Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's.
Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.
21-04-2013
Kindersproke. Marie Boddaert
Nacht is niet boos, als hij komt de nacht, maakt hij de hemel open, en veel sterren en sterretjes komen zacht, op gouden voetjes gelopen. Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneden zouden zij heel graag komen, maar zij zijn bang voor de grote zee, en voor de hoge bomen.
Het is boven ook donker, maar zij hebben licht, de zon gaf ze allemaal lichtjes, voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht bij hun gouden sterrengezichtjes. Zij kijken, en lachen, en knikken goedenacht, en zeggen je moet gaan slapen, zij worden eerst naar bed gebracht, als de zon heeft uitgeslapen.
Zij wandelen boven de ganse nacht, op hun kleine blote voetjes, dat doet geen pijn, de wolken zijn zacht, en ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes. Zij mogen nooit leven maken, dat zou de moede mensen hinderen, ik geloof niet dat ik ze horen zou, maar er zijn ook zieke kinderen.
Ik zou heel graag eens naar boven gaan, als ik wist hoe daar te komen, vogels hebben vleugels aan, die vliegen boven de bomen. Bouwen ze boven ook hun nest? Of zou hun dat niet bevallen? En lopen je altijd alleen? Je zou best uit je open huis kunnen vallen.
Hebben je boven ook een tuin? en bloemen en kersen en bijen? Die brommen zo, en een hoge duin, waar je op en af kunt rijen. En je moeders handen, zijn ze ook zo zacht, als ze je 's morgens komen wassen, en de zeep zo schuimt en een watervracht, over je rug komt plassen?
In mijn bos woont een nachtegaal, hebben je kleine musjes, die je voeren kunt? Zijn ze allemaal broertjes, broertjes en zusjes? Ik krijg er haast ook één, het bedje staat al klaar. Hebben jullie allemaal bedjes? Maar waar staan ze dan, ik zie er geen, waar? Ik hou het mijne nu al netjes.
Twee, tien, twintig, altijd meer, komen je aangelopen, in mijn ogen strooien je prikkeltjes neer, ik hou ze niet meer open. Tien, zes honderd, ik ben te moe, om je allemaal te tellen, als ik wakker word is de hemel toe, en ik wou nog zoveel vertellen
21-04-2013, 12:45
Geschreven door André
20-04-2013
Morgen op de hei. Marie Boddaert
Ik loop langs de hei, die ligt in diep azuur, van zomerhemel rondom neergespreid, kleurwarme hei, een brokje oneindigheid van kruid en bloem, zover ik mijmerend tuur.
Wereld en mensen weg, alleen natuur, zopas gegleden uit het rijk van rustigheid, met een glimlach ongerept, stille innigheid van nijver leven in het morgenuur.
Ik schroom te treden op het purperend bruin, Ik schroom de voet te zetten op het mos, zo gul aaneengegroeid, het lijkt me een bos.
Vol lommerpaadjes, of een feeëntuin priëelig groen en koel, een mensenvoet vertreedt zo licht, en weet niet dat hij het doet.
20-04-2013, 07:59
Geschreven door André
Morgenspelevaart. Marie Boddaert
Doe zacht de riemen zinken in de zee, van zingend water, dat de morgenzon tot zingend goud maakt, zelfs de horizon is blank van het goud, dat de zon glippen deed.
Rijen van golfjes lopen, of begon een vrolijke wedloop, met ons bootje mede, schuimkopjes even op, dan naar benede, en ritselend voort, waar het oog niet volgen kon.
De wijde gulden morgen zacht, vloeit vol van plassende geluidjes, glinstering van rimpeldeining, aangerol en weggerol, van waterrugjes glimmend opgelicht.
Nu wordt de zee zo licht, of het bootje hing in louter luchtzee, een zee van licht.
20-04-2013, 07:37
Geschreven door André
19-04-2013
Voor het witte bos. Marie Bodaert
De sneeuw is gevallen de ganse nacht, en heeft een bos gebouwd, van leliereine schitterpracht, een bruidig woud.
Het staat onder het sluierwit zo stil, als vreesde het, vol van schroom, het ontwaken dat verstoren wil, zijn schone droom.
Alsof het luistert en luisterend nog hoort, vallen, vallen heel zacht, de witte vlokken uit 's hemels poort, open vannacht.
19-04-2013, 08:31
Geschreven door André
Over de stille, stille sneeuw. Marie Boddaert
Over de stille, stille sneeuw, diep uit de verte, onder de lage, malve witte luchten, nadert het tinkelen, tinkelen, tinkelen, het gulzilverig rinkelen, aanzwellend, klankzwellend, uitschuddend, zwierend, een sleep van geluidjes.
Schelklikke klankjes, pretdolle zangkjes, rap, druk, uitvierend, in vreugdevlugge schatering, bellekens klatering, speldronken gierend, het open gekamert der stille oren in, het hoofd soezensvol van het blij hel geting.
Het ledige der stilzware lucht, het zwijgend veld, vleugelig snel vol van klankvlindertjes, spatjes, vonkels van dartelheid, veel duizend tikjes, van lachjes en snikjes, van dolheid helzilverig ontweld, aan het voortsproeiend, wegspoeiend, rinkelen, rinkelen, tinkelen, tinkelen, lustigjes, luchtigjes, ijler en fijner, overal het stille, stillere, sneeuwlome veld.
19-04-2013, 08:30
Geschreven door André
Kerstnacht. Marie Boddaert
Stil is het in het hoogwitte huis der nacht, de maan brandt er met haar zilvergloor, blankdomig droomt haar licht de ruimten door, nog in het wijdverre glanzen sneeuwbeemden zacht, stil is het in het heiligdom of het wonder wacht.
19-04-2013, 08:27
Geschreven door André
18-04-2013
Sneeuw. Marie Boddaert
Wat losse vlokjes vlos als duivedons, vol rust van dauw en maanglans, dauweblank, in veel blank en wittig licht, al meer en meer.
Elk vlokje een vleugje rust uit de grote rust, Elk vlokje een vleugje glans uit woon en droom, stroom van wit licht nu, witte vleugeltjes, sneeuwdragertjes in haastig liefblij komen.
Alles gedempt, onwerkelijk bij dat kuis en kinderlijk gekoom, in glansgestroom, en teder nederzwerven, lichtestil, een toegedekt van klank met handjes blank.
Het zwarte en te luide schuilen, dat het reine een wijle op aarde in sneeuweluister wijle, een verre wijken van wat leven scheen, luister van het ongerepte reine alleen.
18-04-2013, 08:41
Geschreven door André
Kinderogen. Marie Boddaert
Lenteogen waar het lentezonnetje in gaat schijnen, zodra de wimpervenstertjes gaan ontsluiten, spiegeltjes klaar die geen mensenwereld buiten, maar het eigen lentezieltje doet weerschijnen.
Zo rustig rein dat ze in hun kristallijnen glanstoverkring, al het duistere buitensluiten, boodschappertjes van heil die zachtjes stuiten, verbitterd woord voor wie in treurnis kwijnen.
Wijsgeertjes onbewust die in één enkele opslag, zo helder leren wat het leven zou zijn, als lust en ijdelheid er niet waren.
Sprookjesogen, die nog het aangezicht der engelen aanschouwen en tegenlachen, en ons even, de macht van het reine en het liefelijke openbaren.
18-04-2013, 08:41
Geschreven door André
17-04-2013
Maanlicht. Marie Boddaert
Geklommen was de maan naar boven, had wolken stil uiteengeschoven,, uit een sneeuwengrot leek zij te turen, en zilversneeuw in het rond te sturen.
Het was of de warme zomeraarde, het koelend zilver gretig aarde, al meer en meer had zij opgevangen, tot al van zilver was omvangen.
Een koel, blank kleed dat verre strekte, en velden wijd, en weiden dekte, blanktrossige bomen daar geheven, leken in het zilvermeer te leven.
Zilver was het al. De duinen lagen, als reuzen door de slaap verslagen, in glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder, dreef door het zilver van de hemel, en bleekte weg in het zilverschemel, boven de zee van licht doorglommen, waar kleine slaperige golfjes zwommen.
17-04-2013, 08:18
Geschreven door André
Nacht. Marie Boddaert
De klare sterrenlichte vloot, de hemel laat al in de wijde luchtzee, haar sterrenscheepjes blijde weerblinken, boven schaduw's schoot.
En alle mensenlichtjes klein, dempen hun flikkering, gaan versteken hun ongewijde gloed, en breken niet meer het duister, met hun schijn.
Zachtjes vallen alle ogen dicht, nu neemt de nacht in groot erbarmen, het heel moe aardekind in zijn armen, en alles slaapt bij het veiligende licht.
17-04-2013, 08:17
Geschreven door André
16-04-2013
Winteravondzee. Marie Boddaert
Verkilde zee, met haar wateren zwaar, en traag gekrui tot golven laag en mat, over een hemel, vaal, het koepelend klaar, in dof aaneengeboogd gewolk gevat.
Het log metaal versterft van baar naar baar, klagelijk brekend op het oeverglad, krijsend geklep van vogels, met een gebaar van ijlvlucht, even het luchtestil doorspat.
Het diep, waar de zee in zieltoogt, lijkt gedolven, in het mistig rijk van nevel, blind en dicht, gebold boven het loom op en neer der golven.
De lichtkarige winter bergt zijn pover licht, De zee, die de laatste lichtglimp heeft gedronken, verbleekt, in het rijk van nevel, weggeslonken.
16-04-2013, 07:14
Geschreven door André
Herfstbos. Marie Boddaert
De lucht is blauw met teder pluis van rood, rode avondschijn brandt door het gouden woud, en tooit met vele warme lichtjes in het hout. Zij hangen doodstil, of zij in de schoot
van het woud, wel wilde blijven, en het groot mysterie opluisteren, in de dichtgebouwde boomtempel dra te geven, als het zijn goud zal offeren, het mysterie van de dood.
Het woud houdt zijn offer op zijn armen wijd ten hemel, die al roder wordt, bereid, of het weet hoe uit laat, vlammend rood zal stijgen, de stormpriester, die het mysterie dienen gaat.
Onder de lichthemel, stilst in het alom zwijgen, het grote woud, in kalm berustende staat.
16-04-2013, 07:13
Geschreven door André
15-04-2013
Woud bij nacht. Marie Boddaert
Luister, tussen de stammen van het woud, gaan zachte schreden, zacht en zachter, het leven dat wegtrekt en zich neervlijt, alle dreven zijn leeg nu van geluid, de stilte houdt
haar intrede en de schemering, gedreven door haar broeder de nacht, dooft snel het goud, en alle purperglansjes die op het hout, en op de verre wolken zijn verbleven.
De stammen witten op.., een wijle in het dicht neervallend vaal, als bleek gebeelde zuilen, van een dromentempel zwijmend voor het gezicht.
Dan weg, als lichaamloos, zuilen en tuilen van slapend loof, weg, in het al donkerend zijgen, de ruimte in het rond, zwarter het zware zwijgen.
15-04-2013, 07:54
Geschreven door André
Lenteboomgaard. Marie Boddaert
Hier is jonge aarde één wijde bloesemhalle, bomen en bomen zover de ogen reiken, doen takje aan takje in gulle blijheid prijken, met bloesemsneeuw, de sneeuwigste sneeuw van alle.
Is het niet of uit de de zonhemel neer kwam strijken, een vlucht van vlindertjes, zo neergevallen, in dromerig verpozen, duizendtallen, van vlerkjes fijn, die vleugelbloempjes blijken?
Al mondjes het leven drinkend in de lucht, gretig intens, en het goudlicht neergezegen, liefkoost en koestert ze. Ritseling van vlucht,
van een kleine vogel even, dan bewegen, noch ritselen meer, al stilte, al teerheid, zacht om ons van het leven een mysterieuze macht.
Jonkvrouw Marie Agatha Boddaert 1844 Middelburg- 1914 Den Haag Zij stamt af uit een oud adellijk geslacht. Kind van Zeeland (Middelburg) is zij van Zeeland blijven houden. Zij huwt in 1870 en reeds na 7 jaar huwelijk wordt zij weduwe. Dan begint zij gedichten en jeugdverhalen te schrijven. Zij gaat wonen in Den Haag en wordt een graag geziene gast, bescheiden maar heel gezellig en spitsvondig. Pas na haar dood worden haar gedichten gewaardeerd.
15-04-2013, 07:53
Geschreven door André
14-04-2013
Pasen in oude prenten 3
Mooie afbeeldingen uit grootmoeders tijd. Zo schoon.
14-04-2013, 12:15
Geschreven door André
Zwerftochten der ziel 10. H Moulijn-Haitsma Mulier
Nu rust mijn ziel in uw tederheid, zoals een zwaan drijft in een vijverkom, in een zomernacht, het water sluit rondom, het licht heeft zich in het donker neergevlijd.
Stil stralend stijgt uit uw geslotenheid, haar witte welving op, en als een drom van blanke sterren, valt het licht rondom, terug in uw grond van innigheid.
Zij slaat de vleugels uit, de fluwelen boog der bomen, staart haar roerloos aan, als zij, verstervend wit, in de lucht verglijdt.
Een ziel, zo zuiver, zo gebenedijd, zij kan de brug van de aarde naar de hemel slaan, omdat zij zo..., aan uw liefde ontvloog.
14-04-2013, 07:41
Geschreven door André
Zwerftochten der ziel 9. H Moulijn-Haitsma Mulier
Weer wijk ik uit het licht, een blanke galm, klimt uit mijn cirkelronde gouden schild, ik hield mijn liefde hoog, heb haar getild, boven der tijden roetdoorstoven walm.
En als een bloemstengel of een halm, die 's morgens, stormgeslagen, heeft getrild, maar in het middagzonlicht is verstild, sta ik in de avondschaduw vrij en kalm.
Nu is de tijd vervuld, en met een kreet, die juichend stijgt en in haar luiden schal, de ruimten scheurt, voorspel ik, haat, uw val.
En dreunend springt het schild, vreugd breekt uit leed, want in mijn open, zondoorgloeide dal, ontbloeit een bloem, die u onschuldig heet.
14-04-2013, 07:40
Geschreven door André
13-04-2013
Zwerftochten der ziel 8. H Moulijn-Haitsma Mulier
Eens in de avond zag ik toch een brug, hij voerde naar het bloemig lage land, dat stil te stoven lag aan de overkant.
Nog is de tijd niet daar, nog is te stug dit trotse hart, dat veel te lijden placht, maar, hunkerend, dat dit leed een einde nam, het meer omsloot met een te harde dam, dat al zijn zachtheid borg en al zijn kracht.
Hoe werkt de stille gaard! Het grijze loof, omluift de sneeuwige grond met zilveren schaduw, mij noodt mijn lieve tuin tot droom en rust.
Maar kwellend visioen: een grauwe kloof gaapt, waar ik straks nog zag een grootse bouw, nog schroeit verlangen en wordt niet geblust.
13-04-2013, 07:56
Geschreven door André
Zwerftochten der ziel 7. H Moulijn-haitsma Mulier
Het wonder nam ik als mijn goddelijk recht, ik kon altijd op ongeziene baan, tussen de verre sterren bruggen slaan, aan binding was mijn wezen vastgelegd.
Maar gij, die zelf de spanning hebt gehecht, waar ik wetend spin mijn tedere waan, die pralend heel de hemel durft beslaan, gij hebt door vals geweld mijn kracht geknecht.
De avond valt. Laag hangt het droef gezicht, van wie verlaten om de aarde weent.
De brug, waarop gij broeders wilde slaan, door zelfzuchts harde wil, is stil vergaan, en het verstomde aardgelaat versteent, wee mij, gij hebt uzelf het eerst gericht.
13-04-2013, 07:52
Geschreven door André
12-04-2013
Zwerftochten der ziel 6. H Moulijn-Haitsma Mulier
Hoe droeg ik u, tot eindelijk ik de scheur in uw liefde en mij, onheelbaar zag, uw woord bedriegt, uw daad is als een vlag, dekkend een oorlogsschip met vredeskleur.
Ofwel uw gave liegt, ijdel is het gebeuren, als op het geverfd gelaat een lege lach, een dief bij nacht, die vorst scheen overdag, zo vloekt mijn hart uw beeld, waarom ik treur.
Gij waart de tedere koning van mijn waan, die het geliefde kind zijn liefde onthield, totdat belofte bloesemend zou staan, hoe hebt gij uw schoon beeld in mij vernield.
Gij schrikt mij niet, maar diep ben ik bevreesd, zo gij in mijn hart uw beeld niet meer geneest.