|
11
In enkele
Nederlandse vertalingen van Psalm 23
Het aantal vertalingen van psalm 23 is niet te overzien.
Met de psalm werd meestal ook de tijdsgeest
vertaald. Een paar recente voorbeelden kunnen dat misschien nog het best illustreren.
We kiezen naast een proeve van een nieuwe vertaling door Huub Oosterhuis en
Michel van der Plas de vertaling van Dr, I.M. Gerhardt en Dr. H. van der Zeyde.
We stellen in beide vertalingen nogal wat verschillen vast met de vertaling die
we kozen als uitgangspunt.
Vooreerst de vertaling van Huub Oosterhuis en Michel Van
der Plas:
Mijn herder is de Heer,
het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Hij brengt mij in een oase van groen,
daar strek ik mij uit aan de rand van het water,
daar is het goed rusten.
Ik kom weer tot leven, dan trekken wij
verder,
vertrouwde wegen, Hij voor me uit.
Want God is zijn naam.
Al moet ik het duister in van de dood,
ik ben niet angstig, U bent toch bij me,
onder uw hoede durf ik het aan.
Gij nodigt mij aan uw eigen tafel,
en allen die tegen mij zijn
moeten het aanzien: dat Gij mij bedient,
dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,
dat Gij mijn beker vult tot de rand.
Overal komen geluk en genade
mij tegemoet, mijn leven lang.
En altijd kom ik terug in het huis
van de Heer, tot in lengte van dagen.
Het eerste dat in deze vertaling opvalt, is de
vooropplaatsing van Mijn Herder. Er is duidelijk rekening gehouden met het
explosieve, polemische karakter van de bekentenis. Mijn herder staat
uitdrukkelijk opgesteld tegenover alle andere kandidaten die zich ten onrechte
zouden aandienen, zoals de koning van Egypte dit deed. De naam Jahweh komt in
dit eerste vers niet voor. Er is geen verwarring mogelijk en de naam Jahweh mag
niet ijdel gebruikt worden.
Met Het zal me nooit aan iets ontbreken is een typisch
Nederlandse zinswending in de plaats gekomen van een enigszins gewrongen uitdrukking in de eerste
vertaling.
Het laten liggen, het doen liggen van het
Hebreeuws wordt verzacht tot Hij brengt me, waardoor een bevel of een
plaatsaanwijzing vervangen werd door een dienstverlening. Het is duidelijk dat
alles wat bevel of toewijzing is, verzacht wordt. Dit komt goed overeen met de
tijdsgeest, waar de vertalers niet ongevoelig voor bleven.
In de tijd dat het begrip Godsvolk onder weg een
bijzondere aantrekkingskracht had, gezien de veranderde kerkopvattingen die
voor en tijdens het Tweede Vaticaans Concilie in Nederland verdedigd
werden, kregen zowel het juridisme als de autoritaire
gezagsopvatting een flinke knauw. Het persoonlijk initiatief en de individuele gewetensbeslissing
werden met grote nadruk naar voor geschoven.
Dat dit deze vertaling niet ongemoeid liet, blijkt uit het
feit dat de doelstelling van de leiding eigenlijk
niet meer ter sprake komt. Er wordt alleen gezegd dat het daar goed rusten
is.Bovendien is het de ik-verteller
zelf die zegt: daar strek ik mij uit aan de rand van het water.
Het herleven wordt gedramatiseerd tot Ik kom weer tot
leven De tegenstelling tussen dood en leven wordt daardoor versterkt. Ook bij
het gaan over de wegen ontbreekt de verwijzing naar de leiding van de herder.
Er staat gewoon dan trekken we verder.
En dan gebeurt er iets dat men werkelijk een afwijking van
de oorspronkelijke tekst kan noemen. De suggestie van een globaal
rechtvaardigheidsideaal dat terug gaat op de Thora (weg en wet), is hier
helemaal achterwege gelaten. Van de wegen wordt hier alleen gezegd dat ze
vertrouwde wegen zijn. Wel is het vooropgaan van de herder gehonoreerd. Het
beeld van het idyllisch knaapje met de mooie
haarscheiding in het midden en met het fluitje waarmee hij achter de kudde
aanloopt, wordt helemaal uitgesloten door een teruggrijpen naar de Sitz im Leben.
De moed van de herder om verantwoordelijkheid op te nemen en om zijn kudde
desnoods met de inzet van zijn leven te verdedigen, kan alle ruimte krijgen.
In Want God is zijn naam is de verbondsgedachte afwezig
en wordt alles ingezet op de suggestie van de betekenis van de naam Jahweh. De
naam staat voor de persoon. Omdat de naam van de herder God is, wordt verwacht
dat hij zich als dusdanig gedraagt. Zoals Petrus, die de naam die rots
betekent, van Jezus kreeg, verondersteld wordt
als rots van de Kerk te fungeren.
Het woord dal is in deze passus verdwenen. Een abstracte
combinatie het duister treedt ervoor in de plaats. Door de verbinding via het
stafrijm worden duister en dood nauw op mekaar
betrokken. Het niet angstig zijn heeft niet alleen met Gods aanwezigheid (U
bent toch bij me) te maken. Ook stof en staf
zijn geabstraheerd. Terwijl de nadruk nu helemaal op hoede ligt, is tegelijk
de durf om de problemen van het leven aan te pakken toegenomen. Iets aandurven
is hier belangrijker dan gerust gesteld worden.
In het tweede deel van de psalm is geopteerd
voor grote intimiteit. Het gaat om een invitatie om aan te zitten aan de eigen
tafel. De vijanden zijn allen die tegen mij zijn geworden. De vijanden zijn
tegenstanders geworden. Maar wat aan scherpte verloren ging, wordt door de
aangeduide totaliteit weer belangrijker gemaakt. Ook wordt uitdrukkelijker
gewezen op de onontkoombaarheid van het moeten aanzien. Expliciet wordt ook vermeld dat God de
biddende bedient, dat wat Hij doet een act van dienstbaarheid is. Meteen wordt
de weelde van de zalving beklemtoond. Die weelde wordt aan huid en haren
ervaren. Tegenover mijn beker blijft vol in de vertaling van Van de Ploeg staat nu: dat Gij mijn beker vult tot de
rand. De gedachte aan de messiaanse overvloed is even sterk aanwezig.
In het derde deel staat overal vooraan. De alom
aanwezigheid van de gave en de gunsten, hier geluk en genade geheten, drukt
met een ruimtelijke term uit wat ook in termen van tijd wordt gezegd. De
veelheid van de gaven wordt daardoor extra benadrukt. Met altijd kom ik terug
wordt een interpretatie van Martin Buber meevertaald. Altijd kom ik terug drukt de beschikbaarheid van het huis van God even sterk uit als is mijn woonplaats tot in
lengte van dagen,
zonder dat het parallellisme verloren ging. De door ons gesignaleerde
verschillen tussen de eerste en de tweede vertaling hebben niet alleen te maken
met bewuste keuzes, maar hebben wellicht ook de invloed ondergaan van
nauwelijks bewuste gevoeligheden. Dit zal trouwens ook opvallen in de derde
vertaling, die van Ida Gerhardt en H. van der Zeyde.
12
De vertaling van
I. Gerdhart/ M. Van der Zeyde
Een psalm van David
De Heer is mijn herder, mij zal niets
ontbreken.
Hij wijst mij te liggen in grazige
weiden,
Hij voert mij naar wateren
der rust.
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen,
Hij leidt mij in sporen van waarheid
getrouw aan zijn naam.
Moest ik gaan door het dal van de
schaduw des doods,
kwaad zou ik niet vrezen.
Want naast mij gaat Gij,
uw stok en uw staf zij doen me getroost zijn.
Een tafel richt Gij mij aan
in het aangezicht van mijn belagers
en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over.
Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden
al de dagen mijns levens.
Verblijven mag ik in het huis van de
Heer
tot in lengte van dagen.
Ook hier staat de Heer in plaats van Jahweh. De
vooropplaatsing van mij versterkt het persoonlijke
van de zekerheid. Er is hier verder ten onrechte sprake van grazige weiden.
Dit komt wellicht
doordat de archaïsche taal van de Statenbijbel hier nog zon rol speelt. Ook op andere plaatsen
is die invloed merkbaar. In de Statenbijbel staat op die plaats Hij doet mij neerliggen,
wat nauwelijks verschilt van hij wijst mij te liggen. Men zou kunnen zeggen
dat het plechtige van de formulering en het autoritaire van het gebod nog
aangezwengeld zijn. Het ouderwetse
voert kwam ook al in de Statenbijbel voor. Deze vertaling die veel later tot
stand kwam, in een
periode waar de gezagsverhoudingen weer stringenter werden opgevat en minder
soepel fungeerden vanwege de ondertussen teruggeschroefde verruiming in de
katholieke Kerk, iets waar de vertaalster blijkbaar mee sympathiseerde, lijkt
de oude opvatting van gezag en leiding weer op te nemen. Meteen ook wordt de
archaïsche taal op vele plaatsen weer ingevoerd. In wateren
der rust bijvoorbeeld.
De moraliserende toon is ook niet uit de lucht. De ziel
wordt voor verdwalen behoed, heet het. Zowel het woord ziel als het verlies van de weg, door
verdwalen opgeroepen, brengen een negativiteit
aan die in de brontekst afwezig is. De angst voor de ontsporing zit er diep in.
Dat kan alleen
bezworen worden door een uitdrukkelijke leiding in sporen van waarheid. Hier
klinkt dan weer het in het spoor der gerechtigheid van de Statenbijbel door.
De uitdrukking: getrouw aan zijn naam is, gelukkig, moderner vertaald. In de
Statenbijbel staat: om zijns Naams wil. De archaïsmen spelen dan weer tenvolle in het dal van de schaduw des doods. Voor de
archaïsche, plechtiger vormgeving zorgt het gebruik van de conjunctief in de
hoofdzin. De aanwezigheid van de Heer wordt verbonden met een wandelmotief dat
het voorgaan van de herder geen recht doet. Stof en staf zijn bewaard. En het
piëtisme dat de werkwijze van de vertaalster eigen is, verraadt zich in doen
mij getroost zijn, dat bij de moderne taalgebruiker ietwat houterig overkomt.
De plechtige toon blijft bewaard bij het begin van het
derde deel. De tafel wordt aangericht in het aangezicht
van mijn belagers. De tegenpartijders
(Statenbijbel) zijn nog niet vermeden. Het praesens van zalft staat
tegenover de voltooid verleden tijd in de vertaling
van Van der Ploeg. In de lijn van de protestantse
traditie is geopteerd voor een beker die overvloeit. De toonzetting van het
derde deel zou men tegelijk plechtig en atmosferisch kunnen noemen.
Het geluk en de genade moet men
om de schreden van de biddende zoeken. De richting van de beweging is
daardoor echter niet aangeduid. Alle nadruk valt daardoor op de tijdsdimensie.
De samenbundeling van tijds- en plaatsaanduiding
geeft aan de laatste zin een passende emfase.
Het moge uit deze twee voorbeelden
voldoende duidelijk zijn dat bij de vertaalsters wel degelijk eigen inzichten en opties meespelen
omtrent de wijze waarop zon tekst in een kerkgemeenschap kan fungeren. Merkwaardig is alleen dat de verschillen zo groot zijn in een
betrekkelijk klein verschil van tijd tussen het tot stand komen van beide
pogingen.
13
Gabriël Smit: een psalmberijming en een liefdesgedicht
Met zijn berijming van psalm 23 heeft Gabriël
Smit een poging gedaan om het literaire karakter van de psalm recht te doen.
Het resultaat is een bezinningstekst die bestaat uit vier vierregelige strofen.
De paarsgewijze berijming maakte enkele transformaties nodig. Het westerse
ritme met min of meer regelmatige afwisseling van de beklemtoonde en
onbeklemtoonde lettergrepen eveneens. Laten we ook deze tekst eens van nabij
bekijken.
God is mijn herder, mij zal niets
ontbreken:
grazige weiden heeft Hij mij bereid,
mijn ziel verkwikte Hij aan koele beken,
Hij heeft mij in het rechte spoor
geleid.
Hij wijst mijn pad, zijn Naam is mij een wapen;
al trek ik door een dal van dood en pijn,
ik kan mij nederleggen om te
slapen:
zijn sterke staf zal mijn vertroosting zijn.
Gij hebt mijns vijands ogen uitgestoken
door feestelijk mij te spijzen waar hij lag;
mijn haren geuren van uw balsemroken,
uw rijkdom vult mijn beker, dag aan dag.
Ik zal mijn leven lang geen hulp behoeven:
geluk en zegen hebt Gij mij bereid
tot ik verheerlijkt in uw huis mag toeven,
uw licht, uw vrede, - tot in eeuwigheid.
De eerste regel loopt vlot en natuurlijk. Maar onmiddellijk
daarna treft al iets dat gewrongen aandoet. De
grazige weiden werden door de Heer bereid. Ook het meervoud van beken
lijkt zelfs voor de dorstige ziel wat teveel. Het rechte spoor heeft een
moraliserend effect zonder dat het globale joodse rechtvaardigheidsideaal enige
belichting krijgt. De Naam van God die verbonden is aan de verbondstrouw
wordt hier tot wapen omgesmeed. Met de opeenvolging van dood en pijn wordt
eerder een anticlimax bereikt. Van de verkwikkende werking van het water is
geen sprake. Alleen de mogelijkheid tot gaan liggen: ik kan mij nederleggen om te slapen, wordt vermeld. De relatie tussen
staf en troost (hier vertroosting geheten) wordt extra gemotiveerd door het
adjectief sterke. Die troost wordt overigens als
iets voor de toekomst voorgesteld. In de derde strofe treft
uitgestoken, waardoor de agressiviteit van Gods optreden onthuld wordt in
verbinding met de plaats waar de overwonnen vijand al lag. Verder valt in deze
strofe het ouderwetse balsemroken op, dat waarschijnlijk door rijmnood is
ingegeven. De dag aan dag-voorziening met wijn (de rijkdom die de beker
vult) maakt de duur van de maaltijd onwaarschijnlijk. Een heel leven geen hulp
nodig hebben (een gedachte die bij het begin van de vierde strofe voorzit) is
niet hetzelfde als de positieve aanwezigheid van gaven en gunsten. Wel moet
gezegd dat Smit wellicht een antithetisch gedachten
parallellisme heeft willen invoeren.
Want onmiddellijk daarop laat hij gelijk en zegen volgen.
Maar het feit dat de negatieve aanduiding
vooraf gaat, verhoogt de expressiviteit niet. Het
toegevoegde verheerlijkt is niet in de psalm gegeven. Licht en vrede zijn
abstraherende explicitaties die wel een synthetische
en voltooiende waarde hebben. Inmiddels is ook
opgevallen dat de rijmwoorden behoeven en toeven in deze positie herinneren
aan een fragment van een gedicht aan Nicolaas Beets.
Alleen gaat het daar om behoefde en toefde. Om de sfeer en de tensie van
het gedicht van Beets toe te lichten, volstaat een
kort citaat.
De moerbeitoppen ruischten
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;
Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.
Deze bewerking heeft ongetwijfeld verdiensten, maar ze is
deels vanwege het woordgebruik, deels vanwege
de reeds genoteerde transformaties toch niet helemaal bruikbaar. Deze bezinningstekst is voor Smit wel een aanloop geweest
voor een meer ambitieuze bewerking. Ik
bedoel het achtste gedicht uit de cyclus Omschrijvingen van de liefste.
Je bent mij zo nodig. Ik weet wel dat
de Heer mijn herder is en dat Hij mij
niets laat ontbreken, maar wanneer jij
mij dat niet bent, weet ik niet wat
mijn leven nog kan zijn. Wanneer Hij jou
niet geeft, geeft Hij mij niets, want
wat mij niet gereikt wordt door jouw hand
is dood voordat ik het ooit krijgen zou.
Dat kan niet, zeg je, want dan stel je
mij
voor Hem, een verantwoordelijkheid die
ik niet dragen kan. Weet je dat zeker?
Lees de psalm. Wie dorst schenkt Hij
in overvloed zijn wijn. Maar, liefste, wie
anders dan jij is mij zijn beker?
Het gaat hier om een dialoog tussen twee geliefden die
vertrekken vanuit het feit dat ze elkaar echt nodig hebben. Ze confronteren die
behoefte met psalm 23. De ene voelt duidelijk aan dat er geen tegenstrijdigheid
hoeft te zijn tussen het vertrouwen dat men in God stelt, en de liefde die ze
voor elkaar voelen. Integendeel, hij weet dat zijn gaven van God niets zijn als
het niet de geliefde is die hem wordt geschonken. De genade en de weelde die
God schenkt, betekent niets als deze niet door de geliefde worden aangereikt.
Ook in deze bezinning is de gedachte aan de dood aanwezig. Wat niet via de hand
van de geliefde komt, is dood vooraleer het als gave kan herkend worden,
vooraleer het ooit een geschenk zou kunnen worden. De repliek van het meisje
is: mij boven de Heer verkiezen is een niet te dragen verantwoordelijkheid.
Waarop de jongen dan weer de vraag stelt of ze dat wel zeker weet. Het gedicht
eindigt met een verzoek om de psalm te lezen. Wie dorst heeft, krijgt wijn,
wordt daar meteen aan toegevoegd. En die wijn is wijn in overvloed. Een
duidelijke verwijzing naar de messiaanse tijd. Dan wordt besloten met een
hommage aan de geliefde. Niemand anders dan zij blijkt de beker te zijn waarvan
sprake is. Dit wordt althans door de retorische vraag gesuggereerd.
Dit lijkt ons een ideaal gedicht voor de inzegening van een
huwelijk. Hier wordt tegelijk beleden dat God alle vertrouwen dat de mens in
Hem stelt, waard is en dat religieuze ervaring en de beleving van de liefde
tussen twee partners elkaar niet alleen niet hoeven te hinderen, maar zinvol
kunnen samengaan. God dringt zich niet op als een hinderlijke instantie tussen
de twee geliefden. De geliefde wordt ervaren als een geschenk van God. Wat hij
uit haar hand aanvaardt, is het mooist denkbare. Alle andere geschenken
verbleken daarbij, worden tot niets herleid of gaan verloren zonder dat ze hun
bestemming bereiken. Wat men via de geliefde van God krijgt, wordt ervaren als
het toppunt van zijn herderlijke gastvrijheid.
|