|
In Herk-de-Stad zeggen ze dat de mist van de Demer geluiden vasthoudt.
Niemand weet precies wie daarmee begonnen is. Misschien de oude vissers aan de waterkant, misschien de cafébazen die na sluitingstijd nog stemmen dachten te horen tussen de bomen van het Olmenhof. Maar iedereen kent het verhaal van de bel.
Elke nacht om halfdrie.
Eén enkele slag.
En daarna stilte. --------------- Lars geloofde daar niet in.
Hij was zesentwintig, net teruggekeerd naar Herk-de-Stad nadat zijn moeder was overleden. Het huis van zijn jeugd stond leeg aan een smalle straat net buiten het centrum, dicht bij de velden richting Schulen. Overdag was het er rustig. ’s Nachts leek het alsof de wereld ophield te bestaan.
De eerste avond hoorde hij de bel.
BONNG.
Hij schrok wakker en keek naar zijn gsm.
02:30.
“Waarschijnlijk de kerkklok,” mompelde hij.
Maar de kerkklok van Herk-de-Stad sloeg niet om halfdrie.
De tweede nacht hoorde hij hem opnieuw.
BONNG.
Dit keer gevolgd door iets anders.
Voetstappen.
Niet buiten.
Boven hem.
Langzaam. Schuifelend.
Lars greep een zaklamp en liep de trap op. De houten treden kraakten onder zijn voeten. Op zolder rook het muf, naar stof en vochtige balken.
Niemand.
Hij wilde terug naar beneden gaan toen hij iets zag in het stof op de vloer.
Voetafdrukken.
Kleine.
Alsof een kind met natte voeten over de planken had gelopen.
Ze eindigden abrupt tegen de muur.
Die nacht sliep hij met het licht aan. --------------------- De volgende dag trok hij naar café De Zwaan op de markt. De stamgasten zwegen toen hij over de bel begon.
Een oude man met een verweerd gezicht keek hem lang aan.
“Ge woont in het huis van de familie Vrancken, hè?”
Lars knikte.
De man nam een trage slok van zijn bier.
“Daar is vroeger iets gebeurd.”
Niemand sprak nog.
Zelfs de glazen achter de toog leken stil te hangen.
“In de winter van 1974 verdween daar een meisje. Elise. Acht jaar oud. Men heeft haar nooit gevonden.”
“En die bel?”
De man keek naar buiten, waar de avondmist langzaam over de straat kroop.
“Ze luidde elke nacht met een koperen handbel wanneer ze bang was. Haar vader had die voor haar gekocht.”
Lars voelde een koude rilling langs zijn nek lopen.
“Dat is toch gewoon een verhaal?”
De oude man antwoordde niet. ---------------------- Die nacht wachtte Lars wakker in bed.
02:29.
Hij hoorde niets behalve de wind.
02:30.
BONNG.
Meteen daarna begon iets zachtjes te tikken.
Tik.
Tik.
Tik.
Vanuit de muur naast zijn bed.
Zijn adem stokte.
Het tikken werd sneller.
TIK TIK TIK TIK.
Alsof kleine vingers van binnenuit tegen het behang sloegen.
Toen hoorde hij een meisjesstem.
Zacht.
Breekbaar.
“Mag ik eruit?”
Lars sprong recht en trok het behang van de muur. Oude kalk brokkelde af. Achter het pleisterwerk zat een houten paneel dat duidelijk later was geplaatst.
Met bevende handen wrikte hij het los.
Een golf van rotte lucht sloeg hem tegemoet.
In de holte achter de muur zat een klein skelet.
Opgevouwen.
Alsof iemand het had verstopt.
Rond de tengere pols hing een groen uitgeslagen koperen bel.
Lars kon niet bewegen.
Toen ging de bel vanzelf.
Zacht.
BONNG.
Het skelet kantelde langzaam naar voren.
En de lege oogkassen richtten zich recht op hem.
De stem klonk nu vlak achter zijn oor.
“Nu jij.”
|