Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    12-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoelang heersten de Hyksos over het oude Egypte?

    De zogenaamde Hyksos stamden uit Klein-Azië die volgens Manetho via zijn kopieerders, tot vijf eeuwen over Egypte geheerst hebben. Het woord: Hyksos, dat Manetho doorgeeft, is een Griekse verbastering van de wijze waarop in de Egyptische taal (hk’h’swt) een vreemde heerser genoemd werd, of letterlijk ‘heerser van vreemde landen’.

    De orthodoxe Egyptologie heeft hun regeerduur op basis van hun vermeend gebruik van een dubbele Sothis-kalender in het oude Egypte, in afwijking met Manetho tot slechts tweehonderddertig jaar beperkt. Maar laat ons eerst de verschillende bronnen aan het woord laten. Flavius Josephus de Joodse oudheidhistoricus uit de eerste eeuw na Christus, citeert in zijn werk de Egyptenaar Manetho uit de derde eeuw voor Christus, die in zijn tijd de geschiedenis van Egypte in de Griekse taal neerschreef.

    Flavius Josephus Against Apion Bk. I, 14.

    ‘I shall begin with the writings of the Egyptians; not indeed of those that have written in the Egyptian language, which it is impossible for me to do. But Manetho was a man who was by birth an Egyptian, yet had he made himself master of the Greek learning, as is very evident; for he wrote the history of his own country in the Greek tongue, by translating it, as he saith himself, out of their sacred records; he also finds great fault with Herodotus for his ignorance and false relations of Egyptian affairs. Now this Manetho, in the second book of his Egyptian History, writes concerning us in the following manner. I will set down his very words, as if I were to bring the very man himself into a court for a witness:

    "There was a king of ours whose name was Timaus. Under him it came to pass, I know not how, that God was averse to us, and there came, after a surprising manner, men of ignoble birth out of the eastern parts, and had boldness enough to make an expedition into our country, and with ease subdued it by force, yet without our hazarding a battle with them. So when they had gotten those that governed us under their power, they afterwards burnt down our cities, and demolished the temples of the gods, and used all the inhabitants after a most barbarous manner; nay, some they slew, and led their children and their wives into slavery.

     

     

    At length they made one of themselves king, whose name was Salatis; he also lived at Memphis, and made both the upper and lower regions pay tribute, and left garrisons in places that were the most proper for them. He chiefly aimed to secure the eastern parts, as fore-seeing that the Assyrians, who had then the greatest power, would be desirous of that kingdom, and invade them; and as he found in the Saite Nomos, [Sethroite,] a city very proper for this purpose, and which lay upon the Bubastic channel, but with regard to a certain theologic notion was called Avaris, this he rebuilt, and made very strong by the walls he built about it, and by a most numerous garrison of two hundred and forty thousand armed men whom he put into it to keep it. Thither Salatis came in summer time, partly to gather his corn, and pay his soldiers their wages, and partly to exercise his armed men, and thereby to terrify foreigners. When this man had reigned thirteen years, after him reigned another, whose name was Beon, for forty-four years; after him reigned another, called Apachnas, thirty-six years and seven months; after him Apophis reigned sixty-one years, and then Janins fifty years and one month; after all these reigned Assis forty-nine years and two months. And these six were the first rulers among them, who were all along making war with the Egyptians, and were very desirous gradually to destroy them to the very roots. This whole nation was styled HYCSOS, that is, Shepherd-kings: for the first syllable HYC, according to the sacred dialect, denotes a king, as is SOS a shepherd; but this according to the ordinary dialect; and of these is compounded HYCSOS: but some say that these people were Arabians." Now in another copy it is said that this word does not denote Kings, but, on the contrary, denotes Captive Shepherds, and this on account of the particle HYC; for that HYC, with the aspiration, in the Egyptian tongue again denotes Shepherds, and that expressly also; and this to me seems the more probable opinion, and more agreeable to ancient history. [But Manetho goes on]: "These people, whom we have before named kings, and called shepherds also, and their descendants," as he says, "kept possession of Egypt five hundred and eleven years.(Vertaling naar het Engels door William Whiston)

     

     

    Josephus beschrijft hoe de Hyksos vanuit het oosten Egypte overvielen en het land zonder slag of stoot konden overmeesteren. De Egyptenaren boden zelfs geen weerstand, staat er geschreven. De eerste Hyksos-koning was Salatis, die in het noordoosten van Egypte een vesting liet bouwen met de naam Avaris, van waaruit hij de hele regio overheerste. Verder geeft Josephus de namen van de eerste zes Hyksos-machthebbers met hun regeerperioden. Daarna volgden nog heersers die in totaal voor een periode van 511 jaar over Egypte heersten totdat farao Ahmose van de achttiende dynastie hun uit Egypte verdreef. De namen in de Griekse taal die Josephus van de eerste zes heersers kopieerde samen met hun regeerduur zijn de volgende:

    1.      Salatis                 13 jaar

    2.    Beon                    44 jaar

    3.    Apachnas            36 jaar + 7 maanden

    4.    Apophis              61 jaar

    5.     Janins                 50 jaar + 1 maand

    6.    Assis                    49 jaar + 2 maanden

     

    Africanus, een andere kopieerder van het historisch werk van Manetho, beschrijft eveneens de verovering van Egypte door de Hyksos en geeft voor de vijftiende Hyksos-dynastie ook zes koningen op, maar in een verschillende volgorde en vorm dan wat Josephus doorgeeft:

    1.      Saites                  19 jaar

    2.    Bnon                   44

    3.    Pachnan              61

    4.    Staan                   50

    5.     Archles               49

    6.    Aphophis            61

     

    Africanus geeft vervolgens voor de zestiende Hyksos-dynastie de vermelding van 32 koningen zonder echter de naam op te geven, met een regeerperiode van in totaal 518 jaar.

    Eusebius, de derde kopieerder van het werk van Manetho, geeft voor de twee Hyksos-dynastieën geen namen op maar vermeldt alleen een regeerduur van 250 jaar voor de vijftiende dynastie en een regeerduur van 190 jaar voor de zestiende dynastie, wat een totaal van 440 jaar voor de duur van de Hyksos-overheersing van Egypte, geeft.

     

    Verder is er de beschadigde Turijn-papyrus met haar opgave van de Egyptische koningslijsten. Het papyrusgedeelte dat over de Hyksos-koningen gaat is echter zwaar gefragmenteerd en leent zich niet tot het exact bepalen van de regeertijd van de Hyksos-farao ‘s. Men meent echter een periode van 108 jaar voor de Hyksos-tijd te kunnen reconstrueren (Donald B. Redford, 1992, Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times, Chapter 5).

    In zijn boek ‘The Lords of Avaris, 2008, Chapter Three’ rapporteert David Rohl over een herschikking door hem van de gefragmenteerde delen van de Turijn-koningslijst waarbij de Hyksos-heersers beter in beeld komen. Hij beweerd er in geslaagd te zijn de zes farao ’s van Manetho ’s vijftiende Hyksos-dynastie in de zwaar beschadigde gefragmenteerde Turijn-koningslijst tevoorschijn te brengen met een regeertijd van honderd-plus jaren. Het is een boeiend hoofdstuk in Rohl ’s studie, vooral dan de noodlottige geschiedenis van de Egyptische papyrus-koningslijst en hoe het papyrus uiteindelijk zwaar beschadigt in Turijn belandde. De Egyptische historicus Manetho heeft hoogstwaarschijnlijk in de derde eeuw v. Chr. van de Turijn-koningslijst gebruik gemaakt voor het opstellen van zijn geschiedenis van Egypte: Aegyptiaca. Het is betreurenswaardig dat dit alles in de loop der tijden verloren ging of zwaar beschadigd werd. We zouden vandaag veel minder vraagtekens betreffende de Egyptologie hebben.

     

    De enkele gevonden scarabeeën in Egypte uit de Hyksos-periode geven ook geen informatie over de duur van de regeerperiode van de Hyksos-koningen. Namen van Hyksos-koningen die bewaard bleven zijn Egyptische namen die in Hiërogliefen werden doorgegeven: Sjesji, Jakoebher, Chyan, Apepi I en Apepi II voor de vijftiende dynastie en slechts twee namen van de zestiende dynastie bleven in steen op scarabeeën bewaard: Anather en Jakobaäm. De naam Sjesji in hiëroglyfen wordt meestal met de Griekse naam Salatis geïdentificeerd, de eerste Hyksos-farao volgens Manetho, die Egypte ten tijde van de Exodus binnenviel

    De hoofdreden voor het gebrek aan monumenten uit de Hyksos-tijd is de ware beeldenstorm die farao Ahmose van de achttiende dynastie liet uitvoeren na het verslaan en verdrijven van de Hyksos uit Egypte. De herinnering aan de vermaledijde Hyksos werd uitgewist.

     

    De bekende Abydos-koningslijst van Seti I die tot op heden op de tempelmuren te Abydos in Egypte te zien is, vermeld eenvoudig weg de Hyksos-farao’s niet. De koningslijst gaat van de laatste farao van het zogenaamde Midden-rijk onmiddellijk verder met de eerste farao van het Nieuwe-rijk. Zie TIJD en TIJDEN, 2016, hoofdstuk: de koningslijst van farao Seti I, blz. 366-370.

     

    Heel opmerkelijk vinden we ook in de Bijbel een opdracht tot het uitwissen van de herinnering aangaande de Amalekieten terug:

    Exodus 17: 14 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel. (Statenvertaling)

     

    Volgens de revisie van Dr. I. Velikovsky (Eeuwen in Chaos, hoofdstuk II) zijn de Hyksos identiek met de Bijbelse Amalekieten die in de vijftiende eeuw v. Chr., ten tijde van de Exodus, tegen de Israëlieten optrokken en daarop Egypte binnenrukten. Zie mijn boek EXODUS, 2016, hoofdstuk: toen kwam Amalek, blz. 107. (Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331)

     

    In het Bijbels-chronologische raamwerk rukten de Amalekieten/Hyksos in 1483 v. Chr. Egypte binnen en onderwierpen het land met gemak aangezien het Egyptische leger twee maanden eerder in de Rode Zee vernietigd was. Het land lag voor invasie open. De Amalekieten zouden binnen het Bijbels-chronologisch raamwerk gedurende meer dan vier eeuwen over Egypte en het Midden-Oosten heersen. Tijdens deze tijdsperiode hadden we in Israël de Richteren-periode, Richteren die na de dood van Jozua en de oudsten, het gezag uitoefenden.

    De Hyksos/Amalekieten werden pas in Klein-Azië verslagen door het optreden van Saul, de eerste koning van het verenigd koninkrijk van Israël, volgend op de Richterenperiode, in 1049 v. Chr. (TIJD en TIJDEN, 2016, hoofdstuk: Saul veertig jaar koning, blz. 179-184), wat een periode van 434 jaar op de tijdsbalk oplevert. Een tijdsduur die dicht aanleunt bij de gefragmenteerde gegevens van Manetho via zijn drie kopieerders, in tegenstelling tot de orthodoxe Egyptologie die deze periode tot 230 jaar beperkte. Het jaar 1049 v. Chr. is het jaar dat in Egypte farao Ahmose van de achttiende dynastie de Hyksos tot terugtrekken dwong. Daarna rukte Ahmose Klein-Azië binnen ter belegering van Sjaruhen dat Velikovsky in de nabijheid van Petra situeerde. Het is daar dat het leger van Saul gezamenlijk met het leger van Ahmose de stad van Amalek innam.

     

    Dat de Hyksos tijdens deze epoque op de tijdsbalk thuishoorden leerde ook Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), (The Exodus Problem and its Ramifications, 1971), die op dit onderdeel niet van Velikovsky ’s revisie afweek. Hierna volgt een chronologisch schema van Courville ’s revisie van de geschiedenis van het oude Egypte in relatie tot Israël. Bovenaan ziet men Israël ’s geschiedenis met vermelding van de tijd van de patriarchen: Abraham, Izaak en Jakob, gevolgd door het verblijf in Egypte. De Israëlitische Exodus betekende een ware breuk voor de verschillende Egyptische dynastieën/Rijken. Men merkt op het schema dat het Egyptische Oude– en het Midden-Rijk volgens Courville contemporain was, en de Hyksos-periode liep gelijk met de tijd van de Richteren in Israël. Het Nieuwe Rijk in Egypte nam een aanvang bij het opkomen van het Verenigd Koninkrijk van Israël. Dit alles is door Courville uiteraard op het schema in grote lijnen uitgetekend en wordt in zijn eerder geciteerde werk uitgewerkt.

     

     

    Alhoewel Dr. Donovan A. Courville een eigen variant uitwerkte, wat de herschikking van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk betreft, los van de reconstructie van Velikovsky, volgde hij wel de identificatie van de Bijbelse Amalekieten met de Hyksos en de ruim vier eeuwen heerschappij door hen over Egypte en een gedeelte van Klein-Azië.

    Het is een reconstructie die volledig in het Bijbels-historische kader past. In het Richterenboek komt Egypte namelijk als grootmacht niet voor en de eerste koningen van het verenigd koninkrijk van Israël: Saul, David en Salomo, waren onafhankelijke soevereine vorsten. Onder het bewind van David vestigde Israël zijn hegemonie over het Midden-Oosten vanaf de beek van Egypte tot aan de Eufraat. Dit was ook het gebied waar Salomo bij zijn troonsbestijging over heerste. Het is pas na de dood van Salomo, in het vijfde regeringsjaar van de zoon en troonopvolger: Rehabeam, dat farao Sisak Klein-Azië binnenrukte en Jeruzalem tot de staat van knechten reduceerde.

    2 Kronieken 12:1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem. 2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE), 3 Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.(Statenvertaling)

     

    Elke reconstructie die de koningen Saul, David en Salomo van het verenigde koninkrijk van Israël in een knecht-relatie met Egypte op de tijdsbalk plaatst, zit Bijbels gezien fout en dient verworpen.

     

    Dat de orthodoxe Egyptologie de regeertijd van de Hyksos-farao’s tot slechts tweehonderddertig jaar beperkt heeft, is een gevolg van hun hanteren van een veronderstelde Sothis-kalender. Sothis is de Griekse naam voor het Egyptische Sopdet waarvan wordt aangenomen dat het de Hondsster voorstelt. In het Latijn werd de vermeende ster naar Sirius vertaald. De benaming Sothis-kalender is verbonden met de Egyptoloog Eduard Meyer die in 1904 zijn werk ‘kalender en Sothis-periode’ bekend maakte. Hij ging er van uit dat er in het oude Egypte twee kalenders naast elkaar bestaan hadden. Een burgerlijke en een godsdienstige gebaseerd op het opkomen van de Hondsster. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27-42, heb ik de theorie van Eduard Meyer beschreven en weerlegd.

     

     

    Zie ook het artikel uit 2014 op dit blog over het Ebers-papyrus dat de constructie van Eduard Meyer op losse schroeven zet. Zie de volgende link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600

     

    Men zou denken dat er een massa geschreven materiaal in Egypte voorhanden is dat het bestaan van Sothis-perioden van 1460 jaar bevestigd, maar het tegendeel is waar. De enkele schijnbare verwijzingen naar het hanteren van Sothis-perioden in het oude Egypte kunnen tegenwoordig vrij eenvoudig verklaard en weerlegd worden. Maar ook in de tijd van Eduard Meyer was er onder collega-Egyptologen al een discussie bezig. De conclusie van de Egyptoloog Cecil Torr (Memphis and Mycenae, 1896) was dat de Sothis-cyclus een uitvinding van de Grieken was van latere tijd. Noch is er enige indicatie, schrijft hij, dat de Egyptenaren de cyclus kenden; geen vermelding wordt er over gevonden in hun inscripties of papyri, buiten enkele occasionele vermeldingen over het opkomen van de Hondsster:

    “This all looks as though the cycle was invented by the later Greeks at Alexandria. Nor is there anything to indicate that it was known to the Egyptians in earlier times; no mention of it being found in their inscriptions or papyri, though occasionally these note the rising of the dog-star.”

     

    Dat de regeertijd van de Hyksos-farao ’s tot tweehonderddertig jaar beperkt werd heeft dus te maken met het hanteren door de orthodoxe Egyptologie van het gebruik van een veronderstelde dubbele kalender in het oude Egypte en het linken van de twaalfde dynastie via farao Senwosret III in 2773 v.Chr.

     

    De meningen over de duur van de Hyksos-periode lopen ook onder de verschillende revisionisten van de geschiedenis van de oudheid, uiteen. De bekende Egyptoloog David Rohl heeft het werk van Velikovsky verworpen en een eigen variant uitgewerkt. In zijn bestseller ‘A TEST OF TIME’ beperkt hij de tijd dat de Hyksos over Egypte heersten tot twee eeuwen. Het Nieuwe Egyptische Rijk zit volgens zijn reconstructie op de tijdsbalk voor een groot gedeelte contemporain met de Richteren-periode in Israël, en de eerste koning van het verenigd koninkrijk van de twaalf stammen: Saul, laat hij in een vazal-status met farao in Egypte corresponderen.

    Zijn ankerpunt op de tijdsbalk voor deze era is een vermeende zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Een astronoom berekende voor hem met een computerprogramma, de zonsverduistering over Oegarit. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruïnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. En in de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus; Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: “En vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daar”. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van farao Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ’s van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

    Rohl ’s tijdsconstructie verondersteld dat zowel Saul als David tijdgenoten van farao Amonhotep IV van de achttiende dynastie waren, en ondergeschikt aan hem. Op basis van het eerder geciteerde Bijbelgedeelte uit 2 Kronieken 12:1-8 staat deze constructie echter haaks op wat de Bijbel over deze epoque leert.

     

    De kosmische catastrofetheorie van Velikovsky en verder uitgewerkt door de wetenschappers Patten, Hatch, Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973), en anderen, liet Rohl ook varen. Hij volgt de evolutietheorie, de orthodox-kosmische uniformiteittheorie. Vanuit deze theorie neemt men aan dat wat men tegenwoordig in de kosmos vaststelt altijd zo geweest is: ‘The Present is the Key to the Past’.

    De eerder geciteerde wetenschappers tonen nochtans overduidelijk aan dat planeet aarde meerdere malen in de oudheid in haar baan om de zon verstoord werd en er tegen de achtste eeuw v. Chr. een kalenderhervorming nodig was. Zie TIJD en TIJDEN, 2016, hoofdstuk: de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus, blz. 331-338)

    De conclusie zou moeten zijn dat men geen exacte zonsverduisteringen in de tijd kan terugrekenen, die voorbij het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda gaan. In dat jaar, leert de Bijbel (Jesaja 38:1-8), ging de schaduw van de zon op de trap van Achaz, tien treden terug.

    Aan de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong van het veertiende regeringsjaar van Hizkia, gingen nog eerdere meganatuurcatastrofes vooraf. Het jaar 776 v. Chr. ten tijde van koning Uzzia/Azaria zag in de maand oktober een gelijkaardige meganatuurcatastrofe met 54 jaar en zes maanden later een herhaling in het stervensjaar van koning Achaz in april 722 v. Chr. Een Joodse overlevering leert dat op de dag dat Achaz begraven werd, er slechts enkele uren licht was. Er geschiedde een ‘opschudding’: de aardas verplaatste zich of kantelde en de zonsondergang werd verscheidene uren vervroegd.

    Het einde van de stad Oegarit gepaard gaande met de kosmische tekenen aan de zon, kan beter aan de hand van de cyclus van meganatuurcatastrofes van de achtste eeuw v. Chr., gedateerd worden. Een ander hemellichaam was dan verantwoordelijk voor de zonsverduistering.

     

    Wat de jaartallen van de koningen van Israël betreft, volgt Rohl de constructie van de geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986): “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings, 1977”. Thiele verkorte de regeringsduur van bepaalde koningen van Juda en Israël om deze te laten passen in het Assyrische tijdskader. Met het inkorten van sommige regeerperioden van Israëlitische koningen verdedigde Thiele de zogenaamde ‘dual dating’ en paste het enkele malen toe, ook daar waar de Bijbel niet expliciet duidelijk over is. Om de val van Samaria, in het negende regeringsjaarjaar van Hosea, (in de Bijbel contemporain met het zesde jaar van Hizkia van Juda), te laten passen met de Assyrische gegevens betreffende Sargon II, verkondigde Thiele dat de Bijbelse gegevens van 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18 foutief waren, als laat en kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd.

    2 Koningen 18:9 In het vierde jaar van koning Hizkia – dat is het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël – trok Salmanassar, de koning van Assur, op tegen Samaria en sloeg het beleg ervoor. 10 Men nam het in na verloop van drie jaren; in het zesde jaar van Hizkia – dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël – werd Samaria ingenomen.

     

    2 Koningen 18:9-10 is een Bijbelgedeelte dat absoluut niet compatibel met de Assyrische koningslijst is, en vooral dan met de regeerperiode van Salmaneser V, Sargon II en Sanherib. Toen het voor Thiele niet lukte door middel van ‘dual dating’ en het hanteren van ‘accession~years’ de Bijbelse chronologie in lijn te brengen met de Assyrische gegevens, deed hij zijn knieval en verkondigde hij dat dit Bijbelgedeelte fout was. Thiele had dus niet als vertrekbasis dat de Bijbel door God geïnspireerd is en historisch correct. Een trieste vaststelling die nochtans door meerdere theologen aanvaard wordt, aangezien de gefabriceerde jaartallen van Thiele in heel wat naslagwerken gehanteerd worden.

    Het resultaat van het hanteren van Thiele ’s jaartallen voor de koningen van Israël en Juda is een verschil van acht jaar tot zesendertig jaar op de tijdsbalk. Het jaartal 1447 v. Chr. voor de Exodus is het resultaat van het hanteren van Thiele ’s constructie.

    David Rohl gaat er van uit dat de jaartallen van Thiele correct zijn en gebruikt ze in zijn reconstructie van de geschiedenis van Egypte in relatie tot Israël en de Bijbel. De regeerperiode van Saul zit echter Bijbels-historisch op de tijdsbalk verankerd met de jaren 1087/1047 v. Chr. De gefabriceerde jaartallen van Thiele voor Saul zijn 1051/1011 v. Chr. of een verschil van zesendertig jaar.

    De noodlottige constructie van Thiele heb ik ook in EXODUS, 2016, in het hoofdstuk: het jaartal van de Exodus 1483 v. Chr., blz. 59-69, besproken. (Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331)

     

    Tot slot en besluit van dit artikel moet de keuze voor de duur van de Hyksos-tijd bepaald worden door wat de Bijbel over deze epoque te zeggen heeft. De constructie van Velikovsky, Courville en anderen, die de Hyksos-tijd plaatsen tussen de Exodus en het optreden van Saul tegen Amalek, ‘past’ in het Bijbelse tijdskader. Het getal 434 jaar voor de duur van de Hyksos-heerschappij is het resultaat. 

    De constructie van Rohl met Saul en David in een knecht-relatie naar farao toe, past niet in het tijdskader van 2 Kronieken 12:1-9, waar staat dat het knechtschap naar Egypte toe, pas in het vijfde regeringsjaar van Rehabeam een aanvang nam.

     

    Men moet ook geen Egyptoloog zijn, om de constructie van Rohl af te wijzen. Gewone Bijbelkennis is voldoende, zoals eertijds de Griekse christenen te Berea in de tijd van Paulus het toepasten.

    Handelingen 17:10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; 11 En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. 12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige. (Statenvertaling)

     

    Deze mensen gingen dagelijks de Schriften (wat wij vandaag het Oude Testament noemen) na of de dingen die Paulus verkondigde wel klopten.

    A TEST OF TIME heeft wat het onderdeel over de Hyksos-periode betreft, de test met de Bijbel niet doorstaan. Ik wil echter benadrukken dat het een onderdeel van het werk van David Rohl is, en niet heel zijn studie. Wie de eerder vermelde link naar het Ebers-papyrus heeft aangeklikt, weet de maat van de waarde die ik aan het algemene onderzoek van de Egyptoloog David Rohl hecht.

    Wie vertrouwd is met mijn blog en mijn gepubliceerde boeken weet dat ik ook Velikovsky niet blindelings volg, maar ook hier op onderdelen regelmatig afwijk, en een eigen variant aanbiedt. Ook hier val ik de autodidact Velikovsky niet af en/of verklaar hem als achterhaald, maar geef ik krediet aan wie krediet toekomt. We staan tenslotte allemaal op de schouders van mensen die ons zijn voorgegaan. Ik vraag me zelfs af of er vandaag zonder Velikovsky een revisionisme van de geschiedenis van de oudheid bestaan zou hebben?

     

    Wordt met zekerheid vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    12-09-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Exodus
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Beste volgers, vrienden en bekenden,

     

    Mijn boek 'EXODUS' is gepubliceerd! Ik heb mijn boek uitgegeven via Brave New Books en daar is het ook te koop.

     

    Formaat: A5 (148mm x 210mm),

    kleur: zwart/wit, papier: Crème papier (Romandruk),

    binding: Paperback,

    omslag afwerking: Mat,

    aantal pagina's: 189,

    boekdikte: 17mm,

    boekgewicht: 283gr

    Verkoopprijs: € 18,50

     

    Hieronder staat een korte omschrijving van mijn boek:

    Op 31 maart 2018 zal de Exodus exact 3500 jaar geschiedenis zijn. De auteur brengt de geschiedenis van Israël in het Egypte van de oudheid vanaf hun aankomst in 1699 v. Chr. op het hoogtepunt van een wereldwijde hongersnood, tot aan hun Exodus uit Egypte in 1483 v. Chr. De geschiedenis van Israël en de Exodus halen we in de eerste plaats uit de Bijbel, daarnaast uit de werken van Flavius Josephus en uit de Joodse overleveringen en legendes. Maar ook de Egyptologie levert via een revisie van de geschiedenis van de oudheid verrassende resultaten. De Exodus van de Israëlieten uit Egypte met de gepaard gaande tien plagen betekende namelijk een ware breuk in de Egyptische geschiedenis. Volgens de revisie van de geschiedenis waren het zogenaamde Oude- en het Midden-Rijk in Egypte contemporain met elkaar en was er maar één tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus Egypte overrompelden en hun heerschappij over het Midden-Oosten vestigden. De twaalf stammen van Israël trokken intussen na een periode van veertig jaar in de wildernis, het Beloofde Land Kanaän binnen.

    Hopelijk heb ik hiermee jullie interesse kunnen wekken in mijn boek. 

    Het boek kan online besteld worden op volgende link: 


     

    Met vriendelijke groet,

    De Telder Robert

    03-09-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-09-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronologie vanaf de roeping van Abraham tot aan Izaak en Jakob…

    Met onze aflevering van 04.07.2016 ‘van Nimrod tot Abram’ arriveerden we op de tijdsbalk bij het jaar van het verblijf van Abram in Egypte. Volgens de Seder Olam trok Abram nog hetzelfde jaar van de Belofte naar Kanaän en vervolgens naar Egypte waar hij drie maanden verbleef. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2902676

    Volgens de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus was het Abram die aan de Egyptenaren de kennis van de astronomie en andere wetenschappen doorgaf, wat weer een ander licht op de ontstaansgeschiedenis van het oude Egypte werpt.

    Joodse Oudheden, Boek 1, hoofdstuk VIII.

    2. For whereas the Egyptians were formerly addicted to different customs, and despised one another's sacred and accustomed rites, and were very angry one with another on that account, Abram conferred with each of them, and, confuting the reasonings they made use of, every one for their own practices, demonstrated that such reasonings were vain and void of truth: whereupon he was admired by them in those conferences as a very wise man, and one of great sagacity, when he discoursed on any subject he undertook; and this not only in understanding it, but in persuading other men also to assent to him. He communicated to them arithmetic, and delivered to them the science of astronomy; for before Abram came into Egypt they were unacquainted with those parts of learning; for that science came from the Chaldeans into Egypt, and from thence to the Greeks also. (link: http://sacred-texts.com/jud/josephus/ant-1.htm)

     

    Abram was dan ook geen in lompen geklede nomade (zoals Hollywood e.a. bronnen hem al eens afbeelden) maar een prins in zijn tijd, die aan de hoven van de nieuw ontstane koninkrijken ontvangen werd.

     

     

    We vervolgen met de inmiddels vertrouwde schema ’s waar ik in de aflevering van 27.06.2016 op dit blog mee begon. Net zoals in mijn werk TIJD en TIJDEN, zijn het schema ’s op millimeterpapier van telkens veertien jaar per schema met twee centimeter voor één jaar. Zo doende zijn de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar en handig voor het aanbrengen van de Bijbelse en westerse jaartelling. Bovenaan staan de Anno Mundi jaartallen vermeld, met daaronder de westerse jaartelling, gebaseerd op de geboorte van de Christus.

     

    De belofte van de HERE God aan de dan vijfenzeventig jaar oude Abram (Genesis 12:1-8) betreffende zijn nageslacht, zou nog vierentwintig jaar op zich laten wachten. In de tussentijd had Abram op aanraden van zijn tien jaar jongere (maar onvruchtbare) vrouw Saraï, een kind bij de dienstmaagd van Saraï verwekt: Ismaël.

    Genesis 16:1 Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. 2 Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. 3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. 4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u! 6 En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 7 En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. 8 En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai! 9 Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. 10 Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. 11 Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen. 13 En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? 14 Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël. 16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

     

    Op de tijdsbalk zitten we voor het zesentachtigste levensjaar van Abram en de geboorte van Ismaël in het jaar 1902 v. Chr. of Anno Mundi 2095.

    Wat chronologisch aan de geboorte van Ismaël vooraf ging was de beschreven oorlog in Genesis 14:1-24 tussen Amrafel, de koning van Sinear en de koningen van Sodom en Gomorra. Een strijd waar Abram in betrokken wordt nadat zijn neef Lot, de zoon van Abrams broeder, door Amrafel gevangen genomen werd en weggevoerd. Bij de terugkeer uit Egypte in 1913 v. Chr. had Abram zich afgescheiden van de groep van Lot die zich in de streek van Sodom gevestigd had. Na diens gevangenneming door Kedor-laomer achtervolgde Abram het leger van Kedor-laomer en slaagde erin met driehonderdachttien wapendragers uit zijn clan, Lot en de buitgemaakte goederen terug te halen.

    Genesis 14:1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; 2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af. 5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; 6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is. 7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, 9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. 14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. 16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk. 17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. 18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u. 22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit; 23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

     

    De Bijbel geeft voor de beschreven oorlog geen exact jaartal op. De tijdspanne waarbinnen de oorlog gedateerd moet worden valt met zekerheid voor de geboorte van Ismaël in 1902 v. Chr., en na de roeping van Abram in 1913 v. Chr. De Seder Olam leert dat de invasie van de koningen van Sinear plaatsvond in hetzelfde jaar van Abram’ s terugkeer uit Egypte. Op onze tijdsbalk is dat het najaar van 1913 v. Chr.

    Volgens een commentaar op de Seder Olam (Seder Olam, The Rabbinic View of Biblical Chronology, translated and with commentary by Heinrich W. Guggenheimer, 1998, page 11) zouden Nimrod en Amrafel één en dezelfde persoon zijn.

     

     

    Genesis 17:1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende: 4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! 5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. 6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. 8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. 9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten. 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. 11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; 13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara. 16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden! 17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! 19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. 20 En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; 21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal. 22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. 27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.

     

     

    Een jaar later in 1888 v. Chr. baarde Sara haar zoon der belofte: Izaak. Wat menselijk gezien onmogelijk was werd werkelijkheid. Sara staat dan ook bij de geloofshelden in de brief van Paulus aan de Hebreeën vermeld:

    Hebreeën 11:11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte. 12 Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is. (NBG Vertaling 1951)

     

    De verticale lijn op ons schema 1894/1884, toont de vernietiging van Sodom en Gomorra door vuur vanuit de hemel.

    Genesis 19:24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. 25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. (Statenvertaling)

     

     

    Voor wijlen Dr. I. Velikovsky behoorde de vernietiging van Sodom en Gomorra door zwavel en vuur vanuit de hemel, tot een cyclus van rampen van kosmische oorsprong. Een cyclus die sinds de Zondvloed periodiek planeet aarde trof. In mijn boek ‘TIJD en TIJDEN’ (blz. 125: Jozua en de inbezitneming van Kanaän, blz. 157: Richteren 5:20 … van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera…blz. 169: de opgerichte steen van Samuël te Eben Haëzer, )

    heb ik enkele voorbeelden aangehaald en chronologisch gedateerd.

    De Sodom-catastrofe geschiedde na de verbond-sluiting met Abram/Abraham in het najaar van 1889 v. Chr.

     

     

    De spening van Izaak staat op ons schema 1894/1881, in het voorjaar van 1883 v. Chr. vermeld. Izaak was dan vierplus, in zijn vijfde levensjaar. Dit jaartal is het resultaat van het terugrekenen van vierhonderd jaar vanaf de Exodusdatum in 1483 v. Chr. Een tijdsperiode van vierhonderd jaar verdrukking was eerder aan Abram/Abraham voorzegt:

    Genesis 15:13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. 15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. (Statenvertaling)

     

    Genesis 21:8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd. 9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.

     

    De beschreven verdrukking van Genesis 15:13 rekenen we vanaf de spening van Izaak. De verdrukkingsperiode van vierhonderd jaar alleen op het verblijf in Egypte betrekken, kan Bijbel-chronologisch gezien niet. De verdrukking in Egypte begon een tijd na de dood van Jozef, toen een farao aan de macht kwam die Jozef en zijn weldaden voor Egypte niet gekend had. De aanvang van de verdrukking kunnen we op de tijdsbalk verankeren bij de geboorte van Mirjam, een naam die de betekenis van bitter heeft, in 1568 v. Chr. Mozes, haar broer, zou vijf jaar later in 1563 v. Chr. geboren worden. De Egyptische verdrukking duurde tot aan de Exodus aldus vijfentachtig jaar.

    Vanaf Mozes zijn het ook vier geslachten tot de aartsvader Levi.

     

     

    Het volgende aandachtspunt op onze reis door de Heilsgeschiedenis is het stervensjaar van Sara in 1851 v. Chr. of Anno Mundi 2146.

    Volgens de Seder Olam was Izaak zevenendertig jaar oud wanneer Abraham hem volgens Genesis hoofdstuk 22 op het altaar vastbond. Dat brengt ons in het sterfjaar van Sara. Volgens Flavius Josephus (Joodse Oudheden, Boek 1, xiii. 2.) was Izaak in dat cruciale momentjaar echter vijfentwintig jaar oud. Andere Joodse bronnen hebben een leeftijd van zesentwintig jaar genoteerd. Met absolute zekerheid kunnen we de leeftijd van Izaak bij zijn opdragen aan God door Abraham niet duidden, aangezien de Bijbel hier geen specifiek jaartal opgeeft.

     

    Na deze gebeurtenis werd voor een geschikte bruid voor Izaak gezocht en gevonden. Izaak was dan veertig jaar oud wanneer hij Rebekka tot vrouw kreeg. Op ons tijdschema is dit het jaar 1848 v. Chr.

     

     

    Als Izaak zestig jaar oud was baarde Rebekka hem een tweeling: Ezau en Jakob. Rebekka was dan vijfendertig jaar jong.

    Genesis 25:19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak. 20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen. 23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen. 24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

     

    Op ons tijdschema is dit het jaar 1829 v. Chr.

    Het volgende hoofdstuk in Genesis na de geschiedenis van het huwelijk van Izaak met Rebekka, met twintig jaar later de geboorte van Ezau en Jakob lezen we in Genesis 26 over een hongersnood.

    Genesis 26:1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2 En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, 5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. 6 Alzo woonde Izak te Gerar.

     

    De Bijbel geeft geen jaartal voor de hongersnood op. Het was een hongersnood die de hongersnood ten tijde van Abram overtrof, want ditmaal werd blijkbaar ook Egypte getroffen. Daarom ook de instructie van de HEERE God aan Izaak om in Kanaän te blijven en op Hem voor uitkomst te vertrouwen.

    Het is boeiend om via de herziening van de geschiedenis van de oudheid een verwijzing naar een hongersnood in Egypte te vinden. Er staat namelijk een hongersnood genoteerd tijdens de regeerperiode van farao Uenephes van de eerste dynastie. Het is Africanus, één van de kopieerders van het werk van Manetho, die bij de (Griekse) naam Uenephes de vermelding toevoegde: een grote hongersnood trof Egypte en hij bouwde de piramiden nabij Kokome.

     

    %%%8%%%

     

    Hongersnoden kwamen in het anders zo vruchtbare Egypte zelden voor en de enkele verwijzingen er naar passen chronologisch binnen het Bijbelse tijdschema.

    Farao Uenephes heeft volgens mijn revisie van de Egyptologie nu de jaartallen 1868/1845 v. Chr. De hongersnood dateren we aldus na het huwelijk van Izaak met Rebekka naar het einde toe van de regeerperiode van farao Uenephes.

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: het dateren van de eerste dynastie in Egypte, blz. 43, bied ik een variant aan ter plaatsing van de eerste Egyptische dynastie op de tijdsbalk. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder



    01-09-2016 om 09:49 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Kerstdatum: 20 Ab of 23 augustus van het jaar vijf voor Christus?

    Het Kerstfeest in het jaar vijf voor Christus had al eerder op dit blog onze aandacht. Zie het artikel van 28-01-2014 op dit blog: wanneer werd de Heiland geboren? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1390777200&stopdatum=1391382000 en scrol naar beneden.

     

     

    Het artikel maakte duidelijk dat door middel van de priesterbeurtrol in de Tempel te Jeruzalem, men aan de hand van de beurtrol van Zacharias, de vader van Johannes de Doper, de verwekking van Jezus kan berekenen. In de Hebreeuwse achtste maand Marheshvan of oktober/november volgens de westerse kalender werd Jezus verwekt. De geboorte van de Heiland negen maanden later, situeert zich aldus in de vijfde maand Ab van de Hebreeuwse kalender of juli/augustus volgens de westerse maandtelling.

    Zeven dagen later op de achtste dag na zijn geboorte werd baby Jezus volgens de Wet besneden en drieëndertig dagen daaropvolgend werd Hij door zijn ouders in Jeruzalem in de Tempel opgedragen. De beschreven verordening vindt men in het Bijbelboek Leviticus 12:1-4.

    Leviticus 12:1 De HERE sprak tot Mozes: 2 Spreek tot de Israëlieten: Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. 3 En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. 4 Drieëndertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn. (NBG Vertaling)

     

    De evangelist Lucas heeft deze geschiedenis uitvoerig in zijn evangelie gebracht. Hierna het Bijbelgedeelte:

    Lucas 2:21 En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen. 22 En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, 23 gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, 24 en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

    25 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide:

    29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil gezien, 31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. 33 En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt 35 – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.

     

     

    36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

    39 En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.

    (NBG Vertaling 1951)

     

    Wanneer we vanaf de vijfde maand Ab veertig dagen op de kalender rekenen, arriveren we ongeveer naar het einde toe van de zesde Hebreeuwse maand Eloel of aan het begin van de zevende maand Tisjri, naar gelang het vertrekpunt van ons rekenen.

    Met de woorden van Simeon in gedachten stel ik me echter voor dat baby Jezus met Rosj Hasjanah, in de Tempel te Jeruzalem aan God opgedragen werd.

     

     

    Rosj Hasjanah betekent: ‘Hoofd van het Jaar’ en is van oudsher het Joodse Nieuwjaar dat ingaat op 1 en 2 Tisjri. In de Joodse overlevering is het een tijd van oordeel. Gedurende dertig dagen tijdens de voorafgaande Hebreeuwse maand bereidden de Joden zich voor op deze heilige dagen. Het was/is een tijd om in gebed na te denken over al het kwaad dat men zijn vrienden of kennissen mogelijk had aangedaan. Het was een tijd om vergeving te vragen en te krijgen. Iedere morgen tijdens deze periode werd op de Sjofar of ramshoorn geblazen ter voorbereiding van Rosj Hasjanah met tien dagen later de Grote Verzoendag of Jom Kippoer. Het is aldus niet onlogisch te veronderstellen dat het opdragen van de Christus des HEREN, de Heiland, met Rosj Hasjanah in de Tempel plaatsvond.

    Wanneer we vanaf deze datum: de eerste dag van de maand Tisjri, veertig dagen op de kalender terugrekenen arriveren we op de twintigste dag van de maand Ab als de geboortedag van de Heiland Jezus Christus.

    Via het internet kan men website ’s vinden die de astronomische omrekening naar de Romeinse kalender terug in de tijd naar o.a. het jaar vijf voor Christus, maken. Zie link: http://www.cgsf.org/dbeattie/calendar/?roman=5

    Op deze manier berekenen we de geboortedag van Jezus Christus voor 23 augustus van het jaar vijf voor Christus. Dit klopt uiteraard pas, indien de Christus inderdaad met Rosj Hasjanah opgedragen werd, wat een vraagteken blijft.

    Dat de Christus in het jaar vijf v. Chr. geboren werd heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2005, behandeld in de hoofdstukken: Herodes de Grote, blz. 437 en 27/28 AD, een navigatiepunt in de tijd, blz. 443. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    23-08-2016 om 09:03 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Unieke archeologische vondst te Jeruzalem.

    In 2016 heeft ‘The Temple Mount Sifting Project’ in Israël de vondst in Jeruzalem van een amulet met de naam van farao Thothmosis III er op vermeld, bekend gemaakt. De vondst dateert al van vier jaar geleden maar werd nu pas geopenbaard nadat ‘the Israel Antiquities Authority’ haar onderzoek afgesloten had.

     

     

    De amulet werd bij het zorgvuldig onderzoeken van het tempelberg-puin door een Israëlische vrijwilligster van slechts acht jaar oud gevonden.

    Beneden het Islamietisch heiligdom op de Tempelberg, dat gebouwd werd in 691 AD op de plaats waar voorheen de Tempel stond, werd in 1999 door het Islamietisch bestuur, onderaards een extra gebedsruimte gegraven. De Tempelberg bleef ook na de verovering van Oost-Jeruzalem door de Israëli’s op het Jordaanse leger in 1967, onder Arabisch-Islamietisch bestuur. Het puinafval van deze operatie wordt sindsdien door de Israëlische autoriteiten minutieus naar archeologisch materiaal onderzocht. Ook jonge vrijwilligers zijn hier welkom. De vondst van een Egyptisch amulet met de naam van een farao erop was dan ook een verheugende gebeurtenis.

    Dat de Egyptische naam van farao Thothmosis III er op vermeld staat, werpt echter tegelijkertijd heel wat vragen op. De moderne Egyptologie geeft deze farao namelijk een regeerperiode van 1504 tot 1450 v. Chr., en een vraag is nu hoe dat amulet in het puin van de Tempelberg verzeilde, een Tempel die pas in de periode 1003/996 v. Chr. gebouwd werd? Voor dat Salomo de Tempel op die plaats liet bouwen was het overigens alleen maar een dorsvloer geweest voor louter landbouwkundig gebruik.

    De archeologen algemeen, die in Israël aan het werk zijn volgen de dateringsmethode van de orthodoxe Egyptologie, die de verschillende Egyptische dynastieën van de oudheid op basis van het vermeende gebruik van een dubbele kalender, op de tijdsbalk plaatsten. Farao Thothmosis III van de achttiende dynastie verzeilde op deze manier in de vijftiende eeuw v. Chr. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-42, breng ik de geschiedenis van deze geschiedenis. Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Het dateren van bepaalde archeologische vondsten in Israël op basis van de orthodoxe Egyptologie, leidt dan ook dikwijls tot verlegenheid. Eén zulk een verklaring (als voorbeeld) voor het verzeilen van een amulet met de naam Thothmosis III er op, is de volgende die ik van het internet plukte:

    “The amulet may have been buried in earth brought to the Temple Mount to be used as fill for the expansion of the Mount in Second Temple period,” writes Zachi Dvira in the Temple Mount Sifting Project announcement. “This earth probably originated in the slopes of the Kidron Valley near the Temple Mount, an area which contained tombs of the Late Bronze Age (1550–1150 B.C.E.).”

     

    Het is alleen het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid dat uitkomst biedt. Het Laatbrons tijdperk werd gereviseerd naar de jaartallen 1007/860 v. Chr. in plaats van de orthodoxe jaartallen: 1550/1200 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: der opgerichte steen van Jozua te Sichem, blz. 133-141.

    Farao Thothmosis III hoort niet in de vijftiende eeuw v. Chr. thuis maar in de tiende eeuw v. Chr. en is niemand minder dan de Bijbelse farao Sisak die na de dood van Salomo in het vijfde regeringsjaar van de zoon en troonopvolger Rehabeam, de Tempel te Jeruzalem plunderde. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 220-224 en het artikel op dit blog van 02.04.2015: het Egyptische Kadesj is Jeruzalem. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1427666400&stopdatum=1428271200

    Het vinden van een amulet met de naam Thothmosis III er op in het puinafval van de Tempelberg, krijgt alleen echt zin met Thothmosis III op de tijdsbalk ten tijde van de Tempel van Salomo.

     

    Laat ons even summier de geschiedenis van de Tempelberg bestuderen. Op de hierna vermelde kaart zien we het oude Jeruzalem ten tijde van koning David.

     

     

    Koning David die over Israël regeerde van 1047 tot 1007 v. Chr. veroverde de burcht Jeruzalem op de Kanaänietische Jebusieten in het achtste jaar van zijn regering, in het voorjaar van 1039 v. Chr. Voorheen had hij gedurende zeven jaar zijn residentie in Hebron in Judea. Op de kaart merken we hoe het Jeruzalem van de oudheid strategisch op een berg gebouwd was. Het noordelijke gedeelte van de berg was toen nog onbebouwd. Het is dezelfde berg Moria waar de aartsvader Abraham met zijn zoon Izaak naar toe moest in 1851 v. Chr.

    Genesis 22:1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal. 3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had. 4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre. (Statenvertaling)

     

    Het Heilige der Heiligen van de Tempel van Salomo was over de plaats gebouwd waar de gelovige Abraham in het opdragen van Izaak, door de HERE God gestopt werd.

    Op de berg Moria bevond zich in de tiende eeuw v. Chr., de dorsvloer van de Jebusiet Ornan, een ruimte die David van Ornan kocht voor de som van zeshonderd gouden sikkelen.

    1 Kronieken 21:18 Toen zeide de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om den HEERE een altaar op te richten op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet. 19 Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in den Naam des HEEREN gesproken had. 20 Toen zich Ornan wendde, zo zag hij den engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verstaken zich; en Ornan dorste tarwe. 21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit den dorsvloer, en boog zich neder voor David, met het aangezicht ter aarde. 22 En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats des dorsvloers, dat ik op dezelve den HEERE een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk. 23 Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferen, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer; ik geef het al. 24 En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor den HEERE niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere. 25 En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. 26 Toen bouwde David aldaar den HEERE een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij den HEERE aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit den hemel, op het brandofferaltaar. 27 En de HEERE zeide tot den engel, dat hij zijn zwaard weder in zijn schede steken zou. 28 Ter zelfder tijd, toen David zag, dat de HEERE hem geantwoord had op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet, zo offerde hij aldaar; 29 Want de tabernakel des HEEREN, dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar des brandoffers, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon. 30 David nu kon niet heengaan voor hetzelve, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van den engel des HEEREN. (Statenvertaling)

     

    Deze geschiedenis heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, blz. 193, chronologisch in het jaar 1007 v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst. Het was het laatste regeringsjaar van David. In het najaar van 1007 v. Chr. zou David sterven en ging het koningschap naar de jonge Salomo. Vier jaar later zou Salomo aan de bouw van de Tempel op de berg Moria beginnen.

     

     

    Op de bijgevoegde kaart merken we de uitbreiding van Jeruzalem met bouw van de Tempel van Salomo op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan. Zuidelijk van de Tempel bouwde Salomo zijn paleis en het zogenaamde ‘Huis van de Libanon’, dat hij versierde met driehonderd gouden schilden. Het zijn overigens deze schilden die we op een tempelmuur van Thothmosis III te Karnak in Egypte afgebeeld terugvinden, met de vermelding erbij van: driehonderd gouden schilden. Zie het artikel op dit blog van 09.03.2015: Salomo ’s huis: Woud van de Libanon. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1425855600&stopdatum=1426460400

     

    FOTO%%%5%%%

     

    Het lijkt mij meer logisch dat bijvoorbeeld een officier van het leger van Sisak/Thothmosis III tijdens deze plundering zijn amulet verloor, en niet ergens in Megiddo in de vijftiende eeuw v. Chr. Dit is uiteraard alleen maar één mogelijke verklaring.

    De Tempel van Salomo werd in 586 v. Chr. door de Babyloniërs vernietigd en later in 535/517 v. Chr., door de teruggekeerde ballingen uit Babylon: Ezra en Nehemia, herbouwd. In het jaar 20 v. Chr. begon Herodes de Grote in zijn achttiende regeringsjaar aan de renovatie (in feite een herbouw) van de Tempel (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 437-441). Deze Tempel werd in 70 AD, veertig jaar na de verwerping van de Messias, door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Geen steen bleef op de andere staan, staat er geschreven: volledige vernietiging dus. Veel later in 691 AD werd op dezelfde plaats de zogenaamde Arabisch-Islamietische achthoekige rotskoepel door kalief Abd al-Malik gebouwd. Dit Islamietische heiligdom wordt binnen de moslimwereld tot op heden als de derde heilige plaats na Mekka en Medina beschouwd.

    Ik breng dit historische overzicht in het bijzonder ter aantoning van de vraagtekens die er bestaan rond de datering van het gevonden amulet van Thothmosis III in het puinafval van de Tempelberg, als een gevolg van het uitgraven van de berg onder de rotskoepel. De archeologen die er vanuit gaan dat het daterings-keurslijf van de Egyptologie wetenschappelijk correct zou zijn en hun vondsten aan de hand ervan dateren, blijven hier met vragen zitten.

    Tot Salomo in het jaar 1003 v. Chr. de bouwwerken aan de Tempel liet aanvangen, is de berg Moria altijd een kale plaats geweest. Abraham had daar een altaar van stenen opgericht en de latere eigenaar in de tiende eeuw v. Chr. : de Jebusiet Ornan, gebruikte het als een dorsplaats. Hij was trouwens bezig met het dorsen van tarwe toen koning David hem na de beschreven ramp benaderde, en heel het gebied van hem voor veel geld kocht, ter oprichting van een altaar. Tijdens de lange Richterenperiode van de twaalf stammen, een periode die vooraf ging aan het verenigd koninkrijk van Israël onder Saul, David en Salomo, wordt de plaats nooit als een cultische plaats in de Bijbel aangeduid.

     

    De enige verklaring, naar mijn mening, voor het verzeilen van een amulet met de naam van Thothmosis III erop in het puin van de Tempelberg is dat Thothmosis III een tijdgenoot van Salomo en Rehabeam was. Het eerder geciteerde artikel op dit blog: Salomo ’s huis: Woud van de Libanon, levert het historische bewijs dat Thothmosis III en Salomo tijdgenoten waren, en dit uit primaire bron.

     

    Wordt vervolgd..

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder 



    16-08-2016 om 08:26 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Farao Seti I van de Egyptische negentiende dynastie

    Met het artikel op dit blog van 02.08.2016: ‘een verwijzing naar Israël op de Merneptah-stele’. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2909028

    brachten we farao Merneptah en zijn bewaarde zogenaamde Merneptah-stele met een vermelding naar het volk Israël erop, onder de aandacht. De regeerperiode van Merneptah van de negentiende dynastie hoort volgens de studie van Dr. Immanuël Velikovsky in zijn boek ‘Ramses II en zijn tijd, 1978’ thuis in de zesde eeuw v. Chr. en niet in de dertiende eeuw v. Chr. waar de orthodoxe egyptologie hem op de tijdsbalk plaatst.

    Deze week geven we aandacht aan de grootvader van Merneptah: farao Seti I. De regeerperiode van farao Seti I werd volgens de orthodoxe egyptologie gedateerd in de dertiende eeuw v. Chr. van 1291 tot 1278 v. Chr. Volgens de herziene chronologie van Velikovsky moet Seti in de zevende eeuw v. Chr. gedateerd worden. Een verschil van zo maar even 670 jaar op de tijdslijn, en dit als een gevolg van het hanteren door de orthodoxe Egyptologie van het gebruik van een vermeende dubbele kalender in het oude Egypte. Volgens het tijdsbalk-variant dat Dr. Immanuël Velikovsky in zijn boek ‘Ramses II en zijn tijd’ aanbiedt komt Seti I in de zevende eeuw v. Chr. terecht en en passen de verschillende puzzelstukjes in het historische plaatje. Wat ik niet volg bij Velikovsky ’s reconstructie is dat Seti I, Ramses II en Merneptah alterego’s van farao’s van de zesentwintigste dynastie waren. In mijn variant zijn deze farao’s contemporain met de zesentwintigste dynastie maar ondergeschikt. Seti I is een tijdgenoot van Neko II van de zesentwintigste dynastie. Gezamenlijk voerden zij veldtochten in klein Azië.

    Volgens de gereviseerde chronologie marcheert Seti nu in zijn eerste regeringsjaar (619/618 v. Chr.) in de nadagen van het Assyrische Rijk Klein-Azië binnen. Zijn eerste veldtocht laat het Juda van koning Josia ongemoeid maar richt zich hoofdzakelijk op de Assyrische provincies westelijk en noordelijk van Juda.

     

     

    De bewaarde reliëfs op de tempelmuren te Karnak in Egypte geven de marsroute weer. Vanuit de Nijldelta ging het over de beek van Egypte te Tjaru naar PKNN of ‘de stad van Kanaan’ en vervolgens naar Beth-Sjean in Retenoe en vandaar uit in een vorkrichting naar AMOR, de Egyptische naam voor Assur. De Egyptische ‘stad van Kanaan’ identificeer ik met Asdod, een stad die Psammetichos (dynastie 26) voordien volgens Herodotus (Boek 2, 157) gedurende eenentwintig jaar belegerd had. Beth-Sjean levert geen moeilijkheid op aangezien deze stad door de archeologen blootgelegd werd.

     

     

    De heuvel of 'tell' van het Beth-Sjean/Scythopolis van de oudheid werd in de twintigste eeuw door archeologen onderzocht en de verschillende blootgelegde strata door hen gedateerd. Het oudste onderzochte stratum door de archeologen genummerd met IX, werd aan de regeerperiode van farao Thothmosis III toegewezen en aldus orthodox (foutief) gedateerd van het jaar 1501 tot 1447 v. Chr. In het gereviseerde model van Dr. I. Velikovsky schuift farao Thothmosis III (de Bijbelse farao Sisak) op de tijdsbalk van de vijftiende naar de tiende eeuw v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk de Bijbelse farao met de naam Sisak, blz. 220-224. Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

    Te Beth-Sjean werd bovendien een stele van farao Seti I gevonden. De blootgelegde strata IX tot V te Beth-Sjean bestrijken nu de periode van Thothmosis III tot Ramses II of de Bijbelse periode van de koningen Salomo tot Zedekia.

    Farao Seti I heeft tijdens zijn regeerperiode ook gevochten tegen de plunderende horden Scythen. Zij zijn in het gereviseerde model de door de Egyptenaren vermelde Sjasoe. In het conventionele model worden de Sjasoe met Bedoeïenen geïdentificeerd. Volgens mijn revisie zijn het de gevreesde Scythen. Het probleem voor de orthodoxe Egyptologie is dat er in hun tijdspanne geen ander kandidaat-volk bestaat, dat met de Sjasoe geïdentificeerd kan worden.

     

     

    De overige vermelde steden op de reliëfs van Seti I geven in het orthodoxe model moeilijkheden ter identificatie. Zo is er discussie betreffende de juiste ligging van JANOAM. Een stad die door Seti beschreven wordt als liggende op een beboste heuvel tussen twee meren in. Door het verschuiven van de regeerperiode van Seti I naar de zevende eeuw v. Chr. wordt de identificatie eenvoudiger. De Egyptische benaming JANOAM kan nu niet anders zijn dan dezelfde plaats als het Bijbelse Janoah (2 Koningen 15:29), westelijk van Hazor, in het gebied van Naftali, dat de Assyriër Tiglath Pileser eerder innam. Ook de stad Kadesj die in een volgende campagne belegerd werd, wordt nu geïdentificeerd met Karkemis waar de historische slag tegen de Meden en Babyloniërs gevoerd werd.

     

     

    Op de bijgevoegde kaart uit de voortreffelijke MacMillan Bible Atlas, heb ik via mijn PC ingebroken en namen ter verduidelijking ingevoegd. De veldtochten van farao Neko II naar Klein-Azië in 616 en 610 v. Chr. werden met de hulp van farao Seti I uitgevoerd. Hierbij moet ik nogmaals opmerken dat van de zesentwintigste dynastie er archeologisch zo goed als niets bewaard is gebleven, en dat onze enige bron wat Neko II betreft, de Bijbel is en de werken van de oudheid-historicus Herodotos.

     

     

    De veldtochten van Seti I zijn grotendeels bewaard gebleven in reliëfs op de tempelmuren te Karnak in Egypte (afbeelding 3). Men ziet Seti I triomfantelijk terugkeren uit Klein-Azië, vergezeld van gevangenen die allen in hun eigen karakteristieke uniformen getoond worden. En hier doet zich in het orthodoxe model een anomalie voor. De tegenstanders van Seti I volgens de orthodoxe Egyptologie zijn in de dertiende eeuw v. Chr. Hethieten en bedoeïen, terwijl op de tempelmuren duidelijk een derde groep vijanden getoond wordt. Zij worden afgebeeld als infanterie met strijdwagens en cavalerie op niet-gezadelde paarden. De orthodoxie maakt melding van deze eigenaardigheid maar identificeert deze derde groep bij gebrek aan andere kandidaten in de dertiende eeuw v. Chr. eveneens als Hethieten.

    In de revisie van Dr. I. Velikovsky strijdt Seti I tegen het geallieerde leger van Babyloniërs en Meden, met op de achtergrond de naderende Scythen.

    Het Assyrische Rijk was in de zevende eeuw v. Chr. in verval en zou zoals door de Hebreeuwse profeten voorspelt, door de gemeenschappelijke slagen van Meden en Babyloniërs ten onder gaan. In het ontstane machtsvacuüm zochten ook de Egyptenaren hun buit binnen te halen. Zij waren tijdens de lange regeerperiode van Psammetichos van de zesentwintigste dynastie zelfs vazallen van Assyrië geweest. Bij het aan de macht komen van Neko II zou een nieuwe periode van opbloei voor Egypte aanbreken. Samen met Seti I van de ondergeschikte negentiende dynastie volgden veldtochten naar Klein-Azië. Vanuit Egypte ging het iedere keer langs de kustroute naar het noorden toe. Het land Juda onder de leiding van de godvruchtige koning Josia bleef voor lange tijd gedurende deze periode gevrijwaard van het oorlogsgeweld (zie TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 361-365).

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    11-08-2016 om 08:23 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-08-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een verwijzing naar Israël op de Merneptah-stele

    De Egyptische Merneptah-stele dateert uit de periode van de zogenaamde negentiende dynastie. Farao Merneptah was een zoon van Ramses II en de troonopvolger die op late leeftijd zijn vader na diens dood opvolgde. De orthodoxe egyptologie dateerde de regeerperiode van farao Merneptah van het jaar 1212 tot het jaar 1202 v. Chr. Volgens de herziening van de geschiedenis van de oudheid regeerde hij over Egypte echter van 584 v. Chr. tot 574 v. Chr. Het was de periode van de Babylonische Ballingschap voor Juda. In het jaar 580 v. Chr. bij de aanvang van de waanzin van de Babyloniër Nebukadnezar, ondernam Merneptah in zijn vijfde regeringsjaar een veldtocht naar Klein-Azië en marcheerde door het ontvolkte gebied van Juda en Israël.

    De overwinningsstele van Merneptah wordt door de orthodoxie op basis van het gebruik van een vermeende dubbele kalender in Egypte gedateerd op de derde dag van de derde maand van het derde seizoen, in 1207 v. Chr. Een vraag moet zijn of er inderdaad in het Egypte van de oudheid een dubbele kalender gehanteerd werd, gebaseerd op het jaarlijks opkomen van de Hondsster of Sothis?

     

     

    Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft deze vermeende kalender onder uit gehaald en aangetoond dat dit een verzinsel van Romeinen en Grieken was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-42, heb ik een hoofdstuk let de titel: de geschiedenis van de geschiedenis, aan deze materie gewijd. Er is geen enkele reden meer om aan de constructie van de orthodoxe egyptologie geloof te hechten.

    Onder revisionisten is er nog geen onderlinge overeenkomst waar de negentiende dynastie dan wel op de tijdsbalk thuishoort. Wat echter als een paal boven water staat is het feit van het neerhalen van de pijlers waar de orthodoxie haar gefabriceerde constructie mee verankerd heeft. Er is geen enkele reden meer om farao Merneptah in de dertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk te houden.

     

    De tekst op de Merneptah-stele bestaat vooreerst uit een lange lijst van veroveringen door farao, maar in de voorlaatste regel wordt er naar Israël verwezen. De vermelding van ISRAEL is overigens de enige verwijzing naar het volk en land Israël dat voorkomt in de tot nu toe ontcijferde Egyptische literatuur. Hierna het belangrijke gedeelte:

     

     

    “de vorsten werpen zich neer en roepen: “vrede”. Niet een houdt er zijn  hoofd hoog, onder de negen bogen. Verwoest is Libië, het Hetthietenland gepacificeerd, geplunderd is Kanaan met al zijn kwaad, weggevoerd is Ashkelon, overvallen is Gezer, Janoam vernietigd. Israël is ontvolkt, zijn zaad is niet meer; H’rw is een weduwe geworden voor Egypte…”

     

    De verwijzing naar Israël op de zogenaamde Merneptah-stele zul je in haast elk historisch werk over de Bijbelse geschiedenis aantreffen. Het is dan ook voor sommigen het schriftelijke historische bewijs van het bestaan van het volk van de Bijbel. Dit alsof men de ‘rags and tatters’-geschiedschrijving van Egypte daar voor nodig zou hebben.

    Als een gevolg van het verkeerdelijk plaatsen van Merneptah op de tijdsbalk door de orthodoxe egyptologie, zijn intussen de problemen niet opgelost. De orthodoxie plaatst deze farao in de dertiende eeuw voor Christus en ziet hem zelfs als een mogelijke kandidaat als farao ten tijde van de exodus. Men zal dus in heel wat studies de discussie kunnen volgen over wat Merneptah nu juist bedoelde met zijn vermelding dat ‘Israël ontvolkt was’ en ‘haar zaad niet meer was’?

     

     

    In het tijdsbalk-variant dat Dr. Immanuël Velikovsky in zijn boek ‘Ramses II en zijn tijd’ aanbiedt valt veel op zijn plaats en passen verschillende puzzelstukjes in het historische plaatje. De negentiende dynastie verhuist in dit model op de tijdsbalk naar de zevende en zesde eeuw voor Christus. De veldtocht van farao Merneptah naar Klein-Azië in het jaar 580/579 v. Chr. vond nu plaats op het moment van Israël ’s Babylonische ballingschap wat aansluit bij de vermelding op de stele dat het land ontvolkt was. De hiërogliefen op de stele maken hier één en ander duidelijk. Belangrijk bij het schrijven van hiërogliefen was het ‘determinatief’ dat duidelijk maakte of het teken een god, een man en/of een land voorstelde. De determinatief voor de steden Ashkelon, Gezer en Janoam op de stele vermeld, is iedere keer een ‘speer met drie bergen’ en verwijst naar een vreemde stad. In het geval van Israël is het determinatief echter een zittende man en een zittende vrouw, duidelijk makende dat hier een etnische groep in plaats van een stad of gebied bedoeld wordt.

     

    Ik schreef eerder dat er heel wat discussie is onder revisionisten van de geschiedenis van de oudheid over het opnieuw plaatsen van farao ’s en hun dynastieën op de tijdsbalk. Het werk van wijlen Dr. Velikovsky is zulk een voorbeeld van een twistappel tussen voor en tegenstanders van zijn reconstructie. In mijn boek ‘TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 371-373, volg ik de tijdsconstructie van Velikovsky met de negentiende Egyptische dynastie gereviseerd naar de zevende en zesde eeuw v. Chr.

     

     

    Wat ik niet volg is Velikovsky ’s stelling dat Ramses II en Merneptah alterego’s van farao Necho en diens opvolger Apries waren. In mijn variant zijn deze farao’s contemporain met elkaar, met de negentiende dynastie ondergeschikt aan de zesentwintigste dynastie.

    Een van de hoofdredenen dat Velikovsky de farao ’s van de negentiende dynastie tot alterego ’s van de zesentwintigste dynastie maakte was vanwege het feit dat er geen of weinig archeologisch materiaal van al de farao’s van de zesentwintigste dynastie voorhanden is. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 375-384, (zie link, voor wie het boek wil aanschaffen: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

    verwijs ik naar naar de oudheidhistoricus Herodotos en zijn beschrijving van de koninklijke begraafplaats van de farao ’s van de zesentwintigste dynastie die tot op heden niet ontdekt werd.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    02-08-2016 om 09:01 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Batroena: de Amarna-briefwisseling-stad die in de veertiende eeuw v. Chr. nog gebouwd moest worden…

    De zogenaamde Amarna-briefwisseling is een verzameling kleitabletten, die de briefwisseling van de Klein-Aziatische vazallen met de farao’s Amonhotep III en IV van Egypte bevat. De farao’s Amonhotep III en IV worden in de briefwisseling aangeduid als Nimoeria en Nafoeria. De taal van de briefwisseling was het Akkadisch, te vergelijken tegenwoordig met het gebruik van het Engels als internationale communicatietaal. De orthodoxe Egyptologie dateert de briefwisseling in de vijftiende en veertiende eeuw voor Christus!

     

     

    Dr. Immanuël Velikovsky (1895/1979)beweerde dat ze in de negende eeuw voor Christus thuishoren. Meer dan honderd bladzijden in zijn boek ‘Eeuwen in chaos’ werden aan de Amarna-kleitabletten gewijd. Volgens Dr. Velikovsky waren Achab en Josafat tijdgenoten van Achnaton en identificeerde deze koningen als de briefschrijvers Rib Addi en Abdi Hiba. Velikovsky (1895/1979) was een omstreden onderzoeker van meerdere wetenschappelijke takken. Dit laatste werd hem o.a. door het establishment kwalijk genomen, dat hij over teveel vakgebieden zijn mening en revisie gaf. Door zijn brede wetenschappelijke belangstelling en grote belezenheid kwam Velikovsky tot de ontwikkeling van revolutionaire theorieën over de oorsprong van de aarde en ons zonnestelsel. Zijn eerste boek ‘Werelden in botsing’ – WORLDS IN COLLISION - gepubliceerd in 1950, botste op tegenstand van de academische wereld en werd verworpen. Met zijn werk ‘eeuwen in chaos’ viel Velikovsky de gevestigde Egyptologie aan. Tot voor kort wekte de naam Velikovsky in het wetenschappelijke establishment afkeer op. Tegenwoordig vind men de boeken van Velikovsky alleen nog in gespecialiseerde antiquariaten en dikwijls worden ze geklasseerd onder het vak: esoterie, wat spijtig is. Men kan op onderdelen van Velikovsky ’s baanbrekend werk van mening verschillen en/of afwijzen, maar niet op heel zijn werk. Wat mij persoonlijk betreft in mijn studie van de chronologie van de oudheid, passen de bevindingen van Velikovsky wel in de chronologische reconstructie van de oudheid met de Bijbel als leidraad.

     

    In mijn werk ‘TIJD en TIJDEN’ (Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579) opteer ik voor een identificatie van Achaz van Juda en Hosea van Israël als zijnde Abdi Hiba en Rib Addi uit de Amarna-briefwisseling. En de rebel Labaja is Pekah van het noordelijke tienstammenrijk of Israël. Deze genoemde koningen van Israël en Juda waren volgens de Bijbel, allen afgodendienaars en passen beter in het plaatje wat de inhoud van de briefwisseling betreft. Ik heb de grootste moeite met de identificatie van personen die volgens de Bijbel op de HERE God vertrouwden maar in hun vermeende briefwisseling met Farao afgoden dienden. Dit is al voldoende basis om de identificatie van Saul en David door David Rohl of van Josafat door Velikovsky, als de briefschrijvers af te wijzen.

     

     

    Deze opmerking neemt het spadewerk niet weg dat Velikovsky geleverd heeft. Spadewerk dat het fundament voor de revisie wereldwijd legde. Bevindingen van Velikovsky haalden al eerder pijlers waarop het fundament van de orthodoxie rust naar beneden. Een goed voorbeeld is het hierna volgende citaat uit Eeuwen in Chaos hoofdstuk 6:

    “Enkele malen noemde de koning van Goebla in zijn brieven de stad Batroena en deze wordt geïdentificeerd als het oude Botrys. Meneander evenwel, een Griekse schrijver die door Josephus wordt aangehaald, verklaart over Ithobalus, de koning van Tyrus uit de negende eeuw, dat ‘hij het was die de stad Botrys in Fenicië stichtte.” De stad Botrys, gebouwd door de schoonvader van Achab, kon alleen dan in de Amarna brieven worden vermeld, als de stichting van de stad voorafging aan de Amarna periode

    Einde citaat.

     

    Conclusie:

    Een stad die nog gebouwd moest worden in de tiende eeuw, kan onmogelijk deel hebben uitgemaakt van een correspondentie met een farao die de orthodoxie in de veertiende eeuw voor Christus plaatst. Een ketting is zo sterk als haar zwakste schakel. En de orthodoxe plaatsing van de Amarna-tijd in de vijftiende/veertiende eeuw v. Chr. met briefwisseling over een onbestaande stad is hiermee gebleken een zwakke schakel te zijn en de ketting aan revisie toe.

     

     

    Met mijn laatste uitgave van begin 2016 geef ik in het bijzonder aandacht aan de Amarna-periode. Mijn boek ‘de zonaanbidder’ neemt u mee naar het Egypte van de achtste eeuw voor Christus. Het was voor de oude wereld een eeuw van grote omwentelingen zowel in de natuur als in de godsdiensten, en de machtsverhoudingen in het algemeen. De Aton-ketters met farao Achnaton op kop worden op de tijdsbalk naar hun correcte plaats geloodst, en tijdgenoten gemaakt met de Bijbelse koningen van Israël en Juda: Pekah, Hosea en Achaz alias Labaja, Rib Addi en Abdi Hiba van de Amarna-correspondentie.

    De Egyptologie is geen exacte wetenschap en aan herziening toe. De auteur rangschikt de farao ’s van de achttiende dynastie op de tijdsbalk via nieuwe verifieerbare ankerpunten. De nieuwe navigatiepunten van de auteur in zijn reconstructie van de geschiedenis van het oude Egypte, zijn in de eerste plaats de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en de oudheidhistoricus Herodotos.

    De Aton-ketters zijn al een hele tijd opnieuw in de belangstelling als een gevolg van het ontdekken van het bestaan van een extra kamer in de tombe van Toetanchamon. Door sommigen wordt er gespeculeerd dat de stoffelijke resten van Nefertiti zich daar zouden bevinden. Nefertiti was de echtgenote van farao Achnaton, die vooral bekendheid verwierf via de ontdekking van haar buste te Tell-el-Amarna in 1912 door de Duitse archeoloog Ludwig Borchardt. De buste wordt bewaard in Berlijn in het Egyptisch Museum.

    Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    25-07-2016 om 08:51 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raämses

    Exodus 1:8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; 9 Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja, machtiger dan wij. 10 Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses.(Statenvertaling)

     

     

    Het identificeren en het plaatsen van de Bijbelse plaatsnamen Pitom en Raämses op een hedendaagse landkaart is een oefening die sinds het ontstaan van de wetenschap Egyptologie, door Bijbelgetrouwe onderzoekers met moeite beoefend wordt.

     

    De verleiding is er altijd geweest om in de genoemde Bijbelse plaats Raämses de (Griekse) faraonaam Ramses II te herkennen. Dit is mede een gevolg van het feit dat de orthodoxe Egyptologie Ramses II en negentiende dynastie op de tijdsbalk ten tijde van de Bijbelse tijdsperiode voor het verblijf van de Israëlieten in Egypte, plaatst. Farao Ramses II en de negentiende dynastie horen echter in de beschreven Bijbelse tijdsperiode niet thuis, en dienen gelinkt te worden met de epoque van de koningen van Juda.

    Het is het introduceren van de vermeende Sothis-kalender door de Egyptoloog Eduard Meyer dat de orthodoxe Egyptologie op het verkeerde spoor zette, en maakte dat het identificeren van de plaats Raämses zo moeilijk werd.

    De dubbele Sothis-kalender met zijn vermeende tijdsperioden van 1460 jaar werd door het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid onder uit gehaald en de weg ligt open voor een nieuwe invulling van de koning van Egypte op de tijdsbalk. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-41 heb ik dit besproken. Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Nu we bevrijd zijn van het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie kunnen we een invulling geven die aan de historische boeken van de Bijbel, recht doet. Het is de Egyptische twaalfde dynastie die in het Bijbelse plaatje past. Deze dynastie had al eerder mijn aandacht in mijn boek ‘Van Noach tot Christus’ dat in 1987 door ‘Het Goede Boek’ gepubliceerd werd.

     

     

    In dit boek volgde ik geheel de lijn van Dr. Donovan Courville die de twaalfde Egyptische dynastie met Jozef, de zoon van Israël, verbond. In feite was ‘Van Noach tot Christus’ een studiewerk dat het onderzoek van verschillende onderzoekers samenbracht. Sindsdien ben ik door zelfstudie tot een eigen variant gekomen. In mijn opus magnum TIJD en TIJDEN, identificeer ik de derde en de zesde dynastie als de koningshuizen die vooreerst Israël toestonden om Egypte binnen te komen met Jozef als onderkoning van Egypte, maar die later de in bevolking toegenomen Israëlieten verdrukten. De twaalfde dynastie speelde in deze tijdsperiode een belangrijk rol. Dr. Donovan Courville stelt dat het Egyptische Oude en Midden-rijk contemporain waren.

     

    De twaalfde dynastie had aanvankelijk haar hoofdstad in Thebe in Boven-Egypte maar later richtte de eerste farao Amenemhat I een nieuw machtscentrum op ergens in Beneden Egypte. Deze plaats kreeg de naam Itj-taoey wat betekent: ‘Grijper van beide landen’. De juiste locatie van deze nieuwe hoofdstad is tot op heden op het terrein niet gevonden. De meeste Egyptologen wiens werk ik in mijn bezit heb, geven dit ook toe. Een enkeling zal de nieuwe hoofdstad met de plaats LISHT identificeren alwaar de farao’s van de twaalfde dynastie hun graftempels hebben.

    In het licht van deze studie kunnen we echter een andere piste te bewandelen. Amenemhat I, de eerste farao van de dynastie, regeerde volgens de gereviseerde chronologie ten tijde van Jozef en ik postuleer dat de verplaatsing van de hoofdstad met de politiek van Jozef te maken had. En waarom zou het Egyptische Itj-taoey niet een van de voorraadsteden kunnen zijn die de Israëlieten moesten bouwen? Het zal op het terrein bij een vraag blijven, want de orthodoxe Egyptologie en verwante archeologen zoeken niet naar deze tot nu toe onbekende locatie Itj-Taoey in Egypte. Er zijn nochtans een aantal schriftelijke aanwijzingen dat Itj-Taoey in de noordoostelijke Nijldelta te situeren is. Hierna volgen de bronnen die een en ander duidelijk maken.

    Twee sleuteljaren of navigatiepunten gebruik ik om de twaalfde dynastie op de tijdsbalk vast te pinnen. Vooreerst is er de vermelding in Egyptische bronnen (Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, hoofdstuk VI) dat er een zevenjarige periode was zonder koning voor de elfde dynastie, de voorganger van de twaalfde. Ik neem aan dat het de Bijbelse zevenjarige wereldwijde hongersnood was dat voor deze breuk verantwoordelijk was. Het begin van de regering van Amenemhat I, eerste farao van deze nieuwe dynastie, plaats ik in het jaar 1693 v. Chr., het chronologische einde van de zevenjarige hongersnood. Het andere sleuteljaar is 1523 v. Chr.

     

     

    De Bijbelvorser Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), Th., B.A., M.A., Ph. D., THE EXODUS PROBLEM and its Ramifications, 1971) houdt het voor mogelijk dat farao Amenemhat IV van de faraolijst van Manetho, ‘Mozes’ was, die als prins van Egypte, Amenemhat III moest opvolgen. Sobekneferoe, (in het variant van Courville - de dochter van de farao) heeft korte tijd na de vlucht van Mozes in 1523 v. Chr. naar Midian, geregeerd. De Egyptoloog Alan Gardiner (Egypt of the Pharaohs – Hoofdstuk 6 – The rise and fall of the Middle Kingdom) houdt het verdwijnen van Amenemhat IV in verband met een mogelijke familietwist. In mijn variant laat ik Amenemhat IV tot aan de dood van Amenemhat III samen regeren. Daarna ging de macht naar de dertiende dynastie.

    De vele dynastieën van Manetho waren in feite families of ‘huizen’ die de macht met elkaar deelden en dikwijls contemporain waren. Op deze manier kunnen we Jozef als onderkoning van farao Zoser van de derde dynastie hebben met de andere dynastieën of huizen in een ondergeschikte rol. Na de dood van Jozef is de zesde dynastie als dominante factor naar voor getreden, om op haar beurt later bij het ouder worden van Pepi II, de macht te moeten delen met anderen. Zoals ik eerder vermelde regeerde de eerste farao van de twaalfde dynastie van Manetho in de periode dat Jozef onderkoning van Egypte was.

     

    Ik geloof dan ook, dat de verplaatsing van de hoofdstad van Thebe naar een nieuwe locatie dichter bij Memfis, te maken heeft met Jozef en zijn voorraadschuren. De Bijbel (Genesis 41:46-57) leert dat ten tijde van de zeven jaar van overvloed, Jozef al het voedsel in het land Egypte verzamelde. Toen de hongersnood aanving was het de derde dynastie die de voedselbevoorrading controleerde en als een gevolg daarvan een machtsbasis had. De andere huizen of dynastieën kwamen naar Jozef, alias Imhotep, om voedsel.

     

    In de tombe van Imhotep (derde dynastie) werden twee houten beelden van farao Senwosret I (twaalfde dynastie) gevonden. Voor de orthodoxe Egyptologie is dit een axioma. In mijn variant echter verklaarbaar. Beide dynastieën waren contemporain. Dat Courville gelijk had in zijn stelling dat de twaalfde dynastie kort voor de invasie van de Hyksos of Amalekieten aan haar eind kwam, zie ik bevestigd door de Abydos-koningslijst waar Seti I zijn voorgangers van de achttiende dynastie laat aanvangen onmiddellijk zonder onderbreking door enige tussenperiode, na Manetho ’s twaalfde dynastie. Ook ontbreekt op de Abydos-lijst één naam wanneer we Manetho ’s koningslijst van de twaalfde dynastie er naast leggen. Ik meen dan ook dat het de naam Amenemhat IV is die door Seti I ‘deleted’ werd. Misschien heeft Courville dan ook gelijk met zijn identificatie van Amenemhat IV met Mozes als prins van Egypte.

     

     

    De chronologische gegevens die we uit Egyptische bronnen betreffende de twaalfde dynastie hebben zijn niet eensluidend. Africanus, die Manetho kopieerde, geeft de dynastie een totaal van 160 jaar. Een andere kopieerder van de werken van Manetho echter, Eusebius geeft de twaalfde dynastie een totaal van 245 jaar. Daarnaast hebben we de beschadigde en gefragmenteerde Turijncanon met eveneens afwijkende jaartallen. De ankerpunten voor het plaatsen van de twaalfde dynastie op de tijdsbalk haal ik uit de Bijbelboeken Genesis en Exodus. Het begin van de twaalfde dynastie heb ik verankerd met het einde van de hongersnood in 1693 v. Chr. en het andere sleuteljaar is 1523 v. Chr. met de vlucht van Mozes naar Midian. Tussen de beide jaartallen plaatsen we de verschillende farao’s op de tijdsbalk. Het is dank zij de vele monumenten beschreven met hiërogliefen, die Egypte rijk is, dat we in staat zijn om een en ander sluitend op de tijdsbalk te plaatsen. De gegevens van de monumenten maken duidelijk dat de farao’s van de twaalfde dynastie meerdere malen co-regentschappen kenden. Het is aldus mogelijk om een alternatieve rangschikking binnen een tijdsduur van 174 jaar aan te bieden.

     

    In mijn studie TIJD en TIJDEN verwijs ik meerdere malen naar het baanbrekende werk van Donovan Courville en zijn hanteren van de Egyptische Sothis koningslijst ter opheldering van bepaalde chronologische constructies. Courville was er van overtuigd dat de schijnbaar onvolledige Sothis-koningslijst eertijds was opgesteld ter weergave van die farao’s die de werkelijke macht in Egypte hadden. De farao’s van de andere koningslijsten waren dan farao’s die in co-regentschap regeerden of dienstig waren aan de ware machthebbers. Courville identificeert de farao’s van de Sothislijst met de nummers 18 tot 24 met de farao’s van Manetho ‘s twaalfde dynastie. Zie hierna de lijst:

    18. Rameses                 29

    19. Ramessemenes      45

    20. Usimares               35

    21. Ramessessos          23

    22. Ramessameno       48

    23. Ramesse              48

    (Amenenemhat IV ontbreekt)

    24. Rameses                   8

    25. Koncharis               (Farao van de exodus)

    26. Salitis                     (eerste Hyksos-farao)

     

    Wat onmiddellijk opvalt zijn de namen Ramesse en andere afleidingen van deze naam in de Sothis-koningslijst. Het verband met de naam van de Bijbelse voorraadstad Raämses die de Israëlieten moesten bouwen is voor mij zonder meer duidelijk. De twaalfde dynastie’ farao’s waren de handlangers van de zesde dynastie in de verdrukking van de Israëlieten in Egypte.

     

     

    De andere plaatsnaam van de twee voorraadsteden die de Israëlieten moesten bouwen was Pitom. Deze naam en plaats werd door Dr. I. Velikovsky al geïdentificeerd en op de landkaart geplaatst. In zijn boek (Eeuwen in Chaos, 1952) maakt hij vanuit verschillende bronnen duidelijk dat de naam Pi-Tom of Pi-Thoem, ‘de verblijfplaats van Tom’ betekent en dat T(h)om of Thoem de naam van de farao van de Exodus was. De stad Pitom werd te Tell el Maskhuta al in 1885 door de archeoloog E. Naville blootgelegd en geïdentificeerd. De naam Thom herkennen we ook in de Griekse naam Toetimaeus of Timaios die Manetho doorgeeft als de naam van de farao die onderging in de invasie van de Hyksos. De Hyksos zijn identiek met de Bijbelse Amalekieten waartegen de Israëlieten in de woestijn te Refidim moesten strijden. Volgens Velikovsky zetten de Hyksos daarna hun tocht verder en overrompelden met gemak Egypte. Het Egyptische leger was namelijk eerder in de Rode Zee ten onder gegaan.

     

    In de Sothis-koningslijst gaat een farao met de (Griekse) naam Koncharis vooraf aan de Hyksos-periode met als eerste farao Salitis. Deze Griekse naam dient geïdentificeerd met een naam van een farao uit de dertiende dynastie van Manetho. Zoals uiteengezet in TIJD en TIJDEN stapte deze dynastie in machtsvacuüm na de ondergang van de twaalfde dynastie maar kwam ook snel aan haar einde als een gevolg van de invasie van de Hyksos, aldus een tussenperiode in de geschiedenis van Egypte creërende.

     

    Conclusie: de twee voorraadsteden zijn aldus geïdentificeerd. De stad Pitom werd in de negentiende eeuw al blootgelegd en geïdentificeerd. De voorraadstad Raämses is waarschijnlijk het Egyptische Itj-taoey en moet nog gevonden worden. De plaatsnaam Raämses verwijst naar het Ramesse van de Sothis-koningslijst, een synoniem voor farao Amenemhat III. De orthodoxe identificatie met de stad Piramesse van Ramses II wijzen we af. De voorraadstad Raämses, het vermoedelijke Itj-Taoey, ligt waarschijnlijk in de noordoostelijke Nijldelta in de nabijheid van Pitom. In de noordoostelijke delta is namelijk ook het Bijbelse land Gosjen te plaatsen. De Bijbel plaatst Gosjen in de nabijheid van de stad Zoan in Egypte:

    Psalm 78: 12 Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.

    Het Hebreeuwse Zoan was Tanis, een hoofdplaats in de noordoostelijke Nijldelta. De stad Zoan dateert Bijbels gezien, uit dezelfde periode als het Hebron van het tweede millennium voor Christus.

    Numeri 13:22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    18-07-2016 om 09:15 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kajafas

    Kajafas was de hogepriester voor wie de Heer Jezus Christus stond in de nacht dat Hij werd overgeleverd.

    Kajafas werd waarschijnlijk in 18 AD door Valerius Gratus, de toenmalige stadhouder van Judea, tot hogepriester aangesteld. Flavius Josephus, de Joodse oudheidhistoricus verwijst naar Kajafas in zijn werk: Joodse Oudheden Boek XVIII, 2.2 en XVIII, 4.3.

    De Romeinen overheersten Judea sinds 63 v. Chr., het jaar dat Pompejus het land bezette. Later stelden de Romeinen Herodes de Grote tot vazalkoning aan. De profeet Daniël beschreef het Romeinse Rijk in de zesde eeuw v. Chr. al als het vierde beestrijk dat in opvolging van Babylon, Meden & Perzen en Grieken over het gebied van Israël zou heersen. Ten tijde van het vierde beestrijk zou de Messias zich openbaren.

    Kajafas zou het ambt van hogepriester tot 36 AD uitoefenen. Chronologisch gezien betekende dit dat Kajafas getuige was van de openbaring van Jezus Christus en het ontstaan van de Ekklesia. Kajafas was een schoonzoon van Annas (Johannes 18:13), die hogepriester was van 6 tot 15 AD, en ook na zijn ambtsperiode nog als hogepriester werd aangesproken. Zie link: http://www.christipedia.nl/Artikelen/K/Kajafas

     

    Om Jezus van Nazareth als de komende Messias te (h)erkennen was Kajafas geestelijk blind (2 Kor. 3:14-16). Kajafas zat overigens al vroeg in het complot voor het laten ombrengen van de ordeverstoorder Jezus. Hij deed hierbij zelfs een opmerkelijke profetische uitspraak:

    Johannes 18:13 En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was. 14 Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve. (Statenvertaling)

     

    Dat Kajafas een ‘religieus’ mens was merken we in het hierna volgende Bijbelgedeelte waar we lezen dat hij in de nacht van donderdag op vrijdag tijdens de Pesachweek, het Romeinse rechthuis niet wilde betreden zodat hij niet verontreinigd zou worden. Kajafas wenste aan de komende Pesachmaaltijd te kunnen deelnemen!

    Johannes 18:28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. (Statenvertaling)

     

     

    Het is aan de hogepriester Kajafas en het verzamelde Sanhedrin dat Jezus in de nacht van zijn overlevering Zich als de Messias bekendmaakte. Hij deed dit door het citeren van de eindtijdprofetie van Daniël 7:13-14. Voor Kajafas was dit de welkome Godslastering op basis waarvan hij Jezus veroordeelde ter overlevering aan de Romeinse bezetter voor het voltrekken van de doodstraf. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Matteüs 26:57 Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren. 58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien. 59 De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, 60 hoewel er vele valse getuigen optraden. 61 Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen. 62 En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? 63 Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels.

     

     

    65 Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? 66 Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig. 67 Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; 68 anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?

     

    Zie hierna een opgave van de chronologie der gebeurtenissen:

    Scofield: A comparison of the narratives gives the following order of events in the crucifixion day:

    (1) Early in the morning Jesus is brought before Caiaphas and the Sanhedrin. He is condemned and mocked Matthew 26:57-68; Mark 14:55-65; Luke 22:63-71; John 18:19-24.

    (2) The Sanhedrin lead Jesus to Pilate, Matthew 27:1,2,11-14; Mark 15:1-5; Luke 23:1-5; John 18:28-38.

    (3) Pilate sends Jesus to Herod Luke 23:6-12; John 19:4.

    (4) Jesus is again brought before Pilate, who releases Barabbas and delivers Jesus to be crucified Matthew 27:15-26; Mark 15:6-15; Luke 23:13-25; John 18:39,40; 19:4-16.

    (5) Jesus is crowned with thorns and mocked Matthew 27:26-30; Mark 15:15-20; John 19:1-3.

    (6) Suicide of Judas Matthew 27:3-10.

    (7) Led forth to be crucified, the cross is laid upon Simon: Jesus discourses to the women Matthew 27:31,32; Mark 15:20-23; Luke 23:26-33; John 19:16,17.

    For the order of events at the crucifixion (See Scofield "Matthew 27:33")

    (link: http://www.biblestudytools.com/commentaries/scofield-reference-notes/matthew/matthew-26.html)

     

    Wanneer men alle Bijbelgedeelten die over Kajafas handelen, doorneemt is de eerste indruk dat men hier een ijveraar voor de Wet ziet, maar niets blijkt echter minder waar te zijn.

     

     

    Het familiegraf van Kajafas werd een tijd geleden ontdekt en door archeologen onderzocht. En wat blijkt nu: Kajafas volgde overlijdensrituelen ontleend aan de Griekse mythologie.

    Een boek dat ik mijn lezers wil aanraden is het werk van Carsten Peter Thiede, Wie bent U, Jezus?, uitgegeven in 2002 door de uitgeverij Merweboek. Het is vandaag alleen nog via het antiquariaat verkrijgbaar. Hierna een eventuele link ter aanschaffing: http://www.messiaan.nl/wie-bent-u-jezus-carsten-peter-thiede-9789057870355

     

    In hoofdstuk drie brengt de schrijver het verhaal van de archeologische vondst van het graf van Kajafas. In 1990 werd in Israël in een voorstad van Jeruzalem het familiegraf van Kajafas ontdekt. De archeologen van het Israëlische departement voor oudheden dateerden en identificeerden het graf. De datering werd vergemakkelijkt door de vondst van een muntstuk met de beeltenis van Herodes Agrippa I. De munt is door een inscriptie gedateerd op het zesde jaar van zijn regering, dus 42/43 AD. De munt werd gevonden in het gehemelte van de schedel van Mirjam Berat Schimon, de dochter van Kajafas. De munt was daar door Kajafas onder de tong van zijn overleden dochter geplaatst ter betaling van de veerman Charon. Kajafas’ dochter zou aldus met deze munt, volgens het mythologische geloof, door de veerman in de onderwereld over de rivier de STYX tot aan de poort van Hades gevaren worden.

    Deze traditie staat haaks op de Bijbelse leer van de Opstanding van de doden, en is niets anders dan mythologie. De Bijbel leert duidelijk een opstanding van de doden:

    Jesaja 26:19 Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. (Statenvertaling)

     

    Daniël 12:13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen. (Statenvertaling)

     

    In het Nieuwe Testament troost de apostel Paulus de christenen van Thessaloniki die geliefden aan de dood moesten afgeven, met de belofte van de opstanding uit de doden bij de wederkomst van de Heiland Jezus Christus.

    1 Thessalonicenzen 4:13 Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. 14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem. 15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

     

    Paulus leert duidelijk en niet mis te verstaan dat er een toekomstige opstanding van de doden komt. Van een niet-stoffelijke ziel dat zich bij de dood van het gestorven lichaam zou losmaken en door engelen naar de schoot van Abraham gevoerd zou worden, zoals in de gelijkenis van de Lazarus (Lucas 16:19-31), is bij Paulus geen sprake van.

    Lucas 16:19-31 is dan ook een parabel of een gelijkenis, met de bijzondere boodschap dat indien iemand (vooraf aan de toekomstige opstanding), uit de dood zou opstaan, men zich ook niet door deze opgestane persoon zou laten overtuigen. Wat trouwens uitkwam bij de opstanding uit de dood van de historische Lazarus in Johannes 12:9.

     

    De archeologische vondst van het familiegraf van Kajafas ontmaskert de hogepriester van Israël van 30 AD als een hypocriet en opportunist. Een man die van twee walletjes wilde eten. Als het een niet waar was, dan misschien het andere. Voor alle zekerheid toch maar een muntstuk aan de stoffelijke resten van zijn dochter in het graf toevertrouwen.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    11-07-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-07-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronologie van Nimrod tot Abram/Abraham

    Met onze aflevering van 27.06.2015 op dit blog brachten we de chronologische geschiedenis vanaf de Grote Vloed in 2341/2340 v. Chr. tot aan de rebellie van Nimrod, de spraakverwarring en de gevolgen daarvan. Deze week gaan we verder vanaf Terah, de vader van Abram/Abraham, tot aan de roeping van Abraham.

    Uiteindelijk gaan we met de nog te volgen afleveringen chronologisch op de tijdsbalk naar de inhuldiging van de Tempel van Salomo in het jaar 3000 Anno Mundi.

     

     

    Op de bijgevoegde schema ’s staan bovenaan de Anno Mundi jaartallen, met daaronder de westerse jaartelling, gebaseerd op de geboorte van de Christus. Elk jaar beslaat twee centimeter op millimeterpapier zodat de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar zijn en handig voor het aanbrengen van de chronologische gegevens die de Bijbel aanreikt.

    De post-zondvloedaartsvaders vervolgen op onze schema ‘s, hun zeer hoge leeftijden. Bovenaan merken we Noach, vervolgens Sem, Arpachsad, Selah, Heber, Peleg, Rehu, Serug, Nahor en Terah. Het is in deze lijn dat Abraham, Izaak en Jakob geboren zullen worden, met uiteindelijk in de volheid der tijden: Jezus Christus.

     

     

    De Bijbel vermeldt uitsluitend in de lijn van Sem, een van de drie zonen van Noach, de voor die tijd buitengewone leeftijden. We kunnen echter aannemen dat de twee andere zonen: Jafeth en Cham en hun nakomelingen, eveneens deze opmerkelijk hoge leeftijden bereikt hebben. In de vorige aflevering hebben we gezien dat dit feit o.a. aan de basis van hun verering als goden ligt.

     

     

    Terah, de vader van Abram, was volgens de Joodse overlevering een tijdgenoot van Nimrod.

    The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, 1909, Volume I, 5

    Terah married Emtelai, the daughter of Karnabo, and the offspring of their union was Abraham. His birth had been read in the stars by Nimrod, for this impious king was a cunning astrologer, and it was manifest to him that a man would be born in his day who would rise up against him and triumphantly give the lie to his religion. …

     

     

    … The great success that attended all of Nimrod's undertakings produced a sinister effect. Men no longer trusted in God, but rather in their own prowess and ability, an attitude to which Nimrod tried to convert the whole world. Therefore people said, "Since the creation of the world there has been none like Nimrod, a mighty hunter of men and beasts, and a sinner before God."

     

     

    And not all this sufficed unto Nimrod's evil desire. Not enough that he turned men away from God, he did all he could to make them pay Divine honors unto himself. He set himself up as a god, and made a seat for himself in imitation of the seat of God. It was a tower built out of a round rock, and on it he placed a throne of cedar wood, upon which arose, one above the other, four thrones, of iron, copper, silver, and gold. Crowning all, upon the golden throne, lay a precious stone, round in shape and gigantic in size. This served him as a seat, and as he sate upon it, all nations came and paid him Divine homage.

     

     

     

     

     

    Op ons schema merken we het begin van de eerste dynastie in Egypte. Farao Menes nam het in het jaar 2018 v. Chr. van de god-koningen over. Deze god-koningen heb ik in het artikel van 27.06.2016 al aangehaald. Cham, een van de drie zonen van Noach, ligt volgens de Bijbel aan de basis van de kolonisatie van Egypte:

    Psalm 105: 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

     

     

    Cham en zijn nakomelingen zijn identiek met de door de moderne Egyptologie tot mythe verklaarde god-koningen die voor de eerste farao Menes, over Egypte heersten. De bekende Palermo-steen (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz.73-75) (voor aanschaffing van het boek, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

    verhaalt over een lijst van een honderdtal god-koningen, een lijst die start met de Egyptische god Horus. Toen de oudheidhistoricus Herodotos in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en aldaar met de priesters sprak, kreeg hij dezelfde geschiedenis te horen:

    “Toch is Egypte voor de tijd van die mannen door goden bestuurd die te midden van de mensen leefden. Nu eens had de een dan weer de ander de macht en de laatste van hen was Oros, de zoon van Osiris. Deze heette Apollo in het Grieks; hij heeft Tyfon ten val gebracht en daarna als laatste god de troon bestegen. Osiris kun je aan Dionysos gelijkstellen”. Herodotos Boek 2:144

     

     

    De pre-dynastieke periode van Egypte heeft volgens het Genesismodel een aanvang genomen na de spraakverwarring van 2239 v. Chr., gevolgd door de trek naar Egypte, tot aan 2018 v. Chr., het jaartal dat Menes, de eerste farao, het bewind overneemt wat een totaal van 221 jaar geeft.

    Het bijgevoegde schema is van het ‘Handboek bij de Bijbel’ uit 1976 van J.N. Voorhoeve, Den Haag. Het is een vertaling uit het Engels van ‘The Lion Handbook to the Bible’, 1973, van Lion Publishing, Berkhamsted, Herts, England.

    De auteurs proberen (wat gangbaar is) de Bijbelse geschiedenis van de aartsvaders in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie te persen. Een onmogelijke taak indien men de Bijbelse geschiedenis recht wil doen. Via mijn PC-Paint-programma heb ik in de afbeelding ingebroken en de geschiedschrijving over Egypte met de Bijbel als leidraad, aangepast. De verschillende Egyptische dynastieën onderverdeeld in Oudheid, Oude Rijk, Midden-Rijk, Nieuwe Rijk met de respectievelijke zogenaamde tussenperioden, werden opnieuw op de tijdsbalk gerangschikt en gedateerd.

    Op het gereviseerde schema merkt men hoe de zogenaamde Archaïsche tijd voor Egypte is teruggebracht tot zijn ware tijdsspan. Onderaan werd ook Mozes naar zijn correcte plaats op de tijdsbalk gecorrigeerd, naar de vijftiende eeuw v. Chr. Het Oude en Midden-rijk in Egypte waren contemporain, en de Exodus in 1483 v. Chr., gevolgd door de Hyksos-tijd is een breuklijn naar het Nieuwe Rijk toe. De Hyksos worden geïdentificeerd met de Bijbelse Amalekieten en hun historische plaats en heers-tijd op de tijdsbalk ingeruimd. Dit alles heb ik uitvoerig in mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, toegelicht.

     

     

    De moderne Egyptologie negeert het Bijbelboek Genesis met zijn oorsprongsgeschiedenis en brengt een pre-dynastieke geschiedenis van Egypte op basis van de evolutietheorie. De tijd voor de eerste farao’s wordt over verschillende tijdperken uitgesmeerd en de aanvang in een ver niet meer verifieerbaar verleden, geplaatst. De bekende zogenaamde archaïsche tijd met de eerste en tweede dynastie, laat men rond 3150 v. Chr. met farao Menes, aanvangen. Maar voor die tijd is het bij gebrek aan schriftelijke bronnen, helemaal gissen.

    Te Naqada in Egypte werd een site door archeologen blootgelegd met een nederzetting die voor de Archaïsche tijd gedateerd werd, de zogenaamde Naqada-cultuur, verwijzend naar de mensen die tijdens de Kopertijd van circa 4400 tot 3150 v. Chr. het land daar bewerkten. De Naqada-cultuur werd onderverdeeld in drie fases van bewoning. De oudste veronderstelde fase is die van ‘Naqada I’ die bestond uit een lokale dorpscultuur. Maar ook voor de Naqada-cultuur laat men Egypte al bevolkt worden. Vanaf circa 10.000 tot 5000 v. Chr. rangschikken zogenaamde deskundigen het tijdperk van het Epipa-leolithicum op de tijdsbalk. Tijdens deze periode laat men volgens de theorie, bevolkingsgroepen vanuit de Sahara, de Boven-Nijl en Zuidwest-Azië in Egypte binnenkomen. Vanuit het Genesismodel gezien zijn dit echter de eerste kolonisten van de grote trek, die eerst in 2239 v. Chr. op gang kwam. De feiten op het terrein kloppen met elkaar, met uitzondering van de dateringsmethode. En met de tijdsschijf die volgens de Egyptologie aan het Epipa-leolithicum voorafging: het Paleo-lithicum, gaan we helemaal de verdrukking in. Dit tijdperk laat men namelijk aanvangen rond 500.000 à 300.000 tot 10.000 v.Chr. Deze constructie is volledig op de evolutie-gedachte gebaseerd, en blijft een theorie. Of zoals Huib Verweij (De boom der kennis, 1973, blz. 18) het ooit opmerkte: de evolutietheorie is uitgevonden om te bewijzen wat nog bewezen moet worden.

    Men kan nochtans via het Bijbelboek Genesis een exacte (jonge) geschiedenis van de oudheid brengen.

     

     

    Op ons schema merken we de geboorte van Abraham in 1988 v. Chr. of Anno Mundi 2010

    Genesis 11:26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot. 28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën. 29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.

     

     

    In het eerder geciteerde Bijbelgedeelte van Genesis 11:26 lijkt het dat Abram de eerstgeborene van Thera is, maar nader onderzoek maakt duidelijk dat Abram weliswaar het eerst vermeld wordt, maar toch niet de eerstgeborene van Terah was. Wie de oudste broer was kan eenvoudig vastgesteld worden. Van Nahor wordt in Genesis 11:29 vermeld dat hij trouwde met een dochter van Haran. Daaruit blijkt dat Haran ouder was dan Nahor. Abraham oudste broer was Haran.

     

     

    Dat Abram op mijn schema geboren wordt nadat Terah honderddertig jaar leefde, is het resultaat van mijn terugrekenen vanaf de inhuldiging van de Tempel van Salomo in 996 v. Chr. zijnde Anno Mundi 3000. Aan de Tempel was zeven jaar gewerkt. In het vierde regeringsjaar van Salomo was aan de bouw van de Tempel begonnen. Op basis van de jubeljaartelling valt het vierde regeringsjaar van Salomo in 1003 voor Christus. Vierhonderd tachtig jaar daarvoor vond in april 1483 v. Chr. de Exodus uit Egypte plaats. Met Pinksteren, van hetzelfde jaar, werd de Thora aan Israël gegeven. Tussen de Thora en de belofte aan Abraham liggen weer 430 jaar wat ons in 1913 v. Chr. brengt.

     

     

    Galaten 3:17 Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. 18 Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Abraham was toen 75 jaar oud (Genesis 12:1). Dat brengt ons in 1988 v. Chr. voor zijn geboorte. Terah, de vader van Abraham, was dan 130 jaar oud, en tegen de roeping van Abraham aan, was Terah in zijn laatste levensjaar en 205 jaar oud.

    Genesis 11:31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. 32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. 12:1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. 4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. 6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. 7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was. 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. (Statenvertaling)

     

     

    Deze nieuwe bedeling, de periode tussen de belofte aan Abraham en de Wet van Mozes, vangt aan in 1913 v. Chr. (zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de Assyriërs en Abraham, blz. 47-58). In de geslachtslijn van Abraham via Isaak zou uiteindelijk de beloofde Verlosser van de dood: Jezus Christus, geboren worden.

    God is liefde, schrijft Johannes in zijn eerste brief: 1 Johannes 4: 8 “Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde”.

    De ‘Liefde’ is het hele Wezen van God. Zijn strijd is aldus gans anders dan die van de tegenstanders. De profeet Jesaja noemt Hem een God, die Zich verborgen houdt, maar uiteindelijk volgens Zijn plan tot Zijn doel komt: de verlossing van de dood voor de mens en het herstel van alle dingen.

    Jesaja 45:15 Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser. (NBG Vertaling 1951)

     

    Volgens de Seder Olam trok Abram nog hetzelfde jaar van de belofte en met de aankomst in Kanaän, door naar Egypte waar hij drie maanden als een gevolg van de hongersnood in Kanaän, verbleef (Genesis 12:10). In Egypte volgde onmiddellijk een verdrukking vanwege het feit dat de farao van Egypte de vrouw van Abram bij hun aankomst in Egypte begeerde, en in zijn harem liet opnemen. Dit is een voorbeeld van de ‘Cham-nietische’ cultuur. In de geest van Nimrod eigende farao zich de vrouw van Abram, toe. Dit is een geschiedenis die in het Bijbelboek Genesis hoofdstuk twaalf van vers tien tot en met vers twintig beschreven staat. Na zijn verlossing uit deze penibele situatie door een tussenkomst van de HERE God, trok Abram met zijn vrouw Sarai terug naar Kanaän. Abraham droeg ook schuld vanwege zijn misleiden van farao naar de status van Sara toe en dit om zijn eigen hachje te redden. 

    Het Bijbelboek Genesis verwijst in hoofdstuk 12 uitsluitend naar ‘farao’, zonder een naam op te geven.

     

     

    Maar zoals uiteengezet in TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: het dateren van de eerste dynastie in Egypte, blz. 43-45, kunnen we de naam van de dan regerende farao invullen met farao Athotis van Manetho ’s tweede dynastie, de naam Teta van de Abydos-lijst. Athotis is dan de Griekse naam en Teta de Egyptische naam die heden nog in hiëroglyfen op de tempelmuur van Seti I te Abydos, gebeiteld staat. De pre-dynastieke periode van Egypte was aldus al geschiedenis toen Abraham in 1913 v. Chr. wegens een hongersnood in Kanaän naar Egypte trok.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    04-07-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Genesis van de eerste beschavingen na de Grote Vloed.

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, breng ik in de eerste hoofdstukken een geschiedschrijving vanaf de Grote Vloed zoals in het Bijbelboek Genesis beschreven, en geef daarnaast aandacht aan het ontstaan van de Egyptische beschaving. Mijn bijgevoegde tijdstabellen in het boek, starten dan ook vanaf de eerste farao Menes die een tijdgenoot van Terah was, de vader van Abram-Abraham. Zie link voor eventuele aanschaf van het boek: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Ik heb de laatste tijd aan schema ’s gewerkt die de chronologie vanaf de Zondvloed of Grote Vloed tot aan Abraham beslaan. Net zoals in TIJD en TIJDEN, zijn het schema ’s op millimeterpapier van telkens veertien jaar per schema. Zo doende zijn de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar en handig voor het aanbrengen van de Bijbelse en westerse jaartelling.

    In deze aflevering (en nog te volgen afleveringen) bied ik ze aan mijn lezers met het nodige commentaar, aan.

     

     

    Mijn schema ’s vangen aan bij de Grote Vloed die in het jaar 2341/2340 v. Chr. gedateerd wordt, en dit op basis van het chronologisch werken met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren (volgens de rekenwijze van William Whiston) in verbinding met de geslachtsregisters van het Bijbelboek Genesis.

    In september 2015 schafte ik via het internet het boek van Dr. Werner Papke aan: “Die Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch – nach 4000 Jahren entschlüsselt”. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders.

    Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de datering van de spraakverwarring, blz. 13-21, wijs ik op afwijkende geslachtsregisters met hogere jaartallen dan de Masoretische getallen uit onze Bijbel, wat twijfel oproept, een twijfel die nu ongegrond blijkt.

    Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke, was ook de astronomische kennis van de Chaldeeërs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Navigeren op zee moet voor hen ook eenvoudig geweest zijn, en dit verklaart onder andere het snelle ontstaan van de eerste beschavingen in Centraal-Amerika. Een continent dat vanuit Azië het eerst bereikt werd. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

     

     

    De geboorte van Arpachsad, de zoon van Sem, laat ik twee jaar ‘na’ het einde van de Grote Vloed plaatsvinden. De Zondvloed duurde namelijk een jaar van oktober/november AM 1656 tot oktober/november van AM 1657.

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach ‘s zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

     

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    Dat ik aan twee jaar ‘na’ de Zondvloed voor de geboorte van Arpachsad uitkom is het resultaat van het terugrekenen vanaf het jaar okt997/sep996 v. Chr., toen de Tempel van Salomo gebouwd was en daarna de Heerlijkheid des HEREN in de Tempel woning nam. Dat jaar was het ankerpunt om het Anno Mundi jaar 3000 met te linken. Wanneer men vanaf dit jaar met de chronologische gegevens die de Bijbel verstrekt terugrekend arriveert men op de tijdsbalk voor Arpachsad in het tweede jaar na het einde van de Grote Vloed.

    Ik wijk hier met één jaar van de tijdsconstructie van Ivan Panin (1855/1942) met zijn werk ‘Bible Chronology’, af. Men kan opperen: wat maakt nu een jaar verschil uit? Wel veel, indien men op zoek is naar exacte chronologie. Tweeënzeventig jaar geleden bijvoorbeeld landden de geallieerde legers o.l.v. Eisenhouwer op de stranden van Normandië, exact op dinsdag 6 juni 1944. Wanneer men hier een jaar van afwijkt klopt het verhaal rond de landing niet. Wanneer men vijf of tien jaar van dit historische gebeuren afwijkt kloppen de politieke verhoudingen zelfs niet meer.

    De orthodoxe Egyptologie zit er tot zeshonderd jaar naast wanneer men de Bijbels-chronologische gegevens in hun gefabriceerd raamwerk wil inbrengen. En daarom de noodzaak van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid.

    De constructie die Panin levert blijft boeiend ter algemene studie van de Bijbelse chronologie. Hij verdedigt bijvoorbeeld glanzend dat de periode van de 480 jaar (1 Koningen 6:1) tussen het vierde regeringsjaar van Salomo en het jaar van Exodus, een historische periode was, waarbinnen de overige chronologische gegevens dienen ondergebracht te worden. De chronologie van de Richteren wordt aan de hand van de verlopen schijf van driehonderd jaar ten tijde van de richter Jefta, bepaald en de overige richteren op de tijdsbalk gerangschikt. Ook de geboorte van Abram/Abraham volgend op het 130ste jaar van Terah verdedigt Panin via gedegen Bijbelstudie, glansrijk.

    Zijn enige navigatiepunt op de tijdsbalk echter (en dat is een zwakte) is het begin van Adam in het Bijbelboek Genesis van waaraf hij via de aartsvaders een Anno Mundi jaarrekening opbouwt. De link met de westerse tijdrekening wordt pas bij het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius gemaakt met het optreden van Johannes de Doper en de doop van Jezus Christus. De kruisdood van Jezus Christus en Zijn Opstanding en Hemelvaart plaatst Panin op de tijdsbalk in Anno Mundi 4032 wat volgens zijn berekening gelijk valt met het jaar 30 AD.

    Ik was onder de indruk van het ontzag dat Panin had voor het Woord van God. De man was een autodidact op veel gebied, waaronder wiskunde. Zijn enig navigatiepunt op de tijdsbalk bij het begin van zijn oefening echter, met als eindpunt het jaar 30 AD, en de vermeende juistheid van zijn constructie wat jaartallen en regeerperioden betreft, rechtvaardigde hij door gebruik van een Bijbelse getallensymboliek via zeven- en elfvouden. Zijn boek sluit dienaangaande af met een hoofdstuk getiteld: The Numeric Phenomena.

    In de te volgen afleveringen zal ik het werk van Panin nog enkele malen aan halen.

     

     

    Onderaan het tweede schema merken we de naam van Cham. De nakomelingen van Noach en hun geschiedenis vinden we in het Bijbelboek Genesis opgetekend vanaf hoofdstuk 10:

    Genesis 10:1 Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafeth; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed.

     

    Jaartallen voor de leeftijden van Cham en Jafeth geeft de Bijbel niet. We kunnen nochtans aannemen dat zij de leeftijden van de nazaten van Sem evenaarden. Cham is volgens de Bijbel Egypte gaan koloniseren.

    Het Bijbelboek Psalmen heeft twee verwijzingen naar Egypte als het land van Cham.

    Psalm 105: 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

    Psalm 78:51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

     

    Cham en zijn nakomelingen zijn identiek met de door de moderne Egyptologie tot mythe verklaarde god-koningen die voor de eerste farao Menes, over Egypte heersten. De bekende Palermo-steen (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz.73-75) verhaalt over een lijst van een honderdtal god-koningen, die start met de Egyptische god Horus. Volgens deze geschreven Egyptische primaire bron heeft de eerste farao Menes het bewind over Egypte, van deze god-koningen overgenomen. Toen de oudheidhistoricus Herodotos in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en met de priesters aldaar sprak, kreeg hij dezelfde geschiedenis te horen:

    “Toch is Egypte voor de tijd van die mannen door goden bestuurd die te midden van de mensen leefden. Nu eens had de een dan weer de ander de macht en de laatste van hen was Oros, de zoon van Osiris. Deze heette Apollo in het Grieks; hij heeft Tyfon ten val gebracht en daarna als laatste god de troon bestegen. Osiris kun je aan Dionysos gelijkstellen”. Herodotos Boek 2:144

     

     

    De Bijbelse Cham was een van de acht overlevenden van de grote vloed en was aldus nog tijdens de pre-zondvloedperiode van de aarde geboren. Wat vooral opvalt wanneer men de Genesis-geslachtsregisters bestudeerd, zijn de hoge leeftijden van de zogenaamde aartsvaders. Noach bijvoorbeeld, leefde nog tot 350 jaar na de grote vloed (Genesis 9:28). Van zijn zoon Sem, en broer van Cham, staat een leeftijd opgeschreven van zeshonderd jaar (Genesis 11:10-11), waarvan 502 jaar na de Vloed. We kunnen aannemen dat ook Cham en zijn onmiddellijke nakomelingen zulke enorme leeftijden bereikten. Deze mensen kwamen daarenboven uit een beschaving zonder weerga, met een tot dan toe bewaarde kennis die samen met hun hoge leeftijden, hen in de ogen van mensen wier leeftijd tot zeventig en tachtig jaar (Psalm 90:10) herleidt was, tot schijnbaar onsterfelijke goden maakten. Het is aldus logisch te concluderen dat de god-koningen van de Palermosteen gewoon stervelingen waren, en afstammelingen uit de lijn van Cham. Cham en zijn nakomelingen namen overigens zelf, in afwijzing van het verbond van de HERE God met Noach, de status van goden aan. Dat blijkt o.a. uit het Gilgamesj-epos dat leert dat Gilgamesj, de koning van Oeroek, twee-derde god was en een derde mens. Dit maakt deel uit van de in het Bijbelboek Genesis beschreven rebellie ten tijde van Nimrod, de kleinzoon van Cham.

     

     

    De steden Babel, Erek, Akkad en Kalne werden in de negentiende eeuw al door archeologen blootgelegd en onderzocht. Het Bijbelse Erek is het Uruk dat door archeologen werd blootgelegd, het verschil in schrijfwijze is een gevolg van het gebruik van verschillende klinkers. Duizenden kleitabletten werden in de vermelde steden opgegraven en vertaald. Het bekendste hiervan is het Gilgamesj-epos, dat een Babylonische versie van het Bijbelse zondvloedverhaal is. Maar er is meer, de oud-Soemerische koningslijst begint met een koning genaamd: Kisj. Het vraagt weinig verbeelding om in deze naam de Bijbelse naam Kus of Kusj te herkennen, de zoon van Cham, de zoon van Noach in Genesis 10:6. Een probleem is ook hier het conflict tussen de gebruikte dateringsmethoden. Conventioneel plaatst men de Soemerische Kisj in 2900 v. Chr. Vanuit het Genesismodel plaatsen we de eerste beschaving in het Tweestromenland rond 2300 v. Chr.

    Gilgamesj was koning van Uruk en sprak volgens het Gilgamesj-epos met een overlevende van de Grote Vloed: Oetnapisjtim. Dit zou de Bijbelse Noach geweest kunnen zijn of Cham, de grootvader van Nimrod. Er zijn namelijk onderzoekers die Gilgamesj met de Bijbelse Nimrod identificeren. De betekenis van het Hebreeuwse Nimrod is: ‘opstandeling’. Gilgamesj zou dan zijn werkelijke naam geweest zijn, en Nimrod zijn synoniem. En er zijn heel wat raakpunten tussen beide heersers. Zie link: http://davelivingston.com/nimrod.htm

     

     

     

     

    Het begin van zijn macht plaatsen we volgens het Genesisbericht in het land Sinear, in het tweestromenland. Het was pas toen Peleg (in de lijn van Sem) geboren werd (Genesis 10:25) dat de aarde onder de nakomelingen van Noach verdeeld werd. De spraakverwarring was hier een belangrijke drijfveer. Wat hier aan voorafging was de bouw van de eerste stad en toren door Nimrod, de kleinzoon van Cham in afwijzing van het verbond van de HERE God met Noach na de Grote Vloed.

    Genesis 10:6 En de zonen van Cham waren Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 7 En de zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka; en de zonen van Rama waren Seba en Dedan. 8 En Kus verwekte Nimrod; deze was de eerste machthebber op de aarde; 9 hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEREN; daarom zegt men: Een geweldig jager voor het aangezicht des HEREN als Nimrod. 10 En het begin van zijn koninkrijk was Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sinear. 11 Uit dat land trok hij naar Assur en hij bouwde Nineve, Rechobot-Ir, Kalach 12 en Resen tussen Nineveh en Kalach; dat is de grote stad. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De geschiedenis van de eerste opstand na de Grote Vloed vinden we in het Bijbelboek Genesis hoofdstuk 11:

    Genesis 11:1 De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak. 2 Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. 3 En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4 Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. 5 Toen daalde de HERE neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, 6 en de HERE zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. 7 Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. 8 Zo verstrooide de HERE hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. 9 Daarom noemt men haar Babel, omdat de HERE daar de taal der gehele aarde verward heeft en de HERE hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Genesis 10:1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

     

    De nakomelingen van Jafeth kwamen met hun trek na de spraakverwarring, in de zogenaamde kustlanden of Europa terecht. De Joodse overlevering leert dat de Germanen bijvoorbeeld in de lijn van Askenaz, de zoon van Gomer terug te vinden zijn. Sinds de tiende eeuw na Christus wordt de naam Askenaz namelijk in de Joodse literatuur gebruikt voor Duitsland, demografisch, het grootste Germaanse land in Centraal Europa.

    De clan van Jafeth kwam na de spraakverwarring in onherbergzame gebieden terecht. De aarde werd tijdens deze periode nog meermalen door natuurrampen geteisterd, en dit als een gevolg van een aardkorst in beweging, die zich nog van de Grote Vloed aan het herstellen was.

     

    Kus, de zoon van Cham, wordt in de Bijbel enkele malen in verband met Ethiopië gebracht. Dat is dan niet het Ethiopië dat vandaag de naam van de staat aan de hoorn van Afrika draagt, maar eerder het noorden van het huidige Soedan.

     

     

    Een andere zoon van Cham: Misraïm, trok naar Egypte. Op de bijgevoegde kaart heb ik de vermoedelijke reisweg van Kus (purpere kleur) vanuit de Arabische Golf, over de Indische Oceaan naar Ethiopië getekend, en zo verder langs de Nijl richting noorden. De groene kleur toont de trekroute van Misraïm over land naar Egypte.

    Hierbij zij opgemerkt dat we de wereld van na de Grote Vloed moeten voorstellen als een wereld die nog na geteisterd werd door natuurrampen aller aard. Het waren ‘de dagen van Peleg’, de periode dat de wereld, volgens Genesis, ‘verdeeld’ werd. Volgens het Genesismodel moeten we ook de ‘continentale drift’ in deze periode plaatsen, maar dan versneld. Hierbij werden nieuwe bergmassieven gevormd en zochten stromen en rivieren een nieuwe weg naar de zeeën. Van de Arabische Golf bijvoorbeeld neemt men aan dat deze zich veel verder in land tot aan de stad Uruk bevond. Ook van de huidige Nijldelta neemt men aan dat de Middellandse Zee toen verder in land zat. Het was nog een groot moerasgebied toen Misraïm daar arriveerde. Over de eerste farao Menes schrijft Herodotos dat deze de Nijl vanaf Memfis kanaliseerde en zorgde voor het droogleggen van het land (Herodotos Boek 2, 99).

     

     

    De geschiedenis die ik hier breng staat haaks op de door de evolutietheorie beïnvloede wereldgeschiedenis. De gangbare geschiedschrijving hanteert voor het begin van het neolithische tijdperk in het Midden-Oosten jaartallen van ongeveer 6000 tot 4500 v. Chr. De dooddoener wat de dateringsmethode betreft, is de Egyptologie die via het gebruik van een vermeende Sothis-kalender in het oude Egypte, te oude data opgeeft. Met de volgende aflevering geven we aandacht aan de berekeningswijze van de Egyptologie.

     

    Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende, met een nieuw begin in 2340 v. Chr.

    De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga, gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging.

     

     

    De wereld van de voortijd die onderging was een wereld zonder weerga geweest, en dit op alle gebied. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat; de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.

     

     

    5 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd definitief afgesloten. Opmerkelijk vind ik dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HERE God de deur van de ark sloot, en niet Noach:

    Genesis 7:16 … en de HERE sloot de deur achter hem.

     

     

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen, overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna opnieuw, met een verbond van God en de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11).

     

    %%%FOTO16%%

     

    Het ‘kwaad’ (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham, zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die zoals eerder vermeld, het verzet na de grote vloed leidde.

     

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder



    27-06-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zoon van de Assyriër Sanherib: Essarhaddon

    2 Koningen 19:36 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineveh. 37 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Essarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. (Statenvertaling)

    We vervolgen onze reeks over de koningen van Assyrië in hun relatie tot Israël en Juda met Essarhaddon, de zoon en troonopvolger van Sanherib. Voor de kroniek van de Assyrische koning Sanherib, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2893029

     

     

    Het sterfjaar van Sanherib was 680 v. Chr. Het eerste regeringsjaar van zijn zoon Essarhaddon zit op de tijdsbalk verankerd in het jaar 680/679 v. Chr. De overige jaren van zijn twaalfjarige regeerperiode lopen tot 669 v. Chr. Essarhaddon staat bij naam in de Bijbel vermeldt in het Boek Ezra:

    Ezra 4:2 Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. (Statenvertaling)

    Aan het woord zijn de vreemde volken ten tijde van Ezra, die Essarhaddon in het ontvolkte Israël geplaatst, doen wonen heeft.

    Tijdgenoot van Essarhaddon in Juda was de afgodendienaar koning Manasse, de zoon van Hizkia. Manasse werd uiteindelijk door de legeroversten van de koning van Assur naar Assyrië in gevangenschap weggevoerd:

    2 Kronieken 33:9 Manasse verleidde Juda en de inwoners van Jeruzalem ertoe, meer kwaad te doen dan de volken die de HERE vóór de Israëlieten had verdelgd. 10 De HERE sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden niet. 11 Daarom bracht de HERE over hen de legeroversten van de koning van Assur, die Manasse grepen met haken, hem boeiden met twee koperen ketenen en naar Babel voerden. 12 Maar, toen hij in het nauw geraakt was, zocht hij de gunst van de HERE, zijn God; hij verootmoedigde zich diep voor het aangezicht van de God zijner vaderen 13 en bad tot Hem; toen liet Hij Zich door hem verbidden, hoorde zijn smeking, bracht hem naar Jeruzalem terug en herstelde hem in zijn koningschap. En Manasse erkende, dat de HERE God is. (NBG Vertaling 1951)

     

    De naam van de koning van Assyrië wordt in dit Bijbelgedeelte niet meegedeeld, evenmin als het jaartal voor de wegvoering van Manasse, maar in de ‘Legends of the Jews’ lezen we dat Manasse in zijn tweeëntwintigste regeringsjaar naar Assur werd weggevoerd, en daar tot inkeer kwam. Indien dit jaartal klopt gebeurde de wegvoering ten tijde van de regering van de Assyriër Essarhaddon. Het land Juda was in deze dagen schatplichtig aan Assyrië.

    In het tiende regeringsjaar in 671 v. Chr. rukte Essarhaddon met zijn legers tegen Egypte op. Hij liet hierbij het land Juda links liggen en rukte langs de kust naar Egypte op. Hierna een citaat uit Essarhaddon ’s annalen dienaangaande:

    “From the town of Ishupri as far as Memphis, his royal residence, a distance of fifteen days’ march, I fought daily, without interruption, very bloody battles against Tirhakah, king of Egypt and Ethiopia, the one accursed by all the great gods. Five times I hit him with the point of my arrows, inflicting wounds from which he should not recover, and then I laid siege to Memphis, his royal residence, and conquered it in half a day by means of mines, breaches, and assault ladders; I destroyed it, tore down its walls, and burned it down.”

    The Sendjirli Stele translated by Luckenbill, Records of Assyria, II. 580.

     

     

    Een anomalie voor de orthodoxe Egyptologie is dat de annalen van de Assyriër Essarhaddon, naar een Egyptische stad met de naam Ishupri verwijzen. De naam van de stad is vanuit Egyptische bronnen onbekend en dit intrigeerde heel wat Oriëntalistische wetenschappers toen de annalen van Essarhaddon begin twintigste eeuw bekend werden. En wanneer de Duitser Albrecht Alt de oplossing vond gaf deze uitkomst nog een groter probleem voor de orthodoxe Egyptologie. Albrecht Alt stelde namelijk dat de Assyrische naam Ishupri verwees naar farao Wesher-khepru-re van de negentiende dynastie, beter bekend onder zijn Griekse naam: farao Sethos. Het Assyrische Ishupri betekende aldus ‘burcht van Sethos’ of burcht van Khepru-re. Een anomalie ontstond aangezien volgens de orthodoxe Egyptologie er ongeveer zes eeuwen tijdsverschil zitten tussen Sethos en Essarhaddon en het onwaarschijnlijk leek dat Essarhaddon zes eeuwen na de era van farao Sethos, naar een stad met diens naam zou verwezen hebben.

     

     

    In het model van Velikovsky echter is er slechts één generatie verschil tussen Sethos en Essarhaddon, en is het logisch dat de Assyrische kroniekschrijver naar de stad van Sethos verwees wanneer hij de marsroute van het leger van Essarhaddon naar Egypte beschreef. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 366-373, link voor eventuele aankoop: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Te Nahr-el-Kelb in Syrië liet Essarhaddon een inscriptie in een rotswand aanbrengen ter vereeuwiging van zijn veroveringstochten. Farao Ramses II, de zoon van Sethos, liet in zijn tweede regeringsjaar tijdens zijn eerste veldtocht naar Klein-Azië, vlak naast de inscriptie van Essarhaddon zijn eigen inscriptie achter. Volgens de orthodoxe Egyptologie zit er een tijdsverschil van zes eeuwen tussen beide heersers en komt Ramses II voor Essarhaddon op de tijdsbalk terecht? Volgens het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid is er slechts een tijdsverschil van minder dan een eeuw, en is het Ramses II die in 609 v. Chr. zijn inscriptie naast die van Essarhaddon aanbrengt.

     

    Bij het bestuderen van de annalen van Essarhaddon doen zich nog meer vraagtekens voor. Na het onderwerpen van Tyrus aan de Middellandse Zeekust en aldus de flanken van zijn leger beschermende, marcheerde Essarhaddon met zijn leger door ‘Arzani’ naar Egypte. De plaatsnaam Arzani identificeren en op de landkaart plaatsen blijft tot op heden een moeilijkheid. De bijgevoegde kaart uit de The MacMillan Bible Atlas waar men Arzani nabij Gaza geplaatst heeft, is giswerk geweest.

    Het is de verdienste van wijlen Dr. I. Velikovsky die aantoonde dat de Assyrische geografische term ‘Arzani’ in feite een verbastering is van het Hebreeuwse ‘Arzenoe’’, wat ‘ons land’ betekent. Essarhaddon marcheerde aldus door het gebied van Samaria en Juda richting Egypte waar als eerste plaats Ishupri ingenomen wordt, vooraleer Memfis te belegeren.

     

     

    De identificatie van Ishupri met Sethosburg behandel ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 375-384. Hier identificeer ik bovendien het Bijbelse Tachpanhes van de profeet Jeremia met de stad Daphnai in de Noordoostelijke Nijldelta. Ook postuleer ik dat de tot nu toe niet bloot gelegde hoofdstad Saïs één en dezelfde was als het in de Bijbel beschreven Tachpanhes. De Bijbelse plaatsnaam Tachpanhes zou ook kunnen staan voor het Egyptische ‘Te-haph’ ne-hes’ wat ‘huis van de Nubiër’ betekend. Dit is een puzzelstukje dat exact past in het plaatje bij de strijd van Essarhaddon tegen de Nubiër of Ethiopiër Tirhaka in de Noordoostelijke Nijldelta. De stad met de Assyrische benaming Ishupri is dezelfde plaats als het Bijbelse Tachpanhes dat voor Te-haph’ne-hes staat en ook dezelfde plaats is als Daphnai.

    Essarhaddon verwijst in zijn annalen naar Tirhaka als de farao van Egypte én Ethiopië die hij volgens zijn annalen in de strijd bij de belegering van Memfis dodelijk verwonde. Dit ook echter is grootspraak van de Assyrië want Tirhaka kon na het verlies van Memfis naar het zuiden ontkomen.

    Tirhaka kwamen we al tegen op de prismastele van Sanherib, de vader van Essarhaddon, toen in 709 v. Chr. Sanherib Jeruzalem belegerde. Tirhaka was in slag bij Eltekeh door Sanherib krijgsgevangen gemaakt en zat tijdens de belegering van Jeruzalem in het Assyrische bivak in ketens. Na de vernietiging van het Assyrische leger nabij Jeruzalem door de Engel des HEREN, werd Tirhaka door Hizkia bevrijd en huiswaarts gezonden. Achtendertig jaar later in 671 v. Chr. stond hij opnieuw tegenover de Assyriërs, ditmaal tegen de zoon van Sanherib: Essarhaddon.

    Het waren volgens de revisie van de geschiedenis van de oudheid de nadagen van de Egyptische achttiende dynastie. Te Thebe had de oude Eje de weduwe van Toetanchamon getrouwd en zich de troon toegeëigend. De vijfentwintigste Ethiopische dynastie onder Tirhaka was een bondgenoot van de Aton-volgers, zie DE ZONAANBIDDER, 2016, blz. 73-75.

    Na de onderwerping van heel Egypte stelde Essarhaddon vazallen over het land aan die voor hem het land schatplichtig maakte. De belangrijkste vazal en farao was volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid: Horemheb. Hier volg ik een eigen variant los van Velikovsky, die Horemheb door de Assyriër Sanherib liet benoemen. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 357-359, werk ik dit uit. Ook in DE ZONAANBIDDER, 2016, blz. 85 haal ik summier Horemheb aan. (zie link voor eventuele aanschaf van het boek: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    20-06-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toekijim: pauw of toekan?

    Met de vakantie voor de deur wil ik mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, nogmaals onder de aandacht brengen. Voor velen is de vakantie een tijd om eens andere lectuur ter hand te nemen:

    TIJD en TIJDEN

    Robert de Telder

    496 pagina ‘s

    Paperback 16 x 24 cm

    ISBN 978 94 0221 560 1

    Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Het boek is niet goedkoop, het telt dan ook 496 pagina ’s met een geschiedkundig overzicht vanaf de Grote Vloed in 2340 v. Chr. tot de komst van Christus. Vanwege het gewicht zijn ook de portokosten navenant.

    Hierna ter introductie een hoofdstuk dat ook eerder als een artikel op dit blog verscheen:

    Het Bijbelse Ofir en de Toekkijim

    1 koningen 9: 26 De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom. 27 En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo. 28 En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Salomo. (Statenvertaling)

     

    De bedoeling van deze aflevering is te achterhalen wat met het Hebreeuwse woord: Toekkijim, dat in onze Bijbel met pauwen vertaald werd, bedoelt is? Daarnaast wil ik het Bijbelse land Ofir op de landkaart van heden plaatsen. Waar Ofir lag is een punt van discussie onder Bijbelvorsers aangezien de naam in de loop der eeuwen verloren ging. Vanuit Ofir haalde de geallieerde vloot van Hiram van Fenicië en Salomo van Israël, goud en andere producten. Het hierboven vermelde Bijbelcitaat spreekt van 420 talenten goud of ongeveer 12600 kg wat ook vandaag nog enorm is.

    1 koningen 10: 11 Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente. 12 En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis des HEEREN, en voor het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag….

    …. 22 Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. (Hebreeuws: Toekkijim)

     

     

    Het hiervoor vermelde Bijbelcitaat vermeldt verder dat naast goud ook zeer veel almuggimhout, edelgesteente, zilver, ivoor, apen en pauwen vanuit Ofir door de vloot van Hiram naar Esjon-Geber gebracht werd. Vers 22 leert dat de zogenaamde Tarsis-vloot van Salomo die samen met de vloot van Hiram zeilde, er drie jaar over deden. Vanuit Esjon-Geber naar Ofir en terug. Dit gegeven maakt dat we Ofir niet te dicht bij het land Israël mogen zoeken maar eerder aan een reis naar een ander werelddeel moeten denken. De plaatsing van het land Ofir in Arabië door de orthodoxie is zo fout bevonden. Moest Arabië met Ofir bedoelt zijn zou het voor Salomo ook niet nodig geweest zijn om de Feniciërs in te schakelen. Een reis via de bestaande karavaanwegen met de nodige transportmiddelen van die tijd was voldoende geweest.

     

    Wat de zeereis naar het verre Ofir betreft hebben we vanuit de oudheid een indicatie van wat drieduizend jaar geleden mogelijk was. Zo verwijst de historicus Herodotos (Boek 4,42) naar een prestatie ten tijde van farao Neko (621/605 v. Chr.) in Egypte waarbij farao zijn zeelieden om Afrika heen liet varen. Zij vertrokken met hun vloot vanuit de Rode Zee naar het zuiden om Afrika heen, en daarna noordwaarts. Een tocht van in totaal twee jaar alvorens zij via de straat van Gibraltar de Middellandse Zee invoeren. Met deze informatie is het mogelijk om aan te nemen dat de geallieerde vloot van Hiram en Salomo zelfs Amerika en/of Azië kon bereiken. In weet-magazine schreef Tjarko Evenboer twee interessante artikels betreffende de Feniciërs en de ontdekking van Amerika lang voor Europeanen daar voet aan land zetten. Zie link:

    Weet-magazine nr. 12

    http://www.weet-magazine.nl/artikelen/Weet%2012%20-%20Ontdekkers%20van%20Amerika.pdf

    en

    Weet-magazine nr. 15

    http://www.weet-magazine.nl/artikelen/Weet%2015%20-%20Salomo's%20goudleveranciers.pdf

     

     

    Wanneer men deze twee studies doorneemt is er nog weinig twijfel dat het Bijbelse Ofir inderdaad in het huidige Brazilië gezocht moet worden. Ik heb in mijn studies gedurende een hele tijd Ofir in India geplaatst en dit vooral omdat de historicus Flavius Josephus, Ofir in India plaatst (Joodse Oudheden Boek. VIII,vi.4), en daarnaast zijn er de vermelde producten in de Bijbel zoals pauwen dat naast het goud en zilver uit Ofir gehaald werd. Pauwen komen alleen in India en in de onmiddellijke buurlanden voor en niet in Zuid-Amerika en dus leek het dat de keuze voor India correct was. Het is na het doornemen van de artikels in Weet-magazine dat ik verder onderzoek naar de Pauw als vogel in de Bijbel deed. Het wondermooie kleurrijke beestje dat verantwoordelijk is voor het feit dat ik in mijn denken met India vastzat. Het blijkt nu dat er maar twee verwijzingen naar Pauwen in de ganse Bijbel voorkomen en dat is in het eerder geciteerde Bijbelboek 1 Koningen en in het Bijbelboek Job hoofdstuk 39 vers 16. Daarenboven kon ik in een Bijbelse Encyclopedie bij het woord Pauw lezen, dat het helemaal niet vaststaat dat de in het Hebreeuws vermelde vogel met Pauw te vertalen is. In de Hebreeuwse grondtekst staat er: Toekkijim. Nu ben ik geen expert in talen maar mijn eerste ingeving was dat de Toekkijim gewoon de Hebreeuwse versie van de vogelsoort Toekan in Brazilië was. Een dier even mooi en kleurrijk als de pauw en ook een geschenk een koning waardig. Heeft men daarom trouwens voor de vertaling pauw gekozen? Ik herhaal dat ik geen taalexpert ben en merk alleen het eerste gedeelte ‘Toek’ dat in beide talen met elkaar overeenkomt. Dit alles is uiteraard geen bewijs op zich maar alleen een hint, een aanwijzing dat indien mijn veronderstelling juist is, de plaatsing van Ofir in het huidige Brazilië nogmaals onderlijnt is.

     

    Het Bijbelse Ofir en Almuggimhout

    Het volgende product uit Ofir, na de Pauw, dat ik onder de aandacht wil brengen is het Almuggimhout dat in 1 Koningen beschreven wordt.

    1 koningen 10: 11 Bovendien bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir aanvoerde, uit Ofir zeer veel almuggimhout en edelgesteente mee. 12 De koning verwerkte het almuggimhout tot meubels voor het huis des HEREN en voor het huis des konings, ook tot citers en harpen voor de zangers. Zulk almuggimhout is nooit meer aangekomen noch gezien tot op deze dag…

     

     

    Het Hebreeuwse woord voor Almuggim (meervoud) is onbekend. Ook hier is het niet geweten, net zoals met de vogels TOEKKIJIM, wat met ALMUGGIM bedoelt is noch waar het hout vandaan kwam. De Statenbijbel en de NBG 1951 Bijbel hebben in hun vertaling Almuggim gehandhaafd maar de vertalers van het NBV 2004 hebben gemeend de houtsoort te mogen identificeren met Sandelhout dat uit Azië afkomstig is. De vertaling met Sandelhout blijft echter gissen.

     

    De beschreven houtsoort in 1 Koningen 10:11 is ongetwijfeld regenwoudhout. Een dure duurzame houtsoort die ook heden nog in het noordelijk halfrond haar nut heeft en waar men veel geld voor over heeft. Het Bijbelse Almuggimhout was een unieke houtsoort die wanneer de Kroniekschrijver aan het Bijbelboek 1 Koningen werkte en de geschiedenis van Salomo neerschreef, toen al niet meer gezien was. De in de Bijbel beschreven meubels die Salomo in Israël van dit hout liet maken, zijn over de eeuwen heen verloren gegaan. Maar in Egypte zijn sommige meubelstukken bewaard gebleven. In het British Museum kun je een stoel van drieduizend jaar oud bewonderen die tot de meubels van de vrouwelijke Farao Hatsjepsoet behoord heeft. Het gebruikte hout voor de stoel wordt door het museum als ebbenhout bestempelt. Dit is een woord dat ontleend werd van het Grieks. Maar de uiteindelijke oorsprong van dit Griekse woord gaat terug naar Egypte waar deze bijzondere houtsoort HBNJ heette. De klinkers zijn hier onbekend. Het blijft vraagteken op vraagteken wanneer men deze zaken onderzoekt. Een ding staat vast en dat is de duurzaamheid van dit tropisch-hout dat in Egypte noch in Klein Azië voorkwam. Het Bijbelse Almuggimhout was een begeerde houtsoort. Het was dit hout dat Salomo en Hiram uit Ofir haalden en aan Egypte leverden.

     

     

    De vrouwelijke farao Hatsjepsoet werd door de Egyptologie op basis van een vermeend dubbelkalendergebruik in het oude Egypte in de vijftiende eeuw v. Chr., op de tijdsbalk geplaatst? Vijf eeuwen voordat Salomo zijn handelsvloot naar Ofir stuurde. De Sothis-kalender is echter door het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid weerlegd en Hatsjepsoet hoort thuis in de tiende eeuw v. Chr. Op dit blog schreef ik dienaangaande eerder een artikel op 06.07.2015: de dochter van farao. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1436133600&stopdatum=1436738400

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    13-06-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-06-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië

    2 Koningen 18:9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan.

    13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. (Statenvertaling)

     

     

    Sanherib staat als koning van Assyrië in de Bijbel vermeld in het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda. En het veertiende regeringsjaar van Hizkia is duidelijk verbonden met het negende regeringsjaar van Hosea van het tienstammenrijk en de inname van Samaria door het leger van de Assyrische koning Salmaneser V. In het artikel op dit blog van 18.05.2014 over Sargon II (zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2885923)

    zagen we dat Sanherib de troon met zijn vader Sargon II deelde. Koning Hizkia van Juda verwees in zijn veertiende regeringsjaar in 709 v. Chr. (2 Kon. 18:13) naar de koningen van Assyrië in het meervoud:

    2 Kronieken 32:1-4 Na deze gebeurtenissen, waarin Jehizkia 's trouw bleek, rukte Sanherib, de koning van Assur, op. Hij trok Juda binnen …… … en zeide: Waarom zouden de koningen van Assur bij hun komst zoveel water vinden…

     

    Terwijl Sanherib in 709 v. Chr. Jeruzalem belegerde, leidde zijn vader en mede-koning Sargon II een veldtocht tegen Babylon.

    Sanherib verwijst in zijn annalen op zijn bekende prisma-stele naar de belegering van Jeruzalem, maar dateert deze actie als zijn derde veldtocht, zonder de vermelding van een regeringsjaar:

    “18 As for Hezekiah the Judahite, 19who did not submit to my yoke: forty-six of his strong, walled cities, as well as 20 the small towns in their area, 21 which were without number, by levelling with battering-rams 22 and by bringing up seige-engines, and by attacking and storming on foot, 23 by mines, tunnels, and breeches, I besieged and took them. 24 200,150 people, great and small, male and female, 25 horses, mules, asses, camels, 26 cattle and sheep without number, I brought away from them 27 and counted as spoil. (Hezekiah) himself, like a caged bird 28 I shut up in Jerusalem, his royal city. 29 I threw up earthworks against him— 30the one coming out of the city-gate, I turned back to his misery. 31 His cities, which I had despoiled, I cut off from his land, and 32 to Mitinti, king of Ashdod, 33 Padi, king of Ekron, and Silli-bêl, 34 king of Gaza, I gave (them). And thus I diminished his land. 35 I added to the former tribute, 36 and I lad upon him the surrender of their land and imposts—gifts for my majesty. 37 As for Hezekiah, 38 the terrifying splendor of my majesty overcame him, and 39 the Arabs and his mercenary troops which he had brought in to strengthen 40 Jerusalem, his royal city, 41 deserted him. In addition to the thirty talents of gold and 42 eight hundred talents of silver, gems, antimony, 43 jewels, large carnelians, ivory-inlaid couches, 44 ivory-inlaid chairs, elephant hides, elephant tusks, 45 ebony, boxwood, all kinds of valuable treasures, 46 as well as his daughters, his harem, his male and female 47 musicians, which he had brought after me 48 to Nineveh, my royal city. To pay tribute 49 and to accept servitude, he dispatched his messengers.”

    (Prisma-stele kolom 2)

     

     

    Moesten we alleen de gegevens van de Assyriër bezitten, zouden we moeten aannemen dat Sanherib Jeruzalem inderdaad met succes belegerde, en een grote schatting van Hizkia ontving, de Judese koning die hij als een vogel in een kooi opgesloten had.

    De historische werkelijkheid zag er anders uit. Volgens de Bijbel werd het belegerende Assyrische leger door de Engel des HEREN vernietigend verslagen en moesten zij afdruipen. Later zou Sanherib volgens de Bijbel te Nineveh door twee van zijn zonen vermoord worden.

    2 Koningen 19:32 Daarom zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. 33 Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE. 34 Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil. 35 Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 36 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve. 37 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. (Statenvertaling)

     

     

    De plaatsing van Sanherib op de tijdsbalk met zijn eerste regeringsjaar in 705 v. Chr. door de orthodoxe Assyriologie wijs ik af.

    Het jaartal 709 v. Chr. als veertiende regeringsjaar van Hizkia is op de tijdsbalk verankerd het zevende sabbatjaar van apr709/mrt708, gevolgd door het vijftiende jubeljaar van okt709/sep708 v. Chr. en is een navigatiepunt op de tijdsbalk. Dit gegeven plaatst Sanherib als koning van Assyrië al in het jaar 709 v. Chr. op de tijdsbalk.

    Aan de veldtocht naar Jeruzalem in 709 v. Chr. gingen overigens nog twee campagnes vooraf. Op basis van de Bijbels-chronologische gegevens was Sanherib ontegensprekelijk een mede-koning die de troon van Assur met Sargon II deelde.

     

    Er is nochtans een manier om op basis van Sanherib ’s eigen annalen tot de berekening van zijn eerste co-regeerjaar te komen. Er is namelijk een verklaring (Assyrian Kings from Adasi to Assur Dan II - synthesized from Synchronistic Chronicle, Meissmer’s list, and corrected to the Khorsabad List - as quoted by Courville) van Sanherib, die stelt dat er 418 jaar waren tussen zijn regering en die van Tiglath Pileser I. Wanneer men de gangbare chronologie hanteert, klopt deze verklaring van Sanherib niet. De gereviseerde regeerperiode van Tiglath Pileser I heeft de jaren: 1134/1096 v. Chr. (zie De Assyriologie herzien, 2012, blz. 113 – voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

     

     

    Wanneer we echter de rekensom in het gereviseerde plaatje toepassen verkrijgen we de som van 1134 min 418 geeft het jaartal 716 v. Chr. voor het eerste regeringsjaar van Sanherib.

    Het is hetzelfde jaar dat Sargon II een veldtocht tegen Mannea leidde en Salmaneser V de stad Tyrus belegerde. Het Assyrische Rijk kende in dat jaar aldus een waar triumviraat.

    Vermoedelijk leidde Sanherib in dat jaar zijn eerste veldtocht naar Babylon. Daar zat Merodach Baladan op de troon die weigerde voor het Assyrische juk te buigen.

    Met het relaas van Sanherib ’s derde veldtocht naar Jeruzalem in gedachte en zijn historische nederlaag aldaar, mogen we echter dezelfde twijfels hebben betreffende zijn bombastisch commentaar aangaande Babylon, op de prisma-stele:

    “20 In my first campaign I accomplished the defeat of Merodach-baladan, 21 king of Babylonia, together with the army of Elam, 22 his ally, on the plain of Kish. 23In the midst of that battle he deserted his camp, 24 and he escaped alone, so he saved his own life. 25 The chariots, horses, wagons, mules, 26 which he left behind at the beginning of the battle 27 my hands seized. Into his palace, which is in 28 Babylon, I entered jubilantly. 29 I opened his treasure-house: gold, silver, vessels of god and silver, 30 precious stones of every name, goods and property 31without limit, heavy tribute, his harem, 32 courtiers and officials, singers—male and 33 female—all his artisans, 34 as many as there were, his palace servants 35 I brought out, and I counted as spoil. In the might of Assur 36 my lord, seventy-five of his strong walled cities 37 of Chaldea, and 420 small cities 38 of their area I surrounded, I conquered, I carried off their spoil. 39 The Arabs, Arameans, and Chaldeans 40 who were in Erech, Nippur, Kish, Harsagkalamma, 41 Kutha and Sippar, together with the citizens, 42 the rebels I brought out and counted as booty…..”

     

    De stad Babylon werd pas in 709 v. Chr. door Sargon II onderworpen, en het relaas van Sanherib is als grootspraak te ontmaskeren.

    De tweede beschreven veldtocht van Sanherib op de prismastele leidde hem naar het land van de Kassieten in het oosten van Assur. Deze veldtocht is ergens tussen 715 en 710 v. Chr. te dateren

    “65 In my second campaign, Assur, my lord, encouraged me, and 66 against the land of the Kassites and the land of the Yasubigallai, 67 who from of old had not been submissive to the kings, my ancestors, 68 I marched. In the midst of the high mountains 69 I rode on horseback where the terrain was difficult, 70 and had my chariot drawn up with ropes: 71 where it became too steep, I clambered up on foot like the wild-ox. 72 The cities of Bît-Kilamzah, Hardishpi, 73and Bît-Kubatti, their strong, walled cities 74 I besieged, I captured. People, horses, 75 mules, asses, cattle, and sheep 76 I brought out from their midst and counted as booty. 77 And their small cities, which were beyond numbering, 78 I destroyed, I devastated, and I turned into ruins. The houses of the steppe, (namely) the tents, 79 in which they lived, I set on fire and 80 turned them into flames. I turned round, and 81 made that Bît-Kilamzah into a fortress— 82 I made its walls stronger than they had ever been before—….”

     

    Over de historische waarde van de beschrijving van deze veldtocht, is er geen andere bron beschikbaar dan de Assyrische. We mogen er echter wel van uitgaan dat er inderdaad een veldtocht heeft plaatsgevonden en dat er bijzonder wreed, buitenproportioneel in de naam van de god van Assur is opgetreden.

    De prismastele vermeldt een totaal van acht veldtochten en sluit af met de beschrijving van de uitbouw van de stad Nineveh en Sanherib ’s paleis. Het invoegen van deze veldtochten in de bewaarde eponiemlijsten van Sanherib is moeilijk en niet geheel passend mogelijk. Daarenboven is er een breuk, een hiaat in de eponiemlijsten vanaf 699/698 v. Chr.

    [705/704] Tijdens het eponiem van Nashru-Bêl, de gouverneur van Amedi, de koning marcheerde tegen Tabal; tegen Gurdi, de Kulummaean, [...] de koning werd gedood; het kamp van de koning van Assyrië [...] In Abu, de twaalfde, Sanherib, de koning [?].

    [704/703] Tijdens het eponiem van Nabû-deni-epuš, de gouverneur van Nineveh, naar Larak en Sarrabanu; het paleis van Kalizi werd hersteld, in [...] de edelen tegen de Kulummaean.

    [703/702] Tijdens het eponiem van Nuhšaya, de gouverneur van Kalizi, veldtocht tegen [?].

    [702/701] Tijdens het eponiem van Nabû-le'i, de gouverneur van Arbela, veldtocht tegen [?].

    [701/700] Tijdens het eponiem van Hananu, de goeverneur van Til-Barsip, [...] van Halzi [...]

    [700/699] Tijdens het eponiem van Metunu, de gouverneur van Isana, Aššur-nadin-šumi, de zoon van Sanherib, [] van het paleis, in de stad [...], grote ceder balken, alabaster in Ammananum [...], in Kapri-Dagili [...] voor [...] de koning [...].

    [699/698] Tijdens het eponiem van Bêl-šarrani, gouverneur van Kurba'il,

    afgebroken - HIAAT in de Eponiemlijst

     

    De historische regeerperiode van Sanherib hebben we in dit artikel vastgesteld over de periode van 716 v. Chr. tot 680 v. Chr., of zesendertig jaar. Een belangrijk gedeelte van deze periode was Sanherib echter een co-koning met zijn vader Sargon II. Het einde van Sanherib hebben we beschreven gezien in het Bijbelboek 2 Koningen:

    2 Koningen 19:37 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Essar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

     

    Het eerste regeringsjaar van Essarhaddon, de zoon en troonopvolger van Sanherib, zit op de tijdsbalk verankerd in het voorjaar van 680 v. Chr., maar dat is stof voor een volgende aflevering.

     

    Tot slot wil ik aandacht geven aan de vernietiging van het Assyrische leger van Sanherib bij Jeruzalem in 709 v. Chr. Volgens het Bijbelrelaas is het de Engel des HEREN die in de Pesachnacht 185.000 man van het leger neerslaat, zodat de rest van het leger moest afdruipen. Ook de Joodse oudheid-historicus Flavius Josephus vermeldt de nederlaag van Sanherib voor de poorten van Jeruzalem.

    "Now when Sennacherib was returning from his Egyptian war to Jerusalem, he found his army under Rabshakeh his general in danger [by a plague], for God had sent a pestilential distemper upon his army; and on the very first night of the siege, a hundred fourscore and five thousand, with their captains and generals, were destroyed. So the king was in a great dread and in a terrible agony at this calamity; and being in great fear for his whole army, he fled with the rest of his forces to his own kingdom, and to his city Nineveh; and when he had abode there a little while, he was treacherously assaulted, and died by the hands of his elder sons, Adrammelech and Seraser, and was slain in his own temple, which was called Araske. Now these sons of his were driven away on account of the murder of their father by the citizens, and went into Armenia, while Assarachoddas took the kingdom of Sennacherib." And this proved to be the conclusion of this Assyrian expedition against the people of Jerusalem. (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek X, 1. 5.)

     

    Ook de Joodse overleveringen brengen uitvoerig verslag van de Assyrische nederlaag bij Jeruzalem.

    “…… With this vast army Sennacherib hastened onward, in accordance with the disclosures of the astrologers, who warned him that he would fail in his object of capturing Jerusalem, if he arrived there later than the day set by them. His journey having lasted but one day instead of ten, as he had expected, he rested at Nob. A raised platform was there erected for Sennacherib, whence he could view Jerusalem. On first beholding the Judean capital, the Assyrian king exclaimed: "What! Is this Jerusalem, the city for whose sake I gathered together my whole army, for whose sake I first conquered all other lands? Is it not smaller and weaker than all the cities of the nations I subdued with my strong hand?" He stretched himself and shook his head, and waved his hand contemptuously toward the Temple mount and the sanctuary crowning it. When his warriors urged him to make his attack upon Jerusalem, he bade them take their ease for one night, and be prepared to storm the city the next day. It seemed no great undertaking. Each warrior would but have to pick up as much mortar from the wall as is needed to seal a letter and the whole city would disappear. But Sennacherib made the mistake of not proceeding directly to the attack upon the city. If he had made the assault at once, it would have been successful, for the sin of Saul against the priest at Nob had not yet been wholly expiated; on that very day it was fully atoned for. In the following night, which was the Passover night, when Hezekiah and the people began to sing the Hallel Psalms, the giant host was annihilated…..

    The Legends of the Jews, Boek IX,

     

    De Joodse overlevering leert dat de vernietiging van het Assyrisch leger voor de poorten van Jeruzalem geschiedde tijdens de Pesach-nacht.

    Het neerslaan van het Assyrische leger door de Engel des HEREN werd door Velikovsky vanuit kosmische oorsprong, verklaard. De planeet Mars zou in die dagen interacties met de aarde gehad hebben en een rol gehad in de vernietiging van het leger van Sanherib. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 331-337. Voor wie het boek wil aanschaffen: zie link: : http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Als het stof van de meganatuurcatastrofe van 709 v. Chr. ging liggen werd zelfs een kalenderhervorming noodzakelijk. Het boek ‘The Legends of the Jews’ zoals eerder geciteerd, lijkt een verstoring van de aarde in haar loop om de zon te leren:

    …. A number of miracles besides were connected with the recovery of Hezekiah. In itself it was remarkable, as being the first case of a recovery on record. Previously illness had been inevitably followed by death. Before he had fallen sick, Hezekiah himself had implored God to change this order of nature. He held that sickness followed by restoration to health would induce men to do penance. God had replied: "Thou art right, and the new order shall be begun with thee." Furthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time. The remotest lands were amazed thereat, and Baladan, the ruler of Babylon, was prompted by it to send an embassy to Hezekiah, which was to carry his felicitations to the Jewish king upon his recovery.

     

    Voor wie de legende in haar geheel wil doornemen, zie link: http://sacred-texts.com/jud/loj/loj410.htm

    Bij het doornemen van de Joodse legendes probeer ik altijd het historisch-betrouwbare van het fantastische te filteren, en bruikbaar te maken. In het hierna volgende citaat leert de legende dat na het wegtrekken van het restant van het leger van Sanherib, de Joden de volgende morgen het Assyrische bivak binnentrokken en daar de farao van Egypte en de Ethiopische koning Tirhaka van hun ketenen verlosten, en huiswaarts zonden. Deze beide koningen waren eerder in de slag bij Eltekeh aan de grens met Egypte, door Sanherib verslagen en blijkbaar krijgsgevangen genomen.

    “…..In view of all the wonders God had done for him, it was unpardonable that Hezekiah did not feel himself prompted at least to sing a song of praise to God. Indeed, when the prophet Isaiah urged him to it, he refused, saying that the study of the Torah, to which he devoted himself with assiduous zeal, was a substitute for direct expressions of gratitude. Besides, he thought God's miracles would become known to the world without action on his part, in such ways as these: After the destruction of the Assyrian army, when the Jews searched the abandoned camps, they found Pharaoh the king of Egypt and the Ethiopian king Tirhakah. These kings had hastened to the aid of Hezekiah, and the Assyrians had taken them captive and clapped them in irons, in which they were languishing when the Jews came upon them. Liberated by Hezekiah, the two rulers returned to their respective realms, spreading the report of the greatness of God everywhere. And again, all the vassal troops in Sennacherib's army, set free by Hezekiah, accepted the Jewish faith, and on their way home they proclaimed the kingdom of God in Egypt and in many other lands.”

    The Legends of the Jews, Boek IX,

     

    Ook Sanherib beschrijft het treffen met het Egyptische legeren de gevangenneming van de Egyptische prinsen (meervoud!) op zijn prisma-stele. Hierna het betreffende citaat:

    “…. The officials, nobles, and people of Ekron, who had thrown Padi their king—bound by oath and curse of Assyria— into fetters of iron and had given him over to Hezekiah, the Judahite—he kept him in confinement like an enemy— their heart became afraid, and they called upon the Egyptian kings, the bowmen, chariots and horses of the king of Meluhha [Ethiopia], a countless host, and these came to their aid. In the neighborhood of Eltekeh, their ranks being drawn up before me, they offered battle. With the aid of Assur, my lord, I fought with them and brought about their defeat. The Egyptian charioteers and princes, together with the Ethiopian king's charioteers, my hands captured alive in the midst of the battle. Eltekeh and Timnah I besieged, I captured, and I took away their spoil. …(Prisma-stele van Sanherib)

     

    Deze veldslag werd ook door de oudheidhistoricus Herodotos beschreven. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 307-311.

    Herodotos Boek 2, 141 “After him there came to the throne the priest of Hephaistos, whose name was Sethos. This man, they said, neglected and held in no regard the warrior class of the Egyptians, considering that he would have no need of them; and besides other slights which he put upon them, he also took from them the yokes of corn-land which had been given to them as a special gift in the reigns of the former kings, twelve yokes to each man. After this, Sanacharib king of the Arabians and of the Assyrians marched a great host against Egypt. Then the warriors of the Egyptians refused to come to the rescue, and the priest, being driven into a strait, entered into the sanctuary of the temple and bewailed to the image of the god the danger which was impending over him; and as he was thus lamenting, sleep came upon him, and it seemed to him in his vision that the god came and stood by him and encouraged him, saying that he should suffer no evil if he went forth to meet the army of the Arabians; for he himself would send him helpers. Trusting in these things seen in sleep, he took with him, they said, those of the Egyptians who were willing to follow him, and encamped in Pelusion, for by this way the invasion came: and not one of the warrior class followed him, but shop-keepers and artisans and men of the market. Then after they came, there swarmed by night upon their enemies mice of the fields, and ate up their quivers and their bows, and moreover the handles of their shields, so that on the next day they fled, and being without defense of arms great numbers fell. And at the present time this king stands in the temple of Hephaistos in stone, holding upon his hand a mouse, and by letters inscribed he says these words: "Let him who looks upon me learn to fear the gods."

     

    Met mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 307-311, breng ik al deze aangehaalde historische bronnen te samen en komt er een historisch plaatje tevoorschijn waar de verschillende puzzelstukjes hun plaats vinden. De Bijbel is hierbij de leidraad. De farao die de oudheidhistoricus Herodotos met de (Griekse) naam Sethos doorgeeft is dezelfde persoon als farao (Hebreeuws) So uit de Bijbel. En de namen Sethos en So zijn dan weer gelijk aan het Assyrische Sebech, naar wie in de beschreven tijd verwezen wordt.

    Het is ook boeiend om te zien wat de buiten-Bijbelse bronnen weglaten, niet vermelden. We hebben al gezien dat bijvoorbeeld Sanherib nergens melding van zijn nederlaag maakt. Maar ook Herodotos kreeg van de Egyptische priesters met wie hij over deze epoque in gesprek ging, niet de volledige waarheid te horen. De vermelding door Sanherib dat hij Egyptische en Ethiopische prinsen en edelen op het slagveld bij Eltekeh krijgsgevangen nam, (en dit bevestigd in de Joodse overleveringen), vinden we bij Herodotos niet terug.

     

     

    Volgens de eerder geciteerde Joodse overlevering werd de farao van Egypte, waarvan de naam niet wordt meegedeeld, te samen met de Ethiopische koning Tirhaka door de Joden uit Jeruzalem van hun ketenen bevrijd en huiswaarts gezonden. Zij waren getuigen geweest van de vernietiging van het belegerende Assyrische leger door de Engel des HEREN van Israël. Volgens de Joodse overlevering keerden zij huiswaarts verkondigende de grootheid van de God van Israël. Maar deze informatie was ten tijde van Herodotos door de Egyptenaren al lang verwijderd. Wat historisch na ongeveer 275 jaar voor hen van waarde overbleef, was alleen maar de vermelding van een veldslag tegen het leger van Sanherib, en een standbeeld van de farao die in zijn hand een muis vasthield met op de sokkel van het beeld een opschrift om de goden (meervoud) te vrezen. De apostel Paulus zou het vijf eeuwen later omschrijven als:

    1 Korintiërs 8:5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde – en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte – 6 voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn , en wij door Hem. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Koning Tirhaka van Ethiopië had o.a. mijn aandacht in mijn boek ‘De zonaanbidder, 2016, blz. 73-75. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    Conclusie: De stelling van de vakwetenschap Assyriologie dat de Eponiemlijsten het kader leveren voor een chronologisch rangschikken van de Assyrische koningen op de tijdsbalk en dat de Assyrische koningslijst volledig zou zijn, is weerlegd. In de Bijbel en in de werken van Flavius Josephus en andere bronnen, zijn er duidelijke aanwijzingen dat bepaalde namen van Assyrische koningen uit de lijst verwijderd werden en dat de aangeboden chronologie van de Assyrische koningen vraagtekens oproept.

    Het is nochtans aan deze wankele tijdsconstructie dat de geleerde Edwin E. Thiele de Bijbelse koningen van Juda en Israël gelinkt heeft en regeerperioden aangepast, om ze in lijn met de Assyrische gegevens te brengen. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1411941600&stopdatum=1412546400

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    06-06-2016 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De dertig Jubeljaren

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit God ‘s Wet van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht in het Beloofde Land, het land Kanaän dat ze veertig jaar later zouden binnentrekken.

    Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individuele verlies van land e.a. in het vijftigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van kansarmen. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte dat een en ander duidelijk maakt.

    Leviticus 25: 1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE. 3 Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen. 4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. 5 Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn. 6 En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren; 7 Mitsgaders voor het vee, en 8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.9 Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorga 10 En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht. 11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden. 12 Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.

     

     

    13 Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting. 14 Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke. 15 Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen. 16 Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten. 17 Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de HEERE, uw God! 18 En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen. 20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen; 21 Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. 22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten. 23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt. 24 Daarom zult gij, in het ganse land uwer bezitting, lossing voor het land toelaten. 25 Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen. 26 En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing; 27 Dan zal hij de jaren zijner verkoping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeren; en hij zal weder tot zijn bezitting komen. 28 Maar indien zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van deszelfs koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.

     

     

    29 Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijner verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. 30 Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. 31 Doch de huizen der dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan. 32 Aangaande de steden der Levieten, en de huizen der steden hunner bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben. 33 En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israëls. 34 Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen. 35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. 36 Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve. 37 Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven. 38 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij. 39 Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf; 40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. 41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeren. 42 Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt. 43 Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God. … (Statenvertaling)

     

    Het sabbat-en jubeljaargebod van Leviticus hoofdstuk 25 ging van start bij de inbezitneming van het land Kanaän door de Israëlieten.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    Israël heeft in zijn lange geschiedenis nooit het jubeljaargebod gehouden. Volgens mij zonder twijfel om redenen van winstbejag door de machthebbers. De wortel van alle kwaad is de geldzucht leert de Bijbel (1 Timoteüs 6:10).

    Door het toepassen van het jubeljaargebod zou Israël een voorbeeld geweest zijn naar de omringende volkeren toe, wat een sociaal welvaartskoninkrijk inhield. Het was een unieke wet voor Israël, die zelden toegepast werd.

    De wet van het Jubeljaar volgend op een cyclus van zeven maal zeven jaren stond in contrast met de buurvolkeren van Israël die er een slavenstaat-systeem in de geest van de rebellie van Nimrod, op na hielden.

    Van de in totaal 120 sabbatjaren vanaf het eerste sabbatjaar van apr1437/mrt1436 v. Chr. gerekend, tot en met het sabbatjaar van apr604/mrt603 v. Chr., het laatste sabbatjaar voor de wegvoering in Babylonische ballingschap in 605 v. Chr., heeft Israël slechts met intervallen, vijftigmaal het sabbatjaargebod gehouden. Na het zeventigste maal negeren van het sabbatjaargebod volgde de Babylonische ballingschap. Een ballingschap die exact zeventig jaar duurde ter vergoeding voor het (ontvolkte) land dat toen zijn sabbatrust kreeg.

     

    De geschiedvertelling die we hier brengen is geen gewone geschiedschrijving zoals met de geschiedenis van bijvoorbeeld Egypte en Assyrië, maar is Heilsgeschiedenis. De HERE God heeft in Zijn eeuwig voornemen, de Israëlieten uitverkoren om tot Zijn doel te komen: het herstel van alle dingen.

    Exodus 19:1 In de derde maand na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn Sinai. 2 Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de woestijn Sinai en legerden zich in de woestijn; en Israël legerde zich daar tegenover de berg. 3 Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: 4 gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.

     

     

    Jesaja 49:6 Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Statenvertaling)

     

    Romeinen 3:1 Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis? 2 Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.

     

    Het gaat om de beloofde Verlosser, waarvan de draad aanvangt in het eerste Bijbelboek Genesis, met de belofte van een herstel van alle dingen. De dood, het sterven, dat was gaan heersen vanaf de eerste rebellie van de mens, zou ooit aan zijn einde komen. Doorheen de Bijbel zien we dan ook de ontvouwing van de belofte van de komende Verlosser van Genesis naar Exodus, naar Leviticus en zo verder, ingevuld worden. Het begint bij Adam, daarna naar Seth, naar Noach, naar Sem, naar Abraham, naar Izaak, naar Jakob, naar Juda, naar David, om uiteindelijk de vervulling te vinden in Jezus Christus, de (ver)Losser. Ten tijde van Jozua en later de Richterenperiode, was de invulling van de belofte van de Losser nog niet compleet. De Bijbel bestond toen alleen uit de eerste vijf boeken van Mozes, enkele Psalmen en het Boek Jozua. Later zou via de overige Bijbelboeken het beeld van de komende Verlosser van de dood duidelijker worden. En de profeet Jesaja van de achtste eeuw v. Chr. zag en beschreef zowel de ene komst van de komende Koning der koningen als degene die als plaatsvervangend Lamslachtoffer, zou komen. Het tijds-dal tussen de twee komsten van de ene Verlosser mochten de Hebreeuwse profeten niet zien (1 Petrus 1-10-12 – Efeze 3:1-7)

     

     

    Jesaja 53:5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.

     

    Het is ook belangrijk om het beloofde land Kanaän van toen voor de geest te halen. Het was namelijk een zeer vruchtbaar land zonder weerga, dat in de Bijbel beschreven wordt, een land overvloeiende van melk en honing. Het is een beschreven vruchtbaarheid die tegenwoordig sinds de klimaatwisseling van de achtste eeuw v. Chr., nog moeilijk voor te stellen is. De Bijbelse vroege en late regen was als een zegen van Boven verantwoordelijk voor jaarlijks meerdere rijke oogsten aller aard.

     

    Nu moeten we ons het volk van die tijd voorstellen. Het begon met de belofte aan één man Abraham. Een belofte die aan zijn zoon Izaak herhaald werd en vervolgens aan diens zoon Jakob. Ten tijde van Jakob en zijn twaalf zonen was het een familieverband van zeventig mensen, die in 1698 v. Chr. ten tijde van de wereldwijde hongersnood, Egypte binnentrokken.

    En tweehonderdvijftien jaar later was het een volk geworden van ruim twee miljoen mensen die in april 1483 v. Chr. op een vrijdag met Pesach, Egypte o.l.v. Mozes op weg naar het Beloofde Land uittrokken. Vijftig dagen later op een zaterdag, in datzelfde jaar 1483 v. Chr. kregen zij in de wildernis de Wet. Een grondwet die zij aanvaardden.

    Van de Israëlieten werd gehoorzaamheid aan de wet en geloofsvertrouwen op God verlangd. In het tweede jaar na de uittocht uit Egypte (Numeri 10:11) trokken zij uit de wildernis op, richting Kanaän. Een meerderheid van de verspieders (10/12) die het land Kanaän verkend hadden weigerden echter het land Kanaän binnen te trekken, uit vrees voor de bewoners en slaagden erin het volk van hun eigen angst en ongeloof te overtuigen. Het resultaat was dat het volk weigerde binnen te trekken. Als straf volgden 38 jaar in de wildernis voor heel het volk. Heel het geslacht ouder dan twintig jaar zou in de wildernis achterblijven. Veertig jaar (2+38) later trokken Jozua en Kaleb, de twee (van de twaalf) moedige verspieders met de nieuwe in de wildernis geboren generatie, het land Kanaän binnen. De intocht in Kanaän beschreef ik uitvoerig in TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Jozua en de inbezitneming van Kanaän, blz. 121-141. (Voor wie het boek wil aanschaffen: zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

     

     

    Jozua 5:10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.

     

    Dit Bijbelcitaat plaatsen we chronologisch op de tijdsbalk in de maand Nisan of maart/april, van het jaar 1443 v. Chr. En vanuit Jozua 5:12 maken we op dat toen in dat jaar 1443 v. Chr. met de maand nisan, de sabbatjaarcyclus van start ging met zeven jaar later het eerste sabbatjaar in apr1437/mrt1436 v. Chr.

     

    “En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten”. Veertig jaar lang hadden zij in de wildernis op dit manna overleefd en nu bij het binnengaan van het land overvloeiende van melk en honig, hield het manna, het brood der engelen (Psalm 78:25) op. Ik haal Psalm 78 aan om het wonder van het overleven gedurende veertig jaar van ruim twee miljoen mensen in de wildernis te onderlijnen. Dit was alleen mogelijk door het manna van Boven, het afleiden van groepen trekvogels naar het gebied waar de Israëlieten verbleven en water dat uit de rots verkregen werd. Zelfs tegenwoordig zou een overleven van zulk een massa volk in de Arabische wildernis zonder verpleging niet mogelijk zijn. Alleen kleine groepen nomaden kunnen in die wildernis overleven. Vandaar ook het ongeloof bij seculiere onderzoekers voor de beschreven Bijbelse feiten en het herleiden van het Israëlitische volk ten tijde van de intocht, tot een nomadentroepje.

     

    De verovering van Kanaän zou zes jaar in beslag nemen waarna het land onder de twaalf van stammen van Israël verdeeld werd.

    Het eerste sabbatjaar viel in het jaar apr1437/mrt1436 v. Chr. Een sabbatjaar dat ongetwijfeld onder leiding van Jozua gehouden werd. Na de dood van Jozua namen zogenaamde oudsten de leiding over. En de vraag is of dat ook ten tijde van de oudsten, het tweede volgende sabbatjaar (van apr1430/mrt1429 v. Chr.) sinds de intocht, gehouden werd, en het land zijn rust kreeg? Ik betwijfel het, omdat na het vierde sabbatjaar apr1416/mrt1415 v. Chr. de verdrukking van de Israëlieten door Mesopotamië al een aanvang nam. Een verdrukking die als een oordeel over de twaalf stammen van Israël ging.

    Voor deze verdrukking en nog zes te volgen, had de HERE God in Leviticus 26:1-46, gewaarschuwd.

     

     

    Het jaartal 1483 v. Chr. op de tijdsbalk der geschiedenis voor het jaar van de Exodus is het resultaat van de historische plaatsing van de dertig jubeljaren tussen het jaar 1395/1394 v. Chr. en 27/28 AD.

    De jubeljaren en de wijze van rekenen van de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Er waren in totaal dertig jubeljaren vanaf de eerste viering tot het optreden van Jezus Christus in 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ (Lucas 4) uitriep en zich als de Messias voor de Joden bekendmaakte. Hierna een opsomming van alle jubeljaren vanaf één tot dertig. De onderlijnde jubeljaren zijn historisch op de tijdsbalk verankerd.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. met het begin van de sabbatjaartelling veertig jaar later in 1443 v. Chr. Het eerste Jubeljaar volgt zeven maal zeven jaar later met Tisjri 1395 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen voor Christus:

    Historische periode:

    1.       1395/1394          Richter Othniël

    2.      1346/1345                    Naomi, Ruth & Boaz

    3.      1297/1296          Richter Ehud

    4.      1248/1247          verdrukking Jabin

    5.      1199/1198           Richter Thola

    6.      1150/1149           verdrukking Ammon

    7.      1101/1100           Richter en profeet Samuël

    8.      1052/1051           Saul

    9.      1003/1002                   Salomo

    10.    954/953             Rehabeam

    11.     905/904            Josafat

    12.     856/855             Joas

    13.     807/806            Amazia

    14.     758/757             Uzzia

    15.     709/708            Het veertiende regeringsjaar van Hizkia

    16.     660/659            Manasse

    17.     611/610              Josia - Val Nineveh

    18.     562/561             Het 37ste jaar der ballingschap van Jojachin

    19.     513/512              Haggaï

    20.    464/463            Ezra

    21.     415/414               Nehemia

    22.    366/365             Perzische periode

    23.    317/316               Griekse periode

    24.    268/267             Griekse periode

    25.    219/218              Griekse periode

    26.    170/169              Griekse periode

    27.    121/120               Makkabeeën

    28.     72/71                  Makkabeeën

    29.    23/22                 Hongersnood Herodes

    30.    27/28 AD                    Messias Jezus ____________

     

    William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn ‘dissertatie V’ eerder vermeld, geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken van Makkabeeën. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren. Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik nog een jaartal toe: het jubeljaar 562/561 v. Chr.: het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach, wanneer deze heerser koning Jojachin van Juda uit zijn gevangenis in Babylon verloste in het 37ste jaar van diens ballingschap (2 Koningen 27:27).

     

    De dertig jubeljaren leveren het sluitende raamwerk waarbinnen de Bijbels-chronologische gegevens met betrekking op regeerperioden van de koningen van Juda en Israël gerangschikt kunnen worden.

    Van de Exodus in 1483 v. Chr. zijn het 480 jaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begint.

    1 Koningen 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.

     

    Het vierde regeringsjaar van Salomo verankeren we op de tijdsbalk in okt1004/sep1003 v. Chr. Zijn veertigjarige regeerperiode gaat van 1007 tot 967 v. Chr.

    Daaraan vooraf gaat de regeerperiode van David van 1047 tot 1007 v. Chr. Voorafgegaan door de veertigjarige regeerperiode van Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. Vanaf 1047 v. Chr. vinden we aansluiting met de jaartallen van de richterenperiode en de tijd van Jozua met de inbezitneming van Kanaän.

    De regeerperioden van de koningen van Juda en van Israël volgend op de scheuring van het Verenigd Koninkrijk na de dood van Salomo in 967 v. Chr., rangschikken we op de tijdsbalk tussen 967 v. Chr. en 586 v. Chr. Het laatste jaar betekende het einde van het koninkrijk van Juda met de vernietiging van de Tempel door de Babylonische legers van Nebukadnezar.

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de regeerperioden van de koningen van Israël en Juda passend tussen beide jaartallen: 967 v. Chr. en 586 v. Chr. op de tijdsbalk aangebracht.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    30-05-2016 om 09:02 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De profeet Ezechiël ‘s 390 jaar ‘ongerechtigheid van het huis Israëls’

    Ezechiël 1:1 In het dertigste jaar, in de vierde maand (juni/juli), op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege. 2 Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin – 3 kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem.

     

     

    Ezechiël 4:1 Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2 En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling. 3 En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor het huis Israëls een teken zijn. 4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5 En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen. 6 Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en ertegen profeteren. 8 En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat gij u niet van de ene op de andere zijde kunt keren, totdat gij de dagen van uw belegering ten einde hebt gebracht.

     

    Wanneer men onderzoek naar dit bepaald Bijbelgedeelte doet is men verrast door het aantal van verschillende meningen die er betreffende het plaatsen van deze perioden op de tijdsbalk, bestaan. Sommige onderzoekers zijn zelfs zo eerlijk te stellen, dat zij chronologisch gezien, niets met dit Bijbelbericht kunnen aanrichtten. En Ivan Panin (1855/1942), die ook een boek over Bijbelse chronologie schreef, verwijst er zelfs niet naar. Ik heb het boek ‘Bible Chronology’ van Panin een korte tijd geleden aangeschaft en werk momenteel aan een recensie die ik binnenkort op dit blog plaats. Panin bouwt zijn chronologische constructie vanuit de (Masoretische) Bijbel op. Zijn enige navigatiepunt op de tijdsbalk echter, is het begin van Adam in het Bijbelboek Genesis van waaraf hij via de aartsvaders een Anno Mundi jaarrekening opbouwt. Daar waar men minstens twee tot drie navigatiepunten nodig heeft ter sturing op een denkbeeldige tijdsbalk. De link met de westerse tijdrekening maakt Panin pas bij het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius, met het optreden van Johannes de Doper en de doop van Jezus Christus.

    Het is de tijdsperiode van de koningen van Israël en van Juda volgend op de scheuring van het Verenigd Koninkrijk bij de dood van Salomo, waar Panin bij gebrek aan meerdere navigatiepunten, afwijkt. De Jubeljaartelling ontbreekt eveneens in zijn constructie, wat nochtans meerdere navigatiepunten op de tijdsbalk oplevert.

     

     

    Tot het begrijpen van de opdracht van de HERE God aan de profeet Ezechiël van de 390 dagen/jaren en 40 dagen/jaren, is het vooreerst belangrijk het chronologische vertrekpunt van de profetie op de tijdsbalk te verankeren. Het ankerpunt wordt gegeven in vers 2 van Ezechiël hoofdstuk 4:

    “Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin – 3 kwam het woord des HEREN tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem.”

     

    Het vijfde jaar van de Babylonische ballingschap van koning Jojachin van Juda is het ankerpunt. Het vastpinnen van deze Bijbelse chronologische verwijzing aan de westerse jaartelling is eenvoudig. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 312-320, geef ik de meerdere ankerpunten waarmee de regeerperiode van de Babylonische koning Nebukadnezar op de tijdsbalk verankerd is, en de link naar de Judese jaartelling.

    In het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar zijnde mrt597/apr596 v. Chr. werd Jojachin in ballingschap weggevoerd:

    2 Koningen 24:8 Jojachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta; zij was een dochter van Elnatan uit Jeruzalem. 9 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader gedaan had. 10 Te dien tijde trokken de knechten van Nebukadnessar, de koning van Babel, tegen Jeruzalem op; en de stad werd belegerd. 11 Nebukadnessar, de koning van Babel, kwam zelf vóór de stad, terwijl zijn knechten haar belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Babel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering. 13 Hij voerde vandaar weg al de schatten van het huis des HEREN en die van het koninklijk paleis; en van alles wat Salomo, de koning van Israël, gemaakt had in de tempel des HEREN, haalde hij het goud af, zoals de HERE gesproken had. 14 Hij voerde geheel Jeruzalem, al de vorsten en al de weerbare mannen – tienduizend – in ballingschap, ook al de handwerkslieden en de smeden; niemand werd overgelaten behalve de armen van het volk des lands. 15 Hij voerde Jojachin in ballingschap naar Babel; ook de koningin-moeder, de vrouwen des konings, zijn hovelingen en de machtigen des lands deed hij in ballingschap gaan van Jeruzalem naar Babel; 16 en de koning van Babel bracht heel de weerbare manschap – zevenduizend –, de handwerkslieden en de smeden – duizend –, altemaal dappere krijgslieden, als ballingen naar Babel. 17 En de koning van Babel maakte Jojachin ‘s oom Mattanja koning in zijn plaats en veranderde diens naam in Zedekia. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar was feb597/mrt596 v. Chr. De wegvoering in ballingschap van Jojachin geschiedde in het voorjaar van 597 v. Chr. Het vijfde jaar van Jojachin gerekend aan Tishri (okt/sep)-jaren (wat gebruikelijk was in Juda) was okt594/sep593 v. Chr. Het ankerpunt op de tijdsbalk is aldus oct594/sep593 v. Chr. De vierde maand waar Ezechiël 1:1 naar verwijst, is de maand Tammoez of juni/juli van het jaar 593 v. Chr.

    De ballingsjaren van koning Jojachin zijn verder nog via een Bijbels jubeljaar aan de regeerperiode van Nebukadnezar en diens opvolger Evil Merodach op de tijdsbalk verankerd.

    2 Koningen 25:27 En het geschiedde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojakin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Ewil-Merodak, de koning van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, Jojakin, de koning van Juda, begenadigde en uit de gevangenis ontsloeg; 28 hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven die van de koningen die met hem in Babel waren; 29 hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen, en hij at geregeld aan zijn tafel, zolang hij leefde. 30 En zijn levensonderhoud werd hem geregeld vanwege de koning verstrekt, zoveel hij elke dag nodig had, zolang hij leefde.

     

     

    Het 37ste jaar van de ballingschap van Jojachin viel in okt562/sep561 v.Chr. Het was het jaar dat het achttiende jubeljaar sinds de instelling ervan in de wet van Mozes, begon in sept/okt 562 v. Chr. Het 37ste ballingsjaar van Jojachin viel gelijk met een regeringswissel in Babylon: na de dood van Nebukadnezar nam Evil Merodach de scepter op 11 januari 561 v. Chr. van zijn vader over. En in februari/maart, de twaalfde maand (Adar), van het jaar 561 v. Chr. werd Jojachin uit zijn gevangenis verlost.

     

    Het jubeljaar van okt562/sep561 v.Chr. is volgens de wijze van het rekenen van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. Het feit dat de vrijlating van Jojachin door de nieuwe koning van Babylon Evil Merodach in een Jubeljaar geschiedde is heel opmerkelijk. De vrijlating van Jojachin was een vingerwijzing Gods voor het volk van Israël in Babylonische ballingschap. Zij waren namelijk in ballingschap als straf voor het niet houden van de sabbat- en jubeljaren in het verleden. Gedurende de periode van de Babylonische Ballingschap had het land Israël rust en werden de zeventig keer vergoed, dat zij in hun lange geschiedenis, sinds het in bezit nemen van het land Kanaän in 1443 v. Chr., het sabbatgebod zeventig maal negeerden. Een wet die leerde dat elk zevende jaar het land niet bewerkt mocht worden.

     

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien. 5 Wat vanzelf opkomt van uw oogst, zult gij niet inoogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok zult gij niet inzamelen; het zal een jaar van rust voor het land zijn. (NBG Vertaling 1951)

     

    De verankerde Jubeljaren op de tijdsbalk bevestigen eveneens de correctheid van de jaartallen van de regeerperioden van de Babylonische koningen volgens de Ptolemeüs-canon.

    Het vertrekpunt voor het toepassen van de geprofeteerde perioden van 390 jaar en 40 jaar is in het voorgaande bevestigd als het jaar oct594/sep593 v. Chr., zijnde het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda. En nog nauwkeuriger gerekend was het ankerpunt op de tijdsbalk: de maand Tammoez (juni/juli) van 593 v. Chr.

    Vanaf dit jaartal rekenen we de geprofeteerde perioden van 390 jaar en van 40 jaar naar het verleden toe. Beide uitkomsten leveren het jaartal op voor het begin van de ongerechtigheid van Israël en van Juda.

    De schijf van 390 jaar, brengt ons in het jaar 983 v. Chr. Dat jaar was op de tijdsbalk het 24ste regeringsjaar van Salomo of okt984/sep983 v. Chr. Het was het jaar van de geboorte van de troonopvolger Rehabeam, bij de tot hoofdvrouw gepromoveerde Naäma de Ammonietische. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-216.

     

     

    De ‘ongerechtigheid van Israël’ had haar beginpunt bij Salomo die blijkbaar van uit zijn harem van duizend vrouwen er één selecteerde tot hoofdvrouw en tot moeder van de troonopvolger Rehabeam: Naäma een Ammonietische.

    1 Koningen 11:1 Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische en Hethietische, 2 behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan. 3 En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart.

     

     

    Het jaartal 983 v. Chr. krijgt zin wanneer men de leeftijd van Rehabeam volgt die de LXX-Septuagint van zestien jaar oud opgeeft, bij zijn troonsbestijging:

    LXX 3 Kings 12: 21b… “So king Solomon sleeps with his fathers, and is buried with his fathers in the city of David; and Roboam his son reigned in his stead in Jerusalem, being sixteen years old when he began to reign, and he reigned twelve years in Jerusalem: and his mother’s name was Naanan, daughter of Ana son of Naas king of the children of Ammon. And he did that which was evil in the sight of the Lord, and walked not in the way of David his father.”

     

    Dit sluit dan weer passend aan bij de vermelding in onze Masoretische Bijbel dat Rehabeam jong was bij zijn troonsbestijging. Rehabeam was zeer jong en week van hart zoals het in het Bijbelboek 2 Kronieken beschreven staat, en dit gaat niet op voor een man van 41 jaar oud:

    2 Kronieken 13: 6 Maar Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, stond op en maakte oproer tegen zijn heer. 7 Tot hem vergaderden zich lichtzinnige mannen, nietswaardige lieden, die de overhand hadden over Rehabeam, de zoon van Salomo. Rehabeam nu was jong en week van hart en was tegen hen niet opgewassen.

     

    En in 1 Koningen wordt verwezen naar ‘de jonge mannen’ die met Rehabeam samen opgegroeid waren en hem slechte raad gaven:

    1 Koningen 12: 6 Koning Rehabeam raadpleegde hierop de ouden die in dienst van zijn vader Salomo gestaan hadden, toen deze nog leefde, en zeide: Wat raadt gij dit volk te antwoorden? 7 Zij zeiden tot hem: Indien gij heden een knecht van dit volk wilt zijn en hen dienen, en in uw antwoord goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij voor altijd uw knechten zijn. 8 Maar hij verwierp de raad die de ouden hem gegeven hadden, en raadpleegde de jonge mannen die met hem opgegroeid waren en in zijn dienst stonden; 9 hij zeide tot hen: Wat raadt gij, dat wij zullen antwoorden aan dit volk, dat tot mij gesproken heeft: maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter? 10 De jonge mannen die met hem opgegroeid waren, zeiden tot hem: Dit moet gij zeggen tot dit volk dat tot u gesproken heeft: uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar geef gij ons verlichting, – dit moet gij tot hen spreken: mijn pink is dikker dan mijns vaders lendenen….

     

    In de wet van Mozes (Deuteronomium 23:3) staat er uitdrukkelijk geschreven dat het huwen van Ammonieten door Israëlieten verboden was. De naam ‘Naäma’ was bovendien verbonden aan de Soemerische scheppingsgodin Nammu, die in de Soemerische mythologie beschouwd werd als de schepper van alle oergodheden.

    De ‘ongerechtigheid van Israël’ is aldus aangevangen ten tijde van Salomo wanneer deze de Ammonietische Naäma tot vrouw en moeder van de toekomstige troonopvolger, aanstelde. En niet bij Jerobeam wanneer deze een afgodendienst in het tienstammenrijk instelde.

     

    Volgens de chronologische constructie van Edwin R. Thiele gaat het verband met het resultaat van 593 + 390 = 983 v. Chr. verloren. De regeerperiode van Salomo is volgens Thiele: 971/931 v. Chr. En in 983 v. Chr., het jaar van de uitkomst van de schijf van 390 jaar, regeerde volgens Thiele, koning David over Israël, de man naar God ’s hart. Als ik dus eerder schreef dat sommige onderzoekers stellen, dat zij chronologisch gezien, niets met dit Bijbelbericht kunnen aanrichtten, ligt de oorzaak meestal bij het algemeen aanvaarden van de constructie van Thiele als chronologisch correct.

     

    Wat de schijf van veertig jaar betreft, voorstellende de periode van de ongerechtigheid van Juda, brengt de rekensom van 593 + 40, ons in het jaar 633 v. Chr. Tijdens deze periode regeerde koning Josia over Juda. Het was in het zevende regeringsjaar van Josia zijnde oct634/sep633 v. Chr. dat volgens de verkregen rekensom de ongerechtigheid van Juda begon. Over de chronologie van koning Josia en de plaatsing op de tijdsbalk schreef ik een hoofdstuk ik mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 361-365.

    Het verkregen jaartal oct634/sep633 v. Chr. zit chronologisch gezien aan de vooravond van de godsdiensthervorming, die koning Josia in het land zou doorvoeren. Bij zijn troonsbestijging werd er namelijk een lange periode van afgoderij die plaatsvondt onder zijn vader en grootvader, Amon en Manasse, afgesloten. De graadmeter van deze afgoderij wordt het best geïllustreerd wanneer in het achttiende regeringsjaar van Josia bij het herstellen van de Tempel te Jeruzalem toevallig het wetboek van Mozes gevonden werd (2 Kronieken 34:8). De profetes Chulda werd daarop geraadpleegd naar een Woord van de HERE God, waarop zij het Woord van God doorgaf:

    2 Kronieken 34:23 Zij zeide tot hen: Zo zegt de HERE, de God van Israël: zegt tot de man die u tot Mij gezonden heeft: 24 zo zegt de HERE: zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners: al de vervloekingen die geschreven staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen; 25 omdat zij Mij verlaten hebben en offers ontstoken voor andere goden, teneinde Mij te krenken met al de maaksels van hun handen. Daarom zal mijn gramschap zich uitstorten over deze plaats zonder geblust te worden. 26 Maar tot de koning van Juda, die u zond om de HERE te raadplegen, tot hem zult gij aldus zeggen: zo zegt de HERE, de God van Israël: wat de woorden betreft die gij gehoord hebt – 27 omdat uw hart week geworden is en gij u verootmoedigd hebt voor het aangezicht van God, toen gij zijn woorden tegen deze plaats en haar inwoners hoordet, ja, u voor mijn aangezicht verootmoedigd hebt en uw klederen gescheurd hebt en voor mijn aangezicht geweend hebt, zo heb ook Ik gehoord, luidt het woord des HEREN. 28 Zie, Ik zal u tot uw vaderen vergaderen en gij zult in vrede in uw graf bijgezet worden en uw ogen zullen niets zien van al het onheil, dat Ik over deze plaats en haar inwoners breng.

     

    Het aangekondigde onheil over de ongerechtigheid van Juda werd gedurende het leven van Josia wegens zijn zoeken van de HERE God, uitgesteld tot na zijn dood.

     

    Volgens de Seder Olam moet de schijf van veertig jaar van Ezechiël hoofdstuk 4, gerekend worden vanaf de wegvoering van de tien stammen van Israël. Wanneer ik dit chronologisch gegeven op mijn tijdsbalken toepas, komt er een interessant resultaat naar voor. Vanaf 717 v. Chr., het jaar van de wegvoering van de tien stammen in ballingschap, gerekend arriveren we in 677 v. Chr., in het 21ste regeringsjaar van koning Manasse van Juda. In zijn 22ste regeringsjaar werd Manasse in gevangenschap naar Assyrië weggevoerd, alwaar hij tot inkeer kwam. De Seder Olam plaatst de regeerperioden van Amon en Manasse binnen de periode van de veertig jaar ongerechtigheid van Juda.

     

    Conclusie: het hanteren van de tijdsperiode binnen de constructie van de dertig historische jubeljaren toont aan dat ‘de ongerechtigheid van Israël’ een aanvang nam onder Salomo toen deze in zijn 24ste regeringsjaar de Ammonietische Naäma tot hoofdvrouw nam. Zij werd het jaar daaropvolgend de moeder van de troonopvolger Rehabeam.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    23-05-2016 om 09:39 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sargon II de geschiedenisvervalser

    Met de Assyrische koning Sargon II, de opvolger van de Assyrische koning Salmaneser V, vervolgen we onze aflevering van 05-05-2016. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2881043

     

    Sargon II staat eenmaal bij naam in de Bijbel vermeld.

    Jesaja 20:1 In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrië gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod, en het innam; 2 Ter zelfder tijd sprak de HEERE, door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande naakt en barrevoets. 3 Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; 4 Alzo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, den Egyptenaren tot schaamte. 5 En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem. 6 En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan dien, op welken wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen? (Statenvertaling)

     

     

    In de andere relevante Bijbelboeken Koningen en Kronieken wordt Sargon niet bij naam vermeldt, maar vinden we wel enkele malen 'koningen van Assur' in het meervoud, vermeldt, waarbij het chronologisch gezien duidelijk is, dat Sargon een co-regent of co-koning, was . De Bijbel leert dat gedurende deze periode, de troon van Assur door meer dan één koning werd gedeeld.

    Aan Salmaneser V was Sargon II volgens gegevens die we uit de Bijbel afleiden, aanvankelijk ondergeschikt. Dit is een gegeven dat echter niet uit Sargon ’s annalen, blijkt. Integendeel, Sargon claimt bijvoorbeeld de verovering van Samaria en de wegvoering in ballingschap van het tienstammenrijk voor zichzelf.

    “7. I besieged and occupied the town of Samaria, and took 27,280 of its inhabitants captive. I took from them 50 chariots, but left them the rest of their belongings. I placed my Lieutenants over them; I renewed the obligation imposed upon them by one of the Kings who preceded me.”

    (Excerpted from "Great Inscription in the Palace of Khorsabad," Julius Oppert, tr., in Records of the Past, vol. 9 (London: Samuel Bagster and Sons, 1877), pp. 3-20)

     

    De Bijbel leert in 2 Koningen 18:9-10 dat Salmaneser V verantwoordelijk was voor de inname van Samaria, en ontmaskert Sargon als een geschiedenisvervalser:

    De belegering van Samaria nam drie jaar in beslag van 720 tot 717 v. Chr. De wegvoering van de tien stammen volgde in 717 v. Chr. Dit is Bijbelse chronologie die aan de hand van de sabbat- en jubeljaren, op de tijdsbalk vast verankerd zit. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: voorjaar 717 v. Chr.: de wegvoering van de tien stammen, blz. 312-320. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    Het wapenfeit van de veldmaarschalk of Tartan van Sargon dat de profeet Jesaja doorgaf met de belegering van Asdod, plaatsen we in het jaar 719 v. Chr.

    De historische gegevens die we bezitten betreffende de regeerperiode van Salmaneser V en Sargon worden in dit artikel aan de historische gegevens van de Bijbel gekoppeld, en aan de Babylonische koningslijst.

     

    De Bijbel leert dat nadat de profeet Jesaja drie jaar lang barrevoets als een zinnebeeld door het land had gelopen, het leger van Sargon tegen Asdod oprukte. De bijzondere bediening van Jesaja begon in het sterfjaar van koning Achaz van Juda in 722 v. Chr., het jaar dat er een meganatuurcatastrofe genoteerd werd. Drie volledige jaren later brengt ons in het voorjaar van 719 v. Chr., voor het oprukken van de Tartan van Sargon en de vermelding in de Bijbel dat Sargon II dan koning van Assur was.

    Dit sluit aan met de gegevens van de Babylonische koningslijst. Sargon wordt namelijk in zijn elfde regeringsjaar als koning van Babylon vermeld. Het is het eponiem van Mannu-ki-Aššur-le'i, de gouverneur van Tille, dat melding maakt dat Sargon in dat jaar de hand van Bêl nam, wat staat voor het koningschap over Babylon. Aan de hand van de Ptolemeüs-canon plaatsen we dat eponiem in feb709/mrt708 v. Chr.

    11 [709/708] Tijdens het eponiem van Mannu-ki-Aššur-le'i, de gouverneur van Tille, Sargon nam de hand van Bêl

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, Appendix 6, blz. 482-494, toon ik aan dat de jaartallen van de Ptolemeüs-canon correct zijn en verankerd in de Bijbelse tijdlijn.

    Ik hecht veel waarde aan de Babylonische koningslijst omdat de Bijbel , na de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen door de Assyriërs, de vernietiging van de Tempel van Salomo ten tijde van Zedekia, de koning van Juda, namelijk aan de regeerperiode van de koning van Babylon: Nebukadnezar linkt.

    2 Koningen 25:8 Daarna in de vijfde maand, op den zevenden der maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, den koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem. 9 En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur. (Statenvertaling)

     

    Nebukadnezar werd bij zijn dood in 562 v. Chr. opgevolgd door zijn zoon Evilmerodach wiens eerste jaar gelijk viel met het zevenendertigste jaar van de wegvoering van koning Jojachin in Babylonische ballingschap:

    2 Koningen 25:27 Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. (Statenvertaling)

     

    De koningslijst van Babylon is aldus verankerd met de regeer- en ballings-periode van de koningen van Juda. Bovendien valt de vrijlating van Jojachin van Juda aan het begin van het achttiende jubeljaar van okt562/sep561 v. Chr.

    Ik stel tegelijkertijd ook vast dat er nergens in de Bijbel op zulk een wijze naar een nauwkeurige verankering met een bepaalde regeertijdstip van een Assyrische koning verwezen wordt.

     

    Maar nu verder met de regeerperiode van Sargon II en de verankering met de Bijbelse gegevens en de Babylonische koningslijst.

    Vanaf het elfde eponiemjaar van Sargon II rekenen we op de tijdsbalk terug tot zijn eerste jaar als koning. Let op! De verkregen Bijbelse link met de profeet Jesaja’s bediening en het eerste regeringsjaar van Sargon II past alleen in de tijdsconstructie met Hizkia ’s regeerperiode verbonden met het vijftiende jubeljaar van okt709/sep708 v. Chr.

    Zoals Edwin R. Thiele de regeerperiode van Hizkia verbonden heeft met de Assyriërs Sanherib en Sargon II met het jaartal 701 v. Chr. als het veertiende regeringsjaar van Hizkia, gaat de Bijbels-chronologische verbinding met de bediening van Jesaja verloren.

    Sargon II deelde de troon van Assyrië vanaf 719 v. Chr. tot 712 v. Chr. met Salmaneser V Het is dan ook logisch dat bijvoorbeeld koning Achaz van Juda in zijn brieven aan Assur, verwees naar de koningen in het meervoud.

     

    Hierna volgt de betreffende eponiemlijst vanaf jaar 1, een jaar dat we gekoppeld aan Sargon ’s elfde regeringsjaar, aldus dateren in mrt719/apr718 v. Chr.

    1 [719/718] Tijdens het eponiem van Sargon [II], de koning van Assyrië ging binnen [...].

    Commentaar: de eponiemlijst is gefragmenteerd, maar vanuit de bewaarde annalen van Sargon II weten we dat hij in zijn eerste regeringsjaar een veldtocht naar Elam leidde.

    “6. This is what I did from the beginning of my reign to my fifteenth year of reign : I defeated KHUMBANIGAS, King of Elam, in the plains of Kalu.”

    Terwijl Sargon II zijn leger aanvoert in Elam, is zijn veldmaarschalk met een ander leger tegen Filistea opgetrokken. Op zijn paleismuren vinden we dit terug alsof hij alomtegenwoordig was. Het is in dit gedeelte dat Sargon claimt Samaria veroverd te hebben.

    “7. I besieged and occupied the town of Samaria, and took 27,280 of its inhabitants captive. I took from them 50 chariots, but left them the rest of their belongings. I placed my Lieutenants over them; I renewed the obligation imposed upon them by one of the Kings who preceded me.

     

    8. HANUN, King of Gaza, arid SEBECH, Sultan of Egypt, allied themselves at Rapih to oppose me, and fight against me; they came before me, I put them to flight. SEBECH yielded before my cohorts, he fled, and no one has ever seen any trace of him since. I took with my own hand HANUN, King of Gaza.

     

    9. I imposed a tribute on PHARAOH, King of Egypt, SAMSIE, Queen of Arabia, IT-AMAR, the Sabean, of gold, sweet smelling herbs of the land, horses, and camels.”

     

     

    De veldmaarschalk van Sargon II liet in werkelijkheid Samaria links liggen, en trok met zijn leger naar de kust, naar Asdod en Gaza. Te Raphia werd slag geleverd met het Egyptisch leger onder leiding van Sebech. Een veldslag die door de Assyriërs gewonnen werd.

    De Egyptische Sultan met de naam SEBECH is dan het Assyrische variant op de Bijbelse farao ‘So’ op wie de koning van Israël: Hosea, vertrouwde voor uitredding tegen het oprukkende Assur. Voor de identificatie van So, zie hoofdstuk: wie was SO, farao van Egypte ten tijde van de val van Samaria? blz. 307-311, TIJD en TIJDEN, 2015.

    De profetie van Jesaja zou in al haar delen in vervulling gaan. Net zoals de profeet drie jaar lang barrevoets als een zinnebeeld door het land getrokken was, zouden de krijgsgevangen genomen Egyptenaren samen met hun Ethiopische bondgenoten barrevoets en met blote billen door de Assyriërs weggevoerd worden:

    Jesaja 20: 3 Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; 4 Alzo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, den Egyptenaren tot schaamte. 5 En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem. 6 En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan dien, op welken wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen?

     

    Het door Salmaneser V belegerde Samaria was na het afslaan van het Egyptische offensief over de beek van Egypte te Raphia, door het Assyrische leger van Sargon, nu gedoemd om onder te gaan.

     

    Het volgende eponiem over Sargon II vermeldt een veldtocht tegen Tabal.

    2 [718/717] Tijdens het eponiem van Zeru-ibni, de gouverneur van Rasappa, veldtocht tegen Tabal.

    Commentaar: Terwijl Salmaneser V met zijn leger Samaria belegerd en de veldmaarschalk van Sargon Filistea onder Assyrische controle brengt, leidt Sargon II een veldtocht tegen Tabal. Dit is een plaats ten noordwesten van het hart-land van Assyrië. Op de bewaarde annalen van zijn paleismuren gaat Sargon uitvoeriger op deze veldtocht in:

    “11. Amris of Tabal, had been placed upon the throne of KHULLI his father; I gave to him a daughter and I gave him Cilicia which had never submitted to his ancestors. But he did not keep the treaty and sent his ambassador to URZAHA, king of Armenia, and to MITA, King of the Moschians, who had seized my provinces. I transported Amris to Assyria, with his belongings, the members of his ancestors' families, and the magnates of the country, as well as 100 chariots; I established some Assyrians, devoted to my government, in their places. I appointed my Lieutenant Governor over them, and commanded tributes to be levied upon them.”

     

     

    3 [717/716] Tijdens het eponiem van Tab-šar-Aššur, de maarschalk, Dur-Šarruken [] werd gegrondvest.

    Commentaar: het jaar dat aan de belegering van Samaria door Salmaneser V een einde komt, begint Sargon aan de bouw van een nieuwe hoofdstad voor hem. Dur-Sharrukin of Sargonsburg nabij het moderne Khorsabad in Irak, lag ten noorden van Nineveh, de hoofdstad vanouds van Assyrië.

    In het westen rukte het leger van Sargon II op tegen Hamath. Het lot van de overwonnen koning van Hamath: Jaubid, treft alle verbeelding: Sargon liet hem villen.

    “12. JAUBID of Hamath, a smith, was not the legitimate master of the throne, he was an infidel and an impious man, and he had coveted the royalty of Hamath. He incited the towns of Arpad, Simyra, Damascus, and Samaria to rise against me, took his precautions with each of them, and prepared for battle. I counted all the troops of the god Assur; in the town of Karkar, which had declared itself for the rebel, I besieged him and his warriors, I occupied Karkar and reduced it to ashes. I took him, himself, and had him flayed, and I killed the chief of the rioters in each town, and reduced them to a heap of ruins. I recruited my forces with 200 chariots and 600 horsemen from among the inhabitants of the country of Hamath and added them to my empire.

     

    4 [716/715] Tijdens het eponiem van Tab-sil-Ešarra, de gouverneur van Libbi-ali, veldtocht tegen Mannea.

    Commentaar: terwijl Salmaneser V na de val van Samaria in 717 v. Chr. met zijn leger een belegering van Tyrus begint voert Sargon II zijn leger tegen Mannea aan. Mannea lag op de kaart gezien, noordoostelijk van Assyrië. De Assyrische koningen Salmaneser V en Sargon II deelden tijdens deze periode de troon met elkaar en commandeerden ieder een afzonderlijk leger voor het voeren van veldtochten. Een reden om de Eponiemlijsten als jaarlijkse berichtgeving, met voorzichtigheid te gebruiken.

     

    5 [715/714] Tijdens het eponiem van Taklak-ana-bêli, de gouverneur van Nisibis, gouverneurs werden aangesteld.

    Commentaar: terwijl Salmaneser V met zijn leger rond Tyrus ligt vermeldt het eponiem voor het vijfde regeringsjaar van Sargon het aanstellen van gouverneurs. In zijn annalen claimt Sargon II Karkemis ingenomen te hebben. Een actie die men zou verwacht hebben in de eponiemlijst vermeld te zien?

     

    6 [714/713] Tijdens het eponiem van Ištar-duri, de gouverneur van Arrapha, veldtocht tegen Urartu en Musasi; [] Haldi werd weggevoerd.

    Commentaar: terwijl rond Tyrus het leger van Salmaneser V een belegering uitvoert, leidt Sargon II een veldtocht tegen Urartu in het noorden.

     

    7 [713/712] Tijdens het eponiem van Aššur-bani, de gouverneur van Kalhu, de edelen vochten te Ellipi; de god [...] ging zijn nieuwe tempel binnen, naar Musasir.

    Commentaar: Rond Tyrus gaat Salmaneser zijn vierde jaar van belegering in, terwijl Sargon II nog altijd zijn veldtocht tegen Urartu voert. Musasir was een belangrijke berg-stad in het gebied van Urartu.

     

    8 [712/711] Tijdens het eponiem van šarru-emuranni, de gouverneur van Mazamua, de koning bleef in het land.

    Commentaar: De vermelding in het eponiem: ‘de koning bleef in het land’ is een eufemisme voor nietsdoen. Opmerkelijk is dat door het linken van de regeerperiode van Sargon II met de jaartallen van de Babylonische koningslijst en de bediening van de profeet Jesaja, Sargon ’s achtste jaar in 712 v. Chr. valt, met de eponiem-vermelding: de koning bleef in het land. Het jaar 712 v. Chr. is in de revisie van de geschiedenis van de oudheid, het jaar van de invasie van de zeevolken in de Levant en Egypte. De zeevolken lieten bij het oprukken in Klein-Azië, Assyrië links liggen en richten zich op de Levant en op Egypte. Een invasie die de profeet Jesaja in detail beschreven heeft. 712 v. Chr. was het vijfde jaar van de belegering van Tyrus door het leger van Salmaneser V en vermoedelijk betekende de zeevolken-invasie het einde van Salmaneser V nabij Tyrus.

    Voor de invallen van de zeevolken gereviseerd naar de achtste eeuw v. Chr., zie: De zonaanbidder, 2016, appendix 1, blz. 149-158. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    9 [711/710] Tijdens het eponiem van Inurta-alik-pani, de gouverneur van Si'immel, veldtocht tegen Mar'aš.

    Commentaar: De invasie van de zeevolken in de Levant werd binnen een jaar in de kiem gesmoord. Niet door Assyrië, maar door het Egyptische leger, aangevoerd door de prins Ramses III. Door het terugslaan van de zeevolken door Egypte in Klein-Azië, was Assyrië in staat om vanuit zijn hartland, het jaar daarop in 711 v. Chr. een veldtocht tegen Mar’as te ondernemen.

    Langs de kust van de Levant hadden zich Zeevolken genesteld, een gebied dat voorheen onder Assyrische controle stond. In Asdod bijvoorbeeld zat een Griekse (Ioniër) heerser op de troon. Ook elders langs de kust hadden zich zeevolken gevestigd. Zie het artikel op dit blog van 27-07-2015: Wenamon en de zeevolken. Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1437948000&stopdatum=1438552800

     

    Hierna volgt het relaas van Sargon II zoals hij het in zijn annalen heeft nagelaten:

    32. AZURI, King of Ashdod, determined within himself to render no more tributes; he sent hostile messages against Assyria to the neighboring Kings. I meditated vengeance for this, and I withdrew from him the government over his country. I put his brother AKHIMIT on his throne. But the people of Syria, eager for revolt, got tired of AKHIMIT's rule, and installed IAMAN, who like the former, was not the legitimate master of the throne. In the anger of my heart, I did not assemble the bulk of my army nor divide my baggage, but I marched against Ashdod with my warriors, who did not leave the trace of my feet.

    33. IAMAN learnt from afar of the approach of my expedition; he fled beyond Egypt towards Libya (Meluhhi), and no one ever saw any further trace of him. I besieged and took Ashdod and the town of Gimtu-Asdudim; I carried away captive IAMAN'S gods, his wife, his sons, his daughters, his money and the contents of his palace, together with the inhabitants of his country. I built these towns anew and placed in them the men that my arm had conquered.

    34. I placed my Lieutenant as Governor over them, and I treated them as Assyrians. They never again became guilty of impiety.

     

    10 [710/709] Tijdens het eponiem van Šamaš-bêla-usur, de gouverneur van Ahizuhina, veldtocht tegen Bit-zeri []; de koning bleef in Kiš.

     

    11 [709/708] Tijdens het eponiem van Mannu-ki-Aššur-le'i, de gouverneur van Tille, Sargon nam de hand van Bêl [en werd koning van Babylon].

    Commentaar: In het jaar 709 v. Chr. was Sargon II eindelijk in staat om Merodach Baladan, de koning van Babylon te verslaan en zelf het begeerde koningschap over Babylon op zich te nemen. De overwinning op Merodach Baladan stond ook uitvoerig op de muur van zijn paleis te Khorsabad in spijkerschrift afgebeeld:

    38. MERODACH-BALADAN, son of IAKIN, King of Chaldaea, the fallacious, the persistent in enmity, did not respect the memory of the gods, he trusted in the sea, and in the retreat of the marshes; he eluded the precepts of the great gods, and refused to send his tributes. He had supported as an ally KHUMBANIGAS, King of EIam. He had excited all the nomadic tribes of the desert against me. He prepared himself for battle, and advanced. During twelve years,[ From 721 to 709 BC] against the will of the gods of Babylon, the town of BEL, which judges the gods, he had excited the country of the Sumers and Accads, and had sent ambassadors to them. In honor of the god Assur, the father of the gods, and of the great and august Lord MERODACH, I roused my courage I prepared my ranks for battle. I decreed an expedition against the Chaldeans, an impious and riotous people. MERODACH-BALADAN heard of the approach of my expedition, dreading the terror of his own warriors, he fled before it, and flew in the nighttime like an owl, falling back from Babylon, to the town of Ikbibel. …

     

    Koning Merodach Baladan van Babylon wordt ook in de Bijbel vermeld:

    2 Koningen 20:12 Te dien tijde zond Berodak-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, gezanten met een brief, en een geschenk aan Hizkia, want hij had gehoord, dat deze ziek geweest was. 13 En Hizkia hoorde naar hen en hij liet hun zijn gehele schathuis zien: het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olie, zijn gehele tuighuis en alles wat zich onder zijn schatten bevond. Er was niets in zijn paleis en in zijn gehele rijk, dat Hizkia hun niet liet zien. (NBG Vertaling 1951)

     

    Chronologisch plaatsen we deze beschreven gebeurtenis op de tijdsbalk, na de belegering van Jeruzalem door de Assyriër Sanherib in het veertiende regeringsjaar van Hizkia in 709 v. Chr. Het is daarna dat Hizkia doodziek werd en er daarop door de HERE God, vijftien jaar aan zijn leven werden toegevoegd.

    Het bezoek van de gezanten van de koning van Babel Merodach Baladan geschiedde aldus in het jaar okt709/sep708 v. Chr. en valt aldus binnen de opgegeven regeerperiode volgens de Ptolemeüs-canon.

    In de fabricatie van Edwin R. Thiele bezoekt het Babylonische gezantschap Hizkia in het jaar 701/700 v. Chr. wat volledig buiten de regeerperiode van Merodach Baladan valt. Een anomalie voor de orthodoxie waar in ordening van de koningen van Israël en Juda door Thiele op de tijdsbalk geen logische verklaring voor is.

     

    Terwijl Sargon II in 709 v. Chr. zijn veldtocht tegen Babylon voert rukt zijn zoon als co-regent/koning tegen Jeruzalem op.

    2 Koningen 18:13 In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assur, op tegen alle versterkte steden van Juda en bezette ze.

     

    De Bijbel verwijst tijdens deze periode naar de koningen van Assur in het meervoud:

    2 Kronieken 32:1-4 Na deze gebeurtenissen, waarin Jehizkia 's trouw bleek, rukte Sanherib, de koning van Assur, op. Hij trok Juda binnen …… … en zeide: Waarom zouden de koningen van Assur bij hun komst zoveel water vinden…

     

    In het bovenvermelde citaat staat er 'koningen' in het meervoud geschreven, maar was het Sanherib, de zoon van Sargon, die de belegering van Jeruzalem doorvoerde terwijl zijn vader Sargon dat jaar Babylon innam.

    De Assyrische koning Sanherib geeft in zijn annalen zijn veldtochten een nummer in plaats van zijn regeringsjaren te vermelden. De verklaring hiervoor ligt in zijn co-regentschap met Sargon II. Zijn veldtocht naar Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van Hizkia staat genoteerd als zijn derde veldtocht.

     

    Het jaar 709 v. Chr. als het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia is het resultaat van het verankeren van de regeerperiode van Hizkia met het vijftiende jubeljaar. Het jaar apr709/mrt708 v. Chr. was het zevende sabbatjaar in de cyclus van zeven maal zeven jaarweken. In oktober 709 v. Chr. begon het vijftiende jubeljaar.

     

    12 [708/707] Tijdens het eponiem van Šamaš-upahhir, de gouverneur van Habruri, Kummuhu werd veroverd, een gouverneur werd aangesteld.

     

    13 [707/706] Tijdens het eponiem van Ša-Aššur-dubbu, de gouverneur van Tušhan, de koning keerde weer van Babylon; de onderkoning, de edelen, de buit voor Dur-Yakin werd weggedragen; [...] Dur-Yakin werd vernietigd; in Tašrîtu, de tweeëntwintigste, de goden van Dur-Šarruken gingen in hun tempels.

    Commentaar: In het jaar 707 v. Chr. werd het gebied van Babylon volledig onderworpen en de gebruikelijke buit binnengehaald.

     

    14 [706/705] Tijdens het eponiem van Mutakkil-Aššur, de gouverneur van Guzana, de koning bleef in het land; de edelen waren in Karalla; in Ajaru, de zesde, Dur-Šarruken werd afgewerkt; [...] ontvangen.

     

    [705/704] Tijdens het eponiem van Nashru-Bêl, de gouverneur van Amedi, de koning marcheerde tegen Tabal; tegen Gurdi, de Kulummaean, [...] de koning werd gedood; het kamp van de koning van Assyrië [...] In Abu, de twaalfde, Sanherib, de koning [?].

    Commentaar: het eponiem van Nashru-bel in het jaar 705 v. Chr. vermeldt een veldtocht tegen Tabal en tegen Gurdi de Kulummaean, waarna de mededeling staat: de koning werd gedood… gevolgd door de mededeling: In Abu, de twaalfde, Sanherib, de koning.. afgebroken.

    Leert dit eponiem nu dat Sargon II in 705 v. Chr. sneuvelde? Zeker kunnen we niet zijn? Het is trouwens heel ongewoon dat een Assyrische koning in de strijd zou sneuvelen. Een koning die kon sneuvelen riep teveel vragen op, vragen die vermeden moesten worden. De verschillende beschikbare bronnen spreken elkaar dan ook tegen. Volgens de ene theorie werd Sargon in zijn paleis vermoord en volgens een andere stierf hij een obscure dood op een slagveld in noordwestelijk Iran, tegen een weinig bekende volkstam.

    Het is overigens ook mogelijk dat Sargon vijfendertig jaar de troon deelde; eerst met Salmaneser V en daarna met zijn zoon Sanherib. Het grootste gedeelte van de laatste jaren verbleef hij dan vermoedelijk in zijn nieuwe hoofdstad Sargonsburg of Dur Sharrukin.

     

     

    De conclusie moet zijn dat de berichtgeving over Sargon II onbetrouwbaar is. De eponiemlijsten geven de indruk een historisch overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen van jaar tot jaar door te geven, maar de historische realiteit is anders. Al de gegevens van de annalen van Sargon II van zijn paleis-inscripties te Khorsabad in de eponiemlijsten trachten te invullen, is een moeilijke zo niet onmogelijke opdracht.

    Voor de Bijbelse gegevens over Salmaneser V, Sargon II en Sanherib tijdens de hier behandelde periode is er overigens in de eponiemlijsten geen ruimte. De twee verzoenen is ook niet mogelijk; men moet een keuze maken.

    Voor de orthodoxie gaat het verband met de vermelding van Griekse heersers in de kuststeden van de Levant na 712 v. Chr., verloren. Zij laten de Zeevolken in de twaalfde eeuw voor Christus het gebied binnenrukken en dit op basis van de foutieve plaatsing van de regeerperiode van Ramses III op de tijdsbalk. Dit als een gevolg van het hanteren van een veronderstelde dubbele kalender in Egypte; de Sothis-kalender.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    18-05-2016 om 06:10 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zebulon: een van de twaalf zonen van Jacob-Israël in verleden, heden en toekomst

    De oorsprong van de twaalf stammen van Israël gaat terug tot de aartsvader Jacob, in de achttiende eeuw voor Christus. Het begin was een grote familie van zeventig-plus mensen, die in een clanverband rond de aartsvader Jacob/Israël, in Kanaän leefden.

    Als twaalf stammen zijnde trokken zij als een gevolg van een wereldwijde hongersnood in het jaar 1699 v. Chr., naar Egypte. Dat land had onder de leiding van Jozef als onderkoning van Egypte, (een van de twaalf zonen van Israël), tijdens de geprofeteerde zeven jaar van overvloed de nodige voorzorgen genomen, en Egypte werd zodoende een broodschuur tijdens de zeven jaar van honger die op de zevenjarige periode van overvloed, volgde. De geschiedenis van de door zijn broers naar Egypte verkochte Jozef is wereldbekend. Het is in Egypte dat de twaalf stammen van Jacob-Israël, tot een natie zou uitgroeien

     

    Bij de dood van Jacob-Israël in het jaar 1679 v. Chr. sprak deze op zijn doodsbed voor ieder van zijn twaalf zonen een profetische zegen uit:

    Genesis 49: 1 Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal. 2 Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.

    3 Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! 4 Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!

    5 Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! 6 Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. 7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.

    8 Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. 9 Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? 10 De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. 11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed. 12 Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.

    13 Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

    14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken. 15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

    16 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls. 17 Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle. 18 Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!

    19 Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.

    20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

    21 Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

    22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur. 23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; 24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls; 25 Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder! 26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!

    27 Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.

    28 Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.

    29 Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet; 30 In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis. 31 Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven. 32 De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths. (Statenvertaling)

     

    Een aantal van de profetieën die de aartsvader Jacob over zijn twaalf zonen uitsprak kunnen historisch geduid worden, andere wachten nog op hun vervulling. Heilshistorisch gezien is de profetie (vers 10) aangaande Juda de belangrijkste, aangezien in deze lijn de beloofde Verlosser uit het Bijbelboek Genesis zou voortkomen: de Heer Jezus Christus. De eerste komst van de Messias ging vooraf aan de komst van SILO, een Romeinse bevelhebber in het leger van de Romein Titus, die in 70 AD de Tempel en Jeruzalem vernietigde. Ik gaf al summier commentaar over de betekenis van de uitgesproken zegen over Juda. De scepter zou van Juda niet wijken vooraleer Silo zou komen. Dit betekent dat deze profetie voor het jaar 70 AD te plaatsen is, het jaar dat Jeruzalem en de Tempel door de Romeinen vernietigd werd en de Joden een tweede maal in ballingschap weggevoerd. De Scepter was van Juda geweken. Een profetie was uitgekomen.

     

    Na het uitspreken van zijn profetieën over zijn twaalf zonen stierf Jacob:

    Genesis 49:33 Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo leide hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken. 50:1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël. 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.

     

    Over de mummificering van de aartsvader Jakob in Egypte en zijn begrafenis in Kanaän schreef ik eerder op 13-07-2015 een artikel: De dood en de mummificering van de aartsvaders Jakob en Jozef in Egypte

    Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1436738400&stopdatum=1437343200

     

     

    Een afbeelding van het bivak van de twaalf stammen van Israël in de wildernis, op weg naar het Beloofde Land Kanaän

     

    De stam die ik met dit artikel behandel is de stam Zebulon en de bijzondere zegen over hem uitgesproken: “Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon”.

     

    Toen het Beloofde Land in het zevende jaar na de intocht in 1437 v. Chr. onder de twaalf stammen verdeeld werd, kreeg de stam Zebulon een gebied toegewezen in het noorden van Kanaän, aan het meer van Galilea. Wanneer we dit op de bijgevoegde kaart nagaan blijkt de zegenprofetie van Jakob toen niet vervuld. Aan het meer van Galilea kan men namelijk moeilijk ‘de beschreven haven der zeeën (meervoud) plaatsen.

     

     

    Dit gebied is de verblijfplaats van Zebulon geweest tot aan de wegvoering in Assyrische ballingschap in het jaar 717 v. Chr., het jaar van de val van Samaria.

    De stam Zebulon behoorde tot de tien afgescheurde stammen van Juda en Benjamin. Na de dood van Salomo in 967 v. Chr., aan het begin van de regering van diens zoon en troonopvolger Rehabeam, had Zebulon zich achter Jerobeam, de eerste koning van het tienstammenrijk, geschaard. Alle opvolgers van Jerobeam kozen voor de afgodendienst in afwijzing van de God van Israël. Uiteindelijk werden zij na vele waarschuwingen van Godswege in het jaar 717 v. Chr. door de Assyriërs in ballingschap naar het noorden en het oosten van het Assyrische Rijk weggevoerd.

    2 Koningen 17:5 De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar Samaria en belegerde het drie jaar. 6 In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden. (NBG 1951 Vertaling)

     

    Ten tijde van het tot stand komen van de Boeken van het Nieuwe Testament, zo een acht eeuwen later, was hun woonplaats nog bekend want Petrus, de apostel voor de Joden, in tegenstelling tot Paulus die de heidenen of niet-Joden met het evangelie bekend ging maken, schrijft Petrus vanuit de stad Babylon zijn brieven aan hen. Ook de apostel Jacobus schreef zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing.

    In het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen vernemen we de landen van hun oorsprong, van de Israëlieten aanwezig te Jeruzalem met het Pinksterfeest van 30 AD. De lijst begint heel opmerkelijk in het Oosten met de vermelding van de Parten en Meden:

    Handelingen 2:En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. (NBG 1951 Vertaling)

     

    We moeten ook bedenken dat een overblijfsel van de tien stammen in het Judea van de eerste eeuw van de christelijke jaartelling, aanwezig was. Enkele Bijbelgedeelten maken dit duidelijk. Zo leert de evangelist Lucas dat bij het opdragen van de baby Jezus in de Tempel te Jeruzalem, één van de twee getuigen: Hanna de dochter van Fanuël, uit de stam Aser was, één van de tien stammen dus.

    Lucas 2:36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

     

    Dat o.a. de stam Aser in Jeruzalem ten tijde van Jezus Christus in Judea vertegenwoordigd was, is een gevolg van de handelingen van koning Hizkia van Juda (723/694 v. Chr.). Zie het hierna volgende Bijbelgedeelte:

    2 Kronieken 30:1 Toen zond Jehizkia een boodschap tot geheel Israël en Juda, ja, zelfs schreef hij brieven aan Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen naar het huis des HEREN te Jeruzalem, om voor de HERE, de God van Israël, het Pascha te vieren. ……

    ……6 De ijlboden nu gingen met de brieven van de koning en zijn oversten door geheel Israël en Juda, en zeiden overeenkomstig het gebod des konings: Israëlieten, keert weder tot de HERE, de God van Abraham, Isaak en Israël, dan zal Hij wederkeren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de macht van de koningen van Assur. 7 Weest dan niet als uw vaderen en als uw broeders, die ontrouw geweest zijn jegens de HERE, de God hunner vaderen, zodat Hij hen maakte tot een voorwerp van ontzetting, zoals gij ziet. 8 Weest thans niet hardnekkig zoals uw vaderen, geeft de HERE uw hand en komt tot zijn heiligdom, dat Hij voor altijd geheiligd heeft, en dient de HERE, uw God, opdat zijn brandende toorn zich van u afkere. 9 Want, wanneer gij wederkeert tot de HERE, dan zullen uw broeders en zonen erbarming vinden bij degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd, en dan zullen zij naar dit land wederkeren. Want genadig en barmhartig is de HERE, uw God: Hij zal het aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert. 10 Toen de ijlboden van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse trokken en tot Zebulon toe, lachte men hen uit en bespotte men hen. 11 Maar enige mannen uit Aser, Manasse en Zebulon verootmoedigden zich en kwamen naar Jeruzalem.

     

    Een volgende keer dat dit gebeurde was als een gevolg van de godsdiensthervorming ten tijde van koning Josia van Juda (640/609 v. Chr.). Toen kwamen ook enkelingen uit de tien stammen naar Jeruzalem over. Zie het hierna vermelde Bijbelgedeelten:

    2 Kronieken 34: 33 Josia verwijderde al de gruwelen uit al de landstreken die aan de Israëlieten toebehoorden, en bracht allen die zich in Israël bevonden, tot de dienst van de HERE, hun God. Gedurende heel zijn leven weken zij niet af van de HERE, de God hunner vaderen.

     

    2 Kronieken 35: 18 Zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël; geen der koningen van Israël heeft het Pascha gevierd zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond, en met de inwoners van Jeruzalem. 19 In het achttiende jaar van de regering van Josia werd dit Pascha gevierd.

     

    Deze mensen, een rest van de tien stammen zijn ook later met de twee stammen Juda en Benjamin plus de Levieten door de Babyloniërs van 605 v. Chr. tot 586 v. Chr., in ballingschap weggevoerd. Een rest van hen is blijkbaar dan ook onder Ezra en Nehemia teruggekeerd, getuige de profetes Hanna van de stam Aser die bij het opdragen van de jonge boreling Jezus te Jeruzalem aanwezig was.

    Bij de tweede ballingschap, na de tweede vernietiging van de Tempel te Jeruzalem in 70 AD door de Romeinen, werd ook de rest - het overblijfsel - van de tien stammen op dat ogenblik aanwezig in Judea, door de Romeinen weggevoerd.

    Conclusie: de mensen die wij vandaag als Joden aanduiden kunnen aldus uit alle stammen van het oude Israël stammen. Alleen de Levi ’s en de Cohen ’s weten vandaag met zekerheid via hun bewaarde namen, dat zij van de stam Levi afstammen. Wat trouwens heel opmerkelijk is.

     

    De profeten van de Bijbel spreken over een derde herstel van Israël in het oude land der vaderen. Een herstel dat momenteel nog in de toekomst ligt. Wanneer men deze profetische gedeelten van de Bijbel doorneemt is het opmerkelijk dat er expliciet over een herstel van zowel de twee stammen als van de tien stammen gesproken wordt. De profeet Ezechiël voorspelt het herstel van de twaalf stammen (Ez. 37:21) in het oude land der vaderen (Ez. 37:25), en de bouw van een ‘woning’ voor de HERE God in het land (Ez. 37:27). In het achtendertigste en negenendertigste hoofdstuk van de profeet Ezechiël zien we een grote volkerenoorlog tegen het teruggekeerde Israël beschreven worden. Het is na het verslaan van de opgerukte volkerenlegers dat het nationaal herstelde Israël zich geestelijk naar de HERE God zal keren, van die dag en voortaan. Vanaf het veertigste hoofdstuk van de profeet Ezechiël zien we de beschrijving van het geestelijke en materiele herstel van Israël, de twaalf stammen, in het zogenaamde Messiaanse Vrederijk. In het tweede gedeelte van deze profetie wordt Zebulon vermeld.

     

    Ezechiël 48:23 Wat nu de overige stammen betreft, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin één deel; 24 naast het gebied van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde: Simeon één deel; 25 naast het gebied van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde: Issakar één deel; 26 naast het gebied van Issakar, van de oostzijde tot de westzijde: Zebulon één deel; 27 naast het gebied van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde: Gad één deel; 28 en naast het gebied van Gad aan de zuidzijde, naar het zuiden toe, loopt de grens van Tamar over het water van Meribat-Kades, langs de beek tot de grote zee. 29 Dit is het land, dat gij ten erfdeel moet verloten onder de stammen Israëls, en dit zijn hun delen, luidt het woord van de Here HERE.

    30 En dit zijn de uitgangen der stad: aan de noordzijde, die vierduizend vijfhonderd (el) lang is, – 31 de poorten der stad dragen de namen der stammen Israëls – drie poorten op het noorden: een Rubenpoort, een Judapoort en een Levipoort; 32 aan de oostzijde, die vierduizend vijfhonderd (el) lang is, ook drie poorten: een Jozefpoort, een Benjaminpoort en een Danpoort; 33 aan de zuidzijde, die vierduizend vijfhonderd (el) lang is, ook drie poorten: een Simeonpoort, een Issakarpoort en een Zebulonpoort; 34 en aan de westzijde, die vierduizend vijfhonderd (el) lang is, eveneens drie poorten: een Gadpoort, een Aserpoort en een Naftalipoort. 35 De omtrek is achttienduizend (el) en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De stam Zebulon wordt in vers 26 genoemd met zijn beschreven gebied in het zuiden van het land. Het is een gebied dat vandaag nog woestijn is maar in het alsnog toekomstige Vrederijk zal uitbloeien tot een paradijs (Jesaja 35:1). Het is leerrijk om de bijgevoegde kaart van wijlen B. Reinders Sr (1893/1979), Israël en het Messiaanse Vrederijk. Stad, Tempel- en Offerdiensten naar Ezechiël 40-48.), te bestuderen.

    De stam Zebulon grenst in het westen aan de beek van Egypte en in het oosten aan een oostelijke zee. Vandaag is dit de Wadi Araba, een 166 km lange slenk tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba, en is het de grens tussen Israël en Jordanië. Net als de Dode Zee ligt een groot deel van de Wadi Araba beneden het zeeniveau.

    Bij de aanvang van het Messiaanse Vrederijk zal er een bron in de nieuwe Tempel ten noorden van Jeruzalem, ontspringen en een nieuwe rivier vormen die naar het westen en het oosten zal vlieden. In het oosten zal dit bronwater zorgen dat de Dode Zee gezond wordt en vis voortbrengt.

    De nieuwe oostelijke zee zal als een gevolg van het levende water uit de nieuwe tempel ook veel groter dan de huidige Dode Zee zijn. De profeet Joël beschrijft hoe het dal van Sittim, zuidelijk van de huidige Dode Zee vol met water zal lopen.

    Joël 3:18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.

     

    Ik heb op de bijgevoegde kaart deze oostelijke zee met vermoedelijke uitbreiding een blauwe kleur gegeven. Het is hier dat ik meen, dat de oude profetie van de aartsvader Jakob aan Zebulon haar vervulling zal krijgen.

    Genesis 49:13 Zebulon zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gekeerd zijn.

     

    De vermelding dat de zijde van Zebulon naar Sidon aan de Middellandse Zee gekeerd zal zijn, krijgt echt zin bij het ontstaan van een oostelijke zee in het toekomstige Messiaanse Vrederijk. De Middellandse Zee of Westelijke Zee zal dan vermoedelijk aan belang inboeten.

    Ik stel me ook de vraag of het ontstaan van de oostelijke zee in het Vrederijk ook niet het herstel van de rivieren betekent die ooit lang geleden uit het paradijs ontsprongen (Genesis 2:10-14)?

     

     

    Voor het gevestigde-traditionele christendom is dit alles ‘dispensable sensationalism’. Zij gaan er vanuit dat de kerk in de plaats van het oude Israël geplaatst is, en de Joden als heilsorgaan afgedaan. Er komt geen letterlijk Messiaanse Vrederijk meer zoals de profeten van het Oude Testament het leerden. Het profetische Bijbelboek Joël zag volgens het christendom zijn volledige vervulling met Pinksteren bij het begin van de kerk in 30 AD.

    Het traditionele christendom meent sinds Constantijn de Grote dat zij zelf dit Godsrijk kunnen of moeten waarmaken. Toen de Romeinse keizer Constantijn zich in de vierde eeuw na Christus tot het christendom bekeerde en de kerk van Rome tot staatsgodsdienst verhief, leerde en verwachte men dat het Godsrijk door mensenhanden gebouwd kon worden. De profetische gedeelten van de Bijbel werden als een allegorie uitgelegd en ontdaan van hun letterlijke boodschap. Alle heilsbeloften in de Bijbel die betrekking op het volk Israël hadden werden op de kerk van nu van toepassing. De duizend jaar dat satan gebonden zou worden volgens het boek Openbaring, werd niet meer letterlijk genomen maar gezien als een zinnebeeld van de nieuwe tijd die sinds Constantijn baan brak.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    10-05-2016 om 08:11 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-05-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Salmaneser V de veroveraar van Samaria

    De Assyrische koning Salmaneser V was de zoon en troonopvolger van Tiglath Pileser III. Salmaneser V is de koning die volgens de Bijbel Samaria, de hoofdstad van het tienstammenrijk, innam en de bevolking in ballingschap wegvoerde.

     

     

    2 Koningen 18:9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan.

    13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. (Statenvertaling)

     

    In het artikel op dit blog van 14-04-2016: De Assyrische koningen Pul en Tiglath Pileser III beschreef ik de knieval van de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings, 1951) naar de Assyrologie toe met zijn statement dat het hierboven vermelde Bijbelcitaat kunstmatig aan de Bijbel was toegevoegd. Het Bijbelcitaat is een historisch-chronologisch gedeelte dat niet compatibel met de vak-wetenschap der Assyriologie is. . Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2873199

     

    De inname van Samaria en de wegvoering van de tien stammen van Israël in ballingschap wordt daarenboven door de Assyriologie aan Sargon II toegeschreven:

    “7. I besieged and occupied the town of Samaria, and took 27,280 of its inhabitants captive. I took from them 50 chariots, but left them the rest of their belongings. I placed my Lieutenants over them; I renewed the obligation imposed upon them by one of the Kings who preceded me

    (The Annals of Sargon, [Excerpted from "Great Inscription in the Palace of Khorsabad," Julius Oppert, tr., in Records of the Past, vol. 9 (London: Samuel Bagster and Sons, 1877), pp. 3-20])

     

    Dat Sargon II in het licht van 2 Koningen 18:9 een leugenaar en een geschiedenisvervalser was, wordt door de Assyriologie niet in vraag gebracht. In zijn annalen schrijft Sargon II dat hij Samaria belegerde en het innam. Verder schrijft hij dat hij een luitenant, een ambtenaar, over Samaria gesteld heeft, net zoals zijn voorganger-koning deed, van wie hij echter de naam niet doorgeeft. Het moet duidelijk zijn dat hij Salmaneser V bedoelde. Voorwaar, geen betrouwbare geschiedenisbron.

    Hoogstwaarschijnlijk is Sargon II verantwoordelijk voor een ‘damnatio Memoriae’ in Assyrië, naar Salmaneser V toe. Over Salmaneser V heeft de Assyriologie slechts acht eponiem-jaren ter beschikking om een en ander op de tijdsbalk in te vullen.

    Een van de weinige schriftelijke verwijzingen (buiten de eponiemlijsten) naar Salmaneser V vanuit de Assyrische bronnen, is een fragment van een cilinder dat heden in het British Museum (K.38345) bewaard wordt. Het is een memoriaal tekstcilinder die te Borsippa in de tempel van Nabu geplaatst werd. De inscriptie zelf is beschadigd en niet volledig. De eindtekst maakt echter duidelijk dat we een schriftelijk document van Salmaneser V in ons bezit hebben. Hierna de tekst, zoals gepubliceerd door Daniel David Luckenbill, Chicago, 1926:

    829. … who did not bow in submission at his feet… the mention of his name… his word (?) …bringing… hastely before him… those not obedient to my (?) command … that … he caused to be surrounded, surrounding the town… the god in whom he trusted… with his help not draw my (?) yoke … who carried off … and was turning (them, it) to himself (his known use) … his word and the mention of his name they did not fear, and did not dread his rule … overflowed his land (?) and laid it low like a deluge … his own … fell upon him and his life was no more … I (?) carried off and brought to Assyria. 830. I am Salmaneser the mighty king, king of the universe, king of Assyria, king of the four regions of the world, viceroy of Babylon, king of Sumer and Akkad, son of …, king of Assyria; most precious scion of Assyria, seed of Royalty, of the eternal days… of Borsippa, whose site (?) had been damaged by the violence of the mighty floods… its damage I repaired and strengthened its structure.… May Nabu look upon the temple with delight.

     

    Over de regeerperiode van Salmaneser V is er aldus buiten de Bijbel en de werken van Flavius Josephus niet veel informatie beschikbaar.

    Wat de Bijbel betreft, wil de orthodoxe Assyriologie wel aannemen dat Salmaneser V, Samaria belegerd heeft, maar maakt daarmee echter een foute identificatie vanuit de eponiemlijst, met Samaria. Men gaat er namelijk van uit dat het vermelde Shamarain in de Eponiemlijst, Samaria zou zijn. Tijdens de eponiemjaren van Mahde, Assur-ishmeani en Salmaneser wordt er gewag gemaakt van een campagne tegen Shamarain. Hoewel deze plaatsnaam afwijkt van het Assyrische Samerina voor Samaria, heeft men toch voor de identificatie van Shamarian voor Samaria gekozen. Tegen deze identificatie spraken al eerder historici met grote naam zoals o.a. Albright (geciteerd door Merrill F. Unger, Israel and the Aramaeans of Damascus, Chapter X, voetnoot 33).

     

    Shamarain of beter geschreven Shabarain is te identificeren met Sibraim terwijl Samaria; Samarina blijft. De belegering en inname van Samaria door Salmaneser V, besloeg drie jaar, een tijdsperiode die in de Eponiemlijsten ontbreekt.

    De conclusie zou moeten zijn dat er hiaten in de Eponiemlijsten voorkomen, maar dit is voor de Assyriologie ondenkbaar. Dit gegeven zou heel hun constructie naar beneden halen.

    De val van Samaria vond volgens de Bijbelse chronologie plaats in 717 v. Chr. (Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: voorjaar 717 v. Chr., de wegvoering van de tien stammen, blz. 312-320), zie de link hierna, voor wie het boek wil aanschaffen: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

     

     

    Drie jaar eerder, in het voorjaar van 720 v. Chr., begon de belegering van Samaria door het Assyrische leger van Salmaneser V.

    Na de inname van Samaria, begon Salmaneser V hetzelfde jaar een campagne tegen Syrië en Fenicië, dat leert de Joodse historicus Flavius Josephus. Een historisch gegeven dat haaks staat op wat de orthodoxe Assyriologie leert.

     

    1. WHEN Shalmaneser, the king of Assyria, had it told him, that [Hoshea] the king of Israel had sent privately to So, the king of Egypt, desiring his assistance against him, he was very angry, and made an expedition against Samaria, in the seventh year of the reign of Hoshea; but when he was not admitted [into the city] by the king, (24) he besieged Samaria three years, and took it by force in the ninth year of the reign of Hoshea, and in the seventh year of Hezekiah, king of Jerusalem, and quite demolished the government of the Israelites, and transplanted all the people into Media and Persia among whom he took king Hoshea alive; and when he had removed these people out of this their land he transplanted other nations out of Cuthah, a place so called, (for there is [still] a river of that name in Persia,) into Samaria, and into the country of the Israelites. … …

     

     

    2. And now the king of Assyria invaded all Syria and Phoenicia in a hostile manner. The name of this king is also set down in the archives of Tyre, for he made an expedition against Tyre in the reign of Eluleus; and Menander attests to it, who, when he wrote his Chronology, and translated the archives of Tyre into the Greek language, gives us the following history: “One whose name was Eluleus reigned thirty-six years; this king, upon the revolt of the Citteans, sailed to them, and reduced them again to a submission. Against these did the king of Assyria send an army, and in a hostile manner overrun all Phoenicia, but soon made peace with them all, and returned back; but Sidon, and Ace, and Palsetyrus revolted; and many other cities there were which delivered themselves up to the king of Assyria. Accordingly, when the Tyrians would not submit to him, the king returned, and fell upon them again, while the Phoenicians had furnished him with threescore ships, and eight hundred men to row them; and when the Tyrians had come upon them in twelve ships, and the enemy's ships were dispersed, they took five hundred men prisoners, and the reputation of all the citizens of Tyre was thereby increased; but the king of Assyria returned, and placed guards at their rivers and aqueducts, who should hinder the Tyrians from drawing water. This continued for five years; and still the Tyrians bore the siege, and drank of the water they had out of the wells they dug." And this is what is written in the Tyrian archives concerning Shalmaneser, the king of Assyria.

    - Joodse Oudheden Boek IX, xiv. 1,2 (volgens de vertaling van het Grieks naar het Engels door William Whiston)

     

    Flavius Josephus verhaalt dat Salmaneser V na de val van Samaria, een beleg van Tyrus begon dat vijf jaar zou duren. Samen met de belegering van Samaria gedurende drie jaren zijn dit in totaal acht jaren die in de Eponiemlijsten van de regeerperiode van Salmaneser V, ontbreken.

    De belegering van Samaria door Salmaneser V liep vanaf 720 v. Chr. tot 717 v. Chr., waarna hij in hetzelfde jaar een belegering van Tyrus voor een periode van vijf jaar tot 712 v. Chr., ondernam.

    De werkelijke regeerperiode van Salmaneser V besloeg aldus een veel langere periode dan de Eponiemlijsten laten verstaan.

    Hierna breng ik een reconstructie van de regeerperiode van Salmaneser V op basis van de Bijbelse gegevens en van de Joodse oudheid-historicus: Flavius Josephus. Samen met de fragmentarische Eponiemgegevens is het mogelijk een en ander logisch op de tijdsbalk aan te brengen.

    Zoals uiteengezet in ‘DE ASSYRIOLOGIE HERZIEN’, 2012, was Salmaneser V al in 735 v. Chr. door Tiglath Pileser III als co-regent aangesteld. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: https://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/)

     

     

    731/730 Tijdens het eponiem van Bêl-Harran-bêla-usur, de gouverneur van Guzana, veldtocht tegen [...].Šalmaneser [V] beklom de troon.

     

    730/729 Tijdens het eponiem van Marduk-bêla-usur, de gouverneur van Amedi, de koning bleef in het land.

    Commentaar: een eufemisme voor ‘nietsdoen’

     

    729/728 Tijdens het eponiem van Mahde, de gouverneur van Nineveh, veldtocht tegen [Shamarain].

     

    728/727 Tijdens het eponiem van Aššur-išmanni, de gouverneur van Kalizi, veldtocht tegen [Shamarain].

     

    727/726 Tijdens het eponiem van Šalmaneser, de koning van Assyrië, veldtocht tegen [Shamarain].

     

    726/725 Tijdens het eponiem van Inurta-ilaya, de opperbevelhebber.

     

    725/724 Tijdens het eponiem van Nabû-taris, de gouverneur van [...]ti.

     

    724/723 Tijdens het eponiem van Aššur-nirka-da'in, de gouverneur van [...]ru.

    HIAAT IN DE EPONIEMLIJSTEN TOT OP SARGON II -

     

    De ontbrekende jaren kunnen we vanuit de Bijbel en vanuit de werken van Flavius Josephus invullen:

    720/717 Belegering van Samaria door het leger van Salmaneser V.

    717 Val van Samaria

    717/712 Hetzelfde jaar van de inname van Samaria rukt Salmaneser V met zijn leger naar Tyrus op en begint een belegering van vijf jaar. Sargon II is tijdens deze periode, sinds het voorjaar van 719 v. Chr. mede-koning van Assur.

     

     

    Ik neem aan dat Salmaneser V in het vijfde jaar van de belegering van Tyrus in 712 v. Chr., aan zijn einde gekomen is. Hoogstwaarschijnlijk werden hij en zijn troepen die rond de stad Tyrus gelegerd waren, door de invasie van de Zeevolken in de Levant, weggevaagd. Voor de orthodoxie is het einde van Salmaneser V in raadsels gehuld.

    Voor de invallen van de zeevolken gereviseerd naar de achtste eeuw v. Chr., zie: De zonaanbidder, 2016, appendix 1, blz. 149-158. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    De orthodoxie meent Salmaneser V ook te kunnen identificeren met de Babylonische koning Uloulaios van de Ptolemeüs-canon. Hierna volgt het relevante gedeelte van de canon:

    Nabonassar (Nabonassáros):         27.02.747–22.02.733

    Nabu-nadin-zeri (Nadíos):            23.02.733–21.02.731

    Nabu-mukin-zeri en Pulu             22.02.731–20.02.726

    Ululai (Iloulaíos):                     21.02.726–19.02.721

    Marduk-apla-iddina II                    20.02.721–16.02.709

    Arkeanós (Sargon II)                     17.02.709–14.02.704

     

    Maar op basis van wat we uit de Bijbel en de werken van Flavius Josephus historisch gereconstrueerd hebben, is er geen reden meer om de moeilijke identificatie met Uloulaios te zoeken. We kunnen gerust Uloulaios als een Babyloniër op de troon van Babylon laten. Hoogstwaarschijnlijk volgde Salmaneser V de politiek van zijn voorganger Tiglath Pileser III die met een schatplichtig Babylon vrede nam. Op het eerder verwezen cilinder in het British Museum noemt hij zich een ‘vice’roy van Babylon.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    04-05-2016 om 09:04 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!