Inhoud blog
  • Overlijden Robert De Telder
  • Corona
  • Chronologische schema's - afbeeldingen - vanaf de Grote Vloed tot de Spraakverwarring
  • Joeja
  • De eerste drieduizend jaar, hoofdstuk 1
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    15-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oegarit, het spijkerschriftalfabet, en de Amarna-tijd in de achtste eeuw voor Christus

    Oegarit of het huidige Ras Shamra in Syrië niet ver van de Middellandse zeekust, is een archeologische site. Boringen hebben aangetoond dat de plaats al bewoond was in het derde millennium vóór Christus in het Neolithicum-tijdperk. In de vroege Bronstijd en de Late Bronstijd was Oegarit een Kanaänitische stad met een zeehaven, die de verbinding met Cyprus, Egypte en de Griekse wereld verzekerde. Er werd vooral kopererts en cederhout verhandeld. Via de haven werd koper uit Cyprus ingevoerd. Ingevoerd tin werd samen met dit koper tot brons verwerkt. Oegarit had een eigen metaalverwerkende industrie. Ook werd handel gedreven met het hinterland Mesopotamië. Oegarit had, op het gebied van landbouw, een zeer vruchtbaar achterland en kon zijn landbouwproducten exporteren. Graan, wijn en olijfolie werden verhandeld. Een andere belangrijke industriële activiteit was het winnen van purperen kleurstof uit de purperslak.

     

    Volgens de conventionele tijdrekening beleefde Oegarit zijn belangrijkste bloeiperiode tijdens het Laat Brons tijdperk dat orthodox gezien, geplaatst wordt van de zestiende tot de dertiende eeuw v. Chr.

    Oegarit was in deze periode een stadstaat met een koning aan het hoofd. Een koningslijst werd door onderzoekers samengesteld. De stad werd volgens de orthodoxe tijdrekening na haar vernietiging door vuur rond 1190 v. Chr. verlaten en werd bij toeval in 1928 herontdekt. Een landbouwer opende bij het ploegen van het veld een graf wat leidde tot de ontdekking van de necropolis van Oegarit en vervolgens werd de oude stad en haven door archeologen blootgelegd.

     

     

    Reconstructietekening van het paleis van Oegarit, het huidige Ras Shamra in Syrië. Rechtsonder: een afbeelding van het spijkerschrift-alfabet

     

    De belangrijkste vondst was de intacte bibliotheek van Oegarit vol met archieven van schrijftabletten met teksten in spijkerschrift. Oegarit was een maritieme handelsstad met een bevolking die uit diverse etnische groepen en talen bestond. Oegarit had een school voor schrijvers. Op deze school werden de schrijvers geleerd ten minste vier talen te lezen en te schrijven. Twee van die talen waren gemakkelijk te herkennen: het Soemerisch en het Akkadisch, de laatste was de diplomatieke taal van die era. Verbaasd waren de eerste onderzoekers over het gebruikte alfabet van dertig tekens. Naast het Soemerisch en het Akkadisch werd tot ieders verbazing (en in feite voor de orthodoxie een anomalie): ook het oud-Hebreeuws als gebruikstaal geschreven in spijkerschrift herkend. De vierde taal die gevonden werd was het Char, wat de plaatselijke taal van een groot deel van de bevolking en van de regering was. Dr. I. Velikovsky identificeert deze laatst vermelde taal als de taal van de Cariërs en maakt overtuigend de link naar de Griekse wereld.

     

    Dat het oud-Hebreeuws als gebruikstaal in Oegarit gevonden werd was voor de eerste onderzoekers een anomalie omdat zij zo vroeg in de geschiedenis van het Nabije Oosten geen Hebreeuwse taal verwacht hadden. In de periode 1928/1958, de jaren van de belangrijke ontdekkingen te Oegarit, ging men er nog van uit dat de Bijbelkritiek van de tweede helft van de negentiende eeuw (in het kielzog van Darwin ’s evolutietheorie) gelijk had in haar stelling dat Mozes niet kon lezen noch schrijven en dat de Bijbel die wij vandaag kennen tot stand was gekomen tijdens de Babylonische Ballingschap van de Joden in de zesde eeuw voor Christus.

     

    Het revisionisme van de geschiedenis van de Oudheid heeft intussen dit alles weerlegd. De tijdsdatering van het Laat-Brons in Oegarit werd bepaald vanuit de foutieve Egyptische Chronologie zoals gefabriceerd door de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste eeuw van onze tijdrekening.

     

    Er was overigens heel wat contact tussen Egypte en Oegarit. Farao Thothmosis III en zijn opvolgers van de achttiende dynastie overheersten heel het gebied, Oegarit incluis. Tijdens de zogenaamde Amarnaperiode wordt in de correspondentie met farao en zijn Klein-Aziatische vorsten naar Oegarit verwezen en naar het gewelddadige einde van de stad. Er werden ook heel wat Egyptische artefacten in Oegarit opgegraven en de herkomst van deze vondsten bepaald tot de Egyptische achttiende dynastie.

     

     

    In mijn werk ‘TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de Bijbelse farao met de naam Sisak, blz. 220-224 (zie link: Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

    volg ik de identificatie van de Bijbelse farao Sisak van Dr. I. Velikovsky met farao Thothmosis III van de achttiende dynastie als tijdgenoot van Salomo en Rehabeam en verhuist Thothmosis III op de tijdsbalk van de vijftiende eeuw naar de tiende eeuw v. Chr. De Amarnatijd en de invallen van de Zeevolken plaatst ik in afwijking van Velikovsky ’s revisie, in de achtste eeuw v. Chr. Zodoende is het gebruik van het Hebreeuws in Oegarit geen anomalie meer maar de logica zelf wanneer we het tijdperk van Salomo naar het Laat-Brons verplaatsen.

     

    Het catastrofale einde van Oegarit gebeurde volgens mijn revisie in 709 v. Chr., het jaar van de meganatuurcatastrofe, dat ook het leger van de Assyriër Sanherib bij Jeruzalem trof. In de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus, Abimilki het catastrofale einde van Oegarit aan de koning van Egypte: “En vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daar.”

     

    Dr. I. Velikovsky (Eeuwen in Chaos – hoofdstuk 5) plaatste de vernietiging van Oegarit in de negende eeuw voor Christus ten tijde van het koningschap van de Assyriër Salmaneser III.

    Het was volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid, echter de meganatuurcatastrofe van het jaar 709 v. Chr. dat de oorzaak van de vernietiging van Oegarit was. Ik kies voor het jaar 709 v. Chr. in de cyclus van meganatuurcatastrofes, omdat er een vermelding bestaat van een onbekende koning over het verdrijven van zeevolken na de ramp:

    “Een of andere binnenvallende koning decreteerde dat de Jaman (Ioniërs), het volk van Didyme (Danuna), de Char (Cariërs), de Cyprioten, alle vreemdelingen, tezamen met koning Nikmed uit Oegarit verbannen moesten worden, al degenen die u beroven, al degenen die u onderdrukken, al degenen die u te gronde richten.”

     

    De invasie van de zeevolken in de Levant heb ik gereviseerd naar het jaar 712 v. Chr. De ondergang van Oegarit met het meganatuurcatastrofe-jaar van 709 v. Chr., laat zich aldus logisch in passen.

     

    Binnen zeer korte tijd zal mijn nieuw boek ‘De Zonaanbidder’ op het internet ter beschikking komen. De Amarna-periode met de Aton-ketter farao Achnaton op kop, wordt op de tijdsbalk naar de correcte plaats geloodst, en tijdgenoot gemaakt met de Bijbelse koningen van Israël en Juda: Pekah, Hosea en Achaz alias Labaja, Rib Addi en Abdi Hiba van de Amarna-correspondentie. Verder identificeer ik Achnaton met farao Anysis van de vader der historie: Herodotos, en geef opnieuw aandacht aan het werk van Dr. Immanuel Velikovsky: Oedipus en Achnaton. De Griekse legende heeft haar oorsprong in het Egyptische Thebe. Het zijn allemaal puzzelstukjes die in het plaatje van de achtste en begin zevende eeuw v. Chr., volkomen passen.

    Zodra het boek ter beschikking komt geef ik de gepaste link door.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    15-02-2016 om 14:06 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kroniek van koning Joahaz van Israël

    2 Koningen 10:35 En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. 36 En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren. (Statenvertaling)

     

    Het jaartal dat Joahaz zijn vader Jehu opvolgde was 847 v. Chr. Dit jaar was het drieëntwintigste regeringsjaar (okt848/sep847 v. Chr.) van koning Joas van Juda.

    2 Koningen 13:1 In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.

     

    Zo merken we dat de koningen van Israël op de tijdsbalk met de koningen van Juda verankerd zijn. De regeerperiode van Joas van Juda en de verankering op de tijdsbalk heb ik uitvoerig in mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, behandelt. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

     

    2 Koningen 13:2 En hij (Joahaz) deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af. 3 Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, den koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazaël, al die dagen. 4 Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte. 5 Zo gaf de HEERE Israël een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden in hun tenten, als te voren.

     

     

    De zeventien regeringsjaren van Joahaz werden gekenmerkt door de strijd van Aram tegen Israël. Het was koning Hazaël van Syrië (of Aram) die de verdrukker van Godswege was. Na een lange periode van verdrukking zocht Joahaz’ naar het einde van zijn regeerperiode toe, oprecht voor uitkomst bij de HERE God. Het resultaat was het zenden van een ‘verlosser’ die de Israëlieten van het Aramese juk bevrijdde. Op het hierna volgende bijgevoegde schema merken we dat de Assyriër Adad Nerari III hoogstwaarschijnlijk de vermelde verlosser was. In het jaar 833 v. Chr. rukte de Assyriër tegen Damascus op en bracht zo Israël uit de verdrukking van Aram. Over Adad Nerari III als de beschreven verlosser van Israël schreef ik eerder op dit blog een artikel op 18-01-2016. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2836510

     

     

    2 Koningen 13:6 Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria. 7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.

    8 Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

    9 En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

     

    De lange strijd van Aram tegen Israël had het leger van de Israëlieten gereduceerd tot uiteindelijk slechts tien strijdwagens, vijftig ruiters en tienduizend soldaten. Het geweldige Israëlitische leger van Achab, zoals beschreven door de Assyriër Salmaneser III ten tijde van de slag bij Karkar in 889 v. Chr., vijftig jaar eerder, was niet meer.

     

    Joahaz stierf in het voorjaar van 830 v. Chr. en werd opgevolgd door zijn zoon Joas, een naamgenoot van koning Joas van Juda.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    10-02-2016 om 09:24 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De profeet Elisa en de spottende 'kinderen'

    2 Koningen 2:19 De mannen van de stad (Jericho) zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. 20 Toen zeide hij: Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. 21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. 22 En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had.

     

     

    23 Vandaar (Jericho) ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom (Ga) op, kaalkop! Kom (Ga) op, kaalkop! 24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria. (NBG Vertaling 1951)

     

    Met mijn blog KRONOS houd ik mij in de eerste plaats bezig met chronologie, archeologie en oudheid. Met deze aflevering wil ik echter ook een antwoord geven op de Bijbelvertaling van 2 Koningen 2:23 die het verhaal brengt van de vervloeking van een groep kleine knapen of kinderen, die door twee berinnen op een woord van de profeet Elisa, verscheurd worden.

     

    Chronologisch gezien geschiedde dit in het voorjaar van het jaar 884 v. Chr. Na de wegvoering van de profeet Elia (zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1451862000&stopdatum=1452466800)

    met een vurige wagen en met vurige paarden, ging zijn dienaar de profeet Elisa, terug naar de westelijke Jordaanoever, naar Jericho. Na zijn ontmoeting met de mannen van die stad vervolgde hij zijn tocht en ging richting Bethel. En het is met vers 23 en vers 24 van het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek 2 Koningen, dat we het schokkende bericht over de zogenaamde kleine knapen leren. Mijn eerste gedachte was dat dit niet waar kon zijn. Vervolgens ging ik andere vertrouwde Bijbelvertalingen na, maar allen hadden knapen of kinderen staan. Hierna de relevante Bijbelvertalingen:

    2 Koningen 2: 23 Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: ‘Kaalkop, kaalkop! Zet ’m op, zet ’m op!’ 24 Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden. (NBV 2004/2007)

     

    2 Koningen 2: 23 En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!

    24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen. (STATENVERTALING 1637

     

    En zelfs de gezaghebbende King James Bijbel heeft het over ‘little children’ alsook de Engelse vertaling van de Griekse SEPTUAGINT-Bijbel:

     

     

    2 Kings 2: 23 And he went up from thence unto Bethel: and as he was going up by the way, there came forth little children out of the city, and mocked him, and said unto him, Go up, thou bald head; go up, thou bald head. 24 And he turned back, and looked on them, and cursed them in the name of the LORD. And there came forth two she bears out of the wood, and tare forty and two children of them. (KING JAMES 1611)

     

    LXX 4 KINGS 2:23 And he went up thence to Baethel: and as he was going up by the way there came up also little children from the city, and mocked him, and said to him, Go up, bald-head, go up. 24 And he turned after them, and saw them, and cursed them in the name of the Lord. And, behold, there came out two bears out of the wood, and they tore forty and two children of them. (SEPTUAGINT)

     

    Men zou er de moed bij verliezen. Maar ik gaf niet op en zette mijn onderzoek verder, vooral omdat ik bleef weigeren aan te nemen dat de HERE God van zowel het Oude als het Nieuwe Verbond kleine kinderen op zulk een wijze zou treffen. In mijn studie van de Schriften hanteer ik consequent de ‘NBG 1951 vertaling’ en dit niet omdat deze vertaling voortreffelijker zou zijn, maar omdat ik al bijna veertig jaar met deze vertaling vertrouwd ben, en geen zin heb om nu in de herfst van mijn leven gearriveerd te zijn, nog aan een andere vertaling in zogenaamd beter hedendaags Nederlands te beginnen. Wat ik wel doe is telkens bij een vermoede onduidelijkheid andere Bijbelvertalingen zoals de Statenbijbel, de Duitse Lutherse vertaling en de Engelstalige King James Bijbel te raadplegen. Het is mijn ervaring in mijn studie van de Bijbel, dat deze oude vertalingen het dichtst bij de bron zijn gebleven. Behalve uiteraard bij 2 Koningen hoofdstuk 2 met het vertalen van de ‘kleine knapen’ of ‘little children’ uit het Hebreeuws. Ik wil aannemen dat het de gezaghebbende King James Bijbel geweest is die andere vertalingen van dit Bijbelgedeelte beïnvloed heeft. Want het is wel degelijk een slechte vertaling geweest die vermoedelijk heel wat mensen geestelijk op een verkeerd spoor gezet heeft.

    Om een verhaal kort te houden; uiteindelijk heb ik mijn godsdienstleraars van de negentiende eeuw erbij gehaald: namelijk E. W. Büllinger en C. I. Scofield die wel een juiste vertaling leverden.

     

    E.W.Büllinger (zie link: http://www.companionbiblecondensed.com/) gaf in de voetnoten van 2 Kings 2:23 onmiddellijk te kennen dat de ‘little children’ van de King James vertaling in feite te lezen is als ‘jonge knapen’ en niet als kleine kinderen. Het Hebreeuwse woord na’ar in 2 koningen 2:23 wordt elders in de Bijbel gebruikt voor Isaac, Jozef en Rehabeam ofwel een leeftijd van 28, 17 en/of 16 jaar oud. En dit geeft onmiddellijk een ander beeld van wat de profeet Elisa overkwam wanneer een schreeuwende en scheldende bende jonge mannen op hem afkwam. Maar er komt nog meer aan het licht wanneer we degelijke Bijbelstudie verrichten. Zo staat er in de grondtekst helemaal niet dat deze bende jonge knapen door twee berinnen verscheurd werden maar eerder slechts verwond. Wat ook weer een ander licht op de zogenaamde straf van God werpt. Het is de Bijbelleraar C.I. SCOFIELD die dat in zijn studiebijbel duidelijk maakt. Hierna het commentaar van Scofield:

     

    Das Wort na’ar (übersetzt “kleine Knaben”, v. 23) besagt kein bestimmtes Alter. Es wird gebraucht von Joseph mit siebzehn Jahren (Genesis 37:2), ebenso von Benjamin (Genesis 43:8) und Absolom (2 Sam. 18:5). Also kann das hebraïsche Wort hier übersetzt werden “Jugendliche” oder “junge Männer”.

     

    Das Wort ba’ (übersetzt “zerrissen” besagt das Beibringen von schweren Wunden, aber es bedeutet nicht töten oder verderben. Die schwere der Beleidigung ist aus folgenden Tatsachen zu ersehen: (1) die jungen Männer spotteten über das Aussehen Elisas, des Mannes Gottes; (2) mit den Worten “Kahlkopf, komm herauf” spotteten sie über die Auffahrt des Elia (v.11); die Beleidigung zeigt, dass die Beleidiger über das Alter der Kindheit hinaus waren; und (3) als sie den Mann Gottes lächerlich machten, wurden sie der Lästerung des Gottes schuldig, den er vertrat.

     

    Het Hebreeuwse woord ‘ba’ dat foutief vertaald werd met ‘verscheuren’ betekent in werkelijkheid het ‘aanbrengen van zware verwondingen’ maar niet ‘doden’. Deze verklaring sluit beter aan bij het gedrag van beren zoals wij het vandaag kunnen waarnemen. Het is ondenkbaar dat twee berinnen in een oogwenk tweeënveertig kinderen zouden kunnen verscheuren/doden. Verder maakt Scofield duidelijk dat de bende jonge mannen de profeet beledigden, niet alleen op basis van zijn uitzicht maar ook naar de eerdere wegvoering van Elia verwezen, wat maakt dat zij voorbij de leeftijd van het kind zijn waren. En ten laatste merkt Scofield op dat de jonge Israëlitische mannen zich wel degelijk schuldig aan lastering van God maakten.

    Conclusie: het blijft een feit dat dit historische Bijbelgedeelte zich in een andere bedeling Gods afspeelde en in de huidige genadebedeling een mens voor de borst stoot. De profeet Elisa was echter een kind van de tijd onder de wet en handelde daarnaar.

     

    Bij de vermelding van kinderen in de Bijbel denk ik in de huidige bedeling van de genade altijd eerst aan de Heer Jezus Christus, de zoon van God, die zei: Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. (Matteüs 19:14)

     

    En…

    Psalm 8:2 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. 3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

     

    … ging in vervulling wanneer kinderen in het jaar 30 AD in de tempel te Jeruzalem Jezus’ toeriepen met:  Hosanna de Zoon van David (Matteüs 21:15-16)

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    07-02-2016 om 10:14 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-02-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kroniek van Jehu van het Tienstammenrijk Israël

    We vervolgen met dit artikel onze kronieken van de koningen van Israël op dit blog. Met onze aflevering op dit blog van 04-01-2016 brachten we de Kroniek van Joram, de zoon van Achab. Hij werd in het jaar 875 v. Chr. door Jehu omgebracht. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2831104

     

    Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, was een generaal van het leger van Israël toen hij door de profeet van de HERE God te Ramot in Gilead tot koning over het tienstammenrijk gezalfd werd, met de opdracht de koning van Israël, Joram te doden, en vervolgens heel de dynastie van Achab om te brengen. De functie van overste van het Israëlitische leger had Jehu al sedert de dagen van Achab (2 Koningen 9: 25-26).

     

    Te Ramot in het over-Jordaanse Gilead was het leger van Israël gelegerd nadat zij tegen het leger van Aram strijd hadden geleverd. Het was daar in het legerkamp dat de profeet Jehu opzocht.

     

    De gangbare jaartallen voor de regeerperiode van Jehu zijn volgens de fabricatie van de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951): 841/814 v. Chr.

    Dit betekent een verschil van 34 jaar op de tijdsbalk. Hoe is dit mogelijk? De constructie die Thiele uitdokterde was gebaseerd op een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens van de koningen van Israël en Juda met die van Assyrië. In mijn boek TIJD en TIJDEN, appendix 4 heb ik Thiele ’s wijze van (mis)rekenen uitgelegd. Zie ook de aflevering op dit blog over Omri, de vader van Achab. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2809256

     

    De regeerperiode voor Jehu van het jaar 875 tot 847 v. Chr. is het resultaat van het werken met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren volgens de wijze van rekenen van William Whiston. De Assyrische chronologische gegevens werden verankerd met de chronologische ankerpunten van de Bijbel, en niet andersom zoals Thiele deed. Zie het artikel op dit blog van 06-02-2014. Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1391382000&stopdatum=1391986800

     

     

    “The tribute of Jehu (Ia-ú-a mar Hu-um-ri-i.), house of Omri: I received from him silver, gold, a golden bowl, a golden vase with pointed bottom, golden tumblers, golden buckets, tin, a staff for a king [and] spears."

     

    Met de bekende zwarte Obelisk (British Museum) van de Assyriër Salmaneser III hebben we een buiten-Bijbelse bron van Jehu. In het achttiende regeringsjaar (877/876 v. Chr.) van Salmaneser III is er een vermelding van het ontvangen van schatting van Jehu van het huis van Omri. Volgens mijn rangschikking van de koningen van Assyrië op de tijdsbalk was Jehu op dat moment nog een generaal van het leger van Joram, de zoon van Achab, en is er geen probleem met de Assyrische vermelding dat Jehu van het huis van Omri was. Een dynastie namelijk, die Jehu twee jaar later zou uitroeien.

    Binnen de tijdsfabricatie van Thiele was Jehu in het achttiende regeringsjaar van Salmaneser III al koning, en zouden de Assyrische kroniekschrijvers zich vergist hebben, wat zeer onwaarschijnlijk is. Zie ‘De Assyriologie herzien’ link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/

     

     

    Hierna het Bijbelse relaas over het begin van de regeerperiode van Jehu.

     

    2 Koningen 9:De profeet Elisa riep een van de profeten en zeide tot hem: Gord uw lendenen, neem deze oliekruik met u en ga naar Ramot in Gilead. 2 Wanneer gij daar gekomen zijt, zie dan uit naar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga bij hem binnen, doe hem opstaan uit het midden van zijn wapenbroeders en breng hem in de binnenste kamer. 3 Neem dan de kruik met olie, giet ze uit over zijn hoofd en zeg: Zo spreekt de HERE: Ik zalf u tot koning over Israël. Open daarna de deur en vlucht zonder dralen weg. 4 Toen ging die jonge man, de jonge profeet, naar Ramot in Gilead. 5 Toen hij daar kwam, zaten de legeroversten juist bijeen. En hij zeide: Ik heb een boodschap voor u, overste. Jehu zeide: Voor wie van ons allen? En hij antwoordde: Voor u, overste. 6 Toen stond hij op en ging het huis binnen. En hij goot de olie over zijn hoofd en zeide tot hem: Zo spreekt de HERE, de God van Israël: Ik zalf u tot koning over het volk des HEREN, over Israël. 7 Gij zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed van mijn knechten, de profeten, ja, het bloed van alle knechten des HEREN aan Izebel wreke. 8 En het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al wat mannelijk is uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; 9 dan zal Ik met het huis van Achab evenzo handelen als met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat van Basa, de zoon van Achia; 10 en Izebel zullen de honden verslinden op de akker te Jizreël, en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur en vluchtte weg. 11 Daarna kwam Jehu naar buiten bij de dienaren van zijn heer en een hunner zeide tot hem: Is alles wel? Waarom is deze waanzinnige tot u gekomen? En hij antwoordde hun: Gij kent immers de man en zijn gepraat. 12 En zij riepen: Leugens! Deel het ons toch mee. Toen zeide hij: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken: aldus spreekt de HERE: Ik zalf u tot koning over Israël. 13 Daarop nam ieder haastig zijn kleed en spreidde het voor zijn voeten op de treden van de trap; zij bliezen op de hoorn en riepen: Jehu is koning!

    14 Aldus smeedde Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een samenzwering tegen Joram. – Joram nu had Ramot in Gilead bezet, hij en geheel Israël, tegen Hazaël, de koning van Aram; 15 en koning Joram was teruggekeerd om te Jizreël genezing te zoeken voor de wonden, die de Arameeërs hem hadden toegebracht, toen hij streed met Hazaël, de koning van Aram. – En Jehu zeide: Indien gij er zo over denkt, laat dan niemand uit de stad ontkomen om dat in Jizreël te gaan berichten.

     

     

    16 Toen besteeg Jehu zijn wagen en ging naar Jizreël, want Joram lag daar (ziek). En Achazja, de koning van Juda, was gekomen om Joram te bezoeken. 17 De wachter nu stond op de toren te Jizreël; hij zag de troep van Jehu aankomen en zeide: Ik zie een troep. Toen zeide Joram: Neem een ruiter en zend hun die tegemoet om te vragen: Is het vrede? 18 De ruiter ging hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer om, volg mij! En de wachter berichtte: De bode is bij hen gekomen, maar keert niet terug. 19 Toen zond hij een tweede ruiter. Ook deze kwam bij hen en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? Maar Jehu zeide: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer om, volg mij! 20 En de wachter berichtte: Hij is bij hen aangekomen, maar keert niet terug. En zoals zij voortjagen, zo jaagt alleen Jehu, de zoon van Nimsi, want hij jaagt als een razende. 21 Toen zeide Joram: Span in. En men spande zijn wagen in. En Joram, de koning van Israël, trok uit met Achazja, de koning van Juda, ieder op zijn wagen – zij trokken uit, Jehu tegemoet en troffen hem aan op de akker van de Jizreëliet Nabot. 22 Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: Is het vrede, Jehu? Maar deze antwoordde: Wat vrede, zolang de hoererijen van uw moeder Izebel en haar vele toverijen voortduren? 23 Daarop wendde Joram de teugel, vluchtte en riep Achazja toe: Verraad, Achazja! 24 Maar Jehu omklemde de boog en trof Joram tussen zijn schouders, zodat de pijl hem het hart doorboorde; en hij zakte in zijn wagen ineen. 25 Toen zeide Jehu tot zijn hoofdman Bidkar: Neem hem op en werp hem op de akker van de Jizreëliet Nabot. Want herinner u, dat de HERE, toen gij en ik zij aan zij reden achter zijn vader Achab, deze Godsspraak over hem gaf: 26 Voorzeker, Ik heb gisterenavond het bloed van Nabot en van zijn zonen gezien, luidt het woord des HEREN. Ik zal het aan u vergelden op deze akker, luidt het woord des HEREN. Nu dan, neem hem op en werp hem op de akker, volgens het woord des HEREN. 27 Toen Achazja, de koning van Juda, dat zag, vluchtte hij in de richting van Bet-Haggan. Maar Jehu achtervolgde hem en beval: Hem ook! Schiet hem neer op zijn wagen! (En zij raakten hem) op de helling naar Gur bij Jibleam; hij vluchtte naar Megiddo en stierf daar. 28 Zijn dienaren vervoerden hem op een wagen naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf bij zijn vaderen, in de stad Davids. 29 Achazja nu was koning geworden over Juda in het elfde jaar van Joram, de zoon van Achab.

     

    Het Bijbelboek vervolgt verder vanaf vers 30 met de geschiedenis van het smadelijke einde van Izebel, de dochter van Ethbaal en vrouw van Joram van (2 Koningen 9:30-37). Daarna vervolgt het verhaal in het tiende hoofdstuk van het Bijbelboek 2 Koningen met de bloedige geschiedenis van de uitroeiing van de zeventig zonen van Achab te Samaria (2 Koningen 10:1-17). Vervolgens zien we de terechtstelling van de priesters van de Baäl met een list van Jehu (2 Koningen 10:18-27).

     

    Op de tijdsbalk plaatsen we al deze gebeurtenissen chronologisch in het eerste regeringsjaar van Jehu in apr875/mrt874 v. Chr.

     

    2 Koningen 10:28 Alzo verdelgde Jehu Baäl uit Israël. 29 Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-el en die te Dan waren. 30 De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten. 31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van Israël, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed.

    32 In die dagen begon de HEERE Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle landpalen van Israël: 33 Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.

    34 Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël? 35 En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. 36 En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren. (Statenvertaling)

     

    Het slot van het Bijbelboek 2 koningen hoofdstuk tien verhaalt dat Jehu een machtig koning was en dat hij gedurende een lange periode van achtentwintig jaar over het tienstammenrijk geheerst heeft. Zijn zoon werd bij zijn dood als koning over Israël geïnstalleerd. Jehu kreeg de belofte dat zijn dynastie tot in het vierde geslacht over Israël koning zou zijn. Negatief staat er over hem geschreven dat hij in de zonden van Jerobeam volhardde.

     

    Als een gevolg van het doden van koning Ahazia van Juda door Jehu in 875 v. Chr., greep in Juda de koninginmoeder Athalia (2 Koningen 8:26), de dochter van koning Omri van Israël, de macht en deed een poging het geslacht van David uit te roeien (2 Koningen 11: 1). De zoon en troonopvolger van Ahazia werd echter door zijn tante, een zuster van Ahazia, verborgen gehouden en zijn leven gered. (Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 251-256) zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    2 Koningen 11: 1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. 2 Maar Joseba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. 3 En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

     

    In het zevende jaar (2 Koningen 11:4) werd de koninginmoeder afgezet en de jonge Joas tot koning gekroond. Dat was het zevende regeringsjaar (869 v. Chr.) van Jehu in Israël.

     

    2 Koningen 12: 1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-seba. 2 En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.

     

     

    Het hierboven bijgevoegde chronologische schema toont in het jaar 860 v. Chr. een verticale rode markeringslijn voorstellende de meganatuurcatastrofe die toen de oude wereld trof. De Bijbel zwijgt over dit feit. Het was het jaar van de stichting van Carthago. Het jaartal 860 v. Chr. heb ik bekomen door het werken met de jaartallen die Flavius Josephus voor de Fenicische koningen opgeeft, en de link met Salomo en de bouw van de Tempel te Jeruzalem. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: 860 v. Chr. het jaartal van de stichting van Carthago, blz. 257-263, heb ik dit uitgewerkt. Er zaten volgen Josephus 143 jaar en acht maanden tussen het begin van de bouw van de Tempel en de stichting van Carthago. De regeerperiode van Salomo was 1007/967 v. Chr., en dit op basis van de sabbat- en jubeljaarrekening volgens William Whiston. Het resultaat op de tijdsbalk is 860 v. Chr.

     

     

    Verder maak ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, de verbinding met het werk van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer:

    (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, by, Chapter VI), en identificeer de mega-natuurcatastrofe van 860 v. Chr. als zijnde van kosmische oorsprong

     

    De drie aangehaalde bronnen leiden alle naar het jaartal 860 v. Chr. ter datering van de meganatuurcatastrofe die de oude wereld toen getroffen  heeft.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    01-02-2016 om 07:52 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van Paulus’ ontmoeting met de opgestane Christus

    Mijn scheurkalender heeft vandaag (25 januari) de vermelding: Sint-Paulus bekering. Dit naast de vermelding van andere Roomse heiligen.

    De bekering van Paulus in de maand januari, negen maanden na de Pesachweek klopt echter Bijbels-chronologisch gezien, niet.

    In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: 44 AD een navigatiepunt in de tijd, blz. 447-453, heb ik de chronologie van Paulus bekering en zendingsreizen op basis van de gegevens van het Bijbelboek Handelingen en de brief van Paulus aan de Galaten, uitgewerkt. (Voor wie het boek nog niet aangeschaft heeft en interesse heeft, zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579)

     

    De bekering van Paulus wordt beschreven in het eerste hoofdstuk van het Bijbelboek Handelingen. Op weg naar Damascus had Paulus zijn ontmoeting met de opgestane Heer en Heiland Jezus Christus. Een verhaal dat in de christenwereld algemeen bekend is. De datering van Paulus’ ontmoeting met Jezus Christus naar het einde toe van de maand januari, is echter gissen. Het Bijbelboek Handelingen geeft in de eerste hoofdstukken namelijk heel weinig of geen informatie waarmee we een en ander van de beschreven gebeurtenissen op de tijdsbalk zouden kunnen vastpinnen.

    De Pesachweek van 30 AD viel begin april. Het Pinksterfeest volgde aldus zeven maal zeven weken later eind mei 30 AD. De EKKLESIA ging toen, met de uitstorting van de Geest Gods over ongeveer 120 mensen, zowel mannen als vrouwen, van start.

    Ik ben van mening dat de gebeurtenissen zoals beschreven in de hoofdstukken drie tot en met negen alle in het jaar 30 AD plaatsvonden en dat de ontmoeting van Paulus met Christus in het najaar van 30 AD plaatsvond. Paulus verblijf van drie jaar te Damascus dateren we nu van de winter van 30/31 AD tot de winter van 32/33 AD. In het boek Handelingen wordt de periode van drie jaar beschreven als: ‘En toen er ‘verscheidene dagen’ verlopen waren..’, wat chronologisch geen probleem oplevert. Een westerling zou vandaag via zijn lineair historisch denken (dat wij van de Grieken hebben) deze geschiedenis anders neerpennen. Lucas, de schrijver van het boek Handelingen, gaf de zaken weer op een wijze die toen voor iedereen van die cultuur begrijpelijk was. Van ons vraagt het heden alleen maar goede wil om een en ander te ‘zien’ zoals de Bijbelschrijvers en de Geest die hen inspireerde het toen neerpenden. Want wie op zoek is in de Bijbel om de Bijbelse historische gegevens lineair op een tijdsbalk te plaatsen komt nooit bedrogen uit, want het zit er wel degelijk in. De Bijbel is een boek voor alle culturen van alle tijden.

     

     

    In het voorjaar van 33 AD vond Paulus’ ontmoeting met Petrus en Jakobus te Jeruzalem plaats. Dit was dan een private ontmoeting en geen officiële gemeentelijke samenkomst . Na een verblijf van vijftien dagen volgens de Galatenbrief, werd Paulus wegens gevaar voor zijn leven naar de havenstad Caesarea gebracht en vertrok hij volgens Handelingen 9:26-30, vandaar naar Tarsus in Cilicië. Paulus zou volgens de Galatenbrief daarop geruime tijd in Syrië en Cilicië werkzaam zijn. In het boek Handelingen, in de volgende hoofdstukken, handelen de beschreven gebeurtenissen buiten het zendingsbereik van Paulus. Het is pas in hoofdstuk 11:25 dat Barnabas er op uit gestuurd wordt om Paulus te zoeken ter ondersteuning van het werk in Antiochië. Het is pas in het elfde hoofdstuk van het boek Handelingen dat we de eerste maal een clou vinden waar we ergens op de tijdsbalk van de wereldgeschiedenis beland zijn. Hierna het citaat:

    Handelingen 11:25 En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. 26 En het geschiedde, dat zij een vol jaar (43/44 AD) in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. 27 En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; 28 en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, (voor het jaar 46/48 AD uitgesproken!) die dan ook gekomen is onder Claudius (46/48 AD). 29 En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; 30 dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus. (NBG Vertaling 1951)

    Einde citaat

     

    De geprofeteerde hongersnood ten tijde van keizer Claudius kan historisch nauwkeurig gedateerd worden voor een periode van drie jaar van het jaar 46 tot 48 AD. De profetie van Agabus werd aldus voor het jaar 46 AD uitgesproken. Een volgende belangrijke tijdsaanduiding in het Boek Handelingen hoofdstuk 12:21 is de beschreven dood van Koning Agrippa I die op de tijdsbalk der wereldgeschiedenis in het jaar 44 AD gedateerd werd. Dit sterven geschiedde volgens Handelingen 12:1-5 na het Paasfeest van 44 AD, een periode ook van beschreven vervolging van de jonge gemeente te Jeruzalem door Agrippa.

     

     

    Het is in het jaar 44 AD dat Paulus volgens de Galatenbrief een tweede maal naar Jeruzalem gaat wat aansluit bij Handelingen 12:24 t/m 13:1-3. De periode van veertien jaar die Paulus in zijn Galatenbrief vermeld zijn dus te rekenen vanaf het jaar van zijn bekering in 30 AD. Het tweede bezoek aan Jeruzalem zag geen bijzondere samenkomst maar het enige doel was het brengen van hun liefdedienst aan de gemeente te Jeruzalem. Daarna keerde Paulus terug naar Antiochië om onmiddellijk aan zijn zendingsreis te beginnen. Een reis die hem naar de steden van Galatië zou leiden. Vanuit Antiochië ging het via Cyprus naar Perge in Pamfylië en vandaar naar steden in Galatië waar zij onder hevige tegenstand van sommige Joden het evangelie aan Joden en Grieken brachten. Te Lystra was de tegenstand zo erg dat Paulus door een menigte gestenigd werd en voor dood achtergelaten (Handelingen 14:19). En het is via deze gebeurtenis dat we weer een ankerpunt op de tijdsbalk hebben. Paulus verhaalt namelijk vele jaren later deze gebeurtenis van het stenigen en zijn schijndood aan de Korintiërs in zijn tweede brief hoofdstuk 12 en vermeld erbij dat dit voorval veertien jaar eerder geschied was. De tweede brief aan de Korintiërs wordt algemeen aangenomen dat deze in 58 AD door Paulus geschreven werd. Wanneer we veertien jaar van dit jaartal aftrekken zitten we in het jaar 44 AD voor de zendingsreis naar Galatië.

     

    De conclusie is dat Paulus bij zijn terugkomst in Antiochië in het voorjaar van 45 AD zijn brief aan de Galaten schreef en historisch getrouw correct gewag maakt van slechts twee reizen naar Jeruzalem. De brief van de Galaten gaat namelijk vooraf aan zijn derde reis naar Jeruzalem die in Handelingen hoofdstuk 15 beschreven wordt. Een bijzondere bijeenkomst te Jerusalem die in het jaar 45 AD gedateerd wordt.

     

    De bekering van Paulus zit op de tijdsbalk verankerd in het najaar van 30 AD, het jaar van de kruisdood, opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. De jaren 44 AD en 30 AD zitten als navigatiepunten in de tijd met elkaar op de tijdsbalk verankerd.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    25-01-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen…

    Met dit artikel wil ik de beloofde verlosser uit het Bijbelboek 2 Koningen 13:5 met de Assyrische koning Adad Nirari III identificeren, en verder de chronologische gegevens van de Assyrische annalen betreffende Adad Nirari III aan de chronologische gegevens van de Bijbel aanpassen, en op de tijdsbalk verankeren.

    De Assyriër Adad Nerari III was een tijdgenoot van de Bijbelse koningen Joahaz en Joas in Israël en van de koningen Joas en Amazia in Juda.

     

    De minderjarige Assyrische koning Adad Nirari III volgde onder voogdijschap van zijn moeder koningin Sammurat, zijn vader Shamsi Adad V op. Zijn regeringsjaren zijn volgens de orthodoxe berekening: 812/783 v. Chr. Volgens mijn revisie regeerde hij van 847 tot 820 v. Chr. Een verschil van 35 jaar.

     

     

    Het verschil tussen het orthodoxe jaartal 812 v. Chr. en het gereviseerde jaartal 847 v. Chr. (aan de hand van de Bijbel) voor het eerste regeringsjaar van Adad Nerari III, is groot. Men zou de schouders kunnen ophalen menende dat mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid, wat de Assyriologie betreft, een brug te ver is.

    De Assyriologie bezit via de zogenaamde eponiemlijsten een koningslijst van de Assyrische koningen die vanaf de val van Nineveh, tot de negende eeuw v. Chr. teruggaat. Daarenboven heeft men de koningslijst verbonden met een astronomische berekende zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. Het eponiem namelijk van Bur Sagale in het tiende regeringsjaar van koning Assur Dan, vermeldt een verduistering van de zon over Nineveh. De regeerperiode van Adad Nerari III werd berekend op basis van de verankering van het tiende regeringsjaar van Assur Dan in het jaar 763 v. Chr. Zie link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/

     

    Het lijkt allemaal exacte wetenschap, maar in wezen is het dat niet. Men gaat er namelijk vanuit dat de Assyrische koningslijst volledig is en er geen namen zouden ontbreken. En hier wringt het schoentje aangezien er vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus, en andere bronnen, er duidelijke aanwijzingen zijn dat wel degelijk namen van Assyrische koningen uit de lijst verwijderd werden. Een Bijbels voorbeeld is de Assyrische koning die ten tijde van de Hebreeuwse profeet Jona zich tot de God van Israël keerde voor uitredding van de aangekondigde ramp.

     

    Een ander voorbeeld is de Griekse legende over een Assyrische koning met de naam Sardanapallos die de orthodoxe Assyriologie, zo hij al bestaan heeft, met Assurbanipal identificeert. Van Assurbanipal weten we dat deze Assyrische koning een zogenaamde cultuurmens was, bibliotheken oprichtte en in zijn tijd al aan archeologie deed. De Sardanapallos van het Griekse verhaal is hier echter met zijn brasserijen en schokkend levenseinde, een waar tegenbeeld van.

     

     

    Toen de voormalige IMF-baas Dominique Strauss-Kahn verleden jaar in het nieuws kwam wegens een rechtszaak in verband met zijn vermeende ‘brasserijen’, werd hij in de pers met Sardanapallos vergeleken. Op een dag werd ik toen door de BRT-radio opgebeld met de vraag voor meer uitleg over wie de ‘historische’ Sardanapallos met zijn orgieën geweest was. Ik was hen graag van dienst en gaf aan de telefoon de nodige uitleg. Ik zou ’s avonds nogmaals vanuit de studio gebeld worden ter uitzending. Toen ik ’s avonds op het juiste radiokanaal afstemde bleek dat men voor commentaar van een orthodoxe Assyrioloog gekozen had. De opgebelde deskundige had het echter uitsluitend over de weldaden van Assurbanipal, met een teleurgestelde BRT-omroeper die een paar keer onderbrak en in feite alleen informatie over de seksorgieën van Sardanapallos wilde weten, maar daarover van de deskundige geen antwoord kreeg. Ik was na de uitzending zo vrank en vrij om de studio te bellen en te zeggen dat ik het beter gekund had. Men had intussen al begrepen dat Sardanapallos van de legende geen enkele overeenkomst met de historische Assurbanipal had.

    Sardanapallos (Griekse naam van een Assyrische koning) en Assurbanipal zijn namelijk twee te onderscheiden koningen.

    Over de ‘historische’ Sardanapallos schreef ik eerder op dit blog een artikel. Sardanapallos, mythe of werkelijkheid? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1424646000&stopdatum=1425250800

     

    Maar nu verder met de geschiedenis van Assur Nerari III. Van de koninginmoeder en regentes Sammurat van Adad Nerari III is een stele bewaard gebleven (gevonden te Kalat Sherkat in Assyrië) waarin het co-regentschap met de minderjarige Adad Nirari III vermeld wordt. Een andere vermelding (Saba’a stele) geeft voor de duur van het co-regentschap een periode van vijf jaar op.

    De orthodoxie identificeert koningin Sammurat met de legendarische Semiramis, de vrouw van de Bijbelse Nimrod, de eerste machthebber op aarde na de Grote Vloed. De Bijbelse gegevens betreffende Nimrod worden door hen als mythe beschouwd. Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Het Bijbelboek Genesis is geschiedschrijving. De Sammurat van de negende eeuw voor Christus is te onderscheiden van de Semiramis van het derde millennium voor Christus.

     

    De eerder vermelde Saba’a-stele verhaalt eveneens een militaire campagne van Adad Nirari III naar Damascus in zijn vijfde regeringsjaar.

    Against Aram I marched. Mari', king of Aram, in Damascus his royal city, I shut up. The terrifying splendour of Assur overwhelmed him and he laid hold of my feet, he became my vassal. 2300 talents of silver, 20 talents of gold, 3000 talents of copper, 5000 talents of iron, coloured woollen and linen garments, an ivory bed, an ivory couch...his property and his goods, in immeasurable quantity, in Damascus, his royal city, in his palace, I received.

     

     

    Dit jaar is volgens de revisie op onze tijdsbalk, het jaartal 843 v. Chr. Dit gegeven past echter niet met de Bijbelse gegevens betreffende Damascus/Aram als belager van het tienstammenrijk. Het Bijbelboek 2 Koningen geeft Aram tijdens deze periode weer, als een vijand van koning Joahaz van Israël. Joahaz regeerde zeventien jaar van 847 tot 830 v. Chr. Een Assyrische belegering van Damascus met een verzwakking van Aram tot gevolg, past niet in dit tijdsschema. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

     

    2 Koningen 13:1 In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja, de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te Samaria; hij regeerde zeventien jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en volgde de zonden na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. 3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël, en Hij gaf hen in de macht van Hazaël, de koning van Aram, en in de macht van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die tijd. 4 Maar Joachaz zocht de gunst van de HERE, en de HERE hoorde naar hem, want Hij had gezien hoe zwaar de koning van Aram Israël verdrukte. 5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren. 6 Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die hij Israël had doen bedrijven; daarmee gingen zij voort. Ook bleef te Samaria de gewijde paal staan. 7 Waarlijk, hij had aan Joachaz geen krijgsvolk overgelaten dan vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk; want de koning van Aram had hen te gronde gericht en hen gemaakt als stof bij het dorsen. (NBG Vertaling 1951)

     

    De conclusie moet zijn dat de vermelding op de Saba’a stele betreffende de belegering van Damascus in het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III fout is. Hoogstwaarschijnlijk hebben we met een schrijffout te maken en is het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III bedoeld. De Assyrische gegevens spreken elkaar onderling ook tegen, wat maakt dat ik van een foutieve Assyrische kroniek kan uitgaan.

    De bekende eponiemlijsten geven in afwijking met de Saba’a stele, voor het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III geen campagne naar Damascus weer, maar een veldtocht naar Arpad in Noord-Syrië. Wat vreemd is aangezien Arpad slechts een provinciestad was en Damascus echter de hoofdstad van het toen machtige Aram. Hierna de Eponiemlijst van alle regeringsjaren van Adad Nirari III ter illustratie. De jaren tussen haakjes zijn de jaartallen van de orthodoxe met rechts mijn gereviseerde jaartallen:

     

    [809/808] 847/846 During the eponymy of Adad-Nirari [III], the king of Assyria, campaign against Media

    [808/807] 846/845 During the eponymy of Nergal-ilaya, the commander in chief, campaign against Guzana.

    [807/806] 845/844 During the eponymy of Bêl-dân, the palace herald, campaign against Mannea.

    [806/805] 844/843 During the eponymy of Sil-Bêli, the chief butler, campaign against Mannea.

    [805/804] 843/842 During the eponymy of Aššur-taklak, the chamberlain, campaign against Arpad.

    [804/803] 842/841 During the eponymy of Ilu-issiya, governor of Aššur, campaign against Hazazu.

    [803/802] 841/840 During the eponymy of Nergal-ereš, governor of Rasappa, campaign against Ba'alu.

    [802/801] 840/839 During the eponymy of Aššur-balti-ekurri, governor of Arrapha, campaign against the Sealand; plague.

    [801/800] 839/838 During the eponymy of Inurta-ilaya, governor of Ahizuhina, campaign against Hubuškia.

    [800/799] 838/837 During the eponymy of Šep-Ištar, governor of Nisibis, campaign against Media.

    [800/799] 837/836 During the eponymy of Šep-Ištar, governor of Nisibis, campaign against Media

    [799/798] 836/835 During the eponymy of Marduk-išmanni, governor of Amedi, campaign against Media.

    [798/797] 835/834 During the eponymy of Mutakkil-Marduk, the chief eunuch, campaign against Lušia.

    [797/796] 834/833 During the eponymy of Bêl-tarsi-iluma, governor of Kalhu, campaign against Namri.

    [796/795] 833/832 During the eponymy of Aššur-bêla-usur, governor of Habruri, campaign against Manduate.

    [795/794] 832/831 During the eponymy of Marduk-šaduni, governor of Raqmat, campaign against Der.

    [794/793] 831/830 During the eponymy of Kinu-abua, governor of Tušhan, campaign against Der.

    [793/792] 830/829 During the eponymy of Mannu-ki-Aššur, governor of Guzana, campaign against Media.

    [792/791] 829/828 During the eponymy of Mušallim-Inurta, governor of Tille, campaign against Media.

    [791/790] 828/827 During the eponymy of Bêl-iqišanni, governor of Šibhiniš, campaign against Hubuškia.

    [790/789] 827/826 During the eponymy of Šep-Šamaš, governor of Isana, campaign against Itu'a.

    [789/788] 826/825 During the eponymy of Inurta-mukin-ahi, governor of Nineveh, campaign against Media.

    [788/787] 825/824 During the eponymy of Adad-mušammer, governor of Kalizi, campaign against Media; foundations of the temple of Nabû in Nineveh laid.

    [787/786] 824/823 During the eponymy of Sil-Ištar, governor of Arbela, campaign against Media; Nabû entered his new temple.

    [786/785] 823/822 During the eponymy of Nabû-šarra-usur, governor of Talmusu, campaign against Kisku.

    [785/784] 822/821 During the eponymy of Adad-uballit, governor of Tamnuna, campaign against Hubuškia; [the god] Anu the Great went to Der.

    [784/783] 821/820 During the eponymy of Marduk-šarra-usur, governor of Arbela, campaign against Hubuškia.

    [783/782] 820/819 During the eponymy of Inurta-nasir, governor of Mazamua, campaign against Itu'a.

    [782/781] 819/818 During the eponymy of Iluma-le'i, governor of Nisibis, campaign against Itu'a.

     

    De conclusie moet zijn dat naar het einde toe van de regeringsperiode van Joahaz van Israel, en los van de tegensprekelijke eponiemlijst, een Assyrische invasie in Aram heeft plaatsgevonden. Hoogstwaarschijnlijk in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III.

     

    De Assyriër Adad Nirari III werd zodoende ‘een verlosser voor Israël’:

    2 Koningen 13:5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren.

     

    De Bijbel noemt de naam niet, noch de nationaliteit van deze verlosser die hen van de overheersing door Aram verloste. Maar ook in het Assyrische verslag wordt bijvoorbeeld de naam van de koning van Aram niet genoemd. Er is slechts een verwijzing naar een ‘Mari, koning van Aram’. Mari is hier geen eigennaam maar betekent alleen HEER. De Assyrische berichtgeving voor deze tijdsperiode is onduidelijk en levert vraagteken op vraagteken. Met de hulp van de historische boeken van de Bijbel en de fragmentarische Assyrische gegevens is het mogelijk een en ander te reconstrueren.

     

     

    De Eponiemlijst vermeldt in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III een campagne naar ‘Manduate’. Dit gebied wordt algemeen als de Bekavallei in de Libanon geïdentificeerd. Het ligt voor de hand aangezien het van de Bekavallei slechts een steenworp naar Damascus is, en in dat zelfde jaar Damascus belegerd werd.

     

    Er is ook een stele van Adad Nirari III gevonden waar deze claimt schatting van koning Joas van Juda, ontvangen te hebben. Dit gegeven past ook in het jaar 833 v. Chr. met de campagne van Adad Nerari III tegen Damascus. Dat jaar was het eerste regeringsjaar van Joas van Juda in co-regentschap met zijn vader Joahaz.

     

    Wordt vervolgd

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    18-01-2016 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het leeuwenbeeld van Toetanchat(m)on

    De afbeelding hierna is van een granieten leeuwenbeeld uit de derde eeuw v. Chr. (c. 275/260 v. Chr.) met de namen erop van zowel de Nubische koning Amanislo als de naam van Toetanchamon uit de (volgens de orthodoxie) veertiende eeuw v. Chr. (c. 1332/1323 v. Chr.). Tussen beide koningen zit er in het conventionele model zo maar even een verschil van meer dan duizend jaar.

    Het beeld stond oorspronkelijk in de tempel van Soleb in Nubië (het huidige Soedan). Tegenwoordig verblijft het in het British Museum.

    De twee namen met een tijdskloof van duizend jaar is voor de orthodoxe egyptologie moeilijk verklaarbaar. Een logische verklaring bestaat er in het orthodoxe model dan ook niet en het blijft een vraagteken waarom een Nubische heerser zijn naam zou toevoegen, aan een beeld van Toetanchamon?

     

     

    Farao Toetanchamon is op de tijdsbalk in de veertiende eeuw voor Christus beland, als een gevolg van het rangschikken van de Egyptische dynastieën op de tijdsbalk door de Egyptoloog Eduard Meyer, op basis van een door hem gehanteerde vermeende Sothis-kalender. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft echter de zogenaamde Sothis-kalender als een latere uitvinding van Grieken en Romeinen ontmaskerd (zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27-46). Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Volgens mijn herziening van de geschiedenis van het oude Egypte heeft farao Toetanchamon nu de jaren 684/675 v. Chr. op de tijdsbalk, wat slechts een verschil geeft van enkele eeuwen met Amanislo, in plaats van de meer dan duizend jaar in het orthodoxe model. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Mykerinos-Toetanchamon, blz. 345-353.

     

     

    Ik wijk met ongeveer honderd jaar op de tijdsbalk af, van Dr. I. Velikovsky ’s reconstructie van de geschiedenis van de oudheid. In mijn reconstructie pas ik wel dezelfde werkmethode van Velikovsky toe. Hierna een citaat uit ‘Eeuwen in Chaos’, 1952, blz.255:

    … in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel andere namen dragen  dan de door ons gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in Jeruzalem, Samaria en Damaskus.

     

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, pas ik dezelfde methode toe en schuif meer dan zeven eeuwen op de tijdsbalk met als resultaat Achaz in Jeruzalem en Pekah in Samaria. Toetanchamon sluit de rij van Aton-ketters af in het jaar 675 v. Chr.

     

    De gevestigde Egyptologie leert dat haar ordening op de tijdsbalk van de dertig Egyptische dynastieën van Manetho, op basis van het gebruik van een veronderstelde dubbele kalender in het oude Egypte, de zogenaamde Sothis-kalender, correct is. Het revisionisme van de geschiedenis van het oude Egypte heeft deze fabricatie onderuit gehaald, en aangetoond dat de Sothis-kalender met tijdsperioden van telkens 1460 jaar een fantasie, een verzinsel van de oude Grieken en Romeinen was.

     

     

    De gevestigde Egyptologie laat de eerste veronderstelde Sothis-schijf van 1460 jaar in het jaar 139 AD terug de tijd in, aanvangen. Dit aan de hand van het boek van de Romeinse grammaticus Censorinus ‘DE DIE NATALI’ uit 239 AD. In dat jaar vermeldde de Romeinse grammaticus Censorinus dat in 139 AD de eerste dag van de maand Thoth (juli/augustus) met het begin van het Egyptische kalenderjaar, samenviel met de heliakische verschijning van de ster Sirius of Sothis – wat het einde van een Sothis-cyclus van 1460 jaar veronderstelde. Zijn boek was geschreven ter ere van de verjaardag van Censorinus’ broodheer: Quintus Caerellius. In het boek schreef Censorinus dat in het jaar 139 AD de Hondsster verschenen was op de eerste dag van de maand Thoth, en dat die dag gelijk viel met 19 juli van de Romeinse kalender. Die dag zou dus een nieuw Sothis-tijdperk hebben zien aanvangen.

    Wat minder aandacht krijgt is dat er een tegenstrijdig manuscript bestaat dat een veronderstelde Sothis-periode laat eindigen in het jaar 26 v. Chr. De astronoom Theon van Alexandrië uit de vierde eeuw na Chr. stelt namelijk dat er een heliakisch opgaan van Sirius/Sothis geschiedde in het vijfde regeringsjaar van Augustus, zijnde het jaar 26 v. Chr.

    Het verschil van 164 jaar tussen beide jaartallen wordt door de orthodoxie niet verklaard en stilzwijgend genegeerd.

     

    Dat men de ketterfarao ’s van de zonaanbidding in de veertiende eeuw v. Chr. ondergebracht heeft is een onderdeel van een lange tijdsketting met zwakke schakels.

    De enige schijnbare verbinding die er in de veertiende eeuw v. Chr. met Achnaton en zijn opvolgers op de tijdsbalk bestaat, is de Amarna-briefwisseling van een Assyrische heerser met de naam Assur Uballit. Maar ook deze schakel is verbroken. De briefschrijver Assur Uballit noemt zich namelijk de zoon van Assur-Nadin-Ahe. Dit is in tegenspraak met de Assyrische Eponiemlijsten, waar de Assur Uballit van de veertiende eeuw v. Chr. vermeldt staat als de zoon van Eriba-Adad. Klaarblijkelijk zijn er meerdere Assyrische koningen met de naam Assur Uballit geweest. De laatste koning van Assur droeg overigens ook de naam Assur Uballit. De Assur Uballit van de achtste eeuw v. Chr. was een van de vele koningen van Assyrië die toen in triumviraat de troon met elkaar deelden.

     

    De Egyptologie is, wat de chronologie van de farao ’s betreft, geen exacte wetenschap en aan herziening toe. Dat er nog geen eenvormigheid onder de verschillende revisionisten van de geschiedenis van de oudheid bestaat, is geen reden om nog langer de datering van de gevestigde Egyptologie, op basis van een veronderstelde dubbele kalender te blijven volgen.

     

     

    Een chronologie op een tijdsbalk uitwerken is zoals kompaslopen bij de padvinders, men heeft een stafkaart (het correcte historische plaatje) en kompas nodig en daarnaast op het terrein meerdere navigatiepunten ter bepaling waar men is en waar men naar toe gaat. De nieuwe navigatiepunten in mijn reconstructie van de geschiedenis van het oude Egypte zijn in de eerste plaats de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en de oudheidhistoricus Herodotos.

     

    De wetenschap zou een geallieerde kunnen zijn in het leveren van een kruispeiling ter extra bevestiging van ons chronologisch navigeren met de Aton-ketters, op de tijdsbalk.

    Van rietmatten uit het graf van Toetanchamon bijvoorbeeld die aan een C-14 ouderdomstest onderworpen werden, heeft het British Museum nooit de resultaten bekendgemaakt. Er zou sprake zijn van een resultaat van vele eeuwen verschil, in afwijking van de (gefabriceerde) jaartallen van de orthodoxe egyptologie voor Toetanchamon. Het gebruikte materiaal zou volgens de onderzoekers gecontamineerd zijn (Schepping en Wetenschap, drs. J.A. van Delden, 1977, hoofdstuk 13), en daarom voor hen foute jaartallen opgeven.

     

    Zolang bij het establishment de wil niet aanwezig is om de dwingende noodzaak van een revisie van de chronologie der oudheid ernstig te nemen, zal men verder de diverse Musea-oudheid-artefacten verkeerd dateren en interessante verbanden missen.

     

    Binnenkort breng ik een nieuw boek uit: de zonaanbidder, Achnaton, de strenge hardvochtige farao van de profeet Jesaja. Met deze studie neem ik de lezer mee naar het Egypte van de achtste eeuw voor Christus. Het was voor de oude wereld een eeuw van grote omwentelingen zowel in de natuur als in de godsdiensten, en de machtsverhoudingen in het algemeen. De Aton-ketters met farao Achnaton op kop worden op de tijdsbalk naar hun correcte plaats geloodst, en tijdgenoten gemaakt met de Bijbelse koningen van Israël en Juda: Pekah, Hosea en Achaz alias Labaja, Rib Addi en Abdi Hiba van de Amarna-correspondentie. Verder identificeer ik Achnaton met farao Anysis van de vader der historie: Herodotos, en geef opnieuw aandacht aan het werk van Dr. Immanuel Velikovsky: Oedipus en Achnaton. De Griekse legende heeft haar oorsprong in het Egyptische Thebe. Het zijn allemaal puzzelstukjes die in het plaatje van de achtste en begin zevende eeuw v. Chr., tezamen komen.

    Ik hou u van de verschijningsdatum op de hoogte.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

    11-01-2016 om 08:55 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-01-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kroniek van koning Joram van het tienstammenrijk

    Joram was een jongere zoon van Achab die na de kortstondige regeerperiode van zijn oudere broer Achazja, koning werd. Achazja regeerde slechts twee jaar, waarvan een fractie van zijn eerste jaar als co-regent met zijn vader Achab. Ik schreef eerder dat het co-regentschap te maken had met de slag bij Ramot-Gilead, een slag waarbij Achab het leven liet. (zie het artikel op dit blog van 08-12-2015, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1449442800&stopdatum=1450047600

     

    1 Koningen 22:52 Achazja, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twee jaar over Israël. 53 En hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, en wandelde in de weg van zijn vader en in de weg van zijn moeder en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. 54 Hij diende de Baäl en boog zich voor hem neer, en krenkte de HERE, de God van Israël, geheel zoals zijn vader gedaan had. (NBG Vertaling 1951)

     

    In zijn eerste regeringsjaar verongelukte Achazja en werd ziek, zoals het Bijbelboek 2 Koningen het summier doorgeeft:

    2 Koningen 1:1 Moab viel na Achab ‘s dood van Israël af. 2 Achazja viel door het traliewerk van zijn boven-vertrek te Samaria, en hij werd ziek.

     

    Het gevolg van het co-regentschap van Achazja met zijn vader Achab, gevolgd door zijn ziekte en kortstondige regering, maakt dat hij buiten Israël en Juda onbekend bleef. De Moabietische stele bijvoorbeeld rekent niet met hem. Zie het artikel op dit blog van 13-10-2015, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1444600800&stopdatum=1445205600

     

    Daarna vervolgt het Bijbelboek (2 Koningen 1:1-18) met de geschiedenis van Achazja ’s zoektocht naar genezing bij de god Baäl-Zebub, de god van Ekron, en zijn veroordeling daarvoor door de HERE God van Israël:

    2 Koningen 1:16 En hij sprak tot hem: Zo zegt de HERE: aangezien gij boden gezonden hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen – is er dan geen God in Israël, wiens woord gij kunt raadplegen? – daarom zult gij van het bed waarop gij zijt komen te liggen, niet afkomen, maar gij zult voorzeker sterven. 17 Zo stierf hij volgens het woord des HEREN, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon.

     

     

    De bijzondere chronologische constructie rond het co-regentschap van Joram van Juda op de tijdsbalk, in relatie tot Joram van Israël heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN (blz. 237-241) uitgewerkt. Het ontvangen van een brief van de profeet Elia (2 Kronieken 21:12) door Joram van Juda past alleen in dit tijdsbestek, en via het co-regentschap. Zie het artikel op dit blog van 15-02-2014, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1391986800&stopdatum=1392591600 en scrol naar beneden.

    De Bijbel spreekt zich niet tegen, en alle chronologische stukken passen exact in elkaar.

     

    2 Koningen 3:1 Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN; echter niet zoals zijn vader en zijn moeder: hij verwijderde de gewijde steen van Baäl, die zijn vader gemaakt had. 3 Alleen volhardde hij in de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven; daarvan week hij niet af.

     

    Het Bijbelboek 2 koningen vervolgt in hoofdstuk 2 met de geschiedenis van de ten hemel opneming van de profeet Elia in een storm (2 Koningen 2:11).

     

    De Seder Olam (Part 2, Chapter 17) leert dat dit gebeurde in het tweede regeringsjaar van koning Achazja van Israël:

    “Ahaziah ben Ahab ruled for two years . In Ahaziah ’s second year, Elijah was hidden and will not be seen again until King Messiah will come, then he will be seen, then hidden a second time until Gog and Magog come.

     

    Het Jodendom leert blijkbaar twee komsten van de profeet Elia. Een bij de komst van de Messias en nog een bij de invasie van Israël door Gog en Magog. Het is opmerkelijk dat zij oog hebben voor twee komsten van Elia, maar niet voor de twee komsten van de Messias. De eerste komst en openbaring van Jezus bij de aanvang van het dertigste jubeljaar, en dit voorafgegaan door Johannes de Doper, die in de kracht en de geest van Elia, Hem aankondigde, ging aan hen voorbij. En net zoals er een tweede openbaar worden van Elia zal zijn, zal ook de Messias, in Heerlijkheid ditmaal, een tweede maal komen, de lang verwachte wederkomst.

     

     

    De wegvoering van Elia, in een storm op een vurige wagen, heb ik op het bijgevoegd chronologische schema met een verticale lijn in het jaar 887 v. Chr. gemarkeerd. Dit is een afwijking van twee jaar met mijn eerdere plaatsing van de wegvoering van Elia in het najaar van 885 v. Chr.

    In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 331-337, geef ik aandacht aan het werk van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met ‘The Long Day of Joshua and Six other Catastrophes, 1973. Zij bouwen verder aan het pionierswerk van Dr. Immanuel Velikovsky en leveren een raamwerk van vermoede mega-natuurcatastrofes van kosmische oorsprong.

    In mijn studie hanteer ik hun cyclusjaren van 54 jaar en zes maanden, maar met ankerjaren op de tijdsbalk gebaseerd op de sabbat- en jubeljaren. Een belangrijk ankerjaar is bijvoorbeeld het sterfjaar van koning Achaz van Juda in 722 v. Chr. Vanaf dit jaar verkrijgt men 54 jaar en zes maanden eerder het bijzondere historische jaar 776 v. Chr., met in het najaar de genoteerde aardbeving van Uzzia. Nog eens 54 jaar en zes maanden terug in de tijd gerekend arriveren we in het voorjaar van 830 v. Chr. Maar blijkbaar ging er daarvoor een afwijking aan vooraf, want het resultaat van terugrekenen met 54 jaar en zes maanden geeft 885 v. Chr. en niet 887 v. Chr. Dit zijn afwijkingen waar Donald W. Patten en zijn medewerkers mee rekening hielden. De Bijbelse chronologie bevestigt zulk een afwijking van twee jaar op de tijdsbalk.

     

    Na de geschiedenis van de profeet Elia en zijn opvolger Elisa vervolgt de Bijbel met de geschiedenis van de strijd tegen Moab (2 Koningen 3:4-27) door de zoon van Achab: Joram, geallieerd met Josafat van Juda:

    2 Koningen 3:Mesa nu, de koning van Moab, was een schapenfokker; hij bracht aan de koning van Israël honderdduizend lammeren op en de wol van honderdduizend rammen. 5 Maar zodra Achab gestorven was, viel de koning van Moab van de koning van Israël af. 6 Koning Joram trok te dien dage op uit Samaria en monsterde geheel Israël. 7 En hij zond tot Josafat, de koning van Juda, deze boodschap: De koning van Moab is van mij afgevallen; trekt gij met mij tegen Moab ten strijde? En hij antwoordde: Ik zal optrekken, ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paarden. 8 Ook vroeg hij: Langs welke weg zullen wij optrekken? En hij antwoordde: In de richting van de woestijn van Edom. ….

     

    De Bijbel geeft niet aan in welk jaar deze veldtocht plaatsvond? Maar het meest logische jaar is het vijfde regeringsjaar van Joram van Israël: apr883/mrt882 v. Chr. In dat jaar namelijk werd in Juda Joram, de zoon van Josafat als co-regent aangesteld:

    2 Koningen 8:16 In het vijfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël – Josafat was toen koning van Juda – werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda. 17 Hij was tweeëndertig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde acht jaar te Jeruzalem. 18 Hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed, want hij had een dochter van Achab tot vrouw; hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN. 19 Maar de HERE wilde Juda niet verderven ter wille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven.

     

     

    Het is niet onlogisch dat met het oog op de geallieerde veldtocht van Israël en Juda tegen Moab, dat in Juda een co-regent aangesteld werd. Alhoewel het gezamenlijk oprukken van de legers van Juda en Israël tegen Moab met een Woord des HEREN geschiedde (2 Koningen 3:10-12), met een belofte van succes merken we dat de Judeeërs en Israëlieten toch de belegering van Moab afbreken, nadat de Moabietische koning Mesa zijn zoon en geplande troonopvolger op de vestingmuur voor de ogen van de belegeraars aan zijn god Kemos brand-offerde. De beschreven ‘grote toorn‘ die toen over Israël kwam (2 Koningen 3:27), is het resultaat van het eigenzinnig wegtrekken van de Israëlitische belegeraars, die geen acht meer op het eerdere Woord des HEREN via de profeet Elisa, sloegen. Hun ontzag voor de Moabietische god Kemos was blijkbaar groter dan hun ontzag voor de HERE God.

     

    Het voorkomen van het veelgodendom in de oude wereld kan verklaart worden vanuit de cyclus van meganatuurcatastrofes die van kosmische oorsprong waren. Volgens het eerder geciteerde studiewerk van Donald W. Patten was de planeet Mars de boosdoener, in die tijd. Met intervallen van ongeveer 54 jaar en zes maanden werd de aarde en haar bewoners opgeschrikt door tekenen aan de hemel. Hierna een citaat van Patten met een beschrijving, en de gevolgen van zulk een interactie tussen planeten:

    “On one or two occasions of the Mars fly-bys, Mars was as close as 70.000 miles from Earth, and at such a distance would appear 50 times as large as the Moon, would reflect 100 times as much sunlight as the Moon (since its albedo or reflectivity is 15% compared to the lunar 7%). Mars at that distance would create tidal effects possibly as much as 350 times as intense as the average lunar tides experienced today. Thus earthquakes plus blizzards of meteors were experienced. Under such circumstances ancient Teutons might well implore Thor to control his “celestial son” Tyr or Tiwes

     

    De jaren voorafgaand en volgend op een hiervoor beschreven ‘fly-by’ gingen gepaard met natuurcatastrofes aller aard. Het gevolg waren dikwijls mislukte oogsten en hongersnood (2 Koningen 4:38).

     

    Na de geschiedenis van het geallieerde fiasco tegen Moab vervolgt het Bijbelboek 2 Koningen 4:1-44 met de geschiedenis van de profeet Elisa. Daarna de bekende geschiedenis van de genezing van de Syriër Naäman (2 Koningen 5:1-27)

    2 Koningen 5:1 Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de HERE een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats.

     

    Welke overwinning en op wie, de legeroverste Naäman met de hulp van de HERE God van Israël, een overwinning behaalde wordt niet vermeld. Op de tijdsbalk is het slechts tien jaar terug tot de slag bij Karkar, waar de Arameeërs in bondgenootschap met de Israëlieten tegen de Assyriër Salmaneser III, streden. De Assyriërs claimen op de bekende Karkar-stele de overwinning, maar we weten dat toen daar de Assyrische expansie naar het westen voorlopig gestopt werd.

     

    Al een jaar na de genezing van de legeroverste Naäman was er opnieuw strijd met Aram zoals beschreven in 2 Koningen 6:8-23 Een strijd die tot 875 v. Chr. met stervensjaar van koning Joram van Israël zou aanhouden.

     

    Sinds het vijfde regeringsjaar van Joram van Israël met de veldtocht naar Moab in 883/882 v. Chr. bestond er ‘een grote toorn’ (2 Koningen 3:27) over Israël. Deze toorn van God uitte zich in een hongersnood die zeven jaar zou aanhouden (2 Koningen 8:1). Op de tijdsbalk beslaat deze periode de resterende regeringstijd van Joram van Israël, tot in 875 v. Chr.

     

     

    De zeven jaar van hongersnood lopen toevallig gelijk met de vierde sabbatjaarcyclus van 883 tot 876 v. Chr. Dit is uiteraard geen toeval maar een bevestiging dat mijn schikking van de regeerperioden van de koningen van Israël binnen het raamwerk van William Whiston ’s opgave van sabbat- en jubeljaren, correct is. In het werk van Louis Ginzberg: ‘Legends of the Jews, Chapter VI, Joram’, vinden we een beschrijving van de jaar na jaar steeds erger wordende hongersnood. De legende leert dat het zevende jaar van de hongersnood dramatisch was en dat ook in de winter daaropvolgend de regen uitbleef. Maar in het volgende jaar op de eerste dag van de maand Nisan begon het te regenen. Een daad van geloof was het zaaien van het laatst overgebleven zaaigoed in plaats van het als voedsel te gebruiken. Op de tweede, de derde en de vierde dag van de maand Nisan werd er gezaaid. Op de vijfde dag viel er opnieuw regen en volgens de legende kon er na elf dagen al geoogst worden, en was alles ook geregeld voor het Pesach-feest.

     

    De beschreven belegering van Samaria door Benhadad, de koning van Aram (2 Koningen 6:24-33 en 7:120), speelt zich ten tijde van de hongersnood af.

    2 Koningen 6: 24 Daarna verzamelde Benhadad, de koning van Aram, zijn gehele leger, trok op en sloeg het beleg voor Samaria. 25 En er ontstond een zware honger in Samaria; want zij belegerden het zo lang, dat een ezelskop tachtig zilverstukken kostte en een vierde maat duivemest vijf zilverstukken. …

     

    Het einde van Joram van Israël viel samen met de dood van koning Ahazia van Juda in 875 v. Chr. Samen hadden zij zich dat jaar geallieerd voor een veldtocht tegen Aram, maar delfden het onderspit. Joram van Israël keerde gewond van de strijd terug en zocht genezing te Jizreël.

    2 Koningen 8:25 In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda. 26 Tweeëntwintig jaar was Achazja oud, toen hij koning werd; hij regeerde een jaar te Jeruzalem; zijn moeder heette Atalja; zij was de kleindochter van Omri, de koning van Israël. 27 Hij wandelde in de weg van het huis van Achab en deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, zoals het huis van Achab, want hij was verzwagerd met het huis van Achab. 28 Hij trok met Joram, de zoon van Achab, uit en streed tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. Maar de Arameeërs verwondden Joram. 29 Dus keerde koning Joram terug om te Jizreël genezing te zoeken voor de wonden die de Arameeërs hem bij Rama hadden toegebracht, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. En Achazja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam Joram, de zoon van Achab, in Jizreël bezoeken, want hij lag ziek.

     

    Het is te Jizreël dat generaal Jehu naar een Woord van de HERE God (2 Koningen 9:410) koning Joram van Israël zou doodden.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    04-01-2016 om 18:17 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De ster van Bethlehem

    Matteüs 2:1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. 2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. 3 De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. 4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door den profeet: 6 En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. (Statenvertaling)

     

     

    Het is alleen de evangelist Matteüs die het verhaal van de wijzen uit het Oosten brengt. Een geschiedenis die de bron en inspiratie van heel wat kunstwerken is geworden. Het spreekt ook tot de verbeelding, een ster die Magiërs (Grieks: Magoi) helemaal vanuit het verre Perzië naar het land Israël leidde. Een ster, staat er geschreven, die hen ook keer op keer voorging in hun tocht naar het nieuw geboren Kind: de Koning der koningen.

    Matteüs 2:7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was; 8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde. 9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. 11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

     

     

    De geschiedenis van de ster heeft niet alleen kunstenaars aller aard en leeftijd geïnspireerd maar ook astronomen die vanuit hun vakgebied één en ander trachten in te vullen. Dit laatste ging niet vanzelfsprekend en uiteraard zijn er heel wat theorieën dienaangaande gelanceerd. In mijn publicatie ‘KRONOS, de chronologie van de oudheid herzien’, 2000, isbn 90 73739 109 1/CIP, heb ik in het tweede hoofdstuk enkele theorieën opgegeven:

    “In 11 voor Christus is de komeet van Halley gepasseerd, in 7 voor Christus was er een drievoudige conjunctie van de planeten Jupiter en Saturnus in het sterrenbeeld vissen, en in 5 voor Christus was er de Nova en Aquila.” Aan het einde van het hoofdstuk sloot ik af met een opmerking: “De geboorte van de Heiland in het jaar zeven voor Christus, het jaar van de constellatie van planeten, wijs ik op basis van de chronologische gegevens die Lucas verstrekt, af. Met het hanteren van zeven voor Christus helt men trouwens van astronomie naar astrologie af, en bewandelt men een pad naar het occulte toe.”

     

    Met dit korte artikel in de laatste week van het jaar 2015, over de ster van Bethlehem, wil ik de aandacht van mijn lezers vestigen op een interessant commentaar van de Bijbelvorser E. W. Büllinger (1837/1913) op de ster van Bethlehem, in zijn Companion Bible met voetnoten: ‘All questions are settled if we regard this as miraculous’.

    went before: ‘therefore not an astronomical phenomenon, but a miraculous and Divine act’.

    Zie link: http://www.companionbiblecondensed.com/NT/Matthew..pdf

    En scrol naar page 1309.

     

    Ik meen dat Büllinger het bij het rechte eind had. Indien de ster de Oudtestamentische Shekinah was, is het de HERE God Zelf die de ‘Magoi’ naar Israël leidde. Het is de HERE God Zelf die dan ook bij de geboorte van de Heiland, de herders in de velden nabij Bethlehem, naar de geboorteplaats leidde.

    Lucas 2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. 9 En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; 11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. 12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. 13 En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende: 14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

    15 En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. 16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. 18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. 19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart. 20 En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. (Statenvertaling)

     

    Het Griekse woord voor ‘ster’ in de grondtekst van de Bijbel is: ASTERA. Het woord ASTERA werd tweeëntwintig maal in de Griekse Bijbel voor de vertaling van ‘Ster’, letterlijk of als metafoor, gebruikt. De laatste maal komen we het woord ASTERA in de Bijbel tegen in:

    Openbaring 22:16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster.

     

    De evangelisten Matteüs en Lucas vullen elkaar aan in het doorgeven van de geschiedenis van de geboorte van de Christus. Wanneer we de historische gegevens van de twee evangelisten op de tijdsbalk uittekenen vinden we de volgende volgorde.

    Bij de geboorte van de Heiland te Bethlehem waren buiten zijn ouders, alleen de gewaarschuwde herders aanwezig. De wijzen uit het Oosten waren op dat moment nog onderweg. Dit laatste merken we op bij het eerder geciteerde vers uit Matteüs 2:1.

    Zeven dagen later op de achtste dag werd baby Jezus volgens de Wet besneden en drieëndertig dagen daaropvolgend werd Hij door zijn ouders in Jeruzalem in de Tempel opgedragen (Leviticus 12:1-4). Over de geboortemaand schreef ik eerder op dit blog een artikel: 23 augustus: een alternatieve Kerstdatum? Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1440367200&stopdatum=1440972000

     

    Het opdragen van baby Jezus in de Tempel te Jeruzalem geschiedde vermoedelijk met Rosj Hasjanah. De evangelist Lucas heeft deze bijzondere geschiedenis uitvoerig in zijn evangelie gebracht. Hierna het Bijbelgedeelte:

    Lucas 2:21 En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen. 22 En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, 23 gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, 24 en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

    25 En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide:

    29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil gezien, 31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. 33 En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt 35 – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    36 Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

    39 En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.

    (NBG Vertaling 1951)

     

    Buiten de priester van dienst (aan wie blijkbaar heel het profetische gebeuren voorbij ging) zorgde de HERE God te Jeruzalem voor twee getuigen: een man en een vrouw, Simeon en Hanna.

    Vers 39 van het hiervoor geciteerde Bijbelgedeelte, leert dat zij na het vervullen van de Wet van Mozes te Jeruzalem, naar huis terugkeerden, naar Nazareth in Galilea. Het is hier in hun huis (Matteüs 2:11) dat de Wijzen uit het Oosten hun opwachting maakten, nadat zij eerder aan het hof van Herodes de Grote, navraag deden. Het was weer ‘de ster van Bethlehem’ die hen naar het huis te Nazareth leidde:

    Matteüs 2:9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.

     

    Daarom meen ik dat Büllinger met zijn concordante Bijbeluitleg gelijk heeft met de ASTERA van Bethlehem als ‘an Act of God’ te zien.

     

    Het is vanuit Nazareth dat Jozef en Maria met hun baby Jezus naar Egypte trokken, na het vertrek van de Wijzen.

    Matteüs 2:13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; 15 En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. (Statenvertaling)

     

     

    Herodes de Grote stierf in maart van het jaar vier v. Chr.

    Het geboortejaar van de Heiland in het jaar vijf v. Chr. heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN, 2005, behandelt in de hoofdstukken: Herodes de Grote, blz. 437 en het hoofdstuk 27/28 AD, een navigatiepunt in de tijd, blz. 443. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Tot slot wens ik al mijn lezers een gelukkig Nieuw Jaar 2016 AD toe.

     

    De HEERE zegene u, en behoede u in 2016

    De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig in 2016

    De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede in 2016

    (naar Numeri 6:24-27)

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    29-12-2015 om 08:49 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    23-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ADVENT 2015 AD, HIJ KOMT

    Definitie van het woord Advent: (Latijn: Adventus, komst) aanduiding van de komst van de Zoon van God in het vlees, de incarnatie; voorts van Zijn wederkomst ten oordeel in de volheid der tijden.

     

     

    Niet alleen de voorbereidingstijd tot het kerstfeest is volgens de definitie van advent bedoeld, maar ook een leven in de verwachting van de wederkomst van Christus.

    Dit laatste is een verwachting die het traditionele christendom, ook wat er van overblijft in de derde generatie sinds de kerkverlating, niet meer kent. De verwachting van het traditionele christendom is er een van als mens geboren worden, ouder worden, moeten sterven en daarna de hemel (als het goed is), de niet-gelovigen wacht de traditionele hel.

    Dit christendom heeft weinig of geen kennis van de Bijbel. De Bijbel leert nochtans duidelijk en niet mis te verstaan, een wederkomst van Christus. Deze komst heeft Jezus tijdens zijn leven en bediening voorzegt, en werd door de evangelisten zo genoteerd. Onmiddellijk na Zijn hemelvaart wordt dezelfde boodschap herhaald.

    Handelingen 1:6 “Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. 10 En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen (NBG Vertaling 1951)

     

    In het hiervoor geciteerde Schriftgedeelte worden enkele eenvoudige waarheden weergegeven. De verwachting namelijk van het koninkrijk Gods door middel van het derde herstel van Israël, en de wederkomst van Jezus op dezelfde wijze zoals Zijn hemelvaart. Boven Jeruzalem is er voor mensenogen, een onzichtbare deur naar die andere dimensie van waar Jezus op Zijn tijd zal terugkomen. Naar de komst van dit Rijk Gods hebben honderden en honderden miljoenen christenen bijna tweeduizend jaar al sinds 30 AD (dikwijls onwetend) gebeden. Het ‘Onze Vader’ namelijk, zoals het in het evangelie opgetekend staat.

     

     

    Matteüs 6:5 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 7 En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. 8 Wordt hun dan niet gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9 Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.] 14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dit beloofde Koninkrijk is komende. Het zal niet tot stand komen door menselijke inzet, maar net zoals bij de wedergeboorte van een mens, zoals beschreven in het evangelie naar Johannes, door God Zelf.

    De verwachting van het komende Godsrijk werd als een gevolg van het uitblijven van de wederkomst van de Messias, door het christendom al vroeg opgegeven. Toen de Romeinse keizer Constantijn zich in de vierde eeuw tot het christendom bekeerde en de kerk van Rome tot staatsgodsdienst verhief, leerde en verwachte men daarna dat het Godsrijk door mensenhanden gebouwd kon worden. De profetische gedeelten van de Bijbel werden als een allegorie uitgelegd en ontdaan van hun letterlijke boodschap. Alle heilsbeloften in de Bijbel die betrekking op het volk Israël hebben, werden op de kerk van nu van toepassing gebracht. De duizend jaar dat satan volgens het Bijbelboek Openbaring, in de toekomst gebonden zou worden, werd niet meer letterlijk genomen maar gezien als een zinnebeeld van de nieuwe tijd die sinds Constantijn baan brak. Dat het sterven, de dood, bleef heersen nam men erbij. In de plaats van de verwachting van de wederkomst van Christus en de daarmee gepaard gaande beloofde opstanding uit de doden, een boodschap waar de apostel Paulus de gelovigen mee troost (2 Thessalonicenzen 4:14-17), kwam de leer van een naar de hemel gaan bij het sterven.

     

    Het christendom is sindsdien ook een pure mannenzaak met rangen en standen, geworden. De gelijkheid van man en vrouw zoals de Bijbel die leert, werd opgegeven en de vrouw gediscrimineerd. Een toestand waar generatie op generatie religieuze vrouwen zichzelf aan onderwierpen, menende, het is Gods wil.

     

     

    De afbeelding komt van een Egyptisch reliëf daterend van de twaalfde dynastie. Het kwam te voorschijn in een graf te Beni Hassan. Het plaatje geeft een Semitische karavaan weer die met handelswaren Egypte binnenkomt. Het is een afbeelding die men in vele Bijbelatlassen, encyclopedieën en dergelijke, tegenkomt. Men heeft hier ten slotte een afbeelding van hoe de aartsvaders er uitgezien hebben. Hun uiterlijk, klederdracht, wapens enzoverder, wat echter moet opvallen, maar nooit met zoveel woorden vermeld wordt, zijn de vrouwen op deze afbeelding. Geen sluier is te bemerken, zelfs geen hoofddoek.

     

    Het Bijbelse koninkrijk van de Bergrede van Jezus zoals in het Mattheüsevangelie geciteerd, is hetzelfde Koninkrijk waar ook gelovige Joden naar uit zien. Want het is hun door de profeten beloofde Messiaanse Vrederijk, dat met de wederkomst van Christus werkelijkheid zal worden. Zij gaan als ‘lo-ammi’ momenteel nog hun eigen weg, maar in de toekomst zal er naar het Profetische Woord, een derde herstel volgen. Dit herstel begint tijdens de komende oordeelstijd met een nieuwe exodus, ditmaal vanuit het land, naar de woestijn. Een woestijn waar de HERE God tot hun hart zal kunnen spreken (Hosea 2:13-14).

     

    De exodus uit Egypte gaat terug tot Pesach 1483 v. Chr. Met Sjavoeot van hetzelfde jaar kregen zij de grondwet van de HERE God, en gingen ze op weg naar het Beloofde Land. Het was het begin van een nieuwe bedeling die eindigde in falen. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik het exodusjaartal van 1483 v. Chr. berekend op basis van de sabbat- en jubeljaartelling. De constructie van Thiele met als resultaat 1447 v. Chr. werd opgegeven. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    We zijn met anno 2015 al 3497 jaar sinds de exodus op de tijdsbalk gevorderd, en de vraag is wanneer de laatste mensengeneratie gaat aantreden die getuige zal zijn van de wederkomst van Christus? Deze komst zal weer gepaard gaan met veel natuurgeweld zoals we dat in de geschiedenis van het oude Israël gezien hebben. Wie van mijn generatie de boeken van wijlen Dr. I. Velikovsky (Werelden in botsing, 1971, en Eeuwen in Chaos, 1977) gelezen heeft, weet dat de Exodus uit Egypte en de daarmee gepaard gaande rampen, van kosmische oorsprong waren. Ook de (weder)komst van de Messias of Christus zal met soortgelijke rampen gepaard gaan.

     

    Lucas 21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. 28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    23-12-2015 om 13:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-12-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een mini-archeologische vondst: het zegel van Hizkia

    In het jaar 2009 werd te Jeruzalem aan de voet van de Tempelberg door Israëlische archeologen, verbonden aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem onder leiding van Dr. Eilat Mazar, een klein kleizegel gevonden. De afmetingen zijn 0.97 centimeter maal 0.86 centimeter. De vondst werd pas dit jaar wereldkundig gemaakt. Zie link: http://new.huji.ac.il/en/article/28173

     

     

    A seal impression of King Hezekiah unearthed in the Ophel excavations at the foot of the southern wall of the Temple Mount, conducted by the Hebrew University of Jerusalem’s Institute of Archaeology under the direction of Dr. Eilat Mazar. (Courtesy of Dr. Eilat Mazar; Photo by Ouria Tadmor)

     

    Op het zegel staat een Hebreeuwse tekst met de woorden: ‘behorend aan Hizkia zoon van Achaz’, met daarnaast twee Egyptische symbolen: de zon met twee neerstrekkende vleugels, en aan de rechterkant de bekende Ankh-afbeelding.

    De afbeelding van de zon met de neerstrekkende vleugels wordt door de archeologe, uit Assyrische invloed verklaard. Over het Ankh-teken op het zegel bestaat er geen twijfel, dat is zondermeer Egyptisch.

     

    De Assyrische koning Sanherib verwijst op zijn bekende prisma-stele (heden in het British Museum) naar Hizkia als koning van Juda te Jeruzalem. Een stad die hij bij zijn derde veldtocht belegerde. Met de vermelding van Hizkia op de prisma-stele van de Assyriër Sanherib bezit men hier een zogenaamde buiten-Bijbelse primaire bron naar Hizkia.

     

    Koning Hizkia regeerde van het najaar van 723 v. Chr. tot 694 v. Chr. De gangbaar gehanteerde jaartallen voor Hizkia zijn echter: 715/686 v. Chr. Deze regeerperiode werd door de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951) uitgedokterd op basis van een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens van de koningen van Israël en Juda met die van Assyrië. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, appendix 4 heb ik Thiele ’s wijze van (mis)rekenen uitgelegd. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    In TIJD en TIJDEN, hoofdstuk: Kroniek van koning Hizkia van Juda, blz. 327-330, breng ik een revisie van de regeerperiode van Hizkia aan de hand van de Bijbelse sabbat- en jubeljaren, als ankerjaren op de tijdsbalk. Er bestaat een verschil van acht jaar met de verkregen jaartallen van Thiele, via zijn verankering van Hizkia met Sanherib, op de tijdsbalk.

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia is verbonden met het vijftiende jubeljaar van okt709/sep708 v. Chr. Er waren in totaal dertig jubeljaren vanaf okt1395/sep1394 v. Chr., negenenveertig jaar na de intocht in Kanaän in april 1443 v. Chr., tot het optreden van Jezus Christus in okt27/sep28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ (Lucas 4) uitriep en zich als de Messias voor de Joden bekendmaakte.

    De wijze van rekenen met de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn ‘dissertatie V’ geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude Israël vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken: 1 en 2 Makkabeeën. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting met vele schakels, waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren.

    Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik nog een jaartal toe: het achttiende jubeljaar 562/561 v. Chr. Dit was het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach, wanneer deze heerser koning Jojachin van Juda uit zijn gevangenis in Babylon verloste in het zevenendertigste jaar van diens ballingschap (2 Koningen 27:27).

     

    Het oude Israël heeft zelden het jubeljaargebod gehouden. We kennen het jaar van de aanvang door in de tijd terug te rekenen vanaf de historische vermeldingen van de eerste tot de zesde eeuw voor Christus. Maar daarna vinden we in de Bijbel haast geen verwijzingen naar het houden van Jubeljaren. Er is echter één duidelijke verwijzing naar een Jubeljaar bij de profeet Jesaja:

    Jesaja 37:30 En dit zal u het teken zijn: gij zult dit jaar eten wat vanzelf opkomt en in het tweede jaar wat nawast; maar zaait in het derde jaar en oogst, plant wijngaarden en eet de vrucht daarvan. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Dit vijftiende jubeljaar volgt op het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda: okt710/sep709 v.Chr., en is op de tijdsbalk verankerd met het jaar 709/708 v. Chr.

    Dit heeft als resultaat dat de val van Samaria in Hizkia ‘s zesde regeringsjaar, op de tijdsbalk in het jaar 717 v.Chr. plaatsvindt, wat dan weer met de chronologische gegevens van Flavius Josephus overeenstemt (Joodse Oudheden, hoofdstuk X, ix.7b). Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Voorjaar 717 v. Chr.: de wegvoering van de tien stammen, blz. 312-320.

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda valt bij Thiele in 701 v. Chr. en dit op basis van zijn verankering van Hizkia met de Assyrische gegevens. Een verschil van acht jaar.

     

    Het jubeljaar van 709/708 v. Chr. in relatie tot de belegering van Jeruzalem door Sanherib, wordt tegenwoordig door weinig onderzoekers (h)erkend, en dit als een gevolg van de seculiere wetenschap: de Assyriologie, waaraan men meer gezag verleend dan aan de Bijbel. Bijna honderd jaar geleden werd de Assyrische koningslijst gepubliceerd. Een koningslijst die de Assyrische koningen opgeeft van de zevende eeuw terug tot ongeveer de negende eeuw voor Christus, met veronderstelde exacte regeerperioden voor de vermelde Assyrische koningen. Men hanteert deze koningslijst alsof er geen namen in zouden ontbreken?

    De regeerperiode van koning Hizkia werd door Thiele in lijn gebracht met de regeerperiode van de Assyrische koningen Sargon II en Sanherib. In vele zogenaamde christelijke naslagwerken en Bijbelatlassen worden de jaartallen van E. Thiele gehanteerd. In mijn boek ‘De Assyriologie herzien’ ga ik hier dieper op in. Zie link: http://www.bol.com/nl/p/de-assyriologie/9200000049946824/

     

    Het publiceren van de vondst uit 2009 van het zegel van Hizkia, deed mij plezier. Vooral de Egyptische/Assyrische symbolen op het zegel hebben mijn interesse. Het past namelijk in mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid, wat de epoque van Hizkia en zijn vader Achaz betreft. In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, breng ik een revisie van de Egyptologie, waarbij ik een onderdeel van het werk van Velikovsky aanpas. De Amarna-tijd, door Velikovsky in de negende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst, schuif ik op de tijdsbalk een eeuw verder tot in de achtste eeuw v. Chr. Het historische kader dat de Bijbel voor deze epoque levert, past in de Amarna-correspondentie.

    De Amarna-tijd was de periode in Egypte van de Aton-ketters met farao Achnaton op kop. In het huidige Amarna in Egypte werd in de vorige eeuw een groot deel van de correspondentie van de vazallen van farao in Klein-Azië, in de vorm van kleitabletten, ontdekt. Belangrijke correspondenten met farao waren Abdi Hiba alias Achaz van Juda, Rib Addi alias Hosea van Israël en Labaja alias Pekah van Israël. Aan deze identificatie gaf ik op dit blog al eerder aandacht. Zie bijvoorbeeld het artikel van 04-02-2015. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1422831600&stopdatum=1423436400

     

    De symbolen op het kleizegel van Hizkia geven een belangrijke hint naar de aanbidding van de zon tijdens de regeerperiode van Achaz en Hizkia in Juda.

     

     

    Het anch-teken dat rechts op het zegel van Hizkia vermeld werd is een van de bekendste Egyptische symbolen uit de oudheid en het vertegenwoordigd in de Egyptische mythologie het leven. Zoals bijvoorbeeld in de naam Toet-anch-aton: ‘levend evenbeeld van Aton’. De hiëroglief in deze vorm betekent 'leven'. De Aton-schijf werd in Egypte afgebeeld met vele neergaande stralen die ieder in een handje eindigden. Er zijn meerdere afbeeldingen van Achnaton en zijn opvolgers Smenkhkare en Toetanchat(m)on waarop dit te zien is. De ‘anch’ symboliseerde levensenergie. Over de ketter-farao Achnaton schreef ik recent nog een artikel op 20-10-2015 dit blog: Anysis, de blinde farao uit de gelijknamige stad Anysis, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1445205600&stopdatum=1445810400

     

    Het andere symbool van op het zegel van Hizkia is ‘de zon met twee neerstrekkende vleugels’. Dit symbool is eveneens met de Aton-aanbidding verbonden, en niet exclusief Assyrisch. We moeten ook bedenken dat alle religieuze symbolen uiteindelijk teruggaan naar het oude Babylon, naar de tijd van Nimrod en de eerste rebellie na de Grote Vloed. Zie het artikel op blog van 06-10-2015, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1443996000&stopdatum=1444600800

     

    Ook in het oude Egypte vinden we afbeeldingen terug, van de zon met neerstrekkende vleugels.

     

     

    In Egypte zou generaal Horemheb, die door de Assyriërs in 671 v. Chr. als farao aangesteld werd, een beeldenstorm tegen de Aton-verering ontketenen. Hij is verantwoordelijk voor de ‘damnatio memoriae’ in Egypte, wat deze periode betreft.

     

    De verering van de zon zou in Juda nog een tijd aanhouden en pas ten tijde van koning Josia (640/609 v. Chr.), door hem uit het land verwijderd worden (2 Koningen 23:5-11).

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    15-12-2015 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 02/11-08/11 2020
  • 22/06-28/06 2020
  • 08/06-14/06 2020
  • 01/06-07/06 2020
  • 18/05-24/05 2020
  • 04/05-10/05 2020
  • 27/04-03/05 2020
  • 13/04-19/04 2020
  • 06/04-12/04 2020
  • 27/01-02/02 2020
  • 20/01-26/01 2020
  • 31/12-06/01 2019
  • 23/12-29/12 2019
  • 16/12-22/12 2019
  • 09/12-15/12 2019
  • 02/12-08/12 2019
  • 25/11-01/12 2019
  • 18/11-24/11 2019
  • 11/11-17/11 2019
  • 04/11-10/11 2019
  • 28/10-03/11 2019
  • 21/10-27/10 2019
  • 14/10-20/10 2019
  • 07/10-13/10 2019
  • 30/09-06/10 2019
  • 23/09-29/09 2019
  • 16/09-22/09 2019
  • 09/09-15/09 2019
  • 02/09-08/09 2019
  • 26/08-01/09 2019
  • 19/08-25/08 2019
  • 12/08-18/08 2019
  • 05/08-11/08 2019
  • 29/07-04/08 2019
  • 22/07-28/07 2019
  • 15/07-21/07 2019
  • 08/07-14/07 2019
  • 01/07-07/07 2019
  • 24/06-30/06 2019
  • 17/06-23/06 2019
  • 10/06-16/06 2019
  • 03/06-09/06 2019
  • 27/05-02/06 2019
  • 20/05-26/05 2019
  • 13/05-19/05 2019
  • 06/05-12/05 2019
  • 29/04-05/05 2019
  • 22/04-28/04 2019
  • 15/04-21/04 2019
  • 08/04-14/04 2019
  • 01/04-07/04 2019
  • 25/03-31/03 2019
  • 18/03-24/03 2019
  • 11/03-17/03 2019
  • 04/03-10/03 2019
  • 25/02-03/03 2019
  • 18/02-24/02 2019
  • 11/02-17/02 2019
  • 04/02-10/02 2019
  • 28/01-03/02 2019
  • 21/01-27/01 2019
  • 14/01-20/01 2019
  • 07/01-13/01 2019
  • 01/01-07/01 2018
  • 24/12-30/12 2018
  • 17/12-23/12 2018
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Meer blogs