Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
24-03-2011
Martin Walser, Peter Bichsel, Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Jacob van Lennep
Je älter man wird, desto mehr empfiehlt es sich, darauf zu achten, wie man auf andere wirkt. Ich bin dreiundsechzig. Südlich der Donau sagt man zum Beispiel: Der und der wird auch allmählich komisch. Das merken alle, wissen alle, nur der, der allmählich komisch wird, merkt es nicht. Und sagen mag man's ihm auch nicht. In Letzlingen - so heißt das Dorf, aus dem ich komme - in Letzlingen gab es - oder gibt es vielleicht sogar noch - eine Art Kultur des Umgangs mit solchen, die im Alter allmählich komisch wurden. Nirgends sonst habe ich von dieser Kultur auch nur noch einen Hauch verspürt. Ich will diese Art Kultur schildern, dann entscheide jeder selbst, ob es in seinem Dorf, seiner Stadt, seiner Gesellschaft dergleichen gebe. Ein Bauer heißt Peterer, ist eher siebzig als achtzig, sein Bruder Konrad ist immer Knecht auf dem Hof seines Bruders gewesen. Es hat sich dann herumgesprochen, dass er seit längerem nichts mehr sagt. Man kann ihn ansprechen, wie man will, er reagiert nicht. Er ist aber kein bisschen schwerhörig, das merkt man, wenn er das Vieh heimtreibt. Sobald eine Kuh stehen bleibt und nicht weiter will, geht er hin zu ihr und sagt ihr etwas ins Ohr. Wenn sie dann hinschaut zu ihm, sagt er: Jaa. Dann geht sie wieder. Auch wenn ihn ein Hund anbellt, sieht man, dass er das hört, genau hört.
Also zu Menschen keinen Kontakt mehr. Wenn man den Bauer fragt, was los sei mit Konrad, bohrt der Bauer mit dem Zeigefinger seine Schläfe an. Konrad schläft auch nicht mehr in seiner Kammer, sondern auf dem Heuboden. Wie und wo genau, ist nicht bekannt. Er ist allmählich komisch geworden. Zuerst hat man noch gefragt nach ihm, hat sich erkundigt, aber dann nicht mehr. Der Konrad ist allmählich komisch geworden.
schon die Anrede fällt mir schwer, soll ich sagen »meine lieben Schwestern und Brüder«, »liebe Gemeinde«, »Mitchristen «, »Mitmenschen«. Schon wenn ich Sie anrede, beginnt die Lüge, undwenn ich Sie anrede mit »meine Lieben«, dannweiß ich, daß ich unfähig seinwerde, Sie alle zu lieben.
Ich bin ein Schriftsteller, und ich betreibe mit Spaß und Ärger ein Lügengeschäft, ein Fabuliergeschäft, und nun stehe ich hier und soll bekennen,was ich nicht bekennen kann.
Ich bin ein Mensch, ein Mitglied der menschlichen Gesellschaft, und ich bin das gern, und weil ich das gern bin, bin ich auch ein Opportunist, ich bin schnell unter Christen ein Christ, unter Sozialisten ein Sozialist, unter Fußballfans ein Fußballfan und ich schäme mich nicht dafür, ein Opportunist zu sein. Ich will dazugehören, ich will mit dabei sein. Opportunismus ist auch eine menschliche Fähigkeit.
Trotzdem nichts anderes macht mir so angst wie mein Opportunismus.
Deshalb füchte ich mich vor einem Bekenntnis. Ich stelle mich nicht gern vor Christen und sage: »Ich bin ein Christ.«
Ich stelle mich nicht gern vor Gläubige und sage: »Ich glaube an einen Gott.«
Wenn ich so etwas unter Sozialisten sage oder unter Fußballfans, dann vertraue ich mir mehr, denn dort ist es trotzig gesagt, und ich vertraue meinem Trotz.
Ich vertraue meinem »Nein, nein« mehr als meinem »Ja, ja«. Und Christ sein in unserer Zeit, das hat mit Nein sagen wohl mehr zu tun als mit Ja sagen.
Ein Korridor im Vatikan vor den Gemächern des Papstes.
Eine Wand, die quer über die Bühne geht, zeigt ein großes Figurenfresco im Stil des 16. Jahrhunderts. Musik vom Band. (Gesang: Dario Fo)
Lied vom Ursprung
Adam war grad geboren da machte Gott sich Sorgen weil Adam dieser Prototyp wie ein verlorenes Kind dasaß mitten im Paradiese
mit einer Jammerfresse sah melancholisch drein er wußte nicht was lachen ist voll Griesgram sah er drein. Um Adam froh zu sehen hat Gott die Frau erschaffen er formte sie recht feminin mit Kurven noch und nöcher und kaum sahn sich die beiden an da wars um sie geschehen Adam fing an zu zittern und Eva wurde - schwach.
War das ein Stöhnen Jubiliern mit Küssen Knutschen Tiriliern das Unvermeidliche geschah sie liebten sich ganz wunderbar Oh Liebe zart im Wasser Oh Liebe auf den Bäumen
Uit: Onze voorouders in verschillende taferelen geschetst
Er is wellicht geene volksgeschiedenis, welke haren bëoefenaar meerdere moeielijkheden oplevert, dan die van ons oude vaderland. Behalve dat de overleveringen en gedenkstukken schaarsch zijn, en wij de berichten hoofdzakelijk moeten ontleenen aan uitheemsche, en dus aan bevooroordeelde en slechts ten deele onderrichte schrijvers, staat aan eene naauwkeurige kennis dier vroegere gebeurtenissen nog deze lastige bijzonderheid in den weg, dat de bodem zelf, waarop zij hebben plaats gehad, met zijne bewoners, ja, nog meer dan deze, van gedaante en gesteldheid bij herhaling is veranderd, zoodat noch de Batavier van Cezars tijd zich in de Betuwe van Karel den Grooten, noch de Fries die in het Kreiler bosch ter jacht ging, zich op de gëopende Zuider Zee, noch de Zeeuw die in des zesden Willems dagen naar Dordrecht ter markt voer, zich bij het Biesbosch onder Willems dochter zoude herkend hebben. Voor den geschiedschrijver, die of de daden der oude Helvetiërs, of de oorlogen der Caledoniërs wil te boek stellen, bestaan deze moeielijkheden niet; want al mocht men twijfelen aan de wijze, hoe de gebeurtenissen zijn voorgevallen die hij te vermelden heeft, de plaats, waar zij zijn voorgevallen, kan aan geenen twijfel onderhevig zijn; en nog spiegelen zich de met eeuwig ijs bedekte kruinen der Alpen in het meir Leman, als toen Hannibal er zich een weg over baande: en nog is het Schotland van Walter Scott, op inwoners en gebouwen na, het Schotland van Bruce en Wallace. Maar hoe geheel anders bij ons! Geen land kan beter dan het onze worden vergeleken bij een schouwtooneel, waarop niet alleen nieuwe personaadjen te voorschijn treden en nieuwe decoratiën zich verwisselen, maar waarop ook de vloer gedurig wegslijt en vernieuwd wordt.
Jacob van Lennep (24 maart 1802 25 augustus 1868)
Ze spraken over litteratuur, en achter mijn koffie gezeten sloeg ik het dispuut met een huivering van eerbied gade. Het waren studenten, poëten of essayisten, abonnées op Podium, vlijmscherpe critici die hun mes zo lang op de wetsteen van hun vernuft geslepen hadden, dat er nauwelijks iets mee te snijden viel. De scheppende talenten onder hen dronken zich dagelijks tot aan de nok toe vol met gedichten van Slauerhoff en essays van Vestdijk (..)
Het gesprek ging erover wie nu eigenlijk op het ogenblik onze beste prosateur mocht heten. Om mijn verlegenheid te verbergen en mijn pover zelfvertrouwen bij elkaar te schrapen, bestelde ik een taartje en keek wat naar buiten. En daar passeerde (..) mijn oude speelgenoot Bomans. Hij reed bedachtzaam op een motorfietsje en hield een karbiesje in de hand. Ik wenkte hem toe om naderbij te komen en aan de koffie met discussie deel te nemen. Doch hij had geen tijd en snelde verder om de trein te halen. Moest een lezing houden, vanavond. Blijkbaar deed hij weer n tocht naar de binnenlanden om hun de wereld te laten zien door het oog van een meikever.(..)
Toen ik mij weer omkeerde en mijn plaats zocht was de grootste prozaschrijver nog steeds niet gevonden. Vestdijk, die pas vijftig jaar was geworden, maakte echter een mooie kans. Tijdens het wikken en wegen begon er eentje:
- Tja, als ik het zeggen moet, de beste prozaïst in Holland is .
- Bomans!- Het was mijn stem die de twijfelende stilte brak. Ik had het gezegd voor ik het wist. De uitwerking was verrassend. Ze zetten alle twintig tegelijk hun glaasje neer en spalkten hun ogen open om te zien of ik in ernst sprak, - een van hen begon alvast te proesten -, maar toen de gloed der overtuiging mijn wangen kleurde barstte het ganse gezelschap in een bevrijdende schater los. Een springvloed van vrolijkheid stootte alle sluizen open, zoals zelfs de beste grap van Bomans zelf nooit te beurt was gevallen. Toen de vreugde wat bedaard was vroeg een ganse deputatie tegelijk: Maar Vestdijk dan? En Slauerhoff, en du Perron en ..?? Bomans . Nu ja, het moet dan maar: Bomans schrijft beter!
Uit ongeveer achttienhonderd aan Charlotte von Stein gerichte brieven is ons een verhouding bevestigd, waarvoor het moeilijk valt een naam te vinden, en die zoowel in den menschelijken omgang als in de litteratuur haar gelijke niet heeft. Over deze episode in Goethe's leven, waarin de beide edelste werken der wereldletterkunde Iphigenie en Torquato Tasso ontkiemden, en waarin de dichter, onder den druk van den Weimarschen Hofstaat en den invloed eener hem waardige vrouw, rijpte voor de nieuwe geboort' onder Italiaanschen hemel, zijn boekdeelen vol geschreven, welke, indirect, ook Charlotte von Stein tot een veel-aangevochten historische figuur hebben gemaakt. Zoo mild als de navorscher oordeelt over het genie, zoo meedoogenloos richt het nageslacht over de personen zijner naaste omgeving, in het bijzonder wanneer deze zich mede boven de geldende moraal verheven hebben geacht. In weerwil van het rustig gedocumenteerde, redelijk oordeelende werk, dat de populaire Goethe-beschrijver Wilhelm Bode onder den titel: Charlotte von Stein in het licht gaf, heeft nog onlangs een vrouw, Etta Federn, in haar overigens prijzenswaardigen ijver Goethe's gewezen echtgenoote, Christiane Vulpius, te geven wat haar als toegewijde huisvrouw en opgewekt gezelschap van een in zich-zelf bestaand man ongetwijfeld toekomt, zich niet ontzien den staf te breken over de andere, die Goethe's vriendin was, en wel op een wijze, welke zich van den achterklap waaraan Goethe en Charlotte tijdens hun leven hebben bloot gestaan, niet onderscheidt. De hardheid van dit oordeel treft te meer omdat het van de vrouw uitgaat, van wie wij in onzen tijd van verscherpt psychologisch inzicht waar het de verhouding der geslachten betreft, juist een liefdevolle ontleding ook van dit, aan Goethe's naam verbonden vrouweleven hadden verwacht.
Na maanden van werkzoeken en dolen, waarbij de genadige schoonheid van Amsterdam als een streling werd ondergaan, was er eensklaps een einde gekomen aan het vagebonderen van den uitgeweken Heinridh Funkel, want ook Bertha, z'n bruid, had de Heimat verlaten en haar aanstaande teruggevonden in een zwerverslogement. Struis en overredend had de vrijster gezeten op het duffe stroleger naast haar hoofd-schuddenden Landstreicher, die van zaken doen niet horen wilde en het minnekozen oversloeg! Bertha had de bezwaren van den losgeslagene weerlegd, haar spaargeld in marken en pfennigen uitgeteld op het blad van de wastafel en met een mild verwijtend: Du Rammskopf! het verzet van haar geliefde gebroken. Ze was er, na veel heen en weer praten, in geslaagd de afkeer van Heinrich voor het slokjes tappen te temperen en al de volgende morgen trok ze er op uit om ergens in de stad een kroegje over te nemen. Wat ze zocht had ze gevonden in de Mandenmakerssteeg, waar al spoedig het uithangbord van het nagenoeg lege café De Zwaan om aandacht kermde in de roestige kettingen.
De kroeg liep de eerste jaren boven verwachting. Ze werd verbouwd en opgeknapt, bleef lopen als het tapkraantje, tot Heinrich zich weer, evenals vroeger in Pruisen, ging bemoeien met de politiek, de socialisten binnenhaalde en Fortuna de deur uitjoeg. Wel is waar bleken ook de belaagde rooien niet vies van een borrel, maar zij behoorden bijna allen tot het smallebuurtjesvolk.
Willem van Iependaal (24 maart 1891 - 23 oktober 1970)
Ich bin am vierundzwanzigsten März des Jahres achtzehnhundert und eilf zu Königsberg in Preußen geboren, und stamme von väterlicher und mütterlicher Seite aus jüdischen Familien ab. Auch meine beiden Eltern waren geborene Königsberger.
Meine Mutter gehörte einer reichen Familie an. Sie war das jüngste von zwölf Kindern. Ihr Vater war aus dem Posen'schen, ihre Mutter aus Kurland nach Preußen gekommen. Sie hielten fest an dem Glauben und an den Sitten des Judenthums, waren ununterrichtete Leute, scheinen aber, nach allen Erzählungen meiner Mutter, viel auf eine wohlanständige äußere Form des Lebens gehalten und bei strenger häuslicher Oekonomie die Benutzung und Schaustellung ihres Reichthums für besondere Fälle geliebt zu haben.
Meine Mutter erzählte uns, als wir erwachsen waren, gern von dem großen Saale in ihrem Vaterhause mit seinen gelben Damastmeubeln und zahlreichen Spiegeln, der an den Feiertagen geöffnet wurde, von der gastfreien Aufnahme aller Fremden, welche sich zum jüdischen Karneval, dem Purimsfeste, maskirt und unmaskirt in ihrem Hause einfanden, von der ernsten Begehung der großen Feiertage, des Passah, des Laubhütten- und des Versöhnungsfestes; und es machte immer einen fremdartig feierlichen Eindruck auf uns, wenn wir hörten, wie die Großeltern am Vorabende des Versöhnungsfestes alle ihre Kinder zusammen gerufen und sie gesegnet hätten. Wie dann die Großmutter in einem weißen, mit kostbaren Kanten besetzten Kleide den Großvater in die Synagoge begleitet habe, wie sie darauf erst spät Abends nach Hause gekommen wären, wie man der Großmutter schweigend das modische Entre deux von schwarzem Taffet mit strohgelbem Futter abgenommen, wie man am folgenden Tage gefastet und erst am Abend desselben bei dem Hervortreten der Sterne den ersten Imbiß gehalten habe, wonach das Leben dann wieder in seinen gewöhnlichen Lauf zurückgekehrt sei.
Gauklerflügel, Bleigewichte Oder umgekehrte Lieder
Wackersteine, Lichtgefieder.
Die Bilder
Die Bilder bleiben nicht, wir bleiben heiter Ein letztlich heiteres Geschlecht, weil diese gehen Bis wir nicht mehr sie selbst, nur ihr Verschwinden sehen. Gut, daß sie fliehn. Wir können sie nicht fliehen Ihr einziger Weg ist: Weg von uns; das treibt sie weiter Als wir mit unseren aufgeschlagnen Knien Jetzt gehen sollten. Schon geht wunderbar Anstatt des Bilds sein schnelles Fliehen uns an, noch schneller (Das Bild wird dunkler und der Blick wird heller) Bleibt uns nur wunderbar noch, daß es war. Gut, daß es schwindet! Anders schwänden wir Vor unseren Bildern hin und wären nicht mehr hier.
Was ist ein Leben ohne Liebe? Ein ödes Dasein, dumpf und trübe, Das uns nicht Schmerz, nicht Lust gewährt, Das kein Gefühl, als Unmut nährt; Ein martervolles Nichtbehagen An allem, was uns sonst entzückt, Ein frost'ger Quell von steten Klagen, Der jeder Freude Keim erstickt, Ein kalter Hinblick auf die Scenen Der allbelebenden Natur, Ein Mittelding von Scheu und Sehnen Beim Anblick jeder Kreatur.
Ein dämmernd Licht, das auf die Wonne Des Lebens Riesenschatten streut, Und eines künft'gen Glückes Sonne Schon zweifelhafte Flecken leiht. Ein Unkraut, das der Hoffnung Blüthen Im Herzen nicht gedeihen läßt, Ein Kaltsinn, der der Menschen Bitten Mit harter Stirne von sich stößt, Von keiner Schönheit angezogen, Von keinem Gegenstand gerührt, Zu keiner edlen That bewogen, Nie duldsam für die Schwachheit wird; Ein Zustand, der das Herz entstellet, Ein leerer, finstrer, weiter Raum, Den nie ein Strahl des Lichts erhellet, Und nie erfüllt ein süßer Traum; Dem stillen Sumpfe gleich, der immer träge, Von Wind und Wetter nie getrübt, Aus seinem dichten Schilfgehege Nur faule Dünste von sich giebt.
So ist ein Leben ohne Liebe! Ein ödes Dasein, dumpf und trübe, Das uns nicht Schmerz, nicht Freude giebt - Doch ach! was ist es, wenn man liebt? Ein Schweben, einem schwanken Schiffe Am hohen Meere gleich, das jetzt Uns in die fürchterlichste Tiefe, Und drauf in Wolken übersetzt, Bald auf ein wüstes Eiland treibet, Bald wieder in die Flut versenkt, An Felsenklippen hängen bleibet, Und dann die Schiffenden ertränkt.
Was soll man thun? Soll man sein Leben wagen? Und Stürmen trotzen? - Oder ganz entsagen Dem göttlichen, dem liebevollen Ruf, Wozu der Schöpfer seine Menschen schuf?
Gabriele von Baumberg (24 maart 1768 24 juli 1839)
Stephansdom in Wenen, geschilderd door Rudolf von Alt, 1832
The full African moon poured down its light from the blue sky into the wide, lonely plain. The dry, sandy earth, with its coating of stunted karoo bushes a few inches high, the low hills that skirted the plain, the milk-bushes with their long finger-like leaves, all were touched by a weird and an almost oppressive beauty as they lay in the white light.
In one spot only was the solemn monotony of the plain broken. Near the centre a small solitary kopje rose. Alone it lay there, a heap of round ironstones piled one upon another, as over some giant's grave. Here and there a few tufts of grass or small succulent plants had sprung up among its stones, and on the very summit a clump of prickly-pears lifted their thorny arms, and reflected, as from mirrors, the moonlight on their broad fleshy leaves. At the foot of the kopje lay the homestead.
First, the stone-walled sheep kraals and Kaffer huts; beyond them the dwelling-house--a square, red-brick building with thatched roof. Even on its bare red walls, and the wooden ladder that led up to the loft, the moonlight cast a kind of dreamy beauty, and quite etherealized the low brick wall that ran before the house, and which inclosed a bare patch of sand and two straggling sunflowers. On the zinc roof of the great open wagon-house, on the roofs of the outbuildings that jutted from its side, the moonlight glinted with a quite peculiar brightness, till it seemed that every rib in the metal was of burnished silver.
Sleep ruled everywhere, and the homestead was not less quiet than the solitary plain.
In the farmhouse, on her great wooden bedstead, Tant Sannie, the Boer-woman, rolled heavily in her sleep.
Olive Schreiner (24 maart 1855 11 december 1920)
Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
J. C. Bloem
De Nederlandse dichter Jakobus Cornelis Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Bloem stamde uit een stijlvolle, patricische familie. Op 12 mei 1921 verscheen eindelijk Het verlangen, vooral dank zij de krachtdadige hulp van zijn vriend Jan van Krimpen, die ook de typografie verzorgde In 1925 ontmoette Bloem de 19-jarige Clara Eggink. Het volgende jaar trouwden zij. Vrijwel tegelijk met de geboorte van hun zoon Wim op 8 september 1927 werd Bloem ontslagen bij de NRC. In mei 1928 werd Bloem benoemd tot griffier aan het kantongerecht De Lemmer, uit welk 'Friesch Cayenne' hij in 1931 werd overgeplaatst naar Breukelen. Afgezien van kleine opflakkeringen in 1924/25 en 1929 (samen vijf verzen), duurde het tot 1930 voor hij weer 'aan de schrijverij' raakte. Dit resulteerde in het jaar daarop in de bundel Media vita. Tussen 1934 en 1937, maar vooral in dat laatste jaar, schreef Bloem de verzen die uitkwamen als De nederlaag. Zijn Verzamelde gedichten verschenen in 1947, al spoedig enige malen herdrukt, en daarmee kwam eindelijk ook de officiële erkenning van zijn dichterschap: Constantijn Huygens-prijs (1949), P.C. Hooftprijs (1952), en ten slotte de grote Prijs der Nederlandse Letteren (1965). Na een langdurige ziekte die hem volstrekt hulpbehoevend maakte, overleed Bloem op 10 augustus 1966. Hij werd begraven in Paasloo (Overijssel).
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron
K.P. Kavafis
K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.