Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    05-05-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET CHRONOLOGISCHE OPENBAAR OPTREDEN VAN JEZUS CHRISTUS IN DE EVANGELIEN
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Mijn inspiratie voor dit artikel haalde ik uit de N.I.V. Study Bible, New International Version, 1985, by The Zondervan Corporation. Deze Amerikaanse studiebijbel levert een tijdsbalk met de belangrijkste gebeurtenissen van Jezus’ bediening vanaf 26 AD tot aan zijn kruisdood, Opstanding en Hemelvaart in 30 AD. De afgebeelde tijdsbalk wordt weergegeven met een ‘Year of Inauguration’: zomer 26 AD tot zomer 27 AD, ‘Year of Popularity’: zomer 27 AD tot late herfst 28 AD, ‘Year of opposition’: late herfst 28 AD tot lente 30 AD. Goed overzichtelijk worden op het schema de geschiedenis van Jezus’ openbaar optreden vanuit de vier evangelisten aangebracht, beginnend met de ‘the year of Inauguration’ en de doop van Jezus door Johannes de Doper. Bij de doop worden de relevante Bijbelgedeelten aangegeven: Matteüs 3:13-17, Markus 1:9-11, Lukas 3:21-23, Johannes 1:29-39. En zo gaat dit schema chronologisch verder met iedere keer de Bijbelteksten die we bij de vier evangelisten voor elke gebeurtenis in het openbaar leven van Jezus terugvinden.

     

    Wat de samensteller(s) van het schema niet gezien hebben, en de aanzet tot het schrijven van dit artikel was, is het dertigste Jubeljaar van 27/28 AD en het chronologisch belang van dit feest tot het schikken van alle gebeurtenissen, voor en na dit feest, die de evangelisten opgetekend hebben. Het Jubeljaar 27/28 AD is aldus een ankerpunt op de tijdsbalk waarvan we naar voor en naar achter in de tijd navigeren.

     

    De Heer Jezus Christus maakte zich bij de aanvang van het 30ste Jubeljaar in oktober 27AD als Messias aan de Joden in de synagoge te Nazareth bekend. Bij de evangelist Lucas’ vierde hoofdstuk lezen we dat de Heer Jezus in de synagoge de boekrol van de profeet Jesaja werd overhandigd en de plaats opzocht waar geschreven stond:

     

    “De Geest des HEREN is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des HEREN. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld.”

     

    Het is met het voorlezen van dit gedeelte uit de Jesaja-rol dat Jezus ‘het aangename jaar des HEREN’ en zichzelf als de Gezalfde of Messias aan de Joden daar bekendmaakte.

     

    De gebeurtenissen van Lukas 4:16-31 dienen aldus in oktober 27 AD op de tijdsbalk ingevuld te worden. De N.I.V. Bijbel plaatst dit Bijbelgedeelte op het tijdsschema in de lente van 27 AD en heeft aldus geen oog voor de betekenis van het Jubeljaar. Als een gevolg van het geen rekening houden met het Jubeljaar krijgen vele andere beschreven gebeurtenissen door de evangelisten een verkeerde plaats op de tijdsbalk van de N.I.V. Wat ik behouden heb van de N.I.V.-tijdsbalk zijn de opgegeven Bijbelgedeelten van de evangelisten bij iedere gebeurtenis. De jaartallen en maanden op de tijdsbalk echter werden aangepast.

     

    Het Jubeljaar van 27/28 AD heb ik van William Whiston. Zie link: http://www.creabel.org/uploads/media/Bib-Egypt-Hfdst_1_03.pdf blz.35

     

    Het jaar van het begin van Jezus’ optreden liep van april 26 AD tot maart 27 AD en was volgens de sabbatjaarcyclus het zesde jaar en een jaar van dubbele zegening over het land. Het land gaf onder het oude verbond dan dubbel zoveel oogst zodat twee jaar overbrugd kon worden. Geestelijk gezien merken we de dubbele zegening in de komst van de Messias. Zijn doop plaatsen we in de zomer van 26 AD. Johannes de Doper was zijn bediening als heraut van de komende MESSIAS, het jaar eerder in 25 AD begonnen. Zie het artikel op deze blog van 04-04-2014 De zeventig jaarweken.

     

    De verzoeking in de woestijn door satan volgde kort na de doop, nog altijd in de zomer van 26 AD en wordt door drie evangelisten vermeld: Matteüs 4:1-11, Markus 1:12-13 en Lukas 4:1-13

     

    Het eerste wonder of teken van Jezus verhaalt de evangelist Johannes 2:1-11. De bruiloft van Kana in Galilea geschiedde in de herfst van 26 AD. Het was het begin van Zijn tekenen die zijn Messias-schap bevestigden. Dat de evangelist Johannes dit leerstellig als het eerste teken neerzet betekend dat alle legendes van Jezus die als kind zijnde al wonderen deed, niets anders dan legendes blijken te zijn en onwaar.

     

    Johannes 2:11 Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem. (NBG Vertaling 1951)

     

    De N.I.V. laat vervolgens het gesprek van Nicodemus met Jezus zoals door de evangelist Johannes 3:1-21 opgetekend, plaatsvinden in de winter van 26/27 AD, maar dit is fout. Het Johannesevangelie vermeldt namelijk het eerste Pesachfeest in Joh. 2:13 en dit vond plaats in het jaar volgend op de zomer van 26 AD: in april 27 AD. Het is het Pesachfeest dat het zevende jaar in de sabbatcyclus zag aanvangen. Het dertigste jubeljaar zou in oktober van dat jaar aanvangen. De spanning in Israël betreffende de verwachte komst van de Messias was te snijden. Daarom ook het gesprek van Nicodemus met de Heer Jezus. Het is het Pesachfeest ook waar het twistgesprek met de Farizeeën plaatsvond betreffende de Tempel te Jeruzalem. Jezus sprak van zichzelf dat Hij de Tempel in drie dagen zou herbouwen. De Farizeeën dachten dat Hij over het stenen gebouw sprak, maar Jezus had het over Zijn lichaam. Aan de Tempel werd toen al 46 jaar gewerkt. Vanaf april 27 AD zijn het 46 jaar terug tot het 18de regeringsjaar van Herodes de Grote. Zie het artikel op deze blog van 05-03-2014 De regeerperiode van Herodes de Grote.

     

    Na het Pesachfeest van de lente van 27 AD te Jeruzalem trok Jezus met zijn discipelen naar Judea:

    Johannes 3:22 Daarna ging Jezus met zijn discipelen naar het land van Judea en Hij vertoefde daar met hen en doopte.

     

    Na een korte tijd (nog altijd in de lente van 27 AD) ging het opnieuw richting Galilea doorheen Samaria waar in Sichar het gesprek met de Samaritaanse vrouw plaatsvond zoals in Johannes 4:1-42 verhaalt.

     

    Het was in de zomer van 27 AD wanneer Jezus opnieuw in Galilea te Kana volgens Johannes 4:43-54 zijn tweede teken verrichte: de genezing van de dodelijk zieke zoon van een hoveling uit Kafarnaüm.

    ^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^

    De evangelist Johannes gaat na het beschrijven van de terugkeer van Jezus naar Galilea over naar het volgende feest der Joden en slaat aldus twee seizoenen over:

     

    Johannes 5:1 Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem.

     

    Dit is het tweede Pesachfeest dat de evangelist Johannes vermeldt, een pelgrimsfeest dat alleen aangegeven wordt als ‘een feest der Joden’ wat tot discussie onder Bijbelvorsers geleidt heeft. In het licht van sabbat- en jubeljaartelling was het nochtans een bijzonder feest toen. Het Jubeljaar was het jaar daarvoor in oktober 27 AD begonnen en liep nog tot september 28 AD. En met Pesach 28 AD begon het eerste jaar in een nieuwe sabbatjaarcyclus. De algemene verwachting in Israël was dat de Messias zich spoedig zou openbaren.

    ^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^

    Maar eerst verder met de gebeurtenissen van de zomer van 27 AD. De evangelist Matteüs 4:12-25 beschrijft de roeping van de eerste apostelen en de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk. Wat ook de evangelist Lukas 5:1-11 beschrijft en Markus 1:16-20. De evangelist Lucas schrijft in zijn evangelie echter niet lineair-denkend want de gebeurtenis van Lucas 4:16-31 gaat hieraan vooraf.

     

    De belangrijkste gebeurtenis is de aanvang van het Jubeljaar in de herfst van 27 AD met de Heer Jezus Christus in de synagoge te Nazareth waar hij zich als de verwachte Messias bekend maakt, maar afgewezen wordt.

     

    De Bergrede waar Jezus Christus de grondwet van het komende koninkrijk Gods afkondigt plaatsen we in oktober 27 AD. Gedurende het ganse dertigste Jubeljaar wordt Israël dit Koninkrijk en zijn Koning aangeboden. De Bergrede in de hoofdstukken 5 tot en met 7 bij de evangelist Matteüs handelen over de Thora en haar correcte uitlegging door de Messias in tegenstelling tot de menselijke traditie-uitlegging.

     

    Matteüs hoofdstuk 8 en de genezing van de knecht van de honderdman plaatsen we op de tijdsbalk onmiddellijk na het verlaten van de berg in oktober 27 AD. Het schijnbaar identieke verhaal bij de evangelist Lucas 7:1 gebeurt echter een jaar later. Zie het artikel op deze blog van 23-01-2014: De Centurion.

     

    Matteüs 8:14 met de geschiedenis van de genezing van de schoonmoeder van Petrus plaatsen we onmiddellijk na de genezing van de knecht van de Centurion op de tijdsbalk. Ook de evangelisten Markus 1:29-34 en Lucas 4:38-41 brengen de geschiedenis van de genezing van de schoonmoeder van Petrus.

     

    Gedurende het gehele Jubeljaar van oktober 27 AD tot september 28 AD zou het aanbod van de Heer Jezus Christus gelden. De hoofdstukken 8 tot en met 12 bij de evangelist Matteüs gaan over deze periode. Matteüs 10 met de berichtgeving over de uitzending van de twaalf apostelen plaatsen we op de tijdsbalk in de herfst van 27 AD bij het begin van het Jubeljaar:

     

    Matteüs 10:5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; 6 begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. 7 Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.

     

    Messias Jezus van Nazareth wordt echter afgewezen en in Matteüs 11:16 en verder volgt de zogenaamde strafrede tegen de Joden die Hem afgewezen hebben. Dit Bijbelgedeelte plaatsen we aan het einde van het dertigste Jubeljaar in de herfst van 28 AD:

     

    Matteüs 11:16 Doch waarmede zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markten zitten en de anderen toeroepen:

    17 Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt.

    18 Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij zeggen: Hij heeft een boze geest. 19 De Zoon des mensen is gekomen, wèl etende en drinkende, en zij zeggen: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werken.

     

    Nadat de Joden het aanbod van het Koninkrijk en de Messias afgewezen hebben spreekt de Heer Jezus vanaf Matteüs 13 alleen nog in gelijkenissen tot hen.

     

    Matteüs 13:10 En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? 11 Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen  van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. 12 Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. 13 Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. 14 En aan hen wordt de profetie van Jesaja  vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 15 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen. 16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. 17 Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.

     

    De dood van Johannes de Doper volgt bij Matteüs 14:1-12 na het hoofdstuk over de gelijkenissen en plaatsen we op de tijdsbalk in de winter van 28/29 AD. De evangelisten Markus en Lucas vermelden ook beide deze dramatische gebeurtenis: Markus 6:14-29 en Lucas 9:7-9

     

    Met de lente van 29 AD begint het laatste jaar van Jezus’ optreden in Israël. Alle vier evangelisten vermelden het wonder van de spijziging van 5000 mensen: Matteüs 14-13-21, Markus 6:30-44, Lucas 9:10-17 en Johannes 6-1-14. Zo ook de demonstratie van Jezus’ macht en autoriteit over de natuurelementen aan het meer van Galilea waar zij verbijsterd uitroepen: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon! Matteüs 14:22-23, Markus 6:45-52 en Johannes 6:16-21.

     

    Alle gebeurtenissen beschreven bij Matteüs vanaf hoofdstuk 14:13 tot 17:27 plaatsen we op de tijdsbalk tot aan de herfst van 29 AD. Het zijn gebeurtenissen waar ook Markus en Lucas over verhalen.

     

    Het is de evangelist Johannes die voor deze periode weer een duidelijk navigatiepunt op de tijdsbalk opgeeft door zijn verwijzing naar het Loofhuttenfeest of Sukkot van oktober 29 AD. In Johannes 7:11-52 wordt deze gebeurtenis beschreven. Volgend met de genezing van de blindgeborene in Johannes 9:1-41 in de winter van 29 AD. Het bezoek van Jezus aan Maria en Martha in Bethanië zoals door de evangelist Lucas 10:38-42 gebracht zit eveneens op de tijdsbalk verankerd in het begin van de winter van 29 AD.

     

    Een volgend duidelijk navigatiepunt op de tijdsbalk levert weer de evangelist Johannes in het hoofdstuk 10:22 met de vermelding van het Chanoekafeest, ook het Tempelvernieuwingsfeest genoemd, van december/januari 29/30 AD waar Jezus toen in Jeruzalem was.

     

    Vandaar vertrok hij naar Perea, over de Jordaan, naar de plaats waar Johannes de Doper het eerst doopte. Het is dan januari 30 AD wanneer Hem daar het bericht bereikte dat Lazarus, de broer van Maria en Martha te Bethanië dodelijk ziek was. Na het vernemen van de toestand van Lazarus blijft Jezus nog twee dagen te Perea alvorens richting Bethanië te reizen. Het is de evangelist Johannes die in hoofdstuk 11 deze geschiedenis brengt. Bij aankomst te Bethanië blijkt Lazarus gestorven te zijn en al sinds vier dagen in de graftombe geborgen. En Jezus wordt door een wenende diep bedroefde Martha gewaarschuwd dat er al een lijklucht was. Wat volgt zijn de troostende woorden van de Heiland: Johannes 11:25 Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 26 en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?

     

    Voor een grote verzameling van mensen, zowel vrienden als familie van Lazarus, gaat Jezus naar de tombe waar Lazarus geborgen is en roept met luider stem, staat er geschreven: 11:43 Lazarus, kom naar buiten! 44 De gestorvene komt daarop naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en met een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.

     

    Dit was nog nooit eerder gezien in Israël en een zoveelste teken dat Jezus van Nazareth de Messias is. Tegelijkertijd luidt deze gebeurtenis echter de eindfase in van Jezus’ bediening voor een verloren wereld.

     

    Johannes 11:45 Velen der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in Hem; 46 maar sommigen van hen begaven zich naar de Farizeeën en zeiden hun, wat Jezus gedaan had. 47 De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? 48 Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen. 49 Maar één van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets, 50 en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. 51 Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, 52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. 53 Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden. 54 Jezus dan bewoog Zich niet meer vrij onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de landstreek dicht bij de woestijn, naar een stad, Efraïm genaamd, en Hij bleef daar met zijn discipelen. 55 Nu was het Pascha der Joden nabij en velen van het land gingen op naar Jeruzalem, nog vóór het Pascha, om zich te reinigen.

     

    Dit is het Pesachfeest van 30 AD waar alles wat geprofeteerd over de Messias geschreven staat, in vervulling zou gaan. Naar deze gebeurtenis en de aanloop ernaar gaan alle evangelisten over. De wijze echter waarop de vier evangelisten deze gebeurtenissen brengen is niet altijd lineair in de tijd gebracht en dit is een bron voor de Bijbelkritiek geweest. Op deze blog schreef ik al eerder op 24-01-2014 een artikel over de blinden te Jericho 30 AD ter rechtzetting van de kritiek op zogenaamde onduidelijkheden en tegensprekelijk-heden tussen de evangelisten betreffende de berichtgeving over de genezing bijvoorbeeld van de blinden te Jericho.

     

    De geschiedenis van de gebeurtenissen van de Pesachweek van 30 AD door de vier evangelisten gebracht zijn eveneens een bron van kritiek geweest voor de Bijbelkritiek. Deze kritiek is weerlegd en hierna volgt de rechtzetting zoals de Bijbelgeleerde dr. C.I. Scofield (1843-1921) het gebracht heeft. De hierna vermelde lijst met opgave van de correcte volgorde heb ik van het internet geplukt:

     

    The order of events on the night of the Passover supper appears to have been:

    (1) The taking by our Lord and the disciples of their places at the table;

    (2) the contention who should be greatest;

    (3) the feet washing;

    (4) the identification Judas as the traitor;

    (5) the withdrawal of Judas;

    (6) the institution of the supper;

    (7) the words of Jesus while still in the room Matthew 26:26-29; Luke 22:35-38; John 13:3-35; Matthew 14:1-31

    (8) the words of Jesus between the room and the garden Matthew 26:31-35; Mark 14:26-31; John 15:16,17 it seems probable that the high-priestly prayer John 17:1-26 was uttered after they reached the garden;

    (9) the agony in the garden;

    (10) the betrayal and arrest;

    (11) Jesus before Caiaphas; Peter's denial.

     

    A comparison of the narratives gives the following order of events in the crucifixion day:

    (1) Early in the morning Jesus is brought before Caiaphas and the Sanhedrin. He is condemned and mocked Matthew 26:57-68; Mark 14:55-65; Luke 22:63-71; John 18:19-24.

    (2) The Sanhedrin lead Jesus to Pilate, Matthew 27:1,2,11-14; Mark 15:1-5; Luke 23:1-5; John 18:28-38.

    (3) Pilate sends Jesus to Herod Luke 23:6-12; John 19:4.

    (4) Jesus is again brought before Pilate, who releases Barabbas and delivers Jesus to be crucified Matthew 27:15-26; Mark 15:6-15; Luke 23:13-25; John 18:39,40; 19:4-16.

    (5) Jesus is crowned with thorns and mocked Matthew 27:26-30; Mark 15:15-20; John 19:1-3.

    (6) Suicide of Judas Matthew 27:3-10.

    (7) Led forth to be crucified, the cross is laid upon Simon: Jesus discourses to the women Matthew 27:31,32; Mark 15:20-23; Luke 23:26-33; John 19:16,17.

     

    The Order of Events at the Crucifixion

    (1) the arrival at Golgotha Matthew 27:33; Mark 15:22; Luke 23:33; John 19:17

    (2) the offer of the stupefying drink refused Matthew 27:34; Mark 15:23

    (3) Jesus is crucified between two thieves Matthew 27:35-38; Mark 15:24-28; Luke 23:33-38; John 19:18-24

    (4) He utters the first cry from the cross, "Father, forgive," etc. Luke 23:34.

    (5) The soldiers part His garments Matthew 27:35; Mark 15:24; Luke 23:34; John 19:23

    (6) The Jews mock Jesus Matthew 27:39-44; Mark 15:29-32; Luke 23:35-38

    (7) The thieves rail on Him, but one repents and believes Matthew 27:44; Mark 15:32; Luke 23:39-43.

    (8) The second cry from the cross, "To-day shalt thou be with me," etc. Luke 23:43.

    (9) The third cry, "Woman, behold thy son" John 19:26,27.

    (10) The darkness Matthew 27:45; Mark 15:33; Luke 23:44.

    (11) The fourth cry, "My God," etc. Matthew 27:46,47; Mark 15:34-36

    (12) The fifth cry, "I thirst" John 19:28.

    (13) The sixth cry, "It is finished" John 19:30.

    (14) The seventh cry, "Father, into thy hands," etc. Luke 23:46.

    (15) Our Lord dismisses his spirit Matthew 27:50; Mark 15:37; Luke 23:46; John 19:30.

     

    The Order of Events with the Resurrection

    The order of events, combining the four narratives, is as follows: Three women, Mary Magdalene, and Mary the mother of Jesus, and Salome, start for the sepulchre, followed by other women bearing spices. The three find the stone rolled away, and Mary Magdalene goes to tell the disciples. Luke 23:55-24:9; John 20:1,2. Mary, the mother of James and Joses, draws nearer the tomb and sees the angel of the Lord Matthew 28:2. She goes back to meet the other women following with the spices. Meanwhile Peter and John, warned by Mary Magdalene, arrive, look in, and go away John 20:3-10. Mary Magdalene returns weeping, sees the two angels and then Jesus John 20:11-18 and goes as He bade her to tell the disciples. Mary (mother of James and Joses), meanwhile, has met the women with the spices and, returning with them, they see the two angels. ; Luke 24:4,5; Mark 16:5. They also receive the angelic message, and, going to seek the disciples, are met by Jesus. Matthew 28:8-10.

     

    The order of our Lord's appearances would seem to be: On the day of his resurrection:

    (1) To Mary Magdalene John 10:14-18.

    (2) To the women returning from the tomb with angelic message Matthew 28:8-10.

    (3) To Peter, probably in the afternoon Luke 24:34; 1 Corinthians 15:5.

    (4) To the Emmaus disciples toward evening Luke 24:13-31.

    (5) To the apostles, except Thomas Luke 24:36-43; John 20:19-24.

     

    Eight days afterward: (1) to the apostles, Thomas being present John 20:24-29.

    In Galilee: (1a) To the seven by the Lake of Tiberias John 21:1-23.

    (2) On a mountain, to the apostles and five hundred brethren 1 Corinthians 15:6. At Jerusalem and Bethany again:

    (1) To James 1 Corinthians 15:7.

    (2) To the eleven Matthew 28:16-20; Mark 16:14-20; Luke 24:33-53; Acts 1:3-12.

    To Paul:

    (1) Near Damascus Acts 9:3-6; 1 Corinthians 15:8

    (2) In the temple Acts 22:17-21; 23:11.

    To Stephen outside Jerusalem Acts 7:55.

    To John on Patmos Revelation 1:10-19.

     

    Zie link: http://www.biblestudytools.com/commentaries/scofield-reference-notes/

     

    Hierna een schema van de gebeurtenissen van Jezus’ openbaar optreden dat ik samenstelde:

     

    Jaartal        AD

    Johannes

    Marcus

    Lucas

    Matteüs

    Lente          25

     

     

     

    3:1-12

    Zomer

     

     

     

     

    Herfst

     

     

     

     

    Winter 25/26

     

     

     

     

    Lente          26

    6x7 sabbatjaar

     

     

     

     

    Zomer

    1:29-39

     

     

    1:12-13

    3:1-20

    3:21-38

    4:1-13

    3:13-17

     

    4:1-11

    4:12-16

    Herfst

    2:1-11

     

     

    4:17-25

    Winter 26/27

     

    05-05-2014 om 12:12 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE VERLOREN GEWAANDE TIEN STAMMEN
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het oude Israël telde aanvankelijk twaalf stammen die ten tijde van David en Salomo tot één verenigd koninkrijk samengesmeed waren. Na de dood van Salomo in 967 v. Chr., bij het begin van de regering van diens zoon Rehabeam, scheurden zich echter naar het uitgesproken Godsoordeel over Salomo, tien stammen af en vormden o.l.v. Jerobeam, het noordelijke koninkrijk, ook het tienstammenrijk genoemd. Alle opvolgers van Jerobeam kozen voor de afgodendienst in afwijzing van de God van Israël. Uiteindelijk werden zij na vele waarschuwingen van Godswege in het jaar 717 v. Chr. in ballingschap door de Assyriërs naar het noorden en het oosten van het Assyrische Rijk weggevoerd (zie het artikel op deze blog van 31-01-2014: Honderddertig jaar, zes maanden en tien dagen).

     

    2 Koningen 17:1 In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria; hij regeerde negen jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, echter niet zoals de koningen van Israël die vóór hem geweest waren. 3 Tegen hem trok Salmanassar, de koning van Assur, op; en Hosea onderwierp zich aan hem en betaalde hem schatting. 4 Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea ontdekte, dat hij gezanten naar So, de koning van Egypte, gezonden had en aan de koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot jaar, nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in boeien in de gevangenis. 5 De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar Samaria en belegerde het drie jaar. 6 In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden. (NBG 1951 Vertaling)

     

    Ten tijde van het tot stand komen van het Nieuwe Testament, zo een acht eeuwen later, was hun woonplaats nog bekend want Petrus, de apostel voor de Joden, in tegenstelling tot Paulus die de heidenen met het evangelie bekend ging maken, schrijft Petrus vanuit de stad Babylon zijn brieven aan hen. En ook de apostel Jacobus schrijft zijn brief aan de 12 stammen in de verstrooiing. En uit het Bijbelboek Handelingen blijkt ook dat alle 12 stammen en hun woonplaats toen nog bekend was. In het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen kunnen we het land van oorsprong vernemen van de Israëlieten aanwezig te Jeruzalem met het Pinksterfeest van 30 AD. De lijst begint heel opmerkelijk met Parten en Meden in het Oosten:

     

    Handelingen 2:En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. (NBG 1951 Vertaling)

     

    We moeten ook bedenken dat een rest, een overblijfsel van de tien stammen in het Judea van de eerste eeuw van de christelijke jaartelling aanwezig was. Enkele Bijbelgedeelten maken dit duidelijk. Zo leert de evangelist Lucas dat bij het opdragen van de baby Jezus (veertig dagen jong) in de Tempel te Jeruzalem, één van de twee getuigen Hanna de dochter van Fanuël, was. En dan kan men lezen dat zij uit de stam Aser was, één van de tien stammen dus.

     

    Lucas 2:36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

     

    Dat o.a. de stam Aser in Jeruzalem ten tijde van Jezus Christus in Judea vertegenwoordigd was is een gevolg van de handelingen van koning Jehizkia van Juda (723/694 v. Chr.). Zie het hierna volgende Bijbelgedeelte:

     

    2 Kronieken 30:1 Toen zond Jehizkia een boodschap tot geheel Israël en Juda, ja, zelfs schreef hij brieven aan Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen naar het huis des HEREN te Jeruzalem, om voor de HERE, de God van Israël, het Pascha te vieren. 2 En de koning, zijn oversten en de gehele gemeente te Jeruzalem overlegden, dat zij het Pascha zouden vieren in de tweede maand, 3 want zij konden het op de gewone tijd niet vieren, omdat zich niet voldoende priesters geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem samengekomen was. 4 Dit verwierf de goedkeuring van de koning en van de gehele gemeente. 5 Toen namen zij het besluit, een bevel te laten uitgaan door geheel Israël van Berseba tot Dan, om in Jeruzalem de HERE, de God van Israël, het Pascha te komen vieren, want men had het niet, zoals was voorgeschreven, algemeen gevierd. 6 De ijlboden nu gingen met de brieven van de koning en zijn oversten door geheel Israël en Juda, en zeiden overeenkomstig het gebod des konings: Israëlieten, keert weder tot de HERE, de God van Abraham, Isaak en Israël, dan zal Hij wederkeren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de macht van de koningen van Assur. 7 Weest dan niet als uw vaderen en als uw broeders, die ontrouw geweest zijn jegens de HERE, de God hunner vaderen, zodat Hij hen maakte tot een voorwerp van ontzetting, zoals gij ziet. 8 Weest thans niet hardnekkig zoals uw vaderen, geeft de HERE uw hand en komt tot zijn heiligdom, dat Hij voor altijd geheiligd heeft, en dient de HERE, uw God, opdat zijn brandende toorn zich van u afkere. 9 Want, wanneer gij wederkeert tot de HERE, dan zullen uw broeders en zonen erbarming vinden bij degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd, en dan zullen zij naar dit land wederkeren. Want genadig en barmhartig is de HERE, uw God: Hij zal het aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert. 10 Toen de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse trokken en tot Zebulon toe, lachte men hen uit en bespotte men hen. 11 Maar enige mannen uit Aser, Manasse en Zebulon verootmoedigden zich en kwamen naar Jeruzalem.

     

    Een volgende keer dat dit gebeurde was als een gevolg van de godsdiensthervorming ten tijde van koning Josia van Juda (640/609 v. Chr.). Toen kwamen ook enkelingen uit de tien stammen naar Jeruzalem over. Zie het hierna vermelde Bijbelgedeelten:

     

    2 Kronieken 34: 33 Josia verwijderde al de gruwelen uit al de landstreken die aan de Israëlieten toebehoorden, en bracht allen die zich in Israël bevonden, tot de dienst van de HERE, hun God. Gedurende heel zijn leven weken zij niet af van de HERE, de God hunner vaderen.

     

    2 Kronieken 35: 18 Zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël; geen der koningen van Israël heeft het Pascha gevierd zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond, en met de inwoners van Jeruzalem. 19 In het achttiende jaar van de regering van Josia werd dit Pascha gevierd.

     

    Deze mensen, deze rest van de tien stammen is later ook met de twee stammen Juda en Benjamin plus de Levieten door de Babyloniërs vanaf 605 v. Chr. tot 586 v. Chr. in ballingschap weggevoerd. Een rest van hen is blijkbaar dan ook onder Ezra en Nehemia teruggekeerd getuige de profetes Hanna van de stam Aser die bij het opdragen van de jonge boreling Jezus te Jeruzalem aanwezig was.

     

    Bij de tweede ballingschap na de tweede vernietiging van de Tempel te Jeruzalem in 70 AD door de Romeinen werd ook de rest, het overblijfsel van de tien stammen op dat ogenblik aanwezig in Judea door de Romeinen weggevoerd.

     

    De mensen die wij vandaag als Joden aanduiden kunnen aldus uit alle stammen van het oude Israël stammen. Alleen de Levi ’s en de Cohen ’s weten met zekerheid dat zij van de stam Levi afstammen. Wat trouwens heel opmerkelijk is.

     

    De profeten van de Bijbel spreken over een derde herstel van Israël in het oude land der vaderen. Een herstel dat momenteel nog in de toekomst ligt. Wanneer men deze profetische gedeelten van de Bijbel doorneemt is het opmerkelijk dat er expliciet een herstel van zowel de twee stammen als van de tien stammen gesproken wordt.

     

    Ezechiël 37:15 Het woord des HEREN kwam tot mij: 16 Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; 17 voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden. 18 Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? 19 zeg dan tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef – dat aan Efraïm toebehoort – en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in mijn hand. 20 Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn, 21 zeg dan tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. 22 En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. 23 Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. 24 En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. 25 Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. 26 Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. 27 Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 28 En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat. (NBG 1951 Vertaling)

     

    Waar bevind zich het gros van de verloren gewaande tien stammen vandaag? De Bijbel noemt in het eerder geciteerde Bijbelgedeelte van 2 Koningen 17 hun ballingsoorden: Assur, Chalach, aan de Chabor, aan de rivier van Gozan en in de steden der Meden.

     

    De meest oostelijke grens van het Medisch-Perzische Rijk was de rivier de Indus. Vertaald naar deze tijd is dit het gebied van Afghanistan met in de rand: Pakistan, Irak, Iran en Turkmenistan.

    De Jewish Encyclopedia.com (internet) schrijft het volgende over Afghanistan en de verloren tien stammen:

    “according to their native traditions, the Afghans also are to be identified with the Lost Ten Tribes. They declare that Nebuchadnezzar banished them into the mountains of Ghur, whence they maintained correspondence with the Arabian Jews. When some of the latter were converted by Mohammed, one Khalid wrote to the Afghans and invited them to embrace Islam. Several Afghan nobles went to Arabia under one Kais, who claimed trace his descent through forty-seven generations from Saul. He was accordingly greeted by Mohammed by the title of "malik," in deference to this illustrious descent. Kais is reported to have died at the age of eighty seven, in 662 and all the modern chiefs of Afghanistan claim to be descended from him (Malcolm, "History of Persia," ii. 596, London, 1815). The Afghans still call themselves "Beni-Israel," and are declared to have a markedly Jewish appearance. Their claim to Israelitish descent is allowed by most Mohammedan writers. G. Moore, in his "Lost Tribes" (pp. 143-160, London, 1861), also identified the Afghans with the Ten Tribes.”

     

    Geen één van de vele stammen die Afghanistan en daarbuiten vandaag rijk is kent echter zijn oorsprong. Wat religie betreft zijn zij volgelingen van de Arabische god Allah en diens profeet Mohammed. Zij zijn zelfs vanuit de Koran (Soera 17) tegen een in de Bijbel beloofde derde herstel van Israël in het oude land der vaderen.

     

    Er zal een ‘act of God’ nodig zijn om deze mensen hun Israëlitische wortels duidelijk te maken. Op Gods tijd echter zullen zij ooit in de toekomst aan hun tocht naar het Beloofde Land beginnen. Het zal een bewogen tocht worden. Het feit alleen dat men als individu tot een der verloren stammen behoord is geen vrijkaart voor het beloofde land want ook hier telt alleen geloof zoals het hierna vermelde Bijbelgedeelte leert:

     

    Ezechiël 20:34 Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid. 35 Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht. 36 Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, luidt het woord van de Here HERE. 37 Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. 38 Ik zal de weerspannigen uit u uitschiften en hen die tegen Mij overtreden hebben; wel zal Ik hen leiden uit het land waarin zij als vreemdelingen vertoeven, maar in het land van Israël zullen zij niet komen. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben. (NBG 1951 Vertaling)

     

    De aanvang van de terugkeer van de tien stammen gebeurt in de tweede helft van de zeventigste jaarweek van de profeet Daniël. Zie ook het artikel op deze blog van 04-04-2014: de zeventig jaarweken. Tijdens de eind slag, in het boek Openbaring Harmageddon geheten, wanneer het land Israël door de legers van de koning van het noorden (het nieuwe Assyrië) onder de voet wordt gelopen en schijnbaar verloren is zullen geruchten uit het noorden en het oosten (Daniël 11:40-44-45, 12:1) de koning van het noorden verontrusten, staat er geschreven. In het eindtijdscenario zijn dit de tien stammen die met sterke hand staat er geschreven bij de profeet Ezechiël, uit de landen hunner ballingschap worden weggevoerd richting beloofde land.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    24-04-2014 om 13:30 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.GOEDE VRIJDAG 7 APRIL 30 AD
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vrijdag 7 april 30 anno Domini. Maar hoe kunnen we zo zeker zijn van deze datum, heden 1984 jaar geleden, correct is? Het Nieuwe Testament leert dat de Heer Jezus’ kruisdood voor het Joodse Paasfeest gebeurde en voordat de sabbat begon, dus is de conclusie, was het een vrijdag in de late namiddag. Het oude Israël had een maankalender. De eerste maand van het jaar in die oude kalender was de maand Nisan (maart/april), de maand van de verlossing uit Egypte in 1483 v. Chr. Een nieuwe maand begon met de avond waarop de opkomende maan na zonsondergang voor het eerst zichtbaar werd. De lammeren op het Joodse pesachfeest werden geslacht op de 14de Nisan in de namiddag. Het Paasfeest werd bij zonsondergang gevierd (Zie: Leviticus 23:5 en Numeri 28:16).

     

    Astronomen kunnen heden terugrekenen wanneer in Jeruzalem bijna twee millennia geleden een nieuwe maand begon. De eerste dag van de maand Nisan kan aldus vastgesteld worden en de veertiende Nisan vult zichzelf in. Moderne astronomen (Astronomy and the date of the Crucifixion – Colin Humphreys and W.G. Waddington) leveren de volgende data af voor de veertiende Nisan op een vrijdag: 11 april 27 AD, 7 april 30 AD en 3 april 33 AD. Ik geef de drie data op aangezien er verschil van mening bij onderzoekers bestaat betreffende het correcte jaar van de kruisdood. Mijn bronvermelding van Colin Humphreys hierboven hanteert overigens 33 AD voor het jaar van de kruisiging. De motieven voor een late datum hebben (soms) hun reden van bestaan in de vervangingsleer die het christendom aanhangt. De leert die zegt dat de kerk(en) in de plaats van Israël gekomen zijn en alle oudtestamentische profetie in haar vervult. De 70ste jaarweek van de profeet Daniël bijvoorbeeld volgt aldus onmiddellijk op de 69ste jaarweek en is aldus al geschiedenis en kende haar eindvervulling in 33 AD.

     

    Maar waarom mijn keuze voor 7 april 30 AD? Omdat deze datum namelijk volledig past in de sabbat- en jubeljaaropgave van William Whiston. Het dertigste jubeljaar viel volgens Whiston in het jaar 27/28 AD. In oktober 27 AD werd dit aangename jaar des HEREN door Jezus’ in de synagoge van zijn vaderstad afgekondigd, zoals we kunnen lezen in het Lukas evangelie hoofdstuk 4:16. Het jaar 27 AD en de maand oktober worden aldus een ankerpunt waar we de chronologische gegevens van de evangeliën mee verankeren.

     

    De vier pelgrimsfeesten die de evangelist Johannes opgeeft passen in dit schema. Het eerste paasfeest dat Johannes 2:13 vermeld viel in de maand nisan van 27 AD. Het tweede pelgrimsfeest volgens Johannes 5:1 in 28 AD, het derde paasfeest naar Johannes 6:4 in 29 AD en het vierde paasfeest in 30 AD met het beschreven lijden, sterven, opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. Betreffende het derde paasfeest vermeld door de evangelist Johannes bestaat er verschil van mening onder onderzoekers. Sommigen lezen Johannes 6:1 door een westerse bril met een lineair tijd-denken en verklaren dat Jezus op een berg de broden vermenigvuldigende voor een menigte ver in het noorden van Israël onmogelijk tegelijkertijd in Jeruzalem kon zijn. De conclusie van sommige onderzoekers is zelfs dat dit Schriftgedeelte niet geïnspireerd is en later toegevoegd. Hierna het bewuste Schriftgedeelte:

     

    Johannes 6:1 “Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten?”

     

    Wanneer we dit Schriftgedeelte hebben doorgenomen kan de conclusie alleen maar zijn dat de vermenigvuldiging van de broden op de berg geschiedde kort voor het Pascha. Met ‘kort voor’, bedoelen we dan de tijd die nodig is om van het noorden van Israël naar Jeruzalem te trekken. Nog zulk een schijnbare moeilijkheid voor sommigen is de vermelding van ‘het feest der Joden’ in Johannes hoofdstuk 5:1. Is dit nu een verwijzing naar een Pascha of is een ander feest bedoelt? De verklaring leveren weer de sabbat- en jubeljarenopgave van William Whiston.

     

    Het paasfeest van 28 AD zag een nieuwe cyclus van 7 x 7 jaren aanvangen. Het was tevens de periode van het dertigste Jubeljaar sinds de instelling ervan en volgens een Rabbijnse traditie zat men in het vierde millennium anno mundi, de vierde dag van de Schepping die symbolisch voor het Licht stond. De zon der gerechtigheid, de Messias was komende. De algemene verwachting in Israël toen was dat de komst van de Messias nabij tot zeer nabij was. De wederkomst van de profeet Elia zou aan deze komst voorafgaan. Daarom ben ik van mening dat de evangelist Johannes naar ‘het feest der Joden’ verwijst. Het was inderdaad ook een feest toen (van geestelijk gezien; blinden en doven) met in gedachten al de nakende vertroosting van Israël.

     

    Met het paasfeest van 27 AD begon het zevende jaar in de sabbatjaarcyclus. Het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus, een jaar van de beloofde dubbele zegening liep aldus van april 26 tot maart 27 AD. Het was het jaar van het optreden van Johannes de Doper, de doop van Jezus in het najaar, de verzoeking in de woestijn, het uitroepen van de eerste discipelen en het begin van het openbaar optreden van Jezus Christus in Israël. In de zomer van 26AD was Jezus dertig + jaar oud. Hij was namelijk geboren in de vijfde maand (Ab = juli/augustus) van het jaar vijf voor Christus.

     

    Deze constructie moet eveneens duidelijk maken waar juist het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius op de tijdsbalk te verankeren is. Het vijftiende jaar van Tiberius liep van oktober 26 tot september 27 AD. Het is de evangelist Lukas die het optreden van Johannes de Doper aan het vijftiende regeringsjaar van Tiberius koppelt. Betreffende het exacte begin van de regering van Tiberius bestaat onenigheid tussen onderzoekers. Moet men rekenen vanaf de dood van keizer Augustus in 14 AD of vanaf 12 AD wanneer Tiberius als ‘co-princeps’ van Augustus over het oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk benoemd werd. Deze aanstelling als co-regent vinden we in Romeinse bronnen terug: SUETONIUS, Tib. Vita, 21 a.u.c.765. De conclusie moet zijn dat volgens de hier aangeboden chronologische reconstructie de evangelist Lukas het co-regentschap bedoelde. Voor wat het oostelijk gedeelte van het Romeinse Rijk betreft en waar Judea een onderdeel van was, was Tiberius vanaf 12 AD de-facto Keizer.

     

    Vanaf het eerst vermelde Paasfeest door de evangelist Johannes in hoofdstuk 2:13 in 27 AD zijn het 46 jaar terug tot het begin van de herbouw van de Tempel te Jeruzalem door Herodes de Grote.

     

    Johannes 2: 20 De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21 Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. 22 Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had. 23 En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed;

     

    Dit Schriftgedeelte leert dat er 46 jaar zijn vanaf het beginjaar van de herbouw van de tempel door Herodes de Grote in 20 v. Chr. en het eerste Pesachfeest dat de evangelist Johannes vermeldt. Het is Flavius Josephus, de Joodse historicus uit de eerste eeuw na Christus, die jaartallen geeft.

     

    Josephus (Joodse Oudheden Boek XV, xi.1-6) schrijft dat Herodes in zijn 18de regeringsjaar besloot tot herbouw van de tempel. Verder schrijft Josephus dat aanvankelijk 18 maanden aan de tempel gewerkt werd. Exact 46 jaar later speelt Johannes hoofdstuk 2 zich af. (Zie eveneens het artikel op deze blog van 05-03-2014 -de regeringsperiode van Herodes de Grote)

     

    Al de verkregen jaartallen via de jubeljaartelling van William Whiston in dit artikel bevestigen het jaar 30 AD als het jaar van de kruisdood van de Christus, gevolgd door Zijn Opstanding en Hemelvaart. En de belofte van Zijn wederkomst.

     

    1 Korintiërs 15:1 Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, 2 waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn. 3 Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften , 4 en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, 5 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. 6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. 7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; 8 maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. (NBG Vertaling 1951)

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    14-04-2014 om 10:12 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DRIE DAGEN EN DRIE NACHTEN?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Deze week is het Goede Vrijdag. Het zal dan 1984 jaar geleden zijn dat het Lam van God, de Heer Jezus Christus, op vrijdag 7 april 30 AD zijn leven gaf voor een verloren wereld.

    Johannes 3: 14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, 15 opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. 16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

     

    Met de vermelding ‘Goede Vrijdag’ volg ik de christelijke overlevering die leert dat de Heer Jezus Christus op een vrijdag Zijn leven gaf.

     

    2 Thessalonicenzen 2:15 “Zo dan, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn.”

     

    Betreffende de kruisiging van Christus op een vrijdag, ‘goede vrijdag’ genoemd in het christendom, bestaat nochtans onenigheid. Een gelanceerde nieuwe theorie plaatst het sterven van Jezus op woensdag of donderdag. Dit zou volgens deze nieuwe theorie aansluiten bij de woorden van Jezus  zelf wanneer Hij verwees naar het teken van Jona die drie dagen en drie nachten in het zeemonster verbleef.

     

    Matteüs 12: 40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.

     

    Bedoelde Jezus letterlijk drie dagen en drie nachten of was dit een manier van uitdrukken in die tijd? De Bijbel geeft een duidelijk antwoord. Enkele voorbeelden hierna:

     

    Exodus 24:18 “Mozes ging de wolk in en besteeg de berg. En hij bleef op de berg veertig dagen en veertig nachten

     

    1 Samuël 30: 11 Toen vonden zij op het veld een Egyptenaar en brachten hem bij David. Zij gaven hem brood en hij at, zij lieten hem water drinken, 12 en gaven hem een schijf geperste vijgen en twee rozijnenkoeken, en toen hij dat gegeten had, keerde zijn geest in hem terug, want hij had gedurende drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 13 Daarop vroeg David hem: Van wie zijt gij en waar komt gij vandaan? Hij antwoordde: Ik ben een Egyptische jongeman, een slaaf van een Amalekiet. Mijn heer heeft mij achtergelaten, omdat ik drie dagen geleden ziek werd.

     

    Jona 1: 17 “En de HERE beschikte een grote vis om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten

     

    Job 2: 11 Toen nu de drie vrienden van Job hoorden van al het leed dat hem getroffen had, kwam ieder van hen uit zijn woonplaats: de Temaniet Elifaz, de Suchiet Bildad en de Naämatiet Sofar; en zij kwamen volgens afspraak bij elkander om hem te gaan beklagen en te troosten. 12 Toen zij van verre hun ogen ophieven, herkenden zij hem niet. Zij verhieven hun stem en weenden, scheurden hun mantels en strooiden stof op hun hoofd, hemelwaarts. 13 En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat zijn smart zeer groot was.

     

    Het toevoegen van de nachten aan het aantal dagen die verstrijken zouden, was gewoon een manier van uitdrukken. Mozes vastte veertig dagen en veertig nachten. Wanneer David en zijn mannen een Egyptische slaaf van een Amalekiet tegenkomen die gedurende drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken heeft, blijkt dat hij drie dagen eerder ziek was geworden. Heel duidelijk is hier sprake van een afgeronde periode en niet van exact 72 uur. Jona was in de vis drie dagen en drie nachten. Jobs vrienden zaten zeven dagen en zeven nachten bij hem. We merken op dat geen Jood van de oudheid zou spreken van “zeven dagen en zes nachten” of “drie nachten en twee nachten”, zelfs als dit de periode was die hij aan het beschrijven was. De uitdrukkingen in die tijd spraken altijd van een gelijk aantal dagen en nachten en als een Jood zou spreken van een periode van drie dagen die alleen twee nachten beslaat, zou hij moeten spreken van drie dagen en drie nachten.

     

    Een goed voorbeeld hiervan wordt gevonden in het Bijbelboek Ester waar de koningin zei dat niemand gedurende drie dagen en drie nachten mocht eten of drinken, maar op de derde dag - toen slechts twee nachten gepasseerd waren-  ging Ester de kamer van de koning binnen en het vasten werd beëindigd.

     

    Esther 4:15 Toen liet Ester het volgende antwoord aan Mordechai geven: 16 ‘Roep alle Joden die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ’s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. En na die voorbereiding zal ik naar de koning gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.’ 17 Mordechai ging weg en deed wat Ester hem had opgedragen.5:1 Toen de derde dag aangebroken was, hulde Ester zich in een koninklijk gewaad en ging naar de binnenhof van het koninklijk paleis. Daar bleef ze staan, tegenover de troonzaal. In de zaal zat de koning op zijn koninklijke troon, tegenover de ingang. 2 Zodra hij koningin Ester in de hof zag staan, voelde hij zo veel genegenheid voor haar dat hij haar de gouden scepter toestak die hij in zijn hand hield. Ester ging naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. 3 Toen vroeg de koning haar: ‘Wat is er, koningin Ester? Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, het zal u gegeven worden.’ 4 En Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij dan vandaag nog samen met Haman bij mij komen en deelnemen aan de feestelijke maaltijd die ik voor hem heb bereid.’ 5 Daarop gaf de koning bevel om Haman zo snel mogelijk te halen. ‘We zullen doen,’ zei hij, ‘wat Ester verzoekt.’

     

    We stellen dus vast dat “drie dagen en drie nachten” in de Hebreeuwse terminologie, niet noodzakelijk een volledige periode van drie werkelijke dagen en drie werkelijke nachten betekent, maar dat het slechts een uitdrukking was om een deel van de eerste en de derde dag uit te drukken.

     

    Ook in het berekenen van regeringsjaren jaren van hun koningen hanteerden de Israëlieten van de oudheid dezelfde manier van rekenen als met dagen en nachten. Een koning die de troon besteeg in de loop van jaar één, daarna een heel jaar regeerde en in de loop van het daaropvolgende jaar vervangen werd, regeerde volgens de Israëlieten drie jaar en niet de werkelijke periode van één jaar en twee gedeelten van een jaar.

     

    Er is nog een belangrijke aanwijzing in de Bijbel dat toen Jezus de Joden vertelde dat hij drie dagen en drie nachten in de aarde zou zijn, zij begrepen dat de vervulling van de profetie al na twee nachten verwacht kon worden. Op de dag na zijn kruisiging, dat is, na slechts één nacht, gingen zij naar Pilatus en zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt. Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag. Hierna het volledig citaat:

     

    Matteüs 27: 62 De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk tot Pilatus, 63 en zij zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt. 64 Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag; anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste. 65 Pilatus zeide tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten. 66 Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebben.

     

    Wij zouden heden met ons lineair tijds-denken “na drie dagen” verstaan als ieder moment op de vierde dag, maar, volgens de uitdrukkingen van de Joden van Jezus’ tijd wisten zij dat dit naar de derde dag verwees en ze waren bezorgd om het graf van Jezus onbewaakt te laten tot de derde dag na slechts twee nachten. De conclusie moet zijn dat de uitdrukking: “drie dagen en drie nachten” geen volledige periode van tweeënzeventig uur betekent, maar iedere mogelijke tijdsperiode, die een periode tot en met drie dagen beslaat.

     

    De overlevering van ‘goede vrijdag’ is aldus betrouwbaar.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    13-04-2014 om 09:03 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    10-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE HETHIETEN-KONINGEN EN DE REVISIE VAN DE GESCHIEDENIS VAN DE OUDHEID
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De start van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft haar reden en oorsprong bij de orthodoxe Egyptologie die via een vermeende Sothis-kalender haast geen ruimte voor de Bijbelse historische Boeken liet. Daarom was het noodzakelijk tot een herschikking van de verschillende farao’s en hun dynastieën op de tijdsbalk te komen met ditmaal Bijbelse ankerpunten. Het was wijlen Dr. Immanuël Velikovsky die in de tweede helft van de twintigste eeuw de aanzet gaf. Een groot aantal revisionisten van de geschiedenis van de oudheid hebben sindsdien veel van de bevindingen van Velikovsky opgegeven en alternatieve revisies gepubliceerd. Ik ben echter van mening dat het nodige eerbetoon naar de persoon van Velikovsky blijvend op zijn plaats is, aangezien zonder Velikovsky er waarschijnlijk heden geen historisch-chronologisch onderzoek zou zijn.

     

    En het gaat niet alleen om de historische boeken van de Bijbel. De orthodoxe Egyptologie is in feite o.a. verantwoordelijk voor de zogenaamde ‘duistere eeuwen’ die gefabriceerd werden als een gevolg van het linken van Klein-Aziatische vorsten en gebeurtenissen aan de regeerperioden van bepaalde farao ’s.

     

    Zulk een voorbeeld zijn de invallen van de zeevolken tegen wie farao Ramses III moest strijden, die door de orthodoxe Egyptologie in de twaalfde eeuw voor Christus op de tijdsbalk geplaatst wordt. Zie het artikel op deze blog van 22-03-2014: de zeevolken. We hebben hier ditmaal te maken met een buiten-Bijbelse anomalie die gecreëerd werd als een gevolg van de foutieve datering van de regeerperiode van Ramses III op de tijdsbalk in de twaalfde eeuw v. Chr. De orthodoxie laat het Hethieten-rijk als een gevolg van de invasie van de zeevolken ten ondergaan in de twaalfde eeuw voor Christus. Een anomalie is dat de Assyriërs tot in de achtste eeuw voor Christus naar de Hethieten in hun bewaarde annalen verwijzen. En het is het Hethieten-rijk dat in dit artikel aandacht krijgt.

     

    Het Hethieten-rijk wordt door de gevestigde geschiedschrijving in drie perioden verdeeld. Men spreekt over het Oude Rijk, een Midden Rijk en een Nieuw Rijk. Over de Hethieten schreef ik al, zij het summier, in mijn eerdere publicatie ‘Van Noach tot Christus’(1987) en ‘Kroniek van het Oude Israël’(1993). Vooral het baanbrekend werk van Dr. Donovan Courville (The Exodus Problem and its Ramifications, Volume 2, Chapter 17) was toen mijn leidraad.

     

    De Bijbelse Hethieten hebben hun oorsprong bij Heth (Genesis 10:15), een zoon van Kanaän, een zoon van Cham, een zoon van Noach. Hun oorsprong gaat dus helemaal terug tot de periode na de zondvloed en spraakverwarring in circa 2200 v. Chr. Aanvankelijk was hun woongebied Kanaän.

     

    Het Oude Rijk van de Hethieten heeft volgens de nieuwe chronologie haar begin in de periode na de intocht van de Israëlieten in Kanaän in het jaar 1443 v. Chr. De Hethieten werden in de jaren daaropvolgend uit Kanaän verdreven en vestigden zich later in Anatolië in het gebied van het huidige Turkije. Vanuit hun nieuwe hoofdstad Hattoessa, het huidige Böghazkoy, zouden zij in korte tijd heel de regio overheersen.

     

    Jozua 3:En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben. Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan. Toen zeide Jozua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de HERE, uw God. 10 Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u uit verdrijven zal: 11 ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.

     

    Dr. Courville (zie: Van Noach tot Christus, 1987, hoofdstuk 10 t/m hoofdstuk 13) plaatst de Hethietische koning Pithanus in de 15de eeuw voor Christus op de tijdsbalk, tot op koning Telepinus in de 11de eeuw v. Chr., die hij met Ilu Teshup uit Assyrische bronnen identificeert. Het was de Assyriër Tiglath Pileser I die aan het Oude Rijk van de Hethieten een einde bracht. Wat volgde was een chaotische periode, genaamd het Midden Rijk, tot aan de regering van Tudhaliyas II, die het tijdperk van het zogenaamde Nieuwe Rijk inluidde.

     

    Ten tijde van koning Salomo (1007/967 v. Chr.) heeft de Bijbel het over de koningen van de Hethieten in het meervoud en moeten we ons een serie stadstaten voor de geest halen.

    1 Koningen 10:27 En de koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen, en de ceders als moerbeivijgen die in menigte in de Laagte groeien. 28 De levering van de paarden die voor Salomo bestemd waren, geschiedde uit Misraïm en uit Kewe; de handelaars van de koning haalden ze tegen marktprijs uit Kewe. 29 Een wagen uit Misraïm stelden zij echter bij levering op zeshonderd, en een paard op honderd vijftig eenheden zilver; evenzo voerde men ze door hun bemiddeling uit naar alle koningen der Hethieten en naar de koningen van Aram.

     

    De chaotische periode van het zogenaamde Midden Rijk werd naar mijn vermoeden ook veroorzaakt door het optreden van farao Thothmosis III alias Sisak die in 963 v. Chr. (gereviseerde chronologie) aan een serie jaarlijkse campagnes naar Klein-Azië begon. En indien we Herodotus voor waar houden, ook naar Europa. Herodotus’ (Boek 2, 102-111) Sesostris marcheerde tot Kolchis aan de Kaspische Zee en drong zelfs door tot in Europa waar hij Skythië en Thracië veroverde en aldus op weg ook het Hethieten-rijk in Klein-Azië bezette of schatplichtig maakte.

     

    Wat volgde was een duistere periode tot het Nieuwe Hethietische Rijk, onder leiding van Tudhaliya, opkwam. Gereviseerd kom ik ongeveer rond 920 v. Chr. uit voor de beginperiode van de regering van Tudhaliya. Dit past in het Bijbelse plaatje dat opnieuw een sterk Hethieten-rijk laat zien ten tijde van de belegering van Samaria door Benhadad, de koning van Aram in 892 v. Chr.

     

    2 Koningen 7:Want de HERE had het leger der Arameeërs een geluid doen horen van wagens en paarden, het geluid van een grote legermacht, zodat zij tot elkander zeiden: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons de koningen der Hethieten en van Misraïm gehuurd om ons te overvallen. Daarom waren zij opgesprongen en in de avondschemering gevlucht en hadden hun tenten achtergelaten, ook hun paarden, hun ezels, de hele legerplaats zoals die was; zij waren gevlucht om hun leven te redden.

     

    Wat we aan historisch chronologisch materiaal betreffende de Hethieten hebben, is fragmentarisch. Geen of weinig regeerperioden van de verschillende koningen zijn bekend. Wat we wel hebben zijn enkele raakpunten met contemporaine Assyrische en Egyptische koningen. Op deze manier is het mogelijk om het Nieuwe Rijk van de Hethieten ongeveer op de tijdsbalk te rangschikken. Zo heeft o.a. Suppiluliuma gecorrespondeerd met farao Amonhotep IV alias Achnaton alias Nafoeria, en is er een schrijven bekend van de weduwe van Nafoeria/Achnaton. Zodoende loopt de regeerperiode van de Hethietische koning contemporain met die van farao Achnaton. Enkele belangrijke puzzelstukjes kunnen zodoende ingevuld worden. De gereviseerde jaartallen van Achnaton zijn: 735/687 v. Chr. De regeerperiode van Suppiluliuma bedraagt ongeveer 60 jaar. De eerstgeborene van Suppiluliuma en kroonprins was Arnuwanda die op weg naar Egypte, op uitnodiging van de weduwe van farao Achnaton, om het leven kwam, vermoedelijk als een gevolg van de pest die toen heerste. We zijn namelijk in bezit vanuit een Hethietische bron, van een schrijven van Dakhamunzu, de Hethietische naam van de weduwe van Achnaton. Deze farao had volgens dezelfde Hethietische bronnen de naam Nibkhururija of Piphuriryas. En na diens dood verzocht Dakhamunzu, de weduwe van Nibkururija/Achnaton, aan Suppiluliuma tot uithuwelijking aan een zoon van hem. Zodoende kunnen we de Hethiet Suppiluliuma met de Egyptische koningslijst verankeren.

     

    De opvolger van Suppiluliuma werd Mursilis II die in het tweede jaar van de regering van farao Smenkhkare, de opvolger van Achnaton, zijn regeerperiode aanvangt. Mursilis II was niet de kroonprins maar de jongere broer. In het tiende regeringsjaar van koning Mursilis II maken Hethietische annalen melding van een kosmisch zonfenomeen en dit levert een volgend ankerpunt op de tijdsbalk op. Assyrische bronnen vermelden namelijk een kosmisch fenomeen ten tijde van de invasie van Egypte door Essarhaddon in 671 v. Chr. Beide fenomenen zijn één en dezelfde en zodoende verankeren we het tiende regeringsjaar van Mursilis met 671 v. Chr.

     

    Een volgende verankering levert ons de Hethiet Hattoesilis III die streed tegen en daarna een vredesverdrag sloot met farao Ramses II. Deze farao begint gereviseerd zijn regeerperiode in 610 v. Chr. en het vredesverdrag met de Hethieten-vorst Hattoesilis, in Ramses II’ 21ste regeringsjaar, of gereviseerd in 590/589 v. Chr. Vanaf dit verkregen jaartal plaatsen we de opvolgers van Hattoesilis III op de tijdsbalk tot aan de val van Hattoessa in 546 v. Chr. door Croesus, gevolgd door de Meden en Perzen wat het definitieve einde voor het Hethieten-rijk betekende.

     

    Het bestuderen van orthodoxe werken vooraleer Velikovsky met zijn theorieën het establishment aanviel is altijd lonend. Zo schrijft Dr. Margarete Riemschneider onverbloemd over de verwijzing naar het product ijzer ten tijde van de regering van Hattoesilis, terwijl het orthodox gezien niet evident is dit product in het Brons tijdperk tegen te komen. Tijdens de regering van Hattoesilis is namelijk een schrijven  bekend van waarschijnlijk een Assyrische vorst met het verzoek om het zenden van ijzer (Dr. Margarete Riemschneider, Die Welt der Hethieter, blz. 34). Hattoesilis gaf een ontwijkend antwoord, schreef dat zijn magazijnen leeg waren en het jaargetijde niet geschikt voor verwerking van ijzer, maar stuurde als teken van goede wil een ijzeren dolk naar de Assyriër.

     

    Hierna de Hethieten-koningslijst die gereviseerd chronologisch gerangschikt werd:

     


    Koning:

    v. Chr.:

    (circa)

    Historische gebeurtenis

    Tudhaliya I

    co-regent Arnuwanda

    920/860

    Tijdgenoot van Tukulti Ninirta II (923/917) en Salmaneser III (895/860)

    Arnuwanda I

    860/843

     

    Hattoesilis II

    843/790

    Tijdgenoot van Assur Nerari V (790/782)

    Tudhaliya II

    790/761

     

    Tudhaliya III

    761

     

    Suppiluliuma I

    761/681

    712 v. Chr. invallen zeevolken - contemporain met Ramses III/Amonhotep IV

    Arnuwanda II

    687

    sterfjaar

    Mursilis II

    681/662

    10de jaar gelijk aan: 671 v. Chr. met meganatuurcatastrofe

    Muwatalli II

    662/653

     

    Mursilis III

    653/621

    621 zonsverduistering

    Hattoesilis III

    621/596

    contemporain met Ramses II

    Tudhaliya IV

    596/566

     

    Karunta

    566

     

    Arnuwanda III

    566/561

     

    Suppiluliuma II

    561/546

    546 val Hattoessa

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    10-04-2014 om 10:09 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Jubeljaren van okt.709/sep.708 v. Chr. en okt.23/sep.22 v. Chr. onder de loep.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Met dit artikel wens ik twee historisch verifieerbare jubeljaren onder de aandacht te brengen. De jubeljaren en de wijze van rekenen van de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Er waren in totaal 30 jubeljaren vanaf de eerste viering in 1395/1394 v. Chr. tot het optreden van Jezus Christus in 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ (Lucas 4) uitriep en zich als de Messias voor de Joden bekendmaakte. Hierna een opsomming van alle jubeljaren vanaf één tot dertig.

     

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen voor Christus: Historische periode:

    1.       1395/1394                                      Richter Othniël

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                                      Richter Ehud

    4.      1248/1247                                      verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                                       Richter Thola

    6.      1150/1149                                       verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                                       Richter en profeet Samuël

    8.      1052/1051                                       Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                                         Rehabeam

    11.     905/904                                        Josafat

    12.     856/855                                         Joas

    13.     807/806                                        Amazia

    14.     758/757                                         Uzzia

    15.     709/708                                        Het 14de jaar van Hizkia

    16.     660/659                                        Manasse

    17.     611/610                                          Josia - Val Nineveh

    18.     562/561                                         Het 37ste jaar der ballingschap

    19.     513/512                                          Haggaï

    20.    464/463                                        Ezra

    21.     415/414                                           Nehemia

    22.    366/365                                         Perzische periode

    23.    317/316                                           Griekse periode

    24.    268/267                                         Griekse periode

    25.    219/218                                          Griekse periode

    26.    170/169                                          Griekse periode

    27.    121/120                                           Makkabeeën

    28.     72/71                                              Makkabeeën

    29.    23/22                                             Hongersnood Herodes

    30.    27/28 AD                                       Messias Jezus ____________

     

    William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn ‘dissertatie V’ bovenaan vermeld, geeft Whiston 10 historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken van Makkabeeën. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren. Aan deze lijst van 10 historische verwijzingen voegde ik nog een jaartal toe: het jubeljaar 562/561 v. Chr. Het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Ewil Merodach, wanneer deze heerser koning Jojachin van Juda uit zijn gevangenis in Babylon verloste in het 37ste jaar van diens ballingschap (2 Koningen 27:27).

     

    Het oude Israël heeft zelden het jubeljaargebod gehouden. We kennen het jaar van de aanvang door in de tijd terug te rekenen vanaf de historische vermeldingen van de eerste tot de zesde eeuw voor Christus. Maar daarna vinden we in de Bijbel haast geen verwijzingen naar het houden van Jubeljaren. Eén duidelijke verwijzing naar een Jubeljaar is er echter bij de profeet Jesaja volgend op het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda:

     

    Jesaja 37:30 "En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.."

     

    In de cyclus van sabbat- en jubeljaren in het oude Israël moest het land elk zevende jaar braak blijven liggen. Er mocht niet geploegd noch gezaaid worden. De HERE God beloofde in de Thora dat Hij het zesde jaar dubbel zou zegenen zodat er voldoende opbrengst zou zijn voor het overbruggen van twee jaren. De sabbatjaren liepen van april tot maart en zeven maal zeven jaar later begon in oktober het jubeljaar dat liep tot september van het volgende jaar. De sabbatjaren liepen zonder onderbreking verder. Dat is in een notendop de uitleg van de dissertatie van William Whiston tot het correct berekenen van de sabbat en jubeljaren.

     

    Het jubeljaar waar de profeet Jesaja naar verwijst liep van oktober 709 tot september 708 v. Chr. Het woord van de profeet: ‘gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt’, situeert zich in het zevende sabbatjaar (april 709/ maart 708) en ‘in het tweede jaar wat nawast’, slaat op het jaar april 708 tot maart 707 v. Chr., het houden van het jubeljaar liep tot september 708 v. Chr. Daarna kon er gezaaid en geplant worden: ‘maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan’

     

    Het houden van het sabbat- en jubeljaargebod vergde geloof. Ook zal vermoedelijk de winstgedachte en het derven van winst (de wortel van alle kwaad) een rol gespeeld hebben in het niet houden van dit gebod. We moeten ook bedenken dat de zeventigjarige Babylonische ballingschap uiteindelijk een oordeel was voor het niet houden van het sabbatjaargebod. Het land Israël kreeg toen zeventig jaar rust (2 Kronieken 36:21).

     

    Het jubeljaar van 709/708 v. Chr. wordt tegenwoordig door weinige onderzoekers opgemerkt en dit als een gevolg van de seculiere wetenschap: de Assyriologie. Bijna honderd jaar geleden werd de Assyrische koningslijst gepubliceerd. Een koningslijst die liep van de zevende eeuw tot ongeveer de negende eeuw voor Christus met exacte jaartallen en regeerperioden voor de vermelde Assyrische koningen. De Bijbelse koningslijst en de jaartallen tot dan in gebruik stonden hier haaks tegenover en werden daarom door de onderzoeker de geleerde E. Thiele aangepast, verkort zodat de Bijbelse koningslijst en haar jaartallen zouden overeenkomen met de Assyrische Khorsabad-lijst.

     

    De regeerperiode van koning Hizkia werd door Thiele in lijn gebracht met de regeerperiode van de Assyrische koningen Sargon II en Sanherib. In vele zogenaamde christelijke naslagwerken en Bijbelatlassen worden de jaartallen van E. Thiele gehanteerd. In mijn boek ‘De Assyriologie herzien’ ga ik hier dieper op in:

     

    http://www.shopmybook.com/wwaowItems/2013/06/10/15638236911324027454000/excerpt/excerpt.pdf

     

    Het trieste resultaat is dat als een gevolg van Thiele ’s fabricatie de vermelding van Jesaja hoofdstuk 37 met de verwijzing naar een jubeljaar niet meer (h)erkend wordt.

     

    Maar nu verder met het Jubeljaar okt.23/sep.22 voor Christus. Het is een Jubeljaar dat viel ten tijde van de regeerperiode van Herodes de Grote (zie ook het artikel op deze blog van 05-03-2014 de regeringsperiode van Herodes de Grote).

     

    Het eerste regeringsjaar van Herodes de Grote viel gedeeltelijk in een sabbatjaar: April 37/maart 36 v. Chr. Het jaar 37 v. Chr. is dan ook een belangrijk anker- en navigatiepunt op de tijdsbalk. De historische bron van dit ankerpunt is Flavius Josephus (Joodse Oudheden Boek.XIV,xvi,2). Josephus verbindt de inname van Jeruzalem door Herodes met een sabbatjaar.

     

    Een volgende hint naar een sabbatjaar en ditmaal gevolgd door een jubeljaar vinden we eveneens bij Flavius Josephus beginnend bij het dertiende regeringsjaar van Herodes de Grote. Ik geef hierna het volledige citaat dat ik van het internet (public domain) plukte:

     

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek XV,ix,1.

    1. NOW on this very year, which was the thirteenth year of the reign of Herod, very great calamities came upon the country; whether they were derived from the anger of God, or whether this misery returns again naturally in certain periods of time for, in the first place, there were perpetual droughts, and for that reason the ground was barren, and did not bring forth the same quantity of fruits that it used to produce; and after this barrenness of the soil, that change of food which the want of corn occasioned produced distempers in the bodies of men, and a pestilential disease prevailed, one misery following upon the back of another; and these circumstances, that they were destitute both of methods of cure and of food, made the pestilential distemper, which began after a violent manner, the more lasting. The destruction of men also after such a manner deprived those that survived of all their courage, because they had no way to provide remedies sufficient for the distresses they were in. When therefore the fruits of that year were spoiled, and whatsoever they had laid up beforehand was spent, there was no foundation of hope for relief remaining, but the misery, contrary to what they expected still increased upon them; and this not only on that year, while they had nothing for themselves left [at the end of it], but what seed they had sown perished also, by reason of the ground not yielding its fruits on the second year. This distress they were in made them also, out of necessity, to eat many things that did not use to be eaten; nor was the king himself free from this distress any more than other men, as being deprived of that tribute he used to have from the fruits of the ground, and having already expended what money he had, in his liberality to those whose cities he had built; nor had he any people that were worthy of his assistance, since this miserable state of things had procured him the hatred of his subjects: for it is a constant rule, that misfortunes are still laid to the account of those that govern.

     

    2. In these circumstances he considered with himself how to procure some seasonable help; but this was a hard thing to be done, while their neighbors had no food to sell them; and their money also was gone, had it been possible to purchase a little food at a great price. However, he thought it his best way, by all means, not to leave off his endeavors to assist his people; so he cut off the rich furniture that was in his palace, both of silver and gold, insomuch that he did not spare the finest vessels he had, or those that were made with the most elaborate skill of the artificers, but sent the money to Petronius, who had been made prefect of Egypt by Caesar; and as not a few had already fled to him under their necessities, and as he was particularly a friend to Herod, and desirous to have his subjects preserved, he gave leave to them in the first place to export corn, and assisted them every way, both in purchasing and exporting the same; so that he was the principal, if not the only person, who afforded them what help they had. And Herod taking care the people should understand that this help came from himself, did thereby not only remove the ill opinion of those that formerly hated him, but gave them the greatest demonstration possible of his good-will to them, and care of them; for, in the first place, as for those who were able to provide their own food, he distributed to them their proportion of corn in the exactest manner; but for those many that were not able, either by reason of their old age, or any other infirmity, to provide food for themselves, he made this provision for them, the bakers should make their bread ready for them. He also took care that they might not be hurt by the dangers of winter, since they were in great want of clothing also, by reason of the utter destruction and consumption of their sheep and goats, till they had no wool to make use of, nor anything else to cover themselves withal. And when he had procured these things for his own subjects, he went further, in order to provide necessaries for their neighbors, and gave seed to the Syrians, which thing turned greatly to his own advantage also, this charitable assistance being afforded most seasonably to their fruitful soil, so that everyone had now a plentiful provision of food. Upon the whole, when the harvest of the land was approaching, he sent no fewer than fifty thousand men, whom he had sustained, into the country; by which means he both repaired the afflicted condition of his own kingdom with great generosity and diligence, and lightened the afflictions of his neighbors, who were under the same calamities; for there was nobody who had been in want that was left destitute of a suitable assistance by him; nay, further, there were neither any people, nor any cities, nor any private men, who were to make provision for the multitudes, and on that account were in want of support, and had recourse to him, but received what they stood in need of, insomuch that it appeared, upon a computation, that the number of cori of wheat, of ten attic medimni apiece, that were given to foreigners, amounted to ten thousand, and the number that was given in his own kingdom was about fourscore thousand. Now it happened that this care of his, and this seasonable benefaction, had such influence on the Jews, and was so cried up among other nations, as to wipe off that old hatred which his violation of some of their customs, during his reign, had procured him among all the nation, and that this liberality of his assistance in this their greatest necessity was full satisfaction for all that he had done of that nature, as it also procured him great fame among foreigners; and it looked as if these calamities that afflicted his land, to a degree plainly incredible, came in order to raise his glory, and to be to his great advantage; for the greatness of his liberality in these distresses, which he now demonstrated beyond all expectation, did so change the disposition of the multitude towards him, that they were ready to suppose he had been from the beginning not such a one as they had found him to be by experience, but such a one as the care he had taken of them in supplying their necessities proved him now to be.

     

    De hongersnood door Josephus beschreven die begon tijdens het dertiende jaar van Herodes (oktober 26 tot september 25 v. Chr.) duurde twee jaar. Op de tijdsbalk was dit het vijfde en het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus. We merken hier dat sinds de dagen van de profeet Jesaja, de beloofde zegen over het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus niet meer van tel was.

     

    Herodes blijkt ten koste van persoonlijke bezittingen graan en zaad gekocht te hebben bij zijn vriend Petronius die door de Romeinse keizer tot prefect over Egypte was benoemd. Het verkregen zaadgoed werd door Herodes echter naar Syrië doorgesluisd om aldaar te laten planten. Hieruit blijkt dat de Joden naar het gebod weigerden te zaaien in het sabbatjaar van april 23/maart 22 v. Chr. Een sabbatjaar dat ditmaal gevolgd werd door het 29ste jubeljaar van oktober 23/september 22 v. Chr. De zegen werd door de Joden ervaren toen tijdens het jubeljaar graan vanuit Syrië geleverd kon worden en de nood gelenigd.

     

    Het historisch genoteerde sabbatjaar en het 29ste jubeljaar ten tijde van de regeerperiode van Herodes de Grote leiden ons naar het 30ste jubeljaar van oktober 27/september 28 AD wanneer Jezus van Nazareth zich in de synagoge te Nazareth als de verwachte Messias aan de Joden bekendmaakte (Lucas 4:16-30).

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

    08-04-2014 om 09:13 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat gebeurde er nu in werkelijkheid met de Ark van het Verbond?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Psalm 74:1 Een leerdicht van Asaf. Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos, brandt uw toorn tegen de schapen die Gij weidt?2 Gedenk uw gemeente, die Gij van ouds hebt verworven, die Gij verlost hebt als de stam van uw erfdeel, de berg Sion, waarop Gij uw woning hebt gevestigd.3 Richt uw schreden naar wat voorgoed in puin ligt; alles heeft de vijand in het heiligdom vernield.4 Uw tegenstanders brulden in uw vergaderplaatsen hebben er hun tekenen als tekenen opgesteld;5 het had het aanzien, alsof iemand de bijl van omhoog op het kreupelhout deed neerkomen;6 toen sloegen zij het snijwerk daaraan altegader stuk met bijl en houweel;7 uw heiligdom staken zij in brand, zij ontwijdden tot de grond toe de woning van uw naam;8 zij zeiden bij zichzelf: Laten wij hen altegader verdrukken. Zij verbrandden alle godshuizen in den lande.9 Onze tekenen zien wij niet, geen profeet is er meer, niemand onder ons, die weet tot hoelang.10 Ja, hoelang nog zal de tegenstander honen, o God; zal de vijand uw naam voor altijd versmaden?11 Waarom houdt Gij uw hand, ja uw rechterhand, terug?  Trek ze uit uw boezem, verdelg! (NBG Vertaling 1951)

    Jeremia 3:14 Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion, 15 en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand. 16 Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord des HEREN, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des HEREN; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden. 17 Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des HEREN, en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des HEREN te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart. 18 In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb.

    Zie ook 2 Koningen 25:1-17

    Wanneer we de hiervoor geciteerde Bijbelgedeelten doornemen is het duidelijk dat de Ark van het Verbond in 586 v. Chr. door de Babyloniërs te samen met alle andere Tempelattributen samen met de Tempel vernietigd werd. In de Tempel die zeventig jaar later herbouwd was, was er geen ark meer ter plaatsing in het Heilige der Heiligen. Ook in de herbouwde tempel van Herodes de Grote bevond zich geen Ark van het Verbond meer. Volgens de profeet Jeremia zou de Ark niet weder gemaakt worden. Het moet dan ook duidelijk zijn dat het verhaal in het Apocrief boek 2 Makkabeeën gebracht, dat de Roomse kerk aan haar Bijbel heeft toegevoegd, een leugen is. Hierna het betreffende gedeelte:

    2 Makkabeeën 2:1 In de boeken staat niet alleen dat de profeet Jeremia de ballingen beval om iets van het vuur mee te nemen, zoals reeds is gezegd, 2 maar ook dat hij hun de leer gaf en hun daarbij op het hart drukte, de geboden van de Heer niet te vergeten en zich niet te laten misleiden door de fraai versierde gouden en zilveren beelden die ze zouden zien. 3 Naast andere vermaningen drong hij erop aan de leer niet uit hun hart te bannen. 4 Verder staat er in hetzelfde geschrift dat de profeet, gehoorzaam aan een goddelijke ingeving, de verbondstent en de ark liet halen en achter hem aan liet dragen, terwijl hij de berg beklom die Mozes bestegen had om het erfdeel van God te aanschouwen. 5 Daar aangekomen vond Jeremia een rotsspelonk; daarin plaatste hij de tent, de ark en het reukofferaltaar en hij sloot de toegang af. 6 Toen enkele van zijn metgezellen er weer heen gingen om de weg te markeren, konden ze de plaats niet meer vinden. 7 Jeremia hoorde van hun poging en maakte hun verwijten. Hij zei: ‘Die plaats moet onbekend blijven, totdat God zijn volk weer samenbrengt en het zijn barmhartigheid toont. 8 Dan zal de Heer dat alles weer tevoorschijn brengen; dan zal de glorie van de Heer in een wolk verschijnen, zoals dat gebeurd is in de tijd van Mozes en ook in die van Salomo, toen hij bad dat de tempel op grootse wijze geheiligd zou worden.’ 9 Ook werd erin verteld wat Salomo in zijn wijsheid deed toen hij bij de voltooiing van de tempel het inwijdingsoffer opdroeg: 10 zoals er tijdens Mozes’ gebed tot de Heer vuur uit de hemel was neergedaald, zo daalde er ook tijdens zijn gebed vuur neer en dit verteerde de brandoffers. 11 Met betrekking tot dat offer heeft Mozes verklaard: ‘Omdat het zondeoffer niet genuttigd is, is het door het vuur verteerd.’ 12 Ook Salomo heiligde acht dagen lang het inwijdingsfeest. 13 Behalve deze dingen vermelden die boeken, namelijk de gedenkschriften van Nehemia, ook dat Nehemia een bibliotheek had aangelegd, waarin hij de boeken bijeenbracht die betrekking hadden op de koningen, de geschriften van de profeten en van David, evenals de brieven van de koningen betreffende schenkingen aan de tempel. 14 Nu heeft Judas die boeken, die door de oorlog waarin wij gewikkeld zijn geraakt verspreid waren, weer bijeengebracht, en ze zijn weer in ons bezit. 15 Mocht u ze nodig hebben, dan kunt u ze laten halen. 16 Wij schrijven u, omdat we van plan zijn de reiniging van de tempel te heiligen. Wij houden u de plicht voor, dit feest te heiligen. 17 God, die heel zijn volk bevrijd heeft en het erfdeel, het koningschap, het priesterschap en de tempel aan zijn volk heeft teruggegeven, 18 zoals Hij dat in de leer had beloofd, God zal zich spoedig, naar wij hopen, over ons ontfermen en ons vanuit alle windstreken weer bijeenbrengen naar zijn heilige plaats. Want Hij heeft ons uit grote nood verlost en de plaats gereinigd. 19 De geschiedenis van Judas de Makkabeeër en van zijn broers, de reiniging van de grote tempel en de wijding van het altaar, 20 de oorlogen tegen Antiochus Epifanes en zijn zoon Eupator 21 en de hemelse verschijningen die ten deel zijn gevallen aan degenen die met zoveel toewijding en heldhaftigheid streden voor het jodendom. (Willibrord Vertaling 1995)

     

    De oorsprong van de Ark van het Verbond vinden we in het tweede Bijbelboek Exodus:

    Exodus 25:10-22 "Zij moeten dan een ark van acaciahout maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog. Gij zult die overtrekken met louter goud; van binnen en van buiten zult gij die overtrekken en er rondom een gouden omlijsting op maken. Gij zult er vier gouden ringen voor gieten en die bevestigen aan de vier voetstukken en wel twee ringen aan de ene zijwand en twee ringen aan de andere zijwand. Gij zult draagstokken van acaciahout maken en die met goud overtrekken. Gij zult de draagstokken steken in de ringen aan de zijwanden van de ark, om daarmee de ark te dragen. De draagstokken zullen in de ringen van de ark blijven, zij zullen er niet uit verwijderd worden. In de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. Ook zult gij een verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. En gij zult twee cherubs van goud maken, van gedreven werk zult gij ze maken, aan de beide einden van het verzoendeksel. Maak één cherub aan het ene einde en één cherub aan het andere einde; uit één stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken. De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten  der cherubs gericht zijn. Gij zult het verzoendeksel bovenop de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik voor de Israëlieten gebieden zal. "

     

    De Ark van het Verbond heeft de Israëlieten op al haar tochten vanaf haar bouw na de Exodus uit Egypte in 1483 voor Christus, vergezeld. In het Oude Testament zijn er honderden verwijzingen naar gebeurtenissen betreffende de ark van het verbond. Ten tijde van Salomo werd zij in de tempel in het Heilige der heiligen neergezet. Een vertrek van de tempel waar  de hogepriester met Jom Kippoer, de grote verzoendag, binnenging voor de verzoeningshandelingen. Hier is de ark met zekerheid tot aan haar vernietiging gebleven. Deze vernietiging gebeurde ten tijde van Zedekia, de laatste koning van Juda (2 Koningen 25:8-11).

    Na de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel door Nebukadnezar, de koning van Babylon, in 586 voor Christus horen wij nooit meer iets over de ark. In de tempel van Zerubbabel na de Babylonische Ballingschap, en in de tempel van Herodes de Grote bevond zich in het Heilige der heiligen geen ark meer, maar wel, volgens de Joodse overlevering, een steen waarop de hogepriester op de grote Verzoendag het vat met reukwerk zette (Leviticus 16:12-14). Het is na de vernietiging van de tweede tempel in 70 AD dat de legendes en het zoeken naar de ark een aanvang namen. De oorspronkelijke ark echter was vernietigd en dit naar het woord van Asaf en Jeremia.

    Wel zijn er met zekerheid in de oudheid replica’s van de ark gemaakt die tot nu toe ergens op deze planeet aarde verborgen zitten. Met zekerheid kan men stellen dat in Ethiopië, op een geheime plaats te Axoem, zulk een replica van de ark van het verbond vereerd wordt. Ethiopië betwist namelijk Arabië de roem van de koningin van het Zuiden. De koningen van Ethiopië eisten afstamming voor zich op via Menelik, een zoon van de koningin van Scheba en Salomo. Hoogstwaarschijnlijk bracht de koningin van Scheba een replica van de ark naar haar land mee. Enkele jaren geleden bracht de BBC een overtuigende documentaire over de verborgen ark te Axoem in Ethiopië. Volgens de documentaire wordt de ark op een geheime plaats bewaard in de kerk van de Heilige Maria van Sion door een monnik bekend als de 'bewaarder van de ark'.

    Daarnaast zijn er Joodse legenden die beweren dat de ark bij de nadering van de Babyloniërs verborgen werd op de berg Nebo in Jordanië zoals het boek 2 Makkabeeën verhaalt. Een andere legende plaatst de ark in een schuilplaats nabij de Dode Zee. Zij is dan verborgen in een van de vele grotten waar ook de bekende Dode Zee-rollen gevonden werden. Een hardnekkige legende leert dat de ark verborgen werd 'in' de tempelberg en op Gods tijd bij de herbouw van de tempel tevoorschijn zal komen. De Joodse legenden verhalen niet over een eventuele replica maar scheppen de verwachting dat de oorspronkelijke ark ergens verborgen zit. Deze legenden zijn echter in strijd met de Bijbel die duidelijk door de mond van Jeremia leert dat "dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des HEREN; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden…"

    Het vinden van een replica van de Ark van het Verbond past in het ‘eindtijdkader’ van de zeventig  jaarweken van de profeet Daniël.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    07-04-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Mythische Rijk Mitanni
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Citaat: If ever the cliché "forgotten empire" could be applied to an ancient state, it must be Mitanni, which is, in fact, hardly more than a name and a handful of archaeological and linguistic hypotheses. Yet, we can combine several types of information, and where they confirm each other, we can probably be confident that we are not extremely far from the historical truth. Livius.org. Einde citaat.

     

    Mijn titel voor dit artikel met ‘Mythische’ tussen aanhalingstekens is als een kwinkslag naar de gevestigde Egyptologie toe bedoeld. De benaming ‘mythisch’ is immers op zijn plaats wanneer men de dateringsmethode van de gevestigde Egyptologie onderuit haalt. Het is als een gevolg van het hanteren van de vermeende Sothis-kalender door de orthodoxie dat de Egyptische achttiende dynastie en de Amarna-tijd in de vijftiende eeuw voor Christus op de tijdsbalk belandde. De koningen van Mitanni waren correspondenten van de farao ’s Amonhotep III en IV. Een probleem echter is dat er buiten de Egyptische bronnen geen verwijzingen gevonden zijn naar een mogelijk Rijk van Mitanni.

     

    De orthodoxie geeft toe dat er geen oorspronkelijke bronnen voor de geschiedenis van de Mitanni gevonden werden. Het is zelfs niet mogelijk om een chronologie van de heersers van de verschillende landen en steden in het gebied Mitanni vast te stellen, laat staan om onbetwiste data te geven. De enkele bevindingen over Mitanni worden verder bemoeilijkt door het gebrek aan differentiatie tussen de taalkundige en etnische groeperingen. Men neemt aan dat er een grote 'Indo-Iraanse' invloed was op Mitanni. Deze theorie is echter niet meer gangbaar. De Russische taalkundige Diakonoff toonde aan dat de theorie van de orthodoxie gebaseerd is op slechts vijf Indo-Iraanse telwoorden, twee of drie termen die betrekking hebben op paardentraining, vier Indo-Iraanse goden-namen en een paar persoonsnamen waarvan de oorsprong niet bekend is.

     

    De ironie is dat de orthodoxe Egyptologie die aanleiding is dat bijvoorbeeld het Bijbelse Rijk van Salomo tot mythe herleid werd, nu zelf verantwoordelijk is voor de creatie van een 'werkelijk' mythisch rijk. Als een gevolg van de foutieve dateringsmethode van de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste eeuw, belandde de historische era van koning Salomo van de Bijbel in het IJzertijdperk. Een tijdvak waar Salomo met veel moeite gevonden wordt. De Bijbelse berichtgeving aangaande de bouwactiviteiten van Salomo werd aldus tot mythe herleid. De archeologische lagen in Israël werden en worden alle aan de hand van de dateringsmethode van de Egyptologie fout gedateerd. De laatste decennia zijn de jaartallen van de orthodoxe egyptologie wereldwijd door verschillende onderzoekers gereviseerd en is het inmiddels overduidelijk dat de era van Salomo met zijn bouwactiviteiten in het Laatbrons tijdperk thuishoort en geen mythe is. Zie het artikel op dit blog van 19-02-2014, het rijk van David en Salomo mythe?

     

    Het veronderstelde Rijk van Mitanni zou een land geweest zijn dat zijn westelijke grens in het noorden aan de Eufraat had. Farao Thothmosis III alias Sesostris van Herodotus alias de Bijbelse Sisak, kwam er al mee in contact wanneer deze aan zijn vele veroveringstochten begon. Tijdens de Egyptische Amarna-periode was er correspondentie door de koningen van Mitanni met de farao ’s Amonhotep III en IV. Maar wie waren de koningen van Mitanni die in de Akkadische taal met farao correspondeerden? Dat van het door de Egyptologie gecreëerde mythische Mitanni-Rijk de archieven en koningslijsten nog gevonden dienen te worden, vindt men niet in alle orthodoxe werken van egyptologen vermeld. (Donald B. Redford, Egypt, Canaan and Israel in Ancient Times, The frontiers of Egypt – page 161).

     

    Hebt u beste lezer(es) dit begrepen? Er is geen enkel archeologisch/historisch bewijs voorhanden betreffende de koningen van Mitanni wiens namen ons uitsluitend vanuit Egyptische bron bereikten.  

    Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid (zie Genesis versus Egyptologie, hoofdstuk 23) zijn de heersers van Mitanni, wanneer getransponeerd van de vijftiende en veertiende eeuw voor Christus naar de achtste en zevende eeuw voor Christus, niemand anders dan de Assyriërs. Het is een orthodoxe Egyptoloog die me aanvankelijk op deze denkpiste gezet heeft. De Egyptoloog Alan Gardiner verwijst in zijn opus magnum (EGYPT OF THE PHARAOHS, Egypt under foreign rule, pagina 341.) naar het merkwaardige feit dat Egyptische bronnen nooit naar het Assyrische Rijk verwijzen. Nochtans merkt Alan Gardiner op, zou zelfs Thebe in het zuiden van Egypte uiteindelijk door de Assyriërs ingenomen worden.  

    Wanneer we afbeeldingen van kaarten, door de orthodoxie gepresenteerd, vergelijken, blijkt dat het gebied van Mitanni het hart-land van Assyrië besloeg. Mijn conclusie is dat Mitanni en Assyrië een en dezelfde staat waren. 

    Het Egyptische Naharin is afgeleid, is een verbastering, van het Hebreeuwse Aram-Naharaïm uit de Bijbel, het Aram van de twee rivieren of Mesopotamië. Een Amarna-briefschrijver was een koning van Mitanni genaamd Tushratta. Vanuit de briefwisseling blijkt dat hij in controle was over Nineveh, de hoofdstad van Assur. Volgens EA23 kon hij het afgodsbeeld van Ishtar van Nineveh met vermeende genezingskrachten aan Amonhotep III aanbieden (zie Philip Clapham, juli 1982, Hittites and Phrygians, C&AH Volume IV, Part 2). De koningen van Mitanni/Assur waren aanvankelijk bevriend met Egypte. Een dochter van Artatama, genaamd Mutemua was uitgehuwelijkt aan Thothmosis IV. Een dochter genaamd Giluhipa, van Suttarna, was uitgehuwelijkt aan Amonhotep III en een dochter van Tushratta genaamd Taduhipa zat in de harem van Amonhotep IV. Vanuit Egyptische bronnen is bekend dat Amonhotep III Giluhipa tot vrouw nam in zijn tiende regeringsjaar en op deze wijze kunnen jaartallen met regerende vorsten verbonden worden. De hele collectie Amarna-brieven bevat zeven brieven van Tushratta aan Amonhotep III, één is gericht aan de weduwe van farao Amonhotep III en drie brieven zijn aan Amonhotep IV gericht.

     

    In mijn variant is Tushratta niemand anders dan Tiglath Pileser III. Vanuit de Amarna-brieven leren we dat Tushratta alias Tiglath Pileser III een machtig en arrogante koning was die zelfs oorlog tegen de Hethieten voerde (EA17). Tushratta hield van oorlog en gebiedsuitbreiding en was verder een liefhebber van Egyptisch goud (EA19). Naar Egypte toe voerde hij echter een dubbelspel op, in die zin dat hij farao altijd van zijn loyaliteit verzekerde maar tegelijkertijd zijn gebied ten koste van farao’s vazallen vergrote. De Amarna-brieven EA85 en EA86 maken gewag van een oprukken van Tushratta/Tiglath Pileser III naar Goebla en Sumur. Deze steden zijn te identificeren met Jizreël en Samaria (zie Dr. Immanuël Velikovsky, Eeuwen in Chaos, hoofdstuk VI, De el-Amarna brieven) in Israël of het tienstammenrijk. Dit offensief dateer ik gereviseerd in het jaar 736 v. Chr.

    In de Amarna-brieven staat verder geschreven dat Tushratta kort na het begin van het koningschap van Achnaton in 727 v. Chr. vermoord werd. De zoon van Tushratta genaamd Kurtiwazza zou deel hebben uitgemaakt van het complot. Volgens mijn revisie is Kurtiwazza Salmaneser V. Heel wat speculatie betreffende de opvolging van Tiglath Pileser en ook met zijn voorgangers kan door de identificatie van Mitanni met Assur ingevuld worden. Tushratta kwam aan de macht na een burgeroorlog die gevoerd werd over de troonopvolging na de dood van Suttarna. Dit past in het verhaal betreffende het aan de macht komen Tiglath Pileser III. Na de moord op Artashumara, de oudste zoon van Suttarna alias Pul, werd Tushratta alias Tiglath Pileser als troonopvolger door de moordenaar Udhi op de troon geplaatst. Heel deze geschiedenis is omgeven door intriges. Tushratta was ten tijde van deze gebeurtenissen nog erg jong en werd officieel als een poesjenel op de troon geplaatst. Niettemin slaagde Tushratta erin de moordenaar de pas af te snijden. Dit werd ook door de Hethieten geobserveerd en misbruikt voor hun eigen doeleinden, de controle over Noord-Syrië namelijk. Van deze manipulaties is een Hethietisch geschrift bewaard gebleven: het verdrag namelijk Suppiluliuma-Shattiwaza. Daaruit leren we o.a. dat de Hethietische vorst Suppiluliuma een verdrag had gesloten met Artatama II en rivaal van Tushratta. Artatama identificeer ik met Sardanapallus, de koning van Assur, die niet voorkomt in de Assyrische koningslijst. De intriges en het complot dat de troonsbestijging van de usurpator Tiglath Pileser III omringde worden nu duidelijker. Ook de ‘damnatio memoriae’ in Assur als een gevolg van de Assyrische koning die regeerde toen de profeet Jona in Nineveh predikte en deze zich tot de God van Israël voor uitredding keerde, wordt nu opgehelderd.

     

    Het aantal namen van Mitannische heersers past ook volledig met het aantal Assyrische koningen voor deze periode. Hierna volgt een reconstructie op basis van de (fragmentarische) informatie uit Egyptische bron. Ankerpunt is Tiglath Pileser III als Tushratta. Deze laatste was zoals eerder vermeldt de jongere broer van Artashumara. Artashumara en Tushratta waren zonen van Suttarna II die ik identificeer met de Bijbelse Pul. Suttarna II was een bondgenoot van de Egyptische farao Amonhotep III, waarvan de diplomatieke betrekkingen beschreven zijn in de Amarna-brieven. Suttarna 's dochter Giluhipa werd zoals eerder vermeld uitgehuwelijkt aan Amonhotep III om de alliantie tussen de twee vorstenhuizen te bezegelen. Wanneer volgens mijn reconstructie Suttarna II de vader van Tushratta was is de conclusie dat de Bijbelse Pul nu de vader van Tiglath Pileser III blijkt te zijn. Pul is dan de Hebreeuwse versie van het Akkadische Suttarna en het Assyrische dialect variant Adad Nirari zoals Tiglath Pileser zijn vader noemde. Zie mijn artikel op dit blog van 06-03-2014: Tiglath Pileser III de zoon van Adad Nirari.

     

    Suttarna was waarschijnlijk een zoon van koning Artatama. Van Artatama is via de Amarna-briefwisseling, geweten dat hij bevriend was met farao Thothmosis IV. Een dochter van Artatama, genaamd Mutemua, was uitgehuwelijkt aan deze farao van Egypte. Wanneer we logischer wijze de lijst van namen vanaf Tushratta verder de tijd involgen en een identificatie met Assyrische heersers zoeken, dan blijkt Artatama de uit de Griekse overlevering bekende koning van Assyrië Sardanapallus te zijn. Artatama was dan weer de opvolger van Saustatar die ik identificeer met Assur Nirari V. Van de hierna volgende namen is nog minder historische informatie beschikbaar maar zij leiden ons wel naar Shamsi Adad IV, die volgens mijn revisie het bewind over nam na het meganatuurcatastrofejaar van 860 v. Chr.

     

    Hierna een schema met in de linker-kolom de Mitanni namen en rechts hun hoogstwaarschijnlijke alter ego’s in Assur:

                                                                               v. Chr.:

    Kirta

    Shamsi Adad IV

    860/847

    Suttarna I

    Adad Nirari III

    847/820

    Baratarna

    Salmaneser IV

    820/811

    Parsatatar

    Assur Dan III

    811/794

    Saustatar

    Assur Nirari V

    794/786

    Artatama

    Sardanapallos

    786/761

    Suttarna II

    Pul alias Adad Nirari VI

    761/754

    Artashumara (zoon van Pul en broer van Tushratta, werd vermoord en is verder onbekend)

    Tushratta

    Tiglath Pileser III

    761/735

    Kurtiwazza

    Salmaneser V

    735/709

    Sattuara I

    Sargon II

    721/686

    Vashasatta

    Sanherib

    710/680

    Sattuara II

    Essarhaddon

    680/668

     

    Wordt vervolgd...

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    24-03-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De twee getuigen te Jeruzalem
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Toen Jezus te Bethlehem in de vijfde maand Ab of juli/augustus van de westerse kalender (zie het artikel op dit blog van 28-01-2014) in het jaar vijf voor Christus geboren werd, werd hij naar de wet van Mozes, veertig dagen later in Jeruzalem door zijn ouders in de Tempel aan God opgedragen. Dit zijn verordeningen die Maria en Jozef naar het Bijbelboek Leviticus 12:1-4 volgden. Hierna het Bijbelgedeelte uit het Lucas-evangelie dat deze geschiedenis brengt:

     

    Lucas 2:21 En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen. 22 En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, 23 gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, 24 en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

    25 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide:

    29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil gezien, 31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. 33 En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt 35 – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.

    36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

    39 En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wanneer we vanaf de vijfde maand Ab veertig dagen rekenen arriveren we ongeveer aan het begin van de zevende maand Tisjri of naar het einde toe van de zesde Hebreeuwse maand Eloel, naar gelang het vertrekpunt van ons rekenen. Met de woorden van Simeon in gedachten stel ik me echter voor dat de Christus met Rosj Hasjanah in de Tempel aan God opgedragen werd. Rosj Hasjanah betekent: ‘Hoofd van het Jaar’ en is van oudsher het Joodse Nieuwjaar dat ingaat op 1 en 2 Tisjri. In de Joodse overlevering is het een tijd van oordeel. Gedurende dertig dagen tijdens de voorafgaande Hebreeuwse maand bereidden de Joden zich voor op deze heilige dagen. Het was/is een tijd om in gebed na te denken over al het kwaad dat men zijn vrienden of kennissen mogelijk had aangedaan. Het was een tijd om vergeving te vragen en te krijgen. Iedere morgen tijdens deze periode werd op de Sjofar of ramshoorn geblazen ter voorbereiding van Rosj Hasjanah met tien dagen later de Grote Verzoendag of Jom Kippoer. Het is aldus niet onlogisch om het opdragen in de Tempel van de Christus des HEREN, de Heiland, op Rosj Hasjanah te laten plaatsvinden.

    De geboortedag van Jezus Christus viel dan veertig dagen eerder op de negentiende dag van de maand Ab. Dit gerekend op basis van 29 dagen voor de maand Eloel en 29 dagen voor de maan Ab.

    Een volgend punt waar ik aandacht aan wil geven is dat het geciteerde Bijbelgedeelte de christelijke traditie met het bezoek van de wijzen uit het oosten aan de kribbe te Bethlehem, als foutief bevindt. Het is duidelijk dat na de geboorte van Jezus te Bethlehem Hij veertig dagen later met zijn ouders te Jeruzalem was en dat zij vandaar naar Nazareth in Galilea reisden. Het is alzo in Nazareth in hun eigen huis dat de Magi hun opwachting deden (Matteüs 2:9-11).

     

    Maar nu eerst aandacht voor de twee getuigen bij de eerste komst van de Heer Jezus te Jeruzalem. Deze getuigen waren een oude man met de naam Simeon en een oude vrouw genaamd Hanna. Slechts twee getuigen in Jeruzalem bij de eerste komst? Ja, dat klopt. Bij de geboorte te Bethlehem waren het eerder de herders die nacht in het veld bij hun schapen de wacht hielden die getuige waren van de geboorte van de Heiland en daarna hierover getuigden. Hierna het Bijbelgedeelte:

    Lucas 2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde. 9 En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel zeide tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: 11 U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David. 12 En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. 13 En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende: 14 Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens. 15 En het geschiedde, toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken: Laten wij dan naar Betlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekendgemaakt. 16 En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind liggende in de kribbe. 17 En toen zij het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot hen gesproken was over dit kind. 18 En allen, die ervan hoorden, verbaasden zich over hetgeen door de herders tot hen gezegd werd. 19 Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart. 20 En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was. (NBG Vertaling 1951)

     

    Veertig dagen later waren Maria en Jozef met hun kind in Jeruzalem in de Tempel ter vervulling van de Wet. Voor de priesters van dienst in de tempel die dag was dit gewoon maar een jong koppel uit de provincie met boreling. Bovendien sprak het koppel met een dialect, een tongval waar in Jeruzalem door velen op neergekeken werd. Aan deze priesters ging de komst van de Messias als kind voorbij, behalve aan de twee getuigen, twee oude mensen in Jeruzalem. Later kwamen de Magi naar Nazareth. Tot aan het openbaar optreden van Johannes de Doper in 26 AD zouden er geen getuigen meer zijn. De geschiedenis daaropvolgend van het jaar 26 tot 30 AD kennen we vanuit de evangeliën.

     

    Johannes 1: 1 In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen. 6 Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. 9 Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. (NBG Vertaling 1951)

     

    De twee getuigen van de HERE God te Jeruzalem bij het opdragen van de boreling Jezus waren twee oude mensen; een man en vrouw, niet twee mannen, maar een man én een vrouw. En dit volgens de Scheppingsorde:

    Genesis 1: 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.

    De vrouw is in deze geschiedenis een volwaardige getuige en gelijk aan de man als getuige. Geen onderscheid. Er waren bijvoorbeeld geen drie getuigen nodig; één man en twee vrouwen. Nee, in de Bijbel zijn man en vrouw aan elkaar gelijk. Van Hanna staat er bovendien in het Lucas-evangelie geschreven dat zij profeet was, de dochter van Fanuël uit de stam Aser:

    Lucas 2: 36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser.

    Dat God twee oude mensen als getuigen gebruikte en daarbij ook een vrouw is opmerkelijk. Oude mensen zijn naar de wijsheid van de wereld meestal afgeschreven en vrouwen gelden in de Midden-Oosten-cultuur als getuige onbetrouwbaar. Dit alles is ‘de dwaasheid der prediking’ waar Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs naar verwees:

    1 Korintiërs 1:18 Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. 19 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21 Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. 22 Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 24 maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. 26 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here. (NBG Vertaling 1951)

     

    Maar nu naar de tweede of wederkomst van Jezus Christus. Het laatste Bijbelboek Openbaring handelt over dit onderwerp. Vooraf aan deze komst gaat een moeilijke periode van zeven jaar of 1260 dagen plus 42 maanden samen. Aan het einde van deze geprofeteerde periode komt de Koning der koningen en de Heer der heren terug. Over dit thema schreef ik meerdere boeken. Bij de aanvang van de zevenjarige periode die voorafgaat aan de openbaring van Jezus Christus treden in Jeruzalem opnieuw twee getuigen op (Openbaring 11:3) die tegen de dan herstelde offerdienst spreken. Wanneer we dit Bijbelgedeelte opzoeken en laten doordringen merken we ook weer iets van de ‘dwaasheid der prediking’ waar God zich van bedient. De twee getuigen zijn namelijk slechts met een zak bekleed, een soort poncho probeer ik het mij voor te stellen. Een sterk afwijkende kledij van hetgeen gangbaar is.

    In het Bijbelboek Openbaring worden geen namen van deze getuigen genoemd noch het geslacht van hen. Het traditionele christendom gaat er van uit dat het mannen (waren) of (zullen) zijn, tussen haakjes geplaatst naar gelang de hermeneutiek die men in de verschillende christelijke kerken hanteert.

    Bij diegenen die een geestelijk oog hebben voor het toekomstig nationaal en geestelijk herstel van het Jodenvolk en een wederkomst van Jezus christus te Jeruzalem verwachten lopen de meningen betreffende de identiteit van de twee getuigen uiteen. Een van de getuigen meent men met zekerheid te herkennen als de profeet Elia waarvan de profeet Maleachi in het Oude Testament voorzegt heeft dat Elia voor de Dag des HEREN zal terugkeren. Hierna het relevante Bijbelgedeelte:

    Maleachi 4:1 Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken – zegt de HERE der heerscharen – welke hun wortel noch tak zal overlaten. 2 Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal. 3 Gij zult de goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik bereiden zal, zegt de HERE der heerscharen. 4 Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen. 5 Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. 6 Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban. (NBG Vertaling 1951)

    Betreffende de andere niet bij naam genoemde getuige denkt men gewoonlijk aan andere 0ud-Testamentische mogelijke mannelijke kandidaten zoals Mozes en/of Henoch.

    Ik meen dat nochtans een andere piste ook mogelijk is. We moeten bedenken dat alle profetie pas duidelijk is wanneer ze zich vervult. Het is dus uiteindelijk wachten op het optreden van de twee getuigen te Jeruzalem. Ik ben voorzichtig van mening dat het mogelijk is dat zowel een vrouw als een man als ‘twee getuigen’ samen zullen optreden. Beide dan in de geest en de kracht van Elia zoals het ook van Johannes de Doper bij de eerste komst van Christus geschreven staat:

    Lucas 1:17 En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden

    En men moet bedenken dat indien de Joden de Heer Jezus Christus bij zijn eerste komst als Messias aanvaard hadden, dat dan Johannes de Doper de profeet Elia geweest zou zijn. Lees het hierna volgende Bijbelgedeelte dienaangaande:

    Matteüs 11:Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt. Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen? Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige kleding? Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen. Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien? Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet. 10 Deze is het, van wie geschreven staat:

    Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. 11 Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij. 12 Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar. 13 Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; 14 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. 15 Wie oren heeft, die hore! (NBG Vertaling 1951)

     

    En er zijn nog vrouwen in de Bijbel te vinden die profeet waren. Op deze blog schreef ik op 25-02-14 een artikel over de richter Debora die niet alleen Israël voor een periode van veertig jaar gericht heeft maar ook als profeet en generaal in de Bijbel beschreven staat. De perceptie bestaat dat de Bijbel vrouwonvriendelijk zou zijn, wat bij nadere studie toch niet klopt. Het zijn alleen vele religieuze systemen die antivrouw zijn.

     

    Bij een profeet mogen we niet onmiddellijk uitsluitend denken aan het voorspellen van de toekomst. Een profeet (zowel man als vrouw) in de huidige Ekklesia is iemand die voor de vergadering spreekt in de zin van: stichtend, vermanend en bemoedigend (1 Korintiërs 14:3). In de apostolische Ekklesia van de eerste eeuw bestond hier geen onderscheid tussen mannen en vrouwen wat blijkt uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs. Maar wat bedoelde Paulus dan met 1 Timoteüs 2:11-12? Een Bijbelgedeelte waar Paulus stelt dat een vrouw niet mag onderrichten of gezag over een man zou mogen hebben. Idem dito het Bijbelgedeelte van 1 Korintiërs 14:34-35 waar Paulus stelt dat de vrouw in de Gemeente moet zwijgen. Een Bijbelgedeelte waar het lijkt dat Paulus zichzelf tegenspreekt. De Bijbelvorser Dr. C. I. Scofield heeft het volgende commentaar:

    http://www.biblestudytools.com/commentaries/scofield-reference-notes/1-corinthians/1-corinthians-14.html

    We moeten echter bedenken dat bij de aanvang van de Ekklesia met Pinksteren in anno Domini 30 er nog altijd het aanbod van de HERE God aan Zijn oude verbondsvolk Israël was, om alsnog de Messias aan te nemen. Dit is een draad, een uitnodiging die we in het hele Bijbelboek Handelingen tot en met het laatste hoofdstuk 28 kunnen volgen. Het boek Handelingen eindigt met de Joden in Rome die het evangelie volgens de apostel Paulus definitief afwijzen. Het is vanaf dit tijdstip dat de huidige Ekklesia van start ging met Paulus die zijn brief aan alle op dat moment bestaande gemeentes schreef: bekend onder de Efeze-brief.

     

    De prediking aan de Joden vanaf Pinksteren 30 AD tot Handelingen hoofdstuk 28, in 60 AD, ging gepaard met wonderen en tekenen. Ook tongentaal (vreemde talen en engelentaal) kwam in de vergaderingen toen algemeen voor. Dit laatste gebeurde met heel veel verwarring, wat de reden was dat Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs instructies geeft hoe het met tongentaal en de vertaling en uitleg ervan, er in de vergaderingen aan toe moest gaan. En ik meen dat het dit aspect van grote verwarring was, wat Paulus bedoelde met het voorschrift tot zwijgen van de vrouw in de vergadering. Dus niet de vrouw als profeet moest zwijgen maar de vrouw als eventuele tolk en uitlegger van vreemde talen.

     

    Het fenomeen van de vreemde talen (zowel van mens als engel) als Goddelijke boodschap naar Israël toe was in het Oude Testament door de profeet Jesaja voorspeld.

    Jesaja 28:11 Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: 12 Dit is de rust, geeft de vermoeide rust, en dit is de verademing – maar zij wilden niet horen.

    Het is dit Bijbelgedeelte dat Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs aanhaalt waar hij in het veertiende hoofdstuk het bijzondere van de tongentaal behandelt.

    1 Korintiërs 14:22 Derhalve zijn de tongen een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.

     

    Deze bijzondere prediking naar Israël toe eindigde in het jaar 60 AD in de periode volgend op Handelingen hoofdstuk 28.

    Het zal na het afsluiten van de huidige Ekklesia zijn dat de draad met het oude Verbondsvolk Israël opnieuw opgenomen wordt. Het laatste Bijbelboek Openbaring van het zogenaamde nieuwe testament, handelt over het herstel van Israël zowel nationaal in het oude land der vaderen, als geestelijk.

     

    Maar zoals eerder geschreven gaat aan het geestelijke herstel een moeilijke periode van misleiding vooraf. Het is de periode van de zeventigste jaarweek van Daniël. Een periode van zeven jaar die gelijk is aan de tijdsperiode in het boek Openbaring van 1260 dagen en 42 maanden. In de eerste periode van 1260 dagen treden er opnieuw twee getuigen van God te Jeruzalem op. Twee getuigen, een man en een vrouw(?), die in de geest en de kracht van Elia tegen de herstelde tempeldienst spreken.

     

    Openbaring 11:1 En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. 2 Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang.

    3 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. 4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. 5 En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. 6 Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen. 7 En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden. 8 En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd. 9 En uit de volken en stammen en talen en natiën zijn er, die hun lijk zien, drie en een halve dag, en zij laten niet toe, dat hun lijken in een graf worden bijgezet. 10 En zij, die op de aarde wonen, zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. 11 En na [die] drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen. 13 En te dien ure kwam er een grote aardbeving en een tiende deel der stad stortte in, en zevenduizend personen werden door de aardbeving gedood, en de overigen werden zeer bevreesd en gaven de God des hemels eer. 14 Het tweede wee is voorbijgegaan: zie, het derde wee komt spoedig.

    Gedurende een periode van 1260 dagen, de eerste helft van de eindtijdperiode, treden de twee getuigen in Jeruzalem op. Zij spreken tegen de herstelde offerdienst op het tempelplein te Jeruzalem. In de toekomst zal een replica van de verloren gewaande ark van het verbond ergens gevonden worden en een bron van misleiding worden. Tijdens de eindtijdperiode van zeven jaar zullen alle wereldreligies samen gaan (Openbaring 17). Een grote verzoening op basis van dit Schriftwoord kan verwacht worden tussen Jodendom en Islam en christendom. Op en rond de ark van het verbond zullen opnieuw dierenoffers gebracht worden. Een misleider zal vuur uit de hemel kunnen laten neerkomen op het offer (Openbaring 13:11-13) met als resultaat een wereldwijde religieuze verwondering lees verdwazing. De misleider wordt in het aangehaalde Schriftwoord ‘het beest uit de aarde’ genoemd, een Israëli aldus, een Levi of een Cohen en ijveraar voor het instellen van de nieuwe offerdienst in Jeruzalem na een onderbreking van haast tweeduizend jaar. Hij wordt geholpen door ‘het beest uit de zee’ een man uit de volken, een niet-Jood, en vermoedelijk een Assyriër, een land dat dan in het Midden-Oosten ook hersteld zal zijn. Hij is de eerste ruiter op het witte paard van Openbaring hoofdstuk 6, die overwinnende uittrekt. Een periode van algemene wereldvrede met de zegen van alle verenigde godsdiensten breekt dan aan. De huidige periode van oorlogen en geruchten van oorlogen lijkt dan afgesloten. En tegen deze algemene religieuze vredeseuforie spreken tot afgrijzen van velen, de twee gehate getuigen van God.

     

    Maar het gaat in dit artikel om die mogelijke piste dat de twee getuigen een man én een vrouw zullen zijn. Ik haalde de vrouw Hanna de profeet te Jeruzalem aan in het jaar 5 v. Chr. bij het opdragen van Jezus in de Tempel. Daarna vinden we in de Bijbel dat vrouwen de eerste getuigen waren van de opstanding van de Heer Jezus Christus. Vrouwen waren ook aanwezig bij de kruisiging van Jezus en zijn daar ook gebleven tot aan Zijn sterven (Matteüs 27:55-56 en Johannes 19:25). Van de apostelen wordt alleen de aanwezigheid van Johannes vermeld (Johannes 19:25-27). De andere mannen zijn blijkbaar ondergedoken. De vrouwen waren aanwezig toen Jezus' lichaam van het kruis werd genomen en maakten dat het kapot gefolterde en totaal leeggebloede lichaam van Jezus zo goed mogelijk verzorgd (Lucas 23:55-56) in het graf van Jozef van Arimatea gelegd kon worden. De apostelen zijn op dat moment ook nergens te bespeuren. Alleen Nicodemus en Jozef van Arimatea worden ter plaatse vermeld om de begrafenis te organiseren. (Johannes 19:38-42).

     

    Bij de opstanding uit de dood van Jezus Christus zijn het alleen vrouwen die getuigen zijn. Het is aan de vrouwen dat Jezus’ persoonlijk verschenen is. Wat heel opmerkelijk is wanneer we dit weer in het licht van de Midden-Oosten-cultuur willen zien waar vrouwen als getuigen als niet betrouwbaar gelden.

     

    Mattheüs 28:1 Laat na de sabbat , tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien. 2 En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop. 3 Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. 4 En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden. 5 Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. 6 Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar   Hij gelegen heeft. 7 En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. 8 En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. 9 En zie, Jezus  kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien.

    Het lijkt er op dat de ‘mannelijke’ apostelen sinds de gevangenneming van Jezus gevolgd door zijn kruisiging en sterven in verwarring waren en niet aanspreekbaar, dit terwijl de vrouwen beter bij hun positieven bleven.

     

    Nu ik met dit artikel aandacht wil geven aan de twee getuigen te Jeruzalem tijdens de eerste helft van de eindtijdperiode van zeven jaar met de mogelijkheid dat één van de twee getuigen een vrouw zal zijn, moet ik ook een schijnbaar negatieve verwijzing in het Bijbelboek Openbaring naar de vrouw behandelen. Het Bijbelgedeelte namelijk waar in Openbaring 14:1-5 over de 144.000 verzegelden uit Israël gesproken wordt en deze maagdelijk genoemd worden en die ‘zich niet met vrouwen hebben bevlekt’. Dit laatste wordt door vrouwen van alle tijden bij het (voor)lezen als beledigend (terecht?) ervaren. Onvoorstelbaar ook: maagdelijke mannen die zich niet met vrouwen bevlekt hebben. Dit kan onmogelijk letterlijk bedoelt zijn en is beeldspraak. Dat moet duidelijk zijn. De ‘vrouwen’ waar de 144.000 verzegelde ‘mannen én vrouwen’ uit alle stammen van Israël zich niet mee bevlekt hebben zijn de vrouwen van het beschreven religieuze systeem in hoofdstuk 17 van het boek Openbaring. In dat hoofdstuk kreeg de apostel Johannes ‘de grote hoer’ te zien die ‘op’ het beest zit en ‘de moeder van alle hoeren’ van Babylon en van de gruwelen der aarde genoemd wordt. Dit is overduidelijke beeldspraak. Wanneer we Schrift met Schrift vergelijken vrij van eigenmachtige uitlegging kan dit volgens mij de enige conclusie voor dit Schriftgedeelte zijn.

     

    Heb ik nu de identiteit en/of geslacht van de twee toekomstige getuigen aangetoond? Nee, maar ik herhaal dat profetie pas duidelijk is bij de vervulling ervan. Wel wil ik met dit artikel de aandacht op andere mogelijke piste wijzen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    15-03-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar lag de stad Avaris?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Met mijn artikel op deze blog ‘waar lag Telaïm’ van 25-01-2014 had ik al aandacht voor de studie van Velikovsky betreffende de plaatsing van Avaris op de landkaart. Avaris was  een versterkte burcht en hoofdplaats vanwaar uit de Hyksos – dynastieën over Egypte, gedurende vier eeuwen, heersten. Volgens de orthodoxe Egyptologie lag Avaris in het noordoosten van de Nijldelta. De Egyptologen vermoeden dat de stad gelegen was waar nu Tell el Daba ligt, al is de juiste ligging nog steeds onderwerp van discussie.

    In 1049 v. Chr. werd de stad door farao Ahmose, de stichter van de achttiende dynastie, ingenomen en de Hyksos verdreven. Daarna verviel Avaris langzaam tot een ruïne.

    Volgens de Nieuwe Chronologie veroverden de Hyksos Egypte na de Israëlitische Exodus uit Egypte. Flavius Josephus citeert Manetho als het volgt:

    "There was a king of ours whose name was Timaus. Under him it came to pass, I know not how, that God was averse to us, and there came, after a surprising manner, men of ignoble birth out of the eastern parts, and had boldness enough to make an expedition into our country, and with ease subdued it by force, yet without our hazarding a battle with them. So when they had gotten those that governed us under their power, they afterwards burnt down our cities, and demolished the temples of the gods, and used all the inhabitants after a most barbarous manner; nay, some they slew, and led their children and their wives into slavery. At length they made one of themselves king, whose name was Salatis; he also lived at Memphis, and made both the upper and lower regions pay tribute, and left garrisons in places that were the most proper for them. He chiefly aimed to secure the eastern parts, as fore-seeing that the Assyrians, who had then the greatest power, would be desirous of that kingdom, and invade them; and as he found in the Saite Nomos, [Sethroite,] a city very proper for this purpose, and which lay upon the Bubastic channel, but with regard to a certain theologic notion was called Avaris, this he rebuilt, and made very strong by the walls he built about it, and by a most numerous garrison of two hundred and forty thousand armed men whom he put into it to keep it. Thither Salatis came in summer time, partly to gather his corn, and pay his soldiers their wages, and partly to exercise his armed men, and thereby to terrify foreigners.”

     

    Dr. Immanuël Velikovsky maakte zich sterk dat het Avaris van de Hyksos te El Arisj gelegen was, een plaats in het noorden van de Sinaï waar de beek van Egypte, de wadi el Arisj in de Middellandse Zee uitmondt. In zijn bekend werk ‘Eeuwen in Chaos’ wijst hij naar El Arisj waar de archeologen zouden moeten graven, want daar ligt het Avaris van de Hyksos onder het zand begraven.

    Toen hij zijn werk in de jaren vijftig van de vorige eeuw wereldkundig maakte was het enige bewijsmateriaal dat hem op deze denkpiste zette, een schrijn van zwart graniet met hiëroglyfen beschreven, dat in El Arisj tot op de ontdekking, door Arabieren als een drinkbak voor hun vee gebruikt werd. Deze zwarte monoliet werd in 1860 toevallig ontdekt en de tekst in 1890 vertaald en gepubliceerd. Het document verhaalt dezelfde gebeurtenissen van de Exodus maar dan van de zijde der Egyptenaren bekeken. De naam van de farao van de Exodus wordt vermeld: zijnde Thom, en de plagen die aan de Exodus voorafgingen beschreven. Velikovsky zag onmiddellijk het verband van de naam van farao Thom met de naam van de stad die de Israëlieten in slavernij volgens de Bijbel, moesten bouwen: Pi-thom, wat stad van Thom betekende. De Egyptische naam Thom van het schrijn te El Arisj is dan dezelfde naam als de “Timaus” die Manetho via Josephus in de Griekse taal doorgaf. Daarnaast vond Velikovsky in de Bijbel, waar de geschiedenis van Saul ’s strijd tegen Amalek beschreven staat, aanwijzingen dat Avaris buiten de Nijldelta gezocht moest worden, op de grens tussen Egypte en Kanaän, namelijk aan de beek van Egypte te El Arisj.

    Verder werd Velikovsky ’s aandacht getrokken naar het Edict van farao Horemheb. Dit is een document dat in de periode van het tot stand komen van zijn studie, al bekend was. Farao Horemheb was een overgangsfiguur tussen de 18de en de 19de dynastie en van hem is een wettekst bekend waarin als straf voor bepaalde misdadigers het afsnijden van de neus werd voorgeschreven, waarna zij verbannen werden naar Tjaru, een plaats oostelijk van de Nijldelta. De afgesneden neuzenstraf was de reden dat dit verbanningsoord later de naam Rhinocolura kreeg. Een plaatsnaam die door Griekse schrijvers vermeld zou worden. En dit Rhinocolura is zonder twijfel El Arisj. Tot op heden is te El Arisj nog nooit archeologisch onderzoek verricht. Een onderzoek waar Velikovsky naar uitzag, maar niet ingewilligd werd. De gevestigde Egyptologie van een halve eeuw geleden heeft getracht Velikovsky monddood te maken. Dat is echter niet gelukt getuige het internet vandaag. Wanneer men op de Google zoekmachine de naam Immanuël Velikovsky intikt krijgt men meer dan 80.000 verwijzingen naar hem van zowel voor- als tegenstanders.

    Wat het opgraven van Avaris betreft is het wachten op een nieuwe Heinrich Schliemann. Dr. Schliemann was een rijke dilettant die uit puur enthousiasme zijn kapitaal besteedde door als een waar archeoloog te werk te gaan en Troje in 1873 vanonder het zand tevoorschijn te brengen. Door zijn inzet bleef de Ilias van Homeros niet alleen een dichterlijk werk maar werd ook geschiedschrijving.

     

    Hierna het commentaar van Velikovsky betreffende het mogelijk archeologisch opgraven van Avaris:

     

    THE GREATEST FORTRESS OF ANTIQUITY

    With this imposing score of confirmations from the field of archaeology, ever growing since 1952, for my work of reconstruction of ancient history, the question could be asked: which test, besides a complete radiocarbon survey of the New Kingdom in Egypt would I desire and which discovery reflecting on chronological problems would I anticipate in the years to come? Compelling evidence will continue to arrive from almost every excavated place and there will be an ever-growing number of surprises. I shall select here one site of great promise for excavation. the identification of Avaris and el-Arish was offered by me as a crucial test—for my equation of the Hyksos (called Amu by the Egyptians) and the Amalekites, one of the basic contentions of Ages in Chaos:

    “generally, Avaris is looked for in the eastern part of the Delta, from Pelusium to Heliopolis, passing through Tell el Her, el-Qantara, San el-Hagar (Tanis), Tell el-Yahudieh,” wrote P. Montet in Le Drame d’Avaris. The site as identified in Ages in Chaos is quite a distance northeast from the Delta: el-Arish is at the wadi of the same name, known in the Old Testament as Nakhal Mizraim (“Stream of Egypt” ), the historical frontier between Egypt and Palestine.

    Despite many efforts made to have el-Arish surveyed and then also excavated, neither when the site was under the Egyptian authorities nor since it was occupied by the Israelis following the six-day war, has any survey or excavation taken place. In June 1968 John Holbrook jr., architect, backed by a group organized for the purpose of performing tests to determine the validity of my thesis (Foundation for Studies of Modern Science) proceeded to el-Arish in the military occupation zone to gain an impression as to the site of future excavation when, in days to come, such facilities might be extended, or permit granted. Chances are good that at such a time, however close or far, the excavators will lift sand from the greatest fortress of antiquity: before it fell it sheltered a huge garrison of warriors. It is also quite possible that much treasure had been dug into the ground by the besieged before the fortress that dominated the ancient East for several centuries surrendered. The virgin ground of the site never excavated cannot but entice the curiosity of field archaeologists; the prize of discovering Avaris is one of the great rewards that still lie in store for the enterprising.”

     

    62 jaar na het gepubliceerd worden van ‘eeuwen in chaos’ is er wat de identificatie van Avaris met El Arisj betreft, nieuw archeologisch materiaal ter beschikking gekomen. De belangrijkste vondst is een stele met farao Kamose’ relaas over zijn (nijl)veldtocht tegen Avaris. Een offensief dat deze farao in diens derde regeringsjaar volbracht. Vanuit Thebe rukte hij langsheen de Nijl op naar het noorden, naar Avaris. Een offensief dat diende afgebroken te worden aangezien de Hyksos farao Apophis de Kushieten in het zuiden verleidde om Kamose in de rug aan te vallen. Kamose die tot aan de burcht Avaris geraakt was brak daarop de belegering af en wendde de steven terug naar het zuiden, naar Kush.

    De volgende campagne tegen Avaris zou door de opvolger van Kamose, farao Ahmose uitgevoerd worden. Van deze veldtocht is ook nieuw archeologisch materiaal gevonden sinds het verschijnen van ‘eeuwen in chaos’. Het zogenaamde Rhind Mathematische Papyrus heeft op de rugzijde heel summier het militaire verloop van Ahmose’ strijd tegen Avaris vermeld:

    “Regeringsjaar 11, tweede maand van Shomu, Heliopolis ingenomen. Eerste maand van Akhet, dag 23, de zuidelijke prins veroverde Tjaru.”

    Ahmose rukte vanuit Thebe naar het noorden op. Heliopolis of On bereikte hij in juli, en daarop ging het langs een noordoostelijke zijarm van de Nijl richting kust naar Tjaru dat in oktober bereikt werd. Dit Tjaru kan alleen maar Tharu of het latere Rhinocolura – El Arisj zijn. De Egyptologen, na het bestuderen van deze nieuwe vondst, plaatsen dit voor hen onbekende Tjaru in het noordoosten in de buurt van Zile, en geven als commentaar dat door de inname van Tjaru, Ahmose hun Avaris, gelegen te Tell el Daba, wilde afsnijden van Kanaän. Alsof Ahmose zulk een actie niet beschreven zou hebben moest dat zijn intentie geweest zijn! Het is logischer aan te nemen dat Ahmose gewoon uitgevoerd heeft zoals in het papyrus beschreven werd, namelijk met zijn vloot noordwaarts naar Heliopolis, en daarop via het kanaal van het latere Bubastis, richting kust, daarop is hij langs de kust tot El Arisj getrokken.

     

    Wordt vervolgd

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    13-03-2014 om 09:13 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ADAD NIRARI III REVISED
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De Assyrische annalen betreffende Adad Nirari III aan de chronologische gegevens van de Bijbel aangepast.

    De Assyriër Adad Nerari III was een tijdgenoot van de Bijbelse koningen Joahaz en Joas in Israël en van Joas en Amazia in Juda. De Assyrische minderjarige koning Adad Nirari III volgde onder voogdijschap van zijn moeder koningin Sammurat, zijn vader Shamsi Adad V op. Zijn regeringsjaren zijn volgens de orthodoxe berekening: 812/783 v. Chr. Volgens mijn revisie regeerde hij echter van 847 tot 820 v. Chr. Zie link: http://www.shopmybook.com/nl/Robert-De-Telder/DE-ASSYRIOLOGIE-HERZIEN

     

    Van de moeder koningin en regentes Sammurat is een stele bewaard gebleven (gevonden te Kalat Sherkat in Assyrië) waarin het co-regentschap met de minderjarige Adad Nirari III vermeld wordt. Een andere vermelding (Saba’a stele) geeft een periode van vijf jaar als de duur van het co-regentschap.

     

    De orthodoxie identificeert koningin Sammurat met de legendarische Semiramis, de vrouw van de Bijbelse Nimrod, de eerste machthebber op aarde na de grote vloed. De Bijbelse gegevens betreffende Nimrod worden door hen als mythe beschouwd. Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Het Bijbelboek Genesis is geschiedschrijving. De Sammurat van de 9de eeuw voor Christus is dus te onderscheiden van de Semiramis van het derde millennium voor Christus.

     

    De eerder vermelde Saba’a-stele verhaalt eveneens een militaire campagne van Adad Nirari III naar Damascus in zijn vijfde regeringsjaar. Dit jaar is volgens de revisie nu het jaartal 843 v. Chr.:

     

    Against Aram I marched. Mari', king of Aram, in Damascus his royal city, I shut up. The terrifying splendour of Assur overwhelmed him and he laid hold of my feet, he became my vassal. 2300 talents of silver, 20 talents of gold, 3000 talents of copper, 5000 talents of iron, coloured woollen and linen garments, an ivory bed, an ivory couch...his property and his goods, in immeasurable quantity, in Damascus, his royal city, in his palace, I received.

     

    Dit gegeven past niet met de Bijbelse gegevens betreffende Damascus/Aram als belager van het tienstammenrijk. Het Bijbelboek 2 Koningen geeft Aram weer als een vijand van koning Joahaz van Israël tot praktisch het einde van diens regeringstijd van zeventien jaar, van 847 tot 830 v. Chr.. Een Assyrische belegering van Damascus met een verzwakking van Aram tot gevolg past niet in dit tijdsschema. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

     

    2 Koningen 13:1 In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja, de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te Samaria; hij regeerde zeventien jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en volgde de zonden na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. 3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël, en Hij gaf hen in de macht van Hazaël, de koning van Aram, en in de macht van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die tijd.

    4 Maar Joachaz zocht de gunst van de HERE, en de HERE hoorde naar hem, want Hij had gezien hoe zwaar de koning van Aram Israël verdrukte. 5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren. 6 Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die hij Israël had doen bedrijven; daarmee gingen zij voort. Ook bleef te Samaria de gewijde paal staan. 7 Waarlijk, hij had aan Joachaz geen krijgsvolk overgelaten dan vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk; want de koning van Aram had hen te gronde gericht en hen gemaakt als stof bij het dorsen. 8 Het overige van de geschiedenis van Joachaz en alles wat hij gedaan heeft en zijn dappere daden, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël? 9 Joachaz ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in Samaria; zijn zoon Joas werd koning in zijn plaats.

     

    De conclusie moet zijn dat de vermelding op de Saba’a stele betreffende de belegering van Damascus in het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III fout is. Hoogstwaarschijnlijk hebben we met een schrijffout te maken en is het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III bedoeld. De Assyrische gegevens onderling spreken elkaar ook tegen wat maakt dat ik van een foutieve Assyrische kroniek kan uitgaan. De bekende eponiemlijsten geven namelijk voor het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III geen campagne naar Damascus weer, maar een veldtocht naar Arpad in Noord-Syrië. Wat vreemd is aangezien Arpad slechts een provinciestad was en Damascus daarentegen de hoofdstad van het machtige Aram. Hierna de Eponiemlijst van alle regeringsjaren van Adad Nirari III ter illustratie. De jaren tussen haakjes zijn de jaartallen van de orthodoxe met rechts mijn gereviseerde jaartallen:

     

    [809/808] 847/846 During the eponymy of Adad-Nirari [III], the king of Assyria, campaign against Media

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [808/807] 846/845 During the eponymy of Nergal-ilaya, the commander in chief, campaign against Guzana.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [807/806] 845/844 During the eponymy of Bêl-dân, the palace herald, campaign against Mannea.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [806/805] 844/843 During the eponymy of Sil-Bêli, the chief butler, campaign against Mannea.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [805/804] 843/842 During the eponymy of Aššur-taklak, the chamberlain, campaign against Arpad.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [804/803] 842/841 During the eponymy of Ilu-issiya, governor of Aššur, campaign against Hazazu.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [803/802] 841/840 During the eponymy of Nergal-ereš, governor of Rasappa, campaign against Ba'alu.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [802/801] 840/839 During the eponymy of Aššur-balti-ekurri, governor of Arrapha, campaign against the Sealand; plague.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [801/800] 839/838 During the eponymy of Inurta-ilaya, governor of Ahizuhina, campaign against Hubuškia.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [800/799] 838/837 During the eponymy of Šep-Ištar, governor of Nisibis, campaign against Media.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [800/799] 837/836 During the eponymy of Šep-Ištar, governor of Nisibis, campaign against Media

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [799/798] 836/835 During the eponymy of Marduk-išmanni, governor of Amedi, campaign against Media.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [798/797] 835/834 During the eponymy of Mutakkil-Marduk, the chief eunuch, campaign against Lušia.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [797/796] 834/833 During the eponymy of Bêl-tarsi-iluma, governor of Kalhu, campaign against Namri.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [796/795] 833/832 During the eponymy of Aššur-bêla-usur, governor of Habruri, campaign against Manduate.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [795/794] 832/831 During the eponymy of Marduk-šaduni, governor of Raqmat, campaign against Der.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [794/793] 831/830 During the eponymy of Kinu-abua, governor of Tušhan, campaign against Der.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [793/792] 830/829 During the eponymy of Mannu-ki-Aššur, governor of Guzana, campaign against Media.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [792/791] 829/828 During the eponymy of Mušallim-Inurta, governor of Tille, campaign against Media.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [791/790] 828/827 During the eponymy of Bêl-iqišanni, governor of Šibhiniš, campaign against Hubuškia.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [790/789] 827/826 During the eponymy of Šep-Šamaš, governor of Isana, campaign against Itu'a.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [789/788] 826/825 During the eponymy of Inurta-mukin-ahi, governor of Nineveh, campaign against Media.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [788/787] 825/824 During the eponymy of Adad-mušammer, governor of Kalizi, campaign against Media; foundations of the temple of Nabû in Nineveh laid.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [787/786] 824/823 During the eponymy of Sil-Ištar, governor of Arbela, campaign against Media; Nabû entered his new temple.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [786/785] 823/822 During the eponymy of Nabû-šarra-usur, governor of Talmusu, campaign against Kisku.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [785/784] 822/821 During the eponymy of Adad-uballit, governor of Tamnuna, campaign against Hubuškia; [the god] Anu the Great went to Der.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [784/783] 821/820 During the eponymy of Marduk-šarra-usur, governor of Arbela, campaign against Hubuškia.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [783/782] 820/819 During the eponymy of Inurta-nasir, governor of Mazamua, campaign against Itu'a.

    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    [782/781] 819/818 During the eponymy of Iluma-le'i, governor of Nisibis, campaign against Itu'a.

     

    De conclusie moet zijn dat naar het einde toe van de regeringsperiode van Joahaz van Israel, en los van de tegensprekelijke eponiemlijst een Assyrische invasie in Aram heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III.

     

    De Assyriër Adad Nirari III werd zodoende een verlosser voor Israël:

    2 Koningen 13:5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren.

     

    De Bijbel noemt de naam noch de nationaliteit van deze verlosser die hen van de overheersing door Aram verloste. Maar ook in het Assyrische verslag wordt bijvoorbeeld de naam van de koning van Aram niet genoemd. Er is slechts een verwijzing naar een ‘Mari, koning van Aram’. Mari is hier geen eigennaam maar betekent alleen HEER. De Assyrische berichtgeving voor deze tijdsperiode is onduidelijk en levert vraagteken op vraagteken. Met de hulp van de historische boeken van de Bijbel en de fragmentarische Assyrische gegevens is het mogelijk een en ander te reconstrueren. De Eponiemlijst vermeldt in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III een campagne naar ‘Manduate’. Dit gebied wordt algemeen als de Beka-vallei in de Libanon geïdentificeerd. Het ligt voor de hand aangezien het van de Beka-vallei slechts een steenworp naar Damascus is, en in dat zelfde jaar Damascus belegerd werd. Er is ook een stele van Adad Nirari III gevonden waar deze claimt schatting van koning Joas van Israël ontvangen te hebben. Dit gegeven past ook in mijn gereviseerd jaar 833 v. Chr. met het eerste regeringsjaar van Joas als co-regent met zijn vader Joahaz over Israël. Zie ‘Genesis versus Egyptologie’: http://www.shopmybook.com/nl/Robert-De-Telder/GENESIS-versus-EGYPTOLOGIE

     

    Wordt vervolgd

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    09-03-2014 om 10:37 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.TIGLATH PILESER III ZOON VAN ADAD NIRARI, KONING VAN ASSYRIE
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    In de gepubliceerde Assyrische koningslijsten wordt Tiglath Pileser III als de zoon van Assur Nirari V vermeld. Wat niet in alle werken vermeld wordt is dat dit in feite giswerk van de orthodoxe Assyriologie is. Er bestaan namelijk tegenstrijdige inscripties van Tiglath Pileser waarin deze zich zelf de zoon van noemt. Voor de orthodoxie is dit een anomalie waar men verder geen rekening mee wenst te houden. Een veelvoud van orthodoxe vermeende aanwijzingen maakt het voor de Assyriologie duidelijk dat Tiglath Pileser III de zoon en opvolger van Assur Nirari V was. Het is interessant heden het commentaar van de Assyrioloog Dr. Daniel David Luckenbill (1881/1927 AD) uit 1926 te lezen wanneer diens opus magnum gepubliceerd werd:

     

    822. Inscribed bricks, a stone inscription and an inscribed duck weight, containing the name and titles of Tiglath Pileser III, were found at Kalat Sherkat. On the brick inscription Tiglath Pileser III is called “son of Adad Nirari, king of Assyria”

    KAH,I, Nos. 21-23. Ancient records of Assyria and Babylonia by Daniel David Luckenbill, Chicago, 1926

     

    Dr. Luckenbill schreef als commentaar het volgende:

    “Whether this is a bit of fiction or whether we err in ascribing these texts to Tiglath Pileser III is still to be determined.”

     

    We kunnen 88 jaar later alleen maar vaststellen dat er betreffende Tiglath Pileser ’s zoon-schap, geen verdere archeologische vondsten werden gedaan die meer licht op de opvolging konden werpen. Dat hij volgens de orthodoxie de zoon van Assur Nerari V was, blijft een postulaat.

     

    Niettemin werd de Bijbelse chronologie betreffende de koningen van Juda en Israël aan de Assyrische koningslijst aangepast en niet andersom. Dat er vandaag data gehanteerd worden zoals 722 v. Chr. voor de val van Samaria en zelfs 1447 v. Chr. als Exodusdatum is het resultaat van het sleutelen aan nochtans duidelijke Bijbelse jaartalverbanden en deze te linken aan de foutief Assyrische gegevens.

     

    Over de Assyrische chronologie schreef ik op 12 januari 2014 al eerder een artikel op deze blog.

     

    En over de herziening van de chronologie van de Assyrische koningen schreef ik een boek dat op het internet verkrijgbaar is. 

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    06-03-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE PRINS VAN EGYPTE; MOZES DE GEADOPTEERDE ZOON VAN DE DOCHTER VAN FARAO
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Mozes als de Prins van Egypte was een hele tijd in de belangstelling als een gevolg van de Amerikaanse animatiefilm uit 1998 geregisseerd door Brenda Chapman en Steve Hickner met muziek van Hans Zimmer en Stephen Schwartz. De film won een Oscar voor beste lied en was ook genomineerd voor een Grammy en Golden Globe. Met de film volgde ook de video en dvd uitvoering en bovendien heel wat gadgets die de aandacht van kinderen (en volwassen) hadden. Heel wat mensen hebben heden de DVD in bezit.

    De animatiefilm verhaalt de geschiedenis van Mozes vanaf zijn geboorte tot de exodus uit Egypte. De animatiefilm laat de gruwel van de genocide zien wanneer farao beveelt dat alle mannelijke borelingen van de Hebreeërs gedood moeten worden. Mozes wordt als een gevolg hiervan door zijn moeder een tijd verborgen gehouden en daarna in een biezen kistje in de Nijl te water gelaten. Mirjam, de zuster van Mozes, volgt de kleine ark met haar broertje Mozes erin en is een beetje later getuige dat de vrouw(?) van farao het kind vind, uit het water van de Nijl haalt en uiteindelijk adopteert. De farao en echtgenoot van de vrouw die Mozes als haar zoon adopteert is in de film farao Seti I van de 19de dynastie. Mozes groeit dan samen met Ramses II, de zoon van Seti I, op. Maar uiteindelijk ontdekt Mozes dat hij eigenlijk een Israëliet is en geboren als slaaf. Hij moet Egypte verlaten en vlucht naar Midian. Daar ontmoet hij Jetro de hogepriester. Hij trouwt met Jetro 's dochter Zippora. Een hele tijd later na zijn ontmoeting met de God van Abraham, Izaak en Jacob in de brandende, maar niet door vuur verterende, braamstruik keert Mozes terug naar Egypte om zijn volk in de Naam van God te bevrijden. Maar zijn broer Ramses II is in de animatiefilm inmiddels farao geworden en wil zijn macht niet zomaar afgeven. Uiteindelijk wordt Egypte getroffen door een aantal vreselijke plagen. De laatste plaag is dat alle eerstgeborenen in de Paasnacht overlijden, behalve in die huizen waar op de deurposten het bloed van het geslachte Paaslam is gestreken. Uiteindelijk laat Ramses ze gaan omdat ook zijn zoon is overleden. Maar korte tijd daarna al betreurt hij zijn beslissing en gaat met zijn leger de Israëlieten achterna. De Rode Zee die zich van Gods wege voor de Israëlieten geopend had, sluit zich echter weer over het achtervolgende leger van Farao en vernietigd het Egyptische leger. De animatiefilm eindigt hierna met Mozes die samen met de verloste Israëlieten als vrije mensen naar het Beloofde Land trekken. Een verhaal dat wereldwijd bekend is.

     

    De animatiefilm wijkt enkele malen op belangrijke details van het Bijbelverhaal af. De Bijbelse farao van de verdrukking bijvoorbeeld is in de Bijbel namelijk dezelfde farao die kort voor de exodus sterft. Een zeer oude man aldus. Het Bijbelboek Exodus leert in feite dat we met een farao te doen hebben die minsten 2 x 40 of 80+ jaar regeerde. Zoals in ‘Genesis versus Egyptologie’ uiteengezet meen ik dat alleen farao Pepi II van de zesde dynastie in aanmerking komt voor deze lange regeerperiode.

     

    In de animatiefilm is de farao van de verdrukking echter Seti I van de negentiende dynastie. Een farao met een regeringsduur van slechts 11 jaar. Het is algemeen gangbaar voor de orthodoxie om een farao uit de 18de en/of 19de Egyptische dynastie te selecteren die in het Bijbelplaatje zou kunnen passen. Een onmogelijke opdracht. Beide vermelde dynastieën zijn historisch goed gedocumenteerd en leveren geen gepaste kandidaat-farao. De reden dat men op zoek gaat naar de farao van de exodus in deze dynastieën is een gevolg van de zogenaamde Sothis-kalender en zijn datering die door de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste eeuw gefabriceerd werd. Het revisionisme van de Egyptologie, heeft de dateringsmethode van Eduard Meyer inmiddels volledig onderuit gehaald.

     

    Een andere discrepantie in afwijking met de Bijbel, die ik in de animatiefilm opmerkte was dat de boreling Mozes geadopteerd wordt door de vrouw van farao en niet door de dochter van farao. De filmmakers hebben hier blijkbaar de Koran gevolgd en niet de Bijbel. Hierna de betreffende Koran- en Bijbelgedeelten:

     

    Soera 28:7 En Wij openbaarden aan de moeder van Musa (Mozes): Zoog hem, en wanneer gij voor hem vreest, werp hem dan in de stroom. En vrees niet en wees niet bedroefd. Wij zullen hem tot u terugvoeren en hem maken tot een der uitgezondenen. -8. Toen namen de verwanten van Fir’aun (farao) hem op, opdat hij voor hen zou worden een vijand en een droefenis. Fir’aun en Haman en hun legerscharen waren zondebedrijvers. 9. En de vrouw van Fir’aun zeide: een verkwikking des harten is hij voor mij en voor u; doodt hem niet; mogelijk, dat hij ons baat zal brengen of dat wij hem als kind aannemen. – Maar niet hadden zij vermoeden. (De Koran in de vertaling van Prof. Dr. J. H. Kramers)

     

    Exodus 1:5 Toen kwam de dochter van Farao om in de Nijl te baden, en intussen wandelden haar dienaressen langs de Nijl; zij zag het kistje in het riet en zond haar slavin om het te halen. 6 Toen zij het open deed, zag zij het kind, en zie, het jongetje schreide, zodat zij medelijden met hem kreeg en zeide: Dit is een Hebreeuws kind. 7 Toen zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Zal ik voor u uit de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het kind voor u te zogen? 8 En de dochter van Farao zeide tot haar: Ja. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. 9 En de dochter van Farao zeide tot deze: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, dan zal ik u het u toekomende loon geven. Daarop nam de vrouw het kind mee en zoogde het. 10 En toen het kind groot geworden was, bracht zij het naar de dochter van Farao; en hij werd door haar als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want, zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken. (NBG Vertaling 1951)

     

    In dit korte Bijbelgedeelte staat wel vijf maal achter elkaar vermeld dat het de dochter van farao was die Mozes als zoon aannam. Er kan hier dus geen twijfel over bestaan wie bedoelt is.

     

    De onderzoeker Donovan Courville, wiens studie ik in mijn werk ‘Genesis versus Egyptologie’ (hoofdstuk 9) meerdere malen citeer leert dat de twaalfde dynastie de dynastie van de farao van de verdrukking leverde; namelijk Senwosret III. Het was de dochter van zijn opvolger Amenemhat III met de naam Sobekneferoe die Mozes als zoon adopteerde en aldus Mozes tot kroonprins van Egypte maakte. Courville meent dat er voldoende historisch materiaal is om Amenemhat IV als Mozes te identificeren. Op de tijdsbalk linkt Courville de vlucht van Mozes naar Midian met het einde van de (co)regeerperiode van Amenemhat IV. Indien Courville gelijk heeft zijn we in hierboven in bezit van een afbeelding van Mozes als prins van Egypte.

     

    Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), Th., B.A., M.A., Ph. D., was een revisionist van de Egyptologie die met zijn werk ‘The Exodus Problem and its Ramifications, 1971’ een heel belangrijke bijdrage tot het rechtzetten van de geschiedenis van de oudheid in het licht van de Bijbel leverde. Zijn studie is voor mij een naslagwerk. Het Egyptische Oude en het Midden-rijk waren volgens Courville contemporain met elkaar. Beide rijken komen als een gevolg van de ramp van de exodus gelijktijdig aan hun einde. De enige tussenperiode in de Egyptische geschiedenis die Courville in zijn reconstructie overeind laat is de periode van de Hyksos, vreemde heersers die na de vernietiging van het leger van farao met de exodus, Egypte overrompelden. De Israëlieten vervolgden hun weg naar Kanaän dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij waren nieuwkomers met archeologisch gezien logischerwijze een nieuwe soort potten en pannen. Zij namen, gepaard gaande met natuurlijke catastrofes, op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Midden bronsperiode te Jericho onmiddellijk op het Vroeg brons-tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk – een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting door nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Hij toont aan dat de Egyptologie er zeshonderd jaar naast zit. Wanneer we het begin van Midden brons aan de Bijbelse gegevens aanpassen valt veel op zijn plaats.

     

    De Koran heb ik al jaren geleden doorgenomen, nog voor 9/11, in de eerste plaats uit nieuwsgierigheid naar een eventuele naamsvermelding van de farao van de verdrukking. Maar helaas, ook de Koran geeft geen naam en verwijst alleen naar ‘farao’ of het Arabische Far’aun zoals het door Prof. Dr. J. H. Kramers naar het Nederlands vertaald werd.

     

    Er zijn wel enkele interessante historische raakpunten zoals de vermelding in de Koran dat farao in de Rode Zee samen met zijn leger is omgekomen. De volgende Soera’s gaan hierover: 2:50, 7:136-137, 8:54, 10:90, 17:103, 20:78-79, 26:66, 28:40, 43:55, 44:24, 51:40, 79:25.

     

    Dat farao is omgekomen in de Rode Zee past niet bij de orthodoxe identificatie van de farao van de verdrukking met de farao’s van de achttiende en/of negentiende Egyptische dynastie. De betreffende Hollywood-films laten dan ook het Egyptische leger alleen in de Rode Zee omkomen met farao die vanop de oever toekijkt en zo overleefd. Dit is echter ongeloofwaardig wanneer we bedenken dat de farao ’s van de oudheid als goden aan de kop van hun leger oprukten.

     

    Een vraagteken plaatst ik bij het vermelden van de naam HAMAN in de hiervoor geciteerde Soera 28:8. De Koran verwijst zesmaal naar de figuur Haman die volgens de Koran deel uitmaakte van het hof van farao en aanwezig was wanneer Mozes en Aaron hun opwachting bij farao maakten. Op andere plaatsen in de Koran wordt hij beschreven als de architect van farao.

     

    Soera 40:36 En Far’aun zeide: O Haman, bouw voor mij een hoog paleis, opdat ik de toegangen moge bereiken. 37. De toegangen tot de hemelen, zodat ik de god van Musa kan waarnemen; immers ik houd hem voor een leugenaar. -  En aldus werd voor Far’aun zijn boos bedrijf schoonschijnend gemaakt, en werd hij afgehouden van de weg. En niet was de toeleg van Fir’aun anders dan in mislukking.

     

    Het vermelden van Haman in de Koran als architect en raadsman van farao is door menig tegenstander al aangegrepen om de Koran in diskrediet te brengen. De boodschap is dan dat een en ander in de overlevering in de tijd verwisseld werd met de Haman uit het Bijbelboek Esther en de Perzische periode. Een tijdsverschil van bijna 1000 jaar. Ik wens mij deze roedel huilende wolven in het bos niet te vervoegen en meen dat het mogelijk is dat de Egyptologie in de toekomst alsnog een historische Haman kan duiden. Het werk rond de geschiedschrijving van het oude Egypte is niet af. We moeten ook bedenken dat het oorspronkelijke Egyptische schrift geen klinkers kenden en het moeilijk is de juiste klinkers van een naam te kennen. Daarnaast bereikten ons vele namen van farao’s en hun hofhouding in het Grieks. Het is en blijft een puzzel en niet alles kan bewezen worden. Dit gaat trouwens voor veel op. De evolutietheorie bijvoorbeeld is tenslotte ook uitgevonden om te bewijzen wat nog bewezen moet worden.

     

    Nu blijft het een feit dat de twee boeken Bijbel en Koran vanwege het Bijbelse evangelie, tegenover elkaar staan. De Bijbel is een afgesloten eenheid van 66 boeken waartegenover de Koran beweerd dat er, ongeveer zes eeuwen later, een Arabische openbaring van dezelfde God (Soera 29 :45) als die van de Bijbel aan de Arabier Mohammed is geweest. Het Oude Testament van de Bijbel sluit echter af met de Hebreeuwse profeet Maleachi die de komst van de Messias aankondigt met vooraf de wederkomst van de profeet Elia en het Nieuwe Testament neemt deze draad weer op bij de bediening van Johannes de Doper die de komst van de Zoon van God aankondigt. Het Nieuwe Testament sluit af met het boek Openbaring of Apocalyps met de belofte van de komst van de Zoon van God, de Koning der koningen, die in de toekomst bij zijn wederkomst alles zal herstellen. Nergens staat er in de Bijbel een verwijzing naar een nog eventuele toekomstige Arabische openbaring. Verschillende Bijbelgedeelten maken integendeel duidelijk dat het Woord van God alleen aan en door de Joden is doorgegeven.

     

    Romeinen 3:1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. 3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? 4 Volstrekt niet!

    (NBG 1951 Vertaling)

     

    Het christendom neemt dan wel aan dat het Woord van God door de Joden tot ons is gekomen, anderzijds; leert een meerderheid van de christelijke kerk(en) dat de kerk sinds Pinksteren 30 AD in de plaats van Israël is geplaatst, de zogenaamde vervangingsleer. De Joden zijn volgens deze leer/theorie als heilsorgaan voor altijd door God opzijgezet. In het jaar 70 AD werd de tempel te Jeruzalem door Rome vernietigd en de Joden sindsdien verstrooid onder de volken. De profetie van Mozes zoals we kunnen lezen in het Bijbelboek Leviticus hoofdstuk 26 ging toen in vervulling.

     

    De Koran leert ook dat de Joden geen derde herstel beloofd is. Twee maal slechts werd het hun vergund een nationale staat te hebben en ‘verderf te verspreiden’ volgens Soera 17:4. Hierna het relevante gedeelte:

     

    Soera 17:1 "Lofprijzing aan Hem, die Zijn dienaar des nachts deed reizen van het Gewijde Bedehuis naar het Uiterste Bedehuis, welks omtrek Wij gezegend hebben, opdat Wij hem van Onze tekenen zouden tonen. Hij is de Horende, de Ziende. (2) En Wij hebben Musa (Mozes) de Schrift gegeven en Wij hebben haar gemaakt tot een rechte leiding voor de Zonen Israils: Neemt u niet buiten Mij een zaakbezorger. _ (3) Nakomelingschap van hen, die Wij met Nuh (Noach) medevoerden. Hij was een dankbaar dienaar. – (4) En Wij hebben aan de Zonen Israils in de Schrift de beslissing gegeven: Gij zult op de aarde twee malen verderf verspreiden, en gij zult rijzen tot grote hoogte. – (5) Wanneer de tijd komt van de eerste der twee aanzeggingen, zenden Wij tegen ulieden dienaren van Ons, toegerust met hevig geweld, welke tussen de woningen door speuren; en het zal een verwerkelijkte aanzegging worden. – (6) Daarna geven wij U weder de kans tegen hen en versterken Wij u met bezittingen en zonen, en maken Wij u talrijker in krijgerscharen. – (7) Indien gij lieden wel handelt, dan handelt gij wel voor uzelven, en indien gij slecht handelt, dan is dat ook voor uzelf. Wanneer dan de tijd komt van de latere aanzegging, zal het gebeuren, dat zij uw gezichten schenden en dat zij het bedehuis binnendringen, zoals zij het de eerste maal binnengedrongen waren, en dat zij de plaats, waarover zij komen, geheel verwoesten. –(8) Mogelijk, dat uw Heer ulieden dan barmhartigheid zal betonen. Maar indien gij terugkeert, keren ook Wij terug en maken Wij Djahannam voor de ongelovigen tot een inperking."

    (Vertaling van Prof. Dr. J. H. Kramers)

     

    Het gewijde Bedehuis is volgens het commentaar van Prof. Dr. J. H. Kramers; Mekka en met het Uiterste Bedehuis wordt Jeruzalem bedoelt. De eerste aanzegging betreffende de vernietiging van de eerste Tempel geschiedde in 586 v. Chr. wanneer de Babyloniërs onder leiding van Nebukadnezar. De tweede aanzegging betreffende de verwoesting van Jeruzalem en haar Tempel geschiedde in het jaar 70 AD toen de Romein Titus het opstandige Jeruzalem belegerde en vernietigde. De Joden gingen toen de diaspora in. De jaartallen 586 v. Chr. en 70 AD zijn van de westerse jaartelling. De Koran heeft geen jaartallen waar deze gebeurtenissen op de tijdsbalk mee verankerd kunnen worden. Met Israël leek het in 70 AD afgelopen tot in de twintigste eeuw tot verbazing van velen een nieuwe staat in het oude land der vaderen geproclameerd werd. Het begin van een derde herstel, dat nationaal ingezet werd met een geestelijk herstel dat nog toekomst is.

    De Koran leert deze verwachting niet en waarschuwt met Djahannam bij een mogelijke terugkeer. Dit laatste is een Arabisch woord dat staat voor het woord hel uit de Germaanse mythologie daar waar in de Bijbel het Hebreeuwse woord GE-HINNOM of vallei van Hinnom staat. In het Nieuwe Testament komt het Griekse woord Gehenna voor waar volgens Kramer het Arabische woord Djahamman is van afgeleid.

     

    Een belangrijk obstakel voor een vredesregeling in het Islamitische Midden-Oosten is het feit dat de Koran leert dat er geen redding voor de Joden noch een herstel van een staat in het vooruitzicht gesteld wordt. Daarom ook wordt de staat Israël sinds 1948 als een doorn in het Arabische vlees ervaren. Een doorn die verwijderd moet worden.

     

    De Bijbel leert echter duidelijk een derde herstel van het Jodenvolk in het oude land der vaderen. En dit zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Het traditionele christendom ziet de profetieën betreffende het herstel van Israël in de Bijbel als vervuld bij de terugkeer uit Babylonische ballingschap in 535 v. Chr. Er zijn echter heel wat profeten zoals Ezechiël, Daniël, Jesaja e.a. die voorspellingen gaven betreffende de tweede vernietiging van de Tempel gevolgd door een derde herstel na een tijds-dal van ruim tweeduizend jaar. En in de Romeinenbrief van Paulus gaan de hoofdstukken 9, 10 en 11 over het verbondsvolk Israël en hun toekomstige herstel.

     

    Tot slot hierna twee Bijbelcitaten die vanzelfsprekend zijn:

     

    Jesaja 11:11 En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. 12 En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde.

     

    Amos 9: 11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, 12 opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de HERE, die dit doet. 13 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. 14 Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. 15 Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    02-03-2014 om 18:14 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DEBORA: vrouw, moeder, richter, profeet, dichter en generaal
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Richteren 4:1 Nadat Ehud gestorven was (1269 v. Chr.), deden de Israëlieten opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN. 2 Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-Haggojim woonde. 3 En de Israëlieten riepen tot de HERE, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten wreed verdrukt, twintig jaar (1269-1249 v. Chr.),.4 De profetes Debora, de vrouw van Lappidot, richtte destijds Israël; 5 zij was gewoon zitting te houden onder de Deborapalm tussen Rama en Bet-El op het gebergte van Efraïm, en de Israëlieten kwamen bij haar voor een rechterlijke uitspraak. 6 Zij nu ontbood Barak, de zoon van Abinoam uit Kedes in Naftali, en zeide tot hem: Heeft de HERE, de God van Israël, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Naftalieten en Zebulonieten, 7 en Ik zal aan de beek Kison Sisera, de krijgsoverste van Jabin, naar u toe voeren met zijn strijdwagens en zijn troepen, en Ik zal hem in uw macht geven? 8 Barak echter zeide tot haar: Indien gij met mij gaat, zal ik gaan, maar indien gij niet met mij gaat, ga ik niet. 9 Zij zeide: Ik ga met u mee, maar gij zult geen eer behalen op de tocht die gij onderneemt, want in de macht van een vrouw zal de HERE Sisera overgeven. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes. 10 Barak riep Zebulon en Naftali te Kedes samen, en tienduizend man trokken op in zijn gevolg; ook Debora ging met hem mee.

     

    11 De Keniet Cheber nu had zich afgescheiden van de Kenieten, van de zonen van Chobab, de zwager van Mozes, en had zijn tenten opgeslagen tot aan de terebint van Saännaïm, dat bij Kedes ligt. 12 Toen men Sisera had meegedeeld, dat Barak, de zoon van Abinoam, de berg Tabor bezet had, 13 riep hij al zijn wagens, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk dat bij hem was, uit Charoset-Haggojim samen aan de beek Kison. 14 Toen zeide Debora tot Barak: Breek op, want dit is de dag, dat de HERE Sisera in uw macht gegeven heeft: is niet de HERE vóór u uitgetogen? En Barak daalde af van de berg Tabor en tienduizend man achter hem; 15 en de HERE bracht Sisera met al zijn wagens en zijn gehele leger door de scherpte des zwaards vóór Barak, zodat Sisera van zijn wagen klom en te voet vluchtte. 16 Toen achtervolgde Barak de wagens en het leger tot aan Charoset-Haggojim, en het gehele leger van Sisera viel door de scherpte des zwaards; niet één bleef er over….

    Richteren 5:1 Op die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:…

    Vers 20 ...van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera... Van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera. …

    …31 b Maar die Hem liefhebben zijn als de opgaande zon in haar kracht. Toen had het land veertig jaar rust. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het nieuwe artikel heeft als inleiding de geschiedenis van een bijzondere vrouw in het oude Israël. Een vrouw die niet alleen profeet was, maar bovendien een van de richters in Israël en dit voor een lange periode van veertig jaar. Een lange tijd ook dat het volk van Israël rust van zijn vijanden had. Maar Debora was niet alleen een vrouwelijke richter, zij was ook moeder, generaal, profeet en dichter. Vanuit de godsdienst(en)-traditie ervaart men al eens de perceptie dat de Bijbel een vrouwonvriendelijk boek zou zijn. Wanneer men echter dit Bijbelgedeelte bestudeerd krijgt men toch weer een ander beeld.

     

    De aanvang van haar richter-schap was heel bijzonder. Het woongebied van de twaalf stammen van Israël werd toen beheerst door de koning van Kanaän: Jabin. Deze man had zijn hoofdplaats te Hazor in het noorden van het land. De generaal van Jabin was Sisera die volgens het Bijbelbericht, zo maar even negenhonderd strijdwagens tot zijn beschikking had. Voor een periode van twintig jaar al ondergingen de Israëlieten een wrede verdrukking. In hun grootste nood trokken zij naar de profetes Debora voor raad en uitredding. Zoals het Bijbelbericht hierboven luidt ontbood Debora daarop Barak de zoon van Abinoam van de stam Naftali en gaf hem de profetie met het krijgsplan voor de aanstaande vernietiging van het leger van Sisera. De ‘man’ Barak had echter niet zo een groot geloof als Debora en stond erop dat zij aan zijn zijde het leger zou vervoegen. De richter Debora stemde toe maar waarschuwde Barak dat hijzelf nu geen eer meer zou behalen aan de overwinning die profetisch voor haar al vaststond.

    Richteren 4:9 Zij zeide: Ik ga met u mee, maar gij zult geen eer behalen op de tocht die gij onderneemt, want in de macht van een vrouw zal de HERE Sisera overgeven.

    De Israëlitische legertroep van Barak was in staat het gigantische leger van Sisera te overwinnen als een gevolg van een heel bijzonder ingrijpen van de zijde van de HERE God: er staat in vers 10 geschreven dat “de HERE bracht Sisera met al zijn wagens en zijn gehele leger door de scherpte des zwaards in verwarring vóór Barak”. Wat er exact gebeurde is niet onmiddellijk te achterhalen. Maar in Richteren in het overwinningslied van Debora hoofdstuk 5 vers 20 staat er geschreven: “Van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera. …”

     

    En het is dit aspect, naast het chronologische dat ik in dit artikel wens te belichten.

    CHRONOLOGIE

    Het verslaan van het geweldige leger van Sisera, de krijgsoverste van Jabin bestaande uit negenhonderd ijzeren strijdwagens geschiedde aan het begin van Debora ’s richterperiode, want er staat geschreven dat ‘daarna’ het land veertig jaar rust had. Op onze chronologische tabel is dit het jaar 1249 v. Chr. (Zie Genesis versus Egyptologie – hoofdstuk 13). De zware verdrukking door Jabin liep van 1269 tot 1249 v. Chr.

     

    Het jaar 1249 v. Chr., het jaar van de verlossing van het juk van Jabin, was heel merkwaardig het zesde jaar in de sabbat- en jubeljaarcyclus. Het was een jaar dat een jaar (maart/april 1249 tot maart/april 1248) van dubbele zegening betekende zodat de opbrengst van het land voldoende zou zijn om het sabbatjaar en ditmaal ook het Jubeljaar te overbruggen. Het zevende- of sabbatjaar liep daarop van 1248 tot 1247 v. Chr. En het vierde jubeljaar sinds de instelling ervan begon in sept/okt van 1248 v. Chr. Tot hier even de chronologische aspecten van dit Bijbelgedeelte

     

    EEN KOSMISCH FENOMEEN

    Het Bijbelboek Richteren geeft een verwijzing naar een kosmisch fenomeen dat zich tijdens de slag tussen de Israëlieten en het leger van Jabin afspeelde:

    Richteren 5:20 “Van de hemel streden de sterren (Hebreeuws: KOWKAB), vanuit haar banen (Hebreeuws: MECILLAH) streden zij tegen Sisera.” (NBG Vertaling 1951)

     

    De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, die ik op 20-01-2014 op dit blog al citeerde, verbinden in hun studie ‘The long day of Joshua and six other catastrophes – Chapter VI - (1973), het kosmisch fenomeen van Richteren 5:20 met een ‘fly-by’ van de planeet Mars. De Hebreeuwse grondtekst-woorden die ik in het Bijbelcitaat hierboven tussen ronde haken vermeld heb zijn van hen. Hierna hun commentaar voor KOWKAB en MECILLAH.

    KOWKAB: a blazing or rolling star, a shining star, a luminary, and we propose, a rotating planet such as Mars.

    MECILLAH: which Strong’s Concordance translates as a viaduct, a staircase, a causeway, a course, a highway, a path, a terrace, and our belief is it could also be accurately translated ‘an orbit’, or ‘orbits’, paths of the luminaries.

     

    Het Bijbelgedeelte van Richteren 5:20 “Van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera.”, krijgt in het licht van de studie van Patten wel een heel letterlijke betekenis. Men zou van heel wat minder op een slagveld ‘in verwarring’ kunnen geraken. Het resultaat was wel dusdanig dat het leger van de koning van Kanaän verslagen kon worden. Voor de Israëlieten was het duidelijk dat de HERE God ingegrepen had. De laatste overwegingen van Jabin en Sisera kennen we niet. De onderzoeker Patten schrijft dienaangaande in zijn werk iets heel merkwaardig neer:

    ‘Agnostics will in the future , more and more, discount evolutionary uniformitarianism, and will see the validity in the astronomical, catastrophic view of science and ancient history, yet perhaps without the hand of God.’ (The long day of Joshua and six other catastrophes by Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, 1973)

     

    Een voorbeeld van geestelijke blindheid in de oudheid vinden we bij de koning van Assyrië; Sanherib na diens nederlaag met gelijkaardige omstandigheden nabij Jeruzalem in het jaar 709 v. Chr.

    2 Koningen 19:5 In die nacht ging de Engel des HEREN uit en sloeg in het leger van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de morgen opstond, zie, zij allen waren lijken. 36 Dus brak Sanherib, de koning van Assur, op en aanvaardde de terugtocht; en hij bleef te Nineve. 37 Eens, toen hij zich neerboog in de tempel van zijn god Nisrok, doodden zijn zonen, Adrammelek en Sareser, hem met het zwaard; doch zij ontkwamen naar het land Ararat. Zijn zoon Esarhaddon werd koning in zijn plaats.

    Volgens Patten en zijn medewerkers geschiedde er ook een interactie met de planeet Mars in het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia op het moment dat de Assyriërs Jeruzalem belegerden. De planeet Mars was voor de Assyriërs een godheid die zij de naam Nergal gaven.

     

    Maar nu terug naar het kosmische fenomeen ten tijde van de richter Debora. Het jaartal dat Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer in hun studie voor de interactie met de planeet Mars doorgeven is 1188 v. Chr. Een verschil van 7 tot 61 jaar met de Bijbelse sabbatjaartelling in de catastrofecyclus van 54 jaar en 6 maanden. Volgens Patten was er een cyclus gaande van telkens 54 jaar en 6 maanden; de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium.

     

    Hun jaartal 1188 v. Chr. is echter het resultaat van het hanteren van Thiele ’s tijdsconstructie voor de koningen van Israël en de richterenperiode die daarmee verbonden is. (Edwin R. Thiele, A Chronology of the Hebrew Kings, 1977). Thiele verkorte de regeringsduur van de koningen van Israël en Juda ter inpassing van deze koningen in de Assyrische koningslijst-tijdsconstructie.

     

    Op dit blog schreef ik op 20-01-2014 een artikel over ‘de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus’ en verwees naar de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer en waar ze juist chronologisch fout zitten in het dateren van hun kosmische catastrofes. Let op, hun studie is van topniveau en een aanrader. Het is uitsluitend hun gebruikte chronologie die dient gecorrigeerd.

     

    In het artikel van 20-01-2014 verwees ik ook naar het bekende jaartal 776 v. Chr. met de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken als dank naar de goden toe, toen een verwachtte ramp werd afgewend. Heel de wereld hield tegen het jaar 776 v. Chr. de adem in voor de verwachte ramp die planeet aarde dan opnieuw zou treffen. Een door oudheidastronomen geprofeteerde ramp die ook in het Bijbelboek Jona vermeldt wordt maar afgewend werd. Een verband dat Patten niet zag, als een gevolg van Thiele ’s ankerjaar 701 v. Chr. als veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda.

     

    Wanneer we echter met de juiste ankerjaren zoals 722 v. Chr. en 776 v. Chr. rekenen worden verbanden met andere historische vermeldingen van meganatuurcatastrofes herkenbaar. Verbanden die zij in hun gebruik van Thiele ’s fabricatie missen.

     

    Uiteraard hebben zich in de catastrofecyclus afwijkingen voorgedaan zoals bijvoorbeeld het jaar 776 v. Chr. dat geen rampjaar werd.

     

    De Bijbelse chronologie levert ten tijde van de richteren-periode een exacte datum voor zulk een planetaire interactie: voorjaar 1249 v. Chr. Het jaartal van het begin van de richterperiode van Debora, moeder, profeet, richter, dichter en generaal is een jaartal dat op basis van exacte Bijbelse chronologie (via de sabbat- en jubeljaartelling van William Whiston) verkregen werd en is aldus een absoluut ankerjaar, een navigatiepunt in de tijd waar we andere kosmische fenomenen mee kunnen verbinden: maart/april 1249 v. Chr.

     

    Wanneer we bijvoorbeeld verder terug vanaf 1249 v. Chr. in de tijd rekenen, met schijven van 54 jaar en 6 maanden krijgen we volgende resultaten:                 september/oktober          1304 v. Chr.

                                Maart/april                  1358 v. Chr.

     

    Het verkregen jaartal 1304 v. Chr. levert geen historische verwijzing naar een natuurcatastrofe op maar het jaar 1358 v. Chr. wel. Het is een jaartal dat verbonden is met de genoteerde hongersnood ten tijde van Naomi zoals beschreven in het Bijbelboek Ruth. Mijn artikel op deze blog van 24-02-2014 had als onderwerp ‘een jubeljaar in het Bijbelboek Ruth’.

    Het was het tweede jubeljaar van oct1346/sep1345 v. Chr. sinds de instelling ervan, dat het jubeljaar was ten tijde van Naomi en Ruth. Het zesde jaar van de dubbele zegening in de sabbatjaarcyclus was maart 1347/april 1346 v. Chr. Dit was het jaar dat Naomi in haar ballingsland Moab vernam dat de HERE God naar zijn volk had omgezien door het brood te geven. Het was het jaar van de zogenaamde dubbele zegening zodat de opbrengst van het land voldoende zou zijn om het sabbatjaar en ditmaal ook het Jubeljaar te overbruggen.

     

    Vanaf het jaartal 1347/1346 rekenen we tien jaar terug voor het vertrek van Naomi als een gevolg van de hongersnood, naar Moab wat ons in het jaar 1357 v. Chr. brengt. Het is het exacte jaartal voor de hongersnood ten tijde van de verdrukking (1367/1349 v. Chr.) van de Israëlieten door de koning van Moab Eglon.

     

    Het jaartal 1357 v. Chr. als een meganatuurcatastrofe-jaar met mislukte oogsten tot gevolg, is een jaartal dat Patten en zijn medewerkers gemist hebben en dit als een gevolg van hun hanteren van Thiele ’s constructie. Wanneer men echter hun cyclusperiode van 54 jaar en 6 maanden hanteert vanaf de juiste ankerjaren komen heel wat meer verbanden aan het licht.

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    25-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een jubeljaar in het Bijbelboek Ruth
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ruth 1:1 In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Bethlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. 2 De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Bethlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. 3 Toen stierf Elimelek, de man van Naomi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. 4 Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. 5 Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man. 6 Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op en keerde uit het veld van Moab terug, want zij had in het veld van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun brood te geven. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het boek Ruth is het achtste Bijbelboek in de Joodse Bijbel en volgt na het boek Richteren. Het begint met een hongersnood en de beslissing van een man om zijn heil buiten Israël in Moab te gaan zoeken. Zijn eigenzinnige keuze sleuren zijn vrouw en zonen mee, weg in het ongeluk. Na zijn dood en de dood ook van zijn zonen die in Moab Moabietische vrouwen gehuwd hebben blijft de weduwe Naomi alleen met haar twee schoondochters achter. Na het nieuws dat de HERE God naar zijn volk heeft omgezien door hun brood te geven, besluit Naomi naar Israël terug te keren. Een van haar schoondochters genaamd Ruth is degene die beslist om bij haar schoonmoeder te blijven en mee naar Israël, een voor haar vreemd land, te trekken. Uiteindelijk keert alles ten goede en leest het boek Ruth als een prachtige roman met een happy end, alleen met dit verschil dat het geen fictief verhaal is. Ruth huwt Boaz en wordt de moeder van Obed, de overgrootvader van David.

    Wat van belang voor onze studie en dit blog is, is het geslachtsregister waar het boek Ruth met eindigt. Het is een lijst met al de namen vanaf Peres, de zoon van Juda, de zoon van Jacob-Israël tot op David. Een tijdsperiode van ongeveer zeshonderd jaar met slechts tien namen.

    Ruth 4:18 Dit nu zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, 19 Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, 20 Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma, 21 Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22 Obed verwekte Isaï en Isaï verwekte David.

     

    Jacob en zijn zonen trokken ten tijde van de wereldwijde hongersnood naar Egypte. De zevenjarige hongersnood heeft op onze tijdsschema’s de jaren 1700 tot 1693 v. Chr. Volgens het Genesisbericht was Peres, de naam waar de lijst in het boek Ruth mee aanvangt, al geboren. En ook Chesron, de zoon van Peres, maakte al deel uit van het gezin. Er resten dus de namen Ram, Amminadab, Nachson en Salma tot op Boaz, de man die de Moabitische Ruth huwde en de voorovergrootvader van David was.

    De namen Ram en diens zoon Amminadab horen op de tijdsbalk thuis in de periode van de verdrukking in Egypte, een periode van ongeveer 90 jaar tot op de exodus in 1483 v. Chr.. Nachson, de zoon van Amminadab leefde ten tijde van de exodus en de periode in de wildernis, want hij wordt in 1 Kronieken hoofdstuk 2 en Numeri hoofdstuk 1, als de vorst der Judeeërs vermeldt.

    1 Kronieken 2: 1 Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issakar en Zebulon, 2 Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser. 3 De zonen van Juda waren: Er, Onan en Sela, een drietal dat hem geboren werd uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Maar Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen op van de HERE, en Hij doodde hem. 4 Tamar, zijn schoondochter, baarde hem echter Peres en Zerach. In het geheel waren er vijf zonen van Juda. 5 De zonen van Peres waren: Chesron en Chamul; 6 de zonen van Zerach: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara, tezamen vijf. 7 De zonen van Karmi: Akar, die Israël in het ongeluk stortte, doordat hij zich aan het gebannene vergreep; 8 en de zonen van Etan: Azarja. 9 De zonen, die aan Chesron werden geboren, waren: Jerachmeël, Ram en Kelubai. 10 Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Nachson, de vorst der Judeeërs; 11 Nachson verwekte Salma; Salma verwekte Boaz; 12 Boaz verwekte Obed; Obed verwekte Isaï; 13 en Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, zijn tweede, Sima, zijn derde; 14 Netanel, zijn vierde, Raddai, zijn vijfde; 15 Osem, zijn zesde, David, zijn zevende. 16 Hun zusters waren Seruja en Abigaïl. De zonen van Seruja waren: Absai, Joab en Asaël, drie; 17 Abigaïl baarde Amasa, en de vader van Amasa was de Ismaëliet Jeter.

     

    Numeri 1:1 De HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte: 2 Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, 3 van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en Aäron. 4 Daarbij zal u uit elke stam één man behulpzaam zijn, de man, die het hoofd is van zijn families. 5 En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan: van Ruben Elisur, de zoon van Sedeür; 6 van Simeon Selumiël, de zoon van Surisaddai; 7 van Juda Nachson, de zoon van Amminadab; 8 van Issakar Netanel, de zoon van Suar; 9 van Zebulon Eliab, de zoon van Chelon; 10 van de zonen van Jozef: van Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse Gamliël, de zoon van Pedasur; 11 van Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni; 12 van Dan Achiëzer, de zoon van Ammisaddai; 13 van Aser Pagiël, de zoon van Okran; 14 van Gad Eljasaf, de zoon van Reüel; 15 van Naftali Achira, de zoon van Enan. 16 Dit zijn degenen die uit de vergadering moeten worden opgeroepen, vorsten van de stammen hunner vaderen; hoofden van Israëls geslachten zijn zij.

     

    De zoon van Nachson was Salmon of Salma en kan op de tijdsbalk als volwassen jongen in 1437 v. Chr. geplaatst worden want vanuit het geslachtsregister van Jezus Christus, dat de evangelist Matteüs doorgeeft, leren we dat Salmon Rachab huwde, de geredde hoer van Jericho.

     

    Matteüs 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, 6 Isaï verwekte David, de koning.

     

    Rachab was de moeder van Boaz, de man die de Moabietische Ruth tot vrouw nam. Dit maakt chronologisch gezien, van Boaz een heel oude man toen hij Ruth huwde. Het Bijbelboek Ruth geeft een indicatie dat Boaz inderdaad niet jong meer was, maar eerder op (over)gevorderde leeftijd. Onmogelijk? Ik meen van niet. De ‘Legends of the Jews’ door Louis Ginzberg’ vermeldt dat Boaz een leeftijd van 80+ had:

    “So she (Ruth) was taken to wife by the octogenarian Boaz. Ruth herself was forty years old at the time of her second marriage, and it was against all expectations that her union with Boaz should be blessed with offspring, a son Obed the pious. Ruth lived to see the glory of Solomon, but Boaz died on the day after the wedding.”

    Het woord ‘octogenarian’ moest ik opzoeken en de vertaling luidt: een man of vrouw in de leeftijd van 80 tot 89 jaar oud. Wat het gebruik betreft van de ‘Legends of the Jews’ volg ik de leidraad van Paulus die aan de Thessalonicenzen schreef: Doof de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede (I Thess. 5:19-21). Naast de onzin die men in de Joodse legendes vindt zijn er toch heel wat pareltjes die telkens gevonden kunnen worden en na toetsing met de Bijbel bruikbaar. En de Bijbel geeft ook melding dat in uitzonderlijke gevallen oude mannen van 80+ nog nageslacht kunnen verwekken. Lees even hierna wat er over Kaleb geschreven staat en vooral hoe hij zijn viriliteit met 85 jaar ouderdom nog beschrijft.

    Jozua 14:6 De Judeeërs nu naderden tot Jozua te Gilgal; en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, zeide tot hem: Gij kent het woord, dat de HERE tot Mozes, de man Gods, aangaande mij en u te Kades-Barnea gesproken heeft. 7 Veertig jaar was ik oud, toen Mozes, de knecht des HEREN, mij van Kades-Barnea uitzond, om het land te verspieden; en ik bracht hem nauwgezet verslag uit. 8 Terwijl mijn broeders, die met mij opgetrokken waren, het hart van het volk deden versmelten, bleef ik volkomen trouw aan de HERE, mijn God. 9 Daarom heeft Mozes te dien dage gezworen: voorzeker zal het land, dat uw voet betreden heeft, voor altijd het erfdeel van u en uw zonen zijn, omdat gij volkomen trouw gebleven zijt aan de HERE, mijn God. 10 Welnu, zie, de HERE heeft mij in het leven behouden, zoals Hij beloofd heeft. Het is nu vijfenveertig jaar, sedert de HERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, gedurende welke tijd Israël in de woestijn rondgetrokken heeft. Welnu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud; 11 ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan. 12 Geef mij daarom dit bergland, waarvan de HERE te dien dage gesproken heeft, want gij zelf hebt toen gehoord, dat daar Enakieten zijn met grote, versterkte steden; wellicht zal de HERE met mij zijn en zal ik hen verdrijven, zoals de HERE gesproken heeft.

     

    We moeten ook bedenken dat in de namenlijst van het Bijbelboek Ruth e.a. lijsten het niet altijd de eerstgeborene was die in het geslachtsregister van David zit. Bij David is dit overigens overduidelijk want hij wordt als de zevende zoon van Isaï vermeldt. Het kan niet anders dat de mensen van dit geslachtsregisters telkens op hoge leeftijd waren wanneer zij voor de naamdrager zorgden. Vooral bij Boaz, Obed en Isaï was dit het geval. Een Joodse legende leert dat Isaï vierhonderd jaar oud werd. Dit is op onze tijdsbalk een onmogelijkheid aangezien dan Isaï eerder dan zijn vader, grootvader en overgrootvader geboren zou zijn. Wel geeft de legende een indicatie van de zeer hoge ouderdom van Isaï.

    Maar nu eerst verder met het Bijbelverhaal Ruth op de tijdsbalk te plaatsen. Zo vermeldt: ‘The Legends of the Jews’ ook dat wanneer Elimelek met zijn gezin naar Moab trok daar koning Eglon over Moab heerste. En dat de zonen van Elimelek aan het hof van koning Eglon carrière maakten. Eglon kennen we vanuit het Bijbelboek Richteren want hij verdrukte Israël van 1367 tot 1349 v. Chr. In het laatste jaar 1349 v. Chr. doodde de linkshandige richter Ehud koning Eglon en bracht een einde aan de verdrukking door Moab.

    They turned their faced to Moab. (37) There, on account of their wealth and high descent, they were made officers in the army. (38) Mahlon and Chilion, the sons of Elimelech, rose to still higher distinction, they married the daughters of the Moabite king Eglon (39) But this did not happen until after the death of Elimelech, who was opposed to intermarriage with the heathen. (40) Neither the wealth nor the family connections of the two men helped them before God. First they sank into poverty, and, as they continued in their sinful ways, God took their life. (41) (Legend of the Jews)

     

    HET JUBELJAAR

    Ik ben van mening dat wanneer Naomi in het veld van Moab vertoevende vernam dat de HERE God naar zijn volk had omgezien, door het brood te geven, dat we toen in het zesde jaar van de sabbat en jubeljaar cyclus beland waren. Een jaar dat wanneer onder het Oude Verbond de HERE God een dubbele zegening over het land gaf zodat de opbrengst voldoende zou zijn om het sabbatjaar gevolgd door het jubeljaar te overbruggen.

    Leviticus 25:18 Zo zult gij mijn inzettingen opvolgen en mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen; dan zult gij veilig wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven, zodat gij tot verzadiging eet en daarin veilig woont. 20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen – 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten.

    En historisch gezien hebben we in het Bijbelboek Jesaja zulk een verwijzing van een zesde jaar van dubbele zegen gevolgd door een sabbat en Jubeljaar dat het geval was in het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia in 709/710 v. Chr.:

    Jesaja 37:30 En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden, en eet de vrucht daarvan. 31 Immers wat van het huis van Juda ontkomen is, wat over is, dat zal opnieuw naar beneden wortel schieten en naar boven vrucht dragen. 32 Want van Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en van de berg Sion wat ontkomen zal; de ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen.

     

    De Sabbatjaarcyclus ging van start in 1443 v. Chr. in de maand Nisan wanneer de Israëlieten onder de leiding van Jozua de Jordaan overtrokken ter inbezitneming van het Beloofde Land. In 1437 v. Chr. was het land veroverd en begon het eerste sabbatjaar. Zeven maal zeven sabbatjaren later begon in de maand Tishri van het zevende sabbatjaar, het eerste jubeljaar dat van 1395 tot 1394 v. Chr. liep. Tijdens deze tijdsperiode leefde Salma en was Boaz al geboren. Het tweede jubeljaar vond plaats in 1346/1345 v. Chr. Het zesde jaar van de sabbatcyclus met de dubbele zegening valt in 1347/1346 v. Chr. Boaz is hier al een oude man van 85+ die Ruth huwt. De hongersnood die het Bijbelboek Ruth vermeldt viel ongeveer tien jaar eerder in 1358/1357 v. Chr. In dat jaar vertrok Elimelek met zijn vrouw Naomi en zijn zonen vanwege een hongersnood naar Moab.

     

    SLOT

    De plaatsing van de geschiedenis van het Bijbelboek Ruth rondom het Jubeljaar 1346/1345 v. Chr. met de geboorte van Obed, heeft tot gevolg dat er tussen de geboorte van Obed en de geboorte van David in 1007 v. Chr. 268 jaar zitten. 268 jaar voor Obed en Isaï samen, alvorens David geboren wordt. Een vaststelling die voor de seculiere onderzoeker voldoende is om heel het verhaal naar het rijk der fabels te verwijzen. Maar ook oprechte Bijbelvorsers zoals o.a. Dr. C.I. Scofield (1843-1921), houden er rekening mee dat in sommige Bijbelse geslachtsregisters namen ontbreken:

    “these are the generations of Pharez--that is, his descendants. This appendix shows that the special object contemplated by the inspired author of this little book was to preserve the memory of an interesting domestic episode, and to trace the genealogy of David. There was an interval of three hundred eighty years between Salmon and David. It is evident that whole generations are omitted; the leading personages only are named, and grandfathers are said, in Scripture language, to beget their grandchildren, without specifying the intermediate links.”

     

    Ik wil er echter toch rekening mee houden dat het niet onmogelijk is. Dat er een grond van waarheid in de Joodse legendes schuilt. Dat Obed heel oud geworden is, dat Isaï niet zijn eerstgeborene was en deze laatste op gevorderde leeftijd verwekt werd. In het geval van Isaï naar David toe, is dit overduidelijk.

     

    Met al mijn studies betreffende de chronologie van de oudheid raadpleeg ik steevast de werken van de Joodse historicus Flavius Josephus. De figuur van Boaz wordt door Flavius behandeld in zijn Boek Joodse Oudheden: V, hoofdstuk 9.1. Josephus plaatst de geschiedenis betreffende Boaz op de tijdslijn ten tijde van de richter Eli en na de dood van richter Simson. Ditmaal heb ik Flavius Josephus echter losgelaten en gekozen voor een plaatsing op de tijdsbalk ongeveer tachtig jaar na de val van Jericho. Mijn keuze werd bepaald door de Nieuwtestamentische gegevens dat Rachab, de hoer van Jericho, de moeder van Boaz was. Zijn geboorte vond zo plaats in de periode na de val van Jericho en vervolgd met de inbezitneming van het Beloofde Land. Rachab heeft ook een hoge leeftijd mogen bereiken. Ten tijde wanneer het Bijbelboek Jozua geschreven werd was zij nog in leven:

    Jozua 6:25 Zo heeft Jozua de hoer Rachab en haar familie en allen die haar toebehoorden, in leven gelaten, en zij heeft onder Israël gewoond tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had gehouden, die Jozua uitgezonden had om Jericho te verkennen.

     

    Hebreeën 11:1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. 2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven. 3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare. …

     

    …11:30 Door het geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat (het volk) er zeven dagen lang omheen getrokken was. 31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    24-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.David en Salomo ’s rijk bestonden echt
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Op de website van weet-magazine (zie link: http://www.weet-magazine.nl/artikelen/Weet%2010%20-%20Salomo%20en%20David.pdf) vond ik een artikel van Prof. Dr. Mart-Jan Paul van augustus 2011 dat mijn aandacht trok: DAVID EN SALOMO’S RIJK BESTONDEN ECHT. Het voorwoord luidde: “er is veel discussie rond de koninkrijken van David en Salomo. Sommige geleerden menen dat de Bijbelse berichtgeving grotendeels een mythe is. Zij nemen aan dat Jeruzalem in Davids tijd niet meer was dan een dorp op een heuvelrug, zonder stadsmuren. In later eeuwen zijn de verhalen over de eerste koningen dan steeds meer aangedikt. De koninkrijken van David en Salomo bestonden echt. Daarna volgen 10 redenen waarom critici de bal misslaan.

    Sommige van de redenen ter weerwoord aan de critici zijn leerrijk, maar het hoofdprobleem dat maakt dat seculiere historici het rijk van Salomo tot mythe verklaren, wordt niet opgelost, namelijk de datering van de archeologische aardlagen in Israël. Deze aardlagen worden gedateerd aan de hand van de orthodoxe Egyptologie. In grote lijnen worden de verschillende levels van de onderzochte stedenheuvels in Israël als volgt gedateerd:

    VROEG BRONS          3000/1900 v. Chr.

    MIDDEN BRONS        1900/1550

    LAAT BRONS              1550/1200

    IJZER I                         1200/930

    IJZER II                       930/586

     

    Koning Salomo regeerde rond 1000 v. Chr. en aldus wordt Salomo en zijn bouwwerken in het IJzer tijdperk gedateerd. In de levels van het IJzertijdperk is echter weinig of niets terug te vinden dat getuigt van de vele bouwwerken van Salomo zoals de Bijbel deze uitvoerig beschrijft. En daarom wordt het Rijk van Salomo door vele historici (terecht?) tot mythe verklaard.

    Het is pas wanneer men de orthodoxe Egyptologie en haar dateringsmethode afwijst en men de nieuwe tijdsdatering van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid invoert dat de bouwwerken van Salomo te voorschijn komen. Hierna het gereviseerde schema met in de rechterkolom de correcte jaartallen voor de aardlagen:

                                          v. Chr.:                         v. Chr.:

    VROEG BRONS          3000/1900                1889/1443

    MIDDEN BRONS        1900/1550                   1443/1000

    LAAT BRONS           1550/1200                  1000/860

    IJZER I                         1200/  930                              860/709

    IJZER II                         930/586                       709/586

     

    De era van Salomo hoort thuis in het Laat Brons tijdperk. Vooral te Megiddo werkt de herziening van de datering van de verschillende niveaus voor archeologen openbarend en worden de bouwwerken van Salomo herkend.

    In hetzelfde gereviseerde model gaat LAAT BRONS tot 860 v. Chr. met de meganatuurcatastrofe die de oude wereld toen trof. Vanaf 860 v. Chr. tot 709 dateer ik het IJzertijdperk I, en IJzer II loopt nu van 709 tot 586 v. Chr. Het was een periode met een cyclus van meganatuurcatastrofes die ongeveer om de dertien jaar plaatsvonden.

    Het was ook een periode dat de Assyriërs ten tijde van de koningen Tiglath Pileser III, Salmaneser V, Sargon II en Sanherib haast jaarlijks campagnes naar het westen van Klein-Azië uitvoerden, wat iedere keer met de nodige vernielingen gepaard ging. Dat is dan ook het beeld dat in de archeologische lagen dienaangaande in Israël voorkomt. Wanneer men in deze aardlagen Salomo moet zoeken krijgt men inderdaad een vals beeld en zal men snel verklaren dat de Bijbelse berichten betreffende de bouwwerken van Salomo niet kloppen. Het feit dat seculiere wetenschappers het rijk van Salomo via de plaatsing ervan in het IJzertijdperk, tot mythe verklaren heeft dus niet altijd met onwil of ongeloof te maken maar alleen met het feit dat de aardlagen verkeerd gedateerd werden en als een gevolg daarvan werd Salomo in de verkeerde lever gezocht.

     

    Dat de auteur van het artikel de conventionele Egyptologie volgt is duidelijk door zijn verwijzing naar de Amarna-kleitabletten die door de orthodoxie in de veertiende eeuw voor Christus gedateerd worden. Het revisionisme van de Egyptologie heeft deze datering met ongeveer tot zeshonderd jaar op de tijdsbalk ingekort. Ik zou nu een hele lijst van revisionisten kunnen opnoemen, mijn werk incluis, maar wens me nu even te beperken tot de Egyptoloog David Rohl en zijn revisie van de Egyptische koningslijsten. De man is namelijk in Nederland en België bekend geworden vanwege de aandacht van de E.O. voor zijn werk. In 1995 zond de E.O. de videoreeks op televisie uit: FARAO’S EN DE BIJBEL. Volgens het werk van David Rohl waren de Amarna-correspondenten in Israël Saul en David. Het is deze revisie die meer recht doet aan de historische boeken van de Bijbel en archeologisch gezien veel op zijn plaats zet. Ik verwees op deze blog al eerder naar het werk van David Rohl met het artikel ‘Het Ebers-papyrus’ op 10-01-2014.

    Wat de schrijfkunst betreft, aangehaald door de auteur van het artikel in weet-magazine, geeft het revisionisme van de geschiedenis van de Oudheid betere bewijzen. Op dit blog schreef ik op 09-01-2014 een artikel over Oegarit in Syrië en de vondst van kleitabletten aldaar met spijkerschrift in verschillende talen beschreven waaronder het oud-Hebreeuws. De stad Oegarit had gereviseerd haar bloeiperiode ten tijde van de era van David en Salomo. In het orthodoxe model ging de stad ten onder lang voor de era van Salomo.

    De vergelijking met de enkele potscherven met Hebreeuwse tekens erin gegrift die de professor aanhaalt zijn als kruimels in vergelijking met de rijkdom aan materiaal dat in Oegarit ontdekt werd.

    De conclusie moet zijn dat het rijk van Salomo zoals de Bijbel het beschrijft met veel moeite in het IJzertijdperk te zoeken is en dit alles omdat de orthodoxe Egyptologie ertoe dwingt om daar te zoeken. Dat vele onderzoekers het als een gevolg daarvan tot mythe verklaren is te verwachten. Het artikel van Prof. Dr. Mart-Jan Paul blijft op verschillende onderwerpen leerrijk maar zou pas volledig zijn indien gehanteerd binnen het juiste tijdskader van het revisionisme.

    Dezelfde David Rohl die ik aanhaalde weerlegt in zijn studies de Sothis-cyclus van de Egyptoloog Eduard Meyer. Heel het gefabriceerde bouwwerk met de zogenaamde opkomst van de Hondsster in Egypte in een veronderstelde Egyptische dubbele kalender in een veronderstelde cyclus van telkens 1460 jaar is weerlegd. Er is geen enkele reden meer dat Bijbelgetrouwe onderzoekers nog de orthodoxe Egyptologie zouden moeten volgen.

    De tegenstellingen die er momenteel nog zijn tussen de verschillende revisionistische onderzoekers onderling in het herschikken van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk en de relatie naar tijdgenoten van de farao’s in Klein-Azië blijven een hinderpaal. Maar dit mag geen excuus zijn om nog langer de dateringen van de archeologische lagen in Israël foutief verankerd aan de conventionele Egyptologie te blijven volgen. Voor ‘gelovigen’ is er geen probleem bij het lezen van studies zoals ‘DAVID EN SALOMO’S RIJK BESTONDEN ECHT’. Voor een seculiere onderzoeker blijft het getoonde bewijsmateriaal echter te mager om het Bijbelbericht over de bouwwerken van Salomo serieus te nemen. En daarom is het werk van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid zo belangrijk.

    Er is geen verzoening mogelijk tussen de orthodoxe egyptologie en haar rangschikking van de farao ’s op een tijdslijn en de Bijbelse historische boeken. Alleen met een categorisch afwijzen en weerleggen van de zogenaamde Egyptische Sothis-kalender kan een nieuwe invulling aan de geschiedenis van het oude Nabije Oosten met de Bijbel als richtlijn gegeven worden.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    19-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De spottende kleine knapen van Betel
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2 Koningen 2:19 De mannen van de stad (Jericho) zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. 20 Toen zeide hij: Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. 21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. 22 En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had.

    23 Vandaar (Jericho) ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom (Ga) op, kaalkop! Kom (Ga) op, kaalkop! 24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria. (NBG Vertaling 1951)

     

    De blog 'KRONOS' houdt zich in de eerste plaats met chronologie, archeologie en oudheid, bezig. Met deze aflevering wil ik echter ook een antwoord geven op de Bijbelvertaling van 2 Koningen 2:23 die het verhaal brengt van de vervloeking van een groep kleine knapen of kinderen en door twee berinnen op een woord van de profeet Elisa, verscheurd worden.

    Chronologisch gezien geschiedde dit in het voorjaar van het jaar 884 v. Chr. Na de wegvoering van de profeet Elia met een vurige wagen en met vurige paarden, ging zijn dienaar de profeet Elisa, terug naar de westelijke Jordaanoever, naar Jericho. Na zijn ontmoeting met de mannen van die stad vervolgde hij zijn tocht en ging richting Bethel. En het is in vers 23 en vers 24 van het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek 2 Koningen dat we het schokkende bericht over de zogenaamde kleine knapen leren. Mijn eerste gedachte was dat dit niet waar kon zijn. Vervolgens ging ik andere vertrouwde Bijbelvertalingen na, maar allen hadden knapen of kinderen staan. Hierna de relevante Bijbelvertalingen:

     2 Koningen 2: 23 Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: ‘Kaalkop, kaalkop! Zet ’m op, zet ’m op!’ 24 Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden. (NBV 2004/2007)

     2 Koningen 2: 23 En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!

    24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen. (STATENVERTALING 1637

    En zelfs de gezaghebbende King James Bijbel heeft het over ‘little children’ alsook de Engelse vertaling van de Griekse SEPTUAGINT-Bijbel:

    2 Kings 2: 23 And he went up from thence unto Bethel: and as he was going up by the way, there came forth little children out of the city, and mocked him, and said unto him, Go up, thou bald head; go up, thou bald head. 24 And he turned back, and looked on them, and cursed them in the name of the LORD. And there came forth two she bears out of the wood, and tare forty and two children of them. (KING JAMES 1611)

    4 KINGS 2:23 And he went up thence to Baethel: and as he was going up by the way there came up also little children from the city, and mocked him, and said to him, Go up, bald-head, go up. 24 And he turned after them, and saw them, and cursed them in the name of the Lord. And, behold, there came out two bears out of the wood, and they tore forty and two children of them. (SEPTUAGINT)

     

    Men zou er de moed bij verliezen. Maar ik gaf niet op en zette mijn onderzoek verder, vooral omdat ik bleef weigeren aan te nemen dat de HERE God van zowel het Oude als het Nieuwe Verbond kleine kinderen op zulk een wijze zou treffen. In mijn studie van de Schriften hanteer ik consequent de ‘NBG 1951 vertaling’ en dit niet omdat deze vertaling voortreffelijker zou zijn maar omdat ik al bijna veertig jaar met deze vertaling vertrouwd ben en geen zin heb om nu in de herfst van mijn leven gearriveerd te zijn, nog aan een andere vertaling in zogenaamd beter hedendaags Nederlands te beginnen. Wat ik wel doe is telkens bij een vermoede onduidelijkheid andere Bijbelvertalingen zoals de Statenbijbel, de Duitse Lutherse vertaling en de Engelstalige King James Bijbel te raadplegen. Het is mijn ervaring in mijn studie van de Bijbel dat deze oude vertalingen het dichtst bij de bron zijn gebleven. Behalve uiteraard bij 2 Koningen hoofdstuk 2 met het vertalen van de ‘kleine knapen’ of ‘little children’ uit het Hebreeuws. Ik wil aannemen dat het de gezaghebbende King James Bijbel geweest is die andere vertalingen van dit Bijbelgedeelte beïnvloed heeft. Want het is wel degelijk een slechte vertaling geweest die vermoedelijk heel wat mensen geestelijk op een verkeerd spoor gezet heeft.

     

    Om een verhaal kort te houden; uiteindelijk heb ik mijn godsdienstleraars van de negentiende eeuw erbij gehaald: namelijk E. W. Büllinger en C. I. Scofield die wel een juiste vertaling leverden.

    E.W.Büllinger (zie link: http://www.companionbiblecondensed.com/) gaf in de voetnoten van 2 Kings 2:23 onmiddellijk te kennen dat de ‘little children’ van de King James vertaling in feite te lezen is als ‘jonge knapen’ en niet als kleine kinderen. Het Hebreeuwse woord na’ar in 2 koningen 2:23 wordt elders in de Bijbel gebruikt voor Isaac, Jozef en Rehabeam ofwel een leeftijd van 28, 17 en/of 16 jaar oud. En dit geeft onmiddellijk een ander beeld van wat de profeet Elisa overkwam wanneer een schreeuwende en scheldende bende jonge mannen op hem afkwam. Maar er komt nog meer aan het licht wanneer we degelijke Bijbelstudie verrichten. Zo staat er in de grondtekst ook helemaal niet dat deze bende jonge knapen door twee berinnen verscheurd werden maar eerder slechts verwond. Wat ook weer een ander licht op de zogenaamde straf van God werpt. Het is de Bijbelleraar C.I. SCOFIELD die dat in zijn studiebijbel duidelijk maakt. Hierna het commentaar van Scofield:

     

    Das Wort na’ar (übersetzt “kleine Knaben”, v. 23) besagt kein bestimmtes Alter. Es wird gebraucht von Joseph mit siebzehn Jahren (Genesis 37:2), ebenso von Benjamin (Genesis 43:8) und Absolom (2 Sam. 18:5). Also kann das hebraïsche Wort hier übersetzt werden “Jugendliche” oder “junge Männer”.

    Das Wort ba’ (übersetzt “zerrissen” besagt das Beibringen von schweren Wunden, aber es bedeutet nicht töten oder verderben. Die schwere der Beleidigung ist aus folgenden Tatsachen zu ersehen: (1) die jungen Männer spotteten über das Aussehen Elisas, des Mannes Gottes; (2) mit den Worten “Kahlkopf, komm herauf” spotteten sie über die Auffahrt des Elia (v.11); die Beleidigung zeigt, dass die Beleidiger über das Alter der Kindheit hinaus waren; und (3) als sie den Mann Gottes lächerlich machten, wurden sie der Lästerung des Gottes schuldig, den er vertrat.

     

    Het Hebreeuwse woord ‘ba’ dat foutief vertaald werd met ‘verscheuren’ betekent in werkelijkheid het ‘aanbrengen van zware verwondingen’ maar niet ‘doden’. Deze verklaring sluit beter aan bij het gedrag van beren zoals wij het vandaag kunnen waarnemen. Het is ondenkbaar dat twee berinnen in een oogwenk tweeënveertig kinderen zouden kunnen verscheuren/doden. Verder maakt Scofield duidelijk dat de bende jonge mannen de profeet beledigden, niet alleen op basis van zijn uitzicht maar ook naar de eerdere wegvoering van Elia verwezen, wat maakt dat zij voorbij de leeftijd van het kind zijn waren. En ten laatste merkt Scofield op dat de jonge Israëlitische mannen zich wel degelijk schuldig aan lastering van God maakten.

     

    Conclusie: het blijft een feit dat dit historische Bijbelgedeelte zich in een andere bedeling Gods afspeelde en in de huidige genadebedeling een mens voor de borst stoot. De profeet Elisa was echter een kind van de tijd onder de wet en handelde daarnaar.

     

    Bij de vermelding van kinderen in de Bijbel denk ik in de huidige bedeling van de genade altijd eerst aan de Heer Jezus Christus, de zoon van God, die zei: Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. (Matteüs 19:14)

     

    En… Psalm 8:2 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. 3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

     

    … ging in vervulling wanneer kinderen in het jaar 30 AD in de tempel te Jeruzalem Jezus’ toeriepen met:  Hosanna de Zoon van David (Matteüs 21:15-16)

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    16-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2 Kronieken 21:12 Toen kwam er een schrijven tot hem (Joram) van de profeet Elia,…
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2 Kronieken 21:1 Josafat ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 2 Zijn broeders, de zonen van Josafat, waren: Azarja, Jechiël, Zekarja, Azarjahu, Michaël en Sefatja. Deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël. 3 Hun vader had hun vele geschenken gegeven, bestaande uit zilver, goud en kostbaarheden, benevens vestingsteden in Juda; maar het koningschap had hij gegeven aan Joram, want deze was de eerstgeborene.

    4 Toen Joram het koningschap van zijn vader aanvaard had en zich krachtig gevoelde, doodde hij al zijn broeders met het zwaard en ook enige oversten van Israël.

    5 Joram was tweeëndertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem. 6 Hij wandelde in de weg der koningen van Israël, zoals het huis van Achab gedaan had, want hij had een dochter van Achab tot vrouw en deed wat kwaad is in de ogen des HEREN. 7 Maar de HERE wilde het huis Davids niet verdelgen, ter wille van het verbond dat Hij met David gesloten had, en omdat Hij gezegd had, dat Hij hem en zijn zonen altijd een lamp zou geven. 8 In zijn dagen onttrokken de Edomieten zich aan de macht van Juda en stelden een koning over zich aan. 9 Toen trok Joram met zijn oversten en met al de wagens op, en nadat hij zich in de nacht gereedgemaakt had, versloeg hij de Edomieten die hem en de wagenoversten omsingeld hadden. 10 Toch onttrok Edom zich aan de macht van Juda tot op de huidige dag. Toen onttrok zich ook Libna aan zijn macht, in diezelfde tijd, want hij had de HERE, de God zijner vaderen, verlaten. 11 Ook hij maakte offerhoogten op de bergen van Juda, hij bracht de inwoners van Jeruzalem tot afgoderij en verleidde Juda.

    12 Toen kwam er een schrijven tot hem van de profeet Elia, dat luidde: Zó zegt de HERE, de God van uw vader David: omdat gij niet gewandeld hebt in de wegen van uw vader Josafat en van Asa, de koning van Juda, 13 maar gewandeld hebt in de weg der koningen van Israël, en Juda en de inwoners van Jeruzalem tot afgoderij hebt gebracht naar het voorbeeld van het huis Achab ‘s, ja, omdat gij ook uw broeders, het gezin van uw vader, hebt gedood, terwijl zij beter waren dan gij – 14 zie, de HERE zal uw volk, uw zonen, uw vrouwen en al uw have zeer zwaar treffen; 15 en gij zelf zult aan een ernstige ziekte lijden, een ingewandsziekte, totdat na verloop van tijd uw ingewanden ten gevolge van de ziekte naar buiten komen.


    Een schijnbaar chronologisch probleem stelt zich bij het lezen van bovenvermeld Bijbelcitaat. Wanneer koning Joram van Juda een schrijven van de profeet Elia ontvangt, dan blijkt chronologisch gezien dat de profeet al enige tijd van deze aarde verwijderd is. Ik schrijf opzettelijk verwijderd omdat de profeet Elia niet gestorven is maar met ‘chariots of fire’ naar de hemel van God is weggevoerd.

    Volgens de ‘Legends of the Jews’ (Louis Ginzberg) stelt dit geen probleem, zij laten de profeet vanuit hun hemelse paradijs een brief aan Joram schrijven. Dit is echter niet wat de Bijbel algemeen betreffende de Opstanding leert, maar is ontleent van de Grieken. 

    In de vierde eeuw voor Christus ging het gebied van Israël over in Griekse handen en invloed. De veldslag bij Issos in 333 v. Chr. tussen de legers van Alexander de Grote en die van de Pers Darius III bezegelde ook het lot van Juda en zag de start van de hellenisering van de oude wereld. Ook de Joden bleven niet bewaard van het Griekse denken. In de derde eeuw voor Christus werd in Egypte onder het bewind van de Hellenistische koning Ptolemeüs II, de Thora door Joodse Schriftgeleerden naar het Grieks vertaald. Later volgden de overige boeken van het Oude Testament plus boeken die in wezen niet in de Joodse Bijbel thuishoren (niet geïnspireerd) zoals de aprokriefe boeken 1 en 2 Makkabeeën e.a. Het zijn deze laatste boeken die het Griekse geloof in een hiernamaals en een hierna ’zijn’ leren. De Grieken geloofden dat bij de dood, een mens naar Hades ging. De Bijbel echter belooft een opstanding en een herstel van alle dingen in een toekomstig nog te herstellen paradijs. In de Bijbel is 'de dood' een vijand. Wanneer de apostel Paulus in Athene op de Areopagus de gelegenheid kreeg om het evangelie te verklaren (zie Handelingen hoofdstuk 17) was de belofte van een toekomstige Opstanding iets waarvan de Grieken nog nooit gehoord hadden. Verwarrend was in de Septuagint het gebruik van het Griekse woord Hades als vertaling voor het Hebreeuwse woord dat graf voorstelt. Op korte tijd ontstond de traditie van een leven na de dood met interactiemogelijkheid tussen levenden en zogenaamde doden. Vooral de Rooms-katholieke kerk leert deze traditie dogmatisch.

    Maar ook in de Joodse overlevering vond dit denken ingang. Hierna het citaat: Legends of the Jews by Louis Ginzberg:

    “Elijah's removal from earth, so far being an interruption to his relations with men, rather marks the beginning of his real activity as a helper in time of need, as a teacher and as a guide. At first his intervention in sublunar affairs was not frequent. Seven years after his translation, (43) he wrote a letter to the wicked king Jehoram, who reigned over Judah.”

    De Bijbelse Encyclopedie KOK leert dan weer het volgende:

    “Meer dan zeven jaar na de hemelvaart van Elia ging een schrijven van hem naar de goddeloze koning Joram van Juda, waarin de Here hem een zwaar oordeel aankondigt wegens zijn afgoderij en de moord op zijn familieleden, 2 Kron. 21:12-15. Wij hebben dus in deze brief te doen met een profetie, door Elia zelf op schrift gesteld.”
    Bijbelse Encyclopedie J.H.KOK – KAMPEN, 1975

    Beide verklaringen zijn overbodig wanneer we een logische chronologische oplossing zoeken. Een en ander maakte ik al duidelijk in ‘Genesis versus Egyptologie’. Koning Joram van Juda was al tot co-regent met zijn vader Josafat aangesteld wanneer deze laatste ten strijde trok tegen de Arameeërs in de slag bij Ramoth Gilead in 889 v. Chr.  Ook in Israël werd de zoon van Achab, de geallieerde van Josafat in deze strijd, als co-regent benoemd. Dit was dan koning Ahazia die kort regeerde zoals het hierna vermelde Bijbel-citaat leert:

    2 Koningen 1:1 Moab viel na Achabs dood van Israël af. 2 Achazja viel door het traliewerk van zijn bovenvertrek te Samaria, en hij werd ziek. Toen zond hij boden uit en beval hun: Gaat Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, of ik van deze ziekte zal herstellen. 3 Maar de Engel des HEREN sprak tot de Tisbiet Elia: Sta op, ga de boden van de koning van Samaria tegemoet en zeg tot hen: Is er dan geen God in Israël, dat gij Baäl-Zebub, de god van Ekron, gaat raadplegen? 4 Daarom, zo zegt de HERE: Van het bed waarop gij zijt komen te liggen, zult gij niet afkomen, maar gij zult voorzeker sterven. En Elia ging heen. ….

    …. 15 Toen sprak de Engel des HEREN tot Elia: Daal met hem af, vrees niet voor hem. En hij stond op en daalde met hem af naar de koning. 16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HERE: aangezien gij boden gezonden hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen – is er dan geen God in Israël, wiens woord gij kunt raadplegen? – daarom zult gij van het bed waarop gij zijt komen te liggen, niet afkomen, maar gij zult voorzeker sterven. 17 Zo stierf hij volgens het woord des HEREN, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat,de koning van Judawant hij had geen zoon.

    (zie schema 61 hierboven)

    Vers 17 leert klaar en duidelijk dat de opvolger van Ahazia in het tienstammenrijk, koning werd in het tweede jaar van Joram van Juda, de zoon van Josafat. Dit past chronologisch gezien, alleen in het tweede jaar van het co-regentschap van Joram van Juda. De conclusie is dat de moordpartij door Joram van Juda aangericht zoals 2 Kronieken 21:4 leert, tijdens zijn regeerperiode als co-regent plaatsvond. Het was toen dat een nog niet opgenomen profeet Elia hem een brief schreef. Of hoe belangrijk de studie van exacte chronologie is.

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    15-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.PSALM 83: de identificatie van Gebal voor onze tijd. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid tot hulp.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een lied. Een psalm van Asaf.

    O God, houd U niet stil,

    Zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God.

    Want zie, uw vijanden tieren,

    Uw haters steken het hoofd op:

    Zij smeden een listige aanslag tegen uw volk

    En beraadslagen tegen uw beschermelingen.

    Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen,

    Zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht.

    Want zij hebben eensgezind beraadslaagd,

    Tegen U een verbond gesloten;

    De tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en

    de Hagarenen, Gebal,

    Ammon en Amalek,

    Filistea met de inwoners van Tyrus;

    Zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd,

    Zij zijn de zonen van Lot tot steun. Sela

    Psalm 83:1-9

    (NBG Vertaling 1951)

     

    De schrijver van Psalm 83 was de ziener Asaf die leefde ten tijde van Koning David (1047/1007 v. Chr.) Asaf was een Leviet, een afstammeling van Levi, een van de zonen van Jacob, en behoorde tot de priesterzangers van David. Hij is de auteur van verschillende psalmen. In Psalm 83 heeft de dichter het over een vijandelijk verbond van tien volken tegen het volk van Israël. Tien volkeren smeden samen een pact met als doel de verdelging van Israël. Het is een verbond van volken dat zich nog nooit in de geschiedenis van het oude Israël heeft voorgedaan. Mijn gevolgtrekking is dan ook dat nog een toekomstig verbond van tien volken tegen het sinds 1948 nationaal herstelde Israël bedoelt is. Het getal van tien landen is ook gelijk aan het getal van de tien koningen van de profeet Daniël, dat ook in het laatste boek van de Bijbel, de Apocalyps terug te vinden is.

    Wanneer we psalm 83 naar onze tijd transponeren merken we na identificatie van de namen uit de oudheid dat veel tegenstanders uit het verleden er heden opnieuw zijn. En de reden van dit artikel is de identificatie van Gebal, dat een verrassing oplevert. Maar eerst wil ik de andere namen duiden. Edom levert geen probleem. Dit volk leefde in de oudheid in het gebied op de huidige grens tussen Jordanië en Saoedi-Arabië. De identificatie van de Ismaëlieten geeft evenmin een probleem. Ismaël was een zoon van Abraham en Hagar, de slavin van Sara. Van hem stammen vele Arabische stammen af. Moab en Ammon waren in het Oude Testament twee zonen van Lot en zij woonden eertijds in het huidige Jordanië. Filistea is de huidige Gaza-strip en Tyrus ligt in Zuid-Libanon, het vroegere Fenicië. Het moderne Libanon beslaat grotendeels het gebied van het oude Fenicië. Libanon is al lang geen eenheidsstaat meer maar is als een lappendeken opgedeeld met meerdere fracties binnen de grenzen die de lakens uitdelen. In het zuiden heerst de Hezbollah, een vijand van Israël. Volgens Psalm 83 zal Tyrus nauw samenwerken met Filistea in zijn strijd tegen Israël. Het Assur dat Asaf vermeldt is het huidige Irak en Syrië. Amalek is een nakomeling van Esau, de broer van Israël. Zijn woonplaats was het Seïr-gebergte. Dit gebergte bevindt zich binnen de grenzen van het huidige Jordanië. De 'Hagarenen' zijn moeilijker te plaatsen. Hagar was de slavin van Sara en moeder van Ismaël. Zij was een Egyptische. Een eerste conclusie zou dus kunnen zijn dat Hagar of de Hagarenen synoniem staat voor Egypte. De naam blijkt echter niet Egyptisch te zijn maar Semitisch, en vermoedelijk is deze naam haar door Abraham gegeven. De naam Hagar betekent 'reizende of vluchtende'. Ik veronderstel dat de Hagarenen de huidige Palestijnen voorstellen die woonachtig buiten Israël zijn. Geen enkel Arabisch land heeft namelijk de Palestijnse ontheemden van 1948 en 1967 opgenomen. De meesten die in het Midden-Oosten bleven, leven in vluchtelingenkampen en worden sindsdien door de VN onderhouden.

    Maar laat ons nu het volk te Gebal identificeren. Wanneer men er een Bijbelse encyclopedie op na slaat, blijkt dat de plaatsing van Gebal geen eenvoudige zaak is. Meerdere verklaringen zijn mogelijk. Gebal betekent berg en algemeen wordt het met Byblos in Fenicië geïdentificeerd. En aan de hand van Psalm 83 zoekt men ook een locatie in het noordelijke gedeelte van het gebergte Seïr. Eerlijkheidshalve vermeldt men erbij dat de precieze ligging onbekend is. Met deze verklaring nam ik geen genoegen en zocht verder voor een identificatie van Gebal. Wat mijn aandacht trok was de verwijzing in Egyptische bronnen naar de stad Gebal of Goebla. Het Egyptische Oude Rijk haalde er zijn hout en tijdens het Egyptische Nieuwe Rijk, vooral de Amarna-periode, zat er een Egyptische vazal Rib Addi die vanuit Gebal meer dan vijftig brieven aan farao schreef. In het licht van Velikovsky 's bevindingen, een bekende controversiële revisionist van de geschiedenis van de oudheid, moet Gebal met Jizreël in Samaria geïdentificeerd worden. Nu heb ik in mijn publicatie 'Genesis versus Egyptologie’ voortgeborduurd op Velikovsky ’s bevindingen. Ik identificeerde Hosea van het tienstammenrijk als de Rib Addi van de Amarna-brieven. Het volk Gebal is aldus in Samaria te plaatsen. Ik herhaal nog even de tien vijanden van Israël in psalm 83: "De tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen, Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de inwoners van Tyrus; Zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd,"

    Het huidige plaatsje Jizreël in het moderne Israël ligt in het zuiden van Galilea met zijn overwegend Arabische bevolking, noordelijk van het Palestijnse Jenin. Ik zou nu durven verwachten, met Psalm 83 in gedachten, dat via een toekomstige vredesregeling dit gebied via een land-swap langs de grenzen van 1967, naar een toekomstige Palestijnse staat gaat en een centrum van haat tegen de staat Israël wordt. De huidige VS-administratie roept Israëli’s en Palestijnen regelmatig op om voortgang met het zogenaamde stappenplan – te maken. Een stappenplan dat met de Oslo-verdragen van 1993 tussen Israël en de Palestijnse autoriteit werd afgesproken. De huidige VS-president Obama dringt aan om langs de grens van 1967 via landswapping tot een vredesregeling te komen.

    Vanuit onze identificatie van Gebal met Jizreël-Samaria en Filistea met Gaza is het te veronderstellen dat er in de toekomst meerdere Palestijnse staten zullen ontstaan. Ook is het opmerkelijk dat Filistea in één adem met Tyrus genoemd wordt. De verschillende staatjes zullen niet tot vrede leiden maar hun uiteindelijk doel blijft volgens Psalm 83, wanneer naar onze tijd getransponeerd, de vernietiging van Israël. Psalm 83 is een gebed om hulp tegen de vijanden van Israël. Het tweede gedeelte van de Psalm geeft dan ook hoop.

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    14-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De chronologie van de koningen van Israël en Juda
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Wanneer men Bijbelse naslagwerken ter hand neemt en onderzoek naar chronologie doet zal men meestal het jaar 722 v. Chr. vermeld zien als het jaartal voor de val van Samaria en de wegvoering in ballingschap van het tienstammenrijk door de Assyriërs. En de belegering van Jeruzalem door de Assyriër Sanherib in het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda wordt gedateerd in 701 v. Chr. En aan deze jaartallen is dan weer de regeerperiode van David en Salomo verankerd en verder het verleden in wordt het jaartal van de Exodus uit Egypte met het jaar 1447 v. Chr. verbonden. Maar zijn deze jaartallen wel accuraat? Men moet bedenken dat deze jaartallen het resultaat zijn van het linken van de Bijbelse koningslijst aan die van Assyrië (en niet andersom).

    De Assyriologie is een wetenschap die van start ging in de negentiende eeuw. Het is een studie van het oude Mesopotamië of Tweestromenland. De grote vondst was uiteindelijk de koningslijst van Khorsabad in het begin van de twintigste eeuw. Een lijst van Assyrische koningen kwam daar van onder het zand tevoorschijn. En dit was zo maar geen standaard lijst met namen van koningen en jaartallen maar dit was een lijst die jaarlijks door een ambtenaar of ‘eponiem’ werd bijgehouden met iedere keer een vermelding van een bijzondere gebeurtenis voor dat bepaalde jaar.

    De eponiemlijsten zijn samengesteld vanaf 892 tot 648 v. Chr., een belangrijke periode eveneens in de geschiedenis van de koningen van Israël en Juda. Het Assyrische ankerpunt voor de gehele lijst werd het jaar van de zonsverduistering in 763 v. Chr. in het tiende regeringsjaar van Assur Dan ten tijde van het eponiem van Bur Sagale. Al de andere vermelde gebeurtenissen en regeringsjaren van koningen werden aan de hand van deze datum op de tijdsbalk verankerd.

    Vanaf 763 v. Chr. terugrekenend vond men een Assyrische vermelding naar een veldslag bij Karkar tussen de Assyriërs en een geallieerd leger van Klein-Aziatische vorsten, in het zesde regeringsjaar van Salmaneser III zoals vermeld in het eponiem van Daian-Assur en gedateerd in 853 v. Chr. De Assyriërs claimen hier tegen o.a. Achab van Israël gestreden te hebben. Twaalf jaar later in 841 v. Chr., vermelden de Assyriërs schatting ontvangen te hebben van Jehu van de dynastie van Omri van Israël. Een ander belangrijk jaartal werd 701 v. Chr., het jaar waarin de Assyriër Sanherib vermeld dat hij in zijn 3de campagnejaar tegen Hizkia van Juda optrok.

     

    Voor de Bijbelse archeoloog en geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) waren dit drie ankerjaren om de Bijbelse koningen van Israël en Juda met Assyrië te verankeren. Zijn werk “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings” wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de definitieve Bijbelse chronologie en vindt men in menig Bijbels atlas en naslagwerk terug.

     

    Thiele verkorte echter de regeringsduur van bepaalde koningen van Juda en Israël om deze te laten passen in het Assyrische tijdskader. Met het inkorten van sommige regeerperioden van Israëlitische koningen verdedigde hij de zogenaamde ‘dual dating’ en paste het enkele malen toe, ook daar waar de Bijbel niet expliciet duidelijk over is.

     

    Om de val van Samaria, in het negende regeringsjaarjaar van Hosea, (in de Bijbel contemporain met het zesde jaar van Hizkia van Juda), te laten passen met de Assyrische gegevens betreffende Sargon II, verkondigde hij dat de Bijbelse gegevens van 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18 foutief waren, als laat en kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd, en dus niet door God geïnspireerd. Hierna het betreffende citaat:

    2 Koningen 18:9 In het vierde jaar van koning Hizkia – dat is het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël – trok Salmanassar, de koning van Assur, op tegen Samaria en sloeg het beleg ervoor. 10 Men nam het in na verloop van drie jaren; in het zesde jaar van Hizkia – dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël – werd Samaria ingenomen. 11 De koning van Assur voerde Israël in ballingschap naar Assur en bracht hen naar Chalach, Chabor, de rivier van Gozan en de steden der Meden, 12 omdat zij niet hadden geluisterd naar de HERE, hun God, maar zijn verbond hadden overtreden: al wat Hij aan Mozes, de knecht des HEREN, had geboden; zij hadden er niet naar geluisterd en het niet gedaan.” (NBG Vertaling 1951)

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda valt bij Thiele in 701 v. Chr. en dit op basis van zijn verankering met de Assyrische gegevens, of althans zoals ze geïnterpreteerd worden. In mijn model valt het veertiende regeringsjaar van Hizkia in 709 v. Chr. en dit op basis van het vermelding van een sabbatjaar gevolgd door een jubeljaar bij de profeet Jesaja.

     

    Ik kom nu terug op mijn vraagstelling bij het begin van dit artikel: Maar zijn deze jaartallen wel accuraat? Wanneer we de chronologische gegevens van de Bijbel en van de historicus Flavius Josephus hanteren valt de val van Samaria in het jaar 717 v. Chr. en belegering van Jeruzalem in  709 v. Chr.  

    Er is geen enkele reden om Thiele in zijn knieval naar de Assyriologie te volgen en hierna volgt de Bijbelse koningslijst met historisch betrouwbare ankerpunten zoals het 37ste jaar van de Babylonische ballingschap van koning Jojachin van Juda in 562/561 v. Chr. en het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia in 709/708 v. Chr. dat een sabbatjaar was gevolg door een jubeljaar zoals aangegeven door de profeet Jesaja:

    "En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.." Jesaja 37:30

     

    Wat men van Thiele 's studie moet behouden is zijn constructie dat in het tienstammenrijk men het jaar vanaf de maand Nisan in het voorjaar rekende en in Juda vanaf de maand Tishri in het najaar. Ook het feit dat er dikwijls met een kroningsjaar gerekend werd, is bijbels aan te tonen en heb ik behouden. Een kroningsjaar is het jaar dat de nieuwe vorst begon te regeren. Zijn eerste jaar rekende men vanaf het volgende jaar.

    De Bijbelse koningen krijgen in deze revisie op de tijdsbalk, in afwijking van Thiele, de hierna vermelde jaren.

     

    De koningen van Juda

    Jaartallen voor Christus:

    967/949    REHABEAM      1 KON 14:21 Troonjaar, regeerde 17 jaar

    950/946    ABIAM      1 KON 15:1-2 Troonjaar, regeerde 3 jaar

    948/906    ASA           1 KON 15:9-10 Troonjaar, regeerde 41 jaar

    906/880   JOSAFAT 1 KON 22:41 Troonjaar, regeerde 25 jaar

    883/876    JORAM     2 KON 8:16-17 geen Troonjaar, regeerde 8 jaar, had ook twee co-regentschappen met JOSAFAT, de eerste gedurende de slag bij Ramoth in Gilead.

    876/875    AHAZIA    2 KON 8:25-26 geen Troonjaar, regeerde 1 jaar

    875/869    ATHALIA 2 KON 11:3 geen Troonjaar, regeerde 6 jaar

    869/830    JOAS         2 KON 12:1 geen Troonjaar, regeerde 40 jaar

    831/802    AMAZIA    2 KON 14:1-2 geen Troonjaar, regeerde 29 jaar waarvan 1 jaar in co-regentschap met JOAS.

    803/750    UZZIA        2 KON 14:21 & 15:1 Troonjaar, regeerde 52 jaar, co-regentschap met Amazia gedurende het Troonjaar.

    754/739    JOTHAM 2 KON 15:32-33 geen Troonjaar, regeerde 16 jaar, co-regentschap met UZZIA gedurende 4 jaar.

     

    (Aandachtspunt: Tot Uzzia heb ik vanaf 967 v. Chr. vooruit geteld. De jaartallen van Jotham zijn het resultaat van het terug in de tijd rekenen vanaf het 14de jaar van HIZKIA. Op deze manier wordt 754 v. Chr. het jaar van de aardbeving ten tijde van UZZIA.

     

    739/722    ACHAZ      2 KON 16:1-2 Troonjaar, regeerde 16 jaar

    724/694    HIZKIA     2 KON 18:1-2 & 9-10 Troonjaar, regeerde 29 jaar

     

    (Aandachtspunt:: Het 14de jaar van HIZKIA is 710/709 v.Chr. verankerd met het sabbat- en jubeljaar van 709/708. Dit heeft als resultaat dat de val van Samaria op de tijdbalk in HIZKIA'S 6de jaar in 717 v.Chr. plaatsvindt.)

     

    697/642    MANASSE          2 KON 21:1 Troonjaar, regeerde 55 jaar.

    642/640    AMON       2 KON 21:19 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    640/609   JOSIA        2 KON 22:1 geen Troonjaar, regeerde 31 jaar.

    609            JOAHAZ   2 KON 23:1 geen Troonjaar, regeerde drie maanden.

    609/598    JOJAKIM 2 KON 23:36 geen Troonjaar, regeerde 11 jaar.

    598/597    JOJACHIN 2 KON 24:8 geen Troonjaar, regeerde drie maanden.

    597/586    ZEDEKIA 2 KON 24:18 Troonjaar, regeerde 11 jaar.

     

    De koningen van het Tienstammenrijk

    967/945    JEROBEAM 1 KON 14:20 geen Troonjaar, regeerde 22 jaar.

    945/944    NADAB     1 KON 15:25 geen Troon jaar, regeerde 2 jaar.

    944/920    BAESA       1 KON 15:33 geen Troonjaar, regeerde 24 jaar.

    921/920    ELA           1 KON 16:8 geen Troon jaar, regeerde 2 jaar, co-regentschap met BAESA gedurende 1 jaar.

    920            ZIMRI        1KON 16:15 geen Troonjaar, regeerde zeven dagen.

    920/909   OMRI        1 KON 16:21 geen Troonjaar, regeerde 12 jaar.

    920/916    TIBNI dito geen Troonjaar, regeerde in oppositie tegen OMRI tot in het 31ste jaar van ASA.

    909/888    ACHAB      1 KON 16:29 geen Troonjaar, regeerde 22 jaar.

    888/887    AHAZIA    1 KON 22:51 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    887/875    JORAM     2 KON 3:1 geen Troonjaar, regeerde 12 jaar.

    875/847    JEHU        2 KON 10:36 geen Troonjaar, regeerde 28 jaar.

    847/830    JOAHAZ   2 KON 13:1 geen Troonjaar, regeerde 17 jaar.

    833/816    JOAS         2 KON 13:10 Troonjaar, regeerde 16 jaar, co-regentschap met JOAHAZ.

    816/775     JEROBEAM II 2 KON 14:23 geen Troonjaar, regeerde 41 jaar.

     

    775/764     GEEN KONING IN HET TIENSTAMMENRIJK

     

    764/763    ZACHARIA 2 KON 15:8 geen Troonjaar, regeerde zes maanden van de herfst van 764 tot de lente van 763 v.Chr.

    763            SALLUM   2 KON 15:13 geen Troonjaar, regeerde een maand.

    763/752    MENAHEM 2 KON 15:17 geen Troonjaar, regeerde 10 jaar.

    752/750    PEKAHIA 2 KON 15:23 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    755/735     PEKAH      2 KON 15:27 geen Troonjaar, regeerde 20 jaar, co-regentschap en in oppositie met PEKAHIA en MENAHEM.

     

    (Aandachtspunt:: Het 17de jaar van Pekah werd verankerd met ACHAB'S Troonjaar. Zodoende begint PEKAH in 755 v.Chr. over zijn deel van het tienstammenrijk te regeren. In het 52ste jaar van Uzzia werd PEKAH als koning van Israël erkend. Deze schikking werd aangeboden door Dr. Ir. C. Noorlander met een artikel in B+W nummer 164)

     

    735/726    HOSEA      2 KON 15:30 geen Troonjaar, regeerde 9 jaar.

     

    (Aandachtspunt:: de eerste schijf van 9 jaar regeerde HOSEA als vazal van Assyrië. Deze periode vangt aan met de moord op PEKAH, twintig jaar nadat JOTHAM koning over Juda werd.)

     

    726/717     HOSEA      2 KON 17:1 regeerde 9 jaar.

     

    (Aandachtspunt:: De tweede schijf van negen jaar vangt aan in het 12de jaar van ACHAZ.)

     

    VAL VAN SAMARIA : 717 v. Chr.

     

    CONCLUSIE: De Assyrische koningslijst moet aan de Bijbelse ankerpunten verbonden worden en herschikt. Het is bijvoorbeeld Salmaneser III die aan de regeerperioden van de koningen Achab en Jehu dient gelinkt te worden en niet andersom. In de tijdsruimte die aldus gecreëerd wordt kan bijvoorbeeld de Bijbelse koning van Assur JAREB ingevoegd worden. Ook de Assyrische koningen Pul en Tiglath Pileser, die in de Bijbel als twee afzonderlijke koningen vermeld worden dienen op de tijdslijn in de 8ste eeuw voor Christus opnieuw geplaatst worden. Het is een cyclus van meganatuurcatastrofes die aan de basis liggen voor het ontbreken van naar schatting 65 jaar kroniekberichtgeving in Assyrië.

     Wordt vervolgd…

     Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

    06-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!