Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    06-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De chronologie van de koningen van Israël en Juda
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Wanneer men Bijbelse naslagwerken ter hand neemt en onderzoek naar chronologie doet zal men meestal het jaar 722 v. Chr. vermeld zien als het jaartal voor de val van Samaria en de wegvoering in ballingschap van het tienstammenrijk door de Assyriërs. En de belegering van Jeruzalem door de Assyriër Sanherib in het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda wordt gedateerd in 701 v. Chr. En aan deze jaartallen is dan weer de regeerperiode van David en Salomo verankerd en verder het verleden in wordt het jaartal van de Exodus uit Egypte met het jaar 1447 v. Chr. verbonden. Maar zijn deze jaartallen wel accuraat? Men moet bedenken dat deze jaartallen het resultaat zijn van het linken van de Bijbelse koningslijst aan die van Assyrië (en niet andersom).

    De Assyriologie is een wetenschap die van start ging in de negentiende eeuw. Het is een studie van het oude Mesopotamië of Tweestromenland. De grote vondst was uiteindelijk de koningslijst van Khorsabad in het begin van de twintigste eeuw. Een lijst van Assyrische koningen kwam daar van onder het zand tevoorschijn. En dit was zo maar geen standaard lijst met namen van koningen en jaartallen maar dit was een lijst die jaarlijks door een ambtenaar of ‘eponiem’ werd bijgehouden met iedere keer een vermelding van een bijzondere gebeurtenis voor dat bepaalde jaar.

    De eponiemlijsten zijn samengesteld vanaf 892 tot 648 v. Chr., een belangrijke periode eveneens in de geschiedenis van de koningen van Israël en Juda. Het Assyrische ankerpunt voor de gehele lijst werd het jaar van de zonsverduistering in 763 v. Chr. in het tiende regeringsjaar van Assur Dan ten tijde van het eponiem van Bur Sagale. Al de andere vermelde gebeurtenissen en regeringsjaren van koningen werden aan de hand van deze datum op de tijdsbalk verankerd.

    Vanaf 763 v. Chr. terugrekenend vond men een Assyrische vermelding naar een veldslag bij Karkar tussen de Assyriërs en een geallieerd leger van Klein-Aziatische vorsten, in het zesde regeringsjaar van Salmaneser III zoals vermeld in het eponiem van Daian-Assur en gedateerd in 853 v. Chr. De Assyriërs claimen hier tegen o.a. Achab van Israël gestreden te hebben. Twaalf jaar later in 841 v. Chr., vermelden de Assyriërs schatting ontvangen te hebben van Jehu van de dynastie van Omri van Israël. Een ander belangrijk jaartal werd 701 v. Chr., het jaar waarin de Assyriër Sanherib vermeld dat hij in zijn 3de campagnejaar tegen Hizkia van Juda optrok.

     

    Voor de Bijbelse archeoloog en geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) waren dit drie ankerjaren om de Bijbelse koningen van Israël en Juda met Assyrië te verankeren. Zijn werk “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings” wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de definitieve Bijbelse chronologie en vindt men in menig Bijbels atlas en naslagwerk terug.

     

    Thiele verkorte echter de regeringsduur van bepaalde koningen van Juda en Israël om deze te laten passen in het Assyrische tijdskader. Met het inkorten van sommige regeerperioden van Israëlitische koningen verdedigde hij de zogenaamde ‘dual dating’ en paste het enkele malen toe, ook daar waar de Bijbel niet expliciet duidelijk over is.

     

    Om de val van Samaria, in het negende regeringsjaarjaar van Hosea, (in de Bijbel contemporain met het zesde jaar van Hizkia van Juda), te laten passen met de Assyrische gegevens betreffende Sargon II, verkondigde hij dat de Bijbelse gegevens van 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18 foutief waren, als laat en kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd, en dus niet door God geïnspireerd. Hierna het betreffende citaat:

    2 Koningen 18:9 In het vierde jaar van koning Hizkia – dat is het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël – trok Salmanassar, de koning van Assur, op tegen Samaria en sloeg het beleg ervoor. 10 Men nam het in na verloop van drie jaren; in het zesde jaar van Hizkia – dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël – werd Samaria ingenomen. 11 De koning van Assur voerde Israël in ballingschap naar Assur en bracht hen naar Chalach, Chabor, de rivier van Gozan en de steden der Meden, 12 omdat zij niet hadden geluisterd naar de HERE, hun God, maar zijn verbond hadden overtreden: al wat Hij aan Mozes, de knecht des HEREN, had geboden; zij hadden er niet naar geluisterd en het niet gedaan.” (NBG Vertaling 1951)

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda valt bij Thiele in 701 v. Chr. en dit op basis van zijn verankering met de Assyrische gegevens, of althans zoals ze geïnterpreteerd worden. In mijn model valt het veertiende regeringsjaar van Hizkia in 709 v. Chr. en dit op basis van het vermelding van een sabbatjaar gevolgd door een jubeljaar bij de profeet Jesaja.

     

    Ik kom nu terug op mijn vraagstelling bij het begin van dit artikel: Maar zijn deze jaartallen wel accuraat? Wanneer we de chronologische gegevens van de Bijbel en van de historicus Flavius Josephus hanteren valt de val van Samaria in het jaar 717 v. Chr. en belegering van Jeruzalem in  709 v. Chr.  

    Er is geen enkele reden om Thiele in zijn knieval naar de Assyriologie te volgen en hierna volgt de Bijbelse koningslijst met historisch betrouwbare ankerpunten zoals het 37ste jaar van de Babylonische ballingschap van koning Jojachin van Juda in 562/561 v. Chr. en het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia in 709/708 v. Chr. dat een sabbatjaar was gevolg door een jubeljaar zoals aangegeven door de profeet Jesaja:

    "En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan.." Jesaja 37:30

     

    Wat men van Thiele 's studie moet behouden is zijn constructie dat in het tienstammenrijk men het jaar vanaf de maand Nisan in het voorjaar rekende en in Juda vanaf de maand Tishri in het najaar. Ook het feit dat er dikwijls met een kroningsjaar gerekend werd, is bijbels aan te tonen en heb ik behouden. Een kroningsjaar is het jaar dat de nieuwe vorst begon te regeren. Zijn eerste jaar rekende men vanaf het volgende jaar.

    De Bijbelse koningen krijgen in deze revisie op de tijdsbalk, in afwijking van Thiele, de hierna vermelde jaren.

     

    De koningen van Juda

    Jaartallen voor Christus:

    967/949    REHABEAM      1 KON 14:21 Troonjaar, regeerde 17 jaar

    950/946    ABIAM      1 KON 15:1-2 Troonjaar, regeerde 3 jaar

    948/906    ASA           1 KON 15:9-10 Troonjaar, regeerde 41 jaar

    906/880   JOSAFAT 1 KON 22:41 Troonjaar, regeerde 25 jaar

    883/876    JORAM     2 KON 8:16-17 geen Troonjaar, regeerde 8 jaar, had ook twee co-regentschappen met JOSAFAT, de eerste gedurende de slag bij Ramoth in Gilead.

    876/875    AHAZIA    2 KON 8:25-26 geen Troonjaar, regeerde 1 jaar

    875/869    ATHALIA 2 KON 11:3 geen Troonjaar, regeerde 6 jaar

    869/830    JOAS         2 KON 12:1 geen Troonjaar, regeerde 40 jaar

    831/802    AMAZIA    2 KON 14:1-2 geen Troonjaar, regeerde 29 jaar waarvan 1 jaar in co-regentschap met JOAS.

    803/750    UZZIA        2 KON 14:21 & 15:1 Troonjaar, regeerde 52 jaar, co-regentschap met Amazia gedurende het Troonjaar.

    754/739    JOTHAM 2 KON 15:32-33 geen Troonjaar, regeerde 16 jaar, co-regentschap met UZZIA gedurende 4 jaar.

     

    (Aandachtspunt: Tot Uzzia heb ik vanaf 967 v. Chr. vooruit geteld. De jaartallen van Jotham zijn het resultaat van het terug in de tijd rekenen vanaf het 14de jaar van HIZKIA. Op deze manier wordt 754 v. Chr. het jaar van de aardbeving ten tijde van UZZIA.

     

    739/722    ACHAZ      2 KON 16:1-2 Troonjaar, regeerde 16 jaar

    724/694    HIZKIA     2 KON 18:1-2 & 9-10 Troonjaar, regeerde 29 jaar

     

    (Aandachtspunt:: Het 14de jaar van HIZKIA is 710/709 v.Chr. verankerd met het sabbat- en jubeljaar van 709/708. Dit heeft als resultaat dat de val van Samaria op de tijdbalk in HIZKIA'S 6de jaar in 717 v.Chr. plaatsvindt.)

     

    697/642    MANASSE          2 KON 21:1 Troonjaar, regeerde 55 jaar.

    642/640    AMON       2 KON 21:19 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    640/609   JOSIA        2 KON 22:1 geen Troonjaar, regeerde 31 jaar.

    609            JOAHAZ   2 KON 23:1 geen Troonjaar, regeerde drie maanden.

    609/598    JOJAKIM 2 KON 23:36 geen Troonjaar, regeerde 11 jaar.

    598/597    JOJACHIN 2 KON 24:8 geen Troonjaar, regeerde drie maanden.

    597/586    ZEDEKIA 2 KON 24:18 Troonjaar, regeerde 11 jaar.

     

    De koningen van het Tienstammenrijk

    967/945    JEROBEAM 1 KON 14:20 geen Troonjaar, regeerde 22 jaar.

    945/944    NADAB     1 KON 15:25 geen Troon jaar, regeerde 2 jaar.

    944/920    BAESA       1 KON 15:33 geen Troonjaar, regeerde 24 jaar.

    921/920    ELA           1 KON 16:8 geen Troon jaar, regeerde 2 jaar, co-regentschap met BAESA gedurende 1 jaar.

    920            ZIMRI        1KON 16:15 geen Troonjaar, regeerde zeven dagen.

    920/909   OMRI        1 KON 16:21 geen Troonjaar, regeerde 12 jaar.

    920/916    TIBNI dito geen Troonjaar, regeerde in oppositie tegen OMRI tot in het 31ste jaar van ASA.

    909/888    ACHAB      1 KON 16:29 geen Troonjaar, regeerde 22 jaar.

    888/887    AHAZIA    1 KON 22:51 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    887/875    JORAM     2 KON 3:1 geen Troonjaar, regeerde 12 jaar.

    875/847    JEHU        2 KON 10:36 geen Troonjaar, regeerde 28 jaar.

    847/830    JOAHAZ   2 KON 13:1 geen Troonjaar, regeerde 17 jaar.

    833/816    JOAS         2 KON 13:10 Troonjaar, regeerde 16 jaar, co-regentschap met JOAHAZ.

    816/775     JEROBEAM II 2 KON 14:23 geen Troonjaar, regeerde 41 jaar.

     

    775/764     GEEN KONING IN HET TIENSTAMMENRIJK

     

    764/763    ZACHARIA 2 KON 15:8 geen Troonjaar, regeerde zes maanden van de herfst van 764 tot de lente van 763 v.Chr.

    763            SALLUM   2 KON 15:13 geen Troonjaar, regeerde een maand.

    763/752    MENAHEM 2 KON 15:17 geen Troonjaar, regeerde 10 jaar.

    752/750    PEKAHIA 2 KON 15:23 geen Troonjaar, regeerde 2 jaar.

    755/735     PEKAH      2 KON 15:27 geen Troonjaar, regeerde 20 jaar, co-regentschap en in oppositie met PEKAHIA en MENAHEM.

     

    (Aandachtspunt:: Het 17de jaar van Pekah werd verankerd met ACHAB'S Troonjaar. Zodoende begint PEKAH in 755 v.Chr. over zijn deel van het tienstammenrijk te regeren. In het 52ste jaar van Uzzia werd PEKAH als koning van Israël erkend. Deze schikking werd aangeboden door Dr. Ir. C. Noorlander met een artikel in B+W nummer 164)

     

    735/726    HOSEA      2 KON 15:30 geen Troonjaar, regeerde 9 jaar.

     

    (Aandachtspunt:: de eerste schijf van 9 jaar regeerde HOSEA als vazal van Assyrië. Deze periode vangt aan met de moord op PEKAH, twintig jaar nadat JOTHAM koning over Juda werd.)

     

    726/717     HOSEA      2 KON 17:1 regeerde 9 jaar.

     

    (Aandachtspunt:: De tweede schijf van negen jaar vangt aan in het 12de jaar van ACHAZ.)

     

    VAL VAN SAMARIA : 717 v. Chr.

     

    CONCLUSIE: De Assyrische koningslijst moet aan de Bijbelse ankerpunten verbonden worden en herschikt. Het is bijvoorbeeld Salmaneser III die aan de regeerperioden van de koningen Achab en Jehu dient gelinkt te worden en niet andersom. In de tijdsruimte die aldus gecreëerd wordt kan bijvoorbeeld de Bijbelse koning van Assur JAREB ingevoegd worden. Ook de Assyrische koningen Pul en Tiglath Pileser, die in de Bijbel als twee afzonderlijke koningen vermeld worden dienen op de tijdslijn in de 8ste eeuw voor Christus opnieuw geplaatst worden. Het is een cyclus van meganatuurcatastrofes die aan de basis liggen voor het ontbreken van naar schatting 65 jaar kroniekberichtgeving in Assyrië.

     Wordt vervolgd…

     Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

    06-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De profeet Haggaï en de sabbatjaar-cyclus
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Haggaï was een profeet die optrad ten tijde van de terugkeer uit de Babylonische Ballingschap en die de Joden opriep tot herbouw van de tempel te Jeruzalem. De profeet Haggaï begint zijn boek in het Oude Testament met de vermelding dat zijn bediening begon in het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag.

    Op mijn chronologische tabel is dit 29 augustus van het jaar 520 voor Christus. Absolute ‘kronos’ over jaar, maand en dag wordt ons hier in de Bijbel aangeboden. Het is een jaartal dat Bijbelse en Perzische chronologie met elkaar verbindt. Daarbij zien we op het bijgevoegde schema dat in 520 v. Chr. in maart/april een sabbatjaar begon. En de profeet Haggaï maakt duidelijk dat er toen inderdaad een sabbatsjaar van start ging maar dan zonder de bijzondere zegen van Boven, aan een sabbatjaar verbonden. Het zesde jaar in de zevenjarige sabbatcyclus was onder het oude verbond van God met Israël een jaar van dubbele zegening. Het land leverde toen in het zesde jaar een dubbele oogst zodat het sabbatjaar zonder gebrek overbrugd kon worden. Het zesde jaar op ons schema mrt521/apr520 zag echter geen dubbele zegening:

    Haggaï 1:9 Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis. 10 Daarom heeft de hemel over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst. 11 Ook riep Ik een droogte over het land en de bergen, over het koren, de most, de olie en wat de aardbodem voortbrengt, over mens en dier en alle arbeid der handen.

     

    In het tweede hoofdstuk van de profeet Haggaï wordt dit nog duidelijker:

    2:16 Nu dan, bedenkt toch wat aan deze dag is voorafgegaan: voordat steen op steen gelegd werd aan de tempel des Heren, 17 voordat deze dingen geschiedden: kwam men bij een hoop van twintig maten, dan waren er slechts tien; kwam men bij de wijnpers om vijftig maten uit de bak te scheppen, dan waren er slechts twintig.

     

    Deze woorden werden gesproken op de vierentwintigste dag van de negende maand in het tweede regeringsjaar van Darius (Haggaï 2:1). Op onze huidige kalender was dit 17 oktober 521 v. Chr. Het was de laatste dag van het Loofhuttenfeest (Leviticus 23:24) en normaal gezien was dit bedoeld ter viering van de zomeroogst.

    Het tweede hoofdstuk van de profeet Haggaï heeft de verkwikkende woorden met betrekking tot de sabbatjaar-zegening: vers 20 :‘Van deze dag aan zal Ik zegenen.” Deze dag begon dan volgens vers 11 op de vierentwintigste dag van de zevende maand in het tweede jaar van Darius oftewel 18 december 521 v. Chr. wanneer het wintergewas werd geplant.

    Haggaï 2:11 Op de vierentwintigste dag van de negende maand in het tweede jaar van Darius kwam het woord des Heren tot de profeet Haggai aldus…

     

    De profeet Haggaï geeft via de herkenbare sabbatjaarcyclus een link tussen de Bijbel en de wereldgeschiedenis. De jaartallen van de Perzische koningen zijn uitvoerig door de historicus van de oudheid Herodotos belicht en correct bevonden en zijn aldus belangrijke ankerjaren voor een chronologische reis in de tijd.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Hierna volgt de volledige tekst van het kleine Bijbelboek Haggaï met de chronologisch belangrijke gedeelten in vette letters:

     

    Haggaï 1:1 In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag dier maand, kwam het woord des Heren door de dienst van de profeet Haggai tot Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, aldus: 2 Zo zegt de Here der heerscharen: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des Heren huis herbouwd worde. 3 En het woord des Heren kwam door de dienst van de profeet Haggai aldus: 4 Is het voor ú de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt? 5 Nu dan, zo zegt de Here der heerscharen, bedenkt wat u wedervaren is. 6 Gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengehaald; gij hebt gegeten, maar zonder dat gij verzadigd werdt; gij hebt gedronken, maar zonder dat gij voldaan werdt; gij hebt u gekleed, maar zonder dat gij warm werdt; en wie zich voor loon verhuurde, ontving zijn loon in een doorboorde buidel.

    7 Zo zegt de Here der heerscharen: Bedenkt wat u wedervaren is. 8 Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan hebben en verheerlijkt worden, zegt de Here. 9 Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des Heren der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis. 10 Daarom heeft de hemel over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst. 11 Ook riep Ik een droogte over het land en de bergen, over het koren, de most, de olie en wat de aardbodem voortbrengt, over mens en dier en alle arbeid der handen. 12 Toen hoorden Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks naar de stem van de Here, hun God, en naar de woorden waarmede de Here, hun God, de profeet Haggai gezonden had, en het volk vreesde voor het aangezicht des Heren. 13 En Haggai, de bode des Heren, zeide, krachtens de boodschap des Heren, tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des Heren. 14 En de Here wekte de geest op van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en de geest van Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, en de geest van al het overblijfsel des volks, zodat zij kwamen en het werk begonnen aan het huis van de Here der heerscharen, hun God, 2:1 op de vierentwintigste dag van de zesde maand in het tweede jaar van koning Darius.

    2 In de zevende maand, op de eenentwintigste dier maand, kwam het woord des Heren door de dienst van de profeet Haggai aldus: 3 Zeg tot Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, en tot het overblijfsel des volks: 4 Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen? 5 Maar nu, wees sterk, Zerubbabel, luidt het woord des Heren, en wees sterk, Jozua, zoon van Josadak, hogepriester, en wees sterk, al gij volk des lands, luidt het woord des Heren, en gaat aan het werk, want Ik ben met u, luidt het woord van de Here der heerscharen, 6 overeenkomstig het woord dat Ik u beloofd heb, toen gij uit Egypte uittoogt, en mijn Geest in uw midden stond: vreest niet. 7 Want zo zegt de Here der heerscharen: Een ogenblik nog, een korte wijle, dan zal Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge doen beven. 8 Ja, Ik zal alle volken doen beven en de kostbaarheden van alle volken zullen komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Here der heerscharen. 9 Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, luidt het woord van de Here der heerscharen. 10 De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Here der heerscharen; op deze plaats zal Ik heil geven, luidt het woord van de Here der heerscharen.

    11 Op de vierentwintigste dag van de negende maand in het tweede jaar van Darius kwam het woord des Heren tot de profeet Haggai aldus: 12 Zo zegt de Here der heerscharen: Vraag toch de priesters om onderricht in de wet, 13 en zeg: wanneer iemand heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt en hij raakt met zijn slip brood, moes, wijn, olie of enige andere spijs aan, wordt dit dan heilig? De priesters antwoordden: Neen. 14 En Haggai zeide: Indien iemand onrein geworden door een lijk, iets van al deze dingen aanraakt, wordt het dan onrein? De priesters antwoordden: Het wordt onrein. 15 Toen antwoordde Haggai: Zo staat het met dit volk en zo staat het met deze natie voor mijn aangezicht, luidt het woord des Heren, en zo staat het met al het werk van hun handen, en wat zij daar offeren, dat is onrein. 16 Nu dan, bedenkt toch wat aan deze dag is voorafgegaan: voordat steen op steen gelegd werd aan de tempel des Heren, 17 voordat deze dingen geschiedden: kwam men bij een hoop van twintig maten, dan waren er slechts tien; kwam men bij de wijnpers om vijftig maten uit de bak te scheppen, dan waren er slechts twintig. 18 Ik sloeg u met brandkoren en met honigdauw, en al het werk van uw handen met hagel, maar er was bij u geen gedachte aan Mij, luidt het woord des Heren. 19 Bedenkt toch wat voorafgegaan is aan deze dag, de vierentwintigste der negende maand, van de dag aan, waarop de tempel des Heren gegrondvest werd. 20 Bedenkt: Is er nog zaad in de schuur? Ja, ook de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom en de olijfboom hebben niet gedragen. Van deze dag aan zal Ik zegenen.

    21 Het woord des Heren kwam ten tweeden male tot Haggai op de vierentwintigste der maand, aldus: 22 Zeg tot Zerubbabel, de landvoogd van Juda: 23 Ik zal de hemel en de aarde doen beven, Ik zal de troon der koninkrijken omverwerpen, de kracht van de koninkrijken der volken verdelgen, de wagens en wie daarop rijden, omverwerpen en de paarden en hun ruiters zullen neerstorten, ieder door het zwaard van de ander. 24 Te dien dage, luidt het woord van de Here der heerscharen, zal Ik u, Zerubbabel, zoon van Sealtiël, mijn knecht, nemen, luidt het woord des Heren, en Ik zal u tot een zegelring maken, want u heb Ik uitverkoren, luidt het woord van de Here der heerscharen. (NBG Vertaling 1951)

    01-02-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Moabietische steen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2 Koningen 3:Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals zijn vader en zijn moeder: hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die zijn vader gemaakt had. 3 Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. 4 Mesa nu, de koning van Moab, was een schapenfokker; hij bracht aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op en de wol van honderdduizend rammen. 5 Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de koning van Israël af. 6 Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde geheel Israël.

     

    Over de hierboven in de Bijbel beschreven oorlog tussen Israël en Moab heeft de archeologie een zogenaamde buiten-Bijbelse verwijzing tevoorschijn gebracht. Van koning Mesa, de koning der Moabieten tijdens de regeerperiode van Omri, Achab en Joram in Israël, is een stele bewaard gebleven waarin naar Omri en zijn zoon van het tienstammenrijk verwezen wordt. Na de dood van Achab, verhaalt de Bijbel, stopt de schatplichtige Mesa met zijn jaarlijkse betalingen aan Israël en geraakt alzo in conflict met Joram.

     

    De stele van Mesa bevindt zich in het Louvre en werd anno 1868 door een Duitse zendeling, F.A. Klein, gevonden. De steen is beschadigd en dit als gevolg van het feit dat lokale Arabieren na het bekendmaken van de vondst de steen verhitten en lieten springen. De gedachte moet geweest zijn; dat als Europeanen er belang aan hechten er wel een schat in moet verborgen zijn. Dank zij de eerder gemaakte gipsafdruk door F.A. Klein konden later de stukken weer samengevoegd worden. Hierna volgt een gedeeltelijke vertaling (enkele letters zijn onleesbaar en de zin van enige woorden niet zeker):

     

    “Ik ben Mesa, zoon van Kamos-.., koning van Moab, uit Dibon afkomstig. Mijn vader is koning geweest over Moab dertig jaar en ik werd koning na mijn vader en ik maakte deze offerhoogte in Karko.. omdat hij mij gered heeft van alle koningen en mij heeft doen neerzien op al mijn haters. Omri, de koning van Israël, hij verdrukte Moab vele dagen, want Kamos was vertoornd op zijn land. En zijn zoon (Achab) volgde hem op en ook hij sprak: Ik ga Moab verdrukken. In mijn tijd sprak hij deze woorden, maar ik heb hem en zijn huis overwonnen…Omri had het land van Medeba bezet en Israël woonde daarin in zijn tijd en in de helft van de tijd van zijn zoon(Joram) veertig jaar….”

     

    Chronologisch is het in verband met deze studie belangrijk om de vermelding van de veertig jaar verdrukking, die ons vanuit een Moabietische bron bereikt heeft, te verklaren. Op het eerste gezicht namelijk lijken de veertig jaar niet mijn revisie te volgen. Zelfs Velikovsky wist met de veertigjarige vermelding geen raad of kon er geen gebruik van maken. Deze onderzoeker trok zelfs de Bijbelshistorische berichtgeving omtrent deze koningen in twijfel.

     

    De Moabietische steen vermeldt een periode van veertig jaar voor drie koningen van Israël. Wanneer we vanaf het eerste jaar van Omri in 920 v. Chr. tot aan Ahazia rekenen verkrijgen we slechts 33 jaar. We kunnen er echter rustig vanuit gaan dat Ahazia in Moab onbekend was. Hij regeerde slechts twee jaar over Israël. De berichtgeving in de Bijbel over hem is kort, drie verzen, en dan nog zeer negatief. Hij stierf voortijdig na een ziekte ten gevolgen van een val door het tralievertrek van zijn boven-verblijf te Samaria. Een andere zoon van Achab nam daarop de scepter in het tienstammenrijk over: Joram . Het is deze koning die tegen het afvallige Moab zou oprukken en waarnaar de Moabietische steen verwijst. In mijn reconstructie zitten er exact veertig jaar tussen het einde van de regering van Josafat in 880 v.Chr. en het begin van de regering van Omri in 920 v.Chr.

     

    Een voorbeeld van geschiedvervalsing:

    De ontdekker van de Moabietische steen was de Elzasser en Protestants zendeling F.A. Klein. Het jaar van de ontdekking was 1868 AD. In 1868 maakte de Elzas, de provincie waar Klein geboren werd, deel uit van Frankrijk en dit sedert de 16de eeuw . Het was de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 dat maakte dat dit Duitstalige gebied deel ging uitmaken van de nieuwe Duitse eenheidsstaat, door de legendarische Bismarck gevormd. Het gebied is lange tijd een twistappel tussen Duitsland en Frankrijk geweest. Men kan vandaag rustig stellen dat de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk het resultaat was van Franse politieke machinaties om het gebied d.m.v. een oorlog van Duitsland opnieuw afhandig te maken. Deze Duits-Franse tegenstelling heeft tot na de Tweede Wereldoorlog geduurd. Heden maakt de Elzas deel uit van Frankrijk en heeft de Bondsrepubliek Duitsland alle gebiedsverlies als gevolg van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw aanvaardt.

     

    In de geesten der onderzoekers is dit echter geen vanzelfsprekendheid. In studies over de oudheid is de nationaliteit van F.A. Klein niet altijd onmiddellijk te achterhalen. Duitse onderzoekers noemen hem voornamelijk een Duitser of Elzasser. Andere onderzoekers vermelden dikwijls eenvoudig weg de nationaliteit niet. Klein was Duitssprekend, net zoals een andere beroemde Elzasser Albert Schweitzer, bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog als protestants zendeling en arts werkzaam in Frans Kongo, theoretisch een Fransman, maar wel als ‘Duitser’ door de Fransen geïnterneerd in een Frans concentratiekamp in Afrika. Ik geef deze informatie door om aan te tonen hoe gevoelig geschiedschrijving kan liggen en hoe gemakkelijk geschiedschrijving een bepaalde kleur krijgt afhankelijk van de nationaal gekleurde bril die men opheeft.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    30-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.776 v. Chr.: de profeet Jona te Nineveh
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    De bedoeling van dit artikel is de Bijbelse profeet Jona chronologisch op de tijdsbalk te plaatsen en de koning van Assyrië te identificeren die zich op de prediking van Jona te Nineveh tot de God van Israël voor uitkomst wendde.

     

    De Bijbel leert dat Jona ‘s bediening als profeet ten tijde van de regering van koning Jerobeam II van het tienstammenrijk liep:

     2 Koningen 14:23 In het vijftiende jaar van Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, koning te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. 24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. 25 Hij heroverde het gebied van Israël, van de weg naar Hamat tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de HERE, de God van Israël, gesproken had door zijn knecht, de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. 26 Want de HERE had gezien, dat de ellende van Israël zeer bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor Israël. 27 Maar de HERE had niet gezegd, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel zou uitwissen; dus verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas. (NBG Vertaling 1951)

     

    Ook de Joodse historicus Flavius Josephus plaatst de bediening van Jona ten tijde van de eenenveertigjarige regeringsperiode van Jerobeam II maar geeft verder ook geen exacte tijdsaanduiding wanneer juist Jona de stad Nineveh bezocht. (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek IX, x, 1-2)

     

    Beide historische bronnen, de Bijbel en Josephus, brengen een bijzondere geschiedenis over Nineveh: de bekering namelijk van een Assyrische koning tot de God van Israël, en dit naar aanleiding van de oordeelaankondiging van de Hebreeuwse profeet Jona te Nineveh. Deze historische gebeurtenis werd niet in Assyrische bronnen opgetekend. Het is duidelijk dat de Assyrische kroniekschrijvers deze vermaledijde koning, die de goden van Assyrië inruilde voor de God van Israël, gewist -‘deleted’- hebben. Men kan spreken van een ‘damnatio memoriae’ gedurende deze tijd voor Assyrië. Hierna het relevante Bijbelgedeelte:

     

    Jona 3:1 Het woord des HEREN kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineveh, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal. 3 Toen maakte Jona zich op en ging naar Nineveh, overeenkomstig het woord des HEREN. Nineveh nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen. 4 En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineveh wordt ondersteboven gekeerd! 5 En de mannen van Nineveh geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden. 6 Toen het woord de koning van Nineveh bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as. 7 En men riep uit en zeide in Nineveh op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. 8 Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. 9 Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan. 10 Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het deleten van deze historische gebeurtenis door de Assyriërs is een aanwijzing dat de Assyrische historische bronnen niet betrouwbaar zijn.

     

    Het afwenden van de geprofeteerde ramp die Nineveh ondersteboven zou keren postuleer ik te hebben plaatsgevonden in het jaar 776 voor Christus. Het is het jaar dat in de oude wereld de Olympische Spelen van start gingen en dit uit dankbaarheid naar hun goden toe, voor het afwenden van ‘de’ ramp. Er was namelijk al eerder een cyclus van rampen bezig die met een regelmaat van tijd planeet aarde met allerhande calamiteiten teisterde. Er was een cyclus van meganatuurcatastrofes van ongeveer 54 ½ jaar en 13 jaar aan de hand.

     

    De jaren voor Christus: 860, 830, 816, 802 en 790 waren getuigen van deze calamiteiten. We kunnen ons voorstellen dat de oude wereld vol spanning en angst rond 776 v. Chr. uitzag naar de volgende ramp die over hen heen moest komen. In 776 v. Chr. werd deze ramp afgewend en het zou tot 761 v. Chr. duren alvorens een nieuwe cyclus van start ging met de volgende rampjaren: 761, 748, 735, 722 en 709 v. Chr.

     

    Het plaatsen van de profeet Jona te Nineveh op de tijdsbalk in het jaar 776 v. Chr. maakt dat zijn bediening binnen de regeerperiode van Jerobeam II valt.

     

    Volgens mijn herziening van de geschiedenis van de oudheid zat tijdens deze tijdsperiode in Assyrië koning Sardanapallos op de troon zat. Een naam die ons via de Grieken overgeleverd werd. In mijn revisie, zoals uiteengezet in ‘De Assyriologie herzien’ plaats ik Sardanapallos op de tijdsbalk tussen de regeerperioden van de Assyrische koningen Assur Nerari V en Tiglath Pileser III. Het is Assyrische koning met de Griekse naam Sardanapallos die in de Assyrische koningslijsten ontbreekt. De aanleiding is ongetwijfeld de bekering van de Assyriër tot de God van Israël ter uitredding van de nakende ramp. Het feit dat hij een oor had naar de prediking van de Hebreeuwse profeet Jona en zich niet tot de goden van Assyrië keerde maakt dat zijn uit de koningslijst gewist werd.

     

    Het raamwerk dat de Griekse legende schildert bevat heel wat historische details. Volgens het Griekse verhaal waren twee schatplichtige vorsten, namelijk Arbaces van Medië en Belesys van Babylon, in opstand tegen Sardanapallos, de koning van Assyrië, gekomen. Sardanapallos, trok deze opstandelingen met zijn leger tegemoet en hij zou zeker de overwinning over hen behaald hebben, moest er geen muiterij in het Assyrische leger zijn uitgebroken. Het waren Assyrische soldaten die terugkeerden van Baktrië, die naar de opstandelingen overliepen. Hierop volgde gedurende twee jaar een belegering van Nineveh alwaar Sardanapallos zich had terug getrokken. Het verhaal gaat verder dat in het derde jaar van de belegering, de rivier de Tigris buiten haar oevers trad en de stadsmuur ondermijnde zodat deze over een lengte van twintig stadiën instortte. Hierop heeft Sardanapallos, zijn einde onder ogen ziende, zich om het leven gebracht. Nineveh werd daarop ingenomen. Ik postuleer dat het buiten de oevers treden van de Tigris te maken had met de meganatuurcatastrofe van het jaar 761 v. Chr. Ook vanuit Egypte hebben we gelijkaardige berichtgeving over het uitzonderlijk buiten de oevers treden van de Nijl ten tijde van zulke catastrofes. De belegering van Nineveh krijgt nu de jaren 764/761 v. Chr. In 761 v. Chr. vond er een ‘regime-change’ in Nineveh plaats. De koningen Pul en Tiglath Pileser III namen de macht over. In ‘Genesis versus Egyptologie’ toon ik vanuit Egyptische bronnen, aan dat Pul de vader van Tiglath Pileser III was.

     

    De Bijbel door monde van de profeet Hosea, geeft voor deze tijdsperiode het Hebreeuwse equivalent voor koning Sardanapallos: JAREB. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

     

    Hosea 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in Bet-Awen! Achter u, Benjamin! 9 Tot een woestenij zal Efraïm worden ten dage des oordeels. Over de stammen Israëls maak Ik bekend wat vast besloten is. 10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. 11 Verdrukt is Efraïm, verpletterd door het recht, omdat hij heeft verkozen het ijdele te volgen. 12 Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. 13 Toen Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging Efraïm naar Assur en zond boden naar koning JAREB (Strijdlust). Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen.

     

    Hosea 10:1 Israël is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen. 2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. 3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning – maar, wanneer wij de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? 4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de akker. 5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. 6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor koning Strijdlust (sv)JAREB.

     

    In de grondtekst van de Bijbel staat er ‘Jareb’ wat de SV Statenvertaling correct als een eigennaam doorgaf. De NBG Vertaling (1951) vertaalde JAREB met ‘Strijdlust’. De NBV vertaling (2004) maakte er ‘kemphaan’ van, wat voor onze geschiedschrijving onbruikbaar is. We zien hier weer het gezag dat de wetenschap Assyriologie heeft ten overstaan van nieuwe Bijbelvertalingen. De Bijbelse naam JAREB komt in de Assyrische koningslijsten niet voor en aldus neemt men aan dat de Hebreeuwse benaming JAREB wel een andere betekenis zal hebben.

     

    JAREB of het onbekende Assyrische equivalent is de gehate naam die door zijn Assyrische tegenstanders na hun overwinning, ‘deleted’ werd. Een koning die het uiteindelijk na veel strijd tegen usurpators voor zijn troon moest afgeven.

     

    Vanuit de Bijbel kan deze gebeurtenis redelijk goed op de tijdsbalk geduid worden. De profeet Hosea (1:1) trad in Israël op ten tijde van koning Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël. Deze tijdspanne is dezelfde als de tijd wanneer de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd. De profetische woorden aangaande JAREB werden uitgesproken/vervuld na de dood van Jerobeam tijdens de periode van 775 tot 764 v. Chr. wanneer het tienstammenrijk zonder koning zat. Deze tussenperiode in de lijn van de koningen van het tienstammenrijk werd eveneens door Hosea voorspeld:

     

    Hosea 3: … 4 Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. …

     

    Hosea hoofdstuk vijf en verder beschrijft de toestand in Israël na de dood van Jerobeam II. Dezelfde tijd dus dat JAREB koning van Assyrië was met als hoofdstad Nineveh.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    29-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De berg Ebal in Israël en de offerplaats van Jozua
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Jozua 8:30 Toen bouwde Jozua een altaar voor de HERE, de God van Israël, op de berg Ebal, 31 zoals Mozes, de knecht des HEREN, de Israëlieten geboden had, naar hetgeen geschreven stond in het boek der wet van Mozes; een altaar van onbehouwen stenen, die men met geen ijzer bewerkt had; zij brachten daarop brandoffers aan de HERE en slachtten vredeoffers. 32 En dáár schreef hij op de stenen een afschrift van de wet van Mozes, hetwelk hij opschreef ten aanschouwen der Israëlieten. 33 Geheel Israël nu, zijn oudsten, de opzieners en zijn rechters stonden aan weerszijden van de ark, tegenover de levitische priesters, die de ark des verbonds des HEREN droegen, zowel vreemdelingen als geboren Israëlieten, de ene helft tegenover de berg Gerizim en de andere helft tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de knecht des HEREN, vroeger geboden had, om het volk Israël te zegenen. 34 Daarna las hij al de woorden der wet voor, de zegen en de vloek, naar alles wat in het boek der wet geschreven stond. 35 Er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele gemeente van Israël en de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, die met hen meegegaan waren

     

    In de vorige eeuw in het jaar 1967 kwam Samaria waar de berg op zo een negenhonderd meter boven de zeespiegel gelegen is, in Israëlische handen. Gedurende vele eeuwen lag het gebied en de berg er onherbergzaam bij. Op het plateau van de berg vond een Israëlisch archeologisch team onder leiding van Adam Zertal in 1982 een massieve rechthoekige constructie van grote onbehouwen stenen. De afmetingen waren ongeveer negen meter bij zeven meter en drie meter hoog. Binnen de constructie vond men as, potscherven, stenen en afval. Vooral opmerkelijk was de vondst van meer dan vierduizend dierlijke beenresten, meestal verbrand, die in een laboratorium geanalyseerd werden. De meeste beenderen bleken van stieren, schapen en geiten afkomstig te zijn. Geen van de beenderen bleek van de zogenaamde Bijbelse onreine dieren afkomstig te zijn wat een sterke indicatie naar religieuze offers was. Na vier jaar onderzoek van de site was er voor de archeoloog Zertal maar één conclusie mogelijk: dit was de site waar het Bijbelboek Jozua naar verwijst. De blootgelegde constructie bleek volledig aan alle voorschriften van Mozes in de Bijbel te voldoen.

     

    Het dateren van de constructie is moeilijk. De gevonden beenderen werden gedateerd in de twaalfde eeuw voor Christus en de constructie van het altaar in het IJzertijdperk I gedateerd. De archeologische strata in Israël worden echter alle aan de hand van de orthodoxe Egyptische chronologie gedateerd. En als een gevolg van ongeveer zeshonderd jaar foutieve tijdrekening in Egypte zit ook in Israël de archeologie die deze dateringsmethode hanteert er altijd enkele eeuwen naast. Ook de archeoloog Zertal dateerde zijn vondst aan de hand van de Egyptische chronologie. Het vinden van twee Egyptische scarabeeën op de site maakte dat voor het jaartal 1250 v. Chr. gekozen werd. Een betreurenswaardig foutief jaartal dat geen recht aan het Bijbelbericht doet. Het correcte jaartal voor de bouw van het altaar op basis van de gereviseerde chronologie is 1437 v. Chr.

     

    De stenen getuigen ook vandaag nog dat de Bijbel geen mythe of folklore is maar het spreken van de God van Israël in de geschiedenis.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    26-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar lag Telaïm en waar lag de stad van Amalek?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    1 Samuël 15:1 Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de HERE gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des HEREN. 2 Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich hem in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. 3 Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. 4 Saul riep het volk op en monsterde het te Telaïm, tweehonderdduizend man voetvolk; daarbij tienduizend Judeeërs. 5 Toen Saul de stad van Amalek bereikt had, legde hij in het dal een hinderlaag. 6 Saul nu zeide tot de Kenieten: Gaat heen, verwijdert u, trekt weg uit het midden der Amalekieten, opdat ik u niet met hen verdelg; gij hebt immers trouw bewezen aan alle Israëlieten, toen zij uit Egypte trokken. Daarop verwijderden zich de Kenieten uit het midden van Amalek. 7 En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt. 8 Agag, de koning van Amalek, greep hij levend, maar het gehele volk sloeg hij met de ban door de scherpte des zwaards. 9 Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en van de runderen, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Maar al het vee dat waardeloos was en ondeugdelijk, sloegen zij met de ban.

     

    De strijd tegen Amalek was al eerder door Mozes aangekondigd kort voor diens dood in 1443 v. Chr. In het hierna volgende Bijbelgedeelte waarschuwt Mozes het volk dat zij eens opnieuw ten strijde zouden geroepen worden om Amalek uit te roeien. Toen het volk op zijn zwakst was na de verdrukking en uittocht uit Egypte had Amalek de achterhoede, de zwakste van de groep aangevallen. Ten tijde van het koningschap van Saul was de tijd daar om de strijd tegen Amalek te beslechten.

     

    Deuteronomium 25:17 Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen gij uit Egypte getrokken waart; 18 hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde. 19 Als dan de HERE, uw God, u rust gegeven heeft van al de vijanden rondom u in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal om het te bezitten, dan zult gij de herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen; vergeet het niet.

     

    Wanneer men onderzoek doet naar de juiste ligging van TELAIM, de plaats waar Saul het leger van Israël tot verzameling riep, blijkt dat de meningen verdeeld zijn. De orthodoxe verklaring plaatst het Bijbelse Telaïm, wat betekent ‘de jonge lammeren’, in het zuiden van Judea te Telam. Deze gedachtegang komt voort vanuit de veronderstelling dat de Bijbelse Amalekieten slechts Bedoeïen of nomaden waren die vooral zuidelijk van Judea hun woongebied hadden. De Bijbel echter noemt Amalek tijdens deze periode: Eerste der volken. Dr. I. Velikovsky identificeerde ze terecht met de Hyksos die met de Exodus in 1483 v. Chr., na de vernietiging van farao ’s leger in de Rode Zee, eerst tegen Israël in de woestijn streden, en daarna Egypte overrompelden, hun dynastieën vestigden, en gedurende vier eeuwen vanuit Avaris over het Midden Oosten heersten.

     

    Waar Telaïm op de landkaart geplaatst moet worden, leren Flavius Josephus en de Septuagint LXX Griekse vertaling van het Oude Testament duidelijk. Beide bronnen plaatsen Telaïm te Gilgal, een plaats oostelijk van Jericho aan de Jordaan. Het was te Gilgal dat Saul achtendertig jaar eerder door Samuel tot koning gezalfd was, met de twaalf stammen, heel Israël dus, aldaar verzameld. Het is dan ook logisch dat de twaalf stammen, Juda incluis, te Gilgal ter verzameling geroepen werden voor de strijd tegen Amalek. Deze identificatie laat tegelijkertijd zien langs waar Saul met zijn leger hoogstwaarschijnlijk opgetrokken is. Met zijn leger is hij de Jordaan overgestoken en via de zogenaamde Koninklijke Weg oostelijk van de Dode Zee naar de stad van Amalek opgerukt. De stad van Amalek in de Bijbel is te identificeren met Sjaroehen, een plaats die we vanuit Egyptische bron kennen. Het leger van farao belegerde namelijk de vermaledijde Hyksos gedurende drie jaar te Sjaroehen. Velikovsky plaatst Sjaroehen in de buurt van Petra. Het is naar deze plaats dat zowel het leger van Saul als het leger van farao Ahmose oprukten en het daarop drie jaar belegerden. De verwijzing in 1 Samuel 15 krijgt nu echt zin: “En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt”. Met Saul ’s leger in de buurt van Petra merken we ook waar het Bijbelse Chawila te plaatsen is: namelijk noordelijk van de Arabische woestijn. En Sur of Shur ligt met zekerheid oostelijk van de Egyptische grens wanneer men de Nijl-delta richting oosten verlaat. Het is de natuurlijke berg-muur ten oosten en ten westen van de huidige golf van Akaba. Ook Josephus bevestigt deze denkpiste. Josephus plaatst de woonplaats van de Amalekieten vanaf Pelusium aan de Egyptische grens tot aan de Rode Zee en Midian. De rivier waar Josephus naar verwijst waar Saul een inderlaag tegen Amalek legde, is volgens mijn revisie de Wadi el Araba die ten tijde van het regenseizoen met water gevuld was maar gedurende de andere seizoenen droog stond. Als een gevolg van het gebruik van de gegevens die Flavius Josephus verstrekt, kunnen we op de kaart nauwkeurig het offensief van Saul en farao schilderen. Na oostelijk van de Dode Zee naar het zuiden opgerukt te zijn, liet Saul Sjaroehen links liggen en rukte verder van oost naar west, van Chawila naar Sur, naar Avaris, het huidige El Arisj op. Velikovsky ’s identificatie van Avaris, de hoofdstad van de Hyksos, met El Arisj in de Sinaïwoestijn is hiermee gebleken correct te zijn. Te Avaris arriveerde ook het leger van farao Ahmose. In bondgenootschap met Saul rukte het Egyptische leger daarop naar Sjaroehen in de buurt van het huidige Petra en begon een belegering die, volgens Egyptische bronnen, drie jaar zou duren.

     

    Een geestelijk intermezzo:

    Het bevel in de Bijbel tot uitroeiing van Amalek stuit in de huidige genadebedeling tegen te borst. Wanneer men onderzoek naar dit Bijbelgedeelte doet blijkt dat sommige rabbijnen in hun commentaren opmerken dat Sauls ongehoorzaamheid er de oorzaak van was dat de strijd van Amalek tegen Gods volk toen niet ophield. Veel later, ten tijde van de Perzische periode, zou nog een Amalekiet een poging tot genocide van het Joodse volk doen; namelijk door de hand van Haman, zoals in het Bijbelboek Esther beschreven. Dit is één verklaring voor het harde gebod. Je zou kunnen zeggen dat de Bijbelse koningen (al of niet in opdracht van God) handelden als kinderen van hun tijd. Voordat wij echter neerkijken op de mensen in de antieke oudheid – is er veel veranderd? In de wereldgeschiedenis kunnen we opmerken dat het niet sparen van kinderen en zuigelingen dikwijls als normaal ervaren wordt. De huidige burgeroorlog in Syrië laat dezelfde horror zien. En in Europa beleefden we twintig jaar geleden, na het uiteenvallen van de Joegoslavische staat dezelfde geschiedenis. En daarvoor tijdens de tweede wereldoorlog hadden we Hitler-Duitsland dat zijn oorlog in 1939 begon en meende andere steden te kunnen bombarderen (coventrieren) zoals Warschau, Rotterdam, Londen en Coventry, in de veronderstelling dat er nooit één bom op hun eigen hoofd zou neerkomen. Vanaf 1942 betaalden de Britten echter terug en werden Duitse steden letterlijk in de as gelegd met ook de dood van miljoenen onschuldige kinderen en zuigelingen tot gevolg. Negen miljoen Duitsers lieten uiteindelijk tegen 1945 het leven. Tijd en toeval overvielen allen, ook de onschuldigen.

     

    Wat mezelf betreft in het begrijpen van het gebod tot vernietiging van Amalek vind ik troost in de wetenschap dat de HERE God van de Bijbel het Leven is. Hetzelfde Bijbelboek Deuteronomium dat de toekomende strijd tegen Amalek aankondigt leert o.a. het volgende:

    “Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, daar is geen God, behalve Mij. Ik dood en doe herleven, Ik verbrijzel en Ik genees, en niemand is er die redt uit mijn macht.” Deuteronomium 32:39

     

    Wanneer we het accent op het herleven leggen in plaats van op het doden, wordt een en ander verstaanbaar. De Bijbel belooft dat er ooit aan dit tranendal, dat de planeet aarde onder de vloek is, een einde zal komen. Dat in de toekomst de HERE God Zijn Messiaanse Vrederijk op deze aarde, na de oordelen van de Apocalyps, zal vestigen en dat alle doden dan zullen opstaan. Ook de gedode zuigelingen van de Amalekieten zullen dan leven.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    25-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De blinden te Jericho in 30 AD
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Drie evangelisten: Matteüs, Marcus en Lucas brengen de geschiedenis van de genezing van vier blinden te Jericho. Bij het oppervlakkig lezen van het Schriftwoord lijkt het echter alsof de evangelisten elkaar tegenspreken. Matteüs vermeldt de genezing van twee blinden, de evangelisten Markus en Lucas spreken over slechts één blinde. Betrappen we de Bijbel hier op een fout zoals de Bijbelkritiek leert? Hierna volgen de drie betreffende Bijbelgedeelten. Wanneer we de drie berichten naast elkaar zetten wordt alles duidelijk en is de conclusie dat niet twee of één blinde het zicht gegeven wordt, maar dat in totaal vier mensen door Jezus aangeraakt worden en opnieuw zien mogen:

     

    Matteüs 20:29 En toen zij uit Jericho gingen, volgde Hem een grote schare. 30 En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden, dat Jezus voorbijging, zeggende: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David! 31 En de schare bestrafte hen, dat zij zwijgen zouden. Maar zij riepen te meer, zeggende: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David! 32 En Jezus stond stil, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? 33 Zij zeiden tot Hem: Here, dat onze ogen geopend worden. 34 Jezus werd met ontferming bewogen en raakte hun ogen aan, en terstond werden zij ziende en zij volgden Hem.

     

    Marcus 10:46 En zij kwamen te Jericho. En toen Hij met zijn discipelen en een talrijke schare uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, één blinde bedelaar, aan de weg. 47 En toen hij hoorde, dat het Jezus van Nazaret was, begon hij te roepen en te zeggen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij! 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou. Doch hij riep des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij! 49 En Jezus stond stil en zeide: Roept hem. En zij riepen de blinde en zeiden tot hem: Houd moed, sta op, Hij roept u. 50 Toen wierp hij zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus. 51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? De blinde zeide tot Hem: Rabboeni, dat ik ziende worde! 52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende en volgde Hem op de weg.

    Lucas 18:35 Het geschiedde nu, toen Hij in de nabijheid van Jericho kwam, dat één blinde aan de weg zat te bedelen. 36 Toen deze hoorde, dat er een schare voorbijging, vroeg hij, wat dit was. 37 En zij vertelden hem, dat Jezus de Nazoreeër voorbijkwam. 38 En hij riep en zeide: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! 39 En die vooraan liepen, bestraften hem, dat hij zwijgen zou. Maar hij schreeuwde des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij! 40 Jezus nu stond stil en liet hem bij Zich brengen. Toen hij naderbij gekomen was, 41 vroeg Hij hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Hij zeide: Here, dat ik ziende worde! 42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond werd hij ziende en hij volgde Hem, God lovende. En al het volk zag het en gaf Gode lof.

    NBG Vertaling 1951

     

    Wanneer we Schrift met Schrift vergelijken zijn er geen discrepanties tussen de drie evangelisten, die alle de geschiedenis van de genezing van de blinden nabij Jericho brengen. Zij beschrijven drie wonderen van Jezus Christus aan in totaal vier blinden. Bij de evangelist Matteüs geeft Jezus het zicht weer aan twee blinden wanneer Hij Jericho verlaat. De evangelist Marcus beschrijft het wonder wanneer Jezus Jericho nadert en noemt de blinde bij naam: Bartimeüs, de zoon van Timeüs. De evangelist Lucas beschrijft het wonder aan een blinde wanneer Jezus in de nabijheid van Jericho arriveerde. Deze blinde man roept Jezus aan met dezelfde belijdenis als de overige beschreven blinden: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!” Lucas verhaalt verder dat Jezus daarop stil stond en de blinde bij Zich liet brengen. De blinde man bij de evangelist Marcus daarentegen loopt op eigen kracht naar Jezus toe: “Toen wierp hij zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus.” De twee blinden die Matteüs beschrijft zitten gewoon langs de weg waar Jezus voorbijging.

    Conclusie: in totaal drie wonderen aan vier blinde mensen op dezelfde dag te Jericho en in de nabijheid van Jericho. Een blinde bij het naderen van Jericho, één tijdens het verlaten van Jericho en twee nadat Hij Jericho verlaten had.

     

    Postscriptum:

    Johannes 9:9 …”En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.”

    Betreffende deze metafoor van de Heer Jezus Christus, over religieuze mensen die zeggen dat ze zien, maar in feite geestelijk blind zijn, wil ik even verder, met de plaats Jericho in het achterhoofd, mijmeren. Het Jericho ten tijde van Jezus Christus lag zuidelijk van de oude stad die Jozua in 1443 v. Chr. vernietigd had, en later herbouwd en bewoond werd. Het Jericho waar Jezus zijn ontmoeting met Zacheüs had en de blinden genas lag dus zuidelijk van de oude stad en was ook de winterresidentie van Herodes de Grote. Deze stad had openbare gebouwen, een amfitheater, een hippodroom of renbaan, daarnaast parken, tuinen, vijvers en een aquaduct of waterleiding. Omheen de stad groeiden sycomoren; in één daarvan klom Zacheüs, de belastingcontroleur van Jericho, toen de Heiland door de stad ging, zoals door de evangelist Lucas beschreven. Het afgebeelde plaatje van bovenaan dit artikel doet dus geen recht aan het Jericho van Jezus’ tijd. Dit laatste is trouwens schering en inslag wanneer men vanuit de christelijke cultuur het heilig land afbeeld. Iedere keer zet men op een primitief plaatje een kameel met een Arabier neer en geeft zo een fout beeld van het land. Israël is doorheen heel zijn geschiedenis tot aan de Arabische verovering in de 7de eeuw AD altijd een modern land geweest met bouwwerken en infrastructuur die de zeven wereldwonderen evenaarden.

    Nog zo een voorbeeld zien we wanneer de wetenschap van de archeologie echt van start ging aan het einde van de negentiende eeuw. Het oude Jericho werd in deze tijd opnieuw een plaats van mensen die als het ware met blindheid geslagen werden. Misleid door een foutieve dateringsmethode kwamen archeologen tot boude uitspraken zoals het ontkennen van de Bijbelse geschiedenis van de vernietiging van Jericho ten tijde van de Israëlitische intocht o.l.v. Jozua. De Bijbel zou historisch onbetrouwbaar zijn? (Zie een eerder artikel op dit blog: JERICHO)

    De archeologen gingen in Israël van start met een foutieve dateringsmethode gebaseerd op de bevindingen van een andere jonge wetenschap van die tijd: de Egyptologie. In diezelfde 19de eeuw ging de Bijbelkritiek ook echt van start. Dit alles in het kielzog van Darwin ’s boek: the Origin of Species, de zogenaamde evolutietheorie. Vooraanstaande theologen zagen Darwin ’s evolutietheorie zitten en ontleedden de Bijbel op zoek naar onwaarheden. Hun uitgangspunt was dat alle religie, ook de Bijbel, geëvolueerd waren. De godsdienst had zich geleidelijk langs een natuurlijke weg ontwikkeld. Een nieuwe theorie van een ontwikkeling vanaf het primitieve animisme tot het hoogontwikkelde monotheïsme paste schitterend in Darwin ’s model.

    Het resultaat is chaos op zowel historisch als archeologisch vlak. En niet alleen met gevolgen voor de Bijbelse geschiedenis. Een voorbeeld zijn de invallen van de Zeevolken die aan de hand van de Egyptologie foutief gedateerd worden in de dertiende eeuw voor Christus tijdens de regeerperiode van Ramses III. Het Hethietenrijk ging als een gevolg van de invasie van de zeevolken ten onder. Een anomalie blijft er voor de orthodoxie in bestaan dat de Assyriërs tot in de 8ste eeuw voor Christus naar de Hethieten blijven verwijzen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    24-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE CENTURION TE KAFARNAUM: Matteüs 8:5-13, Lucas 7:1-10
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Bij het oppervlakkig lezen van beide Bijbelgedeelten lijkt het alsof de evangelisten elkaar tegenspreken. Bij Matteüs is het de honderdman zelf die Jezus tegemoet gaat wanneer deze Kafarnaüm binnenkomt. Lucas echter verhaalt hoe de honderdman in zijn huis blijft maar enige oudsten der Joden naar Jezus stuurt met de bede dat zijn knecht genezen zou worden. Betrappen we de Bijbel hier op een fout, zoals sommige Bijbel-critici beweren?

    Hierna volgen de twee betreffende Bijbel-gedeelten. Wanneer we de twee verhalen naast elkaar zetten blijkt al dat we weliswaar met dezelfde honderdman te doen hebben maar dat het twee gebeurtenissen zijn en op een verschillend tijdstip maar met dezelfde Centurion.

     

    27 AD

    Matteüs 8:5 Toen Hij nu Kafarnaüm binnenging, kwam een hoofdman tot Hem met een bede, 6 en zeide: Here, mijn knecht ligt thuis, verlamd, met hevige pijn. 7 Hij zeide tot hem: Zal Ik komen en hem genezen? 8 Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen. 9 Want ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het. 10 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden! 11 Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; 12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. 13 En Jezus zeide tot de hoofdman: Ga heen, u geschiede naar uw geloof. En de knecht genas, juist op dat uur.

    28 AD

    Lucas 7: 1 Nadat Hij al zijn woorden ten aanhoren van het volk voleindigd had, ging Hij Kafarnaüm binnen. 2 Een slaaf nu van een hoofdman, die deze op hoge prijs stelde, was ernstig ongesteld en lag op sterven. 3 Toen hij van Jezus hoorde, zond hij enige oudsten der Joden tot Hem met het verzoek te komen en zijn slaaf in het leven te behouden. 4 Zij kwamen dan tot Jezus en drongen zeer bij Hem aan, want, zeiden zij, hij is waard, dat Gij dit voor hem doet; 5 want hij heeft ons volk lief en onze synagoge heeft hij gebouwd. 6 En Jezus ging met hen mede. Toen Hij niet ver meer van het huis was, zond de hoofdman vrienden om tot Hem te zeggen: Here, doe geen moeite, want ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt; 7 daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht tot U te komen, maar spreek (slechts) een woord en mijn knecht moet herstellen. 8 Want ik neem zelf een ondergeschikte plaats in met soldaten onder mij, en ik zeg tot de een: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het. 9 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Zich kerende tot de schare, die Hem volgde, sprak Hij: Ik zeg u, zelfs in Israël heb Ik een zó groot geloof niet gevonden! 10 En toen zij, die gezonden waren, terugkwamen in het huis, vonden zij de slaaf gezond.

    NBG Vertaling 1951

    Het is het chronologisch op een tijdslijn zetten dat uitkomst biedt. De Heer Jezus is gedurende een periode van drie jaar in het openbaar in Israël opgetreden. Het is de evangelist Johannes namelijk die voor deze periode vier jaarlijkse pelgrimsfeesten naar Jeruzalem opgeeft. Naar het eerste Pesach in 27 AD wordt verwezen in Johannes 2:23, het tweede pelgrimsfeest van 28 AD naar Jeruzalem vinden we in Johannes 5:1, het derde in Johannes 6 in het jaar 29 AD en het laatste vermelde paasfeest in 30 AD is dat van Johannes hoofdstuk 11, waar de Heer Jezus zich overgeeft als het Paaslam. Dit is het raamwerk voor onze chronologische opbouw.

    Het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius liep van oktober 26 AD tot september 27 AD. Het optreden van Johannes de doper begon in het jaar 26 AD, hetzelfde jaar dat Jezus zich in het najaar liet dopen. Een gebeurtenis waar alle vier evangelisten naar verwijzen. Vervolgens lezen we over de verzoeking door satan in de woestijn waar zowel Matteüs, Marcus als Lucas naar verwijzen.

    Wat het jaartal 30 AD absoluut verankerd met de dood, opstanding en hemelvaart van de Heiland is de Jubeljaartelling met het dertigste jubeljaar in 27/28 AD en de chronologie van het apostolische optreden van Paulus. Deze chronologische gegevens passen alleen vanaf het jaar 30 AD. De dood van Koning Agrippa I bijvoorbeeld valt in 44 AD met het tweede bezoek van Paulus aan Jeruzalem. Volgens de Galaten-brief hoofdstuk 2 was Paulus veertien jaar daarvoor uit Jeruzalem vertrokken. Het jaar 30 AD heeft ook 15 nisan op een vrijdag. Het jaar 30 ligt dus voor de hand met ‘Goede Vrijdag’ op zijn juiste plaats. Volgens joodse traditie eindigt een dag bij het ondergaan van de zon. De sabbat begint dus op vrijdagavond na het ondergaan van de zon. De 14de nisan in het jaar 30 viel dus op donderdag en donderdagavond begon theoretisch de 15de nisan.

    Het jaar 27 AD en de maand oktober worden aldus een ankerpunt waar we de chronologische gegevens van de evangeliën mee verankeren. De vier eerder vermelde pelgrimsfeesten die de evangelist Johannes opgeeft passen in dit schema. Ik herhaal nog even: het eerste paasfeest dat Johannes 2:13 vermeld viel in de maand nisan van 27 AD. Het tweede pelgrimsfeest volgens Johannes 5:1 in 28 AD, het derde paasfeest naar Johannes 6:4 in 29 AD en het vierde paasfeest in 30 AD met het beschreven lijden, sterven, opstanding en hemelvaart van Jezus Christus.

    Betreffende het derde paasfeest vermeld door de evangelist Johannes bestaat er verschil van mening onder onderzoekers. De Bijbelkritiek leest Johannes 6:1 door een westerse bril met een lineair tijd-denken en verklaart dat Jezus op een berg de broden vermenigvuldigende voor een menigte ver in het noorden van Israël onmogelijk tegelijkertijd in Jeruzalem kon zijn. Hun conclusie is dat dit Schriftgedeelte niet geïnspireerd is en later toegevoegd. Hierna het bewuste Schriftgedeelte:

    Johannes 6:1 “Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten?”

    Wanneer we dit Schriftgedeelte doorgenomen hebben kan de conclusie alleen maar zijn dat de vermenigvuldiging van de broden op de berg geschiedde kort voor het Pascha. Met ‘kort voor’, bedoelen we dan de tijd die nodig is om van het noorden van Israël naar Jeruzalem te trekken.

    Nog zulk een schijnbare moeilijkheid voor sommigen is de vermelding van ‘het feest der Joden’ in Johannes hoofdstuk 5:1. Is dit nu een verwijzing naar een Pascha of is een ander feest bedoelt? De verklaring leveren weer de sabbat- en jubeljarenopgave van William Whiston. Het paasfeest van 28 AD zag een nieuwe cyclus van 7 x 7 jaren aanvangen. Het was tevens de periode van het dertigste Jubeljaar sinds de instelling ervan en volgens een Rabbijnse traditie zat men in het vierde millennium anno mundi, de vierde dag van de Schepping die symbolisch voor het Licht stond. De zon der gerechtigheid, de Messias was komende. De algemene verwachting in Israël toen was dat de komst van de Messias nabij tot zeer nabij was. De wederkomst van de profeet Elia zou aan deze komst voorafgaan. Daarom ben ik van mening dat de evangelist Johannes naar ‘het feest der Joden’ verwijst.

    Met het paasfeest van 27 AD begon het zevende jaar in de sabbatjaarcyclus. Het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus, een jaar van beloofde dubbele zegening liep aldus van 26 tot 27 AD. Het was het jaar van het optreden van Johannes de Doper, de doop van Jezus in het najaar, de verzoeking in de woestijn, het uitroepen van de eerste discipelen en het begin van het openbaar optreden van Jezus Christus in Israël. In de zomer van 26AD was Jezus dertig jaar oud. Hij was namelijk geboren in de vijfde maand (Ab = juli/augustus) van het jaar vijf voor Christus.

    Deze constructie moet eveneens duidelijk maken waar juist het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius op de tijdsbalk te verankeren is. Het vijftiende jaar van Tiberius liep van oktober 26 AD tot september 27 AD. Het is de evangelist Lukas die het optreden van Johannes de Doper aan het vijftiende regeringsjaar van Tiberius koppelt. Betreffende het exacte begin van de regering van Tiberius bestaat onenigheid tussen onderzoekers. Moet men rekenen vanaf de dood van keizer Augustus in 14 AD of vanaf 12 AD wanneer Tiberius als ‘co-princeps’ van Augustus over het oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk benoemd werd. Deze aanstelling als co-regent vinden we in Romeinse bronnen terug: SUETONIUS, Tib. Vita, 21 a.u.c.765. De conclusie moet zijn dat volgens de hier aangeboden chronologische reconstructie de evangelist Lukas het co-regentschap bedoelde. Voor wat het oostelijk gedeelte van het Romeinse Rijk betreft en waar Judea een onderdeel van was, was Tiberius vanaf 12 AD de facto Keizer.

     

    27/28 AD HET DERTIGSTE JUBELJAAR

    Het jaar 27 AD zag met de maand Tishri (september/oktober) het begin van een jubeljaar dat van september 27 AD tot oktober 28 AD gehouden werd. Het was dit jubeljaar – het jaar van het welbehagen des HEREN van de profeet Jesaja hoofdstuk 61 – dat Jezus inluidde in Lucas 4:16-30.

    Jezus maakte zich toen aan Israël bekend als de Gezalfde van de HEER – de Messias. Een jaar lang zou dit aanbod aan het Joodse volk om Hem te erkennen gelden. De geschiedenis kennen we: Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1:11). Het aanbod was echter geldig. De Bergrede van Matteüs vanaf hoofdstuk 5 tot hoofdstuk 8 volgt chronologisch na Lukas 4:16. De Bergrede is de grondwet van het Koninkrijk dat Israël toen aangeboden werd. Na de Bergrede zien we bij Matteüs dat Jezus de berg verlaat en na de genezing van een melaatse onmiddellijk Kapernaüm binnengaat en de persoonlijke ontmoeting met de honderdman plaatsvindt.

     

    Conclusie 1: Matteüs 8:5-13 valt chronologisch in het najaar van 27 AD!

     

    De hoofdstukken 8 tot en met 13 van Matteüs plaatsen zich in het jubeljaar 27/28 AD. De Joden wijzen Jezus echter af en vanaf hoofdstuk 13 spreekt Jezus alleen nog maar in gelijkenissen tot het volk. Alleen aan zijn discipelen verklaart Jezus de gelijkenissen. Van dan af is Zijn blik gericht op Jeruzalem waar Hij in 30 AD Zich plaatsvervangend zal offeren voor de zonden van Israël en de wereld.

    Matteüs 13: 10 De leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen: ‘Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel kennen, hun is dat niet gegeven. 12 Want wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen. 13 Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. 14 In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling:

    “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen,

    en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben.

    15 Want het hart van dit volk is afgestompt,

    hun oren zijn doof

    en hun ogen houden zij gesloten.

    Met hun ogen willen ze niets zien,

    met hun oren niets horen,

    met hun hart niets begrijpen.

    Want anders zouden ze tot inkeer komen

    en zou ik hen genezen.”

    16 Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.

    (NBG Vertaling 1951)

     

    Het wordt nu chronologisch eenvoudig om het verhaal van Lucas 7:1-10 op de tijdsbalk te plaatsen. We hebben gezien dat de gebeurtenissen van Lukas hoofdstuk 4 in het najaar van 27 AD te plaatsen zijn. Lukas 4:31 plaatst Jezus onmiddellijk in Kapernaüm maar zonder honderdman! Bij Lucas zien we ook daaropvolgend de Bergrede, de roeping der apostelen en een jaar lang wordt het messiaanse koninkrijk aan Israël aangeboden. Met wonderen en tekenen maakt Jezus aan de Joden duidelijk dat Hij de Messias, de Zoon van God is.

     

    Conclusie 2: Lucas hoofdstuk 7 en de ontmoeting met de oudsten door dezelfde honderdman van Matteüs 8 naar de Heer Jezus gezonden, speelt zich een jaar later in 28 AD af!

     

    En er zijn verschillen tussen de beschreven gebeurtenissen van Matteüs en Lucas. Bij Lucas is er heel duidelijk in de tussentijd een nieuwe synagoge met gelden van de honderdman gebouwd. Bij Lucas komt de heidense honderdman niet meer persoonlijk naar Jezus omdat hij inmiddels gelovig geworden is en nog meer zijn onwaardigheid beseft als voorheen bij Matteüs een jaar eerder.

    Dat de Heilige Geest de evangelisten Matteüs en Lucas geïnspireerd heeft om twee maal het verhaal rond de honderdman te brengen onderlijnt het belang van en de aandacht voor het geloof van deze man.

    Lucas 7:9 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie, zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!’

    Hebreeën 11:1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    23-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Ebers-papyrus

    Het Ebers papyrus is een document van twintig meter lang en dertig centimeter breed en ruim drieduizend jaar oud; het wordt in de Bibliotheek van de universiteit van Leipzig bewaard. Het werd in Egypte in 1873 door professor Georg Ebers verkregen die later het papyrus aan de universiteit schonk. Het document beschrijft vooral ziektes en de voorgeschreven medicijnen van die tijd. Op de achterzijde van een van de vellen staat een vermelding naar een soort kalender.

    De vermelding naar een vermeende Sothis-Hondsster-opkomen op een vel van de achterzijde van het papyrus is de tweede schakel van een lange ketting waarmee de algemeen aanvaarde chronologie van de Egyptoloog Eduard Meyer, verankerd is.

    De eerste schakel en aanzet voor de orthodoxie was het werk dat CENSORINUS in het jaar 239 AD schreef. Een boek genaamd DE DIE NATALI ter eren van de verjaardag van Censorinus’ broodheer; QUINTUS CAERELLIUS. In dit boek schreef Censorinus dat in het jaar 139 AD de Hondsster verschenen was op de eerste dag van de maand Thoth, en dat die dag gelijk viel met 19 juli van de Romeinse kalender. Die dag zou dus een nieuw Sothis-tijdperk hebben zien aanvangen.

    Eduard Meyer ging er van uit dat de vorige keer dat zulk een heliakaal-opkomen waargenomen werd 1460 jaar eerder gebeurde in 1317 v. Chr., en daarvoor in 2773 v. Chr. Hij ging daarna op zoek naar geschreven informatie in Egypte waarin naar een heliakaal opkomen van de Hondsster verwezen werd.

    Het Ebers-papyrus met de vermelding van het opkomen van Sopdet of Hondsster had zijn aandacht. Eduard Meyer meende in de tekst een verwijzing te kunnen zien naar een heliakaal opkomen van de Hondsster.

    Daarenboven kon een link met een dan regerende farao gemaakt worden. Het Ebers-papyrus verwijst namelijk naar het negende regeringsjaar van een farao Zeserkere die waarschijnlijk Amonhotep I van de achttiende dynastie is. Het jaar 1317 v. Chr. werd zo verankerd met het negende jaar van Amonhotep III en de overige farao’s van deze dynastie werden eveneens op de tijdsbalk gerangschikt. Dit alles in de veronderstelling dat er zoiets als een Sothis-periode van 1460 jaar bestond en in een kalender gehanteerd werd. Het jaar 1317 v. Chr. werd zo de eerste schakel van de chronologische ketting.

    Een ketting is echter maar zo sterk als haar zwakste schakel. Het is de verdienste van de Egyptoloog David Rohl en revisionist van de geschiedenis van de oudheid, dat hij de orthodoxe verbindingsschakel, van de door hen gefabriceerde chronologie, verbroken heeft. In zijn werk A TEST OF TIME (Chapter 5, The Ebers Calendar, 1995) maakt hij duidelijk dat het Ebers-papyrus helemaal niet verwijst naar een heliakaal opkomen van de Sothis of de Hondsster, maar naar de kroning van de farao die zo een nieuwe kalender wilde inluiden, de regeringsjarenkalender. Tenminste dat was de intentie van de farao, volgens Rohl. Hierna de Eberskalender met vertaling.

    1. Year 9, under the person of the dual king Djeserkare, living forever;

    2. New Year’s festival, month III of Shemu, day 9, the going forth of Sopdet;

    3. Tekhy, month IV of Shemu, day 9, the going forth of Sopdet;

    4. Menkhet, month 1 of Akhet, day 9, the going forth of Sopdet;

    5. Huther , month II of Akhet, day 9, the going forth of sopdet;

    6. Kaherka, month III of Akhet, day 9, the going forth of sopdet;

    7. Shefbedet, month IV of Akhet, day 9, the going forth of sopdet;

    8. Rekeh (1st), month I of Peret, day 9, the going forth of sopdet;

    9. Rekeh (2nd) month II of Peret, day 9, the going forth of sopdet;

    10 Renutet, month III of Peret, day 9, the going forth of sopdet;

    11. Khonsu, monh IV of Peret, day 9, the going forth of sopdet;

    12 Khentykhet, month I of Shemu, day 9, the going forth of sopdet;

    13 Ipet, month II of Shemu, day 9, the going forth of sopdet;

    Het papyrus werd in Egyptisch Hiëratisch schrift van rechts naar links geschreven. Op het papyrus zijn duidelijk de herhalingstekens vanaf lijn drie te merken, waar in lijn twee ‘the going forth of Sopdet’ vermeld staat. Dit gegeven is in tegenspraak met de orthodoxe verklaring voor dit papyrus. De orthodoxie zoekt een melding van een eenmalig opkomen van de Hondsster terwijl het Ebers-papyrus een opkomen voor iedere maand opgeeft, wat in geval van de Hondsster niet mogelijk is aangezien deze slechts eenmaal per jaar verschijnt. De conclusie is, dat de hele constructie/fabricatie waar de orthodoxie de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk mee rangschikt, fout is. Met een beetje ironie, eigen aan de Britten, merkt Rohl tot slot het volgende op: “So, I cast off the tethering rope of Egyptian history from this long used but now corroded and insecure anchor..”

    Dat het hanteren van het Ebers-papyrus om het begin van een nieuw Sothis-tijdperk te bewijzen, fout is, leerde Cecil Torr al in 1896 AD toen deze Egyptoloog zijn boek ‘Memphis en Mycenae’ publiceerde, waarin deze met zijn tijdgenoten in discussie trad over de Sothis-datering. Zijn publicatie werd in 1988 opnieuw uitgegeven door ISIS in het Verenigd Koninkrijk. Hierna volgt het relevante gedeelte met Torr’s commentaar betreffende het Eberspapyrus. Hij maakt duidelijk dat de Egyptische jaarkalender ten tijde van Amonhotep, een jaar van 360 dagen telde en men aldus wanneer men een huidig zonnejaar van 365,25 dagen in een kalender die op 360 dagen gebaseerd is, inleest, tot foute bevindingen komt.

    Memphis and Mycenae, Cecil Torr, Chapter IV, Egyptian Chronology: The Calendar, etc. ISBN 0 9513811 0 5

    “In a calendar, written on the back of a papyrus, the rising of the dog star is placed on day 9 of month 11 in year 9 of king Ser-ka-Ra. This is presumably Ser ka Ra Amen-hetep of Dyn. 18; and he came to the throne in 1249 at latest. Had there been 365 days to the year, day 9 of month 11 would have been 57 days from day 1 of month 1 in the year after; and then year 9 of king Ser ka Ra would have been assignable to 1550 BC, that being four times 57 years before 1322 BC, the supposed date of the rising of the dog star on day 1 of month 1. But this calendar proceeds from day 9 of month 12 to day 9 of month 1 just as it proceeds from day 9 of any other month to day 9 of the next; so that it clearly is intended for the year of 360 days with twelve months of thirty days apiece and nothing added. And thus it will not serve to fix the date of king Ser ka Ra Amen-hetep, as there is nothing to fix the date at which the dog star rose on day 1 of month 1 in these years of 360 days apiece.”

    Tot slot merkt Cecil Torr het volgende op betreffende de Sothis- dateringsmethode:“This all looks as though the cycle was invented by the later Greeks at Alexandria. Nor is there anything to indicate that it was known to the Egyptians in earlier times; no mention of it being found in their inscriptions or papyri, though occasionally these note the rising of the dog-star.”

     

    Conclusie: de dateringsmethode van de orthodoxe Egyptologie is onderuit gehaald en de schikking van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk zal nu moeten gebeuren via andere ankerpunten. De historische boeken van de Bijbel bevatten zulke ankerpunten. 

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder






    10-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.JOSHUA (FIT) FOUGHT THE BATTLE OF JERICHO AND THE WALLS CAME TUMBLING DOWN
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Dit zijn de bekende woorden van het Amerikaanse gospellied betreffende het Bijbelverhaal over de verovering van Jericho door de Israëlieten onder leiding van Jozua zoals beschreven in het Bijbelboek Jozua. Een verhaal dat wereldwijd bekend is. Eerst zond Jozua twee verkenners naar Jericho om inlichtingen te vergaren over de verdedigingswerken en het moreel van de stadsbevolking. De twee mannen kregen onderdak in het huis van Rachab, een prostitué, die bij de uiteindelijke verovering en vernietiging van Jericho door de Israëlieten, samen met haar familie behouden bleef. De verovering van Jericho wordt op wonderlijke wijze in de Bijbel beschreven. Dag na dag, zes dagen lang, trok het leger van de Israëlieten in stilte omheen de stadsmuur. Op de zevende dag sloegen de Israëlieten toe. Die dag hieven zij na zes maal om de muur te zijn getrokken, een luid krijgsgehuil aan en werd er op de ramshorens geblazen en prompt kwam de muur naar beneden. Elke soldaat liep daarop recht voor zich uit, staat er geschreven, de ingestorte muur over en sloeg heel de stad in de ban. Daarna werd Jericho tot de grond toe afgebrand. Dit is een weergaloos verhaal en was een uitdaging voor de archeologen wanneer deze wetenschap van start ging, om te onderzoeken. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het werk. Verschillende expedities werkten over de jaren heen na elkaar in het gebied. De meest bekende namen zijn deze van de Bijbelgeleerde Ernst Sellin, professor John Garstang en Kathleen Kenyon.

    Een Duits-Oostenrijks team onder leiding van de theoloog Ernst Sellin werkte enkele jaren te Jericho van 1907 tot 1909. Zij hadden toelating tot graven gekregen van de toenmalige heersers over het gebied van het oude Israël, de Ottomanen. Sellin was een pionier op het gebied van Bijbelse archeologie. In zijn werk werd hij geassisteerd door de archeoloog Carl Watzinger. Hij bevond dat de noordelijke muur van Jericho niet volledig was neergekomen en concludeerde (terecht) dat deze zijde het huis van Rachab, die gespaard werd, moest gehuisvest hebben. Een gedeelte van de muur met een hoogte van ongeveer 2,40 meter stond in 1907 namelijk nog recht. Met de rapportering van zijn bevindingen betreffende de opgravingen te Jericho werd hij nog niet geplaagd door de foutieve dateringsmethoden van latere archeologen.

    De Brit John Garstang werkte te Jericho in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. De Britten hadden toen het zeggenschap over het gebied. Het huidige gebied van Israël en Jordanië werd na de Eerste Wereldoorlog een Brits mandaatgebied. Garstang bestudeerde de versterkingen en herkende vier achtereenvolgende bouwfasen, waarvan de laatste gewelddadig verwoest en verbrand was. Hij schreef die vernietiging toe aan de periode van de Israëlitische intocht, die hij dateerde rond 1400 voor Christus, en dit in afwijking van het meer algemeen aangenomen jaartal 1250 v. Chr., de zogenaamde late en vroege datering. Wanneer Garstang de vloeren van de Midden-brons stad blootlegde vond hij kruiken tot de rand toe gevuld met verkoold graan wat het Bijbelse relaas bevestigde dat de Israëlieten Kanaän binnenkwamen met Pesach op het moment dat er geoogst was. Ook vermeldt de Bijbel dat alles met vuur verbrand werd.

    De bevindingen van Garstang werden echter in de vijftiger jaren door de archeologe Kenyon volledig onderuit gehaald. Zij bevond dat er een grote stad uit de vroege bronstijd in Jericho was geweest gedurende heel het derde millennium tussen 3000 en 2300 v. Chr., waarvan de muren niet minder dan zeventien maal gevallen en weer opgetrokken waren, toen de stad als een gevolg van een ramp vernietigd werd. De laatste drie fasen van deze versterkingen waren zeven meter voorbij de lijn van de oorspronkelijke muren gebouwd, lager langs de helling van de heuvel of Tell. Dit waren dan de muren geïdentificeerd door Garstang en gedateerd ten tijde van Jozua maar nu door Kenyon gereviseerd naar zo een duizend jaar eerder dan de intocht van de Israëlieten. Gedurende vele eeuwen na de vernietiging van Jericho in 2300 v. Chr. werd Jericho volgens Kenyon, alleen bezet door nomaden tot wanneer in ongeveer 1900 v. Chr. een nieuwe stad ontstond: het Jericho van de Midden-bronstijd. Deze stad kwam volgens haar, aan haar einde ten tijde van de laatste Hyksos-farao’s in Egypte rond 1550 v. Chr. op basis van de orthodoxe tijdsdatering. De verwoesting door vuur werd verklaard vanuit de theorie van de verdrijving van de Hyksos uit Egypte en een achtervolging door het leger van farao tot aan Jericho. Na deze vermeende vernietiging door het leger van farao, (waar geen enkel Egyptisch historisch verslag van bestaat), werd de plaats van Jericho volgens Kenyon verlaten en begon het puin van de verwoeste stad langs de hellingen van de Tell weg te spoelen. De plaats werd volgens Kenyon opnieuw bezet rond 1400 v. Chr. maar op een veel kleiner schaal. Er werden geen nieuwe muren gebouwd, maar vermoedelijk lapten de nieuwe bewoners de resten van de midden-brons muren op. Deze tweedehands muren zouden dan de muren geweest zijn die Jozua deed vallen. Kathleen Kenyon bleef er echter bij dat de herbezetting van Jericho minder dan een eeuw duurde totdat de stad opnieuw verlaten werd, niet later dan 1300 v Chr. Haar conclusie is dat Jericho al een ruïne was ten tijde van de Israëlitische intocht wanneer die orthodox gedateerd wordt in 1250/1225 v. Chr.

    Sindsdien heeft de Bijbel voor de wetenschap van de archeologie als historisch boek alle krediet verloren en wordt het niet langer meer als een accuraat historisch boek beschouwd. Verlegenheid op verlegenheid was troef bij Bijbelgetrouwe studenten vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Chronologische constructies werden opgezet en aangeboden om toch een en ander te kunnen verzoenen. Hierbij werd altijd uitgegaan van de juistheid van het aangeboden raamwerk door de orthodoxe Egyptologie.

    Het diabolische is dat de hiervoor vermeldde archeologen, die overigens prachtig werk op het terrein geleverd hebben, een foute dateringsmethode hanteerden en als een gevolg daarvan tot hun boude verklaringen kwamen. Alle aardlagen en strata in Israël werden en worden aan de hand van de jaartallen die de Egyptologie levert, gedateerd. Wanneer bijvoorbeeld een scarabee van een zekere farao in een bepaalde laag aangetroffen wordt, wordt dit stratum op basis van het gevonden Egyptische object gedateerd. En aangezien het chronologische raamwerk van de Egyptologie fout is geeft dit foute dateringen weer in het gebied van het oude Israël. Alleen het revisionisme van de Egyptologie geeft uitkomst. Vooral Dr. Immanuël Velikovsky was in de tweede helft van de twintigste eeuw, met zijn publicaties de aanzet tot een wereldwijde studie. De Bijbel had toch gelijk. In de tussentijd heeft de orthodoxie ook niet gerust en houdt hardnekkig vast aan de juistheid van haar vermeende Egyptische Sothis-datering.

    Betreffende de exodus uit Egypte en veertig jaar later de intocht in Kanaän door de Israëlieten, leren de meeste boeken (en ook Hollywoodfilms), dat farao Ramses II de farao van de Exodus was. Deze farao wordt door de orthodoxie in het Laatbrons tijdperk geplaatst en dus zocht men naar sporen van een Israëlitische invasie in Kanaän op het einde van het Laatbrons tijdperk, meer nauwkeurig bij de overgang van Laatbrons LBIIb naar het IJzertijdperk IA. Farao Ramses II was een farao van de negentiende dynastie. De onderzochte strata van het Laatbrons te Jericho geven echter geen beeld weer van een vernietiging zoals de Bijbel die leert. Volgens het Bijbelrelaas kwam de vestingmuur van Jericho volledig naar beneden en werd de stad met alle voorraden erin verbrand.

    Een bekend revisionist van de geschiedenis van de oudheid is Donovan Courville. De onderzoeker B. Th., B.A., M.A., Ph. Dr. Donovan Courville laat de Exodus op het einde van de Egyptische zesde dynastie en het Oude Rijk plaatsvinden en verplaatst Vroeg Brons IV naar de tweede helft van de vijftiende eeuw voor Christus. Het Oude en het Midden-rijk waren volgens Courville contemporain met slechts één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus met de vernietiging van het leger van farao, Egypte overrompelden. De Israëlieten vervolgden hun weg naar Kanaän dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij waren nieuwkomers met logischerwijze een nieuwe soort potten en pannen. Zij namen, gepaard gaande met natuurlijke catastrofes, op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Midden-brons periode onmiddellijk op het Vroeg-brons tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk – een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting door nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Hij toont aan dat de Egyptologie er zeshonderd jaar naast zit. Wanneer we de datering van het begin van Midden-brons aan de Bijbelse gegevens aanpassen valt veel op zijn plaats. Niemand twijfelt er aan dat de Israëlieten later het machtigste volk van Israël werden; dus veroverden ze op deze wijze het land. Dat is uitgangspunt, het fundamentele feit. Een citaat van de Bijbelvorser en Wetenschapper Courville:

    “...It must not be forgotten that the task of historians is not to create history. The events of history have occurred, and there is nothing that can be done to change the time relationships between these events by a single minute. The task is rather that of unraveling the confused records which have come down to us, and when this task has been done correctly, it is axiomatic that it should not be necessary to apologize for inconsistencies and anomalies at every turn of events.”1971 AD Donovan A. Courville, B.Th., B.A., M.A., Ph.D.

    Conclusie: het is alleen de volledige herziening van de chronologie van de orthodoxe Egyptologie dat echt uitkomst biedt. Er zijn onderzoekers die niettemin het Bijbelverhaal alsnog trachten recht te doen door het zoeken naar alternatieve oplossingen. Er worden constructies aangeboden waarbij men de moeilijke Bijbelse jaartallen loslaat en naar een zogenaamde late datering van de exodus gaat om een en ander te kunnen verklaren. De Griekse LXX Septuagint Bijbelvertaling met haar afwijkende jaartallen wordt ook gehanteerd, wat alleen maar aan de verwarring toevoegt. Men zit namelijk in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie dat men als een historische bron beschouwd, en zoekt naar aanvaardbare faraokandidaten voor de exodus in de achttiende en negentiende dynastie van Manetho. Een moeilijke opdracht aangezien de Bijbel leert dat farao samen met zijn leger (Psalm 136:15) in de Rode Zee verzoop wanneer hij de Israëlieten meende te kunnen achtervolgen.

    Je kunt dan in je naïef geloof blijven, zoals dat zondagsschoolventje dat nadat hij de onderwijzer had horen vertellen dat de Rode Zee zich helemaal niet geopend had zoals het in de Bijbel-film de tien geboden te zien is, maar dat de Israëlieten door een riet-zee trokken met water slechts tot aan de knieën. Het zondagsschoolmannetje merkte toen op: maar meester, dan is er nog een groter wonder geschied, want dan zijn al die Egyptenaren in een halve meter hoog water verzopen. Men kan hier om glimlachen, intussen blijft het onze verantwoordelijkheid om de geschiedenis te ontrafelen. Al diegenen die oprecht, naïef of moedwillig, in de strata van het Laatbrons tijdperk te Jericho op zoek gaan naar bewijzen van een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel leert, zijn in feite bezig zoals de illustratie van dat dappere ventje in de klas die de riet-zee-route maar op de koop toe neemt, maar verder geen onderzoek doet naar de correcte weg van de exodusroute.

    Het resultaat van het plaatsen van de vernietiging van Jericho in het Laatbrons tijdperk is dat dan ook het grote rijk van Salomo zoals beschreven in de Bijbel, in het IJzertijdperk valt en van de uitgebreide bouwactiviteiten van Salomo zijn in de strata van het IJzertijdperk geen echte sporen terug te vinden. De diabolische consequentie hiervan is dat heel de Bijbel dan mythe wordt. Of hoe belangrijk het werk van het revisionisme van de oudheid is. Tot slot nog even opmerken dat de benaming: brons en ijzertijd, niet veel met het gebruik van deze metalen te maken heeft maar alles met het gebruik van de verschillende soorten aardewerk zoals potten en pannen die in de verschillende strata gevonden worden en die op basis van de orthodoxe Egyptologie gedateerd worden.

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    07-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Assyriër Essarhaddon in Egypte
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    “From the town of Ishupri as far as Memphis, his royal residence, a distance of fifteen days’ march, I fought daily, without interruption, very bloody battles against Tirhakah, king of Egypt and Ethiopia, the one accursed by all the great gods. Five times I hit him with the point of my arrows, inflicting wounds from which he should not recover, and then I laid siege to Memphis, his royal residence, and conquered it in half a day by means of mines, breaches, and assault ladders; I destroyed it, tore down its walls, and burned it down.”

    The Sendjirli Stele translated by Luckenbill, Records of Assyria, II. 580.

    Tot hier een gedeelte van de annalen van de Assyriër Essarhaddon waarin deze zijn verovering van Egypte in 671 v. Chr. beschrijft.

    Een anomalie voor de orthodoxe Egyptologie is dat de annalen van de Assyriër Essarhaddon, verwijzen naar een Egyptische stad met de naam Ishupri. De naam van de stad is vanuit Egyptische bronnen onbekend en dit intrigeerde heel wat Oriëntalistische wetenschappers toen de annalen van Essarhaddon begin twintigste eeuw, bekend werden. En wanneer de Duitser Albrecht Alt de oplossing vond gaf deze uitkomst tegelijkertijd nog een groter probleem voor de orthodoxe Egyptologie. Albrecht Alt stelde namelijk dat de Assyrische naam Ishupri verwees naar farao Wesher-khepru-re van de negentiende dynastie, of beter bekend onder zijn Griekse naam farao Sethos. Het Assyrische Ishupri betekende aldus ‘burcht van Sethos’ of burcht van Khepru-re. Een anomalie ontstond aangezien volgens de orthodoxe Egyptologie er ongeveer zes eeuwen tijdsverschil zitten tussen Sethos en Essarhaddon en het onwaarschijnlijk leek dat Essarhaddon zes eeuwen na de era van farao Sethos naar een stad met diens naam zou verwezen hebben.

    In het model van Velikovsky echter is er slechts één generatie verschil tussen Sethos en Essarhaddon en is het logisch dat de Assyrische kroniekschrijver naar de stad van Sethos verwees wanneer hij de marsroute van het leger van Essarhaddon naar Egypte beschreef. En er zijn meer vraagtekens.

    Na het onderwerpen van Tyrus aan de Middellandse Zeekust en aldus de flanken van zijn leger beschermende, marcheerde Essarhaddon met zijn leger door ‘Arzani’ naar Egypte. De plaatsnaam Arzani blijft tot op heden voor de orthodoxie een moeilijkheid. Het is de verdienste van Velikovsky dat hij aantoonde dat de Assyrische geografische term ‘Arzani’ in feite een verbastering is van het Hebreeuwse ‘Arzenoe’’ wat ‘ons land’ betekent. Essarhaddon marcheerde aldus door het gebied van Samaria en Juda richting Egypte waar als eerste plaats Ishupri ingenomen wordt vooraleer Memfis te belegeren.

    Wat de identificatie van de plaatsnaam Ishupri betreft past dit in mijn onderzoek. In ‘Genesis versus Egyptologie – hoofdstuk 26’, identificeerde ik het Bijbelse Tachpanhes van de profeet Jeremia met de stad Daphnai in de Noordoostelijke Nijldelta. Ook postuleerde ik dat de tot nu toe niet bloot gelegde hoofdstad Saïs één en dezelfde was als het in de Bijbel beschreven Tachpanhes. De Bijbelse plaatsnaam Tachpanhes zou ook kunnen staan voor het Egyptische ‘Te-haph’ ne-hes wat ‘huis van de Nubiër’ betekend. Dit is een puzzelstukje dat exact past in het plaatje bij de strijd van Essarhaddon tegen de Nubiër of Ethiopiër Tirhaka in de Noordoostelijke.

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

     

    06-01-2014 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!