Over twee onleesbare boeken
wil ik u in dit niemendalletje iets vertellen. Hoewel, onleesbaar: u ziet twee
normale boeken, dat wil zeggen wat wij normaliter onder normaal verstaan. Witte
bladzijden dus, bedrukt met zinnen, woorden en letters. Af en toe bovendien voorzien
van een illustratie: een foto, een afbeelding, een schema, een grafiek, een
tekening. Wat beide boeken onleesbaar maakt, is louter subjectief. Het is de
taal waarin het boek geschreven is. Als dat uw moederstaal is, is er geen vuiltje
aan de lucht. Het gaat om de aantallen
lezers die iets begrijpen. Van het eerste boek zullen slechts weinig lezers
kunnen zeggen dat zij lezen en begrijpen wat de auteur hen wil zeggen. Van het
tweede boek weet de auteur dat zélf niet eens.
Laat ik proberen u uit de
droom te helpen. Het eerste boek is vers van de pers. Het heet Dinxperse grenspräötjes en is geschreven
in een moeilijk op te schrijven, laat staan te begrijpen Oost-Nederlands
dialect. Het bevat korte verhalen, jeugdherinneringen, die twee
leeftijdsgenoten onafhankelijk van elkaar hebben opgeschreven en afhankelijk
van elkaar samen in een boekje hebben gezet dat in november 2010 is verschenen.
Voor eenieder die gewend is dialect te lezen (misschien bovendien te spreken)
een fluitje van een cent. Maar voor niet-dialectkenners is de hier geschreven
taal een grote sta-in-de-weg. Net zo iets als iemand die mij in een Zuid-Fins
dialect uit de omgeving van Helsinkieen
verhaal wil vertellen van een verdwaald rendier. Zoiets. Daar snap ik dus totaal
niets van.
Het tweede boek is nog
raadselachtiger. Het bevat niet-arabische, latijnse of romeinse lettertekens, maar
schichtige kronkeltekentjes die blijkbaar aan elkaar geschreven woorden en
zinnen vormen die je van rechts naar links moet lezen. De voor ons verkeerde
richting. Bovendien moet je dit boek van achteren naar voren lezen, wat het
raadsel alleen nog maar groter maakt. De taal waarin dit boek geschreven is, is
het farsi. Dat wordt bijvoorbeeld in Iran gesproken en geschreven.
Het is zoals het is, en ik
schaam me er ook niet voor. In beide boeken heb ik, uw nederige
verhalenschrijver, de hand gehad. Als een van twee auteurs namelijk. Het eerste
heb ik geschreven samen met een jeugdvriend, het tweede met een collega. Dat
tweede boek gaat trouwens over kenmerken van het primaire onderwijs (het
basisonderwijs) in een aantal Europese landen. Oorspronkelijk is het geschreven
in het Engels en een collega uit Iran heeft het vertaald in een ook voor de
auteurs onbegrijpelijke taal.
De plaatjes hieronder laten
de voorkanten zien. Eerst het Achterhoekse dialectboek, daaronder een stukje
van het Engelse titelblad en daar weer onder de voorkant van het boek in farsi.
Doe maar wat ik iemand altijd aanraad: ook al begrijp je er niets van, je kunt
het altijd bewonderen.
Mijnheer Pimpelmans is een
veearts in ruste. Hij geniet van een onbezorgde levensavond, samen met zijn
vriendelijke en hartelijke echtgenote. Hoe meneer Pimpelmans met zijn voornaam
heet, weten we niet. Misschien heeft hij die niet eens. Wel zien we dat hij een
ouderwetse monocle draagt, zon bril zonder pootjes, aan een touwtje, die je op
je neus klemt. Het belangrijkste fysieke kenmerk van meneer Pimpelmans is
ongetwijfeld zijn omvang. Hij weegt schoon aan de haak minstens 250 pond. De eerlijkheid
gebiedt te zeggen dat zijn geliefde echtgenote hem daarbij op de voet volgt.
Maar dit valt allemaal volkomen in het niet als je oog hebt voor het
belangrijkste aan meneer Pimpelmans: hij trekt onheil aan en roept het over
zich af. Dat doet hij ongewild en nooit expres: het overkomt hem. Het gebeurt
per abuis. Hij is de levende Wet van Murphy: alles wat maar fout kan gaan, gaat
in de nabijheid van mijnheer Pimpelmans gegarandeerd fout. Mijnheer Pimpelmans
vervult zijn slachtofferrol met verve. Zijn zonnig gemoed helpt hem er altijd
weer bovenop, hoezeer het onheil hem ook treft.
Mijnheer Pimpelmans ten
voeten uit. Alles wat hij onderneemt, loopt verkeerd af. Wij allen thuis, Ma
niet in het minst, moesten hier vreselijk om lachen. Zelf vond ik het af en toe
de spuigaten uitlopen. Waarom moest die arme mijnheer Pimpelmans zo lijden
onder de grillen van het lot? Waarom vergat de schrijver van het verhaal die
dingen te noemen die wél goed gingen? Ik had medelijden met meneer Pimpelmans,
maar ik zag wel hoe zeer iedereen om mij heen genoot van Pimpelmans avonturen,
dus kon het niet anders dan grappig zijn. En dus lachte ik mee. Maar niet
altijd van harte.
Over meneer Pimpelmans avonturen
konden we lezen in De Graafschapper. Dat was een drie keer per week verschijnende
regionale krant die behalve een beetje wereld- en nationaal nieuws het vooral
moest hebben van alles wat er plaatselijk stond te gebeuren of recentelijk was
gebeurd. Die krant lazen we vroeger thuis. De strip met meneer en mevrouw
Pimpelmans werd door iedereen als eerste gelezen. Hun belevenissen werden door mij
uitgeknipt en met behulp van een kwastje en een potje gluton in een
schoolschrift geplakt. Om er later nog eens van te kunnen genieten.
Nu ik na zoveel jaar de
tekeningen terugzie en de strip nog weer eens lees, vieren wij een feestje van
herkenning. Zoals bij de tekening van de hagelwitte kluit ijs die mijnheer
Pimpelmans, staande op het balkon, laat vallen op de blote rug van mevrouw
Ribbenspek die nietsvermoedend op het terras beneden een kopje thee drinkt. Het
gebeurt allemaal per abuis. En de herinnering aan haar wraak is springlevend:
ze slingert hem niet alleen de heftigste verwijten naar zn hoofd, maar ook het
thonetstoeltje. Ook per abuis. Maar wat betekende, wist ik niet toen ik het
verhaal voor het eerst las. Nu nog niet precies, trouwens.
Bij het woord herfst denken
we aan stormen die wal- en hazelnootbomen geselen zodat wij hun vruchten kunnen
rapen. En aan de scholieren die bij ons op de grindweg merken wat het is om
tien kilometer tegen de slaande regen in naar school te fietsen. Vaak echter
brengt de herfst ook een aantal stille en windstille dagen. Het lijkt net of de
tijd, net nadat ze is terugverzet naar de winterstand, even stilstaat om
jou de gelegenheid te geven van de laatste mooie dagen te genieten. Ik lees in
een oude almanak dat het vaak gebeurt in de tijd rond Allerheiligen en
Allerzielen, wanneer oktober in november overgaat.
Op zon moment ontwaakt ook
mijn romantische zicht op de dingen. Romantisch is het verkeerde woord, ik
bedoel eigenlijk sentimenteel. In de vroege ochtend kijk ik naar buiten, zie
hoe de zon pogingen doet de ochtendnevels te doorboren, hoe de adem van de grazende koeien zichtbaar wordt, en pak ik mijn camera die
altijd paraat ligt en schiet mijn eerste winterse tegenlichtplaatje. Zo mooi en
gevoelig dat er zonder mankeren straks een fraaie kerst- en nieuwjaarskaart van
gemaakt kan worden.
Allerzielen en Allerheiligen,
ze zeggen mij weinig omdat ik niet katholiek ben grootgebracht. Toch overvalt
mij ieder jaar een gevoel van weemoed. Wanneer onze katholieke medeburgers hun
graven hebben versierd met witte bloemen, weet ik zeker dat de nazomer definitief op zijn eind loopt. Ook al hebben de trekvogels vanwege de hoge temperaturen hun vertrek nog
even opgeschort totdat het écht tijd wordt om te gaan.
Je ziet ze weinig meer, religieuze voorstellingen die als
muursteen de voorgevel verfraaien. En bijbelse voorstellingen, in het bijzonder
als zij ons wonderen laten zien, zijn
al helemaal niet meer van deze tijd. Natuurlijk komt dat door de secularisatie.
Wij kennen het klassieke Bijbelverhaal van de vijf broden en de twee vissen
niet meer, net zo min als de afloop. Wie van ons weet nog dat het hierbij gaat
om de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging aan de oevers van het meer van
Tiberias? Jezus die brood breekt en brokken vis uitdeelt, discipelen (apostelen
zo u wilt) die de toegestroomde menigte van voedsel voorzien, kom daar
tegenwoordig nog eens om. In elk geval waren vijf broden en twee vissen genoeg
om duizenden hongerige magen te vullen, zegt het verhaal.)
Thuis hebben we ook zon wonderlijke gevelsteen. Hij is
gemaakt door mijn jongere broer tijdens zijn eerste jaar op de kunstacademie. Als
ik toevallig eens zuidwaarts naar buiten kijk, valt mijn blik op zijn
kunstwerk. Een steen van een of andere gipssoort, voorstellende de wonderbare
visvangst, aangebracht op het tegenoverliggende muurwerk en overgeleverd aan
weer en wind.
Het verhaal wil dat enkele leerlingen van Jezus bij
zonsopgang aan het vissen waren op het hierboven al genoemde meer van Tiberias.
Ze hadden die nacht nog geen spierinkje gevangen. Jezus stond aan de kant, zag
aan de kleur van het water waar de vis zat, (staat er niet, maar dat denk ik)
en adviseerde zijn vrienden het net aan de ándere kant van de boot uit te werpen.
Waarop de netten, brekend vol als zij waren, slechts met veel moeite binnen
boord konden worden gehaald. U moet zich voorstellen dat u de vissers van boven ziet: aan de bovenkant twee
hoofden, handen die een net trekken, vissen die in het net verward raken.
Passend bij de vergankelijkheid van het leven is de
verandering die onze muursteen ondergaat. Regen en wind, vorst en hitte, alles
laat zijn sporen na. Dat de illustratieve zeggingskracht ook te lijden heeft,
nemen wij op de koop toe. Ja, we zien steeds minder wat de steen voorstelt,
maar dat geeft niet. Wij kennen immers het verhaal erachter. Dat zit in ons
hoofd.
Tenslotte wil ik met uw toestemming nog even terug naar de
andere kant van het meer van Tiberias, daar waar de wonderbaarlijke brood- en
visvermenigvuldiging plaats vond. Het mooiste van het verhaal vond ik altijd
het slot. Nadat iedereen vijfduizend man, vrouwen en kinderen niet
meegerekend, kunt u nagaan - voldoende gegeten had, werden de restjes
opgehaald. Twaalf manden vol! Want je moet nooit eten weggooien of ongebruikt
laten liggen. En zeker niet zolang er mensen op aarde honger lijden.
Pas geleden stuurde een neef mij
een fotootje. We zien (als u even naar beneden scrolt en stopt bij het eerste
plaatje) een onzichtbaar iemand die met één ferme handbeweging de datum op de
scheurkalender een dag voorwaarts brengt. Toeval of niet: vandaag, op de 25ste
september zien we een postzegel van 25 eurocent. Twaalf miraculeus geordende kubusjes,
bedacht door de Zweedse graficus Oskar Reutersvärd.
Er klopt iets niet. Je ziet
het, maar je wilt het niet zien, niet erkennen. Want het brengt je in
verlegenheid, je raakt in de war. De kubusjes laten een driedimensioneel figuur
zien dat tweedimensioneel wordt afgebeeld.
Reutersvärd noemt deze manier
van afbeelden perspectives japonaise.Wij spreken van onmogelijke figuren. Reutersvärd heeft er talloze
bedacht. Deze, met de twaalf kubussen in een driehoek, is wel zijn bekendste.
Een aantal jaren geleden had
ik dit figuur nodig voor de omslag van mijn boek. Ik schreef de ondertussen
beroemd geworden graficus een brief met het verzoek om toestemming. Die kreeg
ik. Ik kreeg nog meer: Reutersvärd had de tijd en moeite genomen om speciaal
voor mij een nieuw onmogelijk figuur te ontwerpen. Perspective japonaise No.
442.
Sommigen die deze figuren
voor het eerst zien, denken aan de Nederlander M.C. Escher die wij allemaal
kennen van zijn ingenieuze prenten met figuren die van de ene vorm in de andere
overgaan. Maar nu weten wij beter. Zien we zón onmogelijk figuur, dan is de
maker vast en zeker (zeker en vast) Reutersvärd.
Zeer onlangs zijn enkele Nederlandse hogescholen negatief in
het daglicht verschenen omdat de studenten van enkele studierichtingen voor een
appel en een ei anders gezegd: met heel weinig moeite, bijna voor niets, voor
een habbekrats een diploma kregen uitgereikt. Even een eerder afgekeurde
scriptie kopiëren, even een geschikte docent opzoeken, en even naar school om
je diploma op te halen. Ja, zo ken ik er nog een paar.
Je moet de weg weten. Dat blijkt ook weer bij het schandaal
over deze Nederlandse hogescholen die toestaan dat hun studenten met een
minimum aan kennis en inspanning en een maximum aan door-de-vingers-zien door
de verstrekkende instantie een einddiploma ontvangen. Wat overigens geen wonder
is wanneer het criterium voor kwaliteit (doelen, inhoud, docenten, exameneisen)
verlegd wordt naar de simpele vraag: hoeveel studenten zijn in het afgelopen
collegejaar afgestudeerd? Nee, het verbaast mij niet dat studenten gebruik
maken van handige leerroutes, daarbij gadegeslagen door quasi-onwetende
collegebesturen, managers en docenten die het naar eigen zeggen ook niet kunnen
helpen want zij wisten niet beter.
Dan vroeger, toen immers álles beter was. Iedere cursus en
opleiding, kort of lang, stond of viel met helder geformuleerde eisen (zowel
aan studerenden als aan lesgevenden) waaraan niet te tornen viel. Neem als
voorbeeld de opleiding voorafgaand aan de status van gediplomeerd melker. Ik
kom hierover te spreken omdat, jaren geleden, tijdens een genoeglijke gemeenteavond
de vraag gesteld werd: wie van u heeft bijvoorbeeld een melkdiploma? Twee
aanwezigen bleken de vraag met ja te kunnen beantwoorden: de echtgenote van de
plaatselijke dominee en mijn echtgenote: mevrouw Terra dus.
Hoe grondig de opleiding was blijkt uit de even grondige
manier waarop het opleidingsprogrammawas samengesteld. Want het handmatig melken van een koe is inderdaad wel
iets meer dan even trekken aan een van de vier voorbijkomende spenen teneinde
droppels melk in een schone emmer te kunnen opvangen. Wat dacht u van alle
eisen op milieutechnisch en hygiënisch gebied? Wist u dat het uier van tevoren
gewassen moet worden en afgedroogd wordt met een droge, ruwe doek? En wist u dat je niet alleen kunt melken, maar ook moet
námelken. En dat je voor het melken een voldoende kunt hebben gehaald, terwijl
het namelken beloond wordt met een schamele onvoldoende?
Hieronder ziet u hoe vernuftig het cijfersysteem in elkaar
zat. Je kreeg voor elk onderdeel een cijfer tussen de 1 en de 5 dat
vermenigvuldigd werd met een moeilijkheidsfactor. Want het is duidelijk dat het
regelmatige, krachtige melken meer punten op moet leveren dan een fiere houding
bij het verlaten van de koe.
Mevrouw Terra behaalde destijds 182 van de 200 mogelijke
punten. Laten we zeggen: eindcijfer een negen. Geslaagd: ja. Dat spreekt
vanzelf. Dat vond ook de Rijksveeteeltconsulent voor Gelderland waaraan de
managers en de bestuursdirecteuren van de diverse hogescholen een voorbeeld
kunnen nemen.
Wie herinnert zich niet uit
haar of zijn lagere schooltijd de steeds terugkerende misère met de
potloodpunten. Grafiet slijt, dat merk je gauw genoeg als je voor de eerste
keer een potloodje in je hand neemt om op de onderkant van een smetteloos wit
stuk tekenpapier een huis te tekenen met een schoorsteen waar rook uit
kringelt. Nóg erger is het afbreken van de potloodpunt bij een beetje
tegendruk. Je probeert een tak aan een boom te tekenen, zo eentje met veel
zijtakken en bladeren, en páts weer een gebroken punt. Het is om horendol van
te worden. En ik was als kleine jongen toch al zon driftkikker!
Faber, dat waren de beste,
zei mijn vader. Hij had verstand van potloden, want hij was een meester in het
met potlood tekenen van fraaie portretten. (Hieronder laat ik u er een zien.)
Faber was een duur potloodmerk. Maar voor de jongens en meisjes op school waren
die Fabers veel te kostbaar. Wij kregen van die gele Bruynzeelpotloden die ergens
in Zaandam of daaromtrent werden gemaakt. Tekenen deden we sowieso met potlood
in tekenschriften. Maar ook in schriften met lijntjes (taalschriften) en hokjes
(rekenschriften) werkten wij met potlood. Wij noemden dat kladschriften, naar
Jaapje van Nieuwenhuizen uit de vijfde klas die een meester was in het bekladderen
van alles waar inkt, verf en waskrijt aan bleef kleven. Je had ook netschriften.
Daar schreef je in met kroontjespen en Gimborn-inkt die de meester schonk uit
een grote mandfles in een glaasje, dat in een holletje op je bank stond.
Kleuren deden we met
kleurpotloden. Je had dozen met kleuren in zesvoud. Ik bedoel kleine doosjes
met zes verschillende kleuren of grotere met een veelvoud daarvan. Favoriet was
de 24-delige Caran dAche kleurdoos. Je was de koning te rijk op de dag na
Sinterklaasavond, als je triomfantelijk met je nieuwe kleuraanwinst op school
kwam en iedereen de ogen uitstak. Het nadeel van kleurpotloden was dat hun
punten nog vlugger braken dan de gewone HB-zwartgrijze.
Het aanpunten van de potloden
was een bijzonder ritueel. De meester had een puntenslijper op het hoekje van
zijn bureau laten monteren. Achteraan zat een wieltje met handvat, aan de voorkant
kon je door te knijpen een opening forceren waar je potlood met de stompe
kant naar voren ingestoken werd. De meester draaide gelijk Michiel de Ruyter aan
het puntenslijperswiel, waardoor, o wonder, een scherp inwendig verborgen mesje
dunne spiralen cederhoutslingertjes produceerde. Net zolang totdat het
grafieten binnenste een vlijmscherpe punt had gekregen.
Scherp is scherp. Je kon draaien
wat je wilde, maar een scherpe potloodpunt kreeg je nooit nóg scherper.
Tegen de tijd dat het edele
draai- en handwerk vervangen werd door een elektrisch aangedreven mechaniekje
ging het bergafwaarts met het potlood. De ballpoint
kwam hem vervangen. Die had het grote voordeel dat je hem nooit hoefde aan te
slijpen en prachtige vlekken kon toveren in je schoolschriften. Zodat de
meester op een dag zei: Op blaadjes mag je met een balpen schrijven, maar in
het netschrift schrijven wij zoals gebruikelijk uitsluitend met pen en inkt.
U mag het best weten: ik
schrijf nog iedere dag met potlood. Om iets te noteren wat ik anders
onherroepelijk zou vergeten. Of om een inval voor een weblogje te bewaren voor
de eeuwigheid. Ergens op mijn bureau staat altijd wel een glas met potloden.
Samen met zon kleine metaal-glimmende puntenslijper. Voor potloodpunten waar
je een puntje aan kunt zuigen.
Zoals beloofd een
potloodtekening van Terra Sr. voorstellende de beroemde schrijver Louis
Couperus.
Ipomoea is
de prachtige Latijnse naam voor deze eenjarige bloeier. Wij zeggen eenvoudig:
winde of blauwe winde. Soms zie je geheel witte. En dan zeggen wij in het
verborgene, besmuikt achter onze hand, in het achterhoeks, omdat wij ons voor
het woord schamen: pispötjes. Je hebt ze in verschillende kleuren, ook in rood
bijvoorbeeld. Welke kleur ook, de winde slingert zich rechtsdraaiend omhoog
langs verticale stokken en palen en verblijdt ons met de meest fantastische
bloemen.
De blauwe winde is naar mijn bescheiden opvatting de mooiste bloem die
er bestaat. U mag daar anders over denken, maar over sommige smaken valt niet
te twisten. Het is niet alleen de kleur die deze bloem haar allure geeft. Het
is ook niet de bloemvorm: kroon- en kelkbladen. Buitengewoon fraai, dat wel,
maar niet exceptioneel.
Het is het onuitsprekelijke
wit dat zich in de bloemkelk rondom stamper en stempel ophoudt. Letterlijk
oogverblindend. Het laat zich ook niet in een plat vlak vangen. Als je de bloem
fotografeert, kun je moeilijk scherpstellen op het witte innerlijk. Het is
ongrijpbaar. En tegelijk onbegrijpbaar.
In een bijbels
scheppingsverhaal staat beschreven wat er het éérst geschapen werd. In het
allereerste begin was de aarde aardedonker, woest en ledig, maar plotseling
klonk het en wás het er: het licht. Maar de vraag rijst meteen, waar kwam dat
licht dan vandaan?
Ja, nú weten wij het. Want de
wetenschap staat voor niets. Het licht stamt uit het binnenste van de blauwe
winde. Dat is de bakermat waar alle golflengten samenkomen in een alles
omvattende witte gloed. In het Engels heet zij Heavenly Blue en ook dat kan
geen toeval zijn. Hemels witblauw, dát is het. Het windt zich in alle
richtingen hemelwaarts.
Wie zoals ik geboren is in
een dorp waar de landsgrens dwars doorheen loopt, staat er niet meer bij stil
wanneer iemand met één been in Duitsland en de andere in Nederland gaat staan. Bij
ons kan dat. De grens is een vast bestanddeel in ons bestaan en we worden er
alleen warm of koud van wanneer van hogerhand besloten wordt de looprichting te
veranderen. Dat was in 1949 het geval, toen een stukje Duitsland aan Nederland
werd toegevoegd en in 1961 toen het correctiebesluit weer ongedaan werd gemaakt
en de Bondsrepubliek zijn stukje land compleet met bebouwing en inwoners (rond
500) terugkreeg.
Waar de bewoners van ons
grensdorp altijd zenuwachtig van worden is de factor prijsverschil. Wanneer
bijvoorbeeld een half pond boter in Nederland twee keer zo duur is dan in
Duitsland, (ik geef maar een voorbeeld,) dan raken wij van de kook. Wij hebben
dan de neiging in Duitsland duizend kilo van het goedje in te slaan en dat
later in Nederland voor een zacht prijsje met een vette winst van de hand te doen.
Het illegaal verplaatsen van goederen van het ene naar het andere land noemen
wij smokkelen. En wij glimlachen er bij omdat het zon aangename inkomstenbron
is. Tenminste, als de commiezen er geen stokje voor steken.
Ik geef schoorvoetend toe
het is geen reden om trots op te zijn dat ik ook wel eens gesmokkeld heb. Als
10-jarige jongen bracht ik wel eens boter en koffie naar familie die een paar
kilometer over de grens in Duitsland woonde en die wel eens weer trek had in
een lekker bakje plus een krentenboterham met goede, échte, boter. Ach, zei
mijn moeder geruststellend, de commiezen laten zon jongen als jij wel lopen.
Commiezen, douanebeambten,
douaniers, wat u maar wilt, waren geüniformeerde overheidsdienaren die moesten
zien te voorkomen dat goederen zonder papieren, clandestien, illegaal en
ongelimiteerd de grens passeerden. Je had bij ons zowel Duitse en Nederlandse
commiezen.
De commies op de fotos is in
Duitse dienst. Hij tuurt, met een typisch Duits petje gewapend, door zijn
verrekijker de weg af om te zien of er een smokkelaar met verdachte waren de
hoek om komt. Hij is klaar om in actie te komen en bereid om tot aanhouding
over te gaan. De smokkelende dorpsgenoten hebben echter ook een aantal manieren
om iemand om de tuin te leiden. Zij laten zich niet kennen, vinden een
sluipweggetje en leveren hun waren op afgesproken plaatsen af. Later vertellen
zij honderduit over hun grootse prestaties bij het misleiden van de douaniers. Totdat
er in de krant een keer het bericht staat dat onze geachte dorpsgenoot H. te K.
betrapt is op het onrechtmatig over de grens brengen van zestig pond bohnenkaffee en door de rechtbank in
Arnhem is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden en een boete van
duizend guldens. Op die momenten lachten de commiezen.
Waarschijnlijk is het u niet
eens opgevallen, maar de commies heeft zijn verrekijkertje verkeerd-om. Hij
ziet alles heel ver weg en dat schiet ook niet op. Het is een grapje van de
kunstenaar die de beelden langs de grens heeft gemaakt. Hij heet Jürgen Ebert en
woont in Bocholt. Hij heeft gevoel voor humor.
Wij ik spreek nu even over
de Nederlanders als medelandgenoten; over Vlamingen, Walen en Duitstalige Belgen
durf ik mij geen oordeel aan te matigen wij, Nederlanders, zijn niet alleen
een volk van kankeraars en criticasters, maar eerst en vooral een volk van
plakkers. Niet zozeer in de vorm van sijsjeslijmers en bumperklevers, alhoewel,
maar ik zit meer te denken aan onze fobie of manie om bij iedere gelegenheid en
in elke supermarkt zegeltjes te willen verzamelen om die later thuis gezellig op een spaarkaart te kunnen
plakken. Wij zijn een volk van zegeltjesplakkers. Ontegenzeggelijk.
Weet u overigens wat échte
plakkers zijn? Dat zijn, en nu houdt alle ironie even op, armzalige
vluchtelingen in Zuid-Afrika die uit buurlanden komen waar het de mensen nóg
beroerder gaat. Ze trekken naar ZA, bouwen ergens van afvalhout, golfplaten, plastic
en blik een hutje. Wanneer zij erin slagen rook uit een geïmproviseerde
schoorsteen te laten opstijgen vóór zonsondergang, mogen zij blijven wonen. Dat zegt tenminste
het heersende recht. Plakkers wonenmet
zijn duizenden in plakkerskampen. Als alles meezit is er een lokale overheid
die voor stroom en water zorgt.
Er bestaan ook zegeltjes die
je niet hoeft te plakken. Ik vond ze bij het opruimen van een oude kast. Het
zijn zegeltjes om uit te knippen, het zijn bonkaarten. Van na de oorlog, zegt
iedereen die ze kent, toen nog veel spullen op de bon waren. Ze stammen uit de tijd
van de distributie. In verband met de heersende schaarste werden de beschikbare
goederen eerlijk verdeeld. Een vriendelijke ambtenaar op het distributiekantoor
deelde per hoofd van de bevolking de bonnen uit. En in de plaatselijke krant
stond welke bon je nodig had om deze week een half pond suiker te kunnen kopen.
Ik heb heel lang in de overtuiging geleefd dat bonnen betaalmiddelen waren,
maar dat was een misverstand, zei de kruidenier. Het was én én: je moest bonnen
inleveren én je moest met geld betalen. In de bonnentijd was ik nog heel jong,
maar toen al overtuigd van de gerechtigheid van het systeem. Zonder bonnen zou
immers iemand met veel geld alles kunnen weg- en opkopen? Zodat er voor de
minder bedeelden niets meer over was? Voor de bonnenwet was ieder gelijk, en zo
hoorde het ook.
Op een dag, kort na de
oorlog, heeft het bonnennoodlot mijn moeder getroffen. Ma had voor een periode
van een maand voor het hele gezin bonnen ingeslagen voor de noodzakelijke
boodschappen. Om onverklaarbare redenen is zij toen de hele bonnenvoorraad
kwijtgeraakt. Verloren. U begrijpt dat Leiden echt in last was, hoewel we daar
niet woonden. Want zonder bonnen was er niets te koop van wat er in de winkel
lag, dus dreigden dorst en hongersnood. En ook Pa kon naar zijn geliefde tabak
fluiten.
Met behulp van de
vriendelijke distributieambtenaar en mede doordat(1) Ma bij de plaatselijke dorpsbevolking
geen kwaad kon doen en (2) Pa gemeenteambtenaar was, werd er een kleine
inzamelingsactie georganiseerd. Iedereen die een bonnetje over had kon dat
inleveren bij het distributiekantoor. Aan het eind van de actiedag kon de ambtenaar
Ma een complete set bonnen overhandigen. Ma was buitengewoon geroerd door al
die vrijgevigheid.
Bonnenacties. Ze bestaan nog
steeds. Het zijn nu zegeltjesacties bij de super, waarbij je bij twee halen er
drie moet betalen met als compensatie dubbele zegels. Om thuis gezellig op te
plakken.
Vóórzorgen is een mooi
werkwoord, veel mooier dan het overdreven voorzorgsmaatregelen treffen. Je
wilt een zich mogelijk voordoende onheilvolle situatie de baas zijn en daartoe
bedenk je in de eerste plaats wat die schrikwekkende situatie wel niet zou
kunnen zijn (brand, een ongeval: van zes meter hoogte van de ladder vallen, een
natuurcatastrofe, ongenode gasten die drie weken komen logeren) en ten tweede
bedenk je voor elk van die noodsituaties een passende reactie, een
rampscenario, een rampenplan. Op deze manier proberen we het leed dat de ramp ongetwijfeld met
zich mee zal brengen althans enigszins te verzachten.
Een van de sprekendste
voorbeelden van rampspoed waarop je je zou kunnen voorbereiden, is brand
tengevolge van blikseminslag bij een plaatselijk onweer. Ik herinner mij nog
vaag uit mijn kindertijd hoe ons moeder ons bij zwaar onweer uit bed trommelde,
en ons vroeg ons aan te kleden. Gekleed en wel zaten wij dan in een verduisterd
vertrek de tijdsduur te tellen tussen bliksemflits en bijbehorende, knetterende
donderslag. Ergens, wisten wij, stond een klein kistje waar wat geld,
trouwboekje en paspoorten, de polis van de brandverzekering, plus de weinige kroonjuwelen
van ma in zaten, gereed om meegenomen te worden in geval van nood.
Het typerende van een ramp is
dat hij je altijd onverwacht en onvoorbereid treft. Bij het opstellen van een
rampenplan en een rampscenario dat doe je meestal achteraf, in een tijd van rust en vrede, bij
het dempen van de put, als het kalf al lang is verdronken denk je erover na wat
er allemaal kan gebeuren en hoe daarop adequaat te reageren. Daarbij heb je
verbeeldingskracht nodig, want je kunt natuurlijk niet in werkelijkheid twee
tankwagens met uiterst gevaarlijke stoffen op de A26 met elkaar in botsing
laten komen. Wat er precies gebeurt bij een échte ramp - zoals een aardbeving,
een watersnood of een tsunami - overstijgt onze verbeelding vele malen.
Ik geef toe dat ik heel ambivalent
tegenover een rampscenario sta. Daarbij maak ik een onderscheid tussen rampen
die óns en welke ánderen kunnen treffen. Een redelijke stem in mij zegt dat het
in het laatste geval verstandig is van tevoren na te denken over hoe te
handelen bij mogelijke calamiteiten. Ieder redelijk denkend verzorgingstehuis
weet wat te doen in het geval dat de bewoners plotseling geëvacueerd moeten
worden. Aan de andere kant beweer ik dat, als het jezelf betreft, een
rampscenario geen zin heeft:je kunt
onmogelijk op alles voorbereid zijn. En bovendien, in tijden van nood vergeet
je alle rationeel bedachte voorzorgsmaatregelen en doe je wat je hart je
ingeeft om te doen.
Er komt nog iets bij. Soms
denk ik wel eens dat het de goden verzoeken is. Zon rampscenario opstellen
bedoel ik. Het lijkt wel of de duvel ermee speelt. Heb je net een scenario
klaar voor het geval er iets ergs gebeurt, gebeurt dat erge de volgende dag.
(Zonder rampscenario, denk je, was er niets gebeurd.)En een ander voorbeeld: net als het
rampscenario na veel wikken en wegen met algemene stemmen is goedgekeurd,
gebeurt er een ongeluk waar het verse scenario niet op van toepassing blijkt te
zijn. Of waarbij pijnlijk duidelijk wordt dat zaken die er écht toe doen over
het hoofd zijn gezien. Dan kun je maar beter helemaal geen rampscenario hebben.
De volgende ochtend vraagt
mijn vrouw: Stel dat er hier brand uitbreekt. Wat zou jij het eerst in
veiligheid brengen? Waar denk je aan? Ik zeg: Nergens aan, want sinds er geen
lucifers meer in huis zijn omdat er niemand meer rookt, is de kans nihil dat er
brand uitbreekt. Nou, zegt ze, ik weet het wel, het eerst moeten de fotoalbums
in veiligheid worden gebracht. Goed, besluiten we, dan is hierbij punt één
van ons rampscenario afgehandeld. Wíe voor de albums zorgt als het zover is, dat
zien we dán wel.