|
O zoete morgenstond, die zacht ontwaakt, En met uw gouden glans de velden streelt, Waar elk gewas zijn groene luister draagt, En 't blijde vogellied door 't luchtruim speelt;
Mijn oog aanschouwt de pracht van aard en lucht, Doch vindt geen rust in zulk een schoon gezicht; Want die mijn hart bezit met lieflijke zucht, Ontneemt den dag zijn glans, de zon haar licht.
Gij roos, die bloeit met purperen gloed getooid, Gij lelie, rein van blad en morgendauw, Uw schoonheid wordt door éne blik verstrooid, Wanneer ik denk aan haar, mijn liefste vrouw.
Ach, mocht haar gunst mijn trouwe min verstaan, Dan werd mijn winter tot een lentebaan.
|