Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    20-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Twee op de drie Europese mannen stammen af van slechts drie mannen uit de bronstijd.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Genesis 10:1 Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed. 2 De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. 3 En de zonen van Gomer waren Askenaz, Rifat en Togarma. 4 En de zonen van Jawan waren Elisa, Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten. 5 Naar dezen zijn de kustlanden der volken in hun landen verdeeld, elk naar zijn taal, naar hun geslachten, onder hun volken.

     

    Het Bijbelboek Genesis wordt eens niet door de moderne wetenschap tegengesproken. Zie link: http://www.demorgen.be/wetenschap/bijna-alle-mannen-stammen-af-van-drie-aartsvaders-a2329644/

     

    %%%FOTO1%%%

     

    TIJD en TIJDEN

    Robert de Telder

    496 pagina ‘s

    Paperback 16 x 24 cm

    ISBN 978 94 0221 560 1

    Vaste prijs: Euro 24,85

     

    De chronologische oudheidgeschiedenis van Israël, Egypte en Assyrië schematisch op millimeter papier

    Het boek ‘Tijd en Tijden’ neemt u mee op een tijd-reis in de geschiedenis vanaf de Grote Vloed van het derde millennium voor Christus tot aan de Openbaring van Jezus Christus aan het begin van het dertigste Jubeljaar in 27/28 AD. Het raamwerk is de Bijbelse geschiedenis via tijdsbalken vanaf het eerste Bijbelboek Genesis tot aan de komst van Christus. Aan de 148 tijdsbalken die het boek bevat werden de koningslijsten van Egypte en Assyrië verbonden en gereviseerd. Door een gedetailleerde inhoudsopgave is het goed mogelijk om het boek als naslagwerk te gebruiken.

     

    Bestellen via: boekscout.nl

    Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    20-05-2015 om 15:15 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De chronologie van het Bijbelboek Jesaja (vervolg)

    Met deze aflevering zetten we ons artikel van 16-04-2015 op dit blog verder betreffende de chronologie van het optreden van de profeet Jesaja. We hebben gezien dat hij zijn bediening begon in het jaar na de meganatuurcatastrofe van 776 v. Chr., en verder stonden we stil bij de tijdsbepaling van Jesaja 6:1 in het jaar 750 v. Chr., Jesaja 7:1 in het jaar 736 v. Chr. en Jesaja 14:28 in het jaar 722 v. Chr. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1428876000&stopdatum=1429480800

     

    De volgende tijdsbepaling in het Bijbelboek Jesaja vinden we in hoofdstuk 36:

    Jesaja 36:1 En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. (Statenvertaling)

     

    Het veertiende regeringsjaar heb ik in mijn boek DE ASSYRIOLOGIE HERZIEN, 2012, op de tijdsbalk verankerd met het jaar okt710/sep709 v. Chr. Zie ook TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 327, hoofdstuk: de kroniek van koning Hizkia. Zie link: Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    In de aanloop naar mijn vorige uitgave van anno 2012 betekende dit een breken met de algemeen aanvaarde jaartallen van E. Thiele voor de koningen van Israël en Juda. Thiele dokterde op basis van de Assyrische koningslijst het jaartal 701 v. Chr., voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia, uit. Hij deed dit via het aanpassen van de Bijbelse chronologische gegevens aan de Assyrische Khorsabad-koningslijst. Thiele verkorte uiteindelijk de algemene regeringstijd van de koningen van Israël en Juda met ongeveer veertig jaar, om in lijn met de Assyrische chronologische gegevens te komen.

     

     

    De reden voor het loslaten van Thiele ’s fabricatie door mij is een gevolg van het duidelijk herkennen van een Bijbels Jubeljaar, dat verbonden was met de gebeurtenissen rond de Assyrische belegering van Jeruzalem, in het veertiende regeringsjaar van Hizkia. Het gaat namelijk om het vijftiende jubeljaar van oct709/sep708 v. Chr. sinds de instelling ervan door de wet van Mozes in 1483 v. Chr. Veertig jaar later bij de intocht van Kanaän door de Israëlieten, begon de sabbatjaartelling met negenenveertig jaar later in het najaar van 1395 v. Chr. het eerste jubeljaar okt1395/sep1394 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 121. Het zijn de Assyrische chronologische gegevens die dienen aangepast te worden aan de Bijbelse chronologie en niet andersom.

     

    De profeet Jesaja levert in de hoofdstukken 36 tot en met 39 het chronologische tijdskader rond het veertiende regeringsjaar van Hizkia en het vijftiende jubeljaar. In hoofdstuk 36 van het Bijbelboek Jesaja wordt de aankomst van het Assyrische leger o.l.v. Sanherib voor Jeruzalem beschreven met daaropvolgend de belegering van de stad. Het volgende hoofdstuk 37 beschrijft de smeekbede van koning Hizkia en de uitkomst die de HERE God door monde van de profeet Jesaja, biedt. De Assyriërs zouden namelijk door een ingrijpen van de HERE God verslagen worden en moeten afdruipen.

     

    Jesaja 37:36 Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 37 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve. 38 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

     

    Het teken dat Jesaja aan Hizkia mag meedelen is het nakende Jubeljaar:

    37:30 En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.

     

    Het volgende hoofdstuk 38 van de profeet Jesaja beschrijft het doodziek worden van Hizkia, zijn genezing en het toevoegen van vijftien levensjaren aan hem, door de HERE God.

     

    Jesaja 38:1 In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven. 2 Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE. 3 En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer. 4 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende: 5 Ga henen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen; 6 En Ik zal u uit de hand des konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen. 7 En dit zal u een teken zijn van den HEERE, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: 8 Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.

     

    De tijdsperiode die Jesaja voor de regeerperiode van Hizkia verstrekt van veertien jaar plus vijftien jaar met als uitkomst negenentwintig jaar, stemt overeen met het Bijbelboek 2 Koningen hoofdstuk 18:2.

     

     

    Gedeelte van een aarden pot met mogelijk een afbeelding van koning Hizkia van Juda, gezeten op een troon. Opgegraven te Ramat Rahel, een heuvel met een citadel en paleis, een plaats halverwege tussen Jeruzalem en Bethlehem.

     

    2 Koningen 18:1 Het geschiedde nu in het derde jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israël, dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda. 2 Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Abi, een dochter van Zacharia. 3 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. (Statenbijbel)

     

    Verder zien we dat het jaar van de belegering van Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van Hizkia, het jaar van de noodzakelijke kalenderhervorming was, en dit als een gevolg van een duidelijke herkenning van het melden van een verstoring van de omwenteling van de aarde om de zon. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus, blz. 331.

     

    En tot slot van het chronologische gedeelte van de profeet Jesaja, zien we in hoofdstuk 39 een gezantschap van de koning van Babylon Merodach-Baladan in Jeruzalem aankomen.

     

     

    Jesaja 39:1 Te dien tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij krank geweest en weder sterk geworden was.

     

    In de chronologische fabricatie van E. Thiele met het jaartal 701 v. Chr., als veertiende regeringsjaar van Hizkia, past dit Bijbelgedeelte niet, aangezien volgens de Ptolemeüs-canon, Merodach Baladan de regeerperiode 721/709 v. Chr. heeft. In het model van Thiele moeten we ons aldus een koning van Babel op de dool voorstellen (wat hoogst onwaarschijnlijk is). Voor een studie over de Ptolemeüs-canon: zie TIJD en TIJDEN, appendix 6, de Ptolemeüs canon, blz. 482.

     

    In het Bijbelse tijdskader, verankerd via de jubeljaren, valt het veertiende regeringsjaar van Hizkia in okt710/sep709 v. Chr. en is er geen chronologisch probleem met de koning van Babel; Merodach Baladan, op bezoek bij Hizkia in Jeruzalem.

     

    Het zijn de jubeljaren die de sleuteljaren leveren tot het uitwerken van een exacte chronologie voor de koningen van Israël en Juda. De jubeljaren en de bijzondere wijze van rekenen van de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Er waren in totaal dertig jubeljaren vanaf de eerste viering in 1395/1394 v. Chr. tot het optreden van Jezus Christus in 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ (Lucas hoofdstuk 4) uitriep en zich als de Messias voor de Joden bekendmaakte. Hierna een opsomming van alle jubeljaren vanaf één tot dertig.

     

    Exodus jaartal:                      1483 v. Chr.

    Begin sabbatjaartelling:        1443 v. Chr.

    Jubeljaren v. Chr.:       Historische periode:

    1.       1395/1394          Richter Othniël

    2.      1346/1345           Ruth 6:6

    3.      1297/1296          Richter Ehud

    4.      1248/1247          verdrukking Jabin

    5.      1199/1198           Richter Thola

    6.      1150/1149           verdrukking Ammon

    7.      1101/1100           Richter en profeet Samuël

    8.      1052/1051           Saul

    9.      1003/1002          Salomo

    10.    954/953             Rehabeam

    11.     905/904            Josafat

    12.     856/855             Joas

    13.     807/806            Amazia

    14.     758/757             Uzzia

    15.     709/708            Het veertiende regeringsjaar van Hizkia

    16.     660/659            Manasse

    17.     611/610              Josia - Val Nineveh

    18.     562/561             Het 37ste jaar der ballingschap van Jojachin

    19.     513/512              Haggaï

    20.    464/463            Ezra

    21.     415/414               Nehemia

    22.    366/365             Perzische periode

    23.    317/316               Griekse periode

    24.    268/267             Griekse periode

    25.    219/218              Griekse periode

    26.    170/169              Griekse periode

    27.    121/120               Makkabeeën

    28.     72/71                  Makkabeeën

    29.    23/22                 Hongersnood Herodes

    30.    27/28 AD           Messias Jezus

     

     

    William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn ‘dissertatie V’ bovenaan vermeld, geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken van Makkabeeën. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren. Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik nog een jaartal toe: het jubeljaar 562/561 v. Chr. als het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach, wanneer deze heerser koning Jojachin van Juda uit zijn gevangenis in Babylon verloste in het zevenendertigste jaar van diens ballingschap (2 Koningen 27:27).

     

    De Jubeljaren hadden al enkele malen mijn aandacht op dit blog. Zie o.a. het artikel van 16-02-2015 op dit blog: het eerste jubeljaar. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1424041200&stopdatum=1424646000 en scrol naar beneden.

     

     

    Het dertigste jubeljaar werd behandeld in het artikel van 17-12-2014: de sabbat- en jubeljaren vanaf 27/28 AD terug de tijd in. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1418598000&stopdatum=1419202800

     

    Met het vermelde jubeljaar door de profeet Jesaja van okt709/sep708 v. Chr. kan men dit jaar als ankerpunt voor het herschikken van de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda op de tijdsbalk, gebruiken. Het is namelijk het correct chronologisch hanteren van de jubeljaren dat de sleutel is tot een nieuwe betrouwbare Bijbelse chronologie. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, appendix 4, blz. 471.

     

    De dood van Salomo en de splitsing van het koninkrijk bijvoorbeeld krijgt op basis van de jubeljaren het jaartal 967 voor Christus. Het eerste jubeljaar van oct1395/sep1394 v. Chr. volgde na 7 x 7 (apr/mrt) sabbatjaren vanaf 1443 v. Chr. het jaar van de intocht van Kanaän onder leiding van Jozua, na veertig jaar verblijf van de twaalf stammen van Israël in de wildernis. Het jaartal van de Exodus was dan april 1483 v. Chr. Vierhonderdtachtig jaar later plaatsen we het vierde regeringsjaar (oct1004/sep1003) van Salomo op de tijdsbalk en dit op basis van het volgende Bijbelgedeelte:

    1 Koningen 6:1 In het vierhonderd tachtigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van Salomo ’s regering over Israël, in de maand Ziw, dat is de tweede maand, bouwde hij het huis voor de HERE.

     

    De overige regeerperioden van de koningen van Juda en Israël laten zich alle logisch vanaf dit ankerjaar op de tijdsbalk, zoals uiteengezet in mijn uitgave TIJD en TIJDEN, invoegen. De overige ankerjaren zijn het veertiende regeringsjaar van Hizkia in okt710/sep709 v. Chr. en de val van Jeruzalem in 586 v. Chr.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    18-05-2015 om 11:11 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Amarna-brieven van Rib-Addi aan farao Nafoeria alias Achnaton

    Met het artikel op dit blog van 23-04-2015 bracht ik de ketter-farao Achnaton onder de aandacht. Het artikel begon ik met een citaat uit een brief(kleitablet) van een Assyrische koning Assur Uballit aan Achnaton in verband met de behandeling van zijn gezanten door farao. Ik toonde verder aan dat de orthodoxe identificatie van de Assyrische briefschrijver met de Assyriër Assur Uballit van de veertiende eeuw v. Chr. fout zit en dat de correcte plaatsing op de tijdsbalk; de achtste eeuw v. Chr. is. Met dit artikel neem ik de draad met de Amarna-correspondenten weer op en gaat de aandacht nu naar Rib-Addi, een tegenstander van een andere Amarna-correspondent; Labaja. Op 23-02-2015 schreef ik een artikel over de Amarna-briefwisseling van Labaja met farao Amonhotep III en identificeerde Labaja met de rebel Pekah van het tienstammenrijk. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1424646000&stopdatum=1425250800 en scrol naar beneden.

     

    En op 04-02-2015 schreef ik op dit blog over de Amarna-briefwisseling van Abdi-Hiba alias Ebed Tov (Hebreeuws: de goede dienstknecht) met farao Amonhotep III en IV, en identificeerde Abdi Hiba met koning Achaz van Juda. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1422831600&stopdatum=1423436400

     

    De briefschrijver Rib Addi van dit artikel identificeren we met de Bijbelse koning van het tienstammenrijk Hosea.

     

    In mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid pas ik dezelfde werkmethode van Velikovsky toe. Hierna een citaat uit ‘Eeuwen in Chaos’, 1952, blz.255:

    … in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel andere namen dragen dan de door ons gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in Jeruzalem, Samaria en Damaskus.

     

    In mijn variant pas ik dezelfde methode toe en schuif ditmaal meer dan zeven eeuwen op de tijdsbalk met als resultaat Rib Addi in Goebla/Jizreël, Abdi-Hiba/Achaz in Jeruzalem en Labaja/Pekah in het gebied van Samaria. Het spadewerk van Velikovsky blijft overeind. Spadewerk dat het fundament voor de revisie van de geschiedenis van de oudheid wereldwijd legde. Bij dit alles moet men bedenken dat de orthodoxe Sothis-kalender door het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid, onderuit gehaald is en de ankerpunten op de tijdsbalk van de orthodoxie weg. Het is aldus de opdracht de Egyptische dynastieën opnieuw op de tijdsbalk met betrouwbare ankerpunten op hun correcte plaats te herschikken.

     

    Bevindingen van Velikovsky haalden al eerder pijlers waarop het fundament van de orthodoxie rust naar beneden. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Batroena, de stad die nog gebouwd moest worden, blz. 321 (zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579 ) citeer ik een voorbeeld uit ‘Eeuwen in Chaos’, hoofdstuk 6:

     

     

    “Enkele malen noemde de koning van Goebla in zijn brieven de stad Batroena en deze wordt geïdentificeerd als het oude Botrys. Meneander evenwel, een Griekse schrijver die door Josephus wordt aangehaald, verklaart over Ithobalus, de koning van Tyrus uit de negende eeuw, dat ‘hij het was die de stad Botrys in Fenicië stichtte.” De stad Botrys, gebouwd door de schoonvader van Achab, kon alleen dan in de Amarna brieven worden vermeld, als de stichting van de stad voorafging aan de Amarna periode.“

     

    Conclusie: een stad die nog gebouwd moest worden in de tiende eeuw, kan onmogelijk deel hebben uitgemaakt van een correspondentie met een farao die de orthodoxie in de veertiende eeuw voor Christus plaatst. Een ketting is zo sterk als haar zwakste schakel. En de orthodoxe plaatsing van de Amarna-tijd in de veertiende eeuw v. Chr. met briefwisseling over een onbestaande stad is hiermee gebleken een zwakke schakel te zijn en de ketting gebroken.

     

     

    De afbeelding hierboven is van een kleizegel uit de periode van Hosea uit de achtste eeuw v. Chr. De Egyptische invloed in Israël toen is voor specialisten ter zake, duidelijk.

    Rib-Addi was de heerser die vanuit Goebla zijn brieven aan farao schreef. De conventionele Egyptologie heeft gemeend de plaatsnaam Goebla met de stad Byblos aan de Fenicische kust te kunnen identificeren. Dr. I. Velikovsky (Eeuwen in Chaos, 1952, hoofdstuk VI) toonde echter overtuigend aan dat Goebla met Jizreël in Samaria geïdentificeerd dient te worden. Het is vanuit Jizreël dat volgens de gereviseerde chronologie, Hosea van het tienstammenrijk zijn brieven aan farao schreef.

     

    Hierna één voorbeeld van een reeks van ruim zestig brieven van Rib-Addi aan farao:

     

    EA75

    … Rib-addi spoke to his lord, the King of Lands: May the Lady of Gubla (Balot-Hathor) grant power to my lord. At the feet of my lord, my sun, I fall down seven times and seven times. Let the king, my lord, know that Gubla, your handmaid from ancient times, is well. However, the war of the 'Apiru against me is severe. (Our) sons (and) daughters are gone, (as well as) the furnishings of the houses, because they have been sold in Yarimuta to keep us alive. My field is "a wife without a husband," lacking in cultivation. I have repeatedly written to the palace regarding the distress afflicting me, . . but no one has paid attention to the words that keep arriving. Let the king heed the words of his servant........... They . . . all the lands of the king, my lord. Aduna, the king of Irqata, mercenaries have killed, and there is no one who has said anything to Abdi-Ashirta, although you knew about it. Miya, the ruler of Arashni, has taken Ardata; and behold now the people of Ammiya have killed their lord; so I am frightened. Let the king, my lord, know that the king of Hatti has overcome all the lands that belonged to the king of Mittani or the king of Nahma the land of the great kings. Abdi-Ashirta, the slave, the dog, has gone with him. Send archers. The hostility toward me is great. ................ and send a man to the city of . . . I will . . . his words.

     

    De Amarna-brief EA 75 geeft als introductie van dit artikel een beeld van de veranderde politieke situatie in het Klein-Azië van de achtste eeuw v. Chr. Rib-Addi alias Hosea, zat als vazal van farao op het moment van het schrijven van zijn brief EA75 geïsoleerd en belaagd in zijn hoofdplaats Goebla of Jizreël. Hij klaagt in zijn brief over de Habiroe die hem belagen alsook andere vazallen zoals Adoena van Irqata die door dezelfde huurlingen, vermoord werd. De Habiroe hebben we gezien in het artikel over Labaja, zijn de bende van Pekah de rebel. Pekah alias Labaja is de rebel die eerder al Pekahia, de zoon van Menahem, de koning van Israël vermoordde. Aan de grens van het Egyptische belangengebied in Klein-Azië herkennen we in de brief; de koning van Hatti en de koning van Mitanni, als belagers van het Rijk van farao maar tegelijkertijd ook als correspondenten met farao, maar dan als soevereine vorsten. De koningen van Mitanni identificeerde ik eerder in een artikel op dit blog met de koningen van Assyrië. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1395615600&stopdatum=1396220400

     

    Het Assyrië van de achtste eeuw v. Chr. kende onder zijn koningen meerdere co-regentschappen, soms tot drie koningen toe zelfs. In het gereviseerde tijdsbestek zijn dit Pul, Tiglath Pileser III, Assur Uballit en Salmaneser V. Uiteindelijk zouden de Assyriërs heel het gebied veroveren en schatplichtig maken. Vanuit Egypte kwam geen hulp voor de vazallen van farao.

     

    2 Koningen 15: 29 In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglatpileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galila, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur. 30 En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remaljahu; hij sloeg hem dood en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia.

     

     

    Het was volgens het Bijbelboek 2 Koningen 15:30, twintig jaar na de troonsbestijging van Jotham van Juda, dat Hosea zijn rivaal Pekah dood sloeg en koning in zijn plaats werd. De Seder Olam, een Joodse overlevering, leert dat Hosea tot aan het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz, een vazal van de Assyriërs was en over het gebied van Gilead heerste. Het over-Jordaanse land Gilead heeft Velikovsky met het Yarimuta uit de Amarna-briefwisseling geïdentificeerd. Dit alles past in het plaatje dat we uit de Amarna-briefwisseling verkrijgen, waar Labaja/Pekah en zijn zonen het gebied van het tienstammenrijk controleren.

     

    In het jaar 735 v. Chr. keerde het tij voor Labaja/Pekah en werd hij door Hosea alias Rib Addi, vermoord. En in het jaar 727 v. Chr. in het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz van Juda, werd Hosea koning over Israël met als hoofdstad Samaria. Van daar uit zou hij vervolgens zijn brieven aan farao in Egypte schrijven.

     

    2 Koningen 17:1 In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria; hij regeerde negen jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, echter niet zoals de koningen van Israël die vóór hem geweest waren. 3 Tegen hem trok Salmanassar, de koning van Assur, op; en Hosea onderwierp zich aan hem en betaalde hem schatting. 4 Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea ontdekte, dat hij gezanten naar So, de koning van Egypte, gezonden had en aan de koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot jaar, nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in boeien in de gevangenis. 5 De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar Samaria en belegerde het drie jaar. 6 In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden.

     

    De belager van Hosea in Samaria/Soemoer was Salmaneser V, de zoon van Tiglath Pileser III in Assyrië. In het voorjaar van 717 v. Chr. zou Samaria door Salmaneser V ingenomen worden, na een belegering van drie jaar. De Bijbelse Farao So heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 307, geïdentificeerd.

     

    Deze in het kort geschetste Bijbelse geschiedenis vinden we in de Amarna-brieven terug. De Assyrische koningen die Samaria/Soemoer benauwden en het uiteindelijk innamen, waren Tiglath Pileser III en Salmaneser V. In de Amarna-brieven zijn zij Abdi-Asjirta en Aziroe. Ongeveer zestig brieven in de vorm van kleitabletten schreef Rib Addi aan farao in Egypte. De rivaal van Rib Addi was voor een lange periode Abdi-Asjirta. Volgens de Amarna-correspondentie was hij de heerser van Amoerroe, een streek die de orthodoxie in het zuidoosten van Libanon en/of het zuidwesten van Syrië. Deze identificatie is een gevolg van het foutief plaatsen van de Amarna-tijd in de veertiende eeuw v. Chr.

     

     

    Wanneer we de Amarna-tijd op de tijdsbalk naar haar correcte historische periode schuiven, komt in de achtste eeuw v. Chr. het Assyrische Rijk tevoorschijn, waar toen meer dan een koning de troon deelde. In een nog te volgen artikel zal ik aandacht geven aan Abdi-Asjirta die dezelfde koning is als Tushratta/Mitanni, die ik eerder als Tiglath Pileser III identificeerde. De acties van Abdi-Asjirta alias Tiglath Pileser III waren de aanleiding voor een resem brieven van Rib-Addi aan farao met de vraag om hulp. Uiteindelijk zou Samaria door de zoon van Tiglath Pileser III; Salmaneser V na een belegering van drie jaar in 717 v. Chr. ingenomen worden, en dit betekende het einde van Hosea alias Rib Addi.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    13-05-2015 om 09:07 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tombe van koning Hiram te Byblos: een anomalie voor de orthodoxe Egyptologie

    In de vorige eeuw in het jaar 1921 werd te Jebeïl in Libanon, op het terrein van de stad Byblos uit de oudheid, een tombe met de sarcofaag van een Fenicische koning met de naam Ahiram, ontdekt.

     

    De tombe werd door archeologen blootgelegd en onderzocht. Het was de tijd toen heel het gebied na de nederlaag van de Ottomanen in de eerste wereldoorlog, voor wetenschappers kwam open te liggen.

     

    De sarcofaag behoorde aan een Fenicische koning met de naam Ahiram of Hiram. Het is een eigennaam die meerdere Fenicische koningen over de eeuwen heen hadden.

     

     

    De sarcofaag is rijkelijk met reliëf-albeeldingen versierd. De afbeelding hierboven toont koning Ahiram op een troon met gevleugelde sfinxen en hovelingen tegenover hem. De andere zijde toont een processie van personen die offeranden dragen. De uiteinden van de sarcofaag tonen vier rouwklagende vrouwen. Aan de ingang van de tombe vond men een vervloekingstekst in Hebreeuwse/Fenicische letters. Dicht bij de ingang werden verscheidene fragmenten van een albasten vaas gevonden met de naam van Ramses II er op vermeld. Een belangrijke reden om aanvankelijk de tombe in de dertiende eeuw v. Chr. te dateren. De orthodoxe Egyptologie heeft namelijk farao Ramses II als een gevolg van hun foutieve Sothis-kalender in de dertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst.

     

    Daarnaast vond men in de tombe echter ook Cypriotisch aardewerk dat door deskundigen als een product uit de zevende eeuw v. Chr. gedateerd werd. Dit was de start van een jarenlange discussie over hoe dit aardewerk in de tombe van koning Hiram verzeild was geraakt, een koning die men aan de hand van de cartouches van Ramses II in de dertiende eeuw v. Chr. gedateerd had.

     

    Het is alleen het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid dat hier uitkomst biedt. Dr. I. Velikovsky (1895/1979) verwijst in zijn boek ‘Ramses II en zijn tijd’, 1978, hoofdstuk 3, naar de tombe van Ahiram te Byblos, en maakt duidelijk dat zowel de tombe als farao Ramses II in de zevende eeuw v. Chr. gedateerd dienen te worden.

     

     

    Velikovsky herschikte de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk met de historische Bijbelboeken als leidraad. Het Egyptische Oude en het Midden-rijk waren volgens hem contemporain en gingen als een gevolg van de tien plagen en de Exodus ten onder. Nog hetzelfde jaar werd Egypte door de Hyksos overrompeld. Velikovsky identificeerde de Hyksos en/of Amoe met de Bijbelse Amalekieten en voegt de periode vanaf de vijftiende tot de tiende eeuw v. Chr. de Hyksos als tussenperiode in de Egyptische geschiedenis in. Op deze manier verhuist het Nieuwe Rijk met het begin van de achttiende Egyptische dynastie op de tijdsbalk, naar de periode van de koningen van Israël: Saul, David en Salomo rond 1000 v. Chr. De negentiende dynastie is volgens hem contemporain met de zesentwintigste dynastie. En Ramses II zou een alter-ego van farao Necho II zijn.

     

    De revisie door Velikovsky van de geschiedenis van de Oudheid werd door de academische wereld verworpen. Zijn boek WORLDS IN COLLISION (1951) ‘Werelden in botsing’, gevolgd door AGES IN CHAOS ‘Eeuwen in Chaos’ (1952), botsten op hevige tegenstand van de academische wereld en werden verworpen. En wanneer hij in 1978 RAMSES II AND HIS TIME lanceerde, steigerden toen ook heel wat revisionisten van de geschiedenis van de oudheid, die deze studie als een brug te ver, bevonden.

     

    Wat mij persoonlijk betreft in mijn studie van de chronologie van de oudheid, passen de bevindingen van Velikovsky wel in de chronologische reconstructie van de oudheid met de Bijbel als leidraad. Men kan hierbij op onderdelen van Velikovsky ’s baanbrekend werk van mening verschillen en/of afwijzen, maar niet heel zijn werk.

     

    Voor wat de archeologische vondst te Byblos betreft was de conclusie bij Velikovsky duidelijk: het Cypriotische aardewerk is contemporain met de tombe en farao Ramses II dient aan het einde van de zevende eeuw, begin zesde eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst te worden. Zo ook het Hebreeuwse/Fenicische schrift aan de ingang en op de sarcofaag, dat ook in de zevende eeuw v. Chr. thuishoort. Over het oud-Hebreeuws schreef ik een hoofdstuk in mijn boek; TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 323, in verband met de archeologische vondsten te Oegarit. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Wat verder de sarcofaag van Hiram betreft, citeerde Velikovsky in zijn boek een Israëlische geleerde; M. Haran, die in 1958 een artikel schreef over de afbeelding van de vier klaagvrouwen op de sarcofaag. Twee van de vier vrouwen slaan zich op de heupen, terwijl de andere twee het hoofd in de handen houden. De Israëlische historicus haalde verscheidene voorbeelden aan van het slaan met de handen in het Oude Testament als uiting van diepe smart, met name in het Bijbelboek Jeremia 31:19 en Ezechiël 21:12. De andere vrouwen zetten de handen op hun hoofd – eveneens een bekend verschijnsel bij klagen, bij rouw en bij pijn. En de profeten Jeremia en Ezechiël waren tijdgenoten van Nebukadnezar in de zesde eeuw v. Chr. En evenzo was Ramses II contemporain met Nebukadnezar. Dr. Immanuël Velikovsky putte zijn gegevens uit een grondig onderzoek van oudheidteksten, oude topografische kaarten en plannen van veldslagen en van stratigrafische methoden van de archeologie.

     

    Met hierna volgende citaat van Velikovsky ben ik het volkomen eens:

    Niets is zo vermoeiend als een gedetailleerde chronologie. Maar indien deze wiskunde van de geschiedenis nageplozen wordt niet ter wille van zichzelf maar om identiteiten vast te stellen en als het dient om deze identiteiten te kunnen bewijzen, dan kan er een boeiende studie uit voortvloeien”.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    09-05-2015 om 09:41 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar lag de stad van Amalek?

    Exodus 7:8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël te Refidim. 9 En Mozes zeide tot Jozua: Kies ons mannen uit, trek uit, strijd tegen Amalek, morgen zal ik op de heuveltop staan met de staf Gods in mijn hand. 10 Jozua nu deed, zoals Mozes tot hem gezegd had en streed tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en Chur hadden de heuveltop bestegen. 11 En wanneer Mozes zijn hand ophief, had Israël de overhand, maar wanneer hij zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand. 12 Toen de handen van Mozes zwaar werden, namen zij een steen, legden die onder hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten; en Aäron en Chur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere zijde, zodat zijn handen onbeweeglijk bleven tot zonsondergang. 13 Zo overwon Jozua Amalek en diens volk door de scherpte des zwaards. 14 En de HERE zeide tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen. 15 Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: de HERE is mijn banier. 16 En hij zeide: De hand op de troon des HEREN! De HERE heeft een strijd tegen Amalek, van geslacht tot geslacht. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De hiervoor beschreven strijd dateren we in het jaar van de Exodus uit Egypte in 1483 v. Chr. Na de doortocht van de Rode Zee toen de Israëlieten door de wildernis naar de berg Gods in Midian trokken, werden zij datzelfde jaar te Refidim door de Amalekieten overvallen.

     

    De stamvader Amalek gaat volgens het Bijbelboek Genesis terug tot Esau, de zoon van Jacob en tweelingbroer van Jakob. Hun woongebied was het gebergte Seïr in het gebied van Edom.

     

    Genesis 36:1 Dit zijn de nakomelingen (TOLEDOTH) van Esau, dat is Edom. 2 Esau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, dochter van de Hethiet Elon, en Oholibama, dochter van Ana, dochter van de Chiwwiet Sibon, 3 en Basemat, dochter van Ismaël, zuster van Nebajot. 4 En Ada baarde aan Esau Elifaz, en Basemat baarde Reüel, 5 en Oholibama baarde Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de zonen van Esau, die hem in het land Kanaän geboren zijn. 6 Esau nu nam zijn vrouwen, zijn zonen, zijn dochters en al de lieden die tot zijn huis behoorden, zijn kudde, al zijn vee en al zijn have, die hij in het land Kanaän verworven had, en hij ging van zijn broeder Jakob weg, naar een (ander) land. 7 Want hun have was te veel dan dat zij konden samenwonen, en het land hunner vreemdelingschap kon hen niet onderhouden vanwege hun kudden. 8 Daarom ging Esau op het gebergte Seïr wonen; Esau, dat is Edom.

    9 Dit zijn de nakomelingen (TOLEDOTH) van Esau, de vader van de Edomieten, op het gebergte Seïr. 10 Dit zijn de namen der zonen van Esau: Elifaz, de zoon van Esaus vrouw Ada; Reüel, de zoon van Esaus vrouw Basemat. 11 En de zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. 12 Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit waren de zonen van Esaus vrouw Ada. 13 En dit waren de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza; dit waren de zonen van Esaus vrouw Basemat. 14 En dit waren de zonen van Esaus vrouw Oholibama, dochter van Ana, dochter van Sibon, zij baarde aan Esau Jeüs, Jalam en Korach.

    15 Dit waren de stamhoofden der zonen van Esau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Esau, waren de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz, 16 Korach, Gatam, Amalek; dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada. 17 En dit waren de zonen van Reüel, de zoon van Esau: de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; dit waren de stamhoofden van Reüel in het land Edom; dit waren de zonen van Esaus vrouw Basemat. 18 En dit waren de zonen van Esaus vrouw Oholibama; de stamhoofden Jeüs, Jalam en Korach; dit waren de stamhoofden van Esaus vrouw Oholibama, dochter van Ana. 19 Dit waren de zonen van Esau en dit waren hun stamhoofden; dat is Edom.

     

    Dat de strijd van de HERE God tegen Amalek van geslacht tot geslacht zou doorgaan werd door Mozes nog aangekondigd kort voor diens dood in 1443 v. Chr. In het hierna volgende Bijbelgedeelte waarschuwt Mozes het volk Israël dat zij later opnieuw ten strijde zouden geroepen worden om Amalek uit te roeien. Want toen het volk Israël op zijn zwakst was na de uittocht uit Egypte en hun trek door de wildernis, had Amalek de achterhoede van Israël; de zwaksten van de groep aangevallen.

     

    Deuteronomium 25:17 Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen gij uit Egypte getrokken waart; 18 hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde. 19 Als dan de HERE, uw God, u rust gegeven heeft van al de vijanden rondom u in het land, dat de HERE, uw God, u ten erfdeel geven zal om het te bezitten, dan zult gij de herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen; vergeet het niet.

     

    Vierhonderdvierendertig jaar later ten tijde van de regering van Saul werd Israël opnieuw opgeroepen de strijd tegen Amalek finaal te beslechten.

     

    1 Samuël 15:1 Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de HERE gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des HEREN. 2 Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich hem in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. 3 Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. 4 Saul riep het volk op en monsterde het te Telaïm, tweehonderdduizend man voetvolk; daarbij tienduizend Judeeërs. 5 Toen Saul de stad van Amalek bereikt had, legde hij in het dal een hinderlaag. 6 Saul nu zeide tot de Kenieten: Gaat heen, verwijdert u, trekt weg uit het midden der Amalekieten, opdat ik u niet met hen verdelg; gij hebt immers trouw bewezen aan alle Israëlieten, toen zij uit Egypte trokken. Daarop verwijderden zich de Kenieten uit het midden van Amalek. 7 En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt. 8 Agag, de koning van Amalek, greep hij levend, maar het gehele volk sloeg hij met de ban door de scherpte des zwaards. 9 Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en van de runderen, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Maar al het vee dat waardeloos was en ondeugdelijk, sloegen zij met de ban.

     

    De regeerperiode van koning Saul heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Saul veertig jaar koning, blz. 179, behandelt. Zie link: Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Wanneer men onderzoek doet naar de juiste ligging van TELAIM, de plaats waar Saul het leger van Israël tot verzameling riep, blijkt dat de meningen verdeeld zijn. De orthodoxe verklaring plaatst het Bijbelse Telaïm, wat betekent ‘de jonge lammeren’, in het zuiden van Judea te Telam. Deze gedachtegang komt voort vanuit de veronderstelling dat de Bijbelse Amalekieten slechts Bedoeïen of nomaden waren die vooral zuidelijk van Judea hun woongebied hadden. De Bijbel echter noemt Amalek tijdens deze periode: Eerste der volken. Dr. I. Velikovsky identificeerde ze terecht met de Hyksos die met de Exodus in 1483 v. Chr., na de vernietiging van farao ’s leger in de Rode Zee, eerst tegen Israël in de woestijn streden, en daarna Egypte overrompelden, hun dynastieën vestigden, en gedurende vier eeuwen vanuit Avaris over het Midden Oosten heersten.

     

     

    Waar Telaïm op de landkaart geplaatst moet worden, leert Flavius Josephus en de Septuagint LXX Griekse vertaling van het Oude Testament duidelijk. Beide bronnen plaatsen Telaïm te Gilgal, een plaats oostelijk van Jericho aan de Jordaan. Het was te Gilgal dat Saul achtendertig jaar eerder door Samuel tot koning gezalfd was, met de twaalf stammen, heel Israël dus, aldaar verzameld. Het is dan ook logisch dat de twaalf stammen, Juda incluis, te Gilgal ter verzameling geroepen werden voor de strijd tegen Amalek. Deze identificatie laat tegelijkertijd zien langs waar Saul met zijn leger hoogstwaarschijnlijk opgetrokken is. Met zijn leger is hij de Jordaan overgestoken en via de zogenaamde Koninklijke Weg oostelijk van de Dode Zee naar de stad van Amalek opgerukt. De stad van Amalek in de Bijbel is te identificeren met Sjaroehen, een plaats die we vanuit Egyptische bron kennen. Het leger van farao belegerde namelijk de vermaledijde Hyksos gedurende drie jaar te Sjaroehen. Velikovsky plaatst Sjaroehen in de buurt van Petra. Het is naar deze plaats dat zowel het leger van Saul als het leger van farao Ahmose oprukten en het daarop drie jaar belegerden. De verwijzing in 1 Samuel 15 krijgt nu echt zin: “En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt”. Met Saul ’s leger in de buurt van Petra merken we ook waar het Bijbelse Chawila te plaatsen is: namelijk noordelijk van de Arabische woestijn. En Sur of Shur ligt met zekerheid oostelijk van de Egyptische grens wanneer men de Nijl-delta richting oosten verlaat. Het is de natuurlijke berg-muur ten oosten en ten westen van de huidige golf van Akaba. Ook Josephus bevestigt deze denkpiste. Josephus plaatst de woonplaats van de Amalekieten vanaf Pelusium aan de Egyptische grens tot aan de Rode Zee en Midian. De rivier waar Josephus naar verwijst waar Saul een hinderlaag tegen Amalek legde, is volgens mijn revisie de Wadi el Araba die ten tijde van het regenseizoen met water gevuld was maar gedurende de andere seizoenen droog stond.

     

     

    Als een gevolg van het gebruik van de gegevens die Flavius Josephus verstrekt, kunnen we op de kaart nauwkeurig het offensief van Saul en farao schilderen. Na oostelijk van de Dode Zee naar het zuiden opgerukt te zijn, liet Saul Sjaroehen links liggen en rukte verder van oost naar west, van Chawila naar Sur, naar Avaris, het huidige El Arisj op. Velikovsky ’s identificatie van Avaris, de hoofdstad van de Hyksos, met El Arisj in de Sinaïwoestijn is hiermee gebleken correct te zijn. Te Avaris arriveerde ook het leger van farao Ahmose van de achttiende dynastie. In bondgenootschap met Saul rukte het Egyptische leger daarop naar Sjaroehen in de buurt van het huidige Petra en begon een belegering die, volgens Egyptische bronnen, drie jaar zou duren. De stad van Amalek uit de Bijbel en de plaats Sjaroehen uit Egyptische bron, zijn hiermee op de landkaart van heden geplaatst.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    04-05-2015 om 09:32 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.En Ik zal Egypte overgeven in de macht van een hardvochtig heer…

    De recente artikels op dit blog van 16-04-2015 en 23-04-2015 handelden over de tijdsbepalingen in het Bijbelboek Jesaja in verband met de bediening van de profeet Jesaja, en over de ketter-farao Achnaton. Hierna volgt het negentiende hoofdstuk van de profeet Jesaja. Een hoofdstuk dat we op basis van het vorige artikel, chronologisch op de tijdsbalk tussen de jaren 736 en 722 v. Chr. kunnen verankeren.

     

    Jesaja 19:1 De Godsspraak over Egypte. Zie, de HERE rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden van Egypte voor Hem en het hart van Egypte versmelt in zijn binnenste. 2 Dan zal Ik Egyptenaren tegen Egyptenaren ophitsen, zodat ieder van hen strijdt tegen zijn broeder en ieder tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk; 3 en Egypte zal zijn bezinning verliezen en Ik zal zijn voornemen verijdelen. Dan zal men de afgoden vragen, de bezweerders, de geesten van doden en de waarzeggende geesten. 4 En Ik zal Egypte overgeven in de macht van een hardvochtig heer, en een gestreng koning zal daarover heersen, luidt het woord van de Here, de HERE der heerscharen.

    5 Dan zal het water uit de zee verdrogen en de rivier zal drooglopen en opdrogen, 6 zodat de rivieren stinken, de Nijlarmen van Egypte leeglopen en droog worden, riet en biezen verwelken. 7 De vlakte langs de oevers van de Nijl, en alles wat bij de Nijl gezaaid is, verdroogt, verwaait en is niet meer. 8 De vissers zullen zuchten en treuren, allen die de angel in de Nijl uitwerpen; zij die het net over het water uitspannen, zullen verkwijnen. 9 De vlasbewerkers zullen beschaamd staan, evenals de linnenwevers; 10 en zijn steunpilaren zullen verbrijzeld worden, alle loonarbeiders zullen zielsbedroefd zijn.

    11 Louter onverstandigen zijn de vorsten van Soan, de wijste raadslieden van Farao – een dwaze raad. Hoe kunt gij tot Farao zeggen: Ik ben een wijze, een zoon der koningen uit de voortijd? 12 Waar zijn zij dan, uw wijzen? Laten zij het u toch bekend maken, opdat men wete, wat de HERE der heerscharen over Egypte besloten heeft. 13 Verdwaasd zijn de vorsten van Soan, bedrogen de vorsten van Nof; zij die de hoeksteen zijner stammen zijn, leiden Egypte op een doolweg. 14 De HERE heeft hun een geest van bedwelming ingegoten, zodat zij Egypte op een doolweg leiden bij al wat het doet, zoals een beschonkene in zijn uitbraaksel tuimelt. 15 En Egypte zal geen werk hebben, dat door kop of staart, palmtak of riet, zou kunnen gedaan worden.

     

    In mijn laatste uitgave TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 345, (zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579 , heb ik farao Amonhotep IV/Achnaton op de tijdsbalk verankerd met de regeerperiode 735/687 v. Chr., wat Achnaton een tijdgenoot van de profeet Jesaja en van o.a. de koningen van Juda; Achaz en Hizkia, maakt.

     

    In mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid pas ik dezelfde werkmethode van wijlen Velikovsky toe. Hierna een citaat uit diens werk ‘Eeuwen in Chaos’, 1952, blz.255:

    … in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel andere namen dragen dan de door ons gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in Jeruzalem, Samaria en Damaskus.

     

     

    In mijn variant pas ik dezelfde methode toe en schuif ditmaal meer dan zeven eeuwen op de tijdsbalk, met als resultaat; de Aton-vereerders contemporain met Achaz en Hizkia. En de vele puzzelstukjes passen in het plaatje van de achtste eeuw v. Chr. De profetie van Jesaja hoofdstuk 19 aangaande Egypte, past volkomen met de plaatsing van Achnaton in dit tijdsbestek. Hij is de hardvochtige heer, en gestrenge koning die de HERE God voor deze periode over Egypte gegeven heeft.

    In het voorjaar van 735 v. Chr. werd de wereld van de oudheid door een meganatuurcatastrofe getroffen. Het is het jaar dat in Egypte farao Amonhotep IV zijn regeerperiode aanvangt, met de eerste vier jaar als co-regent met zijn vader Amonhotep III. Na de dood van farao Amonhotep III in 731 v. Chr. verandert Amonhotep IV in zijn vijfde regeringsjaar (731/730 v. Chr.), zijn naam naar Achnaton en begint hij zijn confrontatie met de priesters van Amon. De tempels van Amon worden door de soldaten van Achnaton ‘manu militari’ gesloten en de eredienst aan deze god verboden. En in zijn zesde regeringsjaar verhuist hij naar zijn nieuw gebouwde residentie nabij het huidige Amarna in Egypte: Achetaton, waar hij in zijn twaalfde regeringsjaar (724/723 v. Chr.) de hoogwaardigheidsbekleders uit heel zijn rijk ontvangt. Gedurende de tijdsperiode vanaf zijn vijfde regeringsjaar tot zijn twaalfde jaar vestigt hij zijn gezag over Egypte, zoals beschreven door de profeet Jesaja. Zijn handlangers hebben we eerder gezien zijn Aziatische (Joodse e.a.) huurlingen, Libiërs en Nubiërs. De Nijldelta is tijdens deze periode als een lappendeken van verschillende koningshuizen, die elkaar tijdens deze periode naar de nek vliegen. De profeet Jesaja heeft het over de vorsten (in het meervoud) van Nof en Zoan. Dit zijn Hebreeuwse namen voor de hoofdplaatsen Memfis en Tanis in Egypte. De tweeëntwintigste dynastie had haar hoofdplaats in Tanis en in Memfis zat de vierentwintigste dynastie met farao Bocchoris op de troon. Deze laatste heerser wordt door de Ethiopiër Sjabaka in het jaar 722 v. Chr. gedood en op de brandstapel gezet. Zie het hoofdstuk Farao Bak-en-ra-nef, blz. 301, in TIJD en TIJDEN.

    Ook de orthodoxe Egyptologie verwijst naar de aanwezigheid van Nubische troepen in Egypte en Klein-Azië ten tijde van de Amarna periode. Getransponeerd naar de achtste eeuw voor Christus zitten de Nubiërs pas echt op hun plaats, en past dit puzzelstukje in het gereviseerde plaatje. Ook in Nubië werd in die tijd een stad op de westelijke oever van de Nijl aan het begin van de derde cataract, ter eren van de nieuwe god Aton gebouwd: Gem-Aton (J.H.Breasted, Geschichte Ägyptens, hoofdstuk 16). In mijn reconstructie zijn de Nubiërs (of Ethiopiërs/Kusjieten) Sjabaka en Tirhaka tijdgenoten en handlangers van Achnaton en zijn god. Van Tirhaka is er in Barkal-Nubië een afbeelding bewaard gebleven met de koning in aanbidding voor Gem-Aton. In het orthodoxe model zitten er op de tijdsbalk tussen de tijdsperiode van Achnaton en de Ethiopische vijfentwintigste dynastie meer dan zeshonderd jaar. Dit is overigens een aanwijzing om het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid ernstig te nemen.

     

     

    Het is de orthodoxe egyptologie die verantwoordelijk is voor het verschil van zeven eeuwen op de tijdsbalk. Het is op basis van een vermeende Sothis-kalender, in wezen een product van de oude Grieken en Romeinen, dat men de achttiende dynastie foutief in de veertiende en dertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst heeft. Zie het artikel op dit blog van 10-01-2014: Het Ebers-papyrus. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600 en scrol naar beneden.

     

    Het is betreurenswaardig dat heden menig Bijbelvorser op zoek naar aanvaardbare links tussen Bijbelshistorische gegevens en Egypte, nog altijd aanneemt dat de Sothis-kalender van de Egyptologie gebaseerd zou zijn op een astronomische waarneming en aldus wetenschappelijk onderbouwd. Niets is echter minder waar. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk; de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27- 42.

     

     

    Na de voorspelling van het overgeven van Egypte in de macht van een hardvochtig heer door de profeet Jesaja, beschrijft deze vanaf vers 5 een natuurcatastrofe die Egypte nog zou treffen:

     

    Jesaja 19:5 Dan zal het water uit de zee verdrogen en de rivier zal drooglopen en opdrogen, 6 zodat de rivieren stinken, de Nijlarmen van Egypte leeglopen en droog worden, riet en biezen verwelken. 7 De vlakte langs de oevers van de Nijl, en alles wat bij de Nijl gezaaid is, verdroogt, verwaait en is niet meer. 8 De vissers zullen zuchten en treuren, allen die de angel in de Nijl uitwerpen; zij die het net over het water uitspannen, zullen verkwijnen. 9 De vlasbewerkers zullen beschaamd staan, evenals de linnenwevers; 10 en zijn steunpilaren zullen verbrijzeld worden, alle loonarbeiders zullen zielsbedroefd zijn.

     

    De meganatuurcatastrofe die de oude wereld trof in het sterfjaar van koning Achaz van Juda in 722 v. Chr. is een mogelijke oorzaak voor het onheil dat Egypte in die tijd trof. Over de meganatuurcatastrofe van 722 v. Chr. ga ik met mijn werk TIJD en TIJDEN, blz. 331, hoofdstuk; de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus, uitgebreid in.

     

    Een noodzakelijke kalenderhervorming in 722 v. Chr. past ook in een vermelding over farao Horemheb naar een gebeurtenis in diens 59ste regeringsjaar; i.v.m. het dateren van een gerechtelijk document. Aangezien we weten dat Horemheb slechts voor een korte periode regeerde klopt deze vermelding niet. Wanneer men echter vanaf 722 v. Chr. rekent arriveert men in 663 v. Chr. dat volgens mijn herziening van de geschiedenis van de oudheid, het negende regeringsjaar van Horemheb was. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk; Horemheb, blz. 357.

     

    Vervolgens gaat de profeet Jesaja verder vanaf vers 16 met een profetie over Egypte die in de ‘tussen’ -tijd nog geen historische invulling heeft gezien en nog op haar vervulling wacht. Deze vervulling zal gebeuren ten tijde van het in de Bijbel beloofde toekomstige derde herstel van Israël; geestelijk en nationaal in het oude land der vaderen.

     

    Jesaja 19:16 Te dien dage zullen de Egyptenaren zijn als vrouwen: zij zullen sidderen en vrezen voor de dreigende hand van de HERE der heerscharen, waarmee Hij hen bedreigt; 17 en het land Juda zal voor Egypte een schrik zijn; zo dikwijls iemand het daaraan herinnert, zal het vrezen voor het besluit dat de HERE der heerscharen ertegen neemt.

    18 Te dien dage zullen er vijf steden in het land Egypte zijn, die de taal van Kanaän spreken en die bij de HERE der heerscharen zweren; één zal genoemd worden: stad der verwoesting.

    19 Te dien dage zal er een altaar voor de HERE zijn midden in het land Egypte en aan zijn grens een opgerichte steen voor de HERE. 20 En dit zal tot een teken en tot een getuigenis wezen voor de HERE der heerscharen in het land Egypte. Wanneer zij tot de HERE roepen vanwege verdrukkers, dan zal Hij hun een verlosser en een strijder zenden, die hen zal redden. 21 En de HERE zal Zich aan Egypte doen kennen, en Egypte zal te dien dage de HERE kennen; en zij zullen dienen met slachtoffer en spijsoffer en de HERE geloften doen en betalen. 22 Zo zal de HERE Egypte geducht slaan en genezen, en zij zullen zich tot de HERE bekeren, en Hij zal Zich door hen laten verbidden en hen genezen.

    23 Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte zal met Assur (de HERE) dienen. 24 Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde, 25 omdat de HERE der heerscharen het gezegend heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël. (NBG Vertaling 1951)

     

    De uitdrukking ‘te dien dage’ wordt in dit Bijbelgedeelte vijf maal gebruikt en wijst op de tijd van het herstel van alle dingen. Aan deze tijd gaat een oordeelperiode vooraf, waar de profetie van Jesaja 19:16-24 gedeeltelijk geplaatst kan worden. Maar dit wil ik in een volgend artikel chronologisch behandelen.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    30-04-2015 om 08:25 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De restitutieleer


    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, verwijs ik in de inleiding naar Joodse Bijbelvorsers die op basis van een Bijbelcode de ouderdom van de aarde berekenden op zo’n 15,3 miljard jaar. Dezelfde Joodse traditie leert dat voor de schepping van de mens er al eens een wereldperiode via een meganatuurcatastrofe door God was afgesloten. Het gaat hier om de zogenaamde restitutieleer. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Genesis 1:1 In den beginne schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig , en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. (tijdskloof) 3 En God zeide: Er zij licht; en er was licht. 4 En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag. (NBG Vertaling 1951)

     

    De restitutietheorie leert dat er tussen Genesis hoofdstuk 1 vers 1 en 3 een tijdskloof zit. Een periode die in tijd niet geopenbaard is. Over deze leer bestaat heel wat discussie. De restitutieleer maakt meestal deel uit van de bedelingenleer. Persoonlijk ben ik veertig jaar geleden begonnen met de Scofield-studiebijbel aan te schaffen, en sindsdien bij mijn Bijbelstudie te hanteren. Dat er een tijdsperiode zit tussen Genesis hoofdstuk 1 vers 1 en vers 3 lijkt mij als een gevolg van mijn studie, dan ook logisch.

     

     

    Het hierna volgende Bijbelgedeelte wordt ook in de restitutieleer gehanteerd:

    2 Petrus 3:5 Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, 6 waardoor de toenmalige wereld .(de wereld van Genesis 1:1) is vergaan, verzwolgen door het water7 Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde (de zes dagen schepping) zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.

     

     

    Hebreeën 1:10 En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;.. (Statenvertaling)

     

    Psalm 102:26 Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;..

     

    Johannes 1:1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.

     

    Hierna volgt een beknopt citaat dienaangaande uit het Bijbels Panorama, Het Morgenrood, Bodegraven, 1974, Jacob Klein-Haneveld (1918/1987 AD). Het is beknopt maar brengt de essentie van de leer.

    “In den beginne schiep God de hemel en aarde”. Met deze verheven verklaring over het begin van alle dingen voert de Heilige Geest ons rechtstreeks naar God. Er blijft geen ruimte voor menselijke veronderstellingen. Alles, wat de mens daarover weet en op deze aarde ooit weten zal, is daarmee gezegd. “Heft uwe ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen?” (Jesaja 40:26). Het is voor ieder schepsel duidelijk, dat er een stoffelijk universum bestaat, en het Woord van God biedt de enige, werkelijk aanneembare verklaring voor het ontstaan ervan. Geologen kunnen aardlagen doorzoeken en theorieën opstellen over fossielen, maar “de verborgenheid des HEREN is voor degenen, die Hem vrezen” (Psalm 25:14).

    “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (Hebreeën 11:3). Het Hebreeuwse woord “BARA” (= scheppen) duidt in zijn eigenlijke en oorspronkelijke betekenis de goddelijke handeling aan, waarin Hij iets schept, zonder daarbij gebruik te maken van een al bestaande stof. Door het goddelijke: “Er zij!” wordt in aanzijn geroepen, wat er voordien nog niet was. “Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er” (Psalm 33:9). “Want Hij gebood en zij waren geschapen” (Psalm 148:5).

    “In den beginne”. Wanneer dit begin was, wordt ons niet meegedeeld, maar ongetwijfeld heeft deze verklaring betrekking op het tijdloze verleden toen de hemel en de aarde door de daad, de wil en het woord van de almachtige God geschapen werden.

    Nu wordt ons in Genesis 1:2 gezegd, “dat de aarde woest en ledig was” (Hebreeuws “tohoewabohoe”). Dat dit niet een uitdrukking is, die de aarde beschrijft, zoals ze geschapen is “in den beginne”, maakt ons een uitspraak van Jesaja duidelijk: “Niet tot een baaierd (tohoewabohoe) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd” (Jesaja 45:18).

     

    De verklaring van Genesis 1:1 beschrijft een volkomen werk, waar aan niets toegevoegd hoeft te worden. Ze heeft betrekking op een scheppingsdaad van God in de tijdloze eeuwigheid. Genesis 1:2 vertelt ons dan, dat de aarde om redenen, die voor ons verborgen, maar bij God bekend zijn, tot een chaotische woestenij geworden is. We worden niet gewaar, hoeveel tijd er verstreek tussen Gods eerste scheppingsdaad en het verval tot chaos. Het is echter duidelijk, dat er een ingrijpende omwenteling heeft plaatsgehad, die de aarde volledig veranderde, zodat ze “woest en ledig” werd. Hoewel we niets met zekerheid over het hoe en wanneer kunnen zeggen, vinden we bij een zorgvuldige bestudering van Gods Woord toch enige aanwijzingen van een dergelijke catastrofe. Vers 3 wijst erop, dat God begint “het gezicht van de aarde te vernieuwen”, om het als woonplaats voor de mens klaar te maken. Zo zegt ook de psalmist het: “Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem” (Psalm 104:30).

     

    Tijdens de tweede scheppingsdag “verdeelde” God de wateren: het bericht vermeldt hier niet, dat zij op dat moment “geschapen werden”. Verder in het verslag wordt ons ook niet gezegd, dat God zon en maan op de vierde dag “schiep”, maar dat God twee grote lichten (eigenlijk: lichtdragers) maakte (Hebreeuws: ASHER). Zij werden gemaakt om de aarde te verlichten en om te dienen als tijdsbepaling. “In den beginne” werden zij geschapen. Verder wordt ons meegedeeld, dat God sprak: “Dat het droge tevoorschijn kome!” Hier wordt niet van de schepping van de aarde gesproken, maar, zoals Genesis 1:9 zegt, van de verzameling van het water op één plaats, zodat het droge (de aarde, die “in den beginne” geschapen werd) tevoorschijn kwam, zichtbaar werd.

    Het Mozaïsche bericht spreekt eigenlijk maar van drie werkelijke scheppingsdaden (Hebreeuws “BARA”) van God:

    De schepping van de hemel en de aarde “in den beginne”,

    De schepping van de dieren,

    De schepping van de mens.

    Einde citaat.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    28-04-2015 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Achnaton de ketterfarao

    Why are my messengers kept standing in the open sun? They will die in the open sun. If it does the king good to stand in the open sun, then let the king stand there and die in the open sun. Then will there be profit for the king! But really, why should they die in the open sun? … They will be killed in the open sun. Amarna letter by Ashur Uballit

    (Donald B. Redford, Akhenaten the Heretic king, 1984, hoofdstuk 15, blz. 235)

     

     

    De inleiding tot de bekende ketter-farao Achnaton (voorheen Amonhotep IV) begin ik met een citaat uit een brief van een Assur Uballit, geciteerd door de Egyptoloog Donald B. Redford, in zijn werk over de zonderling; farao Achnaton. Het citaat beschrijft in enkele woorden de ware aard van farao Achnaton: een godsdienstwaanzinnige die autoritair ‘manu militari’ al zijn onderdanen en buitenlandse gezanten, aan zijn nieuwe eredienst horig maakte. Zonder bescherming, klaagt Assur Uballit in zijn brief aan, moesten zijn gezanten urenlang in audiëntie voor een religieuze ceremonie te Achetaton (het huidige Amarna) in de open zon staan. In België zou zo iets vandaag voor zonnekloppers nog te verduren zijn, in Midden-Egypte echter bevind men zich dan in een bakoven. Geen greintje mededogen was er duidelijk in Achnaton aanwezig.

     

     

    De orthodoxe Egyptologie plaatste Achnaton op de tijdsbalk in de veertiende eeuw voor Christus, van het jaar 1350 tot 1334 v. Chr. Deze plaatsing was een gevolg van hun gebruik van de foutieve Sothis-kalender. Een kalender die de Egyptoloog Eduard Meyer in 1904 wereldkundig maakte en veronderstelde dat er in het oude Egypte zo iets als Sothis-perioden van telkens 1460 jaar zouden bestaan hebben. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft de Sothis-kalender onderuit gehaald en is er geen enkele reden meer om aan dit verzinsel van oud-Grieken en Romeinen vast te houden. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-43, in het hoofdstuk; de geschiedenis van de geschiedenis, weerleg ik de Sothis-kalender en biedt een alternatief aan. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Farao Achnaton en zijn opvolgers, de zogenaamde Aton-vereerders horen op de tijdsbalk thuis in de achtste eeuw v. Chr.

     

    De briefschrijver, een koning van Assur met de naam Assur Uballit, identificeert de orthodoxe Egyptologie met een Assyrische koning met dezelfde naam, uit de veertiende eeuw v. Chr. De Assyrische koning Assur Uballit I werd door de Assyriologie een regeerperiode met de jaartallen 1353-1318 v. Chr., gegeven en dit past ongeveer in de tijdsperiode dat Achnaton verondersteld werd geregeerd te hebben. In mijn studie ‘De Assyriologie herzien, 2012, hoofdstuk Genesis en Assur, blz. 132’, corrigeerde ik de jaartallen van Assur Uballit I naar de jaren 1376/1340 v. Chr.:

    [73] Aššur-uballit [I], zoon van Eriba-Adad, regeerde gedurende 36 jaar (orthodox 1353-1318). Herzien: 1376/1340 v. Chr.

    Hoewel deze correctie nu niet onmiddellijk van belang is. Wat wel belangrijk is dat volgens de aangehaalde Assyrische bron de vader van Assur Uballit I de naam Eriba-Adad heeft en niet Assur-Nadin-Ahe zoals de Amarna-briefschrijver naar zijn vader verwijst.

     

    Van een Assur Uballit zijn er twee brieven (kleitabletten) aan farao Achnaton bewaard gebleven. Zij werden onder EA 15 en 16 gecatalogeerd. Hierna volgt brief (fragmentarisch) EA 16 die van belang voor de naam van de vader van Assur Uballit, is:

     

    EA 16

        To Nafuria (Achnaton), Great King, king of Egypt, my brother, thus speaks Ashur-uballit, king of Assyria, Great King, your brother: may well-being reign over you, your house and your land! …

        I feel very pleased after having seen your envoy. This is felt, in truth... before me. I have sent you a beautiful royal chariot, two white horses, an unfurnished chariot and a beautiful stone seal as gifts. Of the Great King... it is said: The gold is in your land like the dust; Why is there .... in your eyes? I have begun a new palace, and I want to have it ready soon. Send me as much gold as is required for its decoration and for what is needed. …

        When my father, Ashur-nadin-ahe, ordered his messengers to go to Egypt, they sent him twenty gold talents. And when the king of Khanigalbat sent his messengers to your father [Amonhotep III] in Egypt, they sent twenty gold talents to him. See, to the king of Khanigalbat I am ..., but to me you have sent only a little gold, which is not sufficient, in spite of the goings and comings of my messenger. If it is your intention that a sincere friendship exist, send much gold! And you may send people on your part, and you will receive whatever you need!     Our lands are far apart, which is why our envoys must travel wisely….

     

    De naam van de vader; Ashur-nadin-ahe, van de Amarna-briefschrijver Assur Uballit blijft een anomalie voor de orthodoxe Egyptologie. Voor een revisionist van de geschiedenis van de oudheid is het zondermeer duidelijk dat twee verschillende Assur Uballit ’s bedoelt zijn. De zoon van Eriba-Adad met de naam Aššur-Uballit blijft op de tijdsbalk met de regeerperiode 1376/1340 v. Chr. De Amarna-briefschrijver Assur Uballit als de zoon van Ashur-nadin-ahe, hoort in de achtste eeuw v. Chr. thuis. Hij is een van de Assyrische koningen die in co-regentschap de troon met elkaar deelden. De Bijbel verwijst voor deze epoque naar de koningen van Assur in het meervoud.

    "In die tijd zond koning Achaz het verzoek tot de koningen van Assur hem te helpen." 2 Kronieken 28:16

     

    "Na deze gebeurtenissen, waarin Jehizkia 's trouw bleek, rukte Sanherib, de koning van Assur, op. Hij trok Juda binnen…  …… en zeide: Waarom zouden de koningen van Assur bij hun komst zoveel water vinden…" 2 Kronieken 32:1-4

     

    Als een gevolg van de plaatsing van Amonhotep IV in de veertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk wordt deze farao ook al eens de eerste monotheïst ooit, genoemd. Men neemt namelijk aan dat Mozes in Egypte bij Achnaton een en andere opgestoken heeft. Zo is er een hymne bewaard gebleven van Achnaton aan zijn god Aton, dat wel haast een kopie van Psalm 104 uit de Bijbel is. En op basis van de foutieve plaatsing van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk neemt men uiteraard aan dat de Aton-hymne model stond voor de Bijbelse Psalm 104. Wanneer we echter dit alles naar de achtste eeuw v. Chr. transponeren blijven er dienaangaande geen vraagtekens meer, en kan een en ander verklaart (en weerlegd) worden. Het zogenaamde monotheïsme van Achnaton was overigens geen monotheïsme in de zuivere zin van het woord, maar slechts monolatrie (Oedipus en Echnaton, I. Velikovsky, 1974, blz. 198).

     

    Het is in het gerevisioneerde model in het Jeruzalem van de achtste eeuw v. Chr. dat Achnaton, Psalm 104 geleend heeft en er een slechte kopie van gemaakt.

     

    Een mogelijke bron van inspiratie voor Achnaton was zijn moeder Teje, die een dochter van Joeja was, de luitenant generaal van het Egyptische leger onder Amonhotep III, en vermoedelijk een Israëliet. Over Joeja schreef ik eerder op dit blog een artikel op 27-09-2014: Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1411336800&stopdatum=1411941600

     

     

    Joeja was een Aziaat die het in Egypte tot generaal van de strijdwagens schopte. Hoe dat mogelijk was verklaarde ik in het aangehaalde artikel door de eerdere acties van koning Uzzia in Egypte. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, de hoofdstukken; Kroniek van koning Uzzia blz. 279, de archeologische site in Egypte te TELL EL DABA, identificeer ik de Aziatische veldheer Arsu uit het bekende Harris-papyrus (British Museum) met koning Uzzia van Juda die gedurende een hele tijd Egypte overheerst heeft. De Bijbel leert dat de roem en macht van koning Uzzia tot in Egypte reikte:

     

    2 Kronieken 26: 6 …Hij trok uit en streed tegen de Filistijnen, slechtte de muren van Gat, Jabne en Asdod en bouwde versterkingen bij Asdod en in het gebied der Filistijnen. 7 God hielp hem tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten. 8 De Ammonieten brachten Uzzia schatting. En tot in Egypte verbreidde zich zijn roem, want hij klom tot een toppunt van macht.

     

    Arsu was volgens het Harris-papyrus een veldheer uit Klein-Azië die met een leger van ongeveer tweehonderdduizend soldaten Egypte overheerste. De soldaten werden ‘herders van Jeruzalem’ genoemd en zij verwoestten de tempels van Egypte en verbrandden hun steden. Offeren aan de goden van Egypte was tijdens deze overheersing verboden.

     

    Dat een man als Joeja zulk een hoge positie in Egypte kon bekleden wijst vermoedelijk op een bondgenootschap tussen Uzzia/Arsu en Thothmosis IV, de voorganger van Amonhotep III. Met de hulp van Arsu/Uzzia kon hij in de Nijldelta orde op zaken brengen. De in het noorden ingeweken Libiërs (de 22ste dynastie) werden vanaf 784 v. Chr. (volgens de gereviseerde chronologie) de bondgenoten van Thothmosis IV en kregen hun plaats in de Nijldelta toegewezen. De Nijldelta werd tijdens deze periode een lappendeken van dynastieën die ieder over hun gedeelte van Egypte heersten. Zo regeerde ook de vierentwintigste dynastie onder de farao ’s Tefnakht en Bocchoris tijdens deze periode over haar deel van Egypte. Over de vierentwintigste dynastie schreef ik een hoofdstuk in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 301.

     

    Het is na de dood van koning Uzzia dat het Judese leger uit Egypte werd teruggetrokken. Het is Flavius Josephus die een indicatie naar de datum van de terugtrekking geeft. In zijn boek ‘Tegen de Griek Apion, Boek II.2, haalt Josephus uit naar Apion omdat die de exodus van de Israëlieten uit Egypte verkeerd dateerde. Apion beweerde namelijk dat de exodus geschiedde ten tijde van de zevende olympiade. En een zekere Lysimachus beweerde dat de exodus geschiedde ten tijde van de regering van farao Bocchoris. Het ging mij bij het bestuderen van dit alles, door het hoofd dat de tegenstanders van Josephus het niet hadden over de exodus ten tijde van Mozes in 1483 v. Chr., maar in de plaats daarvan verwezen naar de aftocht van het Judese leger van Uzzia uit Egypte in de achtste eeuw v. Chr. En Apion levert door zijn verwisseling van de beide historische feiten in wezen het jaartal van de terugtrekking van het leger van Uzzia uit Egypte: 748 v. Chr. Tot dit jaartal arriveren we door te rekenen vanaf de eerste olympiade in 776 v. Chr. Zeven maal vier jaar per olympiade later, geeft als resultaat het jaar 748 v. Chr. voor de aftocht van het leger van Uzzia/Arsu. Het is het jaar ook dat Bocchoris de troon met Tefnakht deelde.

     

    In het hier geschetste ‘variant’ behoorde Joeja tot het leger van Azarja/Arsu, die na de terugtrekking van het Judese leger uit Egypte zijn militaire functie aan het hof van farao behield en verder uitoefende.

     

    Maar volgens de schaarse bronnen die na de beeldenstorm door farao Horemheb zijn overgebleven, blijkt dat er nog meer Aziaten op hoge posten tijdens de regeerperiode van Amonhotep III en IV, aanwezig waren. Zo is er een verwijzing naar een ‘Janammoe’, een hoge staat-functionaris, en verder een vizier met de naam Aper-el. In deze laatste naam herkennen we in ‘El’ een Bijbelse naam van de HERE God. Aper-el zou aldus een Israëliet geweest kunnen zijn. Belangrijk is dat hij naast vizier ook ‘vader van de godheid’ genoemd werd, wat hem op religieus gebied zeer belangrijk maakt.

     

     

    Tempelreliëfs die bewaard bleven tonen aan dat Achnaton ook Aziatische soldaten als lijfwacht in dienst had. De Egyptologie catalogeert de afbeelding hierboven als van een west-Aziatisch soldaat. In het gereviseerde plaatje naar de achtste eeuw v. Chr. is dit de afbeelding van een Joodse soldaat in dienst bij Achnaton. Ik wees er al eerder op dat Achnaton zijn nieuwe eredienst ‘manu militari’ afdwong.

     

    Achnaton begon zijn koningschap met de naam van zijn vader Amonhotep. Hij was de tweede zoon van Amonhotep III. Zijn broer was vroegtijdig gestorven en zo ging de kroon naar de zonderling Amonhotep IV. In het vijfde jaar van zijn regeerperiode veranderde hij zijn naam van Amonhotep IV naar Achnaton en bovendien verbood hij de eredienst aan de god Amon en liet alle ‘manu militari’ tempels sluiten. De naam Achnaton betekende ‘dienaar van Aton’ en zo wenste hij aangesproken te worden. In het zesde jaar van zijn regeerperiode verhuisde hij vanuit Thebe naar zijn nieuw gebouwde residentie nabij het huidige Amarna in Egypte: Achetaton. En in de nieuwe hoofdstad ontving hij in zijn twaalfde regeringsjaar hoogwaardigheidsbekleders uit heel zijn rijk (Donald B. Redford, Akhenaten, The Heretic King, 1984, Chapter 11, Of Politics and Foreign Affairs). De ketterkoning ging zijn eigen weg, wat hem tot de meest gehate persoon in de geschiedenis van Egypte maakte. Hij zou na zijn dood opgevolgd worden door Smenkhkare en deze door de bekende Toetanchaton. Deze laatste farao zou zijn naam wijzigen naar Toetanchamon en de eredienst aan de god Amon herstellen. Na de dood van Toetanchamon regeerde farao Eje voor een korte periode waarna generaal Horemheb de macht naar zich toetrok en een ware beeldenstorm in Egypte ontketende. Zo wat alles wat herinnerde aan de periode van de Aton-ketters werd vernietigd wat resulteerde in een ‘damnatio memoriae’ voor het Egypte van deze periode. Het resultaat is dat wat we vandaag over deze periode weten, heel fragmentarisch is.

     

     

    De god Aton werd afgebeeld als een zonneschijf waarvan de beschermende (?) stralen eindigden in handjes die de anch-hiëroglief vasthielden. En ‘anch’ stond voor ‘leven’. De nieuwe god en godsdienst van farao Achnaton was echter niet zo nieuw. Zo bezitten we (British Museum) een grote scarabee van Achnaton ’s grootvader Thothmosis IV met een tekst waarin de god Aton al genoemd wordt. Het ‘nieuwe’ bij Achnaton was dat hij Aton zelfstandig ging aanbidden. En hij alleen had toegang tot Aton, wat een intermediair priesterschap overbodig maakte. Dit maakte hem voor Egypte tot een soort antichrist – avant la lettre.

     

    De regeerperioden van de Aton-vereerders vaststellen is geen eenvoudige opdracht. Het zijn alleen enkele monumenten (of wat er van overblijft) die enige indicatie kunnen geven. Op de bekende Egyptische koningslijsten komen hun namen niet voor; zo gehaat waren ze na hun dood, in de oudheid al. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Mykerinos – Toetanchamon, blz. 345-354, breng ik een alternatieve rangschikking op de tijdsbalk.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    23-04-2015 om 09:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE CHRONOLOGIE VAN HET BIJBELBOEK JESAJA

    Jesaja 1: 1 Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. 3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. 4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. 5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. 6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. 7 Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. 8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad. 9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. (Statenvertaling)

     

     

    De profeet Jesaja begon zijn bediening tijdens de regeerperiode van koning Uzzia van Juda en profeteerde vervolgens tijdens de regeerperioden van de koningen Jotham, Achaz en Hizkia. De bedoeling met dit artikel (en de te volgen) is de bediening van de profeet Jesaja te dateren en chronologisch op de tijdsbalk te rangschikken. Wanneer we het eerste hoofdstuk hebben doorgenomen, blijkt dat de bediening van Jesaja een aanvang nam na een meganatuurcatastrofe die het land Juda toen getroffen had. Naar de meganatuurcatastrofe ten tijde van de profeet Jesaja verwijst ook de profeet Zacharia wanneer deze de dag des HEEREN en komst van de Here HERE op de Olijfberg te Jeruzalem beschrijft:

     

    Zacharia 14:1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! 2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. 3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. 4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. 5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!

    6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. 7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. (Statenvertaling)

     

    De profetie van Zacharia hoofdstuk 14 is uitgebreider en gaat tot en met vers eenentwintig. Ik breek bij vers zeven af om uitsluitend de aandacht te vestigen op vers vijf waar de profeet de omvang van de ramp en de toekomstige vlucht van de Joden beschrijft, ten tijde van de Apocalyps wanneer de Verenigde Natiën volgens vers twee, het land zullen binnenvallen en Jeruzalem innemen. De profeet Zacharia beschrijft de toekomstige vlucht tijdens een aardbeving, zoals ten tijde van koning Uzzia, als apocalyptisch, en onderlijnt het destructieve karakter van de beschreven meganatuurcatastrofe.

     

    De regeerperiode van koning Uzzia heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579,

    hoofdstuk: De kroniek van koning Uzzia van Juda: blz. 279, uitgewerkt en op de tijdsbalk verankerd met de jaren: 803/750 v. Chr.

     

    Het dateren van de meganatuurcatastrofe doen we met de hulp van de andere Bijbelboeken en de Joodse historicus uit de eerste eeuw van onze tijdrekening: Flavius Josephus.

     

    Het begin van de regeerperiode van Uzzia betekende voor het land Juda aanvankelijk een tijd van materiele voorspoed.

     

    2 Kronieken 26:6 Hij (Uzzia) trok uit en streed tegen de Filistijnen, slechtte de muren van Gat, Jabne en Asdod en bouwde versterkingen bij Asdod en in het gebied der Filistijnen. 7 God hielp hem tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten. 8 De Ammonieten brachten Uzzia schatting. En tot in Egypte verbreidde zich zijn roem, want hij klom tot een toppunt van macht.

     

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, De archeologische site in Egypte te Tell el Daba, blz. 285, beschrijf ik hoe Uzzia hoogstwaarschijnlijk geïdentificeerd kan worden met de Aziatische veldheer Arsu die volgens het Egyptische Harris-papyrus voor een tijd Egypte overheerst heeft.

     

    Maar aan dit alles kwam een einde in oktober van het jaar 776 v. Chr. wanneer een hoogmoedige koning Uzzia vermoedelijk met Jom Kippoer, meende niet alleen als koning maar ook als hogepriester kunnen optreden. Het resultaat was dat hij met melaatsheid geslagen werd en de volgende vijfentwintig jaar tot aan zijn dood in quarantaine geplaatst.

     

    2 Kronieken 26:16 Maar toen hij machtig geworden was, werd zijn hart zo hoogmoedig, dat hij zeer snood handelde en ontrouw werd jegens de HERE, zijn God, door de tempel des HEREN binnen te gaan om op het reukofferaltaar reukwerk te ontsteken. 17 Maar de priester Azarja ging hem achterna en met hem tachtig priesters des HEREN, flinke mannen, 18 en zij stelden zich tegenover koning Uzzia en zeiden tot hem: U komt het niet toe, Uzzia, reukwerk te ontsteken voor de HERE, maar de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk te ontsteken. Ga uit het heiligdom, want gij zijt ontrouw en het zal u niet tot eer gerekend worden door de HERE God. 19 Toen werd Uzzia toornig; het wierookvat om reukwerk te ontsteken was in zijn hand. En terwijl hij tegen de priesters toornde, brak de melaatsheid uit aan zijn voorhoofd ten aanschouwen van de priesters, in het huis des HEREN bij het reukofferaltaar. 20 De hogepriester Azarja en al de priesters keerden zich naar hem toe en zie, hij was melaats aan het voorhoofd; toen dreven zij hem haastig vandaar weg, en ook hij zelf haastte zich naar buiten te gaan, want de HERE had hem geslagen. 21 Koning Uzzia nu was melaats tot de dag van zijn dood. En als melaatse woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was uitgesloten van het huis des HEREN. Zijn zoon Jotam beheerde het paleis des konings en bestuurde het volk des lands. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het laatste vers van het hiervoor geciteerde hoofdstuk maakt duidelijk dat koning Uzzia in quarantaine geplaatst werd en dat zijn zoon in zijn plaats het paleis beheerde en het land bestuurde. Een jaartal geeft de Kroniekschrijver niet op. Maar zowel THE LEGENDS OF THE JEWS gecompileerd door Louis Ginzberg als de SEDER OLAM vermelden een periode van vijfentwintig jaar dat de zoon van Uzzia: Jotham als co-regent optrad.

     

    Het officiële laatste regeringsjaar van Uzzia op de tijdsbalk was het jaar okt751/sep750 v. Chr. Wanneer we vanaf dit jaartal vijfentwintig jaar terugrekenen arriveren we in de maand oktober van het jaar 776 v. Chr.

     

     

    Toevallig is dit het jaartal van de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken, als dank naar hun goden toe voor de afgewende ramp, lees meganatuurcatastrofe. Ook over Nineveh werd in 776 v. Chr. een ramp afgewend. Zie het artikel van 29-01-2014 op dit blog: De Profeet Jona te Nineveh. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1390777200&stopdatum=1391382000 en scrol naar beneden.

     

    We kunnen er echter van uitgaan dat planeet aarde er niet overal zonder kleerscheuren dat jaar van af kwam. In Juda vond op het moment dat koning Uzzia de rol van hogepriester wilde vervullen een aardbeving plaats zoals de historicus Flavius Josephus rapporteert:

     

    In the meantime a great earthquake shook the ground and a rent was made in the temple, and the bright rays of the sun shone through it, and fell upon the king's face, insomuch that the leprosy seized upon him immediately. And before the city, at a place called Eroge, half the mountain broke off from the rest on the west, and rolled itself four furlongs, and stood still at the east mountain, till the roads, as well as the king's gardens, were spoiled by the obstruction. Now, as soon as the priests saw that the king's face was infected with the leprosy, they told him of the calamity he was under, and commanded that he should go out of the city as a polluted person. Hereupon he was so confounded at the sad distemper, and sensible that he was not at liberty to contradict, that he did as he was commanded, and underwent this miserable and terrible punishment for an intention beyond what befitted a man to have, and for that impiety against God which was implied therein. So he abode out of the city for some time, and lived a private life, while his son Jotham took the government; after which he died with grief and anxiety at what had happened to him, when he had lived sixty- eight years, and reigned of them fifty-two; and was buried by himself in his own gardens.

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek IX,x.4)

     

    De combinatie van de hiervoor aangehaalde bronnen levert het jaar 776 v. Chr. voor de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van Uzzia, en het jaar van het begin van het optreden van de profeet Jesaja, op.

     

    De eerste vijf hoofstukken van de profeet Jesaja handelen over de laatste vijfentwintig jaar van Uzzia terwijl zijn zoon Jotham als co-regent optreedt. Het zesde hoofdstuk van de profeet Jesaja begint namelijk met:

     

    Jesaja 6:1 In het sterfjaar  van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2 Serafs  stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. 3 En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der  heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. 4 En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het sterfjaar van Uzzia, hebben we al gezien viel in september/oktober 750 v. Chr. Zie ook het artikel op dit blog van 06-02-2014: De chronologie van de koningen van Israël en Juda. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1391382000&stopdatum=1391986800

     

    De volgende chronologische vermelding in het Bijbelboek Jesaja vinden we in hoofdstuk zeven:

     

    Jesaja 7:1 Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

     

    De oorlog van het tienstammenrijk in alliantie met Aram tegen Juda heb ik gedateerd in het jaar 736 v. Chr. Zie mijn studie: TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: ..binnen nog vijfenzestig jaar zal Efraïm verbroken worden zodat het geen volk meer is, blz. 295.

     

     

    Ik herhaal dat ik met deze artikelenreeks het accent op chronologie leg en minder op de boodschap zelf, van de profeet Jesaja. Voor wie meer informatie wil vergaren kan ik de volgende (Engelstalige) websites aanbevelen: zie link:

    http://www.biblestudytools.com/commentaries/scofield-reference-notes/isaiah/

    en

    http://www.companionbiblecondensed.com/OT/Isaiah.pdf

     

    Een andere voortreffelijke studie is het werk van: R. BEEN sr., CHRISTUS in het boek JESAJA, 1968, Winschoten. Het boek is vandaag nog in bepaalde antiquariaten op het internet te verkrijgen. Ik heb het boek veertig jaar geleden aangeschaft en gebruik het heden nog altijd als naslagwerk. Het boek brengt de boodschap van de profeet Jesaja in de historische context en leert verder een toekomstig derde herstel van Israël in het oude land der vaderen; geestelijk en nationaal.

     

    Het volgende ankerpunt ter tijdsbepaling voor de bediening van de profeet Jesaja vinden we in het veertiende hoofdstuk van het Bijbelboek:

     

    Jesaja 14:28 In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last. 29 Verheug u niet, gij gans Filistea! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn. 30 En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen. 31 Huil, gij poort, schreeuw, gij stad! gij zijt gesmolten, gij gans Filistea! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten. 32 Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de HEERE Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten Zijns volks een toevlucht daarin hebben zouden.

     

     

    Het jaar dat koning Achaz van Juda stierf was het voorjaar van 722 v. Chr. Sinds het begin van de bediening van Jesaja in oktober 776 v. Chr. waren er 54 jaar en 6 maanden verlopen. Deze tijdsperiode sluit aan bij de cyclus van meganatuurcatastrofes die Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in hun studie; ‘The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973, onder de aandacht brachten.

     

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, blz. 331, pas ik hun bevindingen in het gereviseerde tijdschema aan. Het is een Joodse overlevering die leert dat een meganatuurcatastrofe de aarde trof op de dag van het overlijden van koning Achaz van Juda.

     

    While the northern kingdom was rapidly descending into the pit of destruction, a mighty upward impulse was given to Judah, both spiritually and materially, by its king Hezekiah. In his infancy the king had been destined as a sacrifice to Moloch. His mother had saved him from death only by rubbing him with the blood of a salamander, which made him fire-proof. In every respect he was the opposite of his father. As the latter is counted among the worst of sinners, so Hezekiah is counted among the most pious of Israel. His first act as king is evidence that he held the honor of God to be his chief concern, important beyond all else. He refused to accord his father regal obsequies; his remains were buried as though he had been poor and of plebeian rank. Impious as he was, Ahaz deserved nothing more dignified. God had Himself made it known to Hezekiah, by a sign, that his father was to have no consideration paid him. On the day of the dead king's funeral daylight lasted but two hours, and his body had to be interred when the earth was enveloped in darkness.

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther.

     

    Betreffende het mechanisme dat verantwoordelijk was voor dit fenomeen gaf wijlen Dr. Immanuël Velikovsky (Worlds in Collision, 1950) in de tweede helft van de twintigste eeuw, de aanzet tot een kosmologische studie die sindsdien door meerdere vak-wetenschappers is verdergezet. Het is volgens deze studie de planeet Mars die in de achtste eeuw voor Christus verantwoordelijk was dat planeet aarde in haar loop rond de zon periodiek verstoord werd met iedere keer de daarmee gepaard gaande catastrofes. Deze boosdoener werd door de volkeren van de oudheid vergoddelijkt en kreeg van hen diverse namen zoals: Ares bij de Grieken, Tyr bij de Germanen, Horus in Egypte, Baal of Bel in Klein-Azië, Indra in India en MARS bij de Romeinen.

     

    De hiervoor vermelde volkeren verwijzen in hun bewaarde geschriften allen naar een cyclus van rampen die de wereld getroffen hebben met intervallen van 54 en 108 jaar. Het is volgens Patten en zijn medewerkers zelfs nauwkeurig te berekenen tot 54 jaar en 6 maanden met iedere keer een planetaire interactie tussen de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium.

     

    Wanneer men het jaartal 776 v. Chr. als ankerjaar en navigatiepunt gebruikt en vanaf hier 54 jaar op de tijdsbalk naar voor en naar achter rekent arriveert men in de jaren 830 en 722 v. Chr. Het verkregen jaartal 722 v. Chr. is hier opmerkelijk omdat dit jaar volgens de nieuwe chronologie de dood zag van koning Achaz, de vader van Hizkia, met een historische vermelding in ‘The Legends of the Jews’, naar een kosmisch fenomeen.

     

    Over dit onderwerp ga ik uitgebreid in, met mijn werk TIJD en TIJDEN, blz. 331, de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus.

     

    De volgende tijdsbepaling in het Bijbelboek Jesaja vinden we in het twintigste hoofdstuk:

     

    Jesaja 20:1 In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrië gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod, en het innam; 2 Ter zelfder tijd sprak de HEERE, door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande naakt en barrevoets. 3 Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; 4 Alzo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, den Egyptenaren tot schaamte. 5 En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem. 6 En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan dien, op welken wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen?

     

    Het jaartal dat de Tartan van de koning van Assur; Sargon II, tegen Asdod oprukte heb ik in mijn werk ‘De Assyriologie herzien, 2012’, geplaatst in het jaar 720 v. Chr. De profeet Jesaja liep in 720 v. Chr. voor het derde jaar op rij al blootvoet door het land, als een teken naar Egypte en Ethiopië (Morenland) toe, dat uiteindelijk ook door Assyrië weggevoerd zou worden. Het was op de grootmacht Egypte dat Juda en Israël tijdens deze epoque hun vertrouwen stelden en niet op de HERE God.

     

    De veldtocht naar Asdod liep gelijk met het oprukken van het leger van Salmaneser V naar Samaria. In mijn revisie zijn de koningen Salmaneser V en Sargon II contemporain met Sargon II ondergeschikt aan Salmaneser V. We kunnen ons voorstellen dat bij Megiddo de legers zich splitsten. Salmaneser trok naar Samaria voor een belegering die drie jaar tot 717 v. Chr. zou aanslepen en Sargon II rukte op naar Asdod, Gaza en Raphia. Nabij deze laatste plaats werd slag geleverd met het leger van Egypte onder leiding van Sibu. Deze Sibu, wat een Assyrische versie van een Egyptische naam is, is dezelfde als de in de Bijbel genoemde farao So, op wie de laatste koning van het tienstammenrijk Hosea voor uitkomst vertrouwde. Sibu en So zijn ook dezelfde als de farao Sethoos die Herodotus voor deze periode als farao over Egypte duidt.

     

     

    Zie TIJD en TIJDEN, hoofdstuk: Wie was So, farao van Egypte ten tijde van de val van Samaria, blz. 307. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    16-04-2015 om 21:29 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EEN JONGVOLWASSEN MOZES ALS GENERAAL VAN HET EGYPTISCHE LEGER

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek II,x.1-2 (vertaling van het Grieks naar het Engels door William Whiston, 1667/1752)

    HOW MOSES MADE WAR WITH THE ETHIOPIANS,

    1. MOSES, therefore, when he was born, and brought up in the foregoing manner, and came to the age of maturity, made his virtue manifest to the Egyptians; and showed that he was born for the bringing them down, and raising the Israelites. And the occasion he laid hold of was this: - The Ethiopians, who are next neighbors to the Egyptians, made an inroad into their country, which they seized upon, and carried off the effects of the Egyptians, who, in their rage, fought against them, and revenged the affronts they had received from them; but being overcome in battle, some of them were slain, and the rest ran away in a shameful manner, and by that means saved themselves; whereupon the Ethiopians followed after them in the pursuit, and thinking that it would be a mark of cowardice if they did not subdue all Egypt, they went on to subdue the rest with greater vehemence; and when they had tasted the sweets of the country, they never left off the prosecution of the war: and as the nearest parts had not courage enough at first to fight with them, they proceeded as far as Memphis, and the sea itself, while not one of the cities was able to oppose them. The Egyptians, under this sad oppression, betook themselves to their oracles and prophecies; and when God had given them this counsel, to make use of Moses the Hebrew, and take his assistance, the king commanded his daughter to produce him, that he might be the general (22) of their army. Upon which, when she had made him swear he would do him no harm, she delivered him to the king, and supposed his assistance would be of great advantage to them. She withal reproached the priest, who, when they had before admonished the Egyptians to kill him, was not ashamed now to own their want of his help.

     

    2. So Moses, at the persuasion both of Thermuthis and the king himself, cheerfully undertook the business: and the sacred scribes of both nations were glad; those of the Egyptians, that they should at once overcome their enemies by his valor, and that by the same piece of management Moses would be slain; but those of the Hebrews, that they should escape from the Egyptians, because Moses was to be their general. But Moses prevented the enemies, and took and led his army before those enemies were apprized of his attacking them; for he did not march by the river, but by land, where he gave a wonderful demonstration of his sagacity; for when the ground was difficult to be passed over, because of the multitude of serpents, (which it produces in vast numbers, and, indeed, is singular in some of those productions, which other countries do not breed, and yet such as are worse than others in power and mischief, and an unusual fierceness of sight, some of which ascend out of the ground unseen, and also fly in the air, and so come upon men at unawares, and do them a mischief,) Moses invented a wonderful stratagem to preserve the army safe, and without hurt; for he made baskets, like unto arks, of sedge, and filled them with ibes, (23) and carried them along with them; which animal is the greatest enemy to serpents imaginable, for they fly from them when they come near them; and as they fly they are caught and devoured by them, as if it were done by the harts; but the ibes are tame creatures, and only enemies to the serpentine kind: but about these ibes I say no more at present, since the Greeks themselves are not unacquainted with this sort of bird. As soon, therefore, as Moses was come to the land which was the breeder of these serpents, he let loose the ibes, and by their means repelled the serpentine kind, and used them for his assistants before the army came upon that ground. When he had therefore proceeded thus on his journey, he came upon the Ethiopians before they expected him; and, joining battle with them, he beat them, and deprived them of the hopes they had of success against the Egyptians, and went on in overthrowing their cities, and indeed made a great slaughter of these Ethiopians. Now when the Egyptian army had once tasted of this prosperous success, by the means of Moses, they did not slacken their diligence, insomuch that the Ethiopians were in danger of being reduced to slavery, and all sorts of destruction; and at length they retired to Saba, which was a royal city of Ethiopia, which Cambyses afterwards named Mero, after the name of his own sister. The place was to be besieged with very great difficulty, since it was both encompassed by the Nile quite round, and the other rivers, Astapus and Astaboras, made it a very difficult thing for such as attempted to pass over them; for the city was situate in a retired place, and was inhabited after the manner of an island, being encompassed with a strong wall, and having the rivers to guard them from their enemies, and having great ramparts between the wall and the rivers, insomuch, that when the waters come with the greatest violence, it can never be drowned; which ramparts make it next to impossible for even such as are gotten over the rivers to take the city. However, while Moses was uneasy at the army's lying idle, (for the enemies durst not come to a battle,) this accident happened: - Tharbis was the daughter of the king of the Ethiopians: she happened to see Moses as he led the army near the walls, and fought with great courage; and admiring the subtility of his undertakings, and believing him to be the author of the Egyptians' success, when they had before despaired of recovering their liberty, and to be the occasion of the great danger the Ethiopians were in, when they had before boasted of their great achievements, she fell deeply in love with him; and upon the prevalency of that passion, sent to him the most faithful of all her servants to discourse with him about their marriage. He thereupon accepted the offer, on condition she would procure the delivering up of the city; and gave her the assurance of an oath to take her to his wife; and that when he had once taken possession of the city, he would not break his oath to her. No sooner was the agreement made, but it took effect immediately; and when Moses had cut off the Ethiopians, he gave thanks to God, and consummated his marriage, and led the Egyptians back to their own land.

     

    (22) This history of Moses, as general of the Egyptians against the Ethiopians, is wholly omitted in our Bibles; but is thus by Irenaeus, from Josephus, and that soon after his own age: — "Josephus says, that when Moses was nourished in the palace, he was appointed general of the army against the Ethiopians, and conquered them, when he married that king's daughter; because, out of her affection for him, she delivered the city up to him." See the Fragments of Irenaeus. ap. edit. Grab. p. 472. Nor perhaps did St. Stephen refer to anything else when he said of Moses, before he was sent by God to the Israelites, that he was not only learned in all the wisdom of the Egyptians, but was also mighty in words and in deeds, Acts 7:22.

     

    (23) Pliny speaks of these birds called ibes; and says, "The Egyptians invoked them against the serpents," Hist. Nat. B. X. ch. 28. Strabo speaks of this island Meroe, and these rivers Astapus and Astaboras, B. XVI. p. 771, 786; and B XVII. p. 82].

     

     

    Het is alleen de oudheidhistoricus Flavius Josephus die het verhaal van Mozes als generaal van het Egyptische leger brengt. De Bijbel zwijgt over dit feit. Hoewel Stefanus in het Bijbelboek Handelingen misschien een hint in die richting geeft:

     

    Handelingen 7:20 Te dien tijde werd Mozes geboren en hij was schoon voor God; drie maanden werd hij opgevoed in zijns vaders huis. 21 En toen hij te vondeling was gelegd, nam de dochter van Farao hem aan en liet hem als haar eigen zoon opvoeden. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken. 23 Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op, naar zijn broeders, de kinderen Israëls, om te zien. (NBG Vertaling 1951)

     

    Flavius Josephus beschrijft de invasie van Egypte door de Ethiopiërs, die vanuit het zuiden helemaal naar Memfis oprukten en daarna zelfs de Middellandse Zee bereikten. Het Egyptische leger was eerder in het zuiden aan de grens verslagen en het land lag als een gevolg open voor de Ethiopiërs die schijnbaar moeiteloos tot Beneden-Egypte konden doorstoten. Egypte leek verloren. Radeloos raadpleegden de Egyptenaren hun orakels en profetieën, naar een oplossing. Josephus schrijft dat God farao adviseerde om de Hebreeër Mozes tot generaal over het leger aan te stellen. Daarna lezen we dat Mozes de opdracht van farao aanvaard en het Egyptische leger over land, tegen de Ethiopiërs laat oprukken. De Ethiopiërs worden verslagen en naar hun land teruggedreven. Vervolgens rukt Mozes Ethiopië binnen en belegerd hun hoofdstad Saba. Een belegering die door Josephus, als een gevolg van de ligging aan de Nijl daar, de zijrivieren en de versterkingswerken van de stad, als zeer moeilijk beschreven wordt. De verovering van Saba door Mozes werd pas mogelijk wanneer de dochter van de koning van de Ethiopiërs met de (Griekse) naam Tharbis, de stad aan Mozes uitleverde op voorwaarde dat hij onder eed beloofde haar tot vrouw te nemen. Mozes stemde toe, veroverde de stad en keerde met zijn Ethiopische vrouw en het leger naar Egypte terug. Dat Mozes een Ethiopische vrouw had lezen we in het Bijbelboek Numeri 12:1 Mirjam nu sprak met Aäron over Mozes naar aanleiding van de Ethiopische vrouw, die hij genomen had, want hij had een Ethiopische vrouw genomen,…

     

    De bedoeling van dit artikel is het verhaal van Flavius Josephus op zijn historische waarheid te toetsen, en op de tijdsbalk te plaatsen. Zoals eerder opgemerkt is het alleen Flavius Josephus die ons deze geschiedenis overlevert. Vooreerst moet ik opmerken dat de benaming Ethiopië uit de oudheid niets van doen heeft met de moderne staat Ethiopië in Oost-Afrika. Het Ethiopië van de oudheid plaatsen we op een moderne kaart in het noorden van Soedan. De beschreven hoofdplaats Saba werd veel later door de Pers Kambyses omgedoopt naar Meroë en ligt in de Soedan. In de grondtekst van de Bijbel staat er Kus, wat met Ethiopië vertaald werd. Kus was een zoon van Cham, één van de drie zonen van Noach (Genesis 10:6-7). En uit Kus was Nimrod voortgekomen, een tegenstander van Sem, uit wiens lijn de Israëlieten waren voortgekomen. En vandaar vermoedelijk de tegenspraak van de zuster van Mozes; Mirjam in verband met de Ethiopische vrouw Tharbis van Mozes. Ik neem aan dat de veertigjarige Mozes bij zijn vlucht naar Midian, de Ethiopische Tharbis aan het hof van farao heeft achtergelaten. In Midian huwde hij met de dochter van Reüel; Sippora die hem later een zoon baarde; Gersom (Exodus 2:17-22). Veertig jaar later, op tachtigjarige leeftijd werd Mozes door God geroepen om de Israëlieten uit Egypte te leiden en het is vanuit het Bijbelboek Numeri duidelijk dat Mozes bij de Exodus zijn inmiddels bejaarde Ethiopische vrouw Tharbis heeft meegenomen. We moeten hierbij bedenken dat als een gevolg van de tien plagen, het land Egypte volkomen geruïneerd was, en de laatste plaag betekende de dood van al het eerstgeborene in Egypte. De Egyptenaren zouden zich zeker en vast op de Ethiopische vrouw van Mozes gewroken hebben.

     

    Aangezien we geen andere bron hebben om het geschiedenisverhaal van Mozes als generaal van het Egyptische leger, naar waarheid te toetsen blijft alleen de plaatsing op de tijdsbalk over en via deze oefening de toets of het historische kader klopt, in overeenstemming is, met andere historische feiten die bekend zijn. De Engelse vertaler van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks, William Whiston, paste dit in de achttiende eeuw al toe door bijvoorbeeld in zijn vertaling voetnoten met commentaar te plaatsen, verwijzende naar oudheidauteurs zoals Plinius en Strabo om een en ander betreffende de vogel de Ibes en betreffende de ligging van het eiland Meroë te verklaren.

     

    De honderdtwintigjarige levensloop van Mozes is op de tijdsbalk verankerd met de Exodusdatum in het jaar 1483 v. Chr., hij was dan tachtig jaar oud. Zijn geboorte en eerste levensjaar valt aldus in het jaar 1563/1562 v. Chr. De eerste veertig jaar bracht hij als de zoon van farao ’s dochter, aan het hof van farao door. Een dochter die Josephus de (Griekse) naam Thermuthis geeft. Over Mozes, als prins van Egypte schreef ik al eerder op 02-03-2014 op dit blog een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1393196400&stopdatum=1393801200

     

    De invasie van de Ethiopiërs wordt door Josephus geplaatst in het jaar dat Mozes de leeftijd van volwassenheid bereikt had. In de Bijbel is dat vanaf het twintigste levensjaar en deze vaststelling plaatst de invasie van de Ethiopiërs in het jaar 1543 v. Chr. De vlucht naar Midian van Mozes geschiedde twintig jaar later in 1523 v. Chr.

     

    Laat ons nu onderzoeken of dit past in de revisie van de geschiedenis van de oudheid. In mijn werk; TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk Pitom en Raämses, blz. 89.

    (Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579 ),

    geef ik de volgende reconstructie voor de farao ’s van de twaalfde dynastie op de tijdsbalk door:

    Regeringsjaartallen voor Christus:                  Sothis-lijst identificatie:

    Amenemhat I     1693/1664           29              Rameses

    Senwosret I        1664/1619           45               Ramessemenes

    Amenemhat II    1649/1614           35               Usimares

    Senwosret II       1618/1595           23              Ramesseseos

    Senwosret III      1595/1547          48              Ramessameno

    Amenemhat III  1576/1528           48              Ramesse Iubasse

    Amenemhat IV   1531/1523            8              breuk in de lijst

    Sobekneferoe      1523/1519             4

     

    De twaalfde dynastie was volgens de onderzoeker Donovan Courville de dynastie die de farao van de verdrukking leverde; namelijk Senwosret III. Het was de dochter van zijn opvolger Amenemhat III met de (Egyptische) naam Sobekneferoe, die die volgens hem, Mozes als zoon adopteerde en aldus Mozes tot kroonprins van Egypte maakte. Op de tijdsbalk linkt Courville de vlucht van Mozes naar Midian met het einde van de (co)regeerperiode van Amenemhat IV. Ook volgens de orthodoxe egyptologie is het einde van de twaalfde dynastie met heel wat vraagtekens omgeven (Egypt of the pharaohs, Sir Alan Gardiner, 1961, Chapter VI, The rise and fall of the Middle Kingdom, blz.141), en is er een vermoeden van een familievete. Maar indien Courville gelijk heeft zijn we bovendien in bezit van een afbeelding van Mozes in een bewaard beeld van farao Amenemhat IV. Ik schrijf ‘indien’, want ‘absoluut’ bestaat hier geen zekerheid over.

     

     

    In mijn studie van de herziening van de geschiedenis van de oudheid toon ik aan dat het Egyptische Oude Rijk en het Midden-rijk contemporain waren en beide perioden als een gevolg van de exodus en de invasie van de Hyksos/Amalekieten aan hun einde komen. In mijn werk TIJD en TIJDEN, blz. 107, toon ik aan dat farao Senwosret III van de twaalfde dynastie van het Midden-rijk, de handlanger is (en ondergeschikt) van farao Pepi II van de zesde dynastie.

     

     

    Wat de twaalfde dynastie betreft heb ik de ankerpunten die Courville leverde op de tijdsbalk uitgewerkt. De machtige, en tegenwoordig zeer goed gedocumenteerde, farao Senwosret III kwam aan zijn einde in 1547 v. Chr. De geschiedenis die Flavius Josephus brengt met de invasie van Egypte door de Ethiopiërs past hier aldus in het chronologisch raamwerk. Het is na de dood van Senwosret III namelijk goed mogelijk dat de Ethiopiërs enkele jaren later hun kans waagden met de invasie van Egypte. De opvolger van Senwosret III was farao Amenemhat III die daarvoor volgens mijn revisie, al een hele tijd als co-regent de troon met Senwosret III gedeeld had. Over Amenemhat III is heden heel wat minder historische informatie beschikbaar. Zo ook over zijn opvolger Amenemhat IV, een farao over wie blijkbaar nog minder geweten is. Er is aldus ruimte om de geschiedenis, zoals Flavius Josephus die brengt, in te lassen.

     

     

    In het orthodoxe model is het echter ondenkbaar dat ten tijde van de achttiende en/of negentiende dynastie, Mozes als generaal van het Egyptische leger een offensief naar Ethiopië geleidt zou hebben. Volgens het gefabriceerde raamwerk van de orthodoxe egyptologie is farao Seti I een mogelijke kandidaat als de farao van de verdrukking en diens zoon Ramses II als de farao van de Exodus. De regeerperioden van deze farao’s zijn echter heden goed gedocumenteerd en hier bestaat geen vermelding naar (of is er ruimte voor) een door een dochter van farao geadopteerde Aziaat, die het met zijn twintig jaar tot de generaal van het Egyptische leger schopt. Voor Hollywood is dit nooit een probleem geweest. Zij brengen met Mozes als prins van Egypte ten tijde van, en in het historische kader van de negentiende dynastie, een in wezen voor hen fictief verhaal. Orthodoxe Egyptologen halen hierbij de schouders op en zien het louter als entertainment. De Bijbel is voor hen ook louter een godsdienstig boek zonder veel historische waarde.

     

    Alleen het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid plaatst alles in de juiste context en geeft ruimte op de tijdsbalk voor het optreden van Mozes als generaal van het Egyptische leger.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    09-04-2015 om 08:32 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.TIJD en TIJDEN
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    TIJD en TIJDEN

    Robert de Telder

    496 pagina ‘s

    Paperback 16 x 24 cm

    ISBN 978 94 0221 560 1

    Vaste prijs: Euro 24,85

     

    De chronologische oudheidgeschiedenis van Israël, Egypte en Assyrië schematisch op millimeter papier

    Het boek ‘Tijd en Tijden’ neemt u mee op een tijdreis in de geschiedenis vanaf de Grote Vloed van het derde millennium voor Christus tot aan de Openbaring van Jezus Christus aan het begin van het dertigste Jubeljaar in 27/28 AD. Het raamwerk is de Bijbelse geschiedenis via tijdsbalken vanaf het eerste Bijbelboek Genesis tot aan de komst van Christus. Aan de 148 tijdsbalken die het boek bevat werden de koningslijsten van Egypte en Assyrië verbonden en gereviseerd. Door een gedetailleerde inhoudsopgave is het goed mogelijk om het boek als naslagwerk te gebruiken.

     

    Bestellen via: www.boekscout.nl

    Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    03-04-2015 om 13:23 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Egyptische Kadesj is Jeruzalem

    De stad met de Egyptische plaatsnaam Kadesj staat bovenaan een bewaarde stele van farao Thothmosis III. In totaal staan er honderdnegentien namen van steden op vermeld. Steden die farao in Klein-Azië veroverde en schatplichtig maakte.

     

     

    De orthodoxe Egyptologie plaatste Thothmosis III op de tijdsbalk in de vijftiende eeuw voor Christus en dit op basis als een gevolg van het hanteren van hun foutieve Sothis-kalender. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600 en scrol naar beneden naar het artikel: Het Ebers-papyrus.

     

    In mijn nu kortelings te verschijnen nieuw boek TIJD en TIJDEN bij de uitgeverij www.boekscout.nl behandel ik de Sothis-kalender uitvoerig in een afzonderlijk hoofdstuk: De geschiedenis van de geschiedenis, blz.27-41.

     

    Het identificeren van de plaatsnaam Kadesj was/is een moeilijke opdracht voor de orthodoxie. Sommige Egyptologen meenden Kadesj te kunnen identificeren met het Kadesj dat aan de rivier de Orontes in Noord-Syrië ligt, andere kozen voor Kadesj-Naftali in Gallilea. De samenstellers van de ‘The Macmillan Bible Atlas’ kozen voor het plaatsje Kadesh in Gallilea – zie bijgevoegde kaart. Het is een identificatie die tot verlegenheid leidt. Een onbelangrijk plaatsje dat Thothmosis III bovenaan zijn lijst van veroverde steden plaatst? Het probleem was en is dat dit in de vijftiende eeuw v. Chr. onbeduidende plaatsen waren.

     

    De vraag was en is: waarom staat het onbeduidende Kadesj bovenaan de lijst met bijvoorbeeld de belangrijke stad Megiddo in Israël slechts op de tweede plaats?

     

    Het is de verdienste van Dr. I. Velikovsky dit aangekaart te hebben en een oplossing gegeven. In zijn werk ‘Eeuwen in Chaos, 1952, hoofdstuk IV, blz. 173, maakt hij duidelijk dat met Kadesj (wat de heilige betekent) Jeruzalem bedoelt is. Het is Jeruzalem dat Thothmosis III in het vijfde regeringsjaar van koning Rehabeam, de zoon en opvolger van Salomo, plunderde. En het jaar was 961 in de tiende eeuw v. Chr. en niet de foutieve vijftiende eeuw v. Chr.

     

     

    In de revisie van de geschiedenis van de oudheid toont Velikovsky aan dat de eerste farao ’s van de achttiende dynastie tijdgenoten van Saul, David, Salomo en Rehabeam waren. En dat Egypte en Israël aanvankelijk geallieerd waren in hun strijd tegen de Hyksos/Amalekieten. Toen farao Ahmose Egypte vrijvocht van de Hyksos-heerschappij en daarna tegen Avaris, de hoofdplaats van de Hyksos oprukte, deed hij dit in bondgenootschap met Saul van Israël. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1390172400&stopdatum=1390777200 en scrol naar beneden naar het artikel: Waar lag Telaïm en waar lag de stad van Amalek?

     

    Daarna hebben we de link met farao Thothmosis I met wie Salomo zich verzwagerde door een dochter van farao tot vrouw te nemen. In het vijfde regeringsjaar van Thothmosis I rukte farao Kanaän binnen, veroverde Gezer en schonk de stad als bruidsschat aan Salomo. Daarna volgde farao Hatsjepsoet, een dochter van Thothmosis I die de band met Israël/Salomo nog verstevigde.

     

    In TIJD en TIJDEN wordt dit in het hoofdstuk: de koningin van Scheba, blz. 208, belicht.

     

    Na de dood van Hatsjepsoet trok Thothmosis III, die tot dan in de schaduw van zijn regentes de troon gedeeld had, alle macht naar zich toe en begon onmiddellijk aan een reeks jaarlijkse campagnes naar Klein-Azië waarbij hij Juda schatplichtig maakte. De kroon was de plundering van Jeruzalem met zijn derde campagne in 961 v. Chr. Zie hoofdstuk: De Bijbelse farao met de naam Sisak, blz. 220-223, in TIJD en TIJDEN.

     

     

    Uiteindelijk zou Thothmosis III zijn macht tot aan de Eufraat uitbreiden. De stele die hij naliet en bewaard bleef bevat een lijst van honderdnegentien namen, die alle in Palestina te plaatsen zijn. Bovenaan staat de koningsstad Kadesj vermeld. Velikovsky wijst in zijn studie op het feit dat Jeruzalem in de Bijbel op vele plaatsen Kadesj of de heilige genoemd wordt.

     

    2 Kronieken 8: 11 Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is. (Statenvertaling)

     

    Psalm 2:6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.

     

    Joël 3:17 En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.

     

    En het Egyptische Kadesh vinden we ook in de Arabische overlevering terug maar dan verbasterd naar El-Kuds, wat een Arabische naam voor Jeruzalem is.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    02-04-2015 om 10:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-03-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RAMSES III EN DE ZEEVOLKEN

    Met het artikel van vorige week bracht ik de noodlottige dubbele Sothis-kalender van de Egyptoloog Eduard Meyer uit het jaar 1904 onder de aandacht. Noodlottig in die zin omdat de chronologie van de buurvolken aan die van een foutieve Egyptische kalender werd gekoppeld en aldus er zes tot zeven eeuwen naast zit.

    Veel aandacht geef ik in mijn studie aan het oude Israël en de Bijbel ter chronologische rechtzetting van de koningslijsten. Het land Israël is van oudsher een landbrug tussen Afrika en Klein-Azië geweest en haar geschiedenis evenzo verbonden. Maar het is niet alleen de Bijbelse geschiedschrijving die in twijfel wordt getrokken, ook de geschiedschrijving van andere buurvolkeren van Egypte, zoals onder andere de Hethieten en de Griekse wereld worden als een gevolg van hun verankering met de gefabriceerde Egyptische chronologie, getroffen.

     

    Met het nieuwe artikel wil ik de plaatsing van Ramses III op de tijdsbalk onder de aandacht brengen. Als een gevolg van de verankering van de achttiende dynastie op de tijdsbalk op basis van een veronderstelde Sothis-periode van 1460 jaar, van 139 AD terug tot het jaar 1321 v. Chr. belandde de twintigste dynastie in de twaalfde eeuw v. Chr. en kreeg Ramses III van de orthodoxie de regeringsjaren 1182 tot 1151 v. Chr. toebedeeld.

     

    In het achtste en elfde regeringsjaar van Ramses III moest deze prins strijd leveren tegen een invasie van Zeevolken. Zeevolken die vanuit de Griekse eilanden Klein-Azië binnenvielen, het Hethietenland onder de voet liepen en verder langs de Levant richting Egypte oprukten. Het is een strijd die uitvoerig op de muren van Ramses III’ dodentempel te Medinet Haboe afgebeeld en beschreven staat. Ook de Nijldelta was het doel van de Zeevolken. Een zee-invasie die Ramses III kon afslaan.

     

     

    Hoewel Ramses III meldt dat Hatti ofwel het Hethieten-rijk als een gevolg van de invasie van de Zeevolken ten onder ging blijkt nu dat de Assyriërs nog tot in de achtste eeuw v. Chr. naar de Hethieten blijven verwijzen. Wat is hier aan de hand? Het antwoord is vrij simpel: als een gevolg van het hanteren van de foutieve Sothis-kalender door de orthodoxe Egyptologie belandde Ramses III in de twaalfde eeuw v. Chr. in plaats van in de correcte achtste eeuw v. Chr. En er zijn heel wat historische gegevens voorhanden die het mogelijk maken de invasie van de zeevolken in het jaar 712 v. Chr. op de tijdsbalk onder te brengen.

     

    De vader van Ramses III was farao Sethnakht, de veronderstelde grondvester van de twintigste dynastie van Manetho. In mijn boek TIJD en TIJDEN (Wie was ‘So’, farao van Egypte ten tijde van de val van Samaria? Blz. 435-442), dat volgende maand door de uitgeverij Boekscout op de markt wordt gebracht, ga ik uitvoerig op de twintigste dynastie in. Ik toon aan dat de Bijbelse farao So ten tijde van de val van Samaria in 717 v. Chr. te identificeren is met farao Sethoos van de oudheidhistoricus Herodotos en dat zowel So (Hebreeuws) als Sethoos (Grieks) gelijk zijn aan Sethnakht uit Egyptische bron. Ramses III en overige Ramessieden horen aldus in de achtste eeuw v. Chr. thuis.

     

    Farao Sethnakht is identiek met de Sethoos van Herodotos die bij onze oudheidhistoricus een tijdgenoot van de Assyriër Sanherib was. Farao Sethoos werd volgens de historicus Herodotos opgevolgd door twaalf koningen die ik met de Ramessieden van de twintigste dynastie identificeer. In mijn model/reconstructie heersen de farao ‘s Amonhotep III en IV over Egypte met Ethiopiërs, Libiërs en de Ramessieden als geallieerden. Dr. Donovan Courville wijst in zijn werk naar de volgende merkwaardigheid: namelijk dat Manetho alleen de twintigste dynastie vermeldt, bestaande uit twaalf koningen maar geen namen noemt. Het hierna volgende citaat van Courville spreekt boekdelen: “Strangely, these rulers are popularly regarded as representing the total government of Egypt, though, as previously noted, the most outstanding of the group (Ramses III) never claimed to be more than a local prince at Heliopolis.”

     

    De negende en de achtste eeuw voor Christus waren eeuwen van calamiteiten in de vorm van een cyclus van meganatuurcatastrofes die met intervallen van 54 jaar en zes maanden de wereld van de oudheid getroffen hebben. In het jaar 776 v. Chr., het jaar dat de Olympische Spelen van start gingen, werd zulk een meganatuurcatastrofe afgewend. Het was dezelfde aangekondigde meganatuurcatastrofe die de Hebreeuwse profeet Jona in Nineveh moest aankondigen. Maar 54 jaar en zes maanden later trof een volgende meganatuurcatastrofe de oude wereld. Het was het stervensjaar van koning Achaz van Juda, het jaar 722 v. Chr. dat getuige van deze ramp was. Volgens het onderzoek van Dr. I. Velikovsky, gevolgd door de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met (The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973), lag de oorzaak bij een kosmische verstoring van de aarde in haar omloop rond de zon. Uiteindelijk was er aan het einde van de achtste eeuw v. Chr. zelfs een kalenderhervorming nodig die ook historisch vanuit verschillende oudheidbronnen kan geduid worden.

     Het motief van de algemene volksverhuizing van de zeevolken moet bij de cyclus van meganatuurcatastrofes gezocht worden. Het resultaat van deze catastrofes was dikwijls hongersnood als het gevolg van mislukte oogsten.

     

    In Griekenland waren het de Doriërs die vanuit Thessalië de Peloponnesus binnentrokken waar zij een nieuwe stad Argos stichtten. Het was hier dat volgens de overlevering in 748 v. Chr. onder leiding van Pheidon, Olympische Spelen georganiseerd. Volgens Herodotus leefden de Doriërs oorspronkelijk in Thessalië en later in het gebergte van Doris bij de Parnassus. Van Doris uit vielen zij de Pelopponnesus binnen. Hier verwoesten zij de paleizen te Pylos en te Mycene en verdreven de meeste inwoners. Volgens de orthodoxe geschiedschrijving worden deze gebeurtenissen aan de hand van de Egyptische chronologie in de dertiende eeuw v. Chr. gedateerd en laat men hier de zogenaamde duistere eeuwen aanvangen. In het revisionistische model zijn er geen duistere eeuwen maar speelt de tragedie zich in de achtste eeuw v. Chr. af.

     

    Op hun beurt zetten daarop de autochtone volksgroepen zich in beweging en vestigden zich aan de kust van de Egeïsche Zee in Klein Azië. De Griekse legende over hun held Mopsus past als een juist puzzelstukje in deze periode. Volgens de legende leidde Mopsus zijn leger van Colophon, aan de Egeïsche kust, naar Cilicië waar hij zich vestigde. De gevolgde route is dezelfde weg die de zeevolken namen, merkt de orthodoxie op. Als een gevolg van het foutief schikken van de Egyptische Dynastieën op de tijdsbalk zien zij de verbanden niet. Opgravingen te Karatepe in Cilicië hebben een paleis uit omstreeks 700 v. Chr. blootgelegd waarin zich twee grote inscripties bevinden, een in Fenicische, de tweede in Hethietische hiëroglyfen. In beide inscripties beroemt de koning van het paleis zich erop af te stammen van het huis Mps of Mopsos (Dr. Arie Dirkzwager, C&AH January 1987 Volume IX, part 1, Interaction Aftermath of the Trojan War).

     

    Een ander Grieks volk dat Klein Azië binnenrukte waren de Phrygiërs. De Phrygische invallers vestigden hun hoofdstad in Gordium, aan de rivier de Sangarius in westelijk Anatolië en zij namen het omringende gebied als hun vaderland. Een reeks heuvels, die aan de stadsheuvel aansluiten, is bedekt met grafterpen waaronder de heersersfamilies van Gordium begraven zijn. Het geheel wordt beheerst door een enorme grafheuvel van meer dan vijfenveertig meter hoog, die plaatselijk bekend staat als het graf van Midas. Aan hun oostgrens kregen zij contact met het oprukkende Assyrië en wordt in Assyrische annalen naar hen verwezen. In 712 v. Chr. rukten zij samen met de zogenaamde overige zeevolken langs de landroute naar Egypte op.

     

    Hierna geef ik een gedeelte van het relaas zoals Ramses III het heeft laten optekenen:

    "…wat betreft de vreemde landen, zij smeedden een complot op hun eilanden. Plotseling waren alle landen in beweging en her en der op het oorlogspad. Geen land kon standhouden tegen hun wapenen, vanaf Hatti, Kede, Karkemis, Arzawa en Alasjia. Zij werden afgesneden. Een kamp werd op een plaats in Amor opgeslagen. Zij richten de bevolking ervan te gronde en zijn land was als iets, wat nooit bestaan had. Zij trokken voorwaarts naar Egypte, terwijl de vlam voor hen bereid was. Hun bondgenootschap bestond uit Peleset, Tjeker, Sjekelesj, Denyen en Wesjesj. Zij maakten zich meester van de landen tot aan de einden der aarde, vastberaden en vol zelfvertrouwen: "Onze plannen zullen slagen"."

     

     

    Te Medinet Haboe in Boven-Egypte heeft Ramses III zijn overwinning over de zeevolken laten afbeelden. De verschillende rassen van de aanvallers zijn te onderscheiden, net zoals hun klederdracht. Ook valt op dat de aanvallers mager en knokig zijn. Dit wijst op de hongersnood dat deze volken in hun gebieden getroffen had.

     

    De namen van de zeevolken die Ramses III opgeeft kunnen allen met mediterrane groepen die in de achtste eeuw v. Chr. hun intrede in de regio deden, verbonden worden. Zo waren de Shrdn, lange baardige mannen met gehoornde helmen afkomstig uit Sardinië. De Tshkr kunnen in verband gebracht worden met de Sikels uit Sicilië en de Tsshw met hun nauw sluitende hoofddeksels, waren hoogstwaarschijnlijk de Etrusken die door de Grieken Turshenoi werden genoemd. De Peleset kwamen uit Kreta. De Denyen of Danaana zijn volgens mij met de Phrygiërs te identificeren. Zij zijn de 'Danuniyim' met als tussenstation Cilicië alvorens naar de Nijldelta op te rukken. De hint voor de identificatie van de Danaana met de Phrygiërs haalde ik uit een plaatsjesboek met een afbeelding van Phrygische soldaten met rond schild en helm met pluimen.

     

     

    De afbeelding staat op een terracotta paneel dat gewonden werd in een nederzetting te Pazarg, nabij Boghazköy. De helm is identiek met de helm die sommige der zeevolken afgebeeld op de tempelmuren van Ramses III, droegen. De afgebeelde gevederde helmen worden traditioneel als de hoofdtooi van de Peleset gezien en heeft zich in de vakliteratuur en in Hollywood vastgezet. Dezelfde hoofdtooi kan echter ook bij de Tjeker en de Denyen waargenomen worden.

     

    De binnenvallende zeevolken hadden hun hoofdkwartier in Amoerroe gevestigd. Na het afweren van de zee-invasie is Ramses III ook Klein-Azië binnengemarcheerd.

     

     

    Het exacte jaartal van de invasie van de zeevolken in het achtste regeringsjaar van Ramses III is het jaar 712 v. Chr. De over land oprukkende zeevolken baanden zich een weg door Amoerroe of Amor, het hedendaagse Syrië en Israël, vernietigden alles op hun weg, en rukten op naar Egypte. Op de grens tussen Israël en Egypte, te Djahi waarvan de exacte ligging tot op heden onbekend is, werd slag geleverd. Een zegevierende Ramses III rukte daarop naar Amoerroe of Amor op om het basiskamp van de zeevolken aldaar te vernietigen. Namen van veroverde steden in Amoerroe of Amor worden in de annalen van Ramses III niet altijd vermeld. Zo is er sprake van een opmarcheren naar 'de' stad van Arzawa, naar 'de' stad van Amor en er is een vermelding van de stad Tunip die bestormd werd. Tegelijkertijd was er een legeronderdeel dat het tegen de Shosu opnam en de berg van Seïr bestormde.

     

    De hiervoor beschreven campagne van de zeevolken en Ramses' reactie past in het plaatje dat de Bijbel en in het bijzonder het boek Jesaja voor deze tijdspanne weergeeft. De profeet Jesaja hoofdstuk 14:28 geeft een aantal profetieën tegen Filistea, Moab en Damascus. Deze profetieën worden uitgesproken na de dood van Achaz in 722 v. Chr.

    Jesaja 14:31 Jammer, gij poort; schreeuw, gij stad; sidder, gij gans Filistea! Want uit het noorden komt rook en in de gelederen blijft niemand achter.

     

    De beschrijving van de volledige vernietiging van steden hebben we al in de annalen van Ramses III gezien:

     

    "Een kamp werd op een plaats in Amor opgeslagen. Zij richten de bevolking ervan te gronde en zijn land was als iets, wat nooit bestaan had." (Ramses III over de zeevolken).

     

    Het Bijbelrelaas van de profeet Jesaja schetst hetzelfde beeld:

    Jesaja 15:1 Godsspraak over Moab. Waarlijk, in de nacht is Ar-Moab verwoest, verdelgd! Waarlijk, in de nacht is Kir Moab verwoest, verdelgd.

     

    Jesaja 17:1 De Godsspraak over Damaskus. Zie, Damaskus wordt weggenomen, zodat het geen stad meer is; het wordt een puinhoop, een bouwval. Verlaten liggen de steden van Aroër…

     

    En ook het snelle verslaan van de zeevolken vinden we bij de profeet Jesaja van de Bijbel vermeld:

    Jesaja 17:12-14 Het lot der plunderaars. Wee, een rumoer van vele volken, die rumoer maken als rumoerige zeeën, en een gebruis van natiën, die bruisen zoals geweldige wateren bruisen. Natiën bruisen zoals geweldige wateren bruisen, maar dreigt Hij ze, dan vluchten zij ver weg en worden opgejaagd als kaf voor de wind uit en als een werveldistel voor de storm uit. Ten tijde des avonds, zie, daar is verschrikking; voordat het morgen wordt, zijn zij er niet meer. Dit is het deel van hen die ons plunderen, en het lot van hen die ons beroven.

     

    Na het debacle in Egypte vestigden verschillende zeevolken zich aan de kust van de Levant, nabij Asdod en Dor. Zij werden korte tijd later vazallen van Sargon II. Sargon II van Assyrië verwijst in zijn annalen naar een ‘tartan’ van ‘Musri’ = Egypte, meestal Sib’e genoemd. Er zijn echter wetenschappers (Luckenbill, ‘Khorsabad texts’, Ancient records of Assyria and Babylon, Chicago 1929, II, pp.1-27) die menen dat in plaats van Sib’e, Re’e (in het Akkadisch) en/of Ria’a (in het Egyptisch) gelezen zou moeten worden. Een verband met een Ramses ligt dus voor de hand. In mijn model Ramses III. Deze Ramses heeft ook tegen ‘Amor’ gevochten, een archaïsche naam voor Assyrië. In mijn reconstructie is dit het Assyrië van Sargon II.

     Tegelijkertijd wanneer de Doriërs Griekenland binnenrukten en een volksverhuizing op gang brachten, werden de Kimmeriërs uit hun woongebied ten noorden van de Zwarte Zee, door de Scythen uit hun woonplaatsen verjaagd en begonnen de Kimmeriërs aan hun volksverhuizing wat hen over de Kaukasusrug voerde. Hun eerste slachtoffer was het koninkrijk Urartu in Klein-Azië dat rond 715 v. Chr. met een invasie te maken kreeg. De Assyriërs verwijzen tijdens deze periode in hun annalen naar de Kimmeriërs die zij Gimiraa noemden. De Assyrische betekenis van de naam zou zoiets als 'voorwaarts en achterwaarts trekkende volken' betekenen. Van de Assyriërs weten we ook dat de Phrygische koning Midas (Mit ta a) om Assyrische hulp tegen de binnentrekkende Kimmerische horden gevraagd heeft. Dat het de Scythen waren die de Kimmeriërs verdreven hebben weten we van Herodotos.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    24-03-2015 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-03-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE TWEEDE WERELDOORLOG DOOR DE OGEN VAN EEN NEUTRALE BELG
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Mijn boek is op het internet beschikbaar. Voor wie interesse heeft, zie link:

    http://www.bol.com/nl/p/de-tweede-wereldoorlog/9200000040263025/

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder


    Bijlagen:
    1 COVER WWII BOLCOM.jpg (421.8 KB)   

    11-03-2015 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-03-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Salomo ’s huis; Woud van de Libanon


    Artistieke tekening van het ‘Huis van de Libanon’ van Salomo.

     

     

    1 Koningen 7:1 Maar over zijn eigen huis bouwde Salomo dertien jaar; toen had hij zijn gehele huis voltooid. 2 Hij bouwde namelijk het huis: Woud van de Libanon, honderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog, met vier rijen van cederen zuilen, terwijl er gehouwen cederen balken op de zuilen lagen. 3 Het was van boven met cederhout gedekt, op de verdiepingen, die op de zuilen rusten, vijfenveertig (vertrekken), vijftien op een rij. 4 Voorts drie rijen vensters van latwerk, en driemaal een open venster tegenover een open venster. 5 En al de toegangen en de open vensters waren vierhoekig, van houtwerk; driemaal een open venster tegenover een open venster. 6 Ook maakte hij de zuilenhal van vijftig el lengte en dertig el breedte en een hal daarvóór, namelijk zuilen met een vooruitstekend afdak. 7 En hij maakte de troonzaal, waar hij recht sprak, de rechtszaal, die van de vloer tot de zoldering met cederhout bekleed was. 8 Ook zijn woonhuis in de andere voorhof, meer binnenwaarts gelegen dan de zaal, was van hetzelfde maaksel. Salomo maakte ook een huis, gelijk aan deze zaal, voor Farao’s dochter, die hij gehuwd had. 9 Dit alles was van kostbare stenen in de afmeting van gehouwen steen, die zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde met de zaag bezaagd waren, en dat van het fundament af tot de nok toe, en ook van de straat af tot de grote voorhof. 10 Het was gegrondvest op kostbare stenen, grote stenen, stenen van tien el en van acht el. 11 Doch daarboven lagen kostbare stenen, in de afmeting van gehouwen steen, en cederhout. 12 De grote voorhof nu had rondom (een muur) van drie rijen gehouwen stenen en één rij gehouwen cederen balken; en evenzo de binnenste voorhof van het huis des HEREN [en de zaal van het paleis]. 

     

     

    2 Kronieken 9:13 Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, bedroeg zeshonderd zesenzestig (666) talenten goud, 14 behalve wat de handelaars en de kooplieden brachten; ook brachten alle koningen van Arabië en de stadhouders des lands goud en zilver tot Salomo. 15 Tweehonderd grote schilden maakte koning Salomo van geslagen goud, zeshonderd eenheden geslagen goud gebruikte hij voor één groot schild; 16 eveneens driehonderd kleine schilden van geslagen goud, driehonderd eenheden goud gebruikte hij voor één klein schild. De koning plaatste ze in het huis: Woud van de Libanon. 17 Voorts maakte de koning een grote ivoren troon, die hij overtrok met gelouterd goud. 18 De troon had zes treden, een gouden voetbank, die aan de troon bevestigd was, en aan weerszijden van de zitplaats leuningen; twee leeuwen stonden naast de leuningen 19 en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden; nooit was zo iets voor enig koninkrijk gemaakt. 20 Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud, al het gerei van het huis: Woud van de Libanon, was van gedegen goud; zilver werd in de dagen van Salomo niet van waarde geacht.

     

    Naast de beschrijving van de bouw van de Tempel te Jeruzalem is er in de Bijbel ook veel aandacht voor Salomo ’s overige bouwwerken die overigens veel meer tijd in beslag hebben genomen. Het huis ‘Woud van de Libanon’ is in het bijzonder in detail beschreven, zowel de constructie als de schatten die het huisvestte.

     

    De stad Jeruzalem is in haar lange geschiedenis dikwijls van bezetter gewisseld en de stad en Tempel werden daarbij tweemaal grondig verwoest. De eerste maal door de hand van de Babyloniërs in 586 v. Chr. en de tweede maal door de hand van de Romeinen in 70 AD. Geen steen is op de andere blijven staan. De huidige stad Jeruzalem is in de loop der eeuwen op vele meters puin herbouwd.

     

    In het jaar 1040 v. Chr. werd Jeruzalem door David op de Jebusieten veroverd en werd ze de stad van David. Zijn zoon Salomo bouwde er de Tempel waarvan de bouw begonnen werd in april 1003 v. Chr. en zeven jaar later klaar in 996 v. Chr. In het jaar 961 v. Chr. zijnde het vijfde regeringsjaar van Rehabeam, de zoon en opvolger van Salomo, zou Jeruzalem door farao Sisak van Egypte geplunderd worden.

     

    2 Kronieken 12:1 Toen Rehabeam zijn koninklijke macht stevig gevestigd had en sterk geworden was, verliet hij de wet des HEREN, en geheel Israël met hem. 2 Daarom geschiedde het in het vijfde jaar van koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem – want zij waren ontrouw geworden jegens de HERE – 3 met twaalfhonderd wagens en zestigduizend ruiters, terwijl het volk, dat met hem uit Egypte kwam, Libiërs, Sukkieten en Ethiopiërs, niet te tellen was. 4 Hij nam de vestingsteden in, die tot Juda behoorden, en drong door tot Jeruzalem. 5 Toen kwam de profeet Semaja tot Rehabeam en de oversten van Juda, die wegens de komst van Sisak te Jeruzalem bijeen waren, en zeide tot hen: Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Sisak. 6 Hierop verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HERE is rechtvaardig. 7 Toen de HERE zag, dat zij zich verootmoedigd hadden, kwam het woord des HEREN tot Semaja: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdelgen, maar hun spoedig uitredding geven, zodat mijn toorn zich niet over Jeruzalem zal uitstorten door de hand van Sisak. 8 Zij zullen hem echter tot knechten zijn, zodat zij mijn dienst en de dienst van de koninkrijken der landen leren kennen.Sisak dan, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem en nam de schatten van het huis des HEREN én van het huis des konings, alles nam hij. Ook nam hij de gouden schilden die Salomo gemaakt had. 10 Toen maakte koning Rehabeam in plaats daarvan koperen schilden, welke hij toevertrouwde aan de oversten der garde, die wacht hielden aan de ingang van het koninklijk paleis. 11 Zo dikwijls als de koning naar het huis des HEREN ging, kwamen de soldaten der garde ze halen en brachten zij ze weer naar de kamer der garde terug. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Het hierboven geciteerde Bijbelgedeelte vermeldt expliciet dat Sisak naast de Tempel, ook het Huis van Salomo genaamd ‘Woud van de Libanon’ plunderde en de gouden schilden roofde. In totaal driehonderd grote schilden, alle van geslagen goud nam Sisak als buit mee naar Egypte.

     

    De hierna vermelde plaat heb ik uit Dr. Immanuel Velikovsky ’s boek ‘Eeuwen in Chaos, 1952, hoofdstuk IV De tempel te Jeruzalem. De vaten en het meubilair van Salomo ’s tempel, blz 177. De plaat toont een deel van de tempelmuur te Karnak in Egypte van farao Thothmosis III. Op de tempelmuur staat de buit afgebeeld die hij uit Retenoe (Israël) had meegebracht. De oorsprong van de plaat is een historische atlas van een Duitse (van Joodse origine) Egyptoloog; Professor Walter Wreszinski (1880/1935). In detail wordt in de atlas elk voorwerp genummerd, beschreven en geïdentificeerd als zijnde geroofde voorwerpen uit de tempel van Salomo en het huis Woud van de Libanon. Zie link:

    http://www.aegyptologie.com/forum/attachments/archiv/naunakhte/Beitraege/Wreszinski_Tf_33b.pdf

     

     

    Het bewijsmateriaal dat de Egyptoloog; Professor Walter Wreszinski uit primaire bron levert is zo overtuigend dat men niet begrijpt dat de orthodoxe Egyptologie nog altijd de Sothis-kalender hanteert ter plaatsing van de achttiende dynastie in de vijftiende/veertiende eeuw v. Chr. i.p.v. de tiende eeuw v. Chr. . Deze foutieve kalender maakt dat men zo maar even tot zes eeuwen op de tijdsbalk fout zit, en het verband tussen Salomo en Thothmosis III/Sisak mist. In een te volgen artikel breng ik de volledige lijst. In verband met het huidig artikel breng ik alleen de informatie over de driehonderd geroofde gouden schilden van Salomo. Zij staan namelijk op de bovenvermelde afbeelding met een blauwe kader gemarkeerd. In de zevende rij van bovenaan geteld staan drie schrijven, gemerkt met het getal 300, wat wil zeggen dat er driehonderd exemplaren van waren.

     

     

    Hoeveel centimeter gaan er vandaag in een Bijbelse el?

    Dit is niet meer absoluut te achterhalen. Hoewel er toch heel wat hints zijn. Zo zou de sleutel misschien in het oude Egypte te vinden zijn. Zo leert Flavius Josephus bijvoorbeeld dat het Abraham was die de Egyptenaren arythmetic en astronomie bijbracht.

     

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek I, viii.

    1. …… He (pharaoh) also made him (Abram) a large present in money, and gave him leave to enter into conversation with the most learned among the Egyptians; from which conversation his virtue and his reputation became more conspicuous than they had been before.

    2. For whereas the Egyptians were formerly addicted to different customs, and despised one another's sacred and accustomed rites, and were very angry one with another on that account, Abram conferred with each of them, and, confuting the reasoning’s they made use of, every one for their own practices, demonstrated that such reasoning’s were vain and void of truth: whereupon he was admired by them in those conferences as a very wise man, and one of great sagacity, when he discoursed on any subject he undertook; and this not only in understanding it, but in persuading other men also to assent to him. He communicated to them arithmetic, and delivered to them the science of astronomy; for before Abram came into Egypt they were unacquainted with those parts of learning; for that science came from the Chaldeans into Egypt, and from thence to the Greeks also.

     

    Wikipedia: Arithmetic or is the oldest and most elementary branch of mathematics. It consists of the study of numbers, especially the properties of the traditional operations between them — addition, subtraction, multiplication and division. Arithmetic is an elementary part of number theory, and number theory is considered to be one of the top-level divisions of modern mathematics, along with algebra, geometry, and analysis. The terms arithmetic and higher arithmetic were used until the beginning of the 20th century as synonyms for number theory and are, sometimes, still used to refer to a wider part of number theory.

     

    We zouden misschien aldus de Egyptische EL als standaardmaat mogen nemen. De oudheid-el was de lengte vanaf de el boog tot de middenvinger. En omdat dit bij ieder mens verschilt zal er vermoedelijk een standaardmaat gegolden hebben. De Bijbel verwijst bijvoorbeeld naar meer dan één EL-maat:

     

    2 Kronieken 3: 3 Dit is het grondplan van Salomo voor de bouw van het huis Gods: de lengte in ellen naar de oude maat was zestig el en de breedte twintig el.

     

    De tempel was opgetrokken op basis van afmetingen naar ‘de oude maat’. De tempel van Salomo is echter weg en er kunnen vandaag geen afmetingen meer van gemaakt worden. In Egypte daarentegen staan nog wel heel wat tempels en piramiden recht en kunnen afmetingen gemaakt worden.

     

    In de maand nisan 1913 v. Chr. in zijn 75ste levensjaar vertrok Abram vanuit Haran naar Kanaän. De Seder Olam leert dat in dat zelfde jaar er een hongersnood in Kanaän heerste en Abram daarop doortrok naar Egypte, dat vrij van hongersnood was. Hij verbleef daar volgens de Seder Olam gedurende drie maanden vooraleer naar Kanaän terug te keren en zich nabij Hebron te vestigen. In het jaar 1913 v. Chr. regeerde in Egypte volgens mijn revisie, farao Athotis van de eerste dynastie. Hij is de farao die Sarai de vrouw van Abram, begeerde en gedurende een korte tijd in zijn harem opnam.

     

    De plaatsing van de eerste Egyptische dynastie op de tijdsbalk wordt behandeld in mijn boek; TIJD en TIJDEN, 2015, blz.55, het dateren van de eerste dynastie in Egypte. Het boek zal binnen korte tijd door de Uitgeverij Boekscout gelanceerd worden.

     

    De link met Egypte voor de afmeting van een Bijbelse EL heb ik van de onderzoeker Dr. Donovan A. Courville. In zijn boek; The Exodus Problem and its Ramifications, 1971, Volume 2, Chapter 4, verhaalt Courville de geschiedenis van Abraham in Egypte, en het doorgeven door hem van de kennis van wiskunde en astronomie aan de Egyptenaren. Courville is er van overtuigd dat de Egyptische koninklijke EL gelijk was aan 25,025 British Inches vandaag, en dit op basis van de afmetingen van de grote piramide te Gizeh.

     

    De inch of Engelse duim is een lengtemaat die in Engelstalige landen vandaag ook nog veel gebruikt wordt. Een inch is per definitie vandaag exact 25,4 millimeter. Dat geeft aan een Egyptische koninklijke EL aan 25,025 inches een uitkomst van 63,56 centimeter.

     

    Dit lijkt me heel groot voor een el boog, maar vermoedelijk moest (de denkbeeldige) el boog van farao groter zijn dan die van zijn onderdanen. Deze afmeting was in ieder geval volgens Courville, de gehanteerde standaardmaat in de constructie van de grote piramide.

     

    Ik geef deze informatie door zonder partij te kiezen. Naar de afmeting in centimeters van de Bijbelse EL volgens 2 Kronieken 3: 3 ‘de oude maat’, blijft het gissen.

     

    Wat ik boeiend vindt is Courville ’s opmerking dat we er gerust van kunnen uitgaan dat het Abraham was die wiskunde en astronomie naar Egypte bracht. Hun architectuur was klasse met tempels en piramiden in astronomische verhoudingen neergezet. En hier van uitgaande stelt Courville is het ondenkbaar dat de Egyptenaren niet vertrouwd met bijvoorbeeld schrikkeljaren, geweest zouden zijn.

     

    De door de Egyptoloog Eduard Meyer gelanceerde noodlottige Sothis-kalender in 1904, gaat er van uit dat de Egyptenaren nou net niet met schrikkeljaren vertrouwd waren, en er daarom een dubbele kalender op na hielden.

     

    Of hoe de zoektocht naar de afmeting in centimeters van de Hebreeuwse EL, ook de constructie van Eduard Meyer in twijfel brengt en naar beneden haalt.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    09-03-2015 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-03-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SALOMO TE MEGIDDO IN HET LAAT BRONS TIJDPERK

    In het Rockefeller Museum in Israël bevindt zich onder vele andere artefacten een ivoren paneel, vermoedelijk een onderdeel van een stoel-arm, met de voorstelling erop van een koning op een sfinxentroon met voor hem zijn koningin en hofhouding. De vondst werd te Megiddo gedaan en gedateerd in het Laat Brons Tijdperk.

     

     

    Het is de verdienste van David Rohl (A Test of Time, 1995, Chapter 8, The Age of Solomon) dit artefact met de era van Salomo verbonden te hebben. De orthodoxie heeft gemeend het tijdperk van Salomo in het IJzertijdperk te moeten onderbrengen en dit als gevolg van hun volgen van de foutieve Sothis-kalender, door de Egyptologie geleverd. Men zit aldus zes tot zeven eeuwen op de tijdsbalk fout. De Salomo-era hoort thuis in het Laat Brons en wanneer men in Israël in deze aardlagen op zoek naar Salomo gaat, komt er veel meer tevoorschijn dan wanneer gezocht in het IJzertijdperk. In feite is er in het IJzertijdperk niets of weinig van Salomo ’s bouwactiviteiten te vinden en vandaar de stelling van veel wetenschappers dat de beschrijving in de Bijbel van Salomo ’s koninkrijk, sterk overdreven is. Over de archeologie in Israël plaatste ik in het verleden enkele artikels. Zie de volgende links: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1416178800&stopdatum=1416783600

     

     

    Het is de gereviseerde chronologie van de oudheid die de aardlagen in Israël correct dateert en het Laat Brons LB II a-tijdperk ten tijde van Salomo plaatst. Op deze manier hebben we in de afbeelding hierboven hoogstwaarschijnlijk een beeld van Salomo op zijn troon. David Rohl beschrijft in zijn eerder geciteerde werk in detail de afbeelding van Salomo op zijn troon met voor hem zijn Egyptische bruid. Wat op de afbeelding verder opvalt is de troon geflankeerd met twee leeuwen met mensenhoofden; de Egyptische Sfinx. De Bijbel (1 Koningen 10:18) verwijst naar zulk een troon. Rondom de troon zien we ook drie duiven afgebeeld, wat naar de vredevorst verwijst. Duiven zijn blijkbaar altijd een symbool van vrede geweest. Men kan bij het lezen van Rohl ’s beschrijving van Salomo op zijn troon in een lichte extase van geraken. Het is dan ook een van de vele goudklompjes die men in de studie van David Rohl kan vinden.

     

    Wat de link van Salomo naar Egypte betreft, heeft de Egyptoloog David Rohl de constructie van Dr. I. Velikovsky echter losgelaten en een eigen variant uitgewerkt (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Zijn ankerpunt voor deze era is een vermeende zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. Een astronoom berekende voor hem met een geavanceerd computerprogramma, deze zonsverduistering. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruïnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. En in de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus; Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: “En vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daar”. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ’s van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

     

    De kosmische catastrofetheorie van Velikovsky liet Rohl ook varen. Hij volgt de evolutietheorie, de orthodox-kosmische uniformiteittheorie. Velikovsky toont nochtans overduidelijk aan dat planeet aarde meerdere malen in de oudheid in haar baan om de zon verstoord werd en we tegen de achtste eeuw v. Chr. aan, van een kalender van 360 dagen per jaar definitief naar een jaar van 365,25 dagen zijn gegaan. Zie ook het artikel op dit blog van 20-01-2014: De noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw v. Chr. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1390172400&stopdatum=1390777200 en scrol naar beneden

     

    De conclusie moet zijn dat men aldus geen exacte zonsverduisteringen in de tijd terug berekenen kan, die voorbij het jaar 709 v. Chr. gaan.

     

    Het einde van de stad Oegarit gepaard gaande met de kosmische tekenen aan de zon, kan correcter aan de hand van de cyclus van meganatuurcatastrofes, gedateerd worden. Het catastrofale einde van Oegarit gebeurde volgens mijn revisie in 709 v. Chr., het jaar van de meganatuurcatastrofe dat toen ook het leger van de Assyriër Sanherib bij Jeruzalem trof. Over Oegarit schreef ik eerder op dit blog een artikel op 09-01-2014. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600 en scrol naar beneden.

     

    Als een gevolg van Rohl ’s variant met zijn revisie van de Egyptische koningslijsten, gaat ook het verband dat Velikovsky legde met de farao ’s Hatsjepsoet en Thothmosis III van de achttiende dynastie met Salomo en Rehabeam, verloren. Velikovsky leverde nochtans het onomstotelijke bewijs dat de tempelschatten uit de tempel van Jeruzalem op een tempelmuur van farao Thothmosis III te Karnak in Egypte staan afgebeeld. Thothmosis III is de Bijbelse farao Sisak. De (vrouwelijke) farao die voor hem regeerde was Hatsjepsoet, die Velikovsky identificeerde met de Bijbelse koningin van Scheba. Zie o.a. het artikel op dit blog van 03-01-2014: Het Bijbelse land Ofir en de Toekan-vogel. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388358000&stopdatum=1388962800 en scrol naar beneden.

     

    De goed gedocumenteerde reis van Hatsjepsoet naar het land Poent leidde haar naar het Israël van Salomo. Te Deïr El Bahri in Egypte staat op een tempelmuur de reis naar het land Poent/Israël gedetailleerd weergegeven. Zelfs de naam van de landvoogd van Poent; Paroeah (1 Koningen 4:17) staat volgens Velikovsky in de Bijbel.

     

     

    Flavius Josephus (Joodse oudheden Boek VIII, vi,5) identificeert de koningin van Scheba eveneens als afkomstig uit Egypte. Verder geeft het Nieuwe Testament het antwoord waar Scheba gezocht moet worden. In de evangeliën noemt Jezus de koningin van Scheba; de koningin van het zuiden. En het Bijbelse zuiden blijkt bij de profeet Daniël (11:40-42) Egypte te zijn. De reis naar Poent of Israël vondt plaats in het negende regeringsjaar van Hatsjepsoet, op mijn tijdsbalk 977 v. Chr. Opvallend vind ik ook het feit dat het negende regeringsjaar van Hatsjepsoet met haar reis naar Poent, gelijk valt met het dertigste regeringsjaar van Salomo. Hoewel de Bijbel met geen woord over het dertigste jaar van Salomo als zijnde iets bijzonder rept, is het mogelijk dat Salomo misschien naar Egyptisch gebruik, een Heb-Sed festival vierde en Hatsjepsoet alias de koningin van Scheba naar deze viering kwam. Het negende regeringsjaar van Hatsjepsoet in 977 v. Chr. is het resultaat van het verankeren van Thothmosis III’ 25ste regeringsjaar met het vijfde regeringsjaar van Rehabeam in 961 v. Chr. Het jaar van de invasie van farao Sisak alias Thothmosis III in Juda.

     

     

    Met Egypte was Salomo al eerder geallieerd. Salomo had zich namelijk verzwagerd met de farao door een dochter van hem tot vrouw te nemen (1 Koningen 9:16). Dat Egypte een militaire bondgenoot was, zien we door de inname van Gezer in Kanaän door de legers van Farao, waarna farao deze stad als bruidsschat aan Salomo ’s vrouw schonk. In mijn model is deze farao; Thothmosis I.

     

    Hatsjepsoet was de oudste dochter van Thothmosis I en halfzuster van de jonge Thothmosis III. Hatsjepsoet, of de Griekse naam Amesses bij Josephus, regeerde 21 jaar en 9 maanden. Zij heerste aanvankelijk als coregent met Thothmosis II en na diens dood als voogd van de jonge Thothmosis III en dit vanaf 986 v. Chr. In het tweede regeringsjaar van Thothmosis III trok Hatsjepsoet alle regeringsbevoegdheden naar zich toe en regeerde als vrouwelijke farao over Egypte. Het bondgenootschap met Israël dat al een aanvang genomen had onder farao Ahmose en bevestigd door Thothmosis I, de schoonvader van Salomo, werd door Hatsjepsoet verder versterkt.

     

     

    De bekroning was haar reis naar het land Poent, naar Salomo. Dr.I. Velikovsky gaat in zijn studie uitvoerig op alle details van de reis in. Te Eilath in Israël aan de Golf van Akaba stond Paroeah met zijn hofhouding Hatsjesoet op te wachten.

     

     

    De aankomst te Poent staat gedetailleerd in reliëfafbeeldingen weergegeven op haar tempelmuren te Deïr El Bahri in Egypte. Hatsjepsoet vervulde zo het Schriftwoord over haar, dat over Salomo opgeschreven staat:

    1 Koningen 4: 34 En uit alle volken kwamen er om de wijsheid van Salomo te horen, van al de koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.

     

    Het is de logica zelve dat Egypte als grootste buurland van Israël op de roep van Salomo afkwam. De Joodse historicus Flavius Josephus schreef dat het de koningin van Egypte en Ethiopië was, die Salomo bezocht (Joodse Oudheden Boek VIII, vi. 5).

     

    Bijbelvorsers die de conventionele (chronologisch-foutieve) Egyptologie volgen, zien het verband met Egypte niet en zoeken de Bijbelse koningin van Scheba elders op de kaart. De Egyptische dynastieën zoals ze door de orthodoxe Egyptologie op de tijdsbalk verankerd werden kenden geen vrouwelijke farao of koningin ten tijde van Salomo rond ca. 1000 v. Chr. Vandaar de reden om aan het Arabische schiereiland de voorkeur te geven als de plaats vanwaar de koningen van Scheba kwam. Zij zien een lange stoet met kamelen vanuit Jemen naar Jeruzalem trekken. Deze theorie herleidt Salomo samen met het dateren van Salomo in het IJzertijdperk in feite tot niet meer dan een bedoeïenenstamhoofd, wat te betreuren is en geen recht aan de Bijbel doet. Het Israël van David en Salomo was naast Egypte een grootmacht in de regio toen.

     

    Als ik met het onderzoek van anderen bezig ben en dit in mijn eigen variant tracht in te passen, gebeurt het wel eens dat ik tot nieuwe inzichten kom. Zo trof mij de gelijkenis van het ‘hoofd van Poent’, die Velikovsky als een landvoogd van Salomo te Eloth identificeert, met de beschreven  afbeelding op het ivoren paneel van vermoedelijk Salomo, dat gevonden werd te Megiddo en gedateerd in het Laat Brons tijdperk.

     

     

    Wanneer men beide hoofden in close up bekijkt valt onmiddellijk op dat het hoofd van de hoofdman van Poent op het tempelreliëf van Hatshepsoet te Deïr El Bahri en het hoofd op het ivoren paneel van Megiddo, sterk op elkaar lijken. De hoofdbedekking van beide figuren is dezelfde; een nauwsluitende kap met de oren vrij, zelfs de inkepingen in de kap vindt men op beide afbeeldingen terug. Daarnaast hebben beide figuren dezelfde neus, oren en baard, zelfs de wenkbrauwen zijn identiek afgebeeld. Men zou nu kunnen opmerken dat misschien alle Kanaänieten of Aziaten door de Egyptenaren op deze wijze afgebeeld werden. Maar dit klopt niet. We hebben namelijk een overvloed aan Egyptische muurreliëfs met afbeeldingen van Aziatische ambassadeurs e.a. waaruit blijkt dat de Egyptische kunstenaars wel degelijk onderscheid maakten tussen de verschillenden rassen en types van mensen uit Klein-Azië met wie ze in contact kwamen. De afgebeelde hoofdman van Poent is zondermeer een Semiet (iets dat de orthodoxe Egyptologie overigens verbaasd).

     

    De vraag die ik mij stel is; wie is dan werkelijk P’-r’-hw (Paroeah of Perehoe) waarnaar het reliëf van Hatshepsoet verwijst? Is hij de landvoogd van Ezeon-Geber zoals Velikovsky beweerd of zou hij Salomo kunnen zijn? Velikovsky deed in zijn studie ‘Eeuwen in chaos’ grote moeite om Paroeah als landvoogd van Salomo te Eloth te plaatsen.

     

    1 Koningen 4:7 En Salomo had over geheel Israël twaalf landvoogden, die de koning en zijn huis van voedsel moesten voorzien; één maand per jaar rustte op ieder de plicht om te leveren. 8 En dit zijn hun namen: Ben-Chur op het gebergte van Efraïm; 9 Ben-Deker in Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan; 10 Ben-Chesed in Arubbot, hij had Soko en het gehele land Chefer; 11 Ben-Abinadab: de gehele heuvelstreek van Dor; Salomo’s dochter Tafat had hij tot vrouw; 12 Baäna, de zoon van Achilud: Taänak, Megiddo en geheel Bet-Sean, dat naast Saretan is, beneden Jizreël, van Bet-San tot Abel-Mechola, tot aan gene zijde van Jokmeam; 13 Ben-Geber te Ramot in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, in Gilead, hij had de streek van Argob in Basan, zestig grote steden met muren en koperen grendels; 14 Achinadab, de zoon van Iddo, te Machanaïm; 15 Achimaäs in Naftali; ook hij had een dochter van Salomo, Basemat, tot vrouw genomen; 16 Baäna, de zoon van Chusai, in Aser en Alot; 17 Josafat, de zoon van Paruach, in Issakar; 18 Simi, de zoon van Ela, in Benjamin; 19 Geber, de zoon van Uri, in het land Gilead, het land van Sichon, de koning der Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en wel als enige landvoogd in dit land. 20 Juda en Israël waren talrijk als het zand aan de zee in menigte; zij aten en dronken en waren blijde. (NBG Vertaling 1951)

     

    Commentaar van Velikovsky: ‘het lijkt dat het laatste woord van 1 Koningen 4:17 tot het volgende vers behoort en het laatste woord van 4:17 tot het daaropvolgende. De tekst zou dan luiden: ‘…en in Aloth Josafat, de zoon van Paruah’. In dit geval bleef de zoon landvoogd waar zijn vader in dezelfde functie had gediend, want Aloth en Eloth zijn hetzelfde’.

     

    Indien de afgebeelde Paroeah als de hoofdman van het land Poent Salomo zou zijn, hoeft het toegevoegde commentaar van Velikovsky niet en laten we de punten en komma’s van de vertaalde Bijbeltekst verder met rust.

     

    De vraagtekens blijven uiteraard. Maar zou het werkelijk zo ongewoon geweest zijn voor Salomo, om de koningin van Scheba persoonlijk aan de kust te verwelkomen? De Bijbel (2 Kronieken 8:17) leert in ieder geval dat hij naar Ezeon-Geber en naar Eloth aan zee ging, om zijn vloot daar uit te rusten.

     

    Wie was dan werkelijk P’-r’-hw? Let wel op, de ontbrekende klinkers zijn later door onderzoekers toegevoegd. Ik neem voorzichtig aan dat ‘het hoofd van Poent’ op Salomo zou kunnen slaan. Absolute bewijzen heb ik niet.

     

     

    Wel is duidelijk dat te Deïr El Bahri op de tempelreliëfs van Hatshepsoet een Semiet afgebeeld staat en dat deze haast een exacte kopie is van de afgebeelde figuur op een ivoren paneel uit Megiddo gedateerd uit het Laat Brons. Of hoe boeiend de studie van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid wel is.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    02-03-2015 om 09:04 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SARDANAPALLOS; mythe of werkelijkheid?

    Hierna een extract uit een oud geschiedenisboek dat ik een tijd terug in een antiquariaat kon aankopen.

     

    “De Griekse geschiedschrijvers kenden de namen der grote Assyrische koningen van de achtste eeuw v. Chr. niet, en dachten met hun gewone lichtzinnigheid een gehele reeks van onbetekenende koningen uit, die zij van Ninus en Semiramis lieten afstammen. Als de laatste dezer koninklijke fantasiebeelden noemden zij Sardanapallos. Deze, zo verdichtten zij, bracht de meeste tijd in zijn harem door, droeg zelfs vrouwen-klederen en vond smaak in vrouwelijke arbeid. Hij was een wellusteling zoals niemand voor hem, en gaf zich over aan natuurlijke en onnatuurlijke zonden. Zinnelijk genot was zijn enig levensdoel, en dit gaf hij ook onverholen te kennen, o.a. in een opschrift op zeker gedenkteken. Dit opschrift luidde: “Sardanapallos, zoon van Anaxeyndaraxas, heeft Anchiale en Tarsos op één dag gebouwd. Eet, drink en bemin, want al het overige is niet veel waard

    Twee belastingplichtige vorsten, Arbakes van Medië en Belyses van Babylon, waren in opstand gekomen. Dit wekte Sardanapallos uit zijn lethargie op, en de dapperheid van zijn geslacht herleefde in zijn gemoed. Hij was de opstandelingen tegemoet getrokken, had hen verscheidene malen verslagen en zou hen vernietigd hebben, zo niet uit Baktrië teruggekeerde Assyrische troepen, in plaats van hem bijstand te bieden, tot de vijanden waren overgelopen. Hij werd binnen Nineveh belegerd, doch bood twee jaar tegenstand. In het derde jaar was de Tigris buiten zijn oevers getreden en had daardoor de stadsmuur zodanig ondermijnd, dat twintig stadiën daarvan in puin stortten. Nu herinnerde Sardanapallos zich een orakel, dat hem zolang de zegepraal beloofde totdat de rivier zich tegen hem zou keren. Om de vijanden niet levend in handen te vallen, besloot hij zich met zijn vrouwen, zijn paleis en zijn kostbaarste bezittingen te verbranden. Op een 125 meter hoge brandstapel liet hij een kamer van 32 meter lengte en een gelijke breedte voor zich inrichten. Honderdvijftig gouden, met tapijten bedekte rustbedden warden daarin neergelegd, en aan het einde der zaal onwaardeerbare schatten van edel metaal, vonkelende stenen en kunstwerken opgehoopt. Toen dit gereed was, nam hij met zijn vrouwen op de rustbedden plaats, en liet door gesnedenen, de enigen die met zijn voornemen bekend waren, de brandstapel aansteken. Veertien dagen duurde de brand. Het volk merkte niet van dit alles, en meende dat de rook kwam van een groot offer. Welhaast werd nu Nineveh ingenomen en verwoest. Dat gehele verhaal is een verdichtsel. (P.H. Witkamp, De Sagen-tijd der Oude Volken, 1889)”

     

     

    Alhoewel de hierboven geciteerde auteur het ‘gehele’ verhaal als een verdichtsel bestempeld plaatst hij wel in zijn studie Sardanapallos op de tijdslijn tussen de regeerperioden van Assur Nirari en Tiglath Pileser III in, in de achtste eeuw v. Chr.

     

    De geleerde P.H. Witkamp leefde en werkte voor de tijd dat de Assyrische koningslijst te Khorsabad in Irak in de eerste helft van de twintigste eeuw, ontdekt werd. Tegenwoordig wordt Sardanapallos door de orthodoxe Assyriologie met de Assyrische koning Assurbanipal geïdentificeerd. Dit is echter ook gissen door de Assyriologie. De beschrijving die we van de historische Assurbanipal hebben komt nergens overeen met de beschrijving die de oude Grieken aan Sardanapallos toedachten.

     

    Ik meen nochtans dat er een graad van historische werkelijkheid in het Griekse verhaal zit en in mijn werk ‘De Assyriologie herzien, 2012’ plaatste ik het verhaal over Sardanapallos ten tijde van de profeet Jona. Sardanapallos is hier een mogelijke kandidaat voor de Bijbelse koning van Assur die gevolg gaf aan de oordeelaankondiging van Jona:

     

    Jona 3:1 En het woord des HEEREN geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek. 3 Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord des HEEREN. Nineve nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen. 4 En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd. 5 En de lieden van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe. 6 Want dit woord geraakte tot den koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. 7 En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel des konings en zijner groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken. 8 Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is. 9 Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen! 10 En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet. (Statenvertaling)

     

    In mijn geciteerde werk dateer ik het afwenden van de aangekondigde catastrofe; in het jaar 776 v. Chr., het jaar van de Olympische Spelen, spelen die toen voor de eerste maal georganiseerd werden, uit dank naar hun goden toe, voor het afwenden van de ramp.

     

    Wanneer we het hoofdstuk 3 van de profeet Jona met de beschrijving van de koning van Nineveh vergelijken met de Griekse legende mogen we vraagtekens plaatsen bij een mogelijk identificeren van de twee als een en dezelfde persoon. De ene koning roept bij een crisis een vasten uit en keert zich tot de God van Israël voor uitredding en de andere zijn motto is: ‘Eet, drink en bemin, want al het overige is niet veel waard’.

     

    Het Griekse verhaal of sage, zo u wilt, bevat nochtans heel wat (schijnbaar?) historische details. Zo worden de twee antagonisten van Sardanapallos bij naam en plaatsnaam genoemd: Arbakes van Medië en Belyses van Babylon. Twee tegenstanders van Sardanapallos die tegen hem in opstand kwamen. Wat ook in het verleden al mijn aandacht trok was de vermelding, bij de belegering van Nineveh door Arbakes en Belyses, over het buiten de oevers treden van de rivier de Tigris, in het derde jaar van de belegering. In mijn studie ‘Genesis versus Egyptologie’ bracht ik dit in verband met de cyclus van meganatuurcatastrofes, met intervallen van dertien jaar in de achtste eeuw v. Chr. In Egyptische bronnen lezen we over hetzelfde fenomeen (buiten het seizoensgebonden overlopen) dat dan ook met de rivier de Nijl gebeurde.

     

     

    De Engelse kunstschilder Ford Maddox Brown (1821/1893) uit de negentiende eeuw, maakte een prachtig schilderij over de dood van Sardanapallos en voegde met zijn penseel terecht in de linkerbovenhoek een eclips, een kosmisch fenomeen aan de zon, aan zijn afbeelding toe.

     

    De Bijbel door monde van de profeet Hosea, vermeldt voor deze periode nog een Assyrische koning bij naam, die ook niet in de Assyrische koningslijst van Khorsabad voorkomt: Jareb.

     

    Hosea 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in Bet-Awen! Achter u, Benjamin! 9 Tot een woestenij zal Efraïm worden ten dage des oordeels. Over de stammen Israëls maak Ik bekend wat vast besloten is. 10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. 11 Verdrukt is Efraïm, verpletterd door het recht, omdat hij heeft verkozen het ijdele te volgen. 12 Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. 13 Toen Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging Efraïm naar Assur en zond boden naar koning Jareb (sv) (NBG: Strijdlust). Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen. (NBG Vertaling)

     

    Hosea 10:1 Israël is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen. 2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. 3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning – maar, wanneer wij de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? 4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de akker. 5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. 6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor koning (sv)Jareb (NBG: Strijdlust).

     

    In de Hebreeuwse grondtekst van de Bijbel staat er ‘Jareb’ wat de SV Statenvertaling correct als een eigennaam doorgaf. De NBG Vertaling (1951) vertaalde JAREB met ‘Strijdlust’ en de NBV vertaling (2004) maakte er ‘kemphaan’ van.

     

    De profeet Hosea (1:1) trad in Israël op ten tijde van koning Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël. Het begin van deze tijdspanne is dezelfde als de tijd wanneer de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd. De profetische woorden aangaande JAREB werden uitgesproken/vervuld na de dood van Jerobeam II tijdens de periode van 775 tot 764 v. Chr. wanneer het tienstammenrijk zonder koning zat. Deze tussenperiode in de lijn van de koningen van het tienstammenrijk, werd eveneens door Hosea voorspeld:

     

    Hosea 3:4 …Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. …

     

    Volgens het studiewerk van Dr. Arie Dirkzwager is Arbakes uit het Griekse verhaal over Sardanapallos, met de Bijbelse koning Jareb te identificeren. Zie: C&AH Catastrophism and Ancient History, 1988, Volume X, part 1 – Sardanapallus and Arbaces. Zie link: http://www.dirkzwagerarie.be/joomla/files/Sardanapallus%20and%20Arbaces.PDF

     

    Zo zien we dat het Griekse verhaal over Sardanapallos toch heel wat historische details bevat en dat we deze beschreven koning aldus op de tijdsbalk kunnen onderbrengen.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    27-02-2015 om 09:20 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Amarna-briefwisseling van Labaja met farao Amonhotep III

    Met het artikel van 04-02-2015 op dit blog: de Amarna-briefwisseling van Abdi-Hiba alias Ebed Tov met farao Amonhotep III en IV, bracht ik in het bijzonder de correspondentie van Abdi Hiba uit Jeruzalem met de farao ’s van Egypte, onder de aandacht. Ik identificeerde in het artikel Abdi Hiba met koning Achaz van Juda. Het was vooral de EA-brief 289 die ik vanwege de inhoud, belichtte. Abdi Hiba vraagt namelijk om hulp aan farao tegen Labaja en diens bende Habiroe. De Amarna-brief nummer 289 verwijst volgens mij duidelijk naar het conflict dat in het Bijbelboek Jesaja hoofdstuk 7 en 2 koningen hoofdstuk 16 beschreven staat. De vermelde Bijbelcitaten spelen zich af in de dagen van Achaz, de koning van Juda, toen Pekah, de koning van Israël samen met Resin, de koning van Aram tegen Jeruzalem ten strijde trok. Een bondgenootschap waartegen Achaz het niet meende te kunnen halen. Koning Achaz wilde echter niet vertrouwen op het Woord des HEREN van de profeet Jesaja, maar verkoos in de plaats daarvan zelf zijn plan te trekken. Vermoedelijk schreef hij eerst een brief aan de farao van Egypte om hulp, maar van die kant kwam er geen hulp. Daarna weten we vanuit de Bijbel dat hij daarop de koningen van Assur benaderde om een bondgenootschap (tegen betaling) tegen Damascus en Samaria (2 Kronieken 28:16 en 2 Koningen 16:9).

     

    Met het nieuwe artikel wil ik de Amarna-correspondent Labaja onder de aandacht brengen. Van Labaja hebben de we volgende Amarna-kleitabletten in ons bezit: EA 252, 253 en 254. En daarnaast is er de correspondentie van andere vazallen van farao in Klein-Azië die eveneens onder de aanvallen van Labaja en zijn Habiroe te lijden hadden. Ook zij schreven net zoals Abdi Hiba alias Achaz, klachtbrieven aan farao. Labaja heb ik in het vorige artikel geïdentificeerd met Pekah, de usurpator van de kroon in Samaria.

     

    De regeerperiode van Pekah bedroeg twintig jaar van 755 tot 735 v. Chr. en behandelde ik ook in het artikel op dit blog van 15-05-2014 met de regeerperiode van koning Achaz van Juda. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1399845600&stopdatum=1400450400

     

    De beschreven regeerperiode van Pekah was een tijd van anarchie voor het gebied van het tienstammenrijk. Verschillende troonpretendenten stonden elkaar naar het leven. Ook was er in deze periode meer dan één hoofdstad in het gebied. De profeet Hosea (1:1) die optrad in de dagen van Achaz spreekt zowel over Israël als Efraïm, wanneer hij het tienstammenrijk aanspreekt:

     

    Hosea 5:5 Dies zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.

     

    Hosea 8:1 De bazuin aan uw mond! Als een arend (komt het) tegen het huis des HEREN! Omdat zij mijn verbond hebben overtreden en tegen mijn wet gerebelleerd. 2 Tot Mij roepen zij: Mijn God! Wij, Israël, kennen U! 3 Doch Israël verfoeit het goede – de vijand achtervolgt hem. 4 Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; vorsten, zonder dat Ik ervan wist. Van hun zilver en hun goud hebben zij zich afgodsbeelden gemaakt tot hun verderf.

     

    Na de dood van de koning van Israël; Jerobeam II in 775 v. Chr. had het tienstammenrijk geen koning tot in het jaar 764 v. Chr. en was het gebied in anarchie ondergedompeld. In het jaar 764 v. Chr. pas werd Zacharia koning over Israël. In datzelfde jaar voerde farao Sheshonk I een campagne in het gebied uit (volgens de gereviseerde Egyptologie, in opdracht van Amonhotep III) en vermoedelijk zorgde hij voor de troonsbestijging van Zacharia, de zoon van Jerobeam II. Hierover schreef ik op dit blog al eerder een artikel op 29-07-2014: De Libiërs in Egypte: dynastie XXII. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1406498400&stopdatum=1407103200

     

    Op de lijst van steden die Sheshonk I over zijn campagne opgeeft vinden we in het gebied van het tienstammenrijk plaatsnamen zoals Shechem, Tirza en Penuel. In deze steden zaten usurpators op de troon die elkaar de kroon over Israël betwistten. Vermoedelijk resideerde Pekah alias Labaja tijdens deze periode in Shechem alvorens hij de macht overnam.

     

    2 Koningen 15:27 In het tweeënvijftigste jaar van Azarja, de koning van Juda, werd Pekach, de zoon van Remaljahu, koning over Israël te Samaria; hij regeerde twintig jaar. 28 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. 29 In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglatpileser, de koning van Assur, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galila, het gehele land van Naftali; en hij voerde de bevolking in ballingschap naar Assur. 30 En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekach, de zoon van Remaljahu; hij sloeg hem dood en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia. 31 Het overige van de geschiedenis van Pekach en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël.

     

    De regeerperiode van Pekah kwam aan haar einde in het jaar 735 v. Chr. Pekah werd vermoord door de laatste kroonpretendent in Israël: Hosea. Hosea zal ik in een later artikel identificeren met een andere Amarna-briefschrijver: Rib Addi. Maar laat ons eerst de Bijbelse Pekah verder behandelen. De acties van Pekah waren vooreerst gericht tegen Menahem en diens zoon en opvolger: Pekachja. Vanaf 739 v. Chr. richtte hij zijn pijlen op Juda waar Achaz op de troon zat. Na het mislukken van deze actie keerde Pekah terug naar het gebied van het tienstammenrijk waar hij in 735 v. Chr. door Hosea vermoord werd. Gedurende twintig jaar was Pekah een lastpost en een gesel zowel in Israël als in de omringende landen geweest.

     

    Het is mijn bedoeling nu om vanuit de bewaarde Amarna-briefwisseling Pekah als Labaja te identificeren.

     

     

    De landkaart hierboven heb ik van het internet geplukt. De samenstellers van de atlas volgen de orthodoxe Egyptologie en plaatsen de Amarna-tijd in de veertiende eeuw voor Christus. De rode stippellijn en rode en blauw gemarkeerde kaders heb ik aan de kaart toegevoegd. De stippellijnen volgen het gebied van de landen Juda en Israël, grenzend aan Filistea, Fenicië en Aram, in de achtste eeuw v. Chr. De blauwe kaders accentueren de steden Shechem en Pehel, de hoofdplaatsen van het gebied dat de atlassamenstellers als het koninkrijk van Shechem weergeven. Het is opmerkelijk, wanneer we de Amarna-tijd naar de achtste eeuw voor Christus transponeren, dat het gebied van het tienstammenrijk tevoorschijn komt. De rode kaders bovenaan de kaart zijn aangebracht rond de steden Sumur en Batruna. Over de stad Batroena schreef ik al eerder een artikel op dit blog op 14-01-2014: Batroena, de stad die nog gebouwd moest worden. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1389567600&stopdatum=1390172400

    De stad Batroena bestond namelijk nog niet in de veertiende eeuw v. Chr., zij werd op basis van oudheidhistorici pas in de negende eeuw v. Chr. gegrondvest. Het is Dr. I. Velikovsky die dit gegeven in zijn werk ‘Eeuwen in Chaos’ aanhaalt:

    “Enkele malen noemde de koning van Goebla in zijn brieven de stad Batroena en deze wordt geïdentificeerd als het oude Botrys. Meneander evenwel, een Griekse schrijver die door Josephus wordt aangehaald, verklaart over Ithobalus, de koning van Tyrus uit de negende eeuw, dat ‘hij het was die de stad Botrys in Fenicië stichtte.” De stad Botrys, gebouwd door de schoonvader van Achab, kon alleen dan in de Amarna brieven worden vermeld, als de stichting van de stad voorafging aan de Amarna periode.“ Einde citaat.

     

    De orthodoxe Egyptologie heeft de Amarna-tijd in de veertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk verankerd als een gevolg van hun foutieve Sothis-kalender.

     

    De andere aangebrachte rode kader op de landkaart zit rond de plaats Sumur of Soemoer. Dr. I. Velikovsky maakte in zijn werk duidelijk dat het Soemoer uit de Amarna-briefwisseling alleen met Samaria te identificeren valt. Een probleem voor de orthodoxie is dat Soemoer/Samaria in de veertiende eeuw v. Chr. nog gebouwd moest worden. Men heeft dan gekozen voor een plaats in Fenicië. Maar dit blijft bij gissen. Over Samaria schreef ik een artikel op dit blog op 04-02-2014: Samaria: de hoofdstad van het tienstammenrijk vanaf 914 tot 717 v. Chr. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1391382000&stopdatum=1391986800 en scrol naar beneden.

     

    Samaria werd door koning Omri van het tien stammenrijk gebouwd. De plaatsnaam Samaria werd afgeleid van de eigenaar van de berg met de naam Semer. Samaria (met de klinker a) en Semer ( met de klinker e) zijn twee namen die we ook in de loop der geschiedenis bij de buurlanden Egypte en Assyrië, verbasterd aantreffen. Ik vermeldt de klinkers A en E tussen haakjes aangezien deze later zijn toegevoegd. Het Hebreeuws en andere oudheidtalen kenden geen klinkers. Als er dus bijvoorbeeld in de Amarna-briefwisseling in de Akkadische taal verwezen wordt naar Sumur dan is dit dezelfde naam als het Bijbelse Semer of Samaria.

     

    Het Soemoer van de Amarna-briefwisseling is het Bijbelse Samaria dat op de landkaart noordwestelijk van Shechem ligt, de plaats van een andere briefschrijver aan farao.

     

    Een volgende opmerking over de landkaartsamenstellers is de identificatie door hen van Goebla uit de Amarna-briefwisseling met de plaats Byblos (nummer 5). Men doet zelfs de moeite niet meer de oorspronkelijke Amarna-namen (Goebla) te vermelden. Ook deze identificatie is echter gissen geweest. Getransponeerd naar de achtste eeuw v. Chr. is Goebla volgens Velikovsky, te identificeren met Gebal in het gebied van het tienstammenrijk. Wanneer men een Bijbelse encyclopedie er op na slaat blijkt dat de plaatsing van Gebal geen eenvoudige zaak is. Meerdere verklaringen zijn mogelijk. Gebal betekent berg en aan de hand van Psalm 83 zoekt men een locatie in het noordelijke gedeelte van het gebergte Seïr. Eerlijkheidshalve vermeldt men erbij dat de precieze ligging onbekend is. De Egyptologie meent Goebla met Byblos in Fenicië te kunnen identificeren. In het licht van Velikovsky ’s bevindingen moet Gebal echter met Jizreël in Samaria geïdentificeerd worden. Het is de plaats van waaruit Hosea alias Rib Addi zijn brieven aan farao schreef.

     

    Soemoer, Goebla, Shechem en Pehel lagen alle binnen het gebied van het tienstammenrijk van de achtste eeuw v. Chr. en waren het toneel van burgeroorlog en expansie naar buiten.

     

    Hierna volgen de Amarna-brieven van en over Labaja die ik van het internet plukte. We beginnen met de drie brieven van Labaja en vervolgens met de schrijvers uit de buurlanden die door Labaja gemolesteerd en bedreigd werden.

     

    EA 252: Lab'aya to pharaoh

    To the king my lord: message from Lab'aya, your servant. At the feet of the king, I throw myself. Since you have written: "Protect the men who have occupied the city!", how can I protect (those) men? The city has been occupied in war. When I pledged peace -- and when I pledged, a Grandee pledged with me -- the city was occupied. And he was capable of calumniating against me (gloss:) 'I was denigrated' in front of the king, my lord. Further, an ant, when it is squashed, doesn't revolt perhaps and bite the hand of the man who squashes it? If I had acted timidly, another city would have been taken today! Further, if you say to me, despite all, "Fall before them, that they can strike!", I will do it. I will protect the men who have occupied the city: I could dislodge my enemies, and I protect them!

     

    Brief EA252 vermeldt geen namen van steden noch namen van personen. Hoewel de orthodoxie hem in Sheshem plaatst bevestigd Labaja nochtans in geen enkele brief zijn standplaats. EA353 is een brief waarin Labaja zijn trouw aan farao bevestigd.

     

     

    EA 253: Lab'aya to pharaoh

    To the king [my lord,] my [sun]: message from Lab'aya, your servant, the ground on which you walk. At the feet of the king my lord and my sun, seven and seven times I throw myself. I have heard the words that the king has sent me on a tablet. Look, I am servant of the king, like my father and my grandfather, I was servant of the king already before. I have not sinned, I am not guilty. This is my sin, this is my guilt: that I have entered Gezer. But I say, "The king be favorable! I have no other intention than to serve the king!" All that the king says, I listen to. The king trust me in my commission, to protect the city of the king!

     

    In brief EA253 geeft Labaja aan farao toe dat hij Gezer ingenomen heeft. In deze stad zat een andere vazal van farao, die de acties van Labaja onder de aandacht van farao had gebracht.

     

    EA 254: Lab'aya to pharaoh

    To the king my lord, my sun: message from Lab'aya, your servant, the ground on which you walk. At the feet of the king my lord and my sun, seven and seven times I throw myself. I have heard the words that the king has sent me. Who am I that the king loses his land on my account!? Look, I am a faithful servant of the king. I have not sinned, I am not guilty, I have not withheld my tribute, I have not refused the desires of my commission. They calumniate against me to oppress me. But the king has not examined my guilt. Furthermore, this is my guilt: that I have entered Gezer. But I say publicly: "The king has taken all that I have; but all that which is Milki-Ilu's, where is it?" I know the action of Milki-Ilu: more than me. Furthermore, the king has written for my son. I didn't know that my son had gone with the habiru. Perhaps I don't hand him over to Addaya? Further, if the king writes for me, "Put a sword of bronze in your heart and die!", how could I not execute the dispatch of the king?

     

    In brief EA254 verdedigt Labaja zich voor farao. Hij geeft toe dat hij Gezer heeft ingenomen en vermeldt Milki-ilu als tegenstander. Labaja verwijst verder naar een schrijven van farao aan hem betreffende zijn zoon die met de Habiroe zou heulen. De laatste naam die vermeldt wordt is: Addaya. Deze naam vinden we ook in andere Amarna-brieven terug en is een Egyptische ambtenaar.

     

    Vervolgens behandelen we de Amarna-kleitabletten van de klagers bij farao, over de acties van Labaja in hun gebied.

     

    EA 244: Biridiya to pharaoh

    To the king, my lord, my sun, say: message from Biridiya, your faithful servant of the king. At the feet of the king my lord and my sun, seven and seven times I throw myself. Let the king know that from the time when the troops returned, Lab'aya has committed hostility against me. We cannot shear and (gloss:) "harvest"; we cannot leave the gate in the face of Lab'aya. When he knew that there would not be given troops, he has demonstrated his intention to take Megiddo. May the king rescue his city, so that Lab'aya will not take it! Truly the city is exhausted, to die from pestilence, from the plague. Let the king give a hundred garrison men to protect the city. Truly, Lab'aya has no other intention: to take Megiddo is that which he seeks!

     

    Biridiya was de vazal van farao te Megiddo. Een vestingstad die Labaja alias Pekah opnieuw bij Israël wilde inlijven. De verwijzing naar een plaag van pest door Biridiya, zou gelinkt kunnen worden met de meganatuurcatastrofes die tijdens deze periode met intervallen van dertien jaar gebeurden. De jaren 748 en/of 735 v. Chr. komen hiervoor in aanmerking. De volgende twee brieven zijn ook van zijn hand.

     

    EA 245: Biridiya to pharaoh

    (Tablet 1 is missing)

    Further, I have declared to my colleagues: "If the god of our lord consents that we capture Lab'aya, we must consign him alive (gloss:) 'alive' to the king our lord." My horse has been put out (gloss:) "hit". I have put myself to the hunt (gloss:) "after him", I mounted together with Yashdata, but when I reached him he had been defeated (gloss:) "hit". Perhaps that Yashdata is not one of your servants? it was he who entered into battle together with me, but he didn't [..] Let the life of the king my lord pac[ify] all in the [land] of the king my lord [..] Zurata took Lab'aya from Megiddo and told me: "I will send him to the king on one of the ships (gloss:) 'ships'." Zurata took him and sent him back to Hinnatuna to his house; Zurata took the silver of his ransom from his hand (gloss:) 'of his hand'. Further, what have I done to the king my lord, that he despises of me (gloss:) 'despises', and honours (gloss:) 'honours' my minor brothers (colleagues)? Zurata has releases Lab'aya, Zurata has released Ba'lu-mehir, to their house. Let the king my lord know it!

     

    EA 246: Biridiya to pharaoh

    To the king my lord, my sun, say: message from Biridiya, your servant. At the feet of the king my lord and my sun, seven and seven times I throw myself. I heard the despatch of the king [..]. And here you (plur.) are [..]. Let the king know [it]!And that the two sons of Lab'aya have given their gold to the habiru and to the Sutei, because the do hostile acts against me. [Let the k]ing [know], let him look upon [his land]!

     

    De Bijbel zwijgt over eventuele zonen van Pekah. De reden ligt bij het feit dat er geen aaneensluitende dynastie van koningen in het tienstammenrijk in de tijdsperiode voorkwam. Pekah was zelf een usurpator die op zijn beurt door een andere rivaal vermoord werd. Het niet vermelden van een zoon als troonopvolger is het gevolg hiervan. Dit is een mogelijke verklaring. De laatste brief van de koning van Megiddo vermeldt twee zonen van Labaja alias Pekah.

     

    EA 237: [Bayardi?] to pharaoh

    [..] have taken Lab'aya and they have set themselves against the cities of the king my lord that the king my lord had entrusted to me to protect. Let the king my lord know that they have taken the cities of the king my lord; but the city in which I reside, I protect, until I see the eyes of the regent of the king my lord. From the day which I sent these tablets to the palace, they have been against me [..]

     

    Bayardi is de naam van een koning (en een plaats?) die tot op heden niet geïdentificeerd kon worden. Ook hij heeft te lijden van de acties van Labaja en rapporteert hierover aan farao.

     

    EA 250: Addu-qarrad (of Gitti-padalla) to pharaoh

    To the king my lord, say: message from Addu-qarrad your servant. At the feet of the king my lord, seven and seven times I throw myself. Let the king my lord know that the two sons of the traitor of the king my lord, the two sons of Lab'aya, have directed their intentions to sending the land of the king into ruin, in addition to that which their father had sent into ruin. Let the king my lord know that the two sons of Lab'aya continually seek me: "Why did you give into the hand of the king your lord Gitti-padalla, a city that Lab'aya our father had taken?" Thus the two sons of Lab'aya said to me: "Make war against the men of Qina, because they killed our father! And if you don't make way we will be your enemies!" But I responded to those two: "The god of the king my lord will save me from making war with the men of Qina, servants of the king my lord!" If it seems opportune to the king my lord to send one of his Grandees to Biryawaza, who tells him: "Go against the two sons of Lab'aya, (otherwise) you are a traitor to the king!" And beyond that the king my lord writes to me: "D[o] the work of the king your lord against the two sons of Lab'aya!" [..]. Milki-Ilu concerning those two, has become [..] amongst those two. So the life of Milki-Ilu is lit up at the introduction of the two sons of Lab'aya into the city of Pi(hi)li to send the rest of the land of the king my lord into ruin, by means of those two, in addition to that which was sent into ruin by Milki-Ilu and Lab'aya! Thus say the two sons of Lab'aya: "Make war against the king your lord, as our father, when he was against Shunamu and against Burquna and against Harabu, deport the bad and exalt the faithful! He took Gitti-rimunima and opened the camps of the king your lord!" But I responded to those two: "The god of the king my lord is my salvation from making war against the king my lord! I serve the king my lord and my brothers who obey me!" But the messenger of Milki-Ilu doesn't distance himself from the two sons of Lab'aya. Who today looks to send the land of the king my lord into ruin is Milki-Ilu, while I have no other intention than to serve the king my lord. The words that the king my lord says I hear!

     

    Addu-qarrad is een tot op heden niet geïdentificeerde briefschrijver. Men neemt aan dat hij een vazal uit het noorden van Kanaän was. Hij is degene die bij farao melding maakt van het feit dat Labaja vermoord werd door de mannen van Qina of Gina.

     

    EA 280: Shuwardata to pharaoh

    To the king, my lord, my sun, say: message from Shuwardata, your servant, the ground for your feet. At the feet of the king my lord and my sun, seven and seven times I throw myself. The king my lord has permitted us to make war against Qiltu, and I have made war: it is saved for me, my city has been restored to me. Why ever did Abdi-Heba write to the men of Qiltu: "Take silver and be my followers!"? Let the king my lord know that Abdi-Heba took my city from my hands. Further, the king my lord ask if I have taken from him one man or one cow or one ass, he is right! Further, Lab'aya is dead who took our cities, but here is Abdi-Heba who is a second Lab'aya, and takes our cities. May the king think of his servant regarding this fact. I will do nothing, until the king responds with a word to his servant!

     

    Shuwardata is de naam van een koning van een nog niet gekende plaats in het zuiden van Kanaän. De orthodoxie vermoedt de steden: Qiltu of Gath. Shuwardata in zijn brief maakt ook melding aan farao van het sterven van Labaja. En dat het Labaja was die de steden van zijn gebied had genomen. Shuwardata beweerd dat nu Abdi-Hiba die rol zou overgenomen hebben? Wanneer we al deze puzzelstukjes proberen samen te voegen opdat een beeld tevoorschijn zou komen, bemerken we tegelijkertijd dat dikwijls zondermeer leugens aan farao meegedeeld worden. Zo weten door de identificatie van Abdi-Hiba met koning Achaz van Juda dat het net anders om was. Dat het Shuwardata was en andere vazallen uit het kustgebied van Filistea die nou net het gebied van Abdi-Hiba binnentrokken.

     

    EA 287: Abdi-Heba to pharaoh

    [To the king] my lord, [say: message from Ab]di-Heba, your servant. [At the feet] of the king my lord seven [and seven times I throw myself. Look], the entire question [..] they have introduced [.. Look] at the thing they have done [against me, which ..] arrows of bronze (?) [..] they have introduced into Qiltu. Let the king know that all the lands are allied, they are enemies against me. May the king provide for his land! Look, the country of Gezer, the country of Ascalon, and Lachish have given food, oil, and every (gloss:) "their need'. May the king provide troops, send troops against the men who have committed treason against the king my lord. If within this year there are troops, the lands and the regents will stay with the king my lord, but if there are not troops, there will not be lands or regents for the king. Look, this land of Jerusalem, neither my father nor my mother gave me the strong hand (gloss:) 'arm' [the king] has given me! Look, this action is an action of Milki-Ilu and an action of the sons of Lab'aya, who have given the land of the king to the Habiru.

     

    De klacht van Abdi Hiba alias Achaz in brief EA287 gaat over de acties van de zonen van Labaja die vereenzelvigd worden met de Habiroe, en het feit dat de landen Gezer, Askalon en Lachish hen steunen. Milki-ilu was de heerser van Gezer en hij maakte nu gemene zaak met de Habiroe tegen Jeruzalem.

     

    Dit past in het beeld dat de Bijbel voor Achaz in deze tijd weergeeft. In het Bijbelboek 2 Kronieken lezen we over de Filistijnen die het gebied van de steden van de Laagte en van het Zuiderland van Juda binnenrukken.

     

    2 Kronieken 28:16 In die tijd zond koning Achaz het verzoek tot de koningen van Assur hem te helpen. 17 Ook waren de Edomieten nog gekomen, hadden aan Juda een nederlaag toegebracht en gevangenen weggevoerd. 18 En de Filistijnen hadden een overval gedaan op de steden van de Laagte en van het Zuiderland van Juda; zij hadden Bet-Semes, Ajjalon, Gederot, Soko en zijn onderhorige plaatsen, Timna en zijn onderhorige plaatsen, Gimzo en zijn onderhorige plaatsen ingenomen en zich daar gevestigd. 19 Want de HERE vernederde Juda om Achaz, de koning van Israël, daar deze de tuchteloosheid in Juda bevorderd had en zeer ontrouw geworden was jegens de HERE. 20 Tillegatpilneser dan, de koning van Assur, rukte naar hem op, maar bracht hem in het nauw en ondersteunde hem niet. 21 Want al had Achaz het huis des HEREN en het huis des konings en der oversten leeggehaald en alles aan de koning van Assur gegeven, het hielp hem niets. 22 In de tijd, dat hij in het nauw geraakte, ging hij, diezelfde koning Achaz, voort met ontrouw te zijn jegens de HERE; 23 hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden, omdat hij dacht: De goden der koningen van Aram, die helpen hen; aan hen zal ik offeren, opdat zij ook mij helpen. Maar zij deden hem struikelen en geheel Israël met hem. 24 Achaz liet het gerei van het huis Gods bijeenbrengen en stukslaan; hij sloot de deuren van het huis des HEREN en maakte zich altaren op elke hoek te Jeruzalem. 25 In elke stad van Juda maakte hij offerhoogten, om voor andere goden offers te ontsteken. En hij krenkte de HERE, de God zijner vaderen. 26 Het overige van zijn geschiedenis, uit vroeger en later tijd, zie, die is beschreven in het boek der koningen van Juda en van Israël. 27 Achaz ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in de stad, in Jeruzalem, maar men bracht hem niet in de graven der koningen van Israël. Zijn zoon Jechizkia werd koning in zijn plaats. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Op de bijgevoegde kaart uit de MacMillan Bible Atlas heb ik met rode kaders de steden aangeduid die in de Amarna-briefwisseling vermeld worden. En vermoedelijk zijn er nog meer Hebreeuws/Bijbelse namen die met steden met namen in het Akkadisch in Amarna-brieven, geïdentificeerd kunnen worden.

     

    De laatste Amarna-brief waarin naar Labaja verwezen worden is die van Mutba`lu, een zoon van Labaja.

     

    EA 255: Mutba`lu to pharaoh

    To the king my lord, my sun: message from Mutba`lu, your servant, the ground for your feet, soil on which you walk. At the feet of the king my lord, seven and seven times I throw myself. The king my lord has sent me Haya to say: "They have sent this caravan of Khanigalbat, let it pass!" Who am I not to let pass the caravan of the king my lord? Look, my father Lab'aya served the king my lord; he let pass [all the cara]vans that the king sent to Khanigalbat, to Karduniash. Let the king my lord send the caravan, I will send it on, protected to the maximum!

    De briefschrijver Mutba'lu was koning te Pihili/Pehel/Pella in het Over-Jordaanse gebied van Israël en was een zoon van Labaja. Ook hij is naar farao toe, even onbetrouwbaar als zijn vader voor hem was. Leugen op leugen maakt hij farao wijs. De Egyptische karavanen van farao naar Khanigalbat werden vermoedelijk toch geplunderd. Khanigalbat lag in het gebied van Mitanni/Assyrië. En de plaatsnaam Karduniash in de Amarnabrief is de Kassietische naam voor Babylon

     

     

    Pekah werd door Hosea in 735 v. Chr. vermoord. Het jaar voordien was Tiglath Pileser III naar Israël en Aram opgerukt, en dit op verzoek van koning Achaz van Juda. Uiteraard marcheerden de Assyriërs volgens hun programma en hadden niet de uitredding van Juda in gedachten. Hosea van Israël werd nu een vazal van Assyrië. Volgens een Joodse overlevering in de Seder Olam, regeerde Hosea vanaf het twintigste jaar van Jotham van Juda gerekend, gedurende negen jaar uitsluitend over het gebied van Gilead in Trans-Jordanië. Ik vermeld deze korte geschiedenis als aanloop naar een volgende aflevering. Op de kaart hierboven heb ik met een rood kader de plaatsnamen gemerkt die in de Amarna-briefwisseling voorkomen. Getransponeerd naar de achtste eeuw v. Chr. is Tiglath Pileser III de koning van Amoerroe/Mitanni, die naar het gebied van Aram en Israël oprukt. En deze actie activeerde heel wat stof voor het schrijven van brieven om hulp aan farao, van zijn vazallen in Klein-Azië.

     

    De orthodoxe Egyptologie heeft de Amarna-tijd op basis van een vermeende Sothis-kalender, in de veertiende eeuw v. Chr. geplaatst. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft de Sothis-theorie onderuitgehaald. Er is geen enkele reden meer om vast te houden aan de datering van de faraolijsten zoals de orthodoxie het meer dan honderd jaar geleden introduceerde. De man die in de tweede helft van de twintigste eeuw de aanzet tot de herziening van de chronologie van de oudheid was Dr. I. Velikovsky. Aan Velikovsky gaf ik op dit blog al enkele malen aandacht. Zie bijvoorbeeld het artikel van 26-12-2014: Dr. Immanuël Velikovsky (1895/1979). Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1419202800&stopdatum=1419807600

     

    Een andere aflevering op dit blog dateert van 07-12-2014: Das Sothis/Manetho-Verhängnis, met een schema dat de noodlottige Sothis-kalender verklaart.

    Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1417388400&stopdatum=1417993200

     

    Ik gebruik het woord noodlottig; omdat aan de datering van de Egyptische faraolijsten al de buurvolkeren werden gekoppeld. En als gevolg hiervan zit men er tot zeshonderd jaar naast. De bedoeling van dit blog is om het algemene belang van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid, voor de correcte verankering van de Egyptische faraolijsten met de Bijbelse koningen op de tijdsbalk te onderstrepen. De orthodoxe Sothis-datering is al lange tijd op wetenschappelijke basis als fout bevonden en verworpen. Het is een keurslijf waar geen enkele Bijbelvorser zich nog hoeft in te wringen. Zie o.a. het artikel op dit blog van 10-01-2014: Het Ebers-papyrus. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600 en scrol naar beneden.

     

    “So, I cast off the tethering rope of Egyptian history from this long used but now corroded and insecure anchor..” David Rohl

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

    23-02-2015 om 08:13 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tweede, derde en vierde Jubeljaar

    Met onze aflevering van 16-02-2015: het eerste jubeljaar, bracht ik de historische verankering van het eerste jubeljaar op de tijdsbalk in het jaar oct1395/sep1394 v. Chr. In april van het jaar 1443 v. Chr. trokken de Israëlieten o.l.v. Jozua het Beloofde Land Kanaän binnen en begon in datzelfde jaar de sabbatjaarcyclus. Negenenveertig jaar later begon in oktober 1395 v. Chr. het eerste jubeljaar, om te eindigen in september van het jaar 1394 v. Chr. De sabbatjaarcyclus liep zonder onderbreking van april tot maart door. In april 1394 v. Chr. begon een nieuwe cyclus van zeven maal zeven jaar.

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanaän dat ze veertig jaar later zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individuele verlies van land e.a. in het vijftigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van sommigen. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte dat een en ander duidelijk maakt.

     

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien. 5 Wat vanzelf opkomt van uw oogst, zult gij niet inoogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok zult gij niet inzamelen; het zal een jaar van rust voor het land zijn. 6 De sabbatopbrengst van het land zal u tot voedsel zijn: u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u vertoeven. 7 Ook voor uw vee en voor het gedierte, dat in uw land is, zal de gehele opbrengst daarvan tot voedsel zijn. 8 Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarsabbatten negenenveertig jaren zijn. 9 Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land. 10 Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren. 11 Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, dan zult gij niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult gij niet oogsten en dan zult gij de ongesnoeide wijnstok niet aflezen. 12 Want het zal u een jubeljaar zijn, heilig zal het u zijn; van de akker zult gij eten wat hij opbrengt. 13 In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Met het nieuwe artikel zetten we onze reis in de tijd verder vanaf het jaartal waar de vorige aflevering eindigde: 1354 v. Chr.

     

     

    Het schema toont de periode 1353/1340 v. Chr. met het tweede jubeljaar in okt1346/sep1345 v. Chr. sinds de instelling ervan. Het tweede jubeljaar is historisch herkenbaar vanuit het Bijbelboek Ruth. Betreffende dit bijzonder jubeljaar schreef ik op dit blog al eerder een artikel op 24-02-2014: een jubeljaar in het Bijbelboek Ruth. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1393196400&stopdatum=1393801200 en scrol naar beneden.

     

     

    In het Bijbelboek Ruth lezen we dat Naomi, de schoonmoeder van Ruth, in het ballingsland Moab vernam dat de HERE God naar zijn volk had omgezien door het brood te geven. Dat gebeurde in het zesde jaar (apr1347/mrt1346 v. Chr.) van de sabbatjaarcyclus, het jaar van de zogenaamde dubbele zegening, zodat de opbrengst van het land voldoende zou zijn om het sabbatjaar en ditmaal ook het Jubeljaar te overbruggen.

     

    Leviticus 15:19 En het land zal zijn vrucht geven, zodat gij tot verzadiging eet en daarin veilig woont. 20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen – 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten.

     

    We merken ook op dat de zegening over het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus ondanks het ongeloof van Israël ten tijde van de Richteren, niet ophield.

     

    Nog een bijzonderheid is dat de schoondochter van Naomi; Ruth in de geslachtslijn zit van de komende Losser. En aldus merken we de geleidelijke ontvouwing van de belofte van de komende Messias. Een prachtig beeld van de beloofde komende Verlosser is dat Boaz als ‘losser’ optreedt en de verarmde Ruth materieel in het land hersteld.

     

    Matteüs 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab , Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, 6 Isaï verwekte David, de koning.

     

    Over het geslachtsregister van Jezus Christus schreef ik al eerder op dit blog een artikel op 11.02.2015.

     

    Verder merken we ons schema op dat aan de achttienjarige verdrukking door Moab in het voorjaar van 1349 v. Chr., door de (linker)hand van de nieuwe Richter Ehud een einde kwam (Richteren 3:12-30). Na Ehud richtte de richter Samgar over Israël.

     

    Richteren 3: …en het land had rust, tachtig jaar. 31 Na hem nu kwam Samgar, de zoon van Anat; hij versloeg de Filistijnen met een ossenstok, zeshonderd man; zo verloste ook hij Israël.

     

    In totaal volgde er voor de Israëlieten vanaf de Richter Ehud een periode van tachtig jaar zonder verdrukking. De periode dat Samgar Richter was, maakt volgens de Joodse overlevering, deel uit van de periode van tachtig jaar.

     

     

    De volgende schema ’s tonen de lange periode van tachtig jaar, dat het land rust kende. Hierboven de periode van 1339/1326 v. Chr. De vraag blijft uiteraard of de Israëlieten de sabbatjaren gehouden of genegeerd hebben.

     

     

    Vervolgens het schema met de periode 1325/1312 v. Chr. met de vermelding zoals op ieder ander schema, van twee sabbatjaren. Van de 120 sabbatjaren die er waren tussen het jaar 1443 v. Chr. bij de intocht in Kanaän, en het jaar 605 v. Chr. met de eerste wegvoering in Babylonische Ballingschap van Juda, zijn er in totaal zeventig sabbatjaren geweest die Israël genegeerd heeft, en het land geen rust gunde. De sabbatjaren aanduidden waar het land van de Israëlieten geen rust kreeg, is een moeilijke opdracht.

     

     

    Hierboven het schema met de periode 1311/1298 v. Chr.

     

     

    En vervolgens de periode van 1297/1284 v. Chr. Het jaar okt1297/sep1296 v. Chr. was het derde Jubeljaar. Hierna een opsomming van alle tot nu toe vermelde jubeljaren.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:           Historische periode:

    1.                1395/1394                   Richter Othniël

    2.               1346/1345                             Ruth 6:6

    3.               1297/1296                   Richter Ehud

     

    Er staat in de Schrift geen verwijzing naar een houden of negeren van de sabbatjaren tijdens deze periode. Een Bijbelvers uit het Boek Richteren zegt veel:

     

    Richteren 21:25 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen.

     

    En dit alles is heden in de bedeling van de genade, de tijd van het Nieuwe Testament, een onderwijzing van hoe het niet moet.

     

    Romeinen 15:4 Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

     

     

    Vervolgens gaan we verder met de periode 1283/1270 v. Chr. Het was voor Israël de periode van de richteren Ehud en Samgar. Een periode dat ze na de verdrukking door koning Eglon van Moab, sinds 1349 v. Chr. tachtig jaar lang rust van hun vijanden hadden. We kunnen er echter vanuit gaan dat de Israëlieten tijdens deze lange periode zelden het sabbatjaargebod gehouden hebben en het land rust gegund.

     

     

    In het voorjaar van 1269 v. Chr. begon namelijk de verdrukking van de twaalf stammen van Israël door Jabin als oordeel over het niet houden van de wet van Mozes.

     

    Richteren 4:2 Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-Haggojim woonde. 3 En de Israëlieten riepen tot de HERE, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten wreed verdrukt, twintig jaar.

     

    Een verdrukking van twintig jaar was het resultaat voor het niet houden van de sabbat- en jubeljaren.

     

    Uiterst rechts op het schema merken we ook in het jaar 1256 v. Chr. het begin van de verdrukking door Midian. Beide verdrukkingen lopen de gedurende zeven jaar gelijk met elkaar.

     

     

    Richteren 6:1 Maar de Israëlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN; daarom gaf de HERE hen over in de macht van Midjan gedurende zeven jaar, 2 waarin Midjan de overhand had over Israël.

     

    In het voorjaar van 1249 v. Chr. kwam aan beide verdrukkingen een einde. Heel opmerkelijk begon op dat moment in de maand maart/april het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus. Een jaar van dubbele zegening over het land, gevolgd door het sabbatjaar van apr1248/mrt1247 v. Chr. En ik oktober van 1248 v. Chr. begon het vierde jubeljaar.

     

    Het was de richter Debora (Richteren 4:4-24) die het juk van Jabin vernietigde, en de richter Gideon (Richteren 6-8) die met 300 man de Midianieten versloeg. Het resultaat was een periode van veertig jaar rust voor de Israëlieten. Over de schikking van de richteren op de tijdsbalk schreef ik eerder op dit blog op 03-06-2014 een artikel. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1401660000&stopdatum=1402264800 en scrol naar beneden.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    20-02-2015 om 11:33 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-02-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het eerste Jubeljaar

    Met de afleveringen van 17-12-2014, 29-12-2014, 07-01-2015 en 27-01-2015 behandelden we de jubeljaren vanaf het 30ste jubeljaar van okt27/sep28 AD terug de tijd in en sloten voorlopig af met het historisch herkenbare 18de jubeljaar van het jaar okt562/sep561 v. Chr. Het was het jaar van het 37ste ballingsjaar van koning Jojachin van Juda. In dat jaar werd hij door de nieuwe heerser over Babylon; Evil Merodach, uit zijn gevangenis verlost.

     

    Met het nieuwe artikel vertrekken we ditmaal vanaf het eerste jubeljaar van okt1395/sep1394 v. Chr. vooruit de tijd in, en zoeken in de nog te volgen afleveringen, aansluiting bij het 18de jubeljaar.

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanaän dat ze veertig jaar later zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individuele verlies van land e.a. in het vijftigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van sommigen. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte dat een en ander duidelijk maakt.

     

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien. 5 Wat vanzelf opkomt van uw oogst, zult gij niet inoogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok zult gij niet inzamelen; het zal een jaar van rust voor het land zijn. 6 De sabbatopbrengst van het land zal u tot voedsel zijn: u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u vertoeven. 7 Ook voor uw vee en voor het gedierte, dat in uw land is, zal de gehele opbrengst daarvan tot voedsel zijn. 8 Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarsabbatten negenenveertig jaren zijn. 9 Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land. 10 Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren. 11 Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, dan zult gij niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult gij niet oogsten en dan zult gij de ongesnoeide wijnstok niet aflezen. 12 Want het zal u een jubeljaar zijn, heilig zal het u zijn; van de akker zult gij eten wat hij opbrengt. 13 In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen. 14 Wanneer gij iets aan uw volksgenoot verkoopt of iets van hem koopt, dan zal de een de ander niet benadelen. 15 Rekening houdend met de jaren na een jubeljaar, zult gij het van uw volksgenoot kopen; rekening houdend met de oogstjaren zal hij het u verkopen. 16 Bij een groter aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding hoger stellen; bij een geringer aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding lager stellen: want het getal der oogsten verkoopt hij u. 17 Gij zult elkander niet benadelen, maar voor uw God vrezen, want Ik ben de HERE, uw God. 18 Zo zult gij mijn inzettingen opvolgen en mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen; dan zult gij veilig wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven, zodat gij tot verzadiging eet en daarin veilig woont. 20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen – 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten. 23 En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij. 24 In het gehele land, dat gij in bezit hebt, zult gij lossing voor het land toestaan. 25 Wanneer uw broeder verarmd is en iets van zijn bezitting heeft moeten verkopen, dan zal zijn naaste bloedverwant als losser optreden, en hij zal loskopen wat zijn broeder heeft moeten verkopen. 26 Wanneer iemand geen losser heeft, maar zijn vermogen wordt toereikend, zodat hij verwerft, wat hij voor lossing nodig heeft, 27 dan zal hij de jaren sinds de verkoop in rekening brengen, en wat nog overblijft de man terugbetalen aan wie hij het verkocht heeft, opdat hij zijn bezitting terugkrijgt. 28 Maar indien hij niet verwerft wat nodig is, om hem terug te betalen, dan blijft wat hij verkocht heeft, in het bezit van hem die het gekocht heeft, tot het jubeljaar: maar in het jubeljaar zal het vrijkomen, en hij zal zijn bezitting terugkrijgen. 29 Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan zal het recht van lossing duren tot er een jaar na de verkoop verstreken is; een jaar zal het recht van lossing duren. 30 Maar indien het niet gelost is, voordat een vol jaar verstreken is, dan komt dat huis, dat in een ommuurde stad stond, voorgoed aan hem die het gekocht heeft, in zijn geslacht: in het jubeljaar zal het niet vrijkomen. 31 De huizen echter in de dorpen, waar geen muur om is, zullen bij het akkerland gerekend worden, daarvoor zal wel recht van lossing zijn en in het jubeljaar zullen zij vrijkomen. 32 En aangaande de steden der Levieten, de huizen der steden, die zij in bezit hebben – de Levieten zullen een altoosdurend recht van lossing hebben. 33 Als iemand van de Levieten het inlost, dan zal het verkochte huis, in de stad van zijn bezit, in het jubeljaar vrijkomen; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezit in het midden van de Israëlieten. 34 En het weideland bij hun steden zal niet verkocht worden, want dat is hun altoosdurend bezit. 35 Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden, dan zult gij hem – vreemdeling en bijwoner – ondersteunen, opdat hij bij u in het leven blijve. 36 Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw God vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve. 37 Gij zult hem uw geld niet op rente geven noch uw voedsel tegen winst. 38 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zou zijn. 39 Wanneer uw broeder verarmt bij u en zich aan u verkoopt, dan zult gij hem geen slavenarbeid laten verrichten. 40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u arbeiden. 41 Dan zal hij van u weggaan, hij met zijn kinderen, en naar zijn geslacht terugkeren en hij zal het bezit zijner vaderen terugkrijgen. 42 Want zij zijn mijn knechten, die Ik uit het land Egypte heb geleid: zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt. 43 Gij zult niet met hardheid over hem heersen, maar gij zult voor uw God vrezen. 44 Doch uw slaaf of slavin, die gij houdt, zullen zijn uit de volken rondom u; uit hen zult gij een slaaf of slavin kopen. 45 Ook uit de kinderen der bijwoners die bij u vertoeven, uit hen zult gij ze kopen en uit hun geslacht, dat bij u is, dat zij in uw land hebben voortgebracht, en zij zullen uw bezit zijn; 46 gij zult hen aan uw kinderen na u tot een erfenis geven, zodat zij in hun bezit overgaan; voor altoos zult gij hen in dienst houden, maar over uw broeders, de Israëlieten, zult gij niet, de een over de ander, met hardheid heersen. 47 Wanneer het vermogen van een vreemdeling of bijwoner bij u toeneemt, en uw broeder bij hem verarmt en zich aan die vreemdeling of bijwoner bij u, of aan iemand die uit een geslacht van vreemdelingen afkomstig is, verkoopt, 48 dan zal hij, nadat hij zich verkocht heeft, recht van lossing hebben: een van zijn broeders mag hem loskopen; 49 of zijn oom of de zoon van zijn oom mag hem loskopen, of zijn naastbestaande uit zijn geslacht mag hem loskopen, of, als zijn vermogen toereikend wordt, mag hij zich zelf loskopen. 50 Dan zal hij samen met zijn koper een berekening maken van het jaar af, dat hij zich aan hem verkocht, tot het jubeljaar, en de prijs van zijn verkoop zal zich richten naar het aantal jaren; op de wijze van een dagloner zal hij bij hem zijn. 51 Indien het nog vele jaren zijn, zal hij dienovereenkomstig zijn losgeld terugbetalen van het geld, waarvoor hij was gekocht. 52 Indien er weinige jaren overblijven tot het jubeljaar, dan zal hij met hem een berekening maken; overeenkomstig die jaren zal hij zijn losgeld terugbetalen. 53 Zo zal hij als een dagloner van jaar tot jaar bij hem zijn; deze zal bij u niet met hardheid over hem heersen. 54 Maar indien hij op deze wijze niet gelost wordt, dan komt hij in het jubeljaar vrij, hij met zijn kinderen. 55 Want de Israëlieten zijn Mij tot knechten: mijn knechten zijn zij, die Ik uit het land Egypte heb geleid; Ik ben de HERE, uw God. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het sabbat-en jubeljaargebod van Leviticus hoofdstuk 25 ging in bij de inbezitneming van het land Kanaän door de Israëlieten.

     

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    Israël heeft in zijn lange geschiedenis nooit het jubeljaargebod gehouden. Volgens mij zonder twijfel als reden van winstbejag door de machthebbers. De wortel van alle kwaad is de geldzucht leert de Bijbel (1 Timoteüs 6:10). En van de in totaal 120 sabbatjaren vanaf het eerste sabbatjaar van apr1437/mrt1436 v. Chr. gerekend, tot en met het sabbatjaar van apr604/mrt603 v. Chr., hebben zij slechts met intervallen, vijftigmaal het sabbatjaargebod gehouden. Na het zeventigmaal negeren van het sabbatjaargebod volgde de Babylonische ballingschap. Een ballingschap die exact zeventig jaar duurde ter vergoeding voor het (ontvolkte) land dat toen zijn sabbatrust kreeg.

     

    De geschiedvertelling die we hier brengen is geen gewone geschiedschrijving zoals met de geschiedenis van bijvoorbeeld Egypte, Assyrië e.a. volken, maar is Heilsgeschiedenis. De HERE God heeft in Zijn eeuwig voornemen, de Israëlieten uitverkoren om tot Zijn doel te komen: het herstel van alle dingen.

     

    Exodus 19:1 In de derde maand na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn Sinai. 2 Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de woestijn Sinai en legerden zich in de woestijn; en Israël legerde zich daar tegenover de berg. 3 Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: 4 gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.

     

    Jesaja 49:6 Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Statenvertaling)

     

    Het gaat om de beloofde Verlosser, waarvan de draad aanvangt in het eerste Bijbelboek Genesis, met de belofte van een herstel van alle dingen. De dood, het sterven, dat was gaan heersen vanaf de eerste rebellie van de mens, zou ooit aan zijn einde komen. Doorheen de Bijbel zien we dan ook de ontvouwing van de belofte van de komende Verlosser, van Genesis naar Exodus, naar Leviticus en zo verder ingevuld worden. Het begint bij Adam, daarna naar Seth, naar Noach, naar Sem, naar Abraham, naar Izaak, naar Jakob, naar Juda, naar David, om uiteindelijk de vervulling te vinden in Jezus Christus, de (ver)Losser. Ten tijde van Jozua en later de Richterenperiode, was de invulling van de belofte van de Losser nog niet compleet. De Bijbel bestond toen alleen uit de eerste vijf boeken van Mozes, enkele Psalmen en het Boek Jozua. Later zou via de overige Bijbelboeken het beeld van de komende Verlosser van de dood duidelijker worden. En de profeet Jesaja van de achtste eeuw v. Chr. zag en beschreef zowel de ene komst van de komende Koning der koningen als degene die zou komen als plaatsvervangend Lamslachtoffer. Het tijds-dal tussen de twee komsten van de ene Verlosser mochten de Hebreeuwse profeten niet zien (1 Petrus 1-10-12 – Efeze 3:1-7)

     

    Jesaja 53:5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.

     

    Het is ook belangrijk om het beloofde land Kanaän van toen voor de geest te halen. Het was namelijk een zeer vruchtbaar land zonder weerga, dat in de Bijbel beschreven wordt, een land overvloeiende van melk en honing. Het is een beschreven vruchtbaarheid die tegenwoordig sinds de klimaatwisseling van de achtste eeuw v. Chr., nog moeilijk voor te stellen is. De Bijbelse vroege en late regen was als een zegen van Boven verantwoordelijk voor meerdere rijke oogsten, aller aard.

     

    Nu moeten we ons het volk van die tijd voorstellen. Het begon met de belofte aan één man Abraham. Een belofte die aan zijn zoon Izaak herhaald werd en daarna aan diens zoon Jakob. Ten tijde van Jakob en zijn twaalf zonen was het een familieverband van zeventig mensen, die in 1698 v. Chr. ten tijde van de wereldwijde hongersnood, Egypte binnentrokken. En tweehonderdvijftien jaar later was het een volk geworden van ruim twee miljoen mensen die in april 1483 v. Chr. met Pesach, Egypte o.l.v. Mozes op weg naar het Beloofde Land, uittrokken. Vijftig dagen later, in datzelfde jaar 1483 v. Chr. kregen zij in de wildernis de Wet, hun grondwet. Van de Israëlieten werd gehoorzaamheid aan de wet en geloofsvertrouwen op God verlangd. In het tweede jaar sinds de uittocht uit Egypte (Numeri 10:11) trokken zij uit de wildernis op, richting Kanaän. Een meerderheid van de verspieders (10/12) die het land Kanaän verkend hadden weigerden echter het land Kanaän binnen te trekken, uit vrees voor de bewoners en slaagden erin het volk van hun eigen angst en ongeloof te overtuigen. Het resultaat was dat het volk weigerde binnen te trekken. Als straf volgden 38 jaar in de wildernis voor heel het volk. Heel het geslacht ouder dan twintig jaar zou in de wildernis achterblijven. Veertig jaar (2+38) later trokken Jozua en Kaleb, de twee moedige verspieders (van de twaalf) met de nieuwe in de wildernis geboren generatie, het land Kanaän binnen. Over de intocht in Kanaän schreef ik eerder al een artikel op dit blog op 13-11-2014: zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1415574000&stopdatum=1416178800 en op 07-01-2014 over Jericho: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600 en scrol naar beneden.

     

     

    Jozua 5:10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.

     

    Dit Bijbelcitaat plaatsen we chronologisch op de tijdsbalk in de maand Nisan of maart/april, van het jaar 1443 v. Chr. En vanuit Jozua 5:12 maken we op dat toen in dat jaar 1443 v. Chr. met de maand nisan, de sabbatjaarcyclus van start ging met zeven jaar later het eerste sabbatjaar in apr1437/mrt1436 v. Chr.

     

    “En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten”. Veertig jaar lang hadden zij in de wildernis op dit manna overleefd en nu bij het binnengaan van het land overvloeiende van melk en honig, hield het manna, het brood der engelen (Psalm 78:25) op. Ik haal Psalm 78 erbij om het wonder van het overleven gedurende veertig jaar van ruim twee miljoen mensen in de wildernis te onderlijnen. Dit was alleen mogelijk door het manna van Boven, het afleiden van groepen trekvogels naar het gebied waar de Israëlieten verbleven en water dat uit de rots verkregen werd. Zelfs tegenwoordig zou een overleven van zulk een massa volk in de Arabische wildernis zonder verpleging niet mogelijk zijn. Alleen kleine groepen nomaden kunnen in die wildernis overleven. Vandaar ook het ongeloof bij seculiere onderzoekers voor de beschreven Bijbelse feiten en het herleiden van het Israëlitische volk ten tijde van de intocht, tot een nomadentroepje.

     

     

    De verovering van Kanaän zou zes jaar in beslag nemen waarna het land onder de twaalf van stammen van Israël verdeeld werd. Over de verovering van Kanaän schreef ik op 19-11-2014 een artikel op dit blog: De opgerichte steen van Jozua te Sichem. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1416178800&stopdatum=1416783600

     

    Het eerste sabbatjaar viel in het jaar apr1437/mrt1436 v. Chr. Een sabbatjaar dat ongetwijfeld onder leiding van Jozua gehouden werd. Na de dood van Jozua namen zogenaamde oudsten de leiding over. En de vraag is of dat ook ten tijde van de oudsten, het tweede volgende sabbatjaar (van apr1430/mrt1429 v. Chr.) sinds de intocht, gehouden werd, en het land zijn rust kreeg? Ik betwijfel het, omdat na het vierde sabbatjaar apr1416/mrt1415 v. Chr. de verdrukking van de Israëlieten door Mesopotamië al een aanvang nam. Een verdrukking die als een oordeel over de twaalf stammen van Israël ging.

     

    Over de chronologische schikking van de richters op de tijdsbalk schreef ik eerder op dit blog op 03-06-2014 een artikel: de periode van de Richters in het oude Israël. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1401660000&stopdatum=1402264800 en scrol naar beneden.

     

     

    Ons schema (1423/1410 v. Chr.) toont de sabbatjaren van apr1423/mrt1422 v. Chr. en apr1416/mrt1415 v. Chr., ten tijde van de oudsten als opvolgers van Jozua, waarna in het voorjaar van 1415 v. Chr., bij het begin van een nieuwe sabbatjaarcyclus, de eerste verdrukking van de Israëlieten door de hand van Kushan Rischataïm begint. Voor deze verdrukking en nog zes te volgen, had de HERE God gewaarschuwd. Zie het relevante Bijbelcitaat hierna:

     

    Leviticus 26:1 Gij zult u geen afgoden maken; een gesneden beeld noch een gewijde steen zult gij u oprichten; ook een steen met beeldhouwwerk zult gij in uw land niet zetten, om u daarvoor neder te buigen, want Ik ben de HERE, uw God. 2 Mijn sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien, Ik ben de HERE. 3 Indien gij in mijn inzettingen wandelt en mijn geboden nauwgezet in acht neemt, 4 dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven, zodat het land zijn opbrengst geeft en het geboomte des velds zijn vrucht draagt; 5 de dorstijd zal bij u duren tot de wijnoogst, en de wijnoogst tot de zaaitijd; gij zult uw brood eten tot verzadiging en veilig in uw land wonen. 6 En Ik zal vrede in het land geven, zodat gij nederliggen zult, zonder dat iemand u opschrikt; Ik zal de wilde dieren uit het land uitroeien, en het zwaard zal uw land niet teisteren. 7 En gij zult uw vijanden vervolgen, en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 8 Vijf van u zullen honderd achtervolgen, en honderd van u zullen tienduizend achtervolgen, en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 9 En Ik zal Mij tot u wenden, u vruchtbaar doen zijn en u talrijk maken, en Ik zal mijn verbond met u bevestigen. 10 En gij zult het overjarige, dat overgebleven is, eten, en het overjarige zult gij vóór het nieuwe moeten wegdoen. 11 En Ik zal mijn tabernakel in uw midden zetten, en Ik zal geen afkeer van u hebben, 12 maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn. 13 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, opdat gij hun niet meer tot slaven zoudt zijn; Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan.

     

    14 Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet, 15 indien gij mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat gij geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt, 16 dan zal Ik ook aldus met u doen en met verschrikking u bezoeken: tering en koorts, die de ogen verteren en het leven doen verkwijnen; dan zult gij tevergeefs uw zaad zaaien, want uw vijanden zullen het eten. 17 Ik zal mijn aangezicht tegen u keren, zodat gij voor uw vijanden geslagen zult worden, en die u haten, zullen over u heersen, en gij zult vluchten, zonder dat iemand u vervolgt. 18 En indien gij desniettegenstaande niet naar Mij luistert, dan zal Ik u blijven tuchtigen wegens uw zonden, tot zevenmaal toe, 19 en uw trotse macht zal Ik breken en uw hemel maken als ijzer en uw land als koper. 20 Dan zal uw kracht tevergeefs verbruikt worden; uw land zal zijn opbrengst niet geven en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet dragen. 21 Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, dan zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden; 22 Ik zal het wild gedierte op u loslaten, dat u van kinderen beroven en uw vee uitroeien zal en uw aantal zo zal verminderen, dat uw wegen verlaten zullen zijn. 23 Indien gij u door deze tuchtiging nog niet tot Mij keert en u tegen Mij blijft verzetten, 24 dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten en dan zal Ik u ook zevenmaal slaan wegens uw zonden, 25 en over u een zwaard brengen, dat wraak neemt over het verbond; wanneer gij dan in uw steden bijeenkomt, dan zal Ik de pest onder u zenden en gij zult aan de vijand overgeleverd worden. 26 Als Ik u de staf des broods verbreek, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken en zij zullen uw brood afgewogen teruggeven, en gij zult eten, maar niet verzadigd worden. 27 En indien gij desondanks niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft verzetten, 28 dan zal Ik Mij met grimmigheid tegen u verzetten en Ik, ja Ik, zal u zevenmaal tuchtigen over uw zonden, 29 en gij zult het vlees uwer zonen eten en het vlees uwer dochters zult gij eten. 30 En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien; Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben. 31 Uw steden zal Ik tot een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten en Ik wil niet meer uw liefelijke reuk ruiken. 32 Ik zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden, die daarin wonen, zich daarover zullen ontzetten. 33 Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop. 34 Dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, al de dagen dat het woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn sabbatsjaren vergoeden. 35 Al de tijd der verwoesting zal het rusten, de rust die het niet gehad heeft gedurende uw sabbatsjaren, toen gij daarin woondet. 36 En Ik zal vrees brengen in de harten van hen die van u zijn overgebleven, in de landen hunner vijanden, zodat het geluid van een opgewaaid blad hen opjaagt, en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor het zwaard, en vallen, zonder dat er een vervolger is. 37 En de een zal over de ander struikelen als voor het zwaard, zonder dat er een vervolger is, en gij zult voor uw vijanden geen stand kunnen houden. 38 En gij zult onder de volken te gronde gaan, en het land uwer vijanden zal u verteren. 39 En wie van u overgebleven zijn, zullen in de landen hunner vijanden wegkwijnen vanwege hun ongerechtigheid en ook vanwege de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij, evenals dezen, wegkwijnen. 40 Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, – 41 ook Ik verzette Mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden – of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, 42 dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaak en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. 43 Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, terwijl het verwoest ligt zonder hen, en zij zullen hun ongerechtigheid boeten, omdat, ja, omdat zij mijn verordeningen versmaadden en van mijn inzettingen een afkeer hadden. 44 Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de HERE, hun God. 45 Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE. 46 Dit zijn de inzettingen en verordeningen en wetten, die de HERE gegeven heeft tussen Zich en de Israëlieten op de berg Sinai, door de dienst van Mozes. (NBG Vertaling 1951)

     

    Voorwaar, men wordt niet vrolijk van het lezen van deze waarschuwing aan de Israëlieten, over wat er zou gebeuren indien zij het sabbat- en jubeljaargebod in het land Kanaän zouden negeren. Wanneer we door de geschiedenis van Israël heengaan merken we hoe nauwkeurig dit alles uitgekomen is. Er zijn bijvoorbeeld inderdaad zeven verdrukkingen geweest. Zes ervan vinden we in het Bijbelboek Richteren vermeldt. Zie hierna de relevante Bijbelcitaten.

     

    1)     Richteren 3:8 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël: Hij gaf hen over in de macht van Kusan-Risataïm, koning van Mesopotamië, en de Israëlieten dienden Kusan-Risataïm acht jaar.

     

    2)   Richteren 3:12 Maar de Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN; toen maakte de HERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij gedaan hadden wat kwaad is in de ogen des HEREN. 13 Hij dan verbond zich met de Ammonieten en de Amalekieten, trok op en versloeg Israël; de Palmstad namen zij in bezit. 14 Achttien jaar dienden de Israëlieten Eglon, de koning van Moab.

     

    3)   Richteren 4:2 Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-Haggojim woonde. 3 En de Israëlieten riepen tot de HERE, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten wreed verdrukt, twintig jaar.

     

    4)   Richteren 6:1 Maar de Israëlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN; daarom gaf de HERE hen over in de macht van Midjan gedurende zeven jaar, 2 waarin Midjan de overhand had over Israël.

     

    5)    Richteren 10:7 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël, en Hij gaf hen over in de macht der Filistijnen en der Ammonieten. 8 In datzelfde jaar verdrukten en vertrapten zij de Israëlieten: en achttien jaar lang deden zij dit met alle Israëlieten aan de overzijde van de Jordaan, in het land der Amorieten in Gilead.

     

    6)   Richteren 13:1 De Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN; toen gaf de HERE hen over in de macht der Filistijnen, veertig jaar.

     

    7)    En de zevende verdrukking volgde nadat de Israëlieten voor de zeventigste maal het sabbatjaargebod genegeerd hadden: de Babylonische Ballingschap die zeventig jaar in beslag nam.

     

    De Israëlieten ten tijde van de Richterenperiode waren een heel bijzondere samenleving, die geen vergelijking hadt met de buurvolken. Zij hadden bijvoorbeeld geen koning en ook geen staand leger. Het was een los verbond van twaalf stammen die allen op de stamvader Jakob/Israël teruggingen. Bij de uittocht uit Egypte waren zij een natie geworden met de HERE God als hun Koning en met de Wet van God als hun grondwet. Het was een maatschappij die voornamelijk bestond uit landbouwers en ambachtslieden. Zoals opgemerkt was er geen staand leger maar waren alle Israëlieten wapendragers die indien nodig, een militieleger konden vormen. De vrouwen speelden in deze maatschappij ook hun rol. Een voorbeeld voor de rol van de vrouw in de samenleving van toen levert het Bijbelboek Spreuken hoofdstuk 31 over de deugdelijke huisvrouw. De benaming ‘huisvrouw’ kan vanuit onze cultuur een verkeerd beeld oproepen. Ik herhaal dat het Israël van de oudheid een samenleving van landbouwers en ambachten was en de vrouw speelde hier honderd procent haar rol in. De vrouw van Spreuken 31 blijkt een zelfstandige zakenvrouw, zowel hoofd- als handarbeidster te zijn. Zij heeft dienstmaagden onder zich. Zint zij op een akker, staat er in vers 16, dan verwerft zij deze akker met eigen middelen, staat er geschreven. Van de opbrengst van het ene, verwerft zij een andere onderneming. Haar koophandel gedijt, staat er in vers 18 geschreven. Haar man is vermoedelijk een richter die zijn tijd met het bestuur van de stad doorbrengt. Terzelfdertijd is zijn zelfstandige handelsvrouw al bezig met een andere activiteit: het maken van fijn lijnwaad en de verkoop ervan. Enz. De vrouwen draaiden in deze samenleving volledig mee. Ook zij namen indien nodig zelfs de wapens op. Zulk een voorbeeld vinden we in het Bijbelboek Richteren hoofdstuk 9:53 waar een burgervrouw verantwoordelijk is voor het doden van Abimelek. Hollywood heeft ertoe bijgedragen een verkeerd beeld van de vrouw van toen weer te geven. Meestal worden in Bijbelse sandalen-filmen de vrouwen van deze tijd bijvoorbeeld met een sluier afgebeeld.

     

     

    We hebben nochtans een vrij goed beeld van de klederdracht in Kanaän vanuit een tombe in Egypte ten tijde van het Midden-rijk. De vrouwen op deze afbeelding hebben slechts een haarband voor hun lange ravenzwarte haren, maar geen sluier. De kleding doet voor wie algemene Bijbelkennis heeft, denken aan de veelvervigen mantel van de aartsvader Jozef.

     

    Een ander voorbeeld over de positie van de vrouw in die tijd is de vrouwelijke richter Debora waarover ik op 25-02-2014 op dit blog een artikel schreef: DEBORA: vrouw, moeder, richter, profeet, dichter en generaal. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1393196400&stopdatum=1393801200 en scrol naar beneden.

     

     

    Het volgende schema geeft de periode 1409/1396 v. Chr. weer en toont de sabbatjaren van apr1409/mrt1408 v. Chr. en apr1402/mrt1401 v. Chr. In het voorjaar van 1407 v. Chr. komt aan de verdrukking door de koning van Aram; Kusan-Risataïm, een einde door het optreden van de eerste richter in Israël: Othniël.

     

    Richteren 3:1 Dit nu zijn de volken, die de HERE liet overblijven om door hen al die Israëlieten op de proef te stellen, welke geen van de oorlogen om Kanaän gekend hadden, 2 slechts opdat de geslachten der Israëlieten, voorzover zij daarvan tevoren geen ervaring hadden, met de strijd vertrouwd zouden raken, doordat Hij hen daarin oefende: 3 de vijf stadsvorsten der Filistijnen en al de Kanaänieten, Sidoniërs en Chiwwieten, die het gebergte Libanon bewonen, van de berg Baäl-Hermon tot de weg naar Hamat. 4 Zij toch waren ertoe bestemd, dat Hij door hen Israël op de proef zou stellen, om te weten, of zij zouden luisteren naar de geboden, die de HERE hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had. 5 De Israëlieten dan woonden te midden der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten; 6 zij namen zich hun dochters tot vrouw en gaven de eigen dochters aan hun zonen en dienden hun goden. 7 De Israëlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN, zij vergaten de HERE, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera’s. 8 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël: Hij gaf hen over in de macht van Kusan-Risataïm, koning van Mesopotamië, en de Israëlieten dienden Kusan-Risataïm acht jaar. 9 Toen riepen de Israëlieten tot de HERE, en de HERE verwekte de Israëlieten een verlosser om hen te bevrijden: Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broeder van Kaleb. 10 De Geest des HEREN kwam over hem, hij richtte Israël en trok uit ten strijde. De HERE gaf Kusan-Risataïm, de koning van Aram, in zijn macht, zodat hij de overhand kreeg over Kusan-Risataïm. 11 Toen had het land veertig jaar rust. En Otniël, de zoon van Kenaz, stierf. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Met het volgende schema met de periode van 1395/1382 v. Chr. zien we in het jaar okt1395/sep1394 v. Chr. het eerste jubeljaar vermeld. De Schrift is stil over een eventueel houden van het jubeljaargebod door de Israëlieten. De enige vermelding is dat de richter Othniël de overhand kreeg over Kusan-Risataïm en dat het land daarna veertig jaar rust had tot aan de dood van Othniël, waarna echter onmiddellijk een nieuwe verdrukking begon.

     

    Het volk Israël moest via het houden van de wet op het sabbat- en jubeljaargebod, een licht voor de volken zijn. Volkeren die er sinds Nimrod geheel andere wetten op na hielden. Meestal wetten, zoals de Hammoerabi-code, die gebaseerd waren op vergelding met daarnaast een economie gebaseerd op slaven en uitbuiting. Een voorbeeld van verschil in wetten is het zo onbegrepen ‘oog om oog’ en ‘tand om tand’. In de wet van Mozes ging het om het compenseren van aangerichte schade. Gij zult geven een oog voor een oog, en gij zult geven een tand om een tand, staat er geschreven (Exodus 21:23). Het economisch/financieel stelsel van de oudheid behandelde ik summier in het artikel over Tyrus op 17-06-2014: zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1402869600&stopdatum=1403474400 en scrol naar beneden.

     

     

    Ons volgende schema heeft de periode 1381/1368 v. Chr. Het is de tijd van de eerste richter Othniël over Israël. De blauwe tijdsbalk bovenaan het schema toont de sabbatjaarcyclus met sabbatjaren in apr1381/mrt1380 en apr1364/mrt1373 v. Chr.

     

     

    Wat bij volgende schema met de periode 1367/1354 v. Chr. onmiddellijk opvalt is de verticale vermelding van een hongersnood in het voorjaar van 1357 v. Chr. en een kosmisch fenomeen dat daar aan vooraf ging in het voorjaar van 1358 v. Chr. De hongersnood staat beschreven in het Bijbelboek Ruth en de meganatuurcatastrofe was het gevolg van een kosmisch fenomeen. De chronologische verankering op de tijdsbalk heb ik behandelt in het eerder geciteerde artikel over de richter Debora. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1393196400&stopdatum=1393801200 en scrol naar beneden.

     

    Ruth 1:1 In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Bethlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. 2 De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Bethlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. 3 Toen stierf Elimelek, de man van Naomi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. 4 Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. 5 Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man. 6 Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op en keerde uit het veld van Moab terug, want zij had in het veld van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun brood te geven. (NBG Vertaling 1951)

     

    Een genoteerde hongersnood één jaar na de meganatuurcatastrofe is geen verrassing, wanneer we bedenken dat oogsten en zaaien als een gevolg daarvan, verstoord werden.

     

    De aarde is sinds de eerste rebellie van de mens door de Schepper aan de vruchteloosheid onderworpen (Romeinen 8:20). Doornen en distels brengt de aarde sindsdien voort (Genesis 3:17:19), en het sterven heerst over alles. De Schepping is dienstbaar aan de vergankelijkheid geworden en kreunt zoals in een barensnood, in al haar delen,. De mens heeft nog een leeftijdsspan van 70 jaar en indien men sterk is van 80 jaar (Psalm 90), op uitzonderingen na. Het Bijbelboek Prediker hoofdstuk 12 beschrijft in detail het aftakelingsproces dat zich al heel vroeg in een mensenleven inzet met uiteindelijk in vers 7 de beschreven; dood. Wat de mens onderscheidt van de dieren en de rest van de schepping is dat bij zijn of haar dood, zijn of haar geest, zijn/haar levensadem wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

     

    Prediker 12:7… en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God , die hem geschonken heeft.

     

    Prediker 3:19 Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, 20 alles gaat naar één plaats , alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof. 21 Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde? (NBG Vertaling 1951)

     

    Dit dienstbaar zijn aan de vergankelijkheid is voor alle mensen van alle generaties van zowel verleden, heden als toekomst, gelijk. En dit voor zowel gelovigen als voor niet-gelovigen, andersgelovigen, binnen het verbond, buiten het verbond, enz., allen worden getroffen.

     

    De enige hoop voor de rebellerende mens vandaag is het aannemen van Jezus Christus en de verwachting van Zijn (weder)komst als de Losser die alles hersteld.

     

    Romeinen 8:18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.

     

    Het openbaar worden van de zonen Gods, gebeurt bij Zijn komst. Het is de in de Bijbel beloofde opstanding (1 Korintiërs 15:20-28). Een opstanding die in chronologische etappes gebeuren zal. Eerst de Christus, vervolgens de Ekklesia, vervolgens Israël en de volken (Daniël 12:2, 3 en 13). Maar dit is stof voor een toekomstig artikel.

     

    Ik haal deze heilsgeschiedenis (en toekomst) aan ter onderlijning van dat de Israëlieten in de epoque die we nu behandelen, de beloftedragers van deze verwachting zijn.

     

    Wordt vervolgd....

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     


    <

    16-02-2015 om 13:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!