijde van de Jordaan bij Jericho moest gaan, omdat Hij die komen moest, naderde. Hij moest Hem verkondigen en voor Hem getuigen. Hierop zag ik Johannes en zijn leerlingen de tenthutten op de doopplaats te Ennon afbreken en enige uren op de oostzijde van de Jordaan afvaarts gaan. Nadat zij dan door een dorp gekomen waren [Betabara], zag ik hen naar de westkant van de Jordaan overvaren en hier weer een eindver opwaarts trekken [en aan de tweede doopplaats aankomen]. Er waren daar badplaatsen, witte als gemetselde vijvers. Ze hadden een kanaal uit de Jordaan dat geopend en gesloten kon worden. De Jordaan had hier geen eilanden. Ik zie duidelijk dat de denkwijze van de mensen van toen niet verschilt van die der mensen uit onze tijd.

Tweede doopplaats: het fameuze gezantschap uit Jeruzalem [Joh. 1: 19-28]. Zieken en heidenen laten zich dopen.

25 juli tot 14 augustus. In de namiddag van 25 juli was Emmerich nauwelijks ingesluimerd, of zij zegde in gewestspraak met de eenvoud van een kind: "Nu will ik tot Johannes gon, to de Mann am Jordan, do is beter as hie bi min Suster," enz. [Bemerk hoe haar dialect meer op ons Vlaams gelijkt dan op het Hoogduits.]

Zij vervolgde: De doopplaats is tussen Jericho en Bethogla aan de Jordaan. Johannes spreekt over de nabijheid van de Messias. Er zijn een honderdtal mensen bij hem, leerlingen en vele heidenen. Deels arbeiden zij aan de inrichting van de plaats en aan de oprichting van de hut, deels luisteren zij naar Johannes' redevoering over de nabijheid van de Messias.

Men heeft het [nl Joh.1: 28] mis verstaan, wanneer men meent dat de Voorloper doopt bij Batabara, dat over de Jordaan ligt, want de woorden "hij doopt bij Betabara over de Jordaan" zijn zo te verstaam. Hij doopt tegenover Betabara, een weinig stroomopwaarts [iets meer noordelijk], een paar uren van Jericho en Bethagla.

Te Jeruzalem vaardigen zij nu mannen van de tempel, Farizeeën en Sadduceeën, tot Johannes af, want hij is over de Jordaan [over: ten aanzien van Ennon] en enige mijlen nader bij Jeruzalem dan vroeger. Hij heeft van de engel hun komst vernomen en hij zal voor hen getuigenis van Jezus geven. Reeds gisterenavond zijn zes gezanten van Jeruzalem naar de Jordaan gekomen. Zij zonden een loopbode vooruit en lieten Johannes in een naburig dorp tot zich roepen, doch hij stoorde zich niet aan hen en hij ging door met dopen. Hij liet hun door de loper antwoorden dat, indien zij een onderhandeling begeerden, zijzelf tot hem konden komen. Zij kwamen nu zelf, maar Johannes liet zich ook nu aan hen niet gelegen liggen, maar leerde en doopte voort. Zij aanhoorden zijn lering en verwijderden zich dan weer. Nadat hij geëindigd had, ontbood hij hen onder een afdak of soort tent die de leerlingen opgericht hadden. Hier bezocht hen Johannes, vergezeld van talrijke leerlingen en mensen en ze stelden hem een menigte vragen, of hij dit of dat, deze of gene was en ik hoorde hem telkens ontkennend antwoorden [zie Joh. 1: 19-28].

Zij vroegen hem ook wie Degene dan was van wie men nu zoveel sprak. "Er zijn toch," zegden zij, "oude profetieën, en nu loopt het gerucht onder het volk dat de Messias gekomen is."

Johannes antwoordde hun dat er iemand onder hen opgestaan was, die zij niet erkenden en dat hijzelf Hem nooit gezien had, doch nog vóór zijn geboorte had hij het bevel van Hem ontvangen zijn wegen te bereiden en Hem te dopen [cfr Lc. L: 41.44]. Zij moesten op een bepaalde tijd, ik vermoed over drie weken [nog bijna 2 maanden] terugkeren. Dan zou Hij zich hier komen laten dopen. Hij sprak nog zeer streng en hij verweet hun dat zij niet gekomen waren om zich te laten dopen, maar om hem te bespieden en uit te horen. Hierop antwoordden zij hem dat ze nu wisten wie hij was: een huichelaar in ruwe kleding, die doopte zonder volmacht. Na deze en andere beschuldigingen trokken zij zich terug en reisden af .[Dit is het getuigenis van de Doper, waarvan wij het verhaal vinden bij Joh. 1: 19-27]. Boven zijn gesproken, de woorden waarmee Johannes het verhaal besluit: "Dit had plaats in Betanië, enz."

Spoedig daarop kwaamen er andere gezanten van het Sanhedrin en wel ten getale van twintig. Zij waren uit alle standen,ook priesters met mutsen, brede gordels en lange stroken, die als manipels van de arm neerhingen en aan het benedeneinde ruig en behaard waren als pelswerk. Zij zegden hem zeer dringend dat zij kwamen met volmacht vanwege het voltallige Sanhedrin en dat hij er voor moest verschijnen om zich te rechtvaardigen over zijn beroep en zending. Het was, beweerden zij, een bewijs dat hij zonder opdracht handelde en dat hij niet gehoorzamen wilde aan het Sanhedrin. Ik hoorde duidelijk dat Johannes hun verklaarde dat zij moesten wachten en dat binnenkort Degene die hem gezonden en hem volmacht gegeven had, tot hen zou komen.

Hij duidde Jezus ondubbelzinnig aan en zegde dat Hij te Betlehem geboren en te Nazareth opgevoed was, de wijk had moeten nemen naar Egypte, enz. Nochtans had hij Hem nooit gezien [cfr Joh. 1: 31]. Zij brachten tegen hem in dat hij betrekkingen onderhield met Die, van wie hij sprak, en dat zij elkander boden toezonden. Maar Johannes antwoordde dat hij de boden, die zij naar elkander zonden, aan hun blinde ogen niet kon tonen, dat zij voor hen niet zichtbaar waren. Ik zag dat de gezanten hem erg ontevreden verlieten.

Uit alle gewesten komen talrijke groepen heidenen en Joden. Ook zendt Herodes zeer dikwijls waarnemers om Johannes uit te horen en hem dan te berichten over wat hij gezegd en geleerd heeft.

Bij de doopplaats is nu ook alles veel sierlijker ingericht. Johannes heeft met zijn leerlingen een grote tent opgericht, waarin de zieken en vermoeiden gelaafd en ook onderricht worden. Zij zingen ook liederen en ik hoorde hen een psalm zingen van de doortocht van de kinderen van Israël door de Rode Zee.[Wellicht ps.114 of de triomfzang van de Israëlieten na die doortocht uit Exodus 15].

Langzamerhand wordt het daar een kleine stad van hutten en tenten. Ze zijn deels met vellen, deels met waterbiezen gedekt. Er legert daar nu een grote karavaan van vreemdelingen van diep uit het binnenland, waar de Heilige Driekoningen wonen [d.i. waar ze zich gevestigd hadden na hun terugkeer van Bethlehem, 25 uren ten westen-noordwesten van Babylon] . Ze hebben vele kamelen, ezels en schone flinke paardjes bij zich. Aldus trekken zij altijd naar Egypte. Zij hebben zich allen rondom Johannes' doopplaats gelegerd, aanhoren zijn toespraken over de Messias en ontvangen de doop. Van hier zullen zij dan in groepen naar Bethlehem trekken. Niet ver van de geboortegrot naar het herdersveld toe, was er een bron van Abraham. Hij had met Sara in dat gewest gewoond en in een ziekte een hevige begeerte naar een teug water uit die bron gehad, en toen het hem in een waterzak aangebracht werd, overwon hij zichzelf ter liefde Gods en ontzegde zich de drank. Ter beloning was hij aanstonds genezen.

Het wonder van het ontstaan dezer bron ben ik vergeten. Wegens haar grote diepte was het lastig er water uit op te halen. Er staat in de nabijheid een grote boom en daar ligt ook de spelonk waarin Maraha, Abrahams voedster, begraven ligt. Abraham voerde haar nog op haar hoge leeftijd met zich op een kameel mede. Hier is het een bedevaartplaats voor godvruchtige Joden, zoals de Karmel en Horeb. De drie koningen hebben hier eveneens gebeden en gekampeerd.

Galileërs waren er nog niet veel naar Johannes gekomen, behalve de latere leerlingen van Jezus. Er kwamen er meer uit de omstreken van Hebron, ook zeer vele heidenen. Daarom vermaant Jezus op zijn prediktocht door Galilea zijn toehoorders zo dringend om de doop van Johannes te gaan ontvangen.

Johannes leerplaats en Herodes aldaar bij hem. Driedaags feest.

Zo wat een klein uur van de vijver waar Johannes placht te dopen, was zijn leerplaats. Deze plaats was voor de Joden een heilige herinneringsplaats. Ze was met muren omgeven als een binnenhof. Binnen stonden hutten tegen de ringmuren en ze waren met biezen gedekt. In het midden lag een steen op de plaats waar de kinderen van Israël, na door de Jordaan getrokken te zijn, de Verbondsark het eerst nedergezet en een dankfeest gehouden hadden. Boven die steen had Johannes zijn leerhut opgericht: een grote tent met wanden van vlechtwerk en een dak van biezen. Aan de voet van die steen was de leerstoel van Johannes. Hier leraarde hij voor al zijn leerlingen, toen Herodes aankwam, doch hij onderbrak daarom zijn leerrede niet.

De vrouw van de nog levende broer van Herodes [Antipas] had eens met haar dochter Salomé Jeruzalem bezocht. Bij deze gelegenheid had Herodes daar een samenkomst met haar gehad en hij had de boze begeerte opgevat om met haar in het huwelijk te treden. Hij had bij het Sanhedrln een petitie ingediend om toestemming daartoe te bekomen, doch men had zijn verzoek afgewezen. Zo was hij met het sanhedrin in geschil gekomen. Hij vreesde de openbare mening en hij wilde het volk, door een voor hem gunstige uitspraak van Johannes, aan zijn zijde hebben. Hij meende dat Johannes goedshalve,om zijn gunst en bescherming te winnen, nu gewis zijn goedkeuring aan zijn misstap zou hechten.

Ik zag Herodes met Salomé, de dochter van Herodias en haar kamervrouwen en een dertigtal hovelingen, die een hele stoet vormden, naar de Jordaan trekken. Hij en de vrouwen zaten op een wagen. Hij had een bode naar Johannes vooruit gezonden. Maar Johannes wilde niet dat hij de doopplaats betrad als een man die met zijn bijzit, hofdames en lichtzinnig gevolg zijn heilig werk zou verontreinigen. Daarom hield hij op met dopen en begaf hij zich met zijn leerlingen naar de leerplaats en preekte daar zeer kordaat over de zaak, waaromtrent Herodes zijn mening en goedkeuring verlangde [en vervolgens ook over de Messias]. Hij zei dat hij Hem nu moest verwachten, Hem die na hem zou komen. Hijzelf zou hier niet lang meer dopen, maar wijken voor Degene, wiens Voorloper hij was.

Hij sprak zo tegen Herodes dat deze wel bemerkte dat Joahannes hem doorzag en zijn bedoelingen kende. Nochtans zag hij van zijn voornemen niet af en liet hij Johannes een grote rol overhandigen, waarop zijn petitie geschreven stond. Ze werd voor Johannes neergelegd, want deze wilde ze niet vastnemen om zijn hand, waarmede hij doopte, niet te verontreinigen. Hierop zag ik Herodes met zijn gevolg de plaats zeer verbitterd verlaten. Hij woonde toen nog op [of nabij] de badplaats Kallirroë, enige uren van Johannes tweede doopplaats. Hij had enigen uit zijn gevolg met het verzoekschrift daar gelaten, om druk op Johannes uit te oefenen en hem te overhalen er zijn goedkeuring aan te verlenen, doch het was tevergeefs. Johannes keerde naar zijn doopplaats terug. De vrouwen waren prachtig, maar tamelijk eerbaar gekleed. Magdalena was in haar opschik meer fantastisch, buitensporig en grilliger.

Johannes leerplaats en Herodes aldaar bij hem. Driedaags feest.

Er is nu een driedaags feest bij de steen van de Verbondsark, waar de leertent van Johannes staat. Ik weet niet meer duidelijk of men de doortocht van de Israëlieten door de Jordaan of een andere gebeurtenis herdenkt. De leerlingen van Johannes versieren de plaats met boompjes, kransen en bloemen. Petrus, Andreas, Filippus, Jakobus de Mindere, Simon en Taddeüs, met vele andere toekomstige leerlingen van Jezus werken daaraan mede. Die plaats was voor godvruchtige Joden zeer heilig. Ze begon echter in het algemeen wat in vergetelheid en verval te geraken, maar door toedoen van Johannes was ze weer meer in aanzien gekomen.

Ik zag Johannes en enige van zijn leerlingen in priesterkledij. De Doper had boven een grauw onderkleed: een wit, lang en wijd kleed aan. Dit was met een kledingstuk als een soort sjerp, die geel en wit geperkt was, om het lichaam gegord. Aan het neervallend einde hingen franjes. Op de beide schouders droeg hij twee edelgesteenten, lang en gebogen, waarop de 12 namen van de 12 stammen Israëls gegraveerd waren, zes op elke steen.

Op de borst droeg hij een vierhoekig, geel en wit borstschild, bij de vier hoeken met gouden kettinkjes vastgemaakt aan het kleed. Ook op dit schild waren op 12 verschillende edelstenen de namen van de 12 stammen ingesneden. Over zijn schouders hing een lange doek of stola, gelijk een handdoek neer, geel en wit geruit, ook met franjes aan de einden. Van onder hingen aan het kleed gele en witte zijden vruchtnoten. Zijn hoofd was bloot, maar onder zijn klederen had hij om de hals een smalle band van stoffen of doek, die hij als een kap op het hoofd kon trekken en die dan met een spits tot beneden het voorhoofd, bijna tot tussen de ogen kwam. Men ziet dat dit plechtig gewaad tot op weinig na een nabootsing is van het feestornaat van de hogepriester te Jeruzalem.

Voor de steen van de Verbondsark stond een klein altaar, niet volkomen vierkantig en in het midden uitgehold en van een rooster voorzien. Beneden was een opening voor de asse en aan elk van de vier zijden een holle buis, gelijk hoornen. Er waren daar verscheidene leerlingen in witte klederen met brede gordels,zoals de Apostelen bij hun eerste godsdienstplechtigheden gekleed waren. Zij waren assistenten bij een soort offerande. Er werd gewierookt. Johannes zelf verbrandde op een draagbaar reukaltaar verscheidene reukkruiden en -wortelen, en, zo ik meen, ook korenaren. Alles was met slingerkransen, bloemen en groen versierd. Er waren ontelbaar veel dopelingen. De priestergewaden en sieraden van de Doper waren op de huidige doopplaats vervaardigd geworden.

In deze dagen woonden hier aan de Jordaan ook vrouwen, doch afgezonderd. Zij werden niet gedoopt, doch maakten allerlei benodigdheden en geestelijke klederen voor de Doper. De her-komst van de edelstenen in het borstschild van De Doper wordt door de zienster verder aangetoond.
Johannes scheen in alles wat hij deed als een nieuwe kerk te beginnen. Hier verrichtte hij ook niet meer die handarbeid van vroeger en hij had onder het dopen een lang wit gewaad aan. Alleen de doopplaats van Jezus bereidde hij nog geheel met eigen handen en de leerlingen droegen hem het nodige aan.

Ik zag Johannes op de feestplaats een grote en bezielde leerrede houden. Hij stond boven op de tent in zijn priesterornaat. De tent had immers rondom gaanderijen, zoals de tenten van de H. Driekoningen in Arabië. Tegen de muur die de plaats omringde, waren rondom opstijgende zitplaatsen aangebracht [wellicht twee of drie trapbanken boven mekaar, hetzij deze met de hutten afwisselden, hetzij de lichte hutten voor deze gelegenheid weggenomen waren]. Daarop namen de talrijke aanwezigen plaats.

Johannes sprak over de Zaligmaker die hem gezonden had en die hij nooit had gezien en over de doortocht door de Jordaan. Er was in de tent ook weer een reukoffer, waarbij kruiden verbrand werden. Ik zag dat men van Mizpa in het zuiden tot Galilea in het noorden aangekondigd had dat Johannes heden een grote feestrede wilde houden en dat ontelbare mensen opgekomen waren om hem te horen. Bijna alle Essenen waren er tegenwoordig. De meeste lieden hadden lange witte feestklederen aan. Ik zag mannen en vrouwen aankomen. De vrouwen zaten op ezels tussen korven waarin duiven zaten en die aan beide zijden van het lastdier hingen. Deze werden door mannen geleid. De laatsten offerden broden en de vrouwen duiven.

Johannes stond achter een hek en ontving de broden. Ze werden op een lange tafel, waarvan het blad traliewerk was, gereinigd van het aanhangende meel en op schotels gestapeld, door Johannes gezegend en omhoog geheven als tot een offer. De broden werden daarna in stukken gesneden en uitgedeeld. Die van verst gekomen waren, kregen er een ruimer aandeel van, omdat zij meest nodig hadden. Het meel dat van de broden afgewreven werd en de kruimels die bij het snijden afbrokkelden, vielen door de tralie van de tafel in een bak en werden op het altaar verbrand. Ook de duiven, die de vrouwen offerden, werden uitgedeeld. Dit duurde wel een halve dag. Het gehele feest, de sabbat inbegrepen, duurde drie dagen. Hierna zag ik Johannes wederom aan het werk bij de doopplaats.

Jezus’ doopeilandje en de plaats van de verbondsark

23 en 24 augustus. Heden zag ik Johannes voor zijn leerlingen aan de Jordaan een toespraak houden over de aanstaande doop van de Messias. Hij herhaalde dat hij Hem nooit had gezien, en zo meer. Hij voegde er aan toe: "Tot bewijs wil ik U zijn doopplaats tonen. Ziet!...de wateren van de Jordaan zullen zich verdelen en een eiland zal te voorschijn komen!" Op hetzelfde ogenblik zag ik de baren van de stroom zich verdelen en een klein, eirond, wit eiland op gelijke hoogte als het watervlak omhoogstijgen. Het verscheen op dezelfde plaats waar de kinderen van Israël met de Verbondsark door de Jordaan getrokken zijn en waar ook Elias de Jordaan met zijn mantel verdeeld heeft.

Dit maakte een grote indruk op de toeschouwers. Zij baden en zongen lofzangen. Johannes en de leerlingen rolden grote stenen in het water, waarover zij bomen en takken legden om een brug te maken die tot het eiland reikte. Zij strooiden kleine, witte steentjes op deze brug, waaronder het water ruisend door kon stromen. Johannes en zijn leerlingen plantten twaalf boompjes rondom het eiland. Ze waren vol leven en de leerlingen verenigden hun takken, zodat ze een soort loofhut vormden, die boven open was. Vervolgens zag ik Johannes met zijn leerlingen tussen de boompjes ook nog een haag van kleiner struiken zetten, die hier en daar aan de Jordaan overvloedig groeien. Ze hadden witte en rode bloemen en gele vruchten met een kroontje, zoals mispelen. Dit bood een aangenaam zicht, want enige droegen nog bloesems,andere reeds vruchten.

Het omhoog gestegen eiland was de plaats waar men de verbondsark bij de doortocht door de Jordaan nedergezet had. Het scheen rotsachtig en de bedding van de stroom is verhoogd sinds de tijd van Josuë, maar het water staat nu nochtans veel lager, zodat ik niet weet of het water zakte of dat het eiland rees, toen Johannes het tot doopplaats van Jezus te voorschijn riep.

Op het eiland werd een vijver gemaakt, niet in het midden, maar nader bij de rand en links van de brug. Er steeg klaar water in omhoog. Met enige trappen daalde men er naar af en dichtbij de waterspiegel lag een driehoekige, gladde, rode steen, waarop Jezus bij [d.i. onmiddellijk na] zijn doop zou staan. Ter rechterzijde van deze steen stond een dunne palmboom met vruchten, die Jezus gedurende zijn doop met de arm omvatte. De rand van de vijver was sierlijk met tegels bevloerd en alles zeer mooi en kunstig afgewerkt. Ik zal later wel eens de gelegenheid hebben om er een omstandiger beschrijving van te geven.


» Reageer (0)
06-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 1.3
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 1.3: Vanaf de dood van de H. Jozef tot het doopsel van Jezus in de Jordaan

Jezus, op weg naar zijn doop, bezoekt een verblijf van melaatsen

20 september. In de nacht van 19 op 20 september zag ik Jezus met Eliud uit Nazaret in zuidwestelijke richting gaan. Het was niet de geheel rechte weg, maar Jezus wilde naar Chim,een melaatsenverblijf . Zij kwamen daar bij het aanbreken van de dag aan en ik zag dat Eliud Jezus er wilde van weerhouden in deze plaats te gaan, waardoor Hij Zich zou ver­ontreinigen. Hij zou, indien men het te weten kwam, zeker niet tot de doop toegelaten worden. Op deze en dergelijke motieven antwoordde Jezus dat Hij zijn opdracht kende: Hij wilde die plaats bezoeken, omdat daar een goed man naar Hem verlangde. Om dit verblijf te bereiken, moesten zij over de Kisonbeek, die haar water uit de Kison ontving en het in een kleine vijver leidde, waarin de melaatsen zich reinigden. Het water vloeide niet in de Kison terug. Deze plaats lag gans afgezonderd en werd door niemand bezocht. De melaatsen woonden er in verspreide hutten. buiten hun oppassers woonde daar niemand anders.

Eliud bleef op een afstand wachten op de Heer. Deze ging in een afgelegen hut, waar een ellendig man, geheel in doeken gewonden, ter aarde lag. Jezus sprak met hem. Het was een goede man. Ik vergat hoe hij de melaatsheid gekregen had. Hij richtte zich op en het bezoek van de Heer ontroerde hem onbeschrijfelijk. Jezus beval hem op te staan en zich in een met water gevulde trog te leggen, die nabij de hut stond. Hij deed het en Jezus hield de handen boven het water. Toen werd de man geheel le­nig en rein. Hij kleedde zich anders aan en Jezus beval hem aan niemand van zijn ge­nezing iets te zeggen, tot Hij van zijn doop teruggekeerd zou zijn. Deze man vergezelde Jezus en Eliud nu een eindweg, tot Jezus hem zegde terug te keren. Jezus en Eliud zag ik nu de ganse dag in het dal Esdrelon meer naar het zuiden wandelen. Nu spraken zij tezamen, dan weer gingen zij gescheiden, ieder op zijn eigen als in gebed en beschouwing.

Het weer is daar nu niet zeer aangenaam. De hemel is overtrokken en in het dal hangt er mist. Jezus gebruikt geen stok. Hij droeg er nooit een, de anderen wel. Dikwijls was aan hun stok, gelijk aan die van de schapers, een klein schupje. Jezus droeg slechts zolen. Andere mensen droegen ook wel een soort van volkomen schoenen,van boven gevlochten uit dikke boomwol. Ik zag beiden eens op het middaguur rusten en brood eten.

Gedaanteverandering van Jezus vóór Eliud

In de nacht tussen 20 en 21 september zag ik hen weer hun weg voortzetten, nu eens samen, dan weer gescheiden. Ik kreeg toen iets wonderbaars, een onbeschrijfelijk verrukkelijk tafereel te zien. Eliud sprak met Jezus, terwijl deze voor Hem uit ging, over zijn stevig gebouwd en schoon lichaam. Toen zegde Jezus tot hem: "Moest gij dit lichaam over ruim een paar jaren wederzien, gij zoudt er schoonheid noch gestalte aan terugvinden, zo zullen zij Mij smaad en mishandelingen aandoen.

Eliud verstond dit niet, zoals hij evenmin verstond waarom Jezus telkens weer sprak van zo'n korte duur van zijn Rijk. Hij meende dat Jezus toch wel tien, ja, twintig ja­ren nodig had om zijn Rijk ook maar te vestigen. Hij kon zich Jezus' Rijk niet anders indenken,omdat hij van geen ander dan van een aards koninkrijk begrip had.

Nadat zij nog een eindweg alzo gegaan waren, stond Jezus stil en zegde tot Eliud, die afzonderlijk en in gedachten verdiept achter Hem aankwam, om dichter te naderen: Hij zou hem laten zien wie Hij was, hoe zijn lichaam was en hoe zijn Rijk was.

Eliud naderde tot op enige stappen van Jezus en Jezus schouwde nu biddend ten hemel. Toen daalde een wolk neder, die als een onweer hen beiden omgaf. Van buiten kon men hen niet zien. Boven hen opende zich een hemel van licht die, a.h.w. op hen neerdaalde, en ik zag boven hen een stad met schitterende muren. Ik zag het hemelse Jeruzalem. Geheel het binnenste was met regenboogglans bekleed. Ik zag een gedaante als God de Vader, ik zag Jezus in een mededeling van licht met Hem. Jezus verscheen in zijn menselijke gedaante geheel schitterend en doorzichtig.

In het begin stond Eliud als in verrukking naar omhoog te zien, doch spoedig zonk hij op zijn aangezicht neder, tot het licht en de hele verschijning verzwonden waren. Jezus zette nu zijn weg voort en Eliud volgde Hem stomverbaasd en vreesachtig om wat hij gezien had. Het was een verschijning in de aard van de gedaanteverandering op de Tabor, met dit verschil dat ik Jezus niet omhoog geheven zag.

Ik meen dat Eliud de kruisiging niet beleefd heeft [Hij zal sterven op 18 maart aanstaande. Jezus was vertrouwder met hem dan met de apostelen, want Eliud was zeer verlicht en in vele geheimen van Jezus' familie ingewijd. Hij nam hem ook tot vriend en lid van zijn gezelschap aan. Hij verleende hem een grote macht en Eli­ud bracht veel voor Jezus' Gemeente tot stand. Hij was een van de grondigste onderrichters der Essenen. Ten tijde van Jezus woonden zij niet meer in zo grote menigte op de bergen, zoals vroeger: zij hadden zich meer in de steden verspreid. Dit wonderbare visioen had plaats te middernacht. Ik ontwaakte dan en voelde mij zo ziek en zo lijdend.

21 september. Des morgens zag ik Jezus in een herdersveld aankomen. De dag begon op te komen en de herders waren reeds uit hun hutten bij het vee. Zij kenden Jezus reeds en kwamen Hem tegemoet en wierpen zich voor Hem neder en leidden de beide gasten in een schuur,waarin zij hun gereedschappen bewaarden. Zij wasten hun de voeten, bereidden hun een rustplaats en zetten hun brood en kleine bekers voor. Zij braadden en zetten hun ook tortelduiven voor. Deze vogels hadden hun nesten in de hutten van de mensen en liepen hier in zeer grote menigte als hoenderen rond.

Daarna zag ik dat Jezus Eliud terugzond, doch eerst zegende Hij hem terwijl Eliud knielde: de herders waren hiervan getuige. Jezus zei tot Eliud dat hij zijn dagen in rust zou sluiten, omdat de weg die Hij als Verlosser moest bewandelen, voor hem te moeilijk was. Dat Hij hem in zijn Gemeente aannam, dat hij reeds zijn deel van het werk in de wijngaard volbracht had en daarvoor het loon in zijn Rijk zou bekomen. Hij verklaarde dit met de parabel van de arbeiders in de wijngaard. Sedert het visioen van deze nacht was Eliud zeer ernstig, onthutst en geheel in zichzelf gekeerd. Ik meen gehoord te hebben dat hij Jezus in dit leven niet meer zal wederzien, doch ik ben hier niet heel zeker van. [Eliud ontving Jezus op zijn ziekbed op 11 maart het jaar daarop jaar en een week later op zijn sterfbed: zie verder]. Ik geloof dat de leerlingen hem het doopsel toegediend hebben.

Van het herdersveld vergezelde Eliud Jezus nog een eind ver. De Heer omarmde hem nu en nam afscheid van Eliud met een mannelijke ontroering. Van hier kan men de plaats zien liggen, waar Jezus met de sabbat gaat: daar hebben voortijds bloedverwanten van Jezus gewoond. Die plaats waarheen Jezus zich nu geheel alleen begaf, was niet Jizreël, zoals ik gemeend had, want ook Jizreël zag ik liggen. Zij heette Goer en lag op een berg. Jozefs broeder, die later naar Zabulon trok en veelvuldige betrekkingen met de H. Familie onderhield, had hier gewoond.

Jezus ging hier ongemerkt in een herberg, waar men Hem de voeten waste en spijzen voorzette. Hij had een kamer voor Hem alleen en Hij liet zich hier een schriftrol uit de synagoge brengen. Hij las er gebeden uit, nu knielende, dan staande en ook omhoog kijkend. Zijn kamer was door schermen afgezonderd. De school bezocht Hij niet. Ook zag ik eens lieden tot Hem komen, die Hem verlangden te spreken, maar Hij ontving hen niet. Hij bracht zijn tijd door in een volstrekte afzondering.

De leerlingen op weg naar de doop

De door Jezus vooruit gezonden leerlingen zag ik eergiste­ren in Kafarnaüm aankomen, doch ongeveer slechts vijf van de meer gekende en zij spraken met Maria. Twee van hen gingen naar Betsaïda Petrus en Andreas halen. Jacobus de Mindere, Simon, Taddeüs, Johannes en Jacobus de Meerdere waren er eveneens tegenwoordig. De leerlingen prezen Jezus' goedheid, zachtmoedigheid en wijsheid. De an­deren waren vol lof over de geestdrift van Johannes De Doper. Zij roemden zijn kordaat optreden, stren­ge levenswijze en leer, en beweerden nooit zulk een uitlegger van de profeten en de Wet gehoord te hebben. Zelfs Johannes sprak geestdriftig van de Doper. Nochtans ken­de hij Jezus, want zijn ouders hadden vroeger op de afstand van nauwelijks een paar uren van Nazareth gewoond. Ook beminde Jezus hem reeds als kind, wat ik vroeger niet wist.

22 september, sabbat. De leerlingen hielden hier, te Betsaïda, de sabbat.

Op zondag,23 september heb ik de negen leerlingen in het gezelschap van de zes [of zeven] voormelde leerlingen van Johannes op weg naar Tiberias gezien, vanwaar zij naar Efron en van daar door de woestijn naar Jericho en naar Johannes trokken.

Vooral Petrus en Andreas hebben ten gunste van de Doper gesproken. Zij zegden dat hij uit een voornaam priestergeslacht afkomstig was, dat hij in de woestijn onder­richt van de Essenen had ontvangen, dat hij geen ongeregeldheden duldde en niet min­der wijs dan streng was. De leerlingen daarentegen roemden Jezus' goedheid en wijs­heid. Hiertegen opperden de eersten het bezwaar dat menige ongeregeldheid door zijn toegevendheid ontstond,en zij staafden hun bewering met voorbeelden. Ook Jezus had op zijn laatste reis, meenden zij, onderricht van de Essenen gekregen.

Johannes hoorde ik op deze weg niets meer zeggen. Zij deden niet de gehele reis met de leerlin­gen van Jezus, doch vergezelden hen slechts enige uren. Ik dacht onder dit gesprek: de mensen van die tijd waren toch geheel gelijk die van nu.

Jezus te Gofna

Op zaterdag 22 september zag ik Jezus te Goer in de herberg alleen bidden. Dit Goer lag niet zeer ver van de stad Megiddo en van een vlakte met dezelfde naam en ik heb het vroeger nog wel gezien als moest tegen het einde van de wereld een veld­slag tegen de antichrist in die vlakte gevoerd worden. Met het aanbreken van de dag stond Jezus op, rolde zijn bed op, gordelde zich, legde een geldstuk op het bed en begaf Zich op weg. Ik zag Hem pa­den volgen, die langs verscheidene steden en dorpen liepen, waartussen Hij doorging. Hij kwam met niemand in aanraking en nam nergens zijn intrek. Ik zag Hem nabij de berg Gerizzim bij Samaria voorbijkomen. De berg lag aan zijn linkerzijde en Hij trok zuidwaarts door. Hier en daar zag ik Hem bessen en enige vruchten plukken en eten, en in de holte der hand of met een holgebogen blad water scheppen en drinken.

Op zondag kwam Hij, tegen avond, in een stad met name Gofna in het Efraïmgebergte. Ze lag op een verscheurde, oneffen grond, hoog en laag en er strek­ten zich vele huizen en plantages uit. In deze stad woonden verwanten van Joachim, doch zij hadden geen nauwe betrekkingen met de Heilige Familie onderhouden. Ook nam Jezus niet bij die familie zijn intrek, maar in een herberg. Men waste Hem de voeten en bood Hem een kleine verversing aan.

Het duurde echter niet lang of zijn verwanten en een paar Farizeeërs van beter al­looi kwamen Hem hier opzoeken en namen Hem mee naar hun huis. Dit huis van zijn verwanten was een van de aanzienlijkste van de stad. De stad zelf was eveneens van bete­kenis, want hier resideerde het bestuur over een deel van het land. Ook Jezus' verwant oefende hier een ambt uit en was met schrijfwerk belast. De stad behoorde, geloof ik, tot de provincie Samaria.

Men ontving Jezus met achting. Er waren daar nog meer mannen en men nam staande en wandelend in een lusthof een maaltijd. Jezus sliep hier. De stad lag een dagreis van Jeruzalem en in haar nabijheid vloeide een beek door het gewest. Toen de Heilige Fami­lie de knaap Jezus in de tempel verloren had, was ze tot hier gekomen. Toen zij Hem te Mikmas misten, hadden zij het mogelijk geacht dat Hij tot die verwanten vooruit gegaan was om hier op hen te wachten. Maria was niet zonder vrees dat Hij in het water mocht gevallen zijn. Op hun weg lag een klein meer dat nu Balwa heet en precies tussen Gofna en el-Bireh ligt.

24 september. Hier in de synagoge begeerde Jezus de schriften van een profeet die handelde over de doop en de Messias. Uit de aangereikte profetie verklaarde Hij dat de Messias in de tegenwoordige tijd moest gekomen zijn. Hij sprak van de gebeurtenissen die zijn komst vooraf moesten gaan en die werkelijk hadden plaats gehad, meer bepaald noemde Hij een gebeurtenis die zich acht jaren geleden voorgedaan had. Ik weet niet meer of het iets van een oorlog was, of ook dat de scepter aan Juda ontnomen was [Gen.4:9-10]. Zo haalde Hij, als evenveel bewijzen, een reeks vervulde tekenen aan, die de komst van de Messias vooraf moesten gaan en zich nu voorgedaan hadden.

Ook betrok Hij er menigvuldige sekten bij en Hij wees er op hoe, in zake ere­dienst, zoveel tot louter ceremonie, zonder ziel of godsvrucht, tot formalisme ont­aard was. Daarna zegde Hij hun dat de Messias in hun midden zou zijn, zonder dat zij Hem kenden. Hij hing hun een trouw beeld op van de verhouding tussen Hem en Johannes. Hij sprak ongeveer als volgt: "Iemand zal Hem aanwijzen en men zal Hem niet willen erkennen. Zij zullen de voorkeur geven aan een machtige veroveraar, die verschijnt in pracht en door hooggeleerde mannen omgeven is. Zij zullen de Messias niet willen zien in Hem, die zonder schoonheid, aanzien, pracht en rijkdom ver­schijnt, die eenvoudige landbouwers en handarbeiders tot gezellen en medewerkers heeft en met bedelaars, kreupelen, melaatsen, zondaars en andere schamele mensen omgaat."

Op deze wijze sprak Hij lang en breed en bewees Hij alles uit de profetieën. Hij beschreef nauwkeurig de verhouding tussen Hem en Johannes,en toch zegde Hij nooit "Ik," maar sprak altijd als van een derde. Deze uiteenzetting nam het grootste deel van de dag in beslag en zijn toehoorders, vooral zijn verwanten, gingen eindelijk menen dat Hij een gezant, een voorloper van die Messias was.

Bij de thuiskomst van de synagoge sloegen zij in zijn tegenwoordigheid een boek open, waarin zij aangetekend hadden wat met Jezus,de Zoon van Maria, in zijn twaalfde in de tempel voorgevallen was. Inderdaad, zij waren getroffen door de overeenkomst van hetgeen Hij toen, met hetgeen Hij nu gezegd had. Nadat zij het document herlezen hadden, konden zij hun verbazing niet matigen. De huisvader was een bejaard weduwnaar en ook zijn dochters waren reeds weduwen. Uit het gesprek van deze vrouwen vernam ik dat zij de bruiloft van Jozef en Ma­ria te Jeruzalem hadden bijgewoond. Uit hun gesprek bleek hoe prachtig de bruiloft en hoe rijk Anna was geweest en hoe deze familie [in de ogen dier vrouwen] zo jam­merlijk achteruit geboerd was. Zij spraken daarover, zoals men dat in de wereld pleegt te doen, met een zekere blaam en minachting, als was deze familie erg vervallen.

Terwijl zij, gelijk vrouwen dit kunnen, hun herinneringen aan die bruiloft en aan de bruiloftsklederen van Maria oprakelden, kreeg ik een zeer omstandige vertoning van die bruiloft.Vooral werd mij zeer duidelijk tot in details de bruidstooi van Maria getoond.

Ondertussen controleerden de mannen, zoals ik reeds zei, de leer van de twaalfjarige Jezus in de tempel, die als een merkwaardigheid aangetekend was. Immers, daar Jozef en Maria naar de verloren Jezus met zulk een angst juist in dit huis navraag gedaan hadden, had de tijding waar en in welke omstandigheden zij Hem daarna gevonden had­den, bij deze bewoners zulk een opzien gebaard, te meer omdat Hij een bloedverwant van hen was. Terwijl dezen de overeenkomst van Jezus' leer als knaap met die van he­den nog aan het bewonderen waren, waardoor zij Hem hoe langer hoe meer genegen werden, verklaarde Jezus hun dat Hij afscheid moest nemen. Niettegenstaande hun dringend smeken om nog wat te blijven, begaf Hij Zich op weg.

Verscheidene mannen deden Hem de gebruikelijke uitgeleide. Zij moesten over een beek gaan [de boven vermelde, die door of langs Gofna vloeit]. Zij gingen er over langs een gemetselde brug, waarop bomen groeiden. Zij vergezelden Hem enige uren naar een vlakte waar zich weiden uitstrekten. Daar was de aartsvader Jozef eerst gekomen, toen zijn vader Jacob hem bevolen had tot zijn broers in Sikem te gaan. In de gewesten waar Jezus nu doortrok, is ook Jakob veel geweest.

Het was reeds laat in de avond toen Jezus in dit herdersgewest aankwam aan deze zij­de van een riviertje. Hier verlieten Hem zijn begeleiders. Aan de overzijde van het riviertje lag het gehucht nog meer uitgebreid. De synagoge was aan deze zijde.

De Heer nam zijn intrek in een herberg. Hier waren twee scharen dopelingen verzameld, die door de woestijn van Jericho naar Johannes wilden trekken. Zij hadden hier de aanstaande komst van Jezus gemeld en ‘s avonds sprak Jezus nog met hen. Men waste de Heer en de zijnen de voeten. Hij gebruikte een lichte maaltijd en zonderde Zich dan af tot het gebed en de rust.

Echtscheiding van Herodes veroordeeld

25 september. De ochtend van de vijfentwintigste vertrokken de dopelingen naar Johannes. Jezus begaf zich naar de school waar vele mensen samenstroomden. In zijn preek sprak Hij volgens gewoonte over de doop en de Messias, en hoe men Hem niet zou willen erkennen. Hij verweet hun ook hun eigenzinnige gehechtheid aan oude, ijdele gewoonten, waarin het hoofdgebrek van die mensen bestond. Zij waren over het algemeen vrij eenvoudig en namen alles goedschiks aan.

Hierna liet Jezus Zich door de overste van de synagoge tot tien zieken brengen. Hij genas er geen enkele, want Hij had reeds tot Eliud en tot zijn vijf leerlingen gezegd dat Hij dit in de nabijheid van Jeruzalem voor zijn doop niet wilde doen. Het waren meest zij die aan waterzucht en jicht leden en ook enkele zieke vrouwen. Maar Hij vermaande ze en zei tot ieder van hen in het bijzonder wat zij geestelijk moesten doen, omdat hun ziekten ten dele straffen voor hun zonden waren. Aan enigen beval Hij zich te reinigen en de doop te gaan ontvangen.

In de herberg was nog een avondmaal en er waren vele mannen uit het dorp tegen­woordig. Vóór de maaltijd brachten deze het gesprek op de verboden, overspelige om­gang van Herodes. Zij keurden die af en polsten Jezus naar zijn mening hierover. Je­zus laakte Herodes’ handel en wandel met onverbiddelijkheid, maar tevens zei Hij: "Indien men over anderen recht wil spreken, moet men ook zichzelf rechten."

Voorts brandmerkte Hij streng alle huwelijkszonden. In dit dorp waren immers vele zondaars en Jezus sprak met allen in het bijzonder en verweet hun zeer streng hun overspelig leven. Hij zei aan velen persoonlijk ook hun geheimste zonden, zodat zij geheel onder de indruk boetvaardigheid beloofden.

Jezus begaf zich van hier op weg naar Betanië. De afstand kan nog 6 uren zijn. Hij kwam nu weer tussen bergen. Daar in het land is het nu reeds winterachtig weer. De lucht is overtrokken en beneveld en ‘s nachts is het vaak reeds zo koud, dat er rijp valt. De winter begon dit jaar vroeg. Jezus hult zijn hoofd in een doek en Hij gaat nu recht naar het oosten.

De reis de Heilige Vrouwen

Ik heb Maria met vier heilige vrouwen op weg in een vlakte nabij Tiberias gezien. Ik zag ze ook van hun huis weggaan. Er is daar iemand gebleven. Zij hebben twee vissersknechten bij zich. De ene gaat voorop,de andere volgt achter hen en zij dragen hun reisgoed in een dubbele zak: één hangt op de borst en een op de rug aan een stok op de schouder. Het zijn: Johanna Chusa, Maria van Kleofas, Lea [éen der weduwen] en nog een vrouw, hetzij Maria Salome of de vrouw van Petrus of van Andreas. Zij gaan eveneens naar Betanië en volgen de gewone weg voorbij Sikar. Zij la­ten het aan hun rechterzijde, maar Jezus liet het links.

De heilige vrouwen gaan meestal in een rij achter elkaar, een paar schreden ge­scheiden, vermoedelijk omdat de meeste wegen, buiten de grote heirbanen, slechts paden zijn voor voetgangers en vaak door het gebergte lopen. Zij gaan vlug met vaste schreden en zakken niet door gelijk de mensen hier bij ons, vermoedelijk omdat men zich daar van jongs af aan gewend aan lange voetreizen.

Op de reis hebben zij de rokken tot het midden van de kuiten opgeschort en de benen zijn vanaf de middenlijfdoek [of broek] tot op de enkels met een band omwonden en onder hun voeten zijn dikke, opgevoederde sandalen gebonden. Op het hoofd dragen zij een sluier, die met een lange smalle doek om de nek toegehaald is. Deze doek daalt over de borst neer, waar hij gekruist is en loopt weer achter de rug tot in de gordel. Zij laten af en toe ter afwisseling hun handen daarin rusten. De vooropgaande man be­reidt de weg, opent de afsluitingen, ruimt de stenen weg v6ór de voeten, legt loop­planken over diepten, zorgt in alle voorvallen voor alles en spreekt ook over de herberg. De man die hem opvolgt brengt alles weer in de vorige toestand.

Jezus gaat naar Betanië

26 september. Betanië kan 6 uren van het voorgaande dorp, Betel, zijn. Op zijn weg daarheen kwam Jezus weer, zoals gezegd, in het gebergte [op zeer gevaarlijke bodem, op hellingen, in ravijnen]. Tegen de avond kwam Hij een paar uren ten noorden van Jeruzalem aan in een stadje, Giba genaamd, die uit één straat bestaat. Deze loopt over een berg en is wel een half uur lang. Betanië kan nu nog drie uur van hier gelegen zijn. Men kan hier het gewest van Betanië in de verte zien. Het ligt dieper in de vlakte.

Van deze berg of grote heuvel strekt zich noordoostwaarts een woestijn uit van omtrent drie uren, naar de woestijn Efron toe en tussen deze beide woestijnen zag ik Maria en haar gezelschap heden in een herberg overnachten [te Mikmas, waar zij vrienden hadden].

De berg is dezelfde waarop Joab en Abisaï, die Abner mastten, hun achtervolging staakten toen deze hen toeriep en toesprak [2 Sam. 2: 24-27]. Hij heet Amma en ligt zes kilometer ten noorden van Jeruzalem. De plaats waar Jezus was [hoek of wijk van Giba], had uitzicht naar het noorden en oosten. Ik vermoed dat ze Giah heette. Vandaar had men het uitzicht op de woestijn Gibet of Giba in het noordoosten, die aan haar voet begon en zich in de richting van de woestijn Efron uitstrekte. De woestijn van Giba was om­trent drie uren lang. De lengte tot Giba is vijf kilometer en de afstand tot Mikmas is acht kilometer].

Jezus kwam ‘s avonds in die stad, ging binnen in een huis en vroeg om enige ver­versing. Zij wasten Hem de voeten en boden Hem drank en kleine broodjes aan. Weldra kwamen verscheidene mensen om Hem heen staan die informeerden naar Hem, aangezien Hij uit Galilea kwam, naar de leraar van Nazareth.

"Het land is nu vol van Hem," zeiden zij, "en Johannes spreekt er zoveel en zo wonderbaar over." Ook vroegen zij of de doop van Johannes wel goed was. Jezus onderrichtte hen op zijn gewone manier en vermaande hen tot boetvaardigheid en wekte hen op tot de doop. Op hun verzoek sprak Hij over de Profeet van Nazareth en de Messias die, bij zijn verschijnen onder hen, niet erkend, ja, vervolgd en mishandeld zou worden. Hij waarschuwde hen om op alles wat er zou ge­beuren goed in gedachten te houden, daar de tijden vervuld waren. De Messias zou niet met pracht en in triomf verschijnen als een overwinnaar, maar arm. Hij zou in eenvoud met de eenvoudigen omgaan. Over deze en meer andere eigenschappen van de Messias weidde Hij uit.

De mensen [te Gibat-Amma] kenden Hem niet, maar zij onthaalden Hem goed en gedroegen zich eerbiedig. Er waren dopelingen over deze plaats voorbijgetrokken die over Jezus verteld hadden. Ook vergezelden de inwoners Hem een eind weg, nadat Hij hier een paar uren gerust had.

Jezus kwam des nachts naar Betanië. Lazarus was enige dagen te voren nog in zijn huis te Jeruzalem geweest. Het staat aan de westkant van de berg Sion, op de helling, naar de kant toe van de Kalvarieberg toe, maar nu was hij naar Betanië teruggekeerd, omdat hem door de leerlingen de komst van Jezus aangekondigd was. Het kasteel te Betanië behoorde eigenlijk aan Martha toe, maar Lazarus verbleef daar liever en zij hielden te zamen huis.

Zij hadden een maaltijd bereid en waren aan het wachten op Jezus. Martha bewoonde een huis aan de andere zijde van het park. Er waren gasten op het kasteel. Bij Martha waren Serafia [Veronika], Maria Markus en nog een bedaagde vrouw, Suzanna van Jerusalem . Zij was juist vóór Maria in de tempel geweest en had deze verlaten toen Maria er haar intrede deed. Zij was er gaarne in gebleven, maar God had haar voor het huwelijk bestemd.

Bij Lazarus waren: Nikodemus, Johannes Markus, een zoon van Simeon,en een ouderling met name Obed, die een broer of een zoon van de broer van de man der profetes Hanna was. Het waren allemaal geheime vrienden van Jezus. Zij waren dit geworden, deels door Johannes de Doper, deels door de familie en door de profetieën van Simeon en Hanna in de tempel.

Nikodemus was een navorser, een denkend man, die op Jezus hoopte en zeer naar Hem verlangde. Zij waren reeds allemaal door Johannes gedoopt en waren nu, op Lazarus' uitnodiging, in het geheim naar hier gekomen. In het vervolg diende Nikodemus trouw de Heer, doch in het geheim.

Lazarus had dienaren uitgezonden om Jezus op de weg af te halen, en ongeveer een half uur voor Betanië ontmoette Hem zijn oude trouwe dienaar, die daarna nog een leerling geworden is. De knecht wierp zich voor Jezus op zijn aangezicht neer en sprak: "Ik ben de knecht van Lazarus. Zo ik in Uw ogen, heer, genade vind, gelieve mij naar zijn huis te volgen." Jezus zei hem op te staan en volgde hem.

Hij was vriendelijk jegens die dienaar, doch zijn minzaamheid deed geen afbreuk aan zijn waardigheid en juist dit gaf Hem die onweerstaanbare aantrekkelijkheid: zij beminden Hem als een mens en voelden God in Hem aan.

De dienaar leidde Hem in een voorzaal, nabij de ingang van het slot bij een bekken in de vloer. Hier was alles bereid. Hij waste Jezus de voeten en deed Hem andere sandalen aan. Jezus droeg bij zijn aankomst een paar gevoerde dikke zolen. Hij liet deze staan en deed een paar harde zolen met lederen riemen aan, die Hij voortaan wilde dragen.

Nadat zijn voeten gewassen waren, kwam Lazarus met zijn vrienden Jezus verwelkomen. Hij bood Hem een beker wijn en een stuk brood aan [het zinnebeeld van de gastvrijheid bij de Joden] ter verwelkoming aan Jezus, omarmde Lazarus, en de anderen groetend, reikte Hij hun de hand. Zij boden Hem allen gastvriendelijk hun diensten aan en wilden Hem in het woonhuis brengen, maar Lazarus leidde Jezus eerst naar de woning van Martha. De hier aanwezige vrouwen lieten hun sluier neer en wierpen zich voor Hem op de grond. Jezus hief ze bij de hand op en zeide tot Martha dat zijn Moeder hier zou konen om zijn wederkomst van de doop af te wachten.

Hierop gingen zij naar Lazarus' huis en namen er een maaltijd. Deze bestond uit een gebraden lam en duiven, honig, kleine broodjes en vruchten, groenten en drank. Zij lagen hier aan tafel op leunbanken, allen twee en twee. De vrouwen aten in een voorplaats. Jezus bad voor de maaltijd en zegende alle spijzen. Hij was zeer ernstig, ja bedroefd. Hij verklaarde hun onder de maaltijd dat er een zware tijd naderde, dat Hij een moeizame weg begon, die zeer bitter zou eindigen. Hij maande hen aan tot volharding, indien zij zijn vrienden waren en blijven wilden, want zij zouden veel met Hem te lijden krij­gen. Hij sprak zo zielsbewogen dat zij weenden, maar ze verstonden Hem niet geheel. Zij wisten niet dat Hij God was.

Haar verhaal hier onderbrekend liet A.C. Emmerich zich uit als volgt: Telkens opnieuw verwondert mij dit onbegrip, daar ik zulk een oneindige overtuiging heb van de God­heid en de goddelijke zending van Jezus. Steeds moet ik mij afvragen waarom dan aan die goedgestelde mensen ook niet getoond werd wat ik zo klaar voor mijn ogen zag. Ik heb God de mens zien scheppen,de vrouw uit hem zien nemen en ik heb deze, na haar schepping, aan de man tot gezellin gegeven zien worden. Ik heb hun beider val in de zonde gezien. Ik zag de belofte van de Messias, het bederf en de verstrooiing van de mensheid door de voortplanting op zondige wijze. Ik zag de wonderbare leiding en werking der Voorzienigheid en het sacramenteel geheim van God ter bereiding, tot aanbrenging en voortbrenging der H.Maagd. Ik zag de weg van de geheimzinnige zegen, waaruit het Woord is vlees geworden, als een baan van licht door alle geslachten der voorouders van Maria lopen. Ik zag einde­lijk de boodschap van de engel aan Maria en de straal van de Godheid, die in haar doordrong op het ogenblik dat de Zaligmaker ontvangen werd.

En na dit alles,hoe wonderbaar moest het mij, ellendige, onwaardige zondares toeschijnen, die heilige tijdgenoten en vrienden van Jezus in zijn tegenwoordigheid te zien, hoe zij Hem beminden en vereerden en niettemin geloofden dat zijn Rijk een aardse rijk zou zijn. Hoe zij Hem weliswaar voor de beloofde Messias,maar toch niet voor God zelf aanzagen. Hij was hun nog de zoon van Jozef. Voor hen was Maria nog zijn moeder [die Hem op de menselijke wijze had ontvangen]. Dat Maria een Maagd was, vermoedde niemand, want zij wisten niets af van een bovennatuurlijke, maagdelijke ontvangenis door de werking van de H. Geest, zonder de medewerking van Jozef.

Zelfs was het geheim van de Verbondsark hun totaal onbekend. Het was reeds veel en een teken van een genadevolle uitverkiezing, dat zij Hem kenden en beminden.

Ofschoon de Farizeeërs de voorzegging van Simeon en Hanna bij zijn opdracht in de tempel kenden, hoewel zij zijn wonderbare leerrede van twaalfjarige knaap gehoord hadden, waren zij verstokt gebleven. Zij hadden toen wel inlichtingen ingewonnen no­pens de familie van die jongen, en in de laatste maanden van de leraar, maar die familie was hun te onaanzienlijk, te arm, te verachtelijk voorgekomen:zij wilden een schitterende Messias.

Lazarus, Nikodemus en vele andere aanhangers van Jezus geloofden steeds stil­zwijgend dat Hij geroepen was om met zijn leerlingen Jerusalem in bezit te nemen, om hen van het Romeinse juk te bevrijden en het joodse rijk te herstellen. Het was toen juist gelijk nu, in de laatste jaren van Napoleon, dat iedereen gaarne als red­der begroet de held, die aan zijn vaderland het oude regime en bestuur, de geliefde vrijheid en onafhankelijkheid van vroeger teruggaf. Ook toen wisten de mensen niet dat het rijk dat alleen ons kan baten, omdat het ons het ware Heil aanbrengt, niet van deze wereld vol zonde en boetelijden is. Ja, wij verheugden ons op sommige ogen­blikken Jezus' vrienden te zijn bij de gedachte dat het met de hovaardige tirannie van deze of die volksverdrukker weldra uit zou zijn, maar niemand waagde het met Jezus daarover te spreken. Zij waren allen vol ontzag en bleven in hun onzekerheid omdat geen enkel teken, gebaar of woord van Jezus er op wees dat hun hoop gegrond was.

Na de maaltijd gingen zij in een bidplaats van het huis [vele rijke huizen hadden een eigen synagoge]. Daar sprak Jezus dan een dankgebed uit, omdat de tijd van zijn werk en zending nu aangebroken was. Dit was zeer aangrijpend en allen weenden, ook de vrouwen waren er aanwezig, maar op de achtergrond. Zij baden nog ge­zamenlijk algemene gebeden. Jezus zegende allen en werd dan door Lazarus naar zijn slaapvertrek gebracht. Deze kamer of cel was in een grote zaal, die in afzonderlijke, afgeschermde cellen ingedeeld was en daarin sliepen de mannen alleen.

Hier was alles veel schoner dan in de gewone huizen. Het bed werd hier niet, gelijk elders, open- en dan weer opgerold. In de meeste andere huizen werd het op de grond uitgespreid. Hier was het een weinig boven de grond verheven en hoger dan gewoonlijk. Het ledikant stond vast en had van voren een opstaande tralierand, die de voorwand hoger maakte, en er hingen behangsels met franjes van af. Aan de muur, waartegen het bed stond, was op een zekere hoogte een fijne mat op­gerold, die men door een touw of tuig kon optrekken of voor het bed kon neerlaten. Dan was het a.h.w. onder een schuin dak verborgen. Naast het bed stond een voetbank­je of laag tafeltje en in een holte of nis van de muur stond een wasbakken, waar­boven een hoge watervaas hing met een klein schep- en gietkommetje. Uit de muur stak een armlamp vooruit en er hing een handdoek aan om zich af te drogen. Lazarus stak de lamp aan, wierp zich vóór Jezus neer, die hem nogmaals zegende, en verliet Hem.

De zwijgzame Maria, Lazarus' vermeende zwakzinnige zuster, zag ik niet. Ze kwam nooit te voorschijn en in het bijzijn van mensen sprak zij niet, doch wanneer zij in haar kamer of tuin alleen was, dan sprak zij luidop met zichzelf en met alle voorwerpen rondom haar. Alleen met de mensen wisselde zij geen woord. In hun bijzijn roerde zij zelfs niet, sloeg de ogen neerwaarts en hield zich onbewogen als een standbeeld, behalve dat zij boog om te groeten. Ook was zij welgemanierd, doch zweeg als stom. In haar afzondering verrichtte zij allerhande werkjes, verzorgde haar klederen en was op alles net. Zij was zeer godvruchtig, doch verscheen nooit in de synagoge, maar bad op haar kamer. Ik geloof ook dat zij visioenen kreeg en met verschijningen sprak. Zij beminde haar zusters met een onuitsprekelijke liefde, en vooral Magdalena. Vanaf haar prille jeugd waren vrouwen belast met het toezicht over haar, doch zij had niets over zich dat wees op echte krankzinnigheid. Over Magdalena werd tot nog toe in Jezus' bijzijn met geen enkel woord gerept. Zij maakte nu te Magdalto de glansrijkste periode van haar zondig leven door.

In dezelfde nacht,waarin Jezus bij Lazarus aankwam, zag ik de H. Maagd, Joanna Chusa, de weduwe Lea en Maria Salome in een herberg tussen de woestijn Giba en de woestijn Efraïm [Efron], een vijftal uren van Betanië, overnachten, nl. te Mikmas. Zij sliepen in een schuur,die rondom met lichte schermwanden dichtgemaakt was. Dit gebouw was in twee ruimten verdeeld. De voorste was in twee rijen slaapcellen ingedeeld die door de H. Vrouwen ingenomen werden. De achterhelft was de keuken. Voor het huis stond een open hut, waarin vuur brandde en ik geloof dat de mannen die hen vergezelden, daar sliepen of daar de wacht hielden. Het woonhuis van de opzichter der herberg was in de nabijheid.

Morgen, de zevenentwintigste, zullen zij reeds tegen de middag wel in Betanië zijn. Wat Maria van Kleofas betreft, ik heb nog eens gezien dat een oudere zuster van de H. Maagd, nl. Maria Heli, haar moeder is en Kleofas haar vader. Deze Kleofas was de zoon van een broer van Jozef, die in het dal Zabulon woonde. Ik ben het overige vergeten. Hij had buiten deze dochter nog een dochter gehad, nl. Anna van Kleofas, die ook getrouwd is geweest. Deze Kleofas is te onderscheiden van de leerling Kleofas van Emmaüs,uit het evangelie van de H. Lucas [Lc.24,18].

Onderhoud van Jezus met de zwijgzame Maria

27 september. Ze zag Jezus nog in het huis van Lazarus bij deze en zijn vrienden van Jeruzalem. Hij ging niet in Betanië, maar wel in de binnenhoven van het kasteel en in de tuinen van het park. Hij sprak en onderrichtte, terwijl Hij hier en daar wandelde. Zijn woord was ernstig en zielsroerend, zijn houding even waardig als minzaam. Geen onnodig woord kwam uit zijn mond. Allen beminden en volgden Hem en toch waren zij allen vol eerbiedige vrees. Lazarus ging het gemeenzaamst met Hem om. De overigen waren vol bewondering en meer terughoudend.

Door Lazarus geïntroduceerd ging Jezus nu tot de H. vrouwen en Martha leidde Hem tot haar zwijgzame zuster Maria. Jezus verlangde met haar te spreken. Zij kwamen door de deur van een muur uit de grote hof in een kleiner, maar toch nog ruime en met muren omsloten bloemenhof, waaraan Maria's woning grensde.

Jezus bleef in de tuin en Martha ging haar stille zuster Maria roepen. De tuin was zeer goed onderhouden. In het midden stond een grote dadelboom. Daarenboven groeiden er allerhande welriekende kruiden en heesters in. Ook bevatte de tuin een vijver met een rand er omheen en in het midden een stenen zitplaats die men vanaf de rand over een houten vlondertje bereikte. Daar ging Maria soms rusten onder een tentdak, dat over de vijver uitgespannen was. Daar zat zij dan van water omgeven.

Martha trad bij Maria binnen en zegde haar dat zij in de tuin moest komen, omdat daar iemand op haar wachtte. Zij gehoorzaamde onmiddellijk, deed haar sluier om en zonder een woord te spreken kwam zij in de tuin en Martha ging nu heen. De stille Maria was schoon en groot en ongeveer 30 jaren oud. Zij zag meestentijds ten hemel en wanneer zij bij uitzondering ter zijde keek naar de kant waar Jezus ging, geschiedde dit toch maar half, met geen oplettende, doch onbepaalde oogslag, als schouwde zij in de verte.

Zij zei nooit: "ik," maar "gij," wanneer zij zichzelf bedoelde, alsof zij zichzelf elders zag en het woord tot die andere buiten haar richtte. Zij sprak Jezus niet aan en viel niet voor Hem neder. Jezus sprak het eerst tot haar: het was geen eigenlijke dialoog en zo wandelden zij het hofje rond.

De stille Maria zag gestadig naar omhoog en beschreef hemelse werkelijkheden die zij scheen te aanschouwen. Jezus sprak eveneens op die wijze en wel over en tot zijn hemelse Vader. Zij zag Jezus nooit aan. Slechts nu en dan was zij onder het spreken half ter zijde naar Hem gewend. Hun afwisselend spreken was meer een gebed, een lof­zang, een beschouwing, een mondelinge beschrijving van geheimenissen dan een gesprek. Maria scheen niet te weten dat zij leefde. Haar geest zweefde in een andere wereld en op aarde handelde haar lichaam in harmonie met haar ziel.

Ik herinner me nog uit haar woorden dat zij met ten hemel geslagen ogen over de menswording van Christus sprak, als zag zij het hele gebeuren in de H. Drievuldigheid plaats hebben. Ik kan haar kinderlijke en toch ernstige woorden niet letterlijk herhalen. Zij zei alsof zij het zag: "De Vader zegt tot de Zoon dat Hij tot de mensen op aarde moet nederdalen en dat de Maagd Hem moet ontvangen." En hierop be­schreef zij de vreugde van alle engelen over dit raadsbesluit van God en hoe Gabriël daarop tot een Maagd neergezonden werd. Alle engelenkoren in ogenschouw nemend [want ja, alle koren waren mede nedergedaald] richtte zij, naar gelang ze voorbijtrokken, het woord tot allen, juist gelijk een kind dat een voorbijgaande processie aanspreekt, haar schoonheid bewondert, vol lof is voor de ijver en de godsvrucht van elke deelnemer in het bijzonder.

Daarna beschouwde zij de H. Maagd in haar kamer en sprak haar toe en drukte de wens uit dat zij met het voorstel van de Engel mocht instemmen. Zij zag de Engel aankomen en aan Maria de Heer verkondigen en beschreef dit alles, terwijl zij in de verte voor zich uit staarde, als was zij toeschouwster en als uitte zij luidop haar gedachten. Dan vertoefde zij in overdenking bij de gedachte, die zij ook kinderlijk onbevangen uitsprak, dat de H. Maagd zich bezonnen had alvorens haar antwoord en toestemming te geven en tot haar het woord richtend, zei zij: "Gij had de belofte van maagdelijkheid gedaan. Indien Gij eens geweigerd had de Moeder van de Heer te worden, hoe zou het de mensen dan vergaan zijn? Zou er nog een andere zulke maagd ooit te vinden geweest zijn? Ongelukkig Israël, gij had nog lang verweesd moeten zuchten."

En nu beklemtoonde zij welk een geluk het geweest was dat de H. Maagd had toe­gestemd. Zij prees haar en ging hierop over tot de geboorte van Jezus, sprak het Kind in de kribbe aan en zei: "Boter en honig zult Gij eten." En zij doorvlocht haar ont­boezemingen met profetieën en maakte ook gewag van de voorzeggingen van Simeon en Hanna in de tempel. En zo ging haar beschouwing door, alsof zij alles zag, en zij sprak alle verschijningen aan, als leefde zijzelf in ieder van die tijden en als maakte zij de gebeurtenissen mede. Tenslotte kwam zij op de tegenwoordige tijd en zei ze: "Nu gaat Gij de zure, zware weg op....enz." Hierbij was zij altijd als alleen, en ofschoon zij wist dat de Heer bij haar was, maakte dit de indruk op haar, alsof Hij haar niet naderbij was dan de personen uit haar visioenen, wier handelingen zij be­schreef. Jezus onderbrak haar met gebeden en dankzeggingen tot God. Hij loofde zijn Vader en aanriep Hem ten gunste van de mensen, en dit op het gepaste ogenblik tussen het overige in. Dit gehele gesprek was wonderbaar en onuitsprekelijk zielroerend.

Jezus verliet haar en zij bleef zo rustig en onbewogen als te voren. Zij ging in haar woning terug. Bij Lazarus en Martha teruggekeerd sprak Jezus hun ongeveer in dezer voege toe: "Zij is niet van haar verstand beroofd, maar met haar ziel is zij niet op deze wereld. Haar geest ziet deze wereld niet en deze wereld weet niet wat er met haar aan de hand is. Zij is gelukkig, want zij zondigt niet."

De stille Maria wist in haar helderziende toestand inderdaad niet wat er met en rondom haar gebeurde en zij leefde bestendig in die afwezigheid van geest. Voor nie­mand had zij nog zo gesproken gelijk nu voor Jezus. In het bijzijn van alle anderen zweeg zij, niet omdat zij geheimzinnig, gesloten of trots was, neen, maar omdat zij die medemensen in de innerlijke wereld, waarin zij leefde, niet zag omdat zij hen niet in betrekking zag met hetgeen zij alleen aanschouwde, te weten: de hemelse werkelijkheden, de geheimen van de Verlossing.

Godvruchtige en geleerde vrienden van de familie spraken haar wel menigmaal aan, en luidop zegde zij dan wel iets, maar zij verstonden er geen gebenedijd woord van, omdat het niet aansloot bij het gesprek, maar betrekking had op haar visioenen. Het was een bijzonderheid hieruit zonder verband met het door hen aangeraakte onderwerp en daarom voor de ondervragers een raadsel. Zo werd zij door de gehele familie voor krankzinnig gehouden, hoewel zij slechts was, wat zij alleen kon en moest zijn, name­lijk: eenzaam, zonder verband met de wereld, want zij was met haar geest niet in de huidige tijd en het dagelijks leven.

Haar bezigheden bestonden in het onderhouden van haar tuintje en in het vervaar­digen van borduurwerk voor de tempel en dit werd haar door Martha gebracht. Hierin was zij bedreven en onder haar werk was zij voortdurend in overweging en beschouwing. In haar gebed was zij godvruchtig en vurig. Zij kreeg ook dikwijls de opdracht om speciaal voor de zonden van anderen te lijden en dan voelde zij zich zo bezwaard en terneergedrukt, alsof het gewicht van de gehele wereld op haar lag. Haar woning was van rustbedden en alle huis­raad voorzien en geriefelijk ingericht. Zij at maar weinig en alleen. Nadat haar broe­der en haar zusters Jezus gevolgd waren en zich definitief en voorgoed bij Jezus aange­sloten hadden,stierf zij van droefheid over de grootheid van Jezus' bitter lijden, dat zij in de geest vooraf beschouwde.

Martha sprak met Jezus ook over Magdalena en stortte bij Hem het verdriet van haar hart over ze uit. Jezus troostte Martha en zegde dat Magdalena zeker tot Hem zou komen en dat zij niet moe mochten worden om voor haar te bidden en haar te vermanen.

Om half twee kwam de H. Maagd met Joanna Chusa, met Lea, Maria Salome en Maria van Kleofas hier aan. De vooruitgaande gids meldde hun nabijheid en Martha, Serafia, Ma­ria Markus en Suzanna[van Jeruzalem] gingen met de nodige gereedschappen en enige verversingen naar dezelfde zaal, de ontvangstzaal, bij de ingang van de omringende gebouwen van het kasteel, om ze te ontvangen.

Hier had Lazarus Jezus gisteren ontvangen. Zij verwelkomden er de aanwezige vrouwen en wasten de voeten van de aangekomen heilige vrouwen. Ook wisselden deze van kleren, lieten hun voor de reis opgeschort kleed omlaag en namen ook andere sluiers aan. Bij allen waren de gewaden van witte, geelachtige of bruiner ongeverfde wol. Na een kleine verkwikking begaven zij zich naar Martha's woning.

Jezus en de mannen kwamen hen groeten en Jezus ging met de H. Maagd alleen en sprak met haar afzonderlijk. Hij zegde haar zeer liefdevol,maar zeer ernstig en dui­delijk dat zijn werk en loopbaan nu was begonnen en dat Hij nu naar de doop van Johannes ging. Van daar terugkerend zou Hij nog een korte tijd in de omstreken van Samaria met haar zijn ,maar dan zou Hij naar de woestijn gaan om er veertig dagen in gebed en vasten door te brengen.

Toen Maria van die woestijn hoorde,was zij zeer bedroefd en zij smeekte Hem met aandrang om toch in die verschrikkelijke plaats niet te gaan, waar Hij zo lang gebrek aan alles zou hebben en van honger en dorst bezwijken. Jezus antwoordde haar dat zij Hem voortaan uit menselijke bezorgdheid in zijn werk niet mocht ver­hinderen en dat Hij doen moest wat Hij deed. Dat Hij een grootse en zware onderneming begon en dat zij die met en voor Hem zijn, moeten lijden. Dat Hij nu de weg van zijn zending opging, dat zij nu van alle persoonlijke aanspraak op Hem moest afzien, maar dat Hij haar zou beminnen gelijk altijd, want dat Hij nu in de dienst van de gehele mensheid stond. Dat zij zou doen wat Hij zeggen zou en dat zijn hemelse Vader haar daar­voor zou belonen, nu toch begon de voorzegging in vervulling te gaan,die Simeon haar gedaan had in de tempel,te weten,dat een zwaard haar ziel zou doorboren, enz.

De H. Maagd was overmatig bedroefd en ernstig, maar ook sterk en gegrondvest in de overgave aan God, want in al zijn woorden was Jezus heilig en vol liefde.

Des avonds was er een groot gastmaal in het huis van Lazarus. De Farizeeër Simon en enige andere Farizeeërs waren er op uitgenodigd. De vrouwen aten in een aangrenzende plaats. Hoewel door een traliehek van de mannen gescheiden, konden zij de toespraak van Jezus horen. Hij handelde over het geloof, de hoop, de liefde en de gehoorzaamheid: die Hem wilden volgen, mochten niet meer omzien, maar moesten doen wat Hij voorhield en lijden wat hun overkwam. Hij zou hen niet verlaten. Hij sprak ook weer van de zware weg, die Hij nu begon en hoe ongenadig Hij vervolgd en mishandeld zou worden en hoe al zijn vrienden met Hem zouden lijden.

Allen aanhoorden Hem verbaasd en ontroerd. Wat Hij van zijn wreed lijden zegde, dit verstonden zij niet goed en namen het ook niet letterlijk op. Zij meenden dat dit een profetische manier van spreken was, niet woordelijk te verstaan. Ook was Jezus' woord hier voor de Farizeeërs niet aanstotelijk, hoewel zij meer achterdochtig en minder goed gesteld waren. Overigens leerde Jezus hier op een zeer gematigde wijze.

Na de maaltijd van gisterenavond nam Jezus enige rust en nog in de nacht begaf Hij zich met Lazarus op weg naar zijn doop.

Gisteren hadden Lazarus'vrienden: Nikodemus, Simeons zoon, Johannes Markus slechts weinig met Jezus gesproken, doch onder elkander waren zij in een voortdurende bewondering van zijn voorkomen, zijn wijsheid, goedheid, menselijke en zelfs lichamelijke hoedanigheden geweest en telkens als Hij afwezig was of zij achter Hem wandelden, hadden zij elkander hun indrukken medegedeeld: "Welk een mens. Nooit is er zulk een geweest of zal er ooit zulk een verschijnen. Hoe ernstig, hoe zachtmoedig, hoe wijs, hoe alles doordringend, hoe eenvoudig! Maar ik versta Hem niet volkomen en toch moet ik geloven wat Hij zegt! Men kan Hem niet in het aangezicht zien, want het is als leest Hij ieders gedachten! Welke gestalte! Welke majestueuze verschijning! Welke vlugge, flinke stap, die nochtans geen lopen is. Wie kan er gaan gelijk Hij! Wie zo vlug!? Onvermoeid komt Hij aan en vertrekt weer op zijn uur! Welk een man is Hij geworden!"

Ook diepten zij herinneringen op uit zijn kindsheid en spraken van zijn optreden en leren in de tempel. Ja, ter sprake kwamen de gevaren die Hij, naar zij vernomen hadden, op zijn eerste reis getrotseerd had te water [op de Dode Zee] om schippers te helpen. Maar niemand vermoedde dat zij bezig waren met van de Zoon van God te spreken. Voor hen was Hij ver boven alle mensen verheven. Zij waren voor Hem vol eerbied en ontzag, zonder dat nochtans de gedachte bij hen opkwam dat Hij meer dan een buitengewoon mens was.

Obed van Jerusalem was een bejaard man en een broerzoon van de man der oude profetes Hanna uit de tempel. Hij was een van de zogenaamde oudsten van de tempel, in het Sanhedrin. Hij was een diep godvruchtig man en een geheime leerling van Jezus. Ook heeft hij tot aan zijn dood de gemeente geholpen.

Over Suzanna heb ik veel gezien en veel daarvan onthouden. Juist voor Maria heeft zij haar opvoeding in de tempel ontvangen. Zij is rijk en naar het bloed aan de H. Familie verwant, want zij is een natuurlijke dochter van een oudere broer van Jozef, die haar bij haar moeder won. Ook haar moeder was een onwettig kind en de vrucht van een gelijk echtelijk vergrijp. Een Perzische vorst, wiens familie na de laatste verovering van Jeruzalem in deze stad gebleven was [dus een afstammeling van die familie], won haar moeder buitenechtelijk bij een Jodin en liet de moeder en het kind in Jeruzalem een groot vermogen na.

Ik zag nu in mijn visioen hoe Suzanna's moeder met Kleofas, een oudere broer van Jozef, kennis maakte op een dansfeest en hoe Suzanna de vrucht van hun ongelukkige vere­niging was. Jozefs broer was toen rijk en leidde een werelds, lichtzinnig leven. Ik meen dat hij reeds in het huwelijk getreden was, maar zulke dingen worden beter niet voortverteld. Zijn geval is tamelijk geheim gebleven.

Suzanna werd in de tempel opgevoed en daarna uitgehuwelijkt aan een man met name Mattias, een verwant van de apostel Mattias en een openbaar functionaris. Suzanna bezat een groot huis aan de Westkant van een berg, niet ver van het grote huis van Lazarus. In andere taferelen uit haar leven zag ik ook het feest dat de aanleiding is geweest tot de val van haar moeder.

Behalve de dans van Herodias was dit de eerste dans [die ik bij de Joden gezien heb], in zover ik het mij herinner. Het was op het naamfeest van een voornaam man. Ik zag een grote zaal en aan beide einden voorname lieden op verhogen zitten. In het mid­den van de zaal dansten ongeveer twintig vrouwen en evenveel mannen, die tegenover elkander stonden. De bodem waarop zij dansten, was hol en met tapijten belegd. Er dansten steeds twee mannen en twee vrouwen, elkander kruisend. Boven de dansers hingen aan het plafond zeer vele lampen en wel in dezelfde rangschikking als de richtingen welke de dansers volgden. De dansende vrouwen waren eerbaar gekleed en hadden lange slepen, maar de klederen waren toch zó dat men de lijn van het lichaam te zeer bemerkte. De dans was niet huppelend en snel. Ook raakten ze elkander niet aan. Het was een bevallig wandelen heen en weer en voorbij elkander en men maakte daarbij allerhande expressieve gebaren en bewegingen. Er was veel gelegenheid om elkander te bezien en slechte gedachten te krijgen.

De muzikanten stonden ter zijde van de dansers, eveneens op verhogen, aan iedere zijde drie mannen met tussen hen knapen met fluiten. Ik herinner mij twee instrumenten: een grote, driehoekige kas, op de zijden met snaren bespannen, en ook een wonderbaar blaasinstrument, bestaande uit een dikke holle buis waarin geblazen werd en waaraan meerdere hoornen van verschil­lende grootte aangezet waren. Deze kon men, volgens de omstandigheden, opsteken of af­doen. Ze stonden onder elkander en waren om de hoofdbuis gekromd. Het instrument werd bij het aanbrengen of wegdragen uit elkaar gelegd.

's Morgens keerden de vrienden uit Jeruzalem, ook Suzanna, Maria Markus en Veronika naar de stad terug. Maria en de gebleven heilige vrouwen arbeidden tezamen. Ma­ria was nog zeer bedroefd over de woorden van Jezus tot haar. Zij vertelde vele be­wijzen van de wonderbare wijsheid en deugd uit de kinder- en jeugdjaren van haar Zoon. Zij legden te Betanië ook ziekenbezoeken af en bezorgden aan de noodlijdenden allerlei troost en verkwikking. Zij zullen samen naar Jeruzalem gaan.


» Reageer (0)
05-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich. Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 1.2
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 1.2: Vanaf de dood van de H. Jozef tot het doopsel van Jezus in de Jordaan

Jezus in een tollenaarsplaats

Op 3 september ging Jezus uit Jizreël weg en, na zich een tijdlang naar het oosten gewend te hebben, richtte Hij zich om de berg die tussen Jizreël en Nazareth ligt, naar het noorden, naar de kant van Nazareth toe. Twee uren van Jizreël vertoefde Hij in een rij huizen die zich aan de beide zijden van een heerbaan bevonden. Hier woonden louter tollenaars, afgezien van enige arme Joden die een weinig ter zijde van de weg in tenten woonden. De weg was aan beide zijden van de woningen van de tollenaars met een traliehek afgetuind en bij zijn ingang en einde afgesloten? Hier woonden rijke tollenaars die vele tollen in het land in huur hadden en deze aan on­dertollenaren verder verpachtten. Zulk een ondertollenaar was Matteüs, maar op een andere plaats. Hier had eertijds Maria [Mara], een dochter van een zuster van Elisabeth gewoond. Ik meen dat zij, eenmaal weduwe geworden, in Nazareth en daarna naar Kafarnaüm was gaan wonen. Het was dezelfde die ik bij Maria's dood tegenwoordig gezien heb.

De karavaanweg van Syrië, Arabië en Sidon naar Egypte liep door deze plaats. [Versta zo: één der karavaanwegen uit Syrië en Arabië liep door deze plaats en kwam uit op de karavaanweg die van Sidon langs de kust naar Egypte leidde]. Hier kwamen op kamelen en [grote] ezels enorme balen witte zijde toe in bundels als vlas, ook fijne, witte, veelkleurige stoffen, ook grove, dikke, gevlochten en lange banen tapijtstoffen en ook nog kruidenierswaren. Nadat de kamelen binnen de aftuining gekomen waren, werd deze gesloten. De kooplieden moesten ontladen en uitpakken en alles werd onderzocht. De tol werd deels in koopwaren, deels in geld betaald. Dit waren meest drie- of vierhoekige gele, witte of roodachtige muntstukken met een beeldenaar, die aan de ene zijde ingedrukt en aan de andere kant verheven was. Er bestonden ook nog andere munten. Op sommige zag ik kleine torens, een jonkvrouw en ook een kindje in een scheepje. Kleine gewassen goudstaafjes, zoals er door de koningen aan Jezus in de kribbe geofferd waren, zag ik sedertdien niet meer, tenzij bij enige vreemdelingen die tot Johannes de Doper kwamen.

De tollenaars vormden een soort genootschap van samenzweerders. Wanneer een van hen meer dan de andere van de mensen afgeperst had, deelden zij dit toch onder elkaar. Zij waren welgesteld en leefden in weelde. Hun huizen waren met voorhoven, tuinen en muren omringd. Zij kwamen mij voor als rijke boeren bij ons in hun woningen. Zij leefden onder elkaar op hun eigen en niemand had betrekking met hen. Zij hadden daar een school en een leraar. Zij onthaalden Jezus en zijn gezelschap vriendelijk.

Ik zag verscheidene vrouwen hier aankomen, waaronder ook, naar ik meen, de vrouw van Petrus. Nadat een van hen met Jezus gesproken had, reisden zij weer af. Misschien kwamen zij van, of gingen zij naar Nazareth en brachten zij Jezus een boodschap voor Jezus' moeder. Jezus was beurtelings bij de een of ander tollenaar en voerde het woord in hun school. Hij verweet hen in 't bijzonder dat zij niet zelden meer dan de rechtmatige tol van de reizigers afpersten [cfr Lk.3,13]. Zij schaamden zich tot achter hun oren en konden niet begrijpen hoe Hij dat wist. Zij waren ootmoediger en namen zijn leer geredelijker aan dan de overige Joden. Hij wekte hen op tot de doop.

Op woensdag 5 september verliet Jezus de tollenaarsplaats na een redevoering die de gehele nacht geduurd had. Velen van hen wilden Hem geschenken geven, maar Hij wees ze af. Velen gingen ook met Hem mee. Zij wilden Hem volgen naar de doop.

Hij trok heden door het gewest van Dotaïn [dorp Toeran] en voorbij het krankzinni­gengesticht, waar Hij, op zijn eerste reis van Nazareth de razenden en bezetenen tot rust gebracht had. Terwijl Hij voorbijging riepen ze luidop zijn naam en wilden ze met geweld naar buiten. Jezus verzocht de opzichters hen buiten te laten en stelde zich borg voor de gevolgen ervan. Zij werden in vrijheid gesteld en allen waren bedaard, bevrijd en volgden Hem.

Hij kwam ‘s avonds te Kislot aan, een stad [een uur ten westen van] bij de berg Tabor gelegen. Daar woonden overwegend Farizeeërs. Zij hadden van Hem gehoord en namen er aanstoot aan dat Hij bij de tollenaars geweest was en zich zelfs hier van hen liet vergezellen. Zij hielden hen immers voor wetsovertreders. Zij namen het Hem ook kwalijk dat Hij zich liet vergezellen van beruchte bezetenen en nog meer [verdacht] volk. Hij trad in de school en sprak over de doop van Johannes. In zijn toespraak richtte Hij zich ook tot zijn gezellen. Zij moesten, alvorens verder te volgen, zich toch ernstig bezinnen en zichzelf grondig nagaan of zij ook vast besloten waren hun voornemen [tegen elke prijs] uit te voeren. Zij mochten zich niet inbeelden dat zijn pad gemakkelijk te begaan was en hierbij vertelde Hij hun meerdere parabelen als voorbeeld. Als iemand zich ergens een huis wilde bouwen, moest hij eerst onderzoe­ken of de bezitter van de grond hem daar dulden zou. Aldus moest hij zich eerst [van alle zonden] zuiveren en boete doen [en zich laten dopen]. En als iemand een toren wil­de bouwen,moest hij eerst de onkosten berekenen [cfr Lc. 14: 25-35]. Hij hield ook ve­le waarheden voor, die geenszins in de smaak van de Farizeeërs vielen. Zij luisterden zelfs niet [om de waarheid te vernemen], doch beleerden Hem slechts [om Hem op valse leer te betrappen] en ik zag hen onder elkaar overeenkomen om Hem een gastmaal aan te bieden: dit zou hun een geschikter gelegenheid bieden om Hem in zijn woorden te vangen.

Zij richtten nu in de zaal van een openbaar feesthuis een gastmaal aan. Er stonden drie tafels naast elkaar. Rechts en links brandden lampen. Aan de middelste tafel, waaraan Jezus, enige der leerlingen en de Farizeeërs plaats namen, was het gebruikelij­ke luik in het dak geopend. Aan beide zijtafelen zaten de gezellen van Jezus.

Jezus te Kislot-Tabor

Maar het zal in de stad een oud recht en gebruik zijn geweest dat, wanneer voor een vreemde een maaltijd aangericht werd, de armen er op uitgenodigd werden. Deze waren talrijk aanwezig in de stad, maar werden er geheel vergeten en verwaarloosd.

Zodra Jezus nu aan tafel plaats had genomen, vroeg Hij aan de Farizeeërs waar de armen waren en of het misschien niet hun recht was aan het gastmaal hier deel te nemen. De Farizeeërs waren verlegen en antwoordden dat die gewoonte sedert lang in onbruik geraakt was. Dan zond Jezus zijn leerlingen Arastaria, Cocharia, die zonen van Maraha waren, en Kolaja, een zoon van de weduwe Saba [Sobe], in de stad om de armen te roepen en ze hier bijeen te brengen.

Dit verbitterde zeer de Farizeeërs en verwekte opschudding in de reeds rustende stad. Vele armen waren al gaan slapen. Ik zag de leerlingen de mensen uit hun bed roepen en ik was getuige van plezierige tonelen in hutten en hoeken, van mensen die hun klederen aanschoten. Spoedig kwamen de geroepenen aan. Jezus en de leerlingen ontvingen en bedienden hen en Jezus richtte een zeer troostbare toespraak tot hen. De Farizeeërs waren verbitterd, maar vermochten niets tegen Jezus, daar Hij in zijn recht was en al het volk zich daarover verheugde. De stad stond in rep en roer.

Nadat die mensen goed gegeten hadden, mochten zij allen nog iets naar huis meenemen voor de hunnen. Jezus had hun spijzen gezegend, samen met hen gebeden en hen aangemaand om de doop van Johannes te gaan ontvangen. Nu wou Hij niet langer in de stad meer blijven. Hij verliet haar met de zijnen op 6 september, tijdens de nacht. Uit zijn gezelschap echter trokken zich meerderen terug, de enen door zijn waarschuwing ontmoedigd, de anderen om zich gereed te maken om naar de doop van Joannes te trekken.

Jezus in het herdersdorp Kimki

Jezus ging in de nacht van de zesde op de zevende september door twee dalen. Ik zag Hem menigmaal onderweg zijn gezellen toespreken en ook soms achterblijven om knielend tot God bidden om daarna zijn stap te verhaasten om hen in te halen.

In de namiddag van de zevende zag ik Jezus bij een verspreid herdersdorp, Kimki genaamd, aankomen. [De naam Kimki heeft A.C. Emmerich zich eerst later herinnerd]. Er was daar een school, doch geen enkele priester. Deze moesten van een andere, nog al ver afgelegen stad komen. De school was gesloten. Jezus verzamelde en onderwees de herders in de zaal van een herberg. De sab­bat naderde. Tegen de avond kwamen er priesters die Farizeeërs waren. Onder hen waren er uit Nazareth. In zijn leerrede handelde Jezus over de doop en de nabijheid van de Messias. De Farizeeërs waren zeer tegen Hem ingenomen, wierpen Hem zijn lage afkomst voor en kleineerden Hem. Jezus overnachtte hier.

Jezus illustreerde ook hier zijn onderricht met meerdere parabelen. Hij liet een mosterdzaadje brengen en dan sprak Hij daarover diepzinnig en zei onder meer: "Indien gij een geloof had, ook maar zo groot als dit mosterdzaadje, dan zoudt gij die perenboom daar in de zee kunnen verplaatsen" [cfr Mt. 21:21]. Er stond daar een grote perenboom, vol vruchten. De Farizeeërs bespotten Hem en vonden zijn leer kinderachtig,doch Jezus verklaarde die nader, maar helaas ... ik ben zijn uitleg vergeten. Ook vertelde Jezus nog de parabel van de onrechtvaardige huishouder [Lc.16:1-9].

Op geheel zijn tocht in deze dagen werd Jezus bewonderd door de lieden. Zij verklaarden dat de nieuw verschenen leraar in woord en daad, door zijn prediking en han­delwijze een treffende gelijkenis vertoonde met de laatste profeten,over wie zij hun voorouders hadden horen spreken, maar dat deze nog veel menslievender was.

Op geheel zijn tocht in deze dagen werd Jezus bewonderd door de lieden. Zij verklaarden dat de nieuw verschenen leraar in woord en daad, door zijn prediking en handelwijze een treffende gelijkenis vertoonde met de laatste profeten,over wie zij hun voorouders hadden horen spreken, maar dat deze nog veel menslievender was.

9 september. Jezus was nog in het herdersdorp, waar Hij gisteren de sabbat gevierd had. Men kon van daar het gebergte van Nazareth zien [dit zijn de heuvelen die het omringen, vooral de zuidelijke bergtoppen van de zogenaamde afstorting Qafzeh]. Het kan er niet meer dan twee uren van verwijderd liggen Het dorp ligt geheel verspreid. Alleen om de synagoge staan enige huizen in groep. Het heeft een naam bijna als een hebreeuwse mansnaam, maar ik ben hem vergeten. Jezus had hier bij arme mensen zijn intrek genomen. De huisvrouw lag met waterzucht te bed. Jezus genas haar uit medelijden. Hij legde zijn hand op haar hoofd en wangen en zij stond ge­nezen op en diende aan tafel. Hij verbood haar daarvan te spreken, zolang Hij niet van zijn doop teruggekeerd was, maar zij vroeg waarom zij het integendeel niet overal bekend mocht maken. Hij antwoordde: "Indien gij het ergens verkondigen wilt, zult gij de spraak verliezen." Hierop werd zij stom tot Hij van de doop zou teruggekeerd zijn en dit kan nu nog wel 14 dagen duren, want ik meen Hem te Betulië of te Jizreël van drie weken te hebben horen spreken.

Op de negende sprak Jezus hier in de synagoge. De Farizeeën waren Hem zeer vijandig. Het handelde over de nabijheid van de Messias. Hij betoogde: "Gij verwacht Hem in wereldse heerlijkheid, maar Hij is reeds gekomen. Hij zal arm verschijnen, maar de waarheid brengen. Hij zal meer kritiek dan lof verwerven, want Hij wil de gerechtigheid. Laat u echter niet van Hem scheiden, opdat gij niet verloren gaat, zoals de tijdgenoten van Noach. Men spotte met deze aartsvader terwijl hij moeizaam de Ark bouwde die hen uit de zondvloed moest redden. Allen die hem niet bespot hebben zijn in de Ark gegaan en behouden gebleven."

Zich hierna tot zijn leerlingen alleen wendend, vervolgde Hij: "Scheid u niet van Mij af, gelijk Lot die zich van Abraham scheidde en die op zoek naar betere weiden, te Sodoma en Gomorra belandde, die tot het vuur veroordeeld waren. En kijkt niet om naar de pracht en de rijkdom van de wereld, die door het vuur van de hemel verteerd wordt, opdat ook gij niet in zoutzuilen verandert, gelijk de vrouw van Lot. Blijf bij Mij in al uw angsten en Ik zal u helpen." Door deze en dergelijke woorden wekte Jezus hen op tot moed en vertrouwen en volharding.

Dit maakte de Farizeeërs nog kwader en zij zeiden: "Wat belooft Hij hun, terwijl Hijzelf toch niets bezit. Zijt Gij niet de Zoon van Jozef en Maria van Nazareth?" Jezus gaf hun hierop slechts een algemeen antwoord: "Degene wiens Zoon Ik ben, zal het verkondigen!" [Straks bij mijn doopsel!].

Toen zegden zij Hem: "Hoe spreekt Gij van de Messias, hier en overal waar Gij gepredikt hebt en wij U nagegaan hebben? Gij schijnt te geloven dat wij menen dat Gij u voor de Messias uitgeeft!" Hierop wedervoer Jezus: "Mijn antwoord op uw veronderstelling luidt bevestigend, ja, gij meent het!" Er ontstond nu een groot gewoel in de synagoge: de Farizeeërs doofden de lampen uit en de leerlingen verlieten laat in de avond het dorp en gingen in de nacht verder op de grote weg naar Nazareth toe. Onder een boom bij de weg zag ik hen slapen.

Gisterenavond verliet Jezus het herdersdorp en sliep met zijn gezelschap onder een boom bij de weg. Heden, maandag, tien september, zag ik dat vele mensen die zich daar aan de weg gelegerd en op Hem gewacht hadden en Hem nu zagen komen, zich bij Hem voegden. Zij waren in het vorige dorp niet bij Hem geweest, maar gedeeltelijk vooruit getrokken. Ik zag Hem met hen van de weg afwijken en om 3 uur in de namiddag zag ik Hem weerom tot een herdersveld naderen. Er stonden daar slechts enige lichte hutten waarin tijdens de weitijd herders verbleven [wij veronderstellen dat de­ze plaats een half uur ten zuidoosten van Nazareth is gelegen]. Hier waren geen vrouwen. De herders gingen Hem allen tegemoet. Zij zullen van vroegere voorbijgangers zijn aankomst vernomen hebben. Terwijl een deel Hem verder tegemoet trok, slachtten ze de overige vogels en legden ze een vuurtje aan om een maaltijd te bereiden. Dit geschiedde onder het afdak van een landelijke herberg. In die plaats was de vuurhaard door een muur afgesloten. Er was een graszoden bank. De leuning ervan was gevlochten van levend groen. Zij leidden de Heer en zijn gezelschap daarbinnen.

Zich hierna tot zijn leerlingen alleen wendend, vervolgde Hij: "Scheid u niet van Mij af, gelijk Lot die zich van Abraham scheidde en die op zoek naar betere weiden, te Sodoma en Gomorra belandde, die tot het vuur veroordeeld waren. En kijk niet om naar de pracht en de rijkdom van de wereld, die door het vuur van de hemel verteerd wordt, opdat ook gij niet in zoutzuilen verandert, gelijk de vrouw van Lot. Blijf bij Mij in al uw angsten en Ik zal u helpen." Door deze en dergelijke woorden wekte Jezus hen op tot moed en vertrouwen en volharding.

Dit maakte de Farizeeërs nog kwader en zij zeiden: "Wat belooft Hij hun, terwijl Hijzelf toch niets bezit. Zijt Gij niet de Zoon van Jozef en Maria van Nazareth?" Jezus gaf hun hierop slechts een algemeen antwoord: "Degene wiens Zoon Ik ben, zal het verkondigen!" [Straks bij mijn doopsel!].

Toen zegden zij Hem: "Hoe spreekt Gij van de Messias, hier en overal waar Gij gepredikt hebt en wij U nagegaan hebben? Gij schijnt te geloven dat wij menen dat Gij u voor de Messias uitgeeft!" Hierop wedervoer Jezus: "Mijn antwoord op uw veronderstelling luidt bevestigend, ja, gij meent het!" Er ontstond nu een groot gewoel in de synagoge: de Farizeeërs doofden de lampen uit en de leerlingen verlieten laat in de avond het dorp en gingen in de nacht verder op de grote weg naar Nazareth toe. Onder een boom bij de weg zag ik hen slapen.

Gisterenavond verliet Jezus het herdersdorp en sliep met zijn gezelschap onder een boom bij de weg. Heden, maandag, tien september, zag ik dat vele mensen die zich daar aan de weg gelegerd en op Hem gewacht hadden en Hem nu zagen komen, zich bij Hem voegden. Zij waren in het vorige dorp niet bij Hem geweest, maar gedeeltelijk vooruit getrokken. Ik zag Hem met hen van de weg afwijken en om drie uur in de namiddag zag ik Hem weerom tot een herdersveld naderen. Er stonden daar slechts enige lichte hutten waarin tijdens de weitijd herders verbleven [wij veronderstellen dat deze plaats een halfuur ten zuidoosten van Nazareth is gelegen]. Hier waren geen vrouwen. De herders gingen Hem allen tegemoet. Zij zullen van vroegere voorbijgangers zijn aankomst vernomen hebben. Terwijl een deel Hem verder tegemoet trok, slachtten ze de overige vogels en legden ze een vuurtje aan om een maaltijd te bereiden. Dit geschiedde onder het afdak van een landelijke herberg. In die plaats was de vuurhaard door een muur afgesloten. Er was een graszoden bank. De leuning ervan was gevlochten van levend groen. Zij leidden de Heer en zijn gezelschap daarbinnen.

Er waren wel een twintigtal mensen en er konden eindelijk niet minder herders zijn, nadat zij allen waren samengekomen. Zij wasten hun allen de voeten, doch die van Jezus in een afzonderlijk bekken. Hij had om wat meer water gevraagd en na het gebruik verbood Hij hun om het uit te gieten.

Terwijl men zich voor het eetmaal gereedmaakte, vroeg Jezus de herders, die een zekere onrust verrieden, wat hen beangstigde en of niet enkelen van hen hier ontbraken? Dan bekenden die herders Hem dat zij niet volkomen gerust waren omdat zij twee mannen onder zich verborgen hielden die te bed lagen met de melaatsheid. Zij hadden gevreesd dat het de onreine melaatsheid mocht zijn, die Jezus wellicht verhinderd zou hebben om tot hen te komen: om deze reden was het dat zij hen verborgen hadden.

Jezus echter beval hen die mannen tot zich te brengen en Hij zond zijn leerlingen om hen te halen. Die melaatsen kwamen aangestrompeld, van het hoofd tot de voeten in doeken gewikkeld, zodat zij nauwelijks konden gaan en ieder van hen door twee anderen geleid moest worden.

Jezus richtte een vermaning tot hen, waarin Hij ondermeer zei dat hun melaatsheid niet uit hun binnenste voortgekomen, maar door uitwendige oorzaken of door besmetting ontstaan was. Ik begreep dat Jezus beeldtaal gebruikte en wilde zeggen dat zij niet uit boosheid, maar uit zwakheid en door bekoring in zonde gevallen waren. Hij beval dat men hen in het water zou wassen waarin men zijn voeten had gewassen. Terwijl dit geschiedde, zag ik dat de korsten van hun lichaam afvielen en dat er alleen wondvlekken overbleven. Het water werd daarna in een groef uitgegoten en met aarde bedekt. De ene was uit het gewest van Samaria, de andere van ...

Jezus verbood allen zeer streng aan iemand iets van hun genezing te zeggen en dit tot Hij van de doop teruggekeerd zou zijn. Hij hield nog een leerrede over Johannes en de doop en de nabijheid van de Messias. Toen vroegen zij naïef wie zij dan volgen moesten: Hem, Jezus, of Johannes, wie dan de grootste was? Hij zette het hun uiteen en zei: "De grootste is die dienend zich het diepste verootmoedigt, die zich in liefde onder allen stelt: hij is de grootste. Hij wekte hen ook op om nu naar de doop van Johannes te gaan.

Ook legde Jezus er nog de nadruk op welk een moeilijke onderneming het was Hem te volgen. Nu zond Hij allen uit zijn gevolg naar elders, behalve de vijf leerlingen. De overigen moesten naar een stad in de woestijn, niet ver van Jericho gaan, ik meen in het gewest Ofra. In dit gewest had Joachim weiden gehad.

Een deel van die gezellen verliet Hem geheel, een ander deel ging recht naar Johannes en een derde deel begaf zich eerst naar huis om zich klaar te maken voor de doop. Jezus van zijn kant ging met de vijf leerlingen laat naar Nazareth, dat ten hoogste een uurtje van hier verwijderd was. Zij traden niet in de stad,doch benaderden haar van de kant van de poort, waardoor de weg oostwaarts naar het Meer van Galilea loopt.

Nazareth had vijf poorten. Een klein kwartier van de stad zelf was hier de berg, de "nebi Sa'in," met aan de overzijde de steile rand waarvan destijds mensen werden neer­gestort en waarvan men later ook Jezus eens wilde neerstorten. Aan de voet van die berg lagen enige hutten van Essenen. Jezus beval de vijf leerlingen, ieder voor zich, in die hutten om nachtverblijf te gaan vragen. Hijzelf ging ook in één daarvan om te slapen. Zij kregen er water om hun voeten te wassen, een stuk brood en een slaapvertrekje. Hier verliet ik hen, de tiende ’s avonds.

Een buitengoed van Anna lag aan de oostkant van Nazareth [12 km ten oosten van Nazareth en 4 ten noorden van Endor en Kimki]. De herders hadden ook brood onder de asse gebakken. Zij hadden een niet ommuurde waterput gegraven.

Jezus bij de Essenen

11 september. Zoals ik reeds zei, zag ik Jezus tegen de avond van de tiende voor Nazareth aankomen. Het dal, waarlangs Hij in de nacht vanaf Kislot-Tabor gekomen was, heette Aedron en het herdersveld met de synagoge aan een berghoogte, waar de Farizeeën uit Nazareth Hem zo versmaad hadden, heette Kimki [Een naam, Aedhra-Aedhron, vindt men hedendaags nog, hoewel elders,op de kaart, namelijk de wadi Aedhra, zestien kilometer ten noordoosten van Sikeai].

De mensen [twintig in aantal] bij wie Jezus en de vijf leerlingen hun intrek, voor hun tocht naar Nazareth genomen hadden, waren Essenen en vrienden van de Heilige Familie. Zij woonden hier in gewelven van oud, verbrokkeld muurwerk. Het waren mannen en vijf of zes vrouwen, die hier ongehuwd en ge­scheiden van elkander leefden. Zij hadden kleine tuinen, droegen lange witte klederen en de vrouwen droegen mantels.

Zij hadden eertijds in het dal Zabulon gewoond, bij het kasteel van Herodes, maar zij waren uit vriendschap met de Heilige Familie naar hier komen wonen. Die, waarbij Jezus een onderkomen zocht, heette Eliud. Het was een eerbiedwaardige grijsaard met een zeer lange baard. Hij was een weduwnaar en werd in zijn oude dag door zijn dochter verzorgd. Hij was een zoon van een broeder van Zacharias [van Hebron]. Deze kluizenaars leefden hier rustig, bezochten de synagoge te Nazareth en waren de Heilige Familie zeer genegen. Ook had men hen, bij Maria's verhuizing naar Kafarnaüm, de bewaking van het huis toevertrouwd.

's Morgens begaven Jezus' vijf leerlingen zich naar Nazareth om hun verwanten en be­kenden en de school te bezoeken, maar Jezus bleef bij Eliud. Hij bad met hem en onderhield zich zeer vertrouwelijk met hem. Deze eenvoudige, deugdzame man was in vele geheimen ingewijd. In het huis van Maria waren, benevens zijzelf en vier vrouwen: haar nichtje Maria van Kleofas, Johanna Chusa, de nicht van de tempelprofetes Hanna, een verwante van Simeon, Maria, de moeder van Johannes Marcus en de weduwe Lea. Veronica was er niet meer, net zoals de vrouw van Petrus, die ik onlangs in de tollenaarsplaats had gezien.

‘s Morgens zag ik de Heilige Maagd en Maria van Kleofas tot bij Jezus komen. Hij bood zijn Moeder de hand. Zijn handelwijze jegens haar was vol liefde, maar tegelijk zeer ernstig en kalm. Maria was vol bezorgdheid en smeekte Hem om toch niet naar Nazareth te gaan, omdat men daar zo kwaad op Hem was. De Farizeeërs uit Nazareth, die in de synagoge te Kimki ge­tuige van zijn leerrede geweest waren, hadden onlangs de verbittering hier weer doen oplaaien. Jezus zei haar dat Hij de schare, die met Hem naar de doop van Johannes wilde gaan, hier zou opwachten en dat Hij dan door Nazareth zou gaan. Hij sprak nog veel met haar op deze dag en ook is zij heden nog twee of drie keren tot Hem teruggekeerd. Ook zei Hij haar dat Hij driemaal voor het paasfeest naar Jeruzalem zou gaan en dat zij de laatste maal daar erg bedroefd zou zijn. Hij maakte haar nog meer geheimen bekend, maar deze ben in nu vergeten.

Maria van Kleofas, een mooie, imponerende vrouw, sprak 's morgens met Jezus over haar vijf zonen. Zij bad Hem ootmoedig om hen in zijn dienst te ne­men. Een was een schrijver, een soort scheidsman en heette Simon. Twee waren vissers: Jacobus de Mindere en Judas Taddeüs. Alle drie waren zij zonen van haar eerste man Alfeüs, die reeds getrouwd was geweest en haar uit zijn eerste huwelijk de stiefzoon Matteüs, de evangelist, had toegebracht [Mc. 2:14]. Om deze weende zij hevig omdat hij een tollenaar was. Dan had zij van haar tweede man Sabas nog een zoon, die Joses-Barsabas heette en ook het vissersbedrijf uitoefende. Ten slotte had zij nog een zoontje, Simeon, uit haar derde huwelijk met de visser Jonas.

Jezus gaf haar het troostbare vooruitzicht dat zij tot Hem zouden komen, ook om­trent Matteüs, met wie Jezus al op zijn tweede reis naar Sidon in aanraking gekomen was, gaf Jezus haar hoop door haar te zeggen dat hij nog wel een uitblinker onder de besten zou worden.

In de namiddag zag ik nu de Heilige Maagd met enige verwante vriendinnen van Nazareth naar haar woning te Kafarnaüm terugreizen. Er waren knechten met ezels van daar geko­men om haar af te halen. Zij namen nog menige huisraad mede die de laatste keer nog te Nazareth achtergebleven was: allerlei deksels, pakken en ook vaatwerk. Dit alles, in­gepakt in kisten van brede bastrepen en in gevlochten korven van boomschors, werd aan de flanken der ezels gehangen.

Het huis van Maria te Nazareth had in haar afwezigheid tot nog toe er zo sierlijk uitgezien als een kapel. De haard geleek treffend op een altaar. Er was een kast boven geplaatst en hierop stond een pot met levend groen. In 't vervolg zal haar huis door Essenen worden bewoond.

Gesprek met de Esseen Eliud

De gehele dag zag ik Jezus in een zeer vertrouwelijk gesprek met Eliud. Veel daarvan heb ik gehoord, wat ik helaas niet meer zal kunnen weergeven.

Eliud ondervroeg Hem over zijn zending en Jezus legde de grijsaard alles uit. Hij verklaarde Hem ondubbelzinnig dat Hij de Messias was en Hij weidde uit over de gehe­le linie van zijn menselijke afstamming en over het geheim van de Ark des Verbonds. Uit zijn woorden vernam ik dat deze geheimenis reeds vóór de zondvloed in de Ark van Noach gekomen was en hoe ze van geslacht tot geslacht werd door­gegeven, en van tijd tot tijd ontnomen en dan weer teruggeschonken werd. Vooral liet Hij uitkomen dat Maria in haar geboorte de Verbondsark van die geheimenis of zegen geworden was.

Daar tussenin legde Eliud Hem dikwijls allerlei schriftrollen voor en wees daarin op passages van profeten en dan verklaarde Jezus hem die. Toen nu Eliud eens vroeg waarom Hij dan niet vroeger gekomen was, antwoordde Jezus hem dat Hij slechts uit een vrouw geboren kon worden welke op die wijze ontvangen was, zoals de mensen zonder de zondeval zouden ontvangen geworden zijn en dat geen huwelijkspaar sedert onze eerste ouders beiderzijds zo rein daartoe geweest was als Anna en Joachim.

Hij zette hem dit alles uiteen en toonde hem aan welke beletselen de zaligheid weerhouden en vertraagd hadden. Ik vernam uit die gesprekken veel van de geschiedenis van de Verbondsark. Wanneer ze in de handen van de vijanden viel, was die geheimenis of zegen er door priesters uit genomen, zoals bij elk gevaar. En toch bleef de Ark zo heilig dat de vijanden voor haar schending en ontheiliging gestraft werden en gedwongen waren die terug te geven [Sam. 4:5-6]. Ik zag ook dat een geslacht dat Mozes aangesteld had om ze te bewaren, tot in Herodes' tijd heeft bestaan. Nadat Jeremias de Verbondsark met andere heilige voorwerpen, vóór de babylonische gevangenschap, op de berg Sinaï in de schoot der aarde had doen verbergen [ll Makk. 2:4-8],werd ze niet meer teruggevonden, maar het heilig geheim was er niet in. Later werd een nabootsing vervaardigd, doch hierin was niet meer alles aanwezig, zoals vroeger: de staf van Aaron, ook een deel van de heilige geheimenis waren bij de Essenen op de berg Horeb. Het sacrament van de zegen was er [gedeeltelijk] in teruggebracht, doch ik weet niet meer door welke priester. In de latere vijver Bethesda was het heilig vuur bewaard geworden.

Zeer veel van wat Jezus aan Eliud ver­klaarde, werd mij in bijvisioenen getoond. Gedeeltelijk hoorde ik de woorden, maar ik kan me niet alles meer herinneren noch behoorlijk weergeven.

Hij zegde dat Hij uit de zegekiem, die God uit Adam vóór diens val wegnam, het vlees had aangenomen en dat die zegekiem vele geslachten had moeten doorlopen, op­dat gans Israël zich door die zegen [dank zij medewerking] verdienstelijk zou kunnen maken: dat die zegen dikwijls weerhouden was geweest doordat de vaten die hem bewaren en doorgeven moesten, verduisterd of bezoedeld geworden waren.

Ik zag dit alles werkelijk: ik zag alle voorouders van Jezus en hoe de aartsva­ders bij hun dood in een soort sacramentshandeling die zegen werkelijk aan de eerstgeborene overreikten, en hoe het stuk brood en de drank uit de beker die Abraham van de Engel ontvangen had, toen Hij hem Isaac beloofde, een voorafbeelding was van het Heilig Sacrament van het Nieuw Verbond en tevens een kracht [om mee te werken, bij te dragen] tot [het vormen en voortbrengen van] het toekomstige vlees en bloed van de Messias. Zo was die zegen de kiem, de toebereiding, de aanloop tot Jezus' hei­lige mensheid]. Ik zag hoe de geslachtslijn van Jezus dit sacrament of geheim ontving, om tot de menswording van God bij te dragen,en hoe Jezus dit van zijn voorou­ders ontvangen vlees en bloed weer tot een hoger sacrament instelde, om de vereni­ging van de mensen met God te bewerken.

Jezus sprak ook veel met Eliud over Joachims en Anna’s heiligheid. Ook van de bovennatuurlijke Ontvangenis van Maria onder de Gulden Poort, wat ik niet meer weet. Hij zei hem ook dat Hij niet uit Jozef ontvangen was, doch volgens het vlees uit Maria. Deze echter uit die reine zegen, die uit Adam genomen was voor zijn val in de zonde en die door Abraham, Isaac en Jacob op Jozef in Egypte en van Jozef in de Verbondsark en uit deze tot Joachim en Anna gekomen was.

Hij zei dat Hij, om de mensen te verlossen, in de ganse zwakheid van het men­selijk bestaan gezonden was. Dat Hij alles voelde en ondervond zoals een louter mens en dat Hij op de Calvarieberg, waar de eerste mens begraven ligt, verheven zou worden, zoals de slang van Mozes in de woestijn [Num. 21:8]. Hij zei hoe wreed en smartelijk het Hem zou vergaan, hoe on­dankbaar de mensen zouden zijn.

Eliud ondervroeg Hem zeer eenvoudig en openhartig en hij verstond alles beter dan de apostelen in het begin: hij verstond alles meer naar de geest. Toch kon hij zich nog niet realiseren wat er uit dit alles zou worden, noch wat er op het punt stond te gebeuren. Hij vroeg Jezus daarom waar zijn Rijk dan zou zijn: in Jeruzalem, in Jericho of Engedi?

Jezus antwoordde dat zijn Rijk was waar Hij was en dat Hij geen uiterlijk [werelds] Rijk zou hebben. Ik hoorde heden en ook de volgende dag menige aanhaling uit de Heilige Schrift, waarvan de woorden de inwendige of geestelijke zin niet weergeven. Ook vele profetieën, waarvan de woorden en beelden te letterlijk en te materieel verstaan werden.

De ouderling keuvelde zo maar onbevangen en eenvoudig door. Hij vertelde Jezus veel over zijn moeder, alsof de Heer het niet wist en Jezus luisterde met alle liefde en belangstelling. Eliud vertelde over Joachim en Anna en over Anna's leven en dood. Hierbij kreeg ik in een nevenvisioen Anna's overlijden te aanschouwen. Jezus verklaarde dat geen vrouw kuiser was geweest dan Anna en dat zij na Joachims dood nog twee huwelijken had aangegaan, maar dat dit op Gods bevel was geschied, omdat het be­paalde getal vruchten uit deze stam vol gemaakt moest worden.

Eliud vertelde ook veel over de deugden van Maria in de tempel. Dit al­les zag ik ook in bijvisioenen. Ik zag dat haar meesteres Noëmi aan Lazarus verwant was en dat deze vrouw van zowat vijftig jaar en alle andere vrouwen die in de tempel dienden, tot het genootschap der Essenen behoorden. Ik zag dat Maria bij haar leerde breien en dat zij haar reeds als kind vergezelde en ter zijde stond, wanneer zij vaten en gereedschappen van het offerbloed reinigde of ook wanneer zij zekere gedeelten van het offervlees ontving, in delen sneed en toebereidde tot spijzen voor de tempeldienaressen en priesters, want deze werden gedeeltelijk daarmede onderhouden.

Later zag ik de Heilige Maagd dit alles zelf verrichten. Wanneer Zacharias voor zijn dienstwerk naar de tempel kwam, bezocht hij, naar ik zag, telkens Maria en ik zag dat ook Simeon haar kende. Alzo werd mij geheel Maria's vrome levenswandel en nederig dienstwerk in de tempel getoond, naargelang Eliud daarvan aan de Heer vertelde.

Het gesprek liep ook over de Ontvangenis van Christus en Eliud vertelde over het bezoek van Maria aan Elisabeth. Toen vernam ik opnieuw dat de Zaligmaker twee maanden na onze kerstfeestdatum ontvangen is, zoals ik het altijd gezien heb, en ik vernam ook iets over de verschuiving of latere viering van ons kerstfeest, maar dit ben ik vergeten.

Hij vertelde ook dat Maria bij haar nicht een bron gevonden had, wat mij ook in een bijkomend visioen getoond werd. Ik zag namelijk hoe de Heilige Maagd met Elisabeth, Zacharias en Jozef uit het huis van Zacharias, naar diens klein buitengoed gegaan waren, waar het water onbrak. Ik zag de Heilige Maagd alleen voor de tuin gaan met een stokje. Zij bad en zodra zij haar stok in de grond bewoog, borrelde er een watertje omhoog dat rond een kleine aardhoogte vloeide. Zacharias en Jozef kwamen zien en staken de hoogte met een schop weg. De aarde werd door een opborrelende waterkolk beroerd en er kwam een allerschoonste bron te voorschijn. Zacharias woonde een uur of vijf ten zuiden van Jerusalem, een weinig westelijker.

In zulk een vertrouwelijk gesprek, door gebeden afgewisseld, beschouwde ik Eliud en Jezus. Eliud vereerde Jezus. Hij bejegende Hem heel kinderlijk en vreugdig, zonder evenwel reeds te weten dat Jezus méér was dan een begenadigd, uitverkoren mens.

Eliuds dochter woonde niet in hetzelfde huis bij haar vader, doch in een eigen, afzonderlijk rotsgewelf. Afgezonderd van de mannen, woonden hier vijf of zes vrouwen samen. De Essenen, die de berg hier bewoonden, waren met zowat twintig in getal. Die mensen vereerden Eliud als hun opperhoofd en kwamen dagelijks voor het gebed bij hem samen. Jezus at met Eliud alleen. Zij gebruikten brood, vruchten, honing en vissen, doch zeer matig. De Essenen leefden hoofdzakelijk van de weefnijverheid en de tuinbouw.

De berg, aan de zuidoostelijke voet, waar de Essenen woonden, was de hoogste top van het gebergte [488 m], waarop Nazareth in de hoogte gebouwd was, doch van het dorp gescheiden door een dal, een kleine ravijn. Hij had aan de andere kant een steile helling of vertikale wand en was daar met groen en wijnstammen bewassen. Beneden aan de voet van die steile wand of val, waar de Farizeeën Jezus later wilden neerwerpen, lag allerlei narigheid: afval, puin, vuiligheid tot zelfs doodsknoken.

Maria's huis lag vooraan in de stad tegen een heuvel, zodanig dat delen van het huis, zoals de achterzijde, als gewelven in de schoot van de heuvel leidden, namelijk in een grot. Nochtans stak het platdak van het huis boven de heuvel uit en tegen deze heuvel lagen aan de overzijde nog andere woningen.

Maria keert naar Kafarnaüm terug

Maria en de vrouwen kwamen hedenavond in het gezelschap van Kolaja, de zoon van Lea, bij hun huis naast het dal van Kafarnaüm, de vlakte van Gennezareth, aan. De vriendinnen uit het gewest kwamen hun tegemoet. Het woonhuis van Maria bij Kafarnaüm behoorde toe aan een man uit Kafarnaüm, die niet zeer ver van daar in een groot huis woon­de. Die man heette Levi. De familie van Petrus had het van hem gepacht en aan de Heilige Familie in gebruik gegeven, want Petrus en Andreas kenden de Heilige Familie in het algemeen en door Johannes de Doper, van wie zij leerlingen waren.

Het huis had verscheidene bijgebouwen [zijvleugels met kamers rechts en links van het voorhof], waarin de leerlingen en bloedverwanten konden verblijven. Wegens de geschiktheid ervan scheen men het daarvoor gekozen te hebben.

Maria van Kleofas had haar jongetje Simeon, uit haar derde huwelijk, bij zich. Het was reeds een paar jaren oud. Ik meen dat ook zijn vader Jonas reeds overleden was. Nochtans ben ik daar nu niet zodanig zeker van, want ik zie een te grote menigte mensen door elkaar. Het is ondoenlijk om ze allemaal in het geheugen te houden.

In Jozefs timmerwinkel

Tegen de avond zag ik Jezus met Kliud, uit diens woning naar Nazareth gaan. Nog vóór de muren van de stad, waar Jozef zijn timmerwinkel had, woonden verscheidene goe­de, arme lieden die bekenden van Jozef waren. Meerdere van hun zonen waren jeugdmakkers van Jezus geweest. Eliud bracht Jezus bij die mensen en men bood de vereerde gas­ten een stuk droog brood en een teug fris water aan. Te Nazareth was het water bij­zonder goed. Ik zag Jezus te midden van deze mensen op de grond neerzitten en hen aansporen tot de doop van Johannes. Zij waren verlegen in Jezus' tegenwoordigheid. Vroeger hadden zij Hem wel als huns gelijke gekend, maar nu werd Hij door Eliud, die hun raadsman en vertrooster en daarom hoogst eerbiedwaardig in hun ogen was, op zulk een plechtige wijze bij hen ingeleid. Ja, hij maande hen ook aan tot de doop [als had Hij gezag]. Zij hadden wel van een Messias gehoord, maar konden zich niet indenken dat Hij dit kon zijn.

Wandelingen en gesprekken met Eliud

In de morgen van dertien september zag ik Jezus met Eliud uit Nazareth gaan. Zij gingen naar het zuiden op de Jeruzalemse weg. Men noemt de streek het dal Esdrelon. Na een weg van ongeveer twee uren gingen zij over de Kisonrivier en bereikten een dorp dat uit een synagoge, een herberg en slechts enige huizen bestond. Het is, meen ik, een voordorp of -wijk van het naburige Endor. Niet ver van hier is er een beroemde bron.

Jezus nam zijn intrek in de herberg. De inwoners waren hier koel gezind, zonder Jezus bepaald vijandig te zijn. Eliud genoot bij hen geen bijzondere achting, want zij hielden het meer met de Farizeeërs. Jezus zegde tot de Overste van de plaats dat Hij hier in de synagoge onderricht wilde geven. Zij antwoordden dat vreemden dit hier nooit kwamen doen, maar Hij verklaarde dat Hij opdracht daartoe had. Hierop trad Hij de school [synagoge of bijgebouw er van] binnen en sprak over de Messias, wiens Rijk niet van deze wereld is. De Messias zelf overigens zou nederig zijn en wars van wereldse pracht. Hij sprak van de doop van Johannes en wekte hen er toe op. De priesters van de synagoge waren Hem niet genegen. Hij liet zich hier schriftrollen geven. Hij sloeg ze open en las er allerhande profetieën uit voor, die Hij ook verklaarde.

Nogmaals ontroerde mij diep het vertrouwelijk gesprek van Jezus met de bejaarde Eliud, die zijn zending, zijn bovennatuurlijke oorsprong kende en geloofde en toch er geen vermoeden van scheen te hebben, dat Hij God zelf was. De man vertelde Jezus op een heel natuurlijke wijze, terwijl zij zijde aan zijde wandelden, tal van bijzonderheden uit Jezus' jeugd, die de profetes Hanna hem medegedeeld had en die zijzelf, na de terugkeer van de Heilige Familie uit Egypte, van Maria vernomen had, wanneer deze haar enige malen een bezoek te Jeruzalem bracht.

Jezus vertelde hem ook enige bijzonderheden die hij niet wist en Hij knoopte aan zijn verhalen allerlei diepzinnige beschouwingen en verklaringen vast. Het was een omgang, zo ongedwongen en eenvoudig als het gesprek van een minzame grijsaard met een teergeliefde jongeling. Naar gelang Eliud de feiten verhaalde, zag ik al die taferelen in bijvisioenen en ik was zeer gelukkig te kunnen vaststellen dat alles overeenstemde met hetgeen ik vroeger reeds gezien had, maar weer vergeten was. Ik heb zeer veel gezien en gehoord naar aanleiding van hun gesprek, maar helaas ... door storingen ben ik het meeste weer vergeten.

Jezus sprak ook met Eliud van zijn reis naar de doop. Hij had vele mensen bijeen doen komen en naar de woestijn bij Qfra gezonden. "Wat Mij betreft," zei Jezus, "Ik wil er alleen naartoe reizen. Ik zal de weg over Betanië nemen, omdat ik Lazarus daar moet spreken." Hij noemde hem bij een andere, een algemene naam, die ik vergeten ben. Hij sprak over Lazarus' vader, die iets geweest was in de oorlog. Hij zegde dat Lazarus en zijn zusters rijk waren, maar hun ganse bezit ten offer zouden brengen ten dienste van het heilswerk.

Lazarus had drie zusters: de oudste was Martha en de jongste Maria Magdalena en de middelste in leeftijd heette eveneens Maria, maar deze leefde in volkomen afzondering, was stil en schijnbaar krankzinnig en werd daarom de stille of zwijgzame Maria genoemd.

Over deze familie zei Jezus tot Eliud dat Martha goed en godvruchtig was en Hem met haar broer zou volgen. Over de vermeende krankzinnige zei Hij: "Zij heeft een grote geest, een scherp verstand, maar tot haar zaligheid is zij [voor het dagelijks gebruik] er van beroofd. Zij leeft steeds in beschouwing en is niet bestemd voor de wereld. Haar roeping is de beschouwing. Zij kent geen zonde. Indien Ik haar over de meest verborgen geheimen wilde spreken, zou zij het verstaan. Zij zal niet lang meer leven. Zij zal sterven wanneer Lazarus en zijn zusters zich definitief bij Mij aansluiten en al hun bezittingen voor de Gemeente ten beste zullen geven. De jongste zuster Maria is verdwaald, maar zij zal terugkeren en zich hoger verheffen dan Martha.

Reeds heeft de zienster, wanneer zij Jezus vroeger eens in de nabijheid van Magdalum zag, een visioen over Magdalena gehad en dit toen beschreven als volgt:

Kijk eens! Daar zie ik Magdalena op haar kasteel staan. Achter haar verschijnt een licht als een maan, doch voor haar is het als een zwarte berg die is het welke zij onder de voet moet krijgen. Dan is zij gered! Zij is onvruchtbaar want anders had het donkere in haar een groter uitbreiding gekregen. Het zou haar vastgehouden hebben aan de wereld. Doordat zij Jezus erkent en boete gedaan heeft, heeft zij vele kinderen gebaard naar de geest.

Zie daar ook de Moeder van God. Deze trapt de zwarte berg neer die vóór Magda­lena oprijst. Daar staat Magdalena nu geheel in het licht van de maan. Zij is helder geworden en op de maan staat de Moeder van God. De maan betekent zeer veel! Zij hangt met veel kwaad in ons tezamen, maar dit is zo ingewikkeld, dat ik het nu niet kan uiteendoen. Toen de Moeder Gods kwam, trad zij het donkere kwaad onder de voeten en is er meester over geworden. Ik kan het nu niet grondig verklaren en daarom wordt zij ook afgebeeld, staande op de maan met de slang onder haar voeten. Dit is een waarheid die in dat beeld gestalte krijgt.

Twee dagen te Nazara en Endor

Eliud bracht het gesprek ook op Jezus' bloedverwant, Johannes de Doper, maar hij had hem nog niet gezien en was nog niet gedoopt. Beiden overnachtten in de herberg bij de synagoge.

14 september. Uit de herberg bij de synagoge wendde Jezus zich deze morgen met Eliud om het kleine Hermongebergte. Dit gebergte is niet de Hermon waar Joachim weilanden had. Zij gingen in de bij­na verwoeste stad Endor. Reeds bij de wijk waar hun herberg stond, zag men nog stukken muren die de berghelling opliepen en die breed genoeg waren om met wagens bere­den te kunnen worden. Endor lag verspreid, vol ruïnes, met daartussen bewerkte tuinen. Aan de ene zijde stonden prachtige gebouwen als paleizen. Op andere plaatsen lag de stad woest, door oorlog vernield. Het scheen mij dat hier een ras van mensen woonde, dat zich van de Joden afgezonderd hield.

Jezus ging in geen synagoge. Hier was er overigens geen. Hij betrad met Eliud een grote plaats waar een vijver was. Deze was aan drie zijden door vleugels of ge­bouwen met kamertjes omringd. Rond de vijver was een groene grond en op de vijver dobberden kleine badschuiten. Ook een pomp behoorde bij deze vijver. Het scheen hier een badplaats voor zieken, een soort gesticht te zijn voor zieken. Deze woonden in de kamertjes die de vijver omringden, die waarschijnlijk tegen een ringmuur aangebouwd waren: dus een inrichting gelijk de vijver Bethesda, te Jeruzalem.

Jezus ging met Eliud in zulk een gebouw. Men waste Hem de voeten en vergastte Hem. Hierna onderrichtte Hij die mensen op de open plaats van op de verheven leer­stoel die men er voor Hem opgericht had. De vrouwen, die afzonderlijk in een van de vleugels woonden, namen plaats op de achtergrond.

Deze mensen waren geen eigenlijke Joden, maar een ras van uitgestoten slaven, die van de vruchten die zij wonnen, schatting moesten betalen. Na een zekere oor­log waren hun voorouders in deze stad gebleven. Ik meen te weten dat hun aanvoerder Sisara was en dat hij niet ver van deze stad verslagen werd en op zijn vlucht door een vrouw gedood werd.

Dit ras was over het gehele land als slaven verdeeld. Hier waren er nog zowat vierhonderd. Dit volk had vroeger onder David en Salomon stenen voor de tempelbouw moeten houwen. Zij werden altijd voor zulke arbeid gebruikt. Voor de overleden koning Herodes moesten zij een waterleiding van verscheidene uren lang helpen bouwen. Ze moest water uit het zuiden naar de Berg Sion leiden.

Deze mensen stonden elkander liefdevol bij en waren milddadig. Zij droegen kle­dij met gordels en spitse kappen die de oren bedekten, zoals oude kluizenaars. Met de Joden hadden zij geen gemeenschap, maar zij mochten hun kinderen naar joodse scho­len zenden. Deze werden daar echter zo geminacht, geplaagd en verdrukt, dat zij verko­zen om ze er niet naar te zenden. Jezus had veel medelijden met hen en Hij liet ook de zieken bij zich brengen. Zij zaten op een soort van bedden zoals mijn leunstoel, waar ik onmiddellijk aan dacht. Onder de beweegbare leuningen waren steunstaven. Wanneer men de leuning neerliet en op de steunpoten liet rusten, vormde de stoel een soort bed.

Toen Jezus van de doop en de Messias sprak en hen hiertoe aanzette, waren zij zeer schuchter en gaven hun vrees te kennen daar geen aanspraak op te kunnen maken, omdat zij verstotelingen waren, het slachtoffer van discriminatie. Dan onderwees Je­zus hen de parabel van de onrechtvaardige huishouder [Lc. 16: l-9]. Ik ben de uit­leg die ik goed begrepen had, weer vergeten, hoewel ik er de gehele dag mee bezig ben geweest, maar ik zal mij die nog wel herinneren.

Ook vertelde Hij de parabel van de Zoon die door Zijn Vader gezonden wordt om de wijnberg in bezit te nemen. Deze ver­telde Hij telkens en telkens weer bij verlaten heidenen [Mt.21: 33-46].

Deze mensen richtten voor Jezus een maaltijd onder de blote hemel aan, maar Hij nodigde er de armen en zieken op uit en met Eliud diende Hij hen aan tafel. Zij waren er zeer door getroffen.'s Avonds ging Jezus met Eliud terug naar de synagoge in de voorwijk. Na hier de sabbatoefening gevierd te hebben, bleven zij er ook slapen.

15 september. Sabbat. Heden ging Jezus met Eliud nogmaals van de voorwijk Nazara naar Endor. Dit was dus maar een sabbatweg [een afstand die men op een sabbat mocht afleggen] van de herberg verwijderd. Hij onderrichtte er deze mensen die Kanaanieten waren, en wel, naar ik meen, uit Sikem, want ik hoorde heden eens de naam "Sikemiet."

Zij hielden in een ruime krocht onder de aarde een afgodsbeeld verborgen [Bij Endor zijn vele grotten]. Drukte men op een knop, dan steeg het beeld aanstonds op een versierd altaar uit de grond op, en het zonk er op dezelfde manier weer in neer. Het was het beeld van een godin dat zij uit Egypte gekregen hadden. De godin heette Astarte. De naam had ik gisteren als Ester verstaan. Dit beeld had een rond aangezicht als een maan en het hield de armen vóór zich en daarop lag iets dat lang en omwikkeld was als een vlinderpop, in het midden dikker en naar beide einden spits uitlopend. Het zou ook wel een vis kunnen geweest zijn. Aan de rug van het beeld hing een soort voetstuk vast waarop een hoge schepel of kuip stond, die boven het hoofd uitstak. Er was iets in gelijk aren die uit de halmen komen en nog andere groene bladeren en vruchten. Het beeld stond met de voeten tot aan het onderlijf in een vat en er stonden potten met levende planten rond.

Zij hielden hun afgodendienst verborgen en in zijn rede bestrafte Jezus hen daarover. Voortijds hadden zij aan de godin misvormde kinderen geofferd. Bij deze godin hoorde de god Adonis,die zij, meen ik, als haar gemaal beschouwden.

Dit volk had in deze omstreken met zijn aanvoeder Sisara de nederlaag geleden en was tot slavendienst veroordeeld en over het land verdeeld. Zij werden nu zeer verdrukt en veracht, nog meer dan voorheen, omdat zij bij het kasteel van Herodes hier in Galilea onlusten verwekt hadden.

In de namiddag keerde Jezus met Eliud naar de synagoge terug om de sabbat te sluiten. De Joden hadden zijn bezoek te Endor zeer kwalijk genomen, maar Hij verweet hen hun hardvochtigheid jegens die verlaten mensen zeer streng, wees hen op hun plicht menslievend jegens hen te zijn en hen mede te nemen naar de doop. Zij hadden immers, ten gevolge van zijn onderricht, besloten hem te gaan ontvangen. Zij waren Jezus na zijn onderricht nog meer genegen geworden.

Tegen de avond keerde Jezus met Eliud naar Nazareth terug en op de weg van Endor naar deze stad zag ik hen weer, zoals altijd, in intiem gesprek. Af en toe bleven zij onder het spreken staan. Eliud vertelde wederom veel over de vlucht naar Egypte en weer werd mij alles in bijvisioenen getoond. Hij kwam op dit onderwerp naar aanlei­ding van zijn vraag aan Jezus of dan zijn Rijk zich ook niet over de goede mensen in Egypte zou uitstrekken. Hij bedoelde hen die tijdens zijn verblijf aldaar door Hem in een goede gesteltenis gekomen waren. Bij deze gelegenheid zag ik nogmaals dat de reis, die Jezus na de opwekking van Lazarus door het heidense Azië tot in Egypte deed en die ik vroeger reeds gezien heb, geen droom van mij was, want Jezus zei hem: "Overal waar Ik gezaaid heb, wil Ik voor mijn einde, de zeldzame halmen [die opgeschoten zijn] verzamelen."

Eliud wist ook van Melchisedek en van het brood en de wijn, die hij gezegend had, maar hij kon zich geen klaar denkbeeld van Jezus vormen en hij vroeg Hem of Hij dan wellicht iemand was zalals Melchisedek. Jezus zei: "Deze moest mijn offer voorbereiden [voorafbeelden], maar Ik zal het offer zelf zijn."

In dit gesprek hoorde ik ook weer dat Maria's lerares in de tempel, Noèmi, een tante van Lazarus was, een zuster van Lazarus' moeder. Lazarus' vader was de zoon van een Syrische koning. Hij had in de oorlog gediend en vele goederen bekomen. Zijn vrouw was een voorname Jodin te Jeruzalem uit het priesterlijk geslacht van Asiron en door Manasse met Anna verwant. Zij hadden drie kastelen: te Betanië, bij Herodium, zes kilometer ten zuidoosten van Betlehem en te Magdalum aan het Meer van Galilea, niet ver van Tiberias en Gabara. In de streek van Magdalum stond ook het kasteel van Herodes. Zij spraken ook van de ergernis en oneer die Magdalena aan haar familie veroorzaakte, enz...

Te Nazareth nam Jezus nog eens zijn intrek bij Eliud, bij wie ook reeds de vijf leerlingen, alle overige Essenen en tal van mensen, die het doopsel wilden gaan ontvangen, verzameld waren.

Jezus te Nazareth

16 september. Vroeg in de morgen bij hun aankomst [zij hadden dus een groot deel van de nacht gegaan], vonden Jezus en Eliud bij het huis van de laatste, vele mensen verzameld, de overige Essenen, de vijf leerlingen, die allemaal het doopsel wilden ontvangen. Jezus onderrichtte hen. Ook van de tollenaars waren er in Nazareth aangekomen, die naar de doop wilden, terwijl andere groepen er reeds naar vertrokken waren. Later in de morgen hield Jezus zijn tweede toespraak en er kwamen daarop twee.

Er waren Farizeeërs uit Nazareth, die Hem vriendelijk uitnodigden hen naar de school in Nazareth te willen volgen [school = synagoge zelf of een zijlokaal of bijgebouw].Zij zeiden dat zij veel over zijn leer, die Hij in de omstreken verspreidde, gehoord hadden. Het betaamde dat Hij ook hun, zijn stadsgenoten, de profeten kwam verklaren. Jezus ging met hen mede. Zij brachten Hem in het huis van een Farizeeër waar nog vele van hun collega's bijeengekomen waren. Zijn vijf leerlingen waren Hem gevolgd. De toehoorders en de Farizeeërs waren zeer hoffelijk en Hij sprak in zulke schone parabelen tot hen, dat zij in zijn leer groot behagen schenen te nemen en Hem naar de synagoge leidden. Hier waren vele mensen verzameld en Hij handelde over Mozes en legde voorzeggingen over de Messias uit. Doch daar Hij zó sprak, dat zij het vermoeden kregen dat Hij zichzelf daarmede bedoelde, ergerden zij zich aan Hem. Desniettegenstaande vereerden zij Hem na de sy­nagoge met een maaltijd bij een Farizeeër. Met zijn vijf leerlingen sliep Jezus in een herberg dicht bij de school [Tot vele synagogen behoorde zo wel een herberg voor reizende leraren als een school. Waarschijnlijk dus ook te Nazareth].

17 september. Jezus onderrichtte heden weer een schare tollenaars die naar de doop wilden. Hij leerde ook weer in de synagoge en wel over het tarwekorreltje dat in de aarde moet sterven. Maar spoedig ergerden de Farizeeën zich opnieuw aan Hem en begonnen wederom van de zoon van Jozef, de timmerman, te spreken. Zij maakten Hem ook een verwijt over zijn omgang met de tollenaars en zondaars, doch Hij stond hun zeer raak en zeer streng te woord [cfr Mt.9:11].

Zij brachten het gesprek ook op de Essenen en zij maakten hen uit voor huiche­laars die de Wet niet onderhielden. Doch Jezus toonde hun aan hoe zij de Wet beter onderhielden dan zijzelf en de beschuldiging van huichelarij viel op hen terug. De Essenen kwamen hier ter sprake naar aanleiding van het zegenen, want zij namen er aanstoot aan dat Jezus vele kinderen zegende en zij raakten dit onderwerp aan omdat ook bij de Essenen het zegenen zeer gebruikelijk was.

Inderdaad, telkens als Jezus een synagoge in- of uitging, traden vele vrouwen met hun kinderen Hem tegemoet en zij baden Hem dan om zijn zegen er voor.

Wanneer Jezus hier nog woonde, hield Hij zich altijd veel met de kinderen bezig en deze werden bij Hem stil en rustig door zijn zegen. Hun huilen, al was het nog zo onbedaarlijk, ging over. De moeders waren dit nog niet vergeten en zij brachten Hem daarom ook nu nog hun kinderen, misschien ook wel om te zien of Hij ondertussen niet trotser geworden was. Er waren thans enige kinderen bij, die steigerden en achterover sloegen, alsof zij stuiptrekkingen kregen en die geweldig schreeuwden. Doch na zijn zegen werden zij onmiddellijk kalm. Ik zag uit enige een soort donkere damp uitgaan. Hij legde de knapen de hand op het hoofd en zegende ze op de manier gelijk de aartsvaders het deden, met drie lij­nen van het hoofd en de beide schouders tot aan de schoot,waar die lijnen sa­menliepen. Zo zegende Hij ook de meisjes, maar zonder handoplegging. De meisjes maakte Hij een teken op de mond. Ik dacht daarbij dat het misschien was opdat ze niet te veel zouden praten, maar het hield ook wel een ander geheim in. Hij overnachtte met zijn leerlingen in het huis van een Farizeeër.

Afwijzing van rijke, jonge pedanten. Beschaming van geleerden.

18 september. Gisteren, de zeventiende 's avonds, zag ik Jezus te Nazareth in het huis van een Farizeeër overnachten. Bij zijn vijf gezellen hadden zich nog vier andere gevoegd, ook verwanten en vrienden der Heilige Familie. Ik meen dat er nog een der drie zonen van de drie weduwen onder hen was en ook nog iemand uit Bethlehem, die tot de ontdekking geko­men was dat hij van Ruth afstamde, die in Bethlehem met Booz was gehuwd. Jezus nam hen zonder moeite tot leerlingen aan.

Maar er waren te Nazareth een paar rijke families met drie zonen, die in hun jeugd met Jezus omgegaan hadden en nu door hun geleerdheid voorname personen waren. De ouders die van Jezus' schriftuurverklaringen getuige geweest waren en die ook anderen met ophef over zijn wijsheid hadden horen spreken, besloten dat hun zonen heden nog eens een staaltje zijner Wijsheid zouden gaan beluisteren en dan zouden zij tot een vergelijk trachten te komen. Zij zouden Hem geld bieden om Hem op zijn reizen te mogen vergezellen en zich zijn wetenschap eigen te mogen maken. Die mensen liepen hoog met hun zonen op en meenden dat Jezus wel hun hofmeester kon worden. Die zonen kwamen heden in de synagoge en door de zorgen van de Farizeeërs en van die rijke ouders, kwam er ook alles wat in Nazareth door geleerdheid uitblonk. Zij namen zich voor de geleerdheid van Jezus nu eens grondig en in alle vakken op de korrel te nemen. Er was o.m. een rechtsgeleerde in de school en ook een geneesheer, een statige brede man met lange baard, een gordel om het lijf en een beroepskenteken op de schouder van zijn kleed.

Wanneer nu Jezus de school binnenging, zag ik Hem wederom vele kinderen zegenen, door de moeders Hem aangebracht. Daaronder waren er ook enige melaatse die Hij genas. Ik zag dat Jezus in zijn toespraak in de school telkens opnieuw onderbroken werd door geleerden,die Hem allerhande ingewikkelde vragen voorlegden en dat Hij hen allen tot zwijgen bracht. De moeilijke vragen van de rechtsgeleerde beantwoordde Hij uit de Wet van Mozes op een verrassende wijze en toen men hem vraagstuk van de echtscheiding te berde bracht, verwierp Hij ze onvoorwaardelijk: gescheiden mannen of vrouwen konden de echtgenoten niet worden, maar wanneer de man op geen manier met de vrouw kon leven, dan mocht hij ze heenzenden, maar zij bleven één vlees en mochten geen nieuw huwelijk aangaan. Dit was de Joden volstrekt niet naar de zin.

De arts vroeg Hem of Hij wist wie van een droge, en wie van een vochtige natuur is, onder welke planeten zulk een mens geboren is, en welke geneeskruiden men aan zo of zulk een mens moet geven en hoe het menselijk lichaam geschapen of ineengesto­ken zit.

Jezus antwoordde hem als was hij een meester in het vak en wees ter illus­tratie op de lichaamsgesteldheid van enige aanwezigen, op hun ziekten en de geschik­te geneesmiddelen er tegen. Hij sprak van het menselijk lichaam met een kennis die aan de geneesheer totaal onbekend was. Hij sprak van het lichaam van de geest en hoe het op het lichaam inwerkt. Hij maakte ook gewag van ziekten die alleen door gebed en verbetering van leven genezen kunnen worden en van deze die met behulp van natuurlijke geneesmiddelen bestreden moeten worden.

Dit alles zette Jezus zo diepzinnig uiteen, in zulk een welsprekende taal, dat de geneesheer verstomd was en zijn kunde voor overwonnen gaf. Hij gaf toe dat zulk een kennis hem totaal vreemd was. Ik geloof ook dat hij Jezus wilde volgen. Jezus gaf de geneesheer een soort ontleding van het lichaam en een beschrijving van alle ledematen, spieren, aderen, zenuwen en ingewanden: van hun bestemming, onderlinge ver­houding en dit zo nauwkeurig en diepzinnig, tevens zo begrijpelijk en doorzichtig, dat de geneesheer zijn onwetendheid en kleinheid erkende.

Ook was daar een sterrenkundige en Jezus sprak over de loop der sterren en zei hoe het ene gesternte het andere beheerst, en hoe de verschillende sterren een verschillende invloed op elkaar uitoefenen. Nog sprak Hij over staartsterren en hemeltekens.

Voor een andere besprak hij de bouwkunde, waarbij Jezus zeer diepzinnige din­gen naar voren bracht. Ten slotte bracht Hij het gesprek op de handel en op de betrekkin­gen met vreemde volkeren. Hij veroordeelde streng allerhande modes en ijdele nieuwigheden, die men van Athene hier had ingevoerd. Hij bedoelde o.m. heidense spe­len en goochelkunst die van ginds in het land gekomen waren. Die goochelaars waren ook door Nazareth en andere steden getrokken. Hij zegde dat die ondeugden niet ver­geven zouden worden, omdat men die niet voor ondeugden hield en er bijgevolg geen boete voor deed. Daarom zouden ze niet vergeven worden.

Allen waren door zijn wijsheid meegesleept [cfr Lc 5:14-15]. De Nazarethanen verlangden nu van Hem dat Hij hier zou blijven wonen. Zij zouden zorgen voor een huis en in al zijn noodwendigheden voorzien. Zij vroegen Hem daarom ook waarom Hij met zijn Moeder naar Kafarnaüm was gaan wonen. Hij antwoordde dat Hij hier niet kon blijven. Hij was met zijn Moeder naar Kafarnaüm getrokken, omdat Hij midden in het land wilde wonen. Dit was nodig om doeltreffender zijn bestemming en zending te vervullen. Maar zij wilden dit niet begrijpen en hielden zich voor beledigd, om­dat Hij niet onder hen wilde wonen. Zij meenden Hem een voordelig aanbod gedaan te hebben en hielden zijn argument van zending en bestemming voor hovaardigheid. In deze stemming verlieten zij, toen het reeds avond was, de school.

De drie jongelingen, die twintig jaar konden zijn, verzochten Hem om een onderhoud, doch Hij stond het hun niet toe tot dat zijn negen leerlingen rondom Hem vergaderd waren. Dit stelde hen teleur. Hij verklaarde dat Hij aldus handelde, opdat er getuigen zouden zijn van hetgeen Hij hun te zeggen had.

In tegenwoordigheid nu van de negen leerlingen legden die zonen Hem zeer heus en ootmoedig hun wens voor, die ook de wens van hun ouders was, te weten dat Hij hen onder zijn leerlingen zou aanvaarden. Hun ouders zouden Hem het onderwijsgeld betalen. Zij verlangden om Hem te vergezellen en verklaarden zich bereid Hem bij Zijn arbeid te dienen en te helpen.

Naar ik zag was Jezus bedroefd omdat Hij hun bede niet inwilligen kon, deels om henzelf, deels om zijn leerlingen, want Hij moest hun de redenen er van geven en zij waren er nog niet vatbaar voor. Hij zegde hun: "Wie geld geeft om zich daarmede iets aan te schaffen, beoogt tijdelijk voordeel en winst, doch wie Zijn weg wou opgaan, moest zelfs zijn ouders en vrienden verlaten. Ook vrijden en trouwden zijn leerlingen niet." Dus stelde Hij hun zeer hoge eisen en dit maakte hen neerslachtig en zij spraken nog van de Essenen, waarvan een groot deel toch getrouwd waren. Doch Jezus antwoordde hun dat zij goed handelden volgens hun wet, doch dat zijn volmaaktheidsleer moest voltooien wat die wet voorbereid had. Hij liet hen gaan en raadde hun aan zich eerst goed te bezinnen.

Allen waren door zijn wijsheid meegesleept [cfr Lc 5:14-15]. De Nazarethanen verlangden nu van Hem dat Hij hier zou blijven wonen. Zij zouden zorgen voor een huis en in al zijn noodwendigheden voorzien. Zij vroegen Hem daarom ook waarom Hij met zijn Moeder naar Kafarnaüm was gaan wonen. Hij antwoordde dat Hij hier niet kon blijven. Hij was met zijn Moeder naar Kafarnaüm getrokken, omdat Hij midden in het land wilde wonen. Dit was nodig om doeltreffender zijn bestemming en zending te vervullen. Maar zij wilden dit niet begrijpen en hielden zich voor beledigd, om­dat Hij niet onder hen wilde wonen. Zij meenden Hem een voordelig aanbod gedaan te hebben en hielden zijn argument van zending en bestemming voor hovaardigheid. In deze stemming verlieten zij, toen het reeds avond was, de school.

De drie jongelingen, die twintig jaar konden zijn, verzochten Hem om een onderhoud, doch Hij stond het hun niet toe tot dat zijn negen leerlingen rondom Hem vergaderd waren. Dit stelde hen teleur. Hij verklaarde dat Hij aldus handelde, opdat er getuigen zouden zijn van hetgeen Hij hun te zeggen had.

In tegenwoordigheid nu van de negen leerlingen legden die zonen Hem zeer heus en ootmoedig hun wens voor, die ook de wens van hun ouders was, te weten dat Hij hen onder zijn leerlingen zou aanvaarden. Hun ouders zouden Hem het onderwijsgeld betalen. Zij verlangden om Hem te vergezellen en verklaarden zich bereid Hem bij Zijn arbeid te dienen en te helpen.

Naar ik zag was Jezus bedroefd omdat Hij hun bede niet inwilligen kon, deels om henzelf, deels om zijn leerlingen, want Hij moest hun de redenen er van geven en zij waren er nog niet vatbaar voor. Hij zegde hun: "Wie geld geeft om zich daarmede iets aan te schaffen, beoogt tijdelijk voordeel en winst, doch wie Zijn weg wou opgaan, moest zelfs zijn ouders en vrienden verlaten. Ook vrijden en trouwden zijn leerlingen niet." Dus stelde Hij hun zeer hoge eisen en dit maakte hen neerslachtig en zij spraken nog van de Essenen, waarvan een groot deel toch getrouwd waren. Doch Jezus antwoordde hun dat zij goed handelden volgens hun wet, doch dat zijn volmaaktheidsleer moest voltooien wat die wet voorbereid had. Hij liet hen gaan en raadde hun aan om zich eerst goed te bezinnen.


» Reageer (0)
04-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich. Het openbaar leven van Jezus. Hoofdstuk 1.1
A.C. Emmerich: Het openbaar leven van Jezus

Hoofdstuk 1.1: Vanaf de dood van de H. Jozef tot het doopsel van Jezus in de Jordaan

Dood van de Heilige Jozef

2 juni 1821. Wanneer Jezus ongeveer dertig jaren oud was, nam Jozefs verzwakking steeds toe. [Volgens de zienster Maria van Agreda duurde zijn ziekelijkheid reeds meerdere jaren] . Dikwijls zag ik nu Jezus en Maria bij hem. Maria zat ook menigmaal vóór zijn legerstede, hetzij op de grond, hetzij op een laag rond bankje met drie pikkels, dat hun soms ook wel tot tafel diende.

Ik zag hen zelden eten, en wanneer zij aten of de H. Jozef op zijn bed een ver­kwikking brachten, waren het drie witte, langwerpige, rechthoekige kleine sneden van nagenoeg 2 vinger breed: ze lagen op een schoteltje naast elkaar. Of het waren klei­ne vruchten in een schaaltje. Ook boden zij hem uit een soort kruikje te drinken aan. Op het ogenblik van Jozefs dood zat Maria aan het hoofdeinde van zijn legerste­de en Jezus stond naast hem bij zijn borst. Ik zag de kamer met licht en engelen vervuld. Na zijn dood werd hij met onder de borst gekruiste banden,geheel in een witte lijkdoek gewikkeld,in een smalle kist neergelegd en bijgezet in een sierlijke grafspelonk. Deze was hem door een brave man afgestaan. Buiten Jezus en Maria vergezelden slechts weinige mensen de kist naar het graf, doch ik zag die kist badend in licht en door engelen omgeven.

Dood van de Heilige Jozef

Jozef moest eerder sterven dan de Heer, want hij zou tegen de kruisiging van Je­zus niet bestand zijn geweest, noch haar hebben kunnen overleven. Hij was te gevoelig en te liefdevol. Hij leed reeds zeer veel onder de vervolgingen die de Zaligmaker tussen zijn twintigste en dertigste jaar ten gevolge van de vele heimelijke en venijni­ge plagerijen der Joden te verduren kreeg. Dezen konden Hem onder hun ogen niet zien. Zij kookten van nijd en herhaalden bij elke gelegenheid dat de timmermanszoon altijd alles beter wilde weten. Dit zegden zij omdat Hij er vaak andere meningen op nahield dan de Farizeeërs en niet vreesde om de leer die zij verkondigden tegen te spreken, ook omdat steeds vele jongelingen, die aanhangers waren, zich rond Hem verzamelden.

Ook Maria heeft onder die vervolgingen onzeglijk geleden. Zulke smarten zijn mij altijd pijnlijker voorgekomen dan lichamelijke folteringen. Onbeschrijfelijk is de liefde waarmede Jezus als jonge man die vervolgingen verdroeg.

Verhuizing naar een dorp nabij Kafarnaüm

Jozef, de voedstervader van Onze Heer, is nu ongeveer 2 maand dood. Hij overleed en werd begraven te Nazareth. hij heeft daar van een deugdzaam man een voortreffelijk graf bekomen. Later hebben Christenen zijn lichaam naar Bethlehem overgebracht en het daar weer in een graf gelegd. Het schijnt me toe dat ik hem daar nog steeds onbedorven zie liggen.

Voor Jozefs dood zag ik Jezus slechts in de naaste omstreken rondgaan, zonder zich ver te verwijderen. In de laatste dagen na Jozefs dood zag ik Jezus en Maria naar het gewest van Kafarnaüm trekken. Hun huis te Nazareth lieten zij gesloten achter. Zij trokken niet naar de stad Kafarnaüm zelf, maar naar een dorp van enige huizen, een twintig- of dertigtal, het dorp van de hoofdman van Kafarnaüm, Serobabel. Het ligt tussen Kafarnaüm en Betsaïda.

Dit was het dorp waarin zich ook de vader van Pe­trus kwam vestigen, nadat hij aan Petrus de visserij bij Betsaïda overgelaten had. Jezus bekwam daar een huis van een man uit Kafarnaüm, met name Levi. Deze man had de Heilige Fa­milie lief en bood Jezus dit huis aan tot verblijf. Het was afzonderlijk gelegen [op geringe afstand van het dorp] en met een gracht van staande water omringd. Daar ston­den nog meer andere huizen in de nabijheid, bewoond door dienstknechten van Levi. Deze zond vanuit Kafarnaüm de nodige levensmiddelen naar de Heilige Familie.

Reeds in zijn jeugd telde Jezus vele aanhangers onder de jongelingen van Nazareth, maar de een na de ander verlieten zij Hem weer. Jezus wandelde veel met die aanhangers rond in de omstreken tot tegen het Meer en met de hoogfeesten trokken zij ook samen naar Jeruzalem. Ook waren Lazarus en zijn familie toen reeds met de Heilige Familie bekend. Wegens deze uitstappen noemden de Farizeeërq van Nazareth Jezus een landloper en hadden ze een hekel aan Hem. Levi had Hem dit huis gegeven, opdat Hij daar, zonder vrees gestoord te worden, zijn toehoorders zou kunnen verzamelen.

Er was bij het Meer in de omstreken van Kafarnaüm een gewest dat uit buitengewoon vruchtbare en aangename dalen bestond.[A.C. Emmerich bedoelt hier het land Gennezaret in ruime zin, waartoe ook de kleine vlakte Gennezareth in strikte zin behoort]. Er waren daar meerdere oogsten in het jaar. Alles stond er weelderig, stond er wonderschoon groen, hing er vol vruchten en bloesems tegelijk. Vele rijke Joden, ook Herodes hadden daar hoven en kastelen.

De Joden in Jezus' tijd verschilden veel van hun vaderen, want door handel en omgang met de heidenen waren zij zeer ontaard. De vrouwen zag men nooit in het openbaar en ook niet op de akkers, tenzij soms zeer arme, die aren kwamen lezen. Men zag ze alleen wanneer zij in bedevaart naar Jeruzalem en andere bedeplaatsen gingen. De veldarbeid en allerlei inkopen geschiedden meestal door slaven [De afstam­melingen der oude Kanaanieten waren over het hele land als slaven verdeeld. Een van hun werkzaamheden was de veldarbeid]. Ik heb alle steden in Galilea in de laatste nachten gezien. Waar thans nauwelijks drie verwoeste dorpen liggen, lagen er toen bijna honderd en de bevolking was buitengewoon dicht.

Vanmiddag zag ik hoe Maria van Kleofas, die met haar derde man, de vader van Simeon, later bisschop van Jeruzalem, het huis van Anna bij Nazareth bewoonde, naar het huis van Maria te Nazareth gegaan was. Zij had haar zoontje uit haar derde huwelijk, dat Simeon heette, bij zich. Haar knechten en overige huisgenoten waren in het huis van Anna gebleven. Ik zag nu ook Jezus en Maria evenzo van Kafarnaüm naar Nazareth gaan en ik vermoed dat Maria daar nu wellicht zal blijven wonen en dat zij Jezus slechts naar Kafarnaüm vergezeld heeft. Het is ontroerend om zien hoe zij Hem steeds ze liefdevol vergezelt. Ik heb ook gehoord dat Jezus dezer dagen een reis naar het gewest van Hebron, waar Zacharias gewoond heeft, wil ondernemen.

Joses Barsabas, de zoon van Maria van Kleofas uit haar tweede huwelijk met Sabas, was op dit ogenblik thuis. Ook kwamen hier nu nog haar drie zonen uit haar eerste huwelijk met Alfeüs, nl. Simon, Jakobus de Mindere en Taddeüs, die reeds buitenshuis zelfstandig hun eigen bedrijf hadden. Zij kwamen om de heilige familie over Jo­zefs dood te troosten en ook om Jezus een keer weer te zien. Sedert zijn kindsheid hadden zij geen nadere omgang met Hem meer gehad. Wel wisten zij iets vaag en algemeen over Simeons en Hanna's voorzegging in de tempel,maar zij hadden dit niet ernstig opgenomen. Vandaar dat zij zich liever bij Joannes de Doper aansloten, wanneer deze kort hierop in het gewest voorbijtrok.

Op zijn reis van Kafarnaüm over Nazareth naar Hebron kwam Jezus [spoedig] het gewest waar Hij later brood vermenigvuldigde en veel volk spijzigde en ook in de nabijheid van die berg en die plaats waar Hij later nogmaals een deel van zijn bergrede hield [of deze voortzette]. Tegenover deze berg, op de afstand van zowat een uur en aan de zuid- of zonnekant waar alles zo schoon rijpt, had er toen op een zeer aangename plaats, dicht bij de weg, juist een volksfeest plaats. Later noemde de zienster deze plaats "de baden bij het meer van Betulië." Deze plaats was in de landstreek Gennezareth gelegen.

Toen Jezus hier voorbijkwam zag hij mannen en vrouwen, in afzonderlijke groepen, kansspelen houden, waarvan de prijzen uit vruchten bestonden. Daar zag Jezus Natanaël, die Chased heette, bij de mannenafdeling onder een vijgenboom staan. Hij stond het spel van de vrouwen, die zich aan de overzijde [van een beek] vermaakten, gade te slaan, en daar hij ten gevolge daarvan met bekoringen van zinnelijkheid te worstelen kreeg, wierp Jezus hem in het voorbijgaan een waarschuwende blik toe. Natanaël kende Jezus niet, maar voelde zich door die oogslag in het diepste van zijn ziel aangegrepen. Hij verschoot en dacht onthutst: "Die man heeft een doordringende blik" [cfr Lk.22,61]. Jezus scheen hem meer dan een gewoon mens te zijn. Hij keerde zich terug in zichzelf, bestreed de aanvechting, overwon de bekoring en waakte van dit ogenblik af strenger op zichzelf. [Deze gebeurtenis is het waarop Johannes in zijn evangelie 1:48 zinspeelt. Jezus zegt: "Ik heb u reeds gezien, toen gij daar onder de vijgenboom stond"].

Ook Neftali, Bartolomeüs genaamd, meen ik hier gezien te hebben. Ook hij werd getroffen door een oogslag van Jezus.

Maria bleef bij Maria van Kleofas te Nazareth, wier derde man Jonas, het huis van Anna beheerde. Jezus reisde met twee van zijn jeugdvrienden naar het gewest van Hebron in Judea. Deze twee bleven Hem echter niet trouw en werden tegen Hem ingenomen en hebben zich pas bij Jezus' verschijning [aan de 500], die op de berg Tebez in Galilea plaats had, bekeerd en bij de Gemeente aangesloten. [Tebez schijnt ons een van de toppen van het Klein-Hermongebergte te moeten zijn].

Ik heb Jezus op zijn doorreis te Betanië in het huis van Lazarus zien gaan. Lazarus zag er veel ouder uit dan Jezus: hij leek me wel 8 jaren ouder. hij had een groot huishouden, met talrijke dienstboden, uitgestrekte goederen en tuinen. Martha had haar eigen woning. Zij had, benevens Magdalena, nog een zuster, die afgezonderd en op haar eigen leefde en Maria heette. Ook zij had een afzonderlijke woning. Maar Magdalena leefde nu te Magdalum [ten noorden van Tiberias op de westkust van het Meer Gennezareth] in haar kasteel. Lazarus is sedert lang met de H. Familie bekend. Reeds vroeger had hij Jozef en Maria bij hun vele aalmoezen ondersteund. Ik zag ook duidelijker dan ooit hoeveel Lazarus voor Jezus' Gemeente van de aanvang tot het einde gedaan heeft: hoe de schat, waarvan Judas de beheerder was, en alle eerste inrichtingen [b.v. van herbergen voor Jezus en de leerlingen op hun missietochten] uit zijn vermogen gesticht waren. Te Jeruzalem bezocht Jezus ook de tempel.

Jezus liet nu zijn gezellen te Hebron achter. Hij zei hen dat Hij nog een vriend moest gaan bezoeken. Zacharias en Elisabeth leefden niet meer. Jezus trok naar de woestijn,waarin Elisabeth de kleine Joannes grootgebracht had. Deze lag zuidwaarts van Hebron, tussen Hebron en de Dode Zee. Eerst ging men over een berg met witte stenen en dan kwam men in een liefelijk dal met palmbomen. Daarheen zag ik Jezus zich begeven.

Jezus is in de spelonk gegaan, waarin Johannes door Elisabeth het eerst gebracht werd. Hij is vervolgens over een beek gegaan, waarover men ook Johannes gebracht had. Ik zag Hem eenzaam in gebed, als bereidde Hij zich op zijn leraarsambt voor.

Ik zag Jezus vanuit de woestijn naar Hebron terugkeren. Op zijn weg bood Hij overal een helpende hand. Zo zag ik dat Hij aan een breed, zoutig water [waarschijnlijk de Dode Zee, waarbij hij langs een omweg naar Hebron terugkeert] mensen hielp die op een balkenvlot voeren. Over zulk een vaarmiddel werd ook wel een dak van tentdoek uitgespannen. Hier voeren er mensen op met vee en pakken. Jezus riep hen toe en schoof van de oever een balk naar hun vaartuig [tot een soort brug]. Hiermede hielp Hij hen aan land te komen en was hij hen behulpzaam bij het herstellen van hun vlot. Die mensen konden niet begrijpen wie Hij was, want zonder zich door zijn kleding te onderscheiden, was zijn voorkomen zo wonderbaar innemend en zo vol waardigheid, dat zij er geheel onder de indruk van waren. Zij meenden aanvankelijk dat Hij Johannes de Doper kon zijn, die nu [sedert kort] aan de Jordaan verschenen was, maar het drong spoedig tot hen door dat Hij Johannes niet was, want deze was bruiner en had een ruwer voorkomen.

Jezus vierde de sabbat te Hebron en liet zijn reisgezellen van Zich weggaan. In de huizen ging Hij zieken bezoeken en troostte hen, verschafte hen bijstand, hief hen op, verplaatste hen, maakte hun bed op en hielp hen weer er in, doch ge­nezingen zag ik Hem nog niet doen. Zijn verschijning was indrukwekkend en deed allen weldadig aan. Ik zag Hem tot bezetenen gaan: zij werden rustig in zijn nabijheid, maar Hij dreef geen duivelen uit. Waar Hij ging en voorbijkwam hielp Hij allen die hulp behoefden. Hij richtte de gevallenen op, laafde de dorstigen, wees aan reizigers de weg langs paden en beken en allen bewonderden die menslievende reiziger. In de nacht [op de zondag] verliet Hij weer Hebron en 's morgens was Hij reeds op de plaats waar de Jordaan in de Dode Zee uitmondt. Hier voer Hij de Jordaan over en trok op de oostkant van de stroom naar Galilea opwaarts.

Ik zag Jezus in de laatste dagen ten oosten van het Meer van Galilea tussen Pella en het gewest van Gergesa rondgaan. Hij maakte kleine reizen en bood overal hulp aan. Hij ging tot alle zieken en zelfs tot de melaatsen, bemoedigde ze, verplaatste hen, verlichtte hun lijden en maakte hun bed op en legde ze er weer in. Hij maande hen aan tot gebed, wees hun geneesmiddelen en een doeltreffende behandeling aan en deed allerlei werkjes: allen bewonderden Hem.

In een dorp heb ik ook een paar mensen gezien die iets afwisten van de voorspel­ling van Simeon en Hanna en Hem vroegen of Hij misschien niet deze was.

Gewoonlijk vergezellen, eerbiedwaardig en beleefdheidshalve, mensen van de ene plaats naar de andere. De bezetenen bedaarden in zijn nabijheid.

Deze nacht zag ik Hem bij een snel riviertje, de Hiëromax of Jarmoek, dat in de Jordaan vloeit ten zuiden van het Meer van Gennezareth, niet ver van die steile berg [waarop Gergesa ligt] en waarvan later de zwijnen zich [op zijn bevel, door het ravijn] in het Meer stortten. Bij dit riviertje stond een rij kleine aardhutten, een soort herdershuisjes, waarin zich timmerlieden bevonden. Deze mensen, die op de boorden een schip aan het bouwen waren, konden het werk amper aan. Ik zag Jezus naar hen toegaan en hen in alle vriendelijkheid met raad en daad bijstaan. Ik zag Hem balken aanslepen, de hand aan het werk slaan en meewerken. Ik zag hoe Hij hun praktische wenken gaf, nuttige diensten bewees, maar hen onder het werk ook aanmaande tot liefde en geduld.

Sedert ik Jezus op de oostkant van het Meer van Galilea zag,beschouwde ik Hem nog herhaaldelijk, maar wat Hij telkens deed, ben ik vergeten. Hij kwam op de westelijke zijde terug en hier zag ik Hem vannacht in een dorp, dat tussen twee heuvelen staat, niet ver van Kafarnaüm, Magdalum en Damna en ten Noordoosten van Sefforis. Er was daar een synagoge. De mensen waren niet slecht, maar verwaarloosd. Oudtijds had Abraham daar weiden voor zijn offervee gehad. Jozef en zijn broeders hadden daar hun kudden geweid en in dat gewest hadden zij hem verkocht. Het dorp heet Dotafin [nu Toeran aan de voet van het gebergte Toeran]. Men moet dit Dotaïm onderscheiden van Dotan, dat een viertal uren van de stad Samaria ligt. Het was nu een kleine, dun bevolkte plaats met goede grond en vlakke weiden tot tegen het meer van Galilea.

Hier stond een gebouw, een soort krankzinnigenhuis, waarin vele bezetenen verbleven. Toen Jezus naderde, werden zij gans razend en sloegen zichzelf bijna dood. Hun bewakers konden hen niet langer in bedwang houden. Jezus trad bij hen binnen en sprak hen toe en aanstonds werden zij volkomen rustig. Hij vermaande hen en zij begaven zich daarna huiswaarts in een toestand van rust. De inwoners stonden hierover verstomd. Zij wilden Jezus niet meer laten weggaan en men nodigde Hem uit op een bruiloft. Ik heb daar al dezelfde bruiloftsgebruiken gezien, zoals te Kana. Jezus was niet anders op het feest tegenwoordig dan als een geëerde vreemdeling. Hij was vriendelijk en gaf het echtpaar goede raadgevingen. Ook zijn zij later bij Jezus' verschijning op Tebez tot de Gemeente toegetreden.

Heden zag ik dat Jezus onze Heer te Nazareth teruggekomen was en hier en daar in het dorp de bekenden van zijn ouders bezocht maar dat Hij overal zeer koel ontvangen werd. Ik zag vannacht dat Hij in de synagoge wilde gaan leren, maar dat zij Hem afwezen en dat Hij hierop voor vele mensen, voor Saduceeën en Farizeeën in de open lucht op de markt over de Messias sprak. Hij zou anders zijn dan iedereen zich Hem naar believen voorstelde. Ook van de Doper sprak Hij, de stem in de woestijn.

Uit het gewest van Hebron waren Hem twee jongelingen in lange klederen, met gordels, gelijk priesters gevolgd. Ik zag hen hier, maar zij waren niet bestendig bij Hem. Hier hield Hij de sabbat [die de vrijdagavond met een oefening begon].

Jezus en Maria gaan naar Kafarnaüm

Ik zag Jezus en Maria, Maria van Kleofas en ook de ouders van Parmenas, zeker een twintigtal personen, Nazareth verlaten en naar het gewest van Kafarnaüm trekken. Zij hadden ezels en pakken bij zich. Het huis te Nazareth bleef ledig achter. Het was geheel gereinigd en het zag er sierlijk uit, ontruimd en met slechts enkele tapijten, zo sober ge­schikt, dat het de indruk van een kerk op mij maakte.

De derde man van Maria van Kleofas heeft nog het beheer over Anna’s huis. In de huishouding zijn ook nog zonen van haar betrokken. Joses Barsabas, de jongste [op één na, namelijk de kleine Simeon] was bij zijn moeder geweest en trok ook mede [naar het gewest van Kafarnaüm],waar hij in de visserij een betrekking vond. Ook de kleine Simeon uit haar derde huwelijk was bij haar. In de volgende dagen zag ik Jezus en Maria in het huis tussen Kafarnaüm en Betsaïda. Maria van Kleofas woonde er dicht bij en ook de ouders van Parmenas hadden zich niet ver van daar metterwoon gevestigd.

Ik zag Jezus opnieuw van plaats tot plaats gaan en in een dorp in de synagoge over de doop van Johannes, de nabijheid van de Messias en de boetvaardigheid spreken. Vele toehoorders morden en misprezen Hem en enigen hoorde ik zeggen: "Voor 3 maanden leefde zijn vader de timmerman nog en arbeidden zij nog samen. Nu is Hij enige tijd naar vreemde streken gelopen en aanstonds is Hij daar weer om ons zijn wijsheid te verkopen." Ik dacht, en ik moest er om lachen: "Zij menen dat Hij in de vreemde gereisd heeft en ik zag dat Hij zich in de woestijn op zijn zending voorbereidde."

A.C. Emmerich ziet in deze dagen ononderbroken waar Jezus en Johannes zich bevinden. Zij ziet de Heer van plaats tot plaats gaan en vooral daar komen, waar Johannes op zijn tocht door het land voorbijgekomen is. Hij voert het woord in de synagogen, onderwijst de mensen, troost en helpt de zieken. Hij was ook op bezoek bij verwanten te Kana en Hij onderrichtte hen. Zij ziet nog geen en­kele van zijn latere leerlingen bij Hem. Het is alsof Hij de mensen eerst wil leren kennen en voortbouwen op de grondslagen die Johannes in hen gelegd heeft. Van de ene plaats tot de andere plaats begeleidt Hem dikwijls een goede mens.

Ik zag heden vier mannen, waaronder toekomstige leerlingen van Jezus waren, in het gewest tussen Samaria en Nazareth, aan de grote weg, op een lommerrijke plaats, op Jezus wachten, terwijl Hij met een begeleider naderde. Zij gingen hen tegemoet en vertelden dat zij door Johannes gedoopt waren en hij sprak, zeiden zij, van de nabijheid van de Messias. Zij vertelden Jezus ook hoe hij de soldaten zo onver­schrokken toegesproken had en slechts enigen van hen had willen dopen. Hij had hen ondermeer gezegd dat hij evengoed stenen uit de Jordaan had kunnen nemen en ze dopen [zie Mt.3,7-9]. Ik zag hen Jezus verder vergezellen.

Jezus in de visserij van Petrus

Deze visserij beslaat de kust langs het kleine dal Tabiga, dat een noordelijke verlenging is van de vlakte van Gennezareth. Daar is ook een kleine voorname haven. Het warme water der bronnen, die nabij de kust ontspringen, lokt de vissen aan.

In deze dagen zag ik Jezus in het gewest van het Meer van Galilea noordwaarts gaan. Hij sprak reeds duidelijker over de Messias en op meerdere plaatsen schreeuwden de bezetenen Hem na. Ook dreef Hij een duivel uit een man en onderwees Hij in de scholen.

Zes mannen, die van de doop van Johannes kwamen, ontmoetten Hem op hun weg. Onder hen waren Levi, die later Mattheüs genoemd werd en twee zonen van de drie weduwen, maar niet de bruidegom Natanael van Kana. Zij kenden Jezus door verwantschap en van "horen zeggen." Zij vermoedden ook wel dat Hij diegene kon zijn over wie Johannes gesproken had, maar zij wisten het niet zeker. Zij vertelden over Johannes en brachten het gesprek ook op Lazarus en zijn zusters en op Magdalena. Deze, meenden zij, moest bezeten zijn door de duivel. Zij woon­de reeds op een kasteel naar haar eigen. Zij vergezelden Jezus enige tijd en bewonderden zijn woorden.

Jezus in de visserij van Petrus

De dorpelingen die uit Galilea tot Johannes kwamen, vertelden hem telkens wat zij van Jezus wisten en vernomen hadden, terwijl anderzijds zij, die van Ainon, de doopplaats van Johannes, tot Jezus kwamen, aan deze over Johannes vertelden.

Ik zag Jezus daarna, zonder zijn begeleiders, bij het Meer in een afgemaakte vissersplaats gaan, waar vijf schepen lagen. Op de oever stonden verscheidene hutten, waarin zich vissers ophielden. Het was de visserij en de eigendom van Petrus, die zich nu met Andreas in de hutten bevond. Johannes en Jakobus met hun vader Zebedeüs en meer anderen waren op de schepen. In het middelste schip waren de vader van Petrus' vrouw en drie zonen van die vader. Ik heb van allen de naam geweten, maar ben die weer vergeten: de vader droeg ook de bijnaam Zelotes, omdat hij eens in een geschil met de Romeinen betreffende het scheepvaartrecht op het Meer, voet bij stuk gehouden en het pleit gewonnen had, vandaar die bijnaam. Er waren wel 30 mensen op de schepen.

Jezus volgde tussen de hutten en de schepen langs de afgemaakte oeverweg. Hij had een gesprek met Andreas en nog anderen. Ik weet niet of Hij ook met Petrus sprak, maar zij kenden Hem nog niet. Hij sprak over Joannes en de nabijheid van de Messias. Andreas was reeds gedoopt en was een leerling van Johannes. Afscheid nemend zei Jezus nog dat Hij tot hen zou wederkeren.

Over de Libanon naar Sarepta

Jezus liet het Meer achter zich en ging verder opwaarts het bergland in, naar de Libanon, hoofdzakelijk om reden dat er in het land zo druk over Hem gepraat werd en daardoor allerhande opinies en partijen nopens Hem ontstonden.

Velen hielden Johannes voor de Messias, terwijl anderen spraken van een andere, degene naar wie Johannes verwijst.

Jezus was onderweg vergezeld van een zes- tot twaalftal mensen, naargelang hun getal vermeerderde of verminderde. Zijn begeleiders vonden groot behagen in zijn leerrijke woorden en keer op keer kwam het vermoeden in hen op dat Hij degene kon zijn op wie Johannes duidde. Jezus knoopte nog met niemand in het bijzonder betrekkingen aan. Hij bleef vooralsnog alleen. Hij strooide zaad uit en maakte toebereidselen. Ik zag verband tussen zijn wegen en daden in deze periode en die der profeten, voornamelijk van Elias, waarvan de Zijne de vervulling waren.

Ik zag Jezus met ongeveer tien medegezellen over een bergketen van de Libanon naar een grote stad gaan die zich langs de Middellandse Zee uitstrekt. Van op de hoogte was het vergezicht onbeschrijfelijk schoon. De stad [nl. Sidon] scheen onmiddellijk bij de zee te liggen, doch, wanneer men er was, lag de zee nog wel drie kwartier er vanaf. De stad was zeer groot en vol drukte, en, van de hoogte naar beneden kijkend, meende men op een ontelbaar aantal schepen neer te zien want op de platte daken van die ontelbare huizen stond een bos van hoge staken, stangen en stellingen met lange banen van lijnwaad bespannen en behangen en daartus­sen was het een gewemel van arbeidende mensen. Het waren rode en anders gekleurde en ongekleurde banen lijnwaad. Het omliggende gewest lag vol kleine, zeer vruchtbare dor­pen en alles hing er vol met vruchten. Er stonden voor en in de dorpen vele grote bomen en daar omheen een kring van banken. Ook waren er zitplaatsen in de takken waarin hele gezelschappen als in een prieel konden zitten, die zij met trappen bereikten. De vlakte waarin de stad tussen de zee en het gebergte ligt is niet zeer breed.

Over de Libanon naar Sarepta

Er waren heidenen en Joden in de stad en ze dreven handel met elkaar. Er heerste daar veel afgoderij. De Heer predikte onderweg in de dorpen, onder de grote bomen. Hij sprak over Johannes en zijn doopsel en de boetvaardigheid. In de stad werd Jezus goed onthaald. Hij was daar trouwens reeds eenmaal geweest. Hij handelde in de school over de nabijheid van de Messias en over de verwerping van de afgodsbeelden. De koningin Izebel, die Elias zo vervolgde, was uit deze stad afkomstig.

Jezus liet zijn gezellen in Sidon achter en ging naar een kleine stad die zui­delijker en meer van de zee afgelegen lag. Hij wou daar enige tijd in afzondering gaan bidden. Deze laatste stad is aan haar ene kant door woud omgeven en heeft dikke muren en er liggen wijnbergen omheen. Het is Sarepta, waar Elias door de weduwe gespijzigd werd. Ik kreeg dit tafereel te zien. Zowel onder de Joden als onder de heidenen heerste sedertdien een bij­gelovigheid: zij lieten in de stadsmuren steeds deugdzame weduwen wonen in de mening dat zij daardoor tegen alle onheil beveiligd waren en zich in de stad zonder gevaar aan alle ondeugden konden overgeven.

Nu woonden daar oude mannen. Jezus nam zijn intrek bij een hoogbejaard man, in hetzelfde huis in de stadsmuur waarin de weduwe gewoond had. Die ouderlingen zijn een soort van kluizenaars en Jezus onderrichtte hen over de Messias en Johannes. Hij bezocht ook de synagoge, onderwees de kinderen en vierde hier de sabbat.

In deze noordelijke landstreek, zal Jezus nog enige tijd vertoeven en dan naar de doop van Joannes gaan. Hij houdt zich meestal op bij oude, deugdzame Joden in de muren van Sarepta. Uit kracht van een oude gewoonte en uit verering voor Elias leven die kluizenaars hier in de overweging en verklaring der profetieën, alsook in veel gebed om de komst van de Messias.

Jezus onderrichtte hen over de Messias en over de doop van Johannes. Zij zijn deugdzaam en vroom, doch hebben over de Messias vele verkeerde opvattingen, bijvoorbeeld dat Hij met wereldse heerlijkheid zal komen.

Jezus gaat dikwijls in het woud bij Sarep­ta om daar in de eenzaamheid te bidden. Hij predikt in de synagoge en besteedt een goed deel van zijn tijd aan het onderricht van de kinderen.

De volgende dag zag ik Jezus ook in de omliggende dorpen het woord Gods verkon­digen. De Joden van die dorpen vermaande Hij om zich van de heidenen afgezonderd te houden en alle vermenging te vermijden. Een deel van de mensen hier waren goed, een ander deel zeer slecht. Bij Jezus zijn hier geen begeleiders, maar nu en dan zijn bij Hem bewoners van deze plaatsen. Ik zie Hem hier dikwijls voor mannen en vrouwen in de open lucht op kleine heuvelen en onder bomen prediken.

Het jaargetijde is hier zo dat ik steeds ga denken dat wij nu in mei zijn omdat in het Beloofde Land de graanvelden van de tweede oogst nu reeds zo staan als bij ons het graangewas in mei. Het koren wordt hier niet zo dicht bij de grond afgemaaid als bij. De oogstarbeiders grijpen een handvol hal­men onder de aren en snijden die ter lengte van een el af. Zij dorsen niet, zoals hier. De kleine schoven staan recht en er wordt met een rol tussen twee ossen over gerold. Het graan is veel droger dan hier en het valt zeer gemakkelijk uit de aren. Dit werk wordt in de open lucht verricht of ook wel in een schuur of soort hangaar, die rondom open is en alleen boven van een strodak is voorzien.

In de laatste dagen zag ik Jezus uit Sarepta noordoostwaarts gaan [schuin over de Libanon], naar een plaats niet ver van het slagveld, waar Ezekiël in een geest van verrukking te zien kreeg hoe de doodsbeenderen op een uitgestrekte vlakte zich or­delijk aan elkander voegden, met aderen en vlees bekleed werden en hoe dan een opkomende wind hun geest en leven inblies [Ezek.37,l-14].

Ik bekwam de verklaring dat de aaneenvoeging van die gebeenten en hun bekleding met vlees door de leer en het doopsel van Johannes verwezenlijkt werd, terwijl het inblazen van de geest en het leven bewerkstelligd zou worden door de Verlossing van Jezus en door de zending van de H. Geest.

Alles in deze landstreek was zeer verwaarloosd en vervallen. Ook de mensen waren terneergeslagen, maar Jezus troostte hen hartelijk, vooral door de verklaring van het visioen van Ezekiël.

Van hier ging Hij nog verder naar het noorden tot in het gewest, waarin Joannes bij zijn terugkeer uit de woestijn zich voor het eerst had begeven. Het is een her­dersdorp, waar ook Noëmi met haar schoondochter Rut [l:19] een tijdlang verbleven heeft. Zij had hier een zo goede naam dat haar nagedachtenis onder de bewoners der streek nu nog voortleeft. Later woonde zij bij Bethlehem.

De Heer predikte hier onvermoeid. De tijd nadert dat Hij naar het zuiden zal gaan en dan, door Samaria, naar zijn doopsel. Ondertussen echter zullen nog twee maanden verlopen.

Hierboven had ook Jacob landerijen gehad. Door dit herdersgewest vloeit een kleine rivier, waar­achter boven zeer hoog de bron van Johannes in de woestijn lag. Bij die bron zakte de weg zeer steil af naar het slagveld van Ezekiël. De helling is er zo steil als daar waar Adam en Eva uit het paradijs naar beneden gedreven werden en de bomen wer­den op hun weg steeds kleiner en kreupeler. Dan kwamen zij aan een struik­gewas en alles rondom hen werd steeds woester. Het paradijs werd zo hoog als de zon en ging onder als achter een berg die scheen te stijgen.

De Heiland betreedt dezelfde weg die Elias weleer heeft bewandeld, toen hij van de beek Kerit naar Sarepta kwam. Hij is reeds weer op de terugweg van het herdersdorp naar Sarepta. Hij predikt hier en daar onderweg en gaat Sidon voorbij. Binnenkort zal Hij nu van Sarepta zuidwaarts naar zijn doop gaan. Te Sarepta houdt Hij nog de sabbat.

Jezus gaat nog verder naar het noorden en, uit wat ik kan opmaken, blijkt dat Hij vrij ver naar het noorden doorgereisd is, misschien ter hoogte van Beiroet. Nu bestaat te Beiroet nog steeds de traditie die stelt dat Jezus tot tegen de poorten van die stad het evangelie is komen verkondigen.

Jezus keert naar Nazareth terug. Oogslag op de Heilige Vrouwen op een paar steden en de hinderlagen van het Synedrium.

Na het sluiten van de sabbat is Jezus van Sarepta naar Galilea met bestemming Nazareth vertrokken. Hij predikte hier en daar. Laatst zag ik Hem een toespraak houden op een heuvel. De zienster zegde nogmaals: Jezus is uit het gewest van Sarepta op weg naar Nazareth. Hij onderwijst hier en daar en wordt af en toe een eindweg vergezeld en reist ook wel alleen de hele nacht door. Hij gaat nu blootsvoets en draagt zijn sandalen bij zich, maar alvorens een dorp binnen te treden bindt Hij ze weer aan. Zijn weg loopt nu door de dalen die zich naar de Karmel richten. Hij schijnt nu dus een paar uren ten westen van Nazareth te zijn. Hij was eerst dicht bij de grote weg die uit dit gewest naar Egypte leidt, doch Hij is oostwaarts afgeslagen. Ik vermoed dat Hij op weg is naar Nazareth. Dan gaat Hij vandaar door Samaria naar zijn doop. Eer het zover is, kunnen wellicht nog een paar weken verlopen.

Over de Libanon naar Sarepta

De Moeder Gods, Maria van Kleofas, de moeder van Parmenas en nog twee andere vrouwen zijn eveneens, van Kafarnaüm uit, op weg naar Nazareth. Het huis van Maria staat nog verlaten, onbewoond, doch netjes opgeschikt. Ik zie Jezus' voormalige slaap- en bidkamer. Ook van Jeruzalem zijn er vrouwen op weg naar Nazareth. Het zijn: Serafia [Veronica], Johanna Chusa en nog een, maar hoe heet deze weer? Het was Mara en de zoon van Veronica, die later tot de leerlingen kwam. Zij gaan, naar ik meen, Maria bezoeken. Ze zijn haar reeds bekend door haar bedevaartreizen naar Jeruzalem.

Op drie plaatsen gaan vele vrome families, zoals ook de Heilige Familie, jaarlijks hun godsvrucht voldoen: te Jeruzalem in de tempel, te Bethlehem bij de terpentijnboom, namelijk op een plaats waar iets uit het Oude Testament herdacht wordt, ik weet nu niet meer wat, en op de Karmelberg waar ook een bedevaartplaats was. De familie van Anna en an­dere godvruchtige mensen bezochten gewoonlijk deze laatste plaats in mei, op hun te­rugweg van Jeruzalem. Er was daar op de Karmel iets met Elias geschied dat betrekking had op de Messias, maar het staat me nu niet klaar voor de geest [l Kon.18], doch ik meen dat hij in een visioen een grote vrouwengestalte gezien heeft, die een voorafbeelding van de Heilige Maagd was. Er was daar ook een bron en een spelonk van hem, waar de rots zacht was: het was als een kapel. Op niet vooraf bepaalde tijden kwamen godvruchtige Joden hier bidden en smeken om de komst van de Messias. Er woonden hier ook joodse en later Christelijke kluizenaars. [De joodse kluizenaars zijn de Essenen of profetenleerlingen].

Ik was verleden nacht en ben thans nog overdag in het gewest van de berg Tabor. Aan de westelijke kant van de berg predikt Jezus in de school van een kleine stad over de doop van Johannes. Onder de vijf personen die Hem vergezellen zijn toekomstige leerlingen. Ik wist ook enige namen en heb het gewest met de berg zeer duidelijk in ogenschouw genomen.

De Moeder van God en andere vrouwen zijn te Nazareth. Ook Veronica, die een week eerder met gezellinnen uit Jeruzalem kwam en naar Kafarnaüm de andere Heilige Vrouwen ging afhalen. Bij haar is Johanna Chusa, de dochter van een zuster der profetes Hanna, die in de tempel dient, alsook Veronica's zoon, die later naar Frankrijk trok.

Ik heb gezien dat de Hoge Raad of het Sanhedrin van Jeruzalem naar alle hoofdplaatsen van het Beloofde Land, waar joodse scholen [of districtgouverneurs] waren, boden zond met de opdracht oplettend een man in het oog te houden, van wie de Doper gezegd had, dat Hij degene was die komen moest en ook dat Hijzelf naar de Doper zou gaan om de doop van hem te ontvangen. Zij moes­ten Hem goed nagaan, inlichtingen inwinnen en verslag uitbrengen, want, indien Hij zich liet dopen, was het al te duidelijk dat Hij niet de Messias was: deze toch had de doop van Johannes niet nodig. Jezus was hun een doorn in het oog. Zij zaten met zijn geval verveeld, omdat zij onder meer andere dingen over Hem hadden gehoord dat Hij dezelfde was die reeds als knaap in de tempel zo schitterend had onderricht.

Ook zag ik de boden die naar een zekere stad gingen: deze lag vier uren van de weg bij Hebron verwijderd en aan de zee, in de landstreek waar de verkenners van Aaron en Mozes de grote druiven vonden.[De voornaamste weg naar Gaza liep over Hebron]. Ook zag ik die stad in de toestand waarin ze zich veel later bevond, misschien zelfs in onze dagen. Ik zag weinig huizen en alleen nog oude fundamenten, maar ik zag een zeer lange rij tenten, die, naar ik gis, tot tegen de zee stonden opgesteld. Vele soorten stoffen en zijde lagen daarin te koop.

Van het oude Nazareth is er maar heel weinig over. Toch herkent men nog de bergen, maar de streek is zoveel als ongebaand, niet onderhouden en veel is ingestort door regen. Er zijn daar geheel naakte rotsen, zo steil en overhangend, dat men verschrikt is, wanneer men daar zo hoog de mensen ziet staan of gaan. De vruchtbaarheid is er nog niet verdwenen, maar er zijn vele wilde dieren. Men ziet er ook vele duiven, overal op alle huizen, in alle wijnbergen ziet men grote aantallen tortelduiven vliegen en zitten er wilde duiven die zo groot zijn als onze tamme huisduiven.

Op de Karmel zijn vele spelonken waarin nog kluizenaars wonen. Ook is de berg met een klooster bekroond. Ik heb gisterennacht vele bijzonderheden van de berg gezien. De kluizenaars zijn daar nu zeer bedroefd en bidden er veel, want niet ver van daar woedt er een opstand tussen Turken en een ander volk, niet ver van de Libanon.

Jezus te Nazareth en te Betsaida

Jezus zag ik van vijf leerlingen vergezeld. Hij predikte hier en daar onderweg en zakte zuidwaarts tot in het gewest van de bron van Jakob af [dus tot tegen de bergen Ebal en Gerizzim, waarschijnlijk ruim te verstaan]. In die omstreken zag ik Hem de sabbat houden. Hij schijnt me weldra naar Nazareth terug te zullen komen. Te Nazareth zijn nog steeds de Heilige Vrouwen.

Ik zag Jezus uit het gewest van de bron van Jakob met zijn vijf reisgezellen te Nazaret teruggekeerd. De Heilige Maagd ging Hem tegemoet, maar toen zij zag dat hij van mannen was ver­gezeld, bleef zij op een afstand en ging zij terug de stad in, zonder Hem begroet te hebben. Ik bewonderde haar zelfbeheersing. Ik zag Jezus in de school een leerre­de houden, waarbij de Heilige Vrouwen tegenwoordig waren.

Ik kwam naar Nazareth en zag Jezus voor de vijf leerlingen, een twintigtal jeugdkameraden uit Nazareth en voor veel volk in de synagoge onderrichten, maar ik zag er geen Heilige Vrouwen aanwezig. Zijn woorden verwekten gemor, want vele toehoorders fluisterden: "Hij wil nu misschien de verlaten doopplaats van Johannes gaan innemen, daar dopen en zich voor zulk een uitgeven. Doch met Hem lagen de zaken anders. Johannes had in de woestijn geleefd, maar waar vandaan Hij kwam, dit wisten zij maar al te goed. Hij zou niet moeten proberen om hen om de tuin te leiden. [Verder zullen wij zien dat Johannes tussen 19 en 25 juli zijn doopplaats te Ennon voor die bij Jericho verlaten heeft]. Nadat ik hierover een weinig nagedacht had, kwam ik in mijn visioen bij Joannes de Doper.

Ik zag dat Jezus met een paar gezellen Nazareth wilde verlaten om naar Betsaïda te gaan, waar Hij nog enigen door zijn woord wilde opwekken. De Heilige Vrouwen en andere gezellen van Jezus zijn nog te Nazareth gebleven. Daar zag ik Jezus in het huis van zijn Moeder, waar ook de andere vrienden verzameld waren. Omdat er hier te Nazareth ontevredenheid en gemor tegen Hem ontstaan was, zo zegde Hij hun, wilde Hij naar Betsaïda gaan en dan weer terugkeren. Hierop zag ik Hem met drie leerlingen het huis verlaten: het waren de zoon van Veronica, Amandor, een zoon van een der drie aan Jezus verwante weduwen: zijn naam luidde als Sirach en een bloedverwant van Petrus die later een bekende leerling werd.

10 augustus. Daar op 11 augustus het feest van Suzanna, maagd en martelares viel, en de zieneres een relikwie van die heilige bij zich had, zag zij zich de gehele nacht in alle taferelen die ze in haar reisvisioen aanschouwde, van haar vergezeld. Zij vertelde: "Suzanna reisde met mij, was voortdurend naast mij en sprak ook tegen mij. Zij was evenwel anders dan ik. Zij was subtiel en licht en wanneer ik haar vastnemen wilde, kon ik het niet. Op de weg van het ene nachtelijk tafereel naar het andere, was zij bij mij en troostte ze mij, maar wanneer ik in het nieuwe tafereel gekomen was en mijn schouwing begonnen was, zoals hier te Betsaïda, verdween zij.

11 augustus. Te Betsaïda zag ik Jezus op de sabbat een krachtig onderricht houden. Hij zegde met klem dat zij nu de waarheid moesten inzien, het geloof aannemen, naar de doop van Johannes gaan en zich door berouw en boetvaardigheid reinigen. Zo­ niet, zou er een tijd komen waarin zij "wee" zouden roepen. In de synagoge waren de toehoorders talrijk, doch onder hen was er geen enkele der toekomstige apostelen, behalve meen ik, Filippus. De overige toekomstige apostelen uit Betsaïda en het gewest vierden op een andere plaats de sabbat. Zij hielden zich op in een huis bij de visserij in de nabijheid van Betsaïda [bedoeld is het huis van Petrus in het kleine dal Tabiga, zowat vierhonderd meter ten noorden van de kust].

Ik had gedurende Jezus' toespraak te Betsaïda vurig gebeden dat toch alle toe­hoorders zich oprecht mochten bekeren en naar de doop van Johannes gaan. Zo kwam ik hierop in een [daarmee verband houdend] visioen waarin ik zag dat Johannes de voor­bereider was, die het ruwe, het grove van de mensen afschrobde. Ik zag hem zo ijverig, heftig, hard en krachtdadig arbeiden, dat het vel waarmede hij bedekt was, nu van zijn ene en dan weer van zijn andere schouder afgleed. Dit zal wel een louter symbolisch tafereel geweest zijn, want ik zag van sommige dopelingen schilfers of schubben afvallen, uit anderen zag ik zwarte dampwolken wegtrekken, en over velen lichtende wolken nederdalen.

Van dit visioen naar een ander visioen over Maria te Efeze. De Heilige Suzanna vergezelde mij weer. Ik zag Jezus met zijn gezellen op weg tussen Betsaïda en Kafarnaüm, waar zijn woonhuis stond. Zij gingen overal in de verspreid liggende huizen en no­digden de mensen uit tot een onderricht van Jezus. Er kwamen vele mensen samen en Jezus hield voor hen een lange redevoering, maar onder de toehoorders zag ik niemand van de latere apostelen.

Het volgende vertelde zij zeer rustig in een toestand van helderziendheid, als ge­beurden de feiten onder haar ogen, doch spoedig werd zij in haar verhaal onderbroken. Ik heb Jezus zoëven te Kafarnaüm zelf naar de school zien gaan. Zijn houding onder het gaan is rechtop en statig. Hij handelt vrijmoedig, als was Hij gans onbekend [die de aandacht niet trekt en dus niets te vrezen heeft]. Er bevinden zich drie leerlingen rondom Hem en er volgen vele scharen van alle kanten en hieronder ook vissers. Ik zie Petrus en Andreas en ook anderen en bovendien nog velen die reeds door Johannes gedoopt zijn. Zij hadden zonder twijfel Jezus reeds gezien. Hij had, vóór zijn reis naar Sidon, zoals ik het me nu herinner, bij het Meer reeds met hen gesproken. Nu hadden zij over Hem horen spreken, deels door zijn optreden in andere gewesten, deels ten gevolge van zijn laatste prediking te Betsaïda.

De inwoners van Kafarnaüm waren zeer blij met zijn komst. Zij waren benieuwd wat voor een nieuwe leer Hij hen zou brengen. De school was netjes in orde. Jezus gaat aan een kant van de zaal de trappen op naar het spreekverhoog en een talrijke menigte verdringt zich zo dicht om Hem dat Hij Zich herhaaldelijk genoodzaakt ziet om hogerop te klimmen... Hier werd het visioen onderbroken.

Jezus heeft Kafarnaüm verlaten. Twee uren meer zuidelijk zag ik Hem vele mensen onderrichten. Slechts de drie leerlingen waren bij Hem. De toekomstige aposte­len die Hem te Kafarnaüm gehoord hadden, waren weer, zonder dat Hij met één van hen gesproken had, naar het Meer teruggekeerd. Jezus' toespraak ging ook hier weer over de doop van Johannes en de vervulling van de Belofte of de Komst van de Messias.

Hier en daar onderwijzend trok Jezus gisteren en heden zuidwaarts door Neder-Galilea in de richting van Samaria. Ik weet niet meer waar Hij de sabbat vierde [dit is de opening van de sabbat op de vooravond].

Jezus ging heden de sabbatoefeningen bijwonen in een school tussen Nazareth en Sefforis. De Heilige Vrouwen van Nazareth waren er tegenwoordig. Ook de vrouw van Petrus en de vrouwen van enige andere der toekomstige apostelen. Ook wa­ren meerderen van hen, die door Johannes reeds gedoopt waren, ten sabbat gekomen. Het dorpje bestond slechts uit enige huizen en een school en lag van het voormalige huis van Anna gescheiden door een grensaanduiding in het veld. Ik weet wel niet wie nu het huis bewoont, later zal blijken: de derde man van Maria van Kleofas.

Van de toekomstige apostelen waren Petrus, Andreas, Jakobus de Mindere en Filippus, die allen reeds leerlingen van Johannes waren, hier naar Hem komen luisteren. Filippus was eveneens van Betsaïda[ Joh.1: 44.]. Hij was een tamelijk fijne geest en verrichtte ook schrijverswerk. Bij de vrouwen was de vrouw van een broeder van Petrus' vrouw. Jezus vertoefde hier niet lang, daar Hij geen maaltijd gebruikte en slechts onderricht gaf. De toekomstige apostelen hebben waarschijnlijk de sabbat in de nabijheid gevierd want de Joden gaan nog al dikwijls de sabbat in andere plaatsen vieren Zo hebben zij daar van Jezus' tegenwoordigheid hier gehoord en zijn dan naar dit gehucht gekomen. Jezus sprak nog niet in het bijzonder met hen.

Jezus te Sefforis, Betulie, Kedes en Jizreël

Ik zag Jezus met de drie leerlingen nog naar Sefforis over een berg gaan. Hij nam zijn intrek in het huis van zijn groottante, Anna's jongste zuster Maraha, die een dochter en twee zonen had. Deze zag ik in lange, witte kielen [jongenstunieken] in het huis her- en derwaarts gaan. Zij heetten Arastaria en Cocharia en zijn, geloof ik, later leerlingen geworden. De H. Maagd was met Maria van Kleofas en nog andere vrouwen eveneens naar hier gekomen. Men waste Jezus de voeten en diende Hem een maaltijd op. Ook sliep Hij in Maraha's huis, dat vroeger het woon­huis was van Anna's ouders te Sefforis. Sefforis is een grote stad en er zijn daar drie gezindheden of partijen: Farizeeën, Sadduceeën en Essenen. Elk van hen heeft haar school. Deze stad heeft herhaaldelijk en veel van oorlogen te lijden ge­had en hedendaags is er van de stad maar weinig meer over.[Afgezien van de laatste regel is alles wat A.C. Emmerich hier zegt, te bewijzen uit de joodse oorlog van Flavius Josephus].

Eergisteren en gisteren predikte Jezus hier. Ook deze avond zag ik Hem in de synagoge onderwijzen en zijn toehoorders enthousiast maken tot de doop van Johannes. De vrouwen stonden [zoals gewoonlijk] verderaf en hogerop, op een soort tribune. Hier zag ik Jezus in twee synagogen leren, in een hogere, grotere en in een kleinere. In de grootste waren de Farizeeën. Zij morden verbit­terd tegen Jezus. De vrouwen waren bij deze lering aanwezig. In de kleine synagoge was geen aparte plaats voor de vrouwen en hier waren wellicht de Essenen. Een van de drie leerlingen die in deze tijd Jezus vergezelden op zijn rondreis, was de zoon van een der drie weduwen. Hij heette Eustachius en een Essener. Ik zie zo juist hoe hij uit een spelonk van de Karmel tot Jezus komt. Het doel van dit tafereel is mij te doen verstaan wie hij is.

Ik zag Jezus te Sefforis in de school van de Sadduceeën het woord voeren en ik was er getuige van een wonderbaar schouwspel. Er waren te Sefforis zeer ve­le mensen die onder de invloed van de duivel waren: verdwaasden,waanzinnigen, gehandicapten in de geest en bezetenen. Zij kregen in een school naast de synagoge onder­richt en wanneer in de synagoge preken en gebeden voor normale, geestesgezonde mensen gehouden werden, moesten ook zij er bij aanwezig zijn. Zij stonden achter de overigen in hun eigen ruimte en moesten naar de uiteenzetting luisteren. Tussen hen stonden tuchtmeesters met geselroeden. Elke tuchtmeester had er min of meer onder zijn bewaking, naargelang zij min of meer onhandelbaar waren. Eer Jezus in de school kwam, zag ik die mensen onder de lering van de Sadduceeën lelijke gezichten trekken en stuiptrekkingen krijgen. Ook zag ik dat de tuchtmeesters hun dan geselslagen toe­dienden tot zij weer rustig waren.

Met Jezus' aankomst werden zij in het begin zeer rustig, doch spoedig daarop begon hier en daar een te roepen: "Dat is Jezus van Nazareth, te Betlehem geboren, door Wijzen uit het oosten bezocht, bij Maraha is zijn moeder, en meer andere trekken uit zijn leven." Aldus roepend verhaalden die krankzinnige mensen het gehele leven van Jezus, alles opnoemend wat Hem tot dan toe geschied was. Nu begon de een en dan de ander te roepen en de geselingen van de tuchtmeesters mochten niet langer baten. Dan weer riepen zij gezamenlijk en de herrie was algemeen.

Wanneer zij nu niet langer meer te beteugelen waren, zei Jezus dat men hen buiten voor de synagoge tot Hem moest brengen en Hij stuurde twee leerlingen in de stad er op uit om alle overige mensen van dat slag te roepen en voor Hem te brengen. Welhaast was er nu een grote menigte dergelijke sukkelaars rondom Hem verzameld [ik telde er wel vijftig] en rondom hen verdrong zich een grote massa nieuwsgierigen. De krankzinnigen gingen ondertussen door met roepen, doch dan zei Jezus: "De geest die uit u spreekt is van bene­den en hij zal naar onderen teruggedreven worden." En op hetzelfde ogenblik werden zij allemaal gerust en genezen. Meerderen onder hen zag ik op de grond vallen.

Ook zag ik een grote opschudding in de stad ten gevolge van dit genezingswonder. Ik zag Jezus en de zijnen in groot gevaar. De opstand was zo hevig en de woede zo dreigend, dat de Heer de wijk nam in een huis en, door het nachtelijk duister begun­stigd, de stad verliet. Ook zijn drie leerlingen en Cocharia en Arastaria, de zonen van Maraha, Anna's zuster, en de Heilige Vrouwen verlieten de stad. Jezus' moeder was in grote droefheid en angst omdat zij Hem hier voor de eerste maal onder haar ogen gewelddadig vervolgd zag. Zij waren afgesproken om op een bepaalde plaats buiten de stad onder bomen weer samen te komen. Degenen die Jezus hier had genezen, begaven zich meestendeels tot de doop van Johannes en hoofdzakelijk waren zij het die zich later hier bij Jezus aansloten.

In de nacht van de donderdag, verward uit Sefforis gevlucht, verenigden zich de drie leerlingen en Arastaria en Cocharia weerom met de Heer op de afgesproken plaats onder de bomen op de weg naar Betulië. Daarheen wilden zij zich begeven en daarheen waren ook Jezus' moeder en de Heilige Vrouwen op weg.

Betulië is de stad waarbij Holofernes die haar belegerde, door Judith gedood werd: ze ligt zuidelijk van de plaats waar Jezus nu is en ten oosten van Sefforis en op een berg. Daar kan men zeer ver in het rond zien. Niet ver daarvan ligt het kas­teel dat Magdalena te Magdalum bewoont. Zij leidde er toen een wellustig leven. In Betulië is een kasteel en in het gewest zijn vele bronnen. Ik meen dat de put van Jozef er niet ver van verwijderd ligt. Bij Magdalum, komt mij te binnen, dat Lazarus ook bij Sikem, waar Jakob een veld had, een stuk grond bezat

Vóór Betulië zag ik Jezus met zijn leerlingen zijn intrek nemen in een herberg. Hier kwamen Maria en de Heilige Vrouwen weerom bij Hem. Hier hoorde ik Maria bidden opdat Jezus hier toch weeral niet zou prediken, omdat het vooruitzicht van een nieuwe opstand haar verschrikte. Jezus antwoordde dat Hij wist wat Hij te volbren­gen had. Maria zei Hem dan: "Zullen wij niet liever naar de doop van Johannes gaan?", maar Jezus antwoordde haar met ernst: "Waarom zouden wij nu naar de doop van Johan­nes gaan? Hebben wij dit nodig? Ik zal nog rondreizen en verzamelen en zal het zeggen wanneer het nodig is om naar de doop te gaan." Maria zweeg zoals te Kana. Ik heb de Heilige Vrouwen evenwel pas na Pinksteren in de vijver Bethesda gedoopt zien worden. De Heilige Vrouwen traden in Betulië, waar Jezus heden avond in de synagoge de sabbatoefening leidde.

Ik zag Jezus hier een goede ontvangst te beurt vallen en zag Hem in de synagoge een leerrede houden. Uit de omstreken waren vele mensen komen luisteren. Ook hier zag ik op de weg vóór de stad zeer vele krankzinnigen en bezetenen, die hier en daar op de straat, waar Jezus voorbijging, van hun aanvallen bevrijd en rustig werden. Ik hoorde de mensen hier en daar zeggen: "Die man moet een wonderba­re kracht bezitten, zo groot als die der oude profeten, aangezien die ongelukkigen bij zijn verschijning aanstonds rustig worden." Want die mensen voelden dat Hij hen geholpen en genezen had, hoewel Hij niets aan hen gedaan had en zij kwamen Hem in de herberg bedanken. Hij onderrichtte en vermaande hen tot de doop van Johannes. Ook was zijn prediking nu zeer streng, geheel in de trant van Johannes.

In de nacht van de donderdag, verward uit Sefforis gevlucht, verenigden zich de drie leerlingen en Arastaria en Cocharia weerom met de Heer op de afgesproken plaats onder de bomen op de weg naar Betulië. Daarheen wilden zij zich begeven en daarheen waren ook Jezus' moeder en de Heilige Vrouwen op weg.

Betulië is de stad waarbij Holofernes die haar belegerde, door Judith gedood werd: ze ligt zuidelijk van de plaats waar Jezus nu is en ten oosten van Sefforis en op een berg. Daar kan men zeer ver in het rond zien. Niet ver daarvan ligt het kasteel dat Magdalena te Magdalum bewoont. Zij leidde er toen een wellustig leven. In Be­tulië is een kasteel en in het gewest zijn vele bronnen. Ik meen dat de put van Jozef er niet ver van verwijderd ligt. Bij Magdalum, komt mij te binnen, dat Lazarus ook bij Sikem, waar Jakob een veld had, een stuk grond bezat.

Vóór Betulië zag ik Jezus met zijn leerlingen zijn intrek nemen in een herberg. Hier kwamen Maria en de Heilige Vrouwen weerom bij Hem. Hier hoorde ik Maria bidden opdat Jezus hier toch weeral niet zou prediken, omdat het vooruitzicht van een nieuwe opstand haar verschrikte. Jezus antwoordde dat Hij wist wat Hij te volbren­gen had. Maria zei Hem dan: "Zullen wij niet liever naar de doop van Johannes gaan?" maar Jezus antwoordde haar met ernst: "Waarom zouden wij nu naar de doop van Johan­nes gaan? Hebben wij dit nodig? Ik zal nog rondreizen en verzamelen en zal het zeg­gen wanneer het nodig is om naar de doop te gaan." Maria zweeg zoals te Kana. Ik heb de Heilige Vrouwen evenwel pas na Pinksteren in de vijver Bethesda gedoopt zien worden. De Heilige Vrouwen traden in Betulië, waar Jezus heden avond in de synagoge de sabbatoefening leidde.

Ik zag Jezus hier een goede ontvangst te beurt vallen en zag Hem in de synagoge een leerrede houden. Uit de omstreken waren vele mensen komen luisteren. Ook hier zag ik op de weg vóór de stad zeer vele krankzinnigen en bezetenen, die hier en daar op de straat, waar Jezus voorbijging, van hun aanvallen bevrijd en rustig werden. Ik hoorde de mensen hier en daar zeggen: "Die man moet een wonderbare kracht bezitten, zo groot als die der oude profeten, aangezien die ongelukkigen bij zijn verschijning aanstonds rustig worden." Want die mensen voelden dat Hij hen geholpen en genezen had, hoewel Hij niets aan hen gedaan had en zij kwamen Hem in de herberg bedanken. Hij onderrichtte en vermaande hen tot de doop van Johannes. Ook was zijn prediking nu zeer streng, geheel in de trant van Johannes.

Ik zag de inwoners van Betulië Jezus en de zijnen veel hoogachting betonen. Zij wilden Hem niet [in de herberg] voor de stad laten blijven en vele aanzienlijken betwistten elkander de eer Hem in hun huis te hebben. En zij, die Jezus zelf niet konden krijgen, wilden een van zijn vijf leerlingen, die Hem vergezelden, in hun huis krijgen, doch dezen bleven bij Jezus en Jezus beloofde die mensen dat Hij afwisselend bij hen en in de herberg zou zijn. Hun bezorgdheid en liefde voor Jezus was echter niet belangloos en gedurende zijn onderricht in de synagoge bracht Jezus hun die verkeerde bijbedoeling onder de ogen. Zij wilden door de tegenwoordigheid van de nieu­we Profeet in hun stad aan deze een zeker aanzien terugbezorgen. Waardoor zij dat aanzien verloren had,weet ik niet meer, ik geloof door handel, omgang en vermenging met heidenen hun liefde: de waarheid was dus niet geheel zuiver.

Jezus is heden van Betulië vertrokken. Ik zag Hem in een dal bij een herberg onderwijzen. Alleen de vijf leerlingen en nog een twintigtal andere mensen wa­ren Hem gevolgd. Dezen zag ik bij Hem. De Heilige Vrouwen waren reeds vroeger afgereisd, ik meen naar Nazareth toe. Ik begreep dat Hij Betulië verliet,omdat het gedrang te groot werd. Ook waren er zeer vele zieken en bezetenen uit het gewest [in Betulië] samengestroomd en Hij wilde nog niet zo openlijk genezingen doen. Hij ging in zulk een richting dat Hij het Meer van Galilea achter zich had.

Ik zag Jezus nog niet in een stad. Heden onderrichtte Hij de ganse dag door in een dal en onder bomen op een oude leerplaats van Essenen of profeten. Er was daar een verheven leerstoel die met graszoden gevormd en door kleine lage wallen of aardbanken omgeven was. Terwijl de toehoorders luisterden,konden zij rusten. Er waren een dertigtal mensen rondom Jezus.

Tegen de avond zag ik dat de Heer met zijn metgezellen op een uur van Nazareth aangekomen was bij de synagoge[school] in het kleine dorp dat Hij onlangs had bezocht, alvorens naar Sefforis te gaan. De dorpelingen ontvingen Hem zeer hartelijk. Hij werd nu in een groter huis met een hof onthaald. Men waste Hem en de leerlingen de voeten. Men nam hun de reiskledij af, klopte die uit en streek ze weer netjes effen, zodat ze weer rein waren en men diende hen een maaltijd op. Daarna predikte Jezus in hun synagoge. De Heilige Vrouwen waren te Nazareth.

30 augustus. Op donderdag, de dertigste, zag ik Jezus en zijn leerlingen op ongeveer twee uren van het voormelde dorp bij Nazareth in een levietenstad komen die Kedes of Kision heette. Bij zijn aankomst in dit gewest volgden Hem weer een zevental bezetenen die nog duidelijker dan die van Sefforis zijn zending en geschiedenis uitriepen. Uit de stad kwamen Hem oude priesters en jongelingen in lange, witte klederen tegemoet, want reeds vóór Hem waren enigen uit zijn gezelschap in de stad hier aangekomen.

Jezus genas hier geen bezetenen. De priesters sloten hen in een huis op om onrust te voorkomen. Er werd mij ook getoond dat Jezus hen later, na zijn doopsel genezen heeft. De Heer werd hier vriendelijk ontvangen. Nochtans, zodra Hij wou onderrichten, vroegen zij Hem welke opdracht Hij daartoe had, aangezien Hij toch de zoon van Jozef en Maria was. Hij weigerde een rechtstreeks antwoord. Jezus zei dat degene die Hem gezonden had en Wiens Zoon Hij was, het bij Zijn doop bekend zou maken. Hij weidde hierover in het lang en het breed uit en sprak ook over de doop van Johannes. Dit geschiedde op een heuvel in het midden van de stad, waar zich, zoals op de heuvel bij Tebez, een leerplaats bevond. Deze bevond zich niet geheel onder de blo­te hemel, maar onder een soort tent, of liever een dak dat met biezen bedekt was. In de omstreken der stad lagen meerdere steden. Op dit ogenblik herinner ik me Kislot en Cesarea aan zee gezien te hebben. De Heer heeft hier de nacht doorgebracht.

31 augustus. Jezus trok heden door een herdersgewest, waar Hij later, ik meen na zijn tweede paasfeest, een melaatse heeft genezen [toen kwam Jezus ondermeer te Hadad-Rimmon, op vier kilometer ten zuiden van Kedes en genas hij velen op zijn weg, maar het bijzonder geval van die melaatse is niet vermeld]. Tegen de avond, met de sabbat, kwam Jezus met zijn gezellen te Jizreël aan, een stad die door tuinen, oude gebouwen en torens onderbroken was en uit meerdere gescheiden lig­gende huizengroepen bestond. Er liep een heerbaan door die de koningsstraat genoemd werd. Meerdere begeleiders waren vooruitgegaan, zodat er maar drie bij Hem meer waren.

In dit dorp woonden strenge onderhouders van de Wet. Het waren geen Essenen en men noemde ze Nazireeën. Dezen hadden de belofte gedaan voor kortere of langere tijd. Zij onthielden zich van vele dingen tijdens het leven. Zij bezaten een ruime school en meerdere huizen. De ongehuwden onder hen leefden samen in een huis. De jonge dochters woonden afgezon­derd, zoals de ongetrouwde mannen, in een ander huis bijeen. De gehuwden deden ook voor lange tijd de belofte van onthouding en dan sliepen de mannen apart in een huis bij dat van de jongelingen en de vrouwen in een huis bij dat van de dochters.

Die mensen waren allen eenvormig in het grauw en het wit gekleed. Hun Overste droeg een lang grauw kleed. Onderaan dit kleed hingen witte vruchten (kunstgranaatappeltjes) en franjes. Hij droeg een grauwe gordel met witte lettertekens en om de ene arm gedraaide, dikke, grauwe en witte gevlochten stoffen, zo dik als een gedraaide servet. Hij had een kraag of een manteltje om, bijna zoals Archos, de Essener op de Horeb, maar ook dit was grauw en bovendien open van achter in plaats van al voren. Van vo­ren was er een blank schild op bevestigd en van achter was het met strikken toegesnoerd. Op de schouders hingen gesplitste lappen. Zij droegen een zwarte, glanzen­de muts met een wrong er rond. Op het voorhoofd waren er woorden ingeprent en ze had drie beugels die zich boven in een knop of appel verenigden. Deze beugels en de randen van de muts waren wit en grauw. Deze mensen droegen lange, gekrulde haren en baarden.

Ik heb er over nagedacht wie onder de apostelen ik kende, die zo treffend op hen geleek. Het viel me eindelijk te binnen dat het Paulus was, die, toen hij nog een Christenvervolger was, zijn haar en kledij droeg zoals deze deze Nazireeën. Ook daarna zag ik hem nog met de Nazireeën: hij was een van hen. Zij lieten hun haar groeien totdat hun belofte voleindigd was. Dan sneden zij het af en verbrandden het in een vuur tot een offer. Zij offerden ook duiven. De een kon de belofte van de ander volbrengen. Jezus vierde hier de sabbat met hen.

Jizreël is door een gebergte van Nazareth gescheiden. Niet ver van hier is er een bron,waarbij Saul eenmaal met zijn leger gekampeerd lag.

Jezus sprak op de sabbat over de doop van Johannes. Bij zijn leringen kwamen uitspraken voor als deze: de godsvrucht is schoon, maar de overdrevenheid gevaarlijk ; de wegen tot de zaligheid zijn niet allemaal dezelfde, doch zeer verschillend ; de afscheiding tot een gemeente kan gemakkelijk tot een sekte aanleiding geven en ontaarden en dan ziet men hooghartig op de arme, zwakke broeders neer, die hen niet bijhouden kunnen en nochtans door hen, de sterkeren, moeten geholpen moeten.

Deze waarschuwing was hier zeer nodig,want aan de uitkanten der stad woonden er mensen die zich met de heidenen vermengd hadden. Daar nu de Nazireeën zich afgezonderd hielden, waren die mensen zonder leiding en aanmoediging aan hun lot overgelaten. Jezus bezocht ook die schamele lui in hun woningen en nodigde hen uit tot zijn prediking waarin Hij hun sprak over de doop.

Op 2 september zag ik Jezus nog gedurende een maaltijd in het huis van de Nazireeën. Zij raakten het onderwerp van de besnijdenis aan in verband met de doop.

Daar heb ik Jezus de eerste maal over dit teken van Gods Verbond met Abraham horen spreken, maar ik kan zijn woorden niet nauwkeurig herhalen. Wat Hij zei kwam hierop neer dat dit teken een reden van bestaan had die zou ophouden zodra Gods volk niet meer vleselijk uit de stam van Abraham, maar geestelijk uit de doop van de Heilige Geest geboren zou worden.

Van de Nazireeën zijn er zeer velen christen geworden, doch zij hielden zo streng aan het jodendom vast dat velen het aan het Christendom wilden verbinden, er mede vermengen en tot ketterij vervielen.

Einde hoofdstuk 1.1

» Reageer (0)
03-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 6. Jezus' Verrijzenis
A.C. Emmerich: Hoofdstuk 6. Jezus' Verrijzenis

Hoofdstuk 6. Jezus' verrijzenis

Ik zag de ziel van Jezus als een grote glans tussen twee krijgshaftige engelen [de vorige verschenen mij als priesters] en van een heel aantal lichtende wezens vergezeld, zwevend op Zijn heilig lichaam door de bovenwand van de rots. Het was alsof zij zich over Zijn lichaam heenboog en ermee versmolt, en ik zag thans de ledematen onder de lijkdoeken bewegen, zag het stralende, levende lichaam van de Heer, met Zijn ziel en godheid doordrongen, als het ware van opzij uit de hulsels treden, als steeg Hij daar op uit de zijdewonde. Dit gezicht herinnerde aan Eva, die uit Adams’ zijde te voorschijn trad. Alles was vol licht en glorie.

Vervolgens had ik een verschijning, alsof een monster zich naar boven wrong uit de diepte beneden het graf. Het richtte zijn slangenstaart omhoog en keerde zijn drakenkop grimmig tegen de Heer. Ik herinner mij dat het ook een mensenhoofd had. Ik zag meteen dat de verrezen Heiland een fijne, witte staf in de hand hield, waaraan een vaantje wapperde. De heer trad op de drakenkop en stootte drie maal met Zijn staf op de staart van de slag, en ik zag hoe zij telkens iets meer ineenkromp, iets meer verdween, tot eindelijk de drakenkop geheel in de grond was getreden en enkel het mensenhoofd er nog uitstak.

Ik heb dit beeld reeds vaak gezien bij de Verrijzenis en zag ook een dergelijke slag op de loer liggen, toen Maria ontvangen werd van de Heilige Geest. De hier verschijnende slang herinnerde mij aan het serpent in het Paradijs, maar was nog afschuwelijker. Ik meen dat dit beeld betrekking had op de belofte: "Het zaad van de Vrouw zal de kop van het serpent verpletteren." Het geheel scheen mij slechts een zinnebeeld te zijn van het overwinnen van de dood, want terwijl ik zag hoe de drakenkop in de grond werd getreden zag ik het graf van de Heer, lichtend, door de rots heen omhoogzweven. De aarde beefde en een engel, die er uitzag als een krijgsman en schittende als een bliksem, daalde van de hemel naar het graf, schoof de steen aan de rechterkant en ging er bovenop zitten.

Het schudden van de aarde was zo hevig, dat de vuurpotten wankelden en de vlammen heen en weer sloegen. Toen de wachters dit gezien hadden vielen zij als bedwelmd tegen de grond. Zij lagen in de verwrongen houding en star, gelijk doden. Cassius zag alles vol glans. Snel zijn verbijstering overwinnend, trad hij toe op het graf, betastte door de op een kier geopende deur, de ledige hulsels en maakte zich gereed om aan Pilatus mee te delen wat gebeurd was. Even nog bleef hij ter plaatse, om te zien of er verder niets zou gebeuren, want hij had wel de aardbeving waargenomen, had de engel gezien, die de steen wegschoof en er bovenop ging zitten, had het ledige graf betast, maar Jezus had hij niet voor ogen gekregen. Gedeeltelijk van Cassius, gedeeltelijk van de wachten vernamen de discipelen hoe het er aan toe was gegaan.

Op het moment dat de engel naar het graf wederging en de aarde ginder beefde, zag ik de verrezen Heer verschijnen aan Zijn moeder, op de Calvarieberg. Hij was onbeschrijfelijk mooi, waardig en glorierijk. Terwijl Hij voortschreed, wapperde een tip van Zijn kleed, als was er een wijde mantel om Zijn leden geslagen, speels in de lucht en blauwachtig-wit glanzend, gelijk rook in de zonneschijn. Zijn wonden waren zeer groot en blinkend. Men kon gemakkelijk een vinger leggen in de wonden van de handen. Zij vertoonden de figuur van de drie gelijke driehoeken die samenkomen in het middelpunt van een cirkel. Uit het midden van het hand liepen stralen naar de vingers toe. De zielen van de aartsvaders bogen diep voor Jezus’ moeder, tot wie de Heer iets zei van "elkaar weerzien," dat ik vergeten ben. Hij toonde haar Zijn wonden, en toen zij neerzonk om Zijn voeten te kussen, greep Hij haar hand, hief haar van de grond en verdween.

In de verte zag ik de vuurpotten zwakjes flakkeren bij het graf, in het Oosten, aan de hemel boven Jeruzalem, een witte lichtstreep.

De Heilige Vrouwen bij het graf. Verschijningen van Jezus

De heilige vrouwen waren in de buurt van het poortje gekomen, toen de Heer uit Zijn graf opstond. Zij merkten niets van de tekenen die plaatsvonden, wisten ook niet dat er een wacht rond de grafstede stond, want de vorige dag , op de sabbat, was er niemand naar het graf gegaan en zelf waren zij treurend binnen gebleven.

Bekommerd zeiden zij tot elkaar : "Wie zal ons de steen wegwentelen voor de ingang?" In hun verlangen om het lijk van de Heer hulde te brengen, hadden zij niet aan de steen gedacht. Hun bedoeling was geweest, Narduswater en balsem te gaan uitgieten over het lijk en er kruiden en bloemen overheen te strooien, want zij hadden niets bijgedragen , wat de specerijen betreft, welke gisteren gebruikt werden om Jezus’ lichaam te balsemen, die kwamen immers alleen van Nicodemus. Daarom wilden zij nu, op hun beurt, het kostbaarste dat zij krijgen konden, offerend besteden aan het lijk van hun Heer en Meester.

Salome had het meeste gekocht van wat zij meebrachten. Deze was niet de moeder van Johannes, maar een andere Salome, een rijke vrouw uit Jeruzalem en een verwante van de Heilige Jozef. Zij besloten thans om hun offergaven voor de grafstede op de steen te zetten en treurend te wachten, tot er een discipel zou komen om het gewelf te ontsluiten. En dan schreden zij verder.

Ik zag de soldaten van de wacht in verwrongen houdingen en als bedwelmd hier en daar liggen, de steen was op het voorpleintje weggerukt, naar de achterkant toe, zodat men de deur, die enkel nog aanstond, zonder veel moeite kon openen. Ik zag echter, door de deur heen, de doeken waarmee Jezus’ lijk werd omhuld, in het graf liggen: het grote laken waarin het lichaam werd gewikkeld, heel onveranderd, maar ineengerold en niets anders meer bevattend dan de kruiden; de zwachtel die over het laken heen was gewonden, als afgestroopt, tegen het voeteinde van het graf; de doek, welke Maria om het hoofd had gewikkeld, apart, rechts aan het andere einde, precies zoals Jeus’ hoofd er in gevat was geweest, doch het gedeelte voor het aangezicht thans opgeslagen...

De heilige vrouwen naderden de tuin. Toen zij de vuurpotten bemerkten en even nadien de soldaten vonden bij het graf, werden zij bang en begaven ze zich, langs de tuin heen, een eind in de richting van Golgotha. Magdalena vergat spoedig alle gevaar en liep terug in de tuin; Salome volgde haar op korte afstand. Deze beiden hadden het meeste aangebracht voor de huldiging van het lijk van de Heer. De twee andere vrouwen waren vreesachtig en bleven voor de ingang staan.

Ik zag Magdalena, toen zij dicht bij de wachten kwam, verschrikt weer enkele passen achteruitlopen naar Salome toe. Dan gingen zij echter tezamen, schuw, tussen de wachten door tot tegen het grafgewelf. Zij zagen de steen opzij gewenteld, de deur stond er tegenaan: dat was waarschijnlijk Casius werk geweest. Angstig opende Magdalena een van de deurvleugels en staarde naar het graf met de ledige doeken. Alles was vol glans , een engels zat rechts op het graf. Magdalena was buitenmate ontsteld, en ik weet niet of zij hoorde of de engel iets zei. Ik zag haar ijlings uit de tuin lopen, en door het poortje naar de stad rennen, om de apostelen te waarschuwen, die daar bijeenzaten. Ook van Salome weet ik niet, of zij een woord van de engel vernomen heeft. Ik zag haar dadelijk na Magdalena, helemaal verschrikt, wegvluchten uit het graf en de tuin en de achtergebleven vrouwen opzoeken, om hen te vertellen wat er gebeurd was.

Dit alles gebeurde met grote haast, en met vrees. De andere vrouwen, door Salome ingelicht, waren tegelijk ontsteld en verheugd. Zij aarzelden een poos, of zij al dan niet de tuin zouden binnengaan. Cassius, die na het graf te hebben verlaten, nog een tijdje in de buurt bleef en rondkeek, of hij Jezus niet zag, en vooral of deze zich niet aan de naderende vrouwen zou vertonen, liep nu snel in de richting van de poort, waardoor Jezus buiten de stad werd gevoerd, daar hij Pilatus het nieuws wilde melden. In het voorbijgaan deelde hij de vrouwen, heel kort en algemeen het wonderlijke mee, dat hij gezien had, en spoorde hen aan te gaan kijken. Nu hadden de vrouwen de moed en traden de tuin binnen.

Toen zij, opnieuw met vrees bevangen, waren aangekomen bij het graf, stonden daar twee priesterlijke engelen in een glanzend wit gewaad. De vrouwen schrokken hevig en drukten zich tegen elkaar aan en hielden hun gezicht naar beneden. Een engel sprak tot hen en zei ongeveer het volgende: "Wees niet ontsteld! Zoek de gekruisigde niet hier, want Hij leeft, Hij is verrezen en woont niet langer in het huis van de doden." Hij toonde hun de lege plaats en beval hun aan de discipelen te vertellen wat zij gezien en gehoord hadden. Jezus zou Zijn leerlingen voorgaan naar Galilea, en de leerlingen dienden zich te herinneren wat de Heer in Galilea gezegd had: "De Mensenzoon moet in de handen van de zondaars overgeleverd en gekruisigd worden en de derde dag verrijzen."

Toen verdwenen de engelen. De heilige vrouwen sidderden en beefden maar waren vol van vreugde, ze bekeken het graf en de windsels, weenden en gingen weg. Zij waren bang, maar bleven hier en daar staan om te kijken of zij Jezus niet zouden zien en om te zien of Magdalena niet terugkeerde.

Intussen was Magdalena aangekomen bij het cenakel. Zij was buiten zichzelf en klopte op de deur. Verschillende mannen lagen tegen de muur te slapen en enkelen waren aan het praten. Petrus en Johannes deden open. Magdalena zei op de drempel van de deur: "Zij hebben de Heer uit het graf genomen, maar wij weten niet waarheen zij Hem hebben gebracht!" Na deze woorden liep ze haastig terug naar de tuin. Petrus en Johannes bespraken binnen het nieuws met de andere leerlingen en volgden Magdalena: Johannes liep vlugger dan Petrus.

Ik zag Magdalena de tuin betreden en de grafstede naderen. Ze was helemaal nat van de dauw, haar mantel was van haar schouder gegleden en haar lange haren waren los geraakt. Omdat ze alleen was durfde ze niet onmiddellijk het graf te betreden en bleef zij staan bij de treden die naar het voorpleintje leidden. Ze boog zich voorover om door de deur in het gewelf te kijken en terwijl ze haar lange haren, die over haar aangezicht vielen, met beide handen wegstreek, zag ze twee engelen in priestergewaden zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteinde van het graf.

Tezelfdertijd hoorde ze een van de engelen zeggen: "Vrouw waarom weent ge?" En in haar grote droefenis, [niets anders wetend en niets anders denkend dan dat Jezus’ lichaam daar niet meer was] riep ze uit: "Ze hebben mijn Heer weggenomen uit het graf en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd!"

Terwijl ze dit riep draaide Magdalena, die de ledige doeken had ontwaard, zich om zoals iemand die iets zoekt. Ze geloofde vast Jezus ergens te zullen vinden en had een gevoel van Zijn nabijheid, zelf de verschijning van de engel kon haar van dat gevoel niet afbrengen. Het was alsof ze helemaal niet aan engelen dacht, ze kon alleen maar aan Jezus denken en zei: "Jezus is niet hier." en "waar is Jezus?"

Ik zag haar heen en weer lopen voor de grafstede, zoals een verward en zoekend mens. Haar lange haren hingen links en rechts over haar schouders naar voren. Eerst hield zij haar haren  met twee handen naar rechts en vervolgens sloeg zij rechts en links de golvende haren naar achter en keek ze rond.

Toen zag ze op ongeveer 10 schreden van de rots, in het oosten, waar de tuin oploopt naar de stadmuur, tussen het struikgewas en achter een palmboom een lange witte gedaante in het schemerlicht. Terwijl ze in de richting van de gedaante liep hoorde ze andermaal de woorden: ‘Vrouw, waarom weent ge?’ en dan ‘Wie zoekt ge?’ Zij hield echter de gedaante voor de hovenier, en ik zag hem ook met een schop in de hand en een platte hoed [als een stuk boomschors dat men voorbindt tegen de zon] precies zoals ik de hovenier had gezien in de parabel die Jezus vertelde aan de vrouwen te Bethanië, toen Hij dicht bij Zijn lijden stond.

Het was geen lichtende verschijning, maar die van een mens in een lang wit kleed die bewoog in de schemering. Op de vraag: ‘Wie zoekt ge?’ antwoorden ze zonder dralen: ‘Heer, indien gij Hem hebt weggedragen, zeg mij dan waarheen, want ik wil Hem gaan halen!’ Ze speurde op de grond of Jezus niet in de buurt was. Toen zei Jezus met Zijn gewone stem: ‘Maria!’ Ze herkende de stem en vergat de kruisiging en dood van Jezus, ze zei: ‘Rabboni!’ Ze viel op haar knieën en strekte haar handen naar Zijn voeten uit. Jezus verhief haar hand om haar tegen te houden en sprak: ‘Raak mij niet aan, want in ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen, doch ga naar mijn broeders en zeg hun: ‘Ik stijg omhoog tot mijn Vader, Mijn en uw God.’ Toen verdween de Heer.

Er werd me verklaard waarom Jezus zei Hem niet aan te raken. Ik weet niet helemaal juist hoe de verklaring luidde: ik meen dat Jezus dit gezegd heeft omdat Magdalena zo onstuimig was en zo volkomen het gevoel had dat Hij leefde zoals vroeger. Wat betreft de woorden: "Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader," vernam ik deze betekenis: Ik heb Mij, na mijn verrijzenis nog niet aan mijn hemelse Vader vertoond en Hem voor Zijn overwinning op de dood en voor de verlossing nog niet bedankt.

Het was alsof Jezus daarmee wilde zeggen dat de eerstelingen de vreugde van de Heer God toekomen, alsof Hij Magdalena tot besef wilde brengen dat zij op de eerste plaats God moest bedanken omdat Hij het mysterie van de verlossing volbracht had en over de dood gezegevierd had, want nu had ze verlangt om Zijn voeten te kussen zoals vroeger, aan niets anders gedacht dan aan haar geliefde Meester, en in de vurigheid van haar liefde was zij het hele wonder vergeten.

Ik zag hoe Magdalena, nadat Jezus verdwenen was, al haar krachten bijeenraapte en, alsof zij gedroomd had, opnieuw tot bij het grafgewelf liep. Daar bemerkte ze de twee engelen die op het graf zaten en vernam ze wat de vrouwen in verband met de Verrijzenis hadden gehoord, zag ze de doeken liggen en overtuigd van het wonder, helemaal zeker van wat zij gezien had, snelde ze de tuin uit om haar gezellinnen te zoeken. Deze liepen daar nog te dralen op de weg naar Golgotha, deels in afwachting dat Magdalena zou terugkeren, deels in de hoop de Heer ergens voor ogen te krijgen.

Heel Magdalena’s wedervaren bij het graf van de Heer duurde maar enkele minuten. Het kon ongeveer half drie geweest zijn toen de Heer haar verscheen. Nauwelijks had zij de tuin verlaten of Johannes kwam binnengerend en Petrus een eind achter hem. Johannes bleef staan aan de treden voor de ingang van de grafstede, hij bukte zich en keek door het traliehek naar de halfgeopende deur. Hij zag de omhulsels liggen. Petrus naderde, ging in het gewelf en vond de grafdoeken van twee kanten samengerold naar het midden van het graf toe, met al de kruiden erin gewikkeld en de lange zwachtel er omheen gewonden, zoals de vrouwen dergelijke doeken opgerold bewaren.

Het doek, dat voor het hoofd had gediend, vond hij rechts tegen de wand. Eveneens was alles mooi in orde. Na Petrus trad ook Johannes in het gewelf: hij zag het graf en geloofde in de Verrijzenis. Wat de Heer gezegd had en wat in de Schrift stond was hen duidelijk geworden. Tot heden hadden zij dat maar oppervlakkig aangenomen. Petrus droeg de doeken mee onder zijn mantel en door het poortje in de stadsmuur trokken zij haastig weg. Johannes liep weer voor Petrus uit.

Ik heb met hen en ook met Magdalena het graf bekeken, en telkens zag ik de twee engelen zitten, aan het hoofd- en het voeteinde van het graf, zoals ik hen altijd zag, eveneens zolang Jezus’ lichaam in het graf rustte. Het scheen mij echter dat Petrus hen niet gezien had. Johannes hoorde ik later tot de discipelen van Emmaus zeggen dat hij, kijkend van de treden, een engel had ontwaard. Misschien liep hij daarom, verschrikt als hij was, Petrus eerst het graf binnengaan. Dat hij hiervan niets vermelde in het evangelie was uit nederigheid, omdat hij niet meer wilde gezien hebben dan Petrus.

Pas thans zag ik de wachten uit hun bedwelming komen. Zij namen hun lansen en de vuurpotten die voor hen op de stangen gebrand en de buurt verlicht hadden en verlieten de tuin, geheel ontsteld en bang. Zij gingen in de richting van de stad.

Magdalena had de heilige vrouwen gevonden en hun verteld dat zij Petrus gewaarschuwd had en nadien de Heer in de tuin gezien had, en de engelen bij het graf. De vrouwen antwoordden dat ook zij de engelen te zien hadden gekregen. Hierop snelde Magdalena naar de stad, en de vrouwen gingen nog eens tot aan de tuin, wellicht om de apostelen daar te ontmoeten. Ik zag de wachten enkele woorden met hen spreken.

In de nabijheid van de tuin kwam Jezus, gekleed in een breed wit gewaad dat over Zijn handen neerhing, de vrouwen tegen en zei ‘Wees gegroet!’ toen sidderden zij en zonken zij neer aan Zijn voeten, als wilden zij die omhelzen, maar ik herinner mij niet goed meer of ze dat ook werkelijk deden.

Ik zag echter dat de Heer enkele woorden met hen sprak, met Zijn hand in een bepaalde richting wees en verdween. De heilige vrouwen liepen door de Bethlehempoort naar de Sionberg om de discipelen in het cenakel op de hoogte te brengen dat zij de Heer gezien hadden en hen mee te delen wat Hij gezegd had. In het begin weigerden de discipelen aan hun woorden geloof te hechten. Zij geloofden zelf Magdalena niet, en zolang Petrus en Johannes niet terug waren hielden zij alles voor een inbeelding van de vrouwen.

Johannes en Petrus [die heel diepzinning geworden was van verwondering] ontmoetten onderweg Jacobus de mindere en Thaddeus, die hen hadden willen volgen naar het graf. Ook deze twee waren zeer ontsteld want de Heer was hen verschenen in de buurt van het cenakel. Ik zag dat Jezus de apostelen Johannes en Petrus voorbij was gegaan, en het scheen me dat Petrus Jezus had gezien, want hij was plots zeer geschrokken. Ik weet niet of Johannes de Heer gezien had.

Ik zie in deze visioenen, in Jeruzalem en elders, Onze Heer dikwijls heel duidelijk in het gezelschap van andere mensen, zonder er op te letten of die mensen Hem ook zagen. Soms zie ik dezen en genen plotseling schrikken en verwonderd staan, terwijl de anderen onverschillig blijven en ik weet meteen dat de mensen Hem, toenmaals enkel af en toe gezien hebben.

Evenzo zag ik beide priesterlijke engelen van bij de graflegging altijd in het gewelf zitten. Ik zag tevens dat de heilige vrouwen die engelen nu eens niet, dan slechts één van beide, en dan weer de twee te zien kregen. De engelen die tot de vrouwen spraken waren de priesterlijke verschijnende grafengelen.  Er sprak telkens maar één van die engelen, en er werd ook maar één gezien wanneer de deur niet helemaal geopend was. De engel die schitterend als de bliksem van de hemel afdaalde, de steen wegrukte en er bovenop ging zitten, verscheen in de gedaante van een krijgsman. Cassius en de wachten zagen hem in het begin op de steen zitten.

De engelen welke later het woord voeren waren de engelen binnen het grafgewelf. Waarom dit alles zo geschiedde herinner ik mij niet meer. Toen ik het zag vond ik het niets verwonderlijks. In het visioen is immers alles precies zoals het moet zijn en geen enkel ding komt vreemd of zonderling voor.

Getuigenissen van de grafwachten

Ongeveer een uur na de verrijzenis was Cassius bij Pilatus gekomen. Ik zag de landvoogd nog op zijn legerstede liggen en Cassius daarvoor treden. Diep ontroerd vertelde hij hoe de rots had gebeefd en een engel was neergedaald en de steen opzij had gerukt en hoe de doeken leeg in het grafgewelf hadden gelegen. Jezus was zonder twijfel de Messias, de Zoon van God. Hij was verrezen en niet meer in het graf. En Cassius vertelde nog meer van wat hij had gezien.

Pilatus luisterde vol heimelijke angst, maar liet echter niets blijken aan Cassius. Hij zei tot Cassius: "Gij zijt een dweper, gij hebt zeer dom gedaan om zo dicht bij het graf van de Galliër post te vatten, want nu hebben zijn goden macht over u gekregen en u allerlei dingen voorgetoverd. Ik raad u aan om deze dingen te verzwijgen tegenover de Joodse priesters, anders zou het u slecht kunnen bekomen."

Pilatus deed nog alsof hij geloofde dat Jezus’ leerlingen het lijk gestolen hadden en de wachten alleen het tegendeel beweerden om zich te verontschuldigen, daar zij het toegelaten hadden of hun taak verwaarloosd hadden of misschien omdat zij betoverd waren. Na zulke geveinsde uitlatingen van de landvoogd ging Cassius heen en liet Pilatus liet weer offers brengen aan zijn goden.

Vier van de teruggekeerde soldaten kwamen hem hetzelfde meedelen als Cassius. Tegenover die mannen liet Pilatus geen woord los en hij zond ze naar Caïphas. Tezelfdertijd zag ik de andere wachten in de buurt van de tempel een grote binnenplaats betreden, waar veel oude Joden vergaderd waren. Ik zag de Joden beraadslagen en zag hoe zij de soldaten apart namen en hen met geld en bedreigingen er toe bewegen wilden te vertellen dat Jezus’ leerlingen het lijk hadden gestolen terwijl de wacht aan het slapen was.

Toen de soldaten daartegen inbrachten dat hun makkers, die Pilatus waren gaan melden wat er gebeurd was, hen zouden tegenspreken, beloofden de Farizeeërs dat ze dat zaakje wel zouden opknappen.

Intussen verschenen de vier wachten die Pilatus naar Caïphas had gestuurd, en hielden ze de verklaring staande die zij voor de landvoogd hadden afgelegd. Het was reeds bekend geworden dat Jozef van Arimathea op onverklaarbare wijze was ontsnapt uit de kerker, waarvan de deuren gesloten bleven.

Toen de Farizeeërs de waarheidlievende soldaten verdacht wilden maken, als hadden zij, in hun verstandhouding met de discipelen, tot het ontvoeren van Jezus’ lijk geholpen, en hen zwaar bedreigden, zo zij dat lijk niet wederom te voorschijn haalden, antwoordden de mannen, dat zij dit evenmin konden, als de wachten bij de kerker van Jozef van Arimathea, deze laatste, die ook verdwenen was, weer voor de dag konden halen.

Zij verweerden zich dapper en waren niet om te kopen, lieten zich door niets de mond snoeren, spraken zelf vrijuit en met luide stem over het gruwelgeding van de voorbije vrijdag, waardoor dit jaar niets van het paschafeest terecht was gekomen. Men nam hen gevangen en sloot hen op.  De anderen echter brachten het gerucht in omloop dat Jezus’ lijk door de leerlingen gestolen werd, en de farizeeërs, Sadduceeërs en Herodianen lieten nadien deze leugen overal verspreiden en in de synagogen van de hele wereld afkondigen, aangedikt met smadelijke vertelsels over Jezus.

Weinig toch baatte die leugen, want na Jezus’ verrijzenis verschenen nog vele zielen van gestorven heilige Joden hier en daar aan diegenen onder hun nakomelingen, welke nog vatbaar waren voor een genade, een aandoening van de ziel, een schok van het hart, en bewerkten hun bekering. Ook tot vele discipelen die wankelend in hun geloof, moedeloos rondliepen in het land, zag ik dergelijke verschijningen naderen, welke hen troostten en hun geloof bevestigden.

De opstanding van het dode lichamen uit het graf, na Jezus’ dood, geleek in het niets op de verrijzenis van de Heer. Jezus immers stond op met Zijn vernieuwd, verheerlijkt lichaam, wandelde levend in het volle daglicht over de aarde en steeg met dit glorieuze lichaam voor de ogen van zijn vrienden ten hemel, en dit lichaam was geen tweede maal aan de dood en het graf onderworpen, terwijl die andere, uit het graf opgerezen lichamen slechts wandelden en voor de rest bewegingloze lijken waren, de zielen gegeven tot een hulsel en door die zielen wederom neergelegd in de schoot van de aarde, waar zij, met ons allen, de verrijzenis op de jongste dage voorbereiden.

Ja, zij waren minder van de dood opgestaan zoals Lazarus, die werkelijk leefde en later een tweede keer stierf. Zij werden als een kleed van de ziel weer in hun graven gelegd, zoals ook Jezus’ lichaam eens ten grave werd gedragen.

Slot

Ik zag ook, ik meende de volgende zondag, hoe de Joden de tempel begonnen schoon te maken, af te wassen en te schuren. Zij strooiden kruiden en as van doodsbeenderen uit, brachten zoenoffers, ruimden op, sloegen de ingestorte gedeelten met planken en tapijten dicht, en haalden daarna datgene van het paasfeest in, wat zij de dag zelf niet ten einde hadden kunnen brengen.

Zij onderdrukten alle gepraat en gemor, verklaarden de storing van het feest en de beschadiging van de tempel als gevolgen van het beven van de aarde en de aanwezigheid van het onreine bij het offer, waarbij zij iets lieten horen [in welk verband weet ik niet meer] van een visioen dat Ezechiël had gehad over verrezen doden. Voor de rest dreigden zij met straffen en de banvloek.

Zij brachten op die manier wel alles tot zwijgen [zo velen hadden ook schuld aan het gebeurde], maar eigenlijk lukte het toch enkel maar, de grote, verstokte, verloren hoop van het volk te kalmeren. De goeden bekeerden zich nu stilzwijgend en deden dat luidop op het Pinksterfeest, of bekeerden zich later, in hun geboortestreek, dankzij de prediking van de apostelen. De opperpriesters werden van dag tot dag kleinmoediger. Het was immers zo, dat reeds ten tijde van het diaconaat van Stephanus heel Ophel en het oostelijk gedeelte van de Sionswijk niet langer volstonden om de menigte van de gemeente van Christus te herbergen, en de Christenen hun hutten en tenten bouwden van aan de stad door het Cedrondal tot tegen Bethanië.

Ik zag in deze dagen Annas als een bezetene. Men sloot hem op en hij kwam niet meer te voorschijn. Caïphas, van zijn kant, werd bijna gek van heimelijke woede. De donderdag na Pasen, zei zij:  "Vandaag zag ik hoe Pilatus zijn vrouw liet zoeken en alle moeite van de zoekers vergeefs was."

Ik zag haar ondergedoken in het huis van Lazarus in Jeruzalem. Niemand vermoedt dat zij daar zit, want er zijn geen vrouwen in het huis en alleen Stephanus, de jongeling, die als discipel nog niet zo goed bekend is, gaat er soms in en uit. Hij brengt Claudia Procle voedsel en nieuws, en bereidt haar voor op het geloof. Stepdans is met Paulus verwant, hij is de zoon van de broer van Paulus’ vader.

Simon van Cyrene kwam na de Sabbat bij de apostelen en verlangde om opgenomen en gedoopt te worden.

Hiermee eindigt het verhaal van de passievisioenen, die duurden van 18 februari tot de zondag na Pasen [6 april], in 1823.

Einde

» Reageer (0)
02-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 5.2 Jezus' kruisiging
A.C. Emmerich: Hoofdstuk 5.2 Jezus' kruisiging

Hoofdstuk 5.2 Jezus' kruisiging

Jezus draagt Zijn Kruis naar Golgotha

Oprichting van het Kruis

Nadat zij Jezus hadden vastgenageld, trokken zij het kruis, met behulp van touwen die aan de rugkant aan ringen werden bevestigd, naar de kruin van de berg, wierpen de touwen hier over de dwarsbalk van de gereedgemaakte stellage, en terwijl vele beulsknechten hun krachten verenigden om het kruis in de hoogte te halen, waren anderen bezig met lange haken om een richting te geven aan de stam, zodat de voet precies in de kuil zou terechtkomen. Zij die boven stonden, duwden het kruis aan de kop nog iets vooruit en het hing nu even, met zijn ganse last, loodrecht naar beneden en plofte dan zwaar neer in de kuil. De kruisboom trilde van die vreselijke plof, Jezus jammerde met hoge stem, Zijn strak gespannen lichaam zonk omlaag, de wonden werden breder, het bloed vloeide rijkelijker en de uit hun gelid gerukte beenderen stootten tegen elkaar. De beulsknechten stampten het kruis vast in de kuil en sloegen er vijf wiggen tegenaan: een vóór het kruis, een rechts, een links en twee aan de ietwat ronde achterzijde.

Het was een verschrikkelijk en tegelijk diep aangrijpend moment, toen het kruis, onder het hoongeschreeuw van de beulen, de Farizeeërs en grote drommen volk, die ook van op afstand Onze Heer nu konden zien, in de hoogte ging en kort daarna met een geweldige schok neerkwam. Doch er stegen eveneens vrome, deernisvolle stemmen naar de kruisboom op. De heiligste stemmen ter wereld, die van de jammerende moeder, de vriendinnen en de vriend, de stemmen van allen die zuiver van hart waren, begroetten in een ontroerende weeklacht het eeuwige, vleesgeworden Woord, verheven aan het kruis. De handen van de liefhebbenden rezen bangelijk omhoog, als wilden zij hulp bieden, toen de heiligste der heiligen, de bruidegom van alle zielen, levend op het martelhout genageld, in de handen van de tierende zondaars tussen hemel en aarde zweefde.

Toen dan het kruis loodrecht met zijn voet in de kuil zonk, zodat de grond er van dreunde, trad er een kort zwijgen in. Allen schenen overmeesterd door een nieuw, een onbekend gevoel. Zelfs de hel kromp ineen bij de plof van het zinkende kruis: zij voelde vrees, maar zou zich spoedig daartegen verzetten en nogmaals vloeken en schimpend zich uiten door de mond van wie haar werktuigen waren. De arme zielen echter in het voorgeborchte vervulde de blijdschap van het laatste wachten, zij luisterden vol hoop en heimwee naar die zware plof, die hun toeklonk als de klop van de naderende overwinnaar aan de poort van de Verlossing.

Het heilige kruis stond opgericht in het middelpunt van de aarde, zoals eveneens de boom des levens in het midden van het Paradijs, en uit de brede wonden van Jezus vloeiden vier heilige stromen neer op de aarde, vier stromen die de vloek van haar zouden wegspoelen en haar vruchtbaar zouden maken, als een ander Eden, voor deze nieuwe Adam.

Toen onze Heiland opgeheven stond tegen de kruisboom, en het spotgeschreeuw voor enkele weinige ogenblikken onderbroken werd door het zwijgen van de verbijstering, klonk vanuit de tempel herwaarts het geluid van vele trompetten en bazuinen. Zij kondigden aan dat de slachting van het zinnebeeldige Paaslam ginder begonnen was, en hun geschal ging plechtig, als bezwerend, in de stilte die hier het smaadgeroep, en ook de weeklachten, rondom het ware, geslachte Lam Gods kwam onderbreken. De herinnering aan het woord van de Doper: "Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld op Zich genomen heeft!" Vermurwde menig, versteend hart.

De ronde kruin van Calvarië was zowat twee voet hoog. Toen het kruis er vlak boven de open kuil kwam, bevonden Jezus’ voeten zich op manshoogte, en toen het in de kuil vaststond, konden de vrienden die voeten omarmen en kussen. Jezus’ aangezicht was naar het Noordwesten gekeerd.

Krusiging van de moordenaars

Terwijl Jezus aan het kruis werd genageld, lagen de moordenaars nog met de handen aan de dwarsbalken gebonden naast de weg die daar op de oostkant van Calvarië loopt. Zij lagen op hun rug en de wacht stond bij hen. Zij waren beiden, onder de verdenking, dat zij een Joodse vrouw, die met haar kinderen op reis was, tussen Jeruzalem en Joppe hadden vermoord, gevangen genomen in een slot daar in de streek, waar Pilatus meer dan eens vertoefde, wanneer er krijgsoefeningen werden gehouden, en zijzelf zich voordeden als rijke kooplieden. Zij hadden lang gekerkerd gezeten, tot men het bewijs had van hun schuld en de veroordeling van hun schuld volgde. Nadere bijzonderheden weet ik niet meer. De moordenaar die links van Jezus zou komen hangen, was de oudste en een grote booswicht, hij was de verleider en gebieder van diegene die zich hier bekeerde. Men noemt hen gewoonlijk Dismas en Gesmas. Ik ben hun juiste namen vergeten en zal daarom de goede moordenaar Dismas en de slechte Gesmas noemen.

Zij behoorden allebei tot de roversbende uit het Egyptische grensgebied, in wiens herberg de Heilige Familie met het kind Jezus, tijdens de vlucht naar Egypte, had overnacht. Dismas was toen een kleine melaatse knaap. Op Maria’s aanraden had zijn moeder hem gewassen in het badwater van het kindje Jezus, en hij was ogenblikkelijk gezond geworden. De barmhartigheid van zijn moeder ten opzichte van de Heilige Familie, de bescherming die zij het Heilig Gezin had verleend tegenover de slechten rondom haar, werden dus beloond. Vandaag nu zou wat Dismas eens uiterlijk te beurt viel, innerlijk in vervulling gaan, gereinigd als hij straks zou worden door Jezus’ bloed.

Dismas was heel en al verlopen, hij kende de Heer niet, maar hij was niet kwaadaardig en Jezus’ geduld had hem getroffen. Terwijl hij hier neerlag, sprak hij met Gesmas voortdurend over Jezus. Hij zegde onder meer: "Het is verschrikkelijk, hoe zij de Galileeër behandelen. Hij moet met zijn nieuwe Wet wel groter kwaad hebben bedreven dan wij, maar hij heeft een eindeloos geduld en macht over alle mensen." Hierop antwoordde Gesmas: "Welke macht heeft hij dan? Indien hij zo machtig is als men zegt, zou hij ons allemaal ook kunnen helpen." ... Zulke dingen spraken zij tot elkaar, en toen Jezus’ kruis werd opgericht, kwamen de rakkers, riepen "dat de beurt nu aan hen was," bonden hun armen los van de dwarsbalken en sleepten hen neer. Men maakte grote spoed, want de zon scheen dof en er ging iets om in de natuur, dat een naderend onweer voorspelde.

De beulsknechten plaatsten ladders tegen de reeds opgerichte stammen, in wiens boveneinde zij vervolgens de kromme dwarsbalken bevestigden door middel van pennen. Hierna plaatsten zij twee ladders-met-één-stijl tegen ieder kruis, en op deze ladders gingen de beulen staan. Intussen had men de moordenaars laten drinken van het azijnbrouwsel waarin mirre gemengd was, hun de slechte, aan beide zijden open wambuizen afgerukt en touwen om hun armen geknoopt. De losse einden van die touwen werden over de kruisarmen gegooid, en terwijl men eraan trok, bestegen de veroordeelden, die ook nog slaag kregen, de sporten welke vooraf in de stammen waren gestoken. Andere touwen [uit bast gevlochten, naar ik meen] waren vastgemaakt aan de kruisen en daarmee werden de moordenaars, wiens armen men verwrong over de dwarsbalken heen, gebonden en gekneveld boven de polsen en de ellebogen, de knieën en de enkels. Met behulp van de stokken draaiden de beulen de touwen zo geweldig aan, dat de spieren van de aan het kruis gebondenen bloedden en hun beenderen kraakten. Gesmas en Dismas brulden verschrikkelijk van de pijn. De laatste van de twee had gezegd, toen men hem de stam deed opklimmen: "Waart gij met ons te werk gegaan zoals met de arme Galileeër, gij hoefde ons nu niet meer omhoog te trekken."

Dobbelen om Jezus' naadloze rok

De kruisigers hadden de kleren van Jezus in enkele stapeltjes op de plaats gelegd, waar de moordenaars hadden gelegen, en zouden nu die kleren onder elkaar verdelen. De mantel was van boven smaller dan van onder en had vele plooien; op de borst was de stof dubbel genomen, zodat er naar binnen zakken werden gevormd. Zij scheurden hem in repen en gaven ieder zij deel; ook het lange, witte opperkleed, dat open was aan borst en er met riemen was dichtgesnoerd, scheurden zij in repen, waarvan ieder het zijne kreeg; zij deden hetzelfde met de zweetdoek, de gordel, het scapulier en de lendendoek, die alle doordrongen waren van het bloed van de heer. Over de bruine, naadloze rok ontstond getwist; dat was geen kledingstuk om te scheuren. Zij namen dan een plank waarop cijfers stonden, haalden boonvormige, van tekens voorziene stenen, die zij bij zich droegen, te voorschijn en gooiden die over de plank, om dus het lot te laten beslissen, wie van hen de rok zou meenemen. Toen kwam daar een bode, van mensen met wie Nicodemus en Jozef van Armithea hadden afgesproken, tot hen gelopen en zei, "dat er zich kopers voor de kleren van Jezus aan de voet van de berg bevonden." Vlug raapten zij alles bijeen, liepen naar beneden en verkochten de kleren. En zo bleven deze heilige relieken onder de Christenen.

De gekruisigde Jezus en de moordenaars

Na de vreselijke schok, bij de oprichting van het kruis, begonnen de wonden in Jezus’ hoofd, dat onder de zware doornenkroon hevig heen en weer werd geschud, overvloedig te bloeden, en ook uit de handen en voeten van Jezus liep Zijn heilig bloed in stromen neer. De beulsknechten gingen op de ladders staan en ontdeden Hem van de touwen, waarmee zij Zijn heilig lichaam aan de kruisstam hadden gebonden om te verhinderen dat Hij, terwijl het kruis werd opgericht, van de nagelen zou zijn losgeraakt. Jezus’ bloed, dat in zijn loop was gestremd toen Hij daar vast ombonden neerlag, kreeg nu weer vrije beweging. Al Zijn pijnen vernieuwden zich, verlamden Hem heel en al, zodat Hij het hoofd liet zinken en wel zeven minuten lang bewusteloos hing, als was Hij dood.

Op Calvarië was het voor een korte poos kalm geworden. De beulen waren bezig met het verdelen van Jezus’ kleren en het bazuingeschal uit de richting van de tempel stierf weg. Haat en smart hadden de aanwezigen afgemat, en ik zag mijn Jezus, mijn Heil, het Heil van de wereld: onbeweeglijk, als dood, bewusteloos van pijn. Strak keek ik Hem aan met schrik en medelijden, voelde mijzelf ook de dood nabij, meer stervend dan levend. Mijn hart was vol bitterheid, vol liefde en leed. Mijn hoofd leek in een nest te zitten van doornen en stekels, om waanzinnig te worden; mijn handen en voeten gloeiden van de pijn; zoals bliksemstralen schoten duizend onuitsprekelijke pijnen door al mijn aderen en zenuwen, ontmoetten elkaar in al de ledematen en organen van mijn lichaam, vochten tegeneen waar zij elkaar ontmoetten en veroorzaakten nieuwe kwellingen. En heel dat ontzettende lijden was toch louter liefde, al dat bliksemende vuur van pijn en zeer was toch voor mij een stikdonkere nacht, waarin ik niets, niets anders zag dan mijn gekruisigde Bruidegom, de Bruidegom van alle zielen, en ik staarde naar Hem in grote ellende, maar ook vol vertroosting.

Zijn aangezicht, met bloed in de ooghoeken, de haren, de baard en de smachtend geopende mond, was naar Zijn borst gekeerd, en het zou Hem onuitsprekelijke moeite kosten, gehinderd als Hij werd door de grote, vreselijke doornenkroon, het hoofd nog omhoog te heffen. Zijn borst stond breed gespannen en geweldig naar voor, Zijn oksels vormden een wijde, verschrikkelijke holte. Zijn ellebogen en polsen leken uit het gelid gerukt, het bloed stroomde uit de wrede wonden van de handen langs Zijn armen neer. Beneden de borst was het lichaam diep ingevallen. Zijn onderlijf was hol en smal, als weggesmolten. Evenals de armen, waren de benen en lenden van Onze Heer op een verschrikkelijke manier ontwricht. Zo geweldig waren Zijn ledematen uitgerekt, de spieren en de hier en daar gescheurde huid stonden zo ellendig gespannen, dat men al Zijn beenderen kon tellen. Van onder de gruwelijke nagel, die Zijn heilige voeten doorboorde, droop het bloed over de kruisstam. Heel Zijn heilig lichaam was met wonden, rode bleinen, striemen, bruine, blauwe en gele vlekken en builen bedekt, op talloze plaatsen jammerlijk geschonden. De hevige spanning deed Zijn wonden opengaan. Zijn rode bloed werd stilaan bleek en waterig, het lichaam altijd witter, wondkorsten vielen af en weldra zou Hij geheel leeggebloed schijnen. En toch, niettemin al de afschuwelijke verminkingen, Hem toegebracht, bleef het lichaam van Onze Heer aan het kruis onbeschrijfelijk edel en ontroerend schoon. Ja, de Zoon Gods, de eeuwige, zich binnen de tijd offerende Liefde was schoon, zuiver en heilig in het vermorzelde, met de zonden van alle mensen beladen lichaam van het stervende Paaslam.

Nu was Zijn haar voor het grootste deel uitgetrokken, wat overbleef, plakte aaneen van het bloed. Zijn lichaam liet wonde naast wonde zien, Zijn borst was als gebroken, Zijn onderlijf ingedrukt, de ribben staken hier en daar door de gescheurde huid heen. Tussen borstkas en buikstreek was Zijn uitgerekt lichaam zo smal, dat het de kruisstam niet helemaal bedekte.

Het kruis was aan de achterzijde ietwat rond, vooraan vlak, en uitgestoken op de plaatsen war men dat nodig had gevonden; de stam was ongeveer even breed als dik. De stukken waaruit het kruis bestond, hadden niet allemaal dezelfde kleur, het ene stuk was van een bruine, het andere van een geelachtige houtsoort. Het donkerst gekleurd was de stam, zoals hout dat lang in het water heeft gelegen.

De kruisen van de moordenaars waren ruwer. Zij stonden links en rechts op de bergkruin, tegen de rand aan, ver genoeg van dat van Jezus af om een man te paard doorgang te verlenen; zij stonden ook dieper dan het kruis van Onze Heer en een beetje naar elkaar toegekeerd. De moordenaars, biddend of schimpend, hieven het hoofd tot Jezus op. De Heer, met Dismas sprekende, hield Zijn hoofd omlaag. Afschuwelijk zagen de gekruisigde rovers eruit, vooral diegene die links hing; een grimmige kerel, nu helemaal dronken, en die niets anders deed dan vloeken en schelden. Zij hingen daar allebei verwrongen, gebroken, gezwollen. De touwen sneden in hun vlees, hun gezicht was bruin en blauw, hun lippen waren bruin, van de azijndrank en het opdringende bloed, hun ogen dik en rood, puilden uit de holten. Zij hadden vervaarlijk gebruld en geschreeuwd, terwijl men hen knevelde: Gesmas vloekte en lasterde aan één stuk door. De pennen waarmee men de dwarsbalken bevestigd had, drukten hun hoofd naar voor: zij sidderden en kromden zich van de pijn, en één was er in geslaagd, een voet uit de sterk aangetrokken touwen hogerop te krijgen, zodat zijn knie naar voor kwam.

Bespotting en eerste woord van Jezus aan het Kruis

Jezus nu richtte Zijn hoofd iets naar omhoog en zei: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen," en bad in stilte voort. Toen riep Gesmas: "Als gij de Christus zijt, red dan uzelf en ons meteen!" Het geschimp ging zijn gang, maar Dismas, de rover die rechts van Jezus hing, werd diep ontroerd, toen Onze Heer bad voor zijn vijanden. Maria, die de stem van haar kind vernam, liet zich niet langer tegenhouden en drong door tot binnen de aarden wal. Johannes, Salome en Maria van Cleophas volgden haar, en de hoofdman joeg hen niet weg.

Op het ogenblik dat de Heilige Maagd naderbij trad, ontving Dismas, dankzij Jezus’ gebed, een straal van innerlijke verlichting. Het werd hem duidelijk dat Jezus en Zijn moeder hem reeds eenmaal hadden geholpen, toen hij nog een kind was. Luid en krachtig verhief hij zijn stem en riep ongeveer zo: "Hoe is het mogelijk! Gij lastert Hem zonder ophouden, en Hij, Hij heeft steeds gezwegen, alles duldende, en Hij bad voor u. Hij is een profeet, Hij is onze koning, de Zoon Gods!" Deze onverwachte strafrede uit de mond van de ellendig gekruisigde rover deed een gewoel ontstaan onder de spotters. Zij grepen keien en wilden hem stenigen waar hij hing, maar de hoofdman, Abenadar, verhinderde dat. Hij liet de woedenden uiteendrijven en herstelde de orde.

Intussen voelde de Heilige Maagd zich helemaal gesterkt door Jezus’ gebed. En Dismas zei tot Gesmas, die naar Onze Heer had geschreeuwd: "Als gij de Christus zijt, red dan uzelf en ons meteen: Ook gij vreest God nog niet, al ondergaat ge toch dezelfde straf. Wij echter lijden deze foltering terecht, want wij krijgen het verdiende loon voor onze daden, maar Hij daar heeft niets verkeerds gedaan. O, bezin u in deze stonde en laat uw ziel tot inkeer komen, enz..." Dismas werd geheel verlicht en ten zeerste ontroerd. Hij beleed Jezus zijn schuld zeggende: "Heer, indien Gij me verdoemt, zal ik hebben wat mij toekomt, meer erbarm U over mij." Onze Heer gaf hem te verstaan: "Gij zult mijn barmhartigheid ondervinden." De genade van een diep berouw viel de goed moordenaar een kwartier lang ten deel.

De dingen, die ik hier laatst heb verteld, geschiedden meestal tegelijkertijd, of dicht na elkaar, tussen twaalf uur en half één, volgens de stand van de zon: zij begonnen een paar minuten na de kruisoprichting. In de ziel van vele toeschouwers nam spoedig alles een andere wending, want terwijl de berouwhebbende moordenaar nog aan het spreken was, deed een groot teken zich voor in de natuur en vervulde allen met angst.

Zonsverduistering. Tweede en derde woord van Jezus aan het Kruis

Tot ongeveer tien uur, toen het vonnis door Pilatus werd uitgesproken, was verschillende keren hagel neergevallen, dan werd het tot twaalf uur helder, met zonneschijn, en nu kwam een doffe, rode nevel voor de zon hangen. Omstreeks het zesde uur volgens de Joodse tijdrekening [naar ik opmerkte, zowat half een volgens de stand van de zon] greep er een wonderbare zonsverduistering plaats. Het verschijnsel werd mij uitvoerig verklaard, maar ik kon niet alles onthouden en beschik ook niet over de nodige termen om het na te vertellen. In het begin, toen ik het zag aankomen, was het alsof ik mij ergens buiten de aarde bevond; ik zag allerlei hemelkreitsen en sterrenbanen door elkaar wentelen. Ik zag de maan aan een andere kant van de aarde, zag haar een snelle loop of sprong nemen, als een vliegende vuurkogel.

Daarna was ik wederom in Jeruzalem en zag de maan, vol en bleek, tevoorschijn schieten boven de Olijfberg; met grote spoed schoof zij, in de richting van Oost naar West, voor de zon, die een nevelrand had. Eerst ontwaarde ik aan de oostkant van de zon een soort lage, donkere wolk. Deze werd als een berg, die weldra de zon helemaal bedekte. De kern van het beeld was vaal, er omheen een rode ring. De hemel werd helemaal duister, de sterren traden roodglimmend in het zicht.

Een buitengewone schrik kwam over mensen en dieren: het vee brulde en liep weg, de vogels zochten ijlings een schuilplaats, vielen in grote vluchten neer op de heuvelen rondom Calvarië, men kon ze vangen met de handen. De spotters hielden hun mond, de Farizeeërs probeerden nog alles natuurlijk uit te leggen, doch het lukte hun slecht en ook zij voelden zich inwendig door angst gegrepen. Alle mensen keken omhoog, naar de hemel. Velen sloegen zich voor de borst, wrongen zich in de handen en riepen: "Zijn bloed komt over Zijn moordenaars!" Velen, in de verte en dichterbij, wierpen zich op de knieën, smeekten Jezus om vergiffenis, en Jezus, de Man van Smarten, wendde Zijn ogen naar hen.

Een buitengewone schrik kwam over mensen en dieren. Het vee brulde en liep weg, de vogels zochten ijlings een schuilplaats, vielen in grote vluchten neer op de heuvelen rondom Calvarië, men kon ze vangen met de handen. De spotters hielden hun mond, de Farizeeërs probeerden nog alles natuurlijk uit te leggen, doch het lukte hun slecht en ook zij voelden zich inwendig door angst gegrepen. Alle mensen keken omhoog, naar de hemel. Velen sloegen zich voor de borst, wrongen zich in de handen en riepen: "Zijn bloed komt over Zijn moordenaars!" Velen, in de verte en dichterbij, wierpen zich op de knieën, smeekten Jezus om vergiffenis, en Jezus, de Man van Smarten, wendde Zijn ogen naar hen.

Terwijl de duisternis toenam, allen naar de hemel staarden en het kruis daar verlaten stond van iedereen, behalve van Jezus’ Moeder en de naaste vrienden, hief Dismas, die in een diep berouw verzonken was geweest, zijn hoofd tot Jezus op en sprak, vol deemoedige hoop; "Heer, laat mij ergens belanden, waar Gij mij zult verlossen. Gedenk mij, wanneer Gij in Uw rijk zijt gekomen!" En Jezus zei hem: "Voorwaar, ik zeg u: heden zult ge met Mij zijn in het Paradijs."

De Moeder van Jezus, Magdalena, Maria van Cleophas en Johannes stonden tussen de kruisen van de moordenaars en Jezus’ kruis in. Hun ogen lieten de Heer niet los en de Heilige Maagd, geheel in de macht van haar moederliefde, smeekte innerlijk zeer vurig, dat Jezus haar mee zou laten sterven. Toen keek de Heer Zijn lieve moeder met grote ernst en medelijden aan, keerde Zijn blik even naar Johannes en sprak dan tot Maria: "Vrouw, ziedaar uw zoon. Hij zal het nog meer zijn dan wanneer gij hem gebaard had." Hij sprak de lof van Johannes en zei: "Hij is altijd argeloos geweest in zijn geloof en heeft zich nooit geërgerd, tenzij toen zijn moeder hem op een hogere plaats wilde zien." Tot Johannes zelf zei hij: "Ziedaar uw moeder." En Johannes omarmde de Moeder van Jezus, die nu ook zijn moeder was geworden, eerbiedig, zoals een vrome zoon, onder het kruis van de stervende Heiland. De Heilige Maagd was echter door de plechtige verklaring van haar stervende zoon zo diep en smartelijk aangedaan, dat zij bewusteloos in de armen zonk van de heilige vrouwen, die haar een poosje lieten neerzitten op de aarden wal, rechtover het kruis, en haar vervolgens naar de vriendinnen brachten, die zich buiten de muur bevonden.

Ik weet niet of Jezus al die woorden met Zijn heilige lippen en luid heeft uitgesproken, maar ik vernam ze toen Hij, voor Zijn dood, Zijn heilige moeder aan Johannes tot moeder gaf en Johannes tot zoon aan Maria. In visioenen als de hier navertelde verneemt men vele dingen die nergens geschreven staan, en men kan slechts bitter weinig ervan met behulp van gewone woorden meedelen. Wat daar zo duidelijk is, dat men meent: het is toch vanzelfsprekend en behoeft geen uitleg, vermag men nadien niet met woorden verstaanbaar te maken.

Zo verwondert men zich tijdens het visioen niet in de minste mate over het feit, dat Jezus, zich richtend tot de Heilige Maagd, niet "moeder" zegt, maar "vrouw," want men is zich bewust van Maria’s waardigheid, als "de Vrouw" die daar komen zou om de kop van de slang te verpletteren, men voelt die waardigheid zo scherp en klaar, op het ogenblik dat de belofte door de offerdood van de Mensenzoon in vervulling gaat. Men verwondert er zich niet over, dat Jezus aan haar die uit de mond van de engel de groet te horen kreeg: "Gij zijt vol genade!," Johannes tot zoon geeft, terwijl men ziet, dat de naam "Johannes" een naam is, die genade betekent, want allen zijn daar precies wat hun naam zegt, en Johannes was een kind geworden van God en Christus leefde in hem.

Men voelde tijdens het visioen dat Jezus, met de woorden die Hij sprak, Maria tot moeder heeft gegeven aan allen die, Hem ontvangend en gelovend in Zijn naam zoals Johannes, kinderen van God worden, niet uit bloed, noch uit de wil van vlees of man, maar uit God zelf geboren. Men voelde dat de reinste, deemoedigste, gehoorzaamste, die op het ogenblik toen zij sprak tot de engel: "Ziehier de dienstmaagd des heren, mij geschiede naar Uw woord," de moeder was geworden van het eeuwige, vleesgeworden Woord, ook nu, nu zij van haar stervende zoon vernam dat zij de geestelijke moeder voor een andere zoon zou zijn, temidden van de vreselijke smarten die afscheid haar deed lijden, deemoedig gehoorzaam in haar hart herhaalde: "Ziehier de dienstmaagd van de heer, mij geschiede naar Uw woord," en alle kinderen Gods, alle broeders van Jezus als haar kinderen aannam. Dit alles verschijnt daar zo eenvoudig en noodzakelijk, en wordt hier zo ingewikkeld, dat men het door Gods genade meer voelend begrijpt dan men met woorden uitdrukken kan. Bij dergelijke dingen moet ik steeds voor de geest houden wat mijn hemelse bruidegom mij eens zei: "In de gelovende, hopende en beminnende kinderen van de Kerk staat alles geschreven."

Hoe het was in de stad en de tempel tijdens de zonsverduistering

Het liep nu tegen half twee, en ik werd naar de stad gevoerd om te zien hoe het daar was. Ik vond overal angst en ontzetting, nevel en nachtdonker vulden de straten, de mensen strompelden tastend her en der. Velen lagen ergens in een hoek, het hoofd in de mantel of de sluier gedoken, en sloegen zich voor de borst, vele anderen stonden van op de daken naar de hemel te kijken en jammerden. De dieren brulden en verborgen zich, de vogels vlogen laag en vielen neer. Ik zag dat Pilatus de viervorst Herodes was gaan bezoeken en dat beiden vol schrik naar de hemel staarden.Zij stonden op hetzelfde platte dak, vanwaar Herodes deze ochtend de bespotting van Jezus mee had aangezien. Datgene wat nu geschiedde, was niet natuurlijk, zeiden zij: men had voorzeker Jezus teveel doen lijden.

Hierna zag ik Herodes en Pilatus over het Forum gaan, naar het paleis van de laatstgenoemde. Zij waren allebei zeer beangstigd, liepen met grote passen en waren door wachten omringd. Pilatus keek niet in de richting van Gabbatha, waar hij Jezus veroordeeld had. Het forum lag er verlaten bij en hier en daar vluchtten mensen de huizen binnen. Slechts enkelen dwaalden weeklagend rond. Op andere publieke plaatsen kwamen hoopjes volk tezamen. Eenmaal in zijn paleis, liet Pilatus de oudste Joden roepen en vroeg hun, "wat zij dachten dat deze duisternis betekende. Hijzelf zag er een bedreiging in, hun God scheen over hen in toorn te zijn ontstoken, daar zij met geweld de dood hadden verlangd van de Galileeër, die wis en vast hun profeet en koning was geweest. Hij, Pilatus, had zijn handen gewassen..., enz..." De oudsten van de Joden echter bleven hardnekkig, verklaarden alles als een gewoon natuurverschijnsel en bekeerden zich niet. Vele andere lieden bekeerden zich wel, onder meer de soldaten die gisteren bij de gevangenneming van Jezus, op de Olijfberg, waren omvergevallen en weer opgestaan.

Intussen verzamelde zich van hier een grote menigte volksmensen voor Pilatus’ paleis. Ter plaatse waar deze ochtend de scharen hadden geschreeuwd; "Kruisig hem, weg met hem’", riepen zij nu: "Onrechtvaardige rechter! Zijn bloed komt over Zijn moordenaars." Pilatus moest zich door soldaten laten beschermen. Dezelfde Zadoch, die ’s morgens, toen Jezus in het rechthuis werd geleid, met luide stem getuigd had van de onschuld van de Heer, riep en tierde nu zo geweldig, dat Pilatus er bijna aan toe was, hem te doen vastgrijpen. Pilatus, de ellendige, zielloze mens, maakte de Joden de bitterste verwijten. Hij had part noch deel, zei hij, aan Jezus’ dood; de Galileeër was hún koning, hún profeet, hún heilige geweest, en niet de zijne, Jezus ging hém, de Romein, niets aan. De Joden hadden de dood van Jezus gewild, zij hadden Hem om het leven gebracht.

In de tempel heerste angst en schrik, zoals nergens angst en schrik heersten. Men was er juist bezig, het Paaslam te slachten, toen plots de duisternis inviel. Alles liep in de war en hier en daar stegen bange weeklachten op. De opperpriesters deden alles om rust en orde te handhaven, men ontstak alle lampen waarover men beschikte, maar de verwarring werd nog groter. Ik zag Annas ten prooi aan een pijnlijke vrees, hij liep van de ene hoek in de andere om zich te verschuilen. Toen ik de stad verliet, zag ik de voorhangsels en tralieschermen heen en weer bewegen aan de vensters van de huizen, en toch was er geen storm. De duisternis nam ieder ogenblik toe. Ik zag ook in het uiterste stadsgedeelte, naar de kant tussen West en Noord, bij de muur, waar vele tuinen en graven zich bevinden, enkele grafpoorten instorten, alsof de aarde beefde.

Jezus' verlatenheid en Zijn vierde woord aan het Kruis

Op Golgotha schiep de duisternis een wonderbaarlijke, angstwekkende sfeer. Het gruwelijk getier en gehamer, het geschreeuw en gevloek onder de oprichting van het kruis, het gebrul van de moordenaars, terwijl zij gebonden en gekneveld werden, het hoongeroep van de om het kruis heenrijdende Farizeeërs, de aflossing van de soldaten, het rumoerig wegtrekken van de dronken beulen: dat alles had, bij het begin van de zonsverduistering, de indruk verbrokkeld, en dan volgde de strafrede van de berouwhebbende Dismas en de woedende uitval van de Farizeeërs tegen hem. Nu echter groeide de donkerte, de toeschouwers werden stiller en velen keerden zich van het kruis af. Jezus beval Zijn moeder aan in de liefde en de hoede van Johannes en Maria werd buiten de aarden wal gevoerd. Er kwam een beknellende pauze.

De toenemende duisternis vervulde het volk met schrik. De meeste mensen staarden naar de hemel, in velen werd het geweten wakker, velen wierpen een rouwmoedige blik naar het kruis, velen sloegen zich voor de borst en hadden spijt, de gelijkgezinden begonnen stilaan tezamen te troepen, de Farizeeërs, heimelijk bang, gaven voor alles nog een natuurlijke verklaring, maar zij hadden steeds minder praats en tenslotte zeiden zij haast niets meer. Hier en daar was er nog een, die een stout woord liet horen, doch het klonk zeer gedwongen. De kern van de zon was vaal-schemerig, zoals bergen in de maneschijn: een rode ring lag er omheen. De sterren traden rood-glimmend tevoorschijn. Op de Calvarieberg en in de nabije wijngaarden vielen de vogels tussen de mensen neer, en men kon ze vangen met de handen, de dieren in het rond brulden en sidderden, de paarden en ezels van de bereden Farizeeërs drongen dicht bijeen en lieten de kop hangen. Alles was gehuld in nevel en mist.

Om het kruis heerste stilte, de belangstelling was naar elders gericht, vele mensen vluchtten stedewaarts. De gekruisigde Heiland had zich met het gevoel van de diepste verlatenheid in Zijn eindeloze folterpijn tot Zijn hemelse Vader gekeerd. De liefde deed Hem bidden voor Zijn vijanden. Hij bad, zoals gedurende heel de loop van Zijn lijden, in psalmverzen, welke nu aan Hem in vervulling gingen. Engelen ontwaarde ik rondom Onze Heer.

Jezus, geheel verlaten, totaal arm en hulpeloos, schonk Zichzelf weg, zoals de Liefde doet; ja, Hij maakte van Zijn verlatenheid Zijn grootste schat, want Hij offerde Zijn persoon en Zijn leven, al Zijn werken, beminnen en lijden, alsook het bitter gevoel van onze ondank, aan Zijn hemelse Vader op, om onze zwakheid en armoede weg te nemen. Hij maakt voor God Zijn testament en schonk al Zijn verdiensten aan de Kerk en de zondaars. Hij was allen indachtig, was in Zijn verlatenheid bij allen, tot het einde van de tijden, en zo bad Hij ook voor diegenen, die dolen wanneer zij aannemen dat Hij, als God, geen enkele van Zijn pijnen heeft gevoeld en niet, of toch minder heeft geleden dan een mens die dergelijke marteling te doorstaan zou krijgen.

Terwijl ik, medevoelend, deelnam aan Zijn gebed, zo was het mij of ik Hem hoorde zeggen, dat men als waarheid moest verkondigen, dat Hij onder de smarten van de verlatenheid bitterder had geleden dan enig mens daaronder lijden kon, vermits Hij helemaal met de godheid verenigd, helemaal God en mens was, en nu in het gevoel van Zijn van God verlaten mensheid als Godmens de smarten van de verlatenheid heel en al, in hun ganse omvang, tot de uitputting toe, onderging.

En zo riep Hij dan, temidden van Zijn lijden, Zijn verlatenheid uit en maakte aldus voor alle door de dood benauwden, die God als hun Vader erkennen, de baan vrij van de vertrouwelijke, kinderlijke klacht. Omstreeks drie uur riep Jezus met luide stem: "Eli, Eli, Lama Sabachtani!", hetgeen betekent: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?"

Toen deze luide schreeuw van Onze Heer de bange stilte onderbrak, die daar heerste in het rond, keerden de spotters zich weer naar het kruis en één van hen zei: "Hij roept Elias." Een ander sprak: "Wij zullen zien of Elias komt en hem van het kruis haalt." Toen Maria echter de stem van haar zoon vernam, was zij door niets en niemand te weerhouden. Zij liep opnieuw tot bij het kruis en Johannes, Maria van Cleophas, Magdalena en Salome volgden haar.

Terwijl het volk, door angst gegrepen, hier stond te weeklagen, was er een ruiterstoet van ongeveer dertig voorname mannen uit Judea en de buurt van Joppe aangekomen. Die mannen trokken naar het feest, en toen zij het verschrikkelijke te zien kregen, dat met Jezus was geschied, evenals de dreigende natuurverschijnselen, gaven zij luid hun ontzetting te kennen en riepen: "Wee! Men zou deze gruwelijke stad, indien Gods tempel niet binnen haar muren oprees, tot de grond moeten afbranden: zo zwaar is de schuld die zij op zich heeft geladen."

Aan deze woorden van de voorname vreemdelingen klampte het volk zich vast. Gemor en jammerklachten gingen van alle kanten omhoog en de gelijkgezinden troepten tezamen. De menigte viel in twee partijen uiteen: de partij van hen die morden en jammerden, en de partij van diegenen die schimpten en raasden. De Farizeeërs echter werden immer kleinhartiger, en daar zij een opstand vreesden, temeer omdat ook in Jeruzalem grote beroering was, onderhandelden zij met de hoofdman Abenadar. Enkele manschappen werden dan naar de nabije poort gestuurd, die zij deden sluiten, om elke verbinding met de stad af te snijden, en door een bode liet men vragen, vijfhonderd man van de lijfwacht van Pilatus en Herodes ter beschikking te stellen om een mogelijke opstand tegen te gaan. Intussen wist Abenadar, door zijn ernst, rust en orde te schaffen. Hij verbood het spotten, opdat het volk niet verder zou worden aangehitst.

Kort na drie uur werd de hemel iets klaarder, de maan begon te wijken van voor de zon, en wel in de richting van West naar Oost. De zon scheen opnieuw, maar zonder stralen, omneveld en rood, en naar de overkant zonk de maan snel omlaag, alsof zij viel. Stilaan herkreeg de zon nu ook haar stralen, de sterren verdwenen, doch de lucht bleef nog troebel. Bij het opklaren werden de spotters weer driest. Zij triomfeerden, en toen was het gebeurd, dat zij zeiden: "Hij roept Elias." Maar Abenadar beval hun, te zwijgen. Hij handhaafde de orde.

Vijfde, zesde en zevende woord van Jezus aan het Kruis. Jezus' dood.

Toen het klaarder werd, zag met het lichaam van Onze Heer aan het kruis hangen: bleek en afgemarteld, witter nog dan voordien, zo vreselijk was hij uitgebloed. Ik weet niet meer, of Hij biddend, en alleen verstaanbaar voor mij, dan wel halfluid het volgende zei: "Ik word geperst als de wijndruif die men hier eenmaal heeft stukgedrukt: al mijn bloed moet ik geven, tot het water komt en de schillen wit worden. Voortaan echter zullen hier geen druiven meer worden geperst."

In verband met deze woorden kreeg ik later te zien hoe Japhet, hier op Calvarië, doende was geweest als wijnperser. Ik zal dit visioen nog wel vertellen.

Jezus was volledig afgemarteld en sprak met een verdroogde tong: "Ik heb dorst!" En toen de Zijnen Hem smartelijk aankeken, zei Hij tot hen: "Kunt ge mij niet een slok water geven?" Hij dacht dat niemand, bij deze donkerte, hen gehinderd zou hebben. Bedroefd antwoordde Johannes: "O, Heer, wij hebben vergeten om water mee te brengen!" Hierop zei Jezus nog zoveel als: "Nodig was het, dat ook de naasten Mij vergaten en mij geen drank toereikten, opdat de Schrift vervuld zou worden." Dat vergeten had Hem toch bitter leed gedaan.

Zijn vrienden richtten zich nu tot de soldaten en boden hun geld aan om Jezus een slok water te geven. Maar de soldaten deden het niet. Alleen nam één van de manschappen een peervormige spons, doopte ze in azijn, die daar stond in een tonnetje van bast, en goot er ook gal overheen. Abenadar, de hoofdman, door Jezus’ lijden getroffen, rukte echter de spons uit de soldaat zijn hand, wrong ze leeg en doopte ze in zuivere azijn. Dan bevestigde hij in de spons een korte hysopstengel, als een soort mondstuk, stak het aldus gereedgemaakte op de spits van zijn lans en hief het naar Jezus’ aangezicht, zodat de stengel Zijn mond bereikte en Onze Heer de azijn uit de spons kon zuigen.

Van één en ander dat ik Jezus nog hoorde zeggen tot vermaning van het volk, herinner ik mij enkel dit: "Wanneer ikzelf geen stem meer heb, zal mond van de doden spreken," waarop enkelen riepen: "Hij lastert weer!" Doch Abenadar deed hen zwijgen.

Toen het uur van Onze Heer gekomen was, vocht Hij met de dood, en koud zweet brak Hem overal uit. Johannes stond aan het kruis en droogde Jezus’ voeten af met zijn zweetdoek. Magdalena, helemaal gebroken van smart, leunde tegen de achterkant van het kruis. De Heilige Maagd bevond zich tussen Jezus’ kruis en dat van de goede moordenaar; door Maria van Cleophas en Salome ondersteund, hield zij de blik gericht op haar stervende zoon.

Toen sprak Jezus: "Het is volbracht!" en Zijn hoofd opheffende, riep hij daarna met luide stem: "Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest!" Het was een zoete, heldere schreeuw, die hemel en aarde doordrong. Het hoofd van Onze Heer zonk omlaag. Hij gaf de geest, en ik zag Zijn ziel ... een beeld van louter licht ... nabij het kruis ter aarde dalen en neervaren in het voorgeborchte. Johannes en de heilige vrouwen wierpen zich voorover tegen de grond.

Abenadar, de hoofdman, een geboren Arabier, die later als discipel de doopnaam "Ktesiphon" ontving, week niet meer van de bergkruin, sinds hij Jezus had gelaafd. Zijn paard stond met de voorpoten iets hoger dan met de achterpoten. Diep ontsteld, keek hij een lange poos Onze Heer altijd maar strak in het door de doornenkroon overschaduwde aangezicht. Het paard liet schuw en ziekelijk de kop hangen, en Abenadar, van wie de trots gebogen werd, haalde de teugels niet aan. Toen sprak de Heer Zijn laatste woorden, luid en krachtig, stierf met een schreeuw die drong door aarde, hel en hemel. De aarde beefde en de rotsgrond barstte wijd open tussen Jezus’ kruis en dat van de moordenaar, links van Hem. Op schrikwekkende wijze ging Gods getuigenis en vermaan door heel de treurende natuur. Het was volbracht, de ziel van Onzer Heer verliet het lichaam en bij de laatste schreeuw van de stervende Heiland sidderden allen die het hoorden, met de aarde mee, die bevend haar Verlosser erkende. Door de verwante harten echter ging alleen een scherp zwaard van smart.

Op dat ogenblik kwam de genade over Abenadar, van wie het paard onder hem rilde. Zijn hartstocht wankelde en zijn harde hoogmoed barstte stuk zoals de rotsgrond van Calvarië. Hij wierp zijn lans weg, sloeg met zijn sterke vuist geweldig tegen zijn borst en schreeuwde luid: "Geloofd zij de almachtige God, de God van Abraham en Jacob! Deze hier was een rechtvaardige, ja, voorwaar, Hij is Gods Zoon!’ De stem van Abenadar was de stem van een nieuwe mens." Vele soldaten, door de woorden van hun hoofdman getroffen, deden zoals hij.

Nadat Hij openlijk Gods Zoon had gehuldigd, wou Abenadar, die nu een nieuw, een verlost mens was geworden, niet langer in dienst staan van de vijanden van de Heer. Hij leidde zijn paard naar Cassius, de onderofficier, die men Longinus noemt, sprong uit het zadel, nam zijn lans van de grond op en gaf ze hem, sprak enkele woorden tot de soldaten en tot Cassius, die nu het paard besteeg en hier verder bevel voerde. Dan snelde Abenadar van de Calvarieberg, door het dal Gihon, naar de grotten in het Hinnomdal. Hij meldde de discipelen, die hier verscholen zaten, de dood van de Heer en liep vandaar naar Pilatus in de stad.

Bij de doodschreeuw van Jezus, toen de aarde beefde en de rotsgrond op Golgotha openbarstte, kwam een diepe schrik over alle aanwezigen. Het was een schrik die door de hele natuur ging, want tegelijkertijd scheurde ook de voorhang van de tempel, stegen vele doden op uit hun graf, vielen muren van de tempel omver en stortten in vele streken van de wereld bergen en gebouwen in.

Abenadar gaf luid roepend getuigenis, vele soldaten getuigden met hem, velen uit het volk en van de laatst op Calvarië verschenen Farizeeërs bekeerden zich. Velen klopten zich voor de borst, hieven weeklachten aan en liepen van Golgotha naar huis, dolend door het dal. Anderen scheurden hun kleren stuk en strooiden zand over hun hoofd. Alles was vol angst en vrees.

Johannes richtte zich op. Verschillende heilige vrouwen, die tot nu toe verderaf hadden gestaan, traden nu binnen in de aarden wal, hielpen Maria en de vriendinnen overeind en brachten hen weg om hen te verkwikken.

Toen de minnende Heer van alle leven door Zijn marteldood de schuld van de zondaars voldeed, als mens Zijn ziel beval in de handen van Zijn God en Vader en Zijn lichaam prijsgaf aan de dood, overtrok de bleke, koude lijkkleur het heilige, gruwelijk geschonden hulsel. Het lichaam van de Heer sidderde in de greep van Zijn smarten en werd wit, terwijl de stromen bloed, die uit Zijn wonden waren gelopen, nu donkerder en duidelijker dan voorheen zich vertoonden. Zijn aangezicht werd langer, Zijn wangen zonken helemaal in, Zijn neus werd smal en spits, Zijn kin kwam omlaag, Zijn ogen openden zich, halfgebroken en vol bloed. Hij hief Zijn met doornen gekroonde hoofd voor de laatste maal gedurende enkele, weinige ogenblikken in de hoogte, en liet het dan op Zijn borst zakken, onder de last van Zijn pijnen. Zijn lippen, blauw en gespannen, weken vaneen, zodat men de bloedige tong zag in Zijn mond. Zijn handen, die gekromd waren om de nagelkoppen, gingen open en zakten naar voren, Zijn armen strekten zich in uiterste verstijving, Zijn rug sloot nauw aan tegen de kruisstam en heel de zwaarte van Zijn heilig lichaam zonk naar de voeten. Daarbij knikten Zijn knieën tezamen en keerden zich in één richting, zijwaarts, terwijl Zijn voeten een beetje om de nagel draaiden, die ze doorboorde.

De handen van Jezus’ Moeder verstarden, een waas trok voor haar ogen, zij werd bleek als de dood, haar oren hoorden niets meer, haar voeten wankelden, zij zonk neer op de grond en bedekte haar aangezicht, geheel ten prooi aan de smart. Ook Magdalena, Johannes en de anderen lieten zich neervallen op de grond.

Een tijdje nadien, weer door de vrienden overeind geholpen, richtte de liefderijkste, de meest bedrukte moeder, haar blik omhoog en zag het lichaam van haar zoon, het zonder vlek ontvangene van de Heilige Geest, zag het vlees van haar vlees, het gebeente van haar gebeente, het hart van haar hart, het heilige hulsel, dat in haar schoot door goddelijke overschaduwing werd gevormd: nu ontsierd en verminkt, van Zijn allerheiligste ziel beroofd, prijsgegeven aan de wetten van de natuur, die Hijzelf geschapen had en die de zondige mens had misbruikt en geschonden, door de handen van hen tot wier herstel en levendmaking Hij was vlees geworden, mishandeld, verscheurd en gedood. Ach, uitgestotenen, als bevond men het melaats, gehoond en veracht hing het lichaam waarin alle Schoonheid, alle Waarheid en alle Liefde hadden gewoond, daar nu aan het kruis, tussen de kruisen van moordenaars! ... Wie zal ooit de smart kunnen vatten van Jezus’ Moeder, de koningin van de martelaren?

Het licht van de zon was nog dof en schemerig. Terwijl de aarde beefde, was de lucht zwoel en drukkend, maar dan volgde een gevoelige kilte. ... Van het lijk van Onze Heer ging, het gruwelijke ten spijt, een buitengewoon eerbiedwekkende en meteen ontroerende indruk uit. Links en rechts hingen de moordenaars: vreselijke verwrongen, als dronkaards. Zij zwegen nu allebei: Dismas bad in stilte.

Het was kort na drie uur, toen Jezus stierf. Pas hadden zij hun eerste schrik, bij het beven van de aarde, overwonnen, of de meeste Farizeeërs werden weer stout. Zij naderden de kloof, die op Calvarië was ontstaan, wierpen er stenen in, bonden touwen aaneen en lieten ze neer. Aangezien zij echter de bodem niet konden raken, legden zij iets van hun driestheid af, en toen het volk begon te weeklagen en zich voor de borst te slaan, voelden zij zichzelf klein worden en reden heen. Verschillenden waren innerlijk geheel omgekeerd. Ook de menigte trok nu spoedig hier vandaan en liep verspreid door het dal naar de stad toe, vol angst en vrees. Velen hadden zich bekeerd. Een deel van de vijftig Romeinse soldaten die aanwezig waren op Golgotha, was de wacht aan de poort gaan versterken, tot de vijfhonderd manschappen, om wie men verzocht had, zouden afkomen. Men had de poort gesloten, enige soldaten gingen andere posten bezetten, om de toeloop van volk en verwarring te verhinderen. Cassius [Longinus] bleef met vijf of zes soldaten bij de kruisen; zij lagen om de aarden wal heen. Jezus’ verwanten stonden naast het kruis of zaten er tegenover, jammerend en treurend. Van de heilige vrouwen waren er verschillende naar de stad teruggekeerd ... Het werd eenzaam, stil en triest ... In de verte, beneden in het dal of op één van de afgelegen hoogten, verscheen nu en dan een discipel, keek bang en tegelijk nieuwsgierig in de richting van het kruis, en zo gauw er mensen naderden, sloop hij weg.

» Reageer (0)
01-03-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 5.1 Jezus' kruisiging
A.C. Emmerich: Hoofdstuk 5.1 Jezus' kruisiging

Hoofdstuk 5.1. Jezus' kruisiging

Jezus draagt Zijn Kruis naar Golgotha

Toen Pilatus Gabbatha verliet, volgde een deel van de soldaten hem. Zij stelden zich op vóór het paleis om vervolgens in de kruisstoet te stappen. Een klein deel bleef bij de veroordeelden. 28 gewapende Farizeeërs, onder wie de zes grimmigste vijanden van Jezus, die bij de gevangenneming op de Olijfberg waren geweest, kwamen naar het Forum gereden met de bedoeling de stoet te vergezellen. De beulen leidden Jezus tot het midden van de markt. Door de poort aan de westkant naderden verschillende slaven, die het kruishout droegen; zij wierpen het met veel lawaai vóór Jezus’ voeten. De twee dunne kruisarmen waren voorlopig aan de brede, zware stam vastgebonden; de spieën, het blokje voor de voeten en het verlengstuk werden gedragen door een aantal jonge beulsknechten, die ook nog andere dingen meebrachten.

Toen het kruis daar vóór Jezus lag, wierp Hij Zich op de knieën, sloeg Hij Zijn armen om het martelhout heen en kuste het driemaal, terwijl Hij stil een ontroerend gebed sprak, waar Hij Zijn hemelse Vader dankte voor het begin van de verlossing van de mensen. Zoals de heidense priesters een nieuw opgericht altaar omhelzen, zo omhelsde de Heer Zijn Kruis, het eeuwig altaar van het verzoenende, bloedige offer. De beulen trokken Jezus uit Zijn liggende houding omhoog. Geknield, moet hij de zware balk dan op Zijn rechterschouder tillen en hem met Zijn rechterarm omvatten; de weinige menselijke hulp die Hij kreeg, was hulp van woestelingen. Ik zag echter dat Onze Heer geholpen werd door engelen, die voor de anderen onzichtbaar bleven. Zonder die hulp uit de hemel had Hij zeker niet gekund het kruis op Zijn schouder te nemen, ook nu boog Hij nog door onder de last. Terwijl Jezus bad, traden enkele beulen naar de twee moordenaars toe, legden hun de losse dwarsbalken van de voor hen bestemde kruisen in de nek en bonden hun handen daaraan vast. Die dwarsbalken waren een beetje krom en werden bij de kruisiging aan het bovenste uiteinde van de stammen bevestigd. Slaven droegen deze stammen der veroordeelde moordenaars achterna.

Nu weerklonk het bazuinsignaal van Pilatus’ ruiterij, en één van de bereden Farizeeërs naderde de plaats waar Jezus knielde onder Zijn kruis, en sprak: "Het is uit en gedaan met alle mooie woorden, zorg dat wij van hèm verlost geraken; voorwaarts, voorwaarts!" Toen trokken zij Jezus helemaal overeind; de hele last van het kruis, die wij, naar Zijn heilige, eeuwig ware woorden, Hem ter navolging moeten dragen, rustte op Zijn schouder, en de hier ter wereld zo schandelijke, in de hemel zo zalig geroemde triomftocht van de koning der koningen nam een aanvang.

Aan het onderste uiteinde van de kruisstam had men twee touwen geknoopt, en twee van de beulsknechten hielden daarmee het kruis zwevende. Ver genoeg van Jezus af stonden de vier rakkers, die de touwen strak hielden, welke waren vastgemaakt aan de gordel, die men het laatst om Zijn middel had gelegd. Zijn mantel had men, samengerold, om Zijn bovenlijf gebonden ... Jezus herinnerde mij levendig aan Isaak, toen deze het hout voor zijn eigen slachtoffering naar de top van de berg ging dragen ... Door het bazuingeschal wou Pilatus te kennen geven, dat de kruisstoet zich in beweging moest zeggen, daar hijzelf met een schare soldaten wou uitrijden om een mogelijke opstand in de stad te voorkomen. Hij zat in volle wapenuitrusting te paard, omringd door zijn officieren en een troep ruiters, terwijl ongeveer driehonderd soldaten van het voetvolk, allemaal mannen uit het grensgebeid tussen Italië en Zwitserland, hem zouden volgen.

Voor de kruisstoet ging een bazuinblazer, die tot taak had, aan iedere straathoek de terechtstelling bekend te maken. Enige passen achter hem liepen jonge beulsknechten en andere vlegels, die kruiken met drank, touwen, wiggen, spijkers en korven vol allerlei werktuigen droegen. Grotere knechten droegen lange staken, ladders, evenals de stammen van de kruisen voor de twee moordenaars. De ladders hadden maar één stijl, waar de sporten doorheen staken. Op de knechten volgden enkele bereden Farizeeërs, en dan een knaap, die het opschrift van Pilatus voor zijn borst droeg en, aan een stok over zijn schouder, de doornenkroon, welke men Jezus had afgenomen. Deze knaap was niet van de slechtsten.

En nu kwam daar Onze Heer en Verlosser onder de zware last van het kruishout: naar de grond gebogen, wankelend, het lichaam één pijn, als geradbraakt van vermoeidheid. Sinds het Laatste Avondmaal had Hij niet geslapen, geen spijs of drank tot Zich genomen. Aanhoudend had Hij dodelijke mishandelingen moeten lijden. Door bloedverlies, wondkoorts, dorst en onuitsprekelijke zielssmarten en angsten uitgeput, strompelde Hij voort op Zijn blote, gekwetste voeten. Zijn rechterhand lag aan de zware last op Zijn schouder; met de linker probeerde Hij herhaaldelijk het brede kleed een weinig omhoog te heffen vóór zijn onzekere schreden. De vier rakkers die de touwen vasthielden, liepen een eind van Hem af. De twee voorste trokken Hem mee, en zij die achter Hem kwamen, trokken eveneens, om Hem tot spoed aan te manen, en zo kon Jezus geen enkele vaste stap zetten, terwijl de touwen Hem hinderden telkens als hij Zijn kleed wilde vatten. Zij handen waren gewond en gezwollen door het vroegere nijpen van de boeien. Zijn aangezicht was bedekt met bloed en builen, Zijn hoofdhaar, en ook Zijn baard, verwoest en vol bloedklonters. Het wegende kruis en de spannende gordel drukten de zware, wollen kleding tegen Zijn doorwond lichaam, en waar de wonden weer opengingen, kleefde de wol eraan vaste. Rondom Hem was louter hoon en boosheid. Hijzelf was onbeschrijfelijk ellendig gesteld, van martelingen verzadigd, maar tegelijk van liefde vervuld. Zijn mond bad, Zijn smartelijke blik smeekte en vergaf. De twee beulsknechten die de kruisstam zwevende hielden met behulp van de aan het uiteinde bevestigde touwen, maakten Jezus het dragen van de last, die zij voortdurend in de hoogte hieven en lieten vallen, dubbel zo moeilijk.

Naast de stoet stapten veel soldaten met lansen. Achter Jezus kwamen de twee moordenaars, elk van hen door een paar beulsknechten geleid aan gordelkoorden. Zij droegen de losse dwarsbalken van hun kruisen in de kin, en hun armen waren aan die balken gebonden. Zij hadden een doek om de lenden, een soort scapulier over het bovenlijf en op het hoofd een vlechtsel van stro. Men had hun iets te drinken gegeven, waarvan zij een beetje verdwaasd waren. Toch was de goede moordenaar ook nu zeer stil, maar de slechte deed boos en brutaal en liep te vloeken. De beulsknechten waren een hoop bruine, kleine maar stevige kerels, met korte, zwarte, warrig-kroezelige haren: zij hadden niet veel baard, slechts hier een daar een plukje. Joodse trekken vertoonden zij helemaal niet. Het waren kanaalarbeiders, behorend tot een Egyptische slavenstam. Zij droegen een korte voorschoot en een lederen borstbekleding. Beestachtig was al hun doen. Aan het eind van de tocht kwam de helft van het troepje bereden Farizeeërs. Zolang de tocht naar Golgotha duurde, reden er van deze mannen ook afzonderlijk naast de stoet heen en weer, om orde te houden en tot haast aan te porren. Onder het jong gespuis dat voorop liep met gereedschappen en drank, bevonden zich enkele schurkachtige Joodse knapen, die uit vrije wil de groep waren komen vergroten.

Op enige afstand van de kruisstoet volgde de stoet van Pilatus: eerst een bazuinblazer te paard, dan de landvoogd in wapenrok, tussen de officieren, voor een ruiterschaar, en tenslotte driehonderd soldaten van het voetvolk. Deze stoet trok over het Forum en sloeg dan een brede straat in. De kruisstoet met Jezus werd door een zeer enge straat, tussen achtergevels, geleid, om plaats te laten voor het volk dat naar de tempel toog, en ook om de stoet van Pilatus niet in de weg te treden.

Het grootste gedeelte van de volksmassa had zich dadelijk na de uitspraak van het doodvonnis verspreid. De meeste Joden begaven zich huiswaarts of gingen naar de tempel; zij hadden in de loop van de morgen veel tijd verspeeld en haastten zich dan ook om verder te gaan met de voorbereidingen voor het slachten van het Paaslam. Toch was er op de markt nog een grote menigte achtergebleven: mensen van allerlei slag, vreemdelingen, slaven, arbeiders, knapen, vrouwen, gepeupel. Ook deze menige kwam, na het vertrek van de kruisstoet, in beweging. Honderden renden de straten in, om de stoet ergens een tweede maal te kunnen beschouwen; zij moesten, gehinderd door Pilatus’ soldatenschaar, die hen belette, zich direct bij de kruisstoet aan te sluiten, langs zijstraten en omwegen hun doel zien te bereiken. De meeste liepen maar ineens door naar Golgotha.

De straat waardoor Jezus werd heengevoerd, was nauwelijks een paar stappen breed; zij liep tussen achtergevels en er lag veel vuilnis. Jezus kreeg het hier weer zwaar te verduren. De rakkers gingen dichter naast Hem, uit vensters en muurgaten riep allerlei slecht volk Hem achterna. Slaven die daar hun werk hadden, wierpen met keukenafval en ander vuil, godvergeten deugnieten goten zwarte, stinkende aal op Hem neer, terwijl kinderen, daartoe aangehitst, stenen in hun rokken verzamelden, door de stoet heendringend, die stenen voor de voeten van Onze Heer kwamen gooien, onder geschimp en gespot. Ja, dit is wat de kinderen Jezus aandeden, die hen zozeer had bemind, die hen gezegend had en geprezen als gelukzalig.

Eerste val van Jezus onder het Kruis

Tegen het einde aan buigt de nauwe straat naar links af, en de weg wordt nu breder en gaat een weinig omhoog. Er komt daar een onderaardse waterleiding uit de richting van de berg Sion. Ik meen dat zij langs het Forum, waar zich eveneens overmetselde greppels bevinden, naar de vijver bij de Schapenpoort loopt. Ik hoorde het water klokken en murmelen in de buizen. Voordat de weg begint te stijgen, is er een diepe plaats die, als het regent, dikwijls vol water en modder staat. Zoals men meermaals ziet in de straten van Jeruzalem, welke gedeeltelijk zeer ruw zijn, ligt hier een grote steen, waarvan men gebruik maakt om over de diepte heen te schrijden.

Toen de arme Jezus met Zijn zware last bij deze plaats aankwam, kon Hij niet verder meer. De rakkers trokken en duwden Hem zonder erbarmen voort, en de goddelijke kruisdrager viel tegen de steen in Zijn ganse lengte op de grond. Het kruis plofte naast Hem op de grond. De rakkers vloekten, rukten aan de touwen en schopten naar Jezus. Er ontstond een stemming in de stoet en een hoop drukte rondom Onze Heer. Tevergeefs stak Hij Zijn hand uit, opdat men Hem helpen zou. "Ach, het zal spoedig voorbij zijn," sprak Hij, en bad. De Farizeeërs schreeuwden: "Op! Trek hem van de grond en vooruit met hem! Anders sterft hij nog te vroeg." Hier en daar, langs de weg, stonden vrouwen te wenen; de kinderen die zij bij zich hadden, huilden van angst. Dankzij bovennatuurlijke hulp, hief Jezus Zijn hoofd weer omhoog en de jonge beulsknechten, die wreedaardige, duivelse vlegels, namen de doornenkroon en drukten die om Zijn slapen.

Toen zij dan Jezus, onder allerlei mishandelingen, hadden doen opstaan, werd het kruis op Zijn schouder gelegd, en Hij moest nu, om de zware last te kunnen dragen zonder door de bede kroon te worden gehinderd, Zijn ellendig gemarteld hoofd helemaal naar de ene kant houden, wat Hem in een verschrikkelijke nood bracht. Zo schreed Hij wankelend de brede, klimmende weg op. En de pijnen die Hij leed, waren dubbel zo groot als voordien.

Jezus en zijn Moeder

Gebroken van smart, had Jezus’ Moeder ongeveer een uur geleden, nadat het onrechtvaardige vonnis over haar kind was uitgesproken, met Johannes en enkele vrouwen het Forum verlaten. Zij hadden nog eens een aantal plaatsen bezocht op de heilige lijdensweg die Jezus reeds had afgelegd, en toen het geloop van het volk, het bazuingeschal en het uitrukken van de soldaten onder Pilatus’ bevel haar aankondigden dat de kruisstoet zich in beweging had gezet, was Maria niet langer te houden: zij moest haar goddelijke zoon in Zijn nieuwe marteling zien en vroeg Johannes, haar ergens te brengen, waar Jezus voorbij zou trekken.

Zij waren uit de buurt van de Sionberg gekomen, schreden langs de plaats van de veroordeling, en vervolgens door poorten en lanen, die anders gesloten waren voor het volk. Dan kwamen zij door het westelijk gedeelte van een paleis, waarvan één van de poorten toegang gaf tot de brede weg, die de stoet, na de eerste val van Jezus, insloeg. Ik weet niet meer juist of het een vleugel was van Pilatus’ paleis, verbonden met het hoofdgebouw door hoven en lanen, dan wel, zoals ik mij meen te herinneren, het eigenlijke woonhuis van de hogepriester Caïphas, die zijn ambtswoning op Sion had. Johannes kreeg van een medelijdende dienaar of deurwachter de toelating om met Maria en haar geleide hier binnendoor naar de overkant te gaan, en de man opende voor hen ook de poort die op de brede straat uitkwam. Bij Maria bevond zich één van de neven van Jozef van Arimathea. De vrouwen die haar volgden waren: Suzanna, Johanna Chusa en Salome van Jeruzalem.

Ik huiverde, geheel ontsteld, toen ik de Moeder van de Heer door dit gebouw zag gaan: bleek, haar ogen rood van het wenen, sidderend en bevend, van het hoofd tot de voeten, in een soort blauwgrauwe mantel gehuld. Men hoorde het lawaai van de stoet over de huizen heen klinken, vernam door het bazuingeschal en de roep van de straathoeken, dat er één ter kruisiging werd gevoerd. Toen de dienaar de poort opendeed, werd het lawaai duidelijker en schrikwekkender. Maria bad en zei tot Johannes: "Moet ik het zien, of zal ik liever weglopen? O, hoe zal ik het kunnen dragen!" Johannes antwoordde: "Als gij niet blijft om het te zien, zult gij later bittere spijt hebben." Zij traden dan buiten de poort, bleven en speurden naar rechts de weg af, die ginds een beetje omhoogliep, maar bij de plaats waar Maria stond, weer vlak en effen werd.

Ach, hoe sneed het bazuingeschal door haar hart! De stoet naderde, hij was nog tachtig schreden verwijderd, toen zij uit de poort kwamen. Er liep hier geen volk voorop. Alleen naast en achter de stoet zag men enkele scharen. Veel volk, dat het laatste het Forum verlaten gehad, rende langs zijstraten naar andere plaatsen om de stoet te zien voorbijtrekken.

Toen de groep jonge beulsknechten met al het gereedschap voor de kruisiging daar brutaal en triomfantelijk kwam aanstappen, sidderde en jammerde de Moeder van Jezus, en wrong de handen. Een van de jeugdige knechten richtte zich tot het meelopende volk en vroeg: "Wat is dat voor een vrouw die zo’n misbaar maakt?" En iemand antwoordde: "De moeder van de Galileeër." Toen de schurken dit hoorden, begonnen zij de klagende moeder te beschimpen, wezen met de vinger naar haar, en één van die jonge vlegels greep de nagels voor de kruisiging en hield ze spottend de Heilige Maagd onder de ogen. Zij echter keek alleen naar Jezus, wrong de handen en leunde smartelijk tegen één van de stijlen van de poort. Zij was bleek als een lijk en haar lippen waren blauw. De Farizeeërs reden voorbij, dan volgde de knaap met het opschrift, en ach, een paar schreden achter hem: Gods Zoon, hààr zoon, de Heilige, de Verlosser ... wankelend, gebogen, Zijn hoofd met de doornenkroon moeizaam afwendend van de zware last op Zijn schouder. De beulen trokken Jezus, haar liefste zoon, aan de touwen vooruit. Zijn aangezicht was bleek, met bloed bevlekt, geschonden van de slagen. Zijn baard stond spits van het bloed. Met Zijn roodbelopen, diepliggende ogen staarde Hij van onder het vreselijke, warrige vlechtsel van de doornenkroon vol ernst en medelijden naar Zijn jammerende moeder. Hij struikelde, en viel voor de tweede maal, ditmaal op Zijn knieën en handen, op de aarde neer. De moeder, in de hevigheid van haar smart en liefde, zag geen soldaten, geen beulen en beulsknechten, zij zag enkel haar bemind, ellendig mishandeld kind. In twee stappen was zij van aan de poort bij Jezus; zij knielde naast Hem neer en omarmde Hem. Ik vernam de woorden: "Mijn zoon!" "Mijn moeder!" Maar ik weet niet meer of zij die spraken met de lippen, dan wel in de geest.

Er ontstond een gedrang, Johannes en de vrouwen wilden Maria wegtrekken, de beulsknechten schimpten en scholden en één van hen sprak: "Vrouw, wat zoekt gij hier? Als gij hem beter had opgevoed, dan was hij niet in onze handen terechtgekomen." Ik voelde dat verschillende soldaten enigszins ontroerd waren. Zij dreven echter de Heilige Maagd achteruit. Geen één van de beulsknechten raakte haar aan. Johannes en de vrouwen leidden Maria naar de kant van de weg, en tegen een hoeksteen van de poort, welke steen ook de muur te schoren had, zonk zij als dood van smart op de knieën. Zij keerde nu de kruisstoet haar rug toe, en haar handen lagen zo hoog mogelijk aan de steil oplopende, groendooraderde steen. Niet slechts de handen van Jezus’ Moeder, ook haar knieën werden in die steen afgeprint: de sporen of tekens waren tamelijk vlak en niet zeer scherp, precies zoals de indrukken die men bekomt wanneer met op een deeg slaat. Het was een zeer harde steen. Ik heb hem teruggezien in de eerste katholieke kerk te Jeruzalem, de kerk aan de vijver Bethesda. Hij werd hierheen gebracht toen Jacobus de Mindere bisschop was. Ik herhaal wat ik reeds eerder zei: dat ik meer dan eens, bij grote, bijzondere gebeurtenissen, dergelijke indrukken door een heilige aanraking en stenen heb zien ontstaan. Dit is even waar en echt als het gezegde: "Zo iets moet ook een steen vermurwen," even echt als het woord: "indruk maken." De eeuwige Wijsheid heeft in haar barmhartigheid nooit de boekdrukkunst nodig gehad om voor het nageslacht een getuigenis van het heilige te bewaren.

Toen de met lansen bewapende soldaten wilden dat de stoet verder zou trekken, deden de twee discipelen Jezus’ Moeder naar binnen gaan door de poort, welke daarna gesloten werd.

De rakkers hadden Onze Heer intussen overeind gesleurd en het kruis een beetje anders op Zijn schouder gelegd. De dwarsbalken die men boven aan de stam had vastgebonden waren losgeraakt en één hing in de touwen te bengelen naast het kruis. Jezus nam deze balk onder Zijn arm, en de kruisstam zakte nu achter Hem iets meer naar de grond.

Onder het volk, dat meestal spottend en jouwend de stoet vergezelde, ontwaarde ik enkele gesluierde, wenende vrouwen.

Simon van Cyrene. Derde val van Jezus

De kruisstoet volgde de brede straat en trok door de gewelfde poort van een oude binnenmuur van de stad. Aan de kant van die poort was een betrekkelijk groot plein, waarop drie straten uitliepen. Jezus moest hier weer over een grote steen stappen, wankelde, zonk ineen en het kruis viel naast Hem neer. Hijzelf viel tegen de steen ellendig op de grond en kon zich niet meer oprichten. Er kwamen groepjes goedgeklede mensen langs, die naar de tempel gingen, en zij riepen vol medelijden: "O wee, de arme mens sterft!" Er ontstond opnieuw een gedrang, zij konden Jezus niet van de grond krijgen, en de met de kruisstoet meerijdende Farizeeërs zegden tot de soldaten: "Wij brengen hem niet levend naar ginder: gij moet iemand zoeken, die hem helpt zijn kruis te dragen." Toen kwam daar juist, uit de middelste van de drie straten, Simon van Cyrene aangestapt, een heidense man, vergezeld van zij drie zoontjes. Hij droeg een bundel rijshout onder de arm, was een hovenier en had vandaag gewerkt in de tuinen die bij de oostelijke stadsmuur liggen. Ieder jaar, in de dagen vóór het feest, kwam hij met vrouw en kinderen naar Jeruzalem om er, zoals vele andere mannen van zijn vak, de hagen te snoeien. Het gedrang verhinderde Simon uit te wijken, en de soldaten, die hem aan zijn kleding herkenden als een heiden en geringe handwerker, pakten hem beet: hij moest het kruis van de Galileeër helpen dragen. Simon weerde zich, stribbelde hevig tegen, maar zij dwongen hem met geweld. Zijn zoontjes schreiden en riepen. Enige vrouwen, die de man kenden, namen de kinderen onder hun hoede. Simon voelde grote walging en tegenzin: de arme Jezus zag er zo vreselijk ellendig en gehavend uit, Zijn kleren waren vol modder en straatvuil; maar Hij weende en keek Simon zo erbarmelijk aan. Deze moest eerst Onze Heer helpen opstaan. Toen bonden de rakkers de ene dwarsbalk meer naar achteren aan de kruisstam en schoven het touw met een strop over de schouder van de Cyrener. Simon stond dicht achter Jezus, die nu een minder zware vracht te dragen zou krijgen. Nadat zij Onze Heer de doornenkroon anders op het hoofd hadden gezet, vervolgde de treurige stoet eindelijk zijn weg.

Simon was een kloeke veertiger. Hij ging blootshoofds, droeg een kort, spannend bovenkleed en zijn lenden waren met lappen omwonden; zijn sandalen, voorzien van riemen die om de benen waren vastgemaakt, hadden spitse punten. Zijn zoontjes droegen bontgestreepte rokken. Twee van hen waren volwassen kereltjes, zij heetten Rufus en Alexander en werden later onder de discipelen opgenomen. De derde was een kleine dreumes. Ik heb hem later nog als knaap bij Stephanus gezien. Een korte tijd had Simon de Heer Zijn kruis helpen dragen, toen hij een diepe ontroering in zich gewaar werd.

Veronica met de zweetdoek

De weg die de kruisstoet nu volgde, was een lange, ietwat naar links afbuigende straat, waarop verschillende zijstraten uitliepen. Van alle kanten trokken goedgeklede mensen naar de tempel. de meesten wendden zich af, uit Farizeïsche vrees voor verontreiniging, sommigen betoonden enig medelijden. Ongeveer tweehonderd schreden ver had Simon de Heer Zijn kruis helpen dragen, toen uit een fraai woonhuis, aan de linker kant van de straat, een grote, mooie vrouw, die een klein meisje aan de hand hield, op de kruisstoet kwam snellen. De vrouw die daar het huis verliet, wiens voorhof met stevige muur en blinkend hek een trappenterras heenleidde, was Seraphia, de vrouw van Sirach, een lid van de tempelraad. Door de daad die zij vandaag volbracht, kreeg zij de naam Veronica [van vera icon: de echte beeltenis].

Seraphia had een kostbare, gekruide wijn bereid en haar vroom verlangen was, de Heer daarmee op Zijn bittere lijdensweg te verkwikken. Reeds eenmaal was zij, vrezend en hopend tegelijk, van huis weg en de stoet tegemoet gegaan. Ik zag haar gesluierd, vergezeld van het meisje dat zij als kind had aangenomen, naar de kruisstoet lopen, toen Jezus Zijn heilige moeder ontmoette. In het gedrang dat ginder ontstond had zij geen gelegenheid gekregen om de Heer te laven, en was haastig teruggekeerd naar haar woning, waar zij Hem verwachten zou.

Zij kwam nu, het hoofd gesluierd, de straat opgelopen met een doek over haar schouder en het meisje aan haar zijde, dat zowat negen jaar oud kon zijn. Zij droeg de kruik met wijn, verborgen onder een lap. Tevergeefs probeerden zij die vóór de stoet liepen, haar terug te drijven, want zij was van liefde en medelijden buiten zichzelf. Met het kind, dat haar kleed vasthield, drong zij door het gepeupel, de rij soldaten en de troep beulsknechten heen, knielde bij Jezus neer en hief het doek, aan één kant opengevouwen, naar Hem op, terwijl zij smeekte: "Gewaardig U, o Heer, dat ik Uw aangezicht maf afwissen!" Jezus nam het doek met Zijn linkerhand en drukte het tegen Zijn bloedend aangezicht. Dan schoof Hij het doek naar Zijn rechterhand, dat van onder de dwarsbalk van het kruis uitstak, plooide hem met beide handen tezamen en gaf hem dankbaar terug. Seraphia kuste het doek, verborg het onder haar mantel, tegen haar hart, en stond op. Toen hief het meisje schuchter de wijnkruik omhoog, maar de schimpende rakkers en soldaten lieten niet toe, dat Seraphia Jezus ook nog laven zou. Door de snelheid en de dapperheid van haar optreden, dat een gedrang van nieuwsgierigen teweeg bracht, had zij de stoet dan toch gedurende twee minuten in zijn gang gestuit, wat voldoende was geweest om Jezus de zweetdoek aan te reiken. De Farizeeërs en de beulsknechten ontstaken in woede over deze nieuwe vertraging, en meer nog over het feit, dat Jezus hier zo openlijk werd vereerd. Zij begonnen de Heiland te slaan en Hem heen en weer te trekken. Seraphia vluchtte met het kind haar woning binnen.

Nauwelijks had zij haar kamer betreden en de zweetdoek vóór zich op tafel gelegd, of zij zonk bewusteloos neer; het meisje knielde jammerend met de wijnkruik naast haar. Zo vond een huisvriend haar als dood bij het opengevouwen doek liggen, waarop het bloedig aangezicht van Jezus verschrikkelijk maar wonderbaar duidelijk was afgedrukt. Het ontstelde zeer, wekte Seraphia uit haar bewusteloosheid en toonde haar het Aanschijn van de Heer. Weeklagend nog, maar meteen vol vertroosting, knielde zij voor het doek en riep uit: "Nu wil ik alles verlaten, de Heer heeft mij een aandenken geschonken!"

De zweetdoek was een stuk fijne wollen stof, nagenoeg driemaal zo lang als breed. De Joden droegen gewoonlijk zo’n doek om de hals, dikwijls ook nog over de schouder. Het was een oude gewoonte, met een dergelijke doek naar zieken en treurenden, vermoeiden en lijdenden toe te stappen en hun gezicht er mee af te drogen, als teken van medelijden en deelneming. In de warme landen gaf men elkaar zo’n doek als geschenk. De wonderbare zweetdoek hing bij Seraphia altijd aan het hoofdeinde van haar bed. Na haar dood hebben de heilige vrouwen het doek aan de Moeder Gods gegeven, en door de apostelen is hij in het bezit gekomen van de Kerk.

Seraphia was een nicht van Johannes de Doper. Haar vader was de zoon van de broer van Zacharias’ vader. Zij was van Jeruzalem. Toen Maria als vierjarig meisje bij de tempelmaagden werd ondergebracht, zag ik Joachim en Anna, met anderen die waren meegekomen, het vaderhuis van Zacharias binnengaan, in de buurt van de vismarkt. Er woonde daar een zeer bejaarde verwant van Zacharias, waarschijnlijk zijn oom, de grootvader van Seraphia. Op dat ogenblik was Seraphia, naar ik kon vaststellen, een vijftal jaren ouder dan Maria. Ik zag haar later op de bruiloft van Jozef en Maria en vernam ook toen dat zij ouder was dan de Heilige Maagd. Zij was eveneens familie van de oude Simeon, die bij de opdracht van Jezus in de tempel geprofeteerd had, en kwam van jongsaf veel met zijn zonen tezamen. Die hadden reeds vroeg van hun vader het verlangen naar de Messias meegekregen, een verlangen dat Seraphia deelde.

Lange tijd bleven veel goede mensen door dezelfde heilsverwachting met elkaar verbonden als door een stille liefde, waarvan de anderen niets afwisten. Toen de twaalfjarige Jezus te Jeruzalem was achtergebleven, om er te onderwijzen in de tempel, zag ik Seraphia nog als ongehuwde dochter. Zij bezorgde Jezus zijn eten in de kleine herberg, waar Hij verbleef wanneer Hij niet in de tempel was. Het was de herberg, een kwartier buiten Jeruzalem, naar de kant van Bethlehem toe, waar Maria en Jozef, toen zij na de Geboorte zich op weg hadden begeven voor de opdracht van Jezus, een dag en twee nachten bij twee oude mensen vertoefden. Die mensen waren Essenen, de vrouw was een verwante van Johanna Chusa, en zij kenden de heilige echtelingen. Een stichting voor armen was die herberg. Jezus en de discipelen vonden er dikwijls een toevlucht en in Zijn laatste jaren, als Hij het volk in de tempel kwam onderwijzen, zag ik Seraphia meer dan eens voedsel sturen naar het huis daarginds, dat nu door andere mensen werd opengehouden. Seraphia trad laat in het huwelijk.

Haar man, een nakomeling van de kuise Suzanna, zetelde in de tempelraad. Omdat hij in het begin heel scherp tegenover Jezus stond, had Seraphia het, wegens haar vriendschap met Onze Heer en de heilige vrouwen, vaak hard te verduren. Ja, verschillende keren werd zij een hele tijd lang opgesloten in een kelder. Nadat Jozef van Arimathea en Nicodemus Seraphia’s echtgenoot hadden bewerkt, liet deze, milder gestemd, zijn vrouw toe, Jezus te volgen. Tijdens het gericht over Onze Heer in het huis van Caïphas, gisterennacht en heden morgen, koos hij met Nicodemus, Jozef van Arimathea en de andere goedgezinden voor Jezus partij en verliet hij het Sanhedrin. Seraphia in nog een mooie, flinke vrouw, al moet zij toch meer dan vijftig jaar oud zijn. Toen Jezus Zijn triomfantelijke intocht te Jeruzalem hield, hetgeen wij op Palmzondag herdenken, zag ik haar met een kind op de arm temidden van andere vrouwen staan. Zij nam een doek, die zij als sluier om haar hoofd en om haar hals droeg, en spreidde hem vreugdevol over de grond uit, als een blijk van hulde. Diezelfde doek bracht zij nu naar Onze Heer toe om er de sporen van Zijn lijden mee af te wissen, Zijn smart te verzachten onder de droevige, maar nog eens zo triomfantelijke tocht met het kruis. Dit was dan het doek, waarmee de Heer aan zijn medelijdende bezitster de zegenaam "Veronica" meegaf, en die in onze tijd openlijk wordt vereerd door de Kerk.

Vierde en vijfde val van Jezus onder het Kruis. Jeruzalems wenende dochters

De stoet was nog een heel eind verwijderd van de stadspoort, maar de weg begon reeds in de diepte te gaan. Wij krijgen hier een lange, versterkte poort. Eerst stapt men onder een gewelf. De poort staat in de richting tussen Zuid en West. Buiten de poort loopt de stadsmuur enkele minuten ver, zoals van mijn woning tot aan de kerk, naar het Zuiden toe, wendt zich dan een eind westwaarts en loopt tenslotte weer in zuidelijke richting om de berg Sion heen. Rechts van de poort loopt de muur noordwaarts tot aan de Hoekpoort en wendt zich van hier, langs de noordzijde van Jeruzalem, naar het Oosten.

Toen de stoet de poort naderde, dreven de beulsknechten heviger tot spoed aan. Enkele stappen voor de poort, te midden van de oneffen, kapot gereden weg, lag een grote plas; de wrede rakkers trokken Jezus voort en men liep dicht opeen. Simon van Cyrene probeerde opzij te stappen, de kruislast verschoof en de arme Jezus stortte plots voorover in de modderige plas, zodat Simon ternauwernood nog het kruis kon houden. Dit was de vierde val van Onze Heer. Met hoge, weliswaar gebroken maar toch luide stem jammerde Jezus: "Wee, wee, Jeruzalem! Heb ik u daarom bemind zoals de klokhen die haar kuikentjes verzamelt onder haar vleugels, dat gij mij zo gruwelijk uitstoot en buiten uw poort wilt werpen." De Heer was bitter bedroefd, maar de Farizeeërs kwamen op Hem af en scholden: "De rustverstoorder gaat door met het spel, hij heeft weer wat te kletsen, en zo meer." Zij sloegen en stompten Jezus, sleurden Hem overeind en uit de plas. Toen ontstak Simon van Cyrene in gloeiende gramschap over de wreedheid van de beulsknechten en riep: "Indien gij niet ophoudt met uw schurkenstreken, gooi ik het kruis neer, het moge dan mijn leven kosten!"

Direct buiten de poort loopt van de straatweg uit, rechts, een ruw en niet al te breed zijpad in noordelijke richting; over dit pad is het enkele minuten klimmen naar de Calvarieberg. Wat verder splitst zich de straatweg in drie banen: links, tussen West en Zuid, door het dal Gihon naar Bethlehem, westwaarts naar Emmaus en Joppe en rechts, tussen West en Noord, om de Calvarieberg heen op de Hoekpoort toe, die de weg opent naar Bethsur. Wie hier van aan de poort waardoor Jezus buiten de stad wordt gebracht, de blik naar links richt, tussen Zuid en West, kan de Bethlehempoort zien; van alle stadspoorten te Jeruzalem liggen deze twee het dichtst bij elkaar.

In het midden van de straatweg, bij de plaats waar het zijpad naar de Calvarieberg begint, had men aan een paal een bord gehangen, waarop het doodvonnis van onze Heiland, evenals dat van de twee moordenaars, met witte, verhoogde, als het ware op het bord gekleefde letters geschreven was. Niet ver daar vandaan, aan de kromming van het zijpad, stond een hele troep wenende en weeklagende vrouwen, deels jonge dochters en vrouwen met kinderen uit Jeruzalem, die de stoet waren voorgelopen, deels vrouwen van Bethlehem, Hebron en andere omliggende plaatsen, die naar het feest getrokken waren en zich bij de vrouwen van de stad hadden aangesloten.

Jezus viel hier weliswaar niet helemaal op de grond, maar zonk als bewusteloos in elkaar, zodat Simon, die achter Hem liep, het kruis liet zakken en de Heer naderde om Hem te ondersteunen. Jezus leunde tegen Simon aan. En dit is dan de vijfde val van de kruisdragende Heiland. Toen de vrouwen en maagden zagen hoe vreselijk ellendig de Heer daar voorkwam, begonnen zij luid te jammeren en te weeklagen, terwijl zij Hem, naar Joodse gewoonte, doeken toestaken, opdat Hij Zijn zweer er mee zou afdrogen. Jezus nu keerde Zich tot hen en sprak: "Gij, dochters van Jeruzalem [dit betekent ook: Gij, vrouwen uit de dochtersteden van Jeruzalem] weent niet over mij, doch over uzelf en uw kinderen, want een tijd zal komen, waarin men zeggen zal: ‘Gelukkig de onvruchtbaren, zalig diegenen van wie de schoot niet gebaard heeft en van wie de borsten niet hebben gezoogd!’ Dan zal men roepen: ‘Gij, bergen, valt op ons neer, en heuvelen, bedekt ons’, want wanneer men zo doet met het groene hout, wat zal er dan met het dorre hout gebeuren?" Hij sprak tot hen nog vele andere, heerlijke woorden, die ik vergeten ben; Hij zegde onder meer, dat hun wenen beloond zou worden, dat zij van nu af andere wegen zouden gaan, enz...

Er kwam nu een pauze. Men liet het jong gespuis met de martelgereedschappen vooroptrekken naar Calvarië, waarheen zich eveneens een honderdtal Romeinse soldaten begaven uit de schaar van Pilatus, die de kruisstoet op enige afstand gevolgd had tot aan de poort en vandaar weer naar de stad was teruggekeerd.

Jezus op de Golgotha. Zesde en zevende val en Jezus inkerkering

De Farizeeërs te paard bleven staan aan de westkant van de plaats van de terechtstelling, waar de berg een zachte helling heeft. De kant naar de stad toe, die men opklom met Jezus en de twee moordenaars, is woest en steil. De nagenoeg honderd Romeinse soldaten uit het Zwitserse grensgebied stonden gedeeltelijk hier en daar op de berg, gedeeltelijk rondom de aarden wal. Enigen van hen bevonden zich bij de moordenaar die men, om ruimte te winnen, niet direct naar boven had gevoerd, maar een beetje beneden de top, waar het pad zuidwaarts afbuigt en op hun rug tegen de bergwand had doen liggen, de armen nog steeds gebonden aan de dwarsbalken. Een grote massa volksmensen [hoofdzakelijk gemene lui, vreemdelingen, knechten, slaven, heidenen en vele vrouwen, allemaal mensen die niet voor verontreiniging bang hoefden te zijn] verdrong zich op de cirkelvormige plaats, terwijl er op de hoogten in de buurt altijd meer lieden bijkwamen, van hen die naar de stad trokken. In het Westen, op de berg Gibon, stond de hele bevolking van één van de Paaskampen tezamen in in groep. De meesten keken van ver toe, sommigen traden dichterbij.

Het was ongeveer kwart voor twaalf, toen Jezus, binnen de muur gesleept, onder Zijn kruis neerstortte en Simon van Cyrene werd weggejaagd. Zij trokken de Heer aan de touwen omhoog, bonden de dwarsbalken los en legden ze voorlopig naast de stam. Ach, hoe ellendig en droevig, hoe gebroken, bleek en met bloed bevlekt ...een beeld van verschrikking! ... stond de arme Jezus daar op de plaats van de marteling. Zij rukten Hem weer tegen de grond, en riepen spottend: "Wij moeten zien of de troon naar uw maat is, koning!" Maar Jezus ging zelf gewillig op het kruis liggen; was Hij niet zo ellendig er aan toe geweest, Hij zou het vlugger hebben gedaan en de rakkers hadden Hem niet eerst tegen de grond moeten rukken. Zij rekten Zijn leden uit en maakten tekens, waar de handen en voeten kwamen. De Farizeeërs schimpten en scholden de hele tijd.

Maria en haar vriendinnen trekken naar Golgotha

Nadat de Heilige Maagd de kruisdragende Jezus in zo’n smartelijke omstandigheden ontmoet had en bewusteloos was neergezonken, werd zij door Johannes Chusa, Suzanna, Salome van Jeruzalem, Johannes en de neef van Jozef van Arimathea, door heel het groepje dat de soldaten achteruit hadden gedreven, teruggebracht in het huis; en de poort viel dicht tussen haar en haar beminde, zwaar beladen, mishandelde zoon. De liefde echter, en het verlangen om bij haar kind te zijn, alles met Jezus te lijden tot het einde toe, gaven Maria een bovennatuurlijke kracht. Haar vriendinnen, het hoofd omsluierd, liepen met haar mee naar de woning van Lazarus, in de buurt van de Hoekpoort, waar de andere heilige vrouwen, naast enkele kinderen, samen zaten bij Magdalena en Martha, weenden en jammerden. Vandaar dan trokken zij, met zeventien, weer heen en volgden ze de lijdensweg van de Heer.

Ik zag hen allen, waardig en vastbesloten, zich niet bekommerend om de smaad van het volk en door hun treurnis eerbied afdwingend, in strenge mantels gehuld, over het Forum komen en er de grond kussen, op de plaats waar Jezus het kruis op Zijn schouder genomen had. Dan legden zij heel de weg van smarten af, die men de Heer had doen gaan, vereerden elke plaats waar Hij geleden had, en Maria, evenals diegenen die dieper binnenin waren verlicht, zochten te treden in Zijn voetsporen. De Heilige Maagd, alles innerlijk voelend en aanschouwend, leidde het voortschrijden en verwijlen op deze kruisweg: elke plaats drukte zich levendig af in haar ziel, zij telde de schreden en zegde haar gezellinnen, waar Jezus overal geleden had.

Op deze manier werd de meest ontroerende en oudste devotie van de Kerk voor het eerst in het minnende moederhart van Maria gegrift met het zwaard waarvan Simeon had geprofeteerd. Over Maria’s lippen kwam die devotie tot haar lijdensgenoten en zo tot ons. Dat is de heilige overlevering, van God aan het hart van de moeder, en van het moederhart aan de harten van de kinderen. Zo plant de traditie van de Kerk zich voort. Wanneer men de dingen ziet zoals ik ze te zien krijg, blijkt een dergelijke overlevering nog krachtiger, levendiger en heiliger dan welke andere ook. Van oudsher hebben de Joden de plaatsen vereerd, waar iets heiligs, iets dat hun aan het hart ging, was geschied. Zij vergaten geen enkele plaats die hen aan een hoger gebeuren herinnerde, richtten gedenkstenen op, pelgrimeerden daarheen en baden. Zo ontstond de Heilige Kruiswegoefening, niet opzettelijk en na verloop van tijd, maar direct en natuurlijk uit het doen van de mensen en Gods bedoelingen met Zijn volk, dankzij de trouwste moederliefde als het ware in de nog warme voetsporen van Jezus, die het allereerst de kruisweg was gegaan.

De heilige schare kwam bij het huis van Veronica, en zij traden er binnen, daar Pilatus, die met zijn ruiters en twee honderd soldaten terugkeerde van de poort, juist in de straat verscheen. Zij weenden en jammerden, toen zij in het huis van Veronica de zweetdoek met het aangezicht van Jezus te zien kregen, en meteen prezen zij de barmhartigheid, door Onze heer aan Zijn trouwe vriendin betoond. Zij namen de kruik wijn mee, die het Veronica niet gegund was geweest, de Heer toe te reiken, en gingen verder, naar de stadspoort en vandaar naar Golgotha. Veronica vergezelde hen, terwijl nog meer goedgezinde, meestal pas langs de weg door medelijden aangegrepen lieden, onder wie vele mannen, zich bij de stoet kwamen vervoegen, die op een onbeschrijfelijk ontroerende wijze, in volmaakte orde, door de straten trok. Het was een bijna grotere stoet dan die van de kruisdragende Jezus, ongeteld het volk dat Hem naliep.

De vreselijke pijnen en smarten die Maria op deze weg doorstond, toen zij de plaats van de kruisiging zag en de berg beklom, kan men niet verwoorden; het waren al de pijnen en smarten van Jezus, die zij leed in haar ziel, en daarbij het gevoel van het achterblijven. Magdalena was er verschrikkelijk aan toe, als dronken en zwijmelend van smart. Zij werd om zo te zeggen van de ene pijn in de andere geslingerd. Nu eens kwam zij stom, en dan sloeg haar stomheid over in gejammer, nu eens leek zij heel verstard, en dan begon zij plots haar handen te wringen, haar weeklachten veranderden in bedreigingen; zij moest voortdurend door anderen ondersteund, beschermd, vermaand en verborgen worden.

Aan de westkant, waar de glooiing zacht is, stegen zij naar boven en gingen zij in drie groepen, die zich achter elkaar hielden, rondom de aarden wal staan. Jezus’ Moeder, haar nicht, Maria van Cleophas, Salome en Johannes traden het dichtst bij de muur; Martha, Maria Heli, Veronica, Johanna Chusa, Suzanna en Maria Marcus stonden iets verder om Magdalena heen, die zich niet kon beheersen. Nog verder af stonden zes of zeven anderen, terwijl goedgezinde mensen zich tussen de groepen opstelden, als verbindingspersonen. De bereden Farizeeërs hadden hier en daar in de buurt van de muur postgevat, en aan de vijf ingangen bevonden zich Romeinse soldaten.

O, de blik van Maria: haar staren naar de plaats van de marteling, naar de bergkruin, naar het vreselijke kruis dat voor haar lag, naar de hamers, de touwen en de wrede nagels, die men bijeen had gegooid, naar de afschuwelijke, halfnaakte, vloekende beulsknechten, hier en daar, temidden van al die dingen, aan het werken en handelend als dronken mannen! De stammen van de kruisen van de moordenaars waren reeds opgericht; men had er enkele gaten in geboord en stokken in die gaten geslagen, op de wijze van sporten. Jezus’ afwezigheid vergrootte en verlengde de marteling van Zijn moeder. Zij wist dat haar zoon nog leefde, zij verlangde hem te zien, zij sidderde bij de gedachte hem te zien, zij zou hem zien in de allergruwelijkste foltering.

Weersgesteldheid: In de morgen, tot ongeveer tien uur, toen het vonnis werd uitgesproken, viel er af en toe hagel neer. Terwijl men Jezus naar de Calvarieberg voerde, klaarde de hemel op en scheen plots de zon. Nu, tegen twaalf uur, kwam een roodachtige, doffe nevel voor de zon hangen.

Jezus ontkleed en met azijn gelaafd

Vier beulsknechten gingen nu de zeventig schreden ver, in noordelijke richting, naar de kerker in de rots; zij haalden er Jezus uit, die daar tot God gesmeekt had om sterkte en Zich nogmaals voor de zonden van Zijn vijanden als zoenoffer had aangeboden. Onder slagen en spotwoorden sleepten de rakkers Onze Heer voor het laatste stuk van Zijn lijdensweg. Het volk keek toe en schimpte. De soldaten, die de orde handhaafden, hielden zich stroef en ernstig. Door de rakkers die binnen de aarden wal waren gebleven, werd Jezus met wrede hardheid ontvangen.

Toen de heilige vrouwen Jezus zagen naderen, gaven zij geld aan een man en verzochten hem, dat geld, samen met de kruik vol gekruide wijn, naar de beulsknechten te dragen, opdat zij de Heer van die wijn te drinken zouden geven. De schurken gaven Jezus echter de wijn niet maar dronken hem, nadien, zelf uit. Zij hadden daar twee bruine kruiken staan; de ene bevatte gal en azijn, de andere een soort aftreksel van azijn met balsem en mirre. Van die laatste drank hielden zij de geboeide Heiland een beker aan de lippen; Hij proefde even, maar dronk niet. Er bevonden zich achttien rakkers op de plaats van de terechtstelling: de zes geselaars, de vier kerels die de Heer hierheen hadden gevoerd, de twee die de touwen aan het uiteinde van de kruisstam hadden vastgehouden, en de zes kruisigers. Een deel van hen was bij Jezus, een deel bij de moordenaars bezig en allen zopen tussen het werk in. Het waren vuile, halfnaakte, kleine, sterke mensen, met vreemde gezichten, warrig haar en een stoppelbaard; gruwzame beestachtige schepselen. Om geld dienden zij de Romeinen en de Joden.

Dit allemaal moeten zien was voor mij des te verschrikkelijker, daar ook het boze dat voor de anderen onzichtbaar bleef, mij in zijn eigen vorm en gedaante onder de ogen trad. Ik zag namelijk grote, vreselijke duivels aan het werk onder die gruwzame mensen. Het was of zij hun alles ter hand stelden, hun in alles behulpzaam waren en raad gaven. Ik zag eveneens hoe talloze kleine, gruwelijke soorten afschuwelijk en giftig ongedierte, daar in het rond zwermden en als het ware de omgeving donker maakte; zij sprongen in de mond en binnen in de borst, zaten op de schouders van diegenen die slechte, kwaadaardige gedachten koesterden of vloek- en schimpwoorden uitbraakten. Boven de Heer echter ontwaarde ik tijdens de kruisiging vaak grote figuren van wenende engelen en andere glorieuze verschijningen; de gezichten waren echter onduidelijk. Zulke engelen van het medelijden en de vertroosting zag ik ook boven de Heilige Maagd en de goedgezinden, die zo dus gesterkt en opgebeurd werden.

De beulsknechten rukten Onze Heer de mantel af, die zij om Zijn bovenlijf hadden gebonden. Zij maakten de gordel los, waaraan zij hun touwen hadden vastgeknoopt, ontdeden Hem van Zijn eigen gordel en trokken het witwollen opperkleed, dat een sleuf had en met riemen voor de borst werd dichtgesnoerd, over Zijn hoofd. Vervolgens namen zij de lange, smalle doek van Zijn schouders, en daar zij de bruine, naadloze rok, door Zijn moeder vervaardigd, niet over de brede kroon konden trekken, rukten zij Hem de kroon af, zodat de wonden in Zijn hoofd weer opengingen. Dan schortten zij de rok op en haalden hem zo, onder gehoon en vermaledijdingen, over Zijn hoofd vol bloed en wonden.

Daar stond nu de Mensenzoon: sidderend, besmeurd met bloed, door builen en striemen, drogende en lopende wonden, gevlekt en geschonden. Hij had alleen nog het korte wollen scapulier en de lendendoek aan. Het scapulier zat tegen Zijn wonden geplakt en was in de nieuwe, diepe schouderkwetsuur gedrongen, die de kruislast had veroorzaakt, en dat deed Hem geweldig veel pijn. Zonder het geringste mededogen trokken de rakkers het scapulier van Zijn borst, en Jezus stond daar bijna helemaal naakt, vreselijk gezwollen en als doorkorven, de schouder opengereten tot op het been, met plukjes wol hier en daar aan de wondkorsten en in het opgedroogde bloed.

De beulsknechten rukten Hem nu het laatste stuk kleding af: de doek om Zijn lenden. Gans naakt, kromde de Heer zich van schaamte, en toen Hij onder de handen van de rakkers dreigde neer te zinken, zetten zij Hem op een steen, die zij haastig aanrolden, en boden Hem te drinken uit de kruik met gal en azijn, doch Hij wendde zwijgend Zijn aangezicht naar de andere kant.

Toen, even daarna, de beulsknechten Jezus bij de armen pakten, Hem aan Zijn armen, waarmee Hij probeerde Zijn naaktheid te bedekken, wilden oprichten om Hem op het kruis te werpen, ontstond in de kring van de vrienden grote verontwaardiging, luid gemor en gejammer over de schande die men Jezus aandeed. Jezus’ Moeder bad vurig: zij stond op het punt, haar sluier los te maken, doorheen de massa te dringen tot bij haar zoon en hem de sluier aan te reiken, opdat hij zich zou kunnen omhullen. Maar God verhoorde haar gebed, want zie, daar sprong een man, die dwars door al het volk was komen afgelopen, met opgeschorte kleren en buiten adem over de aarden wal temidden van de rakkers en gaf Jezus een doek. Onze Heer nam dankbaar deze doek aan en wond hem zo om Zijn middel, zodat Hij het uiteinde, tussen de benen door, nog kon vastmaken aan de rugkant.

De door God, dankzij het smeekgebed van de Heilige Maagd, gezonden helper van Onze Heer had in de onstuimigheid van zijn doen iets gebiedends. Hij hief zijn vuist dreigend naar de beulsknechten op en zei alleen: "Laat deze arme mens toe om zijn naaktheid te verbergen, hoor je!" Hij sprak met niemand anders en verdween even vlug als hij gekomen was. Die man was Jonadab, een neef van de Heilige Jozef, uit de buurt van Bethlehem, de zoon van de broer aan wie Jozef, na Christus’ geboorte, de ezel had verpand. Hij was geen besliste vriend van Jezus, had zich vandaag ook op afstand gehouden en schuw overal om zich heen geloerd. Toen hij vernam hoe Jezus werd ontkleed door de geselaars, ontstak hij in gramschap, en bij het naderen van de kruisiging overviel hem in de tempel een geweldige angst. Terwijl Jezus’ Moeder op Golgotha smeekte tot God, voelde Jonadab plotseling een onweerstaanbare drang in zich. Hij moest de tempel verlaten en naar de Calvarie snellen om er de naaktheid van de Heer te bedekken. Hij voelde het branden in zijn ziel: de schande van Cham, die de spot had gedreven met de blootheid van de bedronken Noach, en zoals een andere Sem moest hij ijlings heenlopen om de naakte wijnperstreder een stuk kleding te bezorgen. De kruisigers waren nu Chamieten, en Jezus stelde de bloedige druiven voor de nieuwe wijn van de Verlossing voor, op het ogenblik dat Jonadab verscheen met het doek. De daad van deze laatste was de vervulling van iets zinnebeeldigs, en deze daad werd beloond, zoals ik later gezien heb en nog zal vertellen.

Jezus wordt aan het kruis genageld

Jezus, een beeld van ellende, werd door de rakkers op het kruis uitgestrekt. Hij ging zelf neerzitten en zij duwden Hem op Zijn rug, trokken aan zijn rechterarm, tot de hand kwam liggen boven het nagelgat in de rechter kruisbalk, en bonden Zijn arm vast. Een van de beulsknechten ging geknield op Zijn borst zitten, een andere hield de hand van Jezus open, de hand die zich gesloten had, en een derde zette de lange, zware nagel met de spits-gevijlde punt in het dikke deel van de Heer Zijn gezegende rechterhand en sloeg met de ijzeren hamer woeste slagen. Een zoet en helder, hoewel gebroken weegeschrei klonk uit de mond van Onze Heer. Zijn bloed spatte op de rakkers hun armen. Het touw dat om Zijn hand was gebonden, werk stukgetrokken en met de driekantige nagel mee in het nagelgat gedreven. Ik heb de hamerslagen geteld, maar voelde mij zo lijdend en afgemat nadien, dat ik niet meer weet hoeveel het er waren. De Heilige Maagd jammerde zacht en scheen onttogen aan het uiterlijk gebeuren, terwijl Magdalena geheel buiten zichzelf was.

De boren die de kruisigers gebruikten, waren grote stukken ijzer, in de vorm van een Latijnse T. Er was nergens hout aan. Ook de grote hamers waren met steel en helemaal van ijzer en uit één stuk, zij hadden ongeveer dezelfde vorm als de houten sleggen waarmee de schrijnwerkers op de beitels slaan.

De nagels, die Jezus deden huiveren toen Hij ze zag, waren zo lang, dat zij nagenoeg een duim uitstaken aan beide kanten van de vuist die ze vasthield. Hun kop, iets verheven in het midden, had de grootte van een kroondaalder. Zij waren driesnedig, die nagels, van boven zo dik als een gewonde duim, van onder als een kleine vinger en spits aangevijld. Zij gingen door de kruisarmen heen en hun spits was nog een beetje te zien aan de achterzijde.

Nadat zij de rechterhand van Onze Heer hadden vastgenageld, ontdekten de kruisigers dat Zijn linkerhand, die eveneens op de kruisarm gebonden was, niet tot bij het nagelgat kwam, dat zij ongeveer een paar duim te ver hadden doorboord. Zij slingerden nu de touwen alleen om Jezus’ linkerarm, schoorden zich met hun voeten tegen het kruis en trokken zo hevig en zo lang, tot Jezus’ linkerhand op de plaats reikte, waar zij de nagel moesten inslaan. Jezus jammerde hartroerend. Zij rukten zijn armen helemaal uit het gelid, Zijn oksels waren een wijde holte en aan Zijn ellebogen zag men de beenderen alsof zij bloot lagen. Zij borst welfde zich hoog naar boven, Zijn knieën waren opgetrokken ter hoogte van het onderlijf. De kruisigers knielden neer op Zijn armen en Zijn borst, bonden Zijn armen vast en sloegen de tweede nagel in Zijn linkerhand. Het bloed fonteinde en tussen de hamerslagen in klonk de zoete, heldere jammerklacht van Onze Heer. Jezus’ armen waren nu in een rechte lijn uitgestrekt, zodat zij niet meer de schuinslopende dwarsstukken van het kruis bedekten; men keek door die stukken en de okselholten van de Gekruisigde heen.

De Heilige Maagd voelde al de pijnen die Jezus onderging, werd bleek als een lijk, en zachte klanken van smart kwamen over haar lippen. De Farizeeërs keerden zich honend en schimpend naar de plek waar zij stond, en enkele vrienden leidden haar iets verder weg van de aarden wal, bij de andere heilige vrouwen. Magdalena was als waanzinnig; zij krabde haar gezicht open, haar wangen en ogen waren vol bloed.

Aan de kruisstam, tussen het benedeneind en het midden, was met behulp van een grote spijker een vooruitspringend blok bevestigd om er Jezus’ voeten op vast te nagelen, zodat Hij meer zou staan dan hangen; zonder het steunblok zouden Zijn handen gescheurd zijn en had men ook Zijn voeten niet ongebroken kunnen aannagelen. Het gat was in dat blok geboord, en er was een plaats uitgestoken voor de hielen. In de kruisstam zelf had men hier en daar een diepte gemaakt. Men wilde immers de foltering van de Gekruisigde zo lang mogelijk laten duren en wilde verhinderen dat Zijn handen zouden scheuren, het lichaam zou neervallen, meegetrokken door de eigen zwaarte.

Daar men Jezus’ armen met geweld had moeten uitrekken, opdat Zijn handen tot aan de gaten zouden hebben gereikt, die te ver van elkaar af lagen, had heel het lichaam van onze Verlosser zich als een boog naar boven gespannen en waren zijn knieën hoog opgetrokken. De rakkers drukten ze met geweld omlaag en bonden ze stevig vast aan de kruisstam; maar Jezus’ heilige voeten kwamen, ten gevolge van de slechte plaatsing van de nagelgaten, helemaal niet tot op het blok. Toen begonnen de kruisigers te vloeken en te schelden; enkele waren van mening, dat men andere gaten moest boren voor de handen, want het voetenblok hoger plaatsen, vonden zij te moeilijk; anderen zeiden spottend, om er bij te huiveren: "Hij wil zich niet rekken, maar wij zullen hem wel helpen!" Zij snoerden dan koorden om Jezus’ rechterbeen en trokken met martelende ruwheid de voet op de steunblok, waarna zij het been tegen de stam bonden. Het lichaam spande zich zo geweldig, dat Jezus’ borst kraakte en Hij luid jammerde: "O God! O God!" Zij hadden ook Zijn bovenlijf en Zijn armen met touwen vastgemaakt aan het kruis, opdat Zijn handen niet zouden loskomen van de nagels. Het onderlijf was helemaal ingedrukt, terwijl het leek of de ribben door Jezus’ borst zouden heen schieten. De pijnen van Onze Heer waren verschrikkelijk. Altijd even woest en ruw trokken de kruisigers nu de linkervoet van Jezus naar beneden en bonden hem vast op de rechtervoet; daar hij hun echter niet stevig genoeg tegen de rechtervoet scheen te rusten om zonder meer tot de aannageling te kunnen overgaan, doorboorden zij eerst nog de wreef met een stift, die fijner was en een plattere koop had dan de nagels voor de handen, zo iets in de vorm van een schulpboor, eigenlijk toch een priem. Toen zij hiermee klaar waren, grepen zij de langste, wreedste nagel en dreven die, onder grote inspanning, door de wonde van de linkervoet en vervolgens door de rechtervoet heen, in het gat van het steunblok en verder in de kruisstam. Ik zag van opzij hoe de nagel door de beide voeten ging ...

Het aannagelen van de voeten was wel het gruwelijkste van al. Ik telde zesendertig hamerslagen, min of meer. De weeklacht van onze arme Heiland klonk mij helder, zoet en rein in de oren. De stemmen van de spotters en haters rondom Hem klonken voor mij dof en donker.

De Heilige Maagd was naar de plaats van de kruisiging teruggekeerd. Het rukken en sleuren van de beulsknechten ging zijn gang. Toen, bij de aannageling van de voeten, kraakgeluiden en jammerklachten tot haar opstegen, zonk Maria nogmaals in de armen van haar gezellinnen en er ontstond een tumult. Farizeeërs kwamen aangereden, beschimpten de Moeder van Jezus, die door enkele vrienden weer uit de onmiddellijke buurt van de aarden wal werd heengeleid. Terwijl Jezus aan het kruis werd geslagen, en later, toen de beulen het kruis oprichtten, vernam men hier en daar, voornamelijk van de kant van de vrouwen, een schreeuw van medelijden. Men hoorde roepen: "O, waarom verslindt de aarde hun schurken niet, waarom valt het vuur van de hemel niet neer op hun hoofd." Deze en andere uitingen van liefde werden met hoon en spot beantwoord.

Jezus’ weeklachten waren louter klank, Hem door Zijn pijnen ontrukt, maar Hij hield niet op, te bidden in psalmverzen en woorden van de profeten, die nu in vervulling gingen; ook onderweg bad Hij voortdurend en was Zijn geest voortdurend bij de dingen die Hij te vervullen kwam. Ik heb al de verzen en citaten gehoord en met Hem meegebeden. Wanneer ik anders de psalmen bid, valt alles wat Jezus aanhaalde, mij dadelijk in, maar nu heeft de marteling van mijn hemelse bruidegom mij zo gebroken en vermorzeld, dat ik de samenhang niet kan terugvinden. Wenende engelen zag ik telkens weer verschijnen boven Jezus, in de loop van de verschrikkelijke foltering.

Op het ogenblik dat de kruisigers met het aannagelen begonnen, had de hoofdman van de Romeinse wacht het door Pilatus gemaakte opschrift reeds aan de houten pen doen hangen, die in het hoofdeinde van de kruisstam bevestigd was. De Farizeeërs ergerden zich nogal, want de Romeinen lachten luid over de titel: "Koning der Joden." Enige Farizeeërs lieten de maat nemen voor een nieuwe titelplank en reden naar de stad om nogmaals Pilatus te verzoeken, iets anders te schrijven.

Tijdens de aannageling van Onze Heer werkte men nog op de hoogste bergpunt aan de kuil waarin het kruis moest worden geplant, want deze kuil was te klein gebleken en de rots was zeer hard. Enkele van de rakkers hadden de gekruide wijn, door de heilige vrouwen meegebracht voor Jezus, zelf uitgedronken; zij hadden er een zware roes van gekregen, voelden in hun ingewanden een branden en snerpen dat hun als dol maakte. Zij scholden op Jezus, die zij een tovenaar noemden, waren woest over Zijn geduld en liepen herhaaldelijk de Calvarieberg af om ezelinnenmelk te gaan drinken, die vrouwen uit het nabije Paaskamp daar verkochten.

Volgens de stand van de zon was het ongeveer kwart na twaalf, toen zij Jezus aan het kruis sloegen, en toen het kruis zich op Golgotha verhief, klonk feestelijk trompetgeschal uit de richting van de tempel. Het Paaslam was geslacht.

» Reageer (0)
29-02-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 4.3 Herodes en Pilatus
A.C. Emmerich: Het bitter lijden van Onze Heer Jezus Christus

Hoofdstuk 4.3 Herodes en Pilatus

De doornkroning en de bespotting van Jezus

Toen het visioen van de Bittere Passie verder ging, werd Anna Catharina zwaar ziek. Zij kreeg hevige koorts en leed zo’n dorst dat haar tong, krampachtig ingetrokken, als verdord was. ’s Ochtend na de dag van "laetare" was zij zo uitgeput, zo ellendig, dat zij slechts met moeite en zonder juiste orde de volgende bijzonderheden vermocht mee te delen. Haar verklaring luidde daarbij dat zij, in de toestand waarin zij zich bevond, onmogelijk al de mishandelingen die Jezus tijdens zijn "Kroning" onderging, kon navertellen, waar alles haar dan opnieuw voor de ogen kwam te staan.

Terwijl Christus gegeseld werd, sprak Pilatus nog herhaaldelijk met het volk en éénmaal zelf riep de Joden: "Hij moet verdwijnen, al zou dit ook onze ondergang betekenen!" Toen Jezus naar Zijn Kroning werd gevoerd, schreeuwden zij opnieuw: "Weg met Hem! Weg!" Want er kwamen altijd nieuwe drommen Joden bij, die door de afgevaardigden van de opperpriesters werden bewerkt om hier dit geschreeuw aan te heffen.

Er ontstond nu een korte pauze. Pilatus hield besprekingen met zijn soldaten. De opperpriesters en de raadslieden, die op de hoge banken aan beide zijden van de weg naar Pilatus’ terras onder de bomen, ofwel onder uitgespannen tentdoeken zaten, lieten zich spijs en drank brengen door haar dienaars. Ik zag thans ook weer Pilatus, zeldzaam verward in zijn bijgeloof, helemaal alleen wierook offeren aan zijn goden en zich bezighouden met allerlei wichelarij.

De Heilige Maagd en het groepje dat haar vergezelde zag ik na de geseling, toen Maria het bloed van Jezus had opgenomen, het Forum verlaten. Ik zag hen met de bloedige doeken in een klein huisje dat tegen een muur was aangebouwd, niet ver van de markt. Ik herinner mij niet meer wie de eigenaar was van dat kleine huis, zoals ik mij ook niet meer herinner dat ik Johannes bij de geseling heb gezien.

De kroning en de bespotting van Jezus greep plaats op het binnenhof van het wachthuis, waaronder zich de kerkers bevonden. Het was met zuilen omgeven en de toegangen waren vrij. Zowat vijftig schurken uit de groep, knechten van de gevangenbewaarders, beulen, hulpjongens en slaven, naast de geselaars, namen deel aan deze nieuwe mishandeling van de Heer. In het begin verdrong zich het volk dat er wou bij zijn, maar weldra werd de orde rond het wachthuis door niet minder dan duizend Romeinse soldaten verzekerd. Zij stonden in het gelid, maar schimpten en lachten en stookten aldus de woedende folteraars van Jezus nog meer op om het nog erger te maken, want het gelach en de grappen van de soldaten waren voor Jezus’ beulen wat de bijval is voor de toneelspeler.

Zij hadden het voetstuk van een oude zuil naar het midden van het binnenhof gerold. Er was een gat in het voetstuk, waarin vroeger wel de schacht van de zuil bevestigd zal geweest zijn en zij zetten er een lage, ronde schabel over, die van een handvat voorzien was en uit kwaaddoenerij legden zij scherpe stenen en scherven op die schabel.

Zij rukten Jezus nog eens de kleren van het lichaam, vol van wonden. Daarop hingen zij om Zijn schouders een oude, rode, gescheurde soldatenmantel, die niet eens tot aan Zijn knieën reikte. Er hingen resten van gele kwasten aan de mantel, die daar ergens in de beulenkamer in een hoek lagen en gewoonlijk de gegeselde misdadigers over het bovenlijf werd geworpen, hetzij om er het bloed mee af te drogen, hetzij om hen te bespotten. Nu sleepten zij Jezus naar de met scherven en stenen bedekte schabel en duwden Hem heftig, met Zijn naakte en vol met wonden bedekte lichaam, daarop neer. En dan brachten zij de doornkroon. Deze was een paar vuisten hoog, dicht en kunstig gevlochten en had bovenaan een vooruitspringende rand. Zij legden de kroon om Zijn voorhoofd, als een band, en maakten ze van achteren stevig vast, zodat deze tegelijk Zijn kroon en hoed was.

Uit drie vingerdikke, in het kreupelhout recht opgeschoten doorntakken, had men kunstig de kroon ineengevlochten en opzettelijk de stekels, zoveel men kon, naar binnen gedraaid. De takken waren van drie soorten steekdoornen, wat overeenkomt met wat men bij ons de kruisdoorn, de sleedoorn en de hagendoorn noemt. Voor de rand hadden de vlechter een doornig goedje gebruikt, dat lijkt op ons braamgewas. Die aangevlochten rand diende om de kroon vast te nemen en heen en weer te trekken. Ik heb de plek gezien waar de doornen werden gehaald.

Zij gaven Jezus een dikke rietstengel met een pluim in de hand. Zij deden dit alles op een spottende wijze, maar tevens statig, alsof zij Hem werkelijk tot koning kroonden. Zij namen Hem het riet weer uit de hand en sloegen er hevig mee op de kroon, zodat het bloed in Zijn ogen liep. Zij knielden vóór Hem neer, staken hun tong uit op Hem, sloegen Hem en bespuwden zijn aangezicht, terwijl zij riepen: "Wees gegroet, Koning der Joden!" Onder hoongelach wierpen zij Hem met de schabel omver en duwden Hem opnieuw op het lage bankje.

Het ligt niet in mijn vermogen om hier al het lage en gemene te herhalen dat de schelmen uitvonden om onze Heer te bespotten. Ach, Hij leed zo’n geweldige dorst want Hij had wondkoorts, ten gevolge van de onmenselijke geseling, waardoor het vlees in Zijn zijde hier en daar tot op de ribben was opengerukt. Hij rilde en Zijn tong was krampachtig ingetrokken. Alleen het heilige bloed dat neervloeide van Zijn hoofd, ontfermde zich over Zijn gloeiende mond, die smachtend open stond. Maar die verschrikkelijke mensen namen Zijn mond als doelwit voor hun walgelijk spuugsel. Zo werd Jezus nagenoeg een half uur lang mishandeld en de cohorte, die in het gelid het wachthuis omgaf, lachte en juichte de spotters en de folteraars toe.

Ecce homo

Nu voerden zij Jezus, gekroond met de doornkroon met de rietscepter in Zijn geboeide handen en de rode mantel om de schouders, weer naar het paleis van Pilatus. Het bloed dat Zijn ogen vulde en verder beneden gevloeid was tot Zijn mond en baard, maakte Jezus onkennelijk. Zijn met wonden en blaren bedekte lichaam, leek op een doek die men in het bloed had gedoopt. Hij ging gebogen en wankelend. De mantel was zo kort dat Hij zich bukken moest om Zijn naaktheid te verbergen, want bij de kroning hadden zij Hem van al Zijn kledij beroofd.

Toen de arme Jezus beneden aan de trap stond vóór Pilatus, voelde zelfs deze wreedaardige mens zich bevangen door medelijden en walging. Hij leunde op de arm van één van zijn officieren en terwijl de priesters en de massa altijd maar lawaaiden en scholden, riep hij uit: "Als de duivel der Joden zo wreed is, kan men onmogelijk in de hel bij hem wonen!" Toen Jezus dan moeizaam de trap was opgesleept en ginder achteraan stond, schreed Pilatus naar de voorkant van het terras en werd er op een bazuin geblazen, ten einde stilte te verkrijgen, omdat de landvoogd wou spreken.

Hij zei tot de opperpriesters en tot allen die zich op de markt bevonden: "Zie, ik laat Hem thans nog één keer voor uw aanschijn brengen, omdat gij zou weten dat ik geen schuld vind in Hem!" En de beulen leidden Jezus naar de voorkant van het terras, naast Pilatus, zodat iedereen van op het Forum de Heer kon zien. Het was een vreselijk en hartverscheurend toneel dat in het begin ook iedereen deed gruwen en met stomheid sloeg, zoals daar de afzichtelijk verminkte Zoon van God, die één en al bloed en wonde was, Zijn ogen op de golvende massa richtte, en Pilatus aan Zijn zijde trad, naar Hem wees en de Joden toeriep: "Aanzie de mens, hier is Hij!"

Terwijl Jezus in Zijn rode spotmantel, het lichaam met wonden bezaaid, het bloedoverlopen en door de doornen gruwelijk gekwetste hoofd ten gronde gebogen, het riet in de geboeide handen, zich bukkend om met Zijn handen Zijn naaktheid te bedekken, van oneindige treurnis en mildheid vervuld, van smart en liefde gebroken, zoals een bloedig spookbeeld vóór Pilatus werd vrijgegeven aan het woeste haatgeschreeuw van de priesters en van de menigte, trokken er scharen vreemde dienstmaagden en mannen, in korte kledij, over het Forum naar de schapenvijver, waar zij gingen helpen bij het wassen van de offerlammeren, van wie het ontroerend geblaat, als wilden zij tenminste van de zwijgende Waarheid getuigen, zich nog vermengde met het moordgeschreeuw van het volk. Alleen het ware Paaslam van God, het geopenbaarde maar niet herkende geheim van deze dag, vervulde de profetie en boog zwijgend naar de slachtbank neer.

De opperpriesters en de leden van de Raad werden woest bij het zien van de Heer, die voor hen de angstwekkende spiegel was van hun geweten, en ze schreeuwden: "Weg met Hem! Kruisig Hem!" Pilatus echter riep: "Hebt gij dan nog niet genoeg gekregen? Hij is zo vreselijk toegetakeld dat hij geen koning meer zal willen zijn." Maar zij werden nog razender en schreeuwden immer wilder en het volk raasde en tierde door elkaar: "Weg met Hem! Aan het kruis met Hem!" Toen liet Pilatus opnieuw de bazuin steken en sprak: "Neemt gij Hem dan van mij over en kruisig Hem zelf, want ik, ik vind geen schuld in deze man." Na deze woorden riepen enkele opperpriesters: "Wij hebben een wet en volgens die wet moet Hij sterven, want Hij heeft zich uitgegeven voor de Zoon van God!" Pilatus antwoordde: "Indien gij zulke wetten hebt, dat deze hier sterven moet, dan wens ik geen Jood te zijn."

De aanklacht van de Joden "dat Jezus zich uitgaf voor de Zoon van God," maakte Pilatus toch bevreesd en vervulde hem, als bijgelovige, met zorg en kommer. Daarop liet hij Jezus naar een stille plaats brengen. Daar wendde hij zich tot Onze Heer en vroeg Hem: "Van waar zijt gij?" Maar Jezus gaf geen antwoord. Toen zei Pilatus: "Staat gij mij niet te woord? Weet gij dan niet dat ik de macht heb om u te kruisigen en om u vrij te laten?" En Jezus antwoordde: "Gij zoudt niet de geringste macht over mij hebben, zo u deze van hogerhand niet gegeven was. Daarom draagt diegene die mij aan u heeft overgeleverd, een zoveel zwaardere schuld."

Intussen zond Claudia Procle, ongerust geworden door het aarzelen van haar man, nogmaals een bode naar het paleis. De bode liet het pand zien dat de landvoogd herinnerde aan zijn belofte, en Pilatus gaf een antwoord mee voor zijn vrouw dat verward was en vol van bijgeloof. Ik weet alleen nog dat hij zich in dat antwoord beriep op zijn goden. Jezus’ vijanden, de opperpriesters en de Farizeeërs kregen er lucht van dat Pilatus’ vrouw ten beste sprak voor Jezus en zij lieten onder het volk de leugen verspreiden dat de aanhangers van Onze Heer de gemalin van de landvoogd hadden omgekocht. Indien de Galileër vrijkwam, zou Hij met de Romeinen een bondgenootschap sluiten en voor de Joden zou zoiets "het einde" betekenen.

Pilatus was in zijn besluiteloosheid als een dronken man. Zijn oordeel helde nu eens naar deze en dan eens naar de andere kant over. Hij sprak opnieuw tot Jezus’ vijanden en zei hen dat hij niet de minste schuld vond in Onze Heer. Daar zij echter, onstuimiger dan ooit, Jezus dood bleven eisen, wou Pilatus, die door zijn eigen verwarde gedachten, de dromen van zijn vrouw en de zware betekenis van de woorden van Jezus, heel en al in onzekerheid was gedreven, nog een antwoord van de Heer vrij krijgen, dat hem wellicht uit deze pijnlijke situatie zou kunnen redden.

Hij keerde dus naar Jezus terug en bleef met Hem alleen in de gerechtskamer. Met een forse, maar tevens twijfelende blik keek hij de arme, bloedende Jezus aan, die men niet kon aanzien zonder te gruwelen, en vroeg hij zichzelf af "of deze mens dan toch een God zou kunnen zijn." Plotseling trad hij nader en bezwoer Onze Heer om hem in een krachtige taal te zeggen of hij een god, geen mens en de beloofde koning was, hoever zijn rijk zich uitstrekte en welke rang aan zijn godheid toekwam. Indien Jezus het zei, zou hij, Pilatus, hem vrijlaten.

Wat de Heer hierop antwoordde kan ik niet meer letterlijk herhalen. Alleen de inhoud van het antwoord kan ik weergeven. Hij toonde hem aan wat voor een soort koning hij was en over welk Rijk hij heerste. Hij maakte hem duidelijk wat de waarheid was, want Hij zei hem de waarheid. De Heer zei Pilatus in het aangezicht alles wat Hij wist, dat in de geest en het gemoed van de landvoogd omging. Al het gruwelijke daarbinnen verborgen, bracht hij aan het licht. Hij voorspelde Pilatus het lot dat hem te wachten stond, zijn ellendige val en zijn afschuwelijke einde en hoe Hij, die thans tot hem sprak, eenmaal zou weerkomen om een rechtvaardig oordeel over hem te vellen.

Pilatus, half verschrikt en half geërgerd door Jezus’ woorden, ging buiten op het terras en riep voor de zoveelste maal dat hij Jezus wou vrijlaten. Toen brulden de Joden: "Als gij Hem vrijlaat, zijt gij de vriend van de keizer niet, want wie zich uitgeeft voor koning, pleegt verzet tegen de keizer!" Anderen schreeuwden dat zij de landvoogd bij de keizer zouden aanklagen, omdat hij hun feest verstoorde. Hij diende spoed te maken, want tegen tien uur moesten zij op de grote plaats in de tempel zijn. Het getier: "Aan het kruis met Hem! Weg met Hem!" verhief zich weer van alle kanten. Ja, velen waren op de platte daken rondom het Forum gestegen en schreeuwden van ginds boven.

Pilatus zag thans dat hij bij die razenden niets vermocht te bereiken: hun brullen en tieren had iets vreselijks in zich. De volksmenigte voor het paleis begon zo wild te doen, dat er een losbarsting van geweld te vrezen viel. Toen liet de landvoogd zich water brengen en een dienaar goot het uit de schaal over zijn handen, ten aanschouwen van het volk. En van op het terras riep Pilatus naar beneden: "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige, gij kunt het voor u zelf verantwoorden!"

Nauwelijks had hij aldus gesproken of de hele massa, samengesteld uit mensen van alle steden en dorpen van het land, schreeuwden eenstemmig de huiveringwekkende schreeuw: "Zijn bloed komt over onze kinderen."

Aanvullende beschouwingen

Telkens als ik, onder de visioenen van het Bitter Lijden van de Heer, het huiveringwekkende geschreeuw van de Joden te horen krijg: "Zijn bloed komt weer over onze kinderen!" wordt het uitwerken van deze plechtige zelfvervloeking mij in ontzettende beelden voorgesteld en voelbaar gemaakt. Ik zie hoe daar een donkere hemel, vol bloedrode wolken, vurige stafroeden en zwaarden, over de schreeuwende menigte hangt. Het is alsof ik de stralen van de vervloeking door merg en been zie gaan van al die mensen, alsof ik ze tot de kinderen in hun moederschoot toe zie treffen. Het ganse volk verschijnt mij als een duister blok en ik zie de verschrikkelijke schreeuw uit de duizenden mensen losbreken in troebele, grimmige vlammen, die zich met elkaar verenigen en weer op het volk neerschieten en diep binnendringen in hen. Hun aantal is niet gering, maar ik zie ook hoe Jezus en Maria, onder het vreselijkste lijden, onophoudelijk bidden voor het heil der pijnigers en zich geen ogenblik ergeren aan al de verschrikkelijke mishandelingen.

Ik zie hoe de Heer, gefolterd op de kwaadaardigste, gruwzaamste manier, overladen met de hoon van de hovaardigen en laaghartigen, besprongen door de haat, de woede en de bloeddorstigheid van Zijn vijanden en hun knechten, terwijl zoveel van Zijn volgelingen Hem lonen met ondank en Hen verloochenen, Zijn allerbitterste lijden naar ziel en lichaam, tot de laatste ademtocht in voortdurend gebed ondergaat in een nooit verminderende liefde voor zijn vijanden, steeds smekend om bekering. Ik zie echter eveneens hoe al Zijn liefde en geduld de woede en de haat van Zijn vijanden nog feller doen ontvlammen. Razend zijn zij, omdat geen enkele van hun mishandelingen ook maar één woord vermag te ontrukken aan zijn mond, één woord dat als een verontschuldiging voor hun boosheid zou kunnen gelden. Vandaag, op de dag van de Pascha, wanneer zij het Paaslam slachten, weten zij niet dat zijn een LAM ter dood brengen.

Wanneer ik tijdens dergelijke visioenen mijn gedachten richt op het gemoed van het volk en de rechters, op de heilige zielen van Jezus en Maria, wordt mij dikwijls al wat daarbinnen omgaat en wat de mensen toen niet gezien, maar wel gevoeld hebben, in beeld getoond. Ik zie dan een niet te tellen menigte duivels [elk van hen in een vorm, in overeenstemming met het kwaad dat hij vertegenwoordigt] een vreselijke bedrijvigheid onder het volk aan de dag leggen. Ik zie ze lopen van man tot man, ophitsen, in de war brengen, in de oren fluisteren, in de mond springen en zie ze met velen uit de volksmassa komen aanstormen om front te maken en de mensen tegen Jezus op te stoken. Dan zie ik hen weer voor Jezus’ liefde achteruitdeinzen en verdwijnen in de menigte. Ik zie in al hun doen echter iets vertwijfeld en verward, een element van zelfvernietiging, iets dol en onzinnig in al hun gesleur van hier naar daar. Boven en rondom Jezus, alsmede bij Maria en de weinige andere, heilige personen, zie ik integendeel vele engelen aan het werk. Ook zij verschillen van elkaar in gedaante en kledij, overeenkomstig hun bijzondere taak. Er zijn er die bidden, die troosten, die zalven, laven en spijzigen, kleden en andere werken van barmhartigheid doen.

Meer dan eens zie ik datgene wat ter vertroosting, of ook ter bedreiging wordt gezegd, in lichtende en kleurige woorden uit de mond van die verschijningen komen, ofwel dragen zij de boodschap die zij moeten overbrengen als een schriftstuk in de handen. Wanneer het nodig is zie ik aandoeningen en hartstochten en alles wat tot het gevoel behoort, in bewegende figuren die nu eens lichtgevend zijn en dan donker, meestal ook in verschillende kleuren. Ik zie die figuren binnen in de borst van de mensen, ja, zich door heel hun lichaam heen zich, zie ze langzaam of snel van hier naar daar trekken en van vorm, kleur en richting veranderen, terwijl ze mij op die wijze alles te verstaan geven wat ik weten moet. Maar het is onmogelijk om dit na te vertellen, want er zijn zo machtig vele dingen, en ikzelf, die ze te aanschouwen krijg, ben zo vol smart en treurnis, zo pijnlijk gekweld omwille van mijn zonden en de zonden van de ganse wereld, zozeer gebroken van deernis door het bittere lijden van Onze Heer, dat ik niet weet hoe ik, het weinige dat ik hier vertel, nog kan bijeen rapen.

Vele bijzonderheden [vooral wat betreft het verschijnen en de bedrijvigheid van de engelen en duivels] die ook door andere zielen, die Christus’ lijden in visioenen aanschouwden en met het verhaal van de Passie werden samengevlochten, zijn losse stukken van zulke beelden in verband met een innerlijk, geestelijk gebeuren, zoals ik even tevoren bedoelde. Volgens de zielstoestand van wie ze mochten waarnemen, zijn ze nu eens zo en dan weer anders in het geheugen gebleven en achteraf in het verhaal opgenomen. Vandaar dat men dikwijls een zekere tegenspraak bij hen vindt, terwijl ze niet allemaal precies hetzelfde onthouden, bepaalde dingen vergeten en overslaan. Daar alle denkbare boosheid in de marteling van Christus tot uiting gekomen is, alle liefde geleden is in Hem, die de zonden der wereld als Lam Gods op Zich nam, is het begrijpelijk dat het aantal gruwelijke èn heilige dingen die men te zien krijgt en waarover te vertellen valt, tot in het oneindige gaat. Wanneer dan de visioenen van vele vrome personen niet helemaal met elkaar overeenkomen, komt zulks voort omdat niet al die personen dezelfde genade ontvingen om dingen te zien, weer te geven èn te doen verstaan.

Dergelijke mededelingen over haar "wijzen van aanschouwen" heeft de zieke herhaaldelijk gedaan, zodat ik ze thans niet voor het eerst van haar vernam. Zij verklaarde meteen dat zij de meeste dingen in de aard van de laatst vermelde liever niet ophaalde, omdat de geschiedenis daardoor te onduidelijk zou kunnen worden. Eenieder zal nu toch begrijpen hoe moeilijk het voor haar moest zijn, om bij zo’n overstelpende veelheid van beelden, de gang van het gebeuren vast te houden in de herinnering. Wie zal het dan ook de zo diep en hevig, door haar medelijden gepijnigde geheugen, niet graag vergeven wanneer er zich hier en daar in de loop van haar verhaal kleine leemten voordoen, of er eens een enkele keer een vergissing wordt begaan in verband met het uur en de tijd waarop de feiten der Passie hebben plaatsgevonden.

Jezus tot de kruisdood veroordeeld

Pilatus, die niet de waarheid zocht, maar een uitweg, was meer dan ooit besluiteloos. Zijn geweten sprak: Jezus is onschuldig. Zijn vrouw zei: Jezus is heilig. Zijn bijgeloof: Hij is een vijand van uw goden. Zijn lafheid: Hij is zelf een god en zal zich wreken en de menigte: Hij is een godlasteraar. Hij moet sterven!

Toen wendde hij zich bevreesd, maar plechtig tot Onze Heer en de Heer onthulde hem zijn meest verborgen euveldaden, voorspelde hem zijn droevig lot en ellendige einde, alsmede de dag waarop Hijzelf, Jezus, ten troon gezeten op de wolken des hemels, een rechtvaardig vonnis over hem zou komen vellen. Dit alles wierp in de onjuiste weegschaal van de rechter een nieuw gewicht tegen de vrijlating van Onze Heiland.

Het ergerde de man dat hij in heel de naaktheid van zijn innerlijke schande vóór Jezus stond en Hem niet doorgronden kon. Dat Diegene die hij had laten geselen en kon laten kruisigen, hem zijn ellendig einde voorspelde, ja, dat dezelfde Jezus, die nooit van enige leugen werd beschuldigd, wiens mond geen enkel woord tot eigen rechtvaardiging gesproken had, hem in dit moment van uiterste nood, vóór de stoel van Zijn rechtvaardigheid daagde. Pilatus voelde zich in zijn hovaardigheid gekrenkt tot de toorn toe, maar deze onstandvastige, waarin nooit één enkel gevoel overheerste, was meteen en tengevolge van Jezus’ bedreiging vol van angst en zo deed hij dan een laatste poging om de Heer vrij te laten.

Toen echter de Joden verklaarden dat zij hem bij de keizer zouden aanklagen, verviel hij in een andere, nieuwe lafheid. De vrees voor de aardse keizer woog zwaarder dan zijn vrees voor de koning, wiens Rijk niet van deze wereld was. De laffe, weifelmoedige booswicht dacht bij zichzelf: "Sterft Jezus, zo sterft met hem wat hij van mij weet en over mij geprofeteerd heeft." Tegen het woord in, dat hij zijn vrouw gegeven had, tegen recht en gerechtigheid, alsmede tegen zijn persoonlijke overtuiging in, handelde Pilatus naar de wil de Joden, die bij wijze van dreigement de keizer in het geding hadden gemengd. Uit vrees voor de keizer gaf hij aan de Joden het bloed van Jezus prijs. Om zijn geweten te sussen had hij niets anders dan water, dat hij over zijn handen liet gieten, terwijl hij riep: "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige, ziet lieden wat gij doet!"

Neen Pilatus, zie gij erop toe wat gij doet! Gij noemt Jezus "rechtvaardig" en vergiet Zijn bloed: gij zijt de onrechtvaardige, gewetenloze rechter. Het bloed dat hij van zijn handen zou afwassen, doch niet kon afwassen van zijn ziel, datzelfde bloed riepen de moorddadige Joden vloekend neer over zichzelf en hun kinderen. Zij eisten dat Jezus’ bloed, dat voor ons om barmhartigheid roept, tegen hen om wraak zou schreeuwen.

Terwijl de verschrikkelijke roep van de Joden: "Zijn bloed komt over ons en onze kinderen!" weerklonk, beval Pilatus om alles in gereedheid te brengen voor het uitspreken van het vonnis. Hij liet zich andere kleren, statiekleren, brengen en aantrekken. Een soort kroon waaraan een edelsteen, iets blinkends althans, was vastgemaakt, werd op zijn hoofd gezet. Men legde een andere mantel om zijn schouders en een stafdrager kwam vóór hem te staan. Nu begaf Pilatus zich, stoetsgewijze, van het paleis naar het Forum. Soldaten omringden hem en gerechtdienaars, die iets droegen, liepen voorop. Achteraan liepen schrijvers met rollen en plankjes en helemaal aan het hoofd van de stoet ging een bazuinblazer.

Op het Forum, tegenover de geselplaats, bevond er zich een schoon gemetste verhoging van waarop de vonnissen moesten worden afgekondigd om van kracht te worden. Dit ronde bouwwerk heette Gabatha. Het was voorzien van verschillende trappen. De rechterstoel van Pilatus en daarachter een bank voor de andere leden van het tribunaal, bevonden zich ginder boven. Veel soldaten stonden op het verhoog en ook op de trappen. De meeste Farizeeërs waren reeds van Pilatus’ paleis naar de tempel gegaan. Alleen Annas en Caïphas, met 28 anderen, trokken naar het tribunaal op het Forum, toen zij zagen dat Pilatus zijn ambtsgewaad aandeed. De twee moordenaars had men er al heengebracht, toen het "Ecce Homo" voorbij was. Op de rechterstoel van de landvoogd werd eerst een rode deken gelegd en dan een blauw kussen met gele boorden.

Jezus, nog steeds in zijn spotmantel, de kroon op het hoofd en de handen geboden, werd thans door de beulsknechten en een groepje soldaten, dwars door de schimpende menigte heen, tot vóór het tribunaal gebracht en tussen de twee moordenaars geplaatst. Pilatus, die zijn stoel had ingenomen, sprak nogmaals luid tot de vijanden van Jezus: "Zie daar uw Koning!" Maar zij riepen: "Weg met Hem! Kruisig Hem!" Pilatus vroeg: "Wilt gij dat ik uw koning laat kruisigen?" De opperpriesters schreeuwden: "Wij hebben geen andere vorst dan de keizer!" Toen sprak Pilatus verder geen woord meer voor of met Jezus en ging hij over tot de veroordeling van Onze Heer. De twee moordenaars werden vroeger al tot de kruisdood verwezen. Hun uitstel tot terechtstelling kwam er echter op verzoek van de opperpriesters, die Jezus op deze wijze belachelijk wensten te maken, door Hem samen met gemene misdadigers te laten kruisigen. De kruisen voor de moordenaars lagen naast hen. Helpers van de beulen hadden ze naar hier gebracht. Jezus’ kruis was er nog niet, waarschijnlijk omdat Zijn doodvonnis nog niet was uitgesproken.

Jezus tot de kruisdood veroordeeld

Nadat Pilatus de Heer openlijk ten toon had gesteld vóór het volk en het volk zijn moordgeschreeuw had aangeheven, was de Heilige Maagd weggegaan. Zij keerde thans, vergezeld van een aantal vrouwen, terug naar het Forum en drong door de menigte heen om de veroordeling van haar Zoon bij te wonen. Jezus stond aan de voet van Pilatus’ tribunaal, omringd door beulsknechten, terwijl zijn vijanden hem vol haat en spot bekeken. Bazuingeschal weerklonk en in de stilte die volgde, sprak Pilatus, laf en snood, het doodvonnis over Jezus uit. Zijn laaghartigheid en gespleten persoonlijkheid drukten mij volledig te neer. De houding van deze opgeblazen schurk, de triomf van de bloeddorstige, door al hun hotsen en opstoken afgematte, maar nu bevredigde opperpriesters, de ellende en de diepe smart van de arme Heiland, de onuitsprekelijke angst en pijn van Zijn Moeder en van de heilige vrouwen, het begerige en grimmige loeren van de Joden, het koude en trotste doen en laten der soldaten, de gruwelijke bedrijvigheid van de duivelsbenden onder de menigte, wiens bedrijvigheid ik ook te aanschouwen kreeg: dat alles was voor mij vernietigend geweest.

Ach, ik voelde nog dat ik had moeten staan op de plaats waar Jezus, mijn liefste bruidegom, stond: dan had het vonnis gerecht en verdiend mogen heten. Ik leed echter zoveel, ik was zo gebroken, dat ik niet meer juist weet hoe het toen allemaal is gegaan. Wat ik me nog herinner, zal ik proberen te zeggen.

Pilatus hield eerst een holle inleiding, waarin hij de keizer, Claudius Tiberius, met hoge naam prees. Hierna volgde de aanklacht tegen Jezus, dat inhield dat Hij als opruier, rustverstoorder en overtreder van de Joodse wetten [daar Hij zich de Zoon van God en de Koning der Joden liet noemen] door de opperpriesters tot de doodstraf was veroordeeld, terwijl het volk eenstemmig Zijn kruisiging had geëist. Toen Pilatus hieraan toevoegde dat hij het vonnis van de opperpriesters rechtvaardig achtte, hij die uren lang niets anders had verklaard dan dat Jezus onschuldig was, vergingen mij het horen en zien van deze gemene, dubbelzinnige mens. Hij zei nog: "Zo veroordeel ik van mijn kant, Jezus Nazarenus, Koning der Joden, om aan het kruis te worden genageld." Meteen beval hij de beulsknechten om het kruis te gaan halen. Als ik het me goed herinner, heeft hij daarbij ook een lange stok, met daarin wat merg, doormidden gebroken en de stukken vóór Jezus voeten geworpen.

Bij de laatste woorden van Pilatus zonk de moeder van Jezus bewusteloos neer, alsof zij sterven ging. Nu was het zeker, nu viel er aan de smartelijke, smadelijke dood van haar allerheiligste, allerliefste Zoon en Verlosser niet meer te twijfelen. Johannes en de heilige vrouwen leidden haar heen, opdat de blinde mensen zich niet aan het spotten met de smart van de moeder van hun Heiland zouden bezondigen. Maria kon echter niets anders doen dan de lijdensweg van Onze Heer bewandelen. Haar gezellinnen moesten haar van de ene plaats naar de ander voeren. De ijver van een geheimzinnige religie van het medelijden zette er de Moeder van Jezus toe aan, overal waar de uit haar geboren Verlosser voor de zonden van Zijn broers, de mensen, geleden had, het offer van haar tranen te brengen. Zo wijdde Maria vooraf, met haar tranen, al de heilige plaatsen op de aarde die ons aller Moeder, de Kerk, eens vereren zou, zoals eertijds Jacob de gedachtenissteen met olie zalfde, waarbij hem de belofte werd gedaan.

Van op zijn rechterstoel schreef Pilatus ook nog het vonnis en enkelen, die achter hem zaten, schreven het meer dan driemaal over. Boden werden uitgestuurd want bepaalde dingen moesten door andere personen mede ondertekend worden. Terwijl ik hem daarbij bezig zag, was het alsof hij het tegen zijn wil neerschreef, in een pijnlijke verwarring van het gemoed, en alsof een toornige engel zijn handen vasthield.

Iets algemeen herinner ik me wel daarover: de inhoud was ongeveer als volgt: "Noodgedwongen en ertoe gedreven door de opperpriesters, het Sanhedrin en het met opstand dreigende volk, die de dood van Jezus van Nazareth eisten, door hem te beschuldigen van opruien, godslastering, overtreding der de wetten, etc., beschuldigingen die ik echter niet gegrond kon vinden, heb ik de Joden, ten einde te vermijden dat ze mij bij de keizer zouden aanklagen als een voor hen onrechtvaardige rechter en een bevorderaar van de opstand, de genaamde Jezus als een misdadiger tegen hun wetten overgeleverd om gekruisigd te worden met twee andere, reeds veroordeelde misdadigers, wiens terechtstelling was uitgesteld op aandringen der hogepriesters, die wensten dan Jezus tegelijk met de bedoelde booswichten sterven zou."

Hier schreef de ellendeling dus iets totaal anders dan de eerste keer. Nadien schreef hij ook nog in drie regels het opschrift voor het kruis, met vernisverf op een donkerbruin plankje. Het stuk, waarvan ik de inhoud zojuist heb weergegeven, werd ontelbare keren overgeschreven. Men stuurde afschriften naar verschillende plaatsen. De opperpriesters waren er niet mee akkoord en twistten erover met Pilatus. Zij waren vooral tegen het gedeelte waarin hij geschreven had, dat zij hadden verlangd om de terechtstelling van de twee andere moordenaars te zien uitstellen, opdat Jezus samen met die booswichten zou kunnen worden gekruisigd. De twist ging verder ook nog over het opschrift en de titel die Pilatus daarin had gegeven aan Onze Heer. De opperpriesters zagen er liever "die zich uitgaf voor een Koning der Joden" staan, in plaats van "Koning der Joden."

Pilatus echter werd ongeduldig en met verachting schreeuwde hij hen toe: "Wat ik geschreven heb, blijft geschreven!" Dan wilden zij weer dat het kruis van Christus niet hoger boven Zijn Hoofd zou uitsteken dan dat van de moordenaars. Het moest echter hoger gemaakt worden, want door een aantal mislukkingen die zich bij het werk hadden voorgedaan, was het bovenstuk te kort geworden, zodat men daar Pilatus’ opschrift niet kon aanbrengen. De opperpriesters wezen eerst op het feit dat er geen ruimte was voor dat opschrift en vervolgens protesteerden zij tegen de verhoging van het kruis en dat allemaal omdat zij wensten af te komen van de aan Jezus verleende titel, waarin zij voor zichzelf een belediging zagen. Pilatus verwierp hun protest en zo werden zij verplicht om de kruisstam een eind te verlengen.

Aldus verkreeg het kruis, omwille van allerlei omstandigheden, deze zinrijke vorm, die mij herhaaldelijk te zien werd gegeven. Ik zag namelijk het kruis altijd zo, dat de twee armen, zoals de takken van een boom, uit de stam naar omhoog liepen en zonder het verlengstuk zou het er nagenoeg als een Y hebben uitgezien. De twee kruisarmen waren dunner dan de stam waarin zij, door middel van een verbinding met een opening en een pen, werden bevestigd. Om het geheel sterker te maken sloeg men onder elke verbinding nog een spie. Daar nu de stam aan de bovenkant te kort was geworden en geen plaats kon bieden voor het opschrift, moest men er een stuk aan toevoegen. De stam werd tevens voorzien van een blokje, als steunpunten voor de voeten van de gekruisigde.

Terwijl Pilatus het onrechtvaardige vonnis uitsprak, zag ik dat Claudia Procle, zijn vrouw, hem het pand terugzond en de verbintenis met hem verbrak. Ik zag ook hoe zij ’s avonds heimelijk uit het paleis zou wegvluchten naar de vrienden van Jezus en verborgen zou worden in een overwelfde ruimte onder Lazarus’ huis te Jeruzalem. In verband met het schandelijk vonnis van Pilatus en de vlucht van zijn vrouw, zag ik eveneens hoe een van Christus’ vrienden twee regels ging krassen in een groene steen aan de achterkant van het Gabbatha. Ik herinner mij dat in die twee regels de naam van Pilatus’ vrouw voorkwam, alsmede de woorden "judex injustus." Ik weet niet meer juist of dit laatste vandaag is gebeurd, dan wel een tijd na deze dag, alleen weet ik nog dat daar op het Forum een dichte troep mannen stonden te praten en een soort haag vormden rondom hèm die de regels in de steen grifte. Ook heb ik gezien dat die steen zich thans, door niemand herkend, nog te Jeruzalem bevindt, onderaan een huis of een kerkfundering, op de plaats waar vroeger het Gabbatha was. Claudia Procle kreeg de nieuwe naam Christine en zocht later de apostel Petrus op en werd bijzonder met hem bevriend.

Toen het doodvonnis was uitgesproken en het schrijven begon, alsook het geruzie tussen Pilatus en de opperpriesters, werd Jezus prijsgegeven aan de beulen. Voordien hadden zij zich, uit respect voor het gerecht, een beetje ingehouden, maar nu handelden die verschrikkelijke mensen met Jezus gewoon als met een prooi. Men bracht de kledij die men Onze Heer, bij de bespotting vóór Caïphas, van het lichaam had gerukt. Zij waren terzijde gelegd en ik geloof dat meevoelende mensen ze gewassen hadden want ze waren nu opnieuw rein.

Ik geloof ook dat het de gewoonte was bij de Romeinen om, aan diegenen die zouden worden terechtgesteld, hun kledij terug te geven. De schandelijke beulen ontnamen Jezus de spotmantel die nog een weinig zijn naaktheid bedekte en bonden dan Zijn handen los om Hem te kunnen aankleden. Zij trokken de rode, wollen mantel zo ruw van hem af dat vele van zijn wonden opengingen. De Heer legde zelf, rillend en bevend, de doek om zijn lenden, en het wollen scapulier wierpen de beulen Hem om de hals. Daar zij de bruine, naadloze rok, die Maria voor Hem gemaakt had, niet over de brede doornenkroon konden krijgen, rukten zij die kroon van Zijn Hoofd en al de wonden, door de doornen teweeggebracht, begonnen opnieuw te bloeden en onuitsprekelijk pijn te doen.

Nadat zij de rok over Zijn gemartelde leden hadden getrokken, deden zij Hem ook Zijn breed witwollen kleed aan, Zijn gordel en zijn mantel. Tenslotte snoerden zij om Zijn middel nog een gordel, waar de touwen waren aan vastgeknoopt, die zij onder het gaan in de handen hielden. Dit alles gebeurde met ontzettende ruwheid, terwijl zij de Heer voortdurend schopten en sloegen.

De twee moordenaars stonden rechts en links van Jezus. Hun handen waren geboeid en, zoals onze Heiland tijdens het geding, droegen ook zij een keten om de hals. Hun kleding bestond uit een lendendoek en een soort wambuis van slechte stof, open aan de zijden en zonder armen, zoals een scapulier. Hun hoofdbedekking, van stro gevlochten en met een dikke rand, leek op een valhoed voor kinderen. Zij waren vuil, vertoonden striemen en blaren van de hun eerder toegediende geselingen. Hij die zich later zou bekeren, was nu reeds stil en in zichzelf gekeerd: de andere, kwaad en brutaal, vloekte en schimpte met de beulen mee tegen Jezus die de beide gezellen aankeek vol liefde en vol verlangen naar hun heil, want hij offerde ook al Zijn lijden op tot hùn verlossing.

De beulen raapten nu hun werktuigen bijeen en alles werd in gereedheid gebracht voor de treurige, gruwzame tocht, waarop de minnende Heiland, de Man van Smarten, de zondelast van ons, ondankbaren, wou dragen tot het einde en tot boetedoening Zijn allerheiligste bloed vergieten wou uit de kelk van Zijn lichaam, dat door de slechtsten onder de mensen werd doorboord.

Na veel getwist waren Annas en Caïphas dan toch overeengekomen met Pilatus. Ze kregen een paar lange perkamentrollen, die afschriften van het vonnis bevatten en haastten zich naar de tempel. Het zou hun nauwelijks lukken om er ten gestelde tijd te verschijnen.

Hier namen de opperpriesters afscheid van het ware Paaslam en spoedden zich naar de tempel van steen om het zinnebeeldige lam te slachten en te eten. Zij lieten het échte Lam Gods, dat de vervulling was van het beeld, door schandelijke beulen naar het altaar der kruisen voeren. Zij lieten het reine, waarlijk verzoenende Offerlam Gods, dat zij zoveel mogelijk getracht hadden uiterlijk te bekladden, te bevuilen met wat hun gruwelijke snoodheid ook maar bedenken kon, in de handen van onreine, wreedaardige beulen en liepen naar de stenen tempel om er de gereinigde, gewassen en gezegende lammeren te offeren. Zij hadden alles, ook het geringste, in acht genomen, ten einde zichzelf uiterlijk niet te verontreinigen, en ondertussen hadden haat, nijd en spotzucht, die in hun binnenste overkookten, hen bezoedeld.

"Zijn bloed komt over onze kinderen!" Met deze woorden hadden zij de ceremonie volbracht, die erin bestaat dat de offerende zijn handen legt op het hoofd van het slachtoffer. Hier liepen de wegen naar het altaar der Wet en naar het altaar van de Genade uiteen. Pilatus echter, de trotse en twijfelende, voor God sidderende en de goden dienende van de wereldse heidenen, een slaaf van de dood, heersend in de tijd tot hij schandelijk in de eeuwige dood zou neerzinken, trok met zijn dienaren en wachten, tussen de twee wegen door, naar zijn paleis. En de bazuinblazer stapte voorop.


» Reageer (0)
28-02-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 4.2 Herodes en Pilatus
A.C. Emmerich: Het bitter lijden van Onze Heer Jezus Christus

Hoofdstuk 4.2 Herodes en Pilatus

Van Herodes naar Pilatus

Groter dan ooit was de verbolgenheid van de opperpriesters en Jezus’ vijanden, toen zij met Hem uit Herodes’ paleis de terugtocht naar Pilatus ondernamen. Zij waren beschaamd om zonder een veroordeling te moeten terugkeren voor de landvoogd, die Jezus reeds onschuldig had verklaard. Zij volgden nu een andere weg, nog eens zo lang als de vorige, ten einde Jezus in Zijn ellendige staat te laten zien in een ander gedeelte van de stad, maar eveneens om Hem nog méér en langer te kunnen mishandelen en hun trawanten de nodige tijd te geven om de samengedreven volkscharen te bewerken en op te ruien overeenkomstig hun boze bedoelingen.

De weg die ze met Jezus gingen was ruw en oneffen en voortdurend porden zij de beulsknechten tot spoed en wreedheid aan. Het lange spotkleed hinderde de Heer bij het gaan en sleepte in de vuiligheid van de straat. Enkele keren viel Jezus neer en terwijl men Hem weer overeind trok, schopte men Hem en sloeg men Hem op het hoofd. Onzeglijke hoon en allergruwzaamste mishandelingen werden Hem aangedaan door Zijn begeleiders en de Joodse menigte. Jezus bad opdat Hij onderweg niet zou sterven en Zijn bitter lijden voor ons toch geheel en al tot het einde zou mogen uitlijden.

Het was nu kwart na acht ’s ochtends toen de stoet opnieuw over het Forum [ditmaal waarschijnlijke van de oostelijke zijde] het paleis van Pilatus naderde. Er was een geweldige volksmassa op de been. De mensen stonden in rijen, volgens de streek en de plaats van hun afkomst en de Farizeeërs liepen van groep tot groep om de mensen nog meer op te hitsen.

Pilatus had de muiterij van de ijveraars uit Galilea tijdens het vorige Paasfeest nog in gedachten en daarom had hij wel duizend soldaten samengebracht binnen en om het wachthuis en aan de ingangen van het Forum en van zijn Paleis.

De Heilige Maagd, haar oudste zuster, Maria Heli, met haar dochter, Maria van Cleophas, Magdalena en verschillende andere heilige vrouwen, in het geheel een twintigtal [A.C. Emmerich vergat te vermelden, hoe al deze vrouwen bij elkaar waren gekomen. Uit haar vroegere mededelingen herinnert de schrijver zich dat Maria, op weg naar Herodes’ paleis, Jezus had ontmoet en Hem naar het Forum gevolgd was], waren aanwezig bij datgene wat zich hier nu zou afspelen. Zij stonden in een der hallen, vanwaar zij alles konden horen en slopen soms van hier naar daar. Johannes was in het begin eveneens aanwezig.

Jezus werd in Zijn spotkledij voorbij het hoonlachende volk gevoerd. De stoutsten waren overal op de eerste rij gezet door de Farizeeërs, die zelf voorgingen met smaden en schimpen. Een dienaar van Herodes had reeds aan Pilatus gemeld hoezeer de viervorst hem erkentelijk was voor zijn attentie. Tevens had deze dienaar aan de landvoogd medegedeeld dat Herodes in de beruchte, wijze Galileër niets anders had gezien dan een dwaas, een zot, en hem derhalve ook aldus had laten behandelen en naar Pilatus terugzenden. Het verheugde de landvoogd dat Herodes niet tegen zijn opvatting was ingegaan en Jezus niet veroordeeld had. Hij liet de viervorst zijn groeten overbrengen en van heden af werden zij vrienden, nadat zij sedert het instorten van de waterleiding vijanden waren geweest.

Deze ramp was, volgens de vertelster, de oorzaak van de vijandschap tussen Pilatus en Herodes. De Romeinse landvoogd wou over de ravijn aan de zuidoostelijke kant van de Tempelberg een waterleiding en afloop voor het stadsvuil laten bouwen. Door bemiddeling van een sluwe Herodiaan, die in het Sanhedrin zat, had Herodes de landvoogd hiervoor bouwmateriaal bezorgd, alsmede achttien bouwmeesters, eveneens Herodianen. De opzet van Herodes was om de bouw te doen mislukken om aldus de onenigheid tussen de landvoogd en de Joden nog te doen aangroeien. De bouwmeesters maakten het bouwwerk zo dat het zou instorten. Toen het bijna voltooid was en de arbeiders uit Ophel, in groot aantal de stellingen onder de bogen wegnamen, stonden er achttien architecten op een toren in de buurt [Siloa] om het resultaat af te wachten. Het bouwwerk stortte in, maar ook een deel van de toren, waarbij en 93 arbeiders en met hen ook de architecten, om het leven kwamen. Dit gebeurde enkele dagen voor de onthoofding van Johannes De Doper. Toen Jezus naar Hebron ging, om de verwanten van Johannes te troosten, verwijlde Hij een poos in Ophel en genas er vele arbeiders die bij het instorten werden gewond. De dankbaarheid van deze arbeiders jegens Jezus zou nooit verdwijnen en staat eerder uitgebreid beschreven in de lijdensverhaal. De wraak die Pilatus, deels omwille van het verraad dat onder het bouwen van de waterleiding was geschied, op Herodes nam, vergrootte de vijandschap tussen beiden.

A.C. Emmerich berichtte hierover: "Op de zevende Nisan [25 maart], in het tweede jaar van Jezus’ openbaar leven, werden de Heer en de Zijnen door Lazarus gewaarschuwd, dat er bij gelegenheid van het Paasfeest een opstand van Judas Gaulonita tegen Pilatus was beraamd. De tiende Nisan [28 maart] kondigde Pilatus te Jeruzalem een tempelbelasting af, mede om de kosten te dekken van de ingestorte tempelmuur. Er ontstaat een tumult onder de aanhangers van Galilea van de vijheidstrijder, Judas van Gaulon, die met zijn mannen, zonder het te eten, een werktuig van de Herodianen was [de Herodianen vormden een gemeenschap die men kan vergelijken met de huidige vrijmetselaars]. De twaalfde Nisan [30 maart], ’s ochtends om 10 uur, bevindt Jezus zich in de tempel te Jeruzalem, vergezeld van de apostelen en dertig discipelen. Hij onderricht er, in het bruine kleed van de Galileërs. Op deze dag ontstaat het verzet van Judas Gaulonita tegen Pilatus. De oproerlingen bevrijden vijftig van hun aanhangers uit de gevangenis en doden verschillende Romeinen. De negentiende Nisan [6 april] laat Pilatus de offerende Galileërs door hier en daar in de tempel opgestelde, verklede Romeinen overvallen en uitmoorden. Judas Gaulonita boet eveneens en laat er het leven bij. Zo wreekt Pilatus zich op Herodes, door zijn onderdanen en aanhangers te treffen, wegens de samenzwering tot het mislukken van het bouwwerk. Vandaag dan neemt die vijandschap [op een huichelachtige manier] een einde. Pilatus zendt de Galileër Jezus, als onderdaan van de viervorst, vóór Herodes’ rechterstoel, om het doden in de tempel van een deel van zijn onderdanen tijdens het vorige jaar, goed te maken."

De beulsknechten sleurden Jezus nu ook weer de trappen op vóór Pilatus’ paleis. Zij trokken zo fel, dat Jezus, strompelend over Zijn lang spotkleed, neerviel en met Zijn hoofd tegen de marmeren trappen sloeg. Het wit werd geverfd door Jezus’ heilig bloed. Jezus’ vijanden, die hun zitplaatsen op het Forum hadden ingenomen, en de lompe massa barstten los in een honend gebrul, terwijl de beulsknechten Onze Heer schopten en verder sleurden.

Pilatus leunde op zijn zetel die was gemaakt als een rustbed. Het tafeltje stond naast hem en, zoals de eerste keer, was hij door enkele officieren en mannen met schriftrollen omringd. Hij trad naar voren op het terras, vanwaar hij sprak tot het volk: "Gij hebt mij deze mens als een volksopruier overgeleverd. Ik heb hem in uw bijzijn verhoord en bevonden dat hij niet schuldig is aan wat gij Hem ten laste legt. Ook Herodes ontdekte geen schuld in Hem, want ik zond u met deze mens naar de viervorst en zie, er werd geen veroordeling tegen Hem uitgesproken. Ik zal Hem dus laten tuchtigen en dan vrijlaten." Een heftig en rumoerig protest steeg van de kant van de Farizeeërs op en onder het volk werd het stoken en de omkoperij met grote ijver voortgezet. Pilatus behandelde hen met grote verachting, tussen andere, scherpe woorden in en liet zich de vraag ontvallen "of zij vandaag niet genoeg onschuldig bloed zouden zien vloeien bij het slachten van de lammeren."

Het was nu de tijd dat het volk, kort vóór Pasen, bijeenkwam vóór Pilatus om, krachtens een oud gewoonterecht, de vrijlating van een gevangene te verkrijgen. De Farizeeërs hadden vanuit Herodes’ Paleis onderhandelaars naar de wijk Acra, ten westen van de tempel, gestuurd, teneinde de massa om te kopen opdat zij niet de vrijlating van Jezus, maar Zijn kruisiging zouden eisen. Pilatus hoopte dat het volk zou vragen om Jezus vrij te laten en hij besloot om hen, naast Jezus, een vreselijke misdadiger voor te stellen, zodat zij helemaal niet zouden kunnen kiezen. Die misdadiger heette Barabbas en werd door het ganse volk vervloekt. Hij had gemoord tijdens de oproer en ik heb van hem nog vele andere gruweldaden gezien. Hij had aan tovenarij gedaan en zwangere vrouwen de vrucht uit het lichaam gesneden. Nadere bijzonderheden zijn mij echter ontgaan.

Er ontstond nu beweging onder het volk of het Forum. Een schare trad vooruit en haar sprekers, naar het terras gekeerd, riepen tot de landvoogd: "Pilatus, doe ons de gunst die gij ons ieder jaar verleent ter gelegenheid van het feest!" Pilatus had hierop slechts gewacht en antwoordde: "Het is de gewoonte dat ik u op het feest een gevangene vrijgeef. Wie wilt gij dat ik u vrijgeven zal: Barabbas of Jezus, de koning der Joden, Jezus die de Gezalfde des Heren wordt genoemd?"

Pilatus was helemaal onzeker in wat hij dacht en sprak. Hij noemde Jezus "Koning der Joden," als een hovaardige Romein die de Joden verachtte omdat zij zulk een arme koning hadden en moesten kiezen tussen deze vorst en een moordenaar. Maar hij noemde Hem ook zo, uit een soort overtuiging dat Jezus werkelijk de wonderbaarlijke, beloofde Jodenkoning, de gezalfde des Heren, de Messias zou kunnen zijn. Het uitspreken van dit vermoeden van de waarheid was, voor de helft, toch niets dan veinzerij. Hij vermeldde die titels van Onze Heer omdat hij voelde dat de nijd een van de drijfveren was van de woede van de opperpriesters tegen Jezus, die hij als onschuldig beschouwde.

Op vraag van Pilatus ontstond er een korte aarzeling bij de volksmassa, als pleegde men daar overleg, en slechts enkele stemmen riepen boudweg: "Barabbas!" Pilatus echter werd door een dienaar van zijn vrouw terzijde geroepen. Hij verliet zijn plaats en de dienaar toonde hem het pand dat hij deze morgen aan zijn echtgenote overhandigd had, en zei: "Claudia Procle wil u hierdoor herinneren aan uw belofte." De Farizeeërs en de opperpriesters waren intussen druk in de weer. Sommigen van hen mengden zich nu zelf onder het volk, bevalen en dreigden, doch zij moesten niet veel moeite doen.

De Heilige Maagd, Magdalena en de andere heilige vrouwen stonden in een hoek van een der hallen te beven en te wenen. Ofschoon de Moeder van Jezus wist dat de mensen alleen door Jezus konden geholpen worden, was zij toch met angst vervuld en verlangde zij naar Zijn leven, als moeder van haar allerheiligste Zoon. En zoals Jezus, alhoewel uit vrije wil, mens was geworden om de kruisdood te ondergaan, toch alle pijnen en foltersmarten van een afschuwelijk mishandelde, van een onschuldig naar de dood gevoerde, geheel als mens onderging en leed, zo leed ook Maria al de kwalen en de angsten van een moeder van wie het heilig kind zulke gruwelijke dingen door het ondankbaarste volk ter wereld worden aangedaan. Ze sidderden en beefden en zochten aldoor, terwijl Johannes zich nu en dan een eindje verwijderde om bij de ene of andere een goed woord te doen. Maria bad opdat de grote zonde niet gebeuren zou. Zij bad zoals Jezus op de Olijfberg: "Wanneer het mogelijk is, dat deze kelk dan voorbijgaat." En zo hoopte de minnende moeder nog steeds, want ook al hoorde zij aan alle kanten de tongen losgaan over de bemoeiingen, de pogingen van de Farizeeërs, toch drong ook tot haar het gerucht door dat Pilatus zich inspande om Jezus vrij te laten. Niet ver van haar af stonden groepjes mensen uit Capharnaum, onder wie er vele waren die Jezus onderwezen en genezen had. Zij deden een beetje vreemd en wierpen af en toe een schuwe blik naar de ongelukkige, gesluierde vrouwen en naar Johannes. Maria dacht, en allen dachten, dat deze vast en zeker Barabbas zouden verwerpen en hun weldoener, hun Heiland kiezen. Maar zo geschiedde het niet.

Pilatus had zijn vrouw het pand, dat hem deed kennen wat zij verlangde, teruggestuurd als teken dat zijn belofte nog steeds gold.. Hij trad nu opnieuw op het voorgedeelte van het terras en ging in de zetel zitten, naast het tafeltje [de opperpriesters hadden eveneens hun zitplaatsen ingenomen] en riep andermaal: "Wie van beiden zal ik u vrijlaten?" Toen ging daar over het hele Forum en van alle zijden een luid geschreeuw op: "Weg met hem daar, geef ons Barabbas!" Nu riep Pilatus: "Wat zal ik dan doen met Jezus, die de Christus, de koning der Joden wordt genoemd?" En allen tegelijk schreeuwden: "Kruisig Hem!" Nog één keer sprak Pilatus tot het volk: "Wat voor kwaad heeft Jezus dan eigenlijk gedaan? Ik, ten minste, vind niets van kwaad in deze mens, waardoor hij aan de dood zou schuldig zijn. Ik zal hem laten tuchtigen en daarna vrijlaten." Hierop hernam het geschreeuw: "Kruisig Hem! Kruisig Hem!" Het was als een storm der hel die daar in het rond bruiste. De opperpriesters en de farizeeërs gingen er als razenden te keer met hun roepen en tieren. Toen liet de zwakkeling Pilatus, hun Barabbas vrij en veroordeelde Jezus om te worden gegeseld.

De geseling van Jezus

Pilatus, de wankelmoedige, laaghartige rechter, had een paar malen het verkeerde woord gesproken: "Ik vind geen schuld in hem, daarom zal ik hem vrijlaten , maar vooraf laten tuchtigen." De Joden hielden echter niet op te schreeuwen: "Kruisig Hem! Kruisig Hem!" Pilatus wou eerst nog altijd zijn wil hebben en zien hoever hij daarmee kwam. Hij gaf bevel om Jezus te geselen op de Romeinse manier. Toen voerde de bende de mishandelde, gehavende en bespuwde Heiland, die zij met korte stokken hevig sloegen en stootten, door de roepende en tierende massa heen over het Forum, naar de geselzuil die ten noorden van Pilatus’ paleis, niet ver van het wachthuis, vóór een der markthallen stond.

De beulsknechten van de Romeinen kwamen op Jezus af en gooiden hun gesels, roeden en touwen neer bij de zuil. Het waren zes donkerhuidige mannen, kleiner dan Jezus en met warrig kroeshaar. Hun baardgroei was dun, hier en daar stoppelig uitschietend. Hun kleding bestond alleen uit een lendendoek, slechte sandalen en een stuk leder of andere, grove stof dat aan de zijden open was, op de wijze van een scapulier dat hun bovenlijf bedekte. Hun armen waren naakt. Deze mannen waren gemene booswichten en kwamen ergens van rond Egypte vandaan. Er waren er meer zoals zij, die hier als slaven en gestraften werkten aan kanalen en gebouwen. De kwaadaardigsten, de laagsten onder hen, werden door de Romeinen voor beulsdiensten gebruikt.

Die afschuwelijke mensen hadden aan dezelfde zuil reeds menige arme zondaar dood gegeseld. Zij hadden iets echt dierlijks, iets duivels over zich en leken wel half bedronken. Zij sloegen Onze Heer, die toch heel gewillig meeging, met hun vuisten en met de touwen en sleurden Hem, in een razende woede, naar de geselzuil. Dit is een vrijstaande zuil, geen steunpaal of ander bouwwerk. Deze is zo hoog dat een grote mens, met uitgestrekte armen, het bovenste gedeelte kan raken dat voorzien is van een ijzeren ring. Aan de achterkant van de zuil, op halve hoogte, zijn ook ringen of haken aangebracht. Het is onmogelijk om de barbaarsheid te beschrijven waarmee die woedende joden Onze Heer, op de korte weg naar de zuil, mishandelden. Zij rukten Hem de spotmantel af die men Hem ten huize van Herodes had omgehangen en duwden de arme Heiland daarbij haast tegen de stenen.

Jezus sidderde en beefde vóór de zuil. Met zijn gezwollen en bloedige handen trok Hij zelf haastig zijn klederen uit, terwijl ze Hem stampten en deden. Hij bad en smeekte zo ontroerend en keerde Zijn hoofd een ogenblik naar Zijn van smart gebroken moeder toe, die bij de heilige vrouwen in de hoek van een der markthallen stond, niet ver van de plaats van de geseling. Vervolgens keerde hij zich naar de zuil om zijn naaktheid te kunnen verbergen, daar hij nu ook zijn lendendoek moest uitdoen. Hij zei tegen Zijn moeder: "Wend uw ogen van mij af." Ik weet niet of hij dit luidop zei, dan wel in de geest, maar ik kon vaststellen dat Maria het vernomen had, want ik zag hoe zij op dat moment haar ogen van Hem afwendde en neerzonk in de armen van de heilige, gesluierde vrouwen die haar omringden.

Nu sloeg Jezus Zijn armen om de zuil heen en de beulen bonden, vloekend en trekkend, Zijn heilige handen vast aan de ijzeren ring bovenaan de zuil. Zij trokken Zijn lichaam zodanig naar omhoog dat Hij nog nauwelijks een steunpunt vond voor zijn voeten die dicht tegen elkaar gebracht waren. De heiligste der heiligen stond, of liever hing in zijn ganse menselijke naaktheid, van angst en oneindige schaamte vervuld, aan de zuil van de misdadigers uitgerekt, en twee van de woestelingen begonnen met een razende bloeddorstigheid Zijn heilige rug van onder tot boven en van boven tot onder te bewerken. Hun gesels en roeden leken als van wit en taai hout. Misschien waren het ook bundels van stijve bullenpezen of bundels uit repen hard, wit leder.

Onze Heer en Heiland, de Zoon van God, waarachtig God en waarachtig mens, wrong en kromde zich als een arme worm onder de misdadige geselslagen. Hij jammerde en steunde, en een helder, zoetklinkend weeklagen, als een liefderijk gebed onder zoveel verscheurende pijn, drong door het geluid van de neerslaande roeden heen. Herhaaldelijk verzwolg het geschreeuw van de volksmassa en de Farizeeërs, dat als een schrikwekkende, zwarte stormwolk over het Forum hing, onder de heilige klanken van smart en zegening.

Jezus’ vijanden en de massa riepen altijd maar voort: "Weg met hem, kruisig hem!" want Pilatus was nog met het Jodenvolk aan het onderhandelen en telkens als hij het getier van de menigte wou onderbreken, klonk er een soort trompetsignaal om stilte te bekomen. Tijdens die korte pauzes hoorde men dan het geluid van de roeden, het weeklagen van Jezus, het gevloek van de beulen en het geblaat van de Paaslammeren die ten oosten van de markt, ginder in de vijver bij de Schapenpoort, werden gewassen.

Wanneer de lammeren waren gewassen, bond men hen de bek dicht en droeg ze tot aan het reine tempelpad, omdat zij zich niet meer zouden bevuilen. Dan dreef men ze buitenom, in westelijke richting, naar de plek waar de ceremoniën plaatsvonden. Dit hulpeloos geblaat van de lammeren had iets onbeschrijfelijks ontroerend. Hun stemmen waren de enigen die zich verenigden met de zuchten en de zachte jammerklachten van de Heiland.

De Joden hielden zich op enige afstand van de plaats van de geseling, de breedte van ongeveer een straat. Hier en daar, voornamelijk bij het wachthuis, stonden Romeinse soldaten. In de buurt van de geselzuil was het een komen en gaan van allerlei gepeupel dat hoonlachend en zwijgend toekeek. Sommigen zag ik toch plotseling door medelijden aangegrepen en het leek dan of er een lichtstraal van Jezus op hen neerviel.

Ik zag ook schaamteloze, bijna geheel naakte jongeren, die terzijde van het wachthuis, roeden klaarmaakten en anderen die weggingen om doorntakken te halen. Enkele beulsknechten van de opperpriesters stonden in contact met de geselaars en stopten hen geld toe. Er werd een grote kruik aangebracht, gevuld met een dik, rood sap dat hen kwaaddronken maakte, als dol. Na een klein kwartier hielden de eerste twee geselaars op, gingen naast twee andere zitten en zopen. Jezus’ lichaam was helemaal bruin, blauw en rood, met blaren overdekt en Zijn heilig bloed vloeide neer op de aarde. Hij sidderde en rilde. Hoon en spot weerklonken van alle kanten.

Gedurende de nacht was het koud geweest. Van ’s ochtends tot nu bleef de hemel betrokken en tot ieders verwondering waren er enkele korte hagelbuien. Tegen de middag was de lucht helder en scheen de zon.

Het tweede paar geselaars ging met nieuwe woede Jezus te lijf. Zij hadden een ander soort roeden, als van warrige doornen samengevlochten en waarin hier en daar ijzeren prikkels en kogeltjes schenen te zijn vastgemaakt. Onder hun woeste slagen springen al die blaren open die Jezus’ lichaam bedekten. Zijn heilig bloed spatte in het rond tot op de armen van de beulen. Jezus jammerde, bad en sidderde van de pijn.

Vele vreemdelingen op kamelen reden thans over de markt en keken verschrikt en bedroefd toen het volk hen vertelde wat er gebeurde. Sommige van deze reizigers hadden het doopsel ontvangen en verschillenden onder hen hadden Jezus’ bergrede gehoord. Het roepen en het tieren voor het paleis van Pilatus ging zijn gang.

De volgende geselaars sloegen Jezus met gewone gesels van kleine kettingen of riemen, aan het uiteinde voorzien van haken en die aan een ijzeren handgreep waren bevestigd. Zijn rukten Hem daarmee hele brokken vlees en stukken huid van de ribben. O, wie kan dit gruwelijk, ellendig schouwspel beschrijven!

Maar zij hadden er nog niet genoeg van, maakten Jezus’ touwen los en bonden Hem nu met zijn rug tegen de zuil. Daar hij zozeer was uitgeput om nog rechtop te staan, spanden zij de scherpe touwen waarmee zij Hem thans bonden, onder Zijn armen, over Zijn borst en onder Zijn knieën en snoerden zijn handen achter de zuil vast. Als razende honden vielen de beulen Jezus nogmaals aan. Eén van hen had een dunne geselroede in de linkerhand en gebruikte deze om de Heer te geselen in het aangezicht. Weldra vertoonde Jezus’ lichaam geen enkele gezonde plek meer. Smartelijk trok Hij Zijn zijden in, die één bloed en wonde waren en de gescheurde huid van Zijn onderlijf bedekte zijn naaktheid. Jezus smeekte met Zijn, met bloed doorlopen ogen, om erbarmen bij de geselaars, die echter nog wilder en woester te keer gingen. En altijd zachter klonk het gejammer van de Heer: "Wee! Wee!"

De verschrikkelijke geseling had zowat drie kwartier geduurd, tot Ktesiphon ,een vreemde en eenvoudige man, een familielid van een door Jezus genezen blinde, plotseling van achter een de zuil kwam gesprongen. Hij zwaaide met een cirkelvormig mes en schreeuwde vol toorn: "Houd op, eer gij deze onschuldige mens geheel doodslaat!" Beduusd staakten de dronken beulen hierop hun gruwelijk misdrijf, en in een haast, als met één enkele houw, sneed de vreemde man de touwen los die allemaal aan de achterkant van de zuil om een grote, ijzeren spijker waren samengeknoopt. Hierop nam hij de vlucht in de menigte. Jezus zonk met heel Zijn bloedend lichaam als het ware levenloos neer in de brede bloedplas aan de voet van de zuil. De geselaars lieten Hem liggen, gingen zuipen en wenkten de jonge trawanten, die in het wachthuis bezig waren, toe om de doornenkroon te vlechten.

Jezus lag daar nog vol bloedende wonden aan de voet van de geselzuil, rillend van de pijn en de smart, toen ik enkele kortgerokte, liederlijke meiden zag afkomen. Zij hadden elkaar bij de hand gevat, bleven vóór Onze Heer stilstaan en keken Hem met een walg aan. Toen voelde Jezus het brandende zeer van al Zijn wonden nog eens zo fel en allerdroevigst hief Hij Zijn aangezicht tot de deernen op die verder trokken. De beulsknechten en de soldaten riepen hun lachend allerlei schandelijks achterna.

Maria bij de geseling

Zolang de geseling van Onze Heiland duurde, zag ik de Heilige Maagd, ontrukt aan de dingen buiten haar, met een onuitsprekelijke liefde en verdriet alles innerlijk meelijden wat haar Zoon doorstond. Herhaaldelijk kwam er een zachte klacht over haar lippen en haar ogen waren ontstoken van het vele wenen. Zij lag gesluierd in de armen van haar zus, Maria Heli, die reeds een bejaarde vrouw was en zeer goed leek op haar moeder, Anna.

Maria Heli werd volgens de vertelster twintig jaar voor de Heilige Maagd geboren. Zij was niet het kind der belofte en wordt in het lijdensverhaal, ter onderscheiding van de anderen met de naam Maria genoemd, met een naam die zoveel betekent als "dochter van Joachim of Heliachim." De man van Maria Heli heette Cleophas en hun dochter, Maria van Cleophas is de nicht van de Heilige Maagd en enkele jaren ouder dan Jezus’ moeder. De eerste man van Maria van Cleophas heette Alpheus. De zonen die zij bij hem won waren de apostelen Simon, Jacobus de Mindere en Judas Thaddeus. Uit haar tweede huwelijk, met Sabas, had zij een zoon, die Jozef Barnabas heette en uit haar derde huwelijk, met een zekere Jonas, nog een zoon, namelijk Simon, die bisschop van Jeruzalem werd.

Gedurende de geseling zag ik meer dan eens hoe treurende engelen verschijnen om Jezus, en ik hoorde zijn gebed, waarin Hij Zich, onder de hagel van de bittere en smadelijke geselslagen, geheel en al aan Zijn Hemelse Vader opofferde. Nu Hij neerlag in Zijn bloed, tegen de zuil, zag ik dat een engel Hem iets glanzend te nuttigen gaf.

De beulen naderden thans van hèr en porden Hem met hun voeten aan om op te staan. Zij brulden Hem toe "dat zij nog niet klaar waren met de koning." en sloegen ook naar Onze Heer die kruipend zijn lendendoek, die men terzijde had gegooid, trachtte te bereiken. De godvergeten schurken schopten de doek van hier naar daar, zodat de arme Jezus, in Zijn bloedige naaktheid, zoals een vertrapte worm, Zich wenden en keren moest om een doek te krijgen om er zijn verscheurde lenden mee te bedekken. Al trappend en stotend dwongen zij Hem dan om overeind te staan op Zijn wankelende voeten en gunden ze Hem de tijd niet om Zijn rok weer aan te trekken: zij gooiden Jezus het onderkleed zo maar los over de schouders.

Terwijl zij Hem langs een omweg, in een snelle pas, naar het wachthuis dreven, wreef Onze Heer met dat kleed het bloed van Zijn aangezicht. Zij hadden een veel kortere weg kunnen nemen, rechttoe, door de naar het Forum gekeerde galerij van het wachthuis, die hen de plaats zichtbaar liet waaronder Barabbas en de twee moordenaars gevangen zaten, maar zij dreven Jezus eerst langs de banken der opperpriesters die schreeuwend riepen: "Weg met Hem! Weg met Hem!".Hierop wendden zij vol afkeer hun aangezicht af. Toen zij Jezus op het binnenhof van het wachthuis duwden, bevonden zich daar geen soldaten, wel allerlei slaven, beulsknechten en schooiers, allemaal uitschot en van het allerlaagste allooi.

Terwijl de massa Joden zo onrustig was had Pilatus de wacht van de burcht Antonia ter versterking laten aanrukken. Deze scharen stonden thans geordend om het wachthuis heen. De soldaten mochten wel spreken, lachen en Jezus beschimpen, maar niet uit de rij treden. Pilatus wou aldus het volk in toom houden en indruk maken op de menigte. Er waren wel een duizendtal soldaten bijeen gebracht.

Maria van Cleophas, de dochter van Maria Heli, bevond zich daar eveneens en hing meestal aan de arm van haar moeder. Al de heilige vriendinnen van Jezus en Maria hadden hun aangezicht met hun sluier bedekt, bevend van angst en smart. Stil jammerend stonden zij in een dichte kring om de Heilige Maagd heen, als verwachtten zij hun doodvonnis. Maria droeg een lang, bijna hemelsblauw kleed en daarover een lange mantel van witte wol. Haar sluier van geelachtig van kleur. Magdalena zag er helemaal ontredderd uit en het leek of de mart haar had door elkaar geschud. Haar haren hingen lost onder de sluier.

Toen Jezus na de geseling was neergezonken aan de voet van de zuil, zag ik dat Claudia Procle, Pilatus’ vrouw, een pak grote doeken naar de Moeder van de Heer liet brengen. Ik weet niet meer juist of zij, in het geloof dat Jezus zou worden vrijgelaten, die doeken zond opdat de Moeder des Heren er Zijn wonden mee verbinden zou, dan wel of de medelijdende heidin ze bestemd had voor de handeling waarbij de Heilige Maagd ze thans gebruikte.

Toen Maria weer tot bewustzijn kwam van het uiterlijk gebeuren, zag ze dat de beulen haar deerlijk geschonden zoon over het Forum joegen. Jezus wreef met Zijn kleed het bloed uit Zijn ogen, om Zijn moeder te kunnen zien. Smartelijk stak Maria de handen naar Hem uit en keek Zijn bloedige voetsporen na. Vervolgens, toen het volk zich meer naar de andere kant van de markt had toegekeerd, zag ik de Heilige Maagd en Maria Magdalena de plaats van de geseling naderen. Zij wierpen zich neer bij de zuil, en terwijl de andere heilige vrouwen en enkele goedgezinde lieden, hen verborgen hielden, namen zij met de doeken die Claudia Procle gezonden had, het bloed van Jezus op, overal waar zij ook maar één druppel konden vinden.

Johannes zag ik thans niet in het gezelschap van de heilige en vrome vrouwen, die ongeveer met zijn twintig waren. De zoon van Simeon, Obeds zoon en de zoon van Veronica, almede Aram en Themeni, de beide neven van Jozef van Arimathea, deden vol angst en treurnis hun werk in de tempel.

Na de geseling kan het negen uur in de ochtend geweest zijn.

Onderbreking van het Passieverhaal

Maart 1823. "Zondag Laetare," Feest van Sint Jozef


Terwijl deze beelden uit de Passie haar van dag tot dag verschenen, en wel van de avond vóór 18 februari tot de zaterdag voor "Laetere" [8 maart], had Anna Catarina Emmerich onuitsprekelijk veel geleden naar ziel en lichaam. Onbewust van de dingen in haar omgeving, geheel verzonken in haar "aanschouwen," weende en jammerde zij als een gemarteld kind. Zij sidderde en beefde, kroop zachtjes kermend op haar bed heen en weer en haar aangezicht was als dat van een mens die sterft onder wrede folteringen. Meer dan eens liep het bloedig zweet over haar borst en rug. Het gebeurde dikwijls, dat zij te baden lag in haar zweet, zodat het al haar beddengoed doordrong.

Tezelfdertijd leed zij zo een hevige dorst, dat zij zich in een toestand bevond zoals iemand die van dorst in de woestijn omkomt, op zoek naar water. Haar mond was ’s morgens als uitgedroogd en haar ingetrokken tong als verdord, zodat zij enkel met ongearticuleerde klanken en met gebaren om hulp kon vragen. Bovendien vergezelde een dagelijkse koorts al deze pijnen, of was er het gevolg van. Daarnaast had zij haar gewone lijden te dragen, de smarten van haar deernis en al het leed dat zij voor de anderen op zich nam. Eerst nadat zij enigermate tot herstel was gekomen, wat altijd veel moeite kostte, vermocht zij het geziene te verhalen en zoiets niet elke dag volledig, maar met stukken en brokken, waarbij zij telkens weer het een of het ander vernam.

Op die manier had zij, in een hoogst ellendige toestand, op zaterdag 8 maart 1823, de hier beschreven geseling van Jezus verteld, zoals zij dit de vorige nacht had zien gebeuren. Gedurende een deel van de dag scheen zij nog met dit beeld van de Passie bezig te zijn. Tegen de avond kwam er in de tot heden toe hiaatloze reeks van haar Lijdensbeschouwingen een onderbreking, die hier wordt medegedeeld, niet alleen omdat het ons een blik gunt op het innerlijke leven van een zo buitengewone mens als Anna Catharina was, maar ook omdat het verwijlen bij die onderbreking voor de lezer een alleszins waardig rustpunt betekent, want wij hebben persoonlijk ondervonden hoe gauw de beschouwing en beschrijving van het Bitter Lijden vermoeiend werken op zwakke zielen, ofschoon dat Lijden toch om hunnentwege geleden werd.

Het zielenleven en het lichamelijke leven van de zieneres was met het dagelijkse, innerlijke en uiterlijke leven van de Kerk binnen de tijd in een allerinnigste overeenstemming. Met een wellicht hogere noodzakelijkheid dan deze bij het natuurlijke onderworpen zijn van het gemoeds- en lichamelijk leven van de mens aan de jaargetijden, het klimaat en de weersgesteldheid, getuigde haar leven aldus, onophoudelijk en op een deemoedige wijze van het wezen en de betekenis van alle geheimen en feesten in het innerlijk en het uiterlijk leven van de Kerk binnen de tijd. Het begeleidde dat leven van de Kerk zo trouw, dat op de vooravond, de vigilie van elke bijzondere dag in het kerkelijke jaar, haar ganse toestand, wat ziel en lichaam betreft, innerlijk en uiterlijk veranderde en zich onmiddellijk begon te "draaien" om de geestelijke zon van die dag. Zij maakte zich klaar om al haar gebeden en haar lijden te dompelen in de dauw van het licht en te koesteren in de warme van de bijzondere genade die de nieuwe kerkelijke feestdag met zich meebracht, om haar gebeden en haar lijden als taak voor die dag er naar te schikken.

Niet alleen wanneer het bij het katholieken gebruikelijke luiden van de avondklokken, dat ten gevolge van onwetendheid wel eens te vroeg of te laat komt, het begin van een nieuwe kerkelijke feestdag aankondigde, maar ook wanneer het ogenblik van een voorstelling van het Eeuwige binnen de tijd werd aangewezen door een voor ons, andere mensen, onzichtbaar uurwerk, voltrok er zich een ommekeer in heel haar leven. Was het een dag van droefheid in de Kerk, dan lag daar de werkelijk en wezenlijk meetreurende, als een door zielenleed en lichamelijke pijn, verslagen, versmachte en verwelkte bruid van Jezus Christus. Brak er echter een dag van blijdschap voor de Kerk aan, zo richtte zij zich dan met lichaam en ziel op, als plotseling verkwikt door de dauw van een nieuwe genade, om tot de volgende avond, in stilte en in vreugde, gelukkig en als het ware van haar lijden verlost, te getuigen van de innerlijke, eeuwige Waarheid van de kerkelijke feestviering.

Dit alles gebeurde niet zozeer door haar, dan wel met haar. Zij ging althans daarbij zo onopzettelijk te werk zoals de bij in een kunstmatige korf honing bereidt uit bloemen. De trouwe wil van dit arme boerenmeisje om, van kindsbeen af, Jezus en Zijn Kerk gehoorzaam te zijn, was welgevallig geweest in Gods ogen. God gaf haar niet alleen de daad bij de wil, maar schonk haar de natuur er toe. Zij kon niet anders dan zich wenden naar de Kerk, die zich als een plant wendt naar het licht, ook indien men haar met een kunstmatige nachtelijke duisternis had omgeven. Haar aangezicht werd betrokken of klaarde op, naargelang het aangezicht van haar Moeder, de Kerk, betrokken werd of opklaarde.

Zo had zij dan op die zaterdag, 8 maart 1823, zwaar vermoeid, het verhaal gedaan van de geseling van Onze Heer. Na zonsondergang werd zij plotseling stil en meende ik dat haar ziel reeds was overgegaan tot het aanschouwen van de doornkroning van Jezus. Enige minuten verliepen en toen begon er zich over haar aangezicht, waarop er een uiterste uitputting en een dodelijke afmatting te lezen stond, een lieflijk zachte, vreugdevolle klaarheid af te spelen.

Zij sprak enkele woorden met dat vriendelijke accent waarmee de Onschuld tot de kinderen spreekt. "Ach," zei ze, "daar komt die lieve, kleine knaap naar mij toe. Wie mag het toch zijn? Wacht, ik zal het hem vragen ... Hij heet Jozefje ... O, hoe lief is hij! Dwars door al het volk heen komt hij naar mij toe gelopen, de arme kleine! Hij is zo minzaam en lacht en weet nergens van, maar ik ben zo met hem begaan, want hij is helemaal naakt. Als hij maar geen kou vat, want het is ’s morgens vrij koel. Wacht, ik zal hem een beetje warmer aankleden."

Nadat ze deze woorden op zo’n toon van waarachtigheid had uitgesproken, dat men uitkeek om te zien waar de knaap zich bevond, nam zij een paar doeken die naast haar lagen en maakte er al de bewegingen mee van iemand die vol medelijden een lief kind aankleedt tegen de koude. Ik [de schrijver] sloeg dit met een grote oplettendheid gade en vermoedde dat haar gebaren de veruiterlijking waren van een inwendig bidden, zoals ik reeds meer dan eens bij haar had waargenomen.

Ik kwam er echter deze keer niet toe om een verklaring te vinden voor de grond van haar woorden en doen, want haar toestand wijzigde zich plots. Het gebeurde namelijk dat de persoon die haar verzorgen moest, één der geloften noemde, waardoor zij zich als kloosterzuster aan de Heer had toegewijd. Die persoon sprak het woord "gehoorzaamheid" uit en ogenblikkelijk raapte Anna Catharina dan al haar krachten bij elkaar, zoals een vroom en gehoorzaam kind, dat door haar moeder wordt wakker gemaakt met de roep om bij haar te komen. Zij greep snel de rozenkrans en het kruis, dat zij altijd bij haar had, bracht haar kledij in orde, wreef over haar ogen, richtte zich half op en werd [omdat het haar onmogelijk was te staan of te gaan] van haar bed naar een stoel gedragen. Het was het uur waarop men haar bed verschoonde en voor de nacht in gereedheid bracht. Ik verliet haar om te boek te stellen wat zij heden had meegemaakt.

Zondag 9 maart 1823

Toen ik even daarna ging bladeren in de almanak van het bisdom Münster, zag hij dat het niet alleen Laetere zondag was, maar dat vandaag ook hier te lande, het feest van Sint-Jozef, de voedstervader des Heren, werd gevierd. Dit was hem niet bekend, daar het feest van de Heilige Jozef elders op 19 maart valt.

Ik vestigde hierop haar aandacht en vroeg of zijn misschien daarom over Jozefje gesproken had, en zij verklaarde: "Ja, ik weet heel goed dat het vandaag de feestdag is van Sint Jozef. Aan dat jongetje echter, Jozefje, heb ik helemaal niet gedacht." Het schoot haar nu meteen te binnen wat zij gisterenavond te zien gekregen had, en het verhaal daarvan gunde mij een hoogst merkwaardige kijk op de innerlijke gang van haar beschouwingen. Aan de vooravond van de Zondag der Verheugenis [Laetere] en van het Sint-Jozefsfeest, had zich plotseling een blijmoedig beeld van de Heilige tussen de beelden van de Passie vervoegd. Sint-Jozef was als handelend persoon op het toneel verschenen en wel in de gedaante van een kind.

Vaak hebben wij beleden dat Degene die tot haar sprak, haar Zijn boden stuurde als kinderen, en wij hebben opgemerkt dat dit steeds gebeurde in gevallen, waarin de kunst van haar vertolker zich ook best van een kinderfiguur had kunnen bedienen. Moest daar bijvoorbeeld, in een visioen van zuiver Bijbelse historische aard, het verband worden aangeduid met de vervulling van een of andere profetie, dan liep daar gewoonlijk, naast de voorgestelde gebeurtenis, een knaap die in zijn houding en kleding, alsmede in de manier waarop hij ernstig zijn profetische schriftrol in de hand hield, ofwel die schriftrol, aan een stok gebonden, door de lucht zwaaide, het karakter van deze of gene profeet weergaf.

Had zij vreselijk te lijden, dan kwam er meestal een stil en minzaam kind tot haar, in een groen kleedje. Tevreden, hoewel uiterst ongemakkelijk, zat het op de smalle, harde rand van haar bed, liet het zich zonder te wenen van de ene arm in de andere nemen of ook neerzetten op de vloer. Het was altijd even vriendelijk en goedgezind, keek haar voortdurend aan en troostte haar en dat kind stelde het Geduld voor.

Was zij ten gevolge van haar ziekte, zo niet door overgenomen leed, geheel uitgeput en bracht een feestdag of het aanraken van een relikwie haar in contact met een heilige, met een der verheerlijkste ledematen van het lichaam van de bruid van Jezus Christus, zo zag ik, dankzij haar, slechts beelden uit de kindertijd van deze heiligen, terwijl mij anders hun gruwelijke martelingen tot in de minste bijzonderheden beschreven werden.

Wanneer God haar, in haar grote pijnen, in haar volledige uitputting, troost en opbeurende kracht, of ook enige onderrichting, ja, zelfs enige waarschuwing of berisping deed toekomen, zo geschiedde dit altijd in kinderlijke beelden en vormen. Wist zij in haar grote nood en bedruktheid zichzelf niet meer helpen, zo voelde zij zich dikwijls bij het insluimeren, en wel dadelijk in een of andere moeilijke situatie uit haar kinderjaren, uit haar prille jeugd verplaatst en geloofde dan vast, ja gaf ze met woorden en gebaren in haar slaap te kennen, dat zij een arm, vijfjarig boerenkind was en wenend gevangen zat in een doornhaag, waar zij doorheen had willen kruipen.

Steeds kwamen, in dergelijke gevallen, die kinderscènes haarscherp overeen met werkelijke jeugdbelevenissen, en in de vergelijking, waartoe zij werden aangevoerd, klonk het dan: "Wat zit je daar zo te schreien? Ik zal je alleen verlossen, indien je, uit liefde tot mij, geduldig blijft zitten en bidt." Naar zulk een vermaning had zij reeds als kind, vastzittend in de doornhaag, geluisterd. Als volwassen vrouw, bekneld in haar lijden, luisterde zij er even gewillig naar, en wakker wordend, moest zij lachen om de "haag" die haar gevangen had gehouden, en om het tweevoudig middel tot haar bevrijding [geduld en gebed], dat haar al medegedeeld was, toen zij hier nog als een klein meisje rondliep, maar dat zij echter zo nalatig uit het oog verloren had, doch nu terstond, getrouw en zeker van het goede resultaat, ging aanwenden.

Aldus werden keer op keer, op een even verrassende als ontroerende wijze, door de diep zinnebeeldige betekenis, die feiten uit haar kindertijd met betrekking tot gebeurtenissen van een latere datum, klaarblijkelijk duidelijk gemaakt: dat in het leven van de enkeling, niet minder dan in de gang der historie, een zekere "voorbeeldigheid" zich voordoet dan aan de enkeling, zoals aan de mensheid in de historische loop, een goddelijk voorbeeld gegeven is, het voorbeeld van de Verlosser, wat zij met een hogere kracht moest nastreven om boven de beperkingen van hun natuurlijke ontwikkeling heen te stijgen en op te groeien tot de volmaakte mannelijke leeftijd van Christus, opdat Gods wil zou geschieden, hier op de wereld, zoals in de hemel, en Zijn Rijk ons toekomen zou.

Vandaag nu vertelde zij de volgende, haar nog in het geheugen hangende fragmenten van de beelden die gisterenavond, toen de vigilie van het Sint Jozeffeest begon, de reeks Passievisioenen onderbroken hadden.

Hoe Sint Jozef als knaap de reeks Passievisioenen kwam onderbreken

Terwijl al die vreselijke dingen gebeurden, bevond ik mij nu eens hier en dan daar te Jeruzalem. De pijnen en de kwellingen die ik doorstond, de smarten die ik leed, maakten mij ziek tot de dood toe. Onder de geseling van mijn liefste bruidegom, zat ik op de hoek van een plaats bij de zuil, een plaats die geen Jood zou durven te betreden, uit vrees om zich te verontreinigen. Ik kende echter die vrees helemaal niet en ik ging neerzitten op de plaats van de geseling en verlangde ernaar om rein te worden, wenste vurig dat er ook maar één druppel bloed op mij zou spatten om mij rein te wassen.

Ik was zo ziek, had zoveel pijn en meende dat ik dood zou gaan. Ik kon het niet helpen, moest alles laten zoals het was en stierf bijna van medelijden alleen. Ik jammerde en rilde bij iedere slag en het verwonderde mij telkens weer dat zij mij niet wegjoegen. Ach, hoe ellendig lag mijn liefste bruidegom daar, met wonden overdekt, in de brede plas van Zijn bloed aan de voet van de zuil. Hoe gruwelijk waren de walg en de spot, waarmee die snode, liederlijke deernen in het voorbijgaan naar Hem keken en hoe diep bedroefd was de blik die Jezus hen toewierp, als wou Hij zeggen: "Dit alles is uw werk en gij bespot mij nog!" Hoe vreselijk schopten Hem de beulen, opdat Hij hen volgen zou. Hoe kroop hij daar, bloedend uit al zijn wonden, over de grond om zijn kleren te krijgen. En zie, nauwelijks had Hij, stuiptrekkend van de pijn, Zijn lenden omhuld, of zij dreven Hem reeds naar nieuwe pijnigingen toe en sleurden Hem voorbij Zijn arme moeder. Ach, hoe staarde zij, handenwringend, Zijn rode voetsporen na!

Op dat ogenblik klonk uit het wachthuis, door de galerij heen aan de kant van de markt, het spotgejoel van de jonge beulsknechten, die de doornen vlochten en de scherpte van de doornen beoordeelden, mij in de oren. Ik sidderde en beefde en stond op het punt om het wachthuis binnen te lopen om de nieuwe marteling van mijn arme bruidegom te aanschouwen, en was toch zo bang en ziek, toen ik de ongelukkige Moeder van Jezus, alsmede de andere vrouwen en enkele goedgezinde mannen, voorzichtig naderbij zag treden. De heilige vrouwen en de goede mannen omringden Maria, verborgen haar voor het volk, terwijl zij, met zulke ontroerende tederheid, Jezus’ bloed opnam rondom de zuil en overal.

Het geschreeuw en het gebrul van Jezus’ vijanden en van de massa was afschuwelijk om aan te horen, toen zij de Heer door de dichte drommen heen joegen. Ik voelde mij zo ziek en gebroken, kon niet meer wenen van danige angst en smart, maar wou nu toch mijn laatste kracht verzamelen en mij, doodsbang, naar de doornkroning van Jezus begeven, al had ik mezelf moeten voortslepen.

Toen kwam daar plotseling een wondermooi, naakt jongetje met blonde lokjes, alleen men een lendendoek bekleed, te voorschijn gesprongen van tussen de heilige vrouwen in hun lange gewaden. Het was zo’n flink knaapje, het kroop tussen de benen der mannen door en liep ineens op mij toe, draaide mijn hoofd naar een andere kant, hield nu eens mijn ogen en dan mijn oren dicht en maakte allerlei kinderlijke grapjes. Het kindje wou helemaal niet hebben dat ik nog langer die treurige beelden zou aanschouwen.

"Kent gij mij niet?" vroeg de knaap. "Ik heet Jozef en ik ben uit Bethlehem." En nu begon hij te vertellen van de grot en de kribbe, van Christus’ geboorte, van de herders en de Driekoningen en hoe heerlijk en vreugdevol dat allemaal was geweest, en onderwijl sprong hij in het rond en schertste. Ik vreesde echter voortdurend dat hij kou zou vatten, want hij had zo weinig om het lijf en af en toe viel er ook nog hagel, maar hij hield zijn handje tegen mijn gezicht en zei: "Voel toch hoe warm ik het heb, want waar ik ben, daar vat men geen kou."

Ik begon nu te jammeren over de doornkroon die ik zag vlechten, doch hij troostte mij door mij een mooie parabel te vertellen waarin al het lijden in blijdschap verkeerde en hij kapte daarbij in zijn handen. Door deze parabel verklaarde hij mij vele zinrijke dingen uit het Lijden van Christus. Hij wees mij de velden waarop de doornen waren gegroeid en die men gebruikte voor Jezus’ doornkroon. Hij zei me wat deze doornen betekenden en hoe de woeste velden ginds veranderden in prachtige graanakkers en de doornstuiken om de akkers een haag vormden, vol met bloeiende rozen. [Waarschijnlijk heeft A.C. Emmerich hier het verband vergeten te verhalen met "Laetere," die ook Rozenzondag heet, omdat de Paus vandaag een gouden roos wijdt. De vermelde graanakker kan in verband worden gebracht met het Evangelie van heden, over de spijziging der vijfduizend. Men noemt deze zondag immers niet alleen Rozenzondag [Dominicus rosata], maar ook Broodzondag [Dominicus panibus] en de Zondag der Verkwikking [Dominicus refectionis].

Ja, hij wist alles zo minzaam en lieflijk uit te leggen dat alle doornen tot rozen schenen te worden, waarmede wij dan speelden. Het minste van wat hij zei was rijk aan betekenis. Ik ben jammer genoeg, zo vele dingen vergeten. Het was een lang, aandoenlijk tafereel van het ontstaan en de groei van de Kerk, in een en al kinderlijke lieve gelijkenissen.

De vriendelijke knaap liet niet toe dat ik nog naar het Lijden van Christus kon kijken en hij trok mij mee in een reeks beelden van een totaal andere aard. Ik was nu zelf een kind [mijn verwondering hierover duurde niet lang] en liep met de kleine Jozef naar Bethlehem, waar we al de plaatsen bezochten die hij voor zijn kinderspelen uitkoos. Hij wees mij alles, en wij speelden en baden samen in de grot, die later de Grot van de Geboorte zou worden en waarin hij zich als knaap ging verbergen wanneer zijn broeders hem plaagden vanwege zijn vroomheid.

Het was alsof de familie nog in het oude stamhuis woonde dat eens door de vader van David werd bewoond en op het ogenblik van Christus’ geboorte reeds in vreemde handen was overgegaan. Daar huisden toen namelijk de Romeinse ambtenaars aan wie Jozef de cijns moest betalen. We deden vrolijk, als echte kinderen, en het was of Jezus en ook de Moeder Gods, nog niet geboren waren.

Zo werd mijn geest, op de vooravond van de viering van Sint Jozef, van de smartelijke Passiebeelden afgeleid en ter verstrooiing naar het kinderland van de Heilige Jozef heengebracht.

Gedurende het Sint Jozeffeest zag zij niets van het Bittere Lijden, maar deelde zij mede wat volgt over het voorkomen van Jezus’ Moeder en Magdalena.

» Reageer (0)
27-02-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 4.1 Herodes en Pilatus
A.C. Emmerich: Het bitter lijden van Onze Heer Jezus Christus

Hoofdstuk 4.1 Herodes en Pilatus

Jezus wordt naar Pilatus geleid

De weg van de gruwzame stoet, die Onze Heer van Caïphas naar Pilatus bracht, liep door het drukst bewoonde gedeelte van de stad, waar het thans wemelde van de paasgasten uit het hele land en de talloze vreemdelingen. Van de noordkant van de berg Sion daalde de stoet eerst door een nauwe dalstraat en dan door de stadswijk acra, langs de westzijde van de tempel, tot aan het paleis en het rechthuis van Pilatus, dat bij de noordwestelijke hoek van de tempel tegenover het grote forum of marktplein lag.

Caïphas, Annas en een groot aantal leden van de Hoge Raad openden in plechtig ornaat de stoet. Schriftrollen werden hen achternagedragen. Onder hen volgden vele schriftgeleerden en andere Joden, onder wie de valse getuigen en de vertoornde Farizeeërs, die bijzonder hun best hadden gedaan om onze Heer te beschuldigen. Enkele schreden verder kwam Onze Lieve Heer Jezus, die de bende aan de touwen voerden, terwijl een schare krijgslieden, alsook de zes beambten die bij Zijn gevangenneming aanwezig waren, Hem omringden. Altijd meer gepeupel kwam van alle zijden toegestroomd en liep schimpend en schreeuwend mee in de stoet. Langs de weg stond het volk overal, dicht bij elkaar, toe te kijken.

Jezus droeg als enige kledij zijn naadloze rok, besmeurd met spuugsel en straatvuil. Van Zijn hals ging de lange, zware keten neer, die onder het gaan smadelijk Zijn knieën bezeerde. Zijn handen waren geboeid zoals gisteren en de vier bendeleden hielden Hem weer vast bij de touwen die aan Zijn gordel waren gehecht. Hij was door de mishandelingen, die Hij gedurende de nacht had ondergaan, geheel ontredderd: een wankelend beeld van ellende, met verwoeste baard en haren, met een bleek, bruingevlekt en opgezwollen aangezicht, als gevolg van de slagen. Onder nieuwe hoon en pijnigingen werd Hij thans voortgedreven. Men had veel boeven samen getrommeld om in deze stoet Zijn feestelijke intrede op de Palmdag belachelijk te maken. Men riep Hem spottenderwijze allerlei koningsnamen toe, wierp stenen, stukken hout en smerige vodden vóór zijn voeten, zong schimpliederen en maakte gemene kwinkslagen op Zijn luisterrijke intocht. Trekkend en stotend joegen de beulen Jezus over de hindernissen heen. De hele weg lang werden de mishandelingen voortgezet.

De priesters van de Heer waren de priesters van de duivel geworden, ontzettend om te zien! En dan het razende, tierende volk, al de meinedige tegenstrijders en aanklagers, en tenslotte Jezus, Gods Zoon, de Mensenzoon, haar Zoon, afschuwelijk mishandeld, gebonden, geslagen, voortgedreven, meer wankelend dan gaande, door gruwzame beulen aan touwen meegesleurd, in een wolk van smaad en verwensingen.

Ach, Hij was niet de armste, de ellendigste en toch de enige, rustige en liefdevol biddende geweest. In deze storm van de losgebroken hel. Zij zou Hem zeker, in zo een verschrikkelijke toestand, niet herkend hebben. Hij droeg alleen zijn onderkleed dat men afschuwelijk had besmeurd en toen Hij dicht bij haar was, jammerde zij: "Wee, is dit mijn Zoon? Ach, het is mijn Zoon, o Jezus, mijn Jezus!" De stoet trok verder weg en de Heer blikte van terzijde Zijn Moeder weemoedig aan en zij verloor het bewustzijn. Johannes en Magdalena leidden haar weg, doch nauwelijks had zij zich een beetje hersteld of zijn liet zich door Johannes naar het paleis van Pilatus voeren.

Dat onze vrienden ons in onze nood verlaten, zou ook Jezus onderweg ervaren, want de inwoners van Ophel waren allen op een bepaald punt aangekomen en toen zij Jezus zo mishandeld, zo veracht en bespot ginds zagen gaan, tussen de beulsknechten, werden zij geschokt in hun geloof. Zij konden zich niet voorstellen hoe het mogelijk was dat de koning, de profeet, de Messias, de Zoon van God in zo een toestand kwam. Wegens hun gehechtheid aan Jezus werden zij gesmaad en beschimpt door de Farizeeërs, die hen toeriepen: "Ziehier uw reine koning. Begroet Hem toch! Nu houdt gij de bek dicht, nu Hij naar zijn kroningsfeest gaat en straks zijn troon zal bestijgen! Het is uit met de mirakelen, de hogepriester heeft Hem zijn toverkunsten afgeleerd, enz ..." Deze goede lieden, die zoveel genaden en genezingen van Jezus hadden verkregen, werden door het verschrikkelijke schouwspel, dat de heiligste personen uit het land: de hogepriesters en het Sanhedrin, hier voor hen vertoonden, in hun geloof aan het wankelen gebracht. De besten gingen twijfelend naar huis toe, de slechtsten sloten zich honend bij de stoet aan, voor zover zij daarin slaagden, want de wachten van de Farizeeërs, die de optocht vergezelden, waren bijzonder waakzaam, teneinde elke beroering te vermijden.

Het paleis van Pilatus en de omgeving

Aan het noordwestelijke punt van de tempelberg ligt het paleis van Pilatus, de Romeinse landvoogd. Het ligt tamelijk hoog en men moet een marmeren trap, die veel treden telt, beklimmen om het te bereiken en dan ziet men, van hierboven neer op een ruime, door hallen en zuilengangen omsloten marktplaats, neer. Een wachthuis alsmede vier ingangen onderbreken het kader van galerijen en hallen, waarin de markt is gevat, die het Forum genoemd wordt en zich westwaarts een eind verder uitstrekt aan het noordwestelijke punt van de Tempelberg. Wie daarginds, op de uiterste grens van het Forum staat, ziet de berg Sion vóór zich.

Het Forum ligt iets hoger dan de belendende straten die naar de uitgangen toe, een weinig oplopen. Tegen de achterkant van de hallen leunen hier en daar enkele huizen aan. Pilatus’ paleis wordt aan het Forum gescheiden door een breed plein. Aan de oostzijde heeft dit plein een gewelfde poort die uitgeeft in een straat die naar de schapenpoort leidt, vanwaar men zich naar de Olijfberg begeeft. Aan de westzijde is er een tweede, gelijkaardige poort, waardoor men in de wijk Acra komt en vandaar naar de berg Sion.

Als men op de trap van Pilatus’ paleis staat, kijkt men in noordelijke richting, over het plein heen, op het Forum. Ginder bij de ingang stonden enkele zuilenrijen. Meer in de buurt van het paleis waren stenen zitplaatsen aangebracht. Tot aan deze zitplaatsen, niet verder, naderden de Joodse priesters Pilatus’ rechthuis, anders zouden ze zich verontreinigen: hun grenslinie was in het plaveisel van het plein afgetekend. Nabij de westelijke poort van dit plein was, op de markt, een groot wachthuis gebouwd. Door de poort verbonden met Pilatus’ praetorium, vormt dat wachthuis, van de markt uit, een atrium of voorhof naar het praetorium toe, zoals dat gedeelte van het paleis heet waarin de landvoogd gericht houdt.

Het paleis van Pilatus en omgeving

Het wachthuis is met colonnaden omgeven. Het heeft in het midden een dakloze ruimte en onder het huis bevinden er zich kerkers. In een van die kerkers zijn de twee booswichten opgesloten die samen met Jezus zullen gekruisigd worden. Het wemelde daar van de Romeinse soldaten. Niet ver van het wachthuis, in de buurt van de markthallen, staat de geselzuil. Rondom het Forum zijn er nog verschillende andere zuilen. De voorste worden gebruikt bij het toedienen van lijfstraffen en de overige om er het vee aan vast te binden, dat hier te koop wordt gesteld. Tegenover het wachthuis, ook op het Forum, bevindt er zich een trapsgewijs, gemetselde, schoon geplaveide verhoging, een soort tribunaal met stenen banken. Van deze plaats uit, Gabbatha geheten, doet Pilatus de plechtige mededelingen van de door hem gevelde vonnissen. De marmeren trap voor het paleis leidt naar een eigen terras, vanwaar hij zich richt tot de aanklagers die op de banken zitten, liefst zo dicht mogelijk tegen de ingang aan het Forum. Wanneer men luid genoeg spreekt, kan men elkander hier goed verstaan.

Achter het paleis van Pilatus vindt men nog hogere terrassen met tuinen en een lustoord. Deze tuinen verbinden het paleis van de landvoogd met de woning van zijn vrouw. Haar naam is Claudia Procle. Tenslotte loopt daar, achter het hele complex, een gracht die het afzondert van de tempelberg. Ook staan hier woningen van tempeldienaars.

Aan de oostkant van Pilatus’ paleis grenst het huis van de oude Herodes: dat raad- of rechthuis waar, op het binnenhof, eens vele onschuldige kinderen werden vermoord. Het is thans voor een deel omgebouwd en heeft de ingang nu aan de oostelijke zijde, doch Pilatus kan er binnentreden vanuit zijn voorhuis.

Van de vier straten waarlangs men, vanuit het oosten, deze kant van de stad bereikt, leiden er drie naar Pilatus paleis en het Forum. De vierde straat loopt voorbij de noordzijde van de markt, in de richting van de poort door dewelke men naar Bethsur gaat. Vlak bij deze poort, in deze straat, ligt het gebouw dat Lazarus hier ter stede bezit en waarin ook Martha een eigen woning heeft.

Jezus wordt naar Pilatus geleid

Deze straat, die het meest in de nabijheid van de tempel loopt, heeft als vertrekpunt de Schapenpoort, de wasvijver voor de schapen, die zich naast de poort bevindt. Rechts, wanneer men ze binnengaat, ligt deze zo dicht tegen de muur, dat in de muur zelf de bogen bevestigd zijn, die men over de vijver heeft aangebracht. Langs de muur heen wordt het water afgevoerd naar het dal van Josaphat, waardoor het op deze plaats altijd modderig is. Rondom de vijver staan er enkele gebouwen.

Hier, in deze vijver, worden de Paaslammeren een eerste maal gewassen, waarna ze men voor slachting naar de tempel brengt. Daarna krijgen ze aan de vijver Bethesda, ten zuiden van de tempel, nog een ceremoniële besprenkeling. In de tweede straat ligt een huis met een hof die toebehoort aan de moeder van Maria. De heilige Anna en haar familie hielden er verblijf en stalden er hun vee om te offeren wanneer zij, bij gelegenheid van de feestdagen, naar Jeruzalem kwamen. In dit huis werd ook, zo ik mij goed herinner, de bruiloft van Jozef en Maria gevierd.

Zoals ik reeds zei, ligt het Forum hoger dan de belendende straten en greppels lopen naar de Schapenvijver. Op de berg Sion ligt een gelijkaardig Forum, vóór de vroegere Davidsburcht. Ten zuidoosten ervan, dichterbij, bevindt zich het cenakel, en ten noorden bevinden zich de rechthuizen van Annas en Caïphas. De Davidsburcht is thans een verlaten en woeste vesting: de lege hoven en stallingen worden verhuurd aan vreemd volk met karavanen en lastdieren. Dit gebouw ligt daar al lange tijd in zo’n trieste toestand en zijn huidige bestemming had het reeds toen Christus ter wereld kwam. Ik zag namelijk hoe de stoet van de Driekoningen, met de vele lastdieren, dadelijk na de aankomst, in de oude burcht werd ondergebracht.

Het paleis van Pilatus en de omgeving

Telkens als mij in beschouwingen, die het verre verleden betreffen, paleizen van grote vorsten of tempels worden getoond in een dergelijke staat van verval tot lage gebruiksdoeleinden, denk ik bij mezelf: het is toch precies zoals een paar duizend jaar later, dat wil zeggen: zoals heden, nu er ook zoveel grote bouwwerken, kerken en kloosters, in vrome en trouwe arbeid opgetrokken, verwoest en vernietigd worden, ofwel voor wereldlijk, vaak niet al te "deugdzaam" gebruik van de hand gedaan.

De kleine kerk van mijn klooster, die voor mij de hemel op aarde was en waarin de Koning van de hemel zo gaarne bij ons, arme zondaressen, in het Heilige Sacrament verbleef, staat eveneens reeds leeg, bezit geen dak en geen ruiten meer en heeft al haar grafstenen moeten afstaan. Ons arm kloostertje, binnen welke muren ik zo gelukkig was in mijn cel, met mijn kapotte stoel, zo gelukkig als geen enkele koning op zijn troon vermag te zijn, want ik kon op elk ogenblik kijken naar de kant van de kerk, waar het Heilig Sacrament stond, ons arme kloostertje, wat zal er over enkele jaren van geworden zijn? Nog wat tijd en men zal zich nog nauwelijks de plek herinneren waar gedurende vele en lange jaren een schare godgewijde zielen tot God gesmeekt en gebedeld hebben. God echter zal het onthouden. Bij Hem is geen vergeten: verleden en toekomst zijn in Hem het nu, want Hij is diegene die is.

God, bij wie ik al die oude geschiedenissen mag vinden, alsof zij van vandaag waren, bewaart al het goede dat op vergeten plaatsen werd verricht en bewaart eveneens al het kwade dat op misbruikte en ontwijde plaatsen is gebeurd en gebeuren zal, wanneer eenieder van de eerste tot de laatste penning zal moeten betalen. Voor de Heer geldt geen aanzien van persoon of plaats. Hij houdt ook het boek over de wijnberg van Naboth. Ik heb dikwijls horen vertellen hoe ons kloostertje werd gesticht door een paar arme nonnetjes, die slechts beschikten over een kruik olie en een zakje bonen. Alle redelijk verworven intresten van dit kapitaal, en van elk kapitaal, zullen op die dag worden ingevorderd. Men hoort meer dan eens een arme ziel die geen rust kan vinden omwille van een paar duiten, waar iets ongeoorloofds en onrechtvaardigs mee gemoeid is. Laat God eeuwige rust schenken aan diegenen, die ooit over de goederen der armen en van de Kerk beheer hebben gevoerd, dat er niets van die goederen zou ontbreken.

Jezus voor Pilatus

Het was, volgens onze tijdrekening, omstreeks zes uur in de morgen toen de stoet der opperpriesters en farizeeërs met de vreselijk mishandelde Heiland voor het paleis van Pilatus verscheen. Aan beide kanten van de weg, tussen de markt en het paleis, waren er stenen banken: Annas, Caïphas en de meegekomen raadslieden gingen niet verder en vatten post bij die banken. Jezus werd door de beulen, die de touwen strak hielden, iets meer naar voor geleid, tot aan de voet van de marmeren trap. Toen zij aankwamen lag Pilatus op een vooruitspringend terras op een soort rustbed. Naast hem stond er een tafeltje met drie poten, waarop enige waardigheidstekens lagen, naast nog andere dingen, die ik mij niet meer herinner. Officieren en soldaten stonden om hem heen. Er waren ook Romeinse machtsinsignes opgesteld. De opperpriesters en de Joden verbleven ver genoeg van het rechthuis, ten einde zich niet te verontreinigen. Daar was er een grens afgetekend, die niet werd overschreden.

Toen Pilatus hen zo hals over kop en zo wild en rumoerig zag naderen, en meteen de mishandelde Jezus in het oog kreeg, die naar de trap van het paleis werd geleid, verhief hij zich van zijn rustbed en sprak tot hen vol minachting, ongeveer zoals een hovaardige Franse maarschalk tot de afgevaardigden uit een klein en arm stadje: "Wat hebt gij weer zo vroeg aan de hand? Waar hebt gij die mens zo ellendig toegetakeld? Ik heb de indruk dat gij vroeg begonnen zijt met het villen en slachten." Zij riepen echter tot de beulen: "Vooruit, voer hem in het rechthuis!" Vervolgens keerden ze zich tot Pilatus: "Aanhoor onze klachten tegen deze misdadiger. Wijzelf mogen uw rechthuis niet binnentreden, want wij zouden ons verontreinigen."

Na deze woorden, die zij luid hadden uitgegalmd, schreeuwde er een grote en sterke, eerbiedwaardige man, die zich op het forum bevond, tussen de volksmassa achter hen: "Neen, jullie mogen het rechthuis niet betreden, want het is geheiligd door onschuldig bloed. Hij alleen mag er binnengaan. Hij alleen van al de Joden is rein als de Onschuldige Kinderen!" Toen hij, vol hevige ontroering, deze woorden had uitgesproken, verdween hij in de menigte. Zijn naam was Zadoch, een welgesteld man en neef van de echtgenoot van Seraphia, die men Veronica noemt.

Twee zoontjes van Hem waren op het plein voor het rechthuis, samen met nog andere onschuldige kinderen, door Herodes’ soldaten vermoord. Sedertdien leefde hij, volledig teruggetrokken met zijn vrouw, in onthouding, zoals een Esseen. Eénmaal had hij de Meester gezien, ten huize van Lazarus, en zijn lerend woord gehoord. Nu hij de onschuldige Jezus zo ellendig naar de trap van Pilatus zal sleuren, brak de smartelijke herinnering aan zijn zoontjes, die ginds om het leven waren gebracht, in hem open en met een krachtige stem getuigde hij van de schuldeloosheid van de Heer.

Jezus’ aanklagers waren te zeer van hun eigen gevoelens en begeerten vervuld en te zeer geërgerd over de houding van Pilatus en de nederigheid die zij jegens hem in acht moesten nemen, dan dat zij veel zouden hebben gegeven om Zadochs geschreeuw.

Jezus werd thans door de beulen de vele marmeren treden opgesleept en kwam te staan op het achterplein van het terras, vanwaar Pilatus sprak met zijn aanklagers. Terwijl de landvoogd hier Onze Heer, over wie reeds tal van geruchten tot hem waren doorgedrongen, zo vreselijk mishandeld en gehavend, en tevens zo onverstoorbaar waardig, zag voorbijgaan, groeide zijn diepe verachting voor de priesters, die hem hadden laten melden dat zij hem Jezus van Nazareth, schuldig tot de dood, zouden overleveren, en hij liet hen voelen dat hij niet geneigd was om Jezus te vonnissen zonder degelijke bewijzen van zijn onschuld. En zo zei hij, tegelijk trots en honend, tot de hogepriesters: "Wat hebt gij dan zoal tegen deze mens in te brengen?" Hierop antwoordden zij geërgerd: "Indien wij Hem niet misdadig hadden bevonden, zouden wij hem ook niet aan u hebben overgeleverd." Toen sprak Pilatus: "Wel, neem Hem terug mee en vonnis Hem volgens uw wetten." Hierop antwoordden zij dan: "Gij weet dat ons het recht om een doodvonnis te voltrekken niet onbeperkt toekomst."

De vijanden van Jezus waren vol van woede en ergernis en zij deden alles met grote haast en gejaagdheid, teneinde vóór de wettelijke feesttijd de zaak van Jezus afgehandeld te krijgen en het Paaslam te kunnen slachten. Zij wisten niet dat dit het Paaslam was, die zijzelf naar het rechthuis van de heidense afgodendienaar hadden gesleept. Naar dat rechthuis waarvan ze de drempel niet wilden overschrijden om zich niet te verontreinigen, daar zijn ànders vandaag het Paaslam niet zouden kunnen eten.

Terwijl nu de landvoogd van hen eiste om met hun beschuldigingen naar voren te treden, spraken zij drie hoofdklachten tegen Jezus uit en stelden voor elke klacht tien getuigen aan. Zij kleedden de klachten op een zodanige wijze in, dat Jezus als een misdadiger tegen de Keizer zou voorkomen en derhalve door Pilatus gevonnist zou moeten worden. Het was immers zo dat, wanneer het om dingen ging die louter de wetten van hun godsdienst en van de tempel betroffen, zij dan zelf het recht hadden om dit te doen.

Hun eerste hoofdklacht luidde: "Jezus van Nazareth is een misleider van het volk, een rustverstoorder en een opruier," en ze trachtten dit, aan de hand van getuigenissen, te bewijzen. Zij zeiden: "Hij trekt her en der, houdt grote vergaderingen, schendt de Sabbat, geneest zieken op de Sabbat..." Toen onderbrak Pilatus hen spottend: "Gij lieden zijt gewis niet ziek, anders zoudt gij u over dat genezen niet zo kwaad maken." Zij spraken echter verder: "... Hij leidt het volk om de tuin met zijn afschuwelijke leerstellingen en hij zegt dat men zijn vlees moet eten en zijn bloed moet drinken, zo men het eeuwig leven wil hebben." De woedende haat waarmee zij deze beschuldiging naar Jezus’ hoofd slingerden, ergerde Pilatus. Hij keek glimlachend zijn officieren aan, maar de Joden voegde hij scherpe woorden toe, zoals: "Het heeft er waarachtig alle schijn van dat gij zijn leer volgt en het eeuwig leven wilt bezitten, want hij doet precies alsof gij zijn vlees wilt eten en zijn bloed wilt drinken."

De tweede hoofdklacht was dat Jezus het volk opstookte, met de woorden geen belasting te betalen aan de keizer. Hier onderbrak Pilatus hen wederom, en zoals iemand tot wiens taak het hoort om op zulke dingen te letten, riep hij zeker van zijn stuk: "Dat is een grove leugen, dat moet ik beter weten!" De Joden gingen echter voort met hun geraas en grepen weldra naar een derde hoofdklacht en zegden: "Het is in ieder geval een feit dat deze mens van lage, duistere en verdachte afkomst, die zich van een grote aanhang wist te verwerven in en rond Jeruzalem Ach en wee! geroepen heeft.

Hij verspreidt onder het volk dubbelzinnige gelijkenissen, over een koning die voor zijn zoon het bruiloftsfeest toebereidt, en dergelijke meer... Eenmaal reeds heeft de menigte, die boven op een berg rond Hem verzameld was, Hem tot koning willen uitroepen, maar het leek Hem te vroeg en Hij is Zich toen gaan verbergen. De jongste tijd trad Hij herhaaldelijk weer in het openbaar op en liet Hij Zich zelfs te Jeruzalem met veel lawaai inhalen, en liet het gebeuren dat het volk Hem toeriep: Hossanah de Zoon van David! Hooggeprezen het Rijk van onze vader David, dat in aantocht is! Hij stond toe dat men Hem koninklijke eer bewees, want Hij verklaart dat Hij Christus is, de Gezalfde des Heren, de Messias, de beloofde koning der Joden, en laat zich aldus ook betitelen." Zoals de vorige, werd ook deze klacht door tien getuigen bevestigd.

Bij de woorden dat Jezus zich de Christus, de koning der Joden liet noemen, was Pilatus beginnen nadenken. Hij verliet nu het open terras, trad in de aanpalende gerechtskamer, wierp in het voorbijgaan een scherpe blik naar Jezus en beval de wachten om Onze Heer vóór hem te brengen in de kamer.

Pilatus was een verwarde, bijgelovige en wispelturig heiden. Hij koesterde allerlei donkere voorstellingen betreffende de zonen van zijn goden, die op aarde geleefd hadden, en het was hem ook niet onbekend dat de profeten der Joden van oudsher een gezalfde van God, een verlosser en bevrijder, een koning hadden voorspeld en dat deze door vele Joden werd verwacht. Hij wist eveneens dat koningen uit het Morgenland bij de oude Herodes waren gekomen en navraag hadden gedaan naar een nieuwgeboren Koning der Joden, die zij hun hulde wensten te brengen en dat, tengevolge daarvan, vele kinderen op Herodes bevel werden vermoord. Hij wist genoeg van de sagen over een Messias, een Jodenkoning, maar als een ijverig dienaar der goden hechtte hij er geen geloof aan en kon hij zich ook niet inbeelden wat voor een koning dat eigenlijk mocht zijn. Hij zou, ten hoogste, in zulk een koning hebben kunnen geloven op de wijze der verlichte Joden en Herodianen, die hem als een machtige, triomfantelijke heerser zagen: aldus vond hij de beschuldiging dat Jezus, die daar zo ellendig, arm en gehavend voor Hem stond, die Zichzelf de Gezalfde van God, zo'n Koning noemde, méér dan belachelijk. Daar echter Jezus’ vijanden de beschuldiging op een dergelijke wijze hadden ingekleed, als ging het om een krenking van de rechten van de Keizer, nam hij de Heiland apart voor verhoor.

Pilatus keek Jezus vol verwondering aan en sprak tot Hem: "Gij zijt dus de Koning der Joden?" Jezus antwoordde: "Hebt gij dit uit uzelf, of hebben anderen u dit van mij gezegd?" Hierop zei Pilatus op een minachtende toon, heimelijk denkend dat Jezus hem voor dwaas zou kunnen houden door aan zo’n arme, ellendige mens te vragen of hij een koning was: "Ben ik soms een Jood, dat ik iets zou moeten afweten van dergelijke flauwe geschiedenislessen? Het volk en zijn priesters hebben u onder die aanklacht, schuldig aan de dood, aan mij overgeleverd, opdat ik u zou vonnissen. Zeg wat u gedaan hebt." Hierop gaf Jezus plechtig ten antwoord: "Mijn Rijk is niet van deze wereld. Indien mijn Rijk van deze wereld was, dan zou ik ook wel dienaars hebben, die zich te weer zouden hebben gesteld, om te verhinderen dat ik aan de Joden werd overgeleverd, maar Mijn Rijk is niet van hier beneden."

Toen Pilatus deze ernstige woorden uit Jezus’ mond vernam, voelde deze zich geschokt en sprak nadenkend tot Hem: "Gij zijt dus een koning?" En Jezus antwoordde: "Gij zegt het: ja, ik ben koning. Ik ben geboren en in deze wereld gekomen om te getuigen van de Waarheid en ieder die uit is op de Waarheid, luistert naar Mijn stem." Pilatus keek onze Heer in de ogen en zei, terwijl hij opstond: "Waarheid? Wat is waarheid?" Er werd nog een en ander gezegd, dat ik mij niet juist meer herinner.

Pilatus ging terug naar het terras. Hij kon Onze Heer niet begrijpen, maar wist nu genoeg van Hem, waaruit hij de zekerheid had, dat Jezus geen koning was die de keizer schade zou berokkenen, dat Hij geen aanspraak maakte op een Rijk in deze wereld en een Rijk uit een andere wereld baarde de keizer zorg nog kommer, en hij riep van op het terras tot de priesters: "Ik vind helemaal geen schuld in deze mens." De vijanden van Jezus ontstaken thans in een nieuwe woede en een stroom van beschuldigingen lieten zij thans tegen Hem los. De Heer echter zweeg en bad voor die arme mensen, en toen Pilatus Hem de vraag stelde: "Hebt gij niets op al hun aanklachten in te brengen?" sprak Jezus ook geen enkel woord, zodat Pilatus, in hoge mate verwonderd, tot Hem zei: "Ik zie wel dat zij tegen u met leugens omgaan." [Hij gebruikte voor leugens een andere uitdrukking, die ik vergeten ben] De aanklagers echter staakten hun woedend getier en riepen: "Wàt, vindt gij geen schuld in hem? Is dit misschien geen schuld, dat hij het volk opruit door zijn leer te verspreiden over het hele land, van Galilea af tot hier?"

Toen Pilatus het woord "Galilea" hoorde, bezon hij zich en ogenblik en vroeg dan, naar beneden gewend: "Is deze man uit Galilea, een onderdaan van Herodes?" En daar Jezus’ aanklagers antwoordden: "Ja, want zijn ouders hebben in Nazareth gewoond, en nu woont hij in Capharnaüm," sprak Pilatus: "Wel, als deze man een Galileër is, één van Herodes’ onderdanen, voert hem dan vóór deze vorst. Hij vertoeft te Jeruzalem ter gelegenheid van het feest en mag Hem vonnissen." En hij liet Jezus uit het rechthuis wegleiden naar Zijn vijanden en zond meteen een officier naar Herodes, om de vorst te melden dat men één van zijn onderdanen, een Galileër, Jezus van Nazareth, voor zijn gerecht zou brengen. Pilatus was blij door zo de veroordeling van Jezus van zijn eigen rug te kunnen afschudden en tegelijk een politieke zet te kunnen doen. Hij wou namelijk Herodes, met wie hij in vijandschap lag, een vriendschapsdienst bewijzen. Hij wist dat de vorst altijd zeer gebrand was geweest op een kennismaking met Jezus.

De vijanden van de Heer, ten hoogste verbitterd omdat zij ten aanschouwen van het volk door Pilatus waren afgewezen en verder naar Herodes werden doorverwezen, deden Jezus hun toorn ontgelden. Razend en tierend, in een nieuwe vlaag van woeste haat, sloten zij Jezus tussen zich en de gerechtsdienaren in en dreven Hem, opnieuw gebonden, onder stoten en slagen, met geweldige haast, dwars over de propvolle markt en dan door een straat naar het niet al te wijd gelegen paleis van Herodes. Romeinse soldaten vergezelden hen.

Claudia Procle, Pilatus’ vrouw, had haar gemaal tijdens Jezus’ verhoor door een dienaar laten zeggen, dat zij hem dringend wenste te spreken. Toen Jezus naar Herodes werd gevoerd, stond zij op een hoge galerij en zag vandaar, zelf ongezien, volg angst en droefenis de stoet over het Forum trekken.

Ontstaan van de Kruiswegoefening

Terwijl Jezus vóór Pilatus werd aangeklaagd, hadden de Moeder van de Heer, Magdalena en Johannes, heel die tijd lang onder het volk gestaan, in een hoek van een der hallen en vandaar het roepen en tieren gehoord, dat hun hart verscheurde. Toen Jezus nu naar Herodes werd gebracht, leidde Johannes de beide vrouwen weg en samen met hen ging hij de lijdensweg terug, die Jezus totnogtoe was gegaan. Zo stapten zij dan in de richting van de huizen van Annas en Caïphas, schreden door Ophel, klommen naar Gethsemane op de Olijfberg, en overal waar de Heer was gevallen en waar Hem kwaad en leed waren geschied, stonden zij stil, jammerden er, en leden ze Zijn smarten mee.

Meer dan eens zonk de Heilige Maagd ter aarde neer en kuste Zij de grond. Magdalena wrong haar handen en Johannes, wenend en troostend, hielp Jezus’ moeder weer overeind en leidde haar verder. Dit was het begin, de oorsprong van de heilige kruiswegoefening, de medelijdende beschouwing en verering van Jezus’ lijden, nog vóórdat het geheel geleden was: toen reeds nam, in de heiligste bloem van de mensheid, bij de maagdelijke Moeder Gods, de vrome aandacht van de Kerk voor de smarten van haar Verlosser een aanvang. Reeds op dat ogenblik, toen Jezus nog maar de helft van zijn bittere lijdensweg had afgelegd, beweende de uitverkoren en genaderijke Moeder de bloedige voetstappen van haar Zoon en God.

O, wat een medelijden! Hoe scherp en geweldig drong het zwaard in haar hart, hoe lang en pijnlijk bleef het er branden! Zij, wier zalige schoot Hem had gedragen, wier gezegende borsten Hem hadden gevoed! Zij, de heilige, die het Woord dat in het begin bij God en God zelf was, werkelijk en wezenlijk had gehoord, die het Woord in zich opgenomen en gedurende negen maanden bewaard had onder haar hart vol genade, die het Woord verzorgd had, gadegeslagen en aan haar borsten gelaafd! Zij, die Jezus’ leven in haar had gevoeld en gedragen, voordat de mensen, Zijn broeders, van Hem onderricht, zegeningen en helende hulp ontvingen, leed alles, van het eerste tot het laatste, met Jezus mee en leed ook Zijn dorst mee naar de verlossing van de mensen, door Zijn pijnen en Zijn bittere dood.

Zo ging de reinste, de Onbevlekte, reeds op dat moment de Kerk voor in het volgen van de kruisweg, om de onuitputtelijke verdiensten van Onze Heer, van plaats tot plaats, als edelstenen bijeen te garen, te plukken als bloemen langs de weg, en ze ter intentie van de gelovigen aan Zijn Hemelse Vader op te dragen. Al wat ooit in de mensheid heilig was geweest en heilig zou zijn, allen die gehunkerd hadden naar de Verlossing, allen die in de loop van de tijden, door de eeuwen heen, Jezus’ lijden, uit liefde en medelijden zouden herdenken, wandelden, treurden, baden en offerden mee in het hart van Jezus’ Moeder, die ook een trouwe moeder is van Zijn gelovige broeders in de Kerk.

Magdalena, ach Magdalena, was als buiten zichzelf van smart. Zij droeg Jezus een onmetelijke, heilige liefde toe, maar nu zij haar ziel, in minne, zo heel en al had willen uitstorten vóór Zijn voeten, gelijk ze de Nardusolie eens had uitgegoten over Zijn hoofd, schoof er zich een afgrond tussen haar en haar liefde. Oneindig was het berouw over haar zonden, oneindig haar dank voor Zijn vergiffenis, maar nu haar liefde en dankbaarheid zoals een wierookwolk tot Hem wilden opstijgen, zag zij Jezus mishandeld en naar de dood gevoerd, ook ten gevolge van haar schuld, die Hij op Zich had genomen.

Toen schrok zij van de liefde voor haar schuld, die Hij op zich had genomen en die Jezus zo ontzettend wreed te lijden gaf, en ze stortte zich neer in de afgrond van het berouw, maar kon echter deze afgrond noch vullen, noch leegscheppen en ze verhief zich, opnieuw verlangend, tot haar Heer en Meester en zag Hem afschuwelijk mishandeld, allerbitterst gefolterd. Zo werd Magdalena in het diepste van haar ziel geschokt, voelde zij zich heen en weer geslingerd tussen haar liefde en haar berouw, tussen haar dankbaarheid en de beschouwing van de ondank, waarmee haar volk zijn Heiligheid beloonde. En dit alles kwam in haar trekken, haar woorden en beweging tot uitdrukking.

Johannes beminde en leed. Hij begeleidde de moeder van zijn heilige Meester en God, van de Heer die ook hem beminde, langs de weg van de lijdensherdenking, waarop zij de Kerk voorging, en zag de toekomstige dingen.

Pilatus en zijn vrouw

Terwijl Jezus naar Herodes werd gevoerd, waar Hij gruwelijk zou worden bespot, zag ik Pilatus naar zijn vrouw, Claudia Procle, gaan. In een prieel langs een der tuinpaden achter het paleis ontmoetten zij elkaar. Claudia was zeer ontsteld en gejaagd. Zij was een grote, volschone, maar bleke vrouw. Zij droeg een sluier, afhangend over de rug, met het haar echter steeds zichtbaar, om haar hoofd gevlochten. Hier en daar flonkerde een groot juweel. Zij had ook sieraden aan de hals en de oren en ook een dergelijk juweel, maar groter, in de aard van een slot, prijkte op haar borst en hield er het lange kleed, dat vele plooien had, vast. Zij sprak geruime tijd met Pilatus en bezwoer hem, bij al wat heilig was om Jezus de profeet, de heiligste onder de heiligen, geen kwaad te doen, en vertelde hem gedeelten uit de wonderbare droomgezichten die zij de vorige nacht over Jezus had gehad.

Ik heb, terwijl zij aan het spreken was, veel gezien van wat zijzelf te aanschouwen had gekregen, doch de volledige reeks van haar visioenen staat mij niet meer vóór de geest. Ik herinner mij nog wel dat Jezus’ leven haar, in al zijn hoogtepunten, werd getoond. Zo zag zij de boodschap aan Maria, de geboorte van Christus, de aanbidding der herders en de koningen, de voorspelling van Simeon en Hanna, de vlucht naar Egypte, de kindermoord, de bekoring in de woestijn, enzovoort. Zij zag algemene beelden uit zijn heilige en heilbrengende wandel op aarde, zag Hem daarbij steeds omgeven met licht en zag de boosheid en listen van zijn vijanden in de meest schrikwekkende voorstellingen. Zij zag de heiligheid en de smarten van Zijn moeder, benevens de heiligheid van Zijn eigen oneindige pijnen, die Hij doorstond vol eindeloze liefde en geduld.

Zij zag dat alles in snel opeenvolgende beelden, die met licht en duisternis en allerlei verklarende tekens waren omrand, en had leed, onder het zien van dit alles, een onbeschrijfelijke angst en een niet te verwoorden droefenis, want al die dingen waren nieuw voor haar en bovendien buitenmate overtuigend en indrukwekkend. Sommige dingen daarvan, zoals de kindermoord en Simeons voorspelling in de tempel, zag zij gebeuren in de nabijheid van haar huis. Hoe diep en fel een medelijdend hart door zulke woorden wordt beangstigd, weet ik best: de meeste gevoelens van anderen vatten wij immers voor zover als wij die ook waarnemen in onszelf.

Zo had zij een ganse nacht geleden en in die nacht waren vele wonderen en waarheden, deels klaar en duidelijk, deels nevelachtig, doorgedrongen tot haar geest. Toen het lawaai van de bende die Jezus opbracht, haar uit de slaap wekte, en toen zij later naar buiten ging kijken, zag zij de Heer, om wie al die wonderen waren geschied. Hij was haar uit haar nachtvisioenen bekend en zij zag Hem nu, gruwelijk mishandeld door Zijn vijanden over het Forum sleuren. Dit herkennen in een wakkere toestand, verbonden met haar wonderlijke droombeelden, vervulde haar hart met een grote vrede. Zij had spoedig iemand naar Pilatus toegestuurd en nu vertelde zij hem veel van wat zij had beleefd. Zij deed dit angstig en schuw, omdat zij niet alles begreep en zich althans niet volkomen kon uitdrukken, en terwijl bad en smeekte zij en leunde zij lieflijk tegen hem aan.

Pilatus was ten zeerste verwonderd en ten dele ook onthutst over wat zij hem mededeelde. Hij rijmde dit alles, tezamen met wat hij zelf reeds, links en rechts, over Jezus vernomen had, met de haat van de Joden, met Jezus’ zwijgen en met Zijn stellige, wonderlijke antwoorden op de vragen die hij tot Hem had gericht. Eerst wist hij niet waaraan zich te houden en voelde hij zich een ogenblik sterk verontrust, maar helde toch gauw over naar de zienswijze van zijn vrouw en zei dat hij reeds verklaard had geen schuld te vinden in Jezus en dat hij Hem niet zou veroordelen, daar hij de boosheid van de Joden en geheel hun kwade opzet had doorzien. Hij sprak nog over Jezus’ uitlatingen tegenover hemzelf en tenslotte schonk hij zijn vrouw een pand, ter verzekering dat hij Hem niet zou veroordelen. Ik weet niet meer wat voor een kleinood hij haar als pand gaf, of het een ring, ofwel een stempel was. Hierop verlieten zij elkaar.

Pilatus zag ik als een totaal verwarde, hebzuchtige en onstandvastige, nu eens een trotse en dan eens een laaghartige man. Gespeend van alle hogere godsvrucht, kon hij, wanneer hij daar voordeel bij had, schandelijke daden begaan, terwijl hij op de laagste, lafste manier tot allerlei bijgeloof en afgodenpraktijken en wichelarij zijn toevlucht nam wanneer hij zich in verlegenheid bevond. Zo zag ik hem ook thans geheel verward en verdraaid, voortdurend bezig met zijn goden, aan dewelke hij wierook offerde in een geheime kamer van zijn huis, en dan nu eens dit en dan weer eens een ander teken van die goden verwachtte.

Zijn bijgeloof deed hem ook elders naar tekenen uitzien. Hij lette er bijvoorbeeld op hoe de kippen vandaag hun voer pikten. Dit alles vond ik zo afschuwelijk, zo duister en zo duivels, dat ik mij verschrikt terugtrok en aldus die dingen niet juist kan navertellen. Hij kreeg de zotste invallen en satan fluisterde hem allerlei tegenstrijdigheden toe. Nu eens meende hij dat Jezus als een onschuldige moest worden vrijgelaten, en dan weer dat zijn goden zich op hem zouden wreken, wanneer hij deze Jezus, die zulke zeldzame woorden sprak en met zulke vreemde oordelen voor de dag kwam, alsof hij toch een soort halfgod was, het leven zou laten behouden. Jezus zou immers zijn goden heel wat kwaad kunnen berokkenen.

"Wie weet," zo dacht hij, "of Jezus niet een soort Jodengod is. Er bestaan zoveel voorspellingen in verband met een koning der Joden, die over alles heerschappij zal voeren. Koningen der sterrenvereerders uit het Morgenland hebben hier reeds eenmaal naar zo’n koning gezocht. Het kan zijn dat Jezus zich toch eens boven Mijn goden en mijn keizer verheft, en dan zou ik mij zwaar te verantwoorden hebben, als ik dit niet had verhinderd door hem te laten leven. Misschien betekent Zijn dood de triomf van mijn goden."

Maar dan waren daar weer die wonderlijke visioenen van zijn vrouw, die Jezus nooit tevoren had gezien. Zij wierpen een groot gewicht ten voordele van Jezus in de wankele weegschaal van de landvoogd, en hij besloot in zichzelf opnieuw om Onze Heer vrij te spreken. Hij wou rechtvaardig zijn, doch kon niet, want hij had gevraagd: "Waarheid? Wat is waarheid?" en niet gewacht op het antwoord: "Jezus Nazarenus, de Koning der Joden, is de Waarheid." Er woelde zoveel door zijn binnenste dat ik uit deze wirwar niet wijs raakte en Pilatus zelf wist ook niet wat hij wilde. Als het anders was geweest zou hij zich vast niet tot de kippen hebben gewend voor een uitkomst.

Op de markt en lang de weg die Jezus moest gaan naar Herodes toe, stroomde meer en meer volk bijeen. Hij waren geen slordige drommen die daar bij elkaar kwamen, maar groepen mensen, geordend volgens de plaatsen en de streken, vanwaar zij voor het feest hierheen waren gekomen. De meest verbitterde Farizeeër, uit al de gouwen van het land waar Jezus had onderwezen, stonden bij hun streekgenoten om het wankelmoedige, onthutste volk tegen Onze Heer te bewerken. Romeinse soldaten waren in groot aantal opgesteld om het wachthuis en overal in de stad, waar het nodig leek.

Jezus voor Herodes

Het paleis van de viervorst Herodes lag ten noorden van het Forum. Het was niet ver te lopen tot ginds en een schare Romeinse soldaten, mannen uit het grondgebied tussen Zwitserland en Italië, trok mede. Jezus’ vijanden waren ten zeerste verbitterd, omdat zij van hier naar daar werden gestuurd en ze hielden niet op met het beschimpen van Jezus en Hem door de bende te doen voortsleuren en duwen.

Pilatus’ bode was vroeger dan de stoet aangekomen bij Herodes, die nu de stoet afwachtte in een grote hal, waar hij op een soort troon zat, op kussens, met vele hovelingen en krijgsknechten om hem heen. De opperpriesters traden binnen door de zuilengang en gingen hier en daar post vatten, terwijl Jezus zelf bleef staan aan de ingang. Herodes voelde zich ten hoogste gevleid omdat Pilatus hem, in het openbaar en vóór de opperpriesters, het recht had toegekend een vonnis te vellen over een Galileër en nu deed hij heel druk en gewichtig. Ook verheugde het hem om Jezus, die steeds had geweigerd om Zich aan hem te tonen, daar nu te zien staan in zo’n vernederende toestand.

Johannes had inderdaad zo plechtig en hevig over Jezus gesproken, dat de Herodianen en de andere spionnen en aanbrengers zeer nieuwsgierig waren naar Onze Heer. Nu was Herodes bovenal begerig om Hem, in het bijzijn van de hovelingen en de opperpriesters, een schitterend verhoor te doen ondergaan, waardoor hij beide groepen het bewijs kon leveren, hoe volmaakt hij, Herodes, wel op de hoogte was. De mededeling dat Pilatus geen schuld in Jezus had gevonden, was voor de kruiperige vorst een wenk om de aanklagers met enige terughoudendheid te behandelen, wat hun woede nog heviger maakte.

Zij brachten met veel lawaai en een grote haast hun beschuldigingen naar voren. Herodes keek intussen nieuwsgierig neer op Jezus en terwijl hij Hem in zo een ellendige en mishandelde toestand zag, met verwoeste haren en een door bloed en vuil verontreinigd aangezicht, in een kleed dat helemaal was besmeurd, voelde de wellustige koning waarachtig tegelijk een walg en medelijden in zich opkomen. Hij riep een van de namen van God uit, iets in de aard van "Jehovah!" Daarop keerde hij zijn gezicht vol afschuw naar de andere kant en sprak dan tot de priesters: "Voert hem weg! Reinig hem! Hoe kunt ge zo een onreine, mishandelde mens onder mijn ogen brengen?" Na deze woorden trokken de knechten Jezus in de voorhal. Men bracht water in een bekken en een veeglap aan en zij begonnen Jezus te wassen, maar op een mishandelende wijze, want Zijn aangezicht was gewond en zij wreven er ruw overheen, zodat zij Hem deerlijk bezeerden. Herodes verweet de priesters hun gruwzaamheid. Het scheen alsof hij de methode van Pilatus wou volgen, wanneer hij zei: "Men zit het Hem aan dat hij in de handen van de slachters is gevallen. Gij begint vandaag vóór de tijd."

De opperpriesters hadden echter haast met hun klachten en beschuldigingen. Toen men Jezus weer binnenbracht, wou Herodes de vriendelijke tegenover Hem uithangen en hij beval dat men Onze Heer een beker wijn te drinken moest geven, om weer op krachten te komen. Maar Jezus schudde het hoofd en weigerde de drank.

Herodes werd nu buitengewoon spraakzaam en ruw jegens Jezus Onze Heer en haalde alles boven wat hij van Hem wist. Om te beginnen vroeg hij Hem omtrent een en ander uit en wenste hij zelfs een wonderteken van Hem te zien. Daar Jezus hem ook geen lettergeep als antwoord gaf en altijd maar stil voor zich uitkeek, werd Herodes kwaad en beschaamd voor de omstanders want hij wou niets laten merken en kwam vragenderwijze, in een stroom van woorden, met alles voor de dag wat hem over Jezus bekend was. Eerst probeerde hij al vleiend bij de Heer met de woorden: "Het doet me leed dat Gij zo zwaar beschuldigd wordt. Ik heb veel van u horen spreken. Weet Gij wel, dat Gij mij in Thirza te na zijt gekomen, toen Gij daar, zonder mijn toelating, gevangenen, die ikzelf had laten vastzetten, hebt verlost? Maar Gij hebt het misschien goed gemeend. Nu wordt Gij door de Romeinse landvoogd overgeleverd opdat ik U zou vonnissen. Wat hebt Gij tegen al die beschuldigingen in te brengen? Gij zwijgt? Men heeft mij allerlei dingen verteld over Uw grote wijsheid, Uw talent als spreker en leraar. Ik wens te horen hoe Gij thans de aanklachten tegen u zult weerleggen. Wat zegt Gij? Is het waar dat Gij de Koning der Joden zijt? Zijt Gij de Zoon van God? Wie zijt Gij? Ik vernam dat Gij grote wonderen hebt verricht, lever mij de proef van uw kunnen en verricht een teken. Het ligt in mijn macht om u vrij te spreken. Is het waar dat Gij blindgeborenen hebt genezen, dat Gij Lazarus uit de doden hebt opgewekt en verschillende duizenden mensen met enkele broden hebt te eten gegeven? Waarom antwoordt Gij niet? Ik bezweer u, verricht een van Uw wonderen! Het zal u ten goede komen."

Toen Jezus altijd maar bleef zwijgen, begon Herodes nog vlugger te ratelen: "Wie zijt Ge? Wat is er met u aan de hand? Wie heeft u volmacht gegeven? Waarom is het thans uit met uw macht? Zijt gij diegene over wiens geboorte zulke vreemde geruchten de ronde doen? Eenmaal zijn er koningen uit het Morgenland bij mijn vader verschenen om te vragen naar een nieuwgeboren Koning der Joden die zij hun hulde wensten te brengen. Men zegt, dat U het kind was, dat men toen zocht. Is dat zo? Zijt Gij ontsnapt aan de dood die vele kinderen toen hebben geleden? Hoe gebeurde dat? Waarom is het zolang stil geweest rond U? Of wordt dat feit alleen met U in betrekking gebracht om van U een koning te maken? Verantwoord U toch! Wat zijt Gij voor een koning? Waarachtig, ik zie niets vorstelijks aan u! Naar ik vernam heeft men U onlangs in een triomf naar de tempel geleid. Wat had die triomftocht te betekenen? Spreek! Hoe komt het dat alles nu een dergelijk einde heeft genomen?"

Zo praatte en ratelde Herodes er op los, maar een antwoord van Jezus kreeg hij niet. Mij werd geopenbaard, nu en ook vroeger reeds, dat Jezus niet tot Herodes sprak, omdat deze wegens zijn overspelige verhouding met Herodias en de moord op Johannes De Doper in de ban was. Annas en Caïphas maakten van Herodes’ wreveligheid, over het zwijgen van de Heer, gebruik om de viervorst nieuwe klachten voor te leggen: zij zegden onder meer dat Jezus hem als "vos" had uitgescholden en sedert lang de ondergang van Herodes’ hele familie had nagestreefd en ook dat Jezus een nieuwe godsdienst wou invoeren en gisteren al het Pascha genuttigd had. Deze laatste beschuldiging, aan de vijanden van de Heer door Judas’ verraad aan de hand gedaan, werd reed bij Caïphas naar voor gebracht, maar een aantal leerlingen van Jezus hadden deze volkomen ontwricht door zich te steunen op de schriftrollen.

Herodes, ofschoon ten zeerste geërgerd door Jezus’ stilzwijgen, liet zich niet van zijn politieke bedoelingen afbrengen. Hij wou Jezus niet veroordelen, dit ten eerste omdat Hij een geheime vrees voor Hem koesterde [de onthoofding van Johannes vervulde hem reeds dikwijls genoeg met schrik en beven], ten tweede omdat hij de opperpriesters haatte, die ook nooit zijn echtbreuk hadden willen vergoelijken en hem juist daarom van het offer hadden uitgesloten en ten derde en in hoofdzaak, omdat hij niet anders wenste te handelen dan Pilatus. Neen, hij zou diegene niet veroordelen van wie de landvoogd had gezegd "dat hij zonder schuld was." Het beantwoordde aan zijn politieke doelstellingen om Pilatus op deze wijze, vóór de verzamelde hogepriesters, een vleierij te bewijzen. Jezus echter overlaadde hij met verachting en smaadwoorden en tot zijn dienaars en lijfwachten [hij had er wel een paar honderd in zijn paleis] zei hij: "Breng deze dwaas naar buiten en bewijs deze belachelijke koning de eer die Hem toekomt. Hij verdient inderdaad méér, dat men Hem een zot noemt, dan wel een misdadiger."

Zij voerden de Heiland nu naar een groot binnenhof en deden Hem onzeglijke mishandelingen en beschimpingen ondergaan. Dat binnenhof lag tussen de vleugels van het paleis in en van op een der platte daken keek Herodes een poos lang toe hoe men ginder met Onze Heer omging. Annas en Caïphas echter zaten hem overal achter de hielen en probeerde al het mogelijk te doen om hem er toe te bewegen om Jezus te veroordelen. Maar Herodes sprak, en wel op een wijze dat de Romeinen het goed konden horen: "Het zou van mijnentwege de grootste zonde zijn indien ik Hem veroordeelde." Hij bedoelde hiermee waarschijnlijk: "de grootste zonde tegenover de uitspraak van Pilatus, die ten andere zo hoffelijk was om Jezus naar hem te sturen."

Toen nu de opperpriesters en Jezus’ vijanden zagen dat Herodes hen op geen enkele wijze ter wille wou zijn, stuurden zij enkelen uit hun kring met de zakken vol geld naar de wijk Acra, waar thans vele Farizeeërs vertoefden. Zij lieten de voornaamste van de Farizeeërs aldaar verwittigen dat zij zich met hun gemeenten naar de buurt van Pilatus’ paleis moesten begeven en lieten hun ook veel geld overhandigen om uit te delen onder het volk, zodat het onweerhoudbaar de dood van Jezus zou eisen. Anderen werden de stad ingezonden om het volk te bedreigen dat Gods vloek zich over hen zou voltrekken indien zij niet de dood van de godslasteraar zou eisen. Ook zij lieten het bericht verspreiden dat Jezus, indien Hij niet stierf, met de Romeinen zou samenspannen. Dan zou het Rijk worden gesticht waarover Hij altijd al gesproken had en de Joden zouden voor immer verslagen zijn.

Alles gebeurde in een wilde haast, terwijl zij luid tierden en elkaar van de plaats verdrongen. Jezus’ vijanden hadden verschillenden onder hen omgekocht, die te midden van het gewoel Onze Heer herhaaldelijk met knuppels op het hoofd sloegen. Jezus zag hen vol medelijden aan, zuchtte en kermde zacht, maar smartelijk. Zij bootsten krijsend zijn jammerklachten na, barstten bij elke nieuwe mishandeling in een brullend hoongelach uit en niet één was er die zich over Hem ontfermde. Ik zag het bloed langs Zijn Heilige Hoofd neervloeien en zag Hem driemaal onder de knuppelslagen neerzinken ter aarde. Ik zag echter ook alsof er wenende engelen boven Hem verschenen, die Zijn hoofd zalfden en mij werd te kennen gegeven, dat zonder die goddelijke hulp de slagen dodelijk zouden zijn geweest. De Filisters, die in de renbaan te Gaza de blinde Samson dwongen rond te lopen tot hij dood ten gronde stortte, waren niet zo wreed en gewelddadig als deze misdadigers hier.

De tijd drong thans voor de opperpriesters, daar zij zich straks naar de tempel moesten begeven, en toen zij bericht ontvingen dat hun boden alles overeenkomstig hun bevel hadden uitgevoerd, bestormden zij nogmaals Herodes met het verzoek om Jezus te veroordelen. Herodes hield echter het oog alleen op Pilatus gericht en stuurde Jezus, in Zijn spotkleding, naar de landvoogd terug.


» Reageer (0)
26-02-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich: Hoofdstuk 3.2 Annas en Caiphas
A.C. Emmerich: Het bitter lijden van Onze Heer Jezus Christus

Hoofdstuk 3.2 Annas en Caïphas

Judas en zijn bende

In het kamp van Jezus' vijanden

Annas en Caïphas waren tegelijkertijd op de hoogte gebracht van Jezus’ gevangenneming en het ging er druk aan toe rondom hen. Aan hun rechthuizen brandde licht en alle ingangen werden bewaakt. Hun boden liepen door de hele stad om de leden van de Raad, de schriftgeleerden en allen die iets bij het gerecht te zeggen hadden, samen te roepen. Velen waren echter, na Judas’ verraad, ten huize van Caïphas gebleven, waar zij het resultaat afwachtten. Ook de ouderlingen van drie standen werden gedagvaard en daar de Farizeeërs, Sadduceeërs en Herodianen uit alle delen van het land zich sedert enkele dagen, in verband met het feest, te Jeruzalem bevonden en het plan tot Jezus’ gevangenneming reeds lang onder hen, zoals in de Hoge Raad, bestond en afgehandeld was, zo werden eveneens uit die mannen, onder wie de hogepriester de nodige inlichtingen bezat, de heftigste vijanden opgeroepen. Zij kregen jet bevel om, ieder in zijn kring, bewijzen en getuigen tegen Jezus bijeen te zoeken en ze dan mee te brengen ter zitting. Nu vertoefden te Jeruzalem niet alleen de Farizeeërs en de Sadduceeërs, maar ook vele andere boze lieden van Nazareth, Capharnaum, Thorza, Gebera, Jotapota, Siloë en andere plaatsen. Allemaal mensen die Jezus meer dan eens beschaamd had gemaakt door hen, in aanwezigheid van het volk, de waarheid te zeggen. Zij waren vol gramschap en wraaklust, elk van hen zocht onder de Paasgasten van zijn streek, in de verzamelplaatsen waar deze volgens de stad of het dorp van herkomst waren samengebracht, enige schurken op, die werden omgekocht om Jezus aan te schreeuwen en te beschuldigen. Behoudens enkele klaarblijkelijke leugens en smaadredenen, wist niemand toch iets anders tegen de Heer te uiten dan die beschuldigingen die Hij talloze malen in de synagogen had weerlegd, tot verstomming van wie Hem kwaadgezind waren.

Zij die gedagvaard werden, begaven zich thans op de weg. De hele massa van Jezus’ vijanden stroomde meteen naar de rechthuizen: de hovaardige Farizeeërs en schriftgeleerden en hun ruige aanhang van lasteraards uit Jeruzalem zelf, onder wie menig verbitterd koopman, die Hij uit de tempel had gejaagd en ook vele opgeblazen leraars, die Hij in de tempel voor het volk tot zwijgen had gebracht, en wellicht ook verscheidenen die het Jezus niet konden vergeven dat Hij, als twaalfjarige knaap, hen eens terechtgewezen had en beschaamd had doen staan.

In de menigte van Jezus’ vijanden bevonden zich onboetvaardige zondaars die Hij niet had willen genezen, onverbeterlijke zondaars, die opnieuw ziek waren geworden, ijdele jongelingen die Hij niet onder zijn discipelen had opgenomen, erfwachters die boos geworden waren, omdat Hij zoveel geld waarop zij te loeren lagen, naar de armen deed toevloeien, schurken van wie Hij de gezellen had bekeerd, losbandigen en echtbrekers, wier minnaressen Hij voor een deugdzaam leven had gewonnen, hebzuchtigen die mokten terwijl Hij de dagen had verlengd van wie zij rijke bezittingen moesten erven, en velen, tot ieder kwaad bereide oogdienaars van al die lieden, velen innerlijk tegen al het heilige, en dus tegen de Allerheiligste en kwaadwillige dienstknechten des duivels.

Dit uitschot van, voor het feest bijeengetreden Joodse volksscharen, kwam in beweging: nu en dan door de hoofdvijanden van Jezus aangespoord. Zij draaiden het kanaaltje af naar de rechthuizen om er het ware Paaslam Gods, het vlekkeloze, te betichten en te belasteren met de schuld van alle zondige werken, die Hij waarlijk op Zich had genomen en gedragen en uitgeboet heeft.

Terwijl dezen zich opmaakten om de reine Heiland door het slijk te halen, werden vele vrome lieden en vrienden van Jezus verstoord en bedroefd. Oningewijd in het geheim van de zaak, trokken ook zij naar de rechthuizen en jammerden zij over wat zij te horen kregen. Zij werden verdreven, zwegen of werden scheef aangekeken. Anderen, zwakkeren, hetzij goed of halfgoedgezinden, werden geërgerd en tot twijfelen bekoord. Het aantal standvastigen was niet groot. Het hing toen zoals het vandaag gaat: menigen willen immers ook nu een goede Christen zijn, zolang het passend lijkt, maar schamen zich dadelijk over het kruisteken wanneer men het niet graag ziet slaan. Reeds in het begin van het ongegrond, onrechtvaardig gedrag, waarbij de grimmigheid en gemeenheid van de mishandelingen naar de hemel opstegen, greep het geduld van Onze Heer, die geen klacht over Zijn lippen liet gaan, er toch velen zo diep in het had, dat zij zich, geslagen en zwijgend, afwendden.

Jeruzalem in deze urne

De stad vol mensen en de uitgestrekte kampen van de Paasgasten daar omheen, waren zo pas, na het verrichten van vele gebeden en godsdienstige handelingen binnenshuis en in de kampen en vele voorbereidingen voor het feest, in rust en slaap gezonken, toen het bericht over Jezus’ gevangenneming de vijanden en de vrienden van de Heer deed opspringen. Zij die gedagvaard werden door de boden van de hogepriesters, kwamen van alle kanten uit de stad aangesneld. Sommigen hadden genoeg aan de maneschijn, anderen liepen met fakkels door de straten, die ’s nachts een bijzonder sombere, doodse indruk maakten van Jeruzalem, terwijl de meeste huizen met hun vensters uitgeven op de binnenplaatsen.

Allen trekken naar de berg Sion, waar een gloed van toortsen naar de hemel naar de hemel opgaat en veel lawaai weerklinkt. Hier en daar hoort men kloppen aan de poorten van de voorhoven, om de slapenden te wekken. Daar is gerucht, gepraat en stoornis in vele hoeken der stad: men laat zij die kloppen binnen en vraagt hen wat er aan de hand is en men volgt de oproep. Nieuwsgierigen en dienaars trekken mee, die dan terug zullen komen om zij die thuisblijven nader in te lichten over het gebeurde.

Men hoort hoe zware grendels en sluitbalken in luide haast voor menige poort worden geschoven: de mensen hebben schrik en vrezen onrusten. Hier en daar komt er iemand aan zijn deur en roept naar een bekende onder de voorbijgangers, om nieuws te krijgen, terwijl er zijn die vlug een bezoek brengen bij hun geestesverwanten. Allerlei praatjes doen de ronde, waarbij groot leedvermaak weerklinkt, wat trouwens de hele verdere dag ook bij andere omstandigheden zou gebeuren.

Zo hoort men zeggen: "Lazarus en zijn zus zullen nu inzien, met wie zij zich hebben uitgelaten. Johanna Chusa en Suzanna, Maria, de moeder van Johannes Marcus en Salome zullen te laat berouw hebben over hun doen, en hoe zal Seraphia, de vrouw van Sirach, zich vernederd voelen voor haar man, die haar zo vaak heeft verweten dat zij met de Galliër in relatie stond. Heel dat volkje van de opruier, de dweper, keek altijd zo meewarrig andersgezinde mensen aan en nu zullen er velen niet weten waarheen zich uit de voeten te maken. Nu laat er zich wel geen enkele zien om palmtakken, mantels en sluiers te leggen voor de poten van Zijn lastdier. Billijk is het maar dat die huichelaars, die steeds willen beter zijn dan de anderen, thans ook ter verantwoording worden geroepen, want allemaal zijn ze betrokken in de daden van de Gallileër. De zaak heeft dieper wortel geschoten dan men meende. Benieuwd ben ik naar de houding van Nicodemus en Jozef van Arimathea. Men heeft die twee sedert lang niet meer vertrouwd. Zij spannen samen met Lazarus, maar ze zijn slim. Nu moet alles in het klare komen..."

Aldus hoort men tal van mensen spreken die verbitterd zijn tegen bepaalde families, en in het bijzonder tegen de vrouwen die Jezus aanhangen en in het openbaar voor Hem hebben getuigd. Er zijn echter ook plaatsen waar het er waardiger aan toegaat bij het vernemen van het bericht. Sommigen schrikken er van op, anderen weeklagen in hun eenzaamheid, terwijl nog anderen zich schuw naar een vriend, een gelijkgezinde, begeven om er hun hart uit te storten. Weinigen echter wagen het om hun leedgevoelens luid en beslist tot uiting te brengen.

Nog niet overal in de stad heersen drukte en opwinding, alleen daar waar de boden hun werk volbrengen, de Farizeeërs hun valse getuigen bijeenroepen, en voornamelijk waar de straten samenlopen aan de hoofdweg naar Sion. Het is alsof men op de meest verschillen plekken in de stad vonken van hoorn en toorn ziet uiteenspatten: zij vliegen door de straten, verenigen zich met nieuwe vonken en het wordt een groeiend vlammengewemel, een golvend vuur, dat zich beweegt in de richting van Sion, naar de rechthuizen toe. In enkele wijken van Jeruzalem is alles nog rustig, maar stilaan komt ook hier meer leven en beweging.

De Romeinse soldaten blijven afzijdig, doch hun posten zijn versterkt en al hun scharen verzameld. Zij letten scherp op alles wat er gebeurt. Rustig en kalm, maar tevens uiterst behoedzaam wegens de grote volkstoeloop: zo ziet men hen ieder jaar in de Paastijd. De mensen die op de been zijn vermijden de plaatsen waar de Romeinse wachtposten staan. De Farizeese Joden immers vinden het ergerlijk door hen te worden aanroepen.

De hogepriesters hebben vast en zeker reeds aan Pilatus gemeld waarom zij Ophel en een stuk van de berg Sion met krijgsvolk deden bezetten. Hij en zij zijn echter wantrouwig tegen elkaar. Ook Pilatus slaapt niet: hij ontvangt berichten en geeft bevelen. Zijn vrouw ligt uitgestrekt op haar legerstede. Zij slaapt diep, maar onrustig, zucht en weent, als werd zij door zware dromen bezocht. Zij slaapt en verneemt toch veel, zo veel meer dan Pilatus.

Nergens te Jeruzalem is het medeleven met Jezus zo ontroerend als in Ophel, bij de arme tempelknechten en dagloners, die deze heuvel bewonen. De schrik is plotseling in de stille nacht over hen gekomen. Het rumoerige optreden van de krijgslieden wekte hen uit de slaap. Daar ging nu hun heilige leraar, hun weldoener, die hen genezen en gevoed had, langs hen heen: een spookbeeld van verschrikking, zo ellendig als Hij er tengevolge van de mishandelingen uitzag. Een poos nadien stroomde al hun deernis en hun verdriet tezamen rond de bedrukte Moeder van Jezus, die met haar geleide door de wijk trok. Ach, treurig is het om te zien hoe de van smart gebroken moeder van Jezus en de vriendinnen van Jezus, in het holst van de nacht, in een voor heilige vrouwen zo ongewoon uur, met vrees en beven van het ene vriendenhuis naar het andere door de straten moeten lopen. Meer dan eens moeten zij voor de brutale troep uit de weg gaan en zich verbergen in een hoek. Vaak worden zij als slechte vrouwen aangefloten en herhaaldelijk krijgen ze van de voorbijgangers bittere woorden van leedvermaak naar hun hoofd, en krijgen ze maar zelden een woord van medelijden over de Heer te horen.

Eindelijk, wanneer zij hun toevluchtsoord hebben bereikt, zinken zij afgemat, wenend en met de handen wringend, allen even troosteloos, sommigen bewusteloos, neer, of zitten ze eenzaam, met het bedekte hoofd op de knieën, hun smart uit te snikken. Er wordt aan de deur geklopt en zij luisteren zwijgend, vol angst. Met een bang hart gaan zij opendoen: het is een vriend, ofwel een dienaar van een der vrienden van hun Heer en Meester. Zij maken een dichte kring om hem, vragen en vernemen nieuwe treurige dingen. Die laten hen niet met rust en weerom rennen zij de straat op, de wegen af, en keren bedroefder dan ervoor terug.

De meeste apostelen en discipelen van de Heer zwerven angstig rond in de dalen bij Jeruzalem of verbergen zich in de grotten van de Olijfberg. Wanneer de een de ander ontmoet, schrikken beiden op, vragen met een stille stem om nieuws en elke naderende voetstap onderbreekt hun vreesachtig uitgesproken mededelingen. Zij verplaatsen zich dikwijls, en nu en dan is er een die zijn schreden richt naar de stad toe. Deze en gene sluipen naar de Paaskampen, waar zij streekgenoten opzoeken, die zij dan uitvragen of als verkenners de stad insturen. Velen beklimmen de Olijfberg, zien met bang gemoed hoe ginds op Sion alles in beweging is onder het wilde laaien van de toortsen, verklaren veelvoudig wat ze hebben gezien en snellen dan weer naar het dal toe, ten einde iets zekers te weten te komen.

Door de nachtelijke stilte dringt immer scherper het geraas dat er heerst om en bij het rechthuis van Caïphas. De hele buurt staat in het flikkerlicht van fakkels en pekpotten. Wijd om de stad heen is het gebrul van de talrijke last- en offerdieren te horen, die de vreemdelingen thans binnen de kampen hebben gedreven. Hoe ontroerend klinkt het hulpeloos en deemoedig geblaat van de onschuldige lammeren, die elke morgen in de tempel geslacht zullen worden. Eén alleen echter wordt geofferd, omdat hij het zelf heeft gewild. Hij doet zijn mond niet open, zoals een schaap dat men naar de slachtbank leidt en zoals een lam, verstomd voor de scheerder, doet het zijn mond niet open: het reine, vlekkeloze Paaslam, Jezus Christus.

Over dat alles welft zich een wonderbaarlijke, angstwekkende hemel. Dreigend schijnt de maan, op een zeldzame wijze door vlekken verduisterd, en tegelijk komt het voor alsof zij ziek is, met ontzetting geslagen, alsof zij aarzelt in de stand der volheid over te gaan, want dan zal Jezus vermoord zijn.

Aan de zuidkant van Jeruzalem, in het diepe dal Hinnom, waar het woest en akelig is, een plaats van vervloeking, waar modder, vuilnis en drek bijeenliggen, doolt Judas Iskariot, de verrader, opgehitst door de duivel en door zijn slecht geweten als het ware opgejaagd met een zweep, ellendig en vluchtend voor zijn eigen schaduw, altijd maar in het rond. Duizenden boze geesten snellen heen en weer, brengen de mensen in de war en zetten hen aan tot zonde. De hel is losgebroken en werkt overal het kwade in de hand. De last van het Lam wordt groter en zwaarder, terwijl de groeiende haat van satan verdubbelt, voort groeit en ten slotte in zichzelf verstrikt geraakt. Het Lam is bereid elke last te dragen, maar satan wil de zonde, en al zondigt deze Rechtvaardige ook niet, al bezwijkt Hij niet onder de bekoringen, Zijn vijanden ten minste zullen door hun zonde in het verderf komen.

Bij de engelen in de hoge heerst er twijfel tussen treurnis en vreugde. Zij zouden voor Gods troon willen smeken dat het hun vergund mag zijn om de Heiland te mogen helpen, maar kunnen slechts sprakeloos het wonder van de goddelijke gerechtigheid en barmhartigheid aanbidden, dat sedert alle eeuwen bestond in het allerheiligste van de Hemel en vanaf het begin der aarde. Want ook de engelen geloven in God, de Almachtige Vader, schepper van Hemel en Aarde en in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, Onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de Maagd Maria, wiens lijden aanvangt deze nacht, onder Pontius Pilatus, en die morgen gekruisigd zal zijn, gestorven en begraven, die ter helle zal nederdalen en de derde dag zal verrijzen uit de dood, die opstijgen zal ten Hemel, waar Zijn troon is aan de rechterhand van God, Zijn almachtige Vader, en vandaar zal hij wederkomen om gericht te houden over de levenden en de doden. Want ook de engelen geloven in de Heilige Geest, een heilige en algemene Kerk, de gemeenschap der Heiligen, de vergeving van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven! Amen.

Dit zijn maar enkele, weinige indrukken uit de vele, die het hart van een arm en zondig mens wel tot barstens toe moet vullen met angst en berouw, met medelijden en vertroosting. Tevens zo was het dat hij van de gruweltonelen onder de wegvoering van de Heer, gelijk een hulpzoekende, voor een tijd zijn aandacht wendde aan Jeruzalem in deze gewichtige nacht van de eindige tijd, in dit middernachtelijk uur, toen Gods oneindige gerechtigheid en barmhartigheid elkaar ontmoetten, omarmden en doordrongen, het heiligste werk van Gods liefde en mensenliefde begonnen: de zonden van de mensen te straffen aan de Godmens en ze door de Godmens te laten uitboeten. Zo waren dan de dingen, toen onze beminde Verlosser naar Annas werd geleid.

Jezus voor Annas

Omstreeks middernacht werd Jezus, in het paleis van Annas, van het verlichte voorhof in een hal gebracht, die de afmetingen had van een kleine kerk. Tegenover de ingang zat Annas, met zijn achtentwintig raadslieden, op een hoog podium, waar men rechts en links onderdoor kon gaan. Aan de voorkant leidde een trap, van rustplaatsen voorzien, naar deze "rechtbank," die men van het gebouw bereikte door de achterdeur.

Jezus, nog omringd van een deel van de krijgslieden dien Hem hadden gevangen genomen, werd door de krijgers een eind de trap opgesleept. Voor de rest was de zaal gevuld met soldaten en allerlei boeven, schimpende Joden, dienaars van Annas en een deel der getuigen die deze laatste bijeengedreven hadden en die zich later bij Caïphas zouden vertonen.

In afwachting van Jezus’ komst, kon Annas slechts met moeite zijn ongeduld bedwingen. Hij brandde van leedvermaak, arglist en spotzucht. Hij was nu het hoofd van een soort gerecht en zat hier in de kring van zijn comité, waarvan de leden tot taak hadden om te waken over de zuivere leer en als aanklagers op te treden voor de hogepriester.

Bleek en uitgeput, in Zijn nat en met het vuil van de straten bezoedelde kleed, de handen geboeid, door de krijgers vastgehouden aan de touwen, het hoofd gebogen, zwijgend, stond Jezus voor Annas. Deze oude, magere booswicht met zijn dunne baard, vervuld van hoon en koude Joodse hovaardij, probeerde te glimlachen en deed alsof hij van niets afwist en alsof het hem verwonderde dat Jezus de gevangene was, die hem had aangemeld. Zijn toespraak tot Onze Heer, die ik niet meer met woorden kan herhalen, luidde ongeveer als volgt: "Hé, kijk, daar hebben we Jezus van Nazareth! Gij zijt het immers! Waar zitten dan uw discipelen, waar is uw grote aanhang gebleven? En uw koninkrijk, hoe staat het daarmee? Het schijnt allemaal ineens een andere wending met u te hebben genomen! Uw smadelijk bedrijf is ten einde. Men heeft lang toegezien, tot men genoeg had van uw godlasteringen, uw lastertaal tegen de priesters, uw schenden van de Sabbat. Wie zijn uw discipelen? Waar zitten zij? Ha, ge zwijgt nu? Spreek! Opruier! Verleider! Het Paaslam hebt gij reeds gegeten, op een ongewone manier, een ongewoon tijdstip en een ongewone plaats! Gij wilt een nieuwe leer invoeren. Wie heeft u het recht gegeven om te onderwijzen? Waar zijt ge naar school geweest? Spreek! Wat is dat voor een leer van u, die alles omkeert? Spreek! Waaruit bestaat uw leer?"

Toen hief Jezus zijn vermoeid hoofd op, keek Annas aan en sprak: "Ik heb gesproken in het openbaar, waar alle Joden tezamen komen, en in het geheim heb ik nooit iets gezegd. Waarom ondervraagt gij mij? Ondervraagt diegenen die gehoord hebben wat ik tot hen heb gesproken. Zie, zij weten wat ik gezegd heb!"

Bij deze woorden van de Heer begon Annas’ gezicht te gloeien van gramschap en hoon. Een rechtsdienaar, een schandelijke vleier van Annas, die naast Jezus stond en die dit alles had waargenomen, gaf de Heiland, met zijn volle hand, bekleed met een ijzer, een kletterende slag op de mond en de wang, terwijl hij riep; "Antwoordt gij de opperpriester op zulke wijze?" Half bedwelmd door de heftige slag, viel Jezus omver. Het bloed vloeide uit Zijn mond en neus. Scheldgeroep, geschimp, geschater en gemor vervulden de hal. De krijgers echter trokken Jezus weer, onder mishandelingen, aan de touwen omhoog, en rustig zei hij: "Heb ik verkeerd gesproken, bewijs het, maar sprak ik goed, waarom slaat ge mij dan?"

Diep verbolgen vanwege Jezus’ kalmte, nodigde Annas nu de aanwezigen uit, overeenkomstig de wens van de gevangene zelf, om te vertellen wat zij van hem gehoord hadden, wat hij allemaal gezegd en betoogd had. Toen brak daar onder het gepeupel een schimpen en schreeuwen los, waarin allerlei woorden verward door elkaar vlogen. Hij had gezegd dat Hij een koning was, de Zoon van God, en dat de Farizeeërs echtbrekers waren. Hij ruide de menigte op, verbrak de Sabbat om zieken te genezen door de macht van de duivel. In Ophel was het volk niet minder verzot op hem geweest: de lui ginds hadden hem hun redder, hun profeet genoemd. Hijzelf liet zich betitelen als Gods Zoon, verklaarde dat Hij Gods Gezant was, hief weeklachten aan over Jeruzalem en voorspelde de ondergang der stad. Hij hield de vastendagen niet in ere, trok met grote scharen her- en derwaarts, zat mee aan tafel met onreinen, heidenen, tollenaars en zondaars, verkeerde in het gezelschap van overspelige vrouwen. Zopas nog had Hij, vóór de poort van Ophel, gezegd tot iemand die Hem te drinken gaf: "Ik zal u het water van het eeuwige leven geven, zodat gij nooit meer zult dorstig zijn." Met Zijn duistere woorden wist Hij het volk te misleiden. Hij verspilde veel geld en goederen van de anderen, maakte de mensen allerlei dingen wijs over Zijn Rijk, enzovoort.

De beschuldigers haspelden alles door elkaar. Zij traden voor de Heer en slingerden Hem hun dwaze verwijten, met smaadredenen vermengd, in het aangezicht, terwijl de krijgers Hem van hier naar daar duwden en riepen: "Spreek! Antwoord!"

Annas en zijn raadslieden wierpen hoonlachend ophitsende woorden tussen de beschuldigingen, zoals: "Zo, thans krijgen wij de fijne leer te horen, wat antwoordt gij? Dat is het dus, wat in het openbaar onderwezen werd. Het land is er vol van. Kunt gij niets tot uw verdediging inbrengen? Waarom beveelt gij niet, koning? Godsgezant, treed voor de dag met uw opdracht!" Ieder van die gezegden der hooggeplaatsten lokte een stoten, een rukken en schimpen uit van de kant der beulsknechten en omstanders, die het allemaal graag de brutale gerechtsdienaar zouden hebben nagedaan.

Jezus wankelde heen en weer, en vol koude hoon sprak Annas tot Hem: "Wie zijt gij, wat voor een koning en gezant zijt gij? Ik dacht dat gij de zoon waart van een onbekende timmerman, of zijt ge misschien Elias, die in een vurige wagen ten hemel voer? Men zegt dat hij nog leeft, en ook dat Gij uzelf onzichtbaar kunt maken en meer dan eens aldus ontsnapt. Of zijt ge misschien Malachias? Gij liep altijd te pronken met deze profeet, en graag verklaart Gij zijn woorden alsof dat deze betrekking hebben op uw persoon. Er gaat ook zo’n gerucht over hem, dat hij geen vader heeft gehad, dat hij een van Gods engelen was en niet gestorven is ... een schone gelegenheid voor een bedrieger om zich voor hem te laten doorgaan. Spreek en vertel mij, wat soort koning zijt Gij? Dat Gij méér zijt dan Salomon, is nog een van uw praatjes! Welaan, ik wil U niet langer Uw rijkstitels onthouden."

En Annas liet zich thans een reep schrijfpapier brengen, ongeveer driekwart van een el lang en drie vingers breed. Hij legde die reep op een plank die men hem voorhield, en met een rieten pen schreef hij een reeks grote letters, die ieder een beschuldiging tegen de Heer bevatten. Hij rolde het bijeen en stak het in een kleine, uitgeholde kalebas, sloot de kalebas dicht met een tap en hing ze aan een riet. Terwijl hij deze spotscepter liet overreiken, sprak hij vol koude hoon tot Jezus: "Hier hebt ge de Scepter van uw Rijk: hij houdt al uw titels, rechten en waardigheden in. Draag hem naar de hogepriester Caïphas, opdat hij uw Rijk en uw taak zou leren kennen en u zou behandelen volgens uw hoge rang." Tot de beulsknechten klonk het bevel: "Bind zijn handen en brengt Zijne Majesteit vóór de hogepriester!" En zij bonden Jezus de handen kruisgewijze voor de borst, en gebruikten hierbij meteen de boeien om de spotscepter, die Annas’ aanklacht bevatte, derwijze vast te hechten, dat Hij hem niet kon ontvallen. Zo voerden zij dan Onze Heer, onder gelach, gejouw en nieuwe mishandelingen, buiten de hal en naar Caïphas.

Van Annas naar Caïphas

Toen Jezus naar Annas werd geleid, was Hij het huis van Caïphas reeds voorbijgegaan. Het lang een eind terzijde, zodat men thans, terugkerend van Annas, een hoek moest maken. De beide rechthuizen waren zowat driehonderd schreden van elkaar verwijderd. Op de weg, die een stuk langs muren en kleine gebouwen liep, welke tot Caïphas’ rechthuis behoorden, en die verlicht was met vuurpotten op stangen, krioelde het van razende en tierende Joden. De soldaten konden hen amper in bedwang houden. De Joden die bij Annas geschimpt en gescholden hadden, herhaalden hun smaadredenen vóór het hier aanwezige volk, en Jezus werd de hele weg lang gehoond en mishandeld. Ik zag hoe allerlei gerechtsdienaars de kleine groepjes die medelijden hadden met onze Heer, naar huis joegen, terwijl zij de schelmen, die zich door smaad en laster onderscheidden, geld toestopten en ze met hun aanhang binnenlieten in het paleis van Caïphas.

Het rechthuis van Caïphas

Wie in Caïphas’ rechthuis wil komen, gaat eerst door de poort en over een groot plein, waarna hij door een tweede poort de ommuurde hof bereikt, met in het centrum het huis. Het voorste gedeelte van dit meer dan dubbel zo lange, als brede huis, bestaat uit een geplaveide, naar boven toe open voorhof of atrium genaamd, met aan drie kanten overdekte zuilengangen. Van de drie ingangen die het atrium heeft, bevindt de voornaamste zich langszij het huis, en wanneer men langs hier naar binnen treedt, ziet men links, onder de blote hemel, een gemetselde kuil, waarin vuur wordt gemaakt, en rechts, een paar treden hoger, achter enkele zuilen die hoger zijn dan de zuilen van de galerijen, aan drie kanten van het voorhof: een overdekte ruimte, ongeveer zo groot als de helft van het atrium en waarin de zetels van de raadslieden op een halfronde tribune staan, die verschillende treden telt.

De zetel van de hogepriester staat in het midden. Beneden, rechtover die zetel, is de plaats van de beklaagde met zijn bewakers. Aan beide zijden, alsmede achter hen, tot ginds omlaag in het atrium, komen de aanklagers en getuigen zich opstellen. In de muur, achter de tribune, bemerkt men drie deuren. Zij leiden naar een ronde zaal die groter is dan de rechtszaal en voorzien van zitplaatsen langs de wand. Rechts en links van deze voor besloten vergaderingen voorbehouden zaal, is er een deur die uitkomt op een trap om af te dalen in de ommuurde hof, die hier een ronde vorm heeft, in overeenstemming met het gebouw. Daalt men de trap af rechts, en wendt men zich dan naar links, naar het gebouw toe, dan komt men aan de deur van een donkere, overwelfde kerker. Onder de ronde zaal, die evenals de rechtszaal, hoger ligt dan het atrium, zijn er ook nog andere kerkers. In één daarvan zag ik, na het Pinksterfeest, de apostelen Johannes en Paulus een nacht lang gevangen zitten. Het was toen Petrus de lamme genezen had bij de tempelpoort, de "Schone" geheten.

In het rechthuis en in de omtrek brandden vele lampen en toortsen en het leek wel klaarlichte dag te zijn. Buitendien sloeg in het atrium de gloed uit de vuurkuil ten hemel. Deze "vuurkuil" is als een open oven die men in de grond heeft laten neerzinken. De brandstof, aardkolen naar ik meen, wordt van boven aangebracht. Iets méér dan manshoog rijzen aan de zijkanten horenachtige buizen op, die de rook wegtrekken, terwijl het vuur in het midden altijd zichtbaar blijft. Soldaten en dienaars, allerlei gepeupel en gemene, omgekochte getuigen, verdrongen elkaar bij het vuur. Er waren ook vrouwen in het gezelschap. Meiden gingen rond met een rode drank en bakten, tegen betaling, koeken voor de soldaten. Het ging er daar nogal druk aan toe, alsof men Vastenavond vierde.

De meeste gedagvaarden omringden reeds de hogepriester Caïphas op de tribune. Nu en dan trad er nog een de gerechtszaal binnen. De aanklagers en de valse getuigen vulden bijna geheel het atrium. Vele andere lieden wilden er ook binnen, maar zij werden met geweld teruggedreven.

Kort voordat de stoet met Jezus aankwam, waren Petrus en Johannes, als boden bemanteld, door de eerste poort van Caïphas’ paleis gestapt. Dankzij de hulp van een van zijn welbekende dienaars, slaagde Johannes er nog in, door de tweede poort en zo in de ommuurde voorhof te komen. Wegens de grote volkstoeloop sloot men de poort achter zijn rug en Petrus, die in het gedrang een beetje opgehouden werd, kwam te laat. De poortwachtster wou niet meer opendoen, ook als sprak Johannes van uit de hof voor zijn vriend ten beste. Petrus zou geen toegang hebben gekregen, indien Jozef van Arimathea en Nicodemus niet verschenen waren, die hem naar binnen loodsten. Eenmaal in het rechthuis, gaven de apostelen de mantels terug aan de dienaars en gingen stilletjes post vatten onder de menigte, aan de rechterkant van het atrium, vanwaar zij de tribune goed konden zien.

Caïphas had ginder zijn zetel reeds ingenomen en ook aanwezig, waren een zeventigtal leden van de Hoge Raad. Aan beide zijden van de tribune stonden of zaten verschillende stadsafgevaardigden, ouderlingen en schriftgeleerden, naast vele getuigen en schurken. Krijgsknechten waren opgesteld aan de voet het halfcirkelvormig getimmerte tussen de zuilen en, omlaag in het atrium, tot tegen de ingang voor de stoet die men nu elk ogenblik kon verwachten. Die ingang bevond zich niet rechtover de tribune maar, van hieruit gezien, aan de linkerkant van het atrium.

Caïphas was een gezet man, hoogrood en grimmig van aangezicht. Hij droeg een lange, donkerrode, met gouden bloemen, en kwasten versierde bezette mantel. Op de borst en schouders, vooral aan de voorzijde was deze protserig versierd, met allerlei soorten blinkende platen. Zijn muts leek wel op een lage bisschopsmijter. Uit de openingen links en rechts, tussen de naar elkaar gebogen punten, puilde er een beetje van het stof uit, en slippen hingen aan weerskanten van de hoofdbedekking neer, die tot op de schouder reikten. Geruime tijd al duurde het samenzijn van Caïphas met de leden en aanhangers van de Raad. Velen hadden hem niet meet verlaten sinds Judas en de bende erop uittrokken. De hogepriester werd zo ongeduldig, vol van gramschap, dat hij in vol ornaat de treden van de tribune afrende, het voorhof inliep, schold en vroeg, of de beklaagde nu spoedig komen zou of niet. Inmiddels naderde de stoet en Caïphas keerde terug naar zijn zetel.

Jezus voor Caïphas

Onder razend hoongeschreeuw, gestoten, heen en weer gerukt en met vuil beworpen, begaf Jezus zich op weg naar Caïphas rechthuis. In het atrium hier ontving Hem een dof gemor en gefluitster, helemaal het tegengestelde van het woeste lawaai van de menigte op straat. De stoet wendde zich rechts van de ingang naar de tribune, en terwijl de lieve Heiland de apostelen Petrus en Johannes voorbijschreed, keek Hij hen aan, zonder echter Zijn hoofd te draaien, daar Hij de beiden niet verraden wou. Nauwelijks was Jezus, tussen de zuilen door, tot vóór de Raad getreden, of Caïphas snauwde Hem toe: "Zijt gij daar eindelijk, heiligschender, die deze nacht maakt tot een nacht van stoornis?" De kalebas met Anna’s aanklacht werd van de scepter genomen en, nadat de verschillende beschuldigingen waren voorgelezen, brak Caïphas los in een stroom van schimpwoorden en verwijten tegen Jezus. De beulsknechten, alsmede de soldaten die het dichtst bij Onze Heer stonden, trokken en duwden Hem van hier naar daar. Zij hadden nu kleine ijzeren staven in de hand, die voorzien waren van peervormige, stekelige knoppen en waarmee zij Jezus stoot op stoot gaven, terwijl ze riepen: "Antwoord! Doe uw mond open! Kunt ge niet spreken?" Dit alles gebeurde terwijl Caïphas, toorniger nog dan Annas, in stormende haast, een reeks vragen richtte tot Jezus, die stil en smartelijk voor Zich neerkeek. De beulsknechten wilden Hem dwingen om te spreken. Zij stootten Hem in de nek en in de zijden, sloegen op Zijn handen en staken Hem met priemen. Ja, een afschuwelijke kerel drukte met zijn duim Jezus’ onderlip tegen de tanden aan en zei: "Pak vast en bijt!"

Men ging thans over tot het verhoor der getuigen. Het werd een wild getier van de kant van de omgekochte schelmen en tussenin vernam men de aantijgingen van bepaalde partijen, van de grimmigste Farizeese en Sadducese vijanden van Onze Heer uit heel het land, die men in de stad zelf, waar zij ter gelegenheid van het Paasfeest verbleven, was gaan optrommelen. Al dat waarop Jezus reeds honderdmaal geantwoord had, werd opnieuw voor de dag gehaald. Zo kreeg men te horen: "Hij verjaagt de duivel door de macht van de duivel, schendt de Sabbat, ruit het volk op, scheldt de Farizeeërs voor slangengebroed en echtbrekers uit, profeteert de ondergang van Jeruzalem, gaat om met de heidenen, tollenaren, zondaars en slechte vrouwen. Hij loopt het land af en trek grote scharen achter zich, Hij laat zich Profeet nemen, Koning, ja, Zoon van God, en spreekt voortdurend over Zijn Rijk. Hij verklaart dat echtscheiding niet is toegelaten. Hij heeft Jeruzalem beweend en beklaagd. Hij zegt van zichzelf: "Ik ben het brood des levens." Ongelofelijke dingen verkondigt Hij, zoals: "Wie Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, zal niet zalig worden."

Al Zijn woorden, parabels en leerstellingen werden verdraaid, verwrongen en, onder wreedheden en spotternijen, als beschuldigingen tegen Hem ingebracht. De een sprak echter de ander tegen en allen raakten in hun getuigenissen verward. Deze zei: "Hij geeft zich uit voor een koning," de andere: "Hij laat zich enkel aldus betitelen, en toen men hem tot koning wou uitroepen, liep Hij weg." Een derde riep: "Maar Hij zegt dat Hij Gods Zoon is," waarop een vierde antwoordde: "Neen, dat niet;, hij noemt zich Zoon, terwijl Hij de wil van de Vader doet." Enkelen getuigden dat Hij hen genezen had, maar zij waren nadien opnieuw ziek geworden en noemden Zijn manier om te genezen louter "toverij." Toverij was trouwens het laatste woord van vele getuigenissen en aanklachten. De genezing van de man in de vijver Bethesda werd opgerakeld, wat aanleiding gaf tot leugens, tegenspraak en valse verklaringen. De Farizeeërs van Sephoris, met wie Jezus eens een twistgesprek over de echtscheiding had gevoerd, beschuldigden Hem van dwaalleer, en de jongeling uit Nazareth, die Hij niet had willen opnemen onder Zijn discipelen, was zo gemeen om hier eveneens tegen Hem op te treden en te getuigen. Het niet veroordelen van de overspelige vrouw, die in de tempel vóór Onze Heer werd geleid en het afstraffen van de Farizeeërs behoorden mede tot de talrijke beschuldigingen.

Een werkelijk gegronde aanklacht vermocht niemand naar voor te brengen. De vele getuigen wisselden elkaar af en deden toch haast niets anders dan Hem schimpwoorden toewerpen. Zij kwamen steeds heviger met elkaar in strijd, terwijl het schelden van Caïphas en van enkele raadsleden altijd zijn gang ging. Tussen de getuigenissen in, riepen de laatsten: "Wat zijt gij voor een koning! Toon ons uw macht nu! Roep de legioenen engelen, waarover gij het had in de Hof van Olijven! Wat hebt ge gedaan met het geld van de weduwen en de dwazen? Hele fortuinen hebt gij verspild. Zeg ons waar al dat goed gebleven is. Antwoord, spreek! Nu gij voor de rechter moet spreken, houdt gij uw mond, gij die zoveel te vertellen had tot het gepeupel en de vrouwenkliek, toen het beter geweest was om te zwijgen."

De gerechtsdienaars en hun trawanten hielden niet op met het mishandelen van Jezus. Met slagen en stoten wilden ze er Hem telkens weer toe dwingen om antwoord te geven. Alleen dank zij Gods bijstand kon Hij dat alles overleven, om verder de zonden der wereld te dragen. Enkele laaghartige getuigen kwamen zeggen dat Onze Heer een buitenechtelijk kind was. Zij werden echter door anderen tegengesproken, die riepen: "Gelogen is het! Zijn moeder was een vrome maagd en wij waren aanwezig bij haar huwelijk met een zeer godvrezend man." Daarover ontspon zich nu een nieuwe ruzie.

Men wierp Jezus en Zijn discipelen nog voor de voeten dat zij niet offerden in tempel. Ik heb ook nooit gezien dat Jezus, of de apostelen, sinds deze Hem vergezelden, offerdieren naar de tempel brachten, buiten de Paaslammeren. Jozef en Anna offerden tijdens hun leven toch meer dan eens voor Jezus. Die beschuldiging was nu waardeloos, want ook de Essenen verrichten geen slachtofferanden en dit werd hun niet als strafbaar aangerekend. Het verwijt van toverij kwam dikwijls ter sprake en Caïphas beweerde herhaaldelijk dat de verwarring die heerste onder de getuigen, het gevolg was van toverkunsten.

Enkelen zeiden thans dat onze Heer het Pascha niet volgens de regels, maar gisteren reeds, in plaats van op de huidige Sabbat, genuttigd had en vorig jaar eveneens tegen de regel was te werk gegaan. Hierop werd wederom hard getierd en geschimpt. De getuigen hadden zich inmiddels zozeer versproken en in hun eigen woorden verstrikt, dat Caïphas en al de raadsleden ten hoogste beschaamd en vertoornd waren , te meer omdat zij van hun kant hieraan niets steekhoudend wisten aan toe te voegen. Jozef van Arimathea, in wiens cenakel op de berg Sion, de Heer het Pascha gegeten had, alsmede Nicodemus, werden opgeroepen om een verklaring te geven. Zij traden voor de hogepriester en bewezen uit de schriftrollen, dat de Galileërs, krachtens een oude overeenkomst, het paaslam een avond vroeger mochten nuttigen. Met dat Paaslam was alles in orde. Dat konden de lieden van de tempel bevestigen. Wat beide vrienden hier zeiden, bracht de getuigen in diepe verlegenheid. Jezus’ vijanden ergerden zich vooral toen Nicodemus de schriftrollen liet halen, en er het recht van de Galileërs uit bewees. Eén van de gronden waarop dat recht steunde en die ik bijna allen vergeten ben, was, dat men anders, bij een drukke volkstoeloop, niet tegen het vastgestelde uur kon gereed zijn en het gedrang op de weg naar huis zou dan te groot worden.

Werd dit recht van de Galileërs niets altijd toegepast, het bestaan ervan had Nicodemus aan de hand van schriftrollen, volkomen duidelijk gemaakt. De woede van de Farizeeërs steeg ten top, toen hij, bij het besluit van zijn uiteenzetting, er op wees hoe de hele Raad, in een met zoveel zelfzekerheid als vooroordeel, zo overhaastig ’s nachts vóór het feest ondernomen rechtszaak, zich in het openbaar zo bespot moest voelen door de flagrante tegenstrijdigheden in al wat de getuigen hier hadden verteld. Vol haat keken zij nu naar Nicodemus en zetten met nog meer haast en spoed, onbeschaamder en snoder dan ooit, het verhoor voort.

Van de vele schandelijke leugenaars en woordverdraaiers, traden er tenslotte nog twee getuigen op, die vertelden dat Jezus had gezegd: "Ik wil de tempel afbreken, die de mensenhanden hebben gebouwd, en in drie dagen een nieuwe bouwen, waar geen mensenhanden aan te pas komen." Doch ook deze getuigen begonnen onder elkaar te wedijveren. De eerste zei dat Jezus wel degelijk de oude tempel wou afbreken, ten einde een nieuwe tempel te vestigen, en sprak in verband daarmee over het gebouw waarin Onze Heer het Paasmaal op een ongewone wijze gehouden had. De tweede weerlegde die verklaring en zei dat het cenakelgebouw nooit de nieuwe tempel kon zijn die Jezus had bedoeld, vermits het eveneens door mensenhanden was gebouwd.

Caïphas was nu mateloos kwaad en bitter, want de mishandeling van Jezus, de tegenspraak in de getuigenissen en het onbegrijpelijke geduld van de zwijgende beschuldigde, maakten op verschillende aanwezigen een verkeerde indruk. Enkele malen werden de getuigen zelfs uitgelachen. Het zwijgen van Onze Heer bezorgde menigeen een bang geweten en een stuk of tien krijgsknechten werden er zo diep door gegrepen, dat zij ongesteldheid voorwenden en de zaal verlieten.

Toen zij Petrus en Johannes voorbijgingen, zeiden zij tot hen: "Dit zwijgen van Jezus de Galileër, onder zo’n schandelijke behandeling, is hartverscheurend. Men krijgt het gevoel alsof men in de grond gaat zinken. Maar zegt ons, waarheen wij ons moeten wenden." De apostelen echter die de soldaten niet wensten te vertrouwen en vreesden om door hen als discipelen van Jezus te worden verraden, of als zodanig door de omstanders te worden herkend, keken treurig voor zich heen en gaven slechts dit vage antwoord: "Indien de Waarheid u roept, volgt Haar dan. De rest vindt gij vanzelf." Daarop begaven deze mannen zich buiten het atrium en schreden de stad in, waar zij andere volgelingen van Jezus ontmoetten, die hen aanraadden om de weg te nemen naar de grotten, ten zuiden van Jeruzalem, aan de andere zijde van de berg Sion. Hier vonden zij verscheidene apostelen, die eerst schrokken toen zij hen zagen, en dan, na te hebben vernomen hoe het met Jezus stond, en dat er ook gevaar was voor Zijn leerlingen, op stap gingen naar nieuwe schuiloorden.

Caïphas, geheel buiten zichzelf gebracht door de beschamende tegenstrijdigheden in de uitlatingen van de laatste twee getuigen, verhief zich van zijn zetel en daalde een paar treden af en riep tot Jezus: "Antwoordt gij niets op deze aanklacht?" Het ergerde hem vreselijk dat Jezus niet eens omhoog keek. Toen vatten de beulsknechten Onze Heer bij de haren, rukten Zijn hoofd achteruit en sloegen met hun vuisten onder Zijn kin. Jezus echter hield de blik naar beneden gericht. Caïphas stak nu met een heftig gebaar zijn armen in de hoogte, en toornig klonk zijn stem, terwijl hij riep: "Ik bezweer u, in de naam van de levende God, dat Gij ons zeggen zoudt, of gij de Christus zijt, de Messias, de Zoon van de Allerhoogste."

Het rumoer hield op. In de grote stilte die daarna kwam, sprak Jezus, door God gesterkt, met een onvergelijkbare, waardige en diep schokkende stem, met de stem van Eeuwige Woord: "Ik ben het, gij hebt het gezegd en ik zeg tot u, lieden, dat ge weldra de Mensenzoon zult zien zitten aan de rechterhand van de Majesteit en Hem zien verschijnen op de wolken uit de hemel!"

Terwijl Jezus die woorden sprak, zag ik Hem als doorstraald van licht, en boven Hem de hemel geopend. En in de hemel zag ik een onuitsprekelijke, wezenheid: God Almachtig, ik zag de engelen en het gebed der rechtvaardigen, als baden zij schreiend voor Jezus. Maar was het, of ik zag de godheid van Jezus uit de Vader die uit Zichzelf het volgende sprak: "Indien ik lijden kon, zou ik willen lijden. In mijn barmhartigheid ben Ik vlees geworden in de Zoon, opdat de Mensenzoon lijden zou, want ik ben gerechtigheid en zie, Hij draagt de zonden van de hele wereld."

Onder Caïphas echter zag ik de hel geopend: een trieste, vurige poel vol gruwelgedaanten. En ik zag de hogepriester, als werd hij slechts door een dun floers gescheiden van deze poel. Ik zag hem geheel doordrongen van de haat der hel. Gans het huis, van beneden tot boven, kwam mij thans voor als een woelige hellepoel. Toen de Heer plechtig had uitgesproken dat Hij de Christus, de Zoon Gods was, leek het alsof de hel voor Hel opschrok, en dan ineens al haar haat tegen Hem in dit huis losliet.

Terwijl alles mij getoond wordt in vormen en beelden [in een "taal" die mij, omwille van haar echtheid, kortheid en duidelijkheid, veel dierbaarder is dan elk ander middel tot verklaring van iets, omdat de mens toch ook een tastbare figuur is, en niet zomaar een manier van spreken] kreeg ik de angst en de woede van de hel te zien in talloze gruwelijke gestalten die, als het ware uit de grond naar boven drongen. Ik herinner mij onder meer hele scharen kleine, donkere wezens met korte poten, maar lange klauwen. Zij bewogen zich voort zoals honden die op hun achterpoten lopen, doch wat voor soort boosheid zij moest uitbeelden, kan ik thans niet dadelijk bepalen. Ik heb het toen geweten en weet nu alleen nog hoe zij er uitzagen. Dergelijke "schimmen" zag ik in de meest aanwezige varen, zag ik zitten op het hoofd en de schouders van velen binnen dit huis. Het was er vol van, en de woede steeg hoog bij alle bozen. Ook zag ik in dat ogenblik afschuwelijke spoken uit graven kruipen aan de overkant van Sion. Dat waren, naar ik meen, kwade geesten. Nabij de tempel ontwaarde ik andere spookachtige gedaanten. Zij kwamen uit de grond en verschenen mij, voor een groot deel als gevangenen die hun ketens meesleepten. Ik weet nier meer of het eveneens allemaal kwade geesten waren, dan wel zielen die zolang op aardse plaatsen verbannen hadden gezeten en nu misschien heentrokken naar het voorgeborchte, dat de Heer hen door Zijn doodvonnis ontsloot.

Men kan zulke dingen niet volkomen verwoorden en wil trouwens diegenen die er onkundig van zijn, geen ergernis geven. Zelf toch ervaart men, wanneer men deze dingen ziet, hun werkelijkheid zo fel, dat de haren omhoog rijzen. Het was iets afgrijselijks op dat ogenblik. Ik geloof dat ook Johannes het gezien heeft, want nadien heb ik hem daarover horen spreken. Al wie nog niet geheel verloren was, voelde het ontzettende van dat moment met een diep gruwen aan. De bozen, integendeel, voelden hoe het de haat die zij koesterden, wild deed opflakkeren.

En Caïphas, als een door de hel vervoerde, greep zijn prachtmantel vast aan de zoom, zette er het mes in en reet hem in stukken: dof ruiste de stof bij het scheuren, terwijl de hogepriester luid gilde: "Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij nog getuigen nodig? Gij hoort zelf de godslastering, wat denkt u thans? Toen stonden allen op die daar waren gebleven en schreeuwden met vervaarlijke stem: "Hij is schuldig tot de doodstraf! Hij is tot de dood schuldig!"

Onder dit geschreeuw bereikte de woede der hel, die zo vreselijk in dit huis tekeer ging, haar hoogtepunt. Jezus’ vijanden waren als in dronken duivelse bezetenheid, en evenzo hun vleiers en hondse knechten. Het was alsof de duisternis haar triomf uitriep over het licht. Allen in wie nog iets goeds woonde, overviel het met zulke gruwel, dat velen zich het hoofd bedekten en naar buiten slopen. Ook de voornamen onder de getuigen verlieten nu met een slecht geweten het rechthuis, waar men hen niet langer nodig had. De geringen liepen of stonden om het vuur heen, in het atrium. Zij kregen hun loon uitbetaald, aten en zopen.

De hogepriester richtte zich nu tot de beulsknechten en sprak: "Ik lever deze koning aan u over. Bewijs de godlasteraar de eer die hem toekomt," en hij verdween met zijn raadslieden in de ronde zaal achter de tribune, waar men van hieruit niet kon binnenkijken.

Johannes, in zijn grote smart, dacht nu aan de Moeder van Jezus. Hij vreesde dat het verschrikkelijke nieuws haar zou gemeld worden door een of andere vijand, wat haar nog dieper zou verwonden. Hij wierp de heiligste der heiligen een blik toe, in stilte zeggend: "Meester, gij weet waarom ik ga" en snelde dan, alsof Jezus hem gezonden had, van het rechthuis naar de Heilige Maagd. Petrus echter, geheel ontsteld door angst en treurnis en daarbij nog eens uiterst vermoeid, zodat hij scherper de koelte voelde van de naderende ochtend, verborg zijn bitter leed zo goed als hij kon en naderde schuchter de vuurkuil in het atrium, waaromheen allerlei schelmen en deugnieten zich aan het warmen waren. Hij wist niet wat hij deed, maar kon niet weg van zijn Meester.

De bespotting van Jezus bij Caïphas

Terwijl Caïphas, na Jezus aan de krijgers te hebben overgeleverd, met zijn Raad de rechtszaal verliet, viel heel de bende boze dienaars, zoals een opgeschrokken zwerm wespen, Onze Heer op het lijf. Twee van de vier beulsknechten die waren meegegaan om de Heiland gevangen te nemen, hielden Hem nog steeds aan de touwen vast. Twee van de vier hadden zich verwijderd en werden door anderen afgelost. Reeds onder het verhoor hadden de krijgers en andere schurken hele klissen uit Jezus’ hoofdhaar en baard getrokken. Enkele goede lieden raapten heimelijk dat haar op van de grond en slopen er mee weg. Zij zijn het later echter kwijtgeraakt. Ook werd Jezus reeds onder het verhoor door de kwade bende bespuwd, talloze malen met de vuist geslagen, gestoken met stokken die van prikkel waren voorzien, en met naalden gestoken. Pas nu toch zouden de schandelijkste gemeenheden over de arme Jezus neerkomen.

De krijgers en de trawanten zetten Hem, spottenderwijze, verschillende kransen op het hoofd, die gevlochten waren uit bast of stro en rukten hem die kransen weer af, wat telkens opnieuw met nieuwe venijnige smaadredenen gepaard ging. Zij zeiden: "Ziehier de zoon van David, die zijn vaders krans heeft overgenomen." Een volgende keer klonk het: "Dit is meer dan Salomons tooisel," ofwel, "ziehier de koning, gesierd voor de bruiloft van zijn zoon," en zo hoonden zij niet enkel Onze Heer, maar tevens de Eeuwige Waarheid, die Hij tot het heil van de mensheid in gelijkenissen en anders had verkondigd.

Zij sloegen Hem met hun vuisten en stokken, duwden Hem van links naar rechts en bespuwden Hem op de afschuwelijkste manieren. Tenslotte maakten zij nog een krans van dik tarwestro, zoals het ginder gewonnen wordt, zetten Hem een hoge muts op, bijna zo hoog als een hedendaagse bisschopsmijter en hingen de strokrans over die muts, nadat zij Hem Zijn rok hadden uitgetrokken. Daar stond nu de arme Jezus, met niets dan een lendendoek en het scapulier aan het lichaam, maar ook dat scapulier rukten zij Hem af, en heeft het niet meer teruggekregen. Vervolgens deden zij Hem een oude, vodderige mantel aan, die van voor zo kort was, dat hij de knieën niet bedekte, en om Jezus’ hals legden zij een lange, ijzeren ketting die, zoals een stool, van Zijn schouders over de borst neerhing en tot de knieën reikte. Deze keten eindige in twee grote en zware, stekelige ringen, die Onze Heer bij het gaan en vallen smartelijk kwetsten.

Terwijl Caïphas, na Jezus aan de krijgers te hebben overgeleverd, met zijn Raad de rechtszaal verliet, viel heel de bende boze dienaars, zoals een opgeschrokken zwerm wespen, Onze Heer op het lijf. Twee van de vier beulsknechten die waren meegegaan om de Heiland gevangen te nemen, hielden Hem nog steeds aan de touwen vast. Twee van de vier hadden zich verwijderd en werden door anderen afgelost. Reeds onder het verhoor hadden de krijgers en andere schurken hele klissen uit Jezus’ hoofdhaar en baard getrokken. Enkele goede lieden raapten heimelijk dat haar op van de grond en slopen er mee weg. Zij zijn het later echter kwijtgeraakt. Ook werd Jezus reeds onder het verhoor door de kwade bende bespuwd, talloze malen met de vuist geslagen, gestoken met stokken die van prikkel waren voorzien, en met naalden gestoken. Pas nu toch zouden de schandelijkste gemeenheden over de arme Jezus neerkomen.

De krijgers en de trawanten zetten Hem, spottenderwijze, verschillende kransen op het hoofd, die gevlochten waren uit bast of stro en rukten hem die kransen weer af, wat telkens opnieuw met nieuwe venijnige smaadredenen gepaard ging. Zij zeiden: "Ziehier de zoon van David, die zijn vaders krans heeft overgenomen." Een volgende keer klonk het: "Dit is meer dan Salomons tooisel," ofwel, "ziehier de koning, gesierd voor de bruiloft van zijn zoon," en zo hoonden zij niet enkel Onze Heer, maar tevens de Eeuwige Waarheid, die Hij tot het heil van de mensheid in gelijkenissen en anders had verkondigd.

Zij sloegen Hem met hun vuisten en stokken, duwden Hem van links naar rechts en bespuwden Hem op de afschuwelijkste manieren. Tenslotte maakten zij nog een krans van dik tarwestro, zoals het ginder gewonnen wordt, zetten Hem een hoge muts op, bijna zo hoog als een hedendaagse bisschopsmijter en hingen de strokrans over die muts, nadat zij Hem Zijn rok hadden uitgetrokken. Daar stond nu de arme Jezus, met niets dan een lendendoek en het scapulier aan het lichaam, maar ook dat scapulier rukten zij Hem af, en heeft het niet meer teruggekregen. Vervolgens deden zij Hem een oude, vodderige mantel aan, die van voor zo kort was, dat hij de knieën niet bedekte, en om Jezus’ hals legden zij een lange, ijzeren ketting die, zoals een stool, van Zijn schouders over de borst neerhing en tot de knieën reikte. Deze keten eindige in twee grote en zware, stekelige ringen, die Onze Heer bij het gaan en vallen smartelijk kwetsten.

Zij bonden opnieuw zijn handen tezamen vóór zijn borst. Hij moest een riet vasthouden en zij bevuilden zijn mishandelde aangezicht met het smerigste dat hun onreine monden konden uitwerpen. Jezus’ verwoeste hoofdhaar en baard, Zijn borst en heel het bovenste van de spotmantel hingen vol spuugsel in alle mogelijke, walgelijke kleuren. Vóór Zijn ogen bonden zijn een vuile lap, en terwijl zij hem stampten met hun vuisten en met hun stokken sloegen, riepen zij: "Grote profeet, vertel ons wie u geslagen heeft!" Jezus sprak echter niet: Hij bad inwendig voor hen, zuchtte en werd geranseld. Aan de keten sleepten zij de aldus mishandelde, vermomde en besmeurde Heiland naar de vergaderzaal. Zij schopten Hem, sloegen Hem met knuppels en schreeuwden: "Vooruit, strokoning, vertoon u aan de Raad en laat zien hoe wij u gehuldigd hebben!"

In de zaal, waar Caïphas en velen van de Raad nog op het hoog gestoelte in de ronde zaten, begon een nieuwe bespotting onder schimpscheuten van het allerlaagste allooi met een voortdurende schennis van de heilige gebruiken en handelingen. Toen zij Jezus bespuwden en besmeurden, hadden zij geroepen: "Pak aan, hier is de zalf voor de koning, voor de profeet!" Thans gold hun spotternij de zalving door Magdalena en het doopsel.

"Wat"!" schreeuwden zij honend, "durft hij zo onrein te verschijnen voor de Hoge Raad? Anderen wilt gij altijd reinigen en zelf toch zijt gij onrein. Maar nu zullen wij u eens rein maken." En zij brachten een bekken, gevuld met een troebel en vuil vocht, waarin een smerige, grove vod lag. Terwijl zij Hem stompten en scholden, nu eens schimpenderwijze bogen en groetten en Hem hun ontbloot achterwerk liet zien, knielden ze daarna even en staken hun tong uit naar Hem en wreven met de smerige, natte vod over Zijn aangezicht en Zijn schouders. Zij deden alsof zij Hem wasten, maar besmeurden Hem nog schandelijker dan ervoor. Aan het eind goten zij de vuile inhoud van het bekken over Zijn aangezicht en riepen: "Hier hebt gij kostelijke zalf, narduswater voor driehonderd denaren, doopwater uit de vijver Bethesda!"

Het laatste van deze smaadwoorden bevatte, tegen hun wil in, een vergelijking van Onze Heer met het Paaslam. De lammeren immers, die men vandaag als Paaslammeren zou slachten in de tempel, werden eerst gewassen in de vijver aan de Schapenpoort en daarna in de vijver Bethesda, ten zuidoosten van de tempel. Daar werden zij op een ceremoniële wijze besprenkeld. Eigenlijk zinspeelden de schelmen met dat woord over het "doopwater" op de achtendertigjarige zieke, die Jezus bij de vijver Bethesda genezen had en die ik zichzelf daar heb zien wassen of dopen. Ik zeg "wassen of dopen," want het gebeuren staat mij vandaag niet meer zo duidelijk voor de ogen.

Nu sleepten en sleurden zij Jezus, onder stoten en slagen, langs de nog aanwezige, honende en schimpende raadslieden heen en ik zag de hele zaal vol grimmige duivels: het was een duister, verward en afschuwelijk tafereel. Om Jezus echter zag ik herhaaldelijk, sinds Hij gezegd had, dat Hij Gods Zoon was, een stralende glans. Velen van die hier zaten, schenen dat inwendig min of meer ook te voelen, voor zover zij nog konden voelen, dat alle smaad en alle hoon Hem niet vermochten te beroven van Zijn onuitsprekelijke waardigheid. Zo leek het dan, of Jezus’ verblinde vijanden de glans rondom Hem slechts vermoedden bij ieder diep branden van hun haat. Mijzelf verscheen Zijn glorie zo duidelijk dat ik telkens denken moest dat zij alléén daarom Onze Heer hadden geblinddoekt, terwijl de hogepriester, sinds het woord "Ik ben het," Jezus’ blik niet meer verdragen kon.

De verloochening van Petrus

Toen Jezus plechtig had verklaard: "Ik ben het," Caïphas zijn mantel aan stukken reet en het geroep, "Hij is schuldig aan de dood," zich vermengde met het schimpen en tieren van het gepeupel, toen boven Jezus de Hemel der Gerechtigheid geopend was, de hel haar woede en de graven de gevangen geesten loslieten, toen alles vol angst en ontzetting was, vermochten Petrus en Johannes, die veel geleden hadden omdat zij stilzwijgend en zonder te kunnen ingrijpen, in uiterste spanning, de mishandeling van Jezus aanschouwden, niet langer te blijven staan waar zij stonden. Johannes ging weg, tegelijk met enkele getuigen en andere lieden, en snelde naar de Moeder van Jezus, die zich met de heilige vrouwen in Martha’s huis bevond, niet ver van de Hoekpoort, waar Lazarus te Jeruzalem een groot gebouw bezat.

Petrus kon er niet toe besluiten om hem te volgen. Hij was te zeer aan Jezus gehecht. Hij kon zich nauwelijks beheersen, weende bitter en probeerde nog om zijn tranen te verbergen. Op de plaats, die hij en Johannes hadden uitgekozen, wou hij niet blijven want door zijn doen zou hij zich verraden hebben, maar het was hem ook onmogelijk om zich anders heen te wenden zonder in het oog te vallen.

Hij ging in het atrium naast het vuur zitten, tussen de soldaten en de mannen van de straat, die af en toe gingen kijken naar de bespotting van Jezus en daarover allerlei slechte dingen ten beste gaven. Petrus hield zich stil, doch alleen reeds zijn toeluisteren en de uitdrukking van diepe droefheid op zijn gelaat, moesten hem bij Jezus’ vijanden verdacht maken. Nu kwam daar ook een poortwachtster naast het vuur staan, en stout, zoals snibbige vrouwen, mengde zij zich in het geklets en het geschimp over Jezus en Zijn leerlingen.

Zij keek Petrus aan en zei: "Ook jij bent een van de nalopers van de Galileër." Petrus, verward en bang, en in de vrees dat het ruwe volk hem zou mishandelen, antwoordde: "Vrouw, ik kem Hem niet, ik weet, noch begrijp wat gij bedoelt." Meteen stond hij op, want hij wou zich losmaken uit de kring en trad buiten het atrium en het was rond die tijd dat de haan kraaide vóór de stad. Ik herinner mij niet dit te hebben gehoord, maar ik voelde dat het kraaien thans aanving.

Toen Petrus het atrium verlaten had, werd hij opgemerkt door een dienstmaagd, die tot enkelen in de buurt zei: "Deze hier was eveneens bij Jezus van Nazareth." En zij keerden zich om en vroegen Petrus: "Ben jij niet één van zijn discipelen geweest?" Toen werd Petrus nog meer verward en bevreesd en hij verklaarde met zoveel klem als hij kon aanzetten: "Waarachtig, dat ben ik niet geweest. Ik ken die mens niet!"

Hij haastte zich thans naar het plein tot vóór het hof. Hij had daar bekenden van hem over de muur zien kijken en wou hen waarschuwen. Hij weende en was vol angst en droefheid om Jezus, dat hij nauwelijks dacht aan zijn verloochening van de meester. Op het plein bevonden zich vele mensen, onder wie verschillende vrienden van Jezus. Zij mochten niet binnen in de ommuurde hof, maar Petrus mocht er wel uit. De mensen die buiten moesten blijven, beklommen de muur, ten einde toch iets te zien en te horen, en Petrus vond hier een aantal discipelen, die de ongerustheid uit de grotten van de Hinnomberg hierheen had gedreven.

Zij kwamen zelf dadelijk naar hem en vroegen onder tranen om nieuw, maar hij was zo hevig bedroefd, en was zo bang om zich te verraden, dat hij hen slechts met weinig woorden de raad gaf om deze plaats, waar het gevaar hen bedreigde, te verlaten. Hij wendde zich aldus van zijn vrienden af en liep treurig in het rond en de discipelen verlieten ijlings weer de stad. Zij waren zo met zijn zestienen, allemaal van de vroegste leerlingen van Jezus. Tot de groep behoorden Bartholomeüs, Nathanaël, Saturninus, Judas Barsabas, Simeon, die later bisschop van Jeruzalem werd, Zacheus en Manachem, de profetische, blindgeboren jongeling die door Jezus was genezen.

Petrus had rust, noch duur. De liefde tot Jezus dreef hem terug naar het hof die het huis omgaf en men liet hem binnen, terwijl Nicodemus en Jozef van Arimathea hem in het begin toegang hadden verschaft. In het atrium trad hij echter nu nog niet binnen. Hij ging rechts, langs het huis, naar de deur van de grote zaal, waarin de bende juist Onze Heer aan het rondslepen was. Petrus naderde schuw, en hoewel hij voelde dat hij als verdacht in het oog werd gehouden, drong hij toch door het gepeupel heen, dat de ingang vulde, want zijn angst om Jezus liet hem niet los. En de Heer, die met de vuile strokrans op het hoofd, voorbij de grinnikende raadsleden werd gesleurd, zag Petrus staan en wierp hem een ernstige, waarschuwende blik toe en Petrus voelde zich gebroken van smart.

Daar hij nog altijd vreesde voor zichzelf en enkele kerels rondom hem hoorde zeggen: "Wat is dat voor iemand?" ging hij opnieuw naar het hof. Ontredderd door angst, treurnis en medelijden, schreed hij aarzelend voort. Toen hij bemerkte dat men hem nakeek, stapte hij weer het atrium binnen en ging een tijdje bij het vuur neerzitten, tot er zich enkelen mengden in het gezelschap, die hem buiten hadden gezien. Zijn verwarring was hen niet ontgaan en zij begonnen met hem te praten, uitbundig afgevend op Jezus’ handel en wandel. Een uit de troep zei: "Voorwaar, jij behoort ook tot zijn aanhangers, jij bent een Galileër, je taal veraadt je." Petrus wou er zich uitpraten en weggaan, maar een broeder van Malchus trad hem in de weg en zei: "Wat! Heb ik je niet gezien naast Hem in de Hof van Olijven, en heb jij mijn broer niet gekwetst aan het oor?"

In zijn benardheid werd Petrus nu bijna zinneloos, en terwijl hij zich van hen vrij maakte, ging hij heftig, zoals het zijn aard was, aan het vloeken en het zweren dat hij die Mens niet kende, liep uit het atrium en de hof in. Op dat ogenblik kraaide de haan voor de tweede keer en voerde de bende, door de hof heen, Jezus naar de kerker onder de ronde zaal. Onze Heer wendde zich om en keek naar Petrus, bedroef en tevens vol erbarmen en het woord dat Hij gesproken had: "Eer de haan tweemaal kraait, zult gij mij driemaal verloochend hebben," viel de apostel met vreselijk geweld op het hart. Afgemat, vol van angst en kommer, had Petrus zijn overmoedige belofte om liever te sterven met zijn Meester, dan Hem te verloochenen, alsmede Jezus’ gestrenge antwoord heel en al uit de gedachte verloren, maar thàns, terwijl Jezus hem aankeek, verpletterde hem ineens het bewustzijn van zijn schuld. Hij had gezondigd: gezondigd tegen zijn mishandelen, zijn onschuldige veroordeling, tegen de allerwreedste lijdende Heiland, die hem zo trouw had gewaarschuwd. Als buiten zichzelf van spijt, snelde hij naar buiten, het hoofd bedekt en weende hij bitter. Hij was niet langer bevreesd om te worden aangesproken: hij zou nu iedereen hebben verteld wie hij was en welke zware schuld er op hem drukte.

Wie verstout zich te zeggen dat hij, in eender gevaar, in eendere benardheid, angst en verwarring, in eenzelfde strijd tussen liefde en vrees verwikkeld, even uitgeput van waken en even afgejaagd, half gebroken van smart over al het ellendige van deze jammerlijke nacht, bij zulk een kinderlijk en tegelijk vurig temperament als Petrus bezat, sterker zou zijn geweest dan de apostel? De Heer liet Petrus aan zijn eigen kracht over en toen werd hij zo onmachtig als allen zijn die het woord vergeten: "Waak en bid, opdat gij niet in bekoring zou vallen."



» Reageer (0)
25-02-1976
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A.C. Emmerich. Hoofdstuk 3.1 Annas en Caïphas
A.C. Emmerich: Het bitter lijden van Onze Heer Jezus Christus

Hoofdstuk 3.1 Annas en Caïphas

Judas en zijn bende

Judas had eigenlijk de afloop van zijn verraad anders verwacht dan die zich voordeed. Hij wou het verradersloon verdienen en meteen de vriendschap van de Farizeeërs, door Jezus in hun handen te spelen. Aan Jezus’ veroordeling en kruisiging dacht hij niet. Zijn bedoeling ging niet zo ver. Het was hem alleen om het geld te doen en hij liet zich sedert een geruime tijd in met rondsluipende, bespionerende Farizeeërs en Sadduceeërs, die hem wisten te vleien en aldus tot het verraad aan te zetten. Hij was het lastige leven, het trekken van hier naar daar en het eeuwig vervolgd worden, moe. De laatste maanden had hij zich voortdurend bezondigd door het stelen van de aalmoezen die hem werden toevertrouwd en nu dreef zijn schraapzucht, nadat Magdalena’s vrijgevigheid bij Jezus’ zalving in hoge mate zijn ergernis had opgewekt, hem tot het uiterste.

Hij had altijd gehoopt dat Jezus een aards rijk zou hebben gesticht en dat hijzelf daarin een goedbetaald ambt zou hebben gekregen. Toen daar niets van terecht kwam, probeerde hij op een andere wijze om een vermogen bij elkaar te krijgen. Hij zag de moeilijkheden en de vervolgingen toenemen en was er op uit om vóór het einde tot een goede verstandhouding te komen met de machtige en voorname vijanden van de Heer. Dat Jezus koning zou worden, zag hij niet gebeuren, terwijl de hogepriester en de grote mannen van de tempel in zijn ogen steeds belangrijker werden. Zo liet hij zich steeds meer en meer in met die onderhandelaars, die hem op alle mogelijke manieren wisten te vleien en hem ook stellig voorspelden "dat het in ieder geval niet lang meer met Jezus zou duren."

De laatste dagen hadden zij hem weer in Bethanië achternagezeten en steeds dieper liet hij zich meeslepen in zijn eigen verderf. Ja, hij liep de jongste dagen bijna de benen van het lijf om de opperpriesters ertoe te bewegen om over te gaan tot de daad. Zij wensten echter nog niet toe te stemmen en bejegenden hem met een sterke verachting. Zij zegden dat de tijd vóór het feest te kort was. Zij zouden daardoor enkel opstand en tumult krijgen op het feest. Alleen het Sanhedrin hield enigszins rekening met Judas’ voorstel. Nadat hij zo goddeloos het sacrament had ontvangen, werd hij geheel door satan bezeten en begaf hij zich op weg om het gruwelijke ten uitvoer te brengen. Eerst zocht hij de onderhandelaars op die hem totnogtoe steeds gevleid hadden en hem ook thans met een geveinsde vriendelijkheid ontvingen. Hij ontmoette nog andere personen waaronder ook Caïphas en Annas. Deze laatste behandelde hem eerder smadelijk en spottend. Men bleef besluiteloos en had geen vertrouwen in het resultaat, terwijl men Judas scheen te wantrouwen.

Ik zag het rijk van de hel eveneens verdeeld. De satan wou de misdaad van de Joden door de dood van de Onschuldige en hij wou de dood van Jezus, de bekeerder der zondaars, de heilige leraar, de genezer en rechtvaardigen, de hij haatte. Maar dan beving hem weer een innerlijke schrik voor de schuldeloze dood van de Heer, die er Zich niet aan onttrok ... die Zich niet redden wou. Hij benijdde Jezus wegens Zijn bereidheid om onschuldig te lijden en zo zag ik hoe de duivel, aan de ene kant, de boosheid en de haat aanhitste van Jezus’ vijanden die hier rond de verrader bijeen waren, terwijl hij aan de andere kant enkelen onder hen de gedachten inblies dat Judas een schurk was, een nietsnut en dat men vóór het feest geen tijd meer zou hebben voor het geding en geen voldoende getuigen tegen Jezus zou kunnen samenbrengen.

Jezus’ vijanden, twistend over de tegenstrijdige meningen die zij erop nahielden omtrent het besluit, richtten zich tot Judas met de vraag: "Zal het ook mogelijk zijn om Hem gevangen te nemen? Is hij niet met gewapende leerlingen omringd?" Het antwoord van de schandelijke verrader luidde: "Neen, hij heeft alleen de elf apostelen bij zich. Zelf is hij geheel moedeloos en de elf gezellen zijn lafaards." Verder vertelde hij hen dat zij nu of nooit Jezus moesten vastgrijpen, want een tweede maal zou hij Hem niet meer kunnen overleveren, omdat hij niet van plan was om naar de Meester terug te keren. De laatste dagen reeds, en vandaag heel duidelijk, hadden de andere discipelen, alsmede Jezus zelf, op hem gezinspeeld. Zij schenen te vermoeden welke wegen hij bewandelde, en indien hij tot hen zou terugkeren, zouden zij hem zeker en vast vermoorden. Ook dacht hij dat wanneer zij thans Jezus niet zouden gevangen nemen, Hij hen zou ontglippen en hen later opnieuw zou verschijnen met een groot leger aanhangers, teneinde zich tot Koning te laten uitroepen. Dankzij deze dreigementen won Judas eindelijk het pleit. Men ging in op zijn voorstel om, volgens zijn aanwijzingen, Jezus gevangen te nemen, en hij kreeg het loon van de verrader: dertig zilverlingen. Dit waren dertig tongvormige penningen van zilver, doorboord en met ringen aan een soort ketting vastgemaakt, en zo tot een bos samengevoegd. Er waren merktekens in de penningen geslagen.

Reeds op dit ogenblik werd Judas er door zijn hovaardigheid en zijn bluffen toe gedreven om zich voor te doen als een echt onbaatzuchtig man. Hij voelde namelijk hoe zij hem verachtten en wantrouwden en daardoor bood hij hen het geld aan als een offergave voor de tempel, maar zij wezen het af als bloedgeld dat niet thuishoort in de tempel. Judas werd zeer diep getroffen door deze hoon en een grote gramschap vervulde hem. Hij had zoiets niet verwacht. De vruchten van zijn verraad werden hem reeds duidelijk: nog eer het verraad zich goed en wel had voltrokken, kwam hij tot het besef tot hij zich te ver met deze lieden had ingelaten. Hij zat in hun handen en kon zich niet meer loswringen. Zij hielden hem scherp in de gaten en wendden hun blik niet meer van hem af, tot hij het plan om Jezus te grijpen volledig had uiteengezet. Drie Farizeeërs gingen nu met de verrader naar de hal beneden, bij de tempelsoldaten. Deze soldaten waren niet allemaal Joden. Er liepen ook vreemden tussen, van een gemengde kleur. Toen alles afgesproken was en het nodige aantal soldaten was verzameld, rende Judas vooruit naar het cenakel, vergezeld van een dienaar van de Farizeeërs. Hij zou hen melden of Jezus nog steeds in het cenakel was zodat zij Hem, door de toegangen af te zetten, gemakkelijk konden gevangennemen. De bode zou vervolgens de melding overmaken aan de Farizeeërs.

Vroeger al, dadelijk nadat Judas het verradersloon ontvangen had, was iemand weggegaan, die dan zeven slaven had uitgezonden om het hout voor het kruis van Christus te halen en dit heden nog klaar te maken, voor het geval dat de Heer zou berecht worden, daar er morgen, wegen het begin van de Pascha, daartoe geen tijd meer overbleef. De slaven haalden het hout wel een kwartier daarvandaan, waar het met veel ander hout, dat bestemd was om te worden gebruikt bij timmerwerk in en aan de tempel, op een stapelplaats lag tegen een lange, hoge muur. Ze sleepten het naar een plek achter het rechtshuis van Caïphas om het te bewerken. De kruisstam had eens als een levende boom in het dal van Josaphat gestaan, naast de Cedronbeek, en was later over de beek heen gevallen en aldus een natuurlijke brug gevormd. Toen Nehemias het heilig vuur en de gewijde vaten verborg in de vijver Bethesda, diende het kruishout, samen met nog ander hout, tot bedekking ervan. Nadien was het daar echter weggenomen en bij een hoop timmerhout aan de kant gelegd. Deels om Jezus te bespotten, deels uit schijnbare toevalligheid, maar alles overeenkomstig de plannen en bedoelingen van God, werd het kruis op een bijzondere wijze klaargemaakt. Het plankje met het opschrift, bestond uit allerlei hout. Ik heb nog vele voorvallen, vele zinvolle dingen gezien, maar ben ze, op het hier vertelde na, weer vergeten.

Judas keerde terug van het cenakel en zei dat Jezus zich daar niet meer bevond. Vast en zeker was de Meester thans bij de Olijfberg, op de plaats waar Hij gewoonlijk ging bidden. Dringend verzocht hij nu, slechts een kleine schare met hem mee te laten gaan, omdat de discipelen, die overal hun posten hadden, anders lucht van de zaak zouden krijgen en, wie weet, ook tumult veroorzaken. Driehonderd man echter moesten de poorten en straten van Ophel, een stadswijk ten zuiden van de tempel, en het Millo-dal tot aan Anna’s huis op de berg Sion bezetten, om de terugkerend groep te beschermen, want in Ophel woonde al het "gepeupel" die de Meester aanhing. Ook bracht de schandelijke verrader naar voor hoe zij ten zeerste dienden op hun hoede te zijn voor een ontsnappingspoging van Jezus en hij vertelde hen "hoe dikwijls Jezus in het gebergte, door zijn geheime kunsten, plotseling uit de ogen van zijn begeleiders was verdwenen, onvindbaar." Daar stelde hij hen voor om de Meester vast te binden met een ketting en zich verder van magische middelen te bedienen, zodat Jezus de boeien niet zou breken. De Joden wezen die echter vol verachting van de hand en zegden: "Wij laten ons door jou niets wijsmaken en zullen Hem wel vasthouden wanneer wij Hem gevangengenomen hebben."

Judas sprak dus af met de bende dat hij voor de anderen de hof zou binnentreden om Jezus te kussen en te groeten, alsof het was dat hij van zijn bezigheden kwam in de hoedanigheid van vriend en volgeling: dan zouden de krijgsknechten bijspringen om Jezus gevangen te nemen. Hijzelf zou door zijn houding de schijn verwekken dat het ingrijpen van de soldaten een toevallige zaak was en zich, net als de overige apostelen, voordoen alsof hij niets met het geval te maken had. Hij dacht ook wel dat er misschien relletjes zouden kunnen ontstaan en dat de apostelen Jezus zouden beschermen of Jezus helpen ontsnappen, op een manier zoals hij meer dan eens uit hun zicht verdwenen was. Aan deze mogelijkheid dacht hij in de ogenblikken wanneer de verachting en het wantrouwen van Jezus’ vijanden hem ergerden, doch niet wanneer hij berouw had over zijn daad of het lot van Jezus hel ter harte ging, want hij had zich volledig aan de duivel overgegeven.

Judas wou nu ook niet dat diegenen, die na hem de hof zouden betreden, boeien of touwen zouden meedragen of dat er zich eerlozen onder hen zouden bevinden. Schijnbaar handelde men naar zijn zin, maar tezelfdertijd deed men wat nodig werd geacht tegenover een vuile verrader die men niet vertrouwt en laat vallen, eenmaal men hem gebruikt heeft. De soldaten kregen bijzondere instructies om goed op Judas te letten en hem in het oog en binnen hun bereik te houden tot op het moment dat Jezus zou zijn vastgebonden, want men had Judas voor zijn hulp betaald en men vreesde dat de schurk aan de haal zou gaan en men in het donker niet Jezus, maar een verkeerde persoon zou vastgrijpen, zodat de hele onderneming enkel verwarring en oproer op het Paasfeest zou veroorzaken.

De bende die werd samengesteld om Jezus gevangen te nemen, bestond uit twintig soldaten, van wie er een deel tot de tempelwacht behoorde en een deel tot de krijgsknechten van Annas en Caïphas. Zij waren bijna volledig gekleed zoals de Romeinse soldaten. Zij droegen punthelmen en van hun wambuizen hingen lederen riemen neer om hun lenden, net zoals bij de Romeinen. Zijn onderscheidden zich voornamelijk door hun baarden van hen, terwijl de Romeinen te Jeruzalem alleen bakkebaarden droegen en voor de rest, aan kind en mond, glad geschoren waren. De twintig waren met zwaarden en slechts enkelen van hen ook met lansen gewapend. Zij droegen vuurpotten op stangen en ook fakkels van pek, maar toen zij aankwamen, brandde slechts één van de potten.

Men had een grotere bende met Judas willen meesturen, maar men was echter op zijn bezwaar ingegaan, omdat een dergelijke troep al te opvallend zou zijn door wie van op de Olijfberg het ganse dal overzagen. En zo bleef het grootste gedeelte van de manschappen in Ophel. Tevens had men hier en daar, aan de zijwegen en in de stad, wachten uitgezet, die moesten bijspringen in het geval op opstoten of pogingen om Jezus te willen redden.

Judas trok met twintig soldaten naar de Olijfberg, maar zij werden op enige afstand gevolgd door vier eerloze beulsknechten, die voorzien waren van boeien en touwen. Een eindje daarachter stapten de zes ambtenaren met wie Judas zich sedert geruime tijd had ingelaten: een vooraanstaande priester en vertrouweling van Annas, een vertrouweling van Caïphas, twee ambtenaren van de Farizeeërs en twee ambtenaren van de Sadduceeërs, tegelijk aanhangers van Herodes. Het waren allemaal spionnen, gluiperds, en vlijende dienaars van Annas en Caïphas en de meest kwaadaardige, heimelijke vijanden van de Heiland. De twintig soldaten gingen heel vertrouwelijk met Judas mee, tot aan de plaats waar de weg loopt tussen de Olijfberg en de Hof van Gethsemane. Hier wilden ze hem niet alleen voorop laten gaan, maar sloegen zij ook een andere toon tegen hem aan, stoutmoedig en boud.

Toen Jezus, vergezeld van de drie apostelen, de weg tussen Gethsemane en de Olijfberg betrad, verschenen aan het begin van de weg, ongeveer twintig passen van Hem verwijderd, Judas en de soldaten, die onder elkaar aan het twisten waren. Judas wou namelijk zonder de soldaten, heel alléén, als een vriend van Jezus naar de Meester gaan en wanneer de krijgsknechten dan kwamen, zou het zijn alsof zij buiten zijn weten daar opdoken: de soldaten echter hielden hem vast en zegden: "Niet zo, kameraad, je zult ons niet ontglippen vooraleer wij de Galileër in handen hebben," en de acht toen zijn de acht apostelen bemerkten die op het gerucht uit de Hof van Gethsemane kwamen toegelopen, riepen zij de vier bijkomende mannen om hun troepen te versterken.

Judas wou echter vooral niet dat die er bij zouden zijn en ging heftig tegen hen te keer. Toen Jezus en de drie apostelen, in het schijnsel van de vuurpot, de twistende en gewapende soldaten herkenden, wou Petrus gewelddadig op de troep ingaan en zei: "Heer, de acht uit Gethsemane zijn ginds ook. Wij zullen die beulsknechten een goed uiteenranselen!" Jezus beval hem echter om kalm te blijven en schreed van de weg af. Judas, volledig verward, was vol van nijd en gramschap. Vier leerlingen van Jezus hadden de Hof van Gethsemane verlaten en vroegen wat er hier aan het gebeuren was. Judas sprak met hen en wou zich graag met de leugens uit deze situatie redden, maar de soldaten lieten hem niet doen. Die vier waren Jacobus de Mindere, Philippus, Thomas en Nathaniël, want deze laatse, alsook een van de zonen van de oude Simeon en verschillende anderen, waren deels als boden door Jezus’ vrienden naar de achte apostelen in de Hof van Gethsemane tot hen gekomen. De overige discipelen slopen loerend rond in de verte, bereid om de vlucht te nemen.

Gevangenneming van de Heer

Jezus deed nu een paar stappen in de richting van de bende en vroeg: "Wie zoekt gij, lieden?" De aanvoerders van de soldaten zegden: "Jezus van Nazareth," waarop de Heer antwoordde: "Dat ben ik." Nauwelijks had Hij deze woorden uitgesproken of zij weken achteruit als overvallen door een kramp, en vielen op de grond. Judas, die nog dicht bij hen stond, voelde zich nog meer verward dan voorheen. Hij scheen Jezus te willen naderen, maar de Heer verhief Zijn hand en zei: "Vriend, waartoe bent gij gekomen?" waarop Judas onthutst iets mompelde over een zaak die hij den uitvoer had gebracht. Jezus sprak echter tot hem in deze zin: "O, veel beter zou het voor u zijn, indien u niet geboren was," maar de woorden zelf herinner ik mij niet meer zo juist. Intussen waren de krijgsknechten weer overeind geraakt en wachtend op het teken van de verrader, de kus, drongen zij zich dichter bij de Heer en de Zijnen op. Petrus en de andere volgelingen van Jezus deden hetzelfde met Judas, die zij als dief en verrader uitscholden. Hij wou zich met leugens van hen afmaken, maar dit lukte echter niet, omdat de soldaten hem tegen de apostelen in bescherming namen en dit aldus in zijn nadeel getuigde.

Nogmaals vroeg Jezus: "Wie zoekt gij lieden?." Nu keerden zij zich naar Hem en zegden opnieuw: "Jezus van Nazareth." Toen sprak de Heer: "Ik ben het, ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben. Indien gij mij zoekt, laat dan diegenen daar met rust." Op zijn woord: "Ik ben het"," vielen de soldaten een tweede maal op de grond en wel op een dergelijke manier als mensen die de vallende ziekte hebben. Opnieuw werd Judas in het nauw gedreven door de andere apostelen, want zij waren uitermate tegen hem verbitterd. Jezus sprak thans tot de soldaten: "Sta op!" Toen rezen zij overeind en waren vol van schrik, en daar Judas nog aan het twisten was met de apostelen en deze Judas begonnen opzij te duwen, keerden die wachten zich tegen de apostelen, zodat Judas bevrijd werd. De soldaten dreven vervolgens Judas ertoe om het overeengekomen teken, de kus, te geven. Judas schreed nu op Jezus toe en kuste Hem, met de woorden: "Wees gegroet, Meester." Jezus zei: "Judas, verraadt gij de Mensenzoon met een kus?" Tezelfdertijd traden de krijgsknechten in een kring om de Heer en de nader gekomen soldaten sloegen de hand aan hem. Judas wou vluchten, maar de apostelen versperden hem de weg, drongen naar de soldaten toe en schreeuwden: "Heer, zullen wij het zwaard er op inhouwen?" Vol ijver had Petrus het zwaard al getrokken en sloeg ermee naar Malchus, de knecht van de hogepriester, die de apostelen achteruit wou duwen, hen sloeg hem een stuk van zijn oor af, zodat hij neerviel, wat de verwarring nog groter maakte.

Op het ogenblik dat de vurige Petrus deze daad verrichte, was de toestand als volgt: Jezus werd gegrepen door de soldaten die Hem wilden binden. In een brede kring rond de Heer stonden de krijgsknechten, van wie Malchus door Petrus neergeslagen werd. Enkele soldaten loonden zich de moeite om de nu een naderende en dan weer vluchtende discipelen op afstand te houden en te achtervolgen. Vier van de discipelen die aan het rondsluipen waren, lieten zich slechts hier en daar in de verte zien. Na tweemaal tegen de vlakte te zijn geworpen waren de soldaten met twijfel geslagen. Ook durfden zij geen ernstige achtervolging van de discipelen te ondernemen, anders zouden zij de troep die Jezus omringde, te zeer verzwakken. Judas, die dadelijk na de verraderskus het liefst was weggevlucht, werd door een aantal leerlingen van de Heer, die zich een eindje verderop bevonden, tegengehouden en met scheldwoorden overladen. De nu pas aankomende zes beambten maakten hem weer los, terwijl de soldaten op het punt stonden om Jezus vast te binden met touwen.

Zo was de stand van zaken net nadat Petrus de soldaat Malchus had neergeslagen en Jezus daarop tot hem zei: "Petrus, berg uw zwaard op, want wie het zwaard trekt zal er door vergaan, of denkt gij dat ik niet zou kunnen bidden tot Mijn Vader om mij aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen te zenden? Zal ik de kelk niet drinken die de Vader Mij heeft toegewezen? Hoe zal anders de schrift worden vervuld die zegt dat alles geschieden moet?" Hij zei ook: "Laat mij doen, zodat ik die mens kan helpen" en hij trad op Malchus toe, raakte zijn oor aan, bad, en zijn oor genas. Dicht naast de Heer stonden de wachten, de beulsknechten en de zes beambten. Deze laatste zes bespaarden Hem geen enkele spot en riepen tot de bende: "Hij gaat met de duivel om. Door toverij was het oor gekwetst en door toverij is het genezen."

Toen sprak Jezus tot hen: "Gij zijt gekomen met stokken en spiesen, om mij te vangen alsof ik een moordenaar was. Dag aan dag was ik bij u in de tempel aan het onderwijzen en gij hebt het niet gewaagd om de hand naar mij uit te steken. Maar dit is thans uw uur, het uur van de duisternis." De zes gaven echter het bevel om Hem te boeien, hoonden Hem en zegden op hun beurt: "Wij zullen u die kunsten wel afleren," en zo verder. Jezus antwoordde nog een en ander, ik weet niet meer wat, terwijl de discipelen zich langs alle kanten uit de voeten maakten. De viel beulsknechten en de zes beambten waren niet tegen de grond gevallen en dit omdat zij volledig in de valstrikken zaten van de duivel, precies zoals Judas, die ook niet viel, hoewel hij bij de soldaten stond. Zij nu die waren gevallen en later weer opstonden, hebben zich later allen bekeerd en zijn Christenen geworden: het vallen en opstaan was een zinnebeeld voor hun bekering. De soldaten over wie het hier gaat, hebben Jezus ook niet aangeraakt, maar Hem enkel omringd. Malchus zelf was na zijn genezing reeds in die mate bekeerd, dat hij alleen maar omwille van de tuchtstraf zijn dienst verder volbracht en gedurende het vervolg van Christus’ lijden af en toe naar Maria en vrienden van de Meester liep om hen te berichten wat er allemaal gebeurde.

Terwijl de Farizeeërs onophoudelijk Jezus beschimpten en hoonden, deden de krijgers die hem bonden, hun werk met uiterste ruwheid, als echte brutale beulen. Deze lieden waren heidenen van het laagste en gemeenste allooi. Hun armen, beden en hals waren naakt. Om het middel droegen zij een doek en hun bovenlijf bedekte een korte wambuis, aan de zijden met riemen toegetrokken. Zij waren klein, sterk, zeer vlug ter hand en bruin, voskleurig van huid, zoals de Egyptische slaven.

Zij bonden Jezus op een gruwelijke wijze de handen voor de borst door de rechterpols aan de linkervoorarm tegen de elleboog, en de linkerpols aan de rechterarm tegen de elleboog, met nieuw en scherpsnijdende touwen vast te snoeren. Om Zijn middel sloegen zij een brede gordel waarin er prikken waren bevestigd en snoerden Zijn handen nog eens vasten aan ringen van wilgenbast, die aan de gordel waren gehecht. Zij deden Hem een halsband om die voorzien was van stekels en andere, kwetsende dingen. Twee riemen, neerhangend van deze halsband, werden kruisgewijze, zoals een stool, over Zijn borst gelegd, tot het uiterste aangetrokken en met de gordel verbonden. Op vier plaatsen knoopten zij dan lange touwen aan de gordel, die hun toelieten om Onze Heer heen en weer te sleuren, overeenkomstig hun boze wil. Alle boeien en touwen waren volledig nieuw. Het scheen of zij, eenmaal zij het plan hadden gekoesterd om Jezus gevangen te nemen, speciaal hiervoor waren gemaakt.

De gruwelijke stoet kwam thans in beweging, nadat men eerst met behulp van fakkels en vuurpotten meer licht had gemaakt. Voorop gingen tien mannen van de wacht, dan kwamen de krijgers, die Jezus bij Zijn touwen trokken, daarachter de schimpende Farizeeërs en als laatsten, de overige tien krijgsknechten. Nog zwierven de discipelen weeklagend en als het ware beroofd van hun zinnen, hier en daar in het rond. Johannes echter volgde op korte afstand de soldaten die de stoet afsloten en de Farizeeërs gaven het bevel om hem vast te grijpen. Enkele soldaten keerden zich om en liepen naar Johannes toe, maar hij nam de vlucht voor hen en toen zij hem toch te pakken kregen, grepen zij hem bij zijn zweetdoek vast, aan de nek. Hij wierp het doek af en wist aldus te ontkomen. Hij had zijn mantel uitgedaan en niets aan het lijf gehouden dan een opgeschort onderkleed zonder mouwen, om sneller te kunnen vluchten, maar om zijn hoofd en hals, alsmede langs zijn armen, hing die lange, smalle strook doek, die de Joden gewoon zijn te dragen.

De beulsknechten mishandelden Jezus om ter wreedst en pleegden allerlei baldadigheden op Hem, vooral om de beambten te vleien en bij hen op te vallen, die vol haat en boosheid waren tegenover de Heer. Zij voerden Jezus door alle diepe sporen, over alle stenen en door alle vuil van de moeilijke, ruwe weg, terwijl zij de lange touwen strak gespannen hielden en voor zichzelf het beste pad kozen. Jezus moest altijd maar gaan waar de krijgers wilden dat Hij ging. Zij hadden ook koorden met knopen bij en dreven daarmee onze Heer aan, zoals een slachter zijn vee naar de slachtbank drijft, ondertussen zo gemeen spottend en schimpend, dat het al te erg zou zijn om hier hun woorden te herhalen.

Jezus was blootsvoets. Hij droeg, benevens het gewone lijfgoed, een geweven wollen hemd zonder naad en een bovenkleed. Op het blote lichaam, over borst en rug, droegen de discipelen, zoals Joden over het algemeen, een scapulier dat bestond uit twee stukken doek, aan de schouders bijeengehouden door middel van riemen. Het onderlijf bedekten zij met een gordel, waarvan vier lappen neerhingen, die om de lenden werden gewonden en een broek vormden. Ik moet nog vermelden dat ik niet heb gezien dat aan Onze Heer, bij Zijn gevangenneming, een bevelschrift of enig ander document werd getoond. Men ging te werk alsof hij een vogelvrije was, volledig buiten de wet gesteld.

Er zat vaart in de groep die, na het verlaten van de weg tussen de Hof van Olijven en de Lusthof van Gethsemane, rechts afboog en zich begaf naar een brug, gelegen aan de westkant van Gethsemane over de Cedronbeek. Toen Jezus met de apostelen naar de Olijfberg ging, was Hij niet over deze brug gekomen, maar langs omwegen door het dal van Josaphat, via een een andere brug over de Cedron, meer in het Zuiden. De brug, waarover hij thans als gevangene gevoerd werd, was zeer lang, want zij leidde niet alleen over de Cedronbeek, die hier dichter bij de Olijfberg vloeide, maar ook, als een berijdbare baan, over een deel van het dal met zijn vele oneffenheden. Reeds voordat de groep de brug bereikte, zag ik Jezus, ten gevolge van het onbarmhartig trekken en sleuren van de beulsknechten, tweemaal ter aarde neervallen. Toen zij nu ongeveer in het midden van de brug waren, gingen de boeven nog woester tegen Hem te keer. Zijn stootten de arme, geboeide Jezus, die zij aan een touw vasthielden, van meer dan twee meter hoog in de beek, Hem spottend naroepend "dat Hij ginds beneden in de beek kon drinken tot Hij genoeg had." Alléén Goddelijke bijstand verhinderde dat Jezus niet dodelijk werd verwond. Hij viel eerst op Zijn knieën en dan op Zijn aangezicht, dat Hij aan de rotsige, slechts met weinig water bedekte bodem, vreselijk zou hebben gekwetst, indien Hij Zijn geboeide handen niet als beschutting had kunnen gebruiken. Zij waren nu toch los van de gordel, alleen weet ik niet meer of dit kwam door goddelijke hulp, dan wel doordat de beulsknechten ze vooraf hadden losgemaakt.

De sporen van Zijn knieën, voeten en ellebogen en vingeren, bleven door Gods wil in de rotsige bodem ingedrukt en zijn daar later vereerd geworden. Men gelooft niet meer in dergelijke zaken, doch heb ik meermaals zo’n tekens in de stenen, van de voeten, knieën en handen van de patriarchen, profeten, Jezus, de Heilige Maagd en enkele Heiligen, in visioenen te zien gekregen. De rotsen waren zachter en vromer dan de harten van de mensen. Op momenten van grote betekenis legden zij getuigenis af, dat de waarheid indruk op ze maakte.

Ik had Jezus, na de zware angst die Hij doorstond op de Olijfberg, Zijn hevige dorst niet zien lessen. Nu Hij in de Cedronbeek werd gestort, zag ik Hem moeizaam drinken en hoorde Hem daarbij zeggen hoe een profetische vers uit een Psalm, over het drinken uit de beek langs de weg, in vervulling was gegaan.

Van op de brug hielden de beulsknechten Jezus nog altijd vast aan de lange touwen. De gevangene weer omhoog trekken vonden ze te lastig, en daar een muurwerk aan de voor hen liggende oever het nutteloos maakte om Jezus door de beek te laten waden, zeulden ze hem mee terug naar de andere kant. Hier daalden zij tot bij de waterloop en sleepten Onze Heer er ruggelings uit, de berm op. Voor de tweede maal dreven deze ellendelingen thans de arme Heiland, onder gevloek en geschimp, onder stoten en slagen, over de lange brug. Zijn wollen kleed, zwaar van het nat, plakte Hem aan de leden. Hij kon met moeite gaan en zonk, toen Hij de brug achter Zich had, opnieuw ter aarde. Zij rukten Hem van de grond, hanteerden de touwen ook als zwepen, en schortten zijn kleed op in de gordel, hem schandelijk bespottend, onder meer over iets wat betrekking had met het opschorten van de kleren bij het nuttigen van het Paaslam.

Het was nog geen middernacht toen ik zag hoe de vier beulsknechten aan de andere zijde van de Cedron, langs een slechte en kapotte weg die nauwelijks plaats bood, terwijl de begaanbare paden er naast nu eens diep en dan hoog lagen, over scherpe stenen en rotsblokken, door distels en doornen, Onze Heer op een onmenselijke manier voort sleurden, en Hem ofwel met slagen en verwensingen voortjoegen.

Overal waar de weg het toeliet waren de zes kwaadaardige beambten in Jezus’ buurt. Ieder van de zes had een andere soort folterstokje in de hand, en stak, prikte en sloeg er zoveel er mee als hij kon. Telkens de krijgers, die de goede paden voor zich hielden, de arme Jezus op Zijn blote, bloedende voeten over de scherpe stenen en door de distels en doornen deden lopen, troffen de spotwoorden en de snijdende opmerkingen van de Farizeeërs het minnende hart van onze Zaligmaker. Uit hun mond klonk vol haat: "Hier heeft de Doper, Zijn voorloper, hem geen al te beste weg voorbereid," of "Hier gaat het woord van Malachias niet in vervulling: vóór Uw aanschijn, zend