Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    29-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zinloze tochten van Wen-amon

    Het reisverslag van Wenamon met de titel: ‘de zinloze tochten van Wen-amon’ is een bewaard gebleven rapport van een Egyptische handelsmissie in de oudheid waar de ambtenaar Wen-amon mee belast werd. Volgens het verslag moest de heilige bark van Amon-Ra in Thebe hersteld worden. Omdat Egypte geen degelijk hout bezat werd Wenamon eropuit gestuurd om in Byblos in Klein-Azië cederhout te gaan halen.

     

     

    Tijdens de reis werd Wen-amon volgens het reisverslag bestolen door een van zijn bemanningsleden en als een gevolg arriveerde hij zonder goud en geloofsbrieven in de haven Dor waar hij niet hartelijk ontvangen werd door Tjeker-baäl, de lokale vorst. Na veel onderhandelen en het toezenden van extra fondsen uit Egypte kreeg Wenamon toch zijn lading hout, maar zijn problemen waren verre van voorbij. Na vervolgens een reis via Tyrus en Sidon, belandde hij zelfs op Cyprus waar hij door een koningin met de naam Hatiba, werd opgenomen. De beklagenswaardige indruk die Wen-amon maakte is evenredig met de positie, die Egypte blijkbaar op dat tijdstip in de oude wereld innam. Het einde van het relaas is verloren gegaan, maar aangezien het papyrus in Thebe gevonden werd, kunnen we er zeker van zijn dat de opdracht van Wenamon een goed einde kende.

    Volgens de orthodoxe Egyptologie wordt het reisverslag van Wen-Amon aan het einde van Manetho ’s twintigste of het begin van de eenentwintigste dynastie in de elfde eeuw voor Christus gedateerd. De meningen betreffende het plaatsen van Wenamon op de tijdsbalk lopen ook in de orthodoxie uiteen. Sommige onderzoekers zoals de Egyptoloog J.H. Breasted (1865-1935) menen het einde van de tijdsperiode van de regering van Ramses XI te herkennen, en weer anderen verankeren het vermelde vijfde regeringsjaar in het reisverslag aan de regering van farao Smendes I van Manetho ’s eenentwintigste dynastie. Het was de Grieks-Egyptische historicus Manetho die de eenentwintigste dynastie in de geschiedenis van Egypte inlaste. In werkelijkheid waren de zogenaamde heersers van dit huis geen farao’s van Koninklijke afstamming, maar alleen maar machtige priesters.

    Het merkwaardige van het reisverslag van Wenamon is dat de aanvang van de reis in het vijfde regeringsjaar van een niet bij naam genoemde farao gedateerd wordt. Het is als een gevolg raden naar de identiteit van de niet bij naam genoemde farao en ook is het vooral een raden naar het waarom van het niet vernoemen van de naam van de dan regerende farao, wat ongebruikelijk was in het oude Egypte?

     

     

    Een kaart uit de voortreffelijke Bijbelatlas ‘The MacMillan Bible Atlas, 1968, no. 67. De Assyrische provinciegrenzen van de achtste eeuw v. Chr. heb ik aangebracht. De Tjeker hadden zich volgens de herziening sinds het einde van de achtste eeuw v. Chr. aan de kust van het oude Israël gevestigd.

     

    Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid en vooral het herschikken van de Egyptische koningslijsten, zoals in ‘TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-46, gebracht, behoort Wenamon gereviseerd op de tijdsbalk in de zevende eeuw voor Christus.

    De twintigste dynastie met als toonaangevende farao Ramses III verhuist volgens mijn revisie op de tijdsbalk naar de achtste en zevende eeuw v. Chr. De invasie van de zeevolken heb ik zelfs nauwkeurig in het jaar 712 v. Chr. gedateerd in het achtste regeringsjaar van Ramses III. Zie: De Assyriologie herzien, 2012, Appendix 2. Zie ook het artikel op dit blog van 29.11.2016: de chronologie van Ramses III en de zeevolken gereviseerd, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1480287600&stopdatum=1480892400

    Hoewel Ramses III de overwinning op de zeevolken claimde was het toch mogelijk dat bepaalde zeevolken zoals de Tjeker en nieuwe Filistijnen zich daarna langs de kust van Klein-Azië konden vestigen. Het was in de havenstad Dor bij de Tjeker dat Wenamon’s nachtmerrie begon. De seculiere Egyptologie heeft geen moeite met een onafhankelijk Tjeker-land in de elfde en tiende eeuw v.Chr. aan dezelfde kust waar de koningen van Israël toen zeggenschap hadden. Het gebied viel nochtans volgens de Bijbel tijdens de orthodoxe tijdsperiode onder de controle van de koningen van Israël en de Bijbel zwijgt over de Tjeker. Een sterk verenigd Israël dat onder de koningen David en Salomo toen heerste van de beek van Egypte af tot aan de Eufraat en waar het plaatje van de orthodoxie niet in past. Het plaatsen van de eenentwingtigste dynastie tijdens deze tijdsperiode is het gevolg van het hanteren van de foutieve Sothiskalender gelanceerd door de Egyptoloog Eduard Meyer (1855/1930). Zie het artikel op dit blog van 18.08.2017: de Dendera tempel.

    Binnen het raamwerk van de herziene chronologie komen nu heel wat puzzelstukjes passend samen. De eenentwintigste dynastie hoort op de tijdsbalk namelijk thuis in de periode volgend op de verwijdering van de Aton-vereerders, de lange periode (739/671 v. Chr.) dat de eredienst aan de god Amon in Egypte verboden was en al de tempels gesloten. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 345-360.

    Het is logisch aan te nemen dat de zogenaamde heilige houten bark van Amon-Ra daarna aan restauratie toe was, het enige doel trouwens van de reis van Wenamon in het vijfde regeringsjaar van de dan regerende farao.

    Maar waarom geen naamvermelding van de dan heersende farao? De eenentwintigste dynastie van Manetho was een zogenaamde priesterdynastie die regeerde rond de heiligdommen van de god Amon te Thebe, maar ook een residentie te Tanis in de Nijldelta had. Een Nijldelta die in deze tijdsperiode een lappendeken was van dynastieën of huizen die allen vazallen van de Assyriërs waren, Assyriërs die Egypte ten tijde van Essarhaddon in 671 v.Chr. onder de voet hadden gelopen. De belangrijkste aangestelde vazal van de Assyriërs was Horemheb. Velikovsky maakte duidelijk dat Horemheb in deze tijdspanne als farao te plaatsen is. Waar ik bij Velikovsky van afwijk is dat ik meen dat de Amarna-farao’s, de zogenaamde Aton-vereerders, onmiddellijk aan Horemheb voorafgingen.

     

     

    Farao Achnaton was een tijdgenoot van Achaz in Juda en van Pekah en Hosea in Israël. De zogenaamde Amarna briefwisseling werd met deze koningen gevoerd. In mijn boek ‘De Zonaanbidder, Achnaton, de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016, blz. 89-125, toon ik aan dat de rebel Labaja van de Amarnabriefwisseling met Pekah van Israël geïdentificeerd kan worden en Rib Addi met Hosea.

     

    Farao Horemheb die door de buitenlandse Assyriërs tot farao aangesteld werd was een gehaat heerser en het ligt voor de hand dat dit de reden voor Wen-amon was om deze gehate naam in zijn reisverslag niet te vermelden.

    De Assyriërs hadden het veroverde gebied in Klein-Azië in nieuwe provincies ingedeeld. Dor was op deze manier een schatplichtig land aan Assyrië met een redelijk onafhankelijk koning aan het hoofd. In Juda zat de eveneens aan Assyrië schatplichtige Manasse op de troon. In Egypte werden tijdens deze periode massaal graven van achttiende dynastie-heersers geschonden en geplunderd. Het waren de priester-heersers van de eenentwintigste dynastie die een en ander trachten te herstellen. De Egyptoloog Breasted vermeldt ook dat ten tijde van Ramses IX een aantal Egyptische afgezanten gedurende zeventien jaar in Dor door lokale stadvorsten gegijzeld werden en daarna de dood vonden. Een periode van chaos en anarchie was het voor heel de regio en het is binnen het raamwerk van de herziening van de geschiedenis van de oudheid dat een en ander beter verklaarbaar wordt.

    Dat Wenamon met de nodige fondsen naar Dor reisde toont aan dat deze regio niet langer schatplichtig aan Egypte was. Een toestand die ten tijde van de Assyriërs onder Sanherib, Essarhaddon en Assurbanipal het geval was. Het gebied van de Levant stond van dan af onder de Assyriërs en onder Essarhaddon werd Egypte zelfs onder de voet gelopen.

    De vorst van de Tjeker te Dor stelt zich dan ook aanmatigend en onafhankelijk tegenover Wenamon op met absolute onverschilligheid naar de Egyptische god Amon toe.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    29-09-2017 om 08:30 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tocht van de profeet Elia naar de berg Gods Horeb in Arabië

    De bijzondere geschiedenis van het optreden van de profeet Elia ten tijde van koning Achab en zijn beruchte Fenicische vrouw Izebel is onder Bijbelkenners heel bekend.

    1 Koningen 16:29 Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. En Achab, de zoon van Omri, regeerde te Samaria tweeëntwintig jaar over Israël. 30 Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, meer dan allen die vóór hem geweest waren. 31 Het minst erge was, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, maar hij nam tot vrouw Izebel, de dochter van Etbaäl, de koning der Sidoniërs, en ging de Baäl dienen en zich voor hem neerbuigen. 32 Vervolgens richtte hij voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. 33 Verder maakte Achab de gewijde paal; en Achab ging voort met zó te handelen, dat hij de HERE, de God van Israël, meer krenkte dan alle koningen van Israël die vóór hem geweest waren. (NBG Vertaling 1951)

     

    Achab plaatsen we op de tijdsbalk van het jaar 909 tot 888 v. Chr. en dit op basis van de nieuwe chronologie volgens de sabbat- en jubeljaren. De plaatsing van de regeerperiode van Achab op de tijdsbalk in relatie tot de koningen van Juda heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 225-228 uitgewerkt. De gangbare jaartallen voor Achab zijn: 874/853 v. Chr. Deze regeerperiode werd door de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951) uitgedokterd op basis van een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens van de koningen van Israël en Juda met die van Assyrië. In mijn boek TIJD en TIJDEN, appendix 4, heb ik Thiele ’s wijze van (mis)rekenen uitgelegd.

     

     

    Tegen de afgoderij van Achab trad de profeet Elia op en ging de confrontatie met de priesters van Baäl aan. Wat volgde was een hongersnood van drie jaar en zes maanden die het land Israël zou teisteren

    1 Koningen 17:1 Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de HERE, de God van Israël, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.

     

    Gedurende een periode van drie-plus jaren (1 Koningen 18:1) zou de hongersnood Israël en de buurlanden teisteren. In het Nieuwe Testament verwijst de Heer Jezus Christus naar dezelfde hongersnood en vermeldt de duur van de hongersnood voor een periode van exact drie jaar en zes maanden.

    Lucas 4:25 Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, 26 en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De Joodse overlevering Seder Olam plaatst het begin van de grote hongersnood in het dertiende regeringsjaar van koning Achab. Op mijn tijdsbalk heb ik met deze gegevens gewerkt en de hongersnoodperiode laten aanvangen vanaf het najaar van 897 v. Chr. tot het voorjaar van 893 v. Chr.

    Bij de aanvang van de hongersnoodperiode vertoeft de profeet Elia volgens 1 Koningen 17:2-24, in de woestijn nabij een beek die in de Jordaan uitmondt, met raven die hem van Godswege ’s morgens en ’s avonds van voedsel voorzien. Maar na een tijd droogt als een gevolg van het ophouden van de vroege en late regen ook de beek op en wordt Elia daarop naar Fenicië geleid (1 Koningen 17:8) naar het huis van een weduwe die voor hem zorgt.

    In het derde jaar van de hongersnood krijgt de profeet Elia daar het Woord des HEREN met de opdracht naar Achab te gaan.

    1 Koningen 18:1 Toen er geruime tijd verstreken was, kwam in het derde jaar het woord des HEREN tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik wil regen op de aardbodem geven. 2 En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. De honger nu was sterk in Samaria.

     

    Wat volgt in het Bijbelboek 1 Koningen hoofdstuk 18, is de confrontatie van de profeet Elia met de priesters van de god Baäl op de berg Carmel. Deze geschiedenis heb ik op de tijdsbalk verankerd met het voorjaar van 893 v. Chr.

    1 Koningen 18:36 Op de tijd nu, dat men het avondoffer brengt, trad de profeet Elia naar voren en zeide: HERE, God van Abraham, Isaak en Israël, heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw knecht ben, en op uw bevel al deze dingen doe. 37 Antwoord mij, HERE, antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, HERE, God zijt, en dat Gij hun hart weer terugneigt. 38 Toen schoot het vuur des HEREN neer en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde, en lekte het water in de groeve op. 39 Toen het gehele volk dat zag, wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden: De HERE, die is God! De HERE, die is God! 40 Daarop zeide Elia tot hen: Grijpt de profeten van de Baäl, laat niemand van hen ontkomen. Zij grepen hen, en Elia voerde hen naar de beek Kison en liet hen daar slachten.

     

    Nadat Izebel, de Fenicische vrouw van Achab, het bericht van de dood van de priesters van de Baäl vernam, zweert zij Elia te laten doden. Deze geschiedenis vinden we in het negentiende hoofdstuk van het Bijbelboek 1 Koningen, beschreven. De profeet Elia vlucht voor zijn leven naar Berseba in Juda en vervolgens naar de berg Gods, een tocht voor hem van veertig dagen.

    De gebeurtenissen op de Carmel laat ik in het voorjaar van 893 v. Chr. tijdens de Pesach-week geschiedden. Dit maakt dat Elia rond Sjavoeot aan de berg Gods arriveerde.

     

     

    Vijfhonderdnegentig jaar na de Exodus met Pesach vluchtte de profeet Elia in het jaar 893 v. Chr. voor zijn leven, naar de berg Gods Horeb. Deze vluchtroute kunnen we op een landkaart uittekenen.

    1 Koningen 19:1 En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard. 2 Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner. 3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar. 4 Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.5 En hij leide zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet; 6 En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en leide zich wederom neder.7 En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn. 8 Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.

     

     

    © Howard Blum, The Gold of Exodus, The Discovery of The Most Sacred Place on Earth, 1998. Deze onderzoeker identificeert overtuigend de berg ‘Jabal al Lawz’ in Saoedi Arabië met de Bijbelse Sinaï dat hij doet dit op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse. Rechtsboven op de afbeelding zien we de plaats gemarkeerd waar een spelonk ontdekt werd met de vermoede plaats waar de profeet Elia schuilde.

     

    9 En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia? 10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 11 En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet; 12 En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte. 13 En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elia? 14 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 15 En de HEERE zeide tot hem: Ga, keer weder op uwe weg, naar de woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf Hazaël ten koning over Syrië. 16 Daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, den zoon van Safat, van Abel-mehola, zult gij tot profeet zalven in uw plaats. 17 En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van Hazaël ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elisa doden. 18 Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. 19 Zo ging hij van daar, …

     

    De afstand heden van Beër-Sjeva tot de Jabal al-Lawz in Arabië de berg ik in mijn boek EXODUS, 2017, als de berg Gods aanwees, bedraagt ongeveer vierhonderd kilometer. Dit betekent dat de profeet Elia gedurende veertig dagen en nachten zo een tien kilometer per schijf van vierentwintig uur afgelegd heeft, alvorens bij de berg Gods te arriveren. Vanuit vers zeven maken we op dat de profeet Elia erg verzwakt was en dat zonder de bijzondere aangereikte voeding de af te leggen weg voor hem te veel geweest zou zijn.

    Bij de berg Gods gearriveerd krijgt Elia opnieuw een Woord des HEREN met de opdracht naar Israël terug te keren via de woestijn van Damascus, en daar Hazaël tot koning over Aram te zalven, vervolgens Jehu in Israël tot koning te zalven en als derde opdracht, Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, tot profeet in zijn plaats te zalven:

    1 Koningen 19:15 Daarop zeide de HERE tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. 17 Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. 18 Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.

     

    Het uitvoeren van deze drie opdrachten plaatsen we in het najaar van 893 v. Chr.

    Met mijn in 2016 gepubliceerde boek ‘EXODUS’ gaf ik ook aandacht aan de juiste locatie van de berg Gods in Arabië. Het is de christelijke traditie dat sinds de regeerperiode van Keizer Constantijn in de vierde eeuw na Christus, de berg Gods foutief in het zuiden van de hedendaagse Sinaïwoestijn geplaatst wordt. Constantijn liet op die plaats een klooster bouwen en tot in de twintigste eeuw zou men zonder meer aannemen dat op deze plaats Mozes de Wet van God in ontvangst kreeg?

    Een beetje Bijbelstudie maakt echter al snel duidelijk dat men voorbarig voor deze locatie gekozen heeft. De apostel Paulus bijvoorbeeld plaatst namelijk gezaghebbend de berg Gods in Arabië.

    Galaten 4:21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? 22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. (NBG Vertaling 1951)

     

    De apostel Paulus plaatst de berg Sinaï in Arabië en wijst zelfs de locatie van de berg aan, namelijk Hagar. Een naam die Sinaï betekent. Hij doet dit bij het doorgeven van een geestelijke les via het wijzen op twee bedelingen in de Heilsgeschiedenis: de bedeling van de Wet namelijk, die voorafging aan de huidige bedeling van de genade (Gal. 5:5).

    Het Arabië van Paulus’ tijd was het koninkrijk der Nabateeërs. Een koninkrijk dat zich uitstrekte over de huidige landen: Jordanië en het noordwesten van Saoedi-Arabië. De huidige plaats Hegra zou zelfs met het Bijbelse Hagar verband kunnen hebben. Het Arabische Hegra is dan hetzelfde als het Griekse Hagar, de taal waarin Paulus zijn brieven schreef.

    De berg Gods lag nabij het gebied van het Bijbelse Midian. Het was te Midian dat Mozes gedurende veertig jaar asiel verkreeg na zijn vlucht voor zijn leven uit Egypte. Het was te Midian oostelijk van de Schelfzee aan de huidige golf van Akaba, dat Mozes als herder in dienst van zijn schoonvader Jethro door de HERE God geroepen werd, ter uitredding van de Israëlieten in Egypte.

    Flavius Josephus maakte in zijn historisch werk (Joodse Oudheden, Boek 2, xi.1) duidelijk dat Midian aan de Rode Zee ligt en hij noemt de plaats waar Mozes na een tocht door de woestijn terecht kwam: Madiane. Deze plaats kan men heden op een landkaart van het Arabische schiereiland nog altijd terugvinden onder de naam Modiana.

    De ligging van de berg ‘Jabal al Lawz’ als eindpunt van de exodustrek past in het Bijbelse relaas:

    1. Mozes die vanuit Midian op weg naar Egypte trekt komt onderweg zijn broer Aaron tegen die hem op een woord van God tegemoet ging. De ontmoeting vond plaats nabij de berg Horeb. (Exodus 4: 27 En de HERE zeide tot Aäron: Ga Mozes in de woestijn tegemoet. Hij ging en ontmoette hem bij de berg Gods en kuste hem.) Dit Schriftgedeelte plaatst de berg Gods noordelijk van Al Bad (Midian) de woonplaats van de schoonvader van Mozes.

    2. Volgens het Bijbelboek Deuteronomium 1:2 zijn het elf dagreizen vanaf Horeb tot Kades-Barnea wat alleen zin heeft indien de berg Gods de Jabal al Lawz is.

    In mijn boek ‘EXODUS, 2016, blz. 107-124, verwijs ik naar de studie van Howard Blum (The Gold of Exodus, The Discovery of The Most Sacred Place on Earth, 1998). Deze onderzoeker identificeert overtuigend de berg ‘Jabal al Lawz’ in Saoedi Arabië met de Bijbelse Sinaï en hij doet dit op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse.

     

    Het jaar 893 v. Chr. zag in het voorjaar een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong. Volgens het onderzoek van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met hun boek ‘The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973, wijzen de verzen elf en twaalf van 1 Koningen 19 naar een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong.

    Het was Dr. Immanuël Velikovsky met zijn boek: Worlds in Collision, 1950 en naar het Nederlands vertaald in 1973: Werelden in botsing, dat voor sommige vak-wetenschappers de aanzet is geworden voor een kosmologische studie van Velikovsky ‘s catastrofetheorie. Zulk een werk dat ik kan aanbevelen is de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met ‘The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973.

    Het is volgens deze theorie de planeet Mars die in de negende en achtste eeuw voor Christus verantwoordelijk was dat planeet aarde in haar loop rond de zon periodiek verstoord werd met iedere keer de daarmee gepaard gaande meganatuurcatastrofes. Deze boosdoener werd door de volkeren van de oudheid vergoddelijkt en werd een oorzaak van afgoderij ook in Israël. De planeet Mars kreeg van hen diverse namen zoals: Ares bij de Grieken, Tyr bij de Germanen, Horus in Egypte, Baal en/of Bel in Klein-Azië, Indra in India en MARS bij de Romeinen.

    Ik geef op dit blog regelmatig aandacht aan de cyclus van meganatuurcatastrofes die planeet aarde in de negende en achtste eeuw v. Chr. geteisterd hebben. Het meest recente artikel dateert van 21.07.2017: 360 dagen in één jaar. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1500242400&stopdatum=1500847200

    Wie dacht dat de meganatuurcatastrofes van de negende en achtste eeuw v. Chr. het einde van een aarde in beroering betekende, komt bedrogen uit. Wanneer we het laatste Bijbelboek Openbaring los van de orthodoxe uitlegkunde bestuderen en de beschreven aangekondigde rampen als nog in de toekomst te geschiedden willen zien, blijkt dat planeet aarde eens wederom danig geschud zal worden. Of zoals de Heer Jezus Christus in zijn rede over de laatste dingen Zijn wederkomst aankondigde:

    Lucas 21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.

     

    En aan deze gebeurtenissen gaat de (weder)komst van de profeet Elia vooraf

    Maleachi 4:4 Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israël, der inzettingen en rechten. 5 Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal. 6 En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.

     

    Tijdens die grote en vreselijke dag des HEEREN die we eindtijd noemen, een toekomstige periode van zeven jaar, is er opnieuw sprake van vuur uit de hemel dat het slachtoffer van de nieuw ingestelde offerdienst in Jeruzalem verteerd, zij het in negatieve vorm.

    Openbaring 13:11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.

     

    Het is een nieuw ingestelde offerdienst in een nieuw opgerichte tent der samenkomst op de Tempelberg te Jeruzalem. Het is tegen deze nieuw ingestelde offerdienst dat de twee getuigen van de HEERE God, waaronder Elia, zullen getuigen.

    In die alsnog toekomstige tijd in de tweede helft van de zevenjarige eindtijdperiode komt volgens het profetische woord van de Bijbel ook de berg Gods Horeb opnieuw in het vizier.

    Jesaja 16:1 Heersers des lands, zendt de lammeren van de rotsen (Petra) de woestijn in naar de berg der dochter van Sion. 2 En het zal geschieden, dat de dochters van Moab als vluchtende vogels, een opgejaagd nest, aan de voorden van de Arnon zullen zijn. 3 Schaf raad, geef een beslissing, maak op de volle middag uw schaduw als nacht, verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen niet.

     

     

    Openbaring 14:1 En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem 144.000, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden. 2 En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder…

     

    Jeremia 31:2 Zo zegt de HERE: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël, op weg naar zijn rust.

     

    Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.

     

    De beschreven woestijn in de hierboven geciteerde Bijbelgedeelten is het gebied oostelijk van de Jordaan en de Wadi el Arab. Het is een gebied waar een overblijfsel van Israël voor de koning van het noorden tijdens de tweede helft van de zevenjarige eindtijdperiode, veilig zal zijn. Zie het artikel van 28.06.2017 op dit blog: Chronologie van de Apocalyps (vervolg), link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1498428000&stopdatum=1499032800

     

    De berg ‘Jabal al Lawz’ zit op de landkaart als de berg Horeb duidelijk op zijn juiste plaats en past in het kader dat de profetische gedeelten van de Bijbel voor deze periode schildert.

     

    Wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    22-09-2017 om 07:23 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tiende historische jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr.

    We vervolgen deze week onze reeks over de historische jubeljaren. Het laatste artikel op dit blog betreffende de historische jubeljaren dateert van 11.08.2017 met aandacht voor het negende historische jubeljaar van 1003/1002 v. Chr. ten tijde van de regeerperiode van Salomo. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1502056800&stopdatum=1502661600

     

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen volgens William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep en zich te Nazareth als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanaän o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter Othniël            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter Samuël            geen

    8.      1052/1051 Samuël & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953  Rehabeam                 geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    Haggaï                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     Makkabeeën                 geen

    28.     72/71        Makkabeeën                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    In het vorige artikel over de jubeljaren hebben we gezien dat David in het najaar van 1007 v. Chr. stierf en dat zijn zoon Salomo bij Bathseba na heel wat verwikkelingen de troonopvolger werd. Deze geschiedenis wordt in het Bijbelboek 1 Koningen in de eerste twee hoofdstukken gebracht. Twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) nam Salomo de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo zestien jaar zijnde aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen.

    Toen het negende historische jubeljaar in oktober 1003 v. Chr. aanving was men sinds het voorjaar van dat jaar aan de werkzaamheden met de bouw van de Tempel te Jeruzalem begonnen. Hoewel dit voor Salomo volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed waren tekenden zich al donkere wolken aan zijn geestelijk firmament af. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. In vergelijking met de bouw van de Tempel zou Salomo daarna bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken besteden. Het toont iets van de geestelijke metamorfose die plaatsvond bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij nog vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieëntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij echter de dochter van farao van Egypte getrouwd en deze in de Stad David ’s ondergebracht. Het verbond met Egypte zou nefast uitdraaien en uiteindelijk Israël zijn onafhankelijkheid kosten.

    Op de bijgevoegde schema ’s zijn via groene tijdsbalken de tijdgenoten van Salomo in Egypte ingevoegd. In het vorige artikel zagen we dat de farao met wie Salomo zich verzwagerde Thothmosis I van de Egyptische achttiende dynastie was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, heb ik deze identificatie uitgewerkt. Bij de dood van Thothmosis I in 986 v. Chr. nam zijn dochter Hatsjepsoet na een co-regentschap van twee jaar met haar halfbroer Thothmosis III het bewind over Egypte over en werd zo de eerste vrouwelijke farao. Zij bezocht Salomo als de koningin van Scheba in haar negende regeringsjaar. Op de tijdsbalk zitten we in het dertigste regeringsjaar van Salomo in het jaar 977 v. Chr. en ik postuleer dat Salomo dat jaar volgens Egyptische traditie zijn dertigjarig bewind vierde. De koningin van Scheba heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 208-209 behandelt. Hierna een belangrijk citaat:

    “Het is de logica zelve dat Egypte als grootste buurland van Israël op de roep van Salomo afkwam. De Joodse historicus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van de christelijke tijdrekening, schreef dat het de koningin van Egypte en Ethiopië was die Salomo bezocht (Joodse Oudheden Boek. VIII,vi.5). Bijbelvorsers die de conventionele (chronologisch-foutieve) Egyptologie volgen zien het verband met Egypte niet en zoeken de Bijbelse koningin van Scheba elders op de kaart. De Egyptische dynastieën zoals ze door de orthodoxe Egyptologie op de tijdsbalk verankerd werden kenden geen vrouwelijke farao of koningin ten tijde van Salomo rond ca. 1000 v. Chr. Vandaar de reden om aan het Arabische schiereiland de voorkeur te geven als de plaats vanwaar de koningen van Scheba kwam. Zij zien een lange stoet met kamelen vanuit Jemen naar Jeruzalem trekken voor een tocht die ook vandaag met dezelfde transportmiddelen van toen heel moeilijk blijft. Deze theorie herleidt Salomo samen met het dateren van Salomo in het IJzertijdperk, in feite tot een bedoeïenenstamhoofd wat te betreuren is en geen recht aan de Bijbel doet. Het Israël van David en Salomo was naast Egypte een grootmacht in de regio toen. Het is de orthodoxe Egyptologie en haar foute dateringsmethode dat maakt dat Salomo en zijn in de Bijbel beschreven bouwwerken in de verkeerde strata in Israël geplaatst en aldus tot mythe verklaard worden. Deze strata of lagen worden namelijk gedateerd aan de hand van de orthodoxe Egyptologie. De tijd van Salomo wordt op het einde van IJzer I geplaatst dat orthodox gedateerd werd van 1200 tot 930 v. Chr. In deze strata of lagen is echter weinig terug te vinden dat getuigt van de vele bouwwerken van Salomo zoals de Bijbel deze uitvoerig beschrijft en daarom wordt het Rijk van Salomo door vele historici tot mythe verklaart. Het is pas wanneer men de orthodoxe Egyptologie en haar dateringsmethode volledig afwijst dat men een nieuwe tijdsdatering van Laat Brons en IJzer kan invoeren en dit op basis van de historische boeken van de Bijbel. Of hoe belangrijk het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid is.”

    Einde citaat.

     

     

    In het najaar van 967 v. Chr. stierf Salomo en werd opgevolgd door zijn zoon Rehabeam wiens moeder de Ammonietische Naäma was. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-215. Het begin van de ongerechtigheid van Israël nam in 983 v. Chr. een aanvang bij de huwelijksvoltrekking van Salomo met Naäma. Tien van de twaalf stammen van Israël zouden zich kort na de troonsbestijging van Rehabeam afscheuren. Zij volgden Jerobeam die op een woord des HEEREN van de profeet de leiding over tien stammen opnam.

    Ik werk momenteel aan de afronding van mijn nieuw boek: ‘Kronieken der koningen van Israël’, dat in het najaar gepubliceerd zal worden. Jerobeam I krijgt hier als eerste koning van Israël heel wat aandacht. Ik houd mijn lezers van de verschijningsdatum op de hoogte. Het boek brengt specifiek de chronologie van de koningen van het tienstammenrijk vanaf Jerobeam I tot Hosea en hun historische verankering op de tijdsbalk op basis van de sabbat- en jubeljaren. Vooral veel aandacht besteed ik aan de revisie van de koningen van Assyrië op de tijdsbalk in relatie tot de historische gegevens over de koningen van Israël.

     

     

    Het is met het derde schema van deze aflevering dat we bij het tiende jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr. arriveren. Op de tijdsbalk bevinden we ons in het dertiende regeringsjaar van Rehabeam. In de Bijbel vinden we geen verwijzing naar het houden van het sabbatjaar- en jubeljaargebod ten tijde van de regeerperiode van Rehabeam. Integendeel:

    1 Koningen 14:21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naäma, de Ammonietische. 22 En Juda deed, wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. 23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom. 24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had. 25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. 26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    Onder het bewind van Rehabeam ging het er wat de afgoderij betreft nog erger aan toe dan tijdens de regeerperiode van Salomo. Meer dan al hun vaderen gedaan hadden, staat er in 1 Koningen 14:22.

    In het vijfde regeringsjaar van Rehabeam in 961 v. Chr. rukte farao Sisak alias Thothmosis III Juda binnen en plunderde de tempel te Jeruzalem.

    2 Kronieken 12:1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem. 2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE), 3 Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    In het tienstammenrijk onder leiding van hun eerste koning Jerobeam I zou er geen enkele verwijzing meer voorkomen naar het houden van sabbatjaar- en/of jubeljaren. Jerobeam voerde in het gebied van Israël een tegen-godsdienst in ter voorkoming dat mensen uit zijn rijk naar de jaarlijkse feesten des HEEREN in Jeruzalem zouden optrekken (1 Koningen 12:26:33).

    Het tiende jubeljaar van 954/953 v. Chr. was een historisch jubeljaar op basis van de dertig jubeljaren die er waren vanaf het openbaar worden van Jezus van Nazareth als de Messias in de synagoge van zijn thuisstad zoals door de evangelist Lucas (4:19) gebracht, en vervolgens terug de tijd in vanaf oktober 27/september 28 AD tot het eerste jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. Het historisch verifieerbare vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. met het veertiende regeringsjaar van Hizkia (Jesaja 37:30) en het achttiende jubeljaar van 562/561 v. Chr. (2 Koningen 25-27) met de vrijlating van Jojachin in dien zevenendertigste ballingsjaar, zijn de navigatiepunten op de tijdsbalk, die onze reis in de tijd terug als correct bevestigen. Twee tot drie navigatiepunten en een kruispeiling zijn ook vereist en voldoende ter navigatie waar dan ook.

     

    Op het bijgevoegde schema heb ik een verticale lijn getrokken van het vijfentwintigste regeringsjaar van Thothmosis III naar het vijfde regeringsjaar van Rehabeam. Voor Thothmosis III was dit zijn derde veldtocht naar Klein-Azië sinds de dood van Hatsjepsoet zijn halfzuster en rivale voor de troon van Egypte. In mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid is 961 v. Chr. een ankerjaar op tijdsbalk, een navigatiepunt waar we de koningen van Egypte mee in lijn met die van Israël brengen. Dat het negende jaar van Hatsjepsoet bijvoorbeeld met haar reis naar het land Poent/Israël gelijk viel met het dertigste regeringsjaar van Salomo is het resultaat van het verankeren van Thothmosis III met Rehabeam. Zo ook worden de vorige farao’s Thothmosis I en Ahmose aan de chronologie van Israël gelinkt. Farao Ahmose had samen met Saul van Israël de Hyksos of Amalekieten in Klein-Azië verslagen. Zie een eerdere studie op dit blog over de Bijbelse farao Sisak van 20.03.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    De plaatsing van het Egyptische Nieuwe Rijk op de tijdsbalk heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, uitgewerkt. De verschillende historische bronnen wat de faraolijst en hun regeertijd betreft worden in dit hoofdstuk naast elkaar gezet en op basis van Bijbelse navigatiepunten op de tijdsbalk in lijn met de koningen van Israël gebracht.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    15-09-2017 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Was het Tetragrammaton in het oude Egypte in hiërogliefenschrift bekend?

    Het was het herlezen van het boek: “The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization, 1949, by Margaret A. Murray, dat me op de piste voor een nieuw artikel op dit blog zette. De vraag is namelijk of het Hebreeuwse Tetragrammaton in het oude Egypte bekend was? Volgens sommige egyptologen wel, wat ik echter meen te kunnen weerleggen. De Egyptologe Margaret A. Murray (1863/1963) laat de naam van God al in de tweede helft van het vierde millennium v. Chr. (orthodoxe chronologie) in Egypte bekend worden.

    De naam van de HEERE God, het Tetragrammaton dat niemand vandaag door het ontbreken van de juiste klinkers nog correct kan uitspreken, werd door Mozes voor de eerste maal in de geschiedenis van Egypte aan het hof van farao uitgesproken. We schrijven dan 1484 v. Chr. één jaar voor de Exodus, wanneer Mozes en Aaron voor farao stonden met de opdracht van God: Laat Mijn volk trekken. Of de wereldbekende Engelse woorden uit de KJB: Let My People go.

    Exodus 3:13 Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? 14 En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De HEERE (Tetragrammaton: JHWH), de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. (Statenvertaling)

     

    De exacte uitspraak weten we dan niet meer met absolute zekerheid, de betekenis is bewaard gebleven: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL.

    Het Bijbelboek Exodus maakt ook duidelijk dat deze naam voor farao een nieuwe naam was van een God die hij voordien niet kende.

    Exodus 5:1 En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! 2 Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. 3 Zij dan zeiden: De God der Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard. (Statenvertaling)

     

     

    Rechts: hiërogliefen-afbeelding van een buitenlandse berg-god uitgebeeld met het teken van drie heuvels gevolgd door de afbeelding van een god. Daarnaast links, de tijdens de zesentwintigste dynastie toegevoegde hiërogliefen. Deze zouden bij transliteratie de letters JHW hebben weergegeven.

     

    De Egyptologe Margaret A. Murray werd geboren in 1863 in Calcutta als kind van een uit Engeland afkomstig gezin en kwam in 1894 naar het UCL voor het bestuderen van hiërogliefen. Murray leidde ook een van het eerste mummieonderzoeken in 1906 en deed belangrijke archeologische ontdekkingen in Egypte en Syrië. Een aantal van honderdvijftig publicaties waren uiteindelijk het resultaat van al haar onderzoeken. Een van haar boeken ‘The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization’, kon ik bij toeval op 17 maart 2001 in een antiquariaat in Canterbury op de kop tikken. Dat ik zo nauwkeurig de dag, de maand en het jaar kan vermelden volgt voort vanuit mijn gewoonte in elk van mijn verkregen boeken mijn naam met plaats en datum van aankoop te vermelden. Het boek blijft naar mijn mening een aanrader als inleiding tot de studie van de Egyptologie. Het is in het eerste hoofdstuk dat Murray de voorgeschiedenis van Egypte brengt met vooral aandacht voor de Gerza-tijd die vooraf ging aan de eerste dynastie met als eerste farao: Menes.

     

     

    Een afbeelding uit de zogenaamde Gerza-tijd daterend van de ‘Pre-dynastische periode’ voor Egypte. Het stelt buitenlandse schepen voor die Egypte aandoen. Het zijn enorme roeiboten met aan de achtersteven grote roeren bevestigd. In het midden hebben de schepen twee cabines met een grote mast met embleem in de top bevestigd aan een van de cabines. De bergen in de vorm van een punt staan volgens het hiërogliefenschrift voor vreemde landen. Ook het embleem op de mast met drie tot vijf bergen afgebeeld staat voor de berg-god die zijn oorsprong in het land van herkomst had.

     

    Op de getoonde afbeelding daterend uit de Gerza-tijd meent de Egyptologe Margaret A. Murray het hiëroglief van de berg-god te herkennen. Een hiëroglief dat ten tijde van de zesentwintigste dynastie na transliteratie als J-H-W gelezen kon worden. Ook hier ontbreken de klinkers echter en blijft de correcte uitspraak een vraagteken. Bovendien zijn het slechts drie letters en geen vier zoals in het Hebreeuwse Tetragrammaton. De farao ’s van de zesentwintigste dynastie dateren we van 675 tot 525 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de zesentwintigste dynastie van Manetho, blz. 375-384. Een bekende farao van deze dynastie was Necho II die in de Bijbel bij naam vermeld staat. Het is deze farao die in de slag bij Megiddo in 609 v. Chr. koning Josia van Juda doodde en op het slagveld hierbij een woord van de God van Israël aan Josia meedeelde.

    2 Kronieken 35:20 Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den (Eu)Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. 21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. 22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. (Statenvertaling)

     

    %

     

    Deel van een granieten deurstijl van Ramses II: waarschijnlijk een afbeelding van koning Josia van Juda, sneuvelend te Megiddo. Zie het artikel op dit blog van 01.09.2017: Farao Ramses II en zijn tijd.

     

    Ondanks de betoonde genade op genade liet Josia het leven op het slagveld te Megiddo. Volgens de Joodse overlevering was Josia namelijk door de profeet Jeremia gewaarschuwd om niet tegen Necho te strijden maar farao met zijn leger naar de Eufraat te laten oprukken. Een eigenzinnige Josia trok niettemin met zijn leger richting Megiddo om te strijden tegen farao Necho, en werd op het slagveld een tweede maal door de God van Israël ditmaal door monde van Necho zelf, gewaarschuwd de strijd alsnog af te breken en huiswaarts te keren. Het resultaat kennen we vanuit de Bijbelse geschiedschrijving:

    2 Kronieken 35:23 En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. 24 En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. 26 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN; 27 Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda. (Statenvertaling)

     

    In verband met ons onderwerp over het wel of niet gekende Hebreeuwse Tetragrammaton in het oude Egypte is het belangrijk op te merken dat farao Necho op het slagveld te Megiddo niet de Naam van God het Tetragrammaton in de mond neemt, maar het Hebreeuwse ‘El’ wat naar het Nederlands vertaald wordt met het Germaanse ‘God’.

     

    De Egyptologe Margaret A. Murray vermoedde dat de plaats van afkomst van de schepen die Egypte aandeden met de berg-god in het vaandel, Kreta was. Maar dit is gissen. De Gerza-tijd die aan de eerste Egyptische dynastie voorafging wordt door de orthodoxe egyptologie rond 3500 v. Chr. gedateerd en de eerste farao daaropvolgend rond 3150 v. Chr. In het licht van de chronologie die het Bijbelboek Genesis levert valt de Gerza-tijd na de spraakverwarring en de verspreiding van de volken vanuit de vlakte van Sinear over de oude wereld. De nakomelingen van de Cham, een van de zonen van Noach, trokken daarop naar Egypte en andere landen. In een artikel op dit blog van 04.07.2016 bracht ik deze geschiedenis: chronologie van Nimrod tot Abram/Abraham, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1467583200&stopdatum=1468188000

    De moderne wetenschap Egyptologie negeert het Bijbelboek Genesis met zijn oorsprongsgeschiedenis en brengt een pre-dynastieke geschiedenis van Egypte op basis van de evolutietheorie. De tijd die aan de eerste farao’s voorafging wordt over verschillende tijdperken uitgesmeerd en de aanvang bij gebrek aan schriftelijke bronnen in een ver niet meer verifieerbaar verleden geplaatst. Het Paleo-lithicum-tijdperk plaatst men bijvoorbeeld rond 500.000 à 300.000 tot 10.000 v.Chr. op de tijdsbalk. Deze constructie is volledig op de evolutie-gedachte gebaseerd, en blijft een theorie. Of zoals wijlen Huib Verweij (De boom der kennis, 1973, blz. 18) het ooit opmerkte: de evolutietheorie is uitgevonden om te bewijzen wat nog bewezen moet worden. Men kan nochtans via het Bijbelboek Genesis een exacte (jonge) geschiedenis van de oudheid brengen.

    Te Naqada in Egypte werd een site door archeologen blootgelegd met een nederzetting die voor de Archaïsche tijd gedateerd werd, de zogenaamde Naqada-cultuur, verwijzend naar de mensen die tijdens de Kopertijd van circa 4400 tot 3150 v. Chr. het land daar bewerkten. De Naqada-cultuur werd onderverdeeld in drie fases van bewoning. De oudste veronderstelde fase is die van ‘Naqada I’ die bestond uit een lokale dorpscultuur. Maar ook voor de Naqada-cultuur laat men Egypte al bevolkt worden. Vanaf circa 10.000 tot 5000 v. Chr. rangschikken deskundigen het tijdperk van het Epipa-leolithicum op de tijdsbalk. Tijdens deze periode laat men volgens de theorie, bevolkingsgroepen vanuit Zuidwest-Azië (!), de Sahara en de Boven-Nijl Egypte binnenkomen.

    Vanuit het Genesismodel gezien zijn dit de eerste kolonisten van de grote trek die in het jaar 2239 v. Chr. vanuit het Tweestromenland op gang kwam. De feiten op het terrein kloppen met elkaar, met uitzondering van de orthodoxe dateringsmethode.

    De Gerza-tijdperk-schepen die Egypte aandeden zie ik vanuit het oosten en/of het zuidwesten het gebied van Egypte aandoen en niet vanuit Kreta waar Murray de oorsprong van de schepen zag. De berg-god die de zeevaarders als embleem in hun masten toonden is nu een van de vele goden uit het pantheon van Nimrod, de kleinzoon van Cham.

     

    Een andere egyptoloog die meent dat de naam van God in het oude Egypte bekend was, is Donald B. Redford (1934-). In zijn boek Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times, 1992, geeft de auteur minstens vijftien verwijzingen naar de naam Yahweh, samen met de toegevoegde klinkers die sommige Anglo-Amerikanen menen te kunnen aanbrengen. De naam wordt ook beginnend met een Ypsilon geschreven in plaats met de letter J of Jod maar dat heeft met de Engelse uitspraak te maken.

    De egyptoloog Donald B. Redford beschouwt de Bijbel als een verzameling van verhalen en legenden zonder historische waarde en in wezen gelijk aan de vele mythologieën. De aartsvader Jozef bijvoorbeeld ziet hij als een fictief persoon die geen enkele historische waarde heeft. Hij gaat er van uit dat de Hyksos-periode in Egypte de oorzaak van het ontstaan van mythes in Kanaän werd wat leidde tot het verhaal rond Mozes. De auteur van het Bijbelboek Exodus had volgens Redford geen kennis van het oude Egypte van voor de zevende eeuw v. Chr.

    Wanneer Redford in zijn boek ‘Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times’ over het historische Israël schrijft doet hij dat aan de hand van de enkele schaarse bewaard gebleven berichten uit het oude Egypte. Een voorbeeld is de Merneptah-stele waarop naar het volk Israël verwezen wordt. Er bestond volgens Redford pas een Israëlitische entiteit in Kanaän aan het einde van de dertiende eeuw v. Chr. Meer wil hij echter niet invullen. De oorsprongsgeschiedenis van Israël zoals gebracht in de Bijbelboeken Genesis en Exodus wijst hij af. Wat de dateringsmethode van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk betreft volgt Redford de sinds meer dan honderd jaar geldende Sothis-kalender die de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste eeuw lanceerde. Farao Merneptah zit aldus foutief in 1212/1202 v. Chr. op de tijdsbalk. Over de gereviseerde plaats van Merneptah op de tijdsbalk schreef ik eerder op dit blog op 02.08.2016 een artikel: een verwijzing naar Israël op de Merneptah-stele, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1470002400&stopdatum=1470607200

    In lijn met de orthodoxe egyptologie laat Redford de Tempel te Jeruzalem in het volgens de Bijbel vijfde regeringsjaar van Rehabeam door farao Sjosjenq I van de Libische tweeëntwintigste dynastie plunderen. Hier meent hij (Chapter 12) dat de Bijbel voor de eerste maal pas een verifieerbare link met Egypte maakt? In zijn hoofdstuk 12 verwijst Redford zelfs naar ‘het Huis van Yahweh’ te Jeruzalem. Het is hier dat de wetenschapper Professor Donald Bruce Redford B.A., M.A. and Ph.D zich naar mijn mening laat meeslepen door de algemeen door de orthodoxie aanvaarde maar fout bevonden schikking van de Libische dynastie op de tijdsbalk. Geen enkele Egyptisch-Libische oudheidbron verwijst namelijk ten tijde van Sjosjenq naar het Huis van Yahweh te Jeruzalem. Niettemin verbindt Redford het ‘Huis van Yahweh’ met Sjosjenq I.

    Het is de verdienste van de revisionist van de geschiedenis van de oudheid de egyptoloog David M. Rohl de plaatsing van de Libische dynastie in de tiende eeuw v. Chr. weerlegd te hebben. In zijn boek A TEST OF TIME, The Bible – From Myth to History, 1995, Chapter Five, toont Rohl op wetenschappelijke wijze aan dat farao Sjosjenq I nooit in Jeruzalem geweest is en dat zijn veldtocht naar Klein-Azië noordelijk van Judea plaatsvond. Rohl haalt hier op grandioze wijze een van de pilaren van de orthodoxe egyptologie neer.

    Redford echter blijft trouw aan de dateringsmethode van de egyptologie waarmee de dynastieën van Manetho op de tijdsbalk gerangschikt werden. Als een gevolg daarvan ziet hij de Amarna-tijd in de veertiende eeuw v. Chr. met de vermelding van Jeruzalem in de kleitabletten-briefwisseling van een veronderstelde Kanaänietische koning Abdi Hiba met residentie in Jeruzalem met de farao ’s Amonhotep III en IV van de achttiende dynastie Chapter 10). De algemene briefwisseling beschrijft volgens de orthodoxie de toestand in Kanaän voor de intocht van de Israëlieten. De orthodoxie ziet in de vermelde Habiroe in de Amarna-correspondentie een verwijzing naar de Hebreeën van Jozua.

    De draad met het Tetragrammaton en het Egyptische hiëroglief Y-H-W neemt Redford op wanneer hij de Sjasoe in Kanaän beschrijft. Hij vereenzelvigd zonder bewijs de Egyptische naam Y-H-W met het Tetragrammaton als stammend uit Edom en de Sjasoe.

    For half a century it has been generally admitted that we have here the tetragrammaton, the name of the Israelite god, “Yahweh”, and if this be the case, as it undoubtedly is, the passage constitutes a most precious indication of the whereabouts during the late fifteenth century BC of an enclave revering this god. And while it would be wrong to jump to the conclusion that “Israel” as known from the period of the Judges or the early monarchy was already in existence in Edom at this time, one cannot help but recall the numerous passages in later Biblical tradition that depict Yahweh “coming forth from Seir” and originating in Edom. The only reasonable conclusion is that one major component in the later amalgam that constituted Israel, and the one with whom the worship of Yahweh originated , must be looked for among the Shasu of Edom already at the end of the fifteenth century BC.

     

    Op basis dat al gedurende een halve eeuw het toegegeven wordt dat het Egyptische Y-H-W het Hebreeuwse Tetragrammaton voorstelt moet volgens Redford de conclusie zijn dat het Tetragrammaton met Edom verbonden kan worden? Ter ondersteuning van zijn postulaat dat het Tetragrammaton uit Edom stamt, haalt hij zonder bronverwijzing veronderstelde zogenaamde talrijke passages uit de Bijbel en de overleveringen aan waar vermeldt wordt dat de HEERE God uit Seïr optrekt. Ik ben vanuit mijn studie vertrouwd met deze Bijbelgedeelten zoals dit van de profeet Habakuk. Dit zijn Bijbelgedeelten die hun vervulling ten tijde van de Exodus kenden en ook nog een eindvervulling zullen zien bij de alsnog toekomstige Apocalyps. In die beschreven zogenaamde Apocalyptische tijd zal overigens ook Edom opnieuw zijn rol spelen.

    Het laatste hoofdstuk van de profeet Zacharia sluit af met een apocalyptisch gedeelte. Daarin wordt geprofeteerd over een wereldoorlog, over een oprukken van alle natiën tegen het herstelde Jeruzalem (14:2). Op het hoogtepunt van de beschreven eindstrijd grijpt de HEERE God in (14:3-4) en ziet de profeet Zacharia Hem staan op de Olijfberg die als een gevolg splijten zal, waarna een apocalyptisch beeld zonder weerga geschetst wordt. Het is de gevreesde en lang verwachte Dag des HEEREN die beschreven wordt (14:5-8). En dan vervolgd de profeet met een bijzondere voorspelling wat betreft de Naam van God:

    Zacharia 14:9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een. (Statenvertaling)

    Jesaja 42:8 Ik ben de HEERE (JHWH), dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. (Statenvertaling)

     

    IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL, de betekenis van het Tetragrammaton, zal dan voor ieder duidelijk zijn. Het jaar 70 AD met de vernietiging van de Tempel door de Romeinen en de wegvoering van de Joodse bevolking in ballingschap betekende niet het definitieve einde van Israël maar zal volgens het Profetische woord van de Bijbel een vervolg kennen.

     

    De conclusie van de egyptoloog Donald B. Redford dat de enige redelijke verklaring voor de vraag waar het Tetragrammaton ontstond de Sjasoe in Edom was, is niet aangetoond. Hij maakt zich zelfs hierbij naar mijn mening, schuldig aan een cirkelredenering die in wezen niets bewijst. Alleen het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid geeft uitkomst. De achttiende en negentiende dynastie horen op de tijdsbalk niet thuis in de veertiende en dertiende eeuw v. Chr. waar de orthodoxie ze plaatste maar komen volgens de revisie op de tijdsbalk zo een zeshonderd jaar dichterbij. Wie de Sjasoe in werkelijkheid waren wordt pas in de zevende eeuw v. Chr. volledig duidelijk. Zie het artikel op dit blog van 11.08.2016: Farao Seti I van de Egyptische negentiende dynastie, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1470607200&stopdatum=1471212000

     

    Mijn conclusie is dat het Egyptische hiëroglief van de berg-god niets anders is dan de voorstelling van een vreemde berg-god. De oorsprong was het land van Nimrod: Sinear, van waaruit Egypte aangedaan werd, en dit lang voor er sprake van Edomieten en/of Sjasoe was. Ik merk ook op dat Redford nergens naar de Egyptologe Margaret A. Murray en haar studie: “The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization, 1949, verwijst. Murray maakt nochtans duidelijk dat de berg-god Y-H-W al tijdens de Gerza-periode zijn intrede in Egypte deed en diens oorsprong dus niet in Edom ligt.

     

    Let op: het is een onderdeel van het werk van de egyptoloog Donald B. Redford dat ik afwijs en niet zijn gehele studie. In mijn boek ‘De Zonaanbidder’ uit 2016 verwijs ik in mijn bibliografie naar het werk van Redford met vooral aandacht voor zijn studie ‘Akhenaten-The Heretic King, 1987. In dit boek toont Redford zich een genie die egyptologie en archeologie meesterlijk verbindt en hiermee een nooit eerder getoond profiel van Achnaton weergeeft. Wat ik afwijs is de orthodoxe dateringsmethode waarmee zij de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk geplaatst hebben.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    08-09-2017 om 10:07 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Farao Ramses II en zijn tijd

    Mijn aflevering van deze week draagt de titel van een boek van wijlen Dr. Immanuel Velikovsky (1895/1979). Een boek dat bij de publicatie in 1978 niet alleen van de orthodoxe egyptologie heel wat tegenwind kreeg maar ook van revisionisten van de geschiedenis van de oudheid. Op basis van oudheidgeschriften, inscripties en monumenten kwam Velikovsky tot de conclusie dat de Egyptische chronologie zoals die door de orthodoxe egyptologie uitgedokterd was, niet correct was, maar dat er op de tijdsbalk verschillen zijn die oplopen tot zeshonderd jaar wanneer men zijn revisie hanteert. Volgens Velikovsky is Ramses II dezelfde farao als Necho II en was de Babyloniër Nebukadnezar een tijdgenoot en zijn antagonist. Het Hettietische koninkrijk zou volgens Velikovsky hetzelfde rijk zijn geweest als het Chaldeeuwse rijk van Nebukadnezar?

     

     

    Zijn eerder gepubliceerde boeken “Werelden in botsing” (1951) en “Aarde in beroering” (1952) waarin Velikovsky zijn catastrofistische theorieën uiteenzette werden bij de publicatie door de academische wereld verworpen. De catastrofetheorie leert dat bepaalde tijdperken in de geschiedenis van de aarde abrupt werden afgesloten door rampen van kosmische oorsprong, zoals het langs de aarde scheren van een komeet, die zich vervolgens in een permanente baan om de zon heeft gevestigd en nu bekend is als de planeet Venus. Deze rampen zouden in het collectieve geheugen van de mensheid zijn gegrift en de bron vormen van diverse mythen over de hele wereld.

    Verder deed Velikovsky beweringen over eigenschappen van de planeten Venus en Jupiter. Zo was hij van mening dat de planeet Jupiter radiosignalen uit zou moeten zenden. Dit werd 1954 toevallig bevestigd door Bernard Burke en Kenneth Franklin van het Carnegie Instituut in Washington D.C., afdeling radioastronomie en aardmagnetisme. Op 6 april 1955, tijdens een bijeenkomst van de American Astronomical Society, meldden ze hun bevindingen. Ook beweerde hij dat de oppervlaktetemperatuur van Venus zeer hoog zou liggen, in de orde van honderden graden Celsius boven nul. Dit stond haaks op de toen algemeen geaccepteerde inzichten over Venus. In 1962 passeerde de ruimtesonde Mariner 2 de planeet Venus en stelde vast dat de oppervlaktetemperatuur ongeveer 400 graden Celsius bedraagt. Tevens nam de sonde waar dat Venus een retrograde, tegengestelde, draairichting heeft ten opzichte van de andere planeten, behalve Uranus, in ons zonnestelsel.

    Hierna volgt een korte samenvatting van Velikovsky’ s kosmologische bevindingen in relatie tot de geschiedenis van het oude Egypte en Israël. Rond 1500 voor Christus was de planeet Venus nog een komeet, die ontstaan was uit Jupiter, en rond deze tijd de baan van de aarde verstoorde. Beide hemellichamen geraakten in elkaars invloedssfeer en de aarde werd in zijn omloop om de zon gestoord, met als een gevolg te lange en te korte dagen en nachten wat door oudheidastronomen ook waargenomen werd. Een ander resultaat waren aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en het vormen van nieuwe gebergten als gevolg van een bewegende aardkorst. Uit de staart van de komeet viel een rode stof, soms vermengd met vloeistof, meteorieten en koolwaterstoffen op aarde neer. Met de interactie tussen Venus en planeet Aarde nam men elektrische ontladingen waar tussen de kop en de staart van de komeet. Op aarde gaf deze waarneming aanleiding tot het ontstaan van heel wat mythologische verhalen. De plaats van de polen op aarde veranderde. De door de grote hitte verdampte hoeveelheid water viel als sneeuw neer op plaatsen, waar vroeger geen koud klimaat heerste, met resultaat ingevroren mammoets in Siberië. Dit ganse kosmologische scenario gebeurde tegelijk met de Exodus van de Israëlieten uit Egypte in 1483 v. Chr. en verklaart de Bijbelse plagen en het uiteengaan van de Rode Zee. Daarna vond nog een cyclus van bijna-botsingen plaats alvorens de planeten van ons zonnestelsel tot rust kwamen en hun huidige baan om de zon innamen.

     

     

    Velikovsky herschikte de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk met ditmaal de historische Bijbelboeken als leidraad. Het Egyptische Oude en het Midden-rijk waren volgens hem contemporain en gingen als een gevolg van de tien plagen en de Exodus ten onder. Nog hetzelfde jaar werd Egypte door de Hyksos overrompeld. Velikovsky identificeerde de Hyksos of Amoe uit Egyptische bron met de Bijbelse Amalekieten en voegt de periode van de Hyksos als tussenperiode in de Egyptische geschiedenis in, van de vijftiende tot de tiende eeuw v. Chr. Zo verhuist het Nieuwe Rijk met het begin van de achttiende Egyptische dynastie op de tijdsbalk naar de periode van de koningen van Israël: Saul, David en Salomo rond 1000 v. Chr. De revisie door Velikovsky van de geschiedenis van de Oudheid werd zoals eerder opgemerkt door de academische wereld verworpen. Tot enkele decennia terug wekte de naam Velikovsky in het wetenschappelijke establishment afkeer op. Tegenwoordig vind men de boeken van Velikovsky alleen nog in gespecialiseerde antiquariaten en dikwijls worden ze geklasseerd onder het vak: esoterie, wat spijtig is. Men kan namelijk op onderdelen van Velikovsky ’s baanbrekend werk van mening verschillen en/of afwijzen, maar niet heel zijn werk. Wat mij persoonlijk betreft in mijn studie van de chronologie van de oudheid, passen de bevindingen van Velikovsky sluitend in mijn chronologische reconstructie met de Bijbel als leidraad. In mijn boek ‘TIJD en TIJDEN, 2016’ volg ik de grote lijnen van Velikovsky ’s reconstructie met hier en daar enkele afwijkingen waar ik meen een verbetering te kunnen aanbrengen. Een voorbeeld is de bekende Amarna-tijd in Egypte dat ik op de tijdsbalk in de achtste eeuw v. Chr. onderbracht met de koningen Pekah en Hosea van het tienstammenrijk als correspondenten met farao Achnaton.

    Wat het boek Ramses II en zijn tijd betreft wijk ik van Velikovsky af in die zin dat ik Ramses II van de negentiende dynastie niet zoals Velikovsky als een alter ego van farao Necho II van de zesentwintigste dynastie zie maar als contemporain met elkaar. Ramses II is in mijn reconstructie ondergeschikt aan Necho II. Zo zijn ook Nebukadnezar en Hattoesilis tijdgenoten van elkaar en niet één en dezelfde persoon. Het was het boek van C. Verburg, Farao nagerekend, 1977, hoofdstuk II, 43-45, dat me op deze denkpiste zette.

     

    Ramses II ook wel Ramses de Grote genoemd, nam als onderdeel van het leger van Necho met zijn legereenheid deel aan de slag bij Karkemis in 605 v. Chr. Velikovsky (Ramses II en zijn tijd, hoofdstuk 1) toonde in zijn werk aan dat de slag tussen Ramses II en de Hettieten wel degelijk bij Karkemis aan de rivier de Eufraat werd uitgevochten en niet aan de rivier de Orontes. Zijn bewijslast voor de herkenning van het Egyptische ‘Kadesj’ dat ‘heilige’ betekent, met Karkemis is overtuigend. Karkemis betekent ‘de stad’ (Kar) van Kemis of ‘Kemosj’. Als naar een god genoemde of aan een god gewijde stad was het een heilige plaats: Kadesj. Op Assyrische muurreliëfs van Salmaneser met afbeeldingen van de stad Karkemis herkennen we dezelfde stad zoals afgebeeld op Egyptische muurreliëfs. Dr. Immanuël Velikovsky put zijn gegevens uit een grondig onderzoek van oudheidteksten en oude topografische kaarten en plannen van veldslagen en van stratigrafische methoden van de archeologie. Zo een voorbeeld is de tombe en de sarcofaag van koning Ahiram te Byblos in Fenicië, of Jebeil in het moderne Libanon.

     

     

    De tombe werd in de vorige eeuw in 1921 door archeologen blootgelegd en onderzocht. De sarcofaag behoorde aan een Fenicische koning Ahiram of Hiram. Het is een naam die meerdere Fenicische koningen over de eeuwen heen hadden. De afbeelding hierboven toont koning Ahiram op een troon met gevleugelde sfinxen en hovelingen tegenover hem. De andere zijde toont een processie van personen die offeranden dragen. De uiteinden van de sarcofaag tonen vier rouwklagende vrouwen. Aan de ingang van de tombe vond men een vervloekingstekst in Hebreeuwse/Fenicische letters. Dicht bij de ingang werden verscheidene fragmenten van een albasten vaas gevonden met de naam van Ramses II er op vermeld. Daarnaast vond men in de tombe Cypriotisch aardewerk dat door deskundigen als een product uit de zevende eeuw v. Chr. gedateerd werd. Dit was overigens de start van een jarenlange discussie over hoe dit aardewerk in de tombe van koning Hiram verzeild was geraakt, een koning die men aan de hand van de cartouches van Ramses II in de dertiende eeuw v. Chr. gedateerd had. Voor Velikovsky is de conclusie duidelijk: Het Cypriotische aardewerk is contemporain met de tombe en farao Ramses II hoort aan het einde van de zevende eeuw, begin zesde eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst. Zo ook het Hebreeuwse/Fenicische schrift aan de ingang en op de sarcofaag, dat ook in de zevende eeuw v. Chr. thuishoort. Velikovsky citeert in zijn boek een Israëlische geleerde M. Haran, die in 1958 een artikel schreef over de afbeelding van de vier klaagvrouwen op de sarcofaag. Twee van de vier vrouwen slaan zich op de heupen, terwijl de andere twee het hoofd in de handen houden. De Israëlische historicus haalde verscheidene voorbeelden aan van het slaan met de handen in het Oude Testament als uiting van diepe smart, met name in het Bijbelboek Jeremia 31:19 en Ezechiël 21:12. De andere vrouwen zetten de handen op hun hoofd – eveneens een bekend verschijnsel bij klagen, bij rouw en bij pijn. De profeten Jeremia en Ezechiël waren tijdgenoten van Nebukadnezar in de zesde eeuw v. Chr. en zo was Ramses II eveneens contemporain met hen.

    Op het hierna volgende citaat van Velikovsky zeg ik eveneens amen: “Niets is zo vermoeiend als een gedetailleerde chronologie. Maar indien deze wiskunde van de geschiedenis nageplozen wordt niet ter wille van zichzelf maar om identiteiten vast te stellen en als het dient om deze identiteiten te kunnen bewijzen, dan kan er een boeiende studie uit voortvloeien”.

     

     

    Zoals bij de aanvang van mijn artikel vermeldt bestaat er geen overeenstemming onder de vele revisionisten van de geschiedenis van de oudheid over de exacte plaatsing van Ramses II op de tijdsbalk. De onderzoeker Donovan A. Courville (The Exodus Problem and its Ramifications, 1971) bijvoorbeeld laat de negentiende dynastie van Manetho de achttiende dynastie opvolgen en plaatst Ramses II op de tijdsbalk in 805/739 v. Chr. en maakt hem een tijdgenoot van de koningen Uzzia van Juda en van Jerobeam II van Israël. Deze koningen van Juda en Israël evenaarden echter de macht van David en beheersten het gebied vanaf de beek van Egypte tot aan de Eufraat. Ramses II laat zich tijdens deze epoque niet eenvoudig op de tijdsbalk plaatsen.

    De egyptoloog David Rohl (A Test of Time, 1995) heeft in zijn reconstructie Ramses II dan weer als tijdgenoot van Salomo en Rehabeam in de tiende eeuw v. Chr. en meent Ramses II met de Bijbelse Sisak te kunnen identificeren. Rohl laat de negentiende dynastie van Manetho de achttiende opvolgen, en linkt zijn constructie aan een vermeende zonsverduistering over Oegarit in 1012 v. Chr. Ik vermeldde eerder in mijn boek ‘De Assyriologie herzien, 2012’ dat men geen exacte zonsverduisteringen meer kan berekenen voorbij de achtste eeuw v. Chr., de tijd in. In die eeuw werden er in de oudheid als een gevolg van een verstoring van de aarde in haar baan om de zon, kalenderwijzigingen noodzakelijk en doorgevoerd.

    Maar mijn grootste bezwaar tegen de constructie van Rohl is dat als een gevolg van zijn plaatsing van de Amarna-farao’s op de tijdsbalk, de Bijbelse koningen Saul en David nu tot correspondenten en vazallen van de farao’s Amonhotep III en Achnaton gemaakt worden. Wanneer men de betreffende Amarna-brieven online op het internet leest dan valt onmiddellijk op dat de Amarna-correspondenten allen afgodendienaars waren. De persoon van David staat uitvoerig in de Bijbel beschreven waar vooral de Bijbelboeken 1 en 2 Samuël, 1 Koningen en 1 Kronieken zijn levensloop beschrijven. Zo ook zijn er meerdere psalmen in de Bijbel die door David geschreven zijn. ‘Een man naar mijn hart’ noemt de HERE God hem. Wanneer men al deze informatie tot zich neemt is het onmogelijk koning David van Israël als een afgodendienaar te herkennen. Daarenboven leert de Bijbel dat het knechtschap van Israël/Juda aan Egypte, eerst ten tijde van Rehabeam aanving (2 Kronieken 12:8) en niet eerder. Men kan op basis van dit Schriftgedeelte onmogelijk koning David als een knecht of vazal van farao van Egypte herkennen. Zie ook het artikel op dit blog van 20.03.2017: De Bijbelse farao Sisak, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

     

    De orthodoxe Egyptologie heeft Ramses II op de tijdsbalk geplaatst van het jaar 1279 tot 1212 v. Chr. en dit op basis van een veronderstelde Sothis-kalender. Volgens de historische boeken van de Bijbel bevinden we ons voor deze periode op de tijdsbalk ten tijde van de Richteren. Richteren die na de dood van Jozua en de oudsten, het Israëlitische volk leidden. Heel opmerkelijk: het Bijbelboek Richteren zwijgt over Egypte als grootmacht gedurende deze tijd. Zie het artikel van 18.08.2017 op dit blog voor de Sothis-kalender.

     

     

    In mijn onderzoek van de geschiedenis van de oudheid meen ik dat Velikovsky gelijk heeft met zijn plaatsing van Ramses II aan het einde van de zevende eeuw begin zesde eeuw v. Chr. Wat ik afwijs is zijn stelling dat de zesentwintigste dynastie een fabricatie van Manetho was en dat deze farao ’s in wezen alter-ego’s van de farao ’s van de negentiende dynastie waren. Zoals eerder opgemerkt meen ik dat Ramses II als een ondergeschikte co-regent met één divisie van het Egyptische leger, aan de slag bij Kadesj/Karkemis deelnam. Het leger van Necho II/Ramses II tijdens de slag bij Karkemis bestond uit vier divisies. Ramses II commandeerde slechts één van de divisies van het leger van farao Necho, namelijk de divisie van Amon die aan de Eufraat in moeilijkheden geraakte en gered werd door het tijdig op het strijdtoneel verschijnen van de andere legergroep. Een andere divisie van het legen van Necho was samengesteld met de Sardan of Lidiërs. Deze soldaten worden ook beschreven door de profeet Jeremia. De oudheidhistoricus Herodotos (Boek 2:154) leert ons dat ten tijde van de regering van Psammetichos van Manetho ’s zesentwintigste dynastie het aan Griekse huurlingen toegestaan werd zich in noordoostelijk Egypte te vestigen. De Lidiërs of Loedim in het Hebreeuws, die de profeet Jeremia vermeldt zijn de Griekssprekende huurlingen die in het leger van Necho dienden en mee aan de Eufraat in de slag bij Karkemis tegen Nebukadnezar vochten.

     

    In mijn variant op de reconstructie van Velikovsky meen ik dat farao Necho II tijdens de slag bij Karkemis in 605 v. Chr. het leven liet en Ramses II ongedeerd met het leger naar Egypte terugkeerde. Dat Necho sneuvelde in de slag bij Karkemis kan men afleiden uit Jeremia 46:17 waar farao ‘een rumoermaker’ genoemd wordt die zijn tijd liet voorbijgaan. De regeringsjaren der farao’s van de zesentwintigste dynastie zijn dus ook aan een revisie toe en hiermee komt dan misschien het laatste heilig huisje van de Egyptologie neer. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 375-384, bied ik een chronologische reconstructie van de zesentwintigste dynastie van Manetho aan.

    Bij zijn behouden thuiskomst trok Ramses II alle macht naar zich toe en voerde een damnatio memoriae naar de persoon van Necho II uit. Het kanaal van de Nijl naar de Rode Zee bijvoorbeeld een werk dat door Necho begonnen (Herodotos Boek 2:158), kwam aldus op naam van Ramses II. Ook op vele bouwwerken van Necho werd de naam van Ramses II toegevoegd (Kroniek van de farao’s - Peter A.Clayton - hoofdstuk negentiede dynastie Ramses II - Ramses de bouwer ). Ook de gevestigde Egyptologie spreekt over een voor hen alsnog onverklaarde damnatio memoriae. De beelden van Necho II werden het offer van de razernij waarmede zijn nagedachtenis werd vervolgd. Momenteel werden slechts een klein aantal steles, enkele reliëfs en twee bronsjes gevonden die voor vernieling bewaard gebleven zijn.”

    Tot aan de era van Ramses II maakten Egyptische kunstenaars hun afbeeldingen op zogenaamde bas-reliëfs. Tijdens de regering van Ramses II ging men over naar het zogenaamde verzonken reliëf. De reden hiertoe was dat Ramses II zich heel wat gebouwen in Egypte tijdens zijn bewind toe-eigende en er zijn naam in liet beitelen. Met andere woorden: door toepassing van het verzonken reliëf werd de naam van Ramses’ voorganger weggebeiteld, met zijn naam in de plaats eroverheen. Op deze manier werden al bestaande bouwwerken die Ramses' bevielen van zijn naam voorzien en usurpeerde hij ze.

    Wanneer men de plaatsing van Ramses II op tijdsbalk door de verschillende onderzoekers zowel uit orthodoxe hoek als van revisionistische zijde onderzoekt en aan de Bijbel toets blijkt dat hun revisie niet in overeenstemming met de historische boeken van de Bijbel is. Alleen in de zevende en zesde eeuw v. Chr. waar Velikovsky en anderen Ramses II op de tijdsbalk plaatsen blijkt dat Ramses II daar op zijn plaats zit en er geen contradictie bestaat.

    Tot slot wil ik aandacht geven aan de tot nu toe niet opgegraven hoofdplaats Saïs van de zesentwintigste dynastie. De Griekse naam Saïs komt in de Bijbel niet voor, alhoewel farao Necho II en zijn tijd wel vermeld werden. De naam van de hoofdplaats van Necho II in Egypte had in de Bijbel een andere naam.

    Het Bijbelboek Jeremia geeft heel wat informatie over het Egypte van de zevende eeuw voor Christus. Tijdens de periode van de slag bij Kadesj/Karkemis leert Jeremia dat Egypte meerdere koningen had met ieder een hoofdstad:

    Jeremia 46:13 Het woord, dat de HEERE tot den profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan. 14 Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is. 15 Waarom zijn uw sterken weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen de HEERE voortdreef. 16 Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. (Statenvertaling)

     

    Tachpanhes lijkt de belangrijkste plaats in Egypte geweest te zijn omdat Jeremia (hfst.43:9) daar het paleis van de farao situeert. De stad Nof was Memfis, maar van Tachpanhes en Migdol weten we tot op heden niet waar deze plaatsen zich bevonden. Migdol betekent wachttoren en lag vermoedelijk aan de grens van Egypte met Klein-Azië.

    De orthodoxe Egyptologie heeft de hoofdstad Saïs van de zesentwintigste dynastie in de noordwestelijke Nijl-Delta op de kaart geplaatst. Nu blijkt vanuit het werk van Velikovsky dat deze keuze heel lichtvaardig gemaakt is en in wezen zonder archeologische basis. Tot op heden werden in feite geen ruïnes van deze toch belangrijke stad gevonden. De ondergrond van het huidige Sa al-Hagar (waar men vermoedt dat Saïs begraven ligt) is van water verzadigd en daarom nooit grondig onderzocht (Peter A. Clayton, Kroniek van de farao’s - 26ste dynastie). Wat gevonden werd zijn slechts enkele oesjabti’s met de naam van Psammetichos, de vader van Necho er op vermeld. Velikovsky stelt dat men te snel tot voorbarige conclusies is gekomen wat de plaatsing van Saïs betreft op de kaart van Egypte.

    Velikovsky leert dat Tanis, (het Bijbelse Zoan), en Saïs één en dezelfde stad zijn. Hier ook volg ik een eigen variant los Velikovsky. Ik meen namelijk op grond van Jeremia ’s opgave van Egyptische steden dat niet Tanis, maar het Bijbelse Tachpanhes het Saïs van de oudheid is. Saïs en het Bijbelse Tachpanhes met het paleis van farao zijn dan één en dezelfde stad. En er zijn in de Bijbel aanwijzingen waar Tachpanhes te vinden is. De Joodse vluchtelingen, door Jeremia (43:5-7) beschreven, doen als eerste stad in Egypte Tachpanhes aan. Dit gegeven plaatst deze stad zondermeer in het noordoosten van Egypte. Een en ander wordt door de Griekse Septuagint Bijbelvertaling bevestigd; dat Tachpanhes als Taph’nas weergeeft. En dit zou de belangrijke versterkte stad Daphnai in noordoostelijk Egypte geweest kunnen zijn. Het ontdekken van het werkelijke Sais zou wel de archeologische vondst van het derde millennium kunnen zijn. Herodotos(Boek 2:169) beschrijft het paleis en de begraafplaats van farao Amasis en zijn voorgangers. Op basis van wat de Bijbel over farao Necho en zijn hoofdplaats Tachpanhes leert, had men beter voor het Griekstalige ‘Saïs’ op zoek gegaan in de noordoostelijke Nijldelta en heel wat tijd, energie en geld bespaart. Ook de oudheidhistoricus Herodotos wijst naar de noordoostelijke Nijldelta voor de plaatsing van Saïs op de kaart, langs de door hem beschreven Saïtische Nijlmonding stroomafwaarts.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    01-09-2017 om 09:10 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een vingerafdruk van koning Achaz van Juda uit de achtste eeuw v. Chr.?

    Koning Achaz regeerde over het tweestammenrijk Juda van 739 tot het voorjaar van 722 v. Chr. De afbeelding is van een kleizegeltje van slechts een paar centimeter groot dat in het moderne Israël gevonden werd. De Hebreeuwse tekst er op vermeld luidt: “behorend aan Achaz (zoon van) Jotham koning van Juda”.

     

     

    Het werd gebruikt om een perkamentrol te verzegelen. Over de oorsprong van het zegel bestaat er onder specialisten weinig discussie. Indien Achaz het zegel zelf heeft aangebracht hebben we hier een (gedeeltelijke) vingerafdruk van de koning.

    De chronologische verankering van de regeerperiode van koning Achaz op de tijdsbalk heb ik uitvoerig behandeld in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 289-294.

    Achaz was ook buiten de grenzen van Juda/Israël bekend. De Assyriërs bijvoorbeeld verwijzen in hun annalen naar Achaz bij name. De Assyrische koning Tiglath Pileser III vermeldt Achaz in een van zijn bewaarde muur reliëfs: Nimrud, Zuid oostelijk paleis, Slab inscriptie ( 6-16). Zie het artikel op dit blog van 14.04.2016, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1460325600&stopdatum=1460930400

    Volgens mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid was de Bijbelse Achaz een tijdgenoot en correspondent met de farao ’s Amonhotep III en Achnaton van de achttiende dynastie. Met hen correspondeerde hij in de Akkadische taal onder de naam Abdi Hiba. Ook de Assyriër Tiglath Pileser III vinden we in dezelfde briefwisseling met farao terug.

    Hierna een extract uit mijn boek ‘De Zonaanbidder, 2016’ dat een en ander van mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid verklaart.

    Citaat:

    De Amarna-briefwisseling van Abdi-Hiba alias Ebed Tov (de goede dienstknecht) met farao Amonhotep III en farao Amonhotep IV

    De Amarna-briefwisseling is een verzameling kleitabletten die de briefwisseling van de (Klein-Aziatische) vazallen met de farao’s Amonhotep III en IV in Klein-Azië, bevat. De orthodoxe egyptologie dateert ze via hun foutieve Sothis-kalender in de vijftiende en veertiende eeuw voor Christus. Velikovsky beweerde dat ze in de negende eeuw voor Christus thuishoren. Er werden meer dan honderd bladzijden in zijn boek ‘Eeuwen in chaos’ aan de Amarna-kleitabletten gewijd. Volgens Dr. Velikovsky waren de Bijbelse koningen Achab en Josafat tijdgenoten en correspondenten van Achnaton. Velikovsky wees er terecht op dat de vertaling van het Akkadisch spijkerschrift meerdere vertalingen, wat betreft namen van personen en plaatsen, mogelijk maakt. Enkele alternatieve voorbeelden die Velikovsky voor Abdi Hiba aanhaalt zijn bijvoorbeeld: Abdi-Kheba, Abdi-Hepat, Abdi-Hebat of Ebed-Nob. Een betere vertaling van Abdi Hiba volgens Velikovsky is het Hebreeuwse Ebed Tov dat ‘de goede dienstknecht’ betekent.

    In mijn studie ‘Genesis versus Egyptologie’ identificeerde ik koning Achaz van Juda en koning Hosea van Israël, als Abdi Hiba en Rib Addi uit de Amarna-briefwisseling. De rebel Labaja in de Amarna-brieven is Pekah van het tienstammenrijk. Deze genoemde koningen van Israël en Juda waren volgens de Bijbel, alle afgodendienaars en passen dus beter in het plaatje wat de inhoud van de briefwisseling betreft. Ik heb moeite met de identificatie van Abdi Hiba met bijvoorbeeld koning Josafat van Juda, die volgens de Bijbel op de HERE God vertrouwde, maar in zijn vermeende briefwisseling met Farao andere goden gediend zou hebben. Dit is al voldoende basis om de identificatie van Josafat als een Amarna-briefschrijver af te wijzen. Deze opmerkingen nemen uiteraard het opzoekwerk dat vooral Velikovsky geleverd heeft, niet weg. Opzoekingen die het fundament voor het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid legden.

    De taal van de Amarna-briefwisseling was het Akkadisch, een oudheidtaal waarvan het gebruik er van tegenwoordig te vergelijken is met het Engels als internationale communicatietaal. De farao’s Amonhotep III en IV worden in de briefwisseling aangeduid als Nimoeria en Nafoeria. De identificatie van de briefontvangers Nimoeria en Nafoeria staat buiten twijfel. De identificatie van de verzenders is niet eenvoudig. Geen van de brieven is gedateerd, wat het chronologisch schikken moeilijk maakt. De meeste brieven zijn van Farao’s vazallen in Klein-Azië. Sommige brieven zijn van onafhankelijke vorsten zoals koning Suppiluliuma van het Hethietenrijk en Boernaboeriasj van Babylon.

    Zoals eerder opgemerkt heb ik vanaf het eerste regeringsjaar van Horemheb in 671 v. Chr. op de tijdsbalk teruggewerkt en de farao ’s Eje, Toetanchamon, Smenkhkare en Achnaton chronologisch gerangschikt.

    Horemheb is in Velikovsky ’s reconstructie een vazal van de Assyriërs. In mijn model past dit volkomen en ik laat logischerwijze de Amarna-farao ’s aan de regeerperiode van Horemheb, voorafgaan. Enkele belangrijke puzzelstukjes worden op deze manier ingevoegd. Farao Achnaton bijvoorbeeld regeert nu ten tijde van de val van Samaria in 717 v. Chr. De verovering van Samaria of Soemoer is in de Amarna-briefwisseling terug te vinden. We moeten bedenken dat de hoofdstad Samaria van het tienstammenrijk in zijn geschiedenis vanaf koning Omri, de bouwer van de stad, slechts eenmaal ingenomen werd.

    In totaal zijn er vijf brieven (kleitabletten) van Abdi Hiba uit Jeruzalem te Amarna, het Achetaton uit de oudheid, gevonden. Deze brieven werden door de wetenschappers gecatalogeerd onder de nummers: EA 285 tot 290 en zijn inmiddels alle online op het internet-vertaald naar het Engels te lezen. Hierna volgen de brieven die ik heb gedownload:

    EA 285, EA 286, EA 287, EA288, 290….

    EA289

    … To the king, my lord, hath spoken thus, Abdi-hiba, thy servant. At the feet of the king, my lord, seven times and seven times I fall. . . . Behold, hath not Milki-lim revolted to Labaya's sons and to Arzaya's, so as to claim the land of the king for them. A prince who has done this deed why does not the king call him to account ? Behold Milki-lim and Tagi, the deed which they have done is this : After having taken the city Rubuda (Rabbath), they are now seeking to take Jerusalem. If this land belongs to the king, why (delay till) the IJazati are at the king's disposal. Behold the land of Grinti-kirmil belongs to Tagi, and the people of Ginti form a garrison in Betsani (Bethsjean) ; and the same will befall us now that Labaya and the land of Shakmi have given everything to the Habiru. Milki-lim has written to Tagi and his sons : " As two are . . ., give to the people of …

     

    De briefschrijver Abdi Hiba in Jeruzalem is herkenbaar als een zelfstandige vazal van farao te Jeruzalem. Dat Abdi Hiba koning te Jeruzalem was, wordt door de orthodoxie niet betwist. De orthodoxie ziet hem echter in hun tijdsbestek als een Kanaänietisch koning die ten tijde van de intocht van de Israëlieten (of Hebreeën) te Jeruzalem resideerde en naar farao vijf brieven schreef, vragend om hulp tegen de Habiroe die naar zijn land en stad oprukten. De Habiroe worden door de orthodoxie met de Hebreeërs van de veertiende eeuw v. Chr. geïdentificeerd. Er zijn echter onderzoekers die de identificatie van de Habiroe als etnische groep van de hand wijzen. De Habiroe worden in alle Amarna-brieven namelijk als soldaten of knechten gezien. Ook kan men ze vanuit de brieven herkennen als een onafhankelijke bende huurlingen. Hun leider was Labaja naar wie ook in andere brieven van vazallen van farao, verwezen wordt. In mijn variant is Labaja de usurpator en koning van het tienstammenrijk: Pekah. En de briefschrijver uit Jeruzalem Abdi Hiba is koning Achaz.

    In Juda was aan de lange regeertijd van koning Uzzia in 750 v. Chr. een einde gekomen en nam zijn zoon Jotham in dat jaar de alleenheerschappij over. Koning Jotham was voor een hele tijd co-regent met zijn vader geweest, als een gevolg van de opgelopen melaatsheid door Uzzia, toen deze meende zowel het ambt van koning als van hogepriester te mogen uitoefenen (TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: kroniek van koning Uzzia van Juda, blz. 279-284). Ik postuleer dat de jonge Amonhotep IV tijdens zijn ballingschap in Jeruzalem Uzzia en Jotham gekend heeft. Vanaf het rampjaar 776 v. Chr. nam Jotham de staatszaken waar en leefde de melaatse Uzzia in quarantaine. In 739 v. Chr. nam de zoon van Jotham, Achaz, de scepter van Juda over (TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 289-294). Hij is de Amarna-briefschrijver onder de naam Abdi Hiba.

    In mijn reconstructie pas ik dezelfde werkmethode als Velikovsky toe. Hierna een citaat uit ‘Eeuwen in Chaos’, 1952, blz.255:

    “… in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel andere namen dragen  dan de door ons gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in Jeruzalem, Samaria en Damascus.”

    Ik schuif ditmaal meer dan zeven eeuwen op de tijdsbalk, met als resultaat Achaz in Jeruzalem, Pekah in Samaria en Rezin in Damascus. Laat ons nu zien of het historische kader van de briefschrijver Abdi Hiba past in het Juda van de achtste eeuw v. Chr.

    Het is vooral de EA-brief 289 die vanwege de inhoud eerst mijn aandacht trok. Abdi Hiba vraagt namelijk om hulp aan farao tegen Labaja en diens zonen. Daarnaast verwijst Abdi Hiba naar de val van de stad Rubuda en de bedreiging die er nu voor Jeruzalem is. Over de identificatie van Rubuda wordt door de orthodoxie getwist, maar een opmerkelijke identificatie is die met Rabbath, de hoofdstad van Ammon in Trans-Jordanië. Het is deze identificatie die in mijn variant past. De Amarna-brief met nummer 289 verwijst volgens mij duidelijk naar het conflict dat in het Bijbelboek Jesaja hoofdstuk 7 en 2 koningen hoofdstuk 16 beschreven staat.

    De (geciteerde) Bijbelcitaten spelen zich af in de dagen van Achaz, de koning van Juda, toen Resin, de koning van Aram in bondgenootschap met Pekah, de zoon van Remaljahu, de koning van Israël, tegen Jeruzalem ten strijde trok. Achaz meende het niet tegen dit bondgenootschap te kunnen halen. De beschreven oorlog kan vanuit de Bijbel nauwkeurig gedateerd worden. Koning Achaz werd koning over Juda in het zeventiende regeringsjaar van Pekah van Israël het jaar okt739/sep738 v. Chr. Aangezien Pekah twintig jaar regeerde, komen slechts de drie laatste jaren van diens regering in aanmerking voor het plaatsen van de beschreven invasie op de tijdsbalk. Deze jaartallen gaan van april 738 tot maart 735 v. Chr. Dus een van deze jaren 738/737, 737/736 en 736/735 v. Chr. was getuige van de oorlog van Damascus en Samaria tegen Jeruzalem. Het is chronologisch mogelijk om vanuit de Bijbel het jaar 736 v. Chr. als het jaar van de invasie aan te geven. De kinderen van de profeet Jesaja en hun bijzondere naamgeving waren namelijk als een teken voor het Juda van zijn tijd gegeven.

    Jesaja 8:3 En ik was tot de profetes genaderd, en zij was zwanger geworden en baarde een zoon. En de HERE zeide tot mij: Noem hem: Maher-Salal Chas-Baz, 4 want voordat de jongen zal kunnen roepen: Mijn vader en mijn moeder, zal men de rijkdom van Damascus  en de buit van Samaria vóór de koning van Assur dragen.

     

    Volgens dit Schriftwoord zou Damascus door de Assyriërs ingenomen worden voordat het zoontje van Jesaja in staat zou zijn om mama en papa te kunnen zeggen. Koning Achaz wilde echter niet vertrouwen op het Woord des HEREN van de profeet Jesaja, maar verkoos in de plaats daarvan zelf zijn plan te trekken. Vermoedelijk schreef hij eerst een brief aan de farao van Egypte om hulp, maar van die kant kwam er geen hulp. We weten vanuit de Bijbel dat hij daarop de koningen van Assur benaderde om een bondgenootschap (tegen betaling) tegen Damascus en Samaria.

    2 Kronieken 28:16 In die tijd zond koning Achaz het verzoek tot de koningen van Assur hem te helpen…

    2 Koningen 16:9 En de koning van Assur gaf hem gehoor; de koning van Assur trok op tegen Damascus, nam het in en voerde de bevolking in ballingschap weg naar Kir; en Rezin bracht hij ter dood. Daarop ging Achaz Tiglath-Pileser, de koning van Assur, tegemoet naar Damascus…

     

     

    Volgens de gereviseerde chronologie van de oudheid zit de campagne van Tiglath Pileser III tegen Damascus in het jaar 735 v. Chr.

    Het bestuderen van (de bijgevoegde kaart) maakt het inpassen van EA289 in het Bijbelrelaas eenvoudiger. We merken op de kaart een geallieerd leger van Damascus en Samaria dat tegen het Jeruzalem van Abdi Hiba, alias Achaz, oprukt. Hun bedoeling is het doden of afzetten van Achaz en het op de troon van Juda plaatsen van de zoon van Tabeal. Tegelijkertijd zien we op de kaart een Aramees leger dat oostelijk van de Jordaan naar Rabbath oprukt, deze hoofdplaats van Ammon inneemt en daarna verder oprukt naar Edom. Westelijk van Juda toont de kaart aanvalsrichtingen vanuit het gebied van de Filistijnen en in het bijzonder Ashkelon. Over dit algemeen conflict handelen de vijf brieven van Abdi Hiba uit Jeruzalem over handelen. Er zijn al voldoende namen van steden met Akkadische briefnamennamen geïdentificeerd om deze conclusie te kunnen trekken. In EA-brief 288 verwijst Abdi Hiba ook naar Nahrima. Het Egyptische Naharim is een verbastering van het Bijbelse Aram-Naharaïm, het Aram van de twee rivieren of Mesopotamië. In mijn werk ‘Genesis versus Egyptologie’ toonde ik al aan, dat het Mitanni uit Egyptische bron, in feite het Assyrische Rijk was, en dat beide rijken één waren. De Egyptoloog Alan Gardiner verwijst in zijn opus magnum (EGYPT OF THE PHARAOHS, Egypt under foreign rule, pagina 341.) naar het merkwaardige feit dat Egyptische bronnen nooit naar het Assyrische Rijk verwijzen. Nochtans merkt Alan Gardiner op, zou zelfs Thebe helemaal in het zuiden van Egypte, uiteindelijk ook door de Assyriërs ingenomen worden.

    Wanneer we de Amarna-periode transponeren naar de negende en de achtste eeuw v. Chr. blijkt dat de EA-schrijver uit Mitanni met de naam Tushratta niemand minder is dan Tiglath Pileser III van Assyrië. Hij is de derde hond, bij wijze van spreken, die het been waarover Samaria en Damascus vochten, wegkaapte.

    Einde citaat

    Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen volgt er hierna een internetlink.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    24-08-2017 om 09:25 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Egyptische tempel te Dendera

    In een Egyptische tempel te Dendera die ten tijde van de Ptolemeeërs in de eerste eeuw v. Chr. gebouwd werd en gewijd aan Hathor de godin van wijsheid en liefde, staat in het plafond de Astrologische waterman-opstelling afgebeeld. Kenners dateren de afbeelding voor de periode 4300 tot 2200 v. Chr. In de eerste eeuw voor Christus ten tijde van de Ptolemeeërs was het watermantijdperk echter al oude geschiedenis en normaal zou men voor die tijd het vissentijdperk als afbeelding verwacht hebben. Waarom werd het Watermantijdperk afgebeeld? Vermoedelijk werd de afbeelding van de Waterman door de Egyptische priesters in verband gebracht met de zogenaamde voortijd. Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid zoals in mijn boek TIJD en TIJDEN van 2015 gebracht, stelt de waterman-opstelling het begin van de geschiedenis van Egypte voor: slechts ongeveer vierduizend jaar geleden. Het begin van het neolithische tijdperk voor Egypte is hiermee astrologisch (voor zover dat waarde mag hebben) op de tijdbalk vastgesteld.

     

     

    De orthodoxe Egyptologie dateert het begin van de Egyptische beschaving veel eerder en dit op basis van hun veronderstelling van het gebruik van een dubbele kalender in het oude Egypte: de zogenaamde Sothis-kalender met tijdperken van telkens 1460 jaar .

     

    Het was de Egyptoloog Eduard Meyer die in 1904 de Sothis-kalender introduceerde: ‘kalender en Sothis-periode’. Hij ging er van uit dat er in het oude Egypte twee kalenders naast elkaar bestaan hadden. Een burgerlijke en een godsdienstige gebaseerd op het opkomen van de Hondsster of Sothis en/of Sirius zoals de ster in het Grieks en het Latijns genoemd wordt. De Egyptenaren noemden de ster Sopdet. Meyer ging er van uit dat een Egyptisch jaar 365 dagen telde en als een gevolg elk vierde jaar op de kalender een schrikkeljaardag verloren ging. Hij veronderstelde (postuleerde) als een gevolg dat er twee kalenders in het oude Egypte gehanteerd werden: een officiële kalender die met de maand Thoth begon en geen rekening met schrikkeljaren hield en een zonnekalender die gebaseerd was op het opkomen van de Hondsster en astronomisch correct.

    De twee kalenders begonnen bij een nieuwe Sothisperiode officieel gelijktijdig op de eerste dag van de maand Thoth maar na vier jaar al liep de officiële kalender één dag op de astronomische kalender achter. Op deze wijze verloor de kalender op achtentwintig jaar tijd één week en op een periode van honderdtwintig jaar ging er één maand verloren. Na een tijdspanne van 1460 jaar liepen de twee kalenders weer gelijk en hier werd verondersteld dat er een nieuwe Sothisperiode begon.

    In het jaar 239 AD vermeldde de Romeinse grammaticus Censorinus dat in 139 AD de eerste dag van het Egyptische kalenderjaar daadwerkelijk samenviel met de heliakische verschijning van Sirius – wat het einde van een Sothis-cyclus veronderstelde. Terugrekenend concludeerde Meyer dat er zich 1460 jaar eerder een vergelijkbare situatie had voorgedaan.

    Eduard Meyer meende het bewijs van zijn veronderstelling gevonden te hebben in het Ebers-papyrus. Op dit bewaard gebleven papyrus zou er een vermelding staan naar de opkomst van Sopdet ten tijde van het negende regeringsjaar van farao Amonhotep I. Veel blijft echter een raadsel. Zo staat er niet Amonhotep I maar de naam Zeserkere, waarschijnlijk de voornaam van Amonhotep I.

    Zijn tweede bewijs was een kalenderfragment op een steen gevonden in Elephantine waar een verwijzing te vinden is naar het vermeende opkomen van Sothis in de dagen van Thothmosis III. Het regeringsjaar van Thothmosis III wordt echter niet vermeld en ook is niet duidelijk of de verschijning van Sothis betrekking had op het zonnejaar, noch of een eerste verschijning bedoeld werd. Daarbij merkt de Egyptoloog Cecil Torr op dat het gebouw weliswaar van Thothmosis III was, de inscriptie echter van een opvolger geweest kan zijn.

    De derde aanduiding voor Meyer was de vermelding van de verschijning van de ster Sothis op 16 Pharmuti in het papyrus van Illahun. Het papyrus Illahun dateert de verschijning van Sothis op de zestiende van de Egyptische maand Pharmuti in het zevende jaar van een farao waar men van aanneemt dat het Senwosret III van de twaalfde dynastie is. De naam zelf van de farao is niet bewaard gebleven, maar wordt uit allerlei verspreide gegevens afgeleid.

    De bekende revisionist van de geschiedenis van de oudheid de Egyptoloog David Rohl (A Test of Time, appendix D) merkt echter op dat het papyrusfragment een voorspelling bevat en geen vaststelling van een gebeurd feit is. De tekst luidt: “u moet weten dat het opkomen van SOPDET zal gebeuren in de vierde maand Pharmuti, op dag 16”.

    Het is aldus vrij eenvoudig de theorie van Eduard Meyer op losse schroeven te zetten. Een tijdgenoot en tegenstander van Eduard Meyer was de Egyptoloog Cecil Torr die in zijn werk vermelde dat de Sothis-cyclus een uitvinding van de Grieken was van latere tijd. Noch is er enige indicatie, schrijft hij, dat de Egyptenaren de cyclus kenden; geen vermelding wordt er over gevonden in hun inscripties of papyri, buiten enkele occasionele vermeldingen over het opkomen van de Hondsster.

     

     

    Daarenboven bestaat er onduidelijkheid over het afsluiten van een veronderstelde Sothisperiode in 139 AD? Er bestaat namelijk een toegevoegde notitie in het middeleeuwse manuscript van Theon, een vierde eeuwse astronoom, over een zekere Menophres. Op het manuscript van Theon staat er een notitie in het Grieks dat er ‘vanaf Menophres en tot aan het eind van het tijdperk van Augustus’ 1605 jaar waren. Terugrekenend geeft dit 1321 v. Chr. als jaartal van de nieuwe veronderstelde Sothis-periode. In ditzelfde manuscript van Theon van Alexandrië wordt echter vermeld dat de Sothis periode eindigde in het vijfde jaar van Augustus zijnde het jaar 26 v. Chr. Censorinus zoals eerder gezien, plaatste het begin van een nieuwe Sothis-periode in 139 AD. Een verschil van zo maar even 165 jaar, wat vragen zou moeten oproepen. Het verschil van 165 jaar tussen de gegevens van het manuscript van Theon en dat van Censorinus is nooit opgehelderd.

    Met recht verklaart ook Velikovsky het werk van Eduard Meyer als overgewaardeerd en een grote oefening in futiliteit (Ramses II en zijn tijd – Epiloog – vraag 8 en De Zeevolken – hoofdstuk 2 Sirius). Eveneens is er het studiewerk van de eerder geciteerde Egyptoloog Cecil Torr (Memphis and Mycenae, 1896), van de onderzoeker F.J. Kerkhof (BW Bijbel en Archeologie 1 – ISBN 9070145049) en van Dr. Donovan Courville (The Exodus Problem and its Ramifications – volume 2 – chapter IV) dat het chronologische fundament van de Egyptologie onderuit haalt.

     

    Dat de conventionele Egyptologie hardnekkig vasthoudt aan de Sothis-kalender die Eduard Meyer in 1904 wereldkundig maakte heeft te maken met het feit dat zij geen ijkpunten op de tijdsbalk ter beschikking hebben ter exacte plaatsing van de Egyptische dynastieën van Manetho. De Bijbel zien zij louter als een godsdienstig boek zonder historische waarde en wordt door hen niet gehanteerd. Wanneer men nochtans de historische boeken van de Bijbel en de bijgevoegde chronologie als historisch correct hanteert zijn er een aantal belangrijke ijkpunten waarmee verschillende Egyptische farao ’s op de tijdsbalk verankerd kunnen worden.

     

     

    Ook de oudheidhistoricus Herodotos die in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en een faraolijst doorgaf wordt door de gevestigde Egyptologie niet naar waarheid aanvaard. Herodotos was nochtans de eerste classicus die een gedetailleerd verslag over Egypte neerschreef. In de vijfde eeuw voor Christus wanneer Herodotos Egypte bezocht was de geschiedenis van dit land nog steeds een levende geschiedenis. De piramiden in beneden-Egypte hadden bijvoorbeeld nog steeds hun glanzende buitenbedekking. Herodotos reisde het gehele land door tot aan de grens met Nubië en sprak met de Egyptische priesters over hun geschiedenis. Hoewel hij als de vader der historie aanvaard is en zijn geschiedschrijving van Klein-Azië niet in twijfel getrokken, wordt hij wat Egypte betreft met zijn lijn en opvolging van Egyptische farao ‘s door de gevestigde Egyptologie niet gevolgd. De hoofdreden is de veronderstelde Sothis-kalender die maakt dat bijvoorbeeld de piramiden op het Gizeh-plateau in het derde millennium v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst worden, waar de piramiden met de gegevens die Herodotos verstrekt in de negende en achtste eeuw v. Chr. geplaatst kunnen worden. En dit is slechts één voorbeeld. Zie het artikel op dit blog van 07.06.2017: door wie werd de Grote Piramide op het Gizeh plateau gebouwd en wanneer? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1496613600&stopdatum=1497218400

     

    Tot slot een veelzeggende opmerking van een Egyptoloog uit de oude school:

    “Ik ben bang dat onze kennis van de Egyptische historie niet veel verder gaat dan wanneer iemand zich op grond van enkele data en namen het volgende beeld van de Nieuwere Geschiedenis zou maken: ’een oude dynastie behelst de koningen van Lodewijk XVI tot Louis Philippe. De eerste was een tijdgenoot van Frederik de Grote. Daarnaast regeerden drie tegenkoningen, die al door hun naam, Napoleon, bewijzen, dat zij tot een andere familie behoren en ook een andere titel dragen. De eerste schijnt in Duitsland oorlog te hebben gevoerd; de derde moet wel een belangrijke heerser geweest zijn, want hij heeft vele bouwwerken nagelaten’.”

    1911, de Duitse Egyptoloog Adolf Erman

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    18-08-2017 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Salomo en het negende historische jubeljaar van 1003/1002 v. Chr.

    We vervolgen de geschiedenis van de jubeljaren met het negende jubeljaar van oktober1003/september1002 v. Chr. sinds we op 19.04.2017 op dit blog met het overzicht van de historische jubeljaren begonnen. Het laatste artikel met als onderwerp het achtste jubeljaar dateert alweer van 14.06.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2997811

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel in de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land Kanaän dat de Israëlieten veertig jaar later in 1443 v. Chr. zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijk individueel verlies van land en rijkdom in het negenenveertigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen en aan de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van onfortuinlijke, denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Naomi. De bijzondere wet wordt in het derde boek van Mozes in de Bijbel Leviticus hoofdstuk 25:1-55 in detail beschreven.

    De sabbatjaar- en jubeljaartelling nam een aanvang bij de intrede van het land Kanaän door de Israëlieten onder leiding van Jozua. De historische sabbat- en jubeljaren zijn vanaf het jaar 1443 v. Chr. te rekenen.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    Zeven jaar na het betreden van het land Kanaän in 1443 v. Chr. was het beloofde land veroverd en werd het onder de twaalf stammen verdeeld. Het eerste historische jubeljaar viel in oktober1395/september1394 v. Chr. zeven maal zeven jaar of negenenveertig jaar na de aankomst in het land Kanaän. Alhoewel de Israëlieten zelden het jubeljaargebod gehouden hebben zijn er toch enkele belangrijke aanwijzingen in de Bijbel die er op wijzen dat de HEERE God in Zijn handelen met Zijn verbondsvolk met jubeljaren rekende.

     

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen volgens William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep en zich te Nazareth als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanaän o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                       Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter Othniël            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter Samuël            geen

    8.      1052/1051 Samuël & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                    geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    Haggaï                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     Makkabeeën                 geen

    28.     72/71        Makkabeeën                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    Zoals in het artikel over het achtste jubeljaar vermeld viel de veertigjarige regeertijd van David tussen twee jubeljaren in. Zijn regeertijd nam een aanvang in het najaar van 1047 v. Chr. en liep tot het najaar van 1007 v. Chr. De regeertijd van David is op de tijdsbalk verankerd met het vierde regeringsjaar van Salomo in oktober 1004/september 1003 v. Chr. op basis van de sabbatjaar en jubeljaartelling. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 185-195. Het vierde regeringsjaar van Salomo is een ijkpunt op de tijdsbalk dat men bereikt door vanaf het verkregen exodusjaar in april 1483 v. Chr. via de jubeljaren, 480 jaar terug te rekenen tot het vierde jaar van Salomo en het begin van de bouw van Tempel te Jeruzalem.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda tussen het negende jubeljaar met Salomo en het achttiende jubeljaar met het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de tijdsbalk gerangschikt. Zie ook het artikel van 21.06.2017 op dit blog.

     

    Ik werk momenteel aan de afronding van mijn nieuw boek: ‘Kronieken der koningen van Israël’, dat in het najaar gepubliceerd zal worden. Ik hou mijn lezers van de verschijningsdatum op de hoogte. Het boek brengt specifiek de chronologie van de koningen van het tienstammenrijk vanaf Jerobeam I tot Hosea en hun historische verankering en plaats op de tijdsbalk op basis van de sabbat- en jubeljaren. Vooral veel aandacht besteed ik aan de revisie van de koningen van Assyrië op de tijdsbalk in relatie tot de historische gegevens over de koningen van Israël.

     

     

    Met de regeerperiode van David stevig op de tijdsbalk verankerd kunnen we de historische gegevens van de Bijbel aangaande David invullen. De eerste zeven jaar van zijn regeerperiode had David zijn hoofdplaats in Hebron. Daarna in zijn achtste regeringsjaar in het voorjaar van 1039 v. Chr. veroverde hij Jeruzalem op de Kanaänietische Jebusieten en vestigde zich daarop in Jeruzalem dat zijn hoofdstad werd (2 Samuel 5:6-10). David ’ s volgende daad zou het weghalen van de ark van het verbond te Gibeon zijn en het vervoer ervan naar Jeruzalem, naar een tent die David had laten klaarmaken. De Seder Olam plaatst deze geschiedenis chronologisch drieënveertig jaar voordat de ark van het Verbond haar plaats vond in de tempel te Jeruzalem, toen de tempel klaar was in het elfde regeringsjaar van Salomo: oktober van het jaar 996 v. Chr. Wanneer we vanaf oktober van het jaar 996 v. Chr. drieënveertig jaar op de tijdsbalk terugrekenen arriveren we op de tijdsbalk in oktober 1039 v. Chr. voor het plaatsen van de Ark van het Verbond in Jeruzalem. Dit toont aan dat chronologisch gezien de verovering van Jeruzalem in het voorjaar van 1039 v. Chr. plaatsvond en de beschreven oorlog met de Filistijnen (2 Samuël 5:1-25) volgde in de daaropvolgende maanden tot in het najaar. Na het verslaan van de Filistijnen begon David aan een reeks militaire veldtochten die maakten dat hij zijn heerschappij tot aan de Eufraat in het noorden, vestigde (2 Samuel 8:1-14).

    Op de tijdsbalk plaatsen we de in de Bijbel beschreven veldtochten van David vanaf het jaar dat hij Jeruzalem innam en de Filistijnen versloeg in het jaar 1039 v. Chr. tot aan het jaar 1022 v. Chr. Een periode van ongeveer zeventien jaar. Het is de Joodse Seder Olam die jaartallen aanreikt. Deze Joodse overlevering leert dat Salomo bij zijn troonsbestijging twaalf jaar oud was. Dit plaatst de geschiedenis van de moeder van Salomo: Bathseba, ongeveer veertien jaar voor de dood van David op de tijdsbalk. Het tiende hoofdstuk van het Bijbelboek 2 Samuël sluit af met de onbesliste strijd tegen Ammon. En hoofdstuk 11 vervolgd aldus:

    2 Samuel 11:1 In het daaropvolgende jaar, ten tijde, dat de koningen plegen ten strijde te trekken, zond David Joab uit en zijn knechten met hem, benevens geheel Israël, en zij vernietigden de Ammonieten en sloegen het beleg voor Rabba, maar David bleef in Jeruzalem. 2 Op zekere avond stond David van zijn rustbed op en wandelde op het dak van het paleis, en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk.

     

     

    Terwijl zijn leger het beleg van Rabba doorvoert blijft David te Jeruzalem en vindt de relatie met Bathseba de vrouw van Uria, een van zijn generaals, plaats. Het eerste kind dat uit deze relatie verwekt wordt sterft heel jong. Deze gebeurtenissen staan uitvoerig beschreven in de hoofdstukken 11 en 12 van het Bijbelboek 2 Samuël. Na het verlies van de eerstgeborene van Bathseba wordt Salomo verwekt.

    2 Samuël 12:24 Daarna troostte David zijn vrouw Batseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De HERE nu had hem lief: 25 Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des HEREN wil.

     

    Voor deze geschiedenis reken ik met ongeveer twee jaar op tijdsbalk en plaats deze geschiedenis in het jaar 1022 v. Chr. Volgens een Joodse overlevering was Salomo twaalf jaar oud toen hij koning over het Verenigd Koninkrijk van Israël werd. Dat laat hem geboren worden in 1020 v. Chr. en plaatst de verhouding van David met Bathseba op de tijdsbalk tot twee jaar eerder. De Seder Olam leert ook dat er een periode van twaalf jaar gaat vanaf de verkrachting van Tamar, de zuster van Absalom, door zijn halfbroer Amnon tot aan het laatste jaar van de regeerperiode van David en dat deze misdaad in hetzelfde jaar geschiedde als de geboorte van Salomo.

    2 Samuel 13:1 Daarna gebeurde het volgende. Absalom, de zoon van David, had een bekoorlijke zuster, Tamar geheten; en Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief. Enzoverder…

     

    ‘Daarna’ betekent volgens de Seder Olam dat in hetzelfde jaar dat Salomo geboren werd en van de HERE God door de profeet Nathan de naam Jedidja kreeg, de verkrachting van Tamar door Amnon geschiedde. Vanaf het jaartal 1020 v. Chr. laat de Bijbel toe deze geschiedenis chronologisch jaar na jaar op de tijdsbalk te plaatsen. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 191-195, ga ik in detail door de verschillende Bijbelgedeelten.

     

     

    Het Bijbelboek 2 Samuël 21:1 vermeldt ook een hongersnood van drie jaar in het land:

    2 Samuël 21:1 Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaren achtereen; en David zocht het aangezicht des HEREN.

     

    Hier staat echter niet het chronologische ‘daarna’ maar alleen de vermelding: ‘in de dagen van David’. Toch kunnen we aannemen omdat deze geschiedenis praktisch aan het einde van het Bijbelboek 2 Samuël gebracht wordt, dat de hongersnood tegen het einde van de regeerperiode van David plaatsvond. Het was een straf van God naar aanleiding van de volkstelling die op bevel van David werd uitgevoerd en uitvoerig in de Bijbelboeken 2 Samuël 24 en 1 Kronieken 21:1-30 beschreven.

    2 Samuël 24:16 Toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om het te verdelgen, berouwde het onheil de HERE, en Hij zeide tot de engel die verderf bracht onder het volk: Genoeg! Laat nu uw hand zinken. De engel stond toen bij de dorsvloer van de Jebusiet Arauna. 17 En David sprak tot de HERE, toen hij de engel zag, die onder het volk verderf bracht: Zie, ik heb gezondigd, en ik heb ongerechtigheid bedreven, maar deze schapen – wat hebben zij gedaan? Laat toch uw hand zijn tegen mij en mijn familie.

     

    1 Kronieken 21:16 Toen sloeg David zijn ogen op en zag de engel des HEREN staan tussen hemel en aarde, met in zijn hand het getrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem; en David en de oudsten, in rouwgewaad gehuld, wierpen zich op hun aangezicht. 17 Hierna zeide David tot God: Was ik het niet, die bevel gaf het volk te tellen?

     

    De beschreven verderfengel met een getrokken zwaard boven Jeruzalem is volgens Dr. I. Velikovsky in zijn werk ‘Werelden in botsing’ waarschijnlijk een beschrijving van een fenomeen van een kosmische oorsprong. De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer hebben in hun werk: (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VI Catastrophes of the Davidic Era, The Greater Davidic Catastrophe 972 BC page 159), de bevindingen van Velikovsky verder uitgewerkt en wetenschappelijk vanuit de kosmologie verklaart.

    De ramp die in 1 Kronieken 21:16 beschreven wordt kunnen we aan de hand van de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in het laatste regeringsjaar van David dateren. Er was namelijk een cyclus van rampen van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong aan de hand met intervallen van 54 jaar en zes maanden. Gerekend vanaf oktober 1443 v. Chr. met het fenomeen rond de zon en de vallende stenen tijdens de slag bij Gibeon tussen de Israëlieten onder leiding van Jozua en de coalitie van Kanaänietische koningen kom ik uit in 1007 v. Chr., (niet toevallig) het laatste regeringsjaar van Koning David. Hierna een citaat uit het aangehaalde werk van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, dat de horror van de meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong beschrijft:

    In the closing days of David’s reign, a tense international situation developed . Baal/Mars was again expected to closely approach the earth. According to the Patten/Hatch model of orbital movement, Mars approached the earth every two years, coming successively closer each time. At 1000 BC the planets may have been within 8.000.000 miles of each other. By 972 BC (Thiele ‘s jaartal) the distance was probably reduced to 150.000 miles. Under these circumstances, no government could exercise real authority. Destruction from the close encounter of the planets could destroy cities, and armies, navies, perhaps even decimate whole coastlines. Who would escape the destruction? Nations began to arm themselves for the looting and pillaging that they knew must certainly come from marauding bands of warriors on the land and on the sea. Civil authority would break down in many places. In this context the Philistines began a revolt (1 Chronicles 21).

     

     

    Het is na de beschreven meganatuurcatastrofe dat David de berg Moria van de Jebusiet Ornan kocht voor de som van zeshonderd gouden sikkelen (1 Kronieken 21:18-30).

    Deze geschiedenis heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 193, chronologisch in het jaar 1007 v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst. De berg Moria had al eerder mijn bijzondere aandacht in het artikel op dit blog 16.08.2016: Unieke archeologische vondst te Jeruzalem. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1471212000&stopdatum=1471816800

     

    In het najaar van 1007 v. Chr. stierf David en werd zijn zoon Salomo bij Bathseba na heel wat verwikkelingen de troonopvolger. Deze geschiedenis wordt in het Bijbelboek 1 Koningen in de eerste twee hoofdstukken gebracht. Twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) nam Salomo de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo met zijn zestien jaar aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen. Voor Salomo waren dit volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed. Hoewel er al zich donkere wolken aan zijn geestelijk firmament aftekenden. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. Het derde hoofdstuk van het Bijbelboek 1 Koningen verhaalt onder andere deze geschiedenis.

    1 Koningen 3:1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, den koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom. 2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe. 3 En Salomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten. 4 En de koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. 5 Te Gibeon verscheen de HEERE aan Salomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal. 6 En Salomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage. 7 Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan. 8 En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. 9 Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 10 Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; 12 Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. 13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 14 En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des HEEREN, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.

     

    Het zesde hoofdstuk van 1 Koningen geeft ons jaartallen waarmee we deze gebeurtenissen op de tijdsbalk kunnen plaatsen. De tempelbouw begon in het vierde jaar van Salomo in de tweede maand van de Israëlitische kalender, vierhonderdtachtig jaar na de Exodus uit Egypte:

    1 Koningen 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.

     

    Op onze tijdsbalk uitgetekend merken we dat het vierde regeringsjaar van Salomo van oktober 1004 tot september 1003 v. Chr. liep. In oktober van 1004 v. Chr. zat men in het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus, een jaar van dubbele zegening over het land. De oogst van dat jaar was voldoende voor het overbruggen van het zevende sabbatjaar gevolgd ditmaal door het jubeljaar, jaren dat er niet gezaaid werd maar dat men leefde van wat het land vanzelf opbracht. In het voorjaar van 1003 v. Chr. begon het zevende en laatste sabbatjaar van de zeven maal zeven sabbatjaarcyclus, gevolgd in oktober 1003 v. Chr. met het begin van het negende jubeljaar. In de praktijk betekende dit dat een groot aantal landbouwarbeiders nu ter beschikking waren voor de bouw van de tempel. Een verwijzing naar het specifiek houden van het jubeljaar vinden we in de Bijbel niet terug. We mogen er echter van uit gaan dat de jonge devote Salomo zich hier aan de Wet des HEEREN gehouden heeft.

     

     

    Zeven jaar lang zou men aan de Tempel te Jeruzalem bouwen. In het elfde jaar van de regeerperiode van Salomo was het gebouw klaar.

    1 Koningen 6:37 In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv; 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. (Statenvertaling)

     

    De achtste maand van de Hebreeuwse kalender staat voor oktober/november van de westerse kalender. Volgens de westerse jaartelling zijn we hier in het najaar van 996 v. Chr.

    Onmiddellijk na het afwerken van de Tempel liet Salomo zijn paleis oprichten en nog een bijzondere woning met de naam: ‘het huis des wouds van Libanon’, een bouwkunstwerk dat hij liet versieren met driehonderd gouden schilden. Over Salomo ’s huis: woud van de Libanon, schreef ik eerder op dit blog op 09.03.2015 een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1425855600&stopdatum=1426460400

    1 Koningen 7: 1 Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis. 2 Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.

     

    In vergelijking met de Tempel zou Salomo bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken laten besteden. Het toont al iets van de geestelijke metamorfose die zich aan het voltrekken was bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieëntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij de dochter van farao van Egypte gehuwd en deze in de Stad David ’s ondergebracht. Daarna zou hij als een ware oosterse potentaat een harem van 999 vrouwen verzamelen. Bij zijn dood in 967 v. Chr. scheurden zich vanwege het harde regeerbeleid van Salomo, tien van de twaalf stammen van Israël van zijn zoon en troonopvolger Rehabeam af. Rehabeam was de zoon van Salomo bij diens tot hoofdvrouw verkozen bruid: de Ammonietische Naäma. Het begin van de ongerechtigheid van Israël nam hier in 983 v. Chr. een aanvang. Zie ook het recente artikel op dit blog van 21.06.2017: Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' en de 390 jaar van de profeet Ezechiël ‘s ‘ongerechtigheid van het huis Israëls’.

    Na het afwerken van de Tempel te Jeruzalem vulde de ‘Heerlijkheid des HEEREN’ als een wolk het Heilige der heiligen in de Tempel.

    1 Koningen 8:10 En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 12 Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.

     

    Volgens de Joodse overlevering zou het wonen van de HEERE God in het Heilige der heiligen in de Tempel een jaar op zich hebben laten wachten.

    "The Temple was finished in the month of Bul, now called Marheshwan, but the edifice stood closed for nearly a whole year, because it was the will of God that the dedication take place in the month of Abraham's birth. Meantime the enemies of Solomon rejoiced maliciously. "Was it not the son of Bath-sheba," they said, "who built the Temple? How, then, could God permit His Shekinah to rest upon it?" When the consecration of the house took place, and "the fire came down from heaven," they recognized their mistake. The importance of the Temple appeared at once, for the torrential rains which annually since the deluge had fallen for forty days beginning with the month of Marheshwan, for the first time failed to come, and thenceforward appeared no more. "

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, V, Volume 4.

     

     

    Dat het met Salomo spoedig fout liep merken we in de Bijbel. Zo leert het hierna volgende Bijbelcitaat dat er jaarlijks bij Salomo 666 talenten goud werden binnengebracht. Dit getal is in het laatste Bijbelboek Apocalyps verbonden met de naam van het Beest, de pseudo-Messias van de eindtijd. Dit betekent historisch gezien dat Salomo zich van een oorspronkelijke vredevorst ontpopte tot een pseudo-vredevorst die zijn volk en zijn rijk uiteindelijk onheil bracht.

    1 Koningen 10:14 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds; 15 Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land. 16 Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. 17 Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning leide ze in het huis des wouds van Libanon. 18 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.

     

    De Joodse overlevering voegt nog een geloofwaardig detail aan de afvallige Salomo toe. Zo leert de legende dat het huwelijksfeest van Salomo met zijn Egyptische bruid op dezelfde dag geschiedde als de inhuldiging van de Tempel. Zijn vreugde was volgens de legende groter over zijn huwelijk dan als over het afgewerkt zijn van de Tempel. In de huwelijksnacht zou de dochter van farao op talloze verschillende muziekinstrumenten voor Salomo laten spelen hebben. Muziekinstrumenten die zij uit Egypte had meegebracht en waarvan elk instrument aan een Egyptische god opgedragen was. En telkens wanneer een muziekinstrument gebruikt werd, werd de naam van de Egyptische god luid op aangeroepen (The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter V, The Marriage of Solomon).

     

     

    2 Kronieken 9:17 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.

     

    Wie de farao van Egypte was met wie Salomo zich verzwagerde heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, geïdentificeerd. Op het bijgevoegde schema staat de naam Thothmosis I van de Egyptische achttiende dynastie vermeld. Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid begon deze farao aan zijn regeerperiode in 1000/999 v. Chr. In zijn vijfde regeringsjaar in 996/995 v. Chr. leidde farao Thothmosis I een veldtocht naar Klein-Azië waarbij hij de stad Gezer innam. Deze stad schonk hij als bruidsschat aan Salomo voor het huwen met zijn dochter.

    1 Koningen 9:16 Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven. (Statenvertaling)

     

    Farao Thothmosis I was aanvankelijk een generaal van het Egyptische leger die door zijn huwelijk met prinses Ahmose de dochter van Ahmose I en koningin Nefertari, in de Koninklijke familie werd opgenomen. Op deze manier legitimeerde hij zijn farao-schap. Met de naam Thothmosis werd eer gebracht aan de god Thoth die vereerd werd i.v.m. de uitdrijving van de Hyksos. Thothmosis I maakte van Nubië een Egyptische provincie en voerde veldtochten tot aan de Eufraat. De noordelijke campagne van Thothmosis I naar Naharin aan de Eufraat wordt in zijn vijfde regeringsjaar gedateerd. Het is dezelfde veldtocht waarbij de stad Gezer door farao veroverd werd en aan Salomo als bruidsschat geschonken.

    De studie van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid kan soms heel boeiend zijn. Zo is er bijvoorbeeld het voortreffelijk werk van Peter H. Schulze met zijn boek: Herrin beider Länder Hatschepsut. In hoofdstuk 4 vermeldt hij het ontbreken van campagnedetails over de tocht doorheen Retenoe, wat voor het gebied van Israël staat, naar Naharin in het noorden aan de Eufraat, wat hem vreemd overkwam. In het revisionistische model bestaan er geen vraagtekens. Thothmosis I marcheerde door het bevriende Rijk van Salomo naar de Eufraat. Israël en Egypte waren sinds de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten geallieerde naties. Door zijn huwelijk met de dochter van farao maakte Salomo er een ware bond van.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps

    11-08-2017 om 09:05 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jericho in het Middenbrons tijdperk

    Joshua (fit) fought the battle of Jericho and the walls came tumbling down

    Dit zijn de bekende woorden van het Amerikaanse gospellied geïnspireerd door het Bijbelverhaal van de verovering van Jericho door de Israëlieten onder leiding van Jozua. Een verhaal dat wereldwijd bekend is. Eerst zond Jozua twee verkenners naar Jericho om inlichtingen te vergaren over de verdedigingswerken en het moreel van de stadsbevolking. De twee mannen kregen onderdak in het huis van Rachab een prostitué, die bij de uiteindelijke verovering en vernietiging van Jericho door de Israëlieten samen met haar familie behouden bleef. De verovering van Jericho wordt op wonderlijke wijze in de Bijbel beschreven. Dag na dag zes dagen lang trok het leger van de Israëlieten in stilte omheen de stadsmuur. Op de zevende dag echter sloegen de Israëlieten toe. Die dag hieven zij na zes maal om de muur te zijn getrokken, een luid krijgsgehuil aan en werd er op de ramshorens geblazen en prompt kwam de muur naar beneden. Elke soldaat liep daarop recht voor zich uit, staat er geschreven, de ingestorte muur over en sloeg heel de stad in de ban. Daarna werd Jericho tot de grond toe afgebrand. Dit is een weergaloos verhaal en was een uitdaging voor de archeologen wanneer deze wetenschap van start ging, om te onderzoeken. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het werk. Verschillende expedities werkten over de jaren heen na elkaar in het gebied. De meest bekende namen zijn deze van de Bijbelgeleerde Ernst Sellin, professor John Garstang en Kathleen Kenyon.

     

     

    Een Duits-Oostenrijks team onder leiding van de theoloog Ernst Sellin werkte enkele jaren te Jericho van 1907 tot 1909. Zij hadden toelating tot graven gekregen van de toenmalige heersers over het gebied van het oude Israël: de Ottomanen. Sellin was een pionier op het gebied van Bijbelse archeologie. In zijn werk werd hij geassisteerd door de archeoloog Carl Watzinger. Hij bevond dat de noordelijke muur van Jericho niet volledig was neergekomen en concludeerde (terecht) dat deze zijde het huis van Rachab, die gespaard werd, moest gehuisvest hebben. Een gedeelte van de muur met een hoogte van ongeveer 2,40 meter stond in 1907 namelijk nog recht. Met de rapportering van zijn bevindingen betreffende de opgravingen te Jericho werd hij nog niet geplaagd door het gebruik van foutieve dateringsmethoden door latere archeologen.

     

    De Brit John Garstang werkte te Jericho in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. De Britten hadden toen het zeggenschap over het gebied. Het huidige gebied van Israël en Jordanië werd na de Eerste Wereldoorlog een Brits mandaatgebied. Garstang bestudeerde de versterkingen en herkende vier achtereenvolgende bouwfasen, waarvan de laatste gewelddadig verwoest en verbrand was. Hij schreef die vernietiging toe aan de periode van de Israëlitische intocht, die hij dateerde rond 1400 voor Christus, dit in afwijking van het meer algemeen aangenomen jaartal 1250 v. Chr., de zogenaamde late en vroege datering. Wanneer Garstang de vloeren van de Midden-brons stad blootlegde vond hij kruiken tot de rand toe gevuld met verkoold graan wat het Bijbelse relaas bevestigde dat de Israëlieten Kanaän binnenkwamen met Pesach op het moment dat er geoogst was. Ook vermeldt de Bijbel dat alles met vuur verbrand werd.

     

    Deze bevindingen van Garstang werden echter in de vijftiger jaren door de archeologe Kenyon volledig onderuit gehaald. Zij bevond dat er een grote stad uit de vroege bronstijd in Jericho was geweest gedurende heel het derde millennium tussen 3000 en 2300 v. Chr., waarvan de muren niet minder dan zeventien maal gevallen en weer opgetrokken waren, toen de stad als een gevolg van een ramp vernietigd werd. De laatste drie fasen van deze versterkingen waren zeven meter voorbij de lijn van de oorspronkelijke muren gebouwd, lager langs de helling van de heuvel of Tell. Dit waren dan de muren geïdentificeerd door Garstang en gedateerd ten tijde van Jozua maar nu door Kenyon gereviseerd naar zo een duizend jaar eerder dan de intocht van de Israëlieten. Gedurende vele eeuwen na de vernietiging van Jericho in 2300 v. Chr. werd Jericho volgens Kenyon, alleen bezet door nomaden tot wanneer in ongeveer 1900 v. Chr. een nieuwe stad ontstond: het Jericho van de Midden-bronstijd. Deze stad kwam volgens haar, aan haar einde ten tijde van de laatste Hyksos-farao’s in Egypte rond 1550 v. Chr. op basis van de orthodoxe tijdsdatering. De verwoesting door vuur werd verklaard vanuit de theorie van de verdrijving van de Hyksos uit Egypte en een achtervolging door het leger van farao tot aan Jericho. Na deze vermeende vernietiging door het leger van farao, (waar geen enkel Egyptisch historisch verslag van bestaat), werd de plaats van Jericho volgens Kenyon verlaten en begon het puin van de verwoeste stad langs de hellingen van de Tell weg te spoelen. De plaats werd volgens Kenyon opnieuw bezet rond 1400 v. Chr. maar op een veel kleiner schaal. Er werden geen nieuwe muren gebouwd, maar vermoedelijk lapten de nieuwe bewoners de resten van de midden-brons muren op. Deze tweedehands muren zouden dan de muren geweest zijn die Jozua deed vallen. Kathleen Kenyon bleef er echter bij dat de herbezetting van Jericho minder dan een eeuw duurde totdat de stad opnieuw verlaten werd, niet later dan 1300 v Chr. Haar conclusie is dat Jericho al een ruïne was ten tijde van de Israëlitische intocht wanneer die orthodox gedateerd wordt in 1250/1225 v. Chr.

     

    Sindsdien heeft de Bijbel voor de wetenschap van de archeologie als historisch boek alle krediet verloren en wordt niet langer meer als een accuraat historisch boek beschouwd. Verlegenheid op verlegenheid was troef bij menig Bijbelgetrouw student vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Chronologische constructies werden opgezet en aangeboden om toch een en ander te kunnen verzoenen. Hierbij werd altijd uitgegaan van de juistheid van het aangeboden raamwerk door de orthodoxe Egyptologie?

     

     

    Het diabolische is dat de hiervoor vermeldde archeologen die overigens prachtig werk op het terrein geleverd hebben, een foute dateringsmethode hanteerden en als een gevolg daarvan tot hun boude verklaringen kwamen. Alle aardlagen en strata in Israël werden en worden namelijk aan de hand van de foutieve jaartallen van de orthodoxe Egyptologie, gedateerd. Wanneer bijvoorbeeld een scarabee van een zekere farao in een bepaalde laag aangetroffen wordt, wordt dit stratum op basis van het gevonden Egyptische object gedateerd. En aangezien het chronologische raamwerk van de Egyptologie fout is geeft dit foute dateringen weer in het gebied van het oude Israël. Zie ter illustratie het artikel van 16.08.2016 op dit blog: Unieke archeologische vondst te Jeruzalem, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1471212000&stopdatum=1471816800

    Alleen het revisionisme van de Egyptologie geeft uitkomst. Vooral Dr. Immanuël Velikovsky was in de tweede helft van de twintigste eeuw met zijn publicaties de aanzet tot een wereldwijde studie. De Bijbel had toch gelijk. In de tussentijd houdt de orthodoxie hardnekkig vast aan de juistheid van haar vermeende Egyptische Sothis-datering. Zie mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27-41.

    Betreffende de exodus uit Egypte en veertig jaar later de intocht in Kanaän door de Israëlieten leren de meeste boeken (en ook Hollywoodfilms) dat farao Ramses II de farao van de Exodus was. Deze farao wordt door de orthodoxie in het Laatbrons tijdperk geplaatst en dus zocht men naar sporen van een Israëlitische invasie in Kanaän op het einde van het Laatbrons tijdperk, meer nauwkeurig bij de overgang van Laatbrons LBIIb naar het IJzertijdperk IA. Farao Ramses II was een farao van de negentiende dynastie. De onderzochte strata van het Laatbrons te Jericho geven echter geen beeld weer van een vernietiging zoals de Bijbel die leert. Volgens het Bijbelrelaas kwam de vestingmuur van Jericho volledig naar beneden en werd de stad met alle voorraden erin verbrand.

     

     

    Een bekend revisionist van de geschiedenis van de oudheid is Dr. Donovan Courville. De onderzoeker B. Th., B.A., M.A., Ph. Dr. Donovan Courville laat de Exodus op het einde van de Egyptische zesde dynastie en het Oude Rijk plaatsvinden en verplaatst Vroeg Brons IV naar de tweede helft van de vijftiende eeuw voor Christus. Het Oude en het Midden-rijk waren volgens Courville contemporain met slechts één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus met de vernietiging van het leger van farao, Egypte overrompelden. De Israëlieten vervolgden hun weg naar Kanaän dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij waren nieuwkomers met logischerwijze een nieuwe soort potten en pannen. Zij namen, gepaard gaande met natuurlijke catastrofes, op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Midden-brons periode onmiddellijk op het Vroeg-brons tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk – een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting door nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Hij toont aan dat de Egyptologie er zeshonderd jaar naast zit. Wanneer we de datering van het begin van Midden-brons aan de Bijbelse gegevens aanpassen valt veel op zijn plaats. Niemand twijfelt er aan dat de Israëlieten later het machtigste volk van Israël werden; dus veroverden ze op deze wijze het land. Dat is uitgangspunt, het fundamentele feit. Een citaat van de Bijbelvorser en Wetenschapper Courville:
    “...It must not be forgotten that the task of historians is not to create history.
    The events of history have occurred, and there is nothing that can be done to change the time relationships between these events by a single minute. The task is rather that of unraveling the confused records which have come down to us, and when this task has been done correctly, it is axiomatic that it should not be necessary to apologize for inconsistencies and anomalies at every turn of events.”1971, Donovan A. Courville, B.Th., B.A., M.A., Ph.D.

     

    Conclusie: het is alleen de volledige herziening van de chronologie van de orthodoxe Egyptologie dat echt uitkomst biedt. Er zijn onderzoekers die niettemin het Bijbelverhaal alsnog trachten recht te doen door het zoeken naar alternatieve oplossingen. Er worden constructies aangeboden waarbij men de moeilijke Bijbelse jaartallen loslaat en naar een zogenaamde late datering van de exodus gaat om een en ander te kunnen verklaren. De Griekse LXX Septuagint Bijbelvertaling met haar afwijkende jaartallen wordt ook gehanteerd wat alleen maar aan de verwarring toevoegt. Men zit namelijk in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie dat men als een historische bron beschouwd en zoekt naar aanvaardbare faraokandidaten voor de exodus in de achttiende en negentiende dynastie van Manetho. Een moeilijke opdracht aangezien de Bijbel leert dat farao samen met zijn leger (Psalm 136:15) in de Rode Zee verzoop wanneer hij de Israëlieten meende te kunnen achtervolgen. Zie mijn boek EXODUS, 2016, hoofdstuk; farao met zijn heir in de Schelfzee gestort, blz. 93-106.

    Men kan dan eventueel in een naïef geloof blijven zoals dat zondagsschoolventje dat nadat hij de onderwijzer had horen uitleggen dat de Rode Zee zich helemaal niet geopend had zoals het in de Bijbelfilm Exodus te zien is, maar dat de Israëlieten door een riet-zee trokken met water slechts tot aan de knieën. Het zondagsschoolmannetje merkte toen op: maar meester, dan is er toch een groter wonder geschied, want dan zijn al die Egyptenaren in een halve meter hoog water verzopen. Men kan hier om glimlachen, intussen blijft het onze verantwoordelijkheid om de geschiedenis te ontrafelen. Al diegenen die oprecht, naïef of moedwillig, in de strata van het Laatbrons tijdperk te Jericho op zoek gaan naar bewijzen van een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel leert, zijn in feite bezig zoals de illustratie van dat dappere ventje in de zondag klas die de riet-zee-route maar op de koop toe neemt, maar verder geen onderzoek doet naar de correcte weg van de exodusroute.

     

     

    Het resultaat van het plaatsen van de vernietiging van Jericho in het Laatbrons tijdperk is dat dan ook het grote rijk van Salomo zoals beschreven in de Bijbel, in het IJzertijdperk valt en van de uitgebreide bouwactiviteiten van Salomo zijn in de strata van het IJzertijdperk geen echte sporen terug te vinden. De diabolische consequentie hiervan is dat heel de Bijbel dan mythe wordt. Of hoe belangrijk het werk van het revisionisme van de oudheid is. Tot slot nog even opmerken dat de benaming: brons en ijzertijd niet veel met het gebruik van deze metalen te maken heeft maar alles met het gebruik van de verschillende soorten aardewerk zoals potten en pannen die in de verschillende strata gevonden worden en die op basis van de orthodoxe Egyptologie gedateerd worden.

    Over de archeologie in het licht van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid publiceerde ik eerder op 11.08.2015 op dit blog het artikel van een specialist ter zake: Dr. John J. Bimson, Exodus and Conquest -- Myth or Reality? Can Archaeology Provide the Answer? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1439157600&stopdatum=1439762400

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    03-08-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren…

    Het feit dat we stoffelijk zijn en uiteindelijk over een leeftijdsspan heen tot stof wederkeren maakt dat we ook een mensenleven van de geboorte tot het sterven chronologisch op een tijdsbalk kunnen uittekenen. De Bijbel geeft de mens in Psalm 90 een leeftijdsspan van zeventig tot tachtig jaar, afhankelijk of een mens sterk is of niet. We weten allen dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn. Boeiend is het te bedenken dat Mozes de auteur van Psalm 90 is en deze psalm al ongeveer 3500 jaar oud. Vooral boeiend vanwege de opgegeven leeftijdsspan van zeventig tot tachtig jaar, een levensspan die in het Westen pas in de twintigste eeuw als een gemiddelde bereikt werd. De voedings- en reinigings-wetten van Mozes zullen in het oude Israël hun rol gespeeld hebben.

    Psalm 90:1 Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht. 2 Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. 3 Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen! 4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 5 Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6 In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. 8 Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. 9 Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

    10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

    11 Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? 12 Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. 13 Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. 14 Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15 Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben. 16 Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. 17 En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat. (Statenvertaling)

     

    De vermelde zeventig tot tachtig jaar als leeftijdsspan kan ook volgens de Bijbel verder in belangrijke ontwikkelingsfasen ingedeeld worden. Ook op geestelijk gebied:

    1 Johannes 2:12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. 13 Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. (Statenvertaling)

     

    We beginnen (zowel geestelijk als lichamelijk) als kinderkens, vervolgens groeien we naar kinderen toe, daarna tot jongelingen en daarna het ouderschap. Het getal zeven valt in deze fase van ontwikkeling op. Zeven jaar oud, veertien jaar oud en vervolgens eenentwintig jaar oud toont een ontwikkeling in stappen. In het Oude Testament werd men voor zijn daden verantwoordelijk gesteld vanaf het eenentwintigste levensjaar (20plus). Dat merken we in de Exodusgeschiedenis waar alle van het Israëlitische geslacht, van ouder dan twintig jaar, die weigerden het Beloofde Land binnen te trekken, veroordeeld werden tot veertig jaar in de wildernis en daar ook aan hun einde kwamen.

    De beschreven leeftijdsspan van de mens, die overigens getekend is door moeite en verdriet, eindigt volgens Psalm 90:3 in de verbrijzeling van het lichaam.

     

     

    De dood is over de mens en de schepping gaan heersen vanaf Genesis 3:17 “…zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. 19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren”.

     

    Dit alles als een gevolg van het oordeel over de rebellie van de eerste mensen. Een oordeel dat van generatie op generatie aanhoudt (Romeinen 5:12), ook voor diegenen die niet op gelijke wijze zoals Adam hun doel gemist hebben.

    Doornen en distels brengt de vervloekte aarde sindsdien voort (Genesis 3:17:19), en het sterven heerst over alles. De Schepping is dienstbaar aan de vergankelijkheid geworden, en kreunt zoals in een barensnood in al haar delen (Romeinen 8:20-23).

    Het Bijbelboek Prediker hoofdstuk twaalf beschrijft in detail het aftakelingsproces dat zich al heel vroeg in een mensenleven inzet met uiteindelijk in vers zeven: de beschreven dood. Wat de mens onderscheidt van de dieren en de rest van de schepping is dat bij zijn of haar dood, zijn/haar levensadem wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

    Prediker 12:7… en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

     

    Prediker 3:19 Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, 20 alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof. 21 Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde? (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Hierna het Bijbelgedeelte uit het boek Prediker dat in detail het aftakelingsproces beschrijft. Ik heb tussen haakjes de Bijbelse beeldspraak verduidelijkt.

    Prediker 12:Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen, waarvan gij zegt: Ik heb daarin geen behagen; 2 voordat de zon verduisterd wordt evenals het licht en de maan en de sterren en de wolken na de regen wederkeren; 3 op de dag, dat de wachters (de armen) van het huis (het lichaam) beven en de sterke mannen (de benen) zich krommen, en de maalsters (de tanden) ophouden, omdat haar aantal gering geworden is, en zij, die uit de vensters (de ogen) zien, hun glans verliezen (staar), 4 en de deuren (de oren) naar de straat gesloten worden; als het geluid van de molen verzwakt, en de stem hoog wordt als die van een vogel en alle tonen gedempt worden; 5 op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op de weg zijn (insomnia), de amandelboom (witte haren) bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt (seks) – want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat –; 6 voordat het zilveren koord (ruggengraat) losgemaakt en de gouden lamp (de schedel) verbroken wordt; voordat de kruik bij de bron verbrijzeld en het scheprad in de put verbroken wordt (falen van het hart), 7 en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

     

    Dit beschreven dienstbaar zijn aan de vergankelijkheid is voor alle mensen van alle generaties van zowel verleden als heden gelijk. Dit zowel voor gelovigen als voor niet-gelovigen, andersgelovigen, binnen het verbond, buiten het verbond enzoverder, allen worden getroffen en er is geen uitzondering.

    De aarde is sinds de eerste rebellie van de mens door de Schepper aan de vruchteloosheid onderworpen (Romeinen 8:20), leert Paulus in het Nieuwe Testament.

    Paulus ondervond in zijn eigen lichaam de eerdere beschrijving van het verval van de mens. In zijn brief aan de Galaten lezen we in hoofdstuk 4 vers twaalf, dat hij ziek geworden was. Het was vermoedelijk een oogkwaal, zoals we kunnen opmaken uit Galaten 4:15 en Galaten 6:11:

    Galaten 4:12 Weest zoals ik, bid ik u, broeders, omdat ook ik ben zoals gij. Gij hebt mij in geen enkel opzicht verongelijkt. 13 Ja, gij weet, dat ik aan u de eerste maal, omdat ik ziek geworden was, het evangelie verkondigd heb, 14 en toch hebt gij de verzoeking, die er voor u in mijn lichamelijke toestand gelegen was, niet als iets verachtelijks beschouwd of ertegen gespuwd, maar gij hebt mij ontvangen als een bode Gods, (ja), als Christus Jezus. 15 Gij hebt u toen gelukkig geprezen; wat is daarvan over? Want ik kan van u getuigen, dat gij, ware het mogelijk geweest, uw ogen uitgerukt en ze mij gegeven zoudt hebben.

     

    Aan de Korintiërs schreef Paulus (2 Korintiërs 12:7-10) dat hem een doorn in het vlees gegeven was, een angel die hem lichamelijk zwak maakte, waar hij onder gebukt ging. Driemaal had hij God gebeden die angel weg te nemen, maar vergeefs. “Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid”, was het antwoord van God op Paulus gebed om genezing.

    Ook anderen kon Paulus niet altijd helpen. Aan Timoteüs zijn vriend en mede-evangelist, die aan gedurige maagongesteldheden leed schreef Paulus (1 Timoteüs 5:23) als recept voor zijn maag, dat hij niet alleen water zou drinken maar ook een beetje wijn.

    In de tweede brief aan Timoteüs (2 Tim. 4:20) schrijft Paulus dat hij een medewerker met de naam Trofimus te Milete, ziek zijnde had moeten achterlaten.

    Aan de Filippenzen schrijft Paulus in zijn brief aan hen over Epafroditus, een medestrijder en afgevaardigde van Paulus, dat deze doodziek was geweest, maar dat God Zich over hem ontfermd had.

    Filippenzen 2:25 Maar ik achtte het noodzakelijk, Epafroditus tot u te zenden, mijn broeder en medearbeider en medestrijder, die uw afgevaardigde was om mij te helpen in hetgeen ik nodig had. 26 Immers, hij was vol verlangen naar u allen en ook in zorg, omdat gij gehoord hadt, dat hij ziek was. 27 Hij is ook ziek geweest, de dood nabij, maar God heeft Zich over hem ontfermd, en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben. 28 Ik zend hem dan met te meer spoed, opdat gij, als gij hem ziet, u weer verblijden moogt en ik minder zorg moge hebben.

     

    Vers 27 geeft vandaag hoop aangezien we mogen weten dat God in deze tijd de huidige bedeling van de genade, Zich wil ontfermen. Alhoewel er toch een groot onderscheid is met de toestand tijdens de bedeling onder de Wet. Aan het oude Israël dat als natie met de Exodus in 1483 v. Chr. uit Egypte getrokken was, was de belofte gegeven dat zij vrij van ziekten zouden zijn, indien zij de Wet zouden onderhouden.

    Exodus 15:26 En (Mozes) zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

     

    De troost die Paulus, de apostel der heidenen, aan de Romeinen onder de huidige bedeling doorgeeft is de volgende:

    Romeinen 8:18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.

     

    Het openbaar worden van de zonen Gods, gebeurt bij de (tweede) komst van Jezus Christus. Het is de in de Bijbel beloofde opstanding. Een opstanding die in chronologische etappes gebeuren zal. Eerst de Christus, vervolgens de Ekklesia (1 Korintiërs 15:20-28), vervolgens Israël en de volken (Daniël 12:2, 3 en 13). Het is de vertroosting van de tweede komst van Christus en de daarmee gepaard gaande opstanding van de Ekklesia die Paulus aan de Thessalonicenzen doorgaf, wanneer zij geliefden aan de dood, aan de verbrijzeling moesten afgeven.

     

     

    (de hierboven getoonde afbeelding is niet naar waarheid getekend maar is alleen maar een poging tot visuele uitbeelding van de opstanding. De auteur is mij onbekend en ik zal de afbeelding bij eerste verwittiging dan ook verwijderen. De beeldspraak is wel zeer treffend. Het laat een kerkgebouw met kerkhof in verval zien alsof het christendom in die toekomende tijd van weinig tel meer is. Wat ook opvalt is de eerder beschreven opstanding in etappes. De tijdens hun leven wedergeboren christenen krijgen op de afbeelding hun opstanding terwijl de overige doden in hun graven (voorlopig) onberoerd blijven.)

     

    1 Thessalonicenzen 4:14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem. 15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het begrijpen van de Romeinenbrief hoofdstuk 8 kan ook vandaag als een troost en berusting werken wanneer men zelf (of geliefden) getroffen wordt door de eerder in Psalm 90 beschreven moeite en verdriet eindigend in de verbrijzeling van het lichaam. De Romeinenbrief heeft het over het lijden van de tegenwoordige tijd. Dit lijden is gelijk voor gelovigen en niet-gelovigen. Alle zijn aan de dienstbaarheid van de vergankelijkheid onderworpen. De schepping zucht en is als in barensnood.

    Romeinen 8:20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

     

    De enige hoop voor de van ouds rebellerende mens is het aannemen van Jezus Christus als zijn Heer en Heiland, en de verwachting van Zijn (weder)komst als de Losser die alles hersteld.

    Filippenzen 3:20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen

     

    Romeinen 8:24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. 28 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid  aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.

    37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt zeker vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    27-07-2017 om 15:28 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.360 dagen in een jaar in de oudheid?

    Er zijn schriftelijke overleveringen die leren dat de wereld van de oudheid ooit een jaar van 360 dagen kende in tegenstelling tot de huidige tijd waar een jaar uit 365, 25 dagen bestaat. De Bijbel bijvoorbeeld brengt de geschiedenis van de zondvloed van meer dan vierduizend jaar geleden op basis van een jaar van 360 dagen. Ook in andere beschavingen rekende men met maanden van dertig dagen (BW Bijbel en Wetenschap, Chronologie door F.J. Kerkhof, Blz. 25, ISBN 90 70145 04 9). De Assyriërs bijvoorbeeld rekenden met maan-maanden van dertig dagen. Een jaar telde 360 dagen en een decennium of Sarus telde 3600 dagen. In India verdeelden de Veda’s het jaar in twaalf maanden van dertig dagen. Pas in de zevende eeuw voor Christus begonnen de Hindoes te rekenen met een jaar van 365,25 dagen. In Babylon begonnen de maanden van dertig dagen met het licht van de nieuwe maan, twaalf maal per jaar. In de achtste eeuw voor Christus werden vijf dagen toegevoegd. Ook in Egypte rekende men aanvankelijk met een jaar van 360 dagen. Het papyrus Ebers, een bewaard document ten tijde van het Nieuwe Rijk had een jaar van twaalf maanden, elk van dertig dagen. De vijf extra dagen het epagomena, werden pas later toegevoegd. Deze toevoeging was niet het gevolg van een betere astronomische kennis maar was noodzakelijk als een gevolg van veranderingen aan de sterrenhemel, zoals het Canopus Decreet ook vermeldt. Dit document dateert uit 239 v. Chr. en stelt dat gedurende een bepaalde periode in de geschiedenis van Egypte een jaar slechts 360 dagen telde en dat later vijf dagen werden toegevoegd. Een ander Egyptisch document van de oudheid: het Sothisboek vermeldt dat het jaar van 360 dagen tijdens de Hyksos-heerschappij tot stand kwam en dat in de achtste eeuw v. Chr. de vijf epagomena aan het jaar werden toegevoegd.

     

     

    Een kalenderafbeelding uit de tempel van Senemmoet, een dienaar van Hatsjepsoet, achttiende dynastie.

     

    Hierna een citaat van de oudheidhistoricus Herodotos die over de Egyptische kalender van 360 dagen en de wijziging naar 365 dagen berichtte.

    Herodotos Boek II, 4. But as to those matters which concern men, the priests agreed with one another in saying that the Egyptians were the first of all men on earth to find out the course of the year, having divided the seasons into twelve parts to make up the whole; and this they said they found out from the stars: and they reckon to this extent more wisely than the Hellenes, as it seems to me, inasmuch as the Hellenes throw in an intercalated month every other year, to make the seasons right, whereas the Egyptians, reckoning the twelve months at thirty days each, bring in also every year five days beyond the number, and thus the circle of their seasons is completed and comes round to the same point whence it set out. They said moreover that the Egyptians were the first who brought into use appellations for the twelve gods and the Hellenes took up the use from them; and that they were the first who assigned altars and images and temples to the gods, and who engraved figures on stones; and with regard to the greater number of these things they showed me by actual facts that they had happened so. …

     

     

    En om af te sluiten: Plutarchus, een Griekse historiograaf en filosoof (ca. 46/120 AD), schreef in zijn ‘leven van Numa’, dat in de dagen van Romulus in de achtste eeuw v. Chr., de Romeinen een jaar van slechts 360 dagen hadden.

    De beschavingen van de oudheid bouwden veel van hun tempels en andere gebouwen in relatie tot en rekeninghoudend met de sterren- en planetenhemel en dit met een heden bekende verbazingwekkende nauwkeurigheid. Men kan er gerust van uitgaan dat zij een grote astronomische kennis hadden en dat zij ook accuraat veranderingen aan diezelfde hemel hebben genoteerd en doorgegeven. Deze veranderingen kunnen historisch geduid worden en tegen het einde aan van de achtste eeuw voor Christus werd een definitieve kalenderwijziging nodig.

    Er was een historisch verifieerbare cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong aan voorafgegaan en deze was de oorzaak van de storing van planeet aarde in haar omwenteling om de zon. Op dit blog heb ik regelmatig aan de cyclus van meganatuurcatastrofes in de oudheid aandacht gegeven. Het meest recente artikel dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

    De hiervoor beschreven theorie dat planeet aarde nog in een recent verleden van slechts 2800 jaar geleden door een serie kosmische catastrofes getroffen werd wat een kalenderwijziging noodzakelijk maakte, wordt door de moderne wetenschap kosmologie op basis van de evolutietheorie afgewezen. De moderne wetenschap kosmologie volgt de uniformiteittheorie. 'The present is the key to the past': vanuit deze theorie neemt men aan dat wat men tegenwoordig in de kosmos vaststelt altijd zo geweest is. Alle vermeldingen naar kalenderwijzigingen in de achtste eeuw voor Christus worden door moderne kosmologen als een slecht lezen van de hemellichamen door de oudheidastronomen verklaard.

    Het zijn de Bijbel en de Joodse overleveringen die toelaten de periode van de kalenderwijziging nauwkeurig op de tijdsbalk te duidden. In het sterfjaar van koning Achaz van Juda in het voorjaar van 722 v. Chr. leert de Joodse overlevering een storing van de aarde in haar loop om de zon.

    While the northern kingdom was rapidly descending into the pit of destruction, a mighty upward impulse was given to Judah, both spiritually and materially, by its king Hezekiah. In his infancy the king had been destined as a sacrifice to Moloch. His mother had saved him from death only by rubbing him with the blood of a salamander, which made him fire-proof. In every respect he was the opposite of his father. As the latter is counted among the worst of sinners, so Hezekiah is counted among the most pious of Israel. His first act as king is evidence that he held the honor of God to be his chief concern, important beyond all else. He refused to accord his father regal obsequies; his remains were buried as though he had been poor and of plebeian rank. Impious as he was, Ahaz deserved nothing more dignified. God had Himself made it known to Hezekiah, by a sign, that his father was to have no consideration paid him. On the day of the dead king's funeral daylight lasted but two hours, and his body had to be interred when the earth was enveloped in darkness.

    (The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Hezekiah)

     

    Vierenvijftig jaar en zes maanden eerder in oktober 776 v. Chr. werd de wereld van de oudheid door een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong getroffen. De magnitude van deze ramp en de datering heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284, beschreven.

     

    Maar de meganatuurcatastrofe die planeet aarde trof in het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda in 709 v. Chr. maakte dat daarna geen enkel religieus feest in Israël noch daarbuiten nog seizoen-correct gebeurde.

     

     

    In het Bijbelboek Jesaja vinden we een verwijzing naar een verstoring van de omloop van de aarde om de zon.

    Jesaja 38:1 In die dagen werd Hizkia ten dode toe ziek. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, tot hem en zeide tot hem: Zo zegt de HERE: tref beschikkingen voor uw huis, want gij zult sterven en niet herstellen. 2 Toen keerde Hizkia zijn gelaat naar de wand en bad tot de HERE 3 en zeide: Ach, HERE, gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in trouw en met een volkomen toegewijd hart gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in uw ogen. 4 En Hizkia weende luid. Toen kwam het woord des HEREN tot Jesaja: 5 Ga en zeg tot Hizkia: zo zegt de HERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal aan uw levensdagen vijftien jaar toevoegen, 6 en Ik zal u en deze stad uit de macht van de koning van Assur redden en deze stad beschutten. 7 En dit zal u het teken zijn van des HEREN kant, dat de HERE ook doen zal wat Hij gesproken heeft: 8 zie, Ik doe de schaduw op de treden waarlangs zij door de zon op de trap van Achaz is afgedaald, weer tien treden teruggaan. En de zon ging tien treden (voeten) terug op de treden die zij gedaald was.

     

    Het resultaat dat het teruggaan van de schaduw op de trap van Achaz had wordt verhaald in de Joodse legenden:

    “Furthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time.”( The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Miracles wrought for Hezekiah)

     

     

    ‘De Trap van Achaz’ is volgens het studiewerk van Donald W. Patten (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Page 123) een zonnewijzer zoals het ook in Egypte gebruikt werd. Patten maakt zijn berekening op basis van een hoogte van zestig voet of ongeveer achttien meter en een breedte van acht tot tien voet aan de basis.

    Een conclusie echter die heel wat revisionistische onderzoekers van de geschiedenis van de oudheid niet maken is dat wanneer de vermelding van het teruggaan van de zon zoals vermeld door de profeet Jesaja een historisch feit is, men geen correcte zonsverduisteringen voorbij het jaar 709 v. Chr. in de tijd terug, meer kan uitvoeren.

     

    Naar mijn weten is er maar één onderzoeker geweest die op het feit van de kosmische catastrofe in het veertiende regeringsjaar van Hizkia wees en de onmogelijkheid er aan verbond om voorbij dit jaartal terug de tijd in exacte zonsverduisteringen te berekenen: de heer Christoph Marx (1932/2016). Zijn opmerking werd gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijk magazine ‘Ancient History and Catastrophism’ in juni 1980 maar kreeg geen bijval en niemand maakte naar mijn weten, daarna gebruik van zijn bevinding.

     

    De hoofdreden volgens mijn mening voor het afwijzen van de kalenderwijziging in de achtste eeuw v. Chr. is de Assyriologie en haar ijkpunt op de tijdsbalk: de genoteerde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. Dit jaartal is voor de Assyriologie een ijkpunt op de tijdsbalk waar de regeerperioden van de koningen van Assyrië mee verbonden zijn.

    Het ankerjaar van de Assyriologie met de genoteerde veronderstelde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. komt echter op losse schroeven te zitten wanneer we aannemen dat 709 v. Chr. en het veertiende regeringsjaar van Hizkia een mijlpaal op de tijdsbalk is. Accurate zonsverduisteringen voorbij dit jaartal de tijd zijn niet meer mogelijk. De geavanceerde computersystemen zijn alle geprogrammeerd op basis van de uniformiteittheorie: de aarde is nooit in haar baan om de zon verstoord en ons zonnestelsel loopt sinds mensengeheugenis als een klokwerk.

    Het orthodoxe ankerpunt en navigatiepunt in de tijd terug met de vermeende zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile is nochtans van geen tel meer wanneer men aanneemt dat de omloop van de aarde om de zon inderdaad tegen het einde van de achtste eeuw voor Christus van een jaar van 360 dagen naar een jaar van 365,25 jaar is gewijzigd.

    De consuquentie is dat de datering van de Assyrische koningslijst volledig herzien moet worden.

     

    De genoteerde zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile heb ik in mijn boek ‘De Assyriologie herzien, 2012, verankerd met het jaar van de meganatuurcatastrofe in 800 v. Chr. ten tijde van de profeet Amos.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 271-278 heb ik een hoofdstuk geschreven over de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt.

    Amos 8:9 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. 10 Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. En Ik zal het maken als de rouw over een eniggeborene en het einde ervan als een bittere dag.

     

    De profeet Amos (4: 11) vergelijkt de ongewone zonsverduistering met de ramp die Sodom en Gomorra een millennium eerder getroffen had: “Ik heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur gerukt”.

     

    Wanneer ik de aardbeving ten tijde van de profeet Amos een meganatuurcatastrofe noemde heb ik niet overdreven. De ramp die het Midden-Oosten en heel de wereld in 800 v. Chr. trof was gelijk aan het geweld toen Sodom en Gomorra in 1889 v. Chr. vernietigd werden.

    Genesis 19:24 Toen liet de HERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de HERE, uit de hemel; 25 en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dat de kosmos in de dagen van de profeet Amos letterlijk in beroering was leert de Bijbel duidelijk. Hierna een citaat met tussen haken de namen der planeten toegevoegd:

    Amos 5:8 Die het Zevengesternte (KHIMA=Saturnus) en den Orion (KHESIL=Mars) maakt (ordonneert), en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam. 9 Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting. (Statenvertaling)

     

    Het jaartal 800 v. Chr. is ook het resultaat-jaar waar men op de tijdsbalk arriveert wanneer men de regeerperiodes van de Assyrische koningen vanaf Salmaneser III aanbrengt. In het artikel van 23.01.2017 heb ik de regeerperiode van Salmaneser III met het rampjaar 860 v. Chr. verbonden. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1485126000&stopdatum=1485730800

    Al de koningen van Assyrië en hun vermelde regeerperioden van Salmaneser III af tot Assur Dan III hebben aldus in mijn studie op de tijdsbalk hun plaats gevonden. Het is opmerkelijk hoe Salmaneser III en Assur Dan III via twee genoteerde meganatuurcatastrofes met elkaar verbonden zijn, en op de tijdsbalk nu meer dan één ankerpunt opleveren, in tegenstelling tot de conventionele zonsverduistering van 763 v. Chr. met slechts een ankerpunt.

    De verwijzing in het eponiem van Bur-Saggile zegt alleen dat de zon verduisterd werd. Wanneer men op de tijdsbalk de genoteerde zonsverduistering van Bur Saggile met de buitengewone zonsverduistering van de profeet Amos verankerd, was een ander hemellichaam verantwoordelijk voor de verduistering en overigens veel schrikwekkender. Ik vraag me ook af waarom men in de eponiemlijsten alleen de zonsverduistering ten tijde van Assur Dan III zou vermelden en niet het astronomisch fenomeen ten tijde van de profeet Amos? Beiden gaan volgens mij over dezelfde zonsverduistering dat zowel over Jeruzalem als Nineveh zichtbaar was.

     

    De afkeer bij onderzoekers voor het in twijfel trekken van het jaar 763 v. Chr. als ijkpunt voor de plaatsing van de Assyrische koningen op de tijdsbalk zijn de consequenties daarmee verbonden. Ik merkte al op dat de Assyrische koningslijst en haar regeerperioden opnieuw op de tijdsbalk gerangschikt dient te worden. Dit betekent ook dat heel wat constructies door revisionisten van de geschiedenis van de oudheid hun huiswerk opnieuw dienen te maken. Ik haal twee voorbeelden met dit artikel aan.

    De Egyptoloog David Rohl bijvoorbeeld maakt in zijn boek ‘A TEST OF TIME’ van Saul en David tijdgenoten en vazallen van farao Achnaton. Dit als gevolg van zijn hanteren en voor waar houden van de uitgedokterde tijdsconstructie van Edwin R. Thiele van de koningen van Israël en Juda in relatie tot de koningen van Assyrië. Zijn ankerpunt voor Achnaton op de tijdsbalk is een zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Een astronoom berekende voor hem met een computerprogramma dat geprogrammeerd volgens de uniformiteittheorie de exacte (?) tijd voor de zonsverduistering over Oegarit. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruïnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. In de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus: Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: “En vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daar”. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van farao Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ’s van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

    De reconstructie van Rohl met Saul en David als tijdgenoten van Achnaton houdt echter alleen steek wanneer de uitgedokterde jaartallen van Thiele voor de koningen van Israël correct zijn? Thiele ’s reconstructie van de koningen van Juda en Israël op de tijdsbalk gaat er van uit dat er een genoteerde zonsverduistering in 763 v. Chr. was tijdens het eponiem van Bur Saggile, en dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. negentig jaar eerder gedateerd moet worden. Thiele verbond het laatste regeringsjaar van koning Achab van Israël met het jaartal van de slag bij Karkar waar Achab met zijn leger aan deelnam. De verankering van de regeerperiode van Achab met de slag bij Karkar maakt dat Salomo op de tijdsbalk met de regeerperiode 970/930 v. Chr. verbonden wordt. Saul krijgt volgens deze noodlottige constructie een regeerperiode van 1050/1010 v. Chr., gevolgd door David met een regeerperiode van 1010/970 v. Chr.

    Dat Schriftuurlijk gezien Saul en David geen vazallen of knechten van farao van Egypte konden zijn heb ik al eerder op dit blog aangetoond. Zie het artikel van 20.03.2017 : de Bijbelse farao Sisak, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    Ik wil er op wijzen dat ik hier op een onderdeel van het werk van David Rohl opmerkingen heb en niet op heel zijn studie. Wie met regelmaat mijn blog volgt weet de maat van de waarde die ik aan het algemene onderzoek van de Egyptoloog David Rohl hecht.

     

    Een volgend voorbeeld dat ik wil aanhalen is de tijdsconstructie die Dr. Stephen E. Jones uitwerkte. Ook deze chronoloog gaat ervan uit dat het jaar 763 v. Chr. een ijkpunt op de tijdsbalk is en de schikking van de koningen van Assyrië correct. Ik gaf al aandacht aan de studie van Dr. Stephen E. Jones, Secrets of Time, 1996, in het artikel op dit blog van 07.07.2017.

    In zijn aangehaalde boek: Secrets of Time, 1996, hoofdstuk 2: Fundamentele Bijbelse chronologie, H: van Salomo ’s dood tot de dood van Achab, blz. 43, gaat Jones uit van de correctheid van de plaatsing van de regeerperioden van de koningen van Assyrië op de tijdsbalk door de orthodoxe Assyriologie aan de hand van de door de moderne astronomie gedateerde zonsverduistering in 763 v. Chr. over Nineveh. Hij laat Achab in hetzelfde jaar van de slag bij Karkar waar deze zich geallieerd met Aram/Syrië tegen Salmaneser III streed, tegen Aram keren en in de slag bij Ramoth-Gilead het leven laten.

    Indien Achab aan de slag bij Karkar geallieerde met Aram/Syrië heeft deelgenomen, want de Bijbel zwijgt over dit wapenfeit, dan is het toch de logica zelve dat hij dit deed ten tijde van het drie jaren-bestand (1 Koningen 22:1) tussen Israël en Aram (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 243-249).

    Het aanvaarden dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. hetzelfde jaar voorafging aan de slag bij Ramoth Gilead waar Achab sneuvelde levert bovendien een anomalie op. Twaalf jaar later namelijk in het achttiende regeringsjaar van Salmaneser III claimt de Assyriër schatting ontvangen te hebben van Jehu van het huis van Omri. Maar in dat jaar had Jehu de dynastie van Omri al uitgemoord en het koningschap over het tienstammenrijk overgenomen. Thiele ging er van uit dat de Assyriërs niet wisten wie hen schatting bracht, wat toch onzin is? Hier is het ook logischer het brengen van schatting aan Salmaneser III op de tijdsbalk onder te brengen toen Jehu nog generaal van het leger van Israël was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik generaal Jehu van het huis van Joram, de kleinzoon van Achab, twee jaar eerder op de tijdsbalk passend ingevuld.

     

    Het is alleen een drastische herziening van de regeerperioden van de Assyrische koningen in lijn met de Bijbels-chronologische gegevens dat soelaas brengt. Zoals eerder opgemerkt ontbreken er zondermeer namen van Assyrische koningen in de lijst die om verschillende redenen door de Assyrische kroniekschrijvers van de oudheid in opdracht van hun koningen verwijderd werden. In het artikel van 14.07.2017 verhaalden we over de Bijbelse koning Jareb van Assur, een naam die in de Assyrische koningslijst ontbreekt. De niet bij naam genoemde Assyrische koning in de Bijbel die zich op de prediking van Jona tot de God van Israël ter uitredding richtte, wordt in de eponiemlijsten ook niet vermeld, noch de beschrijving van het afwenden van de aangekondigde meganatuurcatastrofe van 776 v. Chr. De Grieken begonnen in dat jaar hun Olympische Spelen als dank naar hun goden voor de afgewende ramp. In Assyrië was het een en al anarchie en chaos tijdens deze periode. De Griekse legende over Sardanapallos heb ik in mijn boek ‘De Assyriologie herzien’ op de tijdsbalk tijdens deze periode ondergebracht. Het was ook in het jaar 776 v. Chr. dat we het optreden van de Hebreeuwse profeet Jona plaatsen. De Assyrische koning die niet bij naam in de Bijbel vermeldt wordt en zich op de prediking van Jona tot de God van Israël voor uitkomst keerde werd ook door de Assyrische kroniekschrijvers in opdracht van hun koningen van de lijst als onwaardig verwijderd.

    Voldoende redenen om de rangschikking door de orthodoxie van de Assyrische koningen op de tijdsbalk met als ijkpunt het jaar 763 v. Chr. af te wijzen. Er rest nu de taak tot een volledige revisie van de chronologie van de Assyrische koningen te komen. De Egyptoloog en revisionist van de geschiedenis van de oudheid Dr. David Rohl, maakte al een begin in zijn bekende boek: A TEST OF TIME, 1995, door een appendix E toe te voegen over de Assyrische chronologie en op de noodzaak tot correcties te wijzen. Hij gaat echter niet ver genoeg, blijft in zijn eigen vakgebied: de Egyptologie en laat in wezen de echte taak over aan een eventuele Assyrioloog (die nog moet opstaan) om tot actie over te gaan.

     

    Met het artikel van 21.06.2017 op dit blog gaf ik aandacht aan de chronoloog Dr. Floyd Nolen Jones en zijn boek 'The Chronology of the Old Testament'. Deze onderzoeker laat de fabricatie van Thiele vallen en keert terug naar de normale onverkorte regeertijd van de koningen van Israël en Juda, wat zondermeer lovenswaardig is. Ook deze onderzoeker beseft dat men dan in conflict met de gevestigde wetenschap Assyriologie komt en de noodzaak tot correctie van de bewaarde Assyrische gegevens. Ook deze onderzoeker gaat echter niet ver genoeg en laat bijvoorbeeld de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen in ballingschap door de Assyrische koning Sargon II voltrekken. Daar waar de Bijbel leert dat Salmaneser V hiervoor verantwoordelijk was (2 Koningen 17:2) en niet de usurpator Sargon II die met dit Schriftgedeelte als een leugenaar en geschiedvervalser ontmaskerd wordt.

     

    De sleutel tot het corrigeren van de regeerperioden van de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib is het volgende Bijbelgedeelte:

    2 Koningen 18:9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. 13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. …(Statenvertaling)

     

    Tussen de val van Samaria door het leger van Salmaneser V in het zesde regeringsjaar van Hizkia en de vernietiging van het Assyrisch leger van Sanherib voor de poorten van Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van Hizkia zitten er volgens de Bijbel acht jaar. In het chronologische model dat de moderne Assyriologie levert past de Bijbelse chronologie niet. De Assyriologie laat Samaria door Sargon II in 722 v. Chr. veroveren en de belegering van Jeruzalem door Sanherib in 701 v. Chr. of een periode van eenentwintig jaar wat een verschil van dertien jaar op de tijdsbalk oplevert. Voor Thiele was het onmogelijk de Bijbels-historische gegevens dienaangaande met de Assyrische bronnen te verzoenen en dus verklaarde hij schaamteloos dat 2 Koningen hoofdstuk 18 kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd was. Wanneer we echter de chronologische gegevens van 2 Koningen 18:9-13 als historisch correct hanteren (alsof er een andere wijze zou bestaan?) vormen zij de sleutel tot het op losse schroeven zetten van heel het Assyrische model en tegelijkertijd de oplossing.

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia zit namelijk op de tijdsbalk verankerd met het sabbat- en jubeljaar van 709/708 v. Chr. Het was het jaar dat het Assyrische leger van Sanherib bij Jeruzalem vernietigd werd en Jeruzalem gered. Acht jaar daarvoor in het zesde regeringsjaar van Hizkia zijnde 717 v. Chr. werd Samaria door Salmaneser V ingenomen.

    In mijn boek ‘De Assyriologie herzien’ heb ik de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib op de tijdsbalk herschikt. Salmaneser V veroverde Samaria in 717 v. Chr. met Sargon II op dat ogenblik als co-regent en ondergeschikt aan Salmaneser V. Bij de belegering van Jeruzalem in 709 v. Chr. is Salmaneser V verdwenen en regeert Sargon II met zijn zoon Sanherib als co-regent. Sargon II was een usurpator van de Assyrische troon die een ‘damnatio memoriae’ naar zijn voorganger Salmaneser V doorvoerde. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1462140000&stopdatum=1462744800

    De bekende prismastele van Sanherib waar onder andere de belegering van Jeruzalem op beschreven wordt verwijst naar het aantal veldtochten en niet naar de regeringsjaren van Sanherib. Ten tijde van Achaz en Hizkia deelden meerdere Assyrische koningen de troon met elkaar. De Bijbel verwijst tijdens deze periode dan ook meerdere malen naar de koningen van Assyrië in het meervoud.

     

    Ik heb in mijn geciteerde boek een begin gemaakt met de herziening van de Assyrische koningslijst en haar plaatsing op de tijdsbalk. Het werk is echter niet af.

    Wat naar mijn mening nodig is, is een nieuwe autodidact zoals eertijds Dr. I. Velikovsky (1895/1979) er een was die schaamteloos met kennis van zaken buiten zijn vakgebied trad en op de vele anomalieën wees bij zowel kosmologie als geologie, egyptologie enzoverder en dit tot irritatie van velen.

     

    Wat als een paal boven water staat is dat de achtste eeuw voor Christus een eeuw van een planeet aarde in beroering was. Aan het eind van die eeuw werd een kalenderwijziging nodig die door de beschavingen van die tijd genoteerd werd. Daarenboven kende de oude wereld in de achtste eeuw voor Christus een klimaatwijziging. Flora en fauna waren in het Nabije Oosten nooit meer dezelfde als voorheen.

     

     

    Het laatste boek (Mankind in Amnesia, 1982) dat de controversiële onderzoeker Dr. Immanuël Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan het verdringen van de historische meganatuurcatastrofes dat hij catologeerde onder een ‘collectief geheugenverlies’ van de moderne mensheid. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieën of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuurverstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    21-07-2017 om 08:33 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de profeet Jona te Nineveh

    Met deze aflevering wil ik de Bijbelse profeet Jona chronologisch op de tijdsbalk plaatsen en de koning van Assyrië identificeren die zich op de prediking van Jona te Nineveh tot de God van Israël voor uitkomst wendde.

     

     

    De Bijbel leert dat Jona als profeet optrad ten tijde van de regering van koning Jerobeam II van het tienstammenrijk:

    2 Koningen 14:23 In het vijftiende jaar van Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, koning te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. 24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. 25 Hij heroverde het gebied van Israël, van de weg naar Hamat tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de HERE, de God van Israël, gesproken had door zijn knecht, de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. 26 Want de HERE had gezien, dat de ellende van Israël zeer bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor Israël. 27 Maar de HERE had niet gezegd, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel zou uitwissen; dus verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas. (NBG Vertaling 1951)

     

    Ook de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus plaatst de bediening van Jona ten tijde van de eenenveertigjarige regeringsperiode van Jerobeam II maar geeft verder ook geen exacte tijdsaanduiding wanneer juist Jona de stad Nineveh bezocht.

    1. IN the fifteenth year of the reign of Amaziah, Jeroboam the son of Joash reigned over Israel in Samaria forty years. This king was guilty of contumely against God, and became very wicked in worshipping of idols, and in many undertakings that were absurd and foreign. He was also the cause of ten thousand misfortunes to the people of Israel. Now one Jonah, a prophet, foretold to him that he should make war with the Syrians, and conquer their army, and enlarge the bounds of his kingdom on the northern parts to the city Hamath, and on the southern to the lake Asphaltitis; for the bounds of the Canaanites originally were these, as Joshua their general had determined them. So Jeroboam made an expedition against the Syrians, and overran all their country, as Jonah had foretold.

    2. Now I cannot but think it necessary for me, who have promised to give an accurate account of our affairs, to describe the actions of this prophet, so far as I have found them written down in the Hebrew books. Jonah had been commanded by God to go to the kingdom of Nineveh; and when he was there, to publish it in that city, how it should lose the dominion it had over the nations. But he went not, out of fear; nay, he ran away from God to the city of Joppa, and finding a ship there, he went into it, and sailed to Tarsus, in Cilicia and upon the rise of a most terrible storm, which was so great that the ship was in danger of sinking, the mariners, the master, and the pilot himself, made prayers and vows, in case they escaped the sea: but Jonah lay still and covered [in the ship,] without imitating anything that the others did; but as the waves grew greater, and the sea became more violent by the winds, they suspected, as is usual in such cases, that some one of the persons that sailed with them was the occasion of this storm, and agreed to discover by lot which of them it was. When they had cast lots, the lot fell upon the prophet; and when they asked him whence he came, and what he had done? he replied, that he was a Hebrew by nation, and a prophet of Almighty God; and he persuaded them to cast him into the sea, if they would escape the danger they were in, for that he was the occasion of the storm which was upon them. Now at the first they durst not do so, as esteeming it a wicked thing to cast a man who was a stranger, and who had committed his life to them, into such manifest perdition; but at last, when their misfortune overbore them, and the ship was just going to be drowned, and when they were animated to do it by the prophet himself, and by the fear concerning their own safety, they cast him into the sea; upon which the sea became calm. It is also reported that Jonah was swallowed down by a whale, and that when he had been there three days, and as many nights, he was vomited out upon the Euxine Sea, and this alive, and without any hurt upon his body; and there, on his prayer to God, he obtained pardon for his sins, and went to the city Nineveh, where he stood so as to be heard, and preached, that in a very little time they should lose the dominion of Asia. And when he had published this, he returned. Now I have given this account about him as I found it written [in our books.]

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek IX, x, 1-2)

     

    Koning Jerobeam II zit op de tijdsbalk verankerd met de regeerperiode van 816 tot 776 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284.

     

     

    Beide historische bronnen: de Bijbel en Josephus brengen een bijzondere geschiedenis over Nineveh, de bekering namelijk van een Assyrische koning tot de God van Israël naar aanleiding van de oordeelaankondiging van de Hebreeuwse profeet Jona te Nineveh. Deze historische gebeurtenis vinden we nochtans niet in de Assyrische kronieken terug. De vermaledijde Assyrische koning die de goden van Assur voor de God van Israël inruilde werd met zekerheid uit de annalen verwijderd en is een aanwijzing dat de wel genoteerde annalen van de Assyriërs onbetrouwbaar zijn. Men kan zelfs spreken van een ‘damnatio memoriae’ voor deze periode in Assyrië.

    Hierna het relevante Bijbelgedeelte over de bekering van de koningen van Assyrië ten tijde van Jerobeam II en Jona:

    Jona 3:1 Het woord des HEREN kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineveh, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal. 3 Toen maakte Jona zich op en ging naar Nineveh, overeenkomstig het woord des HEREN. Nineveh nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen. 4 En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineveh wordt ondersteboven gekeerd! 5 En de mannen van Nineveh geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden. 6 Toen het woord de koning van Nineveh bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as. 7 En men riep uit en zeide in Nineveh op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. 8 Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. 9 Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan. 10 Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het afwenden van de geprofeteerde ramp die Nineveh ondersteboven zou keren plaats ik op de tijdsbalk in het jaar 776 voor Christus. Het is het jaar dat in de oude wereld de Olympische Spelen van start gingen en dit uit dankbaarheid naar hun goden toe, voor het afwenden van ‘de’ ramp. Er was namelijk al eerder een cyclus van meganatuurcatastrofes aan de hand die met een regelmaat van tijd planeet aarde met allerhande calamiteiten teisterde. Het recentste artikel op dit blog dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

     

    Toen Jerobeam II de kroon in het tienstammenrijk overnam was de macht van Assyrië aan het tanen. Vooral ten tijde van de regeerperiode van Assur Dan III (808/790 v. Chr. – gereviseerde chronologie) vermelden de Eponiemlijsten regelmatig jaren van pestilentiën, revoluties en meerdere malen de laconieke opgave: ‘de koning bleef in het land’, wat in feite op niets doen wijst. Dit in contrast met de eerdere koningen van Assur die jaarlijks militaire veldtochten hielden.

    In mijn chronologische revisie van de Assyrische koningen heb ik de regeerperiode van Salmaneser III verbonden met het meganatuurcatastrofe-jaar 860 v. Chr., en met de Bijbelse ankerpunten van koning Achab en Jehu van Israël op de tijdsbalk. Vanaf 860 v. Chr. heb ik op de tijdsbalk teruggewerkt en de Assyrische opvolgers van Salmaneser III tot op koning Assur Nerari V, gerangschikt. In mijn boek ‘De Assyriologie herzien, 2012, verklaar ik een en ander.

    Als een gevolg van het linken van Salmaneser III aan de Bijbelse chronologische gegevens ontstaat er in de achtste eeuw v. Chr. ruimte op de tijdsbalk voor het inbrengen van de ontbrekende namen van Assyrische koningen die niet in de koningslijst vermeld werden.

    In het jaar 782 v. Chr. laat ik volgens mijn revisie bij de dood van Assur Nerari V in Assyrië een ‘damnatio memoriae’ aanvangen. Het laatste eponiem van zijn regeerperiode heeft als commentaar: ‘opstand in Kalhu’. Ik neem aan dat deze opstand zich over heel het Assyrische gebied uitgebreid heeft en plaats maakte voor koningen zoals Sardanapallos vanuit de Griekse overlevering en voor de Bijbelse koningen Jareb en Pul.

     

    De jaren voor Christus: 860, 830, 816, 800 en 790 waren jaren met meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong geweest. We kunnen ons voorstellen dat de oude wereld vol spanning en angst rond 776 v. Chr. uitzag naar de volgende ramp die over hen heen moest komen. In 776 v. Chr. werd deze ramp afgewend en het zou tot 761 v. Chr. duren alvorens een nieuwe calamiteit planeet aarde trof. In het jaar 722 v. Chr.. bij de dood van Achaz van Juda, exact 54 jaar en zes maanden na 776 v. Chr. zou een nieuwe meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong de aarde treffen. Aan deze rampen gingen telkens tekenen aan de hemel vooraf. Volgens het studiewerk van de geleerden Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, met hun werk: ‘The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes’ uit 1973 was de planeet Mars verantwoordelijk voor het verstoren van de omloop van de aarde om de zon.

    Het jaar 776 v. Chr. is volgens mijn revisie het jaar van de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van koning Azaria/Uzzia in Juda. Het gebied van Juda en Israël werd bijzonder zwaar getroffen want de kracht van de aardbeving ten tijde van Uzzia wordt door de profeet Zacharia als van apocalyptische aard beschreven.

    Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, gaan in hun studie zeer gedetailleerd te werk en leveren een schema met een cyclus van catastrofes van 2484 v. Chr. tot 701 v. Chr. Hun ankerjaar op de tijdsbalk: 701 v. Chr. van waar af zij in de tijd teruggaan is echter van Edwin R. Thiele die foutief het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda met de Assyrische chronologie verbond. Er doet zich een afwijking van acht jaar voor met de historische-verifieerbare regeringstijd van Hizkia op basis van de sabbat- en jubeljaartelling. Zie ook TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 327, hoofdstuk: de kroniek van koning Hizkia.

    Als een gevolg van het hanteren van de chronologie van Thiele voor de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda, zitten Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer wat hun ijkpunt op de tijdsbalk betreft er acht jaar naast en gaan historische verbanden verloren. Wanneer men echter het cyclusmodel van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, binnen de sabbat- en jubeljaarchronologie hanteert zijn de resultaten nochtans verbluffend. De catastrofe-cyclus is volgens Patten nauwkeurig te berekenen tot 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie in de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium. Volgens het studiewerk van Donald W. Patten was de planeet Mars in de oudheid de boosdoener. Hierna een citaat van Patten met een beschrijving, en de gevolgen van zulk een interactie tussen planeten:

    “On one or two occasions of the Mars fly-bys, Mars was as close as 70.000 miles from Earth, and at such a distance would appear 50 times as large as the Moon, would reflect 100 times as much sunlight as the Moon (since its albedo or reflectivity is 15% compared to the lunar 7%). Mars at that distance would create tidal effects possibly as much as 350 times as intense as the average lunar tides experienced today. Thus earthquakes plus blizzards of meteors were experienced. Under such circumstances ancient Teutons might well implore Thor to control his “celestial son” Tyr or Tiwes

     

     

    Wanneer de profeet Jona voorafgaande aan oktober 776 v. Chr. naar Nineveh gestuurd werd waren de tekenen aan de hemel voor ieder sterveling zichtbaar en de boodschap van de profeet meer dan onheilspellend.

    Alhoewel het land Juda in oktober 776 v. Chr. zwaar getroffen werd kwamen de Grieken en de Assyriërs er met weinig kleerscheuren vanaf.

     

    De koning van Assyrië die zich volgens de historische bron de Bijbel op de prediking van de profeet Jona tot de God van Israël voor verlossing keerde, kennen we niet bij naam. De Assyriërs verwijzen ook niet naar een afgewende ramp in hun bewaard gebleven annalen. We mogen aannemen dat zijn naam uit alle registers verwijderd werd.

    Een eigennaam van een Assyrische koning die we in de Bijbel voor deze periode vinden is die van JAREB. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Hosea 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in Bet-Awen! Achter u, Benjamin! 9 Tot een woestenij zal Efraïm worden ten dage des oordeels. Over de stammen Israëls maak Ik bekend wat vast besloten is. 10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. 11 Verdrukt is Efraïm, verpletterd door het recht, omdat hij heeft verkozen het ijdele te volgen. 12 Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. 13 Toen Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging Efraïm naar Assur en zond boden naar koning JAREB (Strijdlust). Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen.

     

    Hosea 10:1 Israël is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen. 2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. 3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning – maar, wanneer wij de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? 4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de akker. 5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. 6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor koning Strijdlust (sv)JAREB.

     

    De profeet Hosea (1:1) trad in Israël op in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël. Deze tijdspanne is dezelfde als de tijd wanneer de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd. De profetische woorden aangaande JAREB werden uitgesproken/vervuld na de dood van Jerobeam tijdens de periode van 775 tot 764 v. Chr. wanneer het tienstammenrijk een hele tijd zonder koning zat. Deze tussenperiode in de lijn van de koningen van het tienstammenrijk werd eveneens door Hosea voorspeld:

    Hosea 3: … 4 Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. …

     

    Hosea hoofdstuk vijf en verder beschrijft de toestand in Israël na de dood van Jerobeam II. Dezelfde tijd dat JAREB koning van Assyrië was met als hoofdstad Nineveh.

    In de grondtekst van de Bijbel staat er ‘Jareb’ wat de SV Statenvertaling correct als een eigennaam doorgaf. De NBG Vertaling (1951) vertaalde JAREB met ‘Strijdlust’. De NBV vertaling (2004) maakte er ‘kemphaan’ van.

    We merken hier het gezag dat de wetenschap Assyriologie heeft ten overstaan van nieuwe Bijbelvertalingen. Aangezien de Bijbelse eigennaam JAREB in de Assyrische koningslijsten niet voorkomt neemt men aan dat het Hebreeuwse JAREB wel een andere betekenis moet gehad hebben. Volgens het studiewerk van Dr. Arie Dirkzwager kan de naam Jareb wat een Hebreeuwse verbasterde versie van een Assyrische naam is, in verband gebracht worden met de Griekse legende over Sardanapallos en zijn antagonist Arbakes. Zie link: http://www.dirkzwagerarie.be/joomla/files/Arbaces,%20Jareb,%20Assyr_%20chronol_.PDF

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    14-07-2017 om 08:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tijden der heidenen: 2520 dagen of zijn het ook jaren?

    Het evangelie naar Lucas hoofdstuk 21:20

    Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. 21 Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, 22 want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. 23 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!

     

     

    Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, 24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn. 25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. 28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt. 29 En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. 30 Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. 31 Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. (NBG Vertaling 1951)

     

    Op dit blog hou ik mij in de eerste plaats met chronologie bezig. Bij het onderwerp van ons artikel: het Bijbelcitaat van de evangelist Lucas 21:24, schrijven we anno 30 AD. Het jaartal namelijk wanneer de Heer Jezus Christus kort voor zijn lijden, sterven en opstanding, in zijn rede over de laatste dingen deze woorden uitsprak. De stad Jeruzalem en het land Judea zaten toen sinds het jaar 63 v. Chr. onder de Romeinse hiel en daarvoor waren het de Grieken, daarvoor de Meden en de Perzen en daarvoor de Babyloniërs geweest, die in opeenvolging over Jeruzalem geheerst hadden. Sinds de inname van Jeruzalem door de legers van de Babyloniër Nebukadnezar in 586 v. Chr. waren het de TIJDEN der Heidenen. ‘Tijden’ dat vreemde, niet-Joodse heersers over de stad Jeruzalem en de Tempelberg zouden heersen. Ik schrijf met opzet ‘Tempelberg’ in plaats van Tempel aangezien de Tempel in die lange geschiedenis tweemaal vernietigd werd. De profetische woorden van de Heer Jezus Christus in zijn rede over de laatste dingen zoals door de evangelist Lucas overgeleverd, zouden hun begin kennen in het jaar 70 AD wanneer de legioenen van de Romein Titus de stad en de Tempel vernietigden en de Joden in ballingschap wegvoerden. De Tempelberg te Jeruzalem zou er daarna een hele tijd desolaat bijliggen. Later herbouwden de Romeinen de stad en plaatsten een bouwwerk op de Tempelberg dat later na de verovering van Jeruzalem door de Arabische moslims in 691 AD door een Islamitisch heiligdom vervangen werd. Dit is de bekende achthoekige rotskoepel die tot op heden de Tempelberg overheerst.

     

     

    Zoals eerder vermeld vingen de zogenaamde ‘Tijden der Heidenen’ voor Jeruzalem en de Tempelberg aan in het jaar 586 v. Chr. toen de Babylonische legers van Nebukadnezar de stad en Tempel verwoesten. De eerste van drie wegvoeringen in Babylonische ballingschap geschiedde eerder in het jaar 605 v. Chr. Een wegvoering waar de profeet Daniël als jonge knaap deel van uitmaakte. Later zou Daniël in ballingschap een aantal profetische visioenen krijgen met betrekking op de toekomstige geschiedenis van Israël, de stad Jeruzalem en de (herbouwde) Tempel. In detail kan men in het gelijknamige Bijbelboek Daniël in de hoofdstukken twee en zeven de verschillende eerder genoemde wereldrijken die over Jeruzalem en de Tempelberg zouden heersen, terugvinden. Het is naar de profetie van Daniël, dat de Heer Jezus Christus in Zijn rede over de laatste dingen, verwijst:

     

    Matteüs 24:15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) 16 Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen; 17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen. Enzoverder. (Statenvertaling)

     

    Bij de eerste komst van de Heer Jezus Christus zuchtte Israël al zes eeuwen onder vreemde overheersing. En sinds het optreden van de laatste profeet van het zogenaamde Oude Testament; Maleachi, was er geen Godsopenbaring meer geweest. Het optreden van Johannes de Doper in 26 AD in de geest van Elia en het Zich daaropvolgend bekendmaken van Jezus van Nazareth als de Christus of Messias had voor heel wat opschudding gezorgd maar leidde niet tot het aanvaarden van Jezus Christus. Wat volgde in 30 AD was Zijn overlevering aan de Romeinen ter executie aan een kruis. Het volk en haar leiders zouden in 70 AD daarna door de Romeinen uit het land gerukt worden en de stad en Tempel vernietigd. De tijdsklok van de ‘Tijden der heidenen’ tikt intussen verder ook na de verovering van Oost-Jeruzalem en de Tempelberg door de Israëli ’s in 1967. Sinds 586 v. Chr. zijn er inmiddels 2602 jaar verlopen.

    Het in staat zijn het einde van ‘de tijden der heidenen’ over Jeruzalem en de Tempelberg te berekenen is niet aan de Ekklesia gegeven. Dat maken de laatste woorden van de Heiland aan zijn discipelen kort voor Zijn Hemelvaart duidelijk:

    Handelingen 1:6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk  onttrok Hem aan hun ogen. 10 En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen , als gij Hem ten hemel hebt zien varen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Niettemin blijft dit voor velen binnen het christendom een belangrijke oefening. Het zijn vooral Anglo-Amerikanen die keer op keer op het internet nieuwe jaartallen de wereld insturen. Nochtans was het antwoord van de Heiland aan de discipelen die naar het ‘wanneer’ van het herstel van het koningschap voor Israël, vroegen: “Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft”.

    De eindvervulling van ‘de Tijden der Heidenen’ over Jeruzalem en de Tempelberg wordt beschreven in het laatste Bijbelboek Openbaring:

    Openbaring 11:1 En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. 2 Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. 3 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang.

     

    Het geciteerde Bijbelgedeelte vermeldt een toekomstige tijdsperiode van 1260 dagen wanneer er twee getuigen van de HEERE God tegen de herstelde offerdienst op de Tempelberg zullen spreken gevolgd door een periode van 42 maanden dat de heidenen over de stad zullen heersen. Het is in totaal een periode van zeven jaar, aan maanden van dertig dagen te rekenen. Het is dezelfde periode als de laatste jaarweek van de profeet Daniël waar Openbaring hoofdstuk 11 bij aansluit. Ook hier vinden we geen jaartal vermeld noch een sleutel om tot een eventuele berekening te kunnen komen.

    Hoewel dit duidelijke berichtgeving over een toekomstige tijdsbedeling is zijn er altijd eindtijdhoppers geweest die meenden de periode van de tijden der heidenen te kunnen berekenen. Een naar mijn mening grote inbeelding bij hen was de gedachte dat men de toekomstige jaarweek van de profeet Daniël van in totaal 2520 letterlijke dagen, van dagen naar jaren kon omrekenen.

     

    Een paar jaar geleden schafte ik via een internet-antiquariaat-boekhandel het boek van C. G. Ozanne, The First 7000 Years, 1970, aan. Deze onderzoeker van de chronologie van de Bijbel heeft zich ook aan het berekenen van het tijdstip van de tweede komst van Jezus Christus gewaagd (Chapter Eleven, page 153). Zijn uitgedokterd jaartal voor de wederkomst was het jaar 1996 en het begin van de zeventigste jaarweek berekende hij aldus voor het jaar 1989. Jaartallen die inmiddels al meer dan twintig jaar achter ons liggen.

    Het is de visie van Ozanne over de ‘Tijden der Heidenen’ en vooral de berekening daarvan waarmee hij de mist inging. De ‘Tijden der heidenen’ zijn voor C.G. Ozanne M.A. Ph.D een vaststaande berekende periode van 2520 jaar, een tijdsperiode die volgens hem in de Bijbelse geschiedenis zelfs al eens eerder gehanteerd werd. Zijn leidraad voor het getal ‘2520’ is het eerder geciteerde Bijbelcitaat uit Openbaring hoofdstuk 11 waar over een periode 42 maanden en 1260 dagen gesproken wordt; wat in totaal voor zeven jaar aan dertig dagen per maand staat. De zeven maal zevens van de profetie van Daniël hoofdstuk 9 hebben dezelfde waarde. Op basis van Hebreeën 4:9, Psalm 90:4 en 2 Petrus 3:8 waar staat geschreven dat duizend jaar als één dag gelden bij de HERE God, paste hij dit gegeven toe op het Bijbelgedeelte van Openbaring hoofdstuk 11, waar het nochtans om de alsnog letterlijke toekomstige periode van 2520 ‘dagen’ gaat. Zijn gebruik van een tijdsperiode van 2520 jaar op de tijdsbalk voor de Tijden der Heidenen, leidde hem van het jaar 604 v. Chr. naar het jaar 1917 AD. In de maand december van 1917 tijdens de eerste wereldoorlog veroverden de Britten de stad Jeruzalem en de Tempelberg op de Turken. Voor Ozanne betekende dit het einde van het vertrappen van Jeruzalem door de heidenen. De Britten zag hij duidelijk niet als heidenen maar als een ‘christelijke natie’. Hier liet hij echter de Bijbel los en gaf een invulling op basis van een christelijke traditie die op haar beurt de wereld indeelde in christenen, Joden en heidenen, daar waar in de brieven van Paulus in het Nieuwe Testament het woord heiden geen scheldwoord is, maar een term die alleen maar onderscheid maakt tussen Jood en niet-Jood. Ik verbaas me overigens iedere keer wanneer ik merk dat sommige Anglo-Amerikanen zich vereenzelvigen met hun zogenaamde christelijke naties en met blindheid geslagen zijn wat het imperialistische verleden van hun respectievelijke staten betreft.

     

    Nog een voorbeeld van Ozanne ‘s gebruik van de veronderstelde tijdsperiode van 2520 jaar is zijn stelling dat er ook 2520 jaar op de tijdsbalk zitten tussen de Schepping en de Exodus? Hij beschouwt deze Bijbelse tijdsperiode ook als ‘een’ tijd der heidenen? Ozanne bouwt zijn tijdconstructie op vanaf de schepping van Adam en hanteert een anno mundi jaarrekening (wat overigens ook het Jodendom tot op het heden doet). Ozanne maakt gebruik van de geslachtsregisters van het Bijbelboek Genesis hoofdstuk 5 en arriveert aldus bij Noach en de Zondvloed in anno mundi 1656. Daarna gaat het verder via hoofdstuk 11 van het Bijbelboek Genesis tot aan de dood van Thera, de vader van Abraham. Hij doet dit echter met slechts één navigatiepunt in tijd: de schepping van Adam. Daarna is het een kwestie van optellen van de Bijbelse geslachtsregisters om tot aan de dood van Thera de vader van Abraham te komen. Zijn eerste obstakel is de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abram, waar de Bijbel schijnbaar leert dat Thera zeventig jaar oud was. Ozanne verklaart terecht dat Abram, alhoewel als eerstgeborene in Genesis 11:26 vermeld, vermoedelijk niet de oudste van de drie was maar zijn broer Haran. Het getal zeventig voor de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abram is chronologisch niet bruikbaar. En het is hier dat Ozanne zijn eerste schijf van 2520 jaar inlast ter bepaling van de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abraham. Zijn uitkomst hier zit fout.

     

     

    In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 11-21 breng ik ook een anno Mundi jaarrekening maar maak al eerder de verbinding met de westerse kalender en dit op basis van het hanteren van de sabbat- en jubeljaren in Israël volgens de rekenwijze van William Whiston. Van de dertig Jubeljaren die Whiston opgeeft tussen de instelling van de Jubeljaren en de eerste komst van Jezus Christus zijn er op de tijdsbalk elf verwijzingen naar historisch verankerde jubeljaren. En de verbinding die ik maak tussen Terah en Abram is op basis van een Rabbijns principe in de Seder Olam, de Joodse overlevering die leert dat ‘Scripture does not come to hide but to explain’. Abram vertrekt vanuit Haran naar Kanaän in het jaar dat zijn vader Thera sterft. En niet zeven jaar later zoals Ozanne het berekend op basis van een veronderstelde schijf van 2520 jaar. De theorie van meerdere heidenperiodetijdschijven van 2520 jaar is hiermee weerlegd.

    De conclusie moet zijn dat de Bijbelse periode van de ‘Tijden der Heidenen’ niet uit een bepaalde periode van 2520 jaar bestaat. Dit getal kan aldus niet gebruikt worden ter berekening van het einde van de periode van de Tijden der heidenen.

    De Tijden der Heidenen eindigen pas bij de komst van de Koning der koningen, de HEER der heren te Jeruzalem na de slag bij Harmageddon. In het Oude Testament beschrijft de profeet Zacharia het verslaan van de legers van de verenigde volkeren met de komst van de Here HEERE op de Olijfberg te Jeruzalem, wat het definitieve einde van de Tijden der Heidenen inluidt (zie Zacharia 14:1-21).

    Zacharia 14:9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam één.

     

    Een andere Anglo-Amerikaan wiens studie op het internet te vinden is, is Dr. Stephen E. Jones, Secrets of Time, 1996, hoofdstuk 17, A, de 2520-jarige cyclus voorzegd, blz. 207.

    Ook Dr. Stephen E. Jones hanteert de tijdsperiode van 2520 jaar in zijn chronologie ter berekening van de wederkomst van Christus. Ook dit onderdeel van Jones’ tijdsconstructie meen ik met dit artikel onderuit gehaald te hebben. Tussen C.G. Ozanne en S. E. Jones bestaat er bovendien een groot verschil in die zin dat Jones de Brits-Israël leer aanhangt. Een leer die stelt dat de Angelen en de Saksen geen Germanen in de lijn van Jafeth de zoon van Noach zijn maar afstammelingen van de verloren tien stammen van Israël. Over de afstamming van de Britten en de andere volken van Europa bereid ik een volgend artikel voor op dit blog. In een notendop kan ik deze theorie als fantasie al weerleggen. De tien stammen van Israël werden in 717 v. Chr. (Bijbelse chronologie) door de Assyriërs in ballingschap weggevoerd. De Bijbel is duidelijk in welke landen zij toen terechtkwamen.

    2 Koningen 17:5 Want de koning van Assyrië toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. 6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. (Statenvertaling)

     

    Met het Pinksterfeest van 30 AD bevonden zij zich acht eeuwen later nog altijd in dezelfde gebieden waar zij naar weggevoerd waren. Petrus, de apostel voor de Joden, in tegenstelling tot Paulus die de heidenen of niet-Joden met het evangelie bekend ging maken, schrijft vanuit de stad Babylon zijn brieven aan hen. Ook de apostel Jacobus schreef zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. In het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen vernemen we de landen van oorsprong van de Israëlieten aanwezig te Jeruzalem met het Pinksterfeest van 30 AD. De lijst begint heel opmerkelijk in het Oosten met de vermelding van de Parten en Meden:

    Handelingen 2:En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. (NBG 1951 Vertaling)

     

    De conclusie moet zijn dat de tien stammen in 30 AD nog altijd hun woonplaats in de gebieden zoals beschreven in 2 Koningen 17:6 hadden.

    In 70 AD na de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel door de Romeinen werden der Joden (de twee stammen plus een rest van de tien stammen) in ballingschap weggevoerd en deze kwamen binnen de grenzen van het Romeinse Rijk van toen terecht. In Europa liep de grens van het Romeinse Rijk ongeveer gelijk met de rivieren Rijn en Donau. Noordelijk en oostelijk van deze stromen leefden toen de Barbaren en de Scythen (Colossenzen 3:11), afstammelingen van Jafeth de zoon van Noach zoals het in het Bijbelboek Genesis te vinden is.

    Genesis 10:1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. (Statenvertaling)

     

    De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus die werkzaam was ten tijde van de tweede vernietiging van de Tempel in 70 AD heeft de hierboven geciteerde volkerenlijst op de landkaart van zijn tijd geplaatst (Joodse Oudheden, Boek 1, hoofdstuk 6). In een afzonderlijk artikel zal ik op dit blog een landkaart dienaangaande plaatsen. De tien stammen van Israël bleven voor Flavius Josephus in hun oude vestigingsgebieden als een gevolg van de Assyrische ballingschap.

     

    Een volksverhuizing die de Bijbel indirect leert is die van de Germanen in de vierde eeuw na Christus. Zoals de profeet Daniël het profeteerde zou het Romeinse Beestrijk dat in 70 AD Jeruzalem en de Tempel vernietigde door een overstromende vloed van volkeren op zijn beurt vernietigd worden.

    Daniël 9:26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. (Statenvertaling)

     

     

    Ik voeg dit maal al een kaart uit een historische atlas bij. Dit maakt overigens deel uit van onze vaderlandse geschiedenis. De kaart laat aanschouwelijk zien hoe de vele Germaanse volken waaronder onze voorouders de Salische Franken van over de Rijn komende het Romeinse Rijk in een onstuitbare vloed vanaf het jaar 370 AD overweldigden. De Germaanse stammen Angelen en Saksen hebben zich toen in Engeland gevestigd. Volgens de genealogie van het eerder geciteerde Genesis 10 gaan de Angelen en de Saksen terug tot op Jafeth, Gomer en Askenaz. De autochtone Vlamingen, Brabanders en Limburgers in België vinden hun oorsprong bij de Salische Franken die Bijbels gezien in dezelfde genealogische lijn als de Angelen en de Saksen zitten. De taalgrens in laag-België loopt overigens nog altijd langs de lijn waar de Salische Franken zich in de vierde eeuw na Christus vestigden.

    Een boek over de oorsprong van de volken in Groot-Brittannië dat ik kan aanbevelen is het werk van Bill Cooper, AFTER THE FLOOD, 1995. Er bestaan blijkbaar bewaard gebleven oude kronieken in Engeland die koningslijsten bevatten die tot op Jafeth teruggaan. Het boek is naar het Nederlands vertaald en op het internet ter beschikking, zie link:

    http://www.theologienet.nl/documenten/Cooper-vroegste%20historie%20Europa.pdf .

     

    wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    07-07-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.chronologie van de apocalyps (vervolg)

    Met onze aflevering van 27.03.2017 brachten we de chronologie van de Apocalyps, dat we beschreven als in de Bijbel vooraf geschreven geschiedenis. Een profetische toekomstgeschiedenis die chronologisch gebracht kan worden. Ik gaf aandacht aan de tijdsperiode die in het Bijbelboek Openbaring hoofdstuk elf beschreven wordt, en overeenstemd met de zeventigste jaarweek van de profeet Daniël. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2978155

    Met de aflevering van deze week vervolgen we met de chronologie van de rede over de laatste dingen van Jezus Christus zoals door de evangelist Matteüs doorgegeven en voegen deze chronologisch passend binnen het tijdskader van de Apocalyps in. De gebeurtenissen die Jezus Christus beschrijft die aan Zijn wederkomst voorafgaan passen chronologisch binnen de zevenjarige oordeelstijd zoals beschreven in het boek Openbaring van de Bijbel en de zeventigste jaarweek van de profeet Daniël.

    Matteüs 24:1 En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. 2 En Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. 3 Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst  en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide! 5 Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. 6 Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. 7 Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. 8 Doch dat alles is het begin der weeën. 9 Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijn ‘s naam ‘s wil. 10 En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten. 11 En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden. 12 En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. 13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 14 En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.

     

    Het antwoord op de vraag van de discipelen naar de Tempel en het tijdstip van het teken van de wederkomst met de voleinding van de wereld beantwoordt de Heer Jezus met een opsomming van gebeurtenissen die we ook in het Bijbelboek Openbaring terugvinden. De verzen vier tot en met vijf vinden hun vervulling bij het uitrijden van de eerste ruiter op het witte paard (Openbaring 6:2). De verzen zes tot en met zeven vinden hun vervulling bij het uitrijden van het tweede rossige paard dat de vrede op de aarde wegneemt (Openbaring 6:3-4). De verzen acht tot en met dertien vinden hun vervulling in de eerste helft van de zevenjarige oordeelstijd wanneer de twee getuigen van God in Jeruzalem optreden en tegen de herstelde offerdienst spreken (Openbaring 11). En vers veertien met de voorzegging dat dan het evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken waarna het einde volgt, vindt zijn vervulling in de twee getuigen te Jeruzalem en in de honderdvierenveertigduizend verzegelden uit de twaalf stammen van Israël die ‘het evangelie van het Koninkrijk’ over de gehele wereld zullen brengen (Openbaring 7). Het is het vervolg en eindvervulling van de uitnodiging tot het Koninklijke Bruiloftsmaal van Matteüs 22:1-14. Vervolgens lezen we vanaf Matteüs hoofdstuk 24 vers vijftien de beschrijving van wat er in de tweede helft van de zevenjarige oordeelstijd gebeurt:

     

     

    Matteüs 24:15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, 16 vluchten naar de bergen. 17 Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen, en wie in het veld is, 18 kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. 19 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen. 20 Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat. 21 Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. 22 En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.

     

    Na een periode van twaalfhonderdzestig dagen of drie en half jaar wanneer de twee getuigen van de Heer God door ‘het beest’ vermoord worden ziet men, naar de woorden van Jezus Christus van 30 AD op de tempelberg op de heilige plaats een ‘gruwel der verwoesting’ staan. En dit is een teken voor degenen die dan in Judea zijn haastig te vluchten naar de bergen. Wat de ‘de gruwel der verwoesting’ die op de heilige plaats zal staan zijn zal, wordt niet onmiddellijk duidelijk gemaakt. De discipelen wisten echter wat ermee bedoeld was. Volgens mijn mening zal het een replica van de ark van het verbond zijn. Het toppunt van misleiding zal het plaatsnemen van ‘het beest’ op de Tempelberg zijn, in de tent (of tempel) der samenkomst. Voor Paulus in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen is dit het begin van het einde van de eindtijd:

    2 Thessalonicenzen 2:3 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs , 4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. 5 Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?

     

    Paulus spreekt over de afval van het geloof dat aan de komst van ‘de tegenstander’ voorafgaat. Uiteindelijk gaat het naar de aanbidding van ‘het beest’, in volledige afwijzing van de God van de Bijbel. Wanneer we verder de rede over de laatste dingen van de Heer Jezus Christus naar het Matteüs-evangelie volgen, blijkt de chronologie overeen te stemmen met de overige Bijbelboeken:

    Matteüs 24:23 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. 24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zie, Ik heb het u voorzegd. 26 Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de (geheime) binnenkamer, gelooft het niet.

     

     

    Het zich tot een god verheffen door ‘het beest’ te Jeruzalem, is het startsein voor het gelovig overblijfsel van de Israël om naar de bergen te vluchten zoals we in Matteüs 24:15-16 gelezen hebben. De overige Israëli’s die het merkteken van ‘het beest’ aanvaard hebben, worden spreekwoordelijk uitgespuwd en dit naar de waarschuwing in Leviticus 18:2-28 en Openbaring 3:16.

    De vlucht naar de bergen, naar de woestijn, is een omgekeerde exodus die in meerdere Bijbelboeken beschreven staat:

    Openbaring 12:6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden.

     

    De vermelde plaats waar in Openbaring 12:6 verwezen wordt, is volgens het Bijbelboek Daniël, het over-Jordaanse gebied of de huidige landen Jordanië en het noordwesten van Saoedi-Arabië. Daniël beschrijft in het elfde hoofdstuk van het gelijknamige Bijbelboek de invasie van de koning van het Noorden ook ‘de Assyriër’ genaamd die vanuit zijn kernland het herstelde Assyrië, de landen van het Midden-Oosten zal overrompelen en hierbij drie koningen ten val brengt. Maar dan staat er geschreven dat het gebied van Edom, Moab en de Ammonieten aan zijn macht zullen ontkomen.

    Daniël 11:41 Ook het Sieraadland (=Israël) zal hij (=de koning van het noorden) binnenvallen, en velen zullen struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der Ammonieten.

     

    Ook de profeet Jesaja verwijst naar de woestijn van het over-Jordaanse gebied:

    Jesaja 16:1 Heersers des lands, zendt de lammeren van de rotsen (Petra) de woestijn in naar de berg der dochter van Sion.

     

    Het is in deze woestijn dat zij veilig van de koning van het noorden alias ‘het beest’ drie en half jaar door de HERE God onderhouden zullen worden:

    Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.

     

    Jeremia 31:2 Zo zegt de HERE: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, Israël, op weg naar zijn rust.

     

    Openbaring 3:10 Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen. 11 Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.

     

     

    (Het hierboven getoonde schema is niet dogmatisch op te nemen maar is gewoon een poging tot visuele uitbeelding van een tijdsbalk van zeven jaar met de focus op het bijzondere begin van de oordeelstijd, de gebeurtenissen tijdens de helft van de zeven jaar en het einde van de zevenjarige oordeelstijd met de wederkomst van Christus en het begin van het Messiaanse Vrederijk. De veelzijdigheid van het Profetische Woord van de Bijbel is niet zonder meer in beeld vast te leggen.)

     

    De vlucht van de getrouwe Israëli’s naar de bergen als een gevolg van het zien van de gruwel der verwoesting op de Tempelberg, geschied in de helft van de zevenjarige oordeelsperiode. Gedurende tweeënveertig maanden zullen zij daarna onaangetast door ‘het beest’ in de woestijn verblijven, in wezen een derde ballingschap waarna zij aan het einde van de zevenjarige eindtijdperiode het Beloofde Land binnengeleid zullen worden. In de woestijn vindt ook de geprofeteerde bruiloft plaats waarbij Israël geestelijk hersteld wordt:

    Hosea 2:15 En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des HEREN, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Baäl. 16 Ja, Ik zal de namen der Baäls verwijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden. 17 Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen. 18 Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; 19 Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE kennen.

     

    Openbaring 19:9 En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams.

     

    De genodigden tot de bruiloft zijn naar mijn mening de ‘vol’tallige Gemeente, de Ekklesia die kort voor de tijd van ‘het herstel van het koningschap van Israël’ (Handelingen 1:6-11) hun opstanding kregen (1 Thessalonicenzen 4:13-17), en naar de Stad van God in de hemel werden weggerukt. Vanuit die andere dimensie zijn zij vanuit hun transparante verblijfplaats van Bovenuit getuige van het herstel van Israël in de woestijn.

    De Ekklesia vindt men in het boek Openbaring niet terug. Vanaf het eerste hoofdstuk van Openbaring wordt de draad met het oude verbondsvolk Israël opnieuw opgenomen. Een draad dat verbroken werd bij het verwerpen van Messias Jezus door de Joden bij zijn eerste komst, zoals beschreven tussen de gebeurtenissen van Matteüs 13:1 tot Handelingen 28: 17-29. Zie ook het artikel op dit blog van 30-06-2015:

    Gedurende de nog resterende tweeënveertig maanden gaan intussen de oordelen zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaring, over de wereld. De bazuinoordelen gevolgd door de schalen van gramschap. Tijdens deze oordelen gaat ‘het beest’ op aanraden van de valse profeet (Openbaring 13:16-18) over tot het registreren van alle mensen onder zijn controle, door middel van het aanbrengen van zijn merkteken, het getal van zijn naam op de hand en/of het voorhoofd van ieder mens. Diegenen die alsnog weigeren worden gedood. Helemaal aan het einde met de slag bij Harmageddon komt de Koning der koningen, de Heer der heren Jezus Christus naar Jeruzalem terug (Openbaring hoofdstuk 19). Wat weer aansluit bij de rede over de laatste dingen van de Heer Jezus Christus, volgens het evangelie naar Matteüs 24:

    Matteüs 24:27 Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. 28 Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen. 29 Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. 30 En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.

     

    Het is aan het einde van de eindtijd zoals vermeld in Matteüs 24:29 dat er een bijzonder kosmisch fenomeen aan zon en maan geschied. Het is dezelfde gebeurtenis die de profeet Joël aankondigde:

    Joël 2:28 Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. 29 Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. 30 Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. 32 En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen. (NBG 1951 vertaling)

     

    Volgens de Bijbelexegese van het gevestigde christendom werd de profetie van Joël 2:28-32 met Pinksteren bij het begin van de Kerk volledig vervuld. Volgens hen leert de Bijbel geen derde herstel van Israël als volk, geestelijk en nationaal in het oude land der vaderen. De kerk is volgens deze leer in de plaats van het Jodenvolk of Israël gesteld. Wanneer we de profetie van Joël echter vrij van alle tradities willen lezen en innemen moet het duidelijk zijn dat in 30 AD met de uitstorting van de Heilige Geest over honderdtwintig mannen en vrouwen te Jeruzalem niet de volledige vervulling van het betreffende Bijbelcitaat geschiedde.

     

    Het hier beschreven scenario is niet voor morgen maar vergt nog een geruime tijd alvorens alle stukken voor de opvoering klaar staan. De Verenigde Staten van Amerika komen in de Apocalyps niet voor. Zij hebben zich naar mijn mening tegen die tijd op hun continent tussen twee oceanen teruggetrokken, een terugkeer naar de politiek van het isolationisme van tachtig jaar geleden. Hun huidige rol van politieman van de wereld is dan ook opgegeven. De redenen hiertoe kunnen vele zijn en het vandaag proberen invullen van deze redenen speculatie.

    Ik hoop dat ik heb bijgedragen aan het chronologisch invullen van alsnog toekomstige gebeurtenissen en niet toegevoegd aan de verwarring. Ik studeer en schrijf alleen maar naar ‘de mate van de genade’ die mij gegeven is (Efeze 4:7).

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Hierna mijn literatuurlijst van eschatologische boeken die ik als naslagwerk gebruik:

    C. I. Scofield, D.D.,1909, Die Neue Scofield Bibel mit Erklärungen.

    Dr. E. W. Bullinger (1837/1913), The Companion Bible Condensed

    Alexander Hislop, THE TWO BABYLONS, 1916

    Clarence Larkin, DISPENSATIONAL TRUTH, 1920

    Roeland Klein Haneveld, www kleinhaneveld nl/notities/index.html

    Huib Verweij, DE TERUGKEER VAN JEZUS CHRISTUS, 1978, GRENZEN DER VOLEINDING, 1984, IK BEN DIE IK BEN, 1968,

    DE BOOM DER KENNIS, 1973

    Huib Verweij & Ds. W. Glashouwer Sr., DE KOMST VAN JEZUS CHRISTUS, 1985

    Dr. F. De Graaff, ALS GODEN STERVEN, 1969, ANNO DOMINI 1000 2000

    Arie Kleijne, JEZUS KOMT, 1989

    B. Reinders Sr., ISRAEL EN HET MESSIAANSE VREDERIJK, 1971

    A. Keizer, De komende reformatie van de eindtijd - wat de kerken niet zien, 1996, De komende dertig jaar, 1997, De almachtige is de vader van alle mensen, 2003,

    Dr. Piet Borst, LIJNEN NAAR DE EINDTIJD, 2004

     

    Aanbevolen website:

    http://www.dekoningkomt.nl/

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    28-06-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' en de 390 jaar van de profeet Ezechiël ‘s ‘ongerechtigheid van het huis Israëls’

    Ezechiël 1:1 In het dertigste jaar, in de vierde maand (juni/juli), op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege. 2 Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin – 3 kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Ezechiël 4:1 Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2 En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling. 3 En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor het huis Israëls een teken zijn. 4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5 En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen. 6 Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en ertegen profeteren. 8 En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat gij u niet van de ene op de andere zijde kunt keren, totdat gij de dagen van uw belegering ten einde hebt gebracht. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wanneer men onderzoek naar de chronologische toepassing van dit bepaald Bijbelgedeelte doet is men verrast door de verschillende meningen die er betreffende het plaatsen en het chronologisch gebruik van de periode van 390 jaar op de tijdsbalk bestaan. Ivan Panin (1855/1942) die een boek over Bijbelse chronologie schreef en wiens werk ik een tijd terug op dit blog aandacht gaf gebruikt de tijdschijf van 390 jaar zelfs niet in de chronologische opbouw voor zijn Anno Mundi jaartelling.

    Er zijn ook Bijbelvorsers die menen dat de tijdschijf van 390 jaar van Ezechiël 4:5 de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda beslaat gerekend vanaf de dood van Salomo tot aan de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel in juli 586 v. Chr. De dood van Salomo en de scheuring van het Verenigd Koninkrijk van Israël valt dan in oct976/sep975 v. Chr.

    De regeerperioden van de koningen van Israël worden door hen op de tijdsbalk gerangschikt tussen beide jaartallen in met het jaar 586 v. Chr. als ijkpunt op de tijdsbalk en waarbij het verkregen jaartal 975 v. Chr. ook tot ijkpunt op de tijdsbalk gedeclareerd wordt. Vanaf dit tot ijkpunt verklaarde jaartal berekend men het jaartal van de exodus voor 1491 v. Chr. Deze constructie staat of valt uiteraard indien de tijdsperiode van 390 jaar inderdaad een periode voorstelt gerekend vanaf de val van Jeruzalem tot aan de dood van Salomo? Bijbelvorsers die deze tijdsreconstructie volgen negeren eveneens de Jubeljaartelling die nochtans het alternatief biedt om tot een absolute Bijbelse chronologie te komen. Op basis van de sabbat- en jubeljaartelling volgens de wijze van tellen van William Whiston valt de dood van Salomo in 967 v. Chr. en zijn het 381 jaar tot de val van Jeruzalem in 586 v. Chr.

     

    Op het internet is het boek van Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' in PDF online te lezen. De boodschap van Jones is: A return to the Basics. Ook deze onderzoeker hanteert de tijdschijf van 390 jaar als de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda. Positief aan Dr. Floyd Nolen Jones is dat hij de inmiddels gangbare chronologie van Edwin R. Thiele met de dood van Salomo in 931/930 v. Chr. verwerpt en terugkeert naar de oude chronologie: A return to the Basics. Hij doet een poging tot correctie van de regeerperioden van de koningen van Assyrië want dat is nodig wanneer men Thiele afwijst die de Bijbelse chronologie van de koningen van Israël in lijn met de Assyrische koningen bracht, zij het met het geweld aandoen van bepaalde Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18.

    Jones beschouwd de tijdsperiode van 390 jaar van de profeet Ezechiël met begin- en eindpunt als ‘absolute boundaries’ waarbinnen de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda gerangschikt dienen te worden. Zie: Chronology of the Old Testament: A Return to the Basics, by FLOYD NOLEN JONES, Th.D., Ph.D., 2002, 15th Edition, Revised and Enlarged with Extended Appendix, (First Edition 1993), VI CHART FIVE, E. THE 390 YEARS OF THE KINGDOM OF JUDAH, page 138.

    En hij waarschuwt dat, quote: for without absolute boundaries, the door is left wide open for unbounded flights of imagination and conjecture on the part of the individual. Unquote.

    Ik verbaas me om de verbeten stelligheid waarmee Dr. Floyd Nolen Jones beweerd dat de 390 jaar als tijdsperiode voor de koningen van Israël en Juda absoluut vastligt en hij alternatieven gewoonweg uitsluit.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de koningen van Israël en Juda op de tijdsbalk gerangschikt op basis van ijkpunten die de sabbatjaar- en jubeljaartelling volgens William Whiston geven en dit is geen ‘unbounded flight of imagination’. Integendeel.

    Het vertrekpunt op de tijdsbalk voor de tijdschijf van 390 jaar is voor Jones het jaar 586 v. Chr. Nochtans leert het Bijbelboek Ezechiël hoofdstuk vier dat de tijdschijf van 390 jaar zeven jaar eerder dan 586 v. Chr. in 593 v. Chr. namelijk in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin eindigde en niet bij de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel door de legers van Nebukadnezar de koning van Babylon.

     

    Het gebruik van de 390 jaar van de profeet Ezechiël als een ononderbroken tijdschijf is blijkbaar ook een gegeven dat alleen christelijke chronologen hanteren? De Joodse Seder Olam leert namelijk dat de 390 jaar te rekenen/hanteren zijn vanaf de inname van Kanaän door de Israëlieten onder leiding van Jozua tot op hun wegvoering in ballingschap. Quote: …that proves that Israel were enraging the Holy One, Praised be He, 390 years from the time they entered the land until they left it. Unquote.

    Volgens deze stelling zijn de 390 jaar te spreiden over een lange periode met intervallen, net zoals bij de honderdtwintig historische sabbatjaren tussen 1443 v. Chr. en 605 v. Chr. waarbij Israël zeventig maal het sabbatjaargebod negeerde en vijftig maal het sabbatjaargebod gehoorzaamde.

    Voor Dr. Floyd Nolen Jones is de tijdschijf van 390 jaar essentieel voor zijn reconstructie van de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda, Quote: Perhaps the most decisive factor in determining the chronology of the period of the "Disruption" of the Monarchy is that of establishing with certainty its terminus a quo and terminus ad quem, hence its duration;…unquote.

    Dit betekende wel dat hij niet eenvoudig weg de regeerperioden van de koningen van Israël kon optellen aangezien men dan niet het resultaat van exact 390 jaar bekomt. Jones was dan ook gedwongen hier en daar een of meerdere jaren in de regeerperioden van de koningen weg te laten. Hij doet dit bijvoorbeeld bij de regeerperiode van Ahazia, de zoon van Joram van Juda waar hij het laatste regeringsjaar van Ahazia gelijk laat vallen met het eerste regeringsjaar van zijn moeder Athalia wanneer deze zich na de dood van Ahazia de troon van David toe-eigende. In mijn reconstructie zoals in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 251-256, gebracht hoeft deze inkorting niet en vallen de regeerperioden van Ahazia en Athalia verankerd met de koningen van het tienstammenrijk Joram en Jehu, op de tijdsbalk op hun plaats.

    Verder hanteert Jones slechts één co-regentschap tussen koningen van vader op zoon. Volgens hem is het enige co-regentschap dat van Joram met zijn vader Josafat.

    Quote: Again, the only Scriptural co-regency between these kings is that of Jehoshaphat and Jehoram: And in the fifth year of Joram the son of Ahab king of Israel, Jehoshaphat being then king of Judah, Jehoram the son of Jehoshaphat king of Judah began to reign. (II Ki.8:16) Chapter VI Chart Five 139. This verse requires that Jehoram was placed upon the throne while his father was still alive and reigning. From II Ki.3:1; 8:16; 8:25; and 9:29, the length of this overlapping co-regency was unequivocally determined to be 4 years (Chart Five and Chart 5c – 586 Triangulate). Unquote

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 237-241, heb ik de regeerperiode van Josafat en het co-regentschap van zijn zoon Joram aan de hand van de verankering met de koningen van Israël Achab, Ahazia en Joram beschreven. Er zitten in werkelijkheid zes jaar co-regentschap op de tijdsbalk wanneer men de verbinding met de koningen Israël maakt. Hier ook heb ik eenvoudigweg de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda op de tijdsbalk aangebracht. Maar ik zit dan ook niet in het zelf opgelegde keurslijf van de veronderstelde tijdsperiode van 390 jaar.

    Er zijn overigens meerdere co-regentschappen in de Bijbel waar te nemen waar de bekendste het co-regentschap van Jotham met zijn met melaatsheid geslagen vader Uzzia, van is. Dit co-regentschap bedroeg minimum vijf jaar tot zelfs vijfentwintig jaar volgens de Joodse overlevering.

    Een volgende opmerking die ik op de constructie van Dr. Floyd Nolen Jones moet maken is zijn statement dat het in totaal 134 jaar zes maanden en tien dagen zijn van de val van Jeruzalem tot het zesde regeringsjaar van Hizkia zijn met de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen in Assyrische ballingschap.

    Quote: Of course, the span to be determined is the length of time from Solomon's death, with the subsequent division of the kingdom, to the termination of the Kingdom of Judah at the hand of King Nebuchadnezzar of Babylonia in BC 586. The interval was found to be 390 years. It has already been stated as being a key Biblical anchor point in the second chapter dealing with Chart One and also may be found as such on the first chart itself. As indicated earlier, this length was determined by first adding the years of the reigns of the kings of Judah from the fall of Babylon to the sixth year of Hezekiah, when Israel was carried away to Assyria. This span is 134 years 6 months and 10 days or "in the 135th year" (Chart Five). Unquote.

    Uiteraard moet er vanaf de val van Jeruzalem in 586 v. Chr. gerekend worden en niet vanaf de val van Babylon in 539 v. Chr. Ik neem aan dat dit een zetfout in de tekst is. Of hoe belangrijk het is dat men zijn werk voor het publiceren door deskundigen laat lezen en eventueel corrigeren.

    Jones meent Flavius Josephus met vier tot vijf jaar te moeten corrigeren. Flavius Josephus stelt namelijk dat het 130 jaar, zes maanden en tien dagen waren vanaf de val van Jeruzalem tot de val van Samaria. (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek X, ix. 7).

    “Now as to Shalmanezer, he removed the Israelites out of their country, and placed therein the nation of the Cutheans, who had formerly belonged to the inner parts of Persia and Media, but were then called Samaritans, by taking the name of the country to which they were removed; but the king of Babylon, who brought out the two tribes, (17) placed no other nation in their country, by which means all Judea and Jerusalem, and the temple, continued to be a desert for seventy years; but the entire interval of time which passed from the captivity of the Israelites, to the carrying away of the two tribes, proved to be a hundred and thirty years, six months, and ten days

     

    Wanneer men het veertiende regeringsjaar van Hizkia met het zevende sabbatjaar gevolgd door het vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. verbind dan is terugrekenend het resultaat voor het zesde regeringsjaar van Hizkia: 717 v. Chr. Wanneer we de tijdsperiode van 130 jaar, zes maanden en tien dagen volgens Flavius Josephus op de tijdsbalk hanteren is het resultaat hetzelfde: 717 v. Chr. voor de val van Samaria. Dit jaartal is echter is strijd met de Assyriologie die Sargon II in 722/721 v. Chr. Samaria laat innemen. Jones sleutelt dan wel aan de regeerperioden van de Assyrische koningen voor deze periode om een en ander sluitend te maken maar gaat niet ver genoeg. Met de val van Samaria in 721 v. Chr. blijft hij de chronologie van de Assyriologie in verband met Sargon II trouw. Hij verwijst ook naar ‘regeringsjaren’ van Sanherib terwijl de prismastele van Sanherib naar zijn veldtochten verwijst en niet naar regeringsjaren. Hizkia verwijst tijdens de belegering van Jeruzalem naar de koningen van Assyrië in het meervoud. De conclusie moet zijn dat de Assyrische koningen tijdens deze periode co-regentschappen kenden, en de regeerperioden van Sargon II en Sanherib zijn op de tijdsbalk opnieuw in te vullen. Sargon II was ook een usurpator van de Assyrische troon die een ‘damnatio memoriae’ naar zijn voorganger Salmaneser V doorvoerde. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1462140000&stopdatum=1462744800

    In mijn boek ‘De Assyriologie herzien’, 2012, breng ik een drastische revisie van de chronologie van de koningen van Assyrië. Ik toon onder andere aan dat in de achtste eeuw v. Chr. een aantal namen van Assyrische koningen in de Assyrische koningslijst ontbreken. Enkele namen kunnen aan de hand van de Bijbel ingevuld worden. Namen die wegens verschillende redenen door Assyrische chronologen in opdracht van hun respectievelijke koningen verwijderd werden. De conclusie moet zijn dat de eponiemlijsten geen ononderbroken lijn van Assyrische koningen weergeeft. Dr. Floyd Nolen Jones doet deze oefening niet en het resultaat is dat wanneer hij Salmaneser III en de slag bij Karkar met Achab moet verbinden hij dit lijkt op te lossen met het in vraag brengen van de identificatie van Achab door de Assyriërs op de zogenaamde Karkar-stele? Wat mij te eenvoudig overkomt.

    Seculiere egyptologen zoals o.a. de bekende David Rohl (1950-) auteur van meerdere boeken over het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid hanteren de jaartallen van de Bijbelse koningen volgens de constructie van Edwin R. Thiele. Zij doen dit op basis van het gezag dat de Assyriologie en de rangschikking van de Assyrische koningen op de tijdsbalk voor hen heeft. Zo lang er geen degelijke sluitende revisie van de koningen van Assyrië in relatie tot de koningen van Israël komt zullen deze onderzoekers blijven uitgaan dat de dood van Salomo en de splitsing van het Verenigd Koninkrijk van Israël in het jaar 930 v. Chr. viel en op basis van dit ijkpunt op de tijdsbalk hun revisies presenteren. Het zou mooi zijn en de Bijbel recht doen indien zij het jaartal 975 v. Chr. zouden hanteren, 967 v. Chr. zou nog beter zijn.

    Begin dit jaar schreef ik een aantal artikels over de herziening van de datering van de Assyrische koningslijst op dit blog. Zie o.a. het artikel van 20.02.2017: de zonsverduistering over Nineveh tijdens het eponiem van Bur Saggile, link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1487545200&stopdatum=1488150000

     

    Positief blijft dat Dr. Floyd Nolen Jones de constructie van Thiele afwijst en Bijbelgetrouw terugkeert naar de basis. Er blijft uiteraard nog heel wat werk aan de winkel, een statement dat hij ook onderschrijft, quote: This further helps explain why this author has stated his doubts that, apart from Divine revelation, an "Absolute" chronology, though a goal to which one should aspire, is almost certainly unattainable. This 390 year element should help all to see that the preparation of a "Standard" chronology, which may from time to time undergo modifications as new insights and even perhaps new data arises, is a more realistic attainment. Each should be true to oneself. Yet at the same time the 390 year prophecy serves to accentuate something even more meaningful. Unquote.

     

    Ik zou willen opmerken dat we in wezen geen ‘new insights’ nodig hebben. Er is bijvoorbeeld het werk van William Whiston (1667/1752) een Engelse wiskundige, historicus en theoloog, waarin deze zijn telling van de sabbat- en jubeljaren aanbiedt dat het raamwerk levert waarbinnen de koningen van Israël en Juda dienen gerangschikt te worden (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V). De dood van Salomo en de afscheuring van de tien stammen van Israël valt hier in het jaar 967 v. Chr.

     

     

    De tijdschijf van 390 jaar vindt in het raamwerk van Whiston ’s jubeljaren op de tijdsbalk zijn plaats, zij het niet als voorstelling van de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda.

    Het is belangrijk vooreerst het chronologische eindpunt op de tijdsbalk te verankeren. Het ijkpunt op de tijdsbalk wordt duidelijk gegeven in vers 2 van Ezechiël hoofdstuk 4:

    “Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin – 3 kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem.”

     

    Het vijfde jaar van de Babylonische ballingschap van koning Jojachin van Juda is het ankerpunt. Het vastpinnen van deze Bijbelse chronologische verwijzing aan de westerse jaartelling is eenvoudig. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 312-320, geef ik de meerdere ankerpunten waarmee de regeerperiode van de Babylonische koning Nebukadnezar op de tijdsbalk verankerd is, en de link naar de Judese jaartelling.

    In het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar zijnde mrt597/apr596 v. Chr. werd Jojachin in ballingschap weggevoerd:

    2 Koningen 24:8 Jojachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta; zij was een dochter van Elnatan uit Jeruzalem. 9 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader gedaan had. 10 Te dien tijde trokken de knechten van Nebukadnessar, de koning van Babel, tegen Jeruzalem op; en de stad werd belegerd. 11 Nebukadnessar, de koning van Babel, kwam zelf vóór de stad, terwijl zijn knechten haar belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Babel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering. 13 Hij voerde vandaar weg al de schatten van het huis des HEREN en die van het koninklijk paleis; en van alles wat Salomo, de koning van Israël, gemaakt had in de tempel des HEREN, haalde hij het goud af, zoals de HERE gesproken had. 14 Hij voerde geheel Jeruzalem, al de vorsten en al de weerbare mannen – tienduizend – in ballingschap, ook al de handwerkslieden en de smeden; niemand werd overgelaten behalve de armen van het volk des lands. 15 Hij voerde Jojachin in ballingschap naar Babel; ook de koningin-moeder, de vrouwen des konings, zijn hovelingen en de machtigen des lands deed hij in ballingschap gaan van Jeruzalem naar Babel; 16 en de koning van Babel bracht heel de weerbare manschap – zevenduizend –, de handwerkslieden en de smeden – duizend –, altemaal dappere krijgslieden, als ballingen naar Babel. 17 En de koning van Babel maakte Jojachin ‘s oom Mattanja koning in zijn plaats en veranderde diens naam in Zedekia. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar was feb597/mrt596 v. Chr. De wegvoering in ballingschap van Jojachin geschiedde in het voorjaar van 597 v. Chr. Het vijfde jaar van Jojachin gerekend aan Tishri-jaren was okt594/sep593 v. Chr. Het ankerpunt op de tijdsbalk is okt594/sep593 v. Chr. De vierde maand waar Ezechiël 1:1 naar verwijst, is de maand Tammoez of juni/juli van het jaar 593 v. Chr.

     

     

    De ballingsjaren van koning Jojachin zijn verder nog via het achttiende jubeljaar van okt562/sep561 v. Chr. met de regeerperiode van Nebukadnezar en diens opvolger Evil Merodach op de tijdsbalk verankerd.

    2 Koningen 25:27 En het geschiedde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojakin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Ewil-Merodak, de koning van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, Jojakin, de koning van Juda, begenadigde en uit de gevangenis ontsloeg; 28 hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven die van de koningen die met hem in Babel waren; 29 hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen, en hij at geregeld aan zijn tafel, zolang hij leefde. 30 En zijn levensonderhoud werd hem geregeld vanwege de koning verstrekt, zoveel hij elke dag nodig had, zolang hij leefde.

     

     

    Het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin viel in okt562/sep561 v.Chr. Het was het jaar dat het achttiende jubeljaar sinds de instelling ervan in de wet van Mozes in okt 562 v. Chr. aanving. Het zevenendertigste ballingsjaar van Jojachin viel ook gelijk met een regeringswissel in Babylon: na de dood van Nebukadnezar nam Evil Merodach de scepter op 11 januari 561 v. Chr. van zijn vader over. En in februari/maart, de twaalfde maand (Adar), van het jaar 561 v. Chr. werd Jojachin uit zijn gevangenis verlost.

     

    Het jubeljaar van okt562/sep561 v.Chr. is bekomen volgens de wijze van het rekenen van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. Het feit dat de vrijlating van Jojachin door de nieuwe koning van Babylon Evil Merodach in een Jubeljaar geschiedde is heel opmerkelijk. De vrijlating van Jojachin was een vingerwijzing Gods voor het volk van Israël in Babylonische ballingschap. Zij waren namelijk in ballingschap als straf voor het niet houden van de sabbat- en jubeljaren in het verleden. Gedurende de periode van de Babylonische Ballingschap had het land Israël rust en werden de zeventig jaar vergoed, dat zij in hun lange geschiedenis sinds het in bezit nemen van het land Kanaän in 1443 v. Chr., het sabbatgebod zeventig maal negeerden (Leviticus 25:1-5).

     

    Het vertrekpunt voor het toepassen van de geprofeteerde periode van 390 jaar is hiermee bevestigd als het jaar oct594/sep593 v. Chr. in de maand Tammoez (juni/juli) van 593 v. Chr. zijnde het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda.

    Vanaf het jaartal 593 v. Chr. dienen we de geprofeteerde periode van 390 jaar naar het verleden toe te rekenen. Het resultaat is 983 v. Chr. voor de aanvang van de ongerechtigheid van Israël.

    Dat jaar was op de tijdsbalk het vierentwintigste regeringsjaar van Salomo of okt984/sep983 v. Chr. Het was het jaar van de geboorte van de troonopvolger Rehabeam bij de tot hoofdvrouw gekozen Naäma de Ammonietische. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-216.

    De veertigjarige regeerperiode van Salomo valt volgens de sabbatjaar- en jubeljaartelling in 1007/967 v. Chr.

    De ‘ongerechtigheid van Israël’ had haar beginpunt bij Salomo en niet bij de eerste koning van het tienstammenrijk Jerobeam die een bijzondere afgodendienst invoerde ter voorkoming dat de Israëlieten nog aan de pelgrim-feesten naar Jeruzalem zouden deelnemen.

    Het was Salomo die als eerste afgodendienst invoerde. Het toppunt was blijkbaar de uitverkiezing van de Ammonietische Naäma, de moeder van de troonopvolger Rehabeam.

    1 Koningen 11:1 Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische en Hethietische, 2 behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan. 3 En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart. (NBG Vertaling 1951)

     

    In de wet van Mozes (Deuteronomium 23:3) staat er uitdrukkelijk geschreven dat het huwen van Ammonieten door Israëlieten verboden was. De naam ‘Naäma’ was bovendien verbonden met de Soemerische scheppingsgodin Nammu die volgens de Soemerische mythologie beschouwd werd als de schepper van alle oergodheden.

    De chronologie van Salomo en Rehabeam heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-216 behandeld.

    Het verkregen jaar 983 v. Chr. is op de tijdsbalk het correcte ‘terminus a quo’ volgens de Latijnse term die de geleerde Dr. Floyd Nolen Jones, Th.D., Ph.D, gebruikt. En het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin zijnde het jaar 593 v. Chr. is de ‘terminus ad quem’ als onbetwistbaar ijkpunt op de tijdsbalk.

     

    Ik wil er op wijzen dat ik deze uitkomst niet expliciet gezocht heb. Toen ik in de jaren negentig aan mijn boek KRONOS werkte heb ik na het uittekenen van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston op een tijdsbalk en het opnieuw rangschikken van de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda, de oefening met de tijdschijf van de 390 jaar gemaakt. Het resultaat was het jaar dat de Ammonietische Naäma door Salomo tot hoofdvrouw genomen werd.

     

    In de chronologische constructie van Edwin R. Thiele gaat het verband met het resultaat van 593 + 390 = 983 v. Chr. verloren. De regeerperiode van Salomo is volgens Thiele: 971/931 v. Chr. En in 983 v. Chr. regeerde volgens de fabricatie van Thiele, koning David over Israël de man naar God ’s hart.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    21-06-2017 om 09:05 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het achtste historische jubeljaar 1052/1051 v. Chr.

    Op onze reis door de tijd vanaf het eerste historische jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. zijn we met dit artikel aan het achtste jubeljaar van oktober 1052/september 1051 v. Chr. gearriveerd. Het artikel over het eerste jubeljaar dateert van 19.04.2017 op dit blog.

    De jubeljaren en de wijze van rekenen van de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn ‘dissertatie V’ geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken Makkabeeën. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden toe kan navigeren. Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, Appendix 6, blz. 482-494, nog een jaartal toe: het jubeljaar van oktober 562/september 561 v. Chr. Het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach wanneer deze de kroon overnam op 11 januari 561 v. Chr. viel tijdens het achttiende jubeljaar. Een van zijn eerste regeringsdaden was het vrijlaten van de Judese banneling koning Jojachin uit diens gevangenis (2 Koningen 27:27). Dit geschiedde volgens het Bijbelcitaat in het zevenendertigste jaar van Jojachin ’s ballingschap. Het achttiende jubeljaar wordt hierbij een ijkpunt op de tijdsbalk dat ons navigeren van 27 AD terug te tijd in als een kruispeiling bevestigd.

     

     

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep en zich als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanaän o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                       Historische jubeljaarverwijzing

    V. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter Othniël            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter Samuël            geen

    8.      1052/1051 Samuël & Saul             geen

     

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    Haggaï                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     Makkabeeën                 geen

    28.     72/71        Makkabeeën                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    De sabbatjaar- en jubeljaar-telling nam een aanvang bij de intocht in Kanaän door de Israëlieten onder leiding van Jozua in april 1443 v. Chr. exact op de dag af toen ze veertig jaar eerder in 1483 v. Chr. uit Egypte op weg gingen.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.

     

    God ’s tijdsklok wat de sabbat- en jubeljaren betreft ging in 1443 v. Chr. van start. Hoewel er weinig historische verwijzingen zijn naar het houden van het Jubeljaargebod zijn de weinige die er zijn toch duidelijk herkenbaar zoals bijvoorbeeld het achttiende jubeljaar met de vrijlating van koning Jojachin uit zijn gevangenschap te Babylon. Voor Israël was het toen een vingerwijzing God ’s dat Hij met Jubeljaren rekende.

    Als gevolg echter van hun afwijzen van Messias Jezus in oktober 27 AD bij de aanvang van het dertigste Jubeljaar (Lucas 4:16-30) ligt er sindsdien een geestelijke bedekking over het huidige Israël (2 Korintiërs 3:14-16). Daarenboven hebben zij bij het afwijzen van Jezus van Nazareth als Messias daarna gesleuteld aan de Genesis-jaartelling. Het moderne Israël hanteert een anno mundi jaartelling met het jaar 5777 als uitkomst sinds de Schepping.

    Ik vermoed dat de inkorting van de wereldgeschiedenis te maken had met de vierde scheppingsdag en de verwachte komst toen van de Messias, de zon der gerechtigheid, zoals de profeet Maleachi Hem aankondigt. Als volgens de traditie elke scheppingsdag voor duizend jaar staat en op de vierde dag de zon te voorschijn kwam, was rond het jaar 4000 anno mundi de komst van de Messias te verwachten. De era van Salomo zat duizend jaar eerder op de tijdsbalk en de Tempel van Salomo was volgens de traditie drieduizend jaar na de Schepping te plaatsen. De oorspronkelijke anno mundi-jaarrekening gaf alzo rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth het jaar vierduizend aan. De algemene verwachting in Israël was toen dat de komst van de Messias zeer nabij was. Het land was sinds 63 v. Chr. door de Romeinen bezet en het verlangen bij de Joden naar bevrijding was groot. Rome was ook het vierde beest-rijk van de profeet Daniël. De profeet Daniël had de vier wereldrijken voorspeld die in opeenvolging over het gebied van Israël zouden heersen: namelijk Babylon, de Meden en de Perzen, de Grieken en de Romeinen. Sinds het jaar 63 v. Chr. was deze profetie dan ook vervuld en de verwachting was dat de komst van de Messias nu zeer nabij was. Het was dan ook een tijd van meerdere aspirant-messiassen, zoals o. a. blijkt uit het Bijbelboek Handelingen (hoofdstuk 5:26-42) waar we enkele namen van aspirant of pseudo-messiassen voor deze periode vermeld zien: Teudas en Judas de Galileeër.

    Wanneer in 26 AD Johannes de Doper in de geest en de kracht van Elia de nakende komst van de Messias voor Israël aankondigde had hij dan ook de aandacht van heel het volk van laag tot hoog. In het najaar van 26 AD bij de doop van Jezus van Nazareth verkondigde Johannes de Doper het Messias-schap van Jezus.

    Johannes 1:29 De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. 30 Deze is het, van wie ik zeide: Na mij komt een man, die vóór mij geweest is, want Hij was eer dan ik. 31 En zelf wist ik niet van Hem, maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen met water. 32 En Johannes getuigde en zeide: Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij bleef op Hem. 33 En ik kende Hem niet, maar Hij, die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt. 34 En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is.

     

    De Heer Jezus Christus werd echter in 30 AD door Israël afgewezen:

    Johannes 1:11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

     

    Ongeveer honderd jaar later was er onder het restant van de Joden die in het land Judea na de catastrofe van 70 AD met de vernietiging van de Tempel door de Romeinen waren achtergebleven opnieuw een verwachting naar de komst van de Messias.

    Vermoedelijk heeft men in de tweede eeuw na Christus in afwijzing van Jezus van Nazareth als de Messias aan de anno mundi jaarrekening gesleuteld om een en ander met Bar Kochba als Messias te laten inpassen. De vierde scheppingsdag of het jaar vierduizend na de schepping werd met ongeveer twee eeuwen artificieel verlengd. De vierde scheppingsdag viel via deze fabricatie gelijk met de tijd van Bar Kochba. En dit was het motief voor de drastische inkorting van de tijd. Vooral de Perzische tijdsperiode werd onder handen genomen en drastisch ingekort tot slechts vierendertig jaar in plaats van de historisch verifieerbare periode van 208 jaar van 539 v. Chr. tot 331 v. Chr.

    Hoewel de verwachtingen met Bar Kochba en vermoedelijk nog andere aspirant-messiassen niet werden ingevuld bleef men later toch aan de samengestelde anno mundi jaartelling vasthouden met als resultaat vandaag het jaartal 5777 na de Schepping.

     

    Een ander voorbeeld van het inkorten van de Genesisjaartelling is de regeerperiode van koning Saul wat de Joodse overlevering tot slechts twee jaar herleid heeft maar dat het Nieuwe Testament over een periode van veertig jaar bepaald.

    Handelingen 13:19 … en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Kanaän, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven, 20 omstreeks vierhonderd vijftig jaren lang. En daarna gaf Hij hun richters tot op de profeet Samuël. 21 En van toen af vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang;…

     

     

    Het is een kluwen als een gordiaanse knoop geworden die alleen ontward kan worden door het Nieuwe Testament. Koning Saul van Israël regeerde wel degelijk veertig jaar en deze tijdsperiode past overigens harmonisch binnen het raamwerk van de dertig jubeljaren volgens de wijze van tellen van William Whiston.

    Saul werd in het najaar van 1087 v. Chr. door de richter en profeet Samuël tot koning over de twaalf stammen van Israël gezalfd.

    1 Samuël 9:1 Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens mans van Jemini, een dapper held. 2 Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israëls; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk. (Statenvertaling)

     

     

    De regeerperiode van Saul liep van 1087 tot 1047 v. Chr. en is op de tijdsbalk verankerd met het vierde regeringsjaar van Salomo in oktober 1004/september 1003 v. Chr. op basis van de sabbatjaar en jubeljaartelling. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 179-184.

    De zalving van Saul in 1087 v. Chr. betekende het einde van de richteren-periode voor Israël. De twaalf stammen van Israël verlangden een koning zoals de buurvolken en verwierpen in wezen hierbij de HEERE God als Koning over hen.

    1 Samuel 8:6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan Samuël, en hij bad tot de HERE. 7 De HERE zeide tot Samuël: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn…(NBG Vertaling 1951)

     

    Samuël zou als profeet tijdens de regeerperiode van Saul de HEERE God dienen. Volgens de Joodse overlevering stierf Samuël korte tijd na de strijd tegen Amalek.

     

     

    Het achtste Jubeljaar van oktober 1052/september 1051 v. Chr. viel nog tijdens het leven van Samuël. We kunnen echter de vraag stellen of Israël zich toen aan het jubeljaargebod gehouden heeft? In de Bijbel is er geen verwijzing naar het houden van het jubeljaar toen voorhanden. Vermoedelijk ging het volk en zijn eigenzinnige koning hun eigen weg. Op onze tijdsbalk bemerken we de zalving van David, de zoon van Isaï, door Samuël in het achtendertigste regeringsjaar van Saul. Saul werd wegens zijn ongehoorzaamheid aan de HEERE God in de slag tegen Amalek als koning verworpen. Twee jaar later in 1047 v. Chr. zou hij in een veldslag tegen de Filistijnen de dood vinden, waarna David koning over de twaalf stammen van Israël werd.

    Het jaar 1049 v. Chr. is op ons tijdsschema als een bijzonder jaar aangeduid wegens een meganatuurcatastrofe die toen de oude wereld trof en gelijk viel met de verdrijving van de Hyksos/Amoe/Amalekieten uit Egypte. Saul rukte toen met zijn leger tegen de stad van Amalek op en verloste daarmee alle buurvolken van het juk van de Amalekieten, de Egyptische Amoe of Hyksos. Zie het artikel van 18.10.2016 op dit blog: voorjaar 1049 v. Chr.: de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten uit Egypte en de notering van een meganatuurcatastrofe. Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1476655200&stopdatum=1477260000

     

    De veertigjarige regeerperiode van koning David die een aanvang in het jaar 1047 v. Chr. nam zou tussen het achtste en het negende jubeljaar vallen. Maar dat gaan we in een nog te volgen artikel op dit blog behandelen.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    14-06-2017 om 06:51 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Door wie werd de Grote Piramide op het Gizeh plateau gebouwd en wanneer?

    Over de Grote Piramide blijven tot de huidige tijd hardnekkig de wildste theorieën zich handhaven. In de christenheid zijn er bijvoorbeeld nog altijd onderzoekers die menen dat de grote piramide het evangelie in steen zou bevatten en de bouwers Israëlieten? Een theorie die in de negentiende eeuw ingang vond. De beste manier om deze theorie te weerleggen is door aan te tonen wie de werkelijke bouwers van de grote piramide waren en de tijd te bepalen wanneer de grote piramide gebouwd werd. Volgens de oudheidhistoricus Herodotos was de bouwer farao Cheops en behoorden de twee overige piramiden op het Gizeh-plateau aan de farao ’s Chefren en Mykerinos. Deze namen werden door Herodotos in de Griekse taal overgeleverd. Deze namen vinden we nochtans niet terug in de farao-dynastielijst van de Egyptische oudheidhistoricus Manetho die eveneens in de Griekse taal zijn geschiedenis van het oude Egypte doorgaf. Daarenboven is het originele manuscript van Manetho verloren gegaan bij de laatste brand van de beroemde bibliotheek van Alexandrië in 642 AD toen de Arabieren Egypte overrompelden. Belangrijke gedeelten van het werk van Manetho werden echter gekopieerd door de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van de westerse jaartelling en later door de christelijke chronologen Eusebius en Africanus.

     

     

    Doorsnede van de grote piramide van Cheops. Het vierkante grondoppervlak bedraagt ongeveer 220 meter per zijde. Met een hoek van 52° verheft de piramide zich tot een (oorspronkelijke) hoogte van 147 meter. De ingang ligt in het noorden, tegenover de poolster. Vanuit de koninginkamer werd er in het jaar 2002 onderzoek in de zogenaamde luchtschachten gedaan. Doorheen een eerder ontdekt deurtje in de zuidelijke luchtschacht werd met een steenboor een andere deur blootgelegd. Wat zich hier achter bevindt blijft een vraagteken.

     

    Dat de bouwers geen Israëlieten waren kan eenvoudig vanuit de bewaarde bronnen aangetoond worden. De Bijbel zwijgt over het bouwen van piramiden wanneer er bericht wordt over de voorraadsteden die de Israëlieten in slavernij verplicht werden te bouwen (Exodus 1:11). Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1468792800&stopdatum=1469397600

    Het bouwmateriaal bestond hier overigens uit tichelstenen (Exodus 5:7) en niet uit uitgehouwen stenen waar de piramiden op het Gizeh-plateau mee gebouwd zijn. Dat laatste was een observatie die de geleerde William Whiston (1667/1752) al maakte in de voetnoot van zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus van het Grieks naar het Engels in de achttiende eeuw:

    Joodse Oudheden Boek II, hoofdstuk 9,

    1. NOW it happened that the Egyptians grew delicate and lazy, as to pains-taking, and gave themselves up to other pleasures, and in particular to the love of gain. They also became very ill-affected towards the Hebrews, as touched with envy at their prosperity; for when they saw how the nation of the Israelites flourished, and were become eminent already in plenty of wealth, which they had acquired by their virtue and natural love of labor, they thought their increase was to their own detriment. And having, in length of time, forgotten the benefits they had received from Joseph, particularly the crown being now come into another family, they became very abusive to the Israelites, and contrived many ways of afflicting them; for they enjoined them to cut a great number of channels for the river, and to build walls for their cities and ramparts, that they might restrain the river, and hinder its waters from stagnating, upon its running over its own banks: they set them also to build pyramids, (17) and by all this wore them out; and forced them to learn all sorts of mechanical arts, and to accustom themselves to hard labor. And four hundred years did they spend under these afflictions; for they strove one against the other which should get the mastery, the Egyptians desiring to destroy the Israelites by these labors, and the Israelites desiring to hold out to the end under them.

     

    (voetnoot 17) Of this building of the pyramids of Egypt by the Israelites, see Perizonius Orig. Aegyptiac, ch. 21. It is not impossible they might build one or more of the small ones; but the larger ones seem much later. Only, if they be all built of stone, this does not so well agree with the Israelites' labors, which are said to have been in brick, and not in stone, as Mr. Sandys observes in his Travels. p. 127, 128.

     

    De conclusie is dat indien er al gebouwen in piramidevorm door de Israëlieten opgetrokken werden deze van tichelstenen waren. Van de twaalfde Egyptische dynastie zijn er bijvoorbeeld door archeologen bouwwerken blootgelegd die in tichelsteen opgetrokken waren.

     

    De door de oudheidhistoricus Herodotos opgegeven Cheops als de bouwer van de grote piramide wordt door de orthodoxe Egyptologie geïdentificeerd met farao Khoefoe van de vierde dynastie van Manetho. Een farao die als een gevolg van het veronderstelde gebruik van een dubbele Sothis-kalender in het oude Egypte door de conventionele egyptologie in het derde millennium voor Christus gedateerd werd. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 77-88, meen ik aangetoond te hebben dat farao Khoefoe onmogelijk de bouwer van de grote piramide geweest kon zijn. Verder heb ik aangetoond dat de farao ’s Cheops, Chefren en Mykerinos in de achtste eeuw v. Chr. op de tijdsbalk thuishoren. De piramiden op het Gizeh-plateau werden namelijk in de achtste eeuw v. Chr. gebouwd. De historicus Herodotos plaatst Cheops, Chefren en Mykerinos op de tijdsbalk net voor zijn farao ’s met de Griekse namen: Asychis en Anysis. Deze laatste farao was volgens Herodotos een tijdgenoot van de bekende Sanherib koning van Assyrië uit de achtste eeuw v. Chr.

    Dat de grote piramide jong is blijkt ook uit de vondst van ijzer in de constructie van de piramide. De conclusie zou moeten zijn dat de grote piramide in het ijzertijdperk gebouwd werd. Een conclusie die de orthodoxe egyptologie niet maakt. Het is nochtans de eerste vrouwelijke Egyptoloog Margaret Murray die in 1949 waarheidsgetrouw melding maakte van het vinden van ijzer in de constructie van de piramide.

    “The use of iron in Egypt is peculiarly interesting for it is found there sporadically at various times long before it came into general use. The iron beads of the Gerzean period are the earliest worked iron known; a piece of sheet iron was found between the stones of the Great Pyramid and contemporary with that structure…”

    by Egyptologist Margaret A. Murray, THE SPLENDOUR THAT WAS EGYPT, 1949, Chapter V, Art and Science.

     

    In de grote piramide ontbreekt elke verwijzing naar de architect of koning-bouwer. Alle binnenmuren zijn blank. De enige verwijzing naar farao Khoefoe van de vierde dynastie werd aangetroffen (aangebracht) in de drukverminderingskamer boven de koningskamer. Zij werd aan het licht gebracht door Howard Vyse die zich in 1837 op brute wijze naar deze vertrekken een weg baande. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze inscripties in rode inkt door Vyse zelf aangebracht. De zogenaamde ontdekking gebeurde op het eind van een kostbaar archeologisch seizoen en de ontdekking van de bouwer van de grote piramide kwam zodoende op tijd om de gemaakte kosten te rechtvaardigen. Vyse zal zich vermoedelijk hebben laten (mis)leiden door de aanwezigheid van dodentempels in de nabijheid die tot het zogenaamde Oude Rijk behoorden.

     

    De grote piramide is tegenwoordig een hoop stenen waar zogenaamde kenners een volmaakte driehoek over projecteren. De grote piramide is dermate afgebrokkeld dat zelfs exacte metingen moeilijk zijn. Vele mooie plaatjes vandaag zijn dan ook bedrieglijk en niet naar waarheid getekend. De afmetingen van de grote piramide door onderzoekers uit christelijke hoek zoals Charles Piazzi Smith (1819-1900) in de negentiende eeuw gepubliceerd werden later door de Egyptoloog Flinders Petrie (1853/1942) fout bevonden en gecorrigeerd.

     

    Met de aangetoonde plaatsing van de bouw van de grote piramide in de achtste eeuw v. Chr. worden vier vanuit een bepaalde hoek van de christenheid veronderstelde bouwers uitgesloten: namelijk Adam, Henoch, Noach en/of Job.

     

    De bouwers van de piramiden op het Gizeh-plateau met de Griekse namen Cheops, Chefren en Mykerinos zijn volgens mijn reconstructie van het geschiedenis van de oudheid de farao ’s Achnaton, Smenkhkare en Toetanchat(m)on.

     

     

    Hierna een kort citaat uit mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 345-353 dat deze farao ’s gereviseerd in de achtste eeuw v. Chr. plaatst:

    “De beschrijving door Herodotos van de koningen Cheops, Chefren en Mykerinos past nochtans in het historische plaatje dat we kennen van de farao ‘s Achnaton, Smenkhkare en Toetanchamon. Herodotos (Boek 2:124) schrijft dat Cheops na Rampsinitos koning werd. Rampsinitos heb ik in mijn studie geïdentificeerd met de Zonnekoning Amonhotep III van de achttiende dynastie, de vader van de Achnaton. Rampsinitos wordt door Herodotos (Boek 2:121) beschreven als een wijs koning die Egypte tot grootheid bracht. Een grootheid, niet als gevolg van veroveringsoorlogen maar als een gevolg van handel. Daarna beschrijft Herodotos hoe de opvolger van Rampsinitos: Cheops, dit alles te niet deed. Daarenboven liet Cheops alle tempels sluiten en preste de Egyptenaren tot zware arbeid voor de bouw van zijn piramide. Een arbeid die twintig jaar in beslag zou nemen. Herodotos (Boek 2:127) geeft farao Cheops een regeerperiode van vijftig jaar waarna zijn broer Chefren de scepter zou overnemen en gedurende zesenvijftig jaar regeren. Ook de opvolger van Cheops zou een piramide laten bouwen. En na farao Chefren werd Mykerinos koning, die een zoon van Cheops was:

    Herodotos 2: 129. After him, they said, Mykerinos became king over Egypt, who was the son of Cheops; and to him his father's deeds were displeasing, and he both opened the temples and gave liberty to the people, who were ground down to the last extremity of evil, to return to their own business and to their sacrifices;: also he gave decisions of their causes juster than those of all the other kings besides. In regard to this then they commend this king more than all the other kings who had arisen in Egypt before him; for he not only gave good decisions, but also when a man complained of the decision, he gave him recompense from his own goods and thus satisfied his desire.

     

    Herodotos’ Mykerinos zou de tempels, na de lange regeerperiode van zijn vader en oom, opnieuw laten openen. Deze beschrijving van de historicus Herodotos past volkomen in het historische plaatje dat we kennen in de geschiedenis Toetanchaton, de zoon van Achnaton, die bij het aan de macht komen, de tempels inderdaad opnieuw liet openen en de eredienst aan de god Amon toeliet. Farao Toetanchaton liet zelfs zijn naam veranderen van Toetanch-‘aton’ naar Toetanch-‘amon’. De regeerperiode van Toetanchamon was kort, maar ook hij, schrijft Herodotos (boek 2:134) liet een piramide bouwen. Het is de derde piramide op het Gizeh-plateau die met dit hoofdstuk aandacht krijgt. De drie piramiden horen op de tijdsbalk thuis in de achtste eeuw v. Chr. en zijn inmiddels dus al ruim plus tweeduizendzevenhonderd jaar oud. Het eerste onderzoek door westerlingen van de piramide van Mykerinos/ Toetanchamon gaat terug tot de eerste helft van de negentiende eeuw. In 1837 ging een expeditie onder leiding van kolonel R. W. Howard Vyse op het Gizeh-plateau aan het werk. De piramide van Mykerinos was toen al aan een zijde zwaar beschadigd als gevolg van de poging van de Arabische heerser over Egypte in 1196 AD, de zoon van Saladin: Malek Abd al-Aziz Othman ben Jusuf, om de vermoede schatten diep in de piramide te vinden. Het resultaat was een aanbrengen van een grote uitholling, die heden boven de tegenwoordige toegangsweg tot de piramide, nog zichtbaar is. De onderzoeker kolonel Vyse maakte de opening van Malek Abd al-Aziz Othman ben Jusuf, nog groter door het gebruik van ditmaal buskruit, ter vrijmaking van een weg naar de grafkamer. Ook de muren aan de binnenzijde van de piramide van Mykerinos bleken volledig blank te zijn, net zoals de grote piramide van Cheops waar op de binnenmuren ook geen enkele afbeelding noch tekst te vinden was. Ik neem aan dat Vyse dezelfde pot rode verf gebruikte als in de grote piramide, waar hij naar alle waarschijnlijkheid de naam Khoefoe in de bovenste drukkingskamer op de muur aanbracht. Ook in de piramide van Mykerinos werd de naam van Menkaura in rode verf op de voor de rest blanke muren, aangebracht. Voor de gevestigde Egyptologie van de tweede helft van de twintigste eeuw was er geen twijfel meer. De piramide van Herodotos’ Mykerinos behoorde toe aan Menkaura van de vierde dynastie van Manetho. En toch blijven er meer vraagtekens dan antwoorden over. Een mummie of stoffelijke resten werden in de piramide van Mykerinos namelijk niet gevonden. De muren aan de binnenkant blijven blank en geven geen antwoord naar de vraag wie de architect, de godheid, noch de koning was, voor wie de tombe bereid werd. Toen de onderzoeker kolonel Vyse tot de grafkamer kon doorbreken bleek daar een sarcofaag te staan met de restanten van een doodskist, maar geen stoffelijke resten van een farao.

     

     

    De hier getoonde afbeelding is een ets van kolonel Vyse gemaakt van de door hem aangetroffen basalten sarcofaag. Deze afbeelding is de enige illustratie vandaag voorhanden van de sarcofaag. De sarcofaag in kwestie werd namelijk in 1838 naar Engeland, naar het British Museum verscheept, maar het schip dat de sarcofaag vervoerde leed in de buurt van Livorno (Italië) schipbreuk en ging verloren. De doodskist werd op een ander schip verladen en vond wel haar plek in het British Museum. Volgens het deskundige commentaar van het British Museum behoort de kist (of wat er van rest) echter tot de periode van de zesentwintigste dynastie. Een dynastie die op de tijdsbalk thuishoort in de zevende en zesde eeuw v. Chr. Voor de orthodoxie is het een raadsel hoe een kist uit de zesde eeuw v. Chr. in een grafkamer van het door hen gedateerde derde millennium v. Chr. kon terecht komen. Men gaat er van uit dat er ten tijde van de zesentwintigste dynastie een poging tot restauratie van het graf is uitgevoerd. Deze veronderstelling blijft echter gissen en levert vraagteken op vraagteken. Want het gaat niet alleen om de gevonden doodskist, ook de afgebeelde basalten sarcofaag op de ets van Vyse, wordt door specialisten ook niet ten tijde van de Egyptische vierde dynastie gedateerd maar eveneens in de zesde eeuw v. Chr., ten tijde van de Saïtische periode. Met deze twee gegevens voorhanden: de sarcofaag en de kist, kunnen we redelijk goed besluiten dat de piramide van Mykerinos niet in ongeveer 2500 v. Chr. gebouwd werd maar eerder rond 700/600 v. Chr.

    Einde citaat.

     

    Tot slot: wat de bewering van sommige zogenaamde kenners betreft dat de grote piramide een evangelie in steen zou bevatten maak ik mij de bedenking dat volgens de Bijbel het Woord van God in geschreven vorm is doorgegeven. Het derde millennium voor Christus heeft een massa aan geschreven materiaal in de vorm van kleitabletten in het Midden-Oosten opgeleverd. Handelstransacties, overeenkomsten aller aard, poëzie enzoverder werden door de betrokken  partijen opgeschreven. Er was als een gevolg geen nood aan het doorgeven van een zogenaamde mondelinge overlevering wat de Bijbel betreft.

    Toen Mozes, de auteur van de eerste vijf Bijbelboeken: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, aan zijn werk begon heeft hij hoogstwaarschijnlijk wat het Bijbelboek Genesis betreft gebruik gemaakt van een voorhanden zijnde bibliotheek van kleitabletten die de aartsvaders van vader op zoon doorgegeven hadden. Dat was de conclusie van de onderzoeker P. J. Wiseman (1888–1948), New discoveries in Babylonia about Genesis, 1936. Zie de volgende link: http://www.goedbericht.nl/plaatjes/2008/wiseman/content.html

     

    Ik hoop dat ik met dit artikel heb bijgedragen tot het belang van het bewaren van nuchterheid wanneer men geconfronteerd wordt met wilde theorieën betreffende de grote piramide op het Gizeh-plateau in Egypte.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    07-06-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het zesde en het zevende historische jubeljaar

    Met onze aflevering van 16.05.2017 sloten we het artikel af bij het vijfde jubeljaar van 1199/1198 v. Chr. Een jubeljaar dat tijdens het richter-schap van Thola viel.

     

     

    Thola richtte Israël na de dood van de usurpator Abimelech een zoon van Gideon voor een periode van drieëntwintig jaar. Tijdens zijn richter-schap was Israël behouden en hielden zij zich aan de wet. Het was tijdens het richter-schap van Thola dat het vijfde Jubeljaar sinds de inname van Kanaän door de Israëlieten plaatsvond. Een jubeljaar dat vermoedelijk door de Israëlieten toen in acht werd genomen. We schrijven vermoedelijk omdat er geen verwijzing in de Bijbel naar te vinden is. Wel weten we dat van de honderdtwintig historische sabbatjaren tussen de inname van Kanaän in 1443 v. Chr. en de eerste wegvoering in Babylonische ballingschap in 605 v. Chr. de Israëlieten vijftig maal het sabbatjaargebod gehouden hebben. Zeventig maal hebben zij verzaakt tijdens het zevende jaar van de cyclus het land zijn rust te geven en bij de zeventigste maal verzaken volgde als oordeel de Babylonische Ballingschap van zeventig jaar.

     

     

    Richteren 10:1 Na Abimelech nu stond op, om Israël te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm. 2 En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir. 3 En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren. 4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn. 5 En Jaïr stierf, en werd begraven te Kamon. 6 Toen voeren de kinderen Israëls voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet. 7 Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen, en in de hand der kinderen Ammons. 8 En zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israëls in datzelve jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de kinderen Israëls, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land der Amorieten, dat in Gilead is. (Statenvertaling)

     

     

    De verdrukking van Israël door de Filistijnen en Ammon begon bij de dood van de richter Jaïr in het voorjaar van 1161 v. Chr.

    Op onze tijdsbalk merken we ook het begin van de veertigjarige bediening van de priester en richter Eli in 1163 v. Chr. Dat Eli in dat jaar op de tijdsbalk zijn bediening aanving is het gevolg van de verankering van zijn dood in 1123 v. Chr. In het jaar van zijn dood kwam de eerder door de Filistijnen buitgemaakte ark van het verbond terug naar het gebied van de Israëlieten gevolgd door de onfortuinlijke dood van Eli. Twintig jaar zou de ark van het verbond daarna in Kirjath-jearim opgesteld worden tot in het jaar 1103 v. Chr. tijdens het richter-schap van Samuël. Zo dadelijk volgen hierover meer chronologische details.

     

     

    Het zesde jubeljaar van oktober 1150/september 1149 v. Chr. viel tijdens het richter-schap van Eli met de aanhoudende gelijktijdige verdrukking van de Filistijnen en Ammonieten. We kunnen aannemen dat de wet van het Jubeljaar volgens Leviticus hoofdstuk 25 door de Israëlieten toen niet in acht werd genomen. De veertigjarige richterperiode van de priester Eli kenmerkte zich door afval van de dienst aan de HEERE God. Over het huis van de richter Eli werd zelfs door de HEERE God oordeel aangekondigd (1 Samuël 3:11-21). De twee zonen van Eli: Hofni en Pinehas waren beide nietsnutten die alleen met zichzelf bezig waren en een oordeel over hen en het huis van hun vader brachten. Aan Eli werd specifiek verweten dat hij zijn zonen zelfs niet berispt had.

    1 Samuël 3:13 Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien. 14 Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer! (Statenvertaling)

     

    Het is tijdens deze periode ook dat de bekende geschiedenis van Hanna de moeder van Samuël zich afspeelde. Hanna was aanvankelijk onvruchtbaar maar dat veranderde na haar gebed tot de HEERE God in het heiligdom te Silo. Het bezoek van Hanna aan het heiligdom te Silo plaatsen we op de tijdsbalk met Pesach van het jaar 1163 v. Chr. het jaar ook dat Eli zijn bediening begon.

    1 Samuël 1:17 Toen antwoordde Eli en zeide: Ga heen in vrede, en de God Israëls zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt. 18 En zij zeide: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Alzo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zodanig niet meer. 19 En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht des HEEREN, en zij keerden weder, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de HEERE gedacht aan haar. 20 En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuël: Want, zeide zij, ik heb hem van den HEERE gebeden. 21 En die man, Elkana toog op met zijn ganse huis, om den HEERE te offeren het jaarlijkse offer, en zijn gelofte. 22 Doch Hanna toog niet op; maar zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid.

     

     

    Na zijn geboorte werd Samuël gedurende vierentwintig maanden door zijn moeder verzorgd waarna zij na het spenen van Samuël hem naar de priester en richter Eli bracht in wiens dienst hij zou staan. Op dit blog hou ik mij haast uitsluitend met chronologie bezig maar het dankgebed van Hanna wil ik mijn lezers niet onthouden:

    1 Samuël 2:1 Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. 2 Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! 3 Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. 4 De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord. 5 Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6 De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. 7 De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet. 9 Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. 10 Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen. (Statenvertaling

     

    Dit is het indrukwekkende dankgebed van een vrouw die al haar vertrouwen op de HEERE God van Israël stelde en verhoord werd. Dit was geen publiekelijk gebed noch een gebed met omhaal van woorden, maar een gebed in stilte uitgesproken naar de geest zoals de Heer Jezus Christus het later in Zijn berg-rede zou verkondigen (Matteüs 6:1-8)

     

     

    Het jaartal 1143 v. Chr. met het begin van het richter-schap van Jefta is een ijkpunt op de tijdsbalk. In april 1143 v. Chr. was het exact driehonderd jaar geleden dat de Israëlieten onder leiding van Jozua in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanaän binnentrokken. Het was naar deze tijdsschijf van driehonderd jaar dat de richter Jefta in zijn gesprek met de koning van Ammon (Richteren 11:15-25) verwees. De tijdsschijf van driehonderd jaar die Jefta aanhaalde is geen afgerond getal maar een historisch verifieerbare tijdsschijf die op de tijdsbalk zijn plaats vind. Het jaar 1143 v. Chr. is een ijkpunt op de tijdsbalk waar we de meeste richters voor en na het optreden van Jefta mee rangschikken binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. De chronologische rangschikking van de richters heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-153 behandelt.

     

    Richteren 12:7 Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.

    8 En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem. 9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israël zeven jaren. 10 Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem. 11 En na hem richtte Israël Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israël tien jaren. 12 En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon. (Statenvertaling)

     

    In 1143 v. Chr. plaatsen we ook het begin van het richter-schap van de bekende Simson die Israël gedurende twintig jaar zou bijstaan (Richteren 16:31).

     

     

    Richteren 12:13 En na hem (Elon) richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet. 14 En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren. 15 Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op den berg van den Amalekiet. (Statenvertaling)

     

    Op onze tijdsbalk merken we in 1123 v. Chr. het einde van de veertigjarige bediening van Eli als priester en richter. Dat het richter-schap van Eli over een periode van veertig jaar gaat leren we uit het Bijbelboek 1 Samuël 4:15-18. Eli stierf op een leeftijd van achtennegentig jaar nadat hij Israël veertig jaar gericht had. Hij was achtenvijftig jaar oud toen zijn priester- en richter-schap begon. Met wat er over hem in het Bijbelboek 1 Samuël geschreven staat begrijp ik dat Eli tijdens deze lange periode meer priester dan richter was.

    In het voorjaar van 1123 v. Chr. kende de priester Eli zijn smartelijk levenseinde toen hem bericht werd dat de Filistijnen de ark van het verbond op de Israëlieten buit hadden gemaakt.

    1 Samuël 4:17 Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israël is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen. 18 En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren. (Statenvertaling)

     

    Zeven maanden lang zou de ark van het verbond in Filistijnse handen blijven waarna zij door hen terug naar het gebied van de Israëlieten gezonden werd (1 Samuël 6:1-2).

    1 Samuël 7:1 Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark des HEEREN op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op den heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde. 2 En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het ganse huis van Israël klaagde den HEERE achterna. 3 Toen sprak Samuël tot het ganse huis van Israël, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.

     

     

    Te Kirjath-Jearim zou de ark van het verbond in het huis van Abinadab op een heuvel gedurende twintig jaar een plaats vinden. Het heiligdom te Silo waar Eli zijn bediening had werd door de HEERE God opgegeven (Psalm 78:60). De tijdschijf van twintig jaar zit op de tijdsbalk verankerd van het voorjaar van 1123 v. Chr. tot het najaar van 1103 v. Chr.

    In het twintigste jaar dat de ark een plaats in Kirjath-jearim gevonden had leert het Bijbelboek 1 Samuël 7:4-17 dat de Israëlieten te Mizpa bij Samuël vergaderden en dat de slag bij Eben-haezer plaatsvond. In oktober van het jaar 1103 v. Chr. werd het juk van de veertigjarige verdrukking door de Filistijnen afgeschud (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 169-175). De veertigjarige verdrukking van de Filistijnen hebben we gezien begon in 1143 v. Chr.

    De slag bij Eben-haezer met de Israëlitische zege over de Filistijnen is een ijkpunt op de tijdsbalk waarmee we ook het stervensjaar van Eli kunnen berekenen. Twintig jaar eerder was het terugzenden van de ark van het verbond door de Filistijnen namelijk indirect de oorzaak van het overlijden van Eli.

     

    Op onze tijdsbalk vermeld ik Samuël als enig overblijvende Richter na de dood van Abdon in 1112 v. Chr. Hij zou de laatste richter over de twaalf stammen van Israël zijn waarna het volk in afwijzing van de HEERE God naar een koning verlangde.

    Mijn reconstructie van de chronologische gegevens die we over Samuël ter beschikking hebben, maakt dat het vanaf het jaar van het overlijden van de richter Abdon in 1112 v. Chr. het vijftig jaar terug in de tijd zijn, tot het opdragen van Samuël in het heiligdom te Silo. Vijftig jaar was volgens de Wet de maximum leeftijd voor de bijzondere dienst van een Levitische priester (Numeri 8:25). De geboorte van Samuël plaatsen we in het najaar van 1163 v. Chr. na een zwangerschap van slechts zes maanden en enkele dagen voor Hanna, volgens de Joodse overlevering (Legends of the Jews, Volume IV, chapter III). De bediening van Samuël had al een aanvang genomen op zeer jonge leeftijd. Volgens de Joodse overlevering was hij twee jaar oud wanneer zijn moeder hem naar de priester Eli bracht. De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus schrijft (Joodse Oudheden, Boek V. 10,4) dat Samuël twaalf jaar oud was toen hij in de dienst van Eli te Silo voor de eerste maal door de HEERE God geroepen werd (1 Samuël 3:1-21).

    1 Samuël 3:1 De jonge Samuël was in de dienst des HEREN onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het woord des HEREN schaars; gezichten waren niet talrijk. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het twaalfde levensjaar van de jonge Samuël viel niet toevallig in het zesde jaar 1151/1150 v. Chr. van de sabbatjaarcyclus, het jaar van de dubbele zegening over het land dat ook een geestelijke betekenis had. Onder het richter-schap van Eli was het geestelijk gezien stil geweest. Onder Samuël ’s richter-schap zou dit veranderen.

     

     

    Het zevende jubeljaar van oktober 1101 tot september 1100 v. Chr. viel twee jaar na de overwinning op de Filistijnen tijdens het richter-schap van Samuël. We kunnen aannemen dat het zesde jaar van de zevende sabbatjaarcyclus zijn dubbele zegening over het land gaf want op het woord van Samuël hadden de Israëlieten hun afgoden uit hun midden weggedaan en dienden alleen de HEERE God.

    1 Samuël 7:3 Toen sprak Samuël tot het ganse huis van Israël, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken. 4 De kinderen Israëls nu deden de Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen. 5 Verder zeide Samuël: Vergadert het ganse Israël naar Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden. 6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN; en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte Samuël de kinderen Israëls te Mizpa. (Statenvertaling)

     

    Het Bijbelboek 1 Samuël verwijst niet impliciet naar het in acht nemen van het Jubeljaargebod door de Israëlieten ten tijde van Samuël maar we kunnen aannemen volgens vers vier van het hiervoor vermelde Bijbelcitaat dat het dienen van de HEERE ook het houden van de sabbatjaren en het jubeljaar inhield.

     

    De periode van de richteren die we in dit artikel behandelden van de richter Thola af tot op richter Samuël past chronologisch binnen het kader van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling William Whiston. Er waren dertig jubeljaren van het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4 wanneer de Heiland het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep terug de tijd in tot het eerste jubeljaar van 1395/1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanaän binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de Israëlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde ook Saul voor een periode van veertig jaar van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van Israël. In 1087 v. Chr. zalfde de laatste richter Samuël, Saul tot koning. Binnen dit tijdskader dienen de chronologische gegevens van de Bijbelboeken Richteren en 1 Samuël op de tijdsbalk aangebracht te worden. Hierbij hebben we gezien overlapten sommige richters elkaar en vielen verdrukkingen van de buurvolken zoals bijvoorbeeld die van de Ammonieten en de Filistijnen binnen hetzelfde tijdsbestek.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    30-05-2017 om 07:41 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de Grote Vloed in het jaar 2340 v. Chr.

    Ik heb recent het boek van de Amerikaanse wetenschapper Donald Wesley Patten: The Biblical Flood and the Ice Epoch, gelezen. Het boek dat in 1966 voor de eerste maal gepubliceerd werd en meerdere herdrukken kende blijft een aanrader. Voor diegene die meende dat de Bijbelse Grote Vloed alleen maar een periode van veel regen over een bepaald gebied op aarde betekende krijgt met het boek een beter begrip van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die planeet aarde in het derde millennium voor Christus getroffen heeft.

     

     

    Zoals de cover van het boek al laat zien verbindt Patten de IJstijd met de Zondvloed en verklaart hij het ontstaan van de ijskappen op de Noord- en Zuidpool door ijs dat uit ‘outer space’ met catastrofale gevolgen op planeet aarde gedeponeerd werd. Ik had het boek al langer in bezit nadat ik het jaren geleden samen met dat andere boeiende boek van Patten: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, verkreeg. Dit laatste boek kreeg op mijn blog al heel wat aandacht. De opdracht is om de historische cyclus van meganatuurcatastrofes op de tijdsbalk chronologisch aan te brengen. De wetenschapper Donald Wesley Patten en zijn medewerkers Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer hanteerden namelijk ter berekening van hun cyclus de jaartallen van de Bijbelse koningen volgens de fabricatie van de chronoloog Edwin R. Thiele die in de twintigste eeuw de Bijbelse koningslijsten met die van de Assyrische koningen verbond. Thiele verkorte hierbij de regeerperiode van de koningen van Israël en Juda met zo maar even een afwijking van acht tot veertig jaar ter inpassing in het Assyrische koningslijstkeurslijf. Zie het artikel op dit blog van 06.02.2017: De Assyriologie, Thiele en het noodlottige jaartal: 930 v. Chr. link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1486335600&stopdatum=1486940400

    Een exact jaartal voor de Grote Vloed of Zondvloed geeft Patten niet maar werkt met circa ‘s.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de Grote Vloed gedateerd van oktober/november Anno Mundi 1656 tot oktober/november van AM 1657 of 2341/2340 v. Chr. volgens de westerse jaartelling. Dat de meganatuurcatastrofe dat de zondvloed was, een volledig jaar duurde leert het Bijbelboek Genesis:

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach ‘s zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    De beschrijving in Genesis 7:11 dat alle kolken der grote waterdiepten openbraken verklaart Patten vanuit kosmische krachten veroorzaakt wanneer planeet aarde in haar baan om de zon door andere hemellichamen verstoord werd. Patten verklaart verder de continentale drift op aarde en de vorming wereldwijd van bergketens als een gevolg van de zondvloedramp. Zie het commentaar op de cover van het boek hierna:

    The author contends that, through the agency of astral principles, the Earth became engaged, or engulfed, in simultaneous gravitational upheavals and magnetic conflicts. There came with suddenness to our fragile, spiraling sphere, The Biblical Flood and The Ice Epoch. Readers of this unique book will find a challenging and refreshing view of ancient catastrophism and its conclusion, Divine Creation, a subject of importance in this age of increasing intellectual rootlessness.

    It is over and against the prevailing monopoly of uniformitarian thought (which proposes that oceans of time are necessary for anything and everything, both geologically and biologically) that Mr. Patten proposes his view of historical celestial crises, global catastrophes. Such catastrophes may explain many features about several planets. Such catastrophes, relative to the Earth-Moon system, explain the raising up of mountain ranges, sweeping across the face of the Earth in arcuate alignment, similar to the mountain patterns of the Moon.

    This was achieved suddenly, and by tidal upheavals within the oceans (of centrifugally rotating lava) within the Earth's crust. Simultaneously, tidal upheavals engulfing the oceans raised tides of subcontinental dimensions on the Earth's crust, thus the historically recorded Deluge, or Flood.

    (The Biblical Flood and the Ice Epoch by Donald Wesley Patten, 1966)

     

    Bijzonder fascinerend vond ik Patten ‘s theorie in hoofdstuk IX, 4, dat planeet aarde ook al voor de zes-dagenschepping door meganatuurcatastrofes van kosmische aard getroffen werd en hij geeft een wetenschappelijke verklaring voor het Bijbelgedeelte van Genesis 1:1-2: In den beginne schiep God den hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; …

    Hierna een citaat uit het boek:

    The Earth then became a dark, hydrocarboniferous dump at the time of the earlier catastrophe or catastrophes. Part of the surface tar (bitumen) from that period may have been utilized by Noah and his sons for the pitching of the Ark (Genesis 14). Bitumen was also gathered several centuries after the Flood in the oil-rich Mesopatamian Valley. It was used at that later time to pitch the Tower of Babel so that it, too, like the Ark, would be impervious to water if another Flood might recur (Genesis 11:3). Similarly, bitumen was reported in the slime pits of Sodom and Gomorrah (Genesis 14:10) at a time which may have just preceded a rifting of the Earth's crust in that region. Thus, it is posited, some 10,000 or 20,000 years ago, our planet may well have been the scene of a dark, celestial, carboniferous dump. This might help explain why horizontal seams of coal, like subterranean pools of petroleum, contain virtually no Carbon-14 (along with limestones). Perhaps this is how our antediluvian canopy originated, with its abundances of water vapor and carbon dioxide, merely oxygenated hydrogen and carbon. Our planet may have become literally a dark dump or void, a contention suggested in Genesis 1:2.

    The Earth became without form and an empty waste (or void), and darkness was upon the face of the very great deep. (King James)

     

    Hoe ik de datering van de zondvloed in het jaar 2341/2340 v. Chr. bekomen heb is vrij eenvoudig uit te leggen. De chronologie van mijn boek TIJD en TIJDEN is opgebouwd binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling van William Whiston als fundament. Er waren dertig jubeljaren vanaf het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4, wanneer de Heiland het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep. Het eerste jubeljaar terug de tijd viel in okt.1395/sep.1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanaän binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de Israëlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van Israël. De koningen van Israël en Juda heb ik tussen de jaartallen 1087 en 586 v. Chr. op de tijdsbalk herschikt met de historische sabbat- en jubeljaren als ijkpunten.

    Vanaf Pesach in het voorjaar van 1483 v. Chr. met de Exodus en negenenveertig dagen later Sjavoeot en het geven van de Tien Woorden aan Mozes zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de roeping van Abram/Abraham (Galaten 3:17) in 1913 v. Chr. Het was in het stervensjaar van Thera dat Abram uit Haran naar Kanaän vertrok (Genesis 11:32 en 12:1-4). Vanaf Thera de vader van Abram/Abraham hanteren we de jaartallen van de geslachtslijn van Sem de zoon van Noach (Genesis 11:10-22) tot op Thera. Het resultaat is 2340 v. Chr. voor het einde van de Grote Vloed. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 13-21, wijs ik ook op de hogere jaartallen die de Griekse Septuagintvertaling hanteert ter berekening van het jaar van de zondvloed en leg uit waarom ik de Masoretische tekst van onze Bijbel verkies.

    Mijn keuze voor een jong jaartal voor de zondvloed werd bevestigd door de studie van Dr. Werner Papke aan: “Die Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch – nach 4000 Jahren entschlüsselt”. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke was ook de astronomische kennis van de Chaldeeërs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

    Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende met een nieuw begin in 2340 v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat: de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

     

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd in 2341/2340 v. Chr. definitief afgesloten. Ik vind het opmerkelijk dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HEERE God de deur van de ark sloot en niet Noach:

    Genesis 7:16b … En de HEERE sloot achter hem toe..

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna met een verbond van God en met de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11) aan een nieuw leven met nieuwe verantwoordelijkheden. Het ‘kwaad’ (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die het verzet na de grote vloed leidde. Met de roeping van Abram/Abraham in 1913 v. Chr. werd ook de bedeling van na de vloed afgesloten en ving de periode van de belofte aan.

     

    Het belang van exacte chronologie blijkt iedere keer opnieuw wanneer men merkt dat wetenschappers zoals bijvoorbeeld Patten en zijn medewerkers vanuit hun bepaalde vakwetenschap in vertrouwen gebruik maken van de algemeen aanvaarde Bijbelse chronologie zoals de geleerde Edwin R. Thiele ze gefabriceerd heeft, en zodoende verbanden missen.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343



    23-05-2017 om 13:32 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gemummificeerde dino ontdekt: huid en ingewanden intact

    Job 40: 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? (Statenvertaling)

     

    De NBG Vertaling uit 1951 heeft gemeend het Hebreeuwse woord BEHEMOTH te mogen vertalen met nijlpaard. De Statenvertaling echter heeft heel wijselijk de Hebreeuwse naam Behemoth behouden. Behemoth is een Oud-Hebreeuwse naam van een reusachtig dier dat beschreven wordt in het Bijbelboek Job. Volgens de beschrijving is het de koning der dieren. Sinds de zeventiende eeuw al is getracht de Behemoth te identificeren. Toen de Statenvertaling tot stand kwam bestond de naam Dinosaurus nog niet, die naam kwam pas in de negentiende eeuw in gebruik en betekent reuzenhagedis. De NBG-vertalers van de Bijbel in 1953 vertaalden tegen beter weten in met: nijlpaard. De beschrijving van de Behemoth in het Bijbelboek Job doet nochtans niet aan het nijlpaard denken. Het Nijlpaard heeft bijvoorbeeld ook vandaag geen staart als een ceder maar eerder een staartje.

    De Behemoth uit het Bijbelboek Job is een historisch dier dat zijn woonplaats ten tijde van Job aan de rivier de Jordaan had en was volgens de beschrijving in het Bijbelboek Job zondermeer een reuzenhagedis. Het monster dat Job beschrijft was een vegetarisch dier dat hooi at als een rund (Job 40:10). Zijn biotoop was (Job 40:16) de oever van de Jordaan waar hij een schuilplaats had in het riet en in het slijk onder schaduwachtige bomen.

    In een artikel op dit blog van 07.04.2016 gaf ik aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk en dateerde hem in de zeventiende eeuw v. Chr. zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1459720800&stopdatum=1460325600

    De beschreven reuzenhagedis in het Bijbelboek Job dateert uit dezelfde periode. In de zeventiende eeuw voor Christus was de drastische klimaatwijziging die het gebied in de achtste eeuw v. Chr. (Jesaja 5:6) trof nog ver weg en al het land oostelijk en westelijk van de Jordaan was als de tuin van Eden.

     

    De dinosauriërs of reuzenhagedissen worden door de wetenschap vandaag op aarde geplaatst miljoenen jaren vooraleer de mens volgens de theorie zijn intrede deed. Volgens het Bijbelboek Job waren de behemoth (of reuzenhagedis) en de mens gelijktijdig op aarde. De dino ’s waren gisteren opnieuw wetenschappelijk nieuws met de opmerkelijke ontdekking van een dino in 2011 die uitzonderlijk in goede staat als gemummificeerd met huid en al ontdekt werd. Men noemt het geen gewoon fossiel maar een "dinosaurusmummie". Het monster werd door een oliemijnwerker ontdekt en sinds dit jaar in het ‘Royal Tyrrell Museum of Paleontology’ in Alberta, Canada tentoongesteld. Zie de link:

    http://www.demorgen.be/wetenschap/gemummificeerde-dino-ontdekt-huid-en-ingewanden-intact-bd751bc4/

    De beschreven dino in het artikel was een enorme planteneter op vier benen met een beschermend stekelig pantser. De dinosaurus zou naar schatting ongeveer 1.360 kilogram wegen. Vandaag is de nieuwgenoemde ‘nodosaurus’ nog zo intact dat hij nog altijd 1.134 kilogram weegt.

     

    De vondst van een goed geconserveerde reuzenhagedis stelt ons in staat een beter beeld van de Bijbelse behemoth te krijgen en de dateringsmethode van de evolutietheorie in vraag te brengen.

    In het artikel van 07.04.2016 gaf ik niet alleen aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk maar dateerde ook de meganatuurcatastrofe van kosmisch oorsprong die de aarde ten tijde van Job trof en in het Bijbelboek te vinden is. De cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong die planeet aarde van de vierentwintigste eeuw tot in de achtste eeuw voor Christus trof geeft een verklaring voor de ondergang van de reuzenhagedissen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    17-05-2017 om 14:54 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!