Ik ben geboren uit zonnegloren,
en een zucht van de ziedende zee,
die omhoog is gestegen op wieken van regen,
gezwollen van wanhoop en wee,
mijn gewaad is doorweven met parels die beven,
als dauw aan de roos die ontlook,
wanneer de dagbruid zich baadt en voor het schuchter gelaat,
een waaier van vlammen ontplook.
Met tranen in het oog, uit de diepten omhoog,
buig ik ten kus naar beneden,
mijn lichtende haren befloersen de baren,
en mijn tranen lachen tevreden,
want diep in de zee splijt de bedding in twee,
als mijn kus de golven doet gloren,
en de aarde is gekloofd en het lokkig hoofd,
van Zefir komt lachend naar voren.
Hij lacht, en zijn zucht jaagt mij, arme, in de lucht,
en een boog van tintelende kleuren,
is mijn spoor als ik wijk naar het dromerige rijk,
waar ik eenzaam om Zefir kan treuren,
hij mint mij als ik hem, maar zijn lach, zijn stem,
zijn kus is een zucht, wij zwerven,
omhoog, omlaag, wij willen gestaag,
maar wij kunnen noch kussen, noch sterven.
De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
als ik uitschrei hoog boven de wolken,
en de regenvlagen met ritselend klagen,
mijn onsterfelijke weedom vertolken,
dan drenkt mijn smart het dorstende hart,
van de bloem, die smacht naar mijn leed,
en met dankbare blik naar mij opziet,
als ik van weedom het wenen vergeet.
En dan verschijn ik door het nevelgordijn,
dat mijn Zefir verscheurt als hij vliegt,
somber gekromd tot de zonneschijn komt,
en op het rag van mijn wieken zich wiegt,
dan zegt op aarde wie mij ontwaarde,
de gouden Iris lacht,
en stil overprei ik de vale vallei,
met een gloed van zonnig smaragd.
Mijn handen rusten, op de uiterste kusten
van de aarde, als in roerloos peinzen,
één bonte gedachte ik mijn liefde verwachtte,
die mij achter de zon zal doen deinzen,
ik zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen,
en het donzige wolkengewemel,
en de maan die mij haat, en zich koestert en baadt,
in de zilveren lach van de hemel.
Mijn pauwenpronk is de dos, die mij schonk
de zon, om de sterveling te sparen,
wanneer mijn lichtloze blik zou bleken van schrik,
en mijn droeve gestalte vervaren,
nu omspan ik de trans met mijn armen van glans,
tot mij lokt Zefirs wapperend gelaat,
de lokkende zon mij verlaat.
Ik ben geboren uit zonnegloren,
en een vochtige zucht van de zee,
die omhoog is gestegen op wieken van regen,
gezwollen van de wereldse wee,
mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
het leven verlangende slijt,
en die in tranen zijn vreugde zag tanen,
doch liefelijk lacht als hij lijdt.
1859-1881
Het gedicht beschrijft de onmogelijke liefde tussen Iris (de regenboog) en
Zefir (de zachte, aangename zuidwestelijke zeewind).
14-09-2014, 00:00
Geschreven door André 
|