 |
We zijn de 35de week van 2025
|
 |
|
 |
Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's. |
Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. |
 |
19-02-2016 |
Zon en zee 2. Willem Gijssels |
En blijde wikkelt het blinkend vlak
in wemelgroene drachten;
het is alsof de tongen nu
om hun wrevel lachten.
Mijn liefdekind mijn zon,
hoe lacht gij in mijn ziel,
waarin zoveel geheimen
verwekt zijn en vernield.
Ze roert en rept en wentelt, om
in golven van gedachten,
die lucht geven, en ze zucht
in vruchteloos betrachten.
En gij, gij hoort die tale niet
mijn kind, mijn zonne,
en daarom baart zulk groot verdriet
mijn zulke grote wonne.
19-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
18-02-2016 |
Zon en zee 1. Willem Gijssels |
De diepten van de wijde zee
slaan open om en weder,
en witgekuifde baren gaan
als tongen op en neder.
Als tongen, die verraderlijk
geheimen willen spreken
en, nijdig op elkanders taal,
elkander onderbreken.
Het is een al-verwarrend rumoer
in het wiegewagend golven,
en niemand vat een enkel woord
van talen lang bedolven.
Daarboven breekt de zonne los
haar brede glinsteringen;
de grote zee komt zich gedwee
in haren gloed verwringen.
18-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
17-02-2016 |
De slaap. Willem Gijssels |
Ze is weggetogen
van de stille kust,
in een zee, die
uitkomst heeft noch perken,
de zee des levens,
elkeen onbewust.
Ze is weggetogen,
snel op vlugge vlerken
van zeilen breed door
stoere wind gespannen;
voort mijn ziel, nu
zorgen zijn gebannen.
Uw kluisters liggen
neer in lamme rust;
voort onbeklemd, u
komt de vrijheid sterken.
De verre tochten
zonder vrees noch vaar,
die voeren u naar
onbekende streken;
de lang verwachtten
vindt ge levend daar.
De verre tochten
laten zielen spreken,
sinds eeuwen her,
verwant en afgescheiden,
heil, stoere wind, waar
gij ze moogt leiden.
Mijn ziel vind ik weer
in de zon klaar,
die 's morgens fris
komt door mijn venster breken.
17-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
16-02-2016 |
Waterlelie. Willem Gijssels |
Daar wiegt ge met bedaarde ijver,
zo stralend wit van kronenblad,
in mijn stille brede vijver,
o waterlelie, weet ge dat
ge mijn geliefde zijt, mijn leven
en mijn stilte u steeds aanbad?
Uw leven zoekt gij in mijn leven,
dat zich alleen in u verbreidt
met strengen diep in mij geweven,
o lievelijke ster, ik leid
u langs de schoonste kant mijns wezen,
de spiegel mijner effenheid.
Daar kunt ge drinken gulden zonne,
vaarwel nog wuivend in de vert,
en dromen van de grote wonne,
die telken morgen u gewerd,
wanneer ge, voor gedrop des hemels,
weer open doet uw trillend hert.
Uw vreugd is uit mijn vreugd geboren,
uw leven in het mijn gegroeid,
daar buiten, wee, ge zijt verloren,
o reinheid, lelie, liefde, vloeit
in mijn majesteit van stilte,
waaruit ge kiemt en openbloeit.
16-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
15-02-2016 |
Dichterziele. Willem Gijssels |
Onbewogen ligt uw spiegel
in de weide neergespreid,
vijver, in wiens helder harte
zich de hemel graag vermeit.
Mag hij niet het diepste dringen,
hij, die u geen stond verlaat,
die zijn wanhoop en zijn weelde
trouw in uwen boezem slaat?
Is het om geen vouw te missen
van de wisselende hemelvout,
dat ge u steeds zo gladgesteven,
en zo rein uw spiegel houdt?
Zie, geen keitje mag u treffen
of ge trekt en rekt in haast
alle rimpels weder effen,
wie, die uwen gelaat verglaast?
Stilte ruist uit gindse bomen,
schier onzichtbaar, anders geen,
vijver lief, hoe moogt ge dromen
hier in eenzaamheid, alleen.
Vijver zijt ge dichterziele,
gij die het hoge wel omvat,
maar in eenzaamheid, alleen
leeft in volle dromenschat?
15-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
14-02-2016 |
De smid. Willem Gijssels |
Al kloppend met zijn hamer
slaat de smid het ijzer plat,
dat glinsterend, sissend en schervend
om en om gensters spat.
Het is nutteloos tegen te werken
het worstelt niet tegen de slag,
zomin de nacht het kan houden
bij het vonkelend vuur van de dag.
Had ik de nacht in mijn handen,
ik sloeg de hamer zwierig rond,
het zou spetteren de smidse uit en verder,
ik een ruste geenen stond.
Vroegtijdig wist ik te zingen,
ik hamer en beuk met mijn lied,
om de gloeiende sprankels te ontwringen
zo hel, dat elkeen het ziet.
Helaas, zoveel nog te leren,
laat de hamer van het lied
door smeders van ijzer hanteren,
sterker metaal is er niet.
14-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
13-02-2016 |
Aan Brugge. Willem Gijssels |
De trage klokken enkel onderbreken,
de zoete rust die over Brugge zweeft,
om luider oude roem te laten spreken,
en wondere pracht die telkens voller leeft.
In alles is die stille plicht gegleden,
ha, zitten daar geen oudjes aan de deur,
op een stenen bank broederlijk te reden,
ter nood verlicht door avond-schemerkleur.
En het huizeken binnen is het daar gelegen
als buiten? Aan de grijze schoorsteen zit
grootmoederken, ze kijkt en knikt genegen,
maar zegt geen woord, zij buigt het hoofd en bidt.
En het was geen wonder het zo vooraf te weten,
er zweeg dan ook de stilte van de nacht,
een uurwerk tikt, maar eensklaps blijde kreten
van kinderen roeren het lome droomgedacht.
Het blozend volkje brengt jongspringend leven,
terwijl het oudje in het verleden kromt,
de jonkheid lachelt, oude klokken beven
verwachtend, en de blijde toekomst komt.
13-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
12-02-2016 |
Guido Gezelle. Willem Gijssels |
(voor zijn borstbeeld)
Door het mijmeren van de schemeravond
zoeft, als een onverwacht gekus
zo strelend, langsheen mij het gemonkel
der slagen van het Angelus.
Bedwelmd glijdt gij in mijn leven,
die dromen weeft tot paradijs,
waaruit zachtmoedig tranen wenen,
goud-druppelend in het nevelgrijs.
Gij noopt mij beden op te vangen
omruisend het wonderlijk altaar,
en ik hoor mijn hart met liefde juichen:
mijn goede moeder zijt ge daar?
En dan is mijn vrees verdwenen,
vol eerbied buigt de stoere kop,
terwijlent sprenkelt de avondzonne,
er haar laatste tranen op.
En door de wemelgloed bewogen,
de lippen prevelen: wees gegroet,
en het worden van de nacht ontsluiert
een breder licht in mijn gemoed.
Zacht kloppend volgt mijn vredig hart
de maten van het zanggebed,
en ik peins aan het wonderwoord des Heren,
waardoor eenen maagd de wereld redt.
En ik peins aan het leven losgebroken,
waar uw stemme werd gehoord,
O Meester, het is ook vlees geworden,
en ziel uw machtig dichterwoord.
12-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
11-02-2016 |
Excelsior 3. Willem Gijssels |
En verder ging hij op en af,
tot hij de Meester wedergaf,
en staf en lamp en de ogen dicht,
die zagen het hemels glorielicht,
gelijk de ster bij het morgenrood,
gelijk de bloem ter nauwernood,
weerstaan aan eenen zonneschicht,
zo vond hij door het licht de dood,
Excelsior.
Zo lag hij in de aarde schoot,
en vond door het licht de dood,
en door de dood het licht,
wat van de wereld is, het zwicht
bij het naken van het licht van God,
hij droomde van een hoger lot,
hij streefde naar het eeuwig licht,
zo zweefde zijn ziel tot God,
Excelsior.
11-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
10-02-2016 |
Excelsior 2. Willem Gijssels |
Een sterretje ten lange leste,
keek lijze naar het verwoest gewest,
de hemel klaarde vreugdig op,
en rijzig op een heuveltop,
bevond zich dan de jongeling,
hij volgde strak de schemering,
en zag met angstig hartgeklop,
de ster vergaan bij het groots geding:
Excelsior.
Een bloemken reikte het kelkje uit,
bepareld fris als reine bruid,
te drinken het milde morgenvuur,
een zaligheid van korte duur,
het hing verfrommeld aan de steel,
de grillen van de wind ten deel,
de jongen dacht aan het stervensuur,
en stiet uit zijn bange keel:
Excelsior.
En verder, verder ging hij voort,
hij had der ziele kreet gehoord,
"meer licht, meer licht, waar blijft de dag",
wie antwoordt op het naar beklag,
dat door het ganse heelal trilt,
wanneer wordt mijn zucht gestild,
ik zoek, ik worstel, antwoord ach,
en weder klonk het nijdig wild:
Excelsior.
10-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
09-02-2016 |
Excelsior 1. Willem Gijssels |
De hemel blikte dreigend neer,
bezwangerd droeg hij droevig weer,
en neveldampen dwaalden rond,
de enge benarde grijze grond,
terwijl een teder jongeling,
met onverschrokken schreden ging,
een woord ontsnapte zijne mond,
gelijk een zucht zo zonderling:
Excelsior.
Zo zwaar en zwart het duister viel,
zo zeer beklemde zijne ziel,
hij droeg een lamp, hij droeg een staf,
hetgeen hem de Meester mede gaf,
hij ging en het was bij elke tred,
alsof hem kracht werd bijgezet,
hij ging en keerde nimmer laf,
gedreven door een diep gebed:
Excelsior.
Plots barstte de orkaan loeiend los,
wildstormend boven het beukenbos,
daar was de jongen in gegaan,
en keek het heilig wonder aan,
het scheen, dat elke bliksemschicht,
hem sprak van het voorgeziene licht,
en verder trok hij op de baan,
den blik naar het vlammen woord gericht:
Excelsior.
Excelsior betekent "hoger op"
09-02-2016, 09:44
Geschreven door André 
|
|
 |
08-02-2016 |
Boosheid. Willem Gijssels |
Het is gedaan met groot geluk
uit liefde's kelk te drinken,
vermorzeld zag ik stuk na stuk
in 's levens vloed verzinken.
Nu heeft de boosheid mijn ziel
met webben overweven,
wanneer haar het enig doel ontviel,
de bron van haar leven.
Hij, die de bron heeft verwoest
kan ik geen vijand heten;
maar waarom het mij gebeuren moest,
waarom? dat wilde ik weten.
Schep moed mijn hart, ge zult een weg
naar beter vreugde banen,
verdrijf der boosheid laf beleg,
geen liefde zonder tranen.
08-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
07-02-2016 |
Doe stil voort 3. Willem Gijssels |
Gij denker, in wiens brein gedachten krachtig woelen,
verhef uw stem, luid als louter zieleklank,
verdrijf de nuchtere vrees, elk droevig voorgevoelen,
de waan vermorzelend op der waarheid martelbank.
Gij dromer, wie ge zijt met scheppend geestvermogen,
bewerk de barre grond tot uw gedacht gedijt,
bewerk, al bleef het ook bij een onvruchtbaar pogen,
al viel het nietig neer in woeste stormenstrijd.
O denker, poog de vloed te stremmen noch te smachten,
gelijk de zaaier: zaai, ge kent de toekomst niet,
er groeien uit elk woord vernieuwde levenskrachten,
terwijl een nieuwer licht door Gods geheimen schiet.
En bleef het zonder vrucht, verstoten, onbegrepen,
of sloegen stormen neer het reeds gedijde woord,
de vreugde zult ge toch zieltogend medeslepen,
te hebben het woord gezaaid, en daarom: doe stil voort.
07-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
06-02-2016 |
Doe stil voort 2. Willem Gijssels |
De boer hij slingert door de grond de stalen kouter,
bespiedt begerig ginds de kromgebukte meid,
mij schijnen beide beelden, offeraars, ten outer
van eigen levensvreugd voor anderer zaligheid.
Hij smijt met forse zwaai het zaad in de akkervoren,
terwijl hij in de boezem ruwe liefde spijst
voor het meisje wier gestalte spookt in het avondgloren,
hij zaait, toch weet niet eens of ooit een halmken rijst.
Hij weet het niet, zal eens de liefdewelle vlieten,
wordt eens zijn hartgebons, zijn heimelijk lied gehoord,
zal uit het bezaaide veld een zee van halmen schieten?
De boer hij weet het niet, en daarom doet hij voort.
06-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
05-02-2016 |
Doe stil voort 1. Willem Gijssels |
De volle halmen hellen moede, ruisen, beven,
ze zingen mee de zang, het plechtig avondkoor,
de boer die heeft een tijdelijk ander leven,
wanneer hij vrijend slentert langs het karrespoor.
Hij ziet het onheil niet in het wolkenheir verborgen,
zolang hij met ruwe greep het liefje driftig knelt,
hij ziet de storm niet, die zijn halmen, morgen,
de halmen, vrucht van zweet en zwoegen, nedervelt.
De twijfel is uit het hart, de last uit het lijf gevlogen,
de neiging doet er nieuwe krachten in ontstaan,
en toch de liefde heeft verraderlijk gelogen,
slechts ijle schimmen zijn het die langs de akker gaan.
Slechts ijdele schimmen, morgen zal de waarheid stijgen
uit puinen van het hart, uit puinen van het oord,
hij kent het noodlot niet daar hart en halmen zwijgen,
hij voelt zich liefdesterk en daarom doet hij voort.
05-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
04-02-2016 |
De toren 2. Willem Gijssels |
Door de groene weiden, langs de blonde Scheld,
overal waar uw bronzen klokken
wederklinken, heeft de vreugde mij vergezeld
overal, en waarheid heeft ze mij verteld
bij het geklingel uwer bronzen klokken.
Toren zoete zanger, eens hebt gij gespeeld,
lustig spel met uw bronzen klokken,
ik was bedrukt, mij tergde menig lijdensbeeld,
waarom hebt gij dan mijn droefheid niet gedeeld
in het geklingel uwer bronzen klokken?
Ik heb het u vergeven, hamer nu maar voort,
martel dapper uwe bronzen klokken,
breng herinneringen, wek vergeten woord,
ik heb mijn eigen vreugd, mijn eigen leed gehoord
in het geklingel uwer bronzen klokken.
04-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
03-02-2016 |
De toren 1. Willem Gijssels |
Toren, wien geen leeftijd de kop verwart,
eeuwen zongen uw bronzen klokken,
een zee van harmonieën in mijn hart
ruist en bruist er mijn vreugde, mijn smart,
bij het geklingel uwer bronzen klokken.
Vaardig, zo gelijk een wachter trots en trouw,
tronend fier uw bronzen klokken,
neemt ge rustig het Denderdal in ogenschouw,
delend liefdevol en feestgetij en rouw,
in het geklingel uwer bronzen klokken.
Alles hebt gij afgeluisterd met geduld,
dit getuigen uw bronzen klokken
met de stemmen uit het verleden nog vervuld,
en wie weet, een blijde toekomst wordt onthuld,
door het geklingel uwer bronzen klokken.
Menig kunstenaar, die het land tot roem verstrekt,
hoorde het lied van uw bronzen klokken,
rusten velen reeds met lof en dank bedekt,
anderen komen moedig aan, fris opgewekt
door het geklingel uwer bronzen klokken.
03-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
02-02-2016 |
Thames. Willem Gijssels |
De klokken van Sint-Paul's en Westminster abdij
slaan over in een tweestrijd tot krakelen,
of zingen weer bedaard één machtige melodij
eendrachtig als een reidans van gespelen.
De Thames rolt haar brede baren ongestuim,
alsof de klanken haar onstellen deden,
die bonzen op en tuimelen door het hoge ruim
tot in de stroom, en sterven daar beneden.
De meeuwen wanen zich in zee, in wijde vlucht,
zij gunnen hun wieken geen verpozen,
verschijnen en verdwijnen in de nevellucht,
de droeve geest van zoveel vreugdelozen.
Eens zag ik u, geworsteld uit de nevelpoel,
o Thames, in een droom van licht verdwalen;
dan was aan uwen bontgekeiden zoom, gewoel
van jeugd en leven en van zonnestralen.
Dan wist ik u te midden mijn geluk geleid,
geluk zo zeker, slechts een vroom betrachten;
thans als ik u herdenk, is het met de bitterheid
mij ver te voelen van mijn droomgedachten.
02-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
01-02-2016 |
In het woud. Willem Gijssels |
De morgen doet het woud
uit zijn slaap verrijzen,
in grijze nevelwieg
hangt het lover nog te bijzen.
Daar klinkt een rieten stem
alsof er bij ontrolde
het herderstafereel
uit Tristan en Isolde.
De zanger ongezien
blijft in de mist bedolven,
wie hoort zijn melodie
op het morgenwindje golven?
De werker snelt voorbij
hem wachten radertuigen,
die eens de laatste lucht
nog uit zijn boezem zuigen.
De rijke draaft voorbij
omringd van amazonen,
het paardgetrappel breekt
de vlucht der rieten tonen.
De boer en hoort het niet,
het is hem van gener waarde;
hij trekt naar het dauwend veld
gaan wroetelen in de aarde.
Wie hoort zijn melodie
zoet helmen door de bomen?
Gij zijt het dichterziel,
verliefd tot hier gekomen.
Gij hoort een eigen lied
uw scheppend rijk ontvlieën,
dat zo oneindig is
als het rijk der melodieën.
01-02-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
31-01-2016 |
Na de regen. Willem Gijssels |
Het zal uit zijn met de regenvlaag,
haar wrok is uitgeworsteld,
gebroken ligt de wolkenlaag,
met rode schijn doorborsteld.
De zon drijft de laag uiteen,
alvorens neer te duiken,
om nog een weinig het wolkgeween
te domen doen en smuiken.
Het mocht uit zijn: het lang bedropen land
ligt walgens zat gezopen;
de muggen moeten het weten, want
ze zwermen nu met hopen.
De spinnekop verlengt de draen,
van haar spinnewebben;
ze toont genoeg dat wij voortaan
schoon weder zullen hebben.
31-01-2016, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
|
 |
|