Vanaf de sombere dagen van
Allerheiligen en Allerzielen beginnen de dagen echt te korten. s Morgens moet
de lamp weer aan en hoe vroeg gaan niet onze kippen op stok! En als het dan
grijs bewolkt is, het een beetje miezert, en de mens al somberder wordt dan hij
dat van nature al is, komt Sint Maarten als geroepen. Eindelijk weer licht in
de duisternis en kinderen aan de deur die hun traditionele liederen zingen van
Sinte Maartens vöggelken en al die andere.
Vandaag 11 november is het
weer zover. Sinte Maarten en Sint Maartens optochten. Net als de start van het
carnaval, hoewel het nog drie maanden duurt voor de drie dolle dagen aanbreken.
Al deze feestelijkheden gaan
evenwel aan onze deur voorbij. Dat komt, zeggen wij, niet dat we niet graag
zouden meedoen, maar we zijn er niet mee opgegroeid en groot geworden. En om er
nu op rijpere leeftijd nog aan te beginnen is te veel gevraagd, te meer omdat
de buren hier op het platteland ook niet meedoen.
Onze kinderen komen overigens
niets tekort. Weliswaar lopen ze op de elfde van de elfde niet de huizen af om
goede gaven op te halen, gewapend met een lampionnetje. Dat doen ze op de
eerste januari van het nieuwe jaar. Ze wensen iedereen dan een welgelukzalig
Nieuwjaar en nemen dankbaar een zak met snoep in ontvangst.
Kinderen in andere delen van
het land hebben het maar getroffen. Zij kunnen op 6 januari een nieuwe tocht
langs de huizen maken, ditmaal in de gedaante van drie koningen. En ook nu weer
zingen zij hun liedjes en halen goede gaven op.
Weet u wat de oorsprong van
dat ophalen van geld en snoep is? Het was voor de armen en minder gestelden een
hels karwei om de winter door te komen. Geen werk, geen geld en dus ook geen
eten. Dan kwam een voetreis langs de welvarende huizen in de buurt van pas.
Geen snoep of geld werd vroeger opgehaald, maar meel om brood te bakken en
graan om te dorsen. Of een zak met bonen. Zo kwam men de winter door.
Ten slotte twee plaatjes uit
de Sint Maartenstijd: dagen met prachtige herfstkleuren en dagen vol mist.
Wanneer u nu meteen even naar beneden scrolt, ziet u een aantal opgevouwen beddentijken Ze zijn naar
schatting meer dan vijftig jaar oud. Sommige zijn veel gebruikt, veel gewassen,
en daardoor een beetje bleker dan hun lotgenoten die in de kast bleven liggen.
Mijn echtgenote en ik komen er nu pas achter dat we beiden in onze jeugd bij
het naar bed gaan gebruik gemaakt hebben van dit soort tijken, maar op
verschillende manieren. Op de boerderij waar mevrouw opgroeide sliep men
aanvankelijk nog op stromatrassen. Dat waren jute zakken, met stro gevuld en op
gezette plaatsen gecapitonneerd met grote knopen zodat het stro enigszins op
zijn plaats bleef. Deze stromatrassen lagen gewoon op een rij planken. Op die
planken lag een ruwe onderdoek en daarbovenop kwam dan de stromatras. En weer dáárop
lag, in een tijk gehuld, een dunne linnen zak vol veren. Je sliep ónder de
dekens, tússen de lakens en óp de beddetijk en stromatras.
In het huis waar ikzelf opgroeide, wist men beter en was men
wel wijzer. Wij hadden thuis van die kolossen van tweepersoonsledikanten met
daarin als beweegbaar, verend element een netwerk van spiralen, ingeklemd in
een gietijzeren frame. Omdat de spiraal loodzwaar was, werd hij alleen bij hoge
uitzondering verplaatst. Soms werd het complete beddengoed buiten gelucht. Een
mooie gelegenheid voor ons, kinderen, om de spiraal te gebruiken als
trampoline.
Op deze spiraal kwam een matrasdek en daar weer bovenop een
matras. De inhoud was kapok en de meester op school beweerde bij hoog en bij
laag dat kapok van de kleine Soenda-eilanden in Indië kwam waar het werd verbouwd zoals
de boeren bij ons haver verbouwen. Hoe het ook zij, je sliep er prima op. Waar
blijft nou de beddetijk? zult u vragen nadat ik gezegd heb dat we tussen
blanke, witte lakens sliepen. Wij sliepen niet óp maar ónder de tijk. Onze
familie lag onder een zak met donsveren waaroverheen de beddetijk werd
geschoven. De tijk werd af en toe gewassen en gewisseld. De binnenzak werd op
dezelfde gezette tijden gevuld met nieuwe, verse dons- en andere veren.
Twee zaken zullen mij altijd bijblijven. Het eerste is de
herinnering eraan hoe heerlijk je sliep onder zon veren bed. En het tweede is
de narigheid die je ermee had. Aanvankelijk was er geen vuiltje aan de lucht.
Ma bracht je naar bed en schudde net als wijlen Vrouw Holle eerst nog even het
verenbed op. Van achteren naar voren, en daarna stopte zij de achterpanden goed
in. Jammer was het dat door je slaapbewegingen de veren echter altijd naar het
voeteneinde schoven, zodat je in barre winters s morgens vroeg vernikkelde van
de kou. Dat wil zeggen: van boven.
Tegenwoordig slapen we op springboxen onder heerlijk
warme dekbedden met een zomer- of wintervulling. Op mijn kussen staat momenteel
de aansporing om op te staan. Het is inderdaad een prachtige dag en zonde om te
blijven liggen. Er staat ook ergens dat ik erg moe ben en behoefte heb aan
slaap. Ik wens mijzelf: welterusten!
Vroeger ik maak weer eens
een klein uitstapje naar het verleden toen mijn grootvader op zaterdagmiddag naar het dorp liep om zich vóór de zondag van zijn overtollige baardharen te laten ontdoen had je in ons dorp drie kappers, drie barbiers. De
eerste heette Schuurman. Hij woonde aan de Raterink-kant van de kerk. Daar werd
je, zo vertelt de volksmond, niet alleen geschoren, maar ook geschuurd. De
tweede, aan de andere kant van de dorpskerk, aan de Rijks-kant, heette Weck.
Daar werd je geweckt, dus ingemaakt. Tenslotte had je aan de grens nog kapper
Rossbach. Daar werd je onnoemelijk hard gerost. Reden genoeg om bij alle drie uit
de buurt te blijven, dacht ik zo.
Je kunt ook het heft in eigen
hand nemen. Wat is er tegen om je eigen kapper te zijn? In onze grote
boerenschuur staat nog een knechtenkist. Die ging, gevuld met lijfgoed en
toiletgerei, met je mee wanneer je naar een nieuwe werkgever ging. In een klein
apart vakje, rechts onder het deksel, ligt nog steeds het knip- en scheergerei.
Alles mooi roestbruin van kleur. Tondeuse, scheermes, krabbertje,
slijpsteentje, scheerkwast: alles wat nodig is voor een perfect kapsel en een
glad gezicht. Voor warm water, scheerkom, scheerspiegel, scheerzeep en aluin
moet je zelf nog even zorgen. Maar dan ben je ook het heertje!
Je hebt voor-, hoofd- en
nagerechten. Het voorgerecht dient om de smaakzintuigen in de goede stemming te
brengen; het nagerecht om ze weer een beetje in de pas te laten lopen na al die
ophef in het hoofdgerecht.
Laten we voor de verandering
eens de schijnwerper niet richten op
het hoofdgerecht (dat krijgt sowieso te veel overdreven aandacht) en ook niet
op het voorgerecht dat door sommige tv-koks-met-witte-mutsen een amuse wordt genoemd. Neen, laten we ons
vandaag eens grondig verdiepen in het nagerecht, het dessert oftewel het
toetje. Hoog tijd om de vraag na te gaan waarom voor veel, vooral jonge eters,
het toetje zonder enige twijfel het hoogtepunt van de maaltijd is.
Natuurlijk is een
overheerlijk puddinkje, meer dan het trosje druiven of de coupe ijs, het
ultieme voorbeeld van een geslaagd toetje. Tegenwoordig koop je van die
eenpersoonstoetjes in een plastic behuizing. Met veel moeite verwijder je het
deksel, en met nog meer zorg en moeite stulp je de inhoud omgekeerd op een
maagdelijk leeg dessertbordje. Met enig geluk blijft een vanille tulbandje
staan, waarbij het sap, dat eerst op de bodem verbleef, door het stulpen
plotseling van boven langs de zijnaden langzaam maar zeker naar beneden druipt.
De lekkerste puddinkjes zijn
de zelfgemaakte. Dat is waar, ware het niet dat niet iedereen het talent bezit
om uit diverse grondstoffen met kunde, kennis, raffinesse en een scheutje
vakmanschap een puddingte voorschijn te
toveren waarbij zelfs het meest geslaagde machinaal vervaardigde toetje niet in
de schaduw kan staan. Mijn echtgenote heeft het in haar vingers. Zij heeft het geërfd
van haar moeder en tante die tot in de verre omtrek beroemd waren om hun fameuze
moccapudding.
Nu ik het toch over
bijzondere puddinkjes heb, moet ik nog even wijzen op de chocoladepudding van
Ma, míjn moeder. Vanzelfsprekend zelfgemaakt, bestemd voor de zondagse dis, en niet gemaakt
van gesmolten chocoladerepen, maar van cacaopoeder. Het smaakte inderdaad naar
pure chocolade, maar de jeugd aan tafel vond het maar niks: veel te bitter. Nee,
dan de halfdoorzichtige, beroemde gelatinepudding
waarmee Ma ons dacht een plezier te doen. Zon glibberende, geelachtige massa in tulbandvorm
waar je dwars doorheen kon kijken om op de staartklok aan de andere kant van de
eetkamer te kunnen zien hoe laat het was. Volgens mijn herinnering zat er
weinig kraak of smaak aan. Interessant vond ik wel dat je de pudding met mes en vork kon eten.
Tenslotte laat ik u een toetje
zien dat door een collega uit Wenen (waar men op culinair gebied toegegeven
weinig gewend is) het beste Nederlandse exportproduct is genoemd. Ik bedoel de dubbelvla
oftewel de dag- en nachtvla. In één pak, bruin en geel, maar bij voorkeur in
twee afzonderlijke pakken en de inhoud daarvan dan tegelijk je dessertbakje binnen laten
stromen. Buitengewoon lekker en voedzaam volgens de Friese makers. Dat vind ik
ook. Bovendien kun je er met je lepel de mooiste figuren in draaien. Positief
zowel als negatief.
Ik kom uit een wurmenfamilie.
Zowel mijn vader als mijn moeder waren hartstochtelijke wurmen. Geen wurmen
natuurlijk in de betekenis van wormen of zoals wij zeggen pieren: slijmerige
wezens in de grond die je kunt horen roesten als je goed luistert. Nee, mijn
ouders waren boekenwurmen. Niet zo erg dat ze geheel en al verslaafd waren en
aan niets anders konden denken, maar liefhebbers van het geschreven en gedrukte
woord. Dat moet in de genen zitten, want ik heb dat ook: houden van boeken en houden
van lezen.
Mijn vader las alles wat los
en vast zat, maar hij had een bijzondere voorliefde voor boeken waaruit je iets
kon leren. Duitsers noemen dat Sachbücher:
boeken die gaan over de zaken uit de wereld waarin wij leven. Boeken over
aardrijkskunde, natuurkunde, geschiedenis, dat soort. En dan was het
buitengewoon handig wanneer er naast het geschreven woord ook bijbehorende
plaatjes te bewonderen waren. Want hoe kun je nu weten hoe een gletsjer er
uitziet zonder een foto? Hoe kun je ooit Willem de Zwijger kennen als je nooit
een portretje van hem hebt gezien? Bij ons thuis wemelde het daarom van
boeken-met-plaatjes waaruit je buitengewoon veel kon opsteken.
Een buitengewone categorie
boeken, die zowel geschreven informatie als illustraties bevat, is de
encyclopedie. Bij ons thuis stond die op de tweede plank van de boekenkast in
de voorkamer. Wij hadden een echte zestiendelige Winkler Prins. Op de rug van
ieder deel stonden twee woorden: het beginwoord en het eindwoord. Deel zeven
sloot met het woord gebit en deel acht begon met geboorte. Helemaal
gebaseerd op het alfabetisch principe dus. Heel handig als je iets wilde
opzoeken.
Behalve encyclopedieën (wij
hadden ook Duitse, een Engelse en een Franse Larousse) bezaten wij ook veel
kunstboeken. Zoals het befaamde boek met de 100 mooiste schilderijen van het
Rijksmuseum (of een dergelijke titel). Hoe vaak heb ik niet bewonderend en
verwonderd gekeken naar Pieter Breughel met zijn kinderspelletjes, de
gebroeders van Eyck met hun zingende engelen en de onsterfelijke Mona Lisa! En
hoe blij verrast was je niet, wanneer je op een goede dag Frans Hals in het
echt zag! Nóg mooier dan de plaat in je boek!
Veel plaatjesboeken van
vroeger staan nu bij ons thuis. Ook de Grote Winkler Prins (vijfde geheel vernieuwde
druk, uit 1933.) Af en toe pak ik zon zwaar reproductieboek, zie voorin het ex
libris van mijn vader, kijk naar het zelfportret van Rembrandt-met-baret, en
probeer mij de situatie thuis te herinneren toen ik hetzelfde deed. Lang
geleden.
Op het moment dat ik dit schrijf,
is het weer walnotentijd. Dit jaar belooft een wel zeer overvloedige oogst,
tenminste aan onze eigen walnotenboom. Een grote walnotenoogst is een voorteken
voor een strenge winter, althans dat wordt gezegd. Door de veelheid aan noten
hoeven we straks in elk geval geen honger te lijden.
Uit mijn jeugd herinner ik
mij deze tijd van het jaar als een typische herfstbezigheid-na-half-vier. Om
half vier ging de lagere school uit en dan trokken we met zijn allen naar het
huis van Jan zijn vader, die aan de Terborgseweg, samen met diens vader en
broer, een timmerbedrijf had, waar bijvoorbeeld fraaie boerenharken werden
gemaakt. Aan de zuidzijde van het huis stond een kolossale notenboom. Het was
de kunst om ieder keer wanneer er een noot naar beneden viel de eerste te zijn bij het oprapen. Meestal was ik te laat want de concurrentie was groot. Soms
gooiden we takken en stenen in de boom om de nog zittende noten van hun
zitplaats te bevrijden. Maar dat was zeer tegen de zin van Jans opa en oma, die
niet zonder reden bang waren dat er hier en daar een ruit of een dakpan zou
sneuvelen.
Walnoten moet je nooit
plukken. Je moet wachten totdat ze naar beneden vallen. Slaan met lange takken
om dat vallen te bevorderen is toegestaan. Dat doe ik dus ook, maar niet
zodanig dat onze boom eronder lijdt.
Na het vallen komt het
drogen. Langzaam drogen is het beste. Wij doen dat op gazen rekken. Af en toe
neem ik poolshoogte hoe het staat met het droogproces. Wij bewaren onze droge
noten in van die plastic netjes die we hoog aan de zolder ophangen op onze
deel.
Enkele bevoorrechte noten krijgen
een bewaarplek in een speciale notenmand die ik van wilgentenen heb gevlochten.
Er zit een kleine opening in, boven naast de ophangring. De opening is zo klein
dat je er met je vuist niet meer dan vier of vijf noten kunt uithalen. Waarom is
dat zo? Om twee redenen.
In de eerste plaats leert het
je zuinigheid en bescheidenheid en zelfkennis. Een vijftal lekkere noten
volstaat. Bovendien geldt ook hier dat overdaad schaadt. Walnoten zijn gezond,
maar zo heb ik mij laten vertellen door lieden die het weten kunnen - met
mate en tot zekere hoogte. Wat mij niet weerhoudt om s avonds laat bij een
glas wijn of een pintje bier van een handjevol eigen walnoten te genieten, die qua
geur en smaak de concurrentie met buitenlandse noten met glans kunnen
doorstaan.
Twee huizen laat ik u hier
zien, oude huizen, huizen van voorouders. Beide boerderijen: een grote en een
kleine. In beide huizen woonden opa en oma. In het ene huis die van mijn vaders
kant, in het tweede die van mijn vrouws kant.
De zwart-wit foto laat u Aaldershuis zien. Zo heet
de boerderij. Oorspronkelijk heeft hier een zekere Alert gewoond en naar hem is
het huis genoemd. Alerts huis werd in de loop van de jaren Aaldershuis.
Mijn grootvader en
grootmoeder hebben hier jaren gewoond maar zijn er beiden niet geboren.
Grootvader kwam van een boerderij uit Duitsland, een paar kilometer verderop.
En oma kwam van een boerderij uit de buurt. Nu wilde het geval dat er op
Aaldershuis anno 1900 geen opvolger was, zodat men (de familieraad) besloot dat
mijn latere opa en oma daar mooi konden wonen.
De foto van Aaldershuis stamt
uit de tijd toen er nog echte winters met veel sneeuw waren. Aaldershuis, met
in het midden het mooie voorhuis, rechts het bijgebouw en de bijkeuken (het
spieker) en links de grote schuur, lijkt zich bijna achter de sneeuwbergen te
willen verstoppen. Aaldershuis was de eerste boerderij buiten de bebouwde kom.
Wij vonden het altijd een mooi visitekaartje voor het dorp.
De tweede boerderij (die in kleur) is
Beesterni-jhuus. (Alle zich respecterende boerderijen in onze contreien hebben
zogenaamde huisnamen.) Voorbeelden te over: t Broeker, de Steengroeve, t
Beester, de Fökkert, te veel om allemaal op te noemen. Beesterni-jhuus is een
klein keuterboerderijtje. Je begrijpt niet dat er tijden zijn geweest dat er
twee gezinnen in woonden als je rekent dat er ook ruimte moest zijn voor het
vee (koeien, kalveren, varkens en kippen) en veevoer (hooi, stro,
voederbieten). We denken dat ze hutje mutje op elkaar woonden.
Beesternijhuus betekent
eigenlijk: het nieuwe huis bij t Beester. En t Beester is een grote boerderij
aan de overkant van de weg. Beesternijhuus is een klein
daghuurdersboerderijtje. Opa heeft het gekocht voor enkele duizenden guldens.
Nu een schijntje, maar destijds een rib uit s mensen lijf. Opa moest er bij
enkele plaatselijke welgestelden leningen voor afsluiten.
Ik praat nu weer over oma en
opa. Dit keer zijn het de grootvader en grootmoeder van mijn vrouw. (Die u op de foto ziet weglopen, omdat ze klaar is met het verzorgen van de tuin.) Het zijn haar ouders en grootouders die hier gewoond hebben, dus
mijn schoongrootouders.
Er is veel veranderd in al
die jaren. Anno 2009 is Aaldershuis verdwenen. Het heeft plaats moeten maken
voor een nieuwbouwwijk. Maar de naam Aaldershuis bestaat nog. Net als de
Aaldersbeek en de Aaldersbeeklaan.
Beestenijhuus bestaat ook nog.
Het viert dit jaar zijn 103de verjaardag en verkeert in goede
gezondheid. Af en toe valt er weliswaar een pan van het dak, maar dat is de
leeftijd. Ik kan het weten, want ik woon er. Nog steeds. Nog steeds met
plezier.