|
O buurman, hoort gij 't klappen gaan, Langs de straat bij 't morgenstaan? De visvrouw roept, de knecht die lacht, Elk zoekt zijn brood met lust en kracht.
De zon klimt op het oude dak, Een hond snuffelt aan een zak; De koopman prijst zijn waren luid, En jaagt de stilte haastig uit.
Daar stapt een vrijer fier voorbij, Met pluim op hoed en nieuwe rij; Hij buigt zo diep voor ene maagd, Die hem met schalkse ogen plaagt.
Maar ach, hoe draait het menselijk lot: Vandaag een heer, morgen bespot. Wie al te hoog zijn neus verheft, Vindt vaak dat 't leven anders schrijft.
Daarom, vriend, wees blij van zin, Zoek vreugd in wat de dag brengt in. Want eer de avondklok weer slaat, Is veel verdwenen uit de straat.
|