|
Toen Thomas de sleutel in het slot stak, hoorde hij iemand onder de trap fluisteren.
Hij bleef staan.
Het huis was leeg. Dat wist hij zeker. Zijn vrouw was drie maanden geleden vertrokken en had de laatste doos meegenomen. De makelaar had gezegd dat hij alleen nog de kelder hoefde leeg te halen.
Wees gewoon snel, had hij gezegd.
Thomas draaide de sleutel om.
Krrrk.
Van onder de trap kwam opnieuw dat geluid.
"Thomas."
Hij liet de sleutel vallen.
De stem klonk precies als die van zijn vrouw.
Hij hurkte neer en keek onder de trap. Daar zat alleen een klein houten deurtje dat hij nog nooit eerder had gezien. Het was nauwelijks een meter hoog en zat vol krassen.
Aan de binnenkant.
Thomas voelde zijn maag samentrekken.
Toen klopte iemand.
Drie keer.
Tok. Tok. Tok.
"Thomas," fluisterde zijn vrouw achter het deurtje. "Doe open."
Hij stond op en liep naar de voordeur.
Achter hem ging het slot van het kleine deurtje langzaam omhoog.
Thomas rende.
Hij haalde de voordeur, trok hem open en stapte naar buiten.
Daar stond zijn vrouw.
Bleek. Nat van de regen. Precies zoals op de avond dat ze verdwenen was.
Ze glimlachte.
"Je hebt me eindelijk gevonden."
Thomas keek naar haar gezicht.
Toen zag hij de krassen in haar hals.
En achter haar, in de donkere deuropening van het huis, hoorde hij iemand lachen.
Zijn eigen stem.
"Niet luisteren naar haar," zei die stem. "Ze liegt."
Thomas deed een stap achteruit.
Zijn vrouw deed ook een stap naar voren.
"Thomas," zei ze zacht.
Vanuit het huis klonk zijn stem opnieuw.
"Thomas."
En toen, vanuit de kelder:
"Thomas."
Drie stemmen.
Alle drie precies hetzelfde.
Alle drie wachtten ze op antwoord.
|