|
Wanneer de zon haar gouden standaard strijkt, En purper langs de stille daken vloeit, Daar waar de dag voor 't zachte duister wijkt, En in den hof de laatste roos nog bloeit,
Verheft de wind zijn onzichtbaar bazuingeschal, Dat langs de torens en de wateren gaat; De echo antwoordt uit de hoge hal, Waar steen de herinnering der eeuwen draagt.
O sterfelijk geslacht, hoe kort uw pracht, Hoe licht verwaait de lauwer van het hoofd; De tijd, die vorst noch bedelaar ontzacht, Dooft menig vuur dat gisteren nog geloofd.
Doch wie het goede mint met zuiver hart, En trouw bewaart te midden van de strijd, Die vindt een rust die niet door nood verstart, Een glans die reikt voorbij de grens van tijd.
Zo zinkt de nacht met zachte vleugels neer, En sluit de wereld in haar donker kleed; Maar boven 't zwijgen straalt des hemels sfeer, Waar hoop haar stille eeuwig licht nog spreidt.
|