Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    22-05-2020
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1

    De eerste drieduizend jaar…

    Chronologische oudheidgeschiedenis van Genesis tot de Tempel van Salomo

     

    Eerste druk 2020 © Robert De Telder

    ISBN: (volgt)

    NUR: 683

    Wettelijk depot: D/2020/Robert De Telder/Auteur uitgever

    Trefwoorden: Bijbel, oudheidwereldgeschiedenis, chronologie, revisionisme

    Foto cover: Auteur

     

    © Verantwoording beeldmateriaal: Alle afbeeldingen behoren naar de mening van de auteur tot het ‘public domain.’

     

    Voor alle gehanteerde Bijbelteksten is meestal uitgegaan van de Statenvertaling, tenzij anders aangeduid.

     

    Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

     

    Tegen heilloze bakerpraat en verzinsels…

    Proloog

     

    Het boek dat u, beste lezer, nu ter hand neemt brengt de chronologische geschiedenis vanaf de Grote Vloed van Genesis tot op het aanvangen van de historische sabbat- en jubeljaren volgend op de inname van Kanaän door de Israëlieten onder leiding van Jozua in 1443 v. Chr. Het boek bevat vierenzestig tijdschema ’s. Het zijn tijdschema ’s van telkens veertien jaar per schema met twee centimeter voor een jaar. Zo doende zijn de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar en handig voor het aanbrengen van de Bijbelse en westerse jaartelling. De historische gebeurtenissen en koningslijsten over een periode van negenhonderd jaar worden op deze wijze exact aanschouwelijk zichtbaar. Het boek sluit aan bij mijn eerdere publicatie van ‘dertig jubeljaren’ dat in 2018 uitgebracht werd. Met het boek behandel ik de chronologie van de dertig historische jubeljaren die er waren tussen het eerste jubeljaar na de inname van het Beloofde Land Kanaän door de Israëlieten in de vijftiende eeuw v. Chr. en het dertigste jubeljaar dat Jezus Christus met Jom Kippoer in 27 AD uitriep. Het boek bevatte en was opgebouwd rond honderdvijf schema ’s op millimeterpapier en besloeg de hiervoor vermelde tijdsperiode van ruim vijftienhonderd jaar.

     

    Hoofdstuk 1

    Genesis van de eerste beschavingen na de Grote Vloed.

     

    Mijn schema ’s vangen aan bij de Grote Vloed die in het jaar 2341/2340 v. Chr. gedateerd wordt, en dit op basis van het chronologisch werken met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren (volgens de rekenwijze van William Whiston) in verbinding met de geslachtsregisters van het Bijbelboek Genesis.

    In september 2015 schafte ik via het internet het boek van Dr. Werner Papke aan: “Die Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch – nach 4000 Jahren entschlüsselt”. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN, 2015. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesis-geslachtsregisters van de aartsvaders.

    Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de datering van de spraakverwarring, blz. 13-21, wijs ik op afwijkende geslachtsregisters met hogere jaartallen dan de Masoretische getallen uit onze Bijbel, wat twijfel oproept, een twijfel die nu ongegrond blijkt. Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke, was ook de astronomische kennis van de Chaldeeërs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Navigeren op zee moet voor hen ook eenvoudig geweest zijn, en dit verklaart onder andere het snelle ontstaan van de eerste beschavingen in Centraal-Amerika. Een continent dat vanuit Azië het eerst bereikt werd. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

    De geboorte van Arpachsad, de zoon van Sem, laat ik twee jaar ‘na’ het einde van de Grote Vloed plaatsvinden. De Zondvloed duurde namelijk een jaar van oktober/november AM 1656 tot oktober/november van AM 1657.

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach ‘s zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    Dat ik aan twee jaar ‘na’ de Zondvloed voor de geboorte van Arpachsad uitkom is het resultaat van het terugrekenen vanaf het jaar oktober 997/september 996 v. Chr., toen de Tempel van Salomo gebouwd was en daarna de Heerlijkheid des HEREN in de Tempel woning nam. Dat jaar was het ankerpunt om het Anno Mundi jaar 3000 met te linken. Wanneer men vanaf dit jaar met de chronologische gegevens die de Bijbel via de dertig jubeljaren verstrekt terugrekend arriveert men op de tijdsbalk voor Arpachsad in het tweede jaar na het einde van de Grote Vloed. Ik zoek en werk in mijn studie met exacte chronologie. Men kan opperen: wat maakt nu een jaar verschil uit? Wel veel, indien men op zoek is naar exacte chronologie. Een voorbeeld: vijfenzeventig jaar geleden landden de geallieerde legers o.l.v. Eisenhouwer op de stranden van Normandië, exact op dinsdag 6 juni 1944. Wanneer men hier een jaar van afwijkt klopt het verhaal rond de landing niet. Wanneer men vijf of tien jaar van dit historische gebeuren afwijkt kloppen de politieke verhoudingen zelfs niet meer. De orthodoxe wetenschap Egyptologie zit er tot zeshonderd jaar naast wanneer men de Bijbels-chronologische gegevens in hun gefabriceerd raamwerk wil inbrengen. En daarom de noodzaak ook van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid. De exodus van de Israëlieten uit Egypte dateren we op basis van Bijbelse chronologie in de vijftiende eeuw v. Chr. Tussen de Exodus in 1483 v. Chr. en het vierde regeringsjaar van Salomo verliepen er vierhonderdtachtig jaar (1 Koningen 6:1). De chronologie van de Richteren wordt aan de hand van de verlopen schijf van driehonderd jaar ten tijde van de richter Jefta, bepaald en de overige richteren op de tijdsbalk gerangschikt.

     

     

    Tijdschema 2342/2329

     

     

    Tijdschema 2328/2315

     

    Onderaan het tweede schema merken we de naam van Cham. De nakomelingen van Noach en hun geschiedenis vinden we in het Bijbelboek Genesis opgetekend vanaf hoofdstuk 10:

    Genesis 10:1 Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafeth; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed.

     

    Jaartallen voor de leeftijden van Cham en Jafeth geeft de Bijbel niet. We kunnen nochtans aannemen dat zij de leeftijden van de nazaten van Sem evenaarden. Cham is volgens de Bijbel Egypte gaan koloniseren. Het Bijbelboek Psalmen heeft twee verwijzingen naar Egypte als het land van Cham.

    Psalm 105: 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

     

    Psalm 78:51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

     

     

    Tijdschema 2314/2301

     

     

    Tijdschema 2300/2287

     

    Cham en zijn nakomelingen zijn identiek met de door de moderne Egyptologie tot mythe verklaarde god-koningen die voor de eerste farao Menes, over Egypte heersten. De bekende Palermo-steen (TIJD en TIJDEN, 2015, blz.73-75) verhaalt over een lijst van een honderdtal god-koningen, die start met de Egyptische god Horus. Volgens deze geschreven Egyptische primaire bron heeft de eerste farao Menes het bewind over Egypte, van deze god-koningen overgenomen. Toen de oudheidhistoricus Herodotos in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en met de priesters aldaar sprak, kreeg hij dezelfde geschiedenis te horen:

    144. From their declaration then it followed, that they of whom the images were had been of form like this, and far removed from being gods: but in the time before these men they said that gods were the rulers in Egypt, not mingling with men, and that of these always one had power at a time; and the last of them who was king over Egypt was Oros the son of Osiris, whom the Hellenes call Apollo: he was king over Egypt last, having deposed Typhon. Now Osiris in the tongue of Hellas is Dionysos. Herodotos Boek 2:144

     

    De Bijbelse Cham was een van de acht overlevenden van de grote vloed en was aldus nog tijdens de pre-zondvloedperiode van de aarde geboren. Wat vooral opvalt wanneer men de Genesis-geslachtsregisters bestudeerd, zijn de hoge leeftijden van de zogenaamde aartsvaders. Noach bijvoorbeeld, leefde nog tot 350 jaar na de grote vloed (Genesis 9:28). Van zijn zoon Sem, en broer van Cham, staat een leeftijd opgeschreven van zeshonderd jaar (Genesis 11:10-11), waarvan 502 jaar na de Vloed. We kunnen aannemen dat ook Cham en zijn onmiddellijke nakomelingen zulke enorme leeftijden bereikten. Deze mensen kwamen daarenboven uit een beschaving zonder weerga, met een tot dan toe bewaarde kennis die samen met hun hoge leeftijden, hen in de ogen van mensen wier leeftijd tot zeventig en tachtig jaar (Psalm 90:10) herleidt was, tot schijnbaar onsterfelijke goden maakten. Het is aldus logisch te concluderen dat de god-koningen van de Palermosteen gewoon stervelingen waren, en afstammelingen uit de lijn van Cham. Cham en zijn nakomelingen namen overigens zelf, in afwijzing van het verbond van de HEERE God met Noach, de status van goden aan. Dat blijkt o.a. uit het Gilgamesj-epos dat leert dat Gilgamesj, de koning van Oeroek, twee-derde god was en een derde mens.

     

     

    © public domain, bewerkt door de auteur

     

    Dit maakt deel uit van de in het Bijbelboek Genesis beschreven rebellie ten tijde van Nimrod, de kleinzoon van Cham.

    De steden Babel, Erek, Akkad en Kalne werden in de negentiende eeuw al door archeologen blootgelegd en onderzocht. Het Bijbelse Erek is het Uruk dat door archeologen werd blootgelegd, het verschil in schrijfwijze is een gevolg van het gebruik van verschillende klinkers. Duizenden kleitabletten werden in de vermelde steden opgegraven en vertaald. Het bekendste hiervan is het Gilgamesj-epos, dat een Babylonische versie van het Bijbelse zondvloedverhaal is. Maar er is meer, de oud-Soemerische koningslijst begint met een koning genaamd: Kisj. Het vraagt weinig verbeelding om in deze naam de Bijbelse naam Kus of Kusj te herkennen, de zoon van Cham, de zoon van Noach in Genesis 10:6. Een probleem is hier het conflict tussen de gebruikte dateringsmethoden. Conventioneel plaatst men de Soemerische Kisj in 2900 v. Chr. Vanuit het Genesismodel plaatsen we de eerste beschaving in het Tweestromenland rond 2300 v. Chr. Gilgamesj was koning van Uruk en sprak volgens het Gilgamesj-epos met een overlevende van de Grote Vloed: Oetnapisjtim. Dit zou de Bijbelse Noach geweest kunnen zijn of Cham, de grootvader van Nimrod. Er zijn namelijk onderzoekers die Gilgamesj met de Bijbelse Nimrod identificeren. De betekenis van het Hebreeuwse Nimrod is: ‘opstandeling’. Gilgamesj zou dan zijn werkelijke naam geweest zijn, en Nimrod zijn synoniem. En er zijn heel wat raakpunten tussen beide heersers (internetlink: http://davelivingston.com/nimrod.htm). Het begin van zijn macht plaatsen we volgens het Genesisbericht in het land Sinear, in het tweestromenland. Het was pas toen Peleg (in de lijn van Sem) geboren werd (Genesis 10:25) dat de aarde onder de nakomelingen van Noach verdeeld werd. De spraakverwarring was hier een belangrijke drijfveer. Wat hier aan voorafging was de bouw van de eerste stad en toren door Nimrod, de kleinzoon van Cham in afwijzing van het verbond van de HERE God met Noach na de Grote Vloed.

    Genesis 10: 6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. 7 En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. 8 En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. 9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN. 10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. 11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. 12 En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.

     

    De geschiedenis van de eerste opstand na de Grote Vloed vinden we in het Bijbelboek Genesis:

    Genesis 11:1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. 2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar. 3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. 4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! 5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden. 6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? 7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore. 8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. 9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.

     

     

    Tijdschema 2286/2273

     

     

    Tijdschema 2272/2259

     

    Genesis 10:1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

     

    De nakomelingen van Jafeth kwamen met hun trek na de spraakverwarring in de zogenaamde kustlanden of Europa terecht. De Joodse overlevering leert dat de Germanen bijvoorbeeld in de lijn van Askenaz, de zoon van Gomer terug te vinden zijn. Sinds de tiende eeuw na Christus wordt de naam Askenaz namelijk in de Joodse literatuur gebruikt voor Duitsland, demografisch, het grootste Germaanse land in Centraal Europa. De clan van Jafeth kwam na de spraakverwarring in onherbergzame gebieden terecht. De aarde werd tijdens deze periode nog meermalen door natuurrampen geteisterd, en dit als een gevolg van een aardkorst in beweging, die zich nog van de Grote Vloed aan het herstellen was.

     

     

    Tijdschema 2258/2245

     

     

    Tijdschema 2244/2231

     

    Cusch, de zoon van Cham, wordt in de Bijbel enkele malen in verband met Ethiopië gebracht. Dat is dan niet het Ethiopië dat vandaag de naam van de staat aan de hoorn van Afrika draagt, maar eerder het noorden van het huidige Soedan.

    Een andere zoon van Cham: Misraïm, trok naar Egypte. Op de bijgevoegde kaart heb ik de vermoedelijke reisweg van Kus vanuit de Arabische Golf, over de Indische Oceaan naar Ethiopië getekend, en zo verder langs de Nijl richting noorden. De andere pijl toont de trekroute van Misraïm over land naar Egypte. Hierbij zij opgemerkt dat we de wereld van na de Grote Vloed moeten voorstellen als een wereld die nog na geteisterd werd door natuurrampen aller aard. Het waren ‘de dagen van Peleg’, de periode dat de wereld, volgens Genesis, ‘verdeeld’ werd. Volgens het Genesismodel moeten we ook de ‘continentale drift’ in deze periode plaatsen, maar dan versneld. Hierbij werden nieuwe bergmassieven gevormd en zochten stromen en rivieren een nieuwe weg naar de zeeën. Van de Arabische Golf bijvoorbeeld neemt men aan dat deze zich veel verder in land tot aan de stad Uruk bevond. Ook van de huidige Nijldelta neemt men aan dat de Middellandse Zee toen verder in land zat. Het was nog een groot moerasgebied toen Misraïm daar arriveerde. Over de eerste farao Menes schrijft Herodotos dat deze de Nijl vanaf Memfis kanaliseerde en zorgde voor het droogleggen van het land (Herodotos Boek 2, 99).

     

     

    De geschiedenis die ik hier breng staat haaks op de door de evolutietheorie beïnvloede wereldgeschiedenis. De gangbare geschiedschrijving hanteert voor het begin van het neolithische tijdperk in het Midden-Oosten jaartallen van ongeveer 6000 tot 4500 v. Chr. De dooddoener wat de dateringsmethode betreft is de Egyptologie die via het gebruik van een vermeende Sothis-kalender in het oude Egypte, te oude data opgeeft. Met de hoofdstukken geven we aandacht aan de berekeningswijze van de Egyptologie. Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende, met een nieuw begin in 2340 v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga, gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging. De wereld van de voortijd die onderging was een wereld zonder weerga geweest, en dit op alle gebied. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat; de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. 5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. 6 Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. 7 En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd definitief afgesloten. Opmerkelijk vind ik dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HEERE God de deur van de ark sloot, en niet Noach: Genesis 7:16 En de HEERE sloot achter hem toe…

     

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen, overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna opnieuw, met een verbond van God en de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11). Het ‘kwaad’ (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham, zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die zoals eerder vermeld, het verzet na de grote vloed leidde.

     

     

    22-05-2020 om 13:27 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofstuk 2

    Hoofdstuk 2

    Chronologie van Nimrod tot Abram/Abraham

     

    Ik herhaal dat op de bijgevoegde schema ’s bovenaan de Anno Mundi jaartallen, met daaronder de westerse jaartelling, gebaseerd op de geboorte van de Christus, staan. Elk jaar beslaat twee centimeter op millimeterpapier zodat de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar zijn en handig voor het aanbrengen van de chronologische gegevens die de Bijbel aanreikt. De post-zondvloedaartsvaders vervolgen op onze schema ‘s, hun zeer hoge leeftijden. Bovenaan merken we Noach, vervolgens Sem, Arpachsad, Selah, Heber, Peleg, Rehu, Serug, Nahor en Terah. Het is in deze lijn dat Abraham, Izaak en Jakob geboren zullen worden, met uiteindelijk in de volheid der tijden: Jezus Christus.

    De Bijbel vermeldt uitsluitend in de lijn van Sem, een van de drie zonen van Noach, de voor die tijd buitengewone leeftijden. We kunnen echter aannemen dat de twee andere zonen: Jafeth en Cham en hun nakomelingen, eveneens deze opmerkelijk hoge leeftijden bereikt hebben. In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat dit feit o.a. aan de basis van hun verering als goden ligt.

    Terah, de vader van Abram, was volgens de Joodse overlevering een tijdgenoot van Nimrod.

    Terah married Emtelai, the daughter of Karnabo, and the offspring of their union was Abraham. His birth had been read in the stars by Nimrod, for this impious king was a cunning astrologer, and it was manifest to him that a man would be born in his day who would rise up against him and triumphantly give the lie to his religion. …

     

     

    Tijdschema 2230/2217

     

     

    Tijdschema 2216/2203

     

    … The great success that attended all of Nimrod's undertakings produced a sinister effect. Men no longer trusted in God, but rather in their own prowess and ability, an attitude to which Nimrod tried to convert the whole world. Therefore people said, "Since the creation of the world there has been none like Nimrod, a mighty hunter of men and beasts, and a sinner before God." And not all this sufficed unto Nimrod's evil desire. Not enough that he turned men away from God, he did all he could to make them pay Divine honors unto himself. He set himself up as a god, and made a seat for himself in imitation of the seat of God. It was a tower built out of a round rock, and on it he placed a throne of cedar wood, upon which arose, one above the other, four thrones, of iron, copper, silver, and gold. Crowning all, upon the golden throne, lay a precious stone, round in shape and gigantic in size. This served him as a seat, and as he sate upon it, all nations came and paid him Divine homage.

    The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, 1909, Volume I, 5

     

    Op ons schema merken we het begin van de eerste dynastie in Egypte. Farao Menes nam het in het jaar 2018 v. Chr. van de god-koningen over. Deze god-koningen heb ik al eerder vermeld. Cham, een van de drie zonen van Noach, ligt volgens de Bijbel aan de basis van de kolonisatie van Egypte:

     

     

    Tijdschema 2202/2189

     

     

    Tijdschema 2188/2175

     

    Psalm 105: 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

     

    Cham en zijn nakomelingen zijn identiek met de door de moderne Egyptologie tot mythe verklaarde god-koningen die voor de eerste farao Menes, over Egypte heersten. De bekende Palermo-steen (TIJD en TIJDEN, 2015, blz.73-75) verhaalt over een lijst van een honderdtal god-koningen, een lijst die start met de Egyptische god Horus. Toen de oudheidhistoricus Herodotos (Boek 2:144) in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en aldaar met de priesters sprak, kreeg hij dezelfde geschiedenis te horen. De pre-dynastieke periode van Egypte heeft volgens het Genesismodel een aanvang genomen na de spraakverwarring van 2239 v. Chr., gevolgd door de trek naar Egypte, tot aan 2018 v. Chr., het jaartal dat Menes, de eerste farao, het bewind overneemt wat een totaal van 221 jaar geeft.

     

     

    Tijdschema 2174/2161

     

    Heel wat theologen gaan er van uit dat de Egyptologie en haar gefabriceerde chronologie het bij het rechte eind heeft en proberen de Bijbelse geschiedenis van de aartsvaders in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie te persen. Een onmogelijke taak indien men de Bijbelse geschiedenis recht wil doen. In lijn met het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heb ik een eigen variant ontworpen met de verschillende Egyptische dynastieën onderverdeeld in Archaïsche tijd, Oude Rijk, Midden-Rijk, Nieuwe Rijk met de respectievelijke zogenaamde tussenperioden opnieuw op de tijdsbalk te rangschikken en te dateren. De zogenaamde Archaïsche tijd voor Egypte heb ik teruggebracht tot zijn ware tijds span. Het Oude en Midden-rijk in Egypte waren contemporain, en de Exodus in 1483 v. Chr., gevolgd door de Hyksos-tijd is een breuklijn naar het Nieuwe Rijk toe. De Hyksos worden geïdentificeerd met de Bijbelse Amalekieten en hun historische plaats en heers-tijd op de tijdsbalk ingeruimd. De moderne Egyptologie negeert het Bijbelboek Genesis met zijn oorsprongsgeschiedenis en brengt een pre-dynastieke geschiedenis van Egypte op basis van de evolutietheorie.-

     

     

    Tijdschema 2160/2147

     

    De tijd voor de eerste farao’s wordt over verschillende tijdperken uitgesmeerd en de aanvang in een ver niet meer verifieerbaar verleden, geplaatst. De bekende zogenaamde archaïsche tijd met de eerste en tweede dynastie, laat men rond 3150 v. Chr. met farao Menes, aanvangen. Maar voor die tijd is het bij gebrek aan schriftelijke bronnen, helemaal gissen. Te Naqada in Egypte werd een site door archeologen blootgelegd met een nederzetting die van voor de Archaïsche tijd gedateerd werd, de zogenaamde Naqada-cultuur, verwijzend naar de mensen die tijdens de Kopertijd van circa 4400 tot 3150 v. Chr. het land daar bewerkten. De Naqada-cultuur werd onderverdeeld in drie fases van bewoning. De oudste veronderstelde fase is die van ‘Naqada I’ die bestond uit een lokale dorpscultuur. Maar ook voor de Naqada-cultuur laat men Egypte al bevolkt worden. Vanaf circa 10.000 tot 5000 v. Chr. rangschikken zogenaamde deskundigen het tijdperk van het Epipa-leolithicum op de tijdsbalk. Tijdens deze periode laat men volgens de theorie, bevolkingsgroepen vanuit de Sahara, de Boven-Nijl en Zuidwest-Azië in Egypte binnenkomen. Vanuit het Genesismodel gezien zijn dit echter de eerste kolonisten van de grote trek, die eerst in 2239 v. Chr. op gang kwam. De feiten op het terrein kloppen met elkaar, met uitzondering van de dateringsmethode. En met de tijdsschijf die volgens de Egyptologie aan het Epipa-leolithicum voorafging: het Paleo-lithicum, gaan we helemaal de verdrukking in. Dit tijdperk laat men namelijk aanvangen rond 500.000 à 300.000 tot 10.000 v.Chr. Deze constructie is volledig op de evolutie-gedachte gebaseerd, en blijft een theorie. Of zoals Huib Verweij (De boom der kennis, 1973, blz. 18) het ooit opmerkte: de evolutietheorie is uitgevonden om te bewijzen wat nog bewezen moet worden.

    Men kan nochtans via het Bijbelboek Genesis een exacte (jonge) geschiedenis van de oudheid brengen.

     

     

    Tijdschema 2146/2133

     

     

    Tijdschema 2132/2119

     

    Op ons schema merken we de geboorte van Abraham in 1988 v. Chr. of Anno Mundi 2010

    Genesis 11:26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot. 28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën. 29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.

     

    In het eerder geciteerde Bijbelgedeelte van Genesis 11:26 lijkt het dat Abram de eerstgeborene van Thera is, maar nader onderzoek maakt duidelijk dat Abram weliswaar het eerst vermeld wordt, maar toch niet de eerstgeborene van Terah was. Wie de oudste broer was kan eenvoudig vastgesteld worden. Van Nahor wordt in Genesis 11:29 vermeld dat hij trouwde met een dochter van Haran. Daaruit blijkt dat Haran ouder was dan Nahor, zodat Haran Abram oudste broer was.

     

     

    Tijdschema 2118/2105

     

     

    Tijdschema 2104/2091

     

    Dat Abram op mijn schema geboren wordt nadat Terah honderddertig jaar leefde, is het resultaat van mijn terugrekenen vanaf de inhuldiging van de Tempel van Salomo in 996 v. Chr. zijnde Anno Mundi 3000. Aan de Tempel was zeven jaar gewerkt. In het vierde regeringsjaar van Salomo was aan de bouw van de Tempel begonnen. Op basis van de jubeljaartelling valt het vierde regeringsjaar van Salomo in 1003 voor Christus. Vierhonderd tachtig jaar daarvoor vond in april 1483 v. Chr. de Exodus uit Egypte plaats. Met Pinksteren, van hetzelfde jaar, werd de Thora aan Israël gegeven. Tussen de Thora en de belofte aan Abraham liggen weer 430 jaar wat ons in 1913 v. Chr. brengt.

    Galaten 3:17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. 18 Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Abraham was toen vijfenzeventig jaar oud (Genesis 12:1). Dat brengt ons in 1988 v. Chr. voor zijn geboorte. Terah, de vader van Abraham, was dan 130 jaar oud, en tegen de roeping van Abraham aan, was Terah in zijn laatste levensjaar en 205 jaar oud.

     

     

    Tijdschema 2090/2077

     

     

    Tijdschema 2076/2063

     

    Genesis 11:31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. 32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. 12:1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. 4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. 6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. 7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was. 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. (Statenvertaling)

     

     

    Tijdschema 2062/2049

     

     

    Tijdschema 2048/2035

     

    De nieuwe bedeling, de periode tussen de belofte aan Abraham en de Wet van Mozes, vangt aan in 1913 v. Chr. In de geslachtslijn van Abraham via Isaak zou uiteindelijk de beloofde Verlosser van de dood: Jezus Christus, geboren worden. God is liefde, schrijft Johannes in zijn eerste brief: 1 Johannes 4:8 “Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde”. De ‘Liefde’ is het hele Wezen van God. Zijn strijd is aldus gans anders dan die van de tegenstanders. Hij onderwerpt niemand maar zoekt wegen naar het hart van de gevallen mens tot herstel. De profeet Jesaja noemt Hem een God, die Zich verborgen houdt, maar uiteindelijk volgens Zijn plan tot Zijn doel komt: de verlossing van de dood voor de mens en het herstel van alle dingen.

    Jesaja 45:15 Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland.

     

    Volgens de Seder Olam trok Abram nog hetzelfde jaar van de belofte en met de aankomst in Kanaän, door naar Egypte waar hij drie maanden als een gevolg van de hongersnood in Kanaän, verbleef (Genesis 12:10). In Egypte volgde onmiddellijk een verdrukking vanwege het feit dat de farao van Egypte de vrouw van Abram bij hun aankomst in Egypte begeerde, en in zijn harem liet opnemen. Dit is een voorbeeld van de ‘Cham-nietische’ cultuur. In de geest van Nimrod eigende farao zich de vrouw van Abram, toe. Dit is een geschiedenis die in het Bijbelboek Genesis hoofdstuk twaalf van vers tien tot en met vers twintig beschreven staat. Na zijn verlossing uit deze penibele situatie door een tussenkomst van de HEERE God, trok Abram met zijn vrouw Sarai terug naar Kanaän.

     

     

    Tijdschema 2034/2021

     

     

    Tijdschema 2020/2007

     

    Het Bijbelboek Genesis verwijst in hoofdstuk 12 uitsluitend naar ‘farao’, zonder een naam op te geven. Maar zoals uiteengezet in TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: het dateren van de eerste dynastie in Egypte, blz. 43-45, kunnen we de naam van de dan regerende farao invullen met farao Athotis van Manetho ’s tweede dynastie, de naam Teta van de Abydos-lijst. Athotis is dan de Griekse naam en Teta de Egyptische naam die heden nog in hiëroglyfen op de tempelmuur van Seti I te Abydos, gebeiteld staat. De pre-dynastieke periode van Egypte was aldus al geschiedenis toen Abraham in 1913 v. Chr. wegens een hongersnood in Kanaän naar Egypte trok.

     

     

    Tijdschema 2006/1993

     

     

    Tijdschema 1992/1979

     

    %%%FOTO19%%%

     

    Tijdschema 1978/1965

     

    %%%FOTO20%%%

     

    Tijdschema 1964/1951

     

    %%%FOTO21%%%

     

    Tijdschema 1950/1937

     

    %%%FOTO22%%%

     

    Tijdschema 1936/1923

     

    22-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-05-2020
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofdstuk 3

    Hoofdstuk 3

    Chronologie vanaf de roeping van Abraham tot aan Izaak en Jakob…

     

    Zoals in het vorige hoofdstuk vermeld trok volgens de Seder Olam Abram nog hetzelfde jaar van de Belofte naar Kanaän en vervolgens naar Egypte waar hij drie maanden verbleef. Volgens de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus was het Abram die aan de Egyptenaren de kennis van de astronomie en andere wetenschappen doorgaf, wat weer een ander licht op de ontstaansgeschiedenis van het oude Egypte werpt.

    Joodse Oudheden, Boek 1, hoofdstuk VIII.

    2. For whereas the Egyptians were formerly addicted to different customs, and despised one another's sacred and accustomed rites, and were very angry one with another on that account, Abram conferred with each of them, and, confuting the reasonings they made use of, every one for their own practices, demonstrated that such reasonings were vain and void of truth: whereupon he was admired by them in those conferences as a very wise man, and one of great sagacity, when he discoursed on any subject he undertook; and this not only in understanding it, but in persuading other men also to assent to him. He communicated to them arithmetic, and delivered to them the science of astronomy; for before Abram came into Egypt they were unacquainted with those parts of learning; for that science came from the Chaldeans into Egypt, and from thence to the Greeks also.

    Abram was dan ook geen in lompen geklede nomade (zoals Hollywood e.a. bronnen hem al eens afbeelden) maar een prins in zijn tijd, die aan de hoven van de nieuw ontstane koninkrijken ontvangen werd.

    De belofte van de HEERE God aan de dan vijfenzeventig jaar oude Abram (Genesis 12:1-8) betreffende zijn nageslacht, zou nog vierentwintig jaar op zich laten wachten. In de tussentijd had Abram op aanraden van zijn tien jaar jongere (maar onvruchtbare) vrouw Saraï, een kind bij de dienstmaagd van Saraï verwekt: Ismaël.

    Genesis 16:1 Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. 2 Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. 3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. 4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u! 6 En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 7 En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. 8 En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai! 9 Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. 10 Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. 11 Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen. 13 En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? 14 Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël. 16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

     

     

    Tijdschema: 1922/1909

     

     

    Tijdschema 1908/1895

     

    Op de tijdsbalk zitten we voor het zesentachtigste levensjaar van Abram en de geboorte van Ismaël in het jaar 1902 v. Chr. of Anno Mundi 2095. Wat chronologisch aan de geboorte van Ismaël vooraf ging was de beschreven oorlog in Genesis 14:1-24 tussen Amrafel, de koning van Sinear en de koningen van Sodom en Gomorra. Een strijd waar Abram in betrokken wordt nadat zijn neef Lot, de zoon van Abrams broeder, door Amrafel gevangen genomen werd en weggevoerd. Bij de terugkeer uit Egypte in 1913 v. Chr. had Abram zich afgescheiden van de groep van Lot die zich in de streek van Sodom gevestigd had. Na diens gevangenneming door Kedor-laomer achtervolgde Abram het leger van Kedor-laomer en slaagde erin met driehonderdachttien wapendragers uit zijn clan, Lot en de buitgemaakte goederen terug te halen.

    Genesis 14:1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; 2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af. 5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; 6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is. 7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, 9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. 14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. 16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk. 17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. 18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u. 22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; 23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

     

    De Bijbel geeft voor de beschreven oorlog geen exact jaartal op. De tijdspanne waarbinnen de oorlog gedateerd moet worden valt met zekerheid voor de geboorte van Ismaël in 1902 v. Chr., en na de roeping van Abram in 1913 v. Chr. De Seder Olam leert dat de invasie van de koningen van Sinear plaatsvond in hetzelfde jaar van Abram’ s terugkeer uit Egypte. Op onze tijdsbalk is dat het najaar van 1913 v. Chr. Volgens een commentaar op de Seder Olam (Seder Olam, The Rabbinic View of Biblical Chronology, translated and with commentary by Heinrich W. Guggenheimer, 1998, page 11) zouden Nimrod en Amrafel één en dezelfde persoon zijn.

     

    Genesis 17:1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende: 4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! 5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. 6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. 8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. 9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten. 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. 11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; 13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara. 16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden! 17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! 19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. 20 En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; 21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal. 22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. 27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.

     

    Een jaar later in 1888 v. Chr. baarde Sara haar zoon der belofte: Izaak. Wat menselijk gezien onmogelijk was werd werkelijkheid. Sara staat dan ook bij de geloofshelden in de brief van Paulus aan de Hebreeën vermeld:

    Hebreeën 11:11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is.

     

    De verticale lijn op ons schema blz. 56 toont de vernietiging van Sodom en Gomorra door vuur vanuit de (kosmische) hemel.

    Genesis 19:24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. 25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. (Statenvertaling)

     

    Voor wijlen Dr. I. Velikovsky behoorde de vernietiging van Sodom en Gomorra door zwavel en vuur vanuit de hemel, tot een cyclus van rampen van kosmische oorsprong. Een cyclus die sinds de Zondvloed periodiek planeet aarde trof. De Sodom-catastrofe geschiedde na de verbond-sluiting met Abram/Abraham in het najaar van 1889 v. Chr. De spening van Izaak staat op ons schema 1894/1881, in het voorjaar van 1883 v. Chr. vermeld. Izaak was dan vierplus, in zijn vijfde levensjaar. Dit jaartal is het resultaat van het terugrekenen van vierhonderd jaar vanaf de Exodusdatum in 1483 v. Chr. Een tijdsperiode van vierhonderd jaar verdrukking was eerder aan Abram/Abraham voorzegt:

     

     

    Tijdschema 1894/1881

     

     

    Tijdschema 1880/1867

     

    Genesis 15:13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. 15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. (Statenvertaling)

     

    Genesis 21:8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd. 9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.

     

    De beschreven verdrukking van Genesis 15:13 rekenen we vanaf de spening van Izaak. De verdrukkingsperiode van vierhonderd jaar alleen op het verblijf in Egypte betrekken, kan Bijbel-chronologisch gezien niet. De verdrukking in Egypte begon een tijd na de dood van Jozef, toen een farao aan de macht kwam die Jozef en zijn weldaden voor Egypte niet gekend had. De aanvang van de verdrukking kunnen we op de tijdsbalk verankeren bij de geboorte van Mirjam, een naam die de betekenis van bitter heeft, in 1568 v. Chr. Mozes, haar broer, zou vijf jaar later in 1563 v. Chr. geboren worden. De Egyptische verdrukking duurde tot aan de Exodus aldus vijfentachtig jaar. Vanaf Mozes zijn het ook vier geslachten tot de aartsvader Levi. Het volgende aandachtspunt op onze reis door de Heilsgeschiedenis is het stervensjaar van Sara in 1851 v. Chr. of Anno Mundi 2146.

     

     

    Tijdschema 1866/1853

     

     

    Tijdschema 1852/1839

     

    Volgens de Seder Olam was Izaak zevenendertig jaar oud wanneer Abraham hem volgens Genesis hoofdstuk 22 op het altaar vastbond. Dat brengt ons in het sterfjaar van Sara. Volgens Flavius Josephus (Joodse Oudheden, Boek 1, xiii. 2.) was Izaak in dat cruciale momentjaar echter vijfentwintig jaar oud. Andere Joodse bronnen hebben een leeftijd van zesentwintig jaar genoteerd. Met absolute zekerheid kunnen we de leeftijd van Izaak bij zijn opdragen aan God door Abraham niet duidden, aangezien de Bijbel hier geen specifiek jaartal opgeeft. Na deze gebeurtenis werd voor een geschikte bruid voor Izaak gezocht en gevonden. Izaak was dan veertig jaar oud wanneer hij Rebekka tot vrouw kreeg. Op ons tijdschema is dit het jaar 1848 v. Chr. Als Izaak zestig jaar oud was baarde Rebekka hem een tweeling: Ezau en Jakob. Rebekka was dan vijfendertig jaar jong.

    Genesis 25:19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak. 20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen. 23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen. 24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

     

     

    Tijdschema 1838/1825

     

     

    Tijdschema 1824/1811

     

    Op ons tijdschema is dit het jaar 1829 v. Chr. Het volgende hoofdstuk in Genesis na de geschiedenis van het huwelijk van Izaak met Rebekka, met twintig jaar later de geboorte van Ezau en Jakob lezen we in Genesis 26 over een hongersnood.

    Genesis 26:1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. 6 Alzo woonde Izak te Gerar.

     

     

    Tijdschema 1810/1797

     

     

    Tijdschema 1796/1783

     

    De Bijbel geeft geen jaartal voor de hongersnood op. Het was een hongersnood die de hongersnood ten tijde van Abram overtrof, want ditmaal werd blijkbaar ook Egypte getroffen. Daarom ook de instructie van de HEERE God aan Izaak om in Kanaän te blijven en op Hem voor uitkomst te vertrouwen.

    Het is boeiend om via het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid een verwijzing naar een hongersnood in Egypte te vinden. Er staat namelijk een hongersnood genoteerd tijdens de regeerperiode van farao Uenephes van de eerste dynastie. Het is Africanus, één van de kopieerders van het werk van Manetho, die bij de (Griekse) naam Uenephes de vermelding toevoegde: een grote hongersnood trof Egypte en hij bouwde de piramiden nabij Kokome.

     

    Hongersnoden kwamen in het anders zo vruchtbare Egypte zelden voor en de enkele verwijzingen er naar passen chronologisch binnen het Bijbelse tijdschema. Farao Uenephes heeft volgens mijn revisie van de Egyptologie nu de jaartallen 1868/1845 v. Chr. De hongersnood dateren we aldus na het huwelijk van Izaak met Rebekka naar het einde toe van de regeerperiode van farao Uenephes. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: het dateren van de eerste dynastie in Egypte, blz. 43, bied ik een variant aan ter plaatsing van de eerste Egyptische dynastie op de tijdsbalk.

     

     

    Tijdschema 1782/1769

     

     

    Tijdschema 1768/1755

     

     

    Tijdschema 1754/1741

     

     

    Tijdschema 1740/1727

     

    21-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-05-2020
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofdstuk 4, 5

    Hoofdstuk 4

    De chronologie van de aartsvaders Jakob en Jozef

     

    Van de post-zondvloedaartsvaders in de lijn van Sem, is tijdens de epoque die we nu behandelen alleen Heber, de vader van Peleg, nog in leven. Heber sterft in het twintigste levensjaar van Jakob. In de geslachtslijn van Sem via Abraham, Izaak en Jakob zal uiteindelijk in de volheid der tijden: Jezus Christus, openbaar worden. In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat de aartsvader Jakob in het najaar van 1829 v. Chr. geboren werd. Hij was de tweelingbroer van Ezau.

    Genesis 25: 23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen. 24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau 's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob.

     

    De geschiedenis van de rivaliteit tussen Jakob en zijn tweelingbroer de eerstgeborene Ezau is algemeen bekend. Voor een bord linzensoep zou Ezau uiteindelijk zijn eerstgeborenerecht aan Jakob ruilen.

    Tot hun dertien jaar zouden ze volgens de Joodse legende samen school lopen in de Beet midrasj van de aartsvader Heber (Legend of the Jews, by Louis Ginzberg, 1909, Volume I, Chapter VI). Daarna zou Ezau zijn eigen weg gaan en Jakob verder studeren.

    Toen Izaak (zeer) oud geworden was wenste hij ‘de’ zegen aan zijn eerstgeborene te geven. Deze geschiedenis lezen we in hoofdstuk 27:1-46 van het Bijbelboek Genesis.

    Genesis 27:1 En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik! 2 En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.

     

    Op onze tijdsbalk nagerekend gaf Izaak zijn zegen in zijn 136ste levensjaar. Op artistieke tekeningen wordt Jakob hierbij steevast als een jongeman afgebeeld, wanneer hij door middel van een list de aartsvaderlijke van Izaak verkrijgt? Een jaartal wordt hier echter niet onmiddellijk opgegeven. Er staat geschreven (27:43) dat Jakob niet lang na de zegening nog datzelfde jaar naar Haran vluchtte, naar de broer van zijn moeder Rebekka: Laban. Maar hoe oud was Jakob volgens de Bijbelse gegevens bij zijn vlucht naar Haran? Toen Rebekka de moordplannen van Ezau aangaande Jakob vernam maande zij Jakob aan onmiddellijk bij haar broer in Haran asiel te zoeken, en daar een vrouw te verkrijgen in plaats van een Kanaänietische vrouw(en) zoals Ezau gehandeld had. Het huwelijk van Ezau met twee vrouwen uit Kanaän werd ook door Izaak afgekeurd (27:46). Niet lang na het voorval van het met bedrog verkrijgen van de zegen van Izaak door Jakob, riep Izaak zijn jongste zoon tot hem ter verkrijging van een extra zegen ditmaal met de bijzondere opdracht in Haran een vrouw te zoeken en niet in Kanaän.

    Genesis 28:1 En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän. 2 Maak u op, ga naar Paddan-aram, ten huize van Bethuël, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder. 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt. 4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft. 5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-aram, tot Laban, den zoon van Bethuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder. 6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän; 7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-aram getrokken was; 8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader; 9 Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth. 10 Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran. 11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en leide zich te slapen te dierzelver plaats. 12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder. 13 En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. 14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. 16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten! 17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels! 18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op. 19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken; 21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn! 22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven! (Statenvertaling)

     

     

    Tijdschema 1726/1713

     

     

    Tijdschema 1712/1699

     

    Met de belofte van de HEERE God (Genesis 28:13-15) aan Jakob, (een herhaling van de belofte aan zijn vader en grootvader), reist hij naar het noorden, naar Paddan-Aram, naar de woonplaats van de broer van zijn moeder Rebekka. De aartsvader Jakob was geen jongeman meer toen hij voor zijn leven naar Haran, naar zijn oom Laban moest vluchten. Op onze tijdsbalk geschiedde dit in 1752 v. Chr., op zevenenzeventigjarige leeftijd. Bij deze leeftijd arriveren we door vanaf Jakob ’s levenseinde via de geleverde Bijbelse chronologische gegevens terug te rekenen. Bij aankomst in het land van zijn oom vindt onmiddellijk bij een bron de ontmoeting met Rachel de dochter van Laban, plaats (Genesis 29:1). Om Rachel tot echtgenote te verkrijgen besluit Jakob om Laban zeven jaar te dienen waarna hij Rachel tot vrouw zou krijgen (Genesis 29:15-20). Zeven jaar later wordt de bedrieger Jakob op zijn beurt door zijn oom bedrogen wanneer deze Lea, de oudere zuster van Rachel, in de donkere huwelijksnachttent (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek I, 19. 7) aflevert, in plaats van de verwachte Rachel. Daarna aanvaard Jakob nogmaals zeven jaar dienstbaar aan Laban te zijn, ter verkrijging van Rachel als echtgenote. Veertien jaar lang zou Jakob zijn oom Laban als knecht voor zijn twee vrouwen en hun dienstmaagden dienen. Rachel was voor een hele tijd onvruchtbaar maar bij Lea werden de eerste vier zonen voor Jakob verwekt.

    Genesis 29:31 Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. 32 En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. 33 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon. 34 En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi. 35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

     

    Op de tijdsbalk zijn we nu in volgende periode van zeven jaar beland van 1745 v. Chr. tot 1738 v. Chr. Tijdens deze periode worden Jakob bij Lea, zijn eerste zonen geboren: Ruben, Simeon, Levi en Juda. In het volgende hoofdstuk van het Bijbelboek Genesis lezen we de geschiedenis van de geboorte van de overige zonen (met uitzondering van Benjamin) en één dochter van Jakob.

    Genesis 30:1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood. 2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft? 3 En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. 4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. 5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. 6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. 7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon. 8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. 10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad. 12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon. 13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser. 14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. 15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. 16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar. 17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon. 18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar. 19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon. 20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon. 21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina. 22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. 23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen! 24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe. 25 En het geschiedde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. 26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb.

     

    De geboorte van Jozef bij Rachel betekende chronologisch gezien het einde van de veertienjarige diensttijd van Jakob aan Laban. Op de tijdsbalk zitten we nu in het jaar 1738 v. Chr.

    Het hoofdstuk 30 van Genesis vervolgd vanaf vers 27 tot 43 over de bijzondere geschiedenis van de inboedel waar Jakob uit Haran mee vertrekt en is chronologisch gezien voor dit artikel niet van belang. Van belang is de verankering van de geboorte van Jozef met het laatste dienstjaar van Jakob. Dit maakt dat Jakob eenennegentig jaar oud was bij de geboorte van Jozef in 1738 v. Chr. Daarna zou hij gedurende nog zes jaar het vee van Laban verzorgen:

    Genesis 31:41 Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochteren, en zes jaren om uw kudde; en gij hebt mijn loon tien malen veranderd.

     

    De periode van zes jaar eindigde in 1732 v. Chr., waarna de terugkeer naar Kanaän volgde, waar de relatie met Ezau hersteld zou worden.

    Genesis 32:1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem. 2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim. 3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom. 4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; 5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen….

     

    Vervolgens zou Jakob voor zijn ontmoeting met Ezau een vreemde ontmoeting met de Engel des HEEREN hebben, die na een worsteling met Jakob diens naam van Jakob naar Israël wijzigde.

    Genesis 32:24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. 25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. 26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. 27 En Hij zeide tot hem:

     

     

    Tijdschema 1698/1685

     

     

    Tijdschema 1684/1671

     

    Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. 28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. 29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. 31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

     

    Op onze tijdsbalk is het een zevenennegentigjarige Jakob die tot zonsopkomst met de Engel des HEEREN worstelt, zich aan Hem vastklampt en niet laat gaan alvorens Hij hem zegent.

    Op de tijdsbalk uitgetekend zou elf jaar later de jongeling Jozef door zijn jaloerse halfbroers aan Midianieten op weg naar Egypte verkocht worden:

    Genesis 37:1 En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän. 2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. 3 En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok. 4 Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.

     

    In 1722 v. Chr. kwam Jozef als zeventienjarige in Egypte terecht.

    Genesis 39:1 Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëlieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden. Dit is een geschiedenis die algemeen gekend is. De vrouw van Potifar wilde seks met de Hebreeër Jozef (Genesis 39:7), maar werd door hem afgewezen. Het resultaat was dat Jozef niettemin beschuldigd werd en voor lange tijd gevangen gezet, met een wrede behandeling volgens Psalm 105:18 Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers. 19 Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.

     

    In de gevangenis werd hij bekend als een uitlegger van dromen en als een gevolg daarvan stond hij wanneer hij dertig jaar oud was, voor de farao van Egypte, diens nachtmerrie verklarende.

    Genesis 41:46 Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.

     

    Op onze tijdsbalk is dit het jaar 1708 v. Chr. Het jaar daaropvolgend zouden de zeven jaar van overvloed aanvangen, waarbij Jozef als aangestelde onderkoning van Egypte, voorraden liet opslaan. De zeven jaar van overvloed lopen van het voorjaar van 1707 tot 1700 v. Chr. In het voorjaar 1706 v. Chr. begon de wereldwijde hongersnood, een hongersnood die zou maken dat twee jaar later de aartsvader Jakob voor farao zou staan. Jakob was dan 130 jaar oud en zijn zoon Jozef was op dat moment negenendertig jaar oud.

     

     

    Tijdschema 1670/1657

     

     

    Tijdschema 1656/1643

     

     

    Tijdschema 1642/1629

     

     

    Tijdschema 1628/1615

     

     

    Tijdschema 1614/1601

     

     

    Tijdschema 1600/1587

     

    Genesis 45:4 En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. 5 Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens. 6 Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal. 7 Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.

     

    In het jaar 1699 v. Chr. zou Jakob en zijn clan van zeventig zielen in Egypte arriveren:

    Genesis 46:1 En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak. 2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 3 En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren. 6 En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. 9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

     

    Genesis 47:7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. 8 En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens! 9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen. 10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.

    Jakob zou nog zeventien jaar in Egypte bij zijn lievelingszoon Jozef tot aan zijn dood doorbrengen.

    Genesis 47:28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren. 29 Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; 30 Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord! 31 En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.

     

    Het is met deze chronologische gegevens in de tijd terugrekenend, dat we de leeftijd van Jakob bij het verkrijgen van de zegen van Izaak berekend hebben op 77 jaar. Zowel de Seder Olam als de Joodse legendes gecompileerd door Louis Ginzberg (Legend of the Jews, by Louis Ginzberg, 1909, Volume I, Chapter VI), lassen een periode van veertien jaar in tussen het verkrijgen van de zegen van Izaak en de vlucht van Jakob naar Haran. Indien dit correct is was Jakob drieënzestig jaar oud bij het verkrijgen van de zegen van Izaak in 1766 v. Chr. Zijn worsteling met de Engel des HEEREN blijft ongewijzigd in het jaar 1732 v. Chr. op de tijdsbalk verankerd.

    Op mijn tijdsbalk is het bij de dood van Jakob 1682 v. Chr. of 2315 anno mundi. In mijn boek ‘EXODUS’ begin ik de inleiding tot de geschiedenis van de exodus bij de aankomst van Jakob in Egypte. De mummificering van Jakob bij zijn dood en de tocht naar zijn laatste rustplaats in Kanaän heb ik onder andere uitvoerig behandelt.

     

    Hoofdstuk 5

    De eerste drieduizend jaar

     

    Met het vorige hoofdstuk sloten we op onze reis in de tijd chronologisch af bij de dood van de aartsvader Jakob in Egypte. Met dit hoofdstuk vervolgen we met de aartsvader Levi, de overgrootvader van Mozes, die ons chronologisch naar het Exodus-jaar zal leiden. Jozef, de elfde zoon van Jakob die als onderkoning van Egypte, zou een leeftijd van honderdtien jaar bereiken. Het sterfjaar van Jozef was 1628 v. Chr. of anno mundi 2369. De dood en mummificering van Jozef in Egypte heb ik in het bijzonder aandacht gegeven in mijn boek EXODUS, 2015, blz. 21-33.

    De chronologie van het verblijf van de twaalf stammen in Israël bepalen we op basis van de chronologische gegevens die de Bijbel verstrekt over Levi, de derde zoon van Jakob bij Lea, en zijn nageslacht tot op Mozes. In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat de eerste vier zonen van Jakob, waarvan Levi de derde was, in de tweede periode van Jakob ‘s zevenjarige diensttijd aan Laban, geboren werden, zijnde de periode van 1745 v. Chr. tot 1738 v. Chr. Mozes was de zoon van Amram, de zoon van Kehath, de zoon van Levi: vier geslachten. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Exodus 6:15 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. 16 De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. 17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. 18 En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten. 19 En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. (Statenvertaling)

     

    %%%FOTO11%%

     

    Tijdschema 1586/1573

     

    %%%FOOTO12%%%

     

    Tijdschema 1572/1559

     

    Laat ons nu de vier namen van Levi tot Mozes op de tijdsbalk plaatsen. Bij sommige namen zoals die van Mozes lukt dit chronologisch exact, bij andere namen zoals bij de zoon van Levi: Kehath, vertrouwen we op de Joodse legendes en werken we met circa ’s. Kehath was al geboren voor de intocht in Egypte in 1699 v. Chr., dat leert het hierna volgende Bijbelgedeelte:

    Genesis 46:1 En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak. 2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 3 En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren. 6 En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. 9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

     

    Volgens de Joodse overlevering (Jewish Legends, Louis Ginzberg, 1909, Volume II, Chapter II) werd Kehath geboren in het vijfendertigste jaar van Levi. Gemakkelijkheid halve breng ik deze jaartallen op mijn tijdsbalk aan en bestudeer of het chronologisch zin geeft. Wanneer Kehath inderdaad in het vijfendertigste levensjaar van Levi geboren werd, dan geeft dat hem een leeftijd van tien jaar in het jaar van de intocht in oktober 1708/september 1707 v. Chr. De chronologische gegevens van Kehath volgens de Joodse legende, geven aldus tot hier toe geen enkel probleem. Vervolgens leert de legende onder andere dat Jochebed, de dochter van Levi, (en toekomstige moeder van Mozes) geboren werd in Levi ’s drieënzestigste jaar. Op de tijdsbalk zitten we nu in het jaar 1680/1679 v. Chr. Datzelfde jaar werd volgens de overlevering Amram, (de vader van Mozes) aan Kehath geboren. Amram huwde aldus later met zijn tante. Dat huwelijk werd volgens de overlevering voltrokken in het vierennegentigste levensjaar van Levi. Op de tijdsbalk uitgetekend geeft deze chronologische informatie geen enkel probleem. Het huwelijk van Amram en Jochebed zit wanneer we de chronologische gegevens van de legende volgen, verankerd in het jaar okt1649/sep1648 v. Chr. wanneer beide eenendertig jaar oud waren. Wanneer we nu met de Bijbels-chronologische gegevens van Mozes van het Exodus-jaartal zijnde 1483 v. Chr. terugrekenen bekomen we voor Amram en Jochebed een leeftijd van tachtig jaar bij de geboorte van Mirjam, de vijf jaar oudere zuster van Mozes. De Joodse legende heeft met deze ouderdom voor het krijgen van kinderen geen probleem, rijk als de geschiedenis van het oude Israël is aan wonderen. Hierna een citaat aangaande Jochebed:

    “Old as Jochebed was, she regained her youth. Her skin became soft, the wrinkles in her face disappeared, the warm tints of maiden beauty returned, and in a short time she became pregnant”.

    Maar ook in Egypte vinden we in een buiten-Bijbelse bron bij Manetho, de Egyptische oudheid-historicus, een verwijzing naar een zeer hoge ouderdom van negenennegentig jaar met de regeerperiode van farao Pepi II. Een leeftijd die overigens, naar mijn weten, geen enkele Egyptoloog in twijfel trekt. Volgens mijn herziening van de geschiedenis van de oudheid (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 107-112) was Pepi II de farao van de verdrukking in Egypte en aldus tijdgenoot van Amram en Jochebed.

    Het hierna volgende Bijbelgedeelte leert dat Jozef de eerste aartsvader was, die in Egypte stierf. Vers 24 maakt duidelijk dat bij de dood van Jozef zijn broer en halbroers nog in leven waren.

    Genesis 50:22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren. 23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. 24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. 25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren! 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte.

     

    Levi, de derde zoon van Jakob zou de leeftijd van 137 jaar bereiken en stierf in 1605 v. Chr. Na de dood van Levi heeft de verdrukking in Egypte een aanvang genomen.

    Exodus 1:1 Dit nu zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis. 2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin; 4 Dan en Nafthali, Gad en Aser. 5 Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte. 6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht, 7 Zo werden de kinderen Israëls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. 8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; 9 Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja, machtiger dan wij. 10 Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses.

     

    Vanaf de dood van Levi in 1605 v. Chr. zijn het 122 jaar tot de Exodus. De zoon van Levi: Kehath (de grootvader van Mozes), die als jongeling bij de clan van Jakob-Israël bij de intocht in Egypte behoorde, bereikte de leeftijd van 133 jaar (Exodus 6:17). De zoon die Kehath in Egypte verwekte: Amram, de vader van Mozes, krijgt volgens Exodus 6:19 een leeftijd van 137 jaar. In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 37-46, toon ik aan dat volgens de Joodse overlevering, Mozes geboren werd na een zwangerschap van slechts zes maanden en dat het jaar en de maand van zijn geboorte exact gedateerd kan worden in de maand sjabat (januari/februari) van het jaar 1563 v. Chr. Als tachtigjarige stond hij in 1483 v. Chr., het jaar van de Exodus, voor farao, en 120 jaar oud stierf hij aan de grens van het Beloofde Land Kanaän in het jaar 1443 v. Chr. Vanaf de exodus met nisan in 1483 v. Chr. zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de belofte aan Abram met nisan in 1913 v. Chr.

    Exodus 12:40 De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte (LXX: en Kanaän) gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. 41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

     

    In mijn boek EXODUS, 2016, heb ik ook aandacht gegeven aan de duur van de verdrukking in Egypte en Kanaän. De verdrukking in Egypte begon een tijd na de dood van Jozef, toen een farao aan de macht kwam die Jozef en zijn weldaden voor Egypte niet gekend had. Deze verdrukking kunnen we op de tijdsbalk verankeren bij de geboorte van Mirjam in 1569 v. Chr., een naam die de betekenis van bitter heeft. Mozes, haar broer, zou vijf jaar later in 1564 v. Chr. geboren worden. De Egyptische verdrukking duurde tot aan de Exodus aldus minstens zesentachtig jaar tot maximum honderdtweeëntwintig jaar, wanneer we vanaf de dood van Levi rekenen.

    In mijn boek ‘Van Noach tot Christus’, 1987, door het Goede Boek gepubliceerd, vermeldde ik in bijvoegsel III de verschillende Bijbelse geslachtsregisters, die duidelijk maken dat de tijdsperiode van 430 jaar die Paulus doorgeeft in Galaten 3:17, te verdelen zijn over zowel het verblijf in Kanaän als in Egypte. Het geslachtsregister van Levi tot Mozes zijn vier namen die alleen binnen de 215 jaar van het verblijf in Egypte passen. Ook het geslachtsregister van Manasse, broer van Efraïm, en beiden zonen van Jozef die in Egypte geboren werden, past alleen in de periode van 215 jaar. Van Manasse (1 Kronieken 7:14-20) tot Zelafead (Numeri 27:1) ten tijde van de Exodus vermeldt de Bijbel vijf namen: Manasse, Machir, Gilead, Hefer en Zelafead. Hierbij is nog op te merken dat de Bijbel vermeldt dat Jozef (Genesis 50:23), de kinderen van Machir op zijn knieën heeft gehad.

    Mozes zou tot zijn veertigste levensjaar als de geadopteerde zoon van de dochter van farao in het huis van farao verblijven. Daarna liep het fout.

    Hebreeën 11:23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. 29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.

     

     

     

    Tijdschema 1558/1545

     

     

    Tijdschema 1544/1531


     


     





    19-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofdstuk 6, 7 en 8

    Hoofdstuk 6

    De chronologie van Mozes tot de Exodus

     

    Het vorige hoofdstuk sloten we onze reis in de tijd chronologisch af bij de geboorte van Mozes en zijn adoptie door de dochter van farao. Met dit hoofdstuk behandelen we chronologisch de geschiedenis van Mozes tot aan de Exodus. Bovenaan het schema (blz. XX) zien we de levenslijn van Mozes vervolgend met zijn negentiende levensjaar. Vanaf de leeftijd van drie maanden werd hij door de dochter van farao aan het hof opgevoed. De Bijbel geeft niet veel informatie over de eerste schijf van veertig jaar dat Mozes in Egypte doorbracht.

    Handelingen 7:20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. 21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.

     

    Het is de oudheid-historicus Flavius Josephus die meer historische informatie over de eerste veertig jaar van Mozes aan het hof van farao doorgeeft. Zo beschrijft Josephus dat Mozes de volwassenheid bereikt hebbende, als generaal van het Egypte leger een Ethiopisch/Nubische invasie afweerde en vervolgens met een Egyptisch leger Nubië binnenrukte. In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 47-58, breng ik deze geschiedenis en plaats ze binnen het historische kader van de Egyptische twaalfde dynastie.

    Na veertig jaar aan het hof van farao als prins van Egypte te hebben doorgebracht , kwam het in Mozes’ hart op zijn broeders de Israëlieten te bezoeken. Alzo brengt Stefanus deze geschiedenis in het Nieuwe Testament toen deze voor de Joodse raad stond. Het is een beknopte geschiedenis van Israël die Stefanus daar bracht, en handig om de chronologische geschiedenis van de epoque die we nu behandelen, te brengen.

     

    Handelingen 7:22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken. 24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. 25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. 26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? 27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? 28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? 29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.

     

    Te Madiam, of Midian volgens de NBG vertaling van 1951, zou Mozes veertig jaar asiel verkrijgen, waarna hij door de HEERE God geroepen werd ter uitredding van de Israëlieten. In Midian huwde Mozes met Sippora, de dochter van Rehuël, de priester van Midian, zijn asielverlener.

     

     

    Tijdschema 1530/1517

     

     

    Tijdschema 1516/1503

     

    Handelingen 7:30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. 31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, 32 Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. 34 Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos. 36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.

     

    Ik gebruik de beknopte geschiedenis van Stefanus zoals hij deze voor de Joodse raad in 30 AD bracht. Het gaat me met dit hoofdstuk namelijk alleen om het brengen van de chronologie van de aartsvaders en dan is Stefanus handig. Het is in het land Midian nabij de berg Gods waar Mozes later de Tien Woorden, de Wet, in ontvangst zal nemen, dat de God van Abraham, Izaak en Jakob-Israël Zich aan Mozes persoonlijk openbaarde. Deze bijzondere gebeurtenis heeft Mozes in het Bijbelboek Exodus hoofdstuk 3 doorgegeven. Aan Mozes openbaarde God zich daar met Zijn Naam: JHWH, het tetragrammaton, of vertaald naar het Nederlands: IK ZAL ZIJN.

    Exodus 3:14 En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

     

    In 1487 v. Chr. stierf na een lange regeerperiode van negenennegentig jaar, de farao van de verdrukking: Pepi II van de zesde dynastie, en een andere dynastie, de dertiende van Manetho, nestelde zich in het ontstane machtsvacuüm. Het was voor farao Sobekhotep IV dat Mozes en Aäron stonden met hun opdracht van de HEERE God met de wereldwijd bekende woorden: ‘Laat Mijn volk gaan’. In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 93-106, schilder ik het historische kader. De farao van Egypte weigert aanvankelijk de Israëlieten te laten gaan en pas na tien plagen die in opeenvolging over het land Egypte razen, geeft hij in de Pesachnacht na de dood van zijn eerstgeborene, de toelating aan de Israëlieten om te gaan.

    De oorzaak van de tien plagen en de vernietiging van het leger van farao in de Rode Zee nadat de Israëlieten door de drooggelegde bedding naar de andere oever getrokken waren, zijn volgens de Amerikaanse onderzoekers Patten, Hatch en Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VIII, The Exodus Catastrophe), van kosmische oorsprong. De cyclus van meganatuurcatastrofes die de oude wereld teisterden heeft al een hele tijd mijn aandacht. De in Egypte aan het hof van farao opgeleide Mozes werd na de exodus in de wildernis, de auteur van de eerste vijf boeken van de Bijbel, en verschillende psalmen. Ook het Nieuwe Testament bevestigt Mozes als de schrijver van de Bijbelboeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Voor de samenstelling van het Bijbelboek Genesis heeft Mozes hoogstwaarschijnlijk gebruik gemaakt van een voorhanden zijnde bibliotheek van kleitabletten die de aartsvaders van vader op zoon doorgegeven hadden (P. J. Wiseman (1888–1948), New discoveries in Babylonia about Genesis, 1936). De boeken volgend op Genesis zijn ooggetuigenverslagen van Mozes, die hij onder inspiratie van de Geest Gods neerschreef.

     

    Mozes was aldus ook op de hoogte van de cyclus van meganatuurcatastrofes die planeet aarde sinds de zondvloed plaagden. Het maakte deel uit van de dorens en distels en in het bijzonder van ‘de dood’, die sinds dat de mens in Genesis zijn eigen weg ging, los van God, de schepping teisterde. De HEERE God van Israël was voor Mozes niet een van de planeet-goden zoals de volken hen vereerden, maar Diegene die in controle over alles stond en het naar Zijn wil leidde. De belofte van de komende Verlosser in Genesis die alles nieuw zou maken gaf hem moed en vertrouwen om stand te houden als ziende de Onzienlijke. Mozes vertrouwde op de profetieën die aan Abraham, Izaak en Jakob waren uitgesproken. Uit hen zou een volk voortkomen uit wie de Verlosser in ‘de volheid der tijden’ geboren zou worden. Het uitverkoren volk zou volgens de profetie aan Abraham, Izaak en Jakob ontstaan in het vreemde land Egypte, waaruit het na een verdrukking bevrijd zou worden en uitgeleid naar het beloofde land Kanaän. Via dit nieuwe volk Israël zouden alle overige volken gezegend worden en zouden ‘de tijden van de wederoprichting aller dingen’ volgen.

    Hebreeën 11:23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. 29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. (NBG Vertaling 1951)

     

    Hoofdstuk 7

    De late datering van de exodus

     

    De uitdrukking: ‘de late datering van de exodus’ is een uitdrukking die door theologen gehanteerd wordt ter datering van de exodus in de dertiende eeuw v. Chr., dit in tegenstelling met de Bijbel die de exodus in de vijftiende eeuw voor Christus plaatst, de zogenaamde vroege datering. Hierna het relevante Bijbelgedeelte uit het Boek 1 Koningen:

    1 Koningen 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde. (Statenvertaling)

     

    Dat sommige godgeleerden dit Bijbelgedeelte in twijfel trekken heeft te maken met de mate van gezag dat zij aan de wetenschap Egyptologie willen toekennen. Aan het begin van de twintigste eeuw in 1904 maakte de Egyptoloog Eduard Meyer (1855/1930) zijn werk ‘kalender en Sothis-periode’ bekend waarbij hij de dertig Egyptische dynastieën van Manetho via het gebruik van een veronderstelde astronomische kalender in het oude Egypte, op de tijdsbalk onderbracht. Met de historische Boeken van de Bijbel werd hierbij geen rekening gehouden. Zoals Eduard Meyer de farao ’s op de tijdsbalk rangschikte vind men het oude Israël daar niet in terug. Elk spoor naar het handelen van God in de geschiedenis van Zijn volk Israël werd uitgewist. Daarenboven worden wat de archeologie betreft alle aardlagen in Egypte en Klein-Azië sindsdien aan de hand van de nieuwe chronologie gedateerd. De gewelddadige exodus van de Israëlieten uit Egypte zoals in het Bijbelboek Exodus beschreven is als een gevolg van Eduard Meyer ’s constructie volledig verdwenen en blijkt nu fantasie te zijn? De Bijbel is sindsdien voor velen een louter godsdienstig boek zonder historische waarde. En de strijd gaat verder. Een volgende generatie van Egyptologen zet sindsdien de aanval op de Bijbel verder. Zo concludeerde bijvoorbeeld de bekende Egyptoloog Donald B. Redford (1934-) in zijn boek A Study of the Biblical Story of Joseph dat alle historische aanwijzingen betreffende Jozef en de intocht met inbegrip van iedere verwijzing naar Egypte en Egyptische persoonsnamen, plaatsnamen en titels, louter bedenksels van de Bijbelschrijver zijn die de Exodus uit Egypte wilde rechtvaardigen door Jozef en de Israëlieten over te brengen naar Egypte. Redford beschouwt de Bijbel als een verzameling van verhalen en legenden zonder historische waarde en in wezen gelijk aan de vele mythologieën. Hij gaat er van uit dat de Hyksos-periode in Egypte de oorzaak van het ontstaan van mythes in Kanaän werd wat leidde tot het verhaal rond Mozes. De auteur van het Bijbelboek Exodus had volgens Redford geen kennis van het oude Egypte van voor de zevende eeuw v. Chr. Wanneer Redford in zijn boek ‘Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times’ over het historische Israël schrijft doet hij dat aan de hand van de enkele schaarse bewaard gebleven berichten uit het oude Egypte. Een voorbeeld is de Merneptah-stele waarop naar het volk Israël verwezen wordt. Er bestond volgens Redford pas een Israëlitische entiteit in Kanaän aan het einde van de dertiende eeuw v. Chr. Meer wil hij echter niet invullen. De oorsprongsgeschiedenis van Israël zoals gebracht in de Bijbelboeken Genesis en Exodus wijst hij af. Nu is het een feit dat de egyptologie geen exacte wetenschap is en niets belet een theoloog om via zelfstudie op dit terrein te gaan ter weerlegging van de boude uitspraken door de egyptologie over de historiciteit van de Bijbel. In de praktijk echter kwam de discussie tussen een vroege en late datering van de exodus op gang en liet men de rangschikking van de farao ’s op de tijdsbalk op basis van een vermeende Sothis-kalender door de egyptologie, met rust. Het is het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid dat sinds de tweede helft van de twintigste eeuw uitkomst biedt. Het is namelijk onmogelijk om de Bijbels-historische gegevens met die van de conventionele egyptologie te verzoenen of aan te passen. Alleen de frontale aanval heeft zin. De Sothis-kalender van Eduard Meyer klopt niet. Punt andere lijn. Het is naar mijn mening tijdverlies om bijvoorbeeld te trachten bepaalde farao ’s van de achttiende dynastie met de farao van de exodus te identificeren. Hatsjepsoet, Thothmosis III en Amonhotep II zijn namen van farao ‘s die telkens opnieuw naar voor gebracht worden. Hatsjepsoet zou hier als de dochter van farao herkend worden? Elke uitleg echter doet de Bijbel (moedwillig) geweld aan. De Bijbel noemt weliswaar de naam van de dochter van farao niet. De Joodse overleveringen hebben echter de Griekse naam bewaard. Flavius Josephus geeft de naam Thermuthis op (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek II,ix.5-7 (vertaling van het Grieks naar het Engels door William Whiston, 1667/1752).

    Het zijn echter de Bijbels-chronologische gegevens die het middel zijn ter bepaling of Hatsjepsoet of het Griekse Amessis van Manetho ’s achttiende dynastie, met de Bijbelse dochter van farao geïdentificeerd kan worden! De Bijbel leert dat Mozes drie maanden oud, te vondeling gelegd werd en door de dochter van farao gevonden en geadopteerd. De farao van de verdrukking heeft volgens de Bijbel een uitzonderlijk lange regeerperiode van minstens zeventig plus jaren. De jonge Mozes die aan het hof van farao opgroeit en onderwezen wordt verblijft daar namelijk voor een periode van veertig jaar. Daarna moet hij voor de wraak van farao voor zijn leven naar Midian vluchten. Te Midian verblijft hij ook voor een periode van veertig jaar, wanneer het nieuws komt dat de farao van de verdrukking gestorven is. In mijn werk TIJD en TIJDEN, blz. 107-111 diep ik een en ander uit en toon aan dat de farao van de verdrukking vier jaar voor de exodus het leven liet en door een ander huis of dynastie opgevolgd werd. De volledige regeerperiode van de farao van de verdrukking is hiermee vastgelegd op minimum 76 jaar.

     

    Dit gegeven past niet in het raamwerk van de achttiende dynastie. De vader van Hatsjepsoet was Thothmosis I, die volgens de theorie de farao van de verdrukking (?) moet zijn. Deze farao heeft echter een regeerperiode van slechts vier of negen jaar, tot maximum vijftien jaar, naar gelang de bronnen die gehanteerd worden. De gegevens die Manetho verstrekt zijn via de kroniekschrijvers Africanus (ca.220 AD), Eusebius (ca.320 AD) en Flavius Josephus (ca.80 AD) bewaard gebleven hoewel er onderling verschillen zijn. De naam Thothmosis I is een Griekse naam, ons overgeleverd via Manetho en zijn kopieerders. Zijn Egyptische naam in hiëroglyfen was: Akheperkara Djoetmose. Hij was een militair die als een gevolg van zijn huwelijk met prinses Ahmose, de dochter van Ahmose I en koningin Nefertari, in de Koninklijke familie opgenomen werd. Met de naam Thothmosis werd eer gebracht aan de god Thoth die vereerd werd i.v.m. de uitdrijving van de Hyksos. Zijn gemalin Ahmose baarde hem twee zonen; Wadjmose en Amenmose die echter beide voor hun vader stierven. De troonopvolger werd uiteindelijk Thothmosis II die verwekt werd bij een bijvrouw genaamd Mutnofret, de zuster van Ahmose, de gemalin van Thothmosis I. Uit de relatie Ahmose en Thothmosis I werd ook een dochter Hatsjepsoet geboren die later mee zou regeren. Thothmosis I maakte van Nubië een Egyptische provincie en voerde veldtochten tot aan de Eufraat.

    Hatsjepsoet, of de Griekse naam Amessis bij Josephus, regeerde eenentwintig jaar en negen maanden. In het bewaard gebleven manuscript van Africanus staat zij genoteerd als Amensis met een regeerperiode van tweeëntwintig jaar. De kopieerder Eusebius van Manetho, vermeld haar niet. Hatsjepsoet regeerde aanvankelijk als co-regent met Thothmosis II en na diens dood als voogd van de jonge Thothmosis III. In het tweede regeringsjaar van van de jonge Thothmosis III echter, trok Hatsjepsoet alle regeringsbevoegdheden naar zich toe en regeerde als vrouwelijke farao over Egypte. Flavius Josephus die in de Griekse taal zijn verhaal doorgaf noemt haar bij de Griekse naam Amessis en dit in afwijking van zijn eerdere vermelding van Thermuthis als Griekse naam voor de dochter van farao. Amessis en Thermuthis waren voor Flavius Josephus twee te onderscheiden personen! Ik meen dat ik de poging tot identificatie van de Bijbelse dochter van farao met Hatsjepsoet weerlegd heb. En dit vooral op basis van de vergelijking van de regeerperiode van de farao van de verdrukking in de Bijbel van minimum 76 jaar met de te korte regeerperiode van farao Thothmosis I van de achttiende dynastie van maximum 15 jaar.

    Het invoegen van Hatsjepsoet als puzzelstukje in het Bijbelse plaatje past eenvoudigweg niet! Daarenboven zwijgt de Bijbel over ‘de dochter van farao’ als koningin over Egypte na de dood van haar vader, de farao van de verdrukking.

    De uittocht uit Egypte ging volgens de Bijbel gepaard met oordelen die door de HEERE God aan Egypte voltrokken werden.

    Genesis 15:13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.

     

    Exodus 7:4 Farao nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland, door grote gerichten. 5 Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israëls uit het midden van hen uitleide.

     

    Exodus 12:12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!

     

    Wanneer we deze drie Bijbelcitaten letterlijk willen nemen dan blijkt dat het land Egypte dat de Israëlieten achterlieten volledig geruïneerd was met bovendien het leger – met alle strijdwagens – in de Schelfzee vernietigd. Dit gegeven past ook niet in het historische kader dat van de achttiende dynastie bekend is. De opeenvolgende farao ’s na Thothmosis I behielden hun macht en autoriteit ook buiten de grenzen zelfs tot aan de rivier de Eufraat. Volgens de revisie van de geschiedenis van het Oude Egypte liepen het Oude en het Midden-Rijk contemporain en gingen beide ten onder in de ramp van de Exodus met vervolgens een tussenperiode in de geschiedenis van Egypte als een gevolg van de invallen van de Hyksos, die met de Bijbelse Amalekieten geïdentificeerd worden. De invasie van de Hyksos betekende een ware ramp voor het oude Egypte. Het is de achttiende dynastie onder farao Ahmose die aan het einde van de elfde eeuw v. Chr. de macht van de Hyksos brak en de soevereiniteit van Egypte herstelde.

    Psalm 78:1 Een leerdicht van Asaf. Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond; 2 ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen. 3 Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons hebben verteld, 4 dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen; wij willen vertellen aan het volgende geslacht des HEREN roemrijke daden, zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het lanceren van de theorie over ‘de late datering van de exodus’ zou zijn oorsprong bij de Amerikaan William F. Albright (1891/1971) hebben. Hij was een bijbelgeleerde, archeoloog en letterkundige. Ook hij ging er van uit dat de geïntroduceerde Sothis-kalender correct was en de datering van de aardlagen in Egypte en Kanaän eveneens correct. De datering van de exodus plaatste hij rond 1200/1250 v. Chr. Het Bijbelgedeelte van 1 Koningen 6:1 was niet letterlijk te nemen? De vermelde periode van 480 jaar tussen de Tempel van Salomo en de exodus is de som van 40 x 12 en zal wel een symbolische betekenis gehad hebben? Evenzo het jaartal 40 voor de leeftijd van Mozes bij zijn vlucht naar Midian en nog eens 40 jaar voor zijn verblijf aldaar. De late datering van de exodus rond 1250 v. Chr. levert tegen de achtergrond van de rangschikking van de farao ’s op de tijdsbalk door de egyptologie als resultaat de farao ’s Seti I en Ramses II van de negentiende dynastie op, als kandidaat-farao ’s voor de farao van de verdrukking en als farao van de exodus. De datering van de late datering is de meest populaire datering die gehanteerd wordt. Zelfs Hollywood ziet in haar filmproducties de farao ’s Seti I en Ramses I als de farao ’s van de verdrukking en de exodus.

    Maar ook bij deze farao ’s is de regeerperiode te kort om ze als een puzzelstuk in het Bijbelse plaatje te plaatsen. De verschillende bronnen wat de regeertijd betreft spreken elkaar overigens tegen. Maar de hoogste jaartallen zijn voor onze studie belangrijk. Seti I heeft dan maximum elf jaar regeertijd, Ramses II heeft een regeerperiode van 67 jaar en Merneptah ( de opvolger van Ramses II) een regeerperiode van tien jaar. Ook deze hoogste regeerperioden passen niet in het Bijbels-historische kader. Zoals we eerder gezien hebben moet de Bijbelse farao van de verdrukking een minimum regeerperiode van 76 jaar hebben. En ook de Richterenperiode in Israël kan onmogelijk in een tijdsbestek van slechts twee eeuwen op de tijdsbalk gerangschikt worden zonder de Bijbel geweld aan te doen. De conclusie is dat zowel de vroege als de late datering van de exodus gezien tegen de achtergrond van de tijdsconstructie door de egyptologie, geen zin maakt. Beide schieten te kort en alleen met een drastische herziening van de geschiedenis van de oudheid vallen de stukken in de juiste plaats. Hierna een veelzeggend citaat van de bekende egyptoloog de Brit Sir Alan Gardiner (1879/1963) over het Egypte van de oudheid:

    “…It must never be forgotten that we are dealing with a civilization thousands of years old and one of which only tiny remnants have survived. What is proudly advertised as Egyptian History is merely a collection of rags and tatters

    En deze collectie van ‘rags and tatters’ zou dan aanwijzingen moeten bevatten ter staving van de gebeurtenissen die in de Bijbelboeken Genesis en Exodus beschreven werden? Voor mij staat het buiten twijfel dat Genesis en Exodus historische boeken zijn die een leidraad kunnen zijn voor het historisch in beeld brengen van de ‘rags and tatters’ die het oude Egypte geleverd heeft. Veelzeggend is het commentaar van een revisionist van het eerste uur Dr. Donovan Courville, de auteur van ‘The Exodus Problem and its Ramifications’, 1971.

    “...It must not be forgotten that the task of historians is not to create history. The events of history have occurred, and there is nothing that can be done to change the time relationships between these events by a single minute. The task is rather that of unraveling the confused records which have come down to us, and when this task has been done correctly, it is axiomatic that it should not be necessary to apologize for inconsistencies and anomalies at every turn of events.”

    Donovan A. Courville, B.Th., B.A., M.A., Ph.D.

     

    Hoofdstuk 8

    Exodus, Pesach 15 Nisan 1483 v. Chr.

     

    De historische Pesachweek verbonden met de exodus ving aan met 15 Nisan 1483 v. Chr. bij het ondergaan van de zon op een donderdagavond volgens de westerse kalender. Volgens de Joodse kalender eindigt een dag bij het ondergaan van de zon en vangt een nieuwe dag aan. Op donderdagavond nuttigden de Israëlieten per familie hun bereide Pesachlam en brachten zoals opgedragen het bloed van het geslachte Pesachlam aan de deurposten van hun woningen aan. Daarna maakten zij zich klaar voor de grote trek onder leiding van Mozes naar de woestijn waar zij de HEERE God wilden dienen. Te Middernacht sloeg de HEERE God al het eerstgeborene van mens en dier in het land Egypte.

    Exodus 12:29 En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten. 30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was. 31 Toen riep hij Mozes en Aäron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt. 32 Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. 33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! 34 En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen. 35 De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. 36 Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. 37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. (Statenvertaling)

     

     

    Dat de exodus op een vrijdag geschiedde leert de Joodse overlevering die stelt dat de Tien Woorden aan Israël gegeven werden op een sabbat, op de vijftigste dag na het vertrek uit Egypte. Het is aldus een eenvoudige berekening om zeven maal zeven weken eerder de Exodus met Pesach op een vrijdag te plaatsen. Dit alles was een voorafschaduwing van het Pesachlam Jezus Christus die op goede vrijdag 7 april 30 AD Zijn Bloed plaatsvervangend voor de Verlossing van Israël en van de wereld, gaf.

    Het vertrek van de Israëlieten geschiedde onmiddellijk na middernacht. Vanuit Rameses ging het richting Sukkot, en vervolgens naar Etham aan het einde van de woestijn. De plaatsnamen Rameses en Pitom heb ik in mijn boek: ‘Exodus’ van 2016 geïdentificeerd en vervolgens de reisroute naar de Schelfzee op een landkaart uitgestippeld. De plaats van de doorgang door de Schelfzee wordt in het boek aangewezen en de berg Sinaï in Arabië gelokaliseerd. Sinds de eerste historische Pesachweek zijn er nu 3502 jaar verlopen. Hoe ik het jaartal 1483 v. Chr. voor het exodusjaar verkregen heb is vrij eenvoudig uit te leggen. Vanaf het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4, toen de Heiland het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep, wat het dertigste jubeljaar was, rekent men negenentwintig jubeljaren terug de tijd in. Het eerste jubeljaar viel in okt.1395/sep.1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanaän binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de Israëlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. De dertig jubeljaren zijn wetenschappelijk via elf historische vermeldingen op de tijdsbalk verankerd. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. en zijn sterfjaar was het najaar van 967 v. Chr. Voor Salomo hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van Israël. De koningen van Israël en Juda heb ik tussen de jaartallen 967 en 586 v. Chr. op de tijdsbalk herschikt met de historische sabbat- en jubeljaren als ijkpunten. Zie onder andere mijn laatste uitgave: dertig jubeljaren, uit 2018.

    Volgens Flavius Josephus geschiedde de exodus in een jaar dat de Nisan-zon zich in het astronomische Ram of Lam (Aries)-beeld op de veertiende dag van de maand nisan bevond.

    In the month of Xanthicus, which is by us called Nisan, and is the beginning of our year, on the fourteenth day of the lunar month, when the sun is in Aries, (for in this month it was that we were delivered from bondage under the Egyptians,) the law ordained that we should every year slay that sacrifice which I before told you we slew when we came out of Egypt, and which was called the Passover; and so we do celebrate this Passover in companies, leaving nothing of what we sacrifice till the day following. (Flavius Josephus (Joodse Oudheden, Boek III.x.5)

    Dat de exodus volgens Flavius Josephus plaatsvond op het exacte moment dat de zon het sterrenbeeld Ram/Lam binnenging is uiteraard geen toeval (The Witness of the Stars, Rev. E. W. Büllinger (1837/1913), Chapter IV, The Sign Aries (The Ram or Lamb). Het maakt deel uit van het plan der eeuwen, namelijk God ’s voornemen (Efeze 3:11) dat zal leiden naar het herstel van alle dingen.

    In mijn boek Exodus, 2016, breng ik de geschiedenis van Israël in het oude Egypte vanaf de aartsvader Jakob tot op Mozes. De exacte Exodusroute wordt op de landkaart uitgestippeld en de Bijbelse plaatsnamen Rameses, Sukkot en Etham op de landkaart geplaatst. De plaats van de doorgang door de Schelfzee wordt in het boek aangewezen en de berg Sinaï in Arabië gelokaliseerd. Mijn verhaal laat ik aanvangen in het Egypte van de oudheid vanaf de aankomst daar van Jakob/Israël in 1699 v. Chr. op het hoogtepunt van een wereldwijde hongersnood en eindigt met de Exodus uit Egypte in 1483 v. Chr., gevolgd door het geven van de Tien Woorden aan Israël. De geschiedenis van Israël en de Exodus halen we in de eerste plaats uit de Bijbel, daarnaast uit de werken van Flavius Josephus en uit de Joodse overleveringen en legendes. Maar ook de Egyptologie levert via een revisie van de geschiedenis van de oudheid verrassende resultaten. De Exodus van de Israëlieten uit Egypte met de gepaard gaande tien plagen betekende namelijk een ware breuk in de Egyptische geschiedenis. Volgens de revisie van de oudheidgeschiedenis waren het zogenaamde Oude- en het Midden-Rijk in Egypte contemporain met elkaar en gingen als een gevolg van de tien plagen en de exodus met de vernietiging van het Egyptische leger in de Schelfzee, samen ten onder. Binnen de revisie van de oudheidgeschiedenis van Egypte was er maar één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus Egypte overrompelden en hun heerschappij over het Midden-Oosten vestigden. De twaalf stammen van Israël trokken intussen na een periode van veertig jaar in de wildernis, het Beloofde Land Kanaän binnen.

     

     

    Tijdschema 1502/1489

    19-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofdstuk 9, 10

    Hoofdstuk 9

    De farao van de Exodus

     

    Met 15 Nisan 1483 v. Chr. begon na de middernacht van donderdag op vrijdag de uittocht. Terwijl Egypte die nacht over de dood van hun eerstgeborenen huilde begonnen de Israëlieten onder leiding van Mozes aan hun trek naar de wildernis (Exodus 12:29-31)

    Maar wie was de farao van de exodus die in de nacht van donderdag op vrijdag ook zijn eerstgeborene aan de dood moest afstaan? Als men Hollywood wil geloven was het Ramses II alias Ramses de Grote die zijn oudste zoon en troonopvolger die Pesachnacht verloor en op de vierde dag na het vertrek van de Israëlieten met heel zijn legermacht aan de achtervolging in de wildernis begon. De keuze voor Ramses II als farao van de exodus is een gevolg van de foutieve rangschikking van de farao ÿs op de tijdsbalk door de gevestigde Egyptologie. De Egyptologie heeft vanaf de vijftiende tot de twaalfde eeuw v. Chr. de achttiende en negentiende dynastiefarao ÿs op de tijdsbalk geplaatst. Geen een van de kandidaat-farao ÿs voor de Exodus past echter in het Bijbels-chronologische raamwerk. In mijn boek Exodus breng ik een volledige herziening van de plaatsing van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk. De ankerpunten voor het chronologisch verbinden van regeerperioden van de farao ÿs met die van de aartsvader van Israël halen we uit de Bijbel, daarnaast uit de werken van Flavius Josephus en uit de Joodse overleveringen en legendes. Maar ook de Egyptologie levert via een revisie van de geschiedenis van de oudheid verrassende resultaten. De Exodus van de Israëlieten uit Egypte met de gepaard gaande tien plagen betekende namelijk een ware breuk in de Egyptische geschiedenis. Volgens de revisie van de oudheidgeschiedenis waren het zogenaamde Oude- en het Midden-Rijk in Egypte contemporain met elkaar en gingen als een gevolg van de tien plagen en de exodus met de vernietiging van het Egyptische leger in de Schelfzee, samen ten onder. Binnen de revisie van de oudheidgeschiedenis van Egypte was er maar één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus Egypte overrompelden en hun heerschappij over het Midden-Oosten vestigden.

    Een revisionist van het eerste uur was Dr. I. Velikovsky (1895/1979). In zijn bekend werk ‘Eeuwen in Chaos, 1952, hoofdstuk Iÿ identificeerde hij de farao van de Exodus als Thom of Thoem, naar een inscriptie op een schrijn gevonden te El Arisj, een stad op de oude grens tussen Egypte en Kanaän. Het is een zwarte monoliet beschreven met hiëroglyfen waarop koningen, residenties, geografische plaatsen en de invasie van Egypte door vreemdelingen wordt beschreven. De inscriptie beschrijft een periode van volslagen duisternis over Egypte voor een periode van negen dagen, wat een bevestiging is van het relaas in het Bijbelboek Exodus 10:22-23 waar een van de plagen beschreven staat met dikke duisternis gedurende drie dagen. Dit was trouwens het eerste dat bij Velikovsky in zijn onderzoek de aandacht trok, toen hij de inscriptie in het licht van de Bijbel bestudeerde. Daarnaast verwijst de inscriptie naar Pi-Charoti waar farao aan zijn einde komt. Dit Pi-Charoti uit Egyptische bron was voor Velikovsky overduidelijk te identificeren met het Bijbelse Pi-ha-Chiroth aan de Schelfzee. De inscriptie op het schrijn verhaalt verder dat een zoon van farao, ‘zijne majesteit Gebÿ op onderzoek uitgaat en naar de plaats Pi-Charoti trekt en daar bij de lokale bevolking navraag doet naar de ramp die farao Thoem en zijn leger getroffen heeft. Velikovsky merkt op dat de naam Thoem of Thom in de plaatsnaam Pi-Thom zit, een voorraadplaats die de Israëlieten in slavernij moesten bouwen. En de naam Thom, stelt Velikovsky, is ook identiek met het Griekse Timaios of Toetimaeus zoals Manetho via Flavius Josephus, hem heeft doorgegeven. Farao Timaios/Timaus is bij Manetho de farao die de invasie van de Hyksos of Amalekieten onderging.

    Nog een revisionist van de geschiedenis van de oudheid voor wie de historische boeken van de Bijbel gezag hadden, was Dr. Donovan A. Courville (1901/1996). Zijn opus magnum: ‘The Exodus Problem and its Ramifications, 1971ÿ, brengt een volledige herziening van alle Egyptische dynastieën op de tijdsbalk. In Volume I, Chapter IX, Who was the Pharaoh of the Exodus?, levert ook hij zijn bijdrage tot het identificeren van de farao van de exodus. Courville hechtte veel belang aan de Egyptische koningslijst bekend onder de naam: Sothis-lijst. Deze lijst geeft (o.a.) vijfentwintig faraonamen (in de Griekse taal) vanaf de eerste farao Menes tot aan Salatis. Deze laatste naam is de eerste Hyksos-farao. Aan de Hyksos-invasie van Egypte ging de Exodus vooraf. De vierentwintigste naam is die van Koncharis, wat volgens Courville een Griekse versie is van het Egyptische ‘Ka-ankh-raÿ van de Karnak-koningslijst, een naam die dan weer volgens Courville overeenkomt met Sobekhotep VI van de Turijn-koningslijst. En volgens de Turijn-koningslijst regeerde Sobekhotep VI voor een periode van twee jaar, twee maanden en negen dagen. Farao Koncharis/Ka-ankh-ra/Sobekhotep VI is volgens Courville de farao die de Hyksos-invasie onderging. In het model van Courville waren het Oude Rijk en het Midden-Rijk voor een belangrijke periode contemporain. De farao van de verdrukking is in Courville ÿs model Senwosret III van de twaalfde dynastie. De dertiende dynastie was gedurende een periode contemporain met de twaalfde dynastie en won na de dood van de farao van de verdrukking, aan macht. De tachtigjarige Mozes stond aldus bij zijn terugkeer in Egypte voor (een) Sobekhotep van de dertiende dynastie. Courville wijst in zijn studie op nog een bijzonderheid van de Sothis-koningslijst. De voorgangers van naam nummer 24.Koncharis hadden namelijk allen tot aan nummer 18. de naam Ramesse in hun faraonamen verweven. Het is naar deze naam dat het Bijbelse Pi-Ramesse of Raämses, een voorraadstad die de Israëlieten onder dwang moesten bouwen, genoemd werd. De dertiende dynastieÿ faraoÿs hadden hier ook hun residenties. Van de eerste faraoÿs van de dertiende dynastie; Hor, Sobekhotep II en Chendjer werden te Dahsjoer hun laatste rustplaatsen teruggevonden. Vanaf Sobekhotep III en diens opvolgers ontbreekt tot nu toe elk spoor naar een laatste rustplaats, of mummie.

    In het variant dat de Egyptoloog David Rohl brengt (A Test of Time, 1995, Chapters 12 en 13) is de vermoedelijke farao van de exodus; Sobekhotep IV. David Rohl noemt zichzelf een agnost maar hanteert wel in zijn studie van het oude Egypte de Bijbel als een historisch boek. Rohl haalt de christelijke oudheidhistoricus Eusebius aan die verwijst naar een nog oudere bron, de Joodse historicus Artapanus, en deze laatste vermeldt dat de farao ten tijde van Mozes, de naam ‘Khe-neph-resÿ had. Vanuit deze naam distilleerde Rohl de naam ‘Kha-nefer-reÿ van de Egyptische koningslijsten. En de naam ‘Kha-nefer-reÿ stemt overeen met de koninklijke naam die alleen farao Sobekhotep IV Kha-nefer-re, van de dertiende dynastie droeg. Het is boeiend studiewerk van David Rohl, iets dat zijn boek als een detectiveverhaal laat lezen.

    Ter conclusie stellen we vast dat de farao waar Mozes in het Exodusjaar tegenover stond, farao Sobekhotep IV van de dertiende dynastie was. Het is deze farao die meende de Israëlieten te kunnen achterhalen in de wildernis, en als een gevolg zijn einde vond in de Schelfzee. Het is deze farao wiens troonopvolger in de Pesachnacht door de HEERE God gedood werd. Het is farao Sobekhotep VI die de opvolger werd van Sobekhotep IV, de farao die niet terugkeerde van de Schelfzee en bovendien het Egyptische leger naar de ondergang gevoerd had. Als resultaat lag het Egypte van Sobekhotep VI wagenwijd open voor de kort daarop binnentrekkende Hyksos of Amalekieten.

     

     

    Tijdschema 1488/1475

     

     

    Tijdschema 1474/1461

     

    Hoofdstuk 10

    Chronologie en reisroute van veertig jaar wildernis voor Israël

     

    In het Bijbelboek Numeri hoofdstuk 33 vinden we de samenvatting door Mozes opgesteld, van de reizen van het volk Israël vanaf de Exodus uit Egypte tot de intocht in het Beloofde Land Kanaän veertig jaar later. Zij hebben weliswaar geen veertig jaar nodig gehad tot het bereiken van de grens van Kanaän. Daar arriveerden zij één jaar na de exodus uit Egypte al, maar weigerden toen het land in geloof binnen te trekken uit vrees voor de inwoners. Het oordeel was een verblijf in de wildernis aan de buitenrand van de grenzen van het Beloofde Land, totdat de generatie van de exodus vanaf twintig jaar en ouder in de wildernis gestorven zou zijn. Hoofdstuk 33 van het Bijbelboek Numeri geeft de reizen van Israël weer van pleisterplaats tot pleisterplaats en begint de reisroute vanaf Rameses in Egypte in de eerste maand Nisan (maart/april), op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha toen het leger van Israël aan haar grote trek begon. Ik ga hierna het volledige hoofdstuk 33 citeren met de bekende namen der pleisterplaatsen in vette druk weergeven. De meeste namen van de pleisterplaatsen in de wildernis zijn vandaag moeilijk te identificeren. Dat de pleisterplaatsen zich echter in de wildernis zuidelijk en oostelijk van Kanaän aan de grenzen van Edom en Moab bevonden staat buiten twijfel. Er bestaat heel wat verwarring over de reisroute van de Israëlieten. Het grote struikelblok voor velen is de egyptologie en de datering van de geologische aardlagen in Kanaän aan de hand van de Egyptische tijdlijn. Men zoekt namelijk bewijs van de intocht van de Israëlieten in de verkeerde aardlagen. Numeri 33:1 Dit zijn de reizen der kinderen Israëls, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aäron. 2 En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten. 3 Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israëls uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren; 4 Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden. 5 Als de kinderen Israëls van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth. 6 En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is. 7 En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baäl-sefon is, en zij legerden zich voor Migdol. 8 En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara. 9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar. 10 En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee. 11 En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin. 12 En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka. 13 En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz. 14 En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken. 15 En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinaï. 16 En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en legerden zich in Kibroth-thaava. 17 En zij verreisden van Kibroth-thaava, en legerden zich in Hazeroth. 18 En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma. 19 En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-perez. 20 En zij verreisden van Rimmon-perez, en legerden zich in Libna. 21 En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa. 22 En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha. 23 En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer. 24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada. 25 En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth. 26 En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath. 27 En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah. 28 En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka. 29 En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona. 30 En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth. 31 En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-jaakan. 32 En zij verreisden van Bene-jaakan, en legerden zich in Hor-gidgad. 33 En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha. 34 En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona. 35 En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-geber. 36 En zij verreisden van Ezeon-geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

     

     

    © J. B. Wolters, bewerkt door de auteur

     

    De voortreffelijke atlas van J. B. Wolters, 1961, schafte ik in 1975 bij het begin van mijn studie van de Bijbel aan. Het was de eerste atlas van een inmiddels hele privéverzameling die ik sindsdien opbouwde. Sinds het ontstaan van het www-internet kwamen daar nog ettelijke interessante kaarten bij. De kaart van J.B. Wolters is voortreffelijk omdat het via één rode lijn de trek van de Israëlieten toont zonder vraagtekens erbij. Dat men de berg Gods in de Sinaïwoestijn plaatste heeft te maken met de christelijke traditie die toen niet in vraag werd gebracht. Via een blauwe lijn heb ik de trek vanuit Egypte tot de berg Gods in Arabië gecorrigeerd aangebracht. Van daar af gaat het via een rode lijn naar Kades waar we de draad weer opnemen. Vanuit Kades keerden zij na geruime tijd terug naar het gebied van Ezeon-Geber aan de Schelfzee daarbij het gebied van Edom omcirkelende. Vandaar ging het naar het noorden toe, naar het Beloofde Land.

     

    Numeri 33:37 En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom. 38 Toen ging de priester Aäron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israëls uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand. 39 Aäron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor. 40 En de Kanaäniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaän, hoorde, dat de kinderen Israëls aankwamen. 41 En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona. 42 En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon. 43 En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth. 44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab. 45 En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-gad. 46 En zij verreisden van Dibon-gad, en legerden zich in Almon-diblathaim. 47 En zij verreisden van Almon-diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo. 48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. 49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden der Moabieten. 50 En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: 51 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän; 52 Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. 53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten. 54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen. 55 Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont. 56 En het zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen. (Statenvertaling)

     

    Hierna volgen nog enkele accenten wat de chronologie van de veertig jaren betreft. Het Bijbelboek Exodus 19:1 leert dat de Israëlieten in de derde maand na de exodus uit Egypte, op dezelfde dag, in de woestijn aan de berg Gods arriveerden. Het vertrek uit Egypte hebben we gezien geschiedde op 15 nisan van het jaar 1483 v. Chr., en hun aankomst bij de berg Gods viel in de derde maand op 15 Siwan. Een dag later besteeg Mozes alleen de berg Gods. Dit is een geschiedenis die algemeen goed bekend is. Mozes krijgt op de berg het Woord van God, geschreven op stenen tabletten. Terwijl Mozes veertig dagen en veertig nachten op de berg Gods verblijft, keert in de aanbidding van een gouden kalf, het volk van Israël hem de rug toe, terug naar de goden van Egypte. Deze bekende geschiedenis verhaalt Stefanus in het Nieuwe Testament in 30 AD opnieuw voor de leiders van Israël, toen:

    Handelingen 7:36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen. 38 Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. 39 Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte; 40 Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls? 43 Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon. 44 De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;

     

    De tabletten met het Woord van God die Mozes bij zijn eerste verblijf op de berg Gods ontvangen heeft, verbreekt hij voor de ogen van de Israëlieten, die tijdens zijn afwezigheid in hun hart naar de goden van Egypte waren teruggekeerd. Daarna gaat Mozes opnieuw de berg op (Deuteronomium 9:17-19), voor veertig dagen en veertig nachten. Tweemaal veertig dagen later zijn we haast drie maanden verder en volgens de Joodse overlevering in de Seder Olam was het pas met Jom Kippoer, de grote Verzoendag in de maand Tisjri (september/oktober) 1483 v. Chr., dat Mozes van de berg Gods kwam en de bouw van het Heiligdom met de ark van het verbond begon. Het volk Israël werd vergeven en kreeg nogmaals een kans tot het bereiken van hun doel.

    Exodus 39:42 Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israëls het ganse werk gemaakt. 43 Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.

     

    Eén jaar na de exodus was de tent der samenkomst in de woestijn in de maand april 1482 v. Chr. klaar.

    Exodus 40:16 Mozes nu deed het naar alles, wat hem de HEERE geboden had; alzo deed hij. 17 En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd….

     

    Exodus 40:34 Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel. 35 Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN den tabernakel vervulde. 36 Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zo reisden de kinderen Israëls voort in al hun reizen. 37 Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd. 38 Want de wolk des HEEREN was op den tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het ganse huis Israëls in al hun reizen.

     

    De datering van het wonen van de HEERE God, de Sjekinah of de Heerlijkheid des HEEREN, in de wolkkolom in de tent der samenkomst, valt naar Exodus 40:17, in de eerste maand van het tweede jaar sinds de Exodus uit Egypte, op de eerste dag van die maand ofwel april van de westerse kalender in het jaar 1482 v. Chr. en vierden zij veertien dagen later hun eerste Pesachfeest in de woestijn:

    Numeri 9:1 En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende: 2 Dat de kinderen Israëls het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd. 3 Op den veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult gij dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult gij dat houden. 4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israëls, dat zij het pascha zouden houden. 5 En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israëls.

     

    Vijftig dagen later zouden ze de woestijn van Sinaï – de berg Gods – op hun trektocht naar het Beloofde Land, verlaten.

    Numeri 10:11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis. 12 En de kinderen Israëls togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran. 13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.

     

    Vanuit de wildernis rondom de berg Sinaï, trokken ze in mars kolom naar de woestijn van Paran.

    Numeri 12:16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth (zie 33:17), en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

     

    Het is vanuit de woestijn van Paran nabij Kades dat twaalf verspieders naar het Beloofde Land Kanaän werden uitgezonden.

    Numeri 13:1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. 3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israëls.

     

    Dit is een geschiedenis die algemeen bekend is. De twaalf verspieders verkennen gedurende veertig dagen het land, komen terug met druiventrossen die ze amper kunnen dragen, bevestigen dat het een land van melk en honing is, kortom een vruchtbaar land van overvloed. Maar tien van de twaalf verspieders overtuigen het volk dat het land onneembaar is vanwege de sterkte van de inwoners. Met zekerheid zouden zij ten onder gaan moesten ze pogen het land in te nemen. Het zijn alleen Jozua en Kaleb die geloof hebben en het land willen binnentrekken. Het volk echter laat zich overtuigen door de tien ongehoorzame verspieders en weigert binnen te trekken. Het resultaat is dat alle volwassenen van twintig jaar en daarboven gedoemd worden in de woestijn aan de rand van het Beloofde Land te blijven, tot zij allen gestorven zijn. De nieuwe generatie zou samen met Jozua en Kaleb achtendertig jaar later in 1443 v. Chr., het Beloofde Land binnentrekken.

    Numeri 14:28 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt! 29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt. 30 Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31 En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt. 32 Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen! 33 En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. 34 Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking. 35 Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!

     

    Na de oordeelaankondiging van Numeri 14:28-35 was er een poging van de Israëlieten toch het Beloofde Land vanuit het zuiden binnen te rukken, maar werden naar het woord van Mozes smadelijk door de Kanaänieten en Amalekieten verslagen (Num. 14:40-45) en teruggedreven tot Horma toe. Te Kades-barnea zouden de Israëlieten lange tijd vertoeven. De Joodse overlevering volgens de Seder Olam laat hen gedurende negentien jaar, de helft van de achtendertigjarige wildernistocht, te Kades verblijven (Deut. 1:46).

    Deuteronomium 2:14 De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.

     

    De trek door de woestijn van pleisterplaats naar pleisterplaats, na deze gebeurtenissen, staat in het Bijbelboek Numeri hoofdstuk 33 gedetailleerd beschreven. In totaal waren er tweeënveertig pleisterplaatsen op hun reis door de wildernis. De trek van de ene pleisterplaats naar de andere geschiedde onder leiding van ‘de wolk des HEERENÿ zoals we in Exodus 40:36-38 eerder gelezen hebben. Het getal tweeënveertig ‘42ÿ zien we ook in het Bijbelboek Openbaring vermeld. Daar niet als een getal dat 42 pleisterplaatsen voorstelt maar als een getal dat de toekomstige tijdsperiode weergeeft dat een gelovige rest van de Israëliÿs een ballingschap in de over-Jordaanse woestijn doorbrengt terwijl in Israël en de wereld het eindtijd-ÿbeestÿ beter bekend onder de naam antichrist, gedurende tweeënveertig maanden (Openbaring 13:) zijn ding mag doen. Aan het einde van die tijdsperiode, ook Jacob ÿs benauwdheid genoemd, zal de Koning der koningen en de Heer der heren Zijn koninkrijk oprichten en Israël definitief herstellen.

    Over de tijdsperiode van achtendertig jaar geeft Mozes geen jaartallen door. Het waren wat chronologie betreft achtendertig ‘stilleÿ jaren. We weten niet hoelang zij telkens op hun trek door de wildernis in de tweeënveertig vermelde pleisterplaatsen verbleven hebben. Het veertigste jaar echter, het jaar van de intocht, is nauwkeurig weergegeven tot op de dag, maand en jaar toe.

    De jongeren tot en met twintig jaar wiens leven gespaard werd groeiden tijdens deze periode samen met de nieuwe generaties die in die achtendertigjarige periode in de woestijn geboren werden, tot volwassenen op. En nu tot een volk dat op de HEERE God vertrouwde. De Bijbel noemt dit de bruidstijd van het oude Israël.

    Jeremia 2:1 Het woord des HEREN nu kwam tot mij: 2 Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem: Zo zegt de HERE: Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen gij Mij gevolgd waart in de woestijn, in onbezaaid land; 3 Israël was de HERE geheiligd, de eersteling zijner opbrengst; allen die daarvan wilden eten, zouden schuld op zich laden, onheil zou over hen komen, luidt het woord des HEREN.

     

    Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.

     

    Het Bijbelboek Numeri hoofdstuk 33 geeft een samenvatting van alle reizen van pleisterplaats tot pleisterplaats in de wildernis. Andere reisvermeldingen zoals in Numeri 21:1-35 dienen naar best vermogen in Numeri 33 ingevoegd te worden. De pleisterplaatsen bevonden zich rond omheen het gebied van Edom in het gebergte van Seïr (Deuteronomium 2:1), zoals de bijgevoegde landkaart uit de Bijbelatlas van J. B. Wolters aantoont. Alle pleisterplaatsen vandaag identificeren is niet meer mogelijk. Ik neem aan dat net zoals het geval was bij Sukkot de Israëlieten dikwijls zelf namen aan hun pleisterplaatsen gaven (Exodus, 2016, blz. 79-80). De archeologie (wanneer ze eerlijk is) kan ook geen soelaas brengen, aangezien de Israëlieten gedurende veertig jaar een nomadenbestaan leidden, dat geen sporen in de grond nalaat.

    In Egypte is het overigens op dit gebied nog erger gesteld waarbij heelder hoofdsteden tot op heden niet geïdentificeerd werden, door de archeologie tevoorschijn gebracht. Een voorbeeld is de hoofdplaats Itj-taoey van de twaalfde dynastie waar de juiste ligging tot op heden een vraagteken blijft. Een ander voorbeeld is de hoofdplaats Saïs van de zesentwintigste dynastie waar twijfel over de juiste ligging bestaat. De Koninklijke begraafplaats van de farao ÿs van de zesentwintigste dynastie met alle pracht en praal door de oudheidhistoricus Herodotos (boek 2:169/170) beschreven werd tot op heden niet gevonden. Nog een voorbeeld is de hoofdstad Avaris die de Hyksos volgens Manetho bouwden. Tegenwoordig wordt de plaats Tell el Daba in de Nijldelta als het Avaris van de oudheid geïdentificeerd alhoewel heel wat vragen blijven.

     

    Volgens het Bijbelboek Deuteronomium 1:1-2 waren het elf dagreizen vanaf de berg Gods Horeb waar ze de Tien Woorden in ontvangst namen tot aan Kades-barnea, de plaats waar de twaalf verspieders naar Kanaän uitgezonden werden.

    Deuteronomium 1:1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab. 2 Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-barnea. 3 En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls, naar alles wat hem de HEERE aan hen bevolen had;…

     

    Van de Horeb ging het naar het noorden via Eilath/Ezeon-geber en daarna verder langs de koninklijke weg (King ÿs Highway) oostelijk van de wadi el araba tot de afslag westelijk naar Kades-barnea via de weg door het gebergte van Seïr. Op een hedendaagse kaart zijn dit ongeveer vierhonderd kilometer afstand tussen beide punten of een gemiddelde van zesendertig kilometer per dag. Dat de identificatie van de berg Gods Horeb met de berg Jabal al Lawz in Arabië in tegenstelling tot de traditionele plaats in de huidige Sinaïwoestijn correct is wordt aannemelijk wanneer we de reisroute vanaf de Horeb naar Kades bestuderen. Het hierna volgende Bijbelgedeelte maakt alleen zin met de berg Gods gesitueerd in Arabië. Het is belangrijk de tekst door te nemen en op de hierboven vermelde landkaart de reisroute te volgen.

    Deuteronomium 33:1 Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, voor zijn dood. 2 Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seir; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.

     

    Wanneer we dit Bijbelgedeelte vanaf de traditionele berg op het hedendaagse schiereiland Sinaï inlezen gaat de beschreven reisroute verloren. Wanneer we echter vanaf de berg Gods in Arabië vertrekken krijgt de reisroute van Deuteronomium 33:1 echt zin. Na het vertrek vanaf Horeb in noordelijke richting komen we vooreerst in Seïr aan en daarna over het gebergte Paran tot aan de Egyptische grens. Seïr bevond zich in het dal van het Seïr-gebergte. Op een hedendaagse kaart is dit Shera in Jordanië vooral bekend vanwege de Nabateese oudheidstad Petra die daar uit de roze gekleurde zandstenen rotsen is gehouwen. Ook de profeet Habakuk verwijst naar deze route wanneer deze de komst van de HEERE God beschrijft.

    Habakuk 3:1 Een gebed van Habakuk, den profeet, op Sjigjonoth. 2 HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens. 3 God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof. 4 En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen. 5 Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen. 6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.

     

    Volgens Deuteronomium 1:2 kon men de reis in elf dagen afleggen. Ik neem aan dat dit op de rug van een lastdier gerekend is. De profeet Elia deed er namelijk enkele eeuwen later veertig dagen over alvorens de berg Gods vanuit Berseba te bereiken. De vermelde elf dagreizen van Deuteronomium 1:2 zullen de tijdsduur onder de beste omstandigheden hebben voorgesteld. De Israëlieten die ruim een jaar na de exodus vanaf de Horeb aan hun trek naar Kades begonnen hebben er overigens langer dan elf dagen over gedaan.

     

    In het tweede jaar sinds de Exodus in 1482 v. Chr. in de tweede maand, dat de Joodse maand Iar of april/mei volgens de westerse kalender is, op de twintigste dag van die maand Iar verhief de wolk des HEEREN boven de tabernakel zich en begonnen de Israëlieten aan hun trek naar de grens van het Beloofde Land Kanaän nabij Kades (Numeri 10:11-14). Het Bijbelboek Numeri hoofdstuk 33 geeft de reisroute van pleisterplaats naar pleisterplaats aan. Wat een reis vol blijdschap had moeten zijn werd echter integendeel een reis van klagende mensen die alleen met zichzelf bezig waren. Na drie dagen al begon het klagen en kwam bij hen het Egypte dat zij een jaar eerder onder grote verdrukking verlaten hadden, opnieuw in gedachten. Ondanks de slavenarbeid was het eten blijkbaar van die aard geweest om er nu met heimwee naar te verlangen (Numeri 11:1-10). Het elfde hoofdstuk van het Bijbelboek Numeri verhaalt hoe de HEERE God vervolgens trekvogels afleidt (11:31-34) en over het bivak van de Israëlieten in de woestijn op lage hoogten laat overvliegen zodat ze gemakkelijk te vangen waren. De Statenvertaling heeft hier ‘kwakkelenÿ staan wat een oud Nederlandsch woord voor ‘kwartelÿ is. Een trekvogel uit de familie der fazanten. Tot walging toe zouden zij dit vlees tot zich moeten nemen. Gedurende dertig dagen vertoefde de wolk des HEEREN op dezelfde pleisterplaats alvorens naar de volgende pleisterplaats op weg naar Kades te vertrekken.

    Numeri 11:19 Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; 20 Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?

    Als een gevolg van een zeer grote plaag waar ze mee getroffen werden noemden ze de pleisterplaats: Kibroth Thaava, wat lustgraven betekent.

    Numeri 11:33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. 34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. 35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

    Het is belangrijk om nu het morrende volk van de periode in de wildernis voor de geest te halen. Een homogene groep was het niet die een jaar eerder uit Egypte vertrokken waren.

    Exodus 12:37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. 38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.

     

    Het waren niet alleen de Israëlieten die uitgetrokken waren maar ook een grote groep van ‘vermengd volkÿ die samen met de Israëlieten als een gevolg van de tien plagen een totaal geruïneerd Egypte achterlieten. Dat zij een mengeling van volk waren was nochtans het probleem niet. Voor God maakt het niet uit van welk volk men afstamt of tot welke taalgroep men behoort. Wat belangrijk is dat men ‘gelooftÿ wanneer men geroepen wordt. Deze regel geld overigens over alle bedelingen Gods heen zowel van verleden, heden als toekomst.

    Johannes 1:10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13 Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.

     

    Exodus 2:23 En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israëls zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God. 24 En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. 25 En God zag de kinderen Israëls aan, en God kende hen.

     

    De geestelijke toestand van het volk der Israëlieten dat uit Egypte geleid werd wordt door Paulus in het Nieuwe Testament als waarschuwing doorgegeven:

    1 Korintiërs 10:1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; 4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. (Statenvertaling)

     

    De Exodusgeneratie der Israëlieten was getuige geweest van de vernietiging van het Egyptische leger in de Schelfzee nadat zij op bijzondere wijze aan de vernietiging door de hand van farao ontsnapt waren. De wolkkolom die hen leidde en de doortocht op het droge door de Rode Zee heen was als een doop geweest. Het manna en het water uit de rots dat hen daarna in de wildernis in leven hield was al een beeld van de komende Messias. De Tien Woorden of de Wet hadden ze aangenomen en hierbij volmondig verklaart dat zij die houden zouden. Dat was hun vrijwillige keuze geweest. De Wet zagen zij echter als een louter plichtenleer zonder dat er ooit een verandering van hun hart plaatsvond. De definitie van het geloof is de volgende:

    Hebreeën 11:1 Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. (Statenbijbel)

     

    Na de dertig dagen oponthoud te Kibroth Thaava ging de reis naar Kades verder.

    Numeri 11:35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

     

    Numeri 33:17 En zij verreisden van Kibroth-thaava (lustgraven), en legerden zich in Hazeroth. 18 En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.

     

    Het volgende oponthoud zou de pleisterplaats Hazeroth zijn. Gedurende zeven dagen zouden zij daar bivakkeren vanwege een bijzondere geschiedenis.

    Numeri 12:1 Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het! 3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.

     

    Te Hazeroth zouden de Israëlieten zeven dagen bivakkeren als een gevolg van de quarantaine periode die Mirjam, de zuster van Mozes, kreeg opgelegd vanwege haar melaatsheid. Samen met haar broer Aäron hadden zij ‘tegenÿ Mozes gesproken in verband met diens Kuschietische vrouw. Deze geschiedenis wordt verhaalt in Numeri 12:1-16. Hoe, wanneer en waarom Mozes een Kuschietische vrouw tot echtgenote genomen had vinden we verder in de Bijbel niet vermeld? Het is de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus die deze geschiedenis brengt (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek II,x.1-2). Het was tijdens de periode van Mozes als jongeman en prins van Egypte toen hij een veldtocht tegen de Nubiërs ondernam dat hij met Tharsis, de dochter van de koning van de Nubiërs, naar Egypte terugkeerde. Bij zijn overijlde vlucht naar Midian heeft hij de Kuschietische Tharsis moeten achterlaten. Veertig jaar later heeft hij de inmiddels ook bejaarde Tharsis meegevoerd. De Egyptenaren zouden zich zeker tegen haar gekeerd hebben. De actie van Mozes kan men vanuit zijn natuur verklaren: zeer zachtmoedig dat hij was, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.

    Numeri 12:15 Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. 16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran. Het is vanuit de woestijn van Paran dat de twaalf verspieders naar het Beloofde Land Kanaän werden uitgezonden.

    Numeri 13:1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. 3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israëls. …

     

    Numeri 13:20 Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.

     

    Volgens de Joodse overlevering in de Seder Olam werd het land Kanaän door de twaalf verspieders verkend vanaf 28 Sivan (mei/juni) tot 9 Ab (juli/augustus) en dit op basis van de vermelding in Numeri 13:20 dat het de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven was.

    Op basis hiervan kunnen we berekenen dat de tocht vanaf de berg Gods Horeb tot Kades een periode van ruim achtendertig dagen in beslag nam. Hun vertrek aan de berg werd gedateerd op de twintigste dag van de tweede maand Iar. Hun aankomst te Kades werd volgens de overlevering gedateerd op de achtentwintigste dag van de derde maand Sivan.

    19-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-05-2020
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar..., hoofdstuk 11, 12 en 13

    Hoofdstuk 11

    De verovering van Kanaän door de Israëlieten

     

    We bevinden ons met onze reis in de tijd in de lente van 1443 v. Chr. en op de tiende dag van de eerste maand Nisan (maart/april) waren de twaalf stammen van Israël onder leiding van Jozua de Jordaan nabij Jericho op een droge bedding doorgetrokken. Hun eerste obstakel was de vestingstad Jericho die zij op een heel bijzondere wijze konden veroveren en daarna tot op haar grondvesten verwoesten. In TIJD en TIJDEN, 2015, Jozua en de inbezitneming van Kanaän, blz. 121-132, ga ik uitvoerig op de inname van Jericho in. Na de verovering van Jericho keerde Jozua zijn aandacht naar Ai dat slechts enkele kilometers westelijk van Jericho in Kanaän verwijderd was. Ai was een vestingstad met een inwonertal van twaalfduizend mensen zowel mannen als vrouwen (Jozua 8:25). Aan de wonderlijke verovering van Jericho door de Israëlieten was een voorwaarde verbonden geweest: zij mochten namelijk geen buit uit de stad Jericho nemen.

    Jozua 6:17 Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. 18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert. 19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen. (Statenvertaling)

     

    Het zevende hoofdstuk van het Bijbelboek Jozua brengt de smartelijke geschiedenis van Achan de zoon van Charmi uit de stam van Juda, die in overtreding van het gebod van het verbannen te nemen, toch buit voor zichzelf genomen had en in zijn tent verstopt. De noodlottige gevolgen van deze daad kwam aan het licht toen Jozua verkenners van Jericho naar de stad Ai zond tot verdere inbezitneming van Kanaän. Op advies van de verkenners zond Jozua daarop ongeveer drieduizend man naar Ai ter inname van de vestingstad. Tot hun verbijstering versloegen de inwoners van Ai de legereenheid van Jozua en doodden ongeveer 36 man (Jozua 7:5). Ik neem aan dat dit de eerste gesneuvelden waren bij de Israëlieten met de inname van Kanaän. De belegering en de inname van Jericho zag geen enkele gevallene aan Israëlitische zijde. Daarom de verbijstering bij Jozua en het volk bij deze eerste doden. Jozua ging daarop in gebed voor de ark des HEEREN ter verkrijging van een antwoord van de HEERE God. In het Bijbelboek Jozua 7:11-15 lezen we het antwoord en de instructie voor de wegneming van de ban (Jozua 6:18). De stam van Juda wordt aangewezen als de stam waar de boosdoener uit voortkwam. Om uiteindelijk bij de clan van Achan te belanden met in diens tent de verstopte buit: ‘een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen’. Het oordeel was drastisch maar blijkbaar nodig voor de rest van het volk dat nog een zware taak wachtte van zes jaar lang ter inbezitneming van het land Kanaän, op een veel sterkere vijand. Het waren ook allemaal jonge mensen. Jozua en Kaleb waren beide tachtigplussers en de enige overlevenden van de generatie die veertig jaar eerder uit Egypte met de exodus optrok. Wegens hun weigering en ongeloof om het Beloofde Land toen binnen te trekken werd die generatie veroordeeld tot veertig jaar omzwerving in de wildernis tot aan hun dood. De generatie die onder leiding van Jozua in 1443 v. Chr. aan de inname van Kanaän begon was in de wildernis geboren en opgegroeid.

    Jozua 7:24 Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. 25 En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. 26 En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.

     

    Na de voltrekking van het oordeel over de clan van Achan stuurt Jozua een nieuwe legertroep naar Ai, ditmaal dertigduizend man die met een krijgslist in staat zijn Ai te veroveren en te verwoesten. Hierna het relevante Bijbelgedeelte over de verwoesting van Ai door het leger van Jozua.

    Jozua 8:1 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven. 2 Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve. 3 Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit, 4 En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid. 5 Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden. 6 Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten. 7 Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de HEERE, uw God, zal ze in uw hand geven. 8 En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des HEEREN zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden. 9 Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks. 10 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht des volks, naar Ai. 11 Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai. 12 Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen der stad. 13 En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals. 14 En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage leide van achter de stad. 15 Jozua dan, en gans Israël, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn. 16 Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken. 17 En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna. 18 Toen sprak de HEERE tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan. 19 Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur. 20 Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.

     

     

    21 En Jozua en gans Israël, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai. 22 Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israëlieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam. 23 Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua. 24 En het geschiedde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards. 25 En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai. 26 Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had. 27 Alleenlijk roofden de Israëlieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had. 28 Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag. 29 En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. (Statenvertaling)

     

    Zoals de vernietiging van Ai beschreven wordt blijkt dat de vestingstad daarna voor een lange tijd niet herbouwd is geworden. Toen de Bijbelboeken eeuwen later gecompileerd werden bleek de stad nog altijd een puinhoop te zijn.

    Men zou verwachten dat de archeologie hier een middel heeft tot een correct dateren van de vernietiging van Ai in relatie tot Jericho dat in hetzelfde seizoen van het zelfde jaar door de Israëlieten vernietigd werd. Maar niets blijkt minder waar te zijn. Men heeft er figuurlijk (maar heel toepasselijk) een puinhoop van gemaakt. Het werk van Dr. Donovan Courville (1901/1996) is een eyeopener. The Exodus Problem and its Ramifications, 1971, Volume I, Chapter V, v. Het is een boek (twee volumes) dat ik in 1975 bij de aanvang van het bestuderen van mijn Bijbel aanschafte en sindsdien als naslagwerk gebruik. Naast zijn indrukwekkende lijst van onderscheidingen zoals B. Th., B.A., M.A., Ph. D, Chemistry, had Courville een grote interesse in archeologie, egyptologie en Bijbelse chronologie. In volume 2 (blz. 3) schrijft hij dat archeologie: “is anything but an exact science”, zo ook egyptologie en theologie. Met grote ijver heeft hij dan ook zijn opus magnum van haast zevenhonderd bladzijden voor Bijbelvorsers met interesse in egyptologie en archeologie, samengesteld en nagelaten. Wat Ai betreft hebben archeologen inderdaad vastgesteld dat de stad in de oudheid vernietigd werd maar dat deze vernietiging ongeveer zeshonderd jaar voor de intocht van de Israëlieten geschiedde en dat de vestingstad daarna meer dan achthonderd jaar een ruïne bleef. Sindsdien bestaat er een discussie waarbij het Bijbelverhaal meestal in twijfel getrokken wordt, daar waar men eerst de dateringsmethode in vraag zou moeten brengen. Wat blijft is een kluwen als een gevolg van het niet voor historisch correct houden van de relevante historische Bijbelboeken.

    Dr. Donovan Courville laat de Exodus op het einde van de Egyptische zesde dynastie van het Oude Rijk plaatsvinden en verplaatst Vroeg Brons IV naar de tweede helft van de vijftiende eeuw voor Christus. Het Egyptische Oude en Midden-rijk waren volgens Courville contemporain met slechts één tussenperiode, die van de Hyksos die na de Exodus met de vernietiging van het leger van farao, Egypte overrompelden. De Israëlieten vervolgden hun weg naar Kanaän dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij namen gepaard gaande met natuurlijke catastrofes op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Midden-brons periode onmiddellijk op het Vroeg-brons tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk – een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting van nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Men gaat in de verschillende strata op zoek naar de beschrijving die de Bijbel voor een bepaalde epoque verschaft en dateert de strata in kwestie aan de hand van de Bijbelse chronologie. Op deze wijze komt vroeg brons IV op de tijdsbalk zeshonderd jaar dichterbij. De Israëlieten die in 1443 v. Chr. aan de verovering van Kanaän begonnen waren nieuwkomers met een niet soort aardewerk. Alhoewel aanvankelijk hun aardewerk Egyptisch van oorsprong was dat zij bij de uittocht meegenomen hadden. Zo ook hun wapens die alle Egyptisch waren. Flavius Josephus geeft dit historisch detail door: Boek II, xvi,

    6. On the next day Moses gathered together the weapons of the Egyptians, which were brought to the camp of the Hebrews by the current of the sea, and the force of the winds resisting it; and he conjectured that this also happened by Divine Providence, that so they might not be destitute of weapons. So when he had ordered the Hebrews to arm themselves with them, he led them to Mount Sinai, in order to offer sacrifice to God, and to render oblations for the salvation of the multitude, as he was charged to do beforehand.

    Nog een interessante gedachte is de volgende: niemand twijfelt er aan dat de Israëlieten later het machtigste volk van Kanaän/Israël werden, maar dan veroverden zij op gelijke wijze het land. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn.

    Het is pas wanneer men de orthodoxe Egyptologie en haar dateringsmethode afwijst en men de nieuwe wijze van dateren hanteert dat men de verovering van Kanaän door de Israëlieten onder leiding van Jozua in het juiste strata beter kan traceren. Hierna het gereviseerde vereenvoudigde schema met in de rechterkolom de gecorrigeerde jaartallen voor de aardlagen:

    v. Chr.:

    VROEG BRONS        3000/1900                 1889/1443

    MIDDEN BRONS     1900/1550                  1443/1000

    LAAT BRONS                       1550/1200                  1000/860

    IJZER I                      1200/  930                   860/709

    IJZER II                       930/586                     709/586

     

    Volgens de orthodoxe jaartallen in de linker-kolom zoekt men vergeefs naar de intocht van de Israëlieten op het einde van het Laat Brons en begin IJzer I tijdperk. De gewelddadige intocht van de Israëlieten vanaf 1443 v. Chr. die gepaard ging met het tot op de grond toe verwoesten van steden zoals bijvoorbeeld Jericho, Ai en Hazor, vind men niet terug in de aardlagen zoals ze door de orthodoxie gedateerd werden. Over de inbezitneming van het beloofde land Kanaän schreef ik een hoofdstuk in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 121 -141. In hetzelfde hoofdstuk gaf ik aandacht aan de opgerichte steen van Jozua te Sichem die in het Bijbelboek Jozua 24:1-33 beschreven wordt. Hoofdstuk vierentwintig van het zesde Bijbelboek Jozua geeft in een notendop de geschiedenis van Israël weer vanaf Terach, de vader van Abraham, de uitroeping van Abraham, de wonderlijke geboorte van Izaak, gevolgd door Jakob en Esau, het verblijf in Egypte, de uitredding onder leiding van Mozes, de vernietiging van het leger van Farao in de Schelfzee, gevolgd door het lange verblijf in de wildernis, met daarna de inbezitneming van het land Kanaän. Het hoofdstuk eindigt met het sluiten van een verbond van Jozua met het volk na de oproep om de HEERE God trouw te blijven. Na het sluiten van het verbond richtte Jozua te Sichem een steen op en sprak het volgende: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.

     

    Tot op vandaag bevind er zich te Sichem nabij het Arabische Nabloes in Samaria een opgerichte steen op een archeologische site die algemeen in het Midden-brons gedateerd wordt.

    Het is de inmiddels bekende revisionist van de geschiedenis van de oudheid en egyptoloog David Rohl (A test of time, 1995, Hoofdstuk 14, Conclusie 36), die in zijn werk aandacht naar deze steen te Nabloes gaf. David Rohl is overtuigd dat deze steen degene is die Jozua oprichtte. Met het Midden-brons tijdperk nu gereviseerd naar de tweede helft van de vijftiende eeuw v. Chr. herkennen we in deze steen de opgerichte steen van Jozua die er vandaag als getuigenis nog altijd staat voor wie ‘zien’ wil.

     

    Hoofdstuk 12

    Het eerste Jubeljaar

     

    Met dit hoofdstuk maken we de aansluiting met mijn boek: dertig jubeljaren. Het sabbat-en jubeljaargebod van Leviticus hoofdstuk 25 ging in bij de inbezitneming van het land Kanaän door de Israëlieten.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    Jozua 5:10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.

     

     

    Dit Bijbelcitaat plaatsen we chronologisch op de tijdsbalk in de maand Nisan of maart/april, van het jaar 1443 v. Chr. En vanuit Jozua 5:12 maken we op dat toen in dat jaar 1443 v. Chr. met de maand nisan, de sabbatjaarcyclus van start ging met zeven jaar later het eerste sabbatjaar in apr1437/mrt1436 v. Chr. De verovering van Kanaän zou zes jaar in beslag nemen waarna het land onder de twaalf van stammen van Israël verdeeld werd.

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanaän dat ze veertig jaar later zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individuele verlies van land e.a. in het vijftigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van sommigen. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte dat een en ander duidelijk maakt. De volledige wet vind men in het Bijbelboek Leviticus 25:1-55.

    De geschiedvertelling die we hier brengen is geen gewone geschiedschrijving zoals met de geschiedenis van bijvoorbeeld Egypte, Assyrië e.a. volken, maar is Heilsgeschiedenis. De HEERE God heeft in Zijn eeuwig voornemen, de Israëlieten uitverkoren om tot Zijn doel te komen: het herstel van alle dingen. Het gaat om de beloofde Verlosser, waarvan de draad aanvangt in het eerste Bijbelboek Genesis, met de belofte van een herstel van alle dingen. De dood, het sterven, dat was gaan heersen vanaf de eerste rebellie van de mens, zou ooit aan zijn einde komen. Doorheen de Bijbel zien we dan ook de ontvouwing van de belofte van de komende Verlosser, van Genesis naar Exodus, naar Leviticus en zo verder ingevuld worden. Het begint bij Adam, daarna naar Seth, naar Noach, naar Sem, naar Abraham, naar Izaak, naar Jakob, naar Juda, naar David, om uiteindelijk de vervulling te vinden in Jezus Christus, de (ver)Losser.

     

    Hoofdstuk 13

    De eerste drieduizend jaar van Genesis tot de Tempel van Salomo

    Schema ‘s: dertig jubeljaren, 2018

     

    Met dit hoofdstuk behandelen we de Bijbelse chronologie vanaf het eerste Jubeljaar tot aan het jaar dat de Tempel van Salomo te Jeruzalem afgewerkt was, en sluiten hier de eerste drieduizend jaar Bijbelse geschiedenis sinds Genesis af. Het startjaar was de Genesis van de mens met 1656 jaar later het jaar van de Grote Vloed, dat ik in het jaar 2341/2340 v. Chr. dateerde en dit op basis van het chronologisch werken met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren (volgens de rekenwijze van William Whiston) in verbinding met de geslachtsregisters van het Bijbelboek Genesis. Het eerder geciteerde boek van Dr. Werner Papke aan: “Die Sterne von Babylon, 1989, Die geheime Botschaft des Gilgamesch – nach 4000 Jahren entschlüsselt” bezorgde mij een kruispeiling op de tijdsbalk. De auteur berekende namelijk de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN, 2015, op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. De Bijbel leert dat in het vierde regeringsjaar van Salomo de bouw aan de Tempel te Jeruzalem van start ging, en dat er sinds de Exodus 480 jaar verstreken waren.

     

     

    Tijdschema 1460/1447

     

     

    Tijdschema 1446/1433

     

    1 Koningen 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde. …

    … 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. (Statenvertaling)

     

    Aangezien ik de Bijbel als historisch correct hanteer, staat de beschreven tijdsspanne in 1 Koningen 6:1 van 480 jaar voor mij als historisch verifieerbaar vast en niet ter discussie. De dertig jubeljaren die er zich bevinden tussen de inname van het Beloofde Land Kanaän en het openbaar worden van Jezus Christus in 27 AD passen chronologisch nauwkeurig in de beschreven historische gebeurtenissen. Het zijn de historische jubeljaren die de sleutel tot het uittekenen van de tijdschijf van 480 jaar op de tijdsbalk zijn. Van het eerste jubeljaar af in 1395/1394 v. Chr. tellen we zeven maal zeven jaar terug ter berekening van het jaar van de intocht in Kanaän o.l.v. Jozua zijnde april 1443 v. Chr. Veertig jaar daarvoor in april 1483 v. Chr. vond de Exodus plaats, met vijftig dagen later het geven van de Tien Woorden aan Mozes. Vanaf de Wet tot aan de belofte aan Abraham zijn het 430 jaar verder de tijd in en maken we de verbinding met de jaartallen die het Bijbelboek Genesis geeft. Vanaf het verkregen jaartal voor de exodus: 1483 v. Chr. rekenen we 480 jaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo en het begin van de bouw aan de Tempel te Jeruzalem in 1003 v. Chr. Zeven jaar later in 996 v. Chr. was de Tempel klaar en blijken er drieduizend jaar sinds Genesis verlopen te zijn. In TIJD en TIJDEN, 2015, appendix 5, heb ik de anno mundi jaartelling uitgewerkt. Het resultaat is het jaartal anno mundi 3000 voor het afwerken van de Tempel en het wonen van de heerlijkheid des HEEREN in het Heilige der heiligen.

    1 Koningen 8:10 En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 12 Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.

     

    Mijn vraag is nu: had het Messiaanse Vrederijk toen een aanvang kunnen nemen? We weten dat het met Salomo anders gelopen is. In het najaar van 1007 v. Chr. nam Salomo bij de dood van zijn vader David twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) zijnde de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo met zijn zestien jaar aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen. Voor Salomo waren dit volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed. Hoewel er al zich donkere wolken aan zijn geestelijk firmament aftekenden. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. Het derde hoofdstuk van het Bijbelboek 1 Koningen verhaalt onder andere deze geschiedenis.

    1 Koningen 3:1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, den koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom. 2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe. 3 En Salomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten. 4 En de koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. 5 Te Gibeon verscheen de HEERE aan Salomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal. 6 En Salomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage. 7 Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan. 8 En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. 9 Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 10 Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; 12 Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. 13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 14 En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des HEEREN, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.

     

     

    Het zesde hoofdstuk van 1 Koningen geeft ons jaartallen waarmee we deze gebeurtenissen op de tijdsbalk kunnen plaatsen. De tempelbouw begon in het vierde jaar van Salomo in de tweede maand van de Israëlitische kalender, vierhonderdtachtig jaar na de Exodus uit Egypte (1 Koningen 6:1). Op onze tijdsbalk uitgetekend merken we dat het vierde regeringsjaar van Salomo van oktober 1004 tot september 1003 v. Chr. liep. In oktober van 1004 v. Chr. zat men in het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus, een jaar van dubbele zegening over het land. De oogst van dat jaar was voldoende voor het overbruggen van het zevende sabbatjaar gevolgd ditmaal door het jubeljaar, jaren dat er niet gezaaid werd maar dat men leefde van wat het land vanzelf opbracht. In het voorjaar van 1003 v. Chr. begon het zevende en laatste sabbatjaar van de zeven maal zeven sabbatjaarcyclus, gevolgd in oktober 1003 v. Chr. met het begin van het negende jubeljaar. In de praktijk betekende dit dat een groot aantal landbouwarbeiders nu ter beschikking waren voor de bouw van de tempel. Zeven jaar lang zou men aan de Tempel te Jeruzalem bouwen. In het elfde jaar van de regeerperiode van Salomo was het gebouw klaar.

    1 Koningen 6:37 In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv; 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. (Statenvertaling)

     

    De achtste maand van de Hebreeuwse kalender staat voor oktober/november van de westerse kalender. Volgens de westerse jaartelling zijn we hier in het najaar van 996 v. Chr. Na het afwerken van de Tempel te Jeruzalem vulde de ‘Heerlijkheid des HEEREN’ als een wolk het Heilige der heiligen in de Tempel.

    1 Koningen 8:10 En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 12 Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.

     

    Volgens de Joodse overlevering zou het wonen van de HEERE God in het Heilige der heiligen in de Tempel een jaar op zich hebben laten wachten.

    "The Temple was finished in the month of Bul, now called Marheshwan, but the edifice stood closed for nearly a whole year, because it was the will of God that the dedication take place in the month of Abraham's birth. Meantime the enemies of Solomon rejoiced maliciously. "Was it not the son of Bath-sheba," they said, "who built the Temple? How, then, could God permit His Shekinah to rest upon it?" When the consecration of the house took place, and "the fire came down from heaven," they recognized their mistake. The importance of the Temple appeared at once, for the torrential rains which annually since the deluge had fallen for forty days beginning with the month of Marheshwan, for the first time failed to come, and thenceforward appeared no more. "

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, V, Volume 4.

     

    Dat het met Salomo van toen af fout liep merken we in de Bijbel. Zo leert het hierna volgende Bijbelcitaat dat er jaarlijks bij Salomo 666 talenten goud werden binnengebracht. Dit getal is in het laatste Bijbelboek Apocalyps verbonden met de naam van het Beest, de pseudo-Messias van de eindtijd. Dit betekent historisch gezien dat Salomo zich van een oorspronkelijke vredevorst ontpopte tot een pseudo-vredevorst die zijn volk en zijn rijk uiteindelijk onheil bracht.

    1 Koningen 10:14 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds; 15 Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land. 16 Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. 17 Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning leide ze in het huis des wouds van Libanon. 18 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.

     

    De Joodse overlevering voegt nog een geloofwaardig detail aan de afvallige Salomo toe. Zo leert de legende dat het huwelijksfeest van Salomo met zijn Egyptische bruid op dezelfde dag geschiedde als de inhuldiging van de Tempel. Zijn vreugde was volgens de legende groter over zijn huwelijk dan als over het afgewerkt zijn van de Tempel. In de huwelijksnacht zou de dochter van farao op talloze verschillende muziekinstrumenten voor Salomo laten spelen hebben. Muziekinstrumenten die zij uit Egypte had meegebracht en waarvan elk instrument aan een Egyptische god opgedragen was. En telkens wanneer een muziekinstrument gebruikt werd, werd de naam van de Egyptische god luid op aangeroepen (The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter V, The Marriage of Solomon).

     

    Onmiddellijk na het afwerken van de Tempel liet Salomo zijn paleis oprichten en nog een bijzondere woning met de naam: ‘het huis des wouds van Libanon’, een bouwkunstwerk dat hij liet versieren met driehonderd gouden schilden.

    1 Koningen 7: 1 Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis. 2 Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.

     

    2 Kronieken 9:17 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.

     

    In vergelijking met de Tempel zou Salomo bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken laten besteden. Het toont al iets van de geestelijke metamorfose die zich aan het voltrekken was bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieëntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij de dochter van farao van Egypte gehuwd en deze in de Stad David ’s ondergebracht. Daarna zou hij als een ware oosterse potentaat een harem van 999 vrouwen verzamelen. Bij zijn dood in 967 v. Chr. scheurden zich vanwege het harde regeerbeleid van Salomo, tien van de twaalf stammen van Israël van zijn zoon en troonopvolger Rehabeam af. Rehabeam was de zoon van Salomo bij diens tot hoofdvrouw verkozen bruid: de Ammonietische Naäma. Het begin van de ongerechtigheid van Israël nam hier in 983 v. Chr. een aanvang. Over de geschiedenis van de tien stammen gaat mijn boek: Kronieken van de koningen van Israël, 2017. Naar het boek van de ‘Kronieken der koningen van Israël’ wordt in de Bijbelboeken 1 en 2 Koningen telkens aan het einde van een behandelde kroniek van een koning van Israël verwezen. Het is een boek dat over de eeuwen heen verloren ging. De geschiedenis van de koningen van Israël halen we vandaag uit de historische boeken van de Bijbel, de Psalmen, uit de werken van de oudheidhistoricus Flavius Josephus en uit de Joodse overleveringen en legendes. Het boek geeft in het bijzonder aandacht aan de Assyriologie en de link tussen beide koningslijsten: de Bijbelse koningslijst van het tienstammenrijk en de Assyrische koningslijst. De koningen van Assyrië die in de Bijbel vermeldt worden werden op de tijdsbalk verankerd met de chronologische gegevens die de Bijbel doorgeeft. Het boek sluit af met een hoofdstuk naar het toekomstig herstel van Israël in het oude land der vaderen waarbij in het bijzonder de stam Zebulon in verleden, heden en toekomst

     

    Het inwonen van de HEERE God in de Tempel te Jeruzalem in het jaar 3000 AM was een scharnierpunt in de heilsgeschiedenis dat het Messiaanse Vrederijk had kunnen zien aanvangen. Er waren echter voorwaarden aan verbonden, de Tien Woorden, de grondwet van het Koninkrijk moest gehouden worden. Uiteindelijk zou de Heerlijkheid des HEEREN de Tempel zes jaar voor de verovering van Jeruzalem in 586 v. Chr. door de Babylonische legers, verlaten.

    Ezechiël 8:1 Het geschiedde nu in het zesde jaar (oktober 593/september 592 v. Chr.), in de zesde maand (augustus/september), op den vijfden der maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand des Heeren HEEREN daar over mij viel. ….

    …. Ezechiël 10:18 Toen ging de heerlijkheid des HEEREN van boven den dorpel des huizes weg, en stond boven de cherubs. 19 En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid des Gods Israëls was van boven over hen.

     

    Toen de Tempel te Jeruzalem na de zeventigjarige ballingschap herbouwd werd keerde de Heerlijkheid des HEEREN niet terug en ook in de herbouwde tempel van Herodes ontbrak de Shekinah of Heerlijkheid des HEEREN. Met de eerste komst van de Messias Jezus van Nazareth zou de Heerlijkheid des HEEREN opnieuw in Israël in de persoon van de Heer Jezus aanwezig zijn.

    Johannes 2:18 De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten. 20 De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten? 21 Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams. 22 Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.

     

    Johannes 1:1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. ….

    …. 14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

     

    De Heer Jezus Christus werd echter bij zijn eerste komst door de Joden afgewezen zoals vers elf het meedeelt:

    Johannes 1:11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

     

    Het aanbod van de Messias en Zijn Vrederijk was reëel. Met Jom Kippoer op 29 september 27 AD maakte Jezus zich als Messias in de synagoge te Nazareth bekend door middel van het voorlezen van de profeet Jesaja hoofdstuk 61 en het uitroepen van ‘het aangename jaar des HEEREN’.

    Lucas 4:16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen. 17 En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was: 18 De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; 19 Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren. 20 En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. 21 En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld. 22 En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef? 23 En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapernaum geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland. 24 En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. 26 En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was. 27 En er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van den profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër. 28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. 29 En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op den top des bergs, op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. 30 Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.

     

    Daar waar de Heiland met Jom Kippoer te Nazareth stopte met lezen vervolgt de profeet Jesaja met de profetie van het beloofde herstel van alle dingen.

    Jesaja 61:1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; 2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods;…..enzoverder

     

    Tussen het uitroepen van het jaar van de welbehagen des HEEREN en de dag der wrake onzes Gods in vers twee zit een tijdskloof van twee dagen of ruim tweeduizend jaar. De dag van de wraak wordt vooral in het Bijbelboek Openbaring of Apocalyps beschreven en is nog toekomst.

    Deze geprofeteerde dag zal voorafgegaan worden door een pseudovredevorst zoals Salomo, die ook de Tempel te Jeruzalem zal herbouwen. De Heerlijkheid des HEEREN, de ware Sjekinah, zal echter daar ook wegblijven. De Sjekinah keert pas weder in de Tempel die de Messias zal bouwen zoals door de profeet Ezechiël (hoofdstuk 43) voorspelt. Dit is alles vandaag nog toekomst maar kan men chronologisch van uit de Bijbelse profetieën op een tijdsbalk uittekenen.

     

    Literatuurlijst:

    William Whiston, Translator, 1737 AD, The Works of Flavius Josephus

    The History of Herodotus, parallel English/Greek, English translation: G. C. Macaulay, (pub. Macmillan, London and NY), 1890 AD

    Seder Olam, The Rabbinic View of Biblical Chronology, translated and with commentary by Heinrich W. Guggenheimer, 1998

    Louis Ginzberg, 1909, The Legends of the Jews, a massive collation of the Haggada--the traditions which have grown up surrounding the Biblical narrative. These stories and bits of layered detail are scattered throughout the Talmud and the Midrash, and other sources, including oral. In the 19th century Ginzberg undertook the task of arranging the Haggada into chronological order, and this series of volumes was the result.

     

    18-05-2020 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!