Oegarit, het spijkerschriftalfabet, en de Amarna-tijd in de achtste eeuw voor Christus
Oegarit
of het huidige Ras Shamrain Syrië niet ver van de Middellandse zeekust,
is een archeologische site. Boringen hebben aangetoond dat de plaats al bewoond
was in het derde millennium vóór Christus in het Neolithicum-tijdperk. In de
vroege Bronstijd en de Late Bronstijd was Oegarit een Kanaänitische stad met
een zeehaven, die de verbinding met Cyprus, Egypte en de Griekse wereld verzekerde.
Er werd vooral kopererts en cederhout verhandeld. Via de haven werd koper uit
Cyprus ingevoerd. Ingevoerd tin werd samen met dit koper tot brons verwerkt.
Oegarit had een eigen metaalverwerkende industrie. Ook werd handel gedreven met
het hinterland Mesopotamië. Oegarit had, op het gebied van landbouw, een zeer
vruchtbaar achterland en kon zijn landbouwproducten exporteren. Graan, wijn en
olijfolie werden verhandeld. Een andere belangrijke industriële activiteit was
het winnen van purperen kleurstof uit de purperslak.
Volgens
de conventionele tijdrekening beleefde Oegarit zijn belangrijkste bloeiperiode tijdens
het Laat Brons tijdperk dat orthodox gezien, geplaatst wordt van de zestiende tot
de dertiende eeuw v. Chr.
Oegarit
was in deze periode een stadstaat met een koning aan het hoofd. Een
koningslijst werd door onderzoekers samengesteld. De stad werd volgens de
orthodoxe tijdrekening na haar vernietiging door vuur rond 1190 v. Chr. verlaten
en werd bij toeval in 1928 herontdekt. Een landbouwer opende bij het ploegen
van het veld een graf wat leidde tot de ontdekking van de necropolis van Oegarit
en vervolgens werd de oude stad en haven door archeologen blootgelegd.
Reconstructietekening
van het paleis van Oegarit, het huidige Ras Shamra in Syrië. Rechtsonder: een
afbeelding van het spijkerschrift-alfabet
De
belangrijkste vondst was de intacte bibliotheek van Oegarit vol met archieven
van schrijftabletten met teksten in spijkerschrift. Oegarit was een maritieme
handelsstad met een bevolking die uit diverse etnische groepen en talen
bestond. Oegarit had een school voor schrijvers. Op deze school werden de
schrijvers geleerd ten minste vier talen te lezen en te schrijven. Twee
van die talen waren gemakkelijk te herkennen: het Soemerisch en het Akkadisch,
de laatste was de diplomatieke taal van die era. Verbaasd waren de eerste
onderzoekers over het gebruikte alfabet van dertig tekens. Naast het Soemerisch
en het Akkadisch werd tot ieders verbazing (en in feite voor de orthodoxie een
anomalie): ook het oud-Hebreeuws als gebruikstaal geschreven in
spijkerschrift herkend. De vierde taal die gevonden werd was het Char,
wat de plaatselijke taal van een groot deel van de bevolking en van de regering
was. Dr. I. Velikovsky identificeert deze laatst vermelde taal als de taal van
de Cariërs en maakt overtuigend de link naar de Griekse wereld.
Dat
het oud-Hebreeuws als gebruikstaal in Oegarit gevonden werd was voor de eerste
onderzoekers een anomalie omdat zij zo vroeg in de geschiedenis van het Nabije
Oosten geen Hebreeuwse taal verwacht hadden. In de periode 1928/1958, de jaren
van de belangrijke ontdekkingen te Oegarit, ging men er nog van uit dat de
Bijbelkritiek van de tweede helft van de negentiende eeuw (in het kielzog van
Darwin s evolutietheorie) gelijk had in haar stelling dat Mozes niet kon lezen
noch schrijven en dat de Bijbel die wij vandaag kennen tot stand was gekomen
tijdens de Babylonische Ballingschap van de Joden in de zesde eeuw voor
Christus.
Het
revisionisme van de geschiedenis van de Oudheid heeft intussen dit alles
weerlegd. De tijdsdatering van het Laat-Brons in Oegarit werd bepaald vanuit de
foutieve Egyptische Chronologie zoals gefabriceerd door de Egyptoloog Eduard
Meyer aan het begin van de twintigste eeuw van onze tijdrekening.
Er
was overigens heel wat contact tussen Egypte en Oegarit. Farao Thothmosis III en
zijn opvolgers van de achttiende dynastie overheersten heel het gebied, Oegarit
incluis. Tijdens de zogenaamde Amarnaperiode wordt in de correspondentie met
farao en zijn Klein-Aziatische vorsten naar Oegarit verwezen en naar het
gewelddadige einde van de stad. Er werden ook heel wat Egyptische artefacten in
Oegarit opgegraven en de herkomst van deze vondsten bepaald tot de Egyptische achttiende
dynastie.
volg
ik de identificatie van de Bijbelse farao Sisak van Dr. I. Velikovsky met farao
Thothmosis III van de achttiende dynastie als tijdgenoot van Salomo en Rehabeam
en verhuist Thothmosis III op de tijdsbalk van de vijftiende eeuw naar de tiende
eeuw v. Chr. De Amarnatijd en de invallen van de Zeevolken plaatst ik in
afwijking van Velikovsky s revisie, in de achtste eeuw v. Chr. Zodoende is het
gebruik van het Hebreeuws in Oegarit geen anomalie meer maar de logica zelf
wanneer we het tijdperk van Salomo naar het Laat-Brons verplaatsen.
Het
catastrofale einde van Oegarit gebeurde volgens mijn revisie in 709 v. Chr.,
het jaar van de meganatuurcatastrofe, dat ook het leger van de Assyriër
Sanherib bij Jeruzalem trof. In de Amarnabrief
EA151 beschrijft de koning van Tyrus, Abimilki het catastrofale einde van
Oegarit aan de koning van Egypte: En vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is
verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet
daar.
Dr. I. Velikovsky
(Eeuwen in Chaos hoofdstuk 5) plaatste de vernietiging van Oegarit in de
negende eeuw voor Christus ten tijde van het koningschap van de Assyriër
Salmaneser III.
Het was
volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid, echter de meganatuurcatastrofe
van het jaar 709 v. Chr. dat de oorzaak van de vernietiging van Oegarit was. Ik
kies voor het jaar 709 v. Chr. in de cyclus van meganatuurcatastrofes, omdat er
een vermelding bestaat van een onbekende koning over het verdrijven van
zeevolken na de ramp:
Een of
andere binnenvallende koning decreteerde dat de Jaman (Ioniërs), het volk van
Didyme (Danuna), de Char (Cariërs), de Cyprioten, alle vreemdelingen, tezamen
met koning Nikmed uit Oegarit verbannen moesten worden, al degenen die u
beroven, al degenen die u onderdrukken, al degenen die u te gronde richten.
De invasie van de
zeevolken in de Levant heb ik gereviseerd naar het jaar 712 v. Chr. De
ondergang van Oegarit met het meganatuurcatastrofe-jaar van 709 v. Chr., laat
zich aldus logisch in passen.
Binnen zeer korte tijd zal
mijn nieuw boek De Zonaanbidder op het internet ter beschikking komen. De
Amarna-periode met de Aton-ketter farao Achnaton op kop, wordt op de tijdsbalk
naar de correcte plaats geloodst, en tijdgenoot gemaakt met de Bijbelse
koningen van Israël en Juda: Pekah, Hosea en Achaz alias Labaja, Rib Addi en
Abdi Hiba van de Amarna-correspondentie. Verder identificeer ik Achnaton met
farao Anysis van de vader der historie: Herodotos, en geef opnieuw aandacht aan
het werk van Dr. Immanuel Velikovsky: Oedipus en Achnaton. De Griekse legende
heeft haar oorsprong in het Egyptische Thebe. Het zijn allemaal puzzelstukjes
die in het plaatje van de achtste en begin zevende eeuw v. Chr., volkomen
passen.
Zodra het boek ter
beschikking komt geef ik de gepaste link door.
2 Koningen 10:35 En Jehu
ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoonJoahaz werd koning in zijn plaats. 36 En de dagen, die Jehu over
Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren. (Statenvertaling)
Het
jaartal dat Joahaz zijn vader Jehu opvolgde was 847 v. Chr. Dit jaar was het
drieëntwintigste regeringsjaar (okt848/sep847 v. Chr.) van koning Joas van
Juda.
2 Koningen 13:1 In het drie en twintigste jaar van Joas, den
zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd
Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
Zo merken
we dat de koningen van Israël op de tijdsbalk met de koningen van Juda
verankerd zijn. De regeerperiode van Joas van Juda en de verankering op de
tijdsbalk heb ik uitvoerig in mijn studie TIJD
en TIJDEN, 2015, behandelt. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
2 Koningen 13:2 En hij (Joahaz) deed dat kwaad was in de ogen
des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat,
die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af. 3 Daarom ontstak des HEEREN
toorn tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, den koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, den zoon
van Hazaël, al die dagen. 4 Doch
Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem;
want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte. 5
Zo gaf de HEERE Israël een verlosser,
dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden
in hun tenten, als te voren.
De
zeventien regeringsjaren van Joahaz werden gekenmerkt door de strijd van Aram
tegen Israël. Het was koning Hazaël van Syrië (of Aram) die de verdrukker van
Godswege was. Na een lange periode van verdrukking zocht Joahaz naar het einde
van zijn regeerperiode toe, oprecht voor uitkomst bij de HERE God. Het
resultaat was het zenden van een verlosser die de Israëlieten van het Aramese
juk bevrijdde. Op het hierna volgende bijgevoegde schema merken we dat de
Assyriër Adad Nerari III hoogstwaarschijnlijk de vermelde verlosser was. In het
jaar 833 v. Chr. rukte de Assyriër tegen Damascus op en bracht zo Israël uit de
verdrukking van Aram. Over Adad Nerari III als de beschreven verlosser van
Israël schreef ik eerder op dit blog een artikel op 18-01-2016. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2836510
2 Koningen 13:6 Nochtans weken zij niet af van de zonden van het
huis van Jerobeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos
bleef ook staan te Samaria. 7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven
dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning
van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
8 Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij
gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
9 En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te
Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
De lange
strijd van Aram tegen Israël had het leger van de Israëlieten gereduceerd tot uiteindelijk
slechts tien strijdwagens, vijftig ruiters en tienduizend soldaten. Het
geweldige Israëlitische leger van Achab, zoals beschreven door de Assyriër
Salmaneser III ten tijde van de slag bij Karkar in 889 v. Chr., vijftig
jaar eerder, was niet meer.
Joahaz
stierf in het voorjaar van 830 v. Chr. en werd opgevolgd door zijn zoon Joas,
een naamgenoot van koning Joas van Juda.
2
Koningen 2:19 De mannen van de stad (Jericho) zeiden tot Elisa:
Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water
is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. 20 Toen zeide hij: Haalt mij een
nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. 21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout
daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen
dood of misgeboorte meer voortkomen. 22 En het water werd gezond, tot op
deze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had.
23 Vandaar (Jericho) ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom,
kwamen er kleine knapen uit de stad,
die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom (Ga) op, kaalkop! Kom (Ga) op,
kaalkop! 24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des
HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij
terug naar Samaria. (NBG Vertaling 1951)
Met mijn blog
KRONOS houd ik mij in de eerste plaats bezig met chronologie, archeologie en oudheid.
Met deze aflevering wil ik echter ook een antwoord geven op de Bijbelvertaling van
2 Koningen 2:23 die het verhaal brengt van de vervloeking van een groep kleine
knapen of kinderen, die door twee berinnen op een woord van de profeet Elisa,
verscheurd worden.
met een
vurige wagen en met vurige paarden, ging zijn dienaar de profeet Elisa, terug
naar de westelijke Jordaanoever, naar Jericho. Na zijn ontmoeting met de mannen
van die stad vervolgde hij zijn tocht en ging richting Bethel. En het is met
vers 23 en vers 24 van het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek 2 Koningen, dat
we het schokkende bericht over de zogenaamde kleine knapen leren. Mijn eerste
gedachte was dat dit niet waar kon zijn. Vervolgens ging ik andere vertrouwde
Bijbelvertalingen na, maar allen hadden knapen of kinderen staan. Hierna de
relevante Bijbelvertalingen:
2 Koningen
2:23 Van Jericho ging
Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderenop hem af die hem uitlachten en
schreeuwden: Kaalkop, kaalkop! Zet m op, zet m op! 24 Elisa keek om, en
toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen
kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden. (NBV 2004/2007)
2 Koningen
2:23 En hij ging van
daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem:
Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!
24 En hij
keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN.
Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en
veertig kinderen. (STATENVERTALING
1637
En zelfs de
gezaghebbende King James Bijbel heeft het over little children alsook de
Engelse vertaling van de Griekse SEPTUAGINT-Bijbel:
2 Kings 2:23 And he went up from thence unto Bethel:
and as he was going up by the way, there came forth little children out of the city, and mocked him, and said unto him,
Go up, thou bald head; go up, thou bald head. 24 And he turned back, and looked
on them, and cursed them in the name of the LORD. And there came forth two she
bears out of the wood, and tare forty and two children of them. (KING JAMES 1611)
LXX 4 KINGS 2:23 And he went up thence to Baethel: and as he was going
up by the way there came up also little
children from the city, and mocked him, and said to him, Go up, bald-head,
go up. 24 And he turned after them, and saw them, and cursed them in the name
of the Lord. And, behold, there came out two bears out of the wood, and they
tore forty and two children of them.
(SEPTUAGINT)
Men zou er de moed bij verliezen. Maar ik gaf niet op en zette mijn
onderzoek verder, vooral omdat ik bleef weigeren aan te nemen dat de HERE God
van zowel het Oude als het Nieuwe Verbond kleine kinderen op zulk een wijze zou
treffen. In mijn studie van de Schriften hanteer ik consequent de NBG 1951
vertaling en dit niet omdat deze vertaling voortreffelijker zou zijn, maar
omdat ik al bijna veertig jaar met deze vertaling vertrouwd ben, en geen zin
heb om nu in de herfst van mijn leven gearriveerd te zijn, nog aan een andere
vertaling in zogenaamd beter hedendaags Nederlands te beginnen. Wat ik wel doe
is telkens bij een vermoede onduidelijkheid andere Bijbelvertalingen zoals de
Statenbijbel, de Duitse Lutherse vertaling en de Engelstalige King James Bijbel
te raadplegen. Het is mijn ervaring in mijn studie van de Bijbel, dat deze oude
vertalingen het dichtst bij de bron zijn gebleven. Behalve uiteraard bij 2
Koningen hoofdstuk 2 met het vertalen van de kleine knapen of little
children uit het Hebreeuws. Ik wil aannemen dat het de gezaghebbende King
James Bijbel geweest is die andere vertalingen van dit Bijbelgedeelte beïnvloed
heeft. Want het is wel degelijk een slechte vertaling geweest die vermoedelijk
heel wat mensen geestelijk op een verkeerd spoor gezet heeft.
Om een verhaal kort te houden; uiteindelijk heb ik mijn
godsdienstleraars van de negentiende eeuw erbij gehaald: namelijk E. W. Büllinger
en C. I. Scofield die wel een juiste vertaling leverden.
E.W.Büllinger (zie link: http://www.companionbiblecondensed.com/) gaf in de voetnoten van 2 Kings 2:23
onmiddellijk te kennen dat de little children van de King James vertaling in
feite te lezen is als jonge knapen en niet als kleine kinderen. Het
Hebreeuwse woord naar in 2 koningen
2:23 wordt elders in de Bijbel gebruikt voor Isaac, Jozef en Rehabeam ofwel een
leeftijd van 28, 17 en/of 16 jaar oud. En dit geeft onmiddellijk een ander
beeld van wat de profeet Elisa overkwam wanneer een schreeuwende en scheldende bende
jonge mannen op hem afkwam. Maar er komt nog meer aan het licht wanneer we
degelijke Bijbelstudie verrichten. Zo staat er in de grondtekst helemaal niet
dat deze bende jonge knapen door twee berinnen verscheurd werden maar eerder slechts
verwond. Wat ook weer een ander licht op de zogenaamde straf van God werpt. Het
is de Bijbelleraar C.I. SCOFIELD die dat in zijn studiebijbel duidelijk maakt.
Hierna het commentaar van Scofield:
Das Wort naar(übersetzt
kleine Knaben, v. 23) besagt kein bestimmtes Alter. Es wird gebraucht von
Joseph mit siebzehn Jahren (Genesis 37:2), ebenso von Benjamin (Genesis 43:8)
und Absolom (2 Sam. 18:5). Also kann das hebraïsche Wort hier übersetzt werden
Jugendliche oder junge Männer.
Das Wort ba(übersetzt zerrissen
besagt das Beibringen von schweren Wunden, aber es bedeutet nicht töten oder verderben. Die
schwere der Beleidigung ist aus folgenden Tatsachen zu ersehen: (1) die jungen
Männer spotteten über das Aussehen Elisas, des Mannes Gottes; (2) mit den
Worten Kahlkopf, komm herauf spotteten sie über die Auffahrt des Elia (v.11);
die Beleidigung zeigt, dass die Beleidiger über das Alter der Kindheit
hinaus waren; und (3) als sie den Mann Gottes lächerlich machten, wurden
sie der Lästerung des Gottes schuldig, den er vertrat.
Het Hebreeuwse woord ba dat foutief vertaald werd met
verscheuren betekent in werkelijkheid het aanbrengen van zware verwondingen
maar niet doden. Deze verklaring sluit beter aan bij het gedrag van beren
zoals wij het vandaag kunnen waarnemen. Het is ondenkbaar dat twee berinnen in
een oogwenk tweeënveertig kinderen zouden kunnen verscheuren/doden. Verder
maakt Scofield duidelijk dat de bende jonge mannen de profeet beledigden, niet
alleen op basis van zijn uitzicht maar ook naar de eerdere wegvoering van Elia
verwezen, wat maakt dat zij voorbij de leeftijd van het kind zijn waren. En ten
laatste merkt Scofield op dat de jonge Israëlitische mannen zich wel degelijk
schuldig aan lastering van God maakten.
Conclusie: het blijft een feit dat dit historische Bijbelgedeelte zich
in een andere bedeling Gods afspeelde en in de huidige genadebedeling een mens voor
de borst stoot. De profeet Elisa was echter een kind van de tijd onder de wet
en handelde daarnaar.
Bij de vermelding van kinderen in de Bijbel denk ik in de huidige bedeling
van de genade altijd eerst aan de Heer Jezus Christus, de zoon van God, die
zei: Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want
voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. (Matteüs 19:14)
En
Psalm 8:2 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij,
die uw majesteit toont aan de hemel. 3 Uit
de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw
tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.
ging in vervulling wanneer kinderen in het jaar 30 AD in de tempel te
Jeruzalem Jezus toeriepen met: Hosanna
de Zoon van David (Matteüs 21:15-16)
We
vervolgen met dit artikel onze kronieken van de koningen van Israël op dit blog.
Met onze aflevering op dit blog van 04-01-2016
brachten we de Kroniek van Joram, de zoon van Achab. Hij werd in het jaar 875 v. Chr. door Jehu omgebracht. Zie
link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2831104
Jehu, de
zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, was een generaal van het leger van Israël
toen hij door de profeet van de HERE God te Ramot in Gilead tot koning over het
tienstammenrijk gezalfd werd, met de opdracht de koning van Israël, Joram te
doden, en vervolgens heel de dynastie van Achab om te brengen. De functie van overste
van het Israëlitische leger had Jehu al sedert de dagen van Achab (2 Koningen
9: 25-26).
Te
Ramot in het over-Jordaanse Gilead was het leger van Israël gelegerd nadat zij tegen
het leger van Aram strijd hadden geleverd. Het was daar in het legerkamp dat de
profeet Jehu opzocht.
De
gangbare jaartallen voor de regeerperiode van Jehu zijn volgens de fabricatie van
de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951): 841/814 v. Chr.
Dit
betekent een verschil van 34 jaar op de tijdsbalk. Hoe is dit mogelijk? De
constructie die Thiele uitdokterde was gebaseerd op een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens
van de koningen van Israël en Juda met die van Assyrië. In mijn boek TIJD en TIJDEN, appendix 4 heb ik
Thiele s wijze van (mis)rekenen uitgelegd. Zie ook de aflevering op dit blog
over Omri, de vader van Achab. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2809256
De regeerperiode voor Jehu van het jaar 875 tot 847 v. Chr. is het resultaat
van het werken met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren volgens de wijze van
rekenen van William Whiston. De Assyrische chronologische gegevens werden
verankerd met de chronologische ankerpunten van de Bijbel, en niet andersom
zoals Thiele deed. Zie het artikel op dit blog van 06-02-2014. Zie link:
The tribute of
Jehu (Ia-ú-a mar Hu-um-ri-i.), house of Omri: I received from him silver, gold,
a golden bowl, a golden vase with pointed bottom, golden tumblers, golden
buckets, tin, a staff for a king [and] spears."
Met de bekende zwarte Obelisk (British Museum) van de
Assyriër Salmaneser III hebben we een buiten-Bijbelse bron van Jehu. In het
achttiende regeringsjaar (877/876 v. Chr.) van Salmaneser III is er een
vermelding van het ontvangen van schatting van Jehu van het huis van Omri.
Volgens mijn rangschikking van de koningen van Assyrië op de tijdsbalk was Jehu
op dat moment nog een generaal van het leger van Joram, de zoon van Achab, en
is er geen probleem met de Assyrische vermelding dat Jehu van het huis van Omri
was. Een dynastie namelijk, die Jehu twee jaar later zou uitroeien.
Binnen de tijdsfabricatie van Thiele was Jehu in het
achttiende regeringsjaar van Salmaneser III al koning, en zouden de Assyrische
kroniekschrijvers zich vergist hebben, wat zeer onwaarschijnlijk is. Zie De
Assyriologie herzien link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/
Hierna
het Bijbelse relaas over het begin van de regeerperiode van Jehu.
2
Koningen 9:1 De profeet Elisa riep een van de
profeten en zeide tot hem: Gord uw lendenen, neem deze oliekruik met u en ga
naar Ramot in Gilead. 2 Wanneer gij daar gekomen zijt, zie dan uit naar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van
Nimsi. Ga bij hem binnen, doe hem opstaan uit het midden van zijn
wapenbroeders en breng hem in de binnenste kamer. 3 Neem dan de kruik met
olie, giet ze uit over zijn hoofd en zeg: Zo
spreekt de HERE: Ik zalf u tot koning over Israël. Open daarna de deur en
vlucht zonder dralen weg. 4 Toen ging die jonge man, de jonge profeet,
naar Ramot in Gilead. 5 Toen hij daar kwam, zaten de legeroversten juist
bijeen. En hij zeide: Ik heb een boodschap voor u, overste. Jehu zeide: Voor wie van ons allen? En hij antwoordde:
Voor u, overste. 6 Toen stond hij op en ging het huis binnen. En hij goot
de olie over zijn hoofd en zeide tot hem: Zo spreekt de HERE, de God van
Israël: Ik zalf u tot koning over het volk des HEREN, over Israël. 7 Gij
zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed van mijn knechten, de
profeten, ja, het bloed van alle knechten des HEREN aan Izebel wreke. 8 En
het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al wat mannelijk is
uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; 9 dan zal Ik met het huis
van Achab evenzo handelen als met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat
van Basa, de zoon van Achia; 10 en Izebel zullen de honden verslinden op
de akker te Jizreël, en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur en
vluchtte weg. 11 Daarna kwam Jehu naar buiten bij de dienaren van zijn
heer en een hunner zeide tot hem: Is alles wel? Waarom is deze waanzinnige tot
u gekomen? En hij antwoordde hun: Gij kent immers de man en zijn gepraat.
12 En zij riepen: Leugens! Deel het ons toch mee. Toen zeide hij: Zo en zo
heeft hij tot mij gesproken: aldus spreekt de HERE: Ik zalf u tot koning over
Israël. 13 Daarop nam ieder haastig zijn kleed en spreidde het voor zijn
voeten op de treden van de trap; zij bliezen op de hoorn en riepen: Jehu is koning!
14 Aldus
smeedde Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een samenzwering tegen
Joram. Joram nu had Ramot in Gilead bezet, hij en geheel Israël, tegen Hazaël, de koning van Aram; 15 en
koning Joram was teruggekeerd om te Jizreël genezing te zoeken voor de wonden,
die de Arameeërs hem hadden toegebracht, toen hij streed met Hazaël, de koning
van Aram. En Jehu zeide: Indien gij er zo over denkt, laat dan niemand uit de
stad ontkomen om dat in Jizreël te gaan berichten.
16 Toen besteeg
Jehu zijn wagen en ging naar Jizreël, want Joram lag daar (ziek). En Achazja,
de koning van Juda, was gekomen om Joram te bezoeken. 17 De wachter nu
stond op de toren te Jizreël; hij zag de troep van Jehu aankomen en zeide: Ik
zie een troep. Toen zeide Joram: Neem een ruiter en zend hun die tegemoet om te
vragen: Is het vrede? 18 De ruiter ging hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de
koning: Is het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer
om, volg mij! En de wachter berichtte: De bode is bij hen gekomen, maar keert
niet terug. 19 Toen zond hij een tweede ruiter. Ook deze kwam bij hen en
zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met vrede
te maken? Keer om, volg mij! 20 En de wachter berichtte: Hij is bij hen
aangekomen, maar keert niet terug. En zoals zij voortjagen, zo jaagt alleen
Jehu, de zoon van Nimsi, want hij jaagt als een razende. 21 Toen zeide
Joram: Span in. En men spande zijn wagen in. En Joram, de koning van Israël, trok uit met Achazja, de koning van Juda,
ieder op zijn wagen zij trokken uit, Jehu tegemoet en troffen hem aan op de
akker van de Jizreëliet Nabot. 22 Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: Is
het vrede, Jehu? Maar deze antwoordde: Wat vrede, zolang de hoererijen van uw
moeder Izebel en haar vele toverijen
voortduren? 23 Daarop wendde Joram de teugel, vluchtte en riep Achazja
toe: Verraad, Achazja! 24 Maar Jehu omklemde de boog en trof Joram tussen
zijn schouders, zodat de pijl hem het hart doorboorde; en hij zakte in zijn
wagen ineen. 25 Toen zeide Jehu tot zijn hoofdman Bidkar: Neem hem op en
werp hem op de akker van de Jizreëliet Nabot. Want herinner u, dat de HERE, toen gij en ik zij aan zij reden achter
zijn vader Achab, deze Godsspraak over hem gaf: 26 Voorzeker, Ik heb
gisterenavond het bloed van Nabot en van zijn zonen gezien, luidt het woord des
HEREN. Ik zal het aan u vergelden op deze akker, luidt het woord des HEREN. Nu
dan, neem hem op en werp hem op de akker, volgens het woord des HEREN. 27 Toen
Achazja, de koning van Juda, dat zag, vluchtte hij in de richting van
Bet-Haggan. Maar Jehu achtervolgde hem en beval: Hem ook! Schiet hem neer op
zijn wagen! (En zij raakten hem) op de helling naar Gur bij Jibleam; hij
vluchtte naar Megiddo en stierf daar. 28 Zijn dienaren vervoerden hem op
een wagen naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf bij zijn vaderen, in de
stad Davids. 29 Achazja nu was
koning geworden over Juda in het elfde jaar van Joram, de zoon van Achab.
Het Bijbelboek
vervolgt verder vanaf vers 30 met de geschiedenis van het smadelijke einde van
Izebel, de dochter van Ethbaal en vrouw van Joram van (2 Koningen 9:30-37).
Daarna vervolgt het verhaal in het tiende hoofdstuk van het Bijbelboek 2
Koningen met de bloedige geschiedenis van de uitroeiing van de zeventig zonen
van Achab te Samaria (2 Koningen 10:1-17). Vervolgens zien we de
terechtstelling van de priesters van de Baäl met een list van Jehu (2 Koningen
10:18-27).
Op de tijdsbalk
plaatsen we al deze gebeurtenissen chronologisch in het eerste regeringsjaar
van Jehu in apr875/mrt874 v. Chr.
2 Koningen 10:28 Alzo
verdelgde Jehu Baäl uit Israël. 29 Maar
van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te
volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-el en
die te Dan waren. 30 De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan
hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan,
naar alles, wat in Mijn hart was, zullen
u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten. 31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in
de wet des HEEREN, des Gods van Israël, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam,
die Israël zondigen deed.
32 In die dagen begon de HEERE Israël af
te korten, want Hazaël sloeg ze in alle landpalen van Israël: 33 Van de Jordaan
af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der
Rubenieten, en der Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en
Gilead, en Basan.
34 Het overige nu der geschiedenissen van
Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al
zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen
van Israël? 35 En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te
Samaria, en zijn zoon Joahaz werd
koning in zijn plaats. 36 En de dagen,
die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren.
(Statenvertaling)
Het slot van het
Bijbelboek 2 koningen hoofdstuk tien verhaalt dat Jehu een machtig koning was
en dat hij gedurende een lange periode van achtentwintig jaar over het
tienstammenrijk geheerst heeft. Zijn zoon werd bij zijn dood als koning over
Israël geïnstalleerd. Jehu kreeg de belofte dat zijn dynastie tot in het vierde
geslacht over Israël koning zou zijn. Negatief staat er over hem geschreven dat
hij in de zonden van Jerobeam volhardde.
Als een gevolg van het doden van koning Ahazia van Juda
door Jehu in 875 v. Chr., greep in Juda de koninginmoeder Athalia (2 Koningen
8:26), de dochter van koning Omri van Israël, de macht en deed een poging het
geslacht van David uit te roeien (2 Koningen 11: 1). De zoon en troonopvolger
van Ahazia werd echter door zijn tante, een zuster van Ahazia, verborgen
gehouden en zijn leven gered. (Zie TIJD
en TIJDEN, 2015, blz. 251-256) zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
2
Koningen 11: 1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon
dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. 2 Maar Joseba, de dochter van den koning
Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas,
den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die
gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat
hij niet gedood werd. 3 En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athalia regeerde over het
land.
In het
zevende jaar (2 Koningen 11:4) werd de koninginmoeder afgezet en de jonge Joas
tot koning gekroond. Dat was het zevende regeringsjaar (869 v. Chr.) van Jehu
in Israël.
2
Koningen 12: 1 In het zevende jaar
van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de
naam zijner moeder was Zibja van Ber-seba. 2 En Joas deed dat recht was in de
ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.
Het hierboven
bijgevoegde chronologische schema toont in het jaar 860 v. Chr. een verticale
rode markeringslijn voorstellende de meganatuurcatastrofe die toen de oude
wereld trof. De Bijbel zwijgt over dit feit. Het was het jaar van de stichting
van Carthago. Het jaartal 860 v. Chr. heb ik bekomen door het werken met de
jaartallen die Flavius Josephus voor de Fenicische koningen opgeeft, en de link
met Salomo en de bouw van de Tempel te Jeruzalem. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: 860 v.
Chr. het jaartal van de stichting van Carthago, blz. 257-263, heb ik dit
uitgewerkt. Er zaten volgen Josephus 143 jaar en acht maanden tussen het begin
van de bouw van de Tempel en de stichting van Carthago. De regeerperiode van
Salomo was 1007/967 v. Chr., en dit op basis van de sabbat- en jubeljaarrekening
volgens William Whiston. Het resultaat op de tijdsbalk is 860 v. Chr.
Verder
maak ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, de verbinding met het werk van Donald W.
Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer:
(The
Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, by, Chapter VI), en
identificeer de mega-natuurcatastrofe van 860 v. Chr. als zijnde van kosmische
oorsprong
De drie
aangehaalde bronnen leiden alle naar het jaartal 860 v. Chr. ter datering van
de meganatuurcatastrofe die de oude wereld toen getroffen heeft.
De datering van Paulusâ ontmoeting met de opgestane Christus
Mijn scheurkalender
heeft vandaag (25 januari) de vermelding: Sint-Paulus bekering. Dit naast de
vermelding van andere Roomse heiligen.
De
bekering van Paulus in de maand januari, negen maanden na de Pesachweek klopt echter
Bijbels-chronologisch gezien, niet.
In mijn
werk TIJD en TIJDEN, 2015,
hoofdstuk: 44 AD een navigatiepunt in de tijd, blz. 447-453, heb ik de
chronologie van Paulus bekering en zendingsreizen op basis van de gegevens van
het Bijbelboek Handelingen en de brief van Paulus aan de Galaten, uitgewerkt.
(Voor wie het boek nog niet aangeschaft heeft en interesse heeft, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)
De
bekering van Paulus wordt beschreven in het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek
Handelingen. Op weg naar Damascus had Paulus zijn ontmoeting met de opgestane
Heer en Heiland Jezus Christus. Een verhaal dat in de christenwereld algemeen
bekend is. De datering van Paulus ontmoeting met Jezus Christus naar het einde
toe van de maand januari, is echter gissen. Het Bijbelboek Handelingen geeft in
de eerste hoofdstukken namelijk heel weinig of geen informatie waarmee we een
en ander van de beschreven gebeurtenissen op de tijdsbalk zouden kunnen
vastpinnen.
De
Pesachweek van 30 AD viel begin april. Het Pinksterfeest volgde aldus zeven
maal zeven weken later eind mei 30 AD. De EKKLESIA ging toen, met de
uitstorting van de Geest Gods over ongeveer 120 mensen, zowel mannen als
vrouwen, van start.
Ik ben
van mening dat de gebeurtenissen zoals beschreven in de hoofdstukken drie tot
en met negen alle in het jaar 30 AD plaatsvonden en dat de ontmoeting van Paulus
met Christus in het najaar van 30 AD plaatsvond. Paulus verblijf van drie jaar
te Damascus dateren we nu van de winter van 30/31 AD tot de winter van 32/33
AD. In het boek Handelingen wordt de periode van drie jaar beschreven als: En
toen er verscheidene dagen verlopen waren.., wat chronologisch geen probleem
oplevert. Een westerling zou vandaag via zijn lineair historisch denken (dat
wij van de Grieken hebben) deze geschiedenis anders neerpennen. Lucas, de
schrijver van het boek Handelingen, gaf de zaken weer op een wijze die toen voor
iedereen van die cultuur begrijpelijk was. Van ons vraagt het heden alleen maar
goede wil om een en ander te zien zoals de Bijbelschrijvers en de Geest die
hen inspireerde het toen neerpenden. Want wie op zoek is in de Bijbel om de
Bijbelse historische gegevens lineair op een tijdsbalk te plaatsen komt nooit
bedrogen uit, want het zit er wel degelijk in. De Bijbel is een boek voor alle
culturen van alle tijden.
In het
voorjaar van 33 AD vond Paulus ontmoeting met Petrus en Jakobus te Jeruzalem
plaats. Dit was dan een private ontmoeting en geen officiële gemeentelijke samenkomst
. Na een verblijf van vijftien dagen volgens de Galatenbrief, werd Paulus wegens
gevaar voor zijn leven naar de havenstad Caesarea gebracht en vertrok hij
volgens Handelingen 9:26-30, vandaar naar Tarsus in Cilicië. Paulus zou volgens
de Galatenbrief daarop geruime tijd in Syrië en Cilicië werkzaam zijn. In het
boek Handelingen, in de volgende hoofdstukken, handelen de beschreven
gebeurtenissen buiten het zendingsbereik van Paulus. Het is pas in hoofdstuk
11:25 dat Barnabas er op uit gestuurd wordt om Paulus te zoeken ter
ondersteuning van het werk in Antiochië. Het is pas in het elfde hoofdstuk van
het boek Handelingen dat we de eerste maal een clou vinden waar we ergens op de
tijdsbalk van de wereldgeschiedenis beland zijn. Hierna het citaat:
Handelingen
11:25 En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te
zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. 26 En het
geschiedde, dat zij een vol jaar (43/44
AD) in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en
dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. 27 En in
die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen,
genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote
hongersnood zou komen over het gehele rijk, (voor het jaar 46/48 AD uitgesproken!) die dan ook gekomen is onder
Claudius (46/48 AD). 29 En de
discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot
ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; 30 dit deden zij ook en
zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus. (NBG
Vertaling 1951)
Einde
citaat
De
geprofeteerde hongersnood ten tijde van keizer Claudius kan historisch
nauwkeurig gedateerd worden voor een periode van drie jaar van het jaar 46 tot
48 AD. De profetie van Agabus werd aldus voor het jaar 46 AD uitgesproken. Een
volgende belangrijke tijdsaanduiding in het Boek Handelingen hoofdstuk 12:21 is
de beschreven dood van Koning Agrippa I die op de tijdsbalk der
wereldgeschiedenis in het jaar 44 AD gedateerd werd. Dit sterven geschiedde
volgens Handelingen 12:1-5 na het Paasfeest van 44 AD, een periode ook van
beschreven vervolging van de jonge gemeente te Jeruzalem door Agrippa.
Het is
in het jaar 44 AD dat Paulus volgens de Galatenbrief een tweede maal naar
Jeruzalem gaat wat aansluit bij Handelingen 12:24 t/m 13:1-3. De periode van
veertien jaar die Paulus in zijn
Galatenbrief vermeld zijn dus te rekenen vanaf het jaar van zijn bekering in 30 AD. Het tweede bezoek aan
Jeruzalem zag geen bijzondere samenkomst maar het enige doel was het brengen
van hun liefdedienst aan de gemeente te Jeruzalem. Daarna keerde Paulus terug
naar Antiochië om onmiddellijk aan zijn zendingsreis te beginnen. Een reis die
hem naar de steden van Galatië zou leiden. Vanuit Antiochië ging het via Cyprus
naar Perge in Pamfylië en vandaar naar steden in Galatië waar zij onder hevige
tegenstand van sommige Joden het evangelie aan Joden en Grieken brachten. Te
Lystra was de tegenstand zo erg dat Paulus door een menigte gestenigd werd en
voor dood achtergelaten (Handelingen 14:19). En het is via deze gebeurtenis dat
we weer een ankerpunt op de tijdsbalk hebben. Paulus verhaalt namelijk vele
jaren later deze gebeurtenis van het stenigen en zijn schijndood aan de
Korintiërs in zijn tweede brief hoofdstuk 12 en vermeld erbij dat dit voorval veertien
jaar eerder geschied was. De tweede brief aan de Korintiërs wordt algemeen
aangenomen dat deze in 58 AD door Paulus geschreven werd. Wanneer we veertien
jaar van dit jaartal aftrekken zitten we in het jaar 44 AD voor de zendingsreis
naar Galatië.
De
conclusie is dat Paulus bij zijn terugkomst in Antiochië in het voorjaar van 45
AD zijn brief aan de Galaten schreef en historisch getrouw correct gewag maakt
van slechts twee reizen naar Jeruzalem. De brief van de Galaten gaat namelijk
vooraf aan zijn derde reis naar Jeruzalem die in Handelingen hoofdstuk 15
beschreven wordt. Een bijzondere bijeenkomst te Jerusalem die in het jaar 45 AD
gedateerd wordt.
De
bekering van Paulus zit op de tijdsbalk verankerd in het najaar van 30 AD, het
jaar van de kruisdood, opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. De jaren 44
AD en 30 AD zitten als navigatiepunten in de tijd met elkaar op de tijdsbalk
verankerd.
En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamenâ¦
Met dit
artikel wil ik de beloofde verlosser uit het Bijbelboek 2 Koningen 13:5 met de
Assyrische koning Adad Nirari III identificeren, en verder de chronologische
gegevens van de Assyrische annalen betreffende Adad Nirari III aan de
chronologische gegevens van de Bijbel aanpassen, en op de tijdsbalk
verankeren.
De
Assyriër Adad Nerari III was een tijdgenoot van de Bijbelse koningen Joahaz en
Joas in Israël en van de koningen Joas en Amazia in Juda.
De minderjarige
Assyrische koning Adad Nirari III volgde onder voogdijschap van zijn moeder
koningin Sammurat, zijn vader Shamsi Adad V op. Zijn regeringsjaren zijn
volgens de orthodoxe berekening: 812/783
v. Chr. Volgens mijn revisie regeerde hij van 847 tot 820 v. Chr. Een verschil van 35 jaar.
Het
verschil tussen het orthodoxe jaartal 812 v. Chr. en het gereviseerde jaartal
847 v. Chr. (aan de hand van de Bijbel) voor het eerste regeringsjaar van Adad
Nerari III, is groot. Men zou de schouders kunnen ophalen menende dat mijn
revisie van de geschiedenis van de oudheid, wat de Assyriologie betreft, een
brug te ver is.
De
Assyriologie bezit via de zogenaamde eponiemlijsten een koningslijst van de
Assyrische koningen die vanaf de val van Nineveh, tot de negende eeuw v. Chr.
teruggaat. Daarenboven heeft men de koningslijst verbonden met een
astronomische berekende zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. Het
eponiem namelijk van Bur Sagale in het tiende regeringsjaar van koning Assur
Dan, vermeldt een verduistering van de zon over Nineveh. De regeerperiode van
Adad Nerari III werd berekend op basis van de verankering van het tiende
regeringsjaar van Assur Dan in het jaar 763 v. Chr. Zie link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/
Het
lijkt allemaal exacte wetenschap, maar in wezen is het dat niet. Men gaat er
namelijk vanuit dat de Assyrische koningslijst volledig is en er geen namen zouden
ontbreken. En hier wringt het schoentje aangezien er vanuit de Bijbel, de
werken van Flavius Josephus, en andere bronnen, er duidelijke aanwijzingen zijn
dat wel degelijk namen van Assyrische koningen uit de lijst verwijderd werden.
Een Bijbels voorbeeld is de Assyrische koning die ten tijde van de Hebreeuwse
profeet Jona zich tot de God van Israël keerde voor uitredding van de aangekondigde
ramp.
Een
ander voorbeeld is de Griekse legende over een Assyrische koning met de naam
Sardanapallos die de orthodoxe Assyriologie, zo hij al bestaan heeft, met
Assurbanipal identificeert. Van Assurbanipal weten we dat deze Assyrische koning
een zogenaamde cultuurmens was, bibliotheken oprichtte en in zijn tijd al aan
archeologie deed. De Sardanapallos van het Griekse verhaal is hier echter met zijn
brasserijen en schokkend levenseinde, een waar tegenbeeld van.
Toen de
voormalige IMF-baas Dominique Strauss-Kahn verleden jaar in het nieuws kwam wegens
een rechtszaak in verband met zijn vermeende brasserijen, werd hij in de pers
met Sardanapallos vergeleken. Op een dag werd ik toen door de BRT-radio
opgebeld met de vraag voor meer uitleg over wie de historische Sardanapallos
met zijn orgieën geweest was. Ik was hen graag van dienst en gaf aan de
telefoon de nodige uitleg. Ik zou s avonds nogmaals vanuit de studio gebeld
worden ter uitzending. Toen ik s avonds op het juiste radiokanaal afstemde
bleek dat men voor commentaar van een orthodoxe Assyrioloog gekozen had. De
opgebelde deskundige had het echter uitsluitend over de weldaden van
Assurbanipal, met een teleurgestelde BRT-omroeper die een paar keer onderbrak
en in feite alleen informatie over de seksorgieën van Sardanapallos wilde
weten, maar daarover van de deskundige geen antwoord kreeg. Ik was na de
uitzending zo vrank en vrij om de studio te bellen en te zeggen dat ik het
beter gekund had. Men had intussen al begrepen dat Sardanapallos van de legende
geen enkele overeenkomst met de historische Assurbanipal had.
Sardanapallos
(Griekse naam van een Assyrische koning) en Assurbanipal zijn namelijk twee te
onderscheiden koningen.
Maar nu
verder met de geschiedenis van Assur Nerari III. Van de koninginmoeder en
regentes Sammurat van Adad Nerari III is een stele bewaard gebleven (gevonden
te Kalat Sherkat in Assyrië) waarin het co-regentschap met de minderjarige Adad
Nirari III vermeld wordt. Een andere vermelding (Sabaa stele) geeft voor de
duur van het co-regentschap een periode van vijf jaar op.
De
orthodoxie identificeert koningin Sammurat met de legendarische Semiramis, de
vrouw van de Bijbelse Nimrod, de eerste machthebber op aarde na de Grote Vloed.
De Bijbelse gegevens betreffende Nimrod worden door hen als mythe beschouwd.
Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Het Bijbelboek Genesis is
geschiedschrijving. De Sammurat van de negende eeuw voor Christus is te
onderscheiden van de Semiramis van het derde millennium voor Christus.
De
eerder vermelde Sabaa-stele verhaalt eveneens een militaire campagne van Adad
Nirari III naar Damascus in zijn vijfde regeringsjaar.
Against Aram I marched. Mari', king of Aram, in
Damascus his royal city, I shut up. The terrifying splendour of Assur
overwhelmed him and he laid hold of my feet, he became my vassal. 2300 talents
of silver, 20 talents of gold, 3000 talents of copper, 5000 talents of iron,
coloured woollen and linen garments, an ivory bed, an ivory couch...his
property and his goods, in immeasurable quantity, in Damascus, his royal city, in his palace, I received.
Dit
jaar is volgens de revisie op onze tijdsbalk, het jaartal 843 v. Chr. Dit
gegeven past echter niet met de Bijbelse gegevens betreffende Damascus/Aram als
belager van het tienstammenrijk. Het Bijbelboek 2 Koningen geeft Aram tijdens
deze periode weer, als een vijand van koning Joahaz van Israël. Joahaz regeerde
zeventien jaar van 847 tot 830 v. Chr. Een Assyrische belegering van Damascus
met een verzwakking van Aram tot gevolg, past niet in dit tijdsschema. Hierna
het betreffende Bijbelgedeelte:
2
Koningen 13:1 In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja, de
koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te Samaria;
hij regeerde zeventien jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en
volgde de zonden na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen
bedrijven; daarvan week hij niet af. 3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN
tegen Israël, en Hij gaf hen in de macht
van Hazaël, de koning van Aram, en in de macht van Benhadad, de zoon van
Hazaël, al die tijd. 4 Maar Joachaz
zocht de gunst van de HERE, en de HERE hoorde naar hem, want Hij had gezien hoe
zwaar de koning van Aram Israël verdrukte. 5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de
overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen
zoals tevoren. 6 Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam,
die hij Israël had doen bedrijven; daarmee gingen zij voort. Ook bleef te
Samaria de gewijde paal staan. 7 Waarlijk, hij had aan Joachaz geen krijgsvolk
overgelaten dan vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk;
want de koning van Aram had hen te
gronde gericht en hen gemaakt als stof bij het dorsen. (NBG Vertaling 1951)
De
conclusie moet zijn dat de vermelding op de Sabaa stele betreffende de
belegering van Damascus in het vijfde
regeringsjaar van Adad Nirari III fout is. Hoogstwaarschijnlijk hebben we
met een schrijffout te maken en is het
vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III bedoeld. De Assyrische
gegevens spreken elkaar onderling ook tegen, wat maakt dat ik van een foutieve
Assyrische kroniek kan uitgaan.
De
bekende eponiemlijsten geven in
afwijking met de Sabaa stele, voor het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari
III geen campagne naar Damascus weer, maar een veldtocht naar Arpad in
Noord-Syrië. Wat vreemd is aangezien Arpad slechts een provinciestad was en
Damascus echter de hoofdstad van het toen machtige Aram. Hierna de Eponiemlijst
van alle regeringsjaren van Adad Nirari III ter illustratie. De jaren tussen
haakjes zijn de jaartallen van de orthodoxe met rechts mijn gereviseerde
jaartallen:
[809/808] 847/846
During the eponymy of Adad-Nirari [III],
the king of Assyria, campaign against Media
[808/807] 846/845
During the eponymy of Nergal-ilaya, the commander in chief, campaign against
Guzana.
[807/806] 845/844
During the eponymy of Bêl-dân, the palace herald, campaign against Mannea.
[806/805] 844/843
During the eponymy of Sil-Bêli, the chief butler, campaign against Mannea.
[805/804] 843/842During the eponymy of Aur-taklak, the chamberlain, campaign
against Arpad.
[804/803] 842/841
During the eponymy of Ilu-issiya, governor of Aur, campaign against Hazazu.
[803/802] 841/840
During the eponymy of Nergal-ere, governor of Rasappa, campaign against
Ba'alu.
[802/801] 840/839
During the eponymy of Aur-balti-ekurri, governor of Arrapha, campaign against
the Sealand; plague.
[801/800] 839/838
During the eponymy of Inurta-ilaya, governor of Ahizuhina, campaign against
Hubukia.
[800/799] 838/837 During the eponymy of ep-Itar,
governor of Nisibis, campaign against Media.
[800/799] 837/836
During the eponymy of ep-Itar, governor of Nisibis, campaign against Media
[799/798] 836/835
During the eponymy of Marduk-imanni, governor of Amedi, campaign against
Media.
[798/797] 835/834
During the eponymy of Mutakkil-Marduk, the chief eunuch, campaign against
Luia.
[797/796] 834/833
During the eponymy of Bêl-tarsi-iluma, governor of Kalhu, campaign against
Namri.
[796/795] 833/832During the eponymy of Aur-bêla-usur, governor of Habruri, campaign
against Manduate.
[795/794] 832/831
During the eponymy of Marduk-aduni, governor of Raqmat, campaign against Der.
[794/793] 831/830
During the eponymy of Kinu-abua, governor of Tuhan, campaign against Der.
[793/792] 830/829
During the eponymy of Mannu-ki-Aur, governor of Guzana, campaign against
Media.
[792/791] 829/828
During the eponymy of Muallim-Inurta, governor of Tille, campaign against
Media.
[791/790] 828/827
During the eponymy of Bêl-iqianni, governor of ibhini, campaign against
Hubukia.
[790/789] 827/826
During the eponymy of ep-ama, governor of Isana, campaign against Itu'a.
[789/788] 826/825
During the eponymy of Inurta-mukin-ahi, governor of Nineveh, campaign against
Media.
[788/787] 825/824
During the eponymy of Adad-muammer, governor of Kalizi, campaign against
Media; foundations of the temple of Nabû in Nineveh laid.
[787/786] 824/823
During the eponymy of Sil-Itar, governor of Arbela, campaign against Media;
Nabû entered his new temple.
[786/785] 823/822
During the eponymy of Nabû-arra-usur, governor of Talmusu, campaign against
Kisku.
[785/784] 822/821
During the eponymy of Adad-uballit, governor of Tamnuna, campaign against
Hubukia; [the god] Anu the Great went to Der.
[784/783] 821/820
During the eponymy of Marduk-arra-usur, governor of Arbela, campaign against
Hubukia.
[783/782] 820/819
During the eponymy of Inurta-nasir, governor of Mazamua, campaign against
Itu'a.
[782/781] 819/818
During the eponymy of Iluma-le'i, governor of Nisibis, campaign against Itu'a.
De
conclusie moet zijn dat naar het einde toe van de regeringsperiode van Joahaz
van Israel, en los van de tegensprekelijke eponiemlijst, een Assyrische invasie
in Aram heeft plaatsgevonden. Hoogstwaarschijnlijk in het vijftiende regeringsjaar
van Adad Nirari III.
De
Assyriër Adad Nirari III werd zodoende een verlosser voor Israël:
2
Koningen 13:5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de
overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen
zoals tevoren.
De
Bijbel noemt de naam niet, noch de nationaliteit van deze verlosser die hen van
de overheersing door Aram verloste. Maar ook in het Assyrische verslag wordt
bijvoorbeeld de naam van de koning van Aram niet genoemd. Er is slechts een
verwijzing naar een Mari, koning van Aram. Mari is hier geen eigennaam maar
betekent alleen HEER. De Assyrische berichtgeving voor deze tijdsperiode is
onduidelijk en levert vraagteken op vraagteken. Met de hulp van de historische
boeken van de Bijbel en de fragmentarische Assyrische gegevens is het mogelijk
een en ander te reconstrueren.
De
Eponiemlijst vermeldt in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III een
campagne naar Manduate. Dit gebied wordt algemeen als de Bekavallei in de
Libanon geïdentificeerd. Het ligt voor de hand aangezien het van de Bekavallei
slechts een steenworp naar Damascus is, en in dat zelfde jaar Damascus belegerd
werd.
Er is
ook een stele van Adad Nirari III gevonden waar deze claimt schatting van
koning Joas van Juda, ontvangen te hebben. Dit gegeven past ook in het jaar
833 v. Chr. met de campagne van Adad Nerari III tegen Damascus. Dat jaar was
het eerste regeringsjaar van Joas van Juda in co-regentschap met zijn vader
Joahaz.
De
afbeelding hierna is van een granieten leeuwenbeeld uit de derde eeuw v. Chr.
(c. 275/260 v. Chr.) met de namen erop van zowel de Nubische koning Amanislo
als de naam van Toetanchamon uit de (volgens de orthodoxie) veertiende eeuw v.
Chr. (c. 1332/1323 v. Chr.). Tussen beide koningen zit er in het conventionele
model zo maar even een verschil van meer dan duizend jaar.
Het
beeld stond oorspronkelijk in de tempel van Soleb in Nubië (het huidige
Soedan). Tegenwoordig verblijft het in het British Museum.
De twee
namen met een tijdskloof van duizend jaar is voor de orthodoxe egyptologie moeilijk
verklaarbaar. Een logische verklaring bestaat er in het orthodoxe model dan ook
niet en het blijft een vraagteken waarom een Nubische heerser zijn naam zou
toevoegen, aan een beeld van Toetanchamon?
Farao
Toetanchamon is op de tijdsbalk in de veertiende eeuw voor Christus beland, als
een gevolg van het rangschikken van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk door
de Egyptoloog Eduard Meyer, op basis van een door hem gehanteerde vermeende
Sothis-kalender. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft echter
de zogenaamde Sothis-kalender als een latere uitvinding van Grieken en Romeinen
ontmaskerd (zie TIJD en TIJDEN,
2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27-46). Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
Volgens
mijn herziening van de geschiedenis van het oude Egypte heeft farao
Toetanchamon nu de jaren 684/675 v. Chr.
op de tijdsbalk, wat slechts een verschil geeft van enkele eeuwen met Amanislo,
in plaats van de meer dan duizend jaar in het orthodoxe model. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk:
Mykerinos-Toetanchamon, blz. 345-353.
Ik wijk
met ongeveer honderd jaar op de tijdsbalk af, van Dr. I. Velikovsky s reconstructie van de geschiedenis van de
oudheid. In mijn reconstructie pas ik wel dezelfde werkmethode van Velikovsky
toe. Hierna een citaat uit Eeuwen in Chaos, 1952, blz.255:
in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele
eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel
andere namen dragen dan de door ons
gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes
eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer
ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken
uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn
hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van
Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en
Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet
bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in
Jeruzalem, Samaria en Damaskus.
In mijn
boek TIJD en TIJDEN, pas ik dezelfde methode toe en schuif meer dan zeven
eeuwen op de tijdsbalk met als resultaat Achaz in Jeruzalem en Pekah in
Samaria. Toetanchamon sluit de rij van Aton-ketters af in het jaar 675 v. Chr.
De
gevestigde Egyptologie leert dat haar ordening op de tijdsbalk van de dertig
Egyptische dynastieën van Manetho, op basis van het gebruik van een
veronderstelde dubbele kalender in het oude Egypte, de zogenaamde
Sothis-kalender, correct is. Het revisionisme van de geschiedenis van het oude
Egypte heeft deze fabricatie onderuit gehaald, en aangetoond dat de
Sothis-kalender met tijdsperioden van telkens 1460 jaar een fantasie, een
verzinsel van de oude Grieken en Romeinen was.
De
gevestigde Egyptologie laat de eerste veronderstelde Sothis-schijf van 1460
jaar in het jaar 139 AD terug de tijd in, aanvangen. Dit aan de hand van het boek
van de Romeinse grammaticus Censorinus DE DIE NATALI uit 239 AD. In dat jaar
vermeldde de Romeinse grammaticus Censorinus dat in 139 AD de eerste dag van de
maand Thoth (juli/augustus) met het begin van het Egyptische kalenderjaar,
samenviel met de heliakische verschijning van de ster Sirius of Sothis wat
het einde van een Sothis-cyclus van 1460 jaar veronderstelde. Zijn boek was geschreven
ter ere van de verjaardag van Censorinus broodheer: Quintus Caerellius. In het
boek schreef Censorinus dat in het jaar 139 AD de Hondsster verschenen was op
de eerste dag van de maand Thoth, en dat die dag gelijk viel met 19 juli van de
Romeinse kalender. Die dag zou dus een nieuw Sothis-tijdperk hebben zien
aanvangen.
Wat
minder aandacht krijgt is dat er een tegenstrijdig manuscript bestaat dat een
veronderstelde Sothis-periode laat eindigen in het jaar 26 v. Chr. De astronoom
Theon van Alexandrië uit de vierde eeuw na Chr. stelt namelijk dat er een
heliakisch opgaan van Sirius/Sothis geschiedde in het vijfde regeringsjaar van
Augustus, zijnde het jaar 26 v. Chr.
Het
verschil van 164 jaar tussen beide jaartallen wordt door de orthodoxie niet
verklaard en stilzwijgend genegeerd.
Dat men
de ketterfarao s van de zonaanbidding in de veertiende eeuw v. Chr.
ondergebracht heeft is een onderdeel van een lange tijdsketting met zwakke
schakels.
De
enige schijnbare verbinding die er in de veertiende eeuw v. Chr. met Achnaton en
zijn opvolgers op de tijdsbalk bestaat, is de Amarna-briefwisseling van een
Assyrische heerser met de naam Assur Uballit. Maar ook deze schakel is verbroken. De briefschrijver Assur Uballit
noemt zich namelijk de zoon van Assur-Nadin-Ahe. Dit is in tegenspraak met de
Assyrische Eponiemlijsten, waar de Assur Uballit van de veertiende eeuw v. Chr.
vermeldt staat als de zoon van Eriba-Adad. Klaarblijkelijk zijn er meerdere
Assyrische koningen met de naam Assur Uballit geweest. De laatste
koning van Assur droeg overigens ook de naam Assur Uballit. De Assur Uballit
van de achtste eeuw v. Chr. was een van de vele koningen van Assyrië die toen
in triumviraat de troon met elkaar deelden.
De
Egyptologie is, wat de chronologie van de farao s betreft, geen exacte
wetenschap en aan herziening toe. Dat er nog geen eenvormigheid onder de
verschillende revisionisten van de geschiedenis van de oudheid bestaat, is geen
reden om nog langer de datering van de gevestigde Egyptologie, op basis van een
veronderstelde dubbele kalender te blijven volgen.
Een
chronologie op een tijdsbalk uitwerken is zoals kompaslopen bij de padvinders,
men heeft een stafkaart (het correcte historische plaatje) en kompas nodig en
daarnaast op het terrein meerdere navigatiepunten ter bepaling waar men is en
waar men naar toe gaat. De nieuwe navigatiepunten in mijn reconstructie van de
geschiedenis van het oude Egypte zijn in de eerste plaats de Bijbel, de werken
van Flavius Josephus en de oudheidhistoricus Herodotos.
De
wetenschap zou een geallieerde kunnen zijn in het leveren van een kruispeiling
ter extra bevestiging van ons chronologisch navigeren met de Aton-ketters, op
de tijdsbalk.
Van
rietmatten uit het graf van Toetanchamon
bijvoorbeeld die aan een C-14 ouderdomstest onderworpen werden, heeft het
British Museum nooit de resultaten bekendgemaakt. Er zou sprake zijn van een
resultaat van vele eeuwen verschil, in afwijking van de (gefabriceerde) jaartallen
van de orthodoxe egyptologie voor Toetanchamon. Het gebruikte materiaal zou
volgens de onderzoekers gecontamineerd zijn (Schepping en Wetenschap, drs. J.A.
van Delden, 1977, hoofdstuk 13), en daarom voor hen foute jaartallen opgeven.
Zolang bij
het establishment de wil niet aanwezig is om de dwingende noodzaak van een
revisie van de chronologie der oudheid ernstig te nemen, zal men verder de
diverse Musea-oudheid-artefacten verkeerd dateren en interessante verbanden
missen.
Binnenkort
breng ik een nieuw boek uit: de zonaanbidder, Achnaton, de strenge hardvochtige
farao van de profeet Jesaja. Met deze studie neem ik de lezer mee naar het
Egypte van de achtste eeuw voor Christus. Het was voor de oude wereld een eeuw
van grote omwentelingen zowel in de natuur als in de godsdiensten, en de machtsverhoudingen
in het algemeen. De Aton-ketters met farao Achnaton op kop worden op de
tijdsbalk naar hun correcte plaats geloodst, en tijdgenoten gemaakt met de
Bijbelse koningen van Israël en Juda: Pekah, Hosea en Achaz alias Labaja, Rib
Addi en Abdi Hiba van de Amarna-correspondentie. Verder identificeer ik Achnaton
met farao Anysis van de vader der historie: Herodotos, en geef opnieuw aandacht
aan het werk van Dr. Immanuel Velikovsky: Oedipus en Achnaton. De Griekse
legende heeft haar oorsprong in het Egyptische Thebe. Het zijn allemaal
puzzelstukjes die in het plaatje van de achtste en begin zevende eeuw v. Chr., tezamen
komen.
Joram
was een jongere zoon van Achab die na de kortstondige regeerperiode van zijn
oudere broer Achazja, koning werd. Achazja regeerde slechts twee jaar, waarvan
een fractie van zijn eerste jaar als co-regent met zijn vader Achab. Ik schreef
eerder dat het co-regentschap te maken had met de slag bij Ramot-Gilead, een
slag waarbij Achab het leven liet. (zie het artikel op dit blog van 08-12-2015, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1449442800&stopdatum=1450047600
1 Koningen 22:52 Achazja,
de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twee jaar over Israël. 53
En hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, en wandelde in de weg van zijn
vader en in de weg van zijn moeder en in de weg van Jerobeam, de zoon van
Nebat, die Israël deed zondigen. 54 Hij diende de Baäl en boog zich voor hem
neer, en krenkte de HERE, de God van Israël, geheel zoals zijn vader gedaan
had. (NBG Vertaling 1951)
In zijn
eerste regeringsjaar verongelukte Achazja en werd ziek, zoals het Bijbelboek 2
Koningen het summier doorgeeft:
2
Koningen 1:1 Moab viel na Achab s dood van Israël af. 2 Achazja viel door het traliewerk van
zijn boven-vertrek te Samaria, en hij werd ziek.
Het
gevolg van het co-regentschap van Achazja met zijn vader Achab, gevolgd door
zijn ziekte en kortstondige regering, maakt dat hij buiten Israël en Juda
onbekend bleef. De Moabietische stele bijvoorbeeld rekent niet met hem. Zie het
artikel op dit blog van 13-10-2015, link:
http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1444600800&stopdatum=1445205600
Daarna
vervolgt het Bijbelboek (2 Koningen 1:1-18) met de geschiedenis van Achazja s
zoektocht naar genezing bij de god Baäl-Zebub, de god van Ekron, en zijn veroordeling daarvoor
door de HERE God van Israël:
2
Koningen 1:16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HERE: aangezien
gij boden gezonden hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen is er
dan geen God in Israël, wiens woord gij kunt raadplegen? daarom zult gij van
het bed waarop gij zijt komen te liggen, niet afkomen, maar gij zult voorzeker
sterven. 17 Zo stierf hij volgens het woord des HEREN, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat,
de koning van Juda; want hij had geen zoon.
De
bijzondere chronologische constructie rond het co-regentschap van Joram van
Juda op de tijdsbalk, in relatie tot Joram van Israël heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN (blz. 237-241)
uitgewerkt. Het ontvangen van een brief van de profeet Elia (2 Kronieken 21:12)
door Joram van Juda past alleen in dit tijdsbestek, en via het co-regentschap.
Zie het artikel op dit blog van 15-02-2014,
link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1391986800&stopdatum=1392591600 en
scrol naar beneden.
De
Bijbel spreekt zich niet tegen, en alle chronologische stukken passen exact in
elkaar.
2
Koningen 3:1 Joram, de zoon van Achab, werd
koning over Israël te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar. 2 Hij deed
wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals zijn vader en zijn moeder:
hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die zijn vader gemaakt had.
3 Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat,
Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af.
Het Bijbelboek 2 koningen vervolgt in hoofdstuk 2 met de
geschiedenis van de ten hemel opneming van de profeet Elia in een storm (2 Koningen 2:11).
De Seder Olam (Part 2, Chapter 17) leert dat dit gebeurde
in het tweede regeringsjaar van koning Achazja van Israël:
Ahaziah ben Ahab ruled for two years . In Ahaziah s second year, Elijah was
hidden and will not be seen again until King Messiah will come, then he
will be seen, then hidden a second time until Gog and Magog come.
Het
Jodendom leert blijkbaar twee komsten van de profeet Elia. Een bij de komst van
de Messias en nog een bij de invasie van Israël door Gog en Magog. Het is
opmerkelijk dat zij oog hebben voor twee komsten van Elia, maar niet voor de
twee komsten van de Messias. De eerste komst en openbaring van Jezus bij de
aanvang van het dertigste jubeljaar, en dit voorafgegaan door Johannes de Doper,
die in de kracht en de geest van Elia, Hem aankondigde, ging aan hen voorbij.
En net zoals er een tweede openbaar worden van Elia zal zijn, zal ook de
Messias, in Heerlijkheid ditmaal, een tweede maal komen, de lang verwachte
wederkomst.
De
wegvoering van Elia, in een storm op een vurige wagen, heb ik op het bijgevoegd chronologische schema met een verticale lijn in
het jaar 887 v. Chr. gemarkeerd. Dit is een afwijking van twee jaar met mijn
eerdere plaatsing van de wegvoering van Elia in het najaar van 885 v. Chr.
In mijn werk TIJD
en TIJDEN, 2015, blz. 331-337, geef ik aandacht aan het werk van Donald W. Patten,
Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met The Long Day of Joshua and Six other Catastrophes, 1973. Zij bouwen
verder aan het pionierswerk van Dr. Immanuel Velikovsky en leveren een raamwerk
van vermoede mega-natuurcatastrofes van kosmische oorsprong.
In mijn
studie hanteer ik hun cyclusjaren van 54 jaar en zes maanden, maar met
ankerjaren op de tijdsbalk gebaseerd op de sabbat- en jubeljaren. Een
belangrijk ankerjaar is bijvoorbeeld het sterfjaar van koning Achaz van Juda in
722 v. Chr. Vanaf dit jaar verkrijgt men 54 jaar en zes maanden eerder het
bijzondere historische jaar 776 v. Chr., met in het najaar de genoteerde
aardbeving van Uzzia. Nog eens 54 jaar en zes maanden terug in de tijd gerekend
arriveren we in het voorjaar van 830 v. Chr. Maar blijkbaar ging er daarvoor een
afwijking aan vooraf, want het resultaat van terugrekenen met 54 jaar en zes
maanden geeft 885 v. Chr. en niet 887 v. Chr. Dit zijn afwijkingen waar Donald
W. Patten en zijn medewerkers mee rekening hielden. De Bijbelse chronologie bevestigt
zulk een afwijking van twee jaar op de tijdsbalk.
Na de
geschiedenis van de profeet Elia en zijn opvolger Elisa vervolgt de Bijbel met
de geschiedenis van de strijd tegen Moab (2 Koningen 3:4-27) door de zoon van
Achab: Joram, geallieerd met Josafat van Juda:
2
Koningen 3:4 Mesa nu,
de koning van Moab, was een
schapenfokker; hij bracht aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op
en de wol van honderdduizend rammen. 5 Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de koning
van Israël af. 6 Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde geheel Israël. 7 En
hij zond tot Josafat, de koning van Juda,
deze boodschap: De koning van Moab is van mij afgevallen; trekt gij met mij
tegen Moab ten strijde? En hij antwoordde: Ik zal optrekken, ik ben als gij,
mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden. 8 Ook vroeg
hij: Langs welke weg zullen wij optrekken? En hij antwoordde: In de richting
van de woestijn van Edom. .
De Bijbel geeft niet
aan in welk jaar deze veldtocht plaatsvond? Maar het meest logische jaar is het
vijfde regeringsjaar van Joram van Israël: apr883/mrt882 v. Chr. In dat jaar
namelijk werd in Juda Joram, de zoon van Josafat als co-regent aangesteld:
2 Koningen 8:16 In het vijfde jaar van Joram, de zoon van
Achab, de koning van Israël Josafat was toen koning van Juda werd Joram, de zoon van Josafat, koning van
Juda. 17 Hij was tweeëndertig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde
acht jaar te Jeruzalem. 18 Hij wandelde in de weg van de koningen van Israël,
zoals het huis van Achab deed, want hij had een dochter van Achab tot vrouw;
hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN. 19 Maar de HERE wilde Juda niet
verderven ter wille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem
te allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven.
Het is niet onlogisch
dat met het oog op de geallieerde veldtocht van Israël en Juda tegen Moab, dat
in Juda een co-regent aangesteld werd. Alhoewel het gezamenlijk oprukken van de
legers van Juda en Israël tegen Moab met een Woord des HEREN geschiedde (2
Koningen 3:10-12), met een belofte van succes merken we dat de Judeeërs en
Israëlieten toch de belegering van Moab afbreken, nadat de Moabietische koning
Mesa zijn zoon en geplande troonopvolger op de vestingmuur voor de ogen van de
belegeraars aan zijn god Kemos brand-offerde. De beschreven grote toorn die
toen over Israël kwam (2 Koningen 3:27), is het resultaat van het eigenzinnig
wegtrekken van de Israëlitische belegeraars, die geen acht meer op het eerdere
Woord des HEREN via de profeet Elisa, sloegen. Hun ontzag voor de Moabietische
god Kemos was blijkbaar groter dan hun ontzag voor de HERE God.
Het voorkomen van het
veelgodendom in de oude wereld kan verklaart worden vanuit de cyclus van
meganatuurcatastrofes die van kosmische oorsprong waren. Volgens het eerder
geciteerde studiewerk van Donald W. Patten was de planeet Mars de boosdoener,
in die tijd. Met intervallen van ongeveer 54 jaar en zes maanden werd de aarde
en haar bewoners opgeschrikt door tekenen aan de hemel. Hierna een citaat van
Patten met een beschrijving, en de gevolgen van zulk een interactie tussen
planeten:
On one or two
occasions of the Mars fly-bys, Mars
was as close as 70.000 miles from Earth,
and at such a distance would appear 50 times as large as the Moon, would reflect 100 times as much
sunlight as the Moon (since its albedo or reflectivity is 15% compared to the
lunar 7%). Mars at that distance would create tidal effects possibly as much as
350 times as intense as the average lunar tides experienced today. Thus
earthquakes plus blizzards of meteors were experienced. Under such
circumstances ancient Teutons might well implore Thor to control his celestial
son Tyr or Tiwes.
De jaren voorafgaand en volgend op een
hiervoor beschreven fly-by gingen gepaard met natuurcatastrofes aller aard.
Het gevolg waren dikwijls mislukte oogsten en hongersnood (2 Koningen 4:38).
Na de geschiedenis van het geallieerde
fiasco tegen Moab vervolgt het Bijbelboek 2 Koningen 4:1-44 met de geschiedenis
van de profeet Elisa. Daarna de bekende geschiedenis van de genezing van de
Syriër Naäman (2 Koningen 5:1-27)
2 Koningen 5:1 Naäman, de legeroverste van
de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want
door hem had de HERE een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een
krijgsheld, was melaats.
Welke overwinning en
op wie, de legeroverste Naäman met de hulp van de HERE God van Israël, een
overwinning behaalde wordt niet vermeld. Op de tijdsbalk is het slechts tien
jaar terug tot de slag bij Karkar, waar de Arameeërs in bondgenootschap met de
Israëlieten tegen de Assyriër Salmaneser III, streden. De Assyriërs claimen op
de bekende Karkar-stele de overwinning, maar we weten dat toen daar de
Assyrische expansie naar het westen voorlopig gestopt werd.
Al een jaar na de
genezing van de legeroverste Naäman was er opnieuw strijd met Aram zoals
beschreven in 2 Koningen 6:8-23 Een strijd die tot 875 v. Chr. met stervensjaar
van koning Joram van Israël zou aanhouden.
Sinds het vijfde
regeringsjaar van Joram van Israël met de veldtocht naar Moab in 883/882 v.
Chr. bestond er een grote toorn (2 Koningen 3:27) over Israël. Deze toorn van
God uitte zich in een hongersnood die zeven jaar zou aanhouden (2 Koningen
8:1). Op de tijdsbalk beslaat deze periode de resterende regeringstijd van
Joram van Israël, tot in 875 v. Chr.
De zeven jaar van
hongersnood lopen toevallig gelijk met de vierde sabbatjaarcyclus van 883 tot
876 v. Chr. Dit is uiteraard geen toeval maar een bevestiging dat mijn
schikking van de regeerperioden van de koningen van Israël binnen het raamwerk
van William Whiston s opgave van sabbat- en jubeljaren, correct is. In het
werk van Louis Ginzberg: Legends of the Jews, Chapter VI, Joram, vinden
we een beschrijving van de jaar na jaar steeds erger wordende hongersnood. De
legende leert dat het zevende jaar van de hongersnood dramatisch was en dat ook
in de winter daaropvolgend de regen uitbleef. Maar in het volgende jaar op de
eerste dag van de maand Nisan begon het te regenen. Een daad van geloof was het
zaaien van het laatst overgebleven zaaigoed in plaats van het als voedsel te
gebruiken. Op de tweede, de derde en de vierde dag van de maand Nisan werd er
gezaaid. Op de vijfde dag viel er opnieuw regen en volgens de legende kon er na
elf dagen al geoogst worden, en was alles ook geregeld voor het Pesach-feest.
De beschreven
belegering van Samaria door Benhadad, de koning van Aram (2 Koningen 6:24-33 en
7:120), speelt zich ten tijde van de hongersnood af.
2 Koningen 6:24 Daarna verzamelde Benhadad, de koning
van Aram, zijn gehele leger, trok op en sloeg het beleg voor Samaria. 25 En er ontstond een zware honger in Samaria; want zij belegerden het zo lang, dat
een ezelskop tachtig zilverstukken kostte en een vierde maat duivemest vijf
zilverstukken.
Het einde van Joram
van Israël viel samen met de dood van koning Ahazia van Juda in 875 v. Chr.
Samen hadden zij zich dat jaar geallieerd voor een veldtocht tegen Aram, maar
delfden het onderspit. Joram van Israël keerde gewond van de strijd terug en
zocht genezing te Jizreël.
2 Koningen 8:25 In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van
Achab, de koning van Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van
Juda. 26 Tweeëntwintig jaar was Achazja oud, toen hij koning werd; hij
regeerde een jaar te Jeruzalem; zijn moeder heette Atalja; zij was de
kleindochter van Omri, de koning van Israël. 27 Hij wandelde in de weg
van het huis van Achab en deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, zoals het
huis van Achab, want hij was verzwagerd met het huis van Achab. 28 Hij
trok met Joram, de zoon van Achab,
uit en streed tegen Hazaël, de koning
van Aram, bij Ramot in Gilead. Maar de Arameeërs verwondden Joram.
29 Dus keerde koning Joram terug om te Jizreël genezing te zoeken voor de
wonden die de Arameeërs hem bij Rama hadden toegebracht, toen hij streed tegen
Hazaël, de koning van Aram. En Achazja, de zoon van Joram, de koning van Juda,
kwam Joram, de zoon van Achab, in Jizreël bezoeken, want hij lag ziek.
Het is te Jizreël dat
generaal Jehu naar een Woord van de HERE God (2 Koningen 9:410) koning Joram
van Israël zou doodden.
Matteüs
2:1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen
in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten
zijn te Jeruzalem aangekomen. 2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het
Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. 3 De koning Herodes nu, dit
gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. 4 En
bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks,
vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem:
Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door den profeet: 6 En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt
geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman
voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. (Statenvertaling)
Het is
alleen de evangelist Matteüs die het verhaal van de wijzen uit het Oosten
brengt. Een geschiedenis die de bron en inspiratie van heel wat kunstwerken is
geworden. Het spreekt ook tot de verbeelding, een ster die Magiërs (Grieks:
Magoi) helemaal vanuit het verre Perzië naar het land Israël leidde. Een ster,
staat er geschreven, die hen ook keer op keer voorging in hun tocht naar het
nieuw geboren Kind: de Koning der koningen.
Matteüs
2:7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk
geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was; 8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide:
Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult
gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde. 9
En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor,
totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met
zeer grote vreugde. 11 En in het huis
gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en
nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan
hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre. 12 En door
Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden
wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.
De
geschiedenis van de ster heeft niet alleen kunstenaars aller aard en leeftijd
geïnspireerd maar ook astronomen die vanuit hun vakgebied één en ander trachten
in te vullen. Dit laatste ging niet vanzelfsprekend en uiteraard zijn er heel
wat theorieën dienaangaande gelanceerd. In mijn publicatie KRONOS, de
chronologie van de oudheid herzien, 2000, isbn 90 73739 109 1/CIP, heb ik in
het tweede hoofdstuk enkele theorieën opgegeven:
In 11
voor Christus is de komeet van Halley gepasseerd, in 7 voor Christus was er een
drievoudige conjunctie van de planeten Jupiter en Saturnus in het sterrenbeeld
vissen, en in 5 voor Christus was er de Nova en Aquila. Aan het einde van het
hoofdstuk sloot ik af met een opmerking: De geboorte van de Heiland in het
jaar zeven voor Christus, het jaar van de constellatie van planeten, wijs ik op
basis van de chronologische gegevens die Lucas verstrekt, af. Met het hanteren
van zeven voor Christus helt men trouwens van astronomie naar astrologie af, en
bewandelt men een pad naar het occulte toe.
Met dit
korte artikel in de laatste week van het jaar 2015, over de ster van Bethlehem,
wil ik de aandacht van mijn lezers vestigen op een interessant commentaar van
de Bijbelvorser E. W. Büllinger (1837/1913) op de ster van Bethlehem, in zijn
Companion Bible met voetnoten: All questions are settled if we regard this as
miraculous.
went before: therefore not an astronomical phenomenon,
but a miraculous and Divine act.
Ik meen
dat Büllinger het bij het rechte eind had. Indien de ster de Oudtestamentische
Shekinah was, is het de HERE God Zelf die de Magoi naar Israël leidde. Het is
de HERE God Zelf die dan ook bij de geboorte van de Heiland, de herders in de
velden nabij Bethlehem, naar de geboorteplaats leidde.
Lucas
2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en
hielden de nachtwacht over hun kudde. 9 En ziet, een engel des Heeren stond bij
hen, en de heerlijkheid des Heeren
omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel zeide tot hen:
Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke
wezen zal; 11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus,
de Heere, in de stad Davids. 12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het
Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. 13 En van stonde
aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en
zeggende: 14 Ere zij God in de hoogste
hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
15 En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren
naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar
Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons
heeft verkondigd. 16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het
Kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij
alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. 18 En allen, die
het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. 19
Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.
20 En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles,
wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. (Statenvertaling)
Het
Griekse woord voor ster in de grondtekst van de Bijbel is: ASTERA. Het woord
ASTERA werd tweeëntwintig maal in de Griekse Bijbel voor de vertaling van
Ster, letterlijk of als metafoor, gebruikt. De laatste maal komen we het
woord ASTERA in de Bijbel tegen in:
Openbaring
22:16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om
ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van
David, de blinkendemorgenster.
De
evangelisten Matteüs en Lucas vullen elkaar aan in het doorgeven van de
geschiedenis van de geboorte van de Christus. Wanneer we de historische
gegevens van de twee evangelisten op de tijdsbalk uittekenen vinden we de
volgende volgorde.
Bij de
geboorte van de Heiland te Bethlehem waren buiten zijn ouders, alleen de
gewaarschuwde herders aanwezig. De wijzen uit het Oosten waren op dat moment
nog onderweg. Dit laatste merken we op bij het eerder geciteerde vers uit
Matteüs 2:1.
Zeven
dagen later op de achtste dag werd baby Jezus volgens de Wet besneden en
drieëndertig dagen daaropvolgend werd Hij door zijn ouders in Jeruzalem in de
Tempel opgedragen (Leviticus 12:1-4). Over de geboortemaand schreef ik eerder
op dit blog een artikel: 23 augustus: een alternatieve Kerstdatum? Zie link:
Het
opdragen van baby Jezus in de Tempel te Jeruzalem geschiedde vermoedelijk met
Rosj Hasjanah. De evangelist Lucas heeft deze bijzondere geschiedenis uitvoerig
in zijn evangelie gebracht. Hierna het Bijbelgedeelte:
Lucas
2:21 En toen acht
dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de
naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was
ontvangen. 22 En toen de dagen hunner
reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar
Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, 23 gelijk geschreven staat in de wet
des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten
voor de Here, 24 en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet
des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.
25 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en
vroom, en hij verwachtte de vertroosting
van Israël, en de heilige Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige
Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de
Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En
toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig
de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en
zeide:
29 Nu laat Gij, Here, uw
dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil
gezien, 31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht
tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. 33 En
zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd.
34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en
tot een teken, dat weersproken wordt 35 en door uw eigen ziel zal een zwaard
gaan , opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden. (NBG
Vertaling 1951)
36 Ook was daar Hanna,
een profetes, een dochter van Fanuël, uit
de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na
haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende
God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij
kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en
zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing
verwachtten.
39 En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des
Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.
(NBG
Vertaling 1951)
Buiten
de priester van dienst (aan wie blijkbaar heel het profetische gebeuren voorbij
ging) zorgde de HERE God te Jeruzalem voor twee getuigen: een man en een vrouw,
Simeon en Hanna.
Vers 39
van het hiervoor geciteerde Bijbelgedeelte, leert dat zij na het vervullen van
de Wet van Mozes te Jeruzalem, naar huis terugkeerden, naar Nazareth in
Galilea. Het is hier in hun huis (Matteüs 2:11) dat de Wijzen uit het Oosten
hun opwachting maakten, nadat zij eerder aan het hof van Herodes de Grote, navraag
deden. Het was weer de ster van Bethlehem die hen naar het huis te Nazareth
leidde:
Matteüs
2:9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn
heengereisd; en ziet, de ster, die zij
in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond
boven de plaats, waar het Kindeken was.
Daarom
meen ik dat Büllinger met zijn concordante Bijbeluitleg gelijk heeft met de
ASTERA van Bethlehem als an Act of God te zien.
Het is
vanuit Nazareth dat Jozef en Maria met hun baby Jezus naar Egypte trokken, na
het vertrek van de Wijzen.
Matteüs
2:13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel
des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het
Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u
zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden. 14 Hij
dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en
vertrok naar Egypte; 15 En was aldaar tot
den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere
gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. (Statenvertaling)
Herodes
de Grote stierf in maart van het jaar vier v. Chr.
Het
geboortejaar van de Heiland in het jaar vijf v. Chr. heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN, 2005, behandelt in de
hoofdstukken: Herodes de Grote, blz. 437 en het hoofdstuk 27/28 AD, een
navigatiepunt in de tijd, blz. 443. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
Tot
slot wens ik al mijn lezers een gelukkig Nieuw Jaar 2016 AD toe.
De
HEERE zegene u, en behoede u in 2016
De
HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig in 2016
De
HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede in 2016
Definitie
van het woord Advent: (Latijn: Adventus, komst) aanduiding van de komst van de
Zoon van God in het vlees, de incarnatie; voorts van Zijn wederkomst ten
oordeel in de volheid der tijden.
Niet
alleen de voorbereidingstijd tot het kerstfeest is volgens de definitie van
advent bedoeld, maar ook een leven in de verwachting van de wederkomst van
Christus.
Dit
laatste is een verwachting die het traditionele christendom, ook wat er van
overblijft in de derde generatie sinds de kerkverlating, niet meer kent. De
verwachting van het traditionele christendom is er een van als mens geboren
worden, ouder worden, moeten sterven en daarna de hemel (als het goed is), de niet-gelovigen
wacht de traditionele hel.
Dit
christendom heeft weinig of geen kennis van de Bijbel. De Bijbel leert nochtans
duidelijk en niet mis te verstaan, een wederkomst van Christus. Deze komst
heeft Jezus tijdens zijn leven en bediening voorzegt, en werd door de
evangelisten zo genoteerd. Onmiddellijk na Zijn hemelvaart wordt dezelfde
boodschap herhaald.
Handelingen
1:6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen
Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in
deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw
zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan
Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest
over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en
Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd
Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. 10
En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte
klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij
daar en ziet op naar de hemel? Deze
Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen,
als gij Hem ten hemel hebt zien varen. (NBG
Vertaling 1951)
In het
hiervoor geciteerde Schriftgedeelte worden enkele eenvoudige waarheden
weergegeven. De verwachting namelijk van het koninkrijk Gods door middel van
het derde herstel van Israël, en de wederkomst van Jezus op dezelfde wijze
zoals Zijn hemelvaart. Boven Jeruzalem is er voor mensenogen, een onzichtbare
deur naar die andere dimensie van waar Jezus op Zijn tijd zal terugkomen. Naar
de komst van dit Rijk Gods hebben honderden en honderden miljoenen christenen
bijna tweeduizend jaar al sinds 30 AD (dikwijls onwetend) gebeden. Het Onze
Vader namelijk, zoals het in het evangelie opgetekend staat.
Matteüs
6:5 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de
huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen
te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben
hun loon reeds. 6 Maar gij, wanneer
gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het
verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 7 En gebruikt
bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door
hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. 8 Wordt hun dan niet
gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9
Bidt gij dan aldus: Onze Vader die
in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook
op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood; 12 en vergeef ons onze
schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; 13 en leid ons niet in
verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het Koninkrijk en de
kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.] 14 Want indien gij de
mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 15 maar
indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet
vergeven. (NBG Vertaling 1951)
Dit
beloofde Koninkrijk is komende. Het zal niet tot stand komen door menselijke
inzet, maar net zoals bij de wedergeboorte van een mens, zoals beschreven in
het evangelie naar Johannes, door God Zelf.
De
verwachting van het komende Godsrijk werd als een gevolg van het uitblijven van
de wederkomst van de Messias, door het christendom al vroeg opgegeven. Toen de
Romeinse keizer Constantijn zich in de vierde eeuw tot het christendom bekeerde
en de kerk van Rome tot staatsgodsdienst verhief, leerde en verwachte men daarna
dat het Godsrijk door mensenhanden gebouwd kon worden. De profetische gedeelten
van de Bijbel werden als een allegorie uitgelegd en ontdaan van hun letterlijke
boodschap. Alle heilsbeloften in de Bijbel die betrekking op het volk Israël hebben,
werden op de kerk van nu van toepassing gebracht. De duizend jaar dat satan volgens
het Bijbelboek Openbaring, in de toekomst gebonden zou worden, werd niet meer
letterlijk genomen maar gezien als een zinnebeeld van de nieuwe tijd die sinds
Constantijn baan brak. Dat het sterven, de dood, bleef heersen nam men erbij. In
de plaats van de verwachting van de wederkomst van Christus en de daarmee
gepaard gaande beloofde opstanding uit de doden, een boodschap waar de apostel
Paulus de gelovigen mee troost (2 Thessalonicenzen 4:14-17), kwam de leer van
een naar de hemel gaan bij het sterven.
Het christendom
is sindsdien ook een pure mannenzaak met rangen en standen, geworden. De
gelijkheid van man en vrouw zoals de Bijbel die leert, werd opgegeven en de
vrouw gediscrimineerd. Een toestand waar generatie op generatie religieuze
vrouwen zichzelf aan onderwierpen, menende, het is Gods wil.
De
afbeelding komt van een Egyptisch reliëf daterend van de twaalfde dynastie. Het
kwam te voorschijn in een graf te Beni Hassan. Het plaatje geeft een Semitische
karavaan weer die met handelswaren Egypte binnenkomt. Het is een afbeelding die
men in vele Bijbelatlassen, encyclopedieën en dergelijke, tegenkomt. Men heeft
hier ten slotte een afbeelding van hoe de aartsvaders er uitgezien hebben.
Hun uiterlijk, klederdracht, wapens enzoverder, wat echter moet opvallen, maar
nooit met zoveel woorden vermeld wordt, zijn de vrouwen op deze afbeelding.
Geen sluier is te bemerken, zelfs geen hoofddoek.
Het
Bijbelse koninkrijk van de Bergrede van Jezus zoals in het Mattheüsevangelie
geciteerd, is hetzelfde Koninkrijk waar ook gelovige Joden naar uit zien. Want
het is hun door de profeten beloofde Messiaanse Vrederijk, dat met de
wederkomst van Christus werkelijkheid zal worden. Zij gaan als lo-ammi
momenteel nog hun eigen weg, maar in de toekomst zal er naar het Profetische
Woord, een derde herstel volgen. Dit herstel begint tijdens de komende
oordeelstijd met een nieuwe exodus, ditmaal vanuit het land, naar de woestijn.
Een woestijn waar de HERE God tot hun hart zal kunnen spreken (Hosea 2:13-14).
De
exodus uit Egypte gaat terug tot Pesach 1483 v. Chr. Met Sjavoeot van hetzelfde
jaar kregen zij de grondwet van de HERE God, en gingen ze op weg naar het
Beloofde Land. Het was het begin van een nieuwe bedeling die eindigde in falen.
In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015,
heb ik het exodusjaartal van 1483 v. Chr. berekend op basis van de sabbat- en
jubeljaartelling. De constructie van Thiele met als resultaat 1447 v. Chr. werd
opgegeven. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
We zijn
met anno 2015 al 3497 jaar sinds de exodus op de tijdsbalk gevorderd, en de
vraag is wanneer de laatste mensengeneratie gaat aantreden die getuige zal zijn
van de wederkomst van Christus? Deze komst zal weer gepaard gaan met veel
natuurgeweld zoals we dat in de geschiedenis van het oude Israël gezien hebben.
Wie van mijn generatie de boeken van wijlen Dr. I. Velikovsky (Werelden in
botsing, 1971, en Eeuwen in Chaos, 1977) gelezen heeft, weet dat de Exodus uit
Egypte en de daarmee gepaard gaande rampen, van kosmische oorsprong waren. Ook
de (weder)komst van de Messias of Christus zal met soortgelijke rampen gepaard
gaan.
Lucas
21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en
sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van
zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de
dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen.
27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht
en heerlijkheid. 28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en
heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt. (NBG Vertaling 1951)
Een mini-archeologische vondst: het zegel van Hizkia
In het
jaar 2009 werd te Jeruzalem aan de voet van de Tempelberg door Israëlische archeologen,
verbonden aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem onder leiding van Dr.
Eilat Mazar, een klein kleizegel gevonden. De afmetingen zijn 0.97 centimeter
maal 0.86 centimeter. De vondst werd pas dit jaar wereldkundig gemaakt. Zie
link: http://new.huji.ac.il/en/article/28173
A seal
impression of King Hezekiah unearthed in the Ophel excavations at the foot of
the southern wall of the Temple Mount, conducted by the Hebrew University of
Jerusalems Institute of Archaeology under the direction of Dr. Eilat Mazar. (Courtesy of Dr. Eilat Mazar; Photo by
Ouria Tadmor)
Op het
zegel staat een Hebreeuwse tekst met de woorden: behorend aan Hizkia zoon van
Achaz, met daarnaast twee Egyptische
symbolen: de zon met twee neerstrekkende vleugels, en aan de rechterkant de
bekende Ankh-afbeelding.
De
afbeelding van de zon met de neerstrekkende vleugels wordt door de archeologe, uit
Assyrische invloed verklaard. Over het Ankh-teken op het zegel bestaat er geen
twijfel, dat is zondermeer Egyptisch.
De
Assyrische koning Sanherib verwijst op zijn bekende prisma-stele (heden in het
British Museum) naar Hizkia als koning van Juda te Jeruzalem. Een stad die hij
bij zijn derde veldtocht belegerde. Met de vermelding van Hizkia op de
prisma-stele van de Assyriër Sanherib bezit men hier een zogenaamde buiten-Bijbelse
primaire bron naar Hizkia.
Koning
Hizkia regeerde van het najaar van 723 v. Chr. tot 694 v. Chr. De gangbaar
gehanteerde jaartallen voor Hizkia zijn echter: 715/686 v. Chr. Deze regeerperiode werd door de geleerde Edwin R.
Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951) uitgedokterd op basis
van een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens van de koningen van
Israël en Juda met die van Assyrië. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, appendix
4 heb ik Thiele s wijze van (mis)rekenen uitgelegd. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
In TIJD en TIJDEN, hoofdstuk: Kroniek van
koning Hizkia van Juda, blz. 327-330, breng ik een revisie van de regeerperiode
van Hizkia aan de hand van de Bijbelse sabbat- en jubeljaren, als ankerjaren op
de tijdsbalk. Er bestaat een verschil van acht jaar met de verkregen jaartallen
van Thiele, via zijn verankering van Hizkia met Sanherib, op de tijdsbalk.
Het
veertiende regeringsjaar van Hizkia is verbonden met het vijftiende jubeljaar van okt709/sep708 v. Chr. Er waren in totaal dertig jubeljaren vanaf okt1395/sep1394
v. Chr., negenenveertig jaar na de intocht in Kanaän in april 1443 v. Chr., tot
het optreden van Jezus Christus in okt27/sep28 AD, het jaar dat Jezus het
aangename jaar des HEREN (Lucas 4) uitriep en zich als de Messias voor de
Joden bekendmaakte.
De wijze van rekenen met de
sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works,
Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. William Whiston (1667/1752) was een Engelse
wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling
van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn
dissertatie V geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van
sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van
Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken: 1 en 2 Makkabeeën. Deze
verwijzingen vormen als het ware een ketting met vele schakels, waarmee men op
de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren.
Aan deze lijst van tien historische verwijzingen
voegde ik nog een jaartal toe: het achttiende jubeljaar 562/561 v. Chr. Dit was
het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach, wanneer deze
heerser koning Jojachin van Juda uit zijn gevangenis in Babylon verloste in het zevenendertigste jaar van diens ballingschap (2 Koningen 27:27).
Het oude Israël heeft zelden het jubeljaargebod gehouden. We kennen het jaar van de aanvang
door in de tijd terug te rekenen vanaf de historische vermeldingen van de
eerste tot de zesde eeuw voor Christus. Maar daarna vinden we in de Bijbel
haast geen verwijzingen naar het houden van Jubeljaren. Er is echter één duidelijke
verwijzing naar een Jubeljaar bij de profeet Jesaja:
Jesaja 37:30 En dit zal u het
teken zijn: gij zult dit jaar eten
wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar
wat nawast; maar zaait in het derde jaar
en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan. (NBG Vertaling 1951)
Dit vijftiende jubeljaar volgt op
het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda: okt710/sep709 v.Chr., en
is op de tijdsbalk verankerd met het jaar 709/708
v. Chr.
Dit heeft als resultaat dat de
val van Samaria in Hizkia s zesde regeringsjaar, op de tijdsbalk in het jaar 717
v.Chr. plaatsvindt, wat dan weer met de chronologische gegevens van Flavius
Josephus overeenstemt (Joodse Oudheden, hoofdstuk X, ix.7b). Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk:
Voorjaar 717 v. Chr.: de wegvoering van de tien stammen, blz. 312-320.
Het
veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda valt bij Thiele in 701 v. Chr. en
dit op basis van zijn verankering van Hizkia met de Assyrische gegevens. Een
verschil van acht jaar.
Het jubeljaar van 709/708 v. Chr.
in relatie tot de belegering van Jeruzalem door Sanherib, wordt tegenwoordig
door weinig onderzoekers (h)erkend, en dit als een gevolg van de seculiere
wetenschap: de Assyriologie, waaraan men meer gezag verleend dan aan de Bijbel.
Bijna honderd jaar geleden werd de Assyrische koningslijst gepubliceerd. Een
koningslijst die de Assyrische koningen opgeeft van de zevende eeuw terug tot
ongeveer de negende eeuw voor Christus, met veronderstelde exacte
regeerperioden voor de vermelde Assyrische koningen. Men hanteert deze
koningslijst alsof er geen namen in zouden ontbreken?
De regeerperiode van koning
Hizkia werd door Thiele in lijn gebracht met de regeerperiode van de Assyrische
koningen Sargon II en Sanherib. In vele zogenaamde christelijke naslagwerken en
Bijbelatlassen worden de jaartallen van E. Thiele gehanteerd. In mijn
boek De Assyriologie herzien ga ik hier dieper op in. Zie link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/
Het
publiceren van de vondst uit 2009 van het zegel van Hizkia, deed mij plezier.
Vooral de Egyptische/Assyrische symbolen op het zegel hebben mijn interesse.
Het past namelijk in mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid, wat
de epoque van Hizkia en zijn vader Achaz betreft. In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, breng ik een
revisie van de Egyptologie, waarbij ik een onderdeel van het werk van
Velikovsky aanpas. De Amarna-tijd, door Velikovsky in de negende eeuw v. Chr.
op de tijdsbalk geplaatst, schuif ik op de tijdsbalk een eeuw verder tot in de
achtste eeuw v. Chr. Het historische kader dat de Bijbel voor deze epoque
levert, past in de Amarna-correspondentie.
De
Amarna-tijd was de periode in Egypte van de Aton-ketters met farao Achnaton op
kop. In het huidige Amarna in Egypte werd in de vorige eeuw een groot deel van
de correspondentie van de vazallen van farao in Klein-Azië, in de
vorm van kleitabletten, ontdekt. Belangrijke correspondenten met farao waren
Abdi Hiba alias Achaz van Juda, Rib Addi alias Hosea van Israël en Labaja alias
Pekah van Israël. Aan deze identificatie gaf ik op dit blog al eerder aandacht.
Zie bijvoorbeeld het artikel van 04-02-2015.
Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1422831600&stopdatum=1423436400
De
symbolen op het kleizegel van Hizkia geven een belangrijke hint naar de
aanbidding van de zon tijdens de regeerperiode van Achaz en Hizkia in Juda.
Het anch-teken
dat rechts op het zegel van Hizkia vermeld werd is een van de bekendste
Egyptische symbolen uit de oudheid en het vertegenwoordigd in de Egyptische
mythologie het leven. Zoals bijvoorbeeld in de naam Toet-anch-aton:
levend evenbeeld van Aton. De hiëroglief in deze vorm betekent 'leven'. De
Aton-schijf werd in Egypte afgebeeld met vele neergaande stralen die ieder in
een handje eindigden. Er zijn meerdere afbeeldingen van Achnaton en zijn
opvolgers Smenkhkare en Toetanchat(m)on waarop dit te zien is. De anch
symboliseerde levensenergie. Over de ketter-farao Achnaton schreef ik recent
nog een artikel op 20-10-2015 dit
blog: Anysis, de blinde farao uit de gelijknamige stad Anysis, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1445205600&stopdatum=1445810400
Het
andere symbool van op het zegel van Hizkia is de zon met twee neerstrekkende
vleugels. Dit symbool is eveneens met de Aton-aanbidding verbonden, en niet
exclusief Assyrisch. We moeten ook bedenken dat alle religieuze symbolen
uiteindelijk teruggaan naar het oude Babylon, naar de tijd van Nimrod en de
eerste rebellie na de Grote Vloed. Zie het artikel op blog van 06-10-2015,
link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1443996000&stopdatum=1444600800
Ook in
het oude Egypte vinden we afbeeldingen terug, van de zon met neerstrekkende
vleugels.
In Egypte zou generaal Horemheb, die door de Assyriërs in
671 v. Chr. als farao aangesteld werd, een beeldenstorm tegen de Aton-verering
ontketenen. Hij is verantwoordelijk voor de damnatio memoriae in Egypte, wat
deze periode betreft.
De verering van de zon zou in Juda nog een tijd aanhouden
en pas ten tijde van koning Josia (640/609 v. Chr.), door hem uit het land
verwijderd worden (2 Koningen 23:5-11).