Inhoud blog
  • Ik verhuis naar een andere blogsite!!!
  • De mystiek achter de tweede komst van Jezus
  • Luz de Maria 24/4
  • Zalig de armen van geest
  • Aanbidden in geest en waarheid
  • 3.33 uur 's ochtends
  • De kracht van 1 Weesgegroet
  • Ze komen eraan
  • Vreemde en grote donkere wezens zullen spoedig overal binnendringen
  • Een volgende lockdown
  • Boodschap aan Anna Shelley 24/4
  • De devotie van de 7 smarten van OLVrouw
  • Toewijdingsgebeden aan God de Vader, het H. Hart van Jezus en het Onbevlekt Hart van Maria
  • Gebeden van toewijding van ziekte, lijden en levenslasten
  • De betekenis van Pinksteren - 4
  • Om een baby uit een miskraam en geaborteerde baby's te dopen
  • Exorcismegebed over je woning en grond en toewijdingsgebed
  • Gebeden van zegening en bescherming
  • Het is eindelijk aangebroken
  • Wat God me toonde over aanstootgevende kledij...
  • Wat God me toonde over feminisme
  • De betekenis van Pinksteren - 3
  • Einde van Satans invloed in zicht
  • Red de planeet, ga CO2 uitstoten
  • Over de verliezen aan Westerse kant wordt gezwegen
  • Boodschappen aan Eduardo Ferreira
  • Boodschappen aan Pedro Regis
  • Boodschappen van OLVrouw di Zaro 8/4
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • Boodschappen aan Valeria Copponi (tot 19/4)
  • Instorting van economie, en munteenheden
  • De uitval
  • Over Poetin
  • Zal dit het einde veroorzaken?
  • Een miraculeuze foto van de Gekruisigde Jezus
  • Boodschap aan Anna Shelley 20/4
  • Luz de Maria 20/4
  • Rusland wordt verder uitgedaagd
  • De 3 daagse duisternis
  • De 9 cirkels van de Hel
  • In de Hel wegens echtscheiding
  • Meteoor op California
  • 23 april
  • De komst van de asteroide
  • Massale afname van bevolking in Europa komt eraan
  • Repost: Genezingsgebed van God de Vader
  • Opwarming van het klimaat? Niet dus.
  • Let op voor cosmetica en dergelijke producten
  • De uitleg van het merkteken van het beest door de Heer
  • De volgende pandemie
  • Over Obama: hij kan de Antichrist worden, door bezetenheid
  • Luz de Maria 16/4
  • Boodschap aan Anna Shelley 19/4
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • Een zombievirus
  • Nano chip
  • VK zal getroffen worden
  • Dit zal gebeuren door Hem
  • Het is reeds begonnen
  • Hoe de Antichrist zal werken door AI en Biotechnologie
  • Ze komen voor onze kinderen
  • Vernietiging van 3 landen
  • Bloedmanen als waarschuwend teken
  • 5 tekenen dat je een Uitverkorene bent
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • OLVrouw van Smarten
  • Adviezen om de duivel te bevechten
  • Het sociaal kredietsysteem
  • NEEM GEEN VACCINS!!! GEEN ENKELE!!!
  • BID TEGEN ABORTUS!!!
  • De betekenis van Pinksteren - 2
  • De betekenis van Pinksteren - 1
  • Goede raad: wees niet afhankelijk van de staat
  • De plannen van de wereldelites
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • Bijhorende afbeelding bij de boodschap van Lorena
  • Nog eens nieuws van de Antichrist/Maitreya
  • Boodschap aan Pedro Regis 11/4
  • Luz de Maria 12/4
  • Boodschap aan Lorena 8/4
  • Chaga
  • Dit is de waarheid
  • Boodschap aan Anna Shelley 14/4
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 9
  • Janet Klasson - 9/2 Licht van de wereld in de Goddelijke Wil
  • Geheim van gedrevenheid
  • Kom, H. Geest, kom!
  • 3 middelen die Satan gebruikt om je ziek te maken
  • Gezegend zij
  • Gods Barmhartigheid is grenzeloos
  • Boodschap aan Anna Shelley 13/4
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 7 en 8
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • De Emmaüsgangers
  • Mummie
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 6
  • Op weg naar de microchip
  • Nog steeds kunnen we het tij keren - Niburu
  • Boodschap aan John Mariani
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 5
  • Boodschappen aan Jennifer
  • 28/3 Plaats dit in je huis en land (The Unsealed Message)
  • Maria Simma openbaart 7 geheimen
  • Het Gezicht van Jezus
  • Opruimen van de wereldbevolking was altijd het doel - Niburu
  • 11 april
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 4
  • Boodschappen aan John Leary - rest van maart
  • Boodschap aan Mary of Divine Mercy
  • Grote schudding 8/4
  • Luz de Maria: Paaszondag 9/4
  • Afbraak van immuunsysteem door vaccins
  • Luz de Maria: Stille Zaterdag 8/4
  • Luz de Maria: Goede Vrijdag 7/4
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 2 en 3
  • Boodschap aan Anna Shelley 6/4
  • Zalig Pasen!!!
  • Boodschap aan Anna Shelley 8/4 DRINGEND!!!
  • Gebed op vrijdag voor de Arme Zielen
  • Boodschap aan Eduardo Ferreira 24/3
  • Droom van J. Frances 3/4
  • Boodschap aan Manuela te Sievernich (25/3)
  • Het echte gevaar van het einde van de dollar
  • Schildklier en jodium
  • Boodschap aan Manuela te Sievernich (21/3)
  • Boodschappen aan Valentina Papagna
  • Noveen van de Goddelijke Barmhartigheid - 1
  • Boodschap aan Marco Ferrari 26/3
  • Boodschap aan Gisella Cardia 3/4
  • De Kruisweg
  • 15 doodzonden in het Katholieke Geloof
  • Luz de Maria: Witte Donderdag 6/4
  • Het bankroet van Europa
  • Boodschap aan Anna Marie - Houston 11/2
  • Plaats terug brood op je huisaltaar
  • Boodschappen aan Pedro Regis
  • Palmzondag-rede van Vigano
  • Luz de Maria: Heilige Woensdag 5/4
  • Boodschap aan Luisa Piccarreta
  • Het Communisme zal opgelegd worden door de elite
  • Boodschap aan Ned Dougherty 26/3
  • Boodschap aan Anna Shelley (3/4)
  • Het verraad van Judas Iscariot (2)
  • Het verraad van Judas Iscariot (1)
  • Luz de Maria: Heilige Dinsdag 4/4
  • Luz de Maria: Palmzondag 2/4
  • Luz de Maria: Heilige Maandag 3/4
  • Interview met Luz Maria de Bonilla
  • Grafeenoxide in vaccins
  • Boodschap aan Lorena 14/3
    Zoeken in blog

    ALLES GAAT VOORBIJ, BEHALVE GOD !
    agenda

    Belangrijke data in mijn agenda

    Mijn favorieten
  • Mijn bibliotheek
  • Nieuwe blogsite
  • Archief per maand
  • 05-2023
  • 04-2023
  • 03-2023
  • 02-2023
  • 01-2023
  • 12-2022
  • 11-2022
  • 10-2022
  • 09-2022
  • 08-2022
  • 07-2022
  • 06-2022
  • 05-2022
  • 04-2022
  • 03-2022
  • 02-2022
  • 01-2022
  • 12-2021
  • 11-2021
  • 10-2021
  • 09-2021
  • 08-2021
  • 07-2021
  • 06-2021
  • 05-2021
  • 04-2021
  • 03-2021
  • 02-2021
  • 01-2021
  • 12-2020
  • 11-2020
  • 10-2020
  • 09-2020
  • 08-2020
  • 07-2020
  • 06-2020
  • 05-2020
  • 04-2020
  • 03-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 12-2019
  • 11-2019
  • 10-2019
  • 09-2019
  • 08-2019
  • 07-2019
  • 06-2019
  • 05-2019
  • 04-2019
  • 03-2019
  • 02-2019
  • 01-2019
  • 12-2018
  • 11-2018
  • 10-2018
  • 09-2018
  • 08-2018
  • 07-2018
  • 06-2018
  • 05-2018
  • 04-2018
  • 03-2018
  • 02-2018
  • 01-2018
  • 12-2017
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 08-2017
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 05-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 04-2016
  • 11--0001
    Levend geloof 9

    22-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kinderen van de vernieuwing 26/10/2017

    Kom Heilige Drie-eenheid, Heilige Familie, en de H. Michael als Beschermer van Gods woorden

    26 oktober 2017, Feest van Onze Lieve Vrouw van de overwinning [Senlis, Frankrijk]

    Mijn geliefde zoon, dit is Jezus van Liefde en Barmhartigheid. De tijd is gekomen en nu zullen jullie veel rampen zien gebeuren buiten hetgeen de laatste paar weken is gebeurd. Jullie, volk van Amerika, zijn zeer koppig en jullie hebben stenen harten. Zeer weinig mensen veranderen en bekeren zich en jullie God moet zelfs nog hardere kastijdingen op hen doen komen. 

    Dit zal een zeer harde winter zijn voor jullie land. Jij en je gebedsgroep hebben reeds verschillende maanden gebeden voor goed weer maar de tijd is gekomen dat heel je land zal rampen zien die jullie land tot op de grond zullen doen beven. Bid veel want Gods gerechtigheid komt over jullie en een groot deel van de wereld. Sorry, mijn zoon, maar het moet zo.

    Jullie Jezus van Liefde en Barmhartigheid

    26 oktober: OLV van Senlis (1225)

    De Abt Orsini schreef: “Inzegening van OLVrouw van de Overwinning, bij Senlis, in het jaar 1225, door Guarin, Bisschop van Senlis, en Kanselier van Frankrijk. Deze abdij werd gebouwd door Filip Augustus (Filips II van Frankrijk), als dank voor de overwinning die hij behaalde over Keizer Otto IV te Bouvines, in het jaar 1214.”

    Slag bij Bouvines, koning Filips II plaatst zijn kroon op het altaar

    Slag bij Bouvines (wikipedia): De Slag bij Bouvines werd op 27 juli 1214 geleverd ten oosten van de rivier de Marke, tussen Bouvines en Cysoing in het zuidelijk deel van het graafschap Henegouwen, tussen enerzijds koning Filips II van Frankrijk en anderzijds Ferrand van Portugal, de graaf van Vlaanderen, geallieerd met koning Jan I van Engeland (Jan zonder Land), keizer Otto IV van het Heilig Roomse Rijk, Hendrik I, hertog van Brabant en hun bondgenoten. De Vlaamse alliantie werd, hoewel numeriek in de meerderheid, verpletterend verslagen.

    Voorbeschouwing : Ferrand van Portugal, echtgenoot van Johanna van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen, wilde Ariën en Sint-Omaars, die hij pas aan de Franse koning had verloren in 1212, terugwinnen. Hij brak daarom met zijn Franse leenheer en ging een coalitie aan met de Duitse keizer Otto IV. Hij verplichtte ook hertog Hendrik I van Brabant mee in de coalitie te stappen. Jan zonder Land, die zich eveneens aansloot, zou landen in het zuiden van Frankrijk in een poging om Aquitanië en Anjou te veroveren en dan naar Parijs op te marcheren. Otto zou vanuit het noorden oprukken. Filips II versloeg de Engelsen echter in 1214 waardoor hij grotere bewegingsvrijheid kreeg.

    OLVrouw van Overwinning te Senlis: De Franse Koning Filips ging naar de Mis met zijn troepen net voor de strijd. Zijn leger was kleiner dan deze van de geallieerden. De Koning deed zijn kroon af en plaatste ze op het altaar, en hij zei: “Als iemand hier denkt dat hij deze kroon waardiger kan dragen dan ik, laat hem dan naar voor treden en de kroon nemen.”

    De slag : De Franse koning verzamelde 2400 ridders en 5000 man infanterie. Otto kon beschikken over evenveel ridders en 7500 man infanterie. Filips August, die als eerste op het slagveld aankwam, had alle tijd om zijn leger op te stellen in een 3 km lang front van noord naar zuid, dwars over de Romeinse Weg tussen Doornik en Bouvines. De rechtervleugel van de Fransen, opgesteld tegenover de troepen van Ferrand, viel aan terwijl het centrum en de linkervleugel de reactie van de vijand afwachtten. Na drie uur strijd werd Ferrands leger uiteengeslagen. Daarna viel Otto aan in het centrum, en Vlamingen in zijn strijdmacht slaagden erin de Franse koning uit het zadel te lichten, maar ze wisten hem niet gevangen te nemen. Het was door de interventie van de H. Maagd Maria dat zijn leven gespaard bleef.

    De keizer vluchtte toen de Fransen zijn aanval tot staan brachten. De rechtervleugel van de coalitietroepen, onder leiding van Reinout van Dammartin, graaf van Boulogne, hield stand maar geraakte geïsoleerd door de ineenstorting van het centrum. Ferrand, en met hem Reinout van Dammartin, William Longespee (halfbroer van Jan zonder Land), alsook Arnulf IV van Oudenaarde, de aanvoerder van de Vlamingen, werden gevangengenomen.

    Nabeschouwing :

    • In 1220 werd Otto IV opgevolgd door keizer Frederik II.
    • William Longespee, graaf van Salisbury, werd al snel omgewisseld voor een Frans edelman in Engelse gevangenschap.
    • Ferrand werd, naar oud Romeins gebruik, vastgeketend aan handen en voeten in een open draagstoel door Parijs gevoerd. Het gepeupel van Parijs kom hem ongestoord bespuwen en uitjouwen. De Franse koning reed te paard voorop. Ferrand bleef tot januari 1227, twaalf jaar later en zes jaar voor zijn dood, in Frankrijk opgesloten. Hij kwam, als een gebroken man, vrij door het sluiten van de Vrede van Melun.
    • Reinoud van Dammartin pleegde zelfmoord in een Franse kerker.
    • Frankrijk werd voor het eerst machtiger dan Vlaanderen dat meer en meer betrokken geraakte bij de Frans-Engelse tegenstellingen en afhankelijker werd van de Franse kroon. Vlaanderen kwam na de nederlaag onder bestuur van de jonge gravin Johanna van Constantinopel. Zij moest een verdrag tekenen dat bepaalde dat de muren en vestingen van de voornaamste Vlaamse steden zouden worden gesloopt. De gravin regeerde voorlopig onder toezicht van het hoofd van de Franse partij, Jan van Nesles. Op 11 april 1226 werd de ongunstige Vrede van Melun getekend tussen Frankrijk en Vlaanderen. De Vlaamse adel en steden moesten leenhulde brengen aan de Franse koning, in ruil waarvoor de graaf-gemaal Ferrand van Portugal na twaalf jaar krijgsgevangenschap vrijkwam.
    • Koning Jan I van Engeland (Jan zonder Land), die zijn bezittingen in Normandië, Maine, Anjou de la Touraine en Bretagne kwijt was sedert 1206, beëindigde de vijandelijkheden tegen Frankrijk en keerde terug naar Engeland. Om zijn kroon te redden werd hij verplicht om in 1215 de Magna Carta ten voordele van de barons te ondertekenen.
    • Het lot van Arnulf IV van Oudenaarde is onbekend.

    Als dank voor zijn overwinning stichtte Koning Filips II de abdij van Overwinning bij Senlis om de Moeder van God te danken voor zijn overwinning.

    22-11-2017 om 00:00 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De grote duisternis omringt de aarde - Hille Kok 13/11/2017

    De grote duisternis omringt de aarde – Hille Kok – 13/11/2017

    Mijn volk,

    Zij die de Weg van het Licht verlaten zullen in de duisternis geraken en het Licht van God verlaten. Luister wat Ik, de Vader, U zeg. Bekeer U, de tijd is NU. Het kwaad is om U heen. Wees op Uw hoede, wees waakzaam. Mijn kleine Restkerk, blijf dicht bij elkaar. De Moeder Gods en de Vader zullen over U waken. De valse profeet is huichelachtig en slim. Zijn woorden zijn niet de Mijne. De Duivel regeert over de wereld.

    O Gij Mens, velen luisteren nog steeds naar die valse paus. Hij zal Gods woorden en gebeden doen veranderen. Systematisch zal het kwaad het Heilig Misoffer veranderen en niet meer geldig meer zijn. Dit is zijn kwaadaardig plan, Gods Sacramenten te vernietigen. Let op, dat de priesters nog wel de geconsecreerde woorden uitspreken. Zoniet dan ben Ik niet meer aanwezig!!! Dan is de Hostie ongeldig.

    Gij, Mijn priesters, spreken over Mijn gebed in valse veranderde woorden. Dat het Mijn woorden zijn? Neen, het zijn mensenwoorden geworden. Hoe durft gij Mijn woorden te veranderen. Gij bedriegt Mij – Jezus – en de gelovigen die Uw volgelingen zijn in de valse waarheid. Gods gramschap zal U treffen.

    Mijn volk, ziet gij dan niet wat er gebeurt? Blinde gelovigen zijt gij geworden. Open Uw ogen!! Het Rooms Katholieke geloof is de Weg, de Waarheid en het Leven. Gij mocht Gods woorden nooit veranderen. Zij die niet geloven zijn al veroordeeld. Zij behoren God niet toe, hoe triest!!! De wereld is in grote duisternis. De valse profeet zal alles belachelijk maken wat heilig is om God te kwetsen.

    Hij is boosaardig, het kwaad zelf die zich zal openbaren door hoogmoed en valsheid. Hij is de duivel zelf in eigen persoon tussen de mensen. Velen aanbidden hem. Hun vreugde zullen tranen worden als hij zichtbaar wordt als het kwaad door het vernietigen van het Rooms Katholieke Geloof. Hun verdriet en verwarring zullen groot zijn door het bedrog dat hen is overkomen.

    Velen luisteren niet naar God de Vader. De Vader waarschuwt de priesters en de gelovigen dat de Satan alles zal vernietigen. Bescherm de Heilige Sacramenten en de Tien Geboden die de Waarheid bevatten. Weinig gelovigen zullen nog overblijven die de Vader in de Waarheid blijven volgen. Weinig goede zuivere priesters zullen er nog zijn die het Heilig Sacrament van de Biecht nog waardig uit mogen voeren.

    Alleen een gezalfde priester van God kan van uit zijn naam Uw zonden vergeven. Geen ander heeft die macht en kracht ontvangen. Laat U niet misleiden door bedriegers die de Sacramenten misbruiken. Gij wordt misleid en laat U vertellen dat de Hel niet bestaat. Luister niet naar hen. De Hel bestaat echt. Vele zielen zullen daardoor verloren gaan.

    Wat een vreselijke misleiding. Het is een duivels plan van de zielenrover van God. Gij zult dan van het eeuwig leven beroofd zijn. Bidt tot God voor kracht en liefde om te strijden tegen het kwaad. Roep God om hulp. Draag Zijn goddelijk geschenk, het heilig blauwwitte Liefdeskruisje, dat Uw bescherming zal zijn!!! Draag het om Uw hals. Het goddelijk Licht zal U omringen.

    Het kwaad zal van U wijken. De wereld is overweldigd door seksueel geweld. De Satan verwijst U naar de afgrond door de valse liefde waardoor Uw ziel verloren gaat. Misbruik van elkaars lichaam, uitbuiting. De tempel van de Heilige Geest wordt geschonden. Misbruik van Zijn schepping. Mannen met mannen, vrouwen met vrouwen. Een gruwel in Gods ogen!!! Gij zondig mens, vermaan U. Losbandig volk, gij pijnigt Uw God.

    Richt Uw blik naar de Hemel. Bidt de Rozenkrans!! Vraag om vergeving!! God is Liefde. Amen.

    20-11-2017 om 13:30 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.H. Jozefmaria Escriva


    Volgens de H. Jozefmaria Escriva kun je op elke positie in de maatschappij heilig worden. Blijf op de plaats waar je bent. Je moet niet alles in de steek laten en in Afrika gaan prediken, je moet niet alle bedevaartsoorden van Europa te voet gaan bezoeken, je moet niet aan een kruis hangen om heilig te worden. Allemaal niet nodig. Blijf op de plaats waar bent. Je kunt daar ook heilig worden. Het is de bedoeling dat je de mensen rond je vanop die positie in vuur en vlam zet met liefde tot God en de naaste. Doe dit gewoon in je gezin, op je werk, in je vrije tijd. Wees jezelf, maar met een voortdurende blik op God gericht. Doe zoals een Christen doet, woon de sacramenten bij, bid, lees de Bijbel. Neem het leven zoals het komt, draag alle zorgen en tegenslagen als een kruis op de rug en zet je kleine kruis bij dat van de Heer. Dank de Heer voor alle kansen, genaden, gelukkige momenten, personen waarop je kan steunen. Onthoud dat het leven op aarde maar een verblijfplaats is op doortocht naar het eeuwige leven bij God in de Hemel.

    20-11-2017 om 12:59 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gevoel van machteloosheid


    Er is geen slechter gevoel dan een gevoel van machteloosheid. En onmacht is de wortel van een reeks gevoelens die eruit kunnen volgen. Gevoelens zoals teleurstelling, verdriet, wanhoop, jaloersheid, boosheid… Als je voelt dat je vastzit in onmacht dan moet je dit gevoel zo vlug mogelijk onderkennen en zorgen dat de andere gevoelens geen kans hebben. Voorbeelden van onmacht zijn:

    Een man verliest zijn vrouw die sterft aan kanker. Deze man zit in een situatie van machteloosheid en daaruit kan een gevoel van verdriet en wanhoop volgen.

    Een collega krijgt de kans op promotie. Degene die deze kans niet gekregen heeft kan zich machteloos voelen en misschien boos worden omdat hij zelf hard gewerkt had om die promotie te verdienen.

    Je wordt getroffen door een chronische ziekte die je in de onmogelijkheid stelt om nog een job te kunnen uitoefenen. Uit het gevoel van onmacht kan wanhoop volgen.

    De buurman heeft een nieuwe wagen gekocht. Maar je hebt zelf geen geld genoeg om een nieuwe wagen te kopen. Uit het gevoel van onmacht kan jaloersheid volgen.

    Onmacht is op zichzelf niet verkeerd maar het mag geen gevoel van onmacht blijven. God houdt zich aan het beste plan dat voor jouw bestemd is. Je moet terug het vertrouwen in God stellen, dat Hij het beste met je voor heeft. Het is een test om te zien of je door onmacht je van God gaat afkeren, of dat je dichter tot Hem gaat naderen. Je mag niet denken dat het uitzichtloos is, want God schept altijd nieuwe kansen. En zelfs als de situatie een einde van het leven betekent is dit enkel dit leven dat eindigt, maar het biedt de kans om eeuwig bij God te leven.

    Mijn moeder had darmkanker dat was uitgezaaid en bij het nieuws heeft ze zich kranig gehouden. Ze heeft het leven tot haar einde van dag tot dag geleefd, haar vriend en ons gezegd dat ze van ons hield. Niet geklaagd, maar met de palliatieve zorg gepraat en een priester. Ze heeft met een positieve kijk in haar einde berust. Ze heeft in haar onmacht geen kans gegeven aan wanhoop, verdriet of boosheid.

    Heer, ik kom tot U. Hier ben ik met al mijn zonden en gebreken, met mijn klein geloof en met mijn gebrekkige liefde. Ik stel mijn vertrouwen op U Heer. Ik verlang naar Uw Liefde, en vernieuwde gedachten. Maak mij bereid Heer en verlos mij van mijn onmacht.

    20-11-2017 om 11:38 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Heiligheid - deel 8

    4 Naastenliefde

    Naastenliefde is een Latijns woord dat christelijke liefde, naastenliefde en het betonen daarvan, liefdadigheid betekent.  In het Grieks wordt dit agapè genoemd en wordt vertaald in "gevende liefde".  Agapè of naastenliefde is de laatste in de rij van de liefdebegrippen: genegenheid, vriendschap, eros en agapè.  Ze zit in de lijn van de voorgaande, maar is er toch wezenlijk van onderscheiden.  We zouden kunnen zeggen dat ze uitgezuiverd wordt, tot haar essentie en wezen wordt teruggebracht.  Er is niets meer boven de naastenliefde of de agapè.

    Het gaat over de liefde

    Het uitgangspunt is het liefdesgebod van Jezus: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mt. 22, 37-40). Doe dit, en ge zult ten volle leven! Naastenliefde bij Jezus is terug te brengen in het liefdesgebod. Dus alles wat Jezus zegt en doet met betrekking tot de naastenliefde moeten we lezen in het licht van Mt. 22, 37-40. Het wordt door Jezus zelf geconcretiseerd in de werken van barmhartigheid (Mt. 15,30-31). Ook bij de zending van de apostelen horen we Jezus zeggen: “Genees zieken, wek doden op, reinig melaatsen en drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven” (Mt. 10, 8)

    Wat wordt eigenlijk in dit liefdesgebod gezegd?

    1. Dat we God boven alles moeten liefhebben, maar dat de Godsliefde toch gelijkwaardig is aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf. Het onderscheid zit niet in de wijze van liefhebben, wel in het subject dat we moeten liefhebben. De liefde van en tot God komt op de eerste plaats omdat de liefde van God tot de mens het eerst is. “God heeft ons het eerst liefgehad” (1 Joh. 4, 10).

    2. De Godsliefde, de naastenliefde en de liefde tot zichzelf worden op dezelfde lijn geschreven, waardoor een quasi-gelijkwaardigheid ontstaat. De naastenliefde zit dus vervat tussen de Godsliefde en de liefde tot zichzelf.

    3. Johannes zegt dat de liefde tot God ook liefde tot de naaste tot gevolg heeft, zoniet is de liefde tot God geveinsd. “Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben we dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 20-21).

    Is de naaste de ondergeschikte van God, toch wordt deze in dit gebod de unieke plaatsvervanger van God. De naaste kunnen we zien en God niet, dus kan onze liefde tot God slechts zichtbaar en tastbaar worden doorheen onze liefde tot de naaste.

    De naaste beminnen is niet hetzelfde als God beminnen, maar wie zijn naaste bemint, gehoorzaamt reeds aan het eerste gebod. Jezus zegt in Mt. 25:40: “Al wat je aan één van deze geringsten hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan”.

    Wat is er zo bijzonder aan dit liefdesgebod?

    1. Dat het een gebod is: Als we de menselijke liefde nemen, dan is deze niet te vatten door een gebod. Liefde is een emotie, dat spontaan ontstaat en dat niet kan worden opgelegd. Door de liefde hier te vatten in een gebod, wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat het hier fundamenteel over iets anders gaat dan een emotie. We zitten met het Goddelijk liefdesgebod dan op een ander niveau dan deze uit “spontane emotie” gegroeid “graag zien”.

    2. Dit totaal anders zijn dan de emotionele liefde wordt nog versterkt door wat verder vermeld wordt als “Bemin uw vijanden”. Emotioneel kunnen we dat niet!   Maar we horen Christus in alle duidelijkheid de vraag stellen: “Wat voor buitengewoons doe je dan als je alleen maar liefhebt die jou liefhebben (= wederkerige, emotionele liefde).  Doen de heidenen dat ook niet?” (Mt. 5, 46). Het typisch christelijke van de naastenliefde wordt juist bepaald door haar grenzeloosheid: iedereen, overal, in alle omstandigheden (altijd) liefhebben.

    Bemin ook in omstandigheden waar geen enkele aanleiding is om te beminnen!   Hierbij kunnen we verwijzen naar de parabel van de barmhartige Samaritaan. De naastenliefde die hier via een daad van barmhartigheid wordt voorgesteld, gaat verder dan de vriendschap (wederkerigheid), de verwantschap, de emotionele liefde, gaat de redelijkheid voorbij. De christelijke naastenliefde kenmerkt zich juist door haar totale onbaatzuchtigheid en het totaal ontbreken van wederkerigheid.

    Onbaatzuchtig: gewoon omdat de andere er is, zelfs als er geen nood is en zelfs als geen hulp meer kan baten (de zogenaamde doden begraven is daar een voorbeeld van). Ontbreken van wederkerigheid: ik verwacht letterlijk niets terug, zelfs geen dank.

    3. Het is ook een gebod dat niets verbiedt. We kunnen alleen niet ver genoeg gaan. We kunnen dus nooit zeggen: we hebben genoeg liefgehad. Dit geeft natuurlijk een gevoel van onverzadigbaarheid. De maat van de liefde is inderdaad liefde zonder maat.

    Hoe kunnen we met het liefdesgebod omgaan?

    a. We kennen de vraag van de apostelen: Wie kan er dan nog gered worden? Het is steeds een liefde zonder maat en dat kunnen we niet wegwerken, maar het hoeft daarom geen frustratie te worden. Het antwoord zit in het liefdesgebod zelf: Bemin God bovenal, laat u beschijnen door Gods liefde en bid om Gods liefde en Gods liefde zal u liefdebekwaam maken. Wij hebben lief, we kunnen liefhebben omdat Hij ons het eerst “heeft liefgehad” (1 Joh. 4, 19).

    b. “Bemin je naaste als jezelf” bevat ook geen enkele richtingwijzer naar de te volgen weg. En het “bemin je vijand” geeft een mateloosheid aan. Christus zelf heeft dit begrepen door zelf de naastenliefde te vertalen, te kaderen in de werken van barmhartigheid. (zie Mt. 25) En ook de christelijke traditie heeft dat begrepen en is aan die moeilijkheid tegemoetgekomen door een de werken van barmhartigheid op te stellen. Daardoor wordt het gebod niet minder radicaal, maar het wordt handelbaar. We moeten er onmiddellijk aan toevoegen dat het verrichten van de werken van barmhartigheid op zich nog geen naastenliefde is.

    Nemen we het voorbeeld van het voedsel geven aan de hongerigen. Je kunt dit doen uit medelijden, emotioneel voel je je betrokken op de andere.  Dat is barmhartigheid tonen.  Barmhartigheid wordt naastenliefde wanneer je die andere voedsel blijft geven, ondanks het feit dat die andere niet positief reageert op je barmhartigheid.  De naastenliefde wordt geboren als de daad stopt een spontane reactie van helpen te zijn.

    We kennen de 7 lichamelijke en 7 geestelijke werken van barmhartigheid:

    hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken bezoeken, gevangenen verlossen en doden begraven

    De 7 geestelijke werken van barmhartigheid: onwetenden onderrichten, twijfelaars raad geven, bedroefden troosten, zondaren vermanen, lastigen verdragen, beledigingen vergeven en voor allen (levenden en doden) bidden

    Het laatste werk geeft ons de mogelijkheid onze eigen beperking aan te vullen, te vervolledigen met het bidden. Als alles gedaan is voor het welzijn van de naaste, kunnen we nog altijd iets doen: voor hen bidden, zelfs voor de doden.

    We kunnen ons ook nog afvragen hoe we die naastenliefde, met dat steeds maar geven, kunnen uithouden? 

    Zij die nooit emotioneel liefde hebben ontvangen, zullen het wellicht moeilijk hebben om de naaste lief te hebben met een liefde die het emotionele overstijgt. Christus had twee soorten vrienden: ‘enerzijds de armen, zieken, behoeftigen en zondaars aan wie Hij bewust het beste van zijn tijd besteedde’, anderzijds ‘hartsvrienden’, de mensen bij wie Hij graag vertoefde en bij wie Hij zich ging herbronnen. Het is onmogelijk om zich met hart en ziel te blijven inzetten voor de hulpbehoevenden, indien men tezelfdertijd niet kan bogen op een vriendschap die beantwoordt aan een spontaan verlangen en die geen enkele wilskrachtige inspanning vergt.  Zonder de ruggengraat van de onverplichte vriendschap blijft de volgehouden naastenliefde onleefbaar.

    Hoe als individu het ideaal van de naastenliefde beoefenen?

    De naastenliefde vraagt steeds meer en steeds verder. Maar dit moeten we koppelen aan een bescheidenheid die ons behoedt voor fanatisme. Jezus reageert op het kwaad dat mensen overkomt of aangedaan wordt nooit met een “totalitaire strijd” waarmee Hij het probleem van het kwaad definitief wil oplossen.  Zijn goed doen, waarmee Hij opkomt tegen allerlei vormen van lijden en aangedaan kwaad, blijft heel bescheiden, beperkt en partieel, volstrekt voorlopig. Hij gaat al weldoende rond, geneest hier en daar een zieke. Hij heeft geen “totaal-plan” om het kwade te breken en het goede definitief te vestigen. Hij had dit kunnen doen, dit lag in zijn macht, maar Hij heeft het niet gedaan.  Zijn optreden had niets weg van een obsessionele gedrevenheid.  Hij ging alleen maar in op hetgeen aan Hem voorbij kwam, en in deze situaties gaf Hij een radicaal antwoord.

    Dat was de methode van Jezus: op de plaats waar men staat en komt en bij de mensen met wie men in contact komt het goede doen en verkondigen, radicaal voor zichzelf, maar zonder dwang naar de andere toe. Ruimte geven aan Gods genade betekent juist dat men de weg opent voor het goede doorheen de liefde. Het fanatisme ontstaat wanneer we het goede dwangmatig willen opleggen aan de andere, het goede dat wij denken goed te zijn. Onze strijd tegen het kwade en voor het goede mag geen strijd worden tegen de mens die het kwade bedrijft.  De blijvende liefde voor deze medemens zal juist ruimte scheppen opdat Gods genade het kwade kan omvormen tot het goede. Alleen met de liefde kan het kwade worden overwonnen.

    God beminnen, onze naaste beminnen doen we niet omdat het ons tot nut kan zijn, maar gewoon omdat God en de naaste er zijn. Dat is en dat mag onze enige motivatie zijn. Als we tenslotte opnieuw de vraag stellen hoe we als individu erin slagen om de naastenliefde te blijven beoefenen, dan is één zaak nog het meest essentieel, nl. ons gericht zijn op God. We kunnen de naaste maar echt liefhebben als we ons laten beschijnen door de liefde van God. Regelmatige herbronning is dan ook levensnoodzakelijk. Zonder regelmatig gebed, bezinning en geestelijke lectuur is het gevaar groot dat de invulling nog enkel gericht is op resultaat, op wederkerigheid en op nuttigheid.

    Omgaan met verschil

    Bij het Laatste Avondmaal zegt Jezus tot zijn leerlingen: ‘Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen opmaken dat gij mijn leerlingen zijn: als gij de liefde onder elkaar bewaart’ (Joh 13, 34-35).
    Jezus zegt hier niet: ‘Voel u goed bij elkaar’, maar ‘bewaar de liefde onder elkaar’. Hij nodigt ons uit om goed om te gaan met de verschillen die er zijn tussen mensen en ons met die verschillen juist verbonden te voelen door die diepere grond die ons draagt. Want allen hebben wij dezelfde Vader, die elk van ons bemint. Jezus nodigt ons uit om met die waarheid, met die blik van God naar mensen te kijken, misschien in de eerste plaats naar diegene die we spontaan voorbij zouden lopen.

    God heeft aandacht voor elke mens en nodigt ook jou en mij daartoe uit. Wie zich door God bemind weet, weet dat God dat niet doet uit nieuwsgierigheid, uit een drang naar kritiek of om op zoek te gaan naar zelfbevestiging. Ook wij zouden zo’n aandacht voor mensen moeten proberen opbrengen: echt luisteren, met eerbied en respect, zonder vooroordelen of kritiek, zonder verwachtingen van de ander aan jezelf, hen als mens ernstig nemen. Wellicht weet je uit eigen ervaring wat een mens met die houding voor een andere mens kan betekenen! Uit: www.holyhome.nl

    Het is onmogelijk om de Heer onze God lief te hebben zonder tegelijk onze naaste lief te hebben. De H. Jeroom vertelt ons dat wanneer de leerlingen van de H. Johannes hem vragen waarom hij zo dikwijls spreekt over broederlijke liefde, hij antwoordde: “Omdat het het gebod van de Heer is, en de vervulling van dit alleen is voldoende voor eeuwige redding.” We moeten onze naaste liefhebben, omdat hij geliefd is door God. Onze Heer beloofde: “Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” (Matt 25:40). Daaruit besluit de H. Catharina van Genua: “Als je wilt weten hoeveel een persoon zijn God liefheeft, zie hoeveel hij van zijn naaste houdt.”

    Christelijke naastenliefde is een van de belangrijkste vruchten van de Verlossing. De H. Lucas zegt over de eerste Christenen: “De menigte gelovigen had 1 hart en 1 ziel.” (Handelingen 4:32) Broederlijke liefde zorgt voor wederzijdse verdraagzaamheid tussen verschillende naties en zou in praktijk moeten omgezet worden. Dit is waarvoor onze Verlosser bad tot Zijn hemelse Vader op de avond van Zijn Heilig Lijden: “Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij.” (Johannes 17:11)

    Vooroordelen

    Als je naastenliefde wilt beoefenen moet je in de eerste plaats vooroordelen en wantrouwen in je naaste verdrijven. Hij die oordeelt zal zichzelf veroordelen. Jezus zegt: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken. Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog! Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder.” (Matt 7:1-2)

    Bovendien moet je niet letten op wat anderen over je zeggen. Doe het goede en laat de anderen maar praten. Hoe graag heeft God die het goede over iedereen spreekt! “Als gedurende zijn leven, een mens nooit kwaad sprak over zijn naaste, zou ik hem aanzien aan een heilige,” zeg de H. Maria Magdalena de Pazzi. Zie erop toe er geen gewoonte van te maken onvriendelijk over anderen te praten, en vooral over superieuren. Het is een veel voorkomende fout dat sommige mensen over hun naaste praten en beginnen met lof en eindigen met afkeuring. Bijvoorbeeld: “Deze is zeer bekwaam, maar is het niet erg dat hij zo hoogmoedig is?”. En als je weet dat je naaste een fout begaan heeft, zwijg er dan over.

    Wanneer je te kwaad bent is het beter om niets te zeggen, want anders zal je spijt hebben over hetgeen je hebt gezegd. En wanneer iemand die je heeft beledigd om vergeving vraagt, wees dan vrijmoedig genoeg om hem vergeving te geven. Als je een ander hebt beledigd, wees dan vlug om de schade die je hebt aangericht te herstellen. En dat doe je het best door nederig te zijn. Jezus zegt: “Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden.” (Matt 5:23-24)

    Het geven van aalmoezen

    Een zeer belangrijke taak van naastenliefde bestaat in het geven van aalmoezen wanneer hij arm en behoeftig is en jezelf in de positie bevindt om er te geven. “Geeft wat overblijft als aalmoes; dan is voor u alles rein.” (Lucas 11:41) Als je niets anders kunt doen, beveel hem dan aan bij God, want gebed is ook een aalmoes.

    Heb je vijanden lief 

    Boven alles zou ik je aanbevelen om naastenliefde te betonen aan je vijanden. “Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.” (Matt 5:44-48)

    Hoe triestig is het om Christenen te zien die naar de Kerk gaan en zelf naar de Heilige Communie en toch vijandschap in hun hart hebben! Als je weerwraak wilt plegen moet je het volgende doen. De H. Paulinus zegt dat je vijand liefhebben een hemelse weerwraak is. Misschien zal iemand zeggen: ik heb zo geen sterkte en genade. Maar de H. Ambrosius antwoordt: “Als er kracht nodig is, bid tot God en Hij zal het je geven.” Als we anderen vergeven, zijn we zeker dat we onszelf vergeven: “spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden.” (Lucas 6:37). Als je niets kunt doen, bid dan voor degenen die je beledigt hebben of je verwondt hebben. De liefde die gericht is op het geestelijke welzijn van je naaste is ongetwijfeld het beste. “In Gods ogen is een ziel meer waard dan de hele wereld. Zou er dan niets meer subliem kunnen zijn dan te werken samen met Jezus Christus voor de redding van de zielen?,” zegt de H. Bernardus.

    De zielen die we helpen redden zullen smeken in onze naam voor de troon van God. En God zal hun smeking beantwoorden: “Laat hen uitrusten van hun moeiten, want hun daden vergezellen hen.” (Openb 14:13) De H. Gregorius zegt dat we vele kronen zullen verdienen als we zielen winnen voor God. “Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.” (Matt 5:16) Onze Heer zei op een dag aan de H. Maria Magdalena de Pazzi: “Zie hoevele Christenen er in de handen van de duivel zitten; als Mijn uitverkorenen hen niet bevrijden door gebed, zijn deze ongelukkigen eeuwig verloren.” Als je een kans hebt om de stervenden bij te staan, onthoud dan dat je een daad van naastenliefde stelt die zeer aangenaam is voor God. De H. Filip Neri zag dikwijls de engelen woorden van troost op de tongen leggen van degenen die de stervenden bijstonden. Zie dat de priester op tijd wordt opgeroepen om de laatste Sacramenten toe te dienen terwijl de patiënt nog bij bewustzijn is. Uit: 12 steps to holiness and salvation – Rev. Warren

    Opdracht van mijn apostolaat aan Maria (overgave van de eigen wil aan God)

    Lieve Moeder Maria,
    Onbevlekte Koningin van het Paradijs, in Uw ziel, geest, Hart en lichaam werd het zuiverste Licht van God de Vader gestort.
    Allerheiligste Maagd en Moeder van de Messias, door U is het Licht van Christus in de wereld gekomen.
    Onoverwinnelijke Schrik der duivelen, op Uw Voorspraak komt weldra het Licht van de Heilige Geest onze wereld van duisternis herscheppen, opdat Gods Rijk kome.
    Bekroning van Gods Schepping, vanop het Kruis heeft Jezus mij aan U gegeven als Uw kind. Vandaag werp ik mij voor Uw voeten neer om mijzelf uit vrije wil aan U te geven als Uw dienares voor de verwezenlijking van Gods Plan van Heil in een nieuwe wereld van Liefde en Vrede.
    Ik erken U als mijn Hemelse Meesteres, en smeek U, mij te aanvaarden als Uw eigendom, mij te beschermen en te leiden, opdat ik van heden af dienstbaar moge zijn als Uw instrument in de strijd voor de spoedige vestiging van het Rijk van Christus op aarde.
    O Maria, vlekkeloze Parel van Hemel en aarde, U is de macht gegeven om de kop van de duivelse slang te verpletteren en de Wederkomst van Christus, het Licht der wereld, over ons af te roepen.
    O heilige Dageraad van het nieuw Rijk van het Licht, opdat U onbeperkt over mij zou kunnen beschikken, bied ik U mijn geloften van een totale gave van mijzelf aan Uw Onbevlekt Hart, waaraan God de leiding heeft toevertrouwd van de strijd tegen alle krachten die Zijn Schepping vernietigen, zielen in het verderf storten, de mensheid gevangen houden in wereldse belangen en haar wegleiden van de Weg, de Waarheid en het Eeuwig Leven.
    Ik schenk U mijn gelofte van een volkomen overgave aan Gods Wil in een betrachting van alle christelijke deugden en een leven in overeenstemming met de Geboden en het Evangelie.
    Ik schenk U mijn gelofte van een onvoorwaardelijke Liefde tot de Heilige Drievuldigheid en Uw Smartvol en Onbevlekt Hart.
    Ik schenk U mijn gelofte van zuiverheid naar geest, hart en lichaam, opdat ik een waardige tempel van de Heilige Geest en Uzelf moge zijn.
    Ik schenk U mijn gelofte van eeuwige trouw aan Uw leiding op de Weg van Christus.
    Ik schenk U mijn gelofte van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Uw ingevingen, en volgzaamheid tegenover de paus die zich met U verenigt.
    Ik schenk U mijn gelofte van gebed tot zuivering van de wereld en redding van zielen.
    Ik schenk U mijn gelofte van een leven in navolging van Uw heilige deugden en overgave aan Gods belangen boven alle wereldse genoegens.
    Ik schenk U mijn gelofte van bereidheid tot offers naar lichaam en geest voor het afsmeken van genaden voor dwalende zielen en tot eerherstel voor heiligschennissen en beledigingen jegens alle Hemelse machten.
    Ik schenk U mijn gelofte van totaal vertrouwen in Uw leiding over mijn ziel, geest, hart en lichaam, en van geloof in de macht die U daartoe door God is gegeven.
    O Koningin van de Apostelen, U bent aan mij gegeven, ik wil van U zijn. Geef mij de kracht, deze heilige geloften volkomen na te leven, opdat God en Uzelf in mij verheerlijkt worden.

    18-11-2017 om 23:02 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Heiligheid - deel 7

    3 Liefde tot God

    Je bent niet de eerste die het denkt: bij het dienen van God móet er zoveel. Je moet naar de Mis gaan, je moet in de Bijbel lezen, je moet op je woorden letten, je mag niet…

    De Farizeeën willen het wel eens weten. Ze gaan naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester! Wat is nu het grote gebod in de wet?’ Jezus herhaalt dan de woorden van God uit Deut.6:5 ‘Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.’ Het woord ‘beminnen’ staat centraal. Liefde is de kern van het leven met de Heer.

    Als de vonken overspringen tussen een jongen en een meisje, hebben we het over verliefdheid. De liefde tussen twee mensen hier op aarde kun je als voorbeeld nemen als je nadenkt over het dienen van de Heer. Want ook daarin staat de liefde centraal.

    - Aan liefde gaat kennis vooraf. Want hoe kun je iemand liefhebben die je niet kent? Tegelijk is het ook waar dat je in de liefdesrelatie elkaar steeds beter leert kennen. In de Bijbel maakt God Zichzelf bekend, dáar leren we Hem kennen. De Heilige Geest verlicht het verstand en laat ons de deugden van God ontdekken, zoals Zijn heiligheid, wijsheid, geduld en genade.
    - Als je elkaar liefhebt, wil je elkaar zo vaak mogelijk zien en spreken. Als je God liefhebt, zoek je Zijn aanwezigheid. Je wilt Hem zoveel mogelijk ontmoeten; daarom ga je naar de Kerk en de sacramenten, zoek je Hem steeds in Zijn Woord en wil je met Hem spreken in je gebed.
    - Als je verliefd bent, kun je er niet mee leven als je vriend(in) ook nog van een ander houdt. Je wilt hem/haar helemaal. Ook God vraagt van ons om Hem lief te hebben met ons hele hart. Hij wil niet dat wij onze liefde delen tussen Hem en de wereld/zonde.

    Ongelooflijk hoe je leven verandert door de genade van God. Door Zijn liefde wil je Zijn Woord bewaren en doen. Je wilt wandelen zoals Jezus Christus gewandeld heeft, je gaat haten wat tussen jou en God in staat, je vraagt je bij een keuze af wat Jezus gedaan zou hebben. Het ‘Volg Mij!’ krijgt gestalte in je leven.

    Hoe is dat mogelijk? Onze liefde tot God komt niet vanuit onszelf, maar het is een wederliefde van dat wat Christus in ons hart heeft gelegd. 1 Joh.4:19: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.’ Het dienen van de Heer is geen last, maar een lust. Geen moeten, maar een mogen. Dan zing je mee met David in Psalm 119:49 ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn doel om de ganse dag haar ijverig te betrachten!’ Uit: www.hhjo.nl

    De liefde tot God is een goddelijk ingeprente deugd die ons leidt om de Heer Onze God lief te hebben als het soevereine goede, en puur om Zijnentwil. Het motief waardoor we God liefhebben is Zijn onbegrensde perfectie, waardoor Hij verdient geliefd te worden. Degene die God liefheeft omdat Hij verdient geliefd te worden, heeft de ware en echte liefde van vriendschap. Het is geen zelfzuchtige liefde om Hem lief te hebben alleen om de eeuwige beloning in de Hemel. Dat wil niet zeggen dat we niet mogen verlangen naar de Hemel. We moeten verlangen naar de Hemel zodat we God kunnen bezitten en Hem op een meer perfecte manier kunnen liefhebben.

    Alle perfectie bestaat in de liefde tot God, want liefde is de deugd die ons het meest innig verenigd met God. Al de andere deugden zijn nutteloos als ze niet vergezeld zijn van liefde. Hij die God liefheeft boven alles, verafschuwt een belediging tegen Hem meer dan de dood zelf, en streeft ernaar alles te doen om God te behagen. God heeft ons liefgehad met een oneindige liefde, Hij verlangt dan ook dat we Hem oprecht liefhebben, en Hij verlangt ons hele hart te bezitten. En God geeft Zichzelf aan degenen die Hem liefheeft. Bovendien wie is er liefdevoller, mooier, rijker, machtiger, barmhartiger, dankbaarder dan God? Hij is alle liefde waardig. En Hij ziet ons graag. De H. Johannes Chrysotomus zegt dat God ons meer liefheeft dan wij onszelf kunnen liefhebben. Degenen die ons eerst op aarde liefhadden waren onze ouders; maar ze begonnen ons pas lief te hebben wanneer ze ons kenden. God integendeel, had ons lief voor we een bestaan hadden. Zelfs voor onze ouders leefden, had God ons lief. Hij heeft ons liefgehad zolang Hij God is, en dat is in alle eeuwigheid.

    De natuur draagt ons op God lief te hebben

    De H. Augustinus zegt: “De Hemel en de aarde schreeuwen het uit, alles wat ik zie spreekt tot mij en dringt aan om U lief te hebben, mijn Heer; alle schepselen zeggen me dat U ze geschapen hebt uit liefde voor mij.”

    Het lijden van Christus is een bewijs van liefde

    Voor de Incarnatie van het Eeuwig Woord kon de mens nog twijfelen of God hem teder liefhad of niet; maar nu dat Jezus Christus mens is geworden en voor ons stierf, is zo’n twijfel onmogelijk. Hoe kon onze Heer Zijn liefde voor ons beter bewezen hebben dan door zoveel pijn en zoveel minachting te lijden voor ons? En Hij heeft Zijn leven beëindigd in een bittere doodsstrijd op de Calvarie. Omdat zovelen de liefde vergeten die Hij ons betoond heeft, leven ze zonder Hem lief te hebben. Een ziel dat rekening houdt met de liefde die Jezus heeft voor de mensheid wordt gedwongen om op zijn beurt Jezus lief te hebben. De H. Maria Magdalena de Pazzi zei hierover: “O Jezus, U bent gek geworden van liefde. Ik zeg het en blijf het zeggen: liefde heeft U gek gemaakt, mijn Jezus.” Als geloof ons niet verzekerd had van de waarheid van het grote mysterie van onze Verlossing, wie zou het dan voor mogelijk houden dat de Schepper van het universum wilde lijden en sterven voor Zijn schepselen?

    De H. Paulus vertelde dat het prediken van de Gekruisigde Christus aan de Joden een hindernis was, en voor de Heidenen dwaasheid. Hoe kunnen we geloven, zeiden ze, dat een God die van niemand afhankelijk is en die perfect gelukkig is op Zichzelf, naar de aarde zou komen, de menselijke natuur aannemen en sterven voor Zijn ellendige schepselen? De H. Augustinus zegt dat Jezus dit gedaan heeft opdat de mens de onuitsprekelijke liefde die God heeft voor hem zou erkennen. Het is de liefde die God tot zo’n daden heeft aangezet. Wat een geluk voor ons als we gloeien met het vuur dat onze Heer en God verteerde! Hoeveel pijlen van liefde komen voort uit de heilige wonden en doorboren de versteende harten! De H. Thomas zegt dat de liefde die het hart van God verteert het doet lijken alsof in de mens Hij Zijn God zag, en Hij niet gelukkig zou kunnen zijn tenzij de mens ook gelukkig is.

    Maar O God, waar is onze dankbaarheid? We zouden moeten overstromen van liefde wanneer we de dood van Jezus Christus overwegen. Maar wat we hebben nagelaten te doen in het verleden kunnen we tenminste doen in de toekomst, als God ons nog wat tijd geeft. Jezus stierf voor ons, zegt de H. Paulus, opdat Zijn liefde perfect meester zou worden over onze harten. “Daarom stierf Christus en verrees Hij, opdat hij de Heer van zowel de doden als de levenden zou zijn.” (Rom. 14:9). En jij, Christelijke ziel, wat heb jij gedaan voor je Goddelijke Verlosser! Wat bewijs van liefde heb je Hem gegeven? Jezus stierf voor jou, evenals voor een H. Agatha, een H. Agnes, een H. Barbara… Denk aan de bijzondere genaden die Hij je gegeven heeft en die anderen niet gekregen hebben. Je bent in een land geboren waar er geloof is. Je hebt de genade gekregen om geboren te worden in de boezem van Gods Kerk! Denk aan de grote genade die God je betoond heeft, door de vele beledigingen te vergeven die je hebt gepleegd. En als je berouw toont, doet Hij dat opnieuw met dezelfde grote liefde!

    Vooruitgang boeken in Gods liefde

    De H. Teresa zegt dat het een buitengewone genade is voor een ziel om geroepen te worden tot de perfecte liefde van God. Jij behoort tot deze gelukkige zielen. Om je echter volledig over te geven aan de liefde van Je Goddelijke Redder, moet je gebruik maken van de volgende middelen:

    Het eerste middel is een vurig verlangen naar deze perfecte liefde. God geeft enkel Zijn genaden in overvloed aan degenen die hongeren en dorsten naar deze genaden. Maar dit verlangen is absoluut noodzakelijk omdat we anders nooit zouden standhouden in onze inspanningen om de schat van liefde voor God te verkrijgen. Dan worden alle moeilijkheden licht en zoet wanneer onze inspanningen gedragen worden door dit vurig verlangen.

    Het tweede middel om de perfecte liefde van God te verkrijgen is alle liefde opgeven die niet tot God behoort. God verlangt alleen onze harten te bezitten, Hij tolereert geen rivalen omdat Hij de ene ware God is. We moeten uit ons hart alle gehechtheden (aan mensen, aan materiële bezittingen) verdrijven die niet God als doel hebben. Zolang het hart niet vrij is van aardse neigingen, kan de liefde van God geen ingang vinden. De H. Bonaventuur zegt: “God is oneindig liefdevol en het hoogste goed, en Hij verdient onze onverdeelde liefde; Hij heeft gelijk wanneer Hij wenst dat een hart dat Hij geschapen heeft, alleen aan Hem behoort, en sinds Hij Zich als offer gegeven heeft voor ons, heeft Hij nog een groter recht op onze onverdeelde liefde.”

    Het derde middel is zelfverloochening. Om de perfecte liefde van God te verkrijgen is het noodzakelijk om alles te aanvaarden wat tegen de eigenliefde ingaat, en weigeren wat de eigenliefde verlangt. We moeten bijvoorbeeld ons een plezier ontzeggen omdat we het juist willen, voor een ondankbare persoon iets doen omdat hij juist ondankbaar is…

    Het vierde middel om de perfecte liefde van God te verkrijgen bestaat in een veelvuldige overweging van het lijden van Jezus Christus. Het lijkt alsof doordat onze Verlosser zovele verschillende kwellingen, martelingen en beledigingen heeft ondergaan, zoals Zijn verraad, Zijn doodsstrijd, Zijn geseling, Zijn doornenkroning, Zijn lijdensweg en Zijn Kruisiging om te zorgen dat we over vele zaken kunnen mediteren. En we moeten niet alleen het lijden van Jezus overwegen om troost te brengen, maar enkel om in onze harten de liefde te ontsteken voor onze lijdende Redder en te weten wat Hij verlangt van ons. Tegelijkertijd moeten we klaar staan om alles geduldig te verdragen uit liefde voor Hem die zoveel geleden heeft uit liefde voor ons.

    Het vijfde middel om de schat van Gods liefde te verkrijgen is gebed. Het voortdurend gebed van een Christen ziel moet zijn: “Jezus, geef me Uw heilige liefde; Maria, mijn Moeder, verkrijg voor mij de liefde van God; mijn Engelbewaarder en al mijn patroonsheiligen, bemiddel voor mij zodat ik mijn God moge liefhebben met mijn hele hart en ziel.” De Heer is vrijgevig in het uitstorten van Zijn gaven; maar Hij is in het bijzonder vrijgevig om Zijn liefde te geven aan degenen die ze zoeken. Uit: 12 steps to holiness and salvation – Rev. Warren

    18-11-2017 om 20:20 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Woorden van Susan

    Woorden van de Heer:

    "Ik ken de harten die kloppen voor Mij."

    (Susan, 18 oktober 2017)

    Kinderen van de Allerhoogste:

    Ik heb werk voor jullie. Jullie moeten je hart voorbereiden met smetteloze gewaden: reine harten, smetteloze gewaden. Deze gewaden kunnen enkel gevonden worden in het Heilige der Heiligen. Ze kunnen niet gekocht worden. Ze kunnen niet verdiend worden door goede werken die in het vlees worden uitgevoerd, buiten Mijn Wil en de volheid van Mijn Geest. Ze kunnen enkel verkregen worden door het werk van Mijn kruis dat Ik heb voltooid wanneer Ik de vijand heb verslaan en Mijn Liefde heb uitgestort.   

    Het werk die je moet doen als Mijn leerling is werken aan je redding met vrees en erkennen dat je een REDDER nodig hebt, beven bij de gedachte dat je zou kunnen wegvallen op de brede we gen dat niemand de sleutel vastheeft behalve IK. Je moet je leven, je wil, je wegen, overgeven aan Mij en beslissen dat je niet langer zelf de controle wilt hebben. Je moet Mij zoeken gedurende de dag en Mij je voortdurende metgezel maken die waakt tegen de boze die komt om te doden, stelen en vernietigen. 

    Alles wat je doet in je eigen wil zal zonder een volle olielamp zijn, zonder een relatie met je God, in het vlees buiten de Geest is nutteloos, hoewel de wereld het anders denkt. Jullie God kent het hart. Ik onderzoek en ken de harten. Ik ken de harten die kloppen voor MIJ. Ik herken wie MIJN schapen zijn en wie MIJN stem kent.  

    Kom naar buiten en wees vervuld van MIJN GEEST, loop naar MIJN redding. Bid om in MIJN WIL te zijn. Laat MIJ jullie uit de woestijn leiden om afgescheiden te zijn van de wereld. De wereld begint te zien wat er voor haar ligt. Mijn trouwe gelovigen die sterven aan hun eigenwil zullen waardig bevonden worden om te ontsnappen aan wat over de wereld komt.  

    Werk aan je redding met vrees en beven. Ik alleen kan je naar het smalle pad leiden dat weinigen vinden.

    Dit is je Hemelse Redder, de Leider van de kleine kudde

    Bijbehorende verzen:

    Openb 7:14: Ik antwoordde hem: “Heer, dat weet gij.” Toen zei hij: “Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam.

    Fillip 2:12: Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd; maakt dus nu, in mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was.

    Joh 10:27: Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. 

    Matt 7:13: Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan.  

    Woorden van de Heer:

    "Verspil geen tijd want tijd staat niet aan jullie kant."

    (Susan, 19 oktober 2017)

    Mijn kinderen:

    Dit is jullie Heer en Redder. Ik keer terug om Mijn getrouwe gelovigen uit te plukken: degenen die Mij zoeken op de knieën en met open harten. Ik heb een bijzondere plaats in Mijn hart voor Mijn bruid, de kerk die alles laat liggen om Mijn wegen, Mijn nederige wegen te volgen.

    Deze kerk, Mijn eigen ware volgelingen, zullen Mij in het binnenste van hun hart houden voor eeuwig. Ik zal altijd lijken op deze schapen met grote liefde, liefde als naaste metgezellen. We zullen dichter bijeen zijn dan een broer. Ik heb eeuwige schoonheid in mijn gedachten voor Mijn ware kerk, voor degenen die voor niets wijken om Mij te zoeken, degenen die hun gewaden in heiligheid bewaren.

    Deze wereld is ellendig, het heeft een verwoestende invloed. Ik zal het spoedig aan zichzelf overlaten en het laten lijden aan zijn eigen walgelijke wegen. De wereld maakt zijn bed en spoedig zal het erin slapen en Mijn Glorie zal buiten zijn bereik zijn, vervangen door de hand van het kwade. Mijn rol als liefhebbende Vader voor degenen die achtergelaten worden nadat Ik Mijn kerk weghaal zal niet langer zijn. Ik zal de Rechtvaardige Rechter worden en Mijn straffen uitvoeren over de hele aarde. Ik zal Mij niet inhouden voor degenen die Mij en Mijn nederige offer dat Ik gegeven heb uit pure liefde, verwerpen.

    Deze dag is op handen. Mijn kinderen moeten hun gewaden voorbereiden en Mijn bescherming zoeken want niemand zal gespaard blijven die Mij, de Gever van Leven, verwerpt.

    Verspeel geen tijd in het maken van beslissingen. Nu is het uur om naar Mij te komen voor je redding en om in de Wil van God te blijven. Laat alle vormen van kwaad voor wat ze zijn, was jullie handen in Mijn Woord. Jullie moeten naar de kristalheldere wateren van waarheid komen en Mij jullie zonden laten wegnemen. Kom naar Mijn vuur en laat Mij jullie afval wegbranden en je heel maken.

    Verspeel geen tijd want de tijd staat niet aan jullie kant.

    Dit is de God van alle waarheid, Christus de Messias 

    Bijbehorende verzen:

    Hooglied 7:5-6: Je hals is als de ivoren toren, je ogen zijn als de vijvers van Bat-rabbim, de poort van Chesbon. Je neus is als de Libanontoren, die uitziet op Damascus. Je hoofd is als de Karmel, je haarlokken zijn omwonden met een band van koningspurper. 

    Handelingen 16:14: Ook een zekere Lydia uit de stad Tyatíra, die purperen stoffen verkocht - zij was een godvrezende -, hoorde toe en de Heer maakte haar hart ontvankelijk voor wat door Paulus gezegd werd.

    Spreuken 25:4: Haal het schuim weg van het zilver en de edelsmid maakt het tot een stralend schoon stuk. 

    18-11-2017 om 00:54 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Demonen en hun nederlaag - deel 3

    Demonen en hun nederlaag – deel 3

    De Vaders en bedoelde schrijvers hebben ook verklaard;

    • dat waar over zonde gehandeld wordt, de H. Maagd Maria aan welke ter algehele overwinning van de zonde overvloedige genade geschonken is, niet aan zonde was onderworpen
    • dat deze roemrijke Maagd de herstelster was van de eerste ouders, de levendmaakster van hun nakomelingen, de uitverkorene van eeuwigheid, door de Allerhoogste zelf bereid, door God voorzegd als Hij tot de slang sprak: "Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw"
    • dat zij zonder twijfel de giftige kop van het serpent heeft verpletterd
    • dat de allerzaligste Maagd door de genade van alle smet van de zonde ongedeerd was en naar lichaam, ziel en verstand van alle aanraking met de zonde vrij is geweest
    • dat zij altijd met God heeft verkeerd en in een eeuwig verbond met Hem verenigd is geweest, altijd in het licht
    • dat zij een waardige woonplaats was voor Christus niet om het lichaam dat zij gedragen heeft, maar om de oorspronkelijke genade waarin zij altijd is geweest

    ARTIKEL 15 - De natuur voegde zich bij de Onbevlekte door de genade: het vlees werd uit Adam genomen, maar nam de smet niet op

    Als zij spreken over de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd verklaren zij dat de natuur zich bij de genade gevoegd heeft. De H. Maagd werd niet eerder door Anna ontvangen voordat de genade haar vrucht baarde. Zij verklaren dat het vlees van de Maagd uit Adam genomen is, maar de smet van Adam niet heeft opgenomen, en dat de H. Maagd op die manier een tent is die door God is geschapen en door de H. Geest gevormd. Het is een tent van onvervalst purperdoek, hetwelk een andere Bezaleël met goud en verscheidenheid van kleuren gestikt en gespannen heeft.

    Bezaleël (wikipedia) : wordt in het Bijbelboek Exodus 31:1-6 genoemd als de man die wordt uitverkoren door God om het tabernakel te bouwen, de draagbare tempel die Mozes in opdracht van God liet bouwen volgens de instructies die hij ontvangen had op de berg Sinaï. Bezaleël was ook verantwoordelijk voor de priesterkleding die moest gemaakt worden en de olies en reukwerken die moesten gemengd worden. Zijn opdracht omvatte ook het bouwen van de Ark van het Verbond.

    De naam "Bezaleël" betekent: "in de schaduw (bescherming) van God". In het boek 1 Kronieken 2:19-20 wordt hij genoemd als de zoon van Uri en de kleinzoon van Hur en in Exodus wordt zijn afstamming op dezelfde wijze beschreven. Vervolgens wordt het vakmanschap van Bezaleël beschreven en geprezen en zijn assistent Aholiab wordt vernoemd. Het Bijbelboek gaat dan verder met een omstandige beschrijving van het maken van de verschillende onderdelen van het tabernakel en de priesterkleding. Zelfs de kostprijs wordt toegelicht.

    Zij wordt gevierd als een die het eerste eigen werk van God is, die voor de vurige pijlen van de boze beveiligd was, en die in een schone natuur en zonder enige smet als de dageraad in de wereld is ingetreden bij haar Onbevlekte Ontvangenis. Dit uitverkoren vat mocht niet de schennissen lijden die alle anderen overkomen, omdat zij van alle anderen zeer verschillend is. Ze deelt wel in de menselijke natuur maar niet in de schuld. De Eniggeborene moest zoals Hij in de hemel een Vader had die de serafijnen als driemaal Heilig loven, ook op aarde een Moeder hebben, die de glans van heiligheid had.

    En deze leer had de geest van de oude Vaders zo zeer doordrongen, dat zij van de Moeder Gods zeiden, dat zij is onbevlekt is en alleszins onbevlekt, onschuldig en de onschuldigste, onbezoedeld en van alles onbezoedeld, heilig en aan alle onreinheid van de zonde vreemd, geheel zuiver, geheel ongeschonden, zo goed als de zuiverheid en de onschuld in eigen gestalte, schoner nog dan de schoonheid, behagelijker dan de behagelijkheid, heiliger dan de heiligheid, en de enig heilige, de reinste van ziel en van lichaam die alle ongeschondenheid en maagdelijkheid overtreft, en die helemaal, enig en alleen een verblijf voor al de genaden van de Heilige Geest geworden is, en die boven alles, God alleen uitgezonderd, verheven is en van nature schoner, waardiger en heiliger is dan de cherubijnen en serafijnen en heel het engelenlegioen.

    De aardbewoners en hemelbewoners zijn niet in staat haar verdienste te loven. Deze wijze van spreken is in de heilige liturgie als vanzelf overgegaan, en komt overal daarin voor, omdat de Moeder Gods daar aanroepen en geprezen wordt als enige ongeschonden duif van schoonheid, als roos die altijd in volle bloei staat, de zuiverste, de altijd onbevlekte en gelukzalige, en gevierd wordt als de onschuld die nooit werd geschonden. Zij is de tweede Eva die de Emmanuel heeft gebaard.

    ARTIKEL 16 - De Onbevlekte Ontvangenis werd altijd geprezen

    De herders van de Kerk en gelovige volkeren hebben de leer van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd en Moeder Gods altijd overgedragen. Zij dienden met het meest warme hart de zonder erfsmet ontvangen Moedermaagd. Ze eerden en loofden haar. Van oudsher hebben kerkoversten, geestelijken, reguliere orden, en zelfs ook keizers en koningen bij onze apostolische Stoel erop aangedrongen, dat de Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Moeder Gods als leerstuk van het katholieke geloof zou worden vastgesteld. Ook in onze tijd werden deze beden herhaald en werden ze gericht aan onze voorganger Gregorius XVI, evenals aan ons door bisschoppen, wereldgeestelijken, religieuze verenigingen, vorsten met oppergebied bekleed en gelovige volkeren.

    ARTIKEL 17 - Een nauwkeurig onderzoek werd door de godgeleerden ingesteld, en er werd om schriftelijke steunbetuigingen van de Christelijke wereld gevraagd (…)

    ARTIKEL 18 - De Christenheid riep om een dogmaverklaring zodat er uiteindelijk een consistorie werd belegd

    Toen de antwoorden van de eerwaardige broeders bij ons zijn binnengekomen hebben zij de bevestiging gegeven van het Onbevlekt-Ontvangen-zijn van de allerzaligste Maagd, en hebben zij de wens geuit dat door ons opperste gezag en hoogste uitspraak het Onbevlekt-Ontvangen-zijn van de H. Maagd zou worden vastgesteld. Onze eerbiedwaardige broeders kardinalen van de heilige Roomse kerk en de voormelde godgeleerden die wij als raadslieden aan hen hadden toegevoegd, hebben na onderzoek evenzo op de uitspraak van de Onbevlekte Ontvangenis van de Moeder Gods bij ons aandrongen. Hierna hebben wij een consistorie aangekondigd en belegd, waarin wij tot onze eerwaardige broeders de kardinalen van de heilige Roomse Kerk het woord hebben gericht; en wij mochten een dogmatische bepaling over de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd en Moeder Gods afkondigen.

    ARTIKEL 19 - Na deze voorbereiding volgde de dogma-afkondiging

    Toen we op de Heer vertrouwden dat het geschikte ogenblik was gekomen om de Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Moeder Gods en Maagd Maria vast te stellen, zijn wij van oordeel geweest niet langer, te moeten wachten om de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd door onze hoogste oordeelvelling te bekrachtigen en vast te stellen, en zodoende voldoening te geven aan het verlangen van de Katholieke wereld en aan onze eigen tedere liefde voor de H. Maagd, en in haar meer en meer haar eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus te eren, vermits toch aan de Zoon alle eer en lof toekomt, welke aan de Moeder gegeven wordt.

    Na zonder ophouden in vernedering en vasten onze bijzondere gebeden en openbare gebeden van de Kerk aan God de Vader door Zijn Zoon te hebben opgedragen, opdat Hij door de kracht van de Heilige Geest ons zou besturen en versterken; - wij de hulp ingeroepen hebben van heel het hemels hof, en met verzuchtingen de H. Geest onze Parakleet om bijstand gesmeekt hebben, en deze het ons ingeeft, zo is het dat wij, ter ere van de heilige en ondeelbare Drievuldigheid, tot luister van de H. Maagd en Moeder Gods, ter verheffing van het Katholiek geloof, en ter uitbreiding van de christelijke godsdienst, op gezag van onze Heer Jezus Christus, van de apostelen Petrus en Paulus en het onze, verklaren, uitspreken en bepalen, dat de leer, welke inhoudt dat de allerzaligste Maagd Maria als eerste van haar Ontvangenis door een enige bijzondere genade en voorrecht van de almachtige God, omwille van de verdiensten van Christus Jezus de Behouder van de mensheid, van alle smet van de erfzonde is bewaard, door God is geopenbaard, en zo door alle gelovigen vast en bestendig moet geloofd worden.

    ARTIKEL 20 - Moge Maria bij God verkrijgen dat de mensen tot de ene kudde, de Rooms Katholieke Kerk, zullen komen

    Wij zeggen nederig, maar grote dank en zullen die altijd blijven zeggen aan onze Heer Jezus Christus, dat Hij door bijzondere gunst het voor ons onwaardigen heeft weggelegd deze eer, lof en glorie aan Zijn allerheiligste Moeder toe te wijzen en op te dragen. De H. Maagd Maria is geheel schoon en onbevlekt. Zij verpletterde de giftige kop van het wrede serpent en heeft het heil aan de wereld gebracht. Zij is het voorwerp van lof van profeten en apostelen, de eer van de martelaren en de vreugde en de kroon van alle heiligen: die voor allen die in gevaar verkeren een veilige toevlucht en trouwe helpster is. Zij is de middelares en verzoenster van de wereld die bij haar eniggeboren Zoon het meest bekomt. Zij is het hoogste sieraad, het erepand en de onwankelbare beschermster van de Kerk. Zij heeft altijd alle ketterijen vernietigd en de gelovige volkeren en naties uit allerlei zware rampen gered. Zij heeft ons van zovele dreigende gevaren bevrijd.

    Maar wij koesteren ook de zekere hoop en het vaste vertrouwen, dat van haar kant de gelukzalige Maagd er ook haar welbehagen in zal vinden om door haar vermogende begunstiging onze heilige Moeder de Katholieke Kerk alle belemmeringen zal uit de weg ruimen en alle dwalingen teniet zal doen. Dat ze alle volkeren dagelijks zal doen toenemen in kracht en in bloei. Dat ze zich zal doen regeren van de zee tot de zee en van de vloed tot aan het uiteinde van de aarde, en dat ze alle vrede, rust en vrijheid zal schenken, opdat de schuldigen vergiffenis krijgen, de zieken genezing, de kleinmoedigen sterkte, de neerslachtigen vertroosting, de beproefden hulp krijgen, en alle dwalenden van verduistering van de geest verlost worden en tot het pad van de waarheid en van de gerechtigheid terugkeren, en het één schaapskooi en één herder wordt.

    ARTIKEL 21 - Mogen de Christenen hun toevlucht tot Maria nemen

    Mogen alle kinderen van de Katholieke Kerk die onze woorden horen voortaan met vroomheid, godsdienstigheid en liefde de allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria die zonder erfsmet ontvangen werd, eren, aanroepen en smeken, en in alle gevaren, angsten, behoeften en noden, met alle vertrouwen tot deze zoete Moeder van barmhartigheid en genade hun toevlucht nemen! Niets is te vrezen, niets is te wanhopen, onder haar leiding, aanvoering, gunst en bescherming van haar, die ons een moederhart toedraagt, en onze heilsbelangen bepleit. Zij werd door de Heer aangesteld tot koningin van hemel en aarde, en zij werd verheven boven alle engelenkoren en heiligen. Zij staat aan de rechterhand van haar eniggeboren Zoon onze Heer Jezus Christus. In haar moederlijk gebed kan ze het meest verkrijgen, en het is niet mogelijk dat haar iets geweigerd wordt.

    ARTIKEL 22 - Slot

    Opdat onze bepaling betreffende de Onbevlekte Ontvangenis van de allerzaligste Maagd Maria in heel de universele Kerk wordt verspreid, hebben wij ter eeuwigdurend aandenken dit apostolisch schrijven opgesteld. (…)

    Gegeven te, Rome bij St. Pieter, van onze pauselijke regering het negende jaar.

    Paus Pius IX

    Maria verplettert de slang maar doet dit niet onafhankelijk van de macht van Christus. Paus Pius IX maakt het duidelijk dat het omwille van haar onverbrekelijk en innig verbond met Christus is dat ze de vijand van onze redding kan verpletteren. Maar er is meer. Als zijn dienaren in zijn heilswerk betrokken zijn is dit eenvoudigweg de manier van werken die de Heer verkiest. Hij blijft altijd de Bron van elke macht die uitgevoerd wordt tegen de duivel of voor het opbouwen van de Kerk. Maar als Hij alles zou zelf doen, zouden er geen profeten, priesters, apostelen, leraars en bedienaren van de Kerk meer nodig zijn. Daarom stelt de Heer zijn dienaren aan om zijn wil uit te voeren, door de kracht van zijn Geest en zijn genade. Zoals de H. Schrift het vermeldt, heeft de Heer zijn Moeder aangesteld om de kop van de slang te verpletteren, door het gebruik van zijn eigen kracht en verlossende genade. Hij heeft haar naar de frontlinie van de strijd gestuurd, door vijandschap te stichten tussen haar en de satanische slang.

    Als de Vrouwe die met de zon bekleed is, de Koningin van de Kerk, een immense macht heeft van God gekregen om ons bij te staan in de geestelijke oorlogsvoering, zullen we er veel voordeel uithalen als we kiezen ze te gebruiken. Veilig in de Hemel, is Maria ver buiten het bereik van enige aanvallen van de duivel om haar te treffen, maar de strijd gaat nu verder tussen de slang en de nakomelingen van de Vrouw. Dat zijn “degenen die de geboden van God naleven en getuigenis dragen van Jezus” (Openb. 12:17). Hoewel ze vredig in de Hemel verblijft, is de Moeder voortdurend waakzaam voor het welzijn van haar kinderen, aan wie ze de genade van God brengt in al hun noden. 

    Exorcisten hebben getuigd dat in hun ervaring de duivel verschrikkelijk bang is voor de Moeder van God en vlucht wanneer ze wordt aanroepen. “Vele exorcisten roepen Maria aan, en wanneer ze dit doen,” zegt de auteur Matt Baglio,”is de demon zo bang van haar dat hij nooit haar naam zal uitspreken. Hij zal zeggen “die vrouw” of “ze vernietigd me”. En opnieuw: in zijn besluit van het boek [Een Exorxist vertelt door Fr Gabriele Amorth] beschrijft hij Maria’s rol als een instrument van het goddelijk plan, in de strijd tegen het kwaad. Ook in een hoofdstuk waar hij het gedrag van de demonen beschrijft, vertelt hij hoe de demonen reageren op bepaalde heilige namen. Natuurlijk haten de demonen de Heilige Naam van Jezus. Maar de meesten onder hen kunnen ook de naam van Maria niet zeggen, en zeggen ‘zij’ of ‘de Vrouwe’ om Maria aan te duiden. Als de demon die een persoon bezet een hoge rang heeft, kan hij deze namen zeggen, maar ze worden altijd gevolgd door verschrikkelijke godslasteringen.”

    Hier is er een uittreksel van The Rite, door Matt Baglio, betreffende de rol van OLVrouw in het bevrijden van een bezeten vrouw van de duivel. Dit gebeurde in Rome in 2006. De vrouw werd jarenlang gekweld door de duivel zonder verlichting te krijgen. De exorcist had de duivel bevolen om te vertrekken in naam van Jezus Christus en van de Onbevlekte Maagd Maria: “Opeens, voelde de bezeten vrouw een ongelofelijk gevoel van liefde als Maria voor haar verscheen. Maria was gehuld in een wit met goud bekleedde sluier die half haar gezicht bedekte. Ze was verbaasd toen ze verscheen, en ze was nog meer verrast te zien dat Maria onder tranen naar haar keek.”

    “Als de exorcist keek, had de demon opnieuw een bui. ‘Nee, nee, nee, niet huilen!’ schreeuwde hij, en het lichaam van de vrouw ging in schokken. Voor een ogenblik kwam de vrouw uit de trance en zei ‘Een traan van Maria is alles wat er nodig was”. De macht van de duivel was gebroken en hij werd door de exorcist in een paar minuten uitgedreven.

    De demonen zijn vol van angst en haat voor de Heilige Maagd, niet alleen omwille van haar enorme macht van haar heiligheid, maar ook omwille van hun eigen monsterlijke hoogmoed. Ze kunnen het feit niet verdragen dat zij, de grote geestelijke wezens van een hogere natuur dan de onze, gedwongen worden te vluchten wanneer de kleine Dienstmaagd van Nazareth naderbij komt!

    Een andere vrouw die bevrijd was van de duivel getuigt dat wanneer de naam van Maria werd aanroepen, ze voelde alsof een grote golf van een zeer hel wit licht haar trof. “Het was alomvattend, een licht dat ik kon zien en zelfs voelen, en het gaf mij een gevoel van zeer zoete vrede, terwijl voor de demon het een verschrikkelijke pijn veroorzaakte. Ik wist dat het licht dat mij omhelsde een geestelijk licht was. Toen ik mijn ogen opnieuw sloot, kon ik zien dat het zelfde licht de ogen van het monster doorstak zoals een duizend zwaarden. Intussen was het monster aan het schreeuwen, bewoog in het wilde weg, en zei dat de sluier van Maria (hij verwees naar haar als ‘die daar’) hem verstikte en hem enorm veel pijn veroorzaakte. Het was zo erg dat hij verschrikkelijke, onbeschrijflijke spasmen kreeg. Tegen het einde schreeuwde hij als nooit tevoren. Dan was er plotseling een kalmte en een stilte.” De vrouw was spoedig volledig bevrijd, en ze ontving als een teken uit het Evangelie van de H. Lucas over Jezus die gezonden werd om te verkondigen dat de gevangenen en de verdrukten zouden vrijgelaten worden.

    Lucas 4:16-21 Zo kwam Jezus ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht, ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer. Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen begon Hij hen toe te spreken: 'Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.'

    De vrouw besloot: “Terwijl ik tranen huilde van vreugde, begon ik de Heer en de Onbevlekte Maagd te danken, en dat zal ik blijven doen zolang ik leef.”

    We kunnen rekenen op de machtige voorspraak van de Moeder van God in onze geestelijke strijd. De duivel kan haar niet overwinnen, want ze heeft de macht gekregen om hem te verpletteren, en ze zal deze macht uitoefenen tot de Dag des Oordeels. Nu is de tijd om haar te aanroepen. De beste manier om dit te doen is door het bidden van de Heilige Rozenkrans, het is een zeer krachtig wapen in de strijd tegen Satan,” legde een exorcist, Pr Francesco Bamonte uit. “Dat is waarom Maria erop staat dat we de rozenkrans zouden bidden; de rozenkrans is een gebed dat werkelijk de demon neerslaat.” Op talrijke gelegenheden, heeft Pr Bamonte Maria gesmeekt om hulp, en de persoon waarvoor hij bad zei: “Ze is daar!” of de duivel zei: “Je kunt niet indenken wat ik zou doen als ze mij niet zou stoppen!”.

    Het is iets om over na te denken wanneer je tegen de machten van het kwade vecht…

    17-11-2017 om 23:38 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Demonen en hun nederlaag - deel 2

    Demonen en hun nederlaag – deel 2

    "Wanneer de kracht van de demon is uitgeput door razernij, wordt hij een lafaard. Moed is een deugd en de demon heeft geen zo’n deugd. Vandaar is hij niet moedig maar wild, juist zolang hij energie heeft. Van zodra zijn kracht hem verlaat, wordt hij een zwakkeling. "Genade, genade! Oh, wat moet ik lijden! Genoeg! Genoeg! Ik kan het niet langer uitstaan! Ik ben verloren! Ik ben miserabel! Heb medelijden met mij en laat me niet langer zo verschrikkelijk lijden!" Zo is het geschreeuw van de demon, zelfs de sterkste, van zodra hij overweldigd is.”

    "De demonen ervaren andere vernederingen die hen furieus doen worden met razernij. Wanneer ze hun slachtoffers martelen maken ze hen heilig. Ik heb altijd bemerkt dat deze nobele zielen vlugge schreden maken op de weg van perfectie. Om de demon te vernederen vermelde ik de vooruitgang dat deze zielen maakten die hij had gekweld: “Kijk naar die ziel, hoe mooi ze is! Je hebt haar zo mooi gemaakt. Wanneer je naar haar kijkt op het laatste oordeel in haar luister, kun je glorie halen in het feit en zeggen: “Dat is mijn werk!”
    Dit sarcasme zorgde dat hij tierde. Maar hij bleef verder strijden zolang hij de kracht had. Zijn trots liet hem niet toe te geloven dat hij zou overwonnen worden, noch dat hij zou falen in het beschadigen van haar ziel. "Ik laat mijzelf nooit toe om ontmoedigd te raken," zei hij me. "Zolang als ik kracht heb, zal ik mijn aanvallen verder zetten. Ik zal mij niet terugtrekken."

    "De demon is bijzonder beschaamd wanneer een van zijn kostbare slachtoffers [die eerst ver van God was verwijderd] zich bekeert, heilig wordt, en uiteindelijk vecht om hem van meer zielen te beroven… Het is een ondraaglijke marteling voor de demon om gevangen te zitten in een offerziel en aan haar gebonden te zijn. Het zicht van dat alles is deugdzaam en veroorzaakt een intense pijn bij hem, want ik heb dikwijls gehoord dat hij het uitschreeuwde: "Ik zou liever in de hel zijn dat in deze vuile persoon!" Opnieuw zei hij: "Denk je dat het plezant is om in dat moeras te zijn en getuige te zijn van al deze daden van liefde?"

    "De demonen smeekten dikwijls: "Laat me vrij! Laat me vertrekken! Je hebt de macht om het te doen! Dit is werkelijk een gloeiende oven. Laat me vertrekken!" Ik vroeg hen: "Wie heeft je bij deze persoon opgesloten” "De Maagd," antwoordde hij. "OK," zei ik, "als zij degene is die je heeft opgesloten, dan is het haar zaak om je te bevrijden als ze de toelating geeft."

    "De gedwongen vereniging van de demon met een offerziel deed hem uitschreeuwen: "Als ze me maar zou laten gaan!".
    Wat betekent al dit geweeklaag? "Dit is een gloeiende oven! Ik zou liever in de hel zijn dan in dat huis van smerigheid," en andere gelijkaardige uitdrukkingen. Dit smeken van de demon met de exorcist: "Laat me vertrekken! Laat haar (het slachtoffer) mij vrijlaten!" is een bewijs van het feit dat de demon een gevangene is van degene die hij eerst controleerde. Hij drong oorspronkelijk het slachtoffer binnen als een heerser, in de hoop haar te doen ineen storten. Het heroïsche geduld en oprechte liefde van de offerziel voor haar missie deed de kracht van de demon breken.”

    Nadat de strijd verloren is wilde hij ontsnappen uit deze vernederende strijd. Maar God beval hem: "Blijf daar!" En hij werd gedwongen om te blijven verder doen. Hij moet het gevecht verder voeren en mag niet vertrekken uit de ziel tot hij helemaal is overwonnen. Opgesloten in zijn slachtoffer, kan hij niet langer rondzwerven of mensen kwaad doen zoals hij zou willen.”

    "De gevangen demon laat zijn furie los op de levende persoon zoals een wild dier dat in een kooi zit en probeert er wanhopig uit te geraken. Toch kan hij niet ontsnappen. Natuurlijk, lijdt de offerziel als de demon niet bevrijd is. Maar door geduldig de razende demon te verdragen, maakt de offerziel hem geleidelijk aan machteloos.
    Hoe meer de demon voelt dat zijn invloed wegglipt hoe kwader hij wordt. Demonen geven het toe: "Hoe zwakker ze zijn, hoe wilder ze worden."

    "Naast de mensen die ze hebben gewonnen voor hun kant, gebruiken de demonen ook geheime organisaties als troepenmacht. Met hun hulp verbreiden de demonen het kwaad steeds verder zoals een bosbrand. Ondanks deze hulp, weten de demonen de nutteloosheid van de strijd op voorhand. Ze geven ook hun eigen nederlaag toe en de ultieme nederlaag van de geheime organisaties in hun huidige strijd. Ze geven het toe: "We zullen terug in de hel geworpen worden maar we weten niet juist wanneer. Het uur wordt bepaald door jullie Meester, die ook onze Meester is. Lucifer is niet onze meester; hij is onze leider." Met “Meester” bedoelen ze God.”

    "God heeft bekrachtigd dat er altijd demonen op de aarde zullen zijn om de mensheid op de proef te stellen en te testen. Maar de hoofdleiders zullen naar de hel moeten terugkeren en degenen die overblijven zullen verzwakt worden. Ze zullen niet langer in staat zijn om de mensen te verleiden. De demonen zeiden het zelf. Ze zeiden me ook dat eens ze zijn verslagen, de tijd ook zal komen wanneer de leden van de geheime organisaties zullen vernederd worden.”

    "De Maagd zal de geheime organisaties vernietigen. Ze heeft zich reeds tegen hen gekeerd. Jullie zullen gered worden door de “Toren van Babel”. Ik neem aan dat met de “Toren van Babel” de demon bedoelt dat al de goddelozen een arrogante poging zullen doen dat zal eindigen in een algemene verwarring tot hun schaamte, net als de goddeloze mensen van het Oude Testament die probeerden de Toren van Babel op te richten om hun intrede te doen in de hemel. "De gekruisigde zielen zijn degenen," zei de demon, "die zullen een oorlog voeren tegen ons… Een gelovige ziel is machtiger dan de hel, maar een gekruisigde ziel is machtiger dan een duizend hellen." Dan zullen de offerzielen de vrede terugbrengen in de Kerk wanneer ze hun lijden hebben voltooid.”

    "Wanneer de demon zijn toekomstige nederlaag opbiechtte dwong ik hem om meer informatie te lossen “In die tijd, zullen we deel hebben in de barmhartigheid van God, in de plaats van zijn straf?” Hij antwoordde “Het is echt waar!...en als het niet was door Haar (H. Maagd) machtige arm…!” ‘Is het Haar arm die de arm van God tegenhoudt?’ “Ja, en dat is de reden waarom Ze offerzielen wenst.”

    "Van deze ontboezemingen van de demon mogen we besluiten dat de H. Maagd Maria nobele offerzielen selecteert die willen lijden uit liefde tot God. De H. Maagd laat hen toe te strijden met de demonen die rondzwerven op aarde en de Kerk onderdrukken en zielen doen ineen storten.”

    "De H. Maagd voorziet een oplossing voor al ons groot kwaad op deze manier: Ze bevrijdt de Kerk en de zielen van de macht van deze duivels; ze troost en kalmeert het Hart van haar Geliefde Zoon; ze maakt eerherstel voor Gods Gerechtigheid in plaats van de zondaars en smeekt om Gods genade in hun naam. Uiteindelijk, verwijdert ze de straffende gerechtigheid van God van ons of verzacht ze de straffen. Ze vergeet niet de nobele zielen die haar vergezellen om haar plan uit te voeren. Ze worden geheiligd door het kruis die ze vrijwillig hebben aanvaard, en door de H. Maagd, wordt voor hen een beloning voorbereid voor God in evenredigheid met de onderwerping en grootte van hun liefde.”  

    "Het doel dat gepland is door de H. Maagd Maria zijn van het grootste belang. Dat maakt het begrijpelijk dat God toelaat dat deze uitverkoren zielen zich onderwerpen aan de invloed en [soms] de echte bezetenheid van Satan. De praktische resultaten gewogen in de schaal van een almachtige God zullen het godsoordeel rechtvaardigen van deze verschrikkelijke beproevingen om Zijn ultieme doel te bereiken. Het is waar dat er onschuldige zielen worden overgegeven aan de wreedheid van de demonen. Maar liet God ook Zijn eniggeboren Zoon, die onschuldig was en heilig, niet toe te lijden en sterven op het kruis om de wereld te bevrijden van de macht van Satan en de redding van zielen te brengen? Het was niet door Zijn leer en gebed, maar door Zijn bitter lijden en dood dat Hij ons verloste. En heeft de H. Maagd Maria niet toegestemd in het offer van Haar Goddelijke Zoon, toen ze onder het Kruis stond? Heeft Ze haar smarten niet opgeofferd om de machten van de hel te verpletteren en de redding van zielen te brengen? Ze heeft haar Geliefde Zoon zo heroïsch voor ons geofferd, en dat doet Ze nu nog altijd voor ons. Ondanks de sympathie van haar moederlijk hart offert Ze haar liefdevolle kinderen, de offerzielen, door hen toe te laten te lijden ten gunste van de Kerk en voor de redding van zielen, met het oog op de glorierijke overwinning dat Ze bereikt over de machten van de hel.”

    "Dat is het programma van de H. Maagd. Wat ik erover heb gezegd is de echte waarheid; het is geen theorie dat ik heb verzonnen, maar het is een realiteit dat ik wens kenbaar te maken en de echtheid ervan kan ik definitief bewijzen. De ontboezemingen van de demonen bewijzen het; de bovennatuurlijke openbaringen zijn er getuige van.”

    "Wanneer ik begon met mijn carrière van exorcist schreef ik de details van de openbaringen op na elk exorcisme. Ik maakte een dagelijkse notitie van de bovennatuurlijke manifestaties die plaatsvonden gedurende de exorcismen of tussen een serie van exorcismen. Ik beschouw mezelf als gekwalificeerd om een exacte weergave van de feiten te geven zoals ze zich ontwikkelden in de tijd zonder mijn notities te moeten raadplegen. Ik kan exact zeggen wat ze zeiden. Ik heb alles wat ik heb gezegd gezien en gehoord en ik heb het trouw opgeschreven gedurende de 25 jaar van mijn dienst als exorcist.”

    "…Het is door het vrijmoedig lijden van de offerzielen dat de H. Maagd zoekt genoegdoening te bieden voor de beledigingen die gepleegd worden tegen het H. Hart van Haar Goddelijke Zoon. Ze wenst daarbij Zijn toorn te verminderen; genoegdoening te brengen voor de Goddelijke Gerechtigheid, en op die manier genade en barmhartigheid voor de zondaars te verkrijgen. Het is haar plan om voortdurend strijd te voeren tegen de demonen; om een groot aantal zielen van hen te beroven, en de hulpeloze demonen terug in de hel te werpen. Het werk van de offerzielen is een werk van barmhartigheid tegenover de zondaars evenals een werk van verzoening en genoegdoening voor hun schuld.”

    ~Heilig Hart van Jezus, ontferm U over ons; Onbevlekt Hart van Maria, bid voor ons!

    Maria verplettert de slang uit: icxcmary.wordpress.com

    In Genesis 3:15 vinden we wat soms het “proto-evangelie” wordt genoemd. Het is de eerste indicatie van de verlossing van de mensheid van zonde. Het volgt onmiddellijk op de erfzonde die Adam en Eva veroorzaakt hebben. Iets belangrijk over God wordt hier geopenbaard: van zodra zijn kostbaarste schepselen (degenen die hij schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis) ernstig hun relatie verbraken met Hem door ongehoorzaam te zijn aan zijn gebod, en zodoende een ernstige straf over zich riepen. De Heer God bedacht een verlossing uit deze straf voor hun toekomstige nakomelingen. Het deed Hem pijn hen te moeten straffen (omdat de gerechtigheid dit meebracht), daarom was zijn hart barmhartig…

    De tekst van Genesis 3:15 waarin God zich tegen de slang richt, wordt sinds eeuwenlang vermeld: “Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!” De Hemel heeft het bevestigd wanneer de Moeder van God verscheen aan de H. Catharina Labouré in 1830. Er waren verschillende elementen in dit visioen, en onder hen was een beeld van een slang onder Maria’s voeten. De heilige werd verteld om een medaille te laten maken volgens het visioen. Deze verschijning van OLVrouw is een van de weinige die formeel goedgekeurd is door de Kerk na diepgaand onderzoek over zijn authenticiteit. De realiteit van haar macht over de duivel is ook belangrijk voor ons begrip van Maria’s rol in het helpen van onze eigen “geestelijke strijd”. 

    OLV van de Wonderdadige Medaille in Rue du Bac

    Wanneer [de H. Paus Pius IX] het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis instelde in 1854 in zijn apostolische constitutie Ineffabilis Deus had hij het over de H. Maagd Maria die de slang heeft verpletterd.

    INEFFABILIS DEUS – 8 december 1854 – Z. Paus Pius IX

    ARTIKEL 1 - Maria, de uitverkoren Maagd

    God is onuitsprekelijk, zijn wegen zijn barmhartig en waarheid, zijn wil is almacht en zijn wijsheid bereikt van grens tot grens alles en ordent alles in liefde. God heeft van alle eeuwigheid het treurig bederf voorzien die door Adams overtreding over heel de mensheid zou komen en in de verborgenheid van eeuwen heeft Hij besloten het eerste werk van Zijn goedheid in de vleeswording van het Woord te vervolmaken, opdat de mens die door het bedrog van de duivel tot schuld gevoerd werd, niet tegen Gods barmhartige bedoeling mocht vergaan. Hetgeen in de eerste Adam verloren ging, werd in de tweede Adam (Jezus) tot hoger geluk opgericht. God heeft van in het begin en vóór de aanvang der eeuwen, voor Zijn Eniggeboren Zoon een moeder gekozen en toebereid. Uit Haar zou Hij het vlees aannemen en in de volheid van de tijden geboren worden. Hij heeft haar boven alle schepselen aan Zijn liefde deelachtig gemaakt in zo’n mate, dat Hij in haar een enig welbehagen gevonden heeft.

    Hij heeft Haar boven alle engelen en heiligen uit de schat van Zijn goddelijke voorraad met alle hemelse genadegunsten wonderbaar begiftigd. Zodanig dat zij vrij van alle zondesmet is, in heel haar wezen schoon en volmaakt, een volledige onschuld en heiligheid droeg zoals er buiten God geen is. Zij schitterde voor altijd met de glans van de volkomenste heiligheid. Ze was vrij van alle zondesmet, waaronder de erfzonde en zij behaalde de hoogste zege over het oude serpent. God heeft besloten Zijn enige Zoon uit haar, de hoogwaardige Moeder, te laten geboren worden. God die Zijn Zoon uit zijn eigen schoot aan Hemzelf gelijk heeft geboren doen worden en die Hij daarom als Zichzelf bemint, gaf door Haar Zijn Zoon dat Hij zowel de natuur van de Zoon van de Maagd zou hebben, als de Zoon van de goddelijke Vader zou zijn. De Zoon heeft zelf haar uitgekozen om waarachtig Zijn Moeder te zijn. De Heilige Geest heeft dan zo gemaakt dat de Zoon door haar ontvangen en geboren werd. 

    ARTIKEL 2 - De heiligheid en verheven waardigheid van Gods Moeder in de leer van de Kerk

    Deze oorspronkelijke schuldeloosheid van de Maagd, waarmee haar heiligheid en hoog verheven waardigheid van Moeder Gods samenhangen, heeft de Kerk als een leer die zij van God in bezit heeft verkregen, onophoudelijk kenbaar gemaakt en voorgedragen. De Kerk is omdat zij altijd door de Heilige Geest onderwezen wordt, een zuil en grondslag van de waarheid. Deze openbaring komt van de hemel en is door de Kerk met veel liefde aanvaard. Deze leer bestond reeds in de oudste tijden en was in het bewustzijn van de gelovige diep gevestigd door het toedoen van de kerkoversten over de hele katholieke wereld. Daarom heeft de Kerk dit op het oog gehad, toen zij besloten heeft de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd aan de openbare dienst en verering van de gelovigen voor te stellen. De Onbevlekte Ontvangenis is van alle andere mensen helemaal onderscheiden, en moet als heilige feestdag gevierd worden. De Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd, die met de menswording van de goddelijke Wijsheid bij eenzelfde Godsbesluit werd vastgesteld, moet zo in het kerkelijk officie als in de gewijde liturgie van die feestdag gebruikt worden.

    ARTIKEL 3 - De Onbevlekte Ontvangenis

    De Romeinse Kerk is het middelpunt van de katholieke waarheid en eenheid, en alleen in deze is de godsdienst ongeschonden bewaard en moeten alle andere kerken de geloofsoverlevering ontlenen. Daarom moet dit nog eens benadrukt worden bij de leer van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd. Daarom bevestigt de Romeinse Kerk de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, haar verering en leer. De Kerk verdedigt haar, bevordert haar en handhaaft haar. Hiervan geven een menigte akten van Roomse pausen onze voorgangers getuigenis, die in de persoon van de prins van de apostelen door de Heer Christus zelf bij goddelijke beschikking de opperste zorg en macht is toevertrouwd tot het weiden van de schapen, en het bevestigen van broeders en het regeren en besturen van de Kerk.

    ARTIKEL 4 - De feestviering van de Onbevlekte Ontvangenis

    Onze voorgangers hebben het feest van de Ontvangenis krachtens hun apostolische macht in de Romeinse Kerk ingesteld, en het met een eigen officie en een eigen Mis, waarin het ontbreken van de erfzonde duidelijk is uitgedrukt, te eren en op te luisteren; en toen die dienst eenmaal was ingesteld, haar met alle kracht te bevorderen en uit te breiden, door het verlenen van aflaten, door steden of provinciën te machtigen om de Moeder Gods bepaald als Onbevlekt Ontvangen tot patrones te nemen of door kerkelijke goedkeuring te geven aan broederschappen, congregaties en religieuze orden ter ere van de Onbevlekte Ontvangenis, of door lof te brengen aan de vrome zin, welke kloosters, gasthuizen, altaren of kerken onder de titel van de Onbevlekte Ontvangenis stichtten, of met een eed zich verbonden om de leer van de Onbevlekte Ontvangenis te verdedigen.

    Met grote vreugde hebben zij vastgesteld, dat het feest van de Onbevlekte Ontvangenis (8 december) voor de hele Kerk van gelijke hoogte als de feestdag van Maria’s Geboorte (8 september) zou zijn, en dat het de hele Kerk door als feest van verplichting en met octaaf zou gevierd worden, en dat jaarlijks op de feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen de pauselijke kapel in onze patriarchale basiliek Maria de Meerdere zou gehouden worden. En door dezelfde wens gedreven, om de leer van de Onbevlekte Ontvangenis in de gelovigen meer en meer zich te doen hechten, en aan de zin van de verering van de Onbevlekt Ontvangen Moedermaagd een nieuwe opwekking te geven, verleenden zij steeds graag en met vreugde, dat men bij de litanie van Loreto en in de prefatie van de Mis, de vlekkeloosheid van Maria's Ontvangenis zou verkondigden. Wij hebben niet enkel goedgekeurd hetgeen door hen was verordend, maar wij hebben ook, met het oog op de verordening van Sixtus IV, aan een eigen officie van de Onbevlekte Ontvangenis onze bekrachtiging gegeven, en het gebruik aan de hele Kerk toegestaan. 

    ARTIKEL 5 - Het voorwerp van de viering en de leer werden steeds voor ogen gehouden

    Met duidelijke woorden hebben de pausen geleerd, dat het feest van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, de Onbevlekte Ontvangenis moet gevierd worden en niet de heiliging. Ook een verzwakking van de leer van de Onbevlektheid van de Ontvangenis is verworpen voor zij die een onderscheid maakten tussen het eerste moment van de Ontvangenis en een later ogenblik. Ook werd verworpen degenen die beweerden dat wel de Ontvangenis moest gevierd worden maar niet die van het allereerste ogenblik. Het is het feest voor de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, maar ook van die Ontvangenis vanaf haar eerste moment. Vandaar deze afdoende woorden, waarmee onze voorganger Alexander VII de ware bedoeling van de Kerk heeft verklaard, "Het is een oude piëteit van de gelovigen tegenover de Allerzaligste Moedermaagd Maria, dat haar ziel vanaf het eerste ogenblik van haar schepping en haar instorting in het lichaam, door een bijzondere genade en voorrecht Gods, om de verdiensten van Jezus Christus, haar Zoon de Verlosser van de mensheid, van de smet van de erfzonde vrij bewaard is, en dat zij het feest van haar Onbevlekte Ontvangenis plechtig houden en vieren". (…)

    ARTIKEL 8 - De leer van de Onbevlekte Ontvangenis is altijd door de godgeleerden onderwezen en door de kerkvergadering van Trente bevestigd

    Vervolgens is het aan allen bekend met welke geestdrift de leer van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd door de aanzienlijkste religieuze orden, door de meest beroemde godgeleerde academies en de in de goddelijke wetenschap uitmuntendste leraren is onderwezen, verdedigd en voorgestaan. Ook weet een ieder hoezeer de kerkoversten er een voorwerp van zorg van gemaakt hebben om zelfs in kerkelijke vergaderingen openlijk belijdenis af te leggen, dat de allerheiligste Moeder Gods en Maagd Maria omwille van de voorziene verdiensten van Christus, de Heer en Verlosser, nooit aan de erfzonde onderworpen is geweest, maar van de oorspronkelijke smet helemaal bewaard is gebleven en zo op verhevener wijze verlost is geworden. Hierbij komt nog dat de kerkvergadering van Trente, toen zij haar dogmatisch decreet over de erfzonde uitvaardigde, op het gezag van de getuigenissen van de H. Schrift, van de heilige Vaders en van de meest gezaghebbende Concilies, bepaalde dat alle mensen geboren worden met de erfschuld, behalve de H. Maagd. De Trentse vaders hebben toen ook genoegzaam betekend, dat de allerzaligste Maagd van de erfsmet vrij is, en zo te kennen gegeven dat er niets uit de H. Schrift, noch uit de Overlevering en de lering van de kerkvaders, iets geldigs kan worden ingebracht tegen het grote voorrecht van de H. Maagd.

    ARTIKEL 9 - Zowel het Oosten als het Westen heeft dit leerstuk onveranderd bewaard (…)

    ARTIKEL 10 - De heiligheid, waardigheid en reinheid van Maria werden in de loop van de eeuwen in hogere eer gesteld

    Aan de Vaders nu en aan de kerkelijke schrijvers die door de orakelen van de hemel onderricht waren, was niets liever dan in de werken die zij schreven, hetzij ter verklaring van de H. Schriftuur, hetzij ter handhaving van de leerstukken van de Kerk of tot onderrichting van de gelovigen, Maria's hoge heiligheid, haar verheven waardigheid, alsmede haar reinheid van alle zondesmet en haar roemrijke zege over de afschuwelijke vijand van de mensheid hoger in ere te stellen. Zij legden de woorden uit toen God bij de aanvang van de wereld de middelen aankondigde die Zijn liefde ter vernieuwing van de mensen bereid had. Hij zei: Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw, tussen uw zaak en haar zaad. Op dat moment dwarsboomde God de stoutheid van de verleidende slang en verlevendigde Hij de hoop in het hart van de mensheid. In deze Godspraak werd duidelijk aangekondigd dat de barmhartige Verlosser, Jezus Christus de eniggeboren Zoon Gods zou komen, en bovendien ook zijn Moeder, de H. Maagd Maria, en dat ook hun beider vijandschap tegen de duivel met kracht was uitgedrukt. Christus, de Middelaar tussen God en mensen, heeft dan de menselijke natuur aangenomen en het handschrift van het besluit dat tegen ons was teniet gedaan op het Kruis. En ook de H. Maagd heeft met Jezus door de nauwste en onlosmakelijke band verenigd, tegelijk met Hem en door Hem, het giftige serpent met onbezoedelde voet zijn kop verplet en zo de zegepraal behaald.

    ARTIKEL 11 - De deugden van Maria zag men vele keren in de Schrift

    Dezelfde grote zegepraal van de H. Maagd, haar onschuld, zuiverheid, heiligheid en reinheid van elke zondevlek, evenals de onuitsprekelijke veelheid en grootheid van alle genaden van de hemel en van deugden en voorrechten haar geschonken zagen de Vaders ook

    in de ark van Noah die op Gods bevel vervaardigd werd en van de ondergang van de hele wereld werd behouden;

    in de ladder die Jacob van de aarde tot de hemel zag reiken, en waar Gods engelen op en afklommen en waar de Heer op rustte;

    in het braambos dat Mozes aan alle kanten branden zag zonder dat het door de knetterende vuurvlammen verbrand of beschadigd werd, maar voor zijn oog groeide en bloeide;

    in die onoverwinnelijke toren die voor de vijand staat en waarvan duizend schilden afhangen en de hele wapenrusting van de sterken;

    in die gesloten tuin die niet geschonden mag worden, noch door enig listig overleg bedorven worden;

    in de glanzende stad Gods wier grondvesten in de heilige bergen zijn;

    in de eerwaardige tempel Gods die schitterend van goddelijke glans is van de heerlijkheid van de Heer;

    in vele andere beelden, waarin de Vaders geleerd hebben, dat de verheven waardigheid van de Moeder Gods, haar ongeschonden onschuld en haar onbevlekte heiligheid is voorzegd.

    ARTIKEL 12 - Hierbij werd ook geput uit de profeten, uit de groet van de Engel en van Elisabeth

    Zo ook hebben zij zich van de woorden van de profeten bediend om het geheel van goddelijke gaven en de oorspronkelijke zondeloosheid van de Maagd, uit welke Jezus geboren is, te kennen te geven, en haar, als een reine duif, als het heilig Jeruzalem, de verheven troon van God, de ark van de heiligmaking, de woonstede welke de eeuwige Wijsheid Zichzelf gebouwd heeft, de koningin die overvloeiende van geneugten en steunende op haar Geliefde gekomen is uit de mond van de Allerhoogste geheel volmaakt, schoon en door God geliefd en door geen vlek van enige besmetting ooit bezoedeld. De Vaders en kerkelijke schrijvers vestigden hun aandacht er ook op, dat de allerzaligste Maagd door de engel Gabriël, wanneer deze haar de verheven waardigheid van Moeder Gods boodschapte, uit naam en op bevel Gods vol van genade genoemd werd, dat de Moeder Gods geweest is als de zetel van alle goddelijke genaden; een rijk versierde met al de genadegaven van de goddelijke Geest. Ze was als een onuitputtelijke schatkamer en een bodemloze afgrond van diezelfde genadegaven; zodat Zij nooit aan de vloek van de zonde onderworpen was maar zoals haar Zoon deelgenote was van een eeuwige zegen. Elisabeth zei woorden tot de H. Maagd die door de Heilige Geest waren ingegeven: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot.

    ARTIKEL 13 - Maria is boven de lof van Engelen en mensen verheven

    De roemrijke Maagd aan welke de Allermachtigste grote dingen gedaan heeft, door een rijkdom van alle hemelgaven en een volheid van genade te geven, is zij uitgeblonken door een ongekrenkte onschuld. Zij is als een onuitsprekelijk Godswonder, het hoogste wonder, en zij was het waardig om Gods Moeder te zijn. En zij is voor zover dit van enig schepsel gelden kan, van de Godheid het dichtst bijzijnde, boven het lof van mensen en engelen verheven. Bij de verdediging van haar oorspronkelijke onschuld en gerechtigheid vergelijken zij haar niet alleen vaak met Eva die nog maagd, nog schuldeloos, nog onbedorven is en nog niet door de dodelijke list van de sluwe slang verleid werd, maar verheffen haar boven Eva. Eva is, door toegevendheid aan de slang, uit de oorspronkelijke onschuld vervallen én slavin van de verleider geworden, terwijl de gelukzalige Maagd de oorspronkelijke gaven altijd heeft vermeerderd. Bovendien heeft Zij de sterkte en macht van het serpent met de door God geschonken kracht neergeslagen.

    ARTIKEL 14 - Zij bleef naar lichaam en ziel vrij van alle zondesmet

    Onophoudelijk wordt de Moeder Gods door hen genoemd

    • een lelie onder de doornen;
    • een ongerepte, maagdelijke, onbesmette, onbevlekte aarde altijd gezegend en van alle aanraking van de zonde vrij, waaruit de nieuwe Adam gevormd is;
    • een niets missend, hel verlicht en schoon paradijs van onschuld en onsterfelijkheid en genieting dat door God zelf is geplant en tegen alle listen van het giftige serpent beveiligd;
    • een nooit verwelkende boom die van de worm van de zonde niet is beschadigd;
    • een bron zonder slijk en door de kracht van de Heilige Geest bezegeld;
    • een goddelijke tempel;
    • een schatkamer van onsterfelijkheid;
    • de ene en enige dochter, niet van de dood, maar van het leven;
    • de spruit, niet van de toorn maar van de genade, die altijd groeit uit de bedorven en aangestoken wortel, door de voorzienigheid Gods, buiten de vaste en algemene wetten om, geschoten is.

    17-11-2017 om 11:51 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Demonen en hun nederlaag

    Demonen en hun nederlaag


    Citaten uit het Oude en Nieuwe Testament over demonen

    Deut 32:16-17 Zij tartten Hem met vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; aan geesten offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd.

    Ps 106:37-38 zij brachten ten offer hun zonen, hun dochters aan de demonen, vergoten schuldeloos bloed, - het bloed van hun zonen, hun dochters die zij Kanaäns afgoden offerden! -, door bloedschuld werd de aarde ontwijd.

    Lev 17:7 Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door.

    Jes 13:21 De dieren van de woestijn hebben er hun rustplaats, de huizen zitten vol uilen, struisvogels wonen er en saters dansen er in het rond.

    Jes 34:14 Woestijndieren en hyena's komen er samen, saters ontmoeten elkaar. Ook Lilith vindt er rust, zij woont er ongestoord.

    Matt 8:31 De duivels nu smeekten Hem: “Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.” 

    Boze en onreine geesten

    Openb 16:13 Toen zag ik uit de muil van de draak en uit de muil van het beest en uit de muil van de valse profeet drie onreine geesten te voorschijn komen in de gedaante van kikvorsen.

    Openb 16:14 Duivelsgeesten zijn het, die wonderen doen en uitgaan naar de koningen van de gehele wereld, om hen te verzamelen voor de strijd op de grote dag van God, de Albeheerser. 

    De boze geesten die zoveel mensen bezet hadden toen de Heer op aarde was, waren demonen, en uit de vermelde gevallen leren we veel aangaande hen. In de synagoge te Kafarnaüm, waar Jezus leerde, openbaarde zich een onreine geest in een bezoeker.

    Marc 1:23-28 Er bevond zich in hun synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest en luid begon te schreeuwen. 'Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet, wie Gij zijt: de heilige Gods.' Jezus voegde hem dreigend toe: 'Zwijg stil en ga uit hem weg.' De onreine geest schudde hem heen en weer, gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg. Allen stonden zó verbaasd, dat ze onder elkaar vroegen: 'Wat betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag! Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.' Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten over heel de streek van Galilea.

    Deze geest sprak door de mond van de bezetene. Hij wist wie Jezus was en erkende zijn macht. Hij wist van de straf die hem in de toekomst wacht. Hij beheerste niet alleen de tong, maar ook het lichaam van de bezetene: hij liet hem stuiptrekken. Bezetenheid gaat verder dan beϊnvloeding. De satan en zijn demonen kunnen mensen beϊnvloeden zonder hen te bezetten. De Farizeeën zeiden dat de Heer demonen uitdreef door Beëlzebul, de overste van de demonen. De Heer legde dit als ‘Satan uitwerpen door satan’ uit, waardoor wij leren dat de demonen dienaren van Satan zijn, en dat Satan als een sterke man moet worden geboden voor zijn koninkrijk kan worden binnengevallen.

    Matt 12:24-29 Maar de Farizeeën die dat hoorden, antwoordden: “Hij drijft de duivels alleen maar uit door Beëlzebul, de vorst der duivels.” Omdat Hij hun gedachten kende, zei Hij tot hen: “Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij; en geen stad of huis, in zichzelf verdeeld, houdt stand. Als nu de satan de satan uitdrijft, is hij met zichzelf in strijd: hoe kan zijn rijk dan standhouden? Bovendien als Ik door Beëlzebul de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als Ik door de geest Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan iemand binnendringen in het huis van een sterke en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft geboeid? Dan pas kan hij zijn huis leeghalen.

    De demonen waren ook sterken, wat gebleken is door hun behandeling van bezetenen en door de kracht die ze bewezen door zeven mannen te verwonden en te doen vluchten.

    Hand 19:11-16 God deed door Paulus ook buitengewone wonderen en men nam zelfs de hoofddoeken en het lijfgoed dat hij gedragen had mee naar de zieken, waardoor de kwalen van hen werden weggenomen en de boze geesten hen verlieten. Ook een paar rondtrekkende joodse duivelbezweerders probeerden over hen die door boze geesten bezeten waren, de naam van de Heer Jezus uit te spreken door te zeggen: “Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt.” Het waren de zeven zonen van een zekere Skevas, een joodse hogepriester, die dit deden. Maar de boze geest gaf hun ten antwoord: “Jezus ken ik, wie Paulus is weet ik ook; maar gij, wie zijt gij?” Toen sprong de man waarin de boze geest huisde, op hen toe, overweldigde hen allen en zijn kracht was zo groot, dat ze naakt en overdekt met wonden uit dat huis moesten wegvluchten.

    Met rede begiftigd

    We weten ook dat ze met verstand en redeneervermogen begiftigde wezens zijn, want ze kennen de Heer Jezus en bogen onmiddellijk voor Zijn gezag. Ze weten ook dat hun straf te wachten staat: sommigen vroegen de Heer tot Hij tot hen was gekomen om hen vóór de tijd te pijnigen.

    Matt 8:28-32 Toen Hij aan de overkant gekomen was in het land der Gadarenen, liepen Hem twee bezetenen tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken te voorschijn en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand daarlangs kon gaan. Plotseling begonnen ze te schreeuwen: “Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te kwellen?” Een eind van hen vandaan was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden. De duivels nu smeekten Hem: “Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.” Hij zei hun: “Gaat heen.” En zij verlieten hen. Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen, of de hele kudde stortte zich van de steile oever in het meer en kwam in het water om.

    Marc 1:34 Velen die aan allerhande ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden.

    Hun kennis over Jezus

    In de confrontatie met de Heer Jezus geven zij er blijk van Hem te kennen: zij noemen Hem ‘de Heilige Gods’, Luc 4:34, ‘de Zoon van God’, Luc 4:41. Ze weten dat Hij de Christus is, Luc 4:41, en dat hij hen eens zal in de hel werpen, Luc 4:34.

    Luc 4:33-35 Eens bevond zich in de synagoge een man die bezeten was door een onreine geest en luid begon te schreeuwen: 'Jezus van Nazaret, wat hebben wij met elkaar te maken? Zijt Ge gekomen om ons in het verderf te storten? Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods.' Jezus voegde hem toe: 'Zwijg stil en ga van hem weg.' De boze geest slingerde hem tussen de mensen en ging van hem weg zonder hem enig letsel te hebben toegebracht.

    Luc 4:41 Uit velen gingen ook duivels weg, die schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God.' Hij gaf een streng bevel en liet niet toe dat zij spraken, want zij wisten dat Hij de Messias was.

    Verleidende geesten

    We worden aangemaand geesten, valse profeten, die tot ons komen te beproeven:

    1 Joh 4:1-3 Vrienden, vertrouwt niet elke geest. Onderzoekt de geesten, of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten. Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God; maar iedere geest, die Jezus neerhaalt, is niet van God, en dat is de eigenlijke ‘antichrist'. Men heeft u gezegd dat hij komen zou, maar hij is reeds in de wereld, nu al.

    Met deze aanmaning stemt de mededeling in 1 Tim 4:1-2 overeen:

    De Geest zegt nadrukkelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij gehoor geven aan dwaalgeesten en demonische leringen, verleid door huichelachtige leugensprekers, wier geweten met een brandijzer is toegeschroeid.

    Spiritisten en theosofen hebben contact met verleidende geesten en worden door hen geleerd.

    Demonen en natuurverschijnselen

    God draagt, onderhoudt en bestuurt de waarneembare schepping. En onder Gods toelating speelt zijn tegenstander, satan, ook een rol van veroorzaker van natuurfenomenen. Dat de geest op stof kan inwerken bewijzen wijzelf. Onze onstoffelijke geest staat in wisselwerking met ons stoffelijk lichaam.

    Boze geesten kunnen aardse fysische gebeurtenissen beϊnvloeden.

    Job 2:7-8 En Satan verliet de vergadering. Hij sloeg Job met kwaadaardige zweren van voetzool tot kruin. Job krabde ze af met een scherf, gezeten in as en vuil. 

    Ook de eerdere rampen die Jobs veestapel en kinderen overkwamen, lijken door satan veroorzaakt te zijn. God gaf hem tijdelijk zulk een vrijheid van handelen ten opzichte van Job. De occulte tovenaars van Egypte konden staven in slangen veranderen, water in bloed veranderen en een kikkerplaag veroorzaken. Het Beest uit de aarde zal vuur uit de hemel laten neerdalen op aarde. Openb 13:13

    Afgoderij en demonen

    De H. Schrift openbaart dat afgoderij in wezen aanbidding van demonen is, de afgod zelf is niets.

    Deut 32:17; 1 Kor 10:19-20 Ze offerden aan demonen, niet aan God.

    Lev 17:7; Openb 9:20 Zij zullen niet meer hun offers aan demonen brengen.

    2 Kron 11:15 Jerobeam was zo diep gezonken omdat hij priesters had aangesteld voor de demonen en voor de kalveren die hij gemaakt had.

    Ps 106:37 Sommige Israëlieten offerden hun zonen en hun dochters aan de demonen.

    1 Kor 10:19-21 Achter de aanbidding van afgoeden en afgodsbeelden zitten boze, onreine geesten, zodat het zedelijk onmogelijk is om gemeenschap te hebben met de Heer Jezus en met deze demonen.

    Deut 32:16-17 Zij tartten Hem met vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; aan geesten offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd. 

    Toekomst

    In een toekomstige tijd, wanneer God Zijn oordelen over de aarde zal brengen, zullen de mensen zich niet bekeren, maar demonen en allerlei afgoden blijven aanbidden, Openb 9:20. De geesten van demonen zullen door tekenen de koningen van de aarde verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God, Openb 16:14. En Babylon, het valse godsdienstige stelsel van de eindtijd, zal zijn “de woonplaats van demonen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een schuilplaats van alle onrein en verfoeilijk gevogelte. Openb 18:2

    Wanneer Jezus zijn vrederijk vestigt op aarde, zullen de demonen worden opgepakt en in de hel, die voor hen en de satan is bereid, worden geworpen. Ze zullen in het verderf worden gestort. Ze weten dat hen deze straf te wachten staat.

    Marc 1:24 'Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet, wie Gij zijt: de heilige Gods.'

    De Maagd Maria, de offerzielen en de demonen – 30 jaar van ervaringen als een exorcist vertelt in zijn eigen woorden door Rev. Theodore Geiger.

    In “Maria verplettert de Slang” lezen we:
    “De H. Maagd Maria heeft een klein leger van nobele zielen geselecteerd die bereid zijn alles te lijden en zich vrijwillig aan God te offeren als een holocaust in de verzoening van zielen. Ze heeft hen geselecteerd om rechtstreeks te vechten tegen de demonen. Ze zullen de macht van Lucifers legioenen breken op aarde en zullen hen beroven van een heel deel slachtoffers die hij reeds als de zijne aanzag.”

    "Deze geselecteerde zielen zullen moedig de aanvallen van de demonen dragen. Ze zullen bezetenheid lijden om de zielen van de medemens te bevrijden van het juk van de boze. Ze nemen de plaats in van de schuldigen om hen te bevrijden van de macht van de demon die hun begrip heeft verduisterd en die probeert hun misleide wil te verharden. Het is een wereldwijde strijd tussen de wreedheid van de demon en de liefde van de offerziel voor het kruis.”

    "De offerzielen verduren lichamelijke lijden evenals directe aanvallen tegen de fijngevoelige machten van de ziel. Ze zullen echter overwinnen met hun geestelijke helpers. Hun lagere natuur zal verpletterd worden door demonische martelingen, maar hun hogere geestelijke natuur zal triomferen over de boosaardige geesten door hun vrijmoedige onderwerping aan het lijden. Hun geestelijke machten zullen toenemen naarmate hun lijden toeneemt die ze verdragen, want in elk liefdevol lijden zullen ze een toename van liefde ontvangen.”

    "De macht van de demonen zal geleidelijk verminderen, tenminste uiterlijk.
    Al hun energie zal uitgeput raken in hun hevige aanvallen tegen deze offerzielen. Zou de offerziel standhouden in haar offer, dan zal haar invloed toenemen, en dat van de demon zal geleidelijk verminderen. Daaruit volgt dat de offerziel zal overwinnen en de vijand volledig verpletterd zal zijn. De strijd tussen zo’n offerziel en de demon is een echt duel tot de dood. Ze zijn als twee gladiatoren die gedwongen zijn te vechten tot een slachtoffer valt in de strijd. De demon is vol haat tegen al wat goed is.”

    "Bij jullie is alles liefde, maar bij ons is alles haat.”  Hij houdt van de slechten enkel uit haat voor het goede. Een demon vertelde me dat hij mensen verleidt tot verschillende ondeugden niet omdat hij van deze ondeugden houdt, maar omdat hij hun deugden verafschuwt. Wanneer hij een deugdzame of welwillende ziel ziet die God kan gebruiken om iets kostbaars te voltooien, wordt zijn haat aangestoken en probeert hij alles te doen om die ziel van haar deugden te beroven en probeert hij het haar onmogelijk te maken iets goeds te doen. Hij kan niet voorspellen wat de resultaten van zijn aanvallen zullen zijn. Hij zei me: "We weten niet waar we zullen uitkomen." Hij gebruikt elke kans om kwaad te doen en jaagt blindelings zijn haat tegen het goede na zonder te weten waar hij met zijn woede en zijn streven naar het kwaad zal uitkomen.”

    "Geleid door trots hoopt hij altijd op succes en overwinning. "Ik ben te hoogmoedig," zei hij, "om te geloven dat ik zal falen in mijn poging." Daarom doet hij blindelings voort en tot zijn eigen schaamte is hij een instrument in het brengen van veel goeds. De demon zelf vertelde me dat er vele dingen zijn die gij niet zou doen als hij op voorhand zou weten wat het resultaat is. Al deze verklaringen werden opgenomen in een echte strijd van demonen met hun slachtoffers.”

    "De demon is zich bewust van deze deugdzame zielen die offerzielen zijn en hij weet dat ze veel goeds kunnen doen. Gedreven door haat valt hij hen aan zonder te weten wat de gevolgen zullen zijn, maar hij twijfelt niet aan zijn eigen succes. Hij heeft ze onder zijn controle om hen te doen vallen en om God hun eer te ontnemen. God laat dit toe, maar eens de demonen vrijmoedig heeft ondernomen deze zielen aan te vallen, dwingt God Zijn afgezanten de strijd voort te zetten tot het einde.
    De demon zal ofwel overwinnen of neergeslagen worden. Hij zei mij:"Het lijkt alsof God ons zegt: ‘Ga ervoor!’ ‘Ik moet verder doen.” Ondanks zijn trots om een strijd aan te gaan voor een mogelijke overwinning, weet hij en geeft hij toe dat liefde zal winnen. "Omdat," zegt hij, "liefde machtiger is dan haat."

    "De strijd van deze offerzielen tegen de demonen brengt de heiliging van deze zielen met zich mee. De demon verklaart dat een bepaald aantal van zielen onder de heerschappij is van elke demon die ronddwaalt op aarde. Het doel is niet de demonische bezetenheid zelf, maar eerder de controle over de ziel door zonde en een gewillige aanhang aan het kwaad. Hij aanziet deze zielen als zijn oorlogsbuit, omdat hij hun hart verduistert en daarbij maakt hij hun terugkeer naar het goede bijna moreel onmogelijk.”

    "Over deze zielen wiens wil onderworpen is aan zijn controle zegt de demon: "Wanneer ik de wil van een individu heb, dan bespot ik jullie God." Toch geeft hij toe dat de bekering van die ziel niet onmogelijk is. “Ze kunnen berouw tonen, maar het is zeer moeilijk.”


    "Gelukkig zijn er offerzielen die zich meester maken van deze gekwelde zielen vanonder de greep van de demon. Als ze niet allen op deze manier worden bevrijd, zijn er toch een groot deel zo bevrijd:

    Volgens de bekentenissen van de demonen, verliezen ze hun macht in de strijd met deze offerzielen. Niet alleen verliezen ze het slachtoffer, maar ze worden ook hulpeloos gemaakt. Ze verliezen ook controle over de zielen die hun slaven geworden zijn door zonde. Nadat ze bevrijd werden kunnen deze zielen voor wie de offerzielen hebben geleden en verzoening hebben gebracht voor de Goddelijke Gerechtigheid, opnieuw genieten van Gods barmhartigheid en kunnen ze zich gemakkelijk bekeren. De duivel heeft dan niet langer macht om hen tegen te houden.”

    "Ik vroeg aan een overwonnen demon die gedwongen was om alle zielen te bevrijden die hij in slavernij van zonde hield: "Zijn al deze zielen bekeerd?" Waarop hij antwoordde : "Sommigen zijn inderdaad bekeerd; de anderen kunnen zich bekeren als ze willen."
    De hulpeloze demonen blijven in hun slachtoffers achter als in een gevangenis, zonder de mogelijkheid te hebben ergens anders te gaan, of extern actief te zijn. Ze wachten op de nederlaag van hun hele groep, wat gebeurt als hun leider volledig overwonnen is. Van zodra hun leider alles verloren heeft dat hij en zijn metgezellen hebben bezeten op aarde, moet hij terugkeren naar de hel, en moet hij al zijn volgelingen meenemen. Want de demonen zeiden mij: “We kunnen niet op aarde blijven als we hier niet langer de controle uitoefenen."

    "Een demon deed de volgende bemerking nadat ik hem had gedwongen om een non te verlaten over wie ik een exorcisme had uitgevoerd: "Laat me hebben wat ik bezit op aarde en ik zal haar onmiddellijk verlaten. Maar als ik uit haar moet vertrekken, dan moeten we alles opgeven en terugkeren naar de hel. Omwille van deze reden laat God ons toe om ons tot het allerlaatste te verdedigen."

    "De demonen beweren dat de zonden van de mens hen macht over hen geven. Ze zeggen dat God demonen toelaat om te houden wat ze hebben overwonnen door de misleide wil van de mens, en enkel de vrije wil van de mens kan van hen wegnemen wat de vrije wil van de mens hen heeft gegeven. Door het vrijwillig lijden van de offerzielen worden de demonen beroofd van wat de mensen hen gegeven hebben door zonde.”

    "Gedurende het exorcisme van een offerziel vroeg ik de demon wanneer het lijden van dit slachtoffer zou ophouden. Hij antwoordde dat het volledig afhing van de offerziel zelf. Ze moest enkel het verlangen hebben haar lijden te beëindigen en de demonen gerust laten in plaats van tegen hen te strijden om ze te beroven van gevangen zielen. "Ze zou bij haar geliefde (Jezus) moeten blijven,” zei de demon van het slachtoffer, "en we zullen haar in vrede laten… Waarom  bemoeit ze zich in onze familie? Omdat ze het niet anders wilt.
    Ze is er tevreden mee."

    "De demon geeft toe dat de offerziel wilde lijden en dat door dit lijden ze in het rijk van de demon binnendrong en zielen roofde van hem. Volgens de demonen is het de Heilige Maagd die de lijdende zielen tegen de demonen leidt en hen dwingt te strijden tegen de offerzielen tot ze overwonnen zijn. De H. Maagd verbindt een leider aan een offerziel. Wanneer een groep hulpeloos is gemaakt, volgt een andere om hetzelfde lot te ondergaan…”

    "Dat een zwak menselijk schepsel, een offerziel, hen overweldigt vernedert de trots van de demonen. "Zij (de H. Maagd) zou zelf moeten komen om ons te verpletteren," schreeuwde de overwonnen en vernederde demon, "maar te denken dat twee zwakkelingen zoals jij en zij (de exorcist en het slachtoffer) mij op zo’n manier vernederen…!"


    16-11-2017 om 19:40 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Heiligheid - deel 6

    2 Hoop

    Hoop is essentieel

    Hoop is een noodzakelijk onderdeel voor een volledig, vervuld leven als christen. Er is het gezegde ‘Waar hoop is, is leven’, of ‘Hoop doet leven.’ Daar zit volgens mij veel waarheid in. Maar laat ik zeggen dat het omgekeerde ook waar is: ‘Waar geen hoop is, daar is geen leven.’ Naar mijn mening is hopeloosheid één van de meest trieste dingen die een mens kan meemaken. Ik kan me moeilijk iets droevigers en uitzichtlozers voorstellen dan wanhoop  – en toch, ontelbare miljoenen mensen in onze wereld vandaag zijn hopeloos. Maar gelukkig, je hoeft niet hopeloos te zijn en je kan zelfs anderen helpen om uit die beproeving te komen!

    Samenwerken

    Om ons begrip van hoop te vergroten, kijken we naar 1 Tess 1:2-6. In deze passage laat Paulus een beeld zien van Gods volk, de christenen van Thessalonica, die genieten van hun hele erfenis. Ze hebben geloof, ze hebben hoop en ze hebben liefde. Let erop dat hij alle drie deze deugden vermeldt en dat hij God voor hen dankt. Dit is wat Paulus zegt:

    Wij zeggen God dank voor u allen, telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden. Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. Wij weten, broeders, dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren, want wij hebben u het evangelie verkondigd niet alleen met woorden maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging. Gij weet trouwens zelf wel hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw heil. En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest. 

    Het is duidelijk dat de geestelijke gesteldheid van deze christenen in Thessaloniki Paulus ervan overtuigde dat zij echt mensen waren die in God waren. Wat hij in hen zag waren deze drie voortdurend aanwezige realiteiten: geloof, liefde en hoop. In het woord van goedkeuring dat hij over hen uitspreekt, gebruikt hij een aantal karakteristieke woorden om te beschrijven wat er aan elk van deze waarheden zo bijzonder is. Hij heeft het over het werkdadig geloof, de onvermoeibare liefde en de standvastige hoop. Tegen christenen in Thessalonica zegt hij: ‘de standvastigheid van (jullie) hoop’. We zien dus dat hoop volharding, vasthoudendheid, standvastigheid, uithoudingsvermogen voortbrengt. Zonder deze kwaliteiten van uithoudingsvermogen, standvastigheid en volharding die hoop produceert, zouden we gemakkelijk de eerste twee deugden – namelijk geloof en liefde – kunnen verliezen.

    De bron van hoop

    Hoe kunnen we deze hoop verkrijgen? Het antwoord is dat hoop het directe resultaat is van de wedergeboorte. Ze is het directe gevolg van het door de Heilige Geest wederom geboren worden door geloof in Jezus Christus. Hoop komt niet door gewoon algemeen geloof in Jezus Christus, maar eerder een specifiek geloof in Zijn dood, begrafenis en opstanding. Deze waarheid bevestigt de apostel Petrus in zijn eerste brief:

    Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood. (1 Petrus 1:3)

    Let op die erg belangrijke zin: ‘herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood’ Dit leert ons dat als wij geloven in de dood van Jezus Christus en Zijn opstanding we geboren worden in een levende hoop. Hoop komt in ons door de verrijzenis van Jezus Christus uit de dood. We moeten deze ultieme, historische basis voor alle hoop goed begrijpen. De basis voor werkelijke, blijvende hoop is de opstanding van Jezus. Zonder de opstanding van Jezus, zou het leven hopeloos zijn. Het is de opstanding van Jezus die ons in een levende hoop brengt.

    Hoop gaat door

    Het is belangrijk om ons te realiseren dat deze hoop moet blijven doorgaan tot de voltooiing van onze redding. We zien een andere essentiële waarheid in dezelfde brief van Petrus, vers 13:

    Weest daarom wakker en actief, weest nuchter, vestigt heel uw hoop op de genade die uw deel wordt, wanneer Jezus Christus zich zal openbaren.

    Wat Petrus hier zegt, is dat het proces van redding nog niet compleet is. Het zal uiteindelijk pas volledig voltrokken worden bij de Tweede Wederkomst van Jezus Christus. Intussen moeten wij onze hoop volledig stellen op die toekomstige gebeurtenis. Terwijl wij onze weg gaan door dit leven, moeten wij aan dit bevel van Petrus gehoorzamen. Wij moeten onze hoop volledig stellen op de genade en zegen die ons ten deel zal vallen door de terugkomst van Jezus in heerlijkheid.

    Tot het einde

    Zoals dit belangrijke principe, brengt de schrijver van Hebreeën een ander belangrijk facet van hoop naar voren in Hebreeën 3:6:

    ​Christus echter is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop die onze trots is ongeschokt bewaren tot het einde.

    Let er opnieuw op dat deze hoop moet worden vastgehouden tot het einde toe. We mogen ons hopen niet opgeven, totdat die vervuld is door de gebeurtenis. Dat is waarom de schrijver van Hebreeën de aansporing hierboven geeft. Om deel te zijn van het volk van God, moeten we ons vertrouwen en de vrijmoedigheid van onze hoop vastberaden vasthouden tot het eind.

    De soort hoop die we moeten vasthouden is geen passieve, innerlijke verwachting. Nee, het is eerder heel sterk, heel zelfverzekerd, vol vertrouwen. Het is een hoop die het uitroept, die vrijmoedig de Heer roemt. Deze opdracht om uitdrukking te geven aan onze hoop en zo die hoop in stand te houden, is deel van wat God voor ons heeft voorzien. De voortdurende verklaring van onze zekere verwachting van de komst van de Heer Jezus en de opstanding uit de dood - tot het einde van ons leven of de komst van Jezus Christus. Uit: www.derekprince.nl

    Hoop is een bovennatuurlijke deugd waarbij we vertrouwensvol Gods belofte verwachten, het eindeloze geluk van de Hemel en de noodzakelijke middelen om het te bereiken. Om overtuigd te zijn van de onschatbare waarde van deze deugd, en het voortdurend in praktijk brengen ervan, is het goed om de doelstelling van onze hoop te overwegen. Het eerste doel van onze hoop is het bezit van God in de Hemel. De hoop om God eeuwig in de Hemel te bezitten is verenigd met liefde, want enkel in de Hemel zal de voltooiing en perfectie van liefde gevonden worden. Volgens de leer van de H. Thomas sluit liefde de hoop op een beloning die God heeft voorbereid voor ons in de Hemel niet uit. Want God alleen is het doel van het eeuwig geluk voor de uitverkorenen.

    “Het goede waar ik op hoop,” zegt de H. Franciscus van Assisi “is zo groot dat alle lijden voor mij een plezier wordt.” Dit verlangen is een daad van perfecte liefde. De H. Thomas leert ons dat de hoogste graad van liefde wat een ziel op aarde kan bereiken is een vurig verlangen naar de Hemel, om daar verenigd te zijn met God en Hem voor eeuwig te bezitten. Kardinaal Bellarmine denkt dat in het Vagevuur er een plaats is waar zielen geen pijn door de zintuigen ervaren, maar gemarteld worden enkel omdat ze de aanwezigheid van God missen. De H. Gregorius, de H. Vincent Ferrer, de H. Brigitta en de H. Bede noemen een aantal omstandigheden op waar de zielen worden gemarteld niet op basis van hun zonden, maar omdat ze geen verlangen hadden naar de Hemel. Er zijn zielen die streven naar perfectie, maar zonder enig speciaal verlangen om de aarde te verlaten en verenigd te zijn met God. Maar sinds het eeuwig leven een kostbare schat is dat Jezus Christus voor ons heeft gekocht door Zijn dood, moeten de zielen die maar een zwak verlangen hadden later lijden hiervoor. Er zijn drie dingen noodzakelijk voor het bereiken van het eeuwig leven: de vergeving van onze zonden, de overwinning over bekoringen en de kroon van alle genaden: een heilige dood. Deze drie zaken zijn de voorwerpen van onze hoop.

    De vergeving van onze zonden

    Aan elke zondaar die berouw toont, belooft God vergeving. God zal een berouwvol en nederig hart niet weigeren. Het is Jezus Christus, onze Verlosser die het oordeel zal vellen, maar het zal ook onze liefdevolle Verlosser zijn die om ons te redden van de eeuwige dood, zichzelf heeft overgeleverd aan de dood, en dit nu handelt als onze voorspreker bij de Vader in de Hemel. “We moeten dus niets vrezen,” zegt de H. Thomas van Villanova, “zolang we onze zonden haten.” In de openbaringen van de H. Maria Magdalena de Pazzi lezen we dat op een dag God tot haar sprak: “Door de wraak die Ik uitwerkte op het lichaam van Mijn Zoon, veranderde Mijn gerechtigheid in genade. Zijn Bloed schreeuwt niet om wraak, zoals het bloed van Abel; het vraagt om barmhartigheid, en Mijn gerechtigheid kan zijn smeking niet weerstaan. Het bloed van Jezus bindt de handen van Gerechtigheid zodat ze niet kunnen opgeheven worden om te straffen.”

    Overwinning over bekoring

    Om ons overeind te houden in de genade van God is het noodzakelijk om onze hoop te plaatsen op de verdiensten van Jezus Christus, en niet te bouwen op onze eigen kracht. We moeten ons vertrouwen niet stellen op onze goede voornemens. Met Zijn hulp zullen we volhouden. Er zullen keren zijn wanneer bekoringen zo hevig zijn dat de zonde onvermijdelijk lijkt, maar dan mogen we onze moed niet verliezen en ons haasten naar de gekruisigde Jezus. Alleen Hij kan ons helpen. De Heer laat soms zo’n stormen van bekoringen toe, zodat we onze eigen zwakheid ondervinden en dat we onze miserie erkennen en “niet vertrouwen op onszelf maar in God, die de doden verrijst” (2 Kor 1:9). We moeten dan nederig om Zijn hulp vragen zodat we ons niet overgeven. Dan geeft Hij in Zijn genade ons de kracht om onze vijanden te weerstaan.

    Een goede dood

    We hopen op de genade van een goede dood. Het uur van de dood is voor ons de tijd van de grootste benauwdheid. Jezus alleen kan ons de kracht geven om te lijden, met geduld en verdiensten, en de beproevingen op dit laatste beslissende moment te verduren. Bij het naderbij komen van de dood hebben we meer dan ooit te vrezen voor de aanvallen van de Hel. Hoe dichter we bij ons doel komen, hoe meer de Hel er naar zal streven om te voorkomen dat we in de Hemel geraken. De Heer wenste de menselijke natuur en zijn miserie te ervaren, zodat hij beter medelijden met ons kon hebben. Op deze manier kon Onze Heer ons beter bijstaan om ons te helpen in alle bekoringen van het leven, en vooral in het uur van de dood.

    Beweegredenen voor onze hoop

    De eerste vinden we in de beloften die door God gedaan zijn. Op bijna elke bladzijde in de H. Schrift vinden we redenen om te hopen op de Heer. We lezen er dat God eeuwige redding belooft en de middelen om het te bereiken als je in Hem gelooft en bidt: “Amen, amen, Ik zeg jullie: als je de Vader iets in mijn naam vraagt, zal Hij het je geven.” (Joh 16:23). De beloften worden aan alle mensen gegeven zonder uitzondering. De Hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar de woorden en beloften van God zullen niet voorbijgaan. “Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar.” (Hebr 10:23)

    De tweede beweegreden van onze hoop is het oprechte verlangen van onze Heer om ons gelukkig te maken. God houdt van alle mensen, Hij moet dus ook verlangen dat alle mensen het eeuwige geluk bereiken, want dit is het hoogste en enige goed van de mens sinds het het doel is waarom de mens is geschapen. “Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknechten geworden van God, oogst gij heiligheid en tenslotte eeuwig leven.” (Rom 6:22) De Heer wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat ze boete doen en gered worden. We moeten onszelf niet veroordelen tot eeuwige verdoemenis.

    De derde beweegreden is dat we de verdiensten van Jezus Christus hebben gekregen. Door onze zonden hebben we een goede reden om de eeuwige dood te vrezen, maar we hebben nog meer reden om te hopen op het eeuwig leven door de verdiensten van Jezus Christus. En ze zijn krachtiger om ons te redden dan dat onze zonden zijn om ons te vernietigen. Hij heeft de straf van God op het Kruis genageld en het uitgeveegd met Zijn Kostbaar Bloed. We kunnen dus hopen op vergeving en op eeuwige redding. Het enige dat we moeten doen is naar Jezus gaan en vragen dat Hij ons helpt. Hij is het die genade kan schenken. De verdiensten van Jezus hebben voor ons de schat van God geopend voor ons doordat Hij voor ons het recht heeft verdiend op alle mogelijke genaden die we maar kunnen wensen.

    Een vierde beweegreden is de machtige voorspraak van Maria onze Moeder. De H. Bernardus zegt dat we toegang hebben door de Eeuwige Vader door Zijn Goddelijke Zoon, die de bemiddelaar is in gerechtigheid. Maar we hebben toegang tot de Zoon door Zijn heilige Moeder, die de middelares is van genade en die, door haar voorspraak voor ons verkregen heeft wat Jezus heeft verdient door Zijn dood. Alle deugden en genaden die we ontvangen van God komen tot ons door de voorspraak van Maria. Dit heeft God zo gewild. De H. Bernardus roept ons op om voortdurend ons tot Maria te wenden, omdat haar verzoeken zeker worden beantwoord. Zij is de ladder van veiligheid voor de arme zondaars. De heilige noemt Maria zijn grootste zekerheid en de enige grond van zijn hoop. Hij die deze goede Moeder liefheeft en zich onder haar bescherming plaatst kan zeggen met de H. Bonaventuur: “Ik ben verheugd want mijn vonnis op het laatst Oordeel hangt af van Jezus, mijn Broeder en op Maria, mijn Moeder.”

    Eigenschappen van onze hoop

    Eerst en vooral moet onze hoop vast zijn en onwankelbaar. Er is een verschil tussen menselijke hoop en Christelijke hoop. Menselijke hoop is altijd verbonden met de vrees dat degene die een belofte gedaan heeft zijn gedacht zal veranderen. Christelijke hoop, daarentegen, die kijkt naar de eeuwige redding, heeft geen twijfel of vrees dat God Zijn belofte houdt. De Heer verleent ons met plezier het eeuwig geluk, en Hij heeft het belooft aan alle die Zijn geboden onderhouden.

    Ten tweede moet onze hoop enkel en alleen op God gebaseerd zijn. Dat wil echter niet zeggen dat Maria hierbuiten staat. Jezus verlangt om ons te verrijken met Zijn genaden; maar als een groot vertrouwen van onze kant nodig is om ze te verkrijgen, heeft Hij om ons vertrouwen te vergroten, ons Zijn eigen Moeder gegeven als onze Moeder en Middelares om ons te helpen. Daarom wenst Hij dat onze hoop op redding en van alle deugden en genaden in haar gesteld wordt. Door Maria te aanroepen met vertrouwen, is het niet dat we de barmhartigheid van God niet vertrouwen, maar gewoonweg dat we onze onwaardigheid  vrezen.

    Ten derde moet onze hoop een actieve hoop zijn. We moeten handelen alsof het verkrijgen van onze redding volledig van onszelf afhangt, en toch al ons vertrouwen in God stellen en ervan overtuigd zijn dat we niet in staat zijn ons verlangen te bereiken. God voltooid alles door middel van Zijn genade, maar Hij verlangt toch onze medewerking. We moeten dus bidden en de Geboden van Christus navolgen.

    13-11-2017 om 21:57 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boodschappen aan Mario te Brindisi : tot en met 5/11

    “Ik nodig jullie uit om al Mijn boodschappen te beleven want zij zullen jullie vervullen van zuivere Liefde, Mijn moederlijke liefde.”

    5 oktober 2017 : De Moeder van Verzoening aan Mario d’Ignazio in de Gezegende Tuin van de wijk Santa Teresa, Brindisi 

    Vandaag wenste het heilige Hemelse Hof om ons met eindeloze liefde te overstromen en liet ons allen deze buitengewone gebeurtenissen intens beleven: de verschijning van de Madonna, het afscheiden van de heilige olie, de verschijning van Jezus die mij de Heilige Eucharistie gaf. 

    Mario: Vlak voor het begin van de heilige Rozenkrans stond ik bij het beeld van de Heilige Michael en ik begroette enkele pelgrims uit Duitsland die gekomen waren om de Maagd van de Verzoening te eren en daarna verscheen Onze Heer Jezus. Hij was helemaal gekleed in het wit en werd omgeven door een immens licht, een licht dat niet kan beschreven worden met een bestaande kleur. Nadat Hij mij met het kruisteken zegende en mij de Heilige Eucharistie gaf zei Hij: 

    “Ik zegen je in Mijn Heilige Naam. Ik ben Jezus, de Goede Herder.

    Mijn zoon, ontvang Mijn Heilig Lichaam en aanbid Mij.

    Ik wens dat de kleine kudde trouw blijft aan Mijn Heilig Evangelie van Leven en dat ze zich voeden met Mij, het Hemels Brood. Zij die zich met Mijn Heilig Lichaam voeden, zullen eeuwig leven.” 

    De Maagd Maria verscheen helemaal gekleed in het wit, gekroond door twaalf schitterende sterren en met een lange rozenkrans aan Haar rechterarm. De Madonna was buitengewoon stralend. Zij heeft de mensen allemaal gezegend en naar hen gekeken met ogen van oneindige moederliefde. De Heilige Moeder heeft gezegd: 

    “Geloofd zij Jezus Christus.

    Lieve kinderen, Ik wil nog lang bij jullie blijven en jullie opvoeden om intens te beminnen, te vergeven en te heiligen met het gebed. Ik nodig jullie uit om al Mijn boodschappen te beleven want zij zullen jullie vervullen van zuivere Liefde, Mijn moederlijke liefde.

    Blijf standvastig in de Leer van Jezus door je broeders te vermanen tot bekering van het hart. De weg van de bekering geldt voor iedereen want God maakt geen onderscheid tussen personen. God bemint iedereen en verlangt dat iedereen herrijst door Zijn Geest van Leven. In deze maand zul je veel dank ontvangen wegens Mijn tussenkomsten van universele Moeder. Ik verenig jullie allen met Mijn heilige geparfumeerde olie om jullie te zegenen in de naam van de Allerheiligste Drie-eenheid die Mij naar de aarde zendt." 

    Mario: Toen Zij de laatste woorden sprak begon uit de sokkel van het beeld van O.L.Vrouw van Fatima, waar het beeld op staat, de geparfumeerde olie van de Heilige Maagd te vloeien. De olie kwam er zo overvloedig uit dat er meer vaatjes nodig waren om alles te verzamelen.

    Berichten ontvangen door mario, tijdens de meetings in het buitenland op 28 oktober 30, 29 oktober 2017, terwijl ze bidden voor de rozenkrans voor zijn getuigenis.
    Net als andere keren werd mario in het buitenland uitgenodigd voor zijn publieke evangelisatie, over de authentieke verschijning van contrada s. Teresa -. honderden en honderden gelovigen, priesters en religieuze, bezochten zijn vergaderingen. In elke vergadering werd de heilige rozenkrans gebeden, er was een buitengewone verschijning van de goddelijke moeder. Men waardeerde de aansporingen van de kleine eik, ook de moeder van god, door het kleine teken van kruis op het voorhoofd - en de uitstorting van de heilige geest - door de handen van mario ware leerling en apostel van de heer. Vele mooie emoties hebben de harten van de mensen gevuld, die voortaan het beeld van maria maagd van verzoening zullen eren, met grote toewijding en waardering voor de hemel. Denk aan de berichten in deze dagen van genade door mario, ware krijger van de heilige harten, verenigd naar het voorbeeld van de heilige Jeanne d'Arc zijn gids en beschermer, evenals voorbeeld om te volgen in de vernietiging van de ketterij nl. de vrijmetselarij. Die bestaat uit valse christenen en valse bedienaren van de Kerk, vervolgers van de verschijningen.

    28 oktober

    De madonna verschijnt in het wit. Nadat hij ons gezegend had met het teken van het kruis, zei hij:

    "wees gezegend, geprezen H. Drie-eenheid. Mijn kinderen, open je hart en aanroep mij elke dag. Ik heb veel tekenen gegeven met mijn jezus, maar veel harten zijn hard, ze geloven niet in het goddelijke en zijn klaar om te oordelen, en veroordelen elk teken dat van boven komt. Kinderen, geloof in ons in de hemel en veracht onze hulp en onze wonderbaarlijke wonderen niet. De man van vandaag is erg sceptisch en geen teken kan hen bekeren tot hun Vader (behalve door een speciale gratie). Laat me je vertrouwen in mijn hart, wijd het toe, om te leven als echte christenen. De ware christen houdt van iedereen en bidt voor iedereen. Wees barmhartig en luister naar mijn instrument die zo vervolgd wordt en verkeerd begrepen door de meesten. Zegen met een klein teken van kruis op het hoofd van mijn kinderen en leg hen hun handen voor de uitstorting van de geest van de liefde".

    29 oktober

    De maagd maria verscheen in het wit. Hij zei:

    "Loof jezus christus.
    Ik ben de levende moeder. In deze heilige vergadering van het gebed en eerherstel en ik ben hier door het bevel van de vader. Ik dring er bij u op aan om in de vrede van de heer te blijven en niet te vrezen voor de vervolging van de agenten van het beest. Mijn verschijningen zullen steeds meer worden bestreden en als onnodig worden beschouwd, maar zal de naties en de kerk van zo ' n verwarring redden. Bevrijd jezelf van elke angst en laat mij jou naar de Heer jezus leiden. Bid dat de harten de oproepen verstaan en navolgen, anders zullen zij in de hel vallen en met hen allen die in hen geloven. Het is tijd om mij te volgen en mij zonder twijfel te eren.”

    30 oktober

    De maagd maria is in het wit en dicht bij haar is de H. aartsengel Michael.

    "Loof jezus christus.
    Lieve kinderen, vandaag ben ik hier onder jullie, omdat ik jullie wil zegenen met mijn moederlijke liefde. Ik verzamel jullie allemaal onder mijn mantel en jullie zullen veilig zijn: beschermd. Geloof is als een vlam die altijd gevoed moet worden: bidden. Je moet volledig van christus zijn, ver van de wereld en alleen in god. Ik laat je niet achter. Wees op je hoede voor iedereen die bij je in de buurt komt, om hulp vragen, stuur ze naar mij. Vandaag is de H. Michael hier om je te bevrijden van satan die je kwelt met zijn verleidingen en vleierij. Bid elke dag mijn rozenkrans ".

    Heilige Aartsengel Michael, 
    machtige hemelse strijder, 
    help ons met uw zegen, 
    bevrijd ons door uw macht, 
    verdedig ons met uw hemelse legermacht.
    aan u vertrouwen wij ons toe,
    bescherm ons en neem ons mee naar het Hoogste Goed.
    H. Michael, onze hemelse bewaker, 
    kom ons te hulp en vertroost ons, 
    o bewaker van degenen die geloof hebben, 
    vervul ons met de liefde van de Vader, 
    de vrede van de Zoon, 
    de genade van de Heilige Geest. Amen.

    5 november 2017 : Boodschap van de Maagd van de Verzoening  aan Mario d’Ignazio in de Gezegende Tuin van de wijk Santa Teresa, Brindisi

    De H. Maagd Maria verscheen helemaal wit gekleed met Haar Hart zichtbaar en omringd door drie gele rozen. 
    De Maagd Maria: "Geloofd zij Jezus Christus."
    Mario: "In alle eeuwigheid.”

    De Gezegende Moeder: "Ik zegen jullie Mijn kleintjes in de Naam van de Allerheiligste Drievuldigheid die Mij naar de aarde zendt om jullie aan te sporen tot gebed en tot vrede.
    Ik heb jullie vele tekens en boodschappen gegeven in deze jaren. 
    Prijs God voor dit alles; wees dankbaar jegens de Heer voor elke ontvangen genade op deze heilige plaats veracht door atheïsten en valse Christenen die niet tot de ware Christus behoren. Velen geloven dat ze Mij toebehoren, maar in waarheid behoren ze niet bij Mij omdat ze leven gebonden aan de dingen van deze wereld. 
    Blijf verenigd in de beproeving en verwijder jullie niet van Mij. De Boze zal vernietigd worden met heel zijn leger. Bid, bid en wees alleen maar van Mij.”

    Mario na de verschijning: De Madonna was bijzonder schitterend, stralend. Dit licht omhult me elke keer volledig en breidt zich uit naar allen: het is het Licht van God, want de Allerheiligste Maagd Maria brengt Gods Licht om ons te bevrijden van duisternis. 
    Onze ziel, om beter gelijkvormig te worden met Jezus Christus en om steeds meer en meer op Hem te gaan gelijken, moet vele beproevingen, vele tegenslagen, vele obstakels overwinnen. Zij moet de strenge winter ervaren van misverstand, veroordeling, vonnis. Maar eenmaal overwonnen worden we één in Jezus Christus en het mooie komt bij ons tot uiting omdat er het goede is. Dat goede kan alleen ontstaan door onze overgave aan de Goddelijke Wil, vast in Jezus te geloven en Jezus zal het goede voortbrengen dat Hijzelf is: Jezus is het Hoogste Goed!
    Dank aan de Maagd Maria die ons ook op deze 5de november is komen zegenen. Laten we het gebed van de heilige Rozenkrans blijven bidden bijzonder voor de zielen van onze overledenen, voor allen die we tijdens ons leven hebben gekend en die van ons hielden, ons hebben geholpen, aangemoedigd, ondersteund en getroost. 
    Laten we deze zielen niet vergeten, dierbaar aan God, zodat ze in het Paradijs kunnen komen en niet meer moeten lijden zodat ze vrede, licht en vreugde in God kunnen vinden, deel uitmaken van het Hemelse Hof en het Licht van Christus kunnen ervaren, het Licht van Zijn Wederopstanding en eens in de Hemel voor ons allemaal kunnen bemiddelen.

     

     

    13-11-2017 om 13:38 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pastor Enoc 6/11

    MIJN VOLK, ALS EEUWIGE EN SOEVEREINE PRIESTER, VRAAG IK JULLIE OM VELE GEBEDEN EN EERHERSTEL VOOR DE PRIESTERS. MIJN KERK IS IN EEN CRISIS, HET SCHISMA KOMT NADERBIJ, LAAT ZE NIET IN DE STEEK!

    6 november 2017  1:55 PM

    DRINGENDE OPROEP VAN JEZUS, DE EEUWIGE EN SOEVEREINE PRIESTER AAN ZIJN TROUWE VOLK

    Mijn vrede zij met jullie, mijn Volk.

    Mijn kinderen, elke dag wordt de geestelijke strijd heviger; de krachten van het kwaad vallen mijn kudde aan, de zwaarste aanvallen zijn voor mijn Uitverkoren Zonen en mijn Instrumenten, door de missie die ze moeten voltooien. Bid veel, mijn kleintjes, voor mijn Priesters en hoogwaardigheidsbekleders van mijn Kerk, omdat mijn tegenstander hen hevig aanvalt. Houd met hen rekening in jullie gebeden, laat ze niet alleen, omdat mijn tegenstander hen wil doen vallen in het priesterlijk ambt dat ik hen heb toevertrouwd.

    De rozenkrans van mijn Moeder met de Droevige mysteries, het kroontje van mijn wonden en het kroontje van mijn Allerkostbaarste Bloed, zijn krachtige wapens die de plannen van het rijk der duisternis vernietigen. Dompel, mijn kinderen, mijn priesters in mijn wonden, zodat het kwaad ze niet doet afkeren van hun priesterlijk ambt; bid en doe eerherstel voor mijn uitverkoren Zonen en in het bijzonder van degenen die verloren gaan door het modernisme, het vlees, New Age, de zorgen en de pleziertjes van deze wereld.

    Mijn volk, vele van mijn uitverkoren Zonen geloven niet meer in de transsubstantiatie, van mijn Lichaam en mijn Bloed; bepaalde priesters dragen de mis op in snel tempo en anderen enkel om zich aan de orders te houden. Wat een grote smart voel ik in mijn Liefdevolle Hart, als ik deze priesters zie van mijn Kerk, die het Heilige Priesterambt bezoedelen! Hun onverschilligheid en hun nalatigheid, doen mijn Hart bloeden. Hoeveel lijd ik en ween ik als ik zoveel van mijn Priesters zie die zich laten verleiden door de New Age! In vele van mijn Huizen zijn er Priesters, die yoga, reiki en andere occulte technieken praktiseren. En het droevigste, is dat ze mijn kudde besmetten en het laten doorgaan alsof het goddelijk is.

    Vele van mijn huizen zijn wereldse huizen geworden, men organiseert er feesten en markten en activiteiten die niets met het religieuze leven te maken hebben. In vele van mijn huizen, zijn er priesters die onzuivere daden plegen; de geest van Asmodeus is er binnengedrongen. Welke droefheid voel ik als ik al deze degradatie binnen mijn Kerk zie! Iedereen zwijgt, niemand staat recht, deze schuldige stilte is een belediging voor mijn Goddelijkheid die mij diep verdrietig maakt en de Hemel doet wenen.

    Vele van mijn uitverkoren Zonen, zijn tegenwoordig als Judas die me verraadde, ze laten zich verleiden door de wereld en het vlees en ze hebben de deuren van mijn huizen geopend voor mijn tegenstander. In vele huizen woont mijn Heilige Geest niet meer. O ontrouwe priesters, als jullie geen berouw tonen en geen eerherstel bieden voor jullie grove beledigingen, verzeker ik jullie dat de eeuwige dood jullie beloning zal zijn! Wanneer jullie aankomen in de eeuwigheid, laat ik het gewicht van mijn Gerechtigheid los op jullie, ontrouwe priesters en jullie zullen sterven zoals de vetgemeste schapen! Ik doe een dringende oproep aan jullie, ontrouwe priesters van mijn Kerk, zodat jullie terug op de goede weg komen, voor de komst van mijn Waarschuwing; omdat als jullie het niet doen, en jullie komen in de eeuwigheid aan, de plaats die jullie zal wachten zal het rijk der duisternis zijn.

    Mijn volk, als eeuwige en soevereine priester, vraag ik jullie veel gebeden en eerherstel voor mijn priesters. Mijn Kerk is in een crisis, het schisma komt naderbij, laat de Kerk niet in de steek. Bid rozenkransen, vast en doe boete, voor heel mijn clerus; zodat de Wijsheid en het Licht van mijn Heilige Geest mijn Kerk en mijn priesters kan leiden op de weg van de zaligheid.

    Jullie Meester, Jezus, eeuwige en soevereine Priester

    Breng mijn boodschappen naar al mijn uitverkoren Zonen

    13-11-2017 om 07:27 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mariale dogma's - deel 4

    In deze context zal het Mariale jaar een nieuwe en diepgaande lezing moeten bevorderen ook van wat het Concilie gezegd heeft over de heilige Maagd Maria en Moeder van God in het mysterie van Christus en de Kerk, van datgene dus waarop de overwegingen van deze encycliek zich beroepen. Het gaat hier niet alleen over de geloofsleer maar ook over het geloofsleven en dus over de authentieke ”Mariale spiritualiteit”, gezien in het licht van de Traditie en in het bijzonder van de spiritualiteit waartoe het Concilie ons opwekt. 

    De Mariale spiritualiteit vindt evenals de overeenkomstige devotie bovendien een uitermate rijke bron in de historische ervaring van de personen en de verschillende christelijke gemeenschappen die overal op aarde leven onder de diverse volken en naties. In dit opzicht wil ik graag onder de vele getuigen en meesters van deze spiritualiteit herinneren aan de heilige Louis Maria Grignion de Montfort die aan de christenen de toewijding aan Christus door Maria voorhield als doeltreffend middel om te leven in trouw aan de verplichtingen van het doopsel. Met voldoening merk ik op dat ook in onze dagen nieuwe uitingen van deze spiritualiteit en devotie niet ontbreken.

    Wij hebben dus veilige oriënteringspunten waarop wij ons kunnen richten en waarmee wij ons kunnen verbinden in de context van dit Mariale jaar.

    Het zal beginnen op het hoogfeest van Pinksteren, 7 juni a.s. Het gaat er niet alleen om te herdenken dat Maria ”is voorafgegaan” aan de intrede van Christus de Heer in de geschiedenis van de mensheid, maar tevens om in het licht van Maria te onderstrepen dat de geschiedenis van de mensheid vanaf de verwerkelijking van het mysterie van de menswording binnengetreden is ”in de volheid van de tijd” en dat de Kerk het teken van deze volheid is. De Kerk maakt als volk Gods haar pelgrimstocht naar de eeuwigheid in geloof temidden van alle volken en naties vanaf de dag van Pinksteren. De Moeder van Christus die aanwezig was aan het begin van de ”tijd van de Kerk” toen zij de Heilige Geest afwachtte en ijverig in het gebed volhardde temidden van de apostelen en leerlingen van haar Zoon, blijft de Kerk ”voorgaan” op deze tocht door de geschiedenis van de mensheid heen. Zij is ook degene die precies als dienstmaagd des Heren onophoudelijk meewerkt aan het heilswerk dat Christus, haar Zoon, verricht.

    Zo wordt door middel van dit Mariale jaar de Kerk opgeroepen, niet alleen om alles te herdenken wat in haar verleden getuigt van de speciale moederlijke medewerking van de Moeder Gods aan het heilswerk in Christus de Heer, maar ook om van haar kant voor de toekomst de wegen voor te bereiden van deze medewerking: want het einde van het tweede christelijk millennium opent als het ware een nieuw perspectief.

    Er is reeds aan herinnerd dat ook onder de gescheiden broeders velen aan de Moeder van de Heer de verschuldigde eer bewijzen, vooral onder de oosterse christenen. Het is een mariaal licht dat op het oecumenisme valt. Ik wil er speciaal nog aan herinneren dat gedurende het Mariajaar de duizendste verjaardag gevierd zal worden van het doopsel van de heilige Wladimir, Grootvorst van Kiev (in het jaar 988), dat het begin was van het christendom in de gebieden van het Rus’ van die tijd en vervolgens in andere gebieden van Oost-Europa. Langs deze weg is door het werk van de evangelisatie het christendom ook buiten Europa verspreid tot in de noordelijke streken van het Aziatische continent. Wij zouden ons dus vooral gedurende dit jaar in gebed willen verenigen met allen die deze duizendste verjaardag van dit doopsel vieren, orthodoxen en katholieken, en wij hernieuwen en bevestigen met het Concilie de gevoelens van vreugde en troost omdat ”de oosterse Christenen . . . met vurige geestdrift en vrome zin wedijveren om de Moeder van God, altijd Maagd, te vereren”. 

    Ook al ondervinden wij nog steeds de smartelijke gevolgen van de scheiding die enige tientallen jaren later (in het jaar 1054) heeft plaatsgevonden, toch kunnen wij zeggen dat wij ons tegenover de Moeder van Christus waarlijk broeders en zusters voelen binnen het messiaanse volk dat geroepen is om op aarde een enkele familie van God te vormen, zoals ik reeds verklaard heb aan het begin van het nieuwe jaar: ”Wij willen opnieuw deze universele erfenis van alle zonen en dochters van deze aarde bevestigen”.

    Toen ik het Mariajaar aankondigde heb ik tevens gezegd dat dit volgend jaar besloten zal worden op het hoogfeest van de Tenhemelopneming van de allerheiligste Maagd, om ”het grote teken aan de hemel” te doen uitkomen waarover de Apokalyps spreekt. Op deze wijze willen wij ook gevolg geven aan de aansporing van het Concilie dat naar Maria opziet als ”teken van vaste hoop en vertroosting voor het pelgrimerende volk van God”. Het Concilie spreekt deze aansporing uit met de volgende woorden:

    ”Laten alle gelovigen de Moeder van God en de Moeder van de mensen dringend erom smeken, dat zij, die de beginnende Kerk met haar gebed heeft bijgestaan, ook nu zij in de hemel boven alle gelukzaligen en engelen verheven is, in de gemeenschap van alle heiligen bij haar Zoon ten beste zal spreken, totdat alle volkerenfamilies, zowel zij die de erenaam van christenen dragen als zij die hun Verlosser nog niet kennen, in vrede en eensgezindheid tot een enkel volk van God gelukkig verenigd worden, tot glorie van de allerheiligste en onverdeelde Drievuldigheid” 

    DEEL 4 - Besluit

    Aan het einde van de dagelijkse getijden stijgt onder andere de volgende aanroeping van de Kerk tot Maria op:

    ”Verheven Moeder van de Verlosser, 
    die de open deur des hemel blijft en de sterre der zee
    snel het volk te hulp, dat valt en poogt op te staan.
    Gij die tot verbazing der natuur uw heilige Schepper hebt gebaard”.

    ”Tot verbazing der natuur”. Deze woorden van de antifoon drukken de verbazing van het geloof uit die het mysterie van het goddelijke moederschap van Maria vergezelt. Zij vergezelt het in zekere zin in het hart van de natuur en direct in het hart van het gehele volk Gods, in het hart van de Kerk. Hoe wonderlijk ver is God, Schepper en Heer van het heelal, gegaan in de ”openbaring van zichzelf” aan de mens. Hoe duidelijk heeft Hij alle ruimten overwonnen van de oneindige ”afstand” die de Schepper scheidt van het schepsel! Hij blijft onuitsprekelijk en onnaspeurlijk in zichzelf, maar nog meer in de werkelijkheid van de incarnatie van het Woord dat mens is geworden door de Maagd van Nazareth.

    Als Hij de mens van eeuwigheid af heeft willen roepen om deel te krijgen aan het goddelijke wezen, dan kan men zeggen dat Hij de ”vergoddelijking” van de mens beschikt heeft overeenkomstig diens historische condities, zodat Hij ook na de zondeval bereid is om het eeuwige plan van zijn liefde uit te voeren tegen een hoge prijs, door middel van de ”vermenselijking” van de Zoon die één in wezen met Hem is. De natuur en meer direct de mens kan niet ontkomen aan de verbazing tegenover deze gave waaraan hij deelachtig is geworden in de Heilige Geest: ”Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven” (Joh. 3, 16).

    In het middelpunt van dit mysterie, in het hart van de verbazing van het geloof staat Maria. Als verheven Moeder van de Verlosser heeft zij deze het eerst ervaren: ”Gij die tot verbazing der natuur uw heilige Schepper hebt gebaard”!

    In de woorden van de liturgische antifoon ligt ook de waarheid uitgedrukt van de “grote wending” die het mysterie van de menswording bewerkt heeft voor de mens. Deze wending hoort tot heel zijn geschiedenis, van het begin af dat ons geopenbaard is in de eerste hoofdstukken van genesis, tot aan het laatst toe, in het perspectief van het einde van de wereld waarvan Jezus ons ”de dag noch het uur” heeft geopenbaard (Mt. 25, 13). Het is onophoudelijk en voortdurende omkeer van het vallen naar het opstaan, tussen de mens van de zonde en de mens van de genade en de gerechtigheid. De liturgie plaatst ons vooral in de Advent in het zenuwpunt van deze wending en raakt het onophoudelijke ”heden en nu” ervan aan, terwijl zij uitroept: ”Snel het volk te hulp dat valt en poogt te op te staan”!

    Deze woorden betreffen iedere mens, alle gemeenschappen, alle naties en volkeren, alle geslachten en tijdvakken van de mensengeschiedenis, ons tijdvak, deze jaren van het millennium dat ten einde loopt: ”Snel te hulp, ja snel het volk te hulp dat valt”!

    Dit is de aanroeping die gericht is tot Maria, ”de verheven Moeder van de Verlosser”; het is de aanroeping die gericht is tot Christus die door Maria de geschiedenis van de mensheid is binnengetreden. Van jaar tot jaar verheft de antifoon zich tot Maria en roept zij het moment op waarop deze wezenlijke historische wending zich voltrokken heeft, die onomkeerbaar voortduurt: de omkeer van het ”vallen” naar het ”opstaan”.

    De mensheid heeft bewonderenswaardige ontdekkingen gedaan en wonderbaarlijke resultaten bereikt op het gebied van de wetenschap en de techniek; zij heeft grote werken verricht op de weg van de vooruitgang en de beschaving en men zou zeggen dat zij in de jongste tijden erin geslaagd is de loop van de geschiedenis te versnellen; maar de fundamentele wending, de wending die ”oorspronkelijk” genoemd kan worden, begeleidt altijd de tocht van de mens en vergezelt door de verschillende historische gebeurtenissen heen allen en iedereen. Het is de omkeer van het ”vallen” naar het ”opstaan”, van de dood naar het leven. Het is ook een onophoudelijke uitdaging aan het menselijke bewustzijn, een uitdaging aan heel het historische bewustzijn van de mens: de uitdaging om de weg van het ”niet vallen” te volgen op de altijd oude en nieuwe wijzen en van het ”opstaan” als hij gevallen is.

    Terwijl de Kerk met de gehele mensheid de grens tussen de twee millennia nadert, neemt zij van haar kant met de gehele gemeenschap der gelovigen en samen met iedere mens van goede wil de grote uitdaging aan de vervat ligt in de woorden van de antifoon over ”het volk dat valt en poogt op te staan”. Zij richt zich zowel tot de Verlosser als tot zijn Moeder met de aanroeping: ”Kom te hulp”. Zij ziet de heilige Moeder van God immers – en dit gebed ziet haar diep betrokken bij de geschiedenis van de mensheid, bij de eeuwige roeping van de mens, volgens het providentiële plan dat God van eeuwigheid voor hem beschikt heeft; zij ziet haar moederlijke aanwezigheid en betrokkenheid bij de veelvuldige en ingewikkelde problemen waarmee heden ten dage het leven van de enkelingen, van de gezinnen en van de volkeren vergezeld gaat; zij ziet haar het christenvolk te hulp snellen in de onophoudelijke strijd tussen goed en kwaad, opdat het ”niet zal vallen” en, als het gevallen is ”zal opstaan”.

    Ik hoop van harte dat ook de overwegingen die in deze encycliek vervat zijn, mogen dienen tot de vernieuwing van deze visie in het hart van alle gelovigen! Als bisschop van Rome zend ik aan allen voor wie deze beschouwingen bestemd zijn de vredeskus en groeten en zegen in onze Heer Jezus Christus.

    Amen.

    Gegeven te Rome bij Sint Petrus, op 25 maart, het hoogfeest van de Aankondiging van de Heer, van het jaar 1987, 
    het negende van mijn pontificaat.

    Paus Johannes Paulus II

    Kroontje van dank aan Maria

    INLEIDEND GEBED:

    Allerheiligste Maagd Maria, machtige Schatbewaarster en Uitdeelster van Gods Genaden. Ik breng U mijn dank voor al Uw weldaden die ik niet waardig ben, voor al Uw Liefde die ik nog niet voel, en voor Uw gebeden die mij de Eeuwige Gelukzaligheid verdienen.

    3 x "Wees gegroet Maria…"

    daarna (op een gewone rozenkrans) 5 tientjes als volgt:

    * Op de GROTE KRALEN (kralen van het "Onze Vader"):

    Mijn liefhebbende Moeder Maria, Middelares van alle Genaden, ik dank U voor de gunsten die ik uit Uw handen heb bekomen, voor de kussen van Liefde die U op mijn hart hebt gedrukt, en voor de onzichtbare bloemen van Eeuwig Leven die U in mijn ziel hebt gezaaid.

    * Op de KLEINE KRALEN (kralen van het "Weesgegroet"):

    Dank U, Hemelse Moeder, voor Uw bescherming, hulp, bemiddeling en Voorspraak.

    Na de 5 tientjes:

    Het volgend SLOTGEBED:

    Geprezen zij Maria, Middelares voor de hele mensheid.
    Geprezen zij Maria, Voorspreekster voor de hele mensheid.
    Geprezen zij Maria, Medeverlosseres van de hele mensheid.
    Aanvaard de toewijding van mijn hele wezen als dank, want zonder U ben ik verloren.

     

    13-11-2017 om 06:49 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mariale dogma's - deel 3

    De oecumenische beweging heeft op grond van een meer helder en verspreid bewustzijn van de noodzaak om tot de eenheid van alle christenen te komen van de kant van de katholieke Kerk haar hoogste uitdrukking gevonden in het werk van het Tweede Vaticaans Concilie: het is nodig dat de Christenen in zichzelf en in ieder van hun gemeenschappen de ”gehoorzaamheid van het geloof” verdiepen waarvan Maria het eerste en meest lichtende voorbeeld is. En aangezien zij ”het lichtend teken is van de vaste hoop en de vertroosting van het pelgrimerende volk van God”, ”is het voor de heilige kerkvergadering een reden tot grote vreugde en vertroosting dat er onder de gescheiden broeders niet weinigen zijn die aan de Moeder van de Heer en Verlosser de verschuldigde eer bewijzen, vooral Oosterse Christenen”. 

    De Christenen weten dat zij hun eenheid alleen werkelijk zullen terugvinden als deze gebaseerd zal zijn op de eenheid van geloof. Zij moeten niet-geringe verschillen oplossen in de leer over het mysterie en het dienstwerk van de Kerk en soms ook over de taak van Maria in het heilswerk. 

    De dialogen die de katholieke Kerk begonnen is met de kerken en kerkgemeenschappen van het Westen, komen steeds meer samen op twee onscheidbare aspecten van heilsmysterie. Als het mysterie van het mensgeworden Woord ons het mysterie van het goddelijke moederschap doet onderscheiden en als de beschouwing van de Moeder Gods ons op haar beurt voert tot een dieper begrip van het mysterie van de incarnatie, dan moet men hetzelfde zeggen van het mysterie van de Kerk en van het mysterie van de taak van Maria in het heilswerk. Door dieper door te dringen in de twee mysteries en het ene te verhelderen door het andere zullen de Christenen die verlangen te doen wat Jezus hun zal zeggen - zoals hun Moeder hun aanbeveelt – samen voort kunnen gaan op de “pelgrimstocht van het geloof”, waarvan Maria nog steeds het voorbeeld is en welke hen moet voeren tot de eenheid die gewild is door hun ene Heer en zozeer verlangd wordt door hen die oplettend luisteren naar wat ”de Geest tegen de kerken zegt” (Openb. 2, 7.11.17) in deze tijd.

    Het is een gelukkig teken dat deze kerken en kerkgemeenschappen met de katholieke Kerk overeenkomen op fundamentele punten van het geloof, ook wat de Maagd Maria betreft. Zij erkennen haar immers als Moeder van de Heer en nemen aan dat dit deel uitmaakt van ons geloof in Christus, waarlijk God en waarlijk mens. Zij zien op naar haar die aan de voet van het kruis de geliefde leerling als haar zoon ontvangt, die op zijn beurt als moeder ontvangt.

    Waarom zouden wij dus niet allen samen opzien naar haar als onze gemeenschappelijke Moeder die bidt voor de eenheid van de familie van God en die allen ”voorgaat” aan het hoofd van de lange stoet van de getuigen van het geloof in de ene Heer, de Zoon van God, die zij door de Heilige Geest in haar maagdelijke schoot ontvangen heeft?

    Anderzijds wil ik benadrukken hoe diep de katholieke Kerk, de orthodoxe Kerk en de oude Oosterse Kerken zich één voelen door de liefde en de lof voor de Theotókos. Niet alleen ”zijn de fundamentele dogma’s van het christelijk geloof over de Drie-eenheid en de menswording van het Woord van God uit de Maagd Maria vastgesteld op oecumenische Concilies die in het Oosten zijn gehouden, maar ook ”verheerlijken de oosterse Christenen . . . met plechtige hymnen ... Maria altijd Maagd ... en de heilige Moeder van God” in hun liturgie.

    De broeders van die kerken hebben ingewikkelde lotgevallen gekend, maar door hun geschiedenis heeft steeds een vurig verlangen gelopen naar christelijke inzet en apostolische uitstraling, welke vaak getekend is door vervolgingen die ook bloedig zijn geweest. Het is een geschiedenis van trouw aan de Heer, een authentieke ”pelgrimstocht van het geloof” door de plaatsen en tijden heen, waarbij de oosterse christenen steeds met onbeperkt vertrouwen opgezien hebben naar de Moeder van de Heer, haar met lofzangen geprezen en voortdurend met gebed aangeroepen hebben. In de moeilijke ogenblikken van het gekwelde christelijke bestaan hebben zij tot haar hun toevlucht genomen”, omdat zij er zich van bewust waren in haar een krachtige hulp te hebben. De kerken die de leer van Efese belijden verklaren dat de Maagd ”waarlijk Moeder van God” is, daar onze Heer Jezus Christus . . . die voor alle eeuwen naar de godheid uit de Vader geboren is, in de laatste dagen voor ons en voor ons heil naar de mensheid geboren werd uit de Maagd Maria, de Moeder van God”. De Griekse vaders en de byzantijnse traditie hebben getracht door de Maagd te beschouwen in het licht van het mensgeworden Woord door te dringen tot de diepte van de band die Maria als Moeder van God verbindt met Christus en de Kerk: de Maagd is blijvend aanwezig in heel de omvang van het heilsmysterie.

    De koptische en Ethiopische tradities zijn tot deze beschouwing van het mysterie van Maria gebracht door de heilige Cyrillus van Alexandrië en op hun beurt hebben zij haar geprezen met een overvloed van bloemrijke dichtwerken. Het poëtische genie van sint Efrem de Syriër, die “de citer van de heilige Geest” wordt genoemd, heeft onvermoeibaar de lof van Maria gezongen en in de gehele traditie van de syrische Kerk een spoor achtergelaten dat nog steeds levend is. De heilige Gregorius van Narek, één van degenen die op de meest stralende wijze de roem van Armenië uitmaken, diept in zijn lofrede op de Theotókos met sterke dichterlijke inspiratie de verschillende aspecten uit van het mysterie van de incarnatie en ieder daarvan is voor hem een gelegenheid om de buitengewone waardigheid en de schitterende schoonheid te bezingen en te prijzen van de Maagd Maria, de Moeder van het mensgeworden Woord.

    Het verbaast daarom niet dat Maria een bevoorrechte plaats inneemt in de eredienst van de oude Oosterse Kerken, met een onvergelijkelijke overvloed van feesten en hymnen.

    In de byzantijnse liturgie gaat de lof aan de Moeder in alle uren van het goddelijke officie samen met de lof aan de Zoon en met de lof die door de Zoon opstijgt tot de Vader in de heilige Geest. In de anafoor of het eucharistische gebed van de heilige Johannes Chrysostomus bezingt de verzamelde gemeente onmiddellijk na de epiclese als volgt de Moeder van God:

    “Het is waarlijk goed u zalig te prijzen. Theotókos, die allerheiligst bent, geheel zuiver en de Moeder van onze God. Wij verheerlijken u die meer eer waardig bent dan de cherubijnen en onvergelijkelijk meer glorie dan de serafijnen. U die zonder uw maagdelijkheid te verliezen het Woord van God ter wereld hebt gebracht. U die waarlijk de Moeder van God bent”.

    Deze lofprijzingen die in iedere viering van de eucharistische liturgie opstijgen naar Maria hebben vorm gegeven aan het geloof, de vroomheid en het gebed der gelovigen. Zij hebben in de loop der eeuwen heel hun geestelijke houding doordrongen en in hen een diepe devotie opgewekt voor de “geheel heilige Moeder van God”.

    Dit jaar is het twaalf eeuwen geleden dat het tweede Oecumenisch Concilie van Nicea plaats vond (in het jaar 787), waarop een einde werd gemaakt aan de bekende controverse over de verering van de gewijde afbeeldingen en bepaald werd dat, volgens de leer van de heilige vaders en de universele traditie van de Kerk, samen met het kruis de beeltenissen van de Moeder van God, van de engelen en van de heiligen voorgehouden mochten worden aan de verering van de gelovigen, zowel in de kerken als in de huizen en langs de wegen. Dit gebruik is bewaar gebleven in heel het oosten en ook in het westen: de beeltenissen van de Maagd hebben een ereplaats in de kerken en de huizen. Maria wordt er afgebeeld als de troon van God die de Heer draagt en aan de mensen geeft (Theotókos) of als de weg die naar Christus leidt en Hem toont (Odigitria) of als orante die ten beste spreekt en als teken van de goddelijke tegenwoordigheid op de weg van de gelovigen tot aan de dag van de Heer (Deisis) of als beschermster die haar mantel uitspreidt over de volkeren (Pokrov) of als barmhartige Maagd van de tederheid (Eleousa) . Gewoonlijk wordt zij afgebeeld met haar Zoon. Het kind Jezus, dat zij op haar arm draagt: het is de band met de Zoon die de Moeder verheerlijkt. Nu eens omarmt zij Hem met tederheid (Glykofilousa); dan weer lijkt zij hieratisch verzonken in de contemplatie van Hem die de Heer van de geschiedenis is. 

    Het is passend ook te herinneren aan de icoon van de heilige Maagd van Wladimir, die voortdurend de geloofstocht begeleid heeft van de volkeren van het oude Rusland op de weg van het geloof. Het eerste millennium va de bekering tot het christendom van die edele landen nadert: landen van nederigen, van denkers en van heiligen. Nog steeds worden de iconen onder verschillende titels vereerd in de Oekraïne, in Wit-Rusland en in Rusland: het zijn beeltenissen die getuigen van het geloof en van de geest van gebed van het vrome volk, dat de aanwezigheid en de bescherming van de Moeder Gods ondervindt. Op die iconen schittert de Maagd als beeld van de goddelijke schoonheid, verblijf van de eeuwige Wijsheid, figuur van de orante, oerbeeld van de contemplatie, beeld van de heerlijkheid: zij die vanaf haar aardse leven de geestelijke wetenschap bezit die ontoegankelijk is voor de menselijke rede en door het geloof de meest verheven kennis heeft bereikt. Ik herinner ook nog aan de icoon van de Maagd van het cenakel die samen met de apostelen bidt, wachtend op de heilige Geest: zou zij niet als het ware het teken van hoop kunnen worden voor allen die in de broederlijke dialoog hun geloofsgehoorzaamheid willen verdiepen?

    Deze rijkdom aan lofprijzing die opgestapeld is door de verschillende vormen van de grote traditie van de Kerk, zou ons kunnen helpen om de Kerk weer ten volle te laten ademen met haat “twee longen”, het oosten en het westen. Dit is nu meer dan ooit nodig, zoals ik meermalen heb bevestigd. Het zou een krachtig hulpmiddel zijn om de bestaande dialoog tussen de katholieke Kerk en de kerken en kerkgemeenschappen van het westen de bevorderen. Het zou ook voor de Kerk onderweg het middel zijn om op meet volmaakte wijze haar ”Magnificat” te zingen en te beleven.

    HOOFDSTUK 3 - Het Magnificat van de pelgrimerende Kerk

    In de huidige fase van haar tocht zoekt de Kerk dus de eenheid terug te vinden van hen die hun geloof in Christus belijden, om de gehoorzaamheid aan haar Heer te tonen die vóór zijn lijden gebeden heeft voor deze eenheid. Zij ”zet haar pelgrimstocht voort ... en verkondigt het kruis en de dood van de Heer, totdat Hij komt. 

    ”Dwars door de beproevingen en de wederwaardigheden heen schrijdt de Kerk voort, gesterkt door de kracht van Gods genade, die haar door de Heer werd beloofd. Zo is zij bij machte om in de zwakheid van het vlees van de oprechte trouw niet af te wijken, maar de waardige bruid van haar Heer te blijven. Dank zij de werking van de heilige Geest houdt zij niet op zichzelf te vernieuwen, tot zij door het kruis het licht bereikt dat geen ondergang meer kent”.

    De moedermaagd is steeds aanwezig op deze geloofstocht van het volk Gods naar het licht. Dit toont op speciale wijze de lofzang van het ”Magnificat”, dat opgeweld is uit de diepte van het geloof van Maria bij het bezoek en niet ophoudt te weerklinken in het hart van de Kerk door de eeuwen heen. Dit wordt bewezen doordat het dagelijks gebeden wordt in de liturgie van de vespers en op zovele andere ogenblikken van persoonlijke en gemeenschappelijke vroomheid.

    ”Mijn hart prijst hoog de Heer,
    van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder:
    daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd.
    En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig
    omdat aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is,
    en heilig is zijn Naam.
    Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht
    voor hen die Hem vrezen.
    Hij toont de kracht van zijn arm;
    slaat trotsen van hart uiteen.
    Heersers ontneemt Hij hun troon,
    maar verheft de geringen.
    Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
    en rijken zendt Hij heen met lege handen.
    Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig
    jegens Abraham en zijn geslacht,
    gelijk Hij had gezegd tot onze vaderen” (Lc. 1, 46-55)

    Toen Elisabet haar jonge bloedverwante die uit Nazareth gekomen was, begroet had, antwoordde Maria met het Magnificat. In haar groet had Elisabet Maria eerst vanwege de ”vrucht van haar schoot” ”gezegend” genoemd en vervolgens ”zalig” vanwege haar geloof . Deze tweevoudige zegen had direct betrekking op het moment van de boodschap. Nu de groet van Elisabet bij het bezoek getuigt van dat hoogtepunt, wordt het geloof van Maria nog bewuster en drukt het zich opnieuw uit. Wat op het ogenblik van de boodschap verborgen was gebleven in de diepte van de ”gehoorzaamheid van het geloof” bevrijdt zich nu om zo te zeggen als een heldere, levenwekkende vlam van de geest. De woorden die Maria gebruikt heeft op de drempel van het huis van Elisabet vormen een geïnspireerde belijdenis van haar geloof, waarin het antwoord op het woord van de openbaring zich uitdrukt door de religieuze en dichterlijke verheffing van heel haar wezen tot God. In die verheven woorden, die tegelijk zo eenvoudig zijn en geheel ingegeven door de gewijde teksten van het volk van Israël, schijnt de persoonlijke ervaring van Maria door, de extase van haar hart. Er schittert een straal in van het mysterie van God, de heerlijkheid van zijn onuitsprekelijke heiligheid, de eeuwige liefde die in de mensgeschiedenis binnentreedt als een definitieve gave.

    Maria heeft als eerste deel aan deze nieuwe openbaring van God en hierin aan deze nieuwe ”zelfgave” van God. Daarom roept zij uit: ”Hij deed aan mij zijn wonderwerken . . . heilig is zijn Naam”. Haar woorden weerspiegelen de vreugde van de geest welke zich moeilijk laat uitdrukken: “Van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder”. Want ”de meest innerlijke waarheid, zowel over God als over het heil van de mens, . . . verschijnt ons in Christus die tegelijk de Middelaar en de volheid van de gehele openbaring is”. In haar geestdrift belijdt Maria dat zij zich in het hart zelf van deze volheid van Christus bevindt. Zij is er zich van bewust dat de belofte die aan de vaders en vooral ”aan Abraham en zijn geslacht voor eeuwig” is gedaan, in haar vervuld wordt: dat dus in haar als Moeder van Christus de gehele heilseconomie uitmondt, waarin zich ”van geslacht tot geslacht” diegene openbaart die als God van het Verbond ”zijn barmhartigheid gedachtig is”.

    De Kerk die van het begin af haar aardse tocht gelijkvormig maakt aan die van de Moeder Gods, zegt haar voortdurend de woorden van het Magnificat na. Zij put uit het diepst van het geloof van de Maagd bij de boodschap en het bezoek de waarheid over de God van het Verbond, over God die almachtig is en ”wonderwerken” doet aan de mens: ”heilig is zijn Naam”. In het Magnificat ziet zij de zonde die aan het begin staat van de aardse geschiedenis van de man en de vrouw, tot in de wortel overwonnen, de zonde van het ongeloof en van de ”kleingelovigheid” jegens God. Tegen de ”verdenking” in die de ”vader van de leugen” heeft opgewekt in het hart van Eva, de eerste vrouw, verkondigt Maria die de traditie de traditie de nieuwe Eva” pleegt te noemen en de ware ”moeder van de levenden”, met kracht de onverminderde waarheid over God: de heilige en almachtige God die vanaf het begin de bron van iedere schenking is, die ”wonderwerken heeft gedaan”. Scheppend schenkt God het bestaan aan heel de werkelijkheid. De mens scheppend geeft hij in vergelijking met alle andere aardse schepselen op speciale wijze de waardigheid van zijn beeld en gelijkenis. En ondanks de zonde van de mens laat Hij zich niet weerhouden in zijn wil om te schenken en geeft Hij zich in zijn Zoon: ”Zozeer heeft Hij de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven” (Joh. 3, 16). Maria is de eerste getuige van deze bewonderenswaardige waarheid die zich ten volle zal verwerkelijken door wat haar Zoon doet en leert en definitief door middel van zijn kruis en verrijzenis.

    De Kerk die ook ”dwars door de beproevingen en wederwaardigheden heen” niet ophoudt Maria de woorden van het Magnificat na te zeggen, ”vat moed” ui de kracht van de waarheid over God die toen met zulke buitengewone eenvoud is verkondigd. Tegelijk wil zij met deze waarheid over God de moeilijke en soms onontwarbare wegen van het aardse bestaan van de mensen verlichten. De tocht van de Kerk die nu aan het einde van het tweede christelijke millennium is gekomen, houdt een nieuwe inzet in haar zending in De Kerk die Hem volgt die van zichzelf zei: ”(God) heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen”, heeft er van geslacht tot geslacht naar gestreefd en streeft er nog naar die zending te vervullen.

    Haar voorliefde voor de armen staat op wonderbare wijze in het Magnificat van Maria geschreven. De God van het Verbond die de Maagd van Nazaret bezongen heeft in de verrukking van haar geest, is tevens degene die ”de heersers hun troon ontneemt en de geringen verheft ..., de hongerigen overlaadt met gaven en de rijken met lege handen heenzendt ..., de trotsen van hart uiteenslaat ... en barmhartig is voor hen die Hen vrezen”. Maria is diep doordrongen van de geest van de ”armen van Jahwe” die in het psalmgebed hun verwachten en al hun vertrouwen op Hem stelden. 

    Zij verkondigt waarlijk de komst van het mysterie van het heil, de komst van de ”Messias van de armen”. 

    De Kerk die put uit het hart van Maria, uit het diepst van haar geloof dat uitgedrukt is in de woorden van het Magnificat, wordt zich steeds beter bewust dat de waarheid over God die redt, over God die de bron van iedere schenking is, niet gescheiden kan worden van het betonen van zijn voorliefde voor de armen en geringen, welke bezongen is in het Magnificat en vervolgens uitdrukking gevonden heeft in de woorden en daden van Jezus.

    De Kerk is zich daarom bewust – en in onze tijd wordt dit bewustzijn op geheel bijzondere wijze sterker -, niet alleen dat deze twee elementen van de boodschap welke vervat is in het Magnificat, niet gescheiden kunnen worden, maar ook dat zij de betekenis die ”de armen” en ”de voorkeur voor de armen” hebben in het woord van de levende God, zorgvuldig moet beschermen. Het gaat om thema’s en problemen die organiek samenhangen met de christelijke zin voor vrijheid en bevrijding. ”Totaal afhankelijk van God en geheel op Hem gericht door de geestdrift van haar geloof is Maria naast haar Zoon het meest volmaakte beeld van de vrijheid en bevrijding van de mensheid en van de kosmos. Naar haar moet de Kerk waarvan zij de moeder en het voorbeeld is, opzien om de betekenis van haar zending in haar volheid te begrijpen.” 

    DEEL 3 : MIDDELARES ALS MOEDER

    HOOFDSTUK 1 - Maria, dienstmaagd des Heren

    De Kerk weet en leert met sint Paulus dat wij één middelaar hebben: Want God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die zich als losprijs voor allen gegeven heeft” (1 Tim. 2, 5-6). ”Welnu, de moederlijke taak van Maria tegenover de mensen verduistert of vermindert op geen enkele wijze dat enig middelaarschap van Christus maar toont aan, hoe krachtig het is”.  Het is bemiddeling in Christus.

    De Kerk weet en leert dat ”elke heilsinvloed van de heilige Maagd op de mensen ontstaat ... uit welbehagen van God, voortvloeit uit de overvloed van de verdiensten van Christus, op zijn middelaarschap is gevestigd, daarvan volkomen afhankelijk is en daaruit haar gehele kracht put; de onmiddellijke vereniging van de gelovigen met Christus geenszins belemmert maar juist bevordert”. Deze heilsinvloed wordt gesteund door de Heilige Geest die, zoals Hij de Maagd Maria overschaduwde en haar goddelijk moederschap deed aanvangen, zo ook voortdurend haar zorg voor de broeders van haar Zoon bijstaat.

    Het middelaarschap van Maria is inderdaad nauw verbonden met haar moederschap en heeft een specifiek moederlijk karakter waardoor het te onderscheiden is van het middelaarschap van de andere schepselen die op verschillende maar altijd ondergeschikte wijzen deelnemen aan het enig middelaarschap van Christus, ook al blijft het hare eveneens deelname. Want al ”kan geen enkel schepsel op één lijn worden gesteld met het mens geworden Woord en de Verlosser”, toch ”verhindert het enig middelaarschap van de Verlosser niet de menigvuldige medewerking van de schepselen, maar wekt het deze op door ze aan de enige ervan deelachtig te maken; en zo ”wordt de ene goedheid van God op verscheidene wijzen werkelijk uitgespreid in de schepselen”. 

    De leer van het Tweede Vaticaans Concilie houdt deze waarheid over het middelaarschap van Maria voor als deelname aan deze enige bron die het middelaarschap van Christus zelf is. Wij lezen namelijk: ”De Kerk belijdt zonder aarzelen deze ondergeschikte taak van Maria; voortdurend ervaart zij deze en zij drukt de gelovigen op het hart, opdat zij, daar deze moederlijke bescherming geholpen, zich inniger aan de Middelaar en Verlosser zouden hechten”. Deze taak is tegelijk speciaal en uitzonderlijk. Zij vloeit voort uit haar goddelijk moederschap en kan slechts op grond van de volledige waarheid over dit moederschap in geloof begrepen en beleefd worden. Omdat Maria door goddelijke uitverkiezing de Moeder is van de Zoon die één in wezen is met de Vader, en “edelmoedige gezellin” Deze taak vormt een reëel aspect van haar tegenwoordigheid in het heilmysterie van Christus en de Kerk.

    Het is nodig vanuit dit gezichtspunt nogmaals de fundamentele gebeurtenis in het heilsbestel te beschouwen, d.w.z. de menswording van het Woord op het ogenblik van de boodschap. Het is veelbetekenend dat Maria die in het woord van de goddelijke bode de wil van de Allerhoogste onderkent en zich aan zijn macht onderwerpt, zegt: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1, 38). Het eerste moment van de onderwerping aan het enig middelaarschap ”tussen God en de mensen” - het middelaarschap van Jezus Christus – is de aanvaarding van het moederschap door de Maagd van Nazareth. Maria stemt in met de keuze van God om door de Heilige Geest de Moeder van Gods Zoon te worden. Men kan zeggen dat haar instemming met het moederschap vooral een vrucht is van haar volledige overgave aan God in de maagdelijkheid. Geleid door de bruidsliefde, welke de liefde is die een menselijke persoon geheel aan God ”wijdt”, heeft Maria de uitverkiezing tot Moeder van Gods Zoon aanvaard. Krachtens deze liefde wilde Maria altijd en in alles ”aan God toegewijd” zijn door in maagdelijkheid te leven. De woorden ”Zie de dienstmaagd des Heren” drukken het feit uit dat zij van het begin af haar eigen moederschap heeft aanvaard en begrepen als de totale gave van zichzelf, van haar persoon, ten dienste van het heilsplan van de Allerhoogste. En heel haar moederlijke deelname aan het leven van Jezus Christus, haar Zoon, heeft zij tot het einde toe vervuld op een wijze die overeenkomt met haar roeping tot de maagdelijkheid.

    Het moederschap van Maria, tot in het diepst waarvan de bruidshouding van ”dienstmaagd des Heren” is doorgedrongen, vormt de eerste en fundamentele dimensie van het middelaarschap dat de Kerk met betrekking tot haar belijdt en verkondigt en dat zij voortdurend ”aanbeveelt aan de liefde van de gelovigen”, daar zij er veel vertrouwen in stelt. Men moet immers erkennen dat God zelf, de eeuwige Vader zich als eerste heeft toevertrouwd aan de Maagd van Nazareth, toen Hij haar zijn eigen Zoon gaf in het mysterie van de menswording. Haar uitverkiezing tot de hoogste taak en waardigheid van Moeder van Gods Zoon heeft op ontologisch vlak betrekking op de werkelijkheid zelf van de vereniging van de twee naturen in de persoon van het Woord (hypostatische vereniging). Het fundamentele feit van Moeder van Gods Zoon te zijn is vanaf het begin een volledige openheid voor de persoon van Christus, voor hee; zijn werk, voor heel zijn zending. De woorden ”Zie de dienstmaagd des heren” getuigen van deze openheid van de geest van Maria, die in zichzelf op volmaakte wijze de liefde verwezenlijkt welke eigen is aan de maagdelijkheid, verenigd en als het ware versmolten met de liefde welke karakteristiek is voor het moederschap.

    Daarom is Maria niet alleen de “moeder en voedster” van de Mensenzoon geworden, maar ook ”op heel bijzondere wijze de edelmoedige gezellin” van de Messias en Verlosser. Zoals reeds gezegd, is zij voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof en op deze pelgrimstocht tot aan de voet van het kruis heeft zij tegelijk door wat zij gedaan en geleden heeft haar moederlijke medewerking aan heel de zending van de Heiland gerealiseerd. Langs de weg van die samenwerking met het werk van de Zoon en Verlosser heeft het moederschap van Maria een bijzonder verandering gekend en zich steeds meer gevuld met ”vurige liefde voor allen tot wie de zending van Christus zich richtte. Door die ”vurige liefde” die erop gericht is om in vereniging met Christus het herstel ”van het bovennatuurlijke leven van de zielen” te bewerken, begon zij op geheel persoonlijke wijze deel te nemen aan het enige middelaarschap “tussen God en de mensen”, dat het middelaarschap van de mens Christus Jezus is. Als eerste heeft zij de bovennatuurlijke uitwerking van dat enige middelaarschap op zichzelf ervaren – reeds bij de boodschap was zij begroet als ”vol van genade” - en daarom moet men zeggen dat zij door de volheid van genade en van bovennatuurlijk leven bijzonder voorbereid was op de medewerking met Christus, de enige Middelaar van het menselijke heil. En deze medewerking is juist het middelaarschap dat ondergeschikt is aan het middelaarschap van Christus.

    In het geval van Maria gaat het om een speciaal en uitzonderlijk middelaarschap dat berust op haar ”volheid van genade” die tot uitdrukking kwam in de volledige beschikbaarheid van de ”dienstmaagd des Heren”. In antwoord op deze innerlijke beschikbaarheid van zijn Moeder bereidde Jezus Christus haar er steeds meer op voor om voor de mensen ”moeder in de orde van de genade” te worden. Daarom wijzen minstens indirect bepaalde bijzondere aantekeningen van de synoptici en nog meer van het evangelie van Johannes die ik reeds toegelicht heb. In dit opzicht zijn de woorden die Jezus aan het kruis uitgesproken heeft met betrekking tot Maria en Johannes bijzonder welsprekend.

    Na de gebeurtenissen van de verrijzenis en de hemelvaart ging Maria samen met de apostelen in afwachting van Pinksteren het cenakel binnen, waar zij aanwezig was als Moeder van de verheerlijkte Heer. Zij was niet alleen degene die ”voortging op de pelgrimstocht van het geloof” en de vereniging met haar Zoon standvastig volhield tot onder het kruis, maar ook de “dienstmaagd des Heren” die door haar Zoon achtergelaten was als moeder midden in de beginnende Kerk: “Zie daar uw moeder”. Zo begon zich een speciale band te vormen tussen deze Moeder en de Kerk. De beginnende Kerk was immers een vrucht van het kruis en de verrijzenis van haar Zoon. Het was niet mogelijk dat Maria, die zich van het begin af zonder voorbehoud aan de persoon en het werk van de Zoon had gegeven, niet van het begin af haar moederlijke gaven over de Kerk zou uitstorten. Haar moederschap is na het heengaan van de Zoon in de Kerk blijven voortbestaan als moederlijk middelaarschap: door ten beste te spreken voor al haar kinderen werkt de Moeder mee aan het heilswerk van de Zoon, de Verlosser van de wereld. Het Concilie leert inderdaad: het “moederschap van Maria in het genadebestel gaat zonder ophouden voort ... tot aan de eeuwige voleinding van alle uitverkorenen”. Bij de verlossingsdood van haar Zoon heeft het moederlijke middelaarschap van de dienstmaagd des Heren een universele omvang gekregen omdat het verlossingswerk alle mensen omvat. Zo openbaart zich op bijzondere wijze de doeltreffendheid van het enige en universele middelaarschap van Christus ”tussen God en de mensen”. De medewerking van Maria is in haar ondergeschikt karakter deelname aan de universaliteit van het middelaarschap van de Verlosser, de enige Middelaar. Het Concilie geeft dit duidelijk aan met de bovengeciteerde woorden.

    Wij lezen verder: ”Want, ten hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door haar menigvuldige voorspraak gaat zij voort ons de gaven van het eeuwige heil te bezorgen”. Het middelaarschap van Maria zet zich voort in de geschiedenis van de Kerk en de wereld met dit karakter van ”voorspraak” dat zich voor het eerst gemanifesteerd heeft te Kana in Galilea. Wij lezen dat Maria ”met moederlijke liefde zorg draagt voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegende vaderland bereiken”. Op deze wijze gaat het moederschap van Maria steeds voort in de Kerk als middelaarschap dat voorspraak is, en de Kerk drukt haar geloof in deze waarheid uit door Maria aan te roepen ”onder de titels van voorspreekster, helpster, bijstand, middelares”. 

    Door haar middelaarschap, dat ondergeschikt is aan het middelaarschap van de Verlosser, draagt Maria op speciale wijze bij tot de vereniging van de op aarde pelgrimerende Kerk met de eschatologische en hemelse realiteit van de gemeenschap van de heiligen, omdat zij reeds ”ten hemel opgenomen” is. 

    De waarheid van de tenhemelopneming die door Pius XII is gedefinieerd, is opnieuw bevestigd door het Tweede Vaticaans Concilie dat het geloof van de Kerk als volgt uitdrukt: ”Tenslotte werd de onbevlekte Maagd, die voor elke smet van de erfzonde behoed was gebleven, bij het einde van haar aardse loopbaan met lichaam en ziel in de hemelse glorie opgenomen en tot koningin van allen door de Heer verheven, om aldus vollediger gelijkvormig te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de Overwinnaar van zonde en dood”. 

    Met deze leer sloot Pius XII zich aan bij de Traditie die op vele wijzen uitdrukking gevonden heeft in de geschiedenis van de Kerk, zowel in het oosten als in het westen.

    Met het mysterie van de tenhemelopneming is in Maria heel de uitwerking van het enige Middelaarschap van Christus, de Verlosser van de wereld en de verrezen Heer, werkelijkheid geworden: ”Allen zullen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens, bij zijn komst, zij die Christus toebehoren” (1 Kor. 15, 22-23). In het mysterie van de tenhemelopneming drukt zich het geloof van de Kerk uit volgens hetwelk Maria ”door een innige en onverbreekbare band verenigd” is met Christus, omdat zij die als Moedermaagd op speciale wijze met Hem verenigd was bij zijn eerste komst, dit door haar voortdurende samenwerking met Hem ook zal zijn in afwachting van zijn tweede komst; ”op een meer verheven wijze verlost met het oog op de verdiensten van haar Zoon” heeft zij ook de taak van middelares van goedertierenheid die eigen is aan de Moeder, bij de definitieve komst, als allen die Christus toebehoren zullen herleven en ”de laatste vijand, de dood, vernietigd zal worden” (1 Kor. 15, 26).

    Met deze verheffing van de “dochter van Sion bij uitnemendheid” door de tenhemelopneming is het mysterie van haar eeuwige heerlijkheid verbonden. Want de Moeder van Christus is verheerlijkt als ”koningin van allen”. Zij die bij de boodschap zichzelf ”dienstmaagd des Heren” heeft genoemd, is heel haar aardse leven trouw gebleven aan wat deze naam uitdrukt en daarmee heeft zij bevestigd een echte ”leerlinge” van Christus te zijn die sterk benadrukt heeft dat zijn eigen zending dienst is: ”de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mt. 20,28). Zo is Maria de eerste geworden onder hen die ”Christus ook in de anderen dienen en aldus, door nederigheid en geduld, hun broeders terugbrengen naar de koning: Hem dienen is pas waarlijk heersen”; zij heeft ten volle de ”staat van koninklijke vrijheid” verworven die eigen is aan de leerlingen van Christus: dienen betekent heersen!

    ”Christus, gehoorzaam geworden tot de dood toe en daarom door de Vader verhoogd, is in de glorie van zijn rijk binnengegaan. Alles is Hem onderwerpen, totdat Hij zichzelf en heel de schepping aan de Vader onderwerpt, opdat God alles in allen zou zijn”. Maria, de dienstmaagd des Heren, heeft deel aan dit Rijk van de Zoon. De glorie van het dienen houdt niet op haar koninklijke verheffing te zijn: ten hemel opgenomen staakt zij haar heilbrengende dienst niet, waarin het moederlijke middelaarschap zich uitdrukt ”tot aan de eeuwige voleinding van alle uitverkorenen”. Zo blijft zij die hier op aarde ”de vereniging met haar Zoon standvastig heeft volgehouden tot onder het kruis”, steeds met Hem verenigd, nu ”alles Hem onderwerpen is, totdat Hij zichzelf en heel de schepping aan de Vader onderwerpt”. Zo is Maria door haar tenhemelopneming als het ware omgeven door heel de werkelijkheid van de gemeenschap der heiligen en haar vereniging met de Zoon in de heerlijkheid staat geheel gericht op de definitieve volheid van het Rijk, als ”God alles in allen zal zijn”. Ook in deze fase blijft het moederlijke middelaarschap van Maria ondergeschikt aan Hem die de enige Middelaar is, tot aan de definitieve verwezenlijking “van de volheid der tijden”, totdat het heelal in Christus onder één hoofd wordt gebracht.

    HOOFDSTUK 2 - Maria in het leven van de Kerk en van iedere Christen

    Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in aansluiting op de Traditie nieuw licht geworpen op de taak van de Moeder van Christus in het leven van de Kerk. ”Door de gave ... van het goddelijk moederschap dat haar met haar Zoon, de Verlosser, verenigt, en door haar heel bijzondere genaden en opdrachten is de heilige Maagd ook met de Kerk innig verbonden: de Moeder van God is het model van de Kerk, ... namelijk in de orde van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus”. Wij hebben reeds eerder gezien hoe Maria vanaf het begin bij de apostelen bleef in afwachting van Pinksteren en hoe zij, ”de zalige die geloofd heeft”, van geslacht tot geslacht aanwezig is midden in de Kerk die in geloof onderweg is, ook als model van de hoop die niet teleurgesteld wordt.

    Maria heeft geloofd dat tot vervulling zou komen wat haar vanwege de Heer gezegd is. Als maagd heeft zij geloofd dat zij zwanger zou worden en een zoon ter wereld zou brengen: “de Heilige”, aan wie de naam toekomt van ”Zoon van God”, de naam van ”Jezus” (=God redt). Als dienstmaagd des Heren bleef zij volmaakt trouw aan de persoon en de zending van deze Zoon. Als bleef zij volmaakt trouw aan de persoon en de zending van deze Zoon. Als moeder heeft zij ”in geloof en gehoorzaamheid . . . de eigen Zoon van de Vader hier op aarde gebaard, en wel zonder een man te bekennen, overschaduwd door de Heilige Geest”.

    Om deze redenen wordt Maria ”terecht door de Kerk met een bijzonder verering omringd. Inderdaad, vanaf de oudste tijden wordt (zij) met de titel van ‘Godsmoeder’ vereerd en tot haar bescherming nemen de gelovigen in al hun gevaren en noden hun toevlucht”. Deze eredienst is van heel bijzonder aard: hij houdt de diepe band in die bestaat tussen de Moeder van Christus en de Kerk en drukt deze uit. Maria blijft als maagd en moeder voor de Kerk het model. Men kan dus zeggen dat Maria die aanwezig is in het mysterie van Christus vooral volgens dit aspect, dus als model of beter als ”beeld” ook steeds aanwezig blijft in het mysterie van de Kerk. Inderdaad wordt ook de Kerk ”Moeder en maagd” genoemd en deze namen zijn bijbels en theologisch zeer verantwoord.

    De Kerk ”wordt . . . moeder door het woord van God met getrouwheid op te nemen”. Zoals Maria, die als eerste geloofd heeft oen zij het woord van God aannam dat haar geopenbaard werd bij de boodschap, en daaraan trouw bleef in al haar beproevingen tot onder het kruis, zo wordt de Kerk moeder als zij het woord van God met getrouwheid aanneemt en ”door de prediking en het doopsel zonen ter wereld brengt, van de Heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk leven”. Dit ”moederlijke” kenmerk van de Kerk is op bijzondere levendige wijze uitgedrukt door de apostel van de heidenen toen hij schreef: ”Ach kinderen, ik moet opnieuw weeën om u doorstaan, totdat ge de gestalte van Christus hebt aangenomen” (Gal. 4, 19). Deze woorden van sint Paulus bevatten een interessant spoor van het moederlijke bewustzijn van de oerkerk, dat verband houdt met haar apostolische dienstwerk onder de mensen. Dit bewustzijn maakte het de Kerk mogelijk en maakt het haar steeds mogelijk het mysterie van haar leven en zending te zien naar het voorbeeld van de Moeder van de Zoon die de ”eerstgeborene onder vele broeders” is (Rom. 8, 29).

    Men kan zeggen dat de Kerk ook van Maria haar eigen moederschap leert. Zij herkent het moederlijke aspect van haar roeping dat wezenlijk verbonden is met haar sacramentele natuur, terwijl zij ”de verborgen heiligheid van Maria beschouwt, haar liefde navolgt en de wil van de Vader getrouw volbrengt”. 

    Als de Kerk teken en instrument van de innige vereniging met God is, dan is zij dit vanwege haar moederschap: omdat zij door de levenwekkende Geest zonen en dochters van de mensenfamilie ”voortbrengt” voor een nieuw leven in Christus; omdat de Kerk zo ten dienste blijft staan van het mysterie van de aanneming tot de kinderen door de genade, zoals Maria ten dienste staat van het mysterie van de menswording.

    Naar het voorbeeld van Maria blijft de Kerk tevens de maagd die trouw is aan haar bruidegom: ”Ook zij is maagd: zij behoudt haar trouw aan de bruidegom gaaf en zuiver”. De Kerk is inderdaad de bruid van Christus, zoals blijkt uit de paulijnse brieven en uit de naam die Johannes haar geeft: ”de bruid van het Lam” (Openb. 21, 9). Wanneer de Kerk als bruid ”de aan Christus gegeven trouw behoudt”, dan heeft deze trouw die in de leer van de apostel beeld van het huwelijk is geworden, tegelijk de waarde van beeld van de volledige overgave aan God in het celibaat ”omwille van het Rijk der hemelen” ofwel van de aan God gewijde maagdelijkheid. 

    Juist deze maagdelijkheid naar het voorbeeld van de Maagd van Nazareth is bron van een bijzonder geestelijke vruchtbaarheid: zij is bron van het moederschap in de Heilige Geest.

    De Kerk behoudt ook het geloof dat zij van Christus ontvangen heeft: naar het voorbeeld van Maria die alles wat haar goddelijke Zoon betrof in haar hart bewaarde en bij zichzelf overwoog, legt zij zich erop toe het Woord van God te bewaren en de rijkdommen ervan oordeelkundig en omzichtig na te vorsen, om er in ieder tijdvak voor alle mensen trouw van te getuigen. 

    Aangezien Maria haar voorbeeld is gaat de Kerk naar Maria toe en tracht zij aan haar gelijk te worden: ”in navolging van de Moeder van haar Heer bewaart zij op maagdelijke wijze, door de kracht van de Heilige Geest, het ongerept geloof, de standvastige hoop en de oprechte liefde”. Maria is dus aanwezig in het mysterie van de Kerk als model. Maar het mysterie van de Kerk bestaat er ook in de mensen voort te brengen voor een nieuw en onsterfelijk leven: dit is haar moederschap in de Heilige Geest. En hier is Maria niet alleen model en beeld van de Kerk maar veel meer. Want ”met moederlijke liefde draagt zij bij tot de geboorte en de opvoeding” van de zonen en de dochters van de moederkerk. Het moederschap van de Kerk verwerkelijkt zich niet alleen volgens het model en het beeld van de Moeder Gods maar ook met haar ”medewerking”. De Kerk putovervloedig uit deze medewerking, uit het moederlijke middelaarschap dus, dat karakteristiek is voor Maria, omdat zij reeds op aarde bijdroeg tot de geboorte en de opvoeding van zonen en dochters van de Kerk, als Moeder van de Zoon ”die God gesteld heeft tot Eerstgeborene onder vele broeders”.

    Zij droeg ertoe bij – zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert – met moederlijke liefde. Hier ziet men de werkelijke waarde van de woorden die Jezus op het uur van het kruis tot zijn moeder gesproken heeft: ”Vrouw, zie daar uw zoon”, en tot de leerling: ”Zie daar uw moeder” (Joh. 19, 26-27). Het zijn woorden die de plaats van Maria in het leven van de leerlingen van Christus bepalen en, zoals reeds gezegd, het nieuwe moederschap van de Moeder van de Verlosser uitdrukken: het geestelijke moederschap dat voortgekomen is uit het diepst van het Paasmysterie van de Verlosser der wereld. Het is een moederschap in de orde van de genade, want het smeekt de gave af van de Heilige Geest die de nieuwe kinderen van God verwekt die verlost zijn door het offer van Christus: de Geest die ook Maria, samen met de Kerk, ontvangen heeft op de dag van Pinksteren.

    Het christenvolk ervaart en beleeft dit moederschap speciaal in het heilig Gastmaal, de liturgische viering van het mysterie van de verlossing waarin Christus tegenwoordig komt zijn waarachtige lichaam geboren uit de Maagd Maria.

    Terecht heeft de vroomheid van het christenvolk steeds een nauw verband gezien tussen de verering van de heilige Maagd en de eucharistische eredienst: dit is een feit dat men kan opmerken zowel in de westerse als in de oosterse liturgie, in de tradities van de kloosterfamilies, in de spiritualiteit van de hedendaagse bewegingen, ook in die van de jongeren, in de pastoraal van de Mariaheiligdommen. Maria voert de gelovigen tot de Eucharistie.

    Het is wezenlijk voor het moederschap dat het betrekking heeft op personen. Het vormt steeds een unieke en onherhaalbare relatie van twee personen: van de moeder met het kind en van het kind met de moeder. Ook als eenzelfde vrouw moeder is van vele kinderen, dan kenmerkt toch haar persoonlijke relatie met ieder van hen wezenlijk het moederschap. Want ieder kind is op unieke en onherhaalbare wijze ter wereld gebracht en dit geldt zowel voor de moeder als voor het kind. Ieder kind wordt op diezelfde wijze omringd met de moederlijke liefde waarop zijn opvoeding en rijping in menselijkheid gebaseerd zijn.

    Men kan zeggen dat het moederschap ”in de orde van de genade” de gelijkenis behoudt met wat ”in de orde van de natuur” de band van de moeder met het kind kenmerkt. In dit licht wordt het begrijpelijker dat in het testament van Christus op Golgota het nieuwe moederschap van zijn Moeder uitgedrukt is in het enkelvoud tegenover één mens: ”Zie daar uw zoon”.

    Men kan bovendien zeggen dat in die woorden ook volledig het motief aangegeven wordt voor de mariale dimensie van het leven van de leerlingen van Christus: niet allen van Johannes die op dat uur samen met de Moeder van zijn Meester onder het kruis stond, maar van iedere leerling van Christus, van iedere christen. De Verlosser vertrouwt zijn Moeder aan de leerling toe en geeft haar tegelijk als moeder aan hem. Het moederschap van Maria dat een erfenis wordt voor de mens is een gave: een geschenk dat Christus persoonlijk aan ieder mens geeft. Zoals de Verlosser Maria toevertrouwt aan Johannes, zo vertrouwt Hij tegelijk Johannes toe aan Maria. Aan de voet van het kruis begint de speciale toewijding van de mens aan de Moeder van Christus die vervolgens in de geschiedenis van de Kerk op verschillende wijzen in praktijk gebracht en uitgedrukt is. Als de apostel en evangelist na de woorden weergegeven te hebben die Jezus aan het kruis tot de moeder en tot hemzelf richtte, eraan toevoegt: ”En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich” (Joh. 19, 27), dan wil dit ongetwijfeld zeggen dat aan de leerling de taak van zoon werd gegeven en dat hij de zorg voor de moeder van zijn geliefde Meester op zich nam. Daar Maria aan hem persoonlijk als moeder gegeven werd, duidt het, zij het indirect, datgene aan wat de intieme band van een kind met zijn moeder uitdrukt. En dit alles kan begrepen worden in het woord ”overgave”. De overgave is het antwoord op de liefde van een persoon en in het bijzonder op de liefde van de moeder.

    De mariale dimensie van het leven van een leerling van Christus drukt zich op speciale wijze uit juist door zo’n kinderlijke overgave aan de Moeder van God, welke zijn oorsprong heeft in het testament van de Verlosser op Golgota. Als de christen zich kinderlijk aan Maria toevertrouwt, ”neemt” hij de Moeder van Christus ”op in het zijne”, zoals de apostel Johannes gedaan heeft, en leidt hij haar binnen in heel de ruimte van zijn eigen innerlijke leven, d.w.z. in zijn menselijke en christelijke “ik”: ”Hij nam haar bij zich”. Zo streeft hij ernaar binnen te treden in de straal van werking van de ”moederlijke liefde” waarmee de Moeder van de Verlosser ”zorg draagt voor de broeders van haar Zoon” ”tot wier geboorte en opvoeding zij bijdraagt”, overeenkomstig de maat van de gave die aan ieder eigen is door de kracht van de Geest van Christus. Zo ontplooit zich ook het moederschap naar de geest dat de taak van Maria is geworden onder het kruis en in het cenakel.

    Deze kinderlijke band, dit zich toevertrouwen van een zoon aan de Moeder heeft niet slechts zijn oorsprong in Christus, maar men kan zeggen dat het tenslotte op Hem gericht is. Men kan zeggen dat Maria tot allen dezelfde woorden blijft zeggen die zij te Kana in Galilea gezegd heeft: ”Doet maar wat Hij u zeggen zal”. Hij, Christus, is immers de enige Middelaar tussen God en de mensen; Hij is ”de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14, 6); Hij is degene die door de Vader aan de wereld is gegeven, opdat de mens ”niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben” (Joh. 3, 16). De Maagd van Nazareth is de eerste ”getuige” geworden van deze heilsliefde van de Vader en zij verlangt ook altijd en overal zijn nederige dienstmaagd te blijven. Maria is ten opzichte van iedere Christen, van iedere mens degene die als eerste ”geloofd heeft” en zij wil juist met dit geloof van een bruid en moeder haar invloed uitoefenen op allen die zich als kinderen aan haar toevertrouwen. En het is bekend dat, hoe meer deze kinderen in die houding volharden en daarin vooruitgaan, Maria hen des te dichter bij de ”ondoorgrondelijke rijkdom van Christus” (Lc. 3, 8) brengt. En zij herkennen eveneens steeds beter heel de waardigheid van de mens en de uiteindelijke zin van zij roeping, want ”Christus maakt . . . de mens voor zichzelf duidelijk”. 

    Deze mariale dimensie van het christelijk leven krijgt een bijzonder accent waar het om de vrouw en haar conditie gaat. De vrouwelijkheid staat immers op speciale wijze in relatie met de Moeder van de Verlosser; een thema dat elders nader uitgewerkt zal kunnen worden. Hier wil ik alleen opmerken dat de persoon van Maria van Nazareth licht werpt op de vrouw als zodanig door het feit zelf dat God zich in de sublieme gebeurtenis van de incarnatie van de Zoon heeft toevertrouwd aan de vrije en actieve dienst van een vrouw. Daarom kan men zeggen dat de vrouw die naar Maria kijkt in haar het geheim vindt om op waardige wijze haar vrouw-zijn te beleven en haar echte promotie te realiseren. In het licht van Maria ziet de Kerk op het gelaat van iedere vrouw een schoonheid die de spiegel is van de meest verheven gevoelens waartoe het menselijke hart in staat is: de totale offervaardigheid van de liefde; de kracht die weet te weerstaan aan de grootste smart; de onbeperkte trouw en de onvermoeibare zorg; het vermogen om de doordringende intuïtie te verenigen met het woord van ondersteuning en bemoediging.

    Paulus VI heeft tijdens het Concilie plechtig verklaard dat Maria Moeder van de Kerk is, ”dat wil zeggen Moeder van hel het christenvolk, zowel van de gelovigen als van de herders”. Later, in 1968, bevestigde hij deze verklaring in de geloofsbelijdenis die bekend is onder naam Credo van het Volk van God in een nog meer bindende vorm met de woorden: ”Wij geloven dat de allerheiligste Moeder van God, de nieuwe Eva, de Moeder van de Kerk, in de hemel haar moederlijke taak ten opzichte van de ledematen van Christus voortzet, door mee te werken aan de geboorte en de ontwikkeling van het goddelijke leven in de zielen van de verlosten”. 

    De leer van het Concilie heeft onderstreept dat de waarheid over de allerheiligste Maagd en Moeder van Christus een doeltreffend hulpmiddel vormt voor de verdieping van de waarheid over de Kerk. Sprekend in verband met de constitutie Lumen Gentium die juist door het Concilie goedgekeurd was, heeft Paulus VI gezegd: ”De kennis van de ware katholieke leer over de heilige Maagd Maria zal altijd een sleutel vormen voor het nauwkeurige begrip van het mysterie van Christus en van de Kerk”. 

    Maria is in de Kerk aanwezig als Moeder van Christus en tevens als de Moeder die Christus in het mysterie van de verlossing aan de mens gegeven heeft in de persoon van de apostel Johannes. Daarom omringt Maria met haar nieuwe moederschap in de Geest allen en ieder in de Kerk en door de Kerk. In deze zin is Maria, de Moeder van de Kerk, ook moeder van de Kerk. Want deze ”moet”, zoals Paulus VI wenst en vraagt, ”de Maagd en Moeder van God tot het meest authentieke voorbeeld van de volmaakte navolging van Christus nemen”. 

    Dank zij deze speciale band die de Moeder van Christus met de Kerk verbindt, wordt het mysterie duidelijker van de “vrouw” die vanaf de eerste hoofdstukken van het boek Genesis tot aan de ”Apokalyps” de openbaring van Gods heilsplan ten opzichte van de mensheid vergezelt. Maria die als Moeder van de Verlosser aanwezig is in de Kerk, neemt inderdaad op moederlijke wijze deel aan de ”lastige worsteling tegen de machten van de duisternis”, die zich ontwikkelt gedurende heel de geschiedenis van de mensheid. En daar de Kerk haar identificeert met de “vrouw, bekleed met de zon” (Openb. 12, 1), kan men zeggen dat ”de Kerk in de zalige Maagd de volmaaktheid reeds bereikt heeft, waardoor zij vlek noch rimpel vertoont”. Daarom heffen de christenen op hun aardse pelgrimstocht in geloof hun ogen op naar Maria en ”spannen zij zich nog steeds in om in heiligheid te groeien”. 

    Maria, de dochter van Sion bij uitnemendheid, helpt al haar kinderen, waar en in welke situatie zij ook leven om in Christus de weg naar het huis van de Vader te vinden.

    Daarom, onderhoudt de Kerk in heel haar leven met de Moeder van God een band die in het heilsmysterie het verleden, het heden en de toekomst omvat en vereert zij haar als geestelijke moeder van de mensheid en pleitbezorgster van genade.

    HOOFDSTUK 3 - De betekenis van het Mariale jaar

    Juist de speciale band van de mensheid met deze Moeder heeft mij er toe gebracht om in de Kerk een Mariajaar uit te roepen in de periode die voorafgaat aan het einde van het tweede millennium na de geboorte van Christus. Een soortgelijk initiatief is er reeds in het verleden geweest toen Pius XII het jaar 1954 tot Mariajaar uitriep teneinde de uitzonderlijke heiligheid van de Moeder van Christus in het licht te stellen die tot uitdrukking komt in de mysteries van haar onbevlekte ontvangenis (welke precies een eeuw eerder tot dogma was verklaard) en van haar tenhemelopneming.

    Nu wil ik in de lijn van het Tweede Vaticaans Concilie de speciale tegenwoordigheid van de Moeder Gods in het mysterie van Christus en zijn Kerk doen uitkomen. Dit is namelijk een fundamentele dimensie die opkomt uit de mariologie van het Concilie dat nu reeds meer dan twintig jaar geleden is afgesloten. De buitengewone bisschoppensynode die in 1985 heeft plaatsgevonden heeft allen aangespoord de leer en de aanwijzingen van het Concilie trouw te volgen. Men kan zeggen dat het Concilie en de synode datgene bevatten wat de Heilige Geest wil ’zeggen tot de Kerk” in de huidige fase van de geschiedenis.


    13-11-2017 om 06:47 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mariale dogma's - deel 2

    Het woord van de levende God dat door de engel aan Maria verkondigd werd betrof haarzelf ”Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen” (Lc. 1, 31). Maria die deze boodschap aannam moest de “Moeder van de Heer” worden en in haar moest het goddelijke mysterie van de menswording in vervulling gaan: “De Vader van barmhartigheid heeft gewild dat aan de menswording de aanvaarding zou voorafgaan door haar die voorbestemd was de moeder van Jezus te worden”. En Maria geeft deze instemming, na alle woorden van de bode aanhoord te hebben. Zij zegt: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord”(Lc. 1, 38). Dit fiat van Maria - ”mij geschiede” - heeft van de menselijke kant beslist over de vervulling van het goddelijke mysterie. Er is volledige overeenkomst met de woorden van de Zoon, die volgens de brief een de Hebreeën bij zijn komst in de wereld tot de Vader zegt: ”Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid . . . Hier ben Ik . . . gekomen . . . om uw wil te doen” (Heb. 10, 5-7). Het mysterie van de menswording is vervuld toen Maria haar fiat heeft uitgesproken: ”Mij geschiede naar uw woord” en de verhoring van de wens van haar Zoon heeft mogelijk gemaakt, voorzover dit van haar afhing in het goddelijk plan.

    Maria heeft dit fiat uitgesproken door het geloof. Zij heeft zich door het geloof zonder voorbehoud aan God toevertrouwd en ”zich als dienstmaagd des Heren geheel en al gewijd aan de persoon en het werk van haar Zoon”. En zij heeft deze Zoon, zoals de kerkvaders leren, alvorens Hem in haar schoot te ontvangen in haar geest ontvangen: juist door het geloof! Elisabet prijst dus Maria terecht: ”Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is”. Deze woorden zijn reeds in vervulling gegaan: Maria van Nazaret verschijnt op de drempel van het huis van Elisabet en Zacharias als Moeder van Gods Zoon. Fat is de blijde ontdekking van Elisabet: “De moeder van mijn Heer komt naar mij toe”!

    Daarom kan ook het geloof van Maria vergeleken worden met dat van Abraham, die door de apostel “onze vader in het geloof” is genoemd. Het geloof van Abraham vormt in de heilsgeschiedenis van de goddelijke openbaring het begin van het Oude Verbond. Door het geloof van Maria bij de boodschap begint het Nieuwe Verbond. Zoals Abraham ”geloofd heeft, hopend tegen alle hoop in, dat hij vader zou worden van vele volken”, zo heeft Maria op het ogenblik van de boodschap, na erop gewezen te hebben dat zij maagd was (”Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?”), geloofd dat zij door de kracht van de Allerhoogste, door de werking van de heilige Geest, de Moeder van Gods Zoon zou worden, overeenkomstig de openbaring van de engel: ”wat ter wereld wordt gebracht zal heilig genoemd worden, Zoon van God” (Lc. 1, 35).

    Maar de woorden van Elisabet: ”Zalig zij die geloofd heeft” zijn niet alleen van toepassing op dat speciale ogenblik van de boodschap. Dit is zeker het hoogtepunt van het geloof van Maria die Christus verwacht, maar ook het vertrekpunt van waaruit heel haar “opgang naar God”, heel haar geloofstocht begint. En op deze weg zal zich op voortreffelijke en waarlijk heldhaftige wijze – ja, met een steeds groter en heldhaftiger geloof – de “gehoorzaamheid” aan het woord van de goddelijke openbaring welke zij beloofd heeft, verwezenlijken. En deze “gehoorzaamheid van het geloof” van de kant van Maria gedurende haar gehele tocht zal op verassende wijze lijken op het geloof van Abraham. Zoals de aartsvader van het volk van God zo heeft ook Maria langs de weg van haar kinderlijk en moederlijk fiat ”geloofd, hopend tegen alle hoop in”. De zegen die geschonken is aan haar ”die geloofd heeft” zal zich bijzonder duidelijk openbaren speciaal langs sommige etappes van deze weg. Geloven wil zeggen “vertrouwen” op de waarheid van het woord van de levende God, ook al weet en erkent men nederig ”hoe ondoorgrondelijk zijn beslissingen zijn, hoe onnaspeurlijk zijn wegen” (Rom. 11, 33). Maria, kan men zeggen, bevindt zich door de eeuwige wil van de Allerhoogste in het centrum van die ”onnaspeurlijke wegen” en ”ondoorgrondelijke beslissingen” van God; zij geeft zich daaraan over in de schemering van het geloof en aanvaardt volledig en met open hart alles wat beschikt is in het goddelijk plan.

    Als Maria bij de boodschap hoort spreken over de Zoon van wie zij de moeder zal worden en aan wie zij ”de naam Jezus (=Redder) moet geven”, komt zij ook te weten dat “de Heer de troon van zijn vader David zal schenken” aan Hem en dat Hij ”in eeuwigheid koning zal zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap geen eind zal komen” (Lc. 1, 32-33). De verwachting van heel Israël ging in deze richting. De beloofde Messias zou ”groot” zijn en ook de hemelse bode kondigt aan dat ”hij groot zal zijn” - groot zowel vanwege de naam van Zoon van de Allerhoogste als vanwege het ontvangen van de erfenis van David. Hij zal dus koning zijn, hij zal regeren “over het huis van Jakob”. Maria is opgegroeid temidden van deze verwachtingen van haar volk: kon zij op het ogenblik van de boodschap vermoeden welke wezenlijke betekenis deze woorden van de engel hadden? En hoe dient dat “koningschap” waaraan ”nooit een einde zal komen” verstaan te worden?

    Hoewel zij door het geloof op dat ogenblik begrepen heeft moeder van de “Messias-koning” te zijn, heeft zij toch geantwoord: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1, 38). Vanaf het eerste ogenblik heeft Maria vooral de ”gehoorzaamheid van het geloof” getoond en zich verlaten op de betekenis die Hij van wie de woorden van de boodschap kwamen eraan gaf: God zelf.

    Een weinig later hoort Maria steeds op deze weg van de ”gehoorzaamheid van het geloof” andere woorden, de woorden die Simeon uitsprak in de tempel van Jeruzalem. Het was reeds de veertigste dag na de geboorte van Jezus toen Maria en Jozef volgens het voorschrift van de Wet van Mozes ”het kind naar Jeruzalem brachten om het aan de Heer op te dragen” (Lc. 2, 22). De geboorte had plaats gevonden in omstandigheden van uiterste armoede. Wij weten door Lucas dat Maria zich met Jozef naar Betlehem had begeven bij gelegenheid van de volkstelling die door de Romeinse autoriteiten uitgeschreven was, en dat zij, daar zij geen ”plaats in de herberg” gevonden had, haar kind in een stal ter wereld bracht en “Hem neerlegde in een kribbe” .

    Een zekere Simeon, een wetsgetrouw en vroom man, verschijnt aan het begin van de geloofstocht van Maria. Zijn door de heilige Geest ingegeven woorden bevestigen de waarheid van de boodschap. Wij lezen namelijk dat hij het kind ”in zijn armen nam”, dat volgens het bevel van de engel ”de naam Jezus ontving” . Wat Simeon zegt stemt overeen met de betekenis van deze naam die Redder is: ”God redt”. Hij keerde zich tot de Heer en zei: ”Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël” (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt zich tevens tot Maria met de volgende woorden: ”Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël” (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt zich tevens tot Maria met de volgende woorden: ”Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van velen openbaar zal worden”. En met betrekking tot Maria zelf voegt hij eraan toe: ”en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord” (Lc. 2, 34-35). De woorden van Simeon werpen een nieuw licht op de boodschap die Maria gehoord heeft van de engel: Jezus is de Redder. Hij is ”licht om te stralen” voor de mensen. Is dit niet wat in zekere zin gebleken is in de kerstnacht, toen de herders naar de stal waren gekomen? Is dit niet wat nog duidelijker zou blijken bij de komst van de Wijzen uit het oosten? Maar tegelijk ervaart de Zoon van Maria reeds aan het begin van zijn leven – en met Hem zijn moeder – aan zichzelf de waarheid van de andere woorden van Simeon: ”teken van tegenspraak” (Lc. 2, 34). Wat Simeon zegt blijkt een tweede boodschap aan Maria te zijn, want het toont haar de concrete historische omstandigheden waarin de Zoon zijn zending zal vervullen, namelijk in onbegrip en leed. Deze boodschap is enerzijds een bevestiging van haar geloof in de vervulling van de goddelijke heilsbeloften, maar openbaart van de andere kant ook dat zij haar geloofsgehoorzaamheid moet beleven in lijden aan de zijde van de lijdende Heiland en dat haar moederschap duister en smartelijk zal zijn. Zie, na het bezoek van de Wijzen, na hun eerbetuiging (”neervallend betuigen zij hun hulde”), na het aanbieden van de geschenken, moet Maria inderdaad samen met het kind onder de zorgzame hoede van Jozef naar Egypte vluchten, omdat ”Herodes het kind komt zoeken om het te doden”. En tot aan de dood van Herodes zullen zij in Egypte moeten blijven.

    Na de dood van Herodes keert de heilige familie terug naar Nazaret en begint de lange periode van het verborgen leven. Zij die “geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is gezegd” (Lc. 1, 45) beleefd iedere dag de inhoud van deze woorden. De Zoon aan wie zij de naam Jezus heeft gegeven is dagelijks aan haar zijde; zij gebruikt dus zeker in haar contacten met Hem deze naam, die overigens bij niemand verwondering kon opwekken daar hij sinds lang gebruikelijk was in Israël. Maria weet echter dat Hij die de naam Jezus draagt door de engel “Zoon van de Allerhoogste” genoemd is. Maria weet dat zij Hem geeft ontvangen en ter wereld gebracht ”zonder gemeenschap te hebben met een man”, door de werking van de heilige Geest, uit de kracht van de Allerhoogste die daar overschaduwd heeft, zoals de wolk de tegenwoordigheid van God omhulde in de tijd van Mozes en de vaders. Maria weet dus dat de Zoon die zij als maagd ter wereld heeft gebracht werkelijk ”de Heilige” is de Zoon van God” over wie de engel haar gesproken heeft.

    Gedurende de jaren van het verborgen leven van Jezus in het huis van Nazaret is ook het leven van Maria “met Christus verborgen in God” door het geloof. Want het geloof is een contact met het mysterie van God. Maria is voortdurend, dagelijks in contact met het onuitsprekelijk mysterie van God die mens is geworden, een mysterie dat alles overtreft wat in het Oude Verbond geopenbaard is. Vanaf het ogenblik van de boodschap is de geest van de Moedermaagd binnengeleid in de radicale “nieuwheid” van Gods zelfopenbaring en ingewijd in het mysterie. Zij is de eerste van die ”kleinen” van wie Jezus eens zal zeggen: ”Vader, . . . Gij hebt deze dingen verborgen gehouden voor wijzen en verstandigen, maar ze geopenbaard aan kleinen” (Mt. 11, 25). ”Niemand kent de Zoon tenzij de Vader” (Mt. 11, 27). Hoe kan Maria dan ”de Zoon kennen”? Zij kent Hem zeker niet zoals de Vader Hem kent; maar toch is zij de eerste onder hen aan wie de Vader “Hem heeft willen openbaren”. Ook al is aan Maria van het ogenblik van de boodschap af de Zoon geopenbaard die alleen de Vader ten bolle kent omdat Hij Hem voortbrengt in het eeuwige “heden”, toch is zij, de Moeder, alleen in en door het geloof in contact met de werkelijkheid van haar Zoon! Zij is dus zalig omdat zij ”geloofd heeft” en iedere dag gelooft temidden van alle beproevingen en tegenspoed van de periode van Jezus’ kindsheid en vervolgens gedurende de jaren van het verborgen leven te Nazaret, waar Hij ”aan hen onderdanig was” (Lc. 2, 51): onderdanig aan Maria en ook aan Jozef, want deze nam voor de ogen van de mensen de plaats van de vader in; daarom werd de Zoon van Maria door de mensen voor ”de zoon van de timmerman” (Mt. 13, 55) gehouden.

    De moeder van die Zoon, die alles wat haar bij de boodschap en de daarop volgende gebeurtenissen gezegd was in haar hart bewaart, draagt dus de radicale ”nieuwheid” van het geloof in zich: het begin van het Nieuwe Verbond. Dit is het begin van het evangelie ofwel van de goede, blijde boodschap. Maar het is niet moeilijk in dat begin een bijzondere moeite van het hart op te merken, samen met een soort ”nacht van het geloof” (om de woorden van de heilige Johannes van het Kruis te gebruiken), als het ware een ”sluier” waardoorheen men moet naderen tot de Onzichtbare en leven in innige verbondenheid met het mysterie. Het is inderdaad op deze wijze dat Maria vele jaren innig verbonden bleef met het mysterie van haar Zoon en voortging op haar geloofstocht, terwijl Jezus ”toenam in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen” (Lc. 2, 25). Steeds meer openbaarde zich voor de ogen van de mensen de voorliefde die God voor Hem had. De eerste van de menselijke schepselen aan wie het gegeven was Christus te ontdekken, was Maria die met Jozef in het huis te Nazaret leefde.

    Toe Maria en Jozef Jezus teruggevonden hadden in de tempel en de twaalfjarige op de vraag van zijn Moeder: ”Waarom hebt Ge ons dit aangedaan?” antwoordde ”Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”, voegt de evangelist toe: ”Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde” (Lc. 2, 48-50). Jezus was er zich dus van bewust dat ”alleen de Vader de Zoon kent”, zozeer dat zelfs zij aan wie het mysterie van zijn goddelijk Zoon-zijn dieper geopenbaard was, de Moeder, alleen door het geloof in innige verbondenheid met dit mysterie leefde! Aan de zijde van haar Zoon onder hetzelfde dak “heeft zij de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden” en is zij ”voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof”, zoals het Concilie onderstreept. En zo was het ook tijden het openbare leven van Christus, waardoor van dag tot dag in haar de zegen vervuld werd welke Elisabet bij haar bezoek had uitgesproken: ”Zalig zij de geloofd heeft”.

    Deze zegen bereikt het hoogtepunt van zijn betekenis als Maria onder het kruis van haar Zoon staat . Het Concilie verzekert dat dit niet is geschied ”zonder Gods beschikking”: ”daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren”. Zo, ”heeft zij de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden tot onder het kruis” de vereniging door het geloof, hetzelfde geloof waarmee zij de openbaring van de engel op het ogenblik van de boodschap had ontvangen. Toen had zij ook tot zich horen zeggen: ”Hij zal groot zijn . . . God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen” (Lc. 1, 32-33).

    En zie, aan de voet van het kruis is Maria menselijkerwijs gesproken getuige van de volstrekte logenstraffing van deze woorden. Haar Zoon sterft als een veroordeelde op dat hout. ”Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten . . . geminacht en als niet de moeite waard beschouwd”: als het ware vernietigd. Hoe groot en heldhaftig is dan de gehoorzaamheid van het geloof die Maria toont tegenover de ”ondoorgrondelijke beslissingen” van God! Hoe ”vertrouwt zij zich” zonder voorbehoud ”toe aan God, door de volledige onderdanigheid van verstand en wil” jegens Hem wiens ”wegen onnaspeurlijk zijn” ! En hoe machtig is tevens de werking van de genade in haar ziel, hoe doordringend is de invloed van de heilige Geest, van zij licht en kracht?

    Door dit geloof is Maria volmaakt verenigd met Christus in zijn ontlediging. Want ”Jezus Christus . . . die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen”: juist op Golgota ”heeft Hij zich vernederd en werd Hij gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis”. Aan de voet van het kruis neemt Maria door het geloof deel aan het ontstellende mysterie van deze ontlediging. Misschien is dit de meest diepe ”ontlediging” van het geloof in de mensengeschiedenis. Door het geloof neemt de Moeder deel aan de dood van de Zoon, aan zijn verlossingsdood. Het was een geloof dat veel meer verlicht was dan het geloof van de leerlingen die op de vlucht sloegen. Op Golgota heeft Jezus door het kruis definitief bevestigd het ”teken van tegenspraak” te zijn dat Simeon voorzegd had. Tegelijkertijd zijn daar de woorden in vervulling gegaan die tot Maria gericht had: ”En uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord”.

    Ja, waarlijk ”zalig zij die geloofd heeft”! Deze woorden welke Elisabet uitgesproken heeft na de boodschap, lijken hier aan de voet van het kruis te weerklinken met uiterste welsprekendheid en de kracht die erin opgesloten ligt wordt doordringend. Vanaf het kruis, als het ware uit het hart zelf van het mysterie van de verlossing, verbreidt zich de straal en verwijdt zich het perspectief van die geloofszegen. Hij gaat terug, ”tot aan het begin” en wordt, als deelname aan het offer van Christus, de nieuwe Adam, in zekere zin het tegenwicht van de ongehoorzaamheid en het ongeloof die gelegen zijn in de zonde van de stamouders. Zo leren de kerkvaders en in het bijzonder de heilige Ireneüs die geciteerd wordt door de constitutie Lumen Gentium: ”De knoop van Eva’s ongehoorzaamheid werd door de gehoorzaamheid van Maria ontward: hetgeen de maagd Eva door het ongeloof gebonden had, dat heeft de Maagd Maria door haar geloof ontbonden”. In het licht van deze vergelijking met Eva noemen de vaders Maria "moeder van de levenden", zoals het Concilie ook in herinnering brengt, en zij verklaren vaak: ”De dood door Eva, het leven door Maria”.

    Wij kunnen dus terecht in de uitdrukking ”Zalig zij de geloofd heeft” als het ware een sleutel vinden die ons de innerlijke werkelijkheid van Maria ontsluit: van haar die de engel gegroet heeft als ”vol van genade”. Als ”vol van genade” is zij van eeuwigheid aanwezig in het mysterie van Christus, terwijl zij door het geloof daaraan deelneemt op heel haar aardse levensweg: ”zij is voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof”. Tegelijk heeft zij op discrete maar directe en doeltreffende wijze dit mysterie van Christus voor de mensen tegenwoordig gesteld. En zij doet dit nog steeds. En door het mysterie van Christus is zij ook aanwezig onder de mensen. Zo wordt door het mysterie van de Zoon ook het mysterie van de Moeder verhelderd.

    HOOFDSTUK 3 - Zie daar uw moeder

    In het Evangelie van Lucas staat het moment opgetekend waarom ”een vrouw uit de menigte haar stem verhief” en Jezus ”toeriep: Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u hebben gevoed” (Lc. 11, 27). Deze woorden vormden een hulde aan Maria als moeder van Jezus naar het vlees. Die vrouw kende de Moeder van Jezus misschien niet persoonlijk. Toen Jezus zijn messiaanse activiteit begon, vergezelde Maria Hem immers niet en bleef zij in Nazareth. Men zou kunnen zeggen dat de woorden van die onbekende vrouw haar op zeker wijze haar verborgenheid hebben doen verlaten.

    Door die woorden heen heeft minstens voor een ogenblik onder de menigte het Evangelie van Jezus’ kindsheid gestraald. Het is het Evangelie waarin Maria aanwezig is als de moeder die Jezus in haar schoot ontvangt en ter wereld brengt en Hem als pasgeborene de moederborst geeft: de moeder en voedster op wie de vrouw uit het volk zinspeelt. Dank zij dit moederschap is Jezus –Zoon van de Allerhoogste  – een echt mensenkind. Hij is ”vlees” ,zoals iedere mens: Hij is ”het Woord (dat) vlees is geworden”. 

     Hij is vlees en bloed van Maria. Maar Jezus antwoordt op veelzeggende wijze op de zegen welke werd uitgesproken door die vrouw tegenover zijn moeder naar het vlees: ”Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden” (Lc. 11, 28). Hij wil de aandacht afleiden van het moederschap enkel in de zin van een band van het vlees om haar te richten op de mysterievolle banden van de geest die gevormd worden door het beluisteren en onderhouden van het woord Gods.

    Eenzelfde overdracht naar de sfeer van de geestelijke waarden tekent zich nog duidelijker af in een ander antwoord van Jezus, dat alle synoptici weergeven. Als men aan Jezus laat weten dat zijn ”moeder en broeders zijn zij die het woord van God horen en er naar handelen” (Lc. 8, 20-21). Dit zei Hij ”terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om hen heen zaten”, zoals wij bij Marcus lezen" (Mc. 3, 34) of, volgens Matteüs, ”met een gebaar naar zijn leerlingen” (Mt. 12, 49).

    Deze uitdrukkingen lijken een vervolg op wat Jezus als twaalfjarige antwoordde aan Maria en Jozef toen zij Hem na drie dagen terugvonden in de tempel van Jeruzalem.

    Toen Jezus uit Nazareth wegtrok en zijn openbare leven begon in heel Palestina, wijdde Hij zich volledig en uitsluitend aan de “dingen van de Vader”. 

    Hij verkondigde het Rijk: ”Rijk van God” en ”dingen van de Vader”, die ook een nieuwe dimensie en een nieuwe zin geven aan al wat menselijk is en dus aan iedere menselijke relatie, in verband met de doeleinden en de taken die aan iedere mens zijn toevertrouwd. Ook een band als die van het ”broeder-zijn” betekent in deze nieuwe dimensie iets anders dan het ”broeder-zijn naar het vlees”, dat voortkomt uit de gemeenschappelijke afkomst van dezelfde ouders. En zelfs het ”moederschap” krijgt een andere zin in de dimensie van het Rijk Gods, in de straal van het vaderschap van God zelf. Met de woorden die Lucas heeft opgeschreven leert Jezus juist deze nieuwe zin van het moederschap.

    Verwijdert Hij zich daarmee van haar die Hem naar het vlees heeft voortgebracht? Wil Hij haar misschien in de schaduw van de verborgenheid laten die zij zelf gekozen heeft? Als dit zo kan lijken omdat de woorden zo klinken, dan moet men evenwel vaststellen dat het nieuwe en andere moederschap waarover Jezus tot zijn leerlingen spreekt, juist op zeer speciale wijze Maria treft. Is Maria soms niet de eerste onder hen” die het woord van God horen en er naar handelen”? En betreft de zegen die Jezus uitgesproken heeft in antwoord op de woorden van de anonieme vrouw dus niet vooral haar? Maria is zonder twijfel zegen waardig door het feit dat zij naar het vlees Moeder van Jezus is geworden (”Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u hebben gevoed”), maar ook en vooral omdat zij reeds op het ogenblik van de boodschap het woord van God aangenomen heeft, omdat zij daarin geloofd heeft, omdat zij gehoorzaam was aan God, omdat zij het woord ”in haar hart bewaarde en overwoog” en met heel haar leven er naar handelde. Wij mogen dus zeggen dat de zaligspreking die Jezus uitgesproken heeft, niet staat tegenover die welke verwoord is door de onbekende vrouw, ook al heeft het er de schijn van, maar daarmee samenvalt in de persoon van deze Moedermaagd die zich alleen maar "dienstmaagd des Heren” heeft genoemd (Lc. 1, 38). Het is waar dat ”elk geslacht haar zalig prijst” (Lc. 1, 48) maar men kan zeggen dat die naamloze vrouw de eerste geweest is die onbewust dat profetische vers van het Magnificat van Maria heeft bevestigd en het Magnificat van de eeuwen heeft ingezet.

    Door het geloof is Maria de moeder geworden van de Zoon die de Vader haar gegeven heeft uit kracht van de Heilige Geest, terwijl zij haar maagdelijkheid ongeschonden heeft bewaard. In hetzelfde geloof heeft zij de andere dimensie van het moederschap ontdekt en aanvaard, welke Jezus geopenbaard heeft gedurende zijn messiaanse zending. Men kan zeggen dat het moederschap van Maria vanaf het begin deze dimensie had, d.w.z. vanaf het ogenblik van de ontvangenis en de geboorte van de Zoon. Van toen af aan was zij “degene die geloofd heeft”. Terwijl de messiaanse zending van deze Zoon duidelijk werd voor haar ogen en in haar geest, stelde zij zichzelf als Moeder steeds meer open voor de “nieuwheid” van het moederschap die haar ”deel” zou zijn aan de zijde van de Zoon. Had zij niet van het begin af verklaard: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1, 28)? Door het geloof bleef Maria luisteren naar en nadenken over dat woord, waarin op een wijze ”die alle kennis te boven gaat” (Lc. 3, 19) de zelfopenbaring van de levende God zich steeds doorzichtiger maakte. Moeder Maria werd zo in zekere zin de eerste “leerlinge” van haar Zoon”, de eerste tot wie Hij scheen te zeggen: ”Volg Mij”, nog voor Hij deze oproep richtte tot de apostelen of tot wie anders ook.

    Bijzonder welsprekend is vanuit dit gezichtspunt de tekst van het evangelie van Johannes die ons Maria toont op de bruiloft van Kana. Maria verschijnt er als de Moeder van Jezus aan het begin van zijn openbare leven: ”Er was een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. Jezus en zijn leerlingen waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd” (Joh. 2, 1-2). Uit de tekst lijkt te blijken dat Jezus en zijn leerlingen uitgenodigd waren samen met Maria, als het ware vanwege haar aanwezigheid op dat feest: de Zoon lijkt uitgenodigd vanwege de moeder. Het vervolg van de gebeurtenissen die verbonden zijn met die uitnodiging is bekend, dat “begin van de tekenen” die Jezus deed – het water veranderde in wijn – dat de evangelist doet zeggen: Jezus ”openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in hem” (Joh. 2, 11).

    Maria is te Kana in Galilea aanwezig als Moeder van Jezus en draagt op veelbetekenende wijze bij tot dat ”begin van de tekenen” die de messiaanse macht van haar Zoon openbaren. Zie: ”Toen de wijn opraakte zei de Moeder van Jezus tot Hem: ‘Ze hebben geen wijn meer’. Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, is dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen’” (Joh. 2, 3-4). In het evangelie van Johannes betekent dat ”uur” het moment dat door de Vader is vastgesteld en waarop de Zoon zijn werk vervult en verheerlijkt moet worden. Ook al lijkt het antwoord van Jezus aan zijn moeder te klink weigering (vooral als men meer van Jezus aan zijn moeder te klinken als een weigering (vooral als men meer dan naar de vraag kijkt naar die besliste verklaring: ”Nog is mijn uur niet gekomen”), toch wendt Maria zich tot de bedienden en zegt hun: ”Doet maar wat Hij u zal zeggen” (Joh. 2, 5) Dan beveelt Jezus de bedienden om de kruiken met water te vullen en het water wordt wijn, betere dan de wijn die eerst aangeboden was aan de gasten van het bruiloftsmaal.

    Welke diepe verstandhouding is er geweest tussen Jezus en zijn moeder? Hoe het mysterie van hun intieme geestelijke eenheid te peilen? Maar het feit is welsprekend. Het is zeker dat zich reeds in die gebeurtenis vrij duidelijk de nieuwe dimensie, de nieuwe zin van het moederschap van Maria aftekent. Dit heeft een betekenis die niet uitsluitend besloten ligt in de woorden van Jezus en in de verschillende episoden die door de synoptici weergegeven (Lc. 11, 27-28)(Lc. 8, 19-21)(Mt. 12, 46-50)(Mc. 3, 31-35). In deze teksten wil Jezus vooral het moederschap dat voortvloeit uit het feit zelf van de geboorte stellen tegenover wat dit ”moederschap” (zoals het ”broeder-zijn”) moet zijn in de dimensie van het Rijk Gods, in de heilbrengende uitstraling van het vaderschap van God. In de johanneïsche tekst tekent zich daarentegen in de beschrijving van de gebeurtenissen van Kana af wat zich concreet manifesteert als dit nieuwe moederschap naar de geest en niet alleen maar naar vlees, ofwel de zorg van Maria voor de mensen, naar wie zij toekomt in heel het wijde gamma van hun noden en behoeften. Te Kana in Galilea toont zich slechts een concreet, schijnbaar klein en onbeduidend aspect van de menselijke behoeftigheid (”Zij hebben geen wijn meer”). Maar het heeft symbolische waarde. Dat tegemoetkomen aan de noden van de mensen betekent tegelijk dat zij hen binnenleidt in de straal van de messiaanse zending en van de heilbrengende macht van Christus. Er is dus een bemiddeling: Maria plaatst zich tussen haar Zoon en de mensen in de werkelijkheid van hun ontberingen, armoede en lijden.

    Zij plaatst zich “midden tussen”, d.w.z. zij wordt middelares, niet als een vreemdelinge maar in haar positie van moeder, zich ervan bewust dat zij als zodanig in staat is – zelfs ”het recht heeft” - om de noden van de mensen aan de Zoon voor te leggen. Haar middelaarschap heeft dus het karakter van tussenkomst: Maria ”komt tussenbeide” voor de mensen. En niet alleen dit als moeder verlangt zij ook dat de messiaanse macht van de Zoon zich openbaart ofwel zijn heilsmacht die erop gericht is de mens te hulp te komen in zijn ongeluk, hem te bevrijden van het kwaad dat in verschillende vormen en graden zijn leven bezwaart. Juist zoals de profeet Jesaja voorspeld had van de Messias in de befaamde tekst waarop Jezus zich beroepen heeft ten overstaan van zijn stadgenoten van Nazareth: ”Om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien . . .” .

    Een ander wezenlijk element van deze moederlijke taak van Maria vindt men in de woorden die zij tot de bedienden gericht heeft: ”Doet maar wat Hij u zeggen zal”. De Moeder van Christus treedt op voor de mensen als woordvoerster van de wil van de Zoon, als degene die de vereisten aangeeft waaraan voldaan moet worden, opdat de heilsmacht van de Messias zich kan openbaren. Dank zij de tussenkomst van Maria en de gehoorzaamheid van de bedienden begint Jezus te Kana ”zijn uur”. Te Kana blijkt dat Maria in Jezus gelooft: haar geloof geeft aanleiding tot zijn eerste ”teken” en draagt bij tot het opwekken van het geloof van de leerlingen.

    Daarom kunnen wij zeggen dat wij op deze bladzijde van het evangelie van Johannes als het ware een eerste blijk vinden van de waarheid over de moederlijke zorg van Maria. Deze waarheid heeft ook uitdrukking gevonden in de leer van het laatste Concilie. Het is belangrijk op te merken hoe de moederlijke taak van Maria daardoor belicht wordt in verband met het middelaarschap van Christus. Wij lezen er namelijk: ”De moederlijke taak van Maria tegenover de mensen verduistert of vermindert op geen enkele wijze het enige middelaarschap van Christus, maar toont aan, hoe krachtig het is. Want . . . ,één is de Middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus . . .’ (1 Tim. 2, 5)”. Deze taak vloeit volgens het welbehagen van God voort ”uit de overvloed van de verdiensten van Christus, is gevestigd op zijn middelaarschap, is daarvan volkomen afhankelijk en put daaruit haar gehele kracht”. 

    Juist in deze zin biedt de gebeurtenis te Kana in Galilea ons als het ware een vooraankondiging van het middelaarschap van Maria, dat geheel op Christus is georiënteerd en gericht op de openbaring van zijn heilsmacht.

    Uit de johanneïsche tekst blijkt dat het om een moederlijk middelaarschap gaat. Zoals het Concilie verklaart: Maria “is onze moeder in de orde van de genade”. Dit moederschap in de orde van de genade is voortgekomen uit haar goddelijke moederschap, want omdat zij door beschikking van de goddelijke voorzienigheid moeder en voedster van de Verlosser was, is zij ”op heel bijzonder wijze, vóór alle anderen, zijn edelmoedige gezellin en de nederige dienstmaagd des Heren” geworden en ”geeft zij . . . aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijke leven van de zielen te herstellen”. 

    En dit ”moederschap van Maria in het genadebestel gaat zonder ophouden voort . . . tot aan de eeuwige voleinding van alle uitverkorenen”. 

    De passage van het evangelie van Johannes over de gebeurtenis van Kana laat het zorgzame moederschap van Maria zien aan het begin van de messiaanse activiteit van Christus. Een andere passage van hetzelfde evangelie bevestigt dit moederschap in het heilsbestel van de genade op zijn hoogtepunt, namelijk als het kruisoffer van Christus, zijn Paasmysterie, voltrokken wordt. De beschrijving van Johannes is bondig: ”Bij Jezus’ kruis stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: ’Vrouw, zie daar uw zoon’. Vervolgens zei Hij tot de leerling: ‘Zie daar uw moeder’ En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich op” (Joh. 19, 25-27).

    Ongetwijfeld is dit een uitdrukking van de bijzondere zorg van de Zoon voor de Moeder die Hij in zulk een grote smart achterliet. Maar Christus’ ”testament van het kruis” zegt meer over de zin van deze zorg. Jezus doet een nieuwe band uitkomen tussen Moeder en Zoon, waarvan Hij plechtig heel de waarheid en werkelijkheid bevestigt. Men kan zeggen dat het moederschap van Maria ten opzichte van de mensen, dat zich reeds eerder afgetekend had nu duidelijk omschreven en vastgesteld wordt: het vloeit voort uit de definitieve vervulling van het Paasmysterie van de Verlosser. De Moeder van Christus die zich in de directe sfeer van dit mysterie bevindt welke de mens – iedereen en allen – omvat, wordt als moeder aan de mens gegeven – aan ieder en aan allen. Deze mens is aan de voet van het kruis Johannes, de leerling die Hij liefhad”. 

    Dit ”nieuwe moederschap van Maria” dat voorgebracht is door het geloof, is dus vrucht van de “nieuwe” liefde die definitief in haar rijpte aan de voet van het kruis door middel van haar deelname aan de verlossende liefde van de Zoon.

    Zo bevinden wij ons in het middelpunt van de vervulling van de belofte die vervat is in het proto-evangelie: het ”kroost van de vrouw zal de kop van de slang verpletteren”. Inderdaad overwint Jezus Christus door zijn verlossingsdood het kwaad van de zonde en de dood in de wortels zelf ervan. Het is veelzeggend dat Hij, als Hij zich vanaf het kruis tot de moeder richt, haar vrouw noemt en zegt: “Vrouw, zie daar uw zoon”. Met dezelfde term heeft Hij zich overigens ook te Kana in Galilea tot haar gericht. Hoe zou men kunnen betwijfelen dat speciaal nu, op Golgotta, deze uitdrukking tot op de bodem van het mysterie van Maria gaat er doordringt tot haar bijzondere plaats in heel de heilseconomie? Zoals het Concilie leert, werden met Maria, ”de dochter van Sion bij uitnemendheid na de lange verwachting van de belofte, de tijden vervuld en de nieuwe heilsorde ingeluid, toen de Zoon van God in haar de menselijke natuur aannam, om door de mysteries van zijn mens-zijn de mensen van de zonden te bevrijden”. 

    De woorden die Jezus uitspreekt vanaf het kruis betekenen dat het moederschap van haar die Hem gebaard heeft een “nieuwe” voortzetting vindt in en door de Kerk, die gesymboliseerd en vertegenwoordigd wordt door Johannes. Op deze wijze blijft zij die ”vol van genade” is binnengeleid in het mysterie van Christus om zijn Moeder te zijn, de heilige moeder van God dus, door middel van de Kerk in dat mysterie als de “vrouw” die aan het begin van de heilsgeschiedenis door het boek Genesis wordt aangeduid (Gen. 3, 15) en aan het eind ervan door de Apokalyps (Openb. 12, 1). Volgens het eeuwige plan van de Voorzienigheid moet het goddelijk moederschap van Maria zich uitstrekken over de Kerk, zoals aangegeven wordt door uitspraken van de Traditie volgens welke het moederschap van Maria ten opzichte van de Kerk de weerspiegeling en de verlenging is van haar moederschap ten opzichte van Gods Zoon.

    Reeds het ogenblik zelf van de geboorte van de Kerk en van haar volle openbaring aan de wereld laat volgens het Concilie de continuïteit van Maria’s moederschap doorschemeren.

    ”Daar het God had behaagd het mysterie van het heil van de mensen niet plechtig openbaar te maken, vooraleer Hij de Geest die door de Zoon was beloofd, had uitgestort, zien wij de apostelen vóór Pinksteren, ,eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria de Moeder van Jezus en met zijn broeders’ (Hand. 1, 14). Ook Maria smeekte door haar gebeden om de gave van de Geest, die haar reeds bij de boodschap had overschaduwd”. 

    Er is dus in het genadebestel dat verwezenlijkt wordt onder de werking van de menswording van het Woord en dat van de geboorte van de Kerk. De persoon die deze twee momenten verbindt, is Maria: Maria te Nazaret en Maria in het cenakel te Jeruzalem. In beide gevallen wijst haar discrete maar wezenlijke aanwezigheid de weg aan van de ”geboorte van de heilige Geest”. Zo komt zij die als moeder aanwezig is in het mysterie van Christus, krachtens de wil van de Zoon en door de werking van de heilige Geest tegenwoordig in het mysterie van de Kerk. Ook in de Kerk blijft het een moederlijke aanwezigheid, zoals de op het kruis uitgesproken woorden aangeven: ”Vrouw, zie daar uw zoon”; ”Zie daar uw moeder”.

    DEEL 2 : DE MOEDER VAN GOD MIDDEN IN DE PELGRIMERENDE KERK

    HOOFDSTUK 1 - De Kerk, het Volk van God, in alle delen van de wereld geworteld

    “ ‘Dwars door de vervolgingen van de kant van de wereld en de vertroostingen van de kant van God heen zet de Kerk haar pelgrimstocht voort’ en verkondigt zij het kruis en de dood van de Heer, totdat Hij komt” 

    ”Zoals nu Israël naar het vlees, bij zijn tocht door de woestijn, reeds de Kerk van God genoemd wordt, zo wordt het nieuwe Israël . . . ook de Kerk van Christus genoemd. Want Hij heeft haar door zijn bloed verworven, met zijn Geest vervuld en met geschikte middelen voor een zichtbare en maatschappelijke eenheid uitgerust. God heeft de vergadering van hen die gelovend naar Jezus opzien als naar de bewerker van het heil en het beginsel voor eenheid en vrede samengeroepen en tot de Kerk gemaakt, om voor allen en ieder afzonderlijk het zichtbare sacrament te zijn van deze heil brengende eenheid”. 

    Het Tweede Vaticaans Concilie spreekt over de pelgrimerende Kerk en maakt een vergelijking met het Israël van het Oude Verbond onderweg door de woestijn. De tocht heeft ook een uiterlijk karakter, dat zichtbaar is in de tijd en de ruimte waarin hij historisch verloopt. De Kerk ”spreidt zich uit tot alle streken, treedt binnen in de geschiedenis van de mensen en blijft toch tevens boven de tijden en grenzen van de volkeren verheven”. 

    Maar het wezenlijke karakter van de pelgrimstocht van de Kerk is innerlijk. Het gaat om een pelgrimstocht door middel van het geloof, door ”de kracht van de verrezen Heer”, om een pelgrimstocht in de heilige Geest die als onzichtbare Helper (parákletos) aan de Kerk is gegeven: ”Dwars door de beproevingen en de wederwaardigheden heen schrijdt zij voort, gesterkt door de kracht van Gods genade, die haar door de Heer werd beloofd . . . Dank zij de werking van de heilige Geest houdt zij niet op zichzelf te vernieuwen, tot zij door het kruis het licht bereikt dat geen ondergang meer kent”. 

    Juist op deze pelgrimstocht van de Kerk door de ruimte en de tijd en nog meer door de geschiedenis van de zielen is Maria aanwezig als degene die ”zalig is omdat zij geloofd heeft”, als degene die voortging op de pelgrimstocht van het geloof, terwijl zij als geen ander schepsel deelnam aan het mysterie van Christus. Het Concilie zegt nog dat, ”Maria is binnengetreden in het hart van de heilsgeschiedenis en als het ware de hoogste geloofsgeheimen verenigt en weerspiegelt”. 

    Zij is onder alle gelovigen als het ware een “spiegel” waarin ”Gods grote daden” (Hand. 2, 11) zich op de meest diepe en klare wijze weerspiegelen.

    De Kerk die door Christus op de apostelen is gebouwd, is zich geheel bewust geworden van die grote daden van God op “Pinksteren” toen zij die bijeengekomen waren in het cenakel, terwijl zij ”door haar gebeden om de gave van de Geest smeekte”. 

    Haar geloofstocht is in zekere zin langer. De heilige Geest is reeds over haar neergedaald en zij is zijn trouwe bruid geworden bij de boodschap, toen zij het Woord van de ware God ontving en de ”volledige onderdanigheid van verstand en wil jegens de openbarende God” bewees, ja ”zich geheel aan God toevertrouwde door de gehoorzaamheid van het geloof”, waarmee zij aan de engel antwoordde: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord”. De geloofstocht van Maria, die wij zien bidden in het cenakel, is dus langer dan de tocht van de anderen die daar bijeen waren. Maria ”gaat” hen ”voor”, ”gaat voor” hen ”uit”. 

    Het ogenblik van Pinksteren te Jeruzalem is, behalve door het ogenblik van het kruis, ook voorbereid door het ogenblik van de boodschap te Nazareth. In het cenakel komt de weg van Maria samen met de geloofstocht van de Kerk. Op welke wijze?

    Sommigen van degenen die ijverig waren in het gebed in het cenakel en zich voorbereidden om uit te gaan ”in heel de wereld” na het ontvangen van de heilige Geest, waren successievelijk door Jezus geroepen vanaf het begin van zijn zending in Israël Elf van hen waren aangesteld tot apostelen en aan dezen had Jezus de zending overgedragen die Hij zelf ontvangen had van de Vader. Na de verrijzenis had Hij tot de apostelen gezegd ”Zoals de Vader Mij gezonden, geeft, zo zend Ik u” (Joh. 20, 21). En veertig dagen later zei Hij nog alvorens terug te keren naar de Vader: “Gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest, die over u komt, om mijn getuigen te zijn . . . tot het uiteinde der aarde”. Deze zending van de apostelen begint op het ogenblik dat zij het cenakel te Jeruzalem verlaten. Dan wordt de Kerk geboren en groeit zij door het getuigenis dat Petrus en de andere apostelen afleggen over de gestorven en verrezen Christus.

    Maria heeft niet direct deze apostolische zending ontvangen. Zij was niet onder hen die Jezus uitzond ”in heel de wereld om alle volkeren tot zijn leerlingen te maken”, toen Hij hun deze zending toevertrouwde. Zij was daarentegen wel in het cenakel waar de apostelen zich voorbereidden om hun zending te beginnen met de komst van de Geest der Waarheid: zij was met hen. Temidden van hen was zij ”ijverig in het gebed” als ”moeder van Jezus”, van de gestorven en verrezen Christus. En deze eerste kern van hen die in geloof opzagen ”naar Jezus, de bewerker van het heil”, was er zich van bewust dat Jezus de Zoon van Maria was en dat zijn moeder was en als zodanig vanaf de ontvangenis en de geboorte een bijzondere getuige van het mysterie van Jezus, van het mysterie dat voor hun ogen uitgedrukt en bevestigd was door het kruis en de verrijzenis. Van het eerste ogenblik af ”zag de kerk dus ”op” naar Maria door Jezus, zoals zij “opzag” naar Jezus door Maria. Zij was voor de Kerk van die tijd en van alle tijden een bijzondere getuige van de jaren van de kindsheid van Jezus en van zijn verborgen leven te Nazareth, toen zij ”alles wat er gebeurd was in haar hart bewaarde en bij zichzelf overwoog” (Lc. 2, 19).

    Maar in de Kerk van die tijd en van alle tijden was en is zij vooral degene die ”zalig is omdat zij geloofd heeft”: als eerste geloofd heeft. Vanaf het ogenblik van de boodschap en de ontvangenis, vanaf het moment van de geboorte in de grot van Bethlehem, volgde Maria op haar moederlijke pelgrimstocht van het geloof stap voor stap Jezus. Zij volgde Hem gedurende de jaren van zijn verborgen leven te Nazareth; zij volgde Hem ook in de periode van de uiterlijke scheiding, toen Hij begon ”op te treden en te leren” in Israël; zij volgde Hem vooral in de tragische ervaring van Golgota. Toen Maria zich met de apostelen aan de dageraad van de Kerk in het cenakel te Jeruzalem bevond, vond haar geloof dat gewekt was door de woorden van de boodschap bevestiging. De engel had haar bij de boodschap gezegd: “Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn . . . en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen”. De recente gebeurtenissen van Calvarië hadden deze belofte in duisternis gehuld; maar zelfs onder het kruis was het geloof van Maria niet verflauwd. Zij was degene gebleven die, zoals Abraham, geloofde hopend tegen alle hoop in” (Rom. 4, 18). En zie, na de verrijzenis had de hoop haar ware gelaat getoond en de belofte was begonnen werkelijkheid te worden. Jezus had inderdaad voor zijn terugkeer naar de Vader tot de apostelen gezegd: ”Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen . . . Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld”. Zo had het gezegd Hij die door de verrijzenis had laten zien dat Hij de overwinnaar van de dood was en het koningschap bekleedde waaraan ”nooit een einde zal komen”, overeenkomstig de aankondiging van de engel.

    Nu aan de dageraad van de Kerk, aan het begin van de lange geloofstocht die met Pinksteren te Jeruzalem aanving, was Maria samen met allen die de kiem van het ”nieuwe Israël” vormden. Zij was in hun midden als een uitzonderlijke getuige van het mysterie van Christus. En de Kerk was ijverig in het gebed samen met haar en ”beschouwde haar tegelijk in het licht van het mensgeworden Woord”. Zo zou het steeds zijn. Inderdaad, wanneer de Kerk ”verder doordringt in het diepste mysterie van de incarnatie”, denkt zij met grote verering en eerbied aan de Moeder van Christus. Maria hoort onverbrekelijk bij het mysterie van Christus en ook, van het begin af, bij het mysterie van de Kerk, vanaf de dag van haar geboorte. Aan de basis van wat de Kerk vanaf het begin is, van wat zij voortdurend moet worden, van geslacht tot geslacht, temidden van alle volkeren der aarde, staat zij ”die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is gezegd” (Lc. 1, 45). Juist dit geloof van Maria dat het begin betekent van het nieuwe altijddurende Verbond van God met de mensheid in Jezus Christus, dit heldhaftige geloof “gaat” het apostolische getuigenis van de Kerk ”voor” en blijft in het hart van de Kerk, verborgen als een speciale erfenis van Gods openbaring. Allen die van geslacht tot geslacht het apostolische getuigenis van de Kerk aanvaarden en deelhebben aan die mysterievolle erfenis nemen in zekere zin deel aan het geloof van Maria.

    De woorden van Elisabet ”zalig zij die geloofd heeft” blijven de Maagd ook op Pinksteren vergezellen; zij volgen haar van eeuw tot eeuw daar waar door het apostolische getuigenis en het dienstwerk van de Kerk de kennis van het heilsmysterie van Christus zich verbreidt. Zo wordt de voorspelling van het Magnificat vervuld: ”Elk geslacht prijst mij zalig omdat aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is, en heilig is zijn Naam” (Lc. 1, 48-49). Waarlijk op de kennis van het mysterie van Christus volgt de zaligprijzing van zijn Moeder in de vorm van speciale verering voor de Theotókos. Maar in deze verering is steeds de zaligprijzing van haar geloof begrepen, want de Maagd van Nazareth is zalig geworden vooral door dit geloof, overeenkomstig de woorden van Elisabet. Zij die in elk geslacht onder de verschillende volken en naties van de aarde het mysterie van Christus, het mensgeworden Woord en de Verlosser van de wereld, in geloof aannemen richten zich niet alleen met verering tot Maria en nemen niet alleen met vertrouwen hun toevlucht tot haar als tot zijn Moeder, maar zoeken in haar geloof steun voor hun eigen geloof. En precies deze levende deelname aan het geloof van Maria is beslissend voor haar speciale aanwezigheid op de pelgrimstocht van de Kerk als het nieuwe volk van God op de gehele aarde.

    Zoals het Concilie zegt: ”Maria is in het hart van de heilsgeschiedenis binnengetreden . . . Wanneer zij dus het voorwerp is van verkondiging en verering, roept zij de gelovigen op naar haar Zoon en zijn offer en naar de liefde tot de Vader”. Daarom wordt het geloof van Maria op grond van het apostolische getuigenis van de Kerk op zekere wijze onophoudelijk het geloof van het volk Gods onderweg: van de personen en gemeenschappen, van de standen en verenigingen, van de verschillende groepen die samen de Kerk vormen. Het is een geloof dat door kennis en tegelijk door het hart wordt overgedragen. Het wordt voortdurend verworven of herwonnen door het gebed. ”Daarom ook ziet de Kerk bij haar apostolisch werk terecht op naar haar die Christus ter wereld bracht; die juist van de heilige Geest werd ontvangen en uit de Maagd geboren om door de Kerk ook in de harten van de gelovigen te worden geboren en te groeien.” 

    Nu wij op deze pelgrimstocht van het geloof thans het einde van het tweede christelijke millennium naderen, richt de Kerk door middel van de leer van het Tweede Vaticaans Concilie de aandacht op wat zij in zichzelf ziet, als ”het ene volk van God . . . dat bij alle volkeren van de aarde is gevestigd”, en op de waarheid volgens welke alle gelovigen, ook al zijn zij ”over de gehele aardbol verspreid, door de heilige Geest in gemeenschap blijven met elkaar”, zodat men kan zeggen dat in deze gemeenschap het mysterie van Pinksteren zich voortdurend voltrekt. Tegelijkertijd blijven de apostelen en de leerlingen van de Heer in alle naties van de aarde ”volharden in het gebed samen met Maria de Moeder van Jezus”. Zij vormen van geslacht tot geslacht het ”teken van het Koninkrijk” dat niet van deze wereld is en zij zijn zich ook bewust dat zij midden in deze wereld moeten verenigen met de Koning aan wie de volkeren tot erfdeel zijn gegeven, aan wie de Vader ”de troon van zijn vader David” heeft geschonken, zodat Hij “in eeuwigheid Koning is over het huis van Jakob en aan zijn koningschap nooit een einde zal komen”.

    In deze vigilietijd is Maria door hetzelfde geloof dat haar vooral vanaf het ogenblik van de boodschap zalig maakte, aanwezig in de zending van de Kerk, aanwezig in het werk van de Kerk waardoor het rijk van haar Zoon een aanvang neemt in de wereld. Deze aanwezigheid van Maria vindt heden ten dage veelvuldige uitdrukkingsmiddelen, zoals in heel de geschiedenis van de Kerk. Zij is ook in vele vormen verspreid: door middel van het geloof en de vroomheid van de afzonderlijke gelovigen, door middel van de tradities van de christelijke gezinnen of “huiskerken”, van de parochie- en missiegemeenschappen, van de kloosterinstellingen, van de bisdommen, door middel van de aantrekkings- en uitstralingskracht van de grote heiligdommen waar niet alleen individuen of plaatselijke groepen maar soms gehele naties en continenten de Moeder van de Heer zoeken te ontmoeten, haar die zalig is omdat zij geloofd heeft, die de eerste onder de gelovigen is en daarom Moeder van de Immanuël is geworden. Dat is de roep van het land Palestina, het geestelijke vaderland van alle christenen omdat het het vaderland is van de redder van de wereld en van zijn Moeder. Dat is de roep van de vele heiligdommen die het christelijk geloof in de loop der eeuwen heeft opgericht te Rome en overal in de wereld. Dat is de roep van plaatsen zoals Guadaloupe, Lourdes, Fatima en van de andere die verspreid zijn in de diverse landen, waaronder – hoe zou ik het niet kunnen vermelden – Jasna Gora in mijn geboorteland. Men zou wellicht kunnen spreken van een specifieke ”geografie” van het geloof en de mariale vroomheid die al deze bijzondere bedevaartplaatsen van het volk Gods bevat, dat de Moeder van God zoekt te ontmoeten om in de uitstraling van de moederlijke aanwezigheid van ”haar die geloofd heeft” de versterking van het eigen geloof te vinden. Want door het geloof van Maria reeds bij de boodschap en definitief aan de voet van het kruis is van de kant van de mens de innerlijke ruimte heropend waarin de eeuwige Vader ons kan overladen ”met elke geestelijke zegen”: de ruimte ”van het nieuwe altijddurende Verbond”. Deze ruimte bestaat in de Kerk die in Christus ”een sacrament van de innige vereniging met God en van de eenheid van het menselijk geslacht “ is. 

    In het geloof dat Maria als ”dienstmaagd des Heren” bij de boodschap beleed en waarin zij voortdurend het volk Gods onderweg op aarde ”voorgaat”, ”streeft de katholieke Kerk er . . . zonder ophouden naar heel de mensheid . . . weer samen te brengen onder Christus als hoofd, in de eenheid van zijn Geest”. 

    HOOFDSTUK 2 - De weg van de Kerk en de eenheid van alle Christenen

    ”De Geest wekt bij alle leerlingen van Christus het verlangen en de inspanning om allen, naar de wijze die Christus heeft bepaald in één kudde onder één Herder vreedzaam te verenigen”. De weg van de Kerk is speciaal in ons tijdperk gemarkeerd door het teken van het oecumenisme: de christenen zoeken wegen om de eenheid te herstellen, waarom Christus daags voor zijn lijden de Vader smeekte voor zijn leerlingen: ”opdat zij allen één mogen zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt” (Joh. 17, 21). De eenheid van de Christenen is een groot teken dat gegeven is om het geloof van de wereld op te wekken, terwijl hun verdeeldheid een ergernis is. 


    13-11-2017 om 06:44 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mariale dogma's

    DE MARIALE DOGMA’S

    Twee dogma’s uit de oudheid worden in de Katholieke Kerk en de Oosterse Orthodoxie beleden:

    • Door de Maagdelijke geboorte schonk Maria het leven aan Christus. Maria is maagd, voor, tijdens en na de geboorte van Christus.
    • Maria, Moeder van God (Theotokos). In wezen is dit een christologische uitspraak: Maria is moeder van Jezus, die zowel volledig mens als volledig God is.

    In de moderne tijd werden in de Rooms-Katholieke Kerk twee dogma's, die reeds eeuwen bestanddeel van de katholieke geloofspraktijk waren, formeel bevestigd:

    • Paus Pius IX kondigde in 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis af. Hiermee wordt bedoeld dat Maria verwekt werd en ter wereld kwam zonder met de erfzonde te zijn bevlekt;
    • Paus Pius XII voegde in 1950 het dogma toe dat Maria met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen (Maria-Tenhemelopneming).

    Sommige gelovigen vragen ook de afkondiging door de Kerk van het "vijfde en laatste mariale dogma", dat van Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster.

    Lumen Gentium : De Heilige Maagd en Moeder Gods Maria in het geheim van Christus en de Kerk – 21/11/1964 Tweede Vaticaans Concilie

    In dit document wordt al gewag gemaakt dat Maria, Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster is.

    1 Inleiding

    PARAGRAAF 1 - Maria het verhevenste lid van de Kerk

    Toen de algoede en alwijze God zijn plan tot verlossing van de wereld ten uitvoer wilde brengen, "zond Hij, toen de volheid van de tijd gekomen was, zijn Zoon, geboren uit een vrouw, ... opdat wij het zoonschap zouden verkrijgen". (Gal. 4, 4-5) Deze is voor ons, mensen en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald. En Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de maagd Maria. 

    Dit goddelijke heilsgeheim wordt ons opgebaard in de Kerk en duurt voort in de Kerk, die de Heer tot zijn lichaam heeft gemaakt, en waarin de gelovigen, één met het Hoofd Christus en in gemeenschap verbonden met al zijn heiligen, ook de gedachtenis moeten eren "op de eerste plaats van de glorierijke Maria, altijd maagd, de moeder van onze God en Heer Jezus Christus".

    De Maagd Maria, die, op de boodschap van de engel, het Woord Gods ontving in haar hart en in haar schoot en die aan de wereld het Leven bracht, wordt erkend en geëerd als de waarachtige Moeder van God, onze Verlosser. Met het oog op de verdiensten van haar Zoon op een meer verheven wijze verlost en door een intieme en onverbreekbare band met Hem verenigd, bezit zij de hoogste taak en waardigheid van Moeder Gods en hierdoor van meestgeliefde dochter van de Vader en tempel van de Heilige Geest; en door deze sublieme genadegave overtreft zij verre alle andere schepselen in de hemel en op aarde. Tevens echter is zij in het geslacht van Adam verbonden met alle te verlossen mensen, ja, "zij is ten volle de moeder van de ledematen (van Christus), ... omdat zij in liefde heeft meegewerkt aan de geboorte van de gelovigen in de Kerk, die de ledematen zijn van dat Hoofd". Dientengevolge wordt zij ook geëerd als het voortreffelijkste en het uitzonderlijk verheven lid van de Kerk en als haar beeld en uitstekendste model in het geloof en in de liefde; en de katholieke Kerk, onderricht door de Heilige Geest, omgeeft haar, als een zeer beminde moeder, met kinderlijke liefde. (…)

    2 De functie van de Heilige Maagd in de heilsorde

    PARAGRAAF 1 - De Moeder van de Verlosser in het Oude Testament

    De Heilige Schrift van Oud en Nieuw Testament en de eerbiedwaardige Traditie tonen ons met steeds grotere duidelijkheid de functie van de Moeder van de Verlosser in de heilsorde en tekenen ons als het ware het beeld ervan. De boeken van het Oude Testament beschrijven de heilsgeschiedenis, waardoor de komst van Christus in de wereld geleidelijk wordt voorbereid.

    Deze eerste documenten, zoals die in de Kerk worden gelezen en zoals ze worden verstaan in het licht van de verdere en volle openbaring, laten stap voor stap scherper uitkomen het beeld van een vrouw: de Moeder van de Verlosser. In dit licht wordt zij reeds profetisch aangeduid in de belofte van de overwinning op de slang, de belofte, die aan onze eerste ouders werd gegeven na de zondeval. 

    Zij is ook de Maagd, die zal ontvangen en een zoon baren, wiens naam Emmanuël zal zijn. 

    Zij neemt de eerste plaats in onder de nederigen en armen van de Heer, die vol vertrouwen van Hem het heil verwachten en het verkrijgen. Zij is tenslotte de verheven dochter van Sion, met wie, na een lang wachten op de vervulling van de belofte, de volheid der tijden kwam en een nieuwe heilsorde gevestigd werd, toen nl. de Zoon Gods uit haar de menselijke natuur aannam om de mens door de mysteries van zijn aardse bestaan te bevrijden van de zonde.

    PARAGRAAF 2 - Maria bij de boodschap van de engel

    Het was de wil van de Vader van barmhartigheid, dat de toestemming van de gepredestineerde Moeder vooraf zou gaan aan de menswording, opdat zó, gelijk een vrouw had meegewerkt tot de dood, ook een vrouw zou meewerken tot het leven. Dit geldt op volmaakte wijze van Jezus' Moeder, die aan de wereld het Leven zelf schonk, dat alles vernieuwt, en die door God is begiftigd met de gaven, passend bij deze sublieme taak. Geen wonder dus, dat het bij de heilige vaders gebruikelijk werd, de Moeder Gods te noemen: de geheel-heilige, vrij van iedere zondesmet, gevormd als het ware door de Heilige Geest en gemaakt tot een nieuw schepsel. 

    Vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis gesierd met de luister van een uitzonderlijke heiligheid, wordt de Maagd van Nazareth op Gods bevel bij de boodschap van de engel door deze gegroet als "vol van genade" (Lc. 1, 28), waarbij zij van haar kant aan de hemelse afgezant antwoordt: "Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord" (Lc. 1, 38).

    Zo werd Maria, de dochter van Adam, door haar "Ja" op het goddelijk woord, de Moeder van Jezus; en, van ganser harte en door geen zonde belemmerd, aanvaardde zij de heilswil Gods en wijdde zij zich als de dienstmaagd van de Heer geheel toe aan de persoon en het werk van haar Zoon, en zó stelde zij zich onder Hem en met Hem in dienst van het verlossingsgeheim door de genade van de almachtige God. Daarom zijn de heilige vaders terecht van mening, dat Maria geen louter passief werktuig is geweest in de hand van God, maar dat zij door een vrije daad van geloof en gehoorzaamheid heeft meegewerkt aan het heil van de mensen. Zij is, gelijk de heilige Irenaeus zegt, "door haar gehoorzaamheid een oorzaak van heil geworden zowel voor zichzelf als voor de gehele mensheid". 

    Vandaar, dat meerdere oude vaders in hun preken graag de woorden van Irenaeus overnemen: "De knoop van Eva's ongehoorzaamheid werd ontward door de gehoorzaamheid van Maria. Wat de maagd Eva had gebonden door haar ongeloof heeft de Maagd Maria ontbonden door haar geloof". 

    En een parallel trekkend tussen Maria en Eva, noemen zij Maria "de Moeder van de levenden", en verklaren zij herhaaldelijk: "de dood kwam door Eva, het leven door Maria". 

    PARAGRAAF 3 - Maria in het verborgen leven van Jezus

    Deze verbondenheid van de Moeder met de Zoon in het heilswerk zien wij vanaf het ogenblik van de maagdelijke ontvangenis van Christus tot aan zijn dood. Vooreerst, als Maria met spoed op reis gaat om Elisabeth te bezoeken, als zij door haar zalig wordt geprezen om haar geloof in het beloofde heil, en als de voorloper Johannes van vreugde opspringt in de schoot van zijn moeder. 

    Verder bij de geboorte, wanneer de Moeder Gods haar eerstgeboren Zoon, die haar maagdelijkheid niet verminderde, maar heiligde, met blijdschap toont aan de herders en de magiërs. Toen zij Hem in de tempel, met de offergave van de armen, opdroeg aan de Heer, vernam zij tegelijkertijd van Simeon de voorspelling, dat haar Zoon een teken van tegenspraak zou zijn en dat een zwaard de ziel van de Moeder zou doorboren, opdat de gezindheid van vele harten openbaar zou worden. 

    En toen de ouders het Kind Jezus hadden verloren en met droefheid hadden gezocht, vonden zij het in de tempel, bezig met de dingen van zijn Vader; maar zij begrepen de woorden van hun Zoon niet. Zijn Moeder bewaarde dit alles in haar hart en overwoog het bij zichzelf. 

    PARAGRAAF 4 - Maria in het openbaar leven van Jezus en onder het kruis

    In het openbaar leven van Jezus komt zijn Moeder duidelijk naar voren, reeds in het begin, wanneer zij uit medelijden op de bruiloft van Kana in Galilea Jezus de Messias door haar tussenkomst er toe brengt, een begin te maken met de tekenen. 

    Tijdens zijn prediking nam zij de woorden in zich op, waarmee haar Zoon het Koninkrijk stelde boven de betrekkingen en de banden van vlees en bloed, en waarmee Hij degenen gelukkig prees, die naar het woord Gods luisteren en het onderhouden, iets wat zij zelf zo trouw in vervulling bracht. 

    Zo ging ook de heilige Maagd vooruit op haar pelgrimstocht van het geloof en volhardde zij trouw in de vereniging met haar Zoon tot aan het kruis, waar zij stond, niet zonder een bepaald plan van God, diep meeleed met haar Eniggeborene en zich met moederlijke gevoelens verenigde met zijn offer, door liefdevol toe te stemmen in de offerdood van het Slachtoffer, dat uit haar was geboren; en tenslotte werd zij door dezelfde Christus Jezus, stervend aan het kruis, als moeder gegeven aan de leerling met deze woorden: Vrouw, ziedaar uw zoon. 

    PARAGRAAF 5 - Maria in haar verheerlijking

    Omdat God het mysterie van het menselijk heil niet plechtig wilde openbaren, voordat Hij die door Christus beloofde Geest had uitgestort, zijn wij de apostelen vóór de Pinksterdag, "eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria de Moeder van Jezus en met zijn broeders" (Hand. 1, 14), en zien wij ook Maria met haar gebed de gave afsmeken van de Geest, die haar bij de boodschap reeds had overschaduwd. Tenslotte is de onbevlekte Maagd, die van alle smet der erfzonde is gevrijwaard  na het voltooien van haar aardse levensloop met lichaam en ziel in de hemelse glorie opgenomen en door de Heer verheven tot Koningin van het heelal, opdat zij vollediger gelijkvormig zou worden aan haar zoon, de Heer der heren (Openb. 19, 16), de overwinnaar van zonde en dood. 

    3 De Heilige Maagd en de Kerk

    PARAGRAAF 1 - Maria's moederlijke functie en het middelaarschap van Christus

    Wij hebben slechts één Middelaar, zoals de apostel zegt: "Want God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven heeft als losprijs voor allen". (1 Tim. 2, 5-6). Door de moederlijke functie van Maria jegens de mensen wordt dit éne middelaarschap van Christus volstrekt niet die schaduw gesteld of verkleind, integendeel de kracht ervan komt daardoor nog beter uit. Want heel de heilbrengende invloed van de heilige Maagd op de mensen vindt zijn oorsprong niet in een of andere noodzakelijkheid, maar in Gods welbehagen: hij vloeit voort uit de overvloed van Christus' verdiensten, steunt op zijn middelaarschap, is daarvan totaal afhankelijk en ontleent daaraan heel zijn werkdadigheid; en het onmiddellijk contact van de gelovigen met Christus wordt daar door volstrekt niet belemmerd, maar veeleer bevorderd.

    PARAGRAAF 2 - Maria's deelname aan het verlossingswerk

    De heilige Maagd, die tegelijk met de menswording van het goddelijk Woord van eeuwigheid voorbestemd was tot Moeder Gods, werd door het raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid hier op aarde de verheven Moeder van de goddelijke Verlosser, de gezellin bij uitstek, en de nederige dienstmaagd van de Heer. Door Christus te ontvangen, ter wereld te brengen, te voeden, in de tempel aan de Vader op te dragen en door te lijden met haar zoon, stervend aan het kruis, heeft zij op heel bijzondere wijze deelgenomen aan het werk van de Verlosser, in gehoorzaamheid, geloof, hoop en vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Hierdoor is zij voor ons de Moeder geworden in de orde van de genade.

    PARAGRAAF 3 - De aard van Maria's moederlijke functie

    Dit moederschap van Maria in de orde der genade duurt ononderbroken voort, vanaf haar jawoord, dat zij vol geloof bij de Boodschap gaf en waarin zij onder het kruis zonder aarzelen volhardde, tot aan de eeuwige bekroning van alle uitverkorenen. Want na haar tenhemelopneming heeft zij niet opgehouden deze heilbrengende taak uit te oefenen, maar zij blijft door haar voorspraak op allerlei wijzen de gaven van het eeuwig heil voor ons verwerven. 

    Met haar moederlijke liefde draagt zij zorg voor de broeders van haar Zoon, die nog op aardse pelgrimstocht zijn temidden van gevaren en lijden, totdat zij binnentreden in het gelukkige vaderland. Daarom wordt de heilige Maagd in de Kerk aangeroepen onder de titels van voorspreekster, helpster, bijstand, middelares, Geen enkel schepsel immers kan ooit in vergelijking komen bij het mensgeworden Woord, onze Verlosser. Maar gelijk de gewijde bedienaars zowel als het gelovige volk op verschillende wijzen deel hebben aan het priesterschap van Christus, en God op verschillende wijzen zijn éne goedheid werkelijk uitstort in de schepselen, zo wordt ook door het enige middelaarschap van de Verlosser een verscheidenheid van medewerking van de schepselen, als aandeel uit de enige bron, niet uitgesloten, maar veeleer gewekt.

    Deze ondergeschikte functie van Maria wordt openlijk en zonder aarzelen door de Kerk erkend, voortdurend ervaren, en aan de liefde van de gelovigen aanbevolen, opdat zij, gesteund door deze moederlijke hulp, zich inniger verenigen met de Middelaar en Verlosser.

    PARAGRAAF 4 - Maria het beeld van de Kerk

    De heilige Maagd is door de gave en de functie van het goddelijk moederschap, waardoor zij met haar Zoon, de Verlosser, is verenigd, en door haar buitengewone genaden en functies ook ten nauwste verbonden met de Kerk. Zoals reeds de heilige Ambrosius leerde, is de Moeder Gods het beeld van de Kerk, nl. in de orde van het geloof, de liefde en de volmaakte vereniging met Christus. 

    Want in het mysterie van de Kerk, die eveneens met recht moeder en maagd wordt genoemd, is de heilige Maagd Maria voorgegaan, doordat zij op eminente en bijzondere wijze het model is van een maagd en van een moeder. In geloof en gehoorzaamheid immers heeft zij op aarde de Zoon zelf van de Vader voortgebracht, en wel zonder aanraking met een man, maar overschaduwd door de Heilige Geest, als de nieuwe Eva, die geloof schonk nier aan de oude slang, maar aan de afgezant van God, en dit zonder enige aarzeling. Zij baarde de Zoon, die God gesteld heeft tot de eerstgeborene onder vele broeders (Rom. 8, 29), nl. de gelovigen, aan wier geboorte en vorming zij met moederlijke liefde meewerkt.

    Welnu, de Kerk, die Maria's geheimnisvolle heiligheid beschouwt, haar liefde navolgt en getrouw de wil van de Vader volbrengt, wordt door het woord Gods, dat zij in geloof aanvaardt, eveneens moeder, want door de prediking en het doopsel brengt zij de kinderen, die van Heilige Geest zijn ontvangen en uit God zijn geboren, voort tot een nieuw en onsterfelijk leven. Ook zij is maagd; zij bewaart de aan haar bruidegom beloofde trouw gaaf en zuiver, en op het voorbeeld van de Moeder van haar Heer bewaart zij maagdelijk, door de kracht van de Heilige Geest, het geloof ongerept, de hoop ongeschokt, de liefde onvervalst.

    PARAGRAAF 5 - Maria's deugden, het voorbeeld van de Kerk

    Terwijl de Kerk in de allerheiligste Maagd reeds de volmaaktheid heeft bereikt, waardoor zij zonder vlek of rimpel is, streven de gelovigen nog ernaar de zonde te overwinnen en te groeien in heiligheid. Daarom zien zij op naar Maria, die als een toonbeeld van deugden schittert voor heel de gemeenschap van de uitverkorenen. Door met liefde aan haar te denken en haar te beschouwen in het licht van het mensgeworden Woord, dringt de Kerk vol eerbied dieper door in het allerhoogste geheim van de menswording en maakt zij zich steeds meer gelijkvormig aan haar Bruidegom. Want wanneer Maria, die zo diepgaand heeft deelgenomen aan de geschiedenis van het heil en daardoor de grootste leerstukken van het geloof als het ware in zich verenigd en weerspiegelt, wordt gepredikt en vereerd, dan brengt zij de gelovigen tot haar Zoon en diens offer en tot de liefde van de Vader. De Kerk van haar kant, die de glorie van Christus nastreeft, wordt meer gelijk aan haar verheven Beeld door voortdurend toe te nemen in geloof, hoop en liefde en door in alles de goddelijke wil te zoeken en te vervullen. Daarom houdt de Kerk ook bij haar apostolaat terecht de blik gericht op haar, die Christus ter wereld bracht, Christus, die daarom juist werd ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de Maagd om door middel van de Kerk ook in harten van de gelovigen geboren te worden en te groeien. Maagd is in haar leven een voorbeeld geworden van die broederlijke liefde, waarmee allen bezield moeten zijn, die in de apostolische zending van de Kerk meewerken aan de wedergeboorte van de mensen.

    4 De verering van de Heilige Maagd in de Kerk

    PARAGRAAF 1 - De ontwikkeling en de vruchten van de Mariaverering

    Maria, door Gods genade, na haar Zoon, verheven boven alle engelen en mensen, geniet als de allerheiligste Moeder van God, die heeft deelgenomen aan de geheimen van Christus, terecht een bijzondere verering van de kant van de Kerk. En inderdaad, reeds vanaf de oudste tijden wordt de heilige Maagd vereerd onder de titel van "Moeder Gods", tot wier bescherming de gelovigen in al hun gevaren en noden smekend hun toevlucht nemen. Vooral sinds het concilie van Efese heeft de verering van Maria door het volk Gods een wonderbare groei gekend in eerbied en liefde, in gebed en navolging, overeenkomstig haar eigen profetische woorden: "Elk geslacht zal mij zalig prijzen, omdat aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is" (Lc. 1, 48). Deze verering, zoals die altijd in de Kerk heeft bestaan, draagt zeker een heel bijzonder karakter, maar verschilt wezenlijk van de aanbidding, die gegeven wordt aan het mensgeworden Woord en ook aan de Vader en de Heilige Geest, en bevordert deze aanbidding in hoge mate. Want de verschillende vormen van godsvrucht jegens de Moeder Gods, die de Kerk heeft goedgekeurd, binnen de grenzen van de gezonde en orthodoxe leer, overeenkomstig de omstandigheden van plaats en tijd en naar gelang van de mentaliteit en de geest van de gelovigen, hebben tot gevolg, dat, door de verering van de Moeder, de Zoon, voor wie alles is geschapen, en in wie de eeuwige Vader "de gehele volheid heeft willen doen wonen" (Kol. 1, 19), op de juiste wijze wordt gekend, bemind, verheerlijkt, en dat zijn geboden worden onderhouden.

    PARAGRAAF 2 - Pastorale wenken voor de theologie, de prediking en de Mariaverering

    Het heilig Concilie houdt uitdrukkelijk deze katholieke leer voor en wekt tevens alle kinderen van de Kerk op om edelmoedig de verering van de heilige Maagd, vooral de liturgische verering, te bevorderen, een hoge waardering te hebben voor de praktijken en oefeningen van godsvrucht jegens haar, die in de loop van de eeuwen door het leerambt zijn aanbevolen, en de bepalingen uit het verleden omtrent de verering van de afbeeldingen van Christus, de heilige Maagd en de heiligen nauwgezet te onderhouden.

     Verder spoort het Concilie de theologen en de predikanten dringend aan om zich bij de behandeling van de bijzondere waardigheid van de Moeder Gods met zorg te onthouden zowel van alle overdrijvingen als van een te bekrompen opvatting. Bij de studie van de heilige Schrift, van de Kerk, onder leiding van het leerambt, moeten zij zuiver de verschillende functies en voorrechten van de heilige Maagd belichten, die altijd op Christus gericht zijn, de oorsprong van alle waarheid, heiligheid en godsvrucht. Zij moeten zorgvuldig alles vermijden, wat in woorden of daden de gescheiden broeders of wie dan ook een verkeerd idee zou kunnen geven omtrent de ware leer van de Kerk. De gelovigen moeten er aan denken, dat de ware godsvrucht niet bestaat in een onvruchtbaar en voorbijgaand sentiment of in een ijdele lichtgelovigheid, maar dat ze voortkomt uit het echte geloof, dat ons brengt tot de erkenning van de hoge waardigheid van de Moeder Gods en dat ons opwekt tot een kinderlijke liefde jegens onze Moeder en tot de navolging van haar deugden.

    5 Maria, een teken van vaste hoop en van troost voor het volk Gods op pelgrimstocht

    Gelijk de Moeder van Jezus, in de hemel thans verheerlijkt naar lichaam en ziel, een beeld en begin is van de Kerk, die haar voltooiing zal vinden in het toekomstig leven, zo licht zij hier op aarde het volk Gods op pelgrimstocht voor als een teken van vaste hoop en van troost, totdat eens de dag des Heren komt. 

    Het is voor dit heilig Concilie een reden tot grote vreugde en troost, dat ook onder de gescheiden broeders velen aan de Moeder van de Heer en Verlosser de verschuldigde eer bewijzen, vooral bij de oosterlingen, die eensgezind, met vurig elan en diepe godsvrucht de Moeder Gods, altijd Maagd, vereren.

    Laten alle gelovigen zich in een dringend gebed richten tot de Moeder Gods en de Moeder der mensen en haar smeken, dat zij, die met haar gebed de eerstellingen van de Kerk bijstond, nu ook in de hemel verheven boven alle heiligen en engelen, in de gemeenschap van alle heiligen een voorspraak mag zijn bij haar Zoon, opdat eindelijk alle volkenfamilies, hetzij zij christenen zijn hetzij zij hun Verlosser nog niet kennen, in vrede en eendracht het geluk mogen hebben in één volk Gods te worden verenigd, tot glorie van de allerheiligste en onverdeelde Drieëenheid.

    Dit alles, tot in alle onderdelen, wat in deze dogmatische Constitutie is vastgelegd, heeft de instemming van de Vaders. En wij, krachtens het apostolisch gezag, door Christus aan ons verleend, geven samen met de Concilievaders, in de Heilige Geest daaraan onze goedkeuring, bepalen het en stellen het vast, en wij bevelen datgene, wat aldus door de Synode is vastgesteld, tot Gods glorie te promulgeren.

    Redemptoris Mater – Johannes Paulus II – 25/3/1987

    Inleiding

    De MOEDER van de VERLOSSER heeft een zeer bepaalde plaats in het heilsplan, want “toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet stonden zou bevrijden, opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen. En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal. 4, 4-6).

    Met deze woorden van de apostel Paulus wil ik mijn overwegingen beginnen over de betekenis die Maria heeft in het mysterie van Christus, en over haar werkdadige en voorbeeldige tegenwoordigheid in het leven van de Kerk. Het zijn woorden die zowel de Vader gedenken als de Zoon, de gave van de Geest, de vrouw uit wie de Verlosser geboren werd, en ons goddelijk kindschap, in het mysterie van de “volheid van de tijd.” 

    Deze volheid duidt het ogenblik aan dat van alle eeuwigheid is vastgesteld en waarop de Vader zijn Zoon gezonden heeft, “opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben” (Joh. 1, 1.14) en onze broeder is geworden. Zij duidt het ogenblik aan waarop de heilige Geest, die reeds de volheid van de genade had uitgestort in Maria van Nazaret, in haar maagdelijke schoot de menselijke natuur van Christus vormde. Zij geeft het ogenblik aan waarop door de intrede van het eeuwige in het tijdelijke de tijd verlost wordt, vervuld wordt met het mysterie van Christus en definitief “heilstijd” wordt. Zij geeft tenslotte het mysterievolle begin aan van de weg van de Kerk. Inderdaad begroet de Kerk in de liturgie Maria van Nazaret haar begin, omdat zij ziet dat in de gebeurtenis van de onbevlekte ontvangenis de heilsgenade van Pasen zich reeds van te voren aftekent in haar edelste lid. En vooral omdat zij in het gebeuren van de menswording Christus en Maria onverbrekelijk tezamen ontmoet, Hem die haar Heer en Hoofd is, en haar die door het uitspreken van het eerste fiat van het Nieuwe Verbond voorafbeelding is van de Kerk als bruid en moeder.

    Gesterkt door de aanwezigheid van Christus is de Kerk in de tijd onderweg naar de voleinding der tijden en gaat zij haar Heer die komt tegemoet. Maar op deze weg gaat de Kerk voort in de voetsporen van de Maagd Maria die ”is voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof en de vereniging met haar Zoon standvastig heeft volgehouden tot onder het kruis”.

    Het tweeduizendjarig jubileum van de geboorte van Jezus Christus is nabij en richt onze blik tegelijk op zijn Moeder. In de laatste jaren zijn verschillende stemmen opgegaan die wenselijkheid geopperd hebben om deze herdenking te laten voorafgaan door een soortgelijk jubileum dat gewijd is aan de viering van de geboorte van Maria. Ook al is het niet mogelijk om de geboortedatum van Maria nauwkeurig chronologisch vast te stellen, toch is de Kerk zich er steeds van bewust dat Maria eerder dan Christus verschenen is aan de horizon van de heilsgeschiedenis (het Oude Testament heeft op vele wijzen het mysterie van Maria aangekondigd). Het is een feit dat bij de definitieve nadering van “de volheid van de tijd”, d.w.z. van de heilskomst van de Immanuël, zij die van eeuwigheid af bestemd was om zijn Moeder te zijn reeds op aarde leefde. Dit feit dat zij er was “vóór” de komst van Christus, vindt ieder jaar een weerspiegeling in de liturgie van de Advent. Als dus de jaren die ons nader brengen tot het einde van het tweede millennium na Christus en tot het begin van het derde, vergeleken worden met de historische verwachting van de Verlosser in de oudheid, dan wordt het geheel begrijpelijk dat wij ons in deze periode op speciale wijze willen richten tot haar die in de “nacht” van de Adventsverwachting begon te schitteren als een ware ‘morgenster’ (Stella matutina). Zoals deze ster samen met de “dageraad” voorafgaat aan de opkomst van de zon, zo is Maria vanaf haar onbevlekte ontvangenis voorafgegaan aan de komst van de Redder, aan de opkomst van de “zon der gerechtigheid” in de geschiedenis van het mensengeslacht.

    Haar aanwezigheid in Israël – zo onopvallend dat zij bijna onopgemerkt bleef voor de ogen van de tijdgenoten – straalde wel duidelijk voor de Eeuwige die deze verborgen “dochter van Sion” deelgenoot gemaakt had van het heilsplan dat de gehele geschiedenis van de mensheid omvat. Wij christenen, die weten hoe het providentiële plan van de Allerheiligste Drieëenheid de centrale werkelijkheid is van de openbaring en het geloof, voelen dus terecht de behoefte om aan het einde van het tweede millennium de uitzonderlijke tegenwoordigheid van de Moeder van Christus in de geschiedenis in het licht te stellen in het bijzonder gedurende deze laatste jaren die voorafgaan aan het jaar tweeduizend.

    Het Tweede Vaticaans Concilie, dat ons in zijn leer de Moeder van God voorhoudt in het mysterie van Christus en de Kerk, bereidt ons hierop voor. Want als het waar is dat ”het mysterie van de mens alleen oplicht in het mysterie van het mens geworden Woord”, zoals het Concilie verklaart, dan moet men dit beginsel op zeer bijzondere wijze toepassen op die uitzonderlijke “dochter van het mensengeslacht”, op die buitengewone “vrouw” die Moeder van Christus werd. Alleen in het mysterie van Christus wordt haar mysterie geheel en al duidelijk. Vanaf het begin heeft de Kerk overigens getracht het zo te verstaan: het mysterie van de menswording heeft het haar mogelijk gemaakt steeds dieper door te dringen in het mysterie van de Moeder van het vleesgeworden Woord en dit steeds beter te verduidelijken. Beslissende betekenis voor deze verdieping heeft het Concilie van Efese gehad (in het jaar 431), waarop de waarheid over het goddelijke moederschap van Maria tot grote vreugde van de christenen plechtig bevestigd werd als geloofswaarheid van de Kerk. Maria is de Moeder van God (= Theotókos), omdat zij door de heilige Geest Jezus Christus, de Zoon van God die één in wezen is met de Vader, in haar maagdelijke schoot ontvangen en aan de wereld geschonken heeft. “De Zoon van God, . . . geboren uit de Maagd Maria, is . . . werkelijk één van de onzen geworden”. Hij is mens geworden. Zo schittert aan de horizon van het geloof van de Kerk door middel van het mysterie van Christus ten volle het mysterie van zijn Moeder. Op zijn beurt was het dogma van het goddelijke moederschap van Maria voor het Concilie van Efese, en is het voor de Kerk, als het ware een bezegeling van het dogma van de menswording, waarin het Woord waarlijk de menselijke natuur aanneemt in de eenheid van zijn persoon zonder haar te niet te doen.

    Het Tweede Vaticaans Concilie, dat Maria voorhoudt in het mysterie van Christus, vindt op deze manier ook de weg om de kennis van het mysterie van de Kerk te verdiepen. Want Maria is als Moeder van Christus op bijzondere wijze verenigd met de Kerk, “die de Heer als zijn lichaam heeft ingesteld”. De Concilietekst brengt op veelzeggende wijze deze waarheid over de Kerk als het lichaam van Christus (volgens de leer van de brieven van Paulus) in verband met de waarheid dat de Zoon van God “door de heilige Geest uit de Maagd Maria is geboren”. De werkelijkheid van de menswording vindt als het ware een verlengstuk in het mysterie van de Kerk, lichaam van Christus. En men kan niet aan die werkelijkheid van de menswording denken zonder te verwijzen naar Maria, de Moeder van het mensgeworden Woord.

    In deze overwegingen wil ik echter vooral verwijzen naar de “pelgrimstocht van het geloof” waarop “de heilige Maagd is voortgegaan” en de vereniging met Christus standvastig volgehouden heeft. Zo krijgt die tweevoudige band die de Moeder van God verenigt met Christus en met de Kerk een historische betekenis. Het gaat hier niet slechts om de geschiedenis van de Moeder-maagd, om haar persoonlijke geloofsweg en het ”beste deel” dat zij heeft in het heilsmysterie, maar ook om de geschiedenis van heel het volk Gods, van allen die deelnemen aan dezelfde pelgrimstocht van het geloof.

    Het Concilie drukt dit uit waar het in een andere passage vaststelt dat Maria “is voorgegaan” en ”model van de Kerk” is geworden “in de order van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus”. Dit ”voorgaan” als beeld of model verwijst naar het diepe mysterie zelf van de Kerk, die in de vervulling van haar eigen heilszending in zich de eigenschappen van moeder en maagd verenigt, zoals Maria. Zij is een maagd die “haar trouw aan de Bruidegom gaaf en zuiver behoudt” en die ”ook zelf moeder wordt . . . want zij brengt zonen ter wereld, van de heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk leven”. 

    Dit alles geschiedt in een groot historisch proces en om zo te zeggen “op een tocht”. De pelgrimstocht van het geloof duidt de innerlijke geschiedenis aan, men zou kunnen zeggen de geschiedenis van de zielen. Maar deze is ook de geschiedenis van de mensen die op deze aarde onderworpen zijn aan de vergankelijkheid, opgenomen zijn in de dimensie van de geschiedenis. In de volgende overwegingen willen wij ons vooral concentreren op de huidige fase, die uiteraard nog niet geschiedenis is en haar toch voortdurend vormt, ook in de zin van heilsgeschiedenis. Hier gaat een wijde ruimte open waarin de heilige Maagd Maria het volk Gods “blijft voorgaan”. Haar uitzonderlijke pelgrimstocht van het geloof vormt een vast referentiepunt voor de Kerk, voor de enkelingen en de gemeenschappen, voor de volkeren en de naties, en in zekere zin voor de gehele mensheid. Het is werkelijk moeilijk om de straal ervan te omvatten en te meten.

    Het Concilie onderstreept dat de Moeder van God nu reeds de eschatologische vervulling van de Kerk is: “De Kerk heeft in de zalige Maagd reeds de volmaaktheid bereikt, waardoor ze vlek noch rimpel vertoont”; en tegelijk benadrukt het dat “de gelovigen zich nog steeds moeten inspannen om door de overwinning op de zonde in heiligheid te groeien; daarom verheffen zij hun blikken naar Maria, die voor heel de gemeenschap van de uitverkorenen als een toonbeeld van deugden uitmunt”. De Moeder van Gods Zoon neemt niet meer deel aan de pelgrimstocht van het geloof. Maria die verheerlijkt in de hemel is naast haar Zoon, heeft reeds de drempel tussen geloof en zien “van aangezicht tot aangezicht” (1 Kor. 13, 12) overschreden. Maar tegelijk houdt Maria niet op in deze eschatologische vervulling “de sterre der zee” (Maris Stella) te zijn voor allen die nog de weg van het geloof gaan. Als zij hun blikken naar haar opheffen op de verschillende plaatsen van het aardse bestaan, dan doen zij dit omdat zij de Zoon ter wereld heeft gebracht die God gesteld heeft tot Eerstgeborene onder vele broeders”, en ook omdat zij ”met moederlijke liefde bijdraagt” tot de “geboorte en opvoeding” van deze broeders en zusters. 

    DEEL 1 : MARIA IN HET MYSTERIE VAN CHRISTUS

    HOOFDSTUK 1 - Vol genade

     “Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen” (Ef. 1, 3). Deze woorden van de brief aan de christenen van Efese openvaren het eeuwige plan van God de Vader, zijn plan om de mens in Christus te redden. Het is een universeel plan dat alle mensen die geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God , betreft. Zoals allen “in het begin” begrepen zijn in Gods scheppingswerk, zo zijn zij ook van eeuwigheid begrepen in het goddelijke heilsplan, dat volledig geopenbaard zou worden in de “volheid van de tijd” met de komst van Christus. De God die ”de Vader van onze heer Jezus Christus” “in Hem”, zo gaat dezelfde brief verder, “ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade. Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde, in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden, dank zij de rijkdom van zijn genade” (Ef. 1, 4-7).

    Het goddelijke heilsplan, dat ons volledige geopenbaard is met de komst van Christus, is eeuwig. Het is ook, volgens de leer van die brief en van andere paulijnse brieven, van eeuwigheid af verbonden met Christus. Het omvat alle mensen, maar behoudt een bijzondere plaats voor aan de “vrouw” die de Moeder is van Hem aan wie de Vader het heilswerk toevertrouwd heeft. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie schrijft: “Zij is het die . . . reeds profetisch doorzichtig wordt in de belofte die aan de in zonde gevallen stamouders werd geschonken” -volgens het boek Genesis; “evenzo is zij de maagd die een zoon zal ontvangen en varen aan wie men de naam Immanuel zal geven” -volgens de woorden van Jesaja. Op deze wijze bereidt het Oude Testament die “volheid van de tijd” voor waarin God “zijn Zoon gezonden heeft, geboren uit een vrouw . . . opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen”. De komst van Gods Zoon in de wereld is de gebeurtenis die opgetekend staat in de eerste hoofdstukken van de evangelies volgens Lucas en volgens Matteüs.

    Maria wordt definitief binnengeleid in het mysterie van Christus door deze gebeurtenis: de boodschap van de engel. Zij vindt plaats te Nazaret, in zeer bepaalde omstandigheden van de geschiedenis van Israël het volk zegt tot de Maagd: “Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u” (Lc. 1, 28). Maria ”schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen” (Lc. 1, 29): wat konden al die buitengewone woorden wel betekenen en in het bijzonder de uitdrukking ”vol van genade” (kecharitoméne)? 

    Als wij samen met Maria willen mediteren over deze woorden en speciaal over de uitdrukking ”vol van genade”, dan kunnen wij een veelbetekenend vergelijkingspunt vinden juist in de bovengenoemde tekst uit de brief aan de christenen van Efese. Als de Maagd van Nazaret na de boodschap van de hemelse bode ook “de gezegende onder de vrouwen” genoemd wordt, dan ligt de verklaring hiervoor in de zegen waarmee “God de Vader” ons overladen heeft “in de hemelen in Christus”. Het is een geestelijke zegen, die alle mensen betreft en in zich de volheid en de universaliteit draagt (“elke zegen”), en die voortkomt uit de liefde die de Vader en de Zoon, die één in wezen met Hem is, verenigt in de heilige Geest. Het is tegelijk een zegen die door Jezus Christus is uitgestort in de mensgeschiedenis tot aan het einde toe: over alle mensen. Deze zegen betreft echter in een speciale en uitzonderlijke maat Maria: Elisabet heeft haar immers begroet als “de gezegende onder de vrouwen”.

    De reden voor de tweevoudige groet is dus dat zich in de ziel van deze “dochter van Sion” in zekere zin heel de “heerlijkheid van de genade” heeft geopenbaard, van die genade waarmee “de Vader . . . ons heeft begiftigd in de Geliefde”. De bode groet Maria immers als “de Begenadigde”; hij noemt haar zo, alsof dit haar echte naam is. Hij noemt zijn gesprekspartner niet bij de naam die zij onder de mensen heeft: Miryam (=Maria), maar bij deze nieuwe naam: “Begenadigde”. Wat betekent deze naam? Waarom noemt de aartsengel de Maagd van Nazaret zo?

    In de bijbelse taal betekent “genade” een speciale gave, die volgens het Nieuwe Testament haar bron heeft in het leven van de drieëne God, van God die liefde is. De uitverkiezing waarover de brief aan de christenen van Efese spreekt is vrucht van deze liefde. Van Gods kant is deze uitverkiezing de eeuwige wil om de mens te redden door deelname aan zijn eigen leven in Christus: het is het heil in de deelname aan het bovennatuurlijke leven. De uitwerking van deze eeuwige gave, van deze genade van de uitverkiezing van de mens door God, is als een kiem van heiligheid of als een bron die opspringt in de ziel als gave van God zelf, die de uitverkorenen levend en heilig maakt door middel van de genade. Op deze wijze wordt vervuld, d.w.z. wordt werkelijkheid, die zegening van de mens “met elke geestelijke zegen”, die “aanneming tot zijn kinderen” in Christus ofwel in Hem die eeuwig de “geliefde Zoon” van de Vader is.

    Wanneer wij lezen dat de bode tot Maria zegt: “vol van genade”, dan laat de context van het evangelie, waarin oude openbaringen en beloften samenvloeien, ons begrijpen dat het hier gaat om een speciale zegen onder alle “geestelijke zegeningen in Christus”. Zij is reeds aanwezig in het mysterie van Christus “voor de schepping der wereld” als degene die de Vader “uitgekozen heeft” als Moeder van zijn Zoon in de menswording – en de Zoon heeft haar samen met de Vader uitgekozen en haar eeuwig toevertrouwd aan de Geest van heiligheid. Maria is op geheel bijzondere en uitzonderlijke wijze verenigd met Christus. Zij wordt eveneens op geheel bijzonder en uitzonderlijke wijze bemind in deze eeuwige geliefde Zoon, in deze Zoon die één wezen is met de Vader en in wie heel de “heerlijkheid van de genade” samenkomt. Tegelijk is en blijft zij geheel open voor deze “gave van boven”. Zoals het Concilie leert, “munt” Maria “uit tussen de nederigen en armen van de Heer, die het heil met vertrouwen van Hem verwachten en ontvangen.” 

    Al Betekenen de groet en de naam “Begenadigde” dit alles, in de context van de boodschap van de engel hebben zij vooral betrekking op de uitverkiezing van Maria als Moeder van Gods Zoon. Maar tegelijk wijst de volheid der genade heel de bovennatuurlijke gave aan waarmee Maria begiftigd is in verband met het feit dat zij uitgekozen en bestemd is om de Moeder van Christus te zijn. Ook al is deze uitverkiezing fundamenteel voor de vervulling van het heilsplan van God met betrekking tot de mensheid; ook al betreffen de eeuwige keuze in Christus en de bestemming tot de waardigheid van aangenomen kinderen alle mensen, toch is de uitverkiezing van Maria geheel uitzonderlijk en uniek. Vandaar ook de uitzonderlijkheid en de enigheid van haar plaats in het mysterie van Christus.

    De hemelse bode zegt tot haar: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en zijn Zoon van de Allerhoogste genoemd worden” (Lc. 1, 30-32). En als de Maagd, verschrikt door deze buitengewone groet, vraagt: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?”, ontvangt zij van de engel bevestiging en uitleg van de voorafgaande woorden. Gabriël zegt tot haar: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God” (Lc. 1, 35).

    De boodschap is daarom de openbaring van het mysterie van menswording aan het begin zelf van de vervulling ervan op aarde. De heilsgave die God maakt van zichzelf en van zijn leven, op zekere wijze aan de gehele schepping en direct aan de mens, bereikt in het mysterie van de menswording één van zijn hoogtepunten. Dit is inderdaad een hoogtepunt onder alle genadegaven in de geschiedenis van de mens en van het heelal. Maria is “vol van genade omdat de menswording van het Woord, de vereniging van Gods Zoon met de menselijke natuur, juist in haar verwerkelijkt en vervuld wordt. Maria is, zoals het Concilie leert, “de Moeder van de Zoon van God . . . en daarom de geliefde dochter van de Vader en het heiligdom van de heilige Geest. Door deze uitmuntende gave gaat zij alle andere schepselen in de hemel en op aarde ver te boven”.

    Sprekend over de ”heerlijkheid van de genade” waarmee ”God de Vader . . . ons begiftigd heeft in de Geliefde”, voegt de brief aan de christenen van Efese hieraan toe: “in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed” (Ef. 1, 7). Volgens de leer die geformuleerd is in plechtige documenten van de Kerk heeft deze “heerlijkheid van de genade” zich in de Moeder Gods geopenbaard door het feit dat zij “op een meer verheven wijze” is verlost. Krachtens de rijkdom der genade van de geliefde Zoon, vanwege de verlossende verdiensten van Hem die haar Zoon zou worden, is Maria gevrijwaard voor de overdracht van de erfzonde. Zo hoort zij vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis, dus van haar bestaan, toe aan Christus en deelt zij in de verlossende en heiligmakende genade en in die liefde die zijn oorsprong heeft in de “Geliefde” in de Zoon van de eeuwige Vader, die door de menswording haar eigen Zoon is geworden. Daarom ontvangt Mariadoor de heilige Geest in de orde van de genade, d.w.z. van de deelname aan Gods eigen wezen, het leven van Hem aan wie zij zelf in de orde van de aardse voortbrenging als moeder het leven schonk. De liturgie aarzelt niet haar ”moeder van haar Schepper” te noemen en haar te groeten met de woorden die Dante Alighieri de heilige Bernardus in de mond legt: “dochter van uw Zoon”. En omdat Maria die ”nieuwe leven” ontvangt in een volheid die beantwoordt aan de liefde van de Zoon voor de Moeder en dus aan de waardigheid van het goddelijke moederschap, noemt de engel haar bij de boodschap “Begenadigde”.

    In het heilsplan van de Allerheiligste Drieëenheid vormt het mysterie van de menswording de overvloedige vervulling van de belofte die God aan de mensen gedaan heeft na de erfzonde, na die eerste zonde waarvan de uitwerking op heel de geschiedenis van de mens op aarde drukt. Zie, een Zoon komt ter wereld, het ”kroost van de vrouw” dat het kwaad van de zonde in de wortel zal verslaan: ”Hij zal de kop van de slang verpletteren”. Zoals uit de woorden van het proto evangelie blijkt, zal de overwinning van de Zoon van de vrouw niet behaald worden zonder een zware strijd die heel de geschiedenis van de mens op aarde zal vullen. ”De vijandschap” die in het begin is aangekondigd wordt bevestigd in de Apokalyps, het boek van de laatste gebeurtenissen van de Kerk en de wereld, waarin opnieuw het teken verschijnt van de ”vrouw”” ditmaal “bekleed met de zon” (Apok. 12, 1).

    Maria, de Moeder van het Woord, wordt geplaatst in het centrum van die vijandschap, van die strijd waarmee de mensengeschiedenis op aarde en de heilsgeschiedenis zelf vergezeld gaan. Op die plaats draagt zij die bij de ”nederigen en armen van de Heer” hoort, als geen andere mens de ”heerlijkheid van de genade” in zich waarmee de Vader ”ons begiftigd heeft in de Geliefde”, en deze genade bepaalt de buitengewone grootheid en schoonheid van heel haar wezen. Zo blijft Maria voor God en ook voor de gehele mensheid als het onveranderlijke en onschendbare teken van de uitverkiezing door God waarover de paulijnse brief spreekt: “In Christus . . . heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld . . . en ons voorbestemd zijn kinderen te worden” (Lc. 1, 4.5). Deze uitverkiezing is machtiger dan iedere ervaring van het kwaad en van de zonde, dan heel die ”vijandschap” waardoor de geschiedenis van de mens getekend wordt. In deze geschiedenis blijft Maria een teken van vaste hoop.

    HOOFDSTUK 2 - Zalig zij die geloofd heeft

    Onmiddellijk na het verhaal van de boodschap voert de evangelist Lucas ons achter de schreden van de Maagd van Nazaret aan naar “een stad in Judea” (Lc. 1, 39). Volgens de geleerden zou deze stad het huidige Ain-Karim zijn, dat niet ver van Jeruzalem in de bergen ligt. Maria gaat daar ”met spoed” naar toe om Elisabet, haar bloedverwante, te bezoeken. De reden voor het bezoek moet ook gezocht worden in het feit dat Gabriël bij de boodschap op veelzeggende wijze Elisabet genoemd had die op gevorderde leeftijd van haar man Zacharias een zoon ontvangen had, door Gods kracht: ”Elisabet, uw bloedverwante, heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen en, ofschoon zij ontvruchtbaar hette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk” (Lc. 1, 36-37). De goddelijke bode had zich beroepen op wat met Elisabet gebeurd was om te antwoorden op de vraag van Maria: ”Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” (Lc. 1, 34). Zie, het zal kunnen geschieden juist door de kracht van de Allerhoogste”, zoals en nog meer dan in het geval van Elisabet.

    Door liefde gedreven begeeft Maria zich dus naar het huis van haar bloedverwante. Als zij er binnentreedt, beantwoordt Elisabet haar groet en voelt zij het kind in haar schoot opspringen. ”Vervuld met de heilige Geest groet zij op haar beurt Maria met luider stemme: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Deze uitroep of toejuiching van Elisabet zou later opgenomen worden in het Weesgegroet, als vervolg op de groet van de engel, en zo één van de meest voorkomende gebeden van de Kerk worden. Maar nog meer betekenis hebben de woorden van Elisabet in de vraag die volgt: ”Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?” (Lc. 1, 43). Elisabet legt getuigenis af over Maria: zij erkent en verklaart dat voor haar Moeder van de Heer staat, de Moeder van de Messias. Ook de zoon die Elisabet in haar schoot draagt neemt deel aan dit getuigenis: “Het kind sprong van vreugde in mijn schoot” (Lc. 1, 44). Het kind is de toekomstige Johannes de Doper die bij de Jordaan Jezus als de Messias zal aanwijzen.

    Ieder woord in de groet van Elisabet is vol betekenis, maar wat zij op het eind zegt lijkt van fundamentele betekenis: “Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is” (Lc. 1, 45). Deze woorden kunnen geplaatst worden naast de benaming “Begenadigde” van de groet van de engel. In beide teksten wordt de waarheid over Maria die werkelijk binnengetreden is in het mysterie van Christus, juist omdat zij “geloofd heeft”, werkelijkheid. De volheid de genade die de engel aangekondigd heeft betekent de gave van God zelf; het geloof van Maria, dat Elisabet geprezen heeft bij het bezoek, geeft aan hoe de Maagd van Nazaret geantwoord heeft op deze gave.

    ”Aan de openbare God moet de mens ‘de gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom. 16, 26)  betonen, waardoor hij zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt”, leert het Concilie. Het geloof zoals het hier beschreven wordt, heeft in Maria een volmaakte verwezenlijking gevonden. Het ”beslissende” ogenblik was de boodschap, en de woorden van Elisabet: “Zalig zij die geloofd heeft” hebben op de eerste plaats juist op dit moment betrekking.

    Want bij de boodschap heeft Maria zich volledig aan God toevertrouwd en ”de gehoorzaamheid van het geloof” betoond aan Hem die door zijn bode tot haar sprak, en de ”volledige onderdanigheid van verstand en wil” bewezen. Zij heeft dus met heel haar menselijke, vrouwelijke “ik” geantwoord. Dit geloofsantwoord bevatte een volmaakte medewerking met “de voorkomende en helpende genade van God en een volmaakte beschikbaarheid voor de werking van de heilige Geest die ”voortdurend het geloof vervolmaakt door zijn gave”.


    13-11-2017 om 06:40 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    12-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wijwater - deel 2

    Alternatieve lezingen:

    Jesaja 12:1-6 Op die dag zult gij zeggen: Ik loof u, Jahwe; Gij waart toornig op mij, maar uw toorn is bedaard en Gij hebt mij getroost. Ja, God is mijn redding, ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen: Jahwe is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden. En gij zult vol vreugde water putten uit de bronnen der redding. Op die dag zult gij zeggen: Looft jahwe, roept zijn naam uit, maakt onder de volken zijn daden bekend, verkondigt zijn hoog verheven naam. Zingt Jahwe lof, want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde! Juicht en jubelt, bewoners van Sion: Israëls Heilige is groot in uw midden!

    Jesaja 55:1-11 Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij, die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld, en drinkt zonder betaling wijn en melk. Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is, en uw loon aan iets wat niet verzadigt? Luistert aandachtig naar Mij, en gij zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Neigt uw oor en komt naar Mij, luistert en gij zult leven; een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten, een blijk van mijn blijvende trouw aan David gezworen.  Zie, hem had Ik tot getuige voor de volkeren aangesteld, tot vorst en gebieder over de naties. Zie, zo komt nu een volk, dat gij niet kent, naar u toe, en een volk dat u niet kent, snelt op u af, omwille van Jahwe, uw God, en wegens de Heilige van Israël, omdat Hij u luister heeft verleend. Zoekt Jahwe, nu Hij te vinden is, roept Hem aan: Hij is nabij, De zondaar moet zijn weg verlaten en de boosdoener zijn gedachten; en terugkeren naar Jahwe, die zich over hem erbarmen zal, naar onze God, die immers rijkelijk vergeeft. Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet mijn wegen, zo luidt de godsspraak van Jahwe, want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter; zo zal het ook gaan met mijn woord, dat voortkomt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden.

    Sirach 15:1-6  Zo doet degene die de Heer vreest; wie zich houdt aan de wet zal de wijsheid verwerven. Als een moeder komt zij hem tegemoet en zij begroet hem als de vrouw van zijn jeugd. Zij geeft hem het brood van het inzicht te eten en laat hem het water van de wijsheid drinken. Hij steunt op haar en hij wankelt niet, hij hecht zich aan haar en hij wordt niet beschaamd. Zij zal hem verheffen boven zijn naasten en in het midden van de vergadering ontsluit ze zijn mond. Blijdschap en een vreugdekrans en een onvergankelijke naam zal zij hem schenken.

    1 Johannes 5:1-6 Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft bemint ook het kind. Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. God beminnen wil zeggen zijn geboden onderhouden, en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden, want ieder die uit God geboren is overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus. Hij is gekomen niet door water alleen, maar door water en door bloed. De Geest betuigt het, omdat de Geest de waarheid is.

    Openbaring 7:13-17 Toen richtte zich een van de oudsten tot mij en zei: “Wie zijn dat in die witte gewaden en waar komen zij vandaan? Ik antwoordde hem: “Heer, dat weet gij.” Toen zei hij: “Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam. Daarom staan zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel, en Hij die op de troon is gezeten zal zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen, want het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”

    Openbaring 22:1-5 Toen toonde mij de engel de rivier met het water des levens, helder als kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. Zij liep midden door de straat van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden, stond het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, elke maand eens; en zijn loof brengt de volken genezing. En er zal geen banvloek meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daar staan en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. Zij zullen zijn gelaat aanschouwen en zijn naam zal op hun voorhoofd zijn. Er zal geen nacht meer zijn en zij behoeven geen licht meer van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten, en zij zullen heersen in de eeuwen der eeuwen.

    Johannes 13:3-15 In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, stond Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: “Heer wilt Gij mij de voeten wassen?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.” Toen zei Petrus tot Hem: “Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!” Jezus antwoordde hem: “Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.” Daarop zei Simon Petrus tot Hem: “Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.” Maar Jezus antwoordde: “Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.” Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: “Niet allen zijt gij rein.” Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: “Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb. 

    Gebed van zegen

    Na de lezing, zegt de celebrant:
    Laat ons bidden.

    Allen bidden in stilte; dan zegt de celebrant met uitgestrekte handen, het gebed van zegen:

    Gezegend bent U, Heer, Almachtige God,
    die in Christus, het levende water van redding,
    ons gezegend heeft en omgevormd.
    Verleen dat wanneer we besprenkeld worden met dit water
    of wanneer we er gebruik van maken,
    we innerlijk worden verfrist door de kracht
    van de Heilige Geest
    en blijven leven in het nieuwe leven
    dat we ontvingen bij het Doopsel.

    We vragen dit door Christus onze Heer.  
    R. Amen.

    Het kruisteken over het water.

    God zij dank dat we het Roomse Rituale hebben om ons te helpen. Je moet niet elke keer het zout exorciseren. Ik exorciseer het zout en houd het zo wanneer ik de traditionele zegening doe, het neemt niet zoveel tijd in beslag. Geëxorciseerd zout is zeer krachtig tegen de duivel. Je kunt het rond je huis, tuin, werk, en buurt strooien. Je kunt het ook gebruiken als je kookt.

    Sommige eenvoudige zaken om te gebruiken als bescherming tegen de duivel zijn: Wijwater, de geëxorciseerde H. Benedictusmedaille, het bruine scapulier, de wonderdadige medaille en het dragen van de rozenkrans.  

    Blijf altijd in staat van genade, het helpt zoveel om de aanvallen van de duivel te vermijden. We zouden meer moeten bevreesd zijn voor het beledigen van God, dan voor de duivel. Vergeet ook nooit dat Maria een grote beschermster is tegen de boze en ook de H. Michael. De H. Jozef wordt “verschrikking van de duivel” genoemd.

    Driekoningenwater

    Het driekoningenwijwater is het water dat tijdens de hoogmis op die dag gewijd wordt. Het is wijwater, en als zodanig een van de vele sacramentaliën in de katholieke kerken. Er wordt ongeveer 45 minuten over gebeden en is daarom het sterkste wijwater. De sacramentaliën ontvangen de kracht die de gebeden uitdrukken bij de zegening ervan.

    In het Romeins Rituaal wordt het wijdingsritueel beschreven dat alleen op de vigilie van Driekoningen (5 januari) door een priester uitgevoerd kan worden. De wijding geeft vier groepen van genaden:

    • verjaagt de duivel en zijn invloeden
    • roept de hulp van de hemel, de heiligen en engelen af
    • geeft genezing naar ziel en lichaam
    • biedt genezing voor mensen en dieren.

    Driekoningen was vroeger – net zoals Pasen – traditioneel een doopdag. Ter herinnering aan de doop vond met Driekoningen de wijding van het water plaats.

    De liturgie van de wijding van het driekoningenwijwater is als volgt opgebouwd:

    • litanie van alle heiligen, dat is de aanroeping van degenen die definitief de overwinning over alle kwaad hebben behaald; de 'zegevierende Kerk'
    • twee overwinningshymnen uit de H Schrift, het Benedictus over de komst van de voorloper van de Messias en verlosser en het Magnificat over de komst van de Messias en verlosser zelf
    • drie psalmen over de overwinning van Israël tegen de vijanden in het Oude Testament, voorteken van overwinning over geestelijke vijanden in het nieuwe testament
    • gewone wijwatergebed met exorcismen over zout en water
    • het kleine exorcisme van paus Leo XIII of van de Aartsengel Michael tegen de omzetenheid (sterke merkbare invloed van de duivel), waarin beroep wordt gedaan op alle sterke geloofsgeheimen
    • gezongen Te Deum, loflied van de overwinnende kerk van de heiligen in de hemel.

    Het verdrijven van de duivel 

    De duivel haat wijwater omwille van zijn macht over hem. Hij kan niet lang blijven op een plaats of bij een persoon die dikwijls wordt besprenkeld met wijwater. 

    Lees wat de H. Teresa van Avila hierover had te zeggen: 

    "Uit lange ervaring heb ik geleerd dat er niets zoals wijwater is om duivels op de vlucht te jagen en te voorkomen dat ze terugkomen. Ze vluchten ook voor het kruis, maar keren terug; daarom moet wijwater een grote waarde hebben. Voor mij, als ik het neem, is mijn ziel getroost. In feite is het een bewuste verfrissing die ik niet kan omschrijven, het lijkt op een innerlijke vreugde die mijn hele ziel troost.”

    "Op een nacht, ongeveer deze tijd, dacht ik dat de duivels mij aan het verstikken waren; en wanneer de zusters heel wat wijwater hadden gesprenkeld zag ik een grote groep duivels wegrennen zo vlug ze konden." 

    "Op een nacht was ik devotionele gebeden aan het bidden, wanneer de duivel zelf kwam en me wilde doen stoppen met bidden. Ik sloeg een kruisteken en hij ging weg. Ik begon verder te bidden en hij kwam terug. Ik begon drie keer opnieuw en het was tot ik wat wijwater sprenkelde dat ik verder kon bidden. Op hetzelfde moment zag ik verschillende zielen uit het Vagevuur komen: hun tijd was bijna op en ik denk dat de duivel hun bevrijding wilde voorkomen."

    Wijwater gebed voor de zielen van het Vagevuur

    Sprenkel een paar druppels van Heilig Water en bid vurig: 

    "O God, in Uw barmhartigheid vermenigvuldig deze druppels in zoveel Wijwaterdruppels als er zielen zijn in het Vagevuur, en laat hen toe de pijnen van het Vagevuur niet te vrezen, zoals als het vocht van het Wijwater aanwezig is.”

    Hoe van wijwater dat muf is afgeraken:

    Wijwater blijft gewoonlijk voor een lange tijd bewaard. Maar als je toch muf water hebt, giet het dan buiten in de grond aan planten of bomen. De reden omdat we het in de grond gieten is omdat de grond heilig is en we het teruggeven aan de natuur. Andere religieuze zaken zoals gebroken rozenkransen, versleten scapulieren, gebroken beelden, enz. mogen ook in de grond begraven worden.

    Asperges me (wikipedia): Het Asperges me is de katholieke liturgische plechtigheid die op zondagen aan de viering van een plechtige H. Mis voorafgaat. De kerkgangers worden gezegend met wijwater, terwijl het koor de Gregoriaanse antifoon 'Asperges Me' zingt.

    De gewone vorm van de Romeinse ritus voorziet in een verkorte versie van het Asperges me. In de buitengewone vorm is de plechtigheid volledig bewaard.

    Ritueel

    De priester of bisschop gaat hierbij, gekleed in koorkap en eventueel geholpen door diakens, door de kerk en besprenkelt de gelovigen door middel van een aspergil met wijwater. Dit gebeurt ter herinnering aan het doopsel en om barmhartigheid en reiniging van God af te smeken, voordat men de heilige geheimen van de eucharistie viert. Na de besprenkeling spreekt de celebrant staande voor het tabernakel een gebed uit, waarin bescherming van het kerkgebouw en het gelovige volk afgesmeekt wordt. Hierna wordt de koorkap afgelegd en bekleedt de priester zich met kazuifel, manipel en bonnet.

    Antifoon

    De naam Asperges me komt van de Latijnse antifoon die tijdens deze besprenkeling met wijwater Gregoriaans gezongen wordt, namelijk Psalm 51:9 Raak met hysop mij aan: ik zal rein zijn, maak mij smetteloos: witter dan sneeuw.

    In de Paastijd zingt men in plaats van Psalm 51, Psalm 118:1; deze antifoon heet Vidi aquam bij de besprenkeling, waarin op mystieke wijze Christus aan het kruis bezongen wordt, uit wiens Zijde water en bloed vloeit.

    Tweede Vaticaans Concilie

    De plechtigheid is bijna overal verdwenen, hoewel de Novus Ordo Missae wel in een verkorte versie van het Asperges me voorziet. In de Mis volgens de Tridentijnse ritus is de plechtigheid bewaard. De priester kan ervoor kiezen om het asperges en de processie met koorkap te doen en zich te verkleden bij het altaar, maar kan er ook voor kiezen om meteen het kazuifel te dragen bij het vertrekken uit de sacristie. De priester bekleedt zich in de nieuwe misorde (Ordo Missae Cum Populo) enkel nog met het kazuifel (en stole); het manipel en de bonnet worden niet meer gedragen. (In de nieuwe misorde is het asperges een deel van de eucharistie.)

    Tekst der plechtigheid

    Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor:

    Gij zult mij besprenkelen, Heer, met hysop, en ik zal rein worden:

    Lavabis me, et super nivem dealbabor.

    Gij zult mij wassen, en ik zal witter worden dan sneeuw.

    Miserere mei, Deus,

    Ontferm u mijner, o God,

    secundum magnam misericordiam tuam.

    volgens uw grote barmhartigheid.

    Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto.

    Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

    Sicut erat in principio, et nunc, et semper,

    Zoals het was in het begin, en nu, en altijd,

    et in saecula saeculorum. Amen.

    en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

    Asperges me (...) dealbabor.

    Was mij (...) dan sneeuw.

    S. Ostende nobis, Domine, misericordiam tuam.

    Pr. Toon ons, Heer, uw barmhartigheid.

    M. Et salutare tuum da nobis.

    V. En schenk ons uw heil.

    S. Domine exaudi orationem meam.

    Pr. Heer verhoor mijn gebed.

    M. Et clamor meus ad te veniat.

    V. En mijn noodkreet kome tot U.

    S. Dominus vobiscum.

    Pr. De Heer zij met u.

    M. Et cum spiritu tuo.

    V. En met uw geest.

    S. Oremus. Exaudi nos Domine sancte Pater omnipotens aeterne Deus et mittere digneris sanctum angelum tuum de caelis, qui custodiat, foveat, protegat, visitet atque defendat omnes habitantes in hoc habitaculo. Per Christum Dominum nostrum. Amen.

    Pr. Laat ons bidden. Verhoor ons Heer, heilige Vader, almachtige, eeuwige God en zend genadig uw heilige engel uit de hemel, die allen die in dit heiligdom wonen moge bewaren, begunstigen, beschermen, bezoeken en verdedigen. Door Christus onze Heer. Amen.

    Wijwater

    Definitie : Wijwater dat door een priester gewijd is. Dit water wordt in de katholieke kerk gebruikt bij verschillende religieuze handelingen. Wijwater wordt gerekend tot de sacramentalia.

    Water is een heel belangrijk christelijk symbool. Het is de bron van het leven. De hele aarde is een planeet vol water. Het geeft ons leven, vernieuwt en hernieuwt.

    Het christelijk leven begint met water bij de doop. Al in het joodse leven werd water gebruikt bij reinigingsriten tegen de zonden. Het is met de doop dat de gedoopte een nieuw leven begint als christen. We worden gereinigd van onze zonden, begraven (ondergedompeld) met Christus om met Hem uit het water te verrijzen in het nieuwe leven, herboren als kind van God.

    Het doopwater is wijwater: water, waarover Gods zegen is afgeroepen. Tijdens de viering in de Paasnacht wordt water in doopbekken gegoten en gewijd door het uitspreken van een bede en het maken van een kruisteken over het water. Tijdens de Paasviering worden de aanwezigen gezegend met dit water, ter herinnering aan de eigen doop.

    Wijwater is belangrijk: het wordt gebruikt om mensen en zaken te zegenen. Bij binnenkomst (of het verlaten) van een kerk slaan katholieken een kruisje nadat een paar vingers even in het wijwatervaten zijn gedompeld. Ze staan dan onder het teken van het kruis met herinnering aan de eigen doop. In kleinere vorm kunnen katholieken thuis ook wijwaterbakjes hebben, gevuld met het gezegende wijwater uit de kerk.

    Aan het einde van ons leven wordt bij de uitvaart de lijkbaar besprenkeld met wijwater om Gods zegen over de dood af te smeken. Dit is de absoute: het besprenkelen met wijwater en het bewieroken van de kist onder het uitspreken van gebeden.

    Een andere ‘rol’ van water is bij plaatsen van Mariavereringen en -verschijningen. Op veel plaatsen waar Maria is verschenen, is wel een kraan te vinden dat heilig water schenkt. Bijvoorbeeld in bekende bedevaartplaatsen als Banneux, Lourdes en Fatima. Ook hier reinigt, zegent en heiligt het water de gelovige. (www.katholiek.nl)

    Enkele manieren om wijwater te gebruiken –  Gretchen Filz – 12/8/2014 www.catholiccompany.com

     “Van lange ervaring heb ik geleerd dat er niets zo goed is zoals wijwater om duivels op de vlucht te jagen en te verhinderen dat ze terugkomen. Ze vluchten ook voor het Kruis, maar keren terug; wijwater moet dus een grote heilzame werking hebben. Als ik er gebruik van maak ondervindt mijn ziel een bijzondere troost.” – H. Teresa van Avila

    Wanneer we deze uitspraak lezen zouden we moeten herinnerd worden aan het belang van wijwater. Als we denken aan ons doopsel en onze doopbeloften, als Katholieke hun vinger dopen in het wijwater en het kruisteken maken als ze de kerk binnengaan.

    Onze doopbeloften bevatten beloften om Satan te verwerpen en zonde te vermijden. Maar meestal denken we er niet meer aan en is wijwater maar gewoon omdat we het zo dikwijls gebruiken.

    We moeten onthouden dat dit water, door de priester, gezegend is door God krachtens Christus’ doopsel. De Katholieke Kerk bezit een enorme kracht van sacramentele genade en het wijwater als sacramentalie ontvangt zijn kracht door het gebed en de autoriteit van de Kerk.

    De zegening dat over het water gezegd wordt door de priester om het te wijden bevat gebeden van exorcisme. Het kan demonen verdrijven, de zieken genezen, en ons genade geven, en toch wanneer we een kruisteken maken met het wijwater denken we er zelfs niet aan hoe heilig het eigenlijk is.

    Wijwater is een krachtige sacramentalie en we zouden het dagelijks moeten gebruiken. Wijwater kan gebruikt worden om mensen te zegenen, plaatsen, en dingen die gebruikt worden om God te verheerlijken in hun leven.

    Hier enkele manieren om wijwater te gebruiken in je dagelijks leven:

    1. Zegen jezelf –  Deze suggestie is duidelijk, maar als we onszelf enkel zegenen met wijwater op zondag, wat dan met de rest van de week? Je kunt nooit teveel genade of zegening in je leven hebben. Gebruik dagelijks wijwater. Houd een wijwatervatje in huis zodat jij en je gezin, en ook gasten zich kunnen zegenen in het komen en gaan uit je huis. Houd het wijwatervatje in de buurt van de voordeur om er zeker van te zijn dat je nooit de deur uitgaat zonder je te zegenen.

    2. Zegen je huis –  Als je niet de tijd genomen hebt om je huis te zegenen met wijwater, dan begin je er best nu mee. Je huis is de huiskerk en heeft geestelijke bescherming nodig. Je kunt zelf wijwater sprenkelen in je huis, of een priester je huis laten wijden. Hij maakt gebruik van wijwater als een deel van de inzegening van je huis. Wijwater in een kleine verstuiver doen, is gemakkelijk. Zo kun je het thuis en elders gebruiken.

    3. Zegen je gezin – Gebruik wijwater om te bidden en maak het Kruisteken over je partner en je kinderen voor ze gaan slapen. Het dichterbij brengen van je gezin met God is op deze manier een familietraditie om verder te zetten. Houd een wijwaterflesje bij je bed voor dit doel.

    4. Zegen je werkplaats – Als je buitenshuis werkt is het sprenkelen van je werkplaats een goed idee, niet enkel voor geestelijke bescherming op de job, maar ook om je dagelijks werk te heiligen voor de glorie van God.

    5. Zegen je wagen – De wagen is waarschijnlijk de meest gevaarlijke plaats waar je elke dag tijd in doorbrengt. Onderschat nooit de kracht van wijwater als het gebruikt wordt op en in je wagen om veilig te rijden, wanneer het gebruikt wordt met geloof en vertrouwen op God. Je kunt ook een priester je wagen laten zegenen met wijwater.

    6. Zegen je moestuin – Het was een gewone praktijk in de Middeleeuwen dat mensen hun groentetuin besprenkelden met wijwater. In tijden wanneer mensen zeer afhankelijk waren van hun oogst om te overleven, konden een gebrek aan regen of vroege vorst roet in het eten gooien. Het gebruik van wijwater om de plantjes te zegenen die gebruikt worden voor voedsel toont het vertrouwen op Gods genade.

    7. Zegen de zieken –  Als je zieke familie hebt, zegen hen dan met wijwater, dan doe je een lichamelijk en geestelijk werk van barmhartigheid. Als je zieken bezoekt in het ziekenhuis of bejaardentehuis, zegen dan hun leefruimte met wijwater en laat een flesje wijwater achter als een troost in hun noden. 

    8. Zegen de zielen van het vagevuur – Als we willen een kring van voorsprekers hebben voor onszelf, laat ons dan enige van hun verlangens in praktijk brengen en hen niet vergeten bij het wijwatervat. De heilige zielen die het dichtst bij de Hemel zijn kunnen misschien maar 1 druppel wijwater nodig hebben om hun hunkerende ziel te verlichten. Enkel in het Vagevuur kan men begrijpen hoe hevig een arme ziel verlangt naar wijwater.

    9. Zegen je huisdieren –  Huisdieren zijn geliefde metgezellen voor alleenstaanden en gezinnen en ze bewijzen hen dikwijls een grote dienst, en zelfs deze huisdieren kunnen gezegend worden met wijwater omdat alle schepselen glorie geven aan God. Dit is ook van toepassing op het vee en de veestapel op een boerderij.

    Hier is een eenvoudig gebedje om te bidden wanneer wijwater gebruikt wordt:

    Omdat wijwater één van de sacramentaliën is van de Kerk, worden dagelijkse zonden vergeven. Houd je ziel mooi zuiver in Gods zicht door het Kruisteken te maken en te zeggen: 

     “Door dit wijwater en door Uw Kostbaar Bloed, was al mijn zonden weg, O Heer. Amen.”

    Er is geen specifiek gebed om te gebruiken wanneer wijwater gebruikt wordt, buiten het kruisteken. Je kunt een Onze Vader bidden of zelf het St Michaelsgebed wanneer je wijwater gebruikt. Houd er rekening mee dat het wijwater reeds gezegend is door de gebeden van de priester.

    Heilige Aartsengel Michaël, 
    Verdedig ons in de strijd en wees onze beschermer tegen de aanvallen en de listen van de duivel. 
    Wij smeken U, dat God zijn heerschappij uitoefent over hem. En gij, Prins van de Hemelse Legermachten, drijf Satan en de andere boze geesten, die over de wereld ronddwalen voor het verderf van de zielen, terug in de hel door de Goddelijke macht die U is toevertrouwd. Amen.

    Traditioneel wijwater – Pr. Carota – 25/4/2013

    Vandaag werd ik gevraagd om water te zegenen. Het duurt langer en is meer werk, maar ik doe nog alleen de traditionele zegening van water. Volgens het Roomse Rituale wordt er exorcisme gebed en wordt er geëxorciseerd zout aan het wijwater toegevoegd. Hier is de ritus:

    “V. Onze hulp is in de naam van de Heer.

    R. Die Hemel en aarde geschapen heeft.

    Exorcisme van zout

    O zout, schepping van God, ik exorciseer u door de levende God, door de ware God, door de heilige God, door de God die u beval om gegoten te worden in het water door Elisa de Profeet zodat zijn levengevende krachten mogen hersteld worden. Ik exorciseer u zodat u een middel van redding moge worden voor gelovigen, dat u gezondheid van ziel en lichaam moge brengen aan allen die gebruik van u maken. Dat onvruchtbaarheid moge vluchten. Dat van de plaatsen waar u gesprenkeld wordt alle verschijningen, boosdoeners, duivels bedrog en elke onreine geest verdreven wordt, bezworen door Hem die zal komen om de levenden en de doden en de wereld te oordelen door vuur. Amen.

    Elisa (wikipedia) : (Hebreeuws voor "Mijn God is redding") is een profeet over wie geschreven staat in de Hebreeuwse Bijbel. Hij is de leerling van de profeet Elia en zijn opvolger na diens hemelvaart. De levensloop van Elisa is met name terug te vinden aan het einde van het Bijbelboek 1 Koningen en voor de rest in het Bijbelboek 2 Koningen. In de Rooms-Katholiek Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 14 juni.

    Elisa was de zoon van Safat uit Abel-meholah; hij werd de dienaar en volgeling van Elia (1 Kon. 19:16-19). Zijn naam komt het eerst voor in de opdracht aan Elia om hem tot opvolger te zalven.

    Op zijn weg van Sinaï naar Damascus treft de profeet Elia hem aan terwijl hij met de runderen het land ploegt. Hij roept Elisa door zijn mantel over diens schouders te gooien. Hij neemt hem aan als zoon en roept hem tot het profetenambt.

    Tot het overlijden van Elia is verder weinig vermeld over Elisa. Hierna wordt gezegd dat hij 'een dubbel deel' van de geest van Elia heeft gekregen, en wel omdat hij de wonderbaarlijke hemelvaart van Elia heeft mogen aanschouwen. Hij heeft de leiding van de profetenschool in Jericho, redt Samaria en Dothan van een Syrische belegering, en geneest de Syrische generaal Naäman van melaatsheid. Hij zalft Hazael tot koning over Syrië en Jehu tot koning over Israël.

    Jaren later, op zijn sterfbed, komt koning Joas, de kleinzoon van Jehu van Israël, om te rouwen over zijn naderende einde. Hij spreekt tot Elisa dezelfde woorden als Elisa bij Elia's dood: "Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!"

    Volgens 2 Koningen 13:20-21 werd een overleden man, door omstandigheden in de gauwigheid in het graf van Elisa gegooid, weer levend toen zijn lichaam in aanraking kwam met het gebeente van Elisa.

    Laat ons bidden.

    Almachtige en eeuwige God, we smeken U nederig, in Uw oneindige goedheid en liefde, dit zout te zegenen + en te heiligen + die U heeft geschapen en aan het gebruik door de mensheid heeft overgelaten, zodat het een bron van gezondheid wordt voor de geest en het lichaam van allen die er gebruik van maken, en het alle onreinheid moge wegnemen van hetgeen aangeraakt of besprenkeld wordt en hetgeen beschermen van elke aanval van boze geesten. Door onze Heer, Jezus Christus, Uw Zoon, die leeft en heerst met U in de eenheid van de Heilige Geest, God, voor eeuwig en altijd. R. Amen.

    Exorcisme van water

    O water, schepping van God, ik exorciseer u in de naam van God de Almachtige Vader, en in de naam van Jezus Christus, Zijn Zoon, onze Heer, en met de kracht van de Heilige Geest. Ik exorciseer u zodat je al de kracht van de Vijand moge doen vluchten, en in staat zijn om die Vijand met zijn gevallen engelen uit te roeien: door de kracht van onze Heer Jezus Christus, die zal komen om de levenden en de doden en de wereld te oordelen door vuur. Amen.

    Laat ons bidden.

    O God, die voor de redding van de mensheid Uw grootste mysteries op deze substantie, water, hebt gebouwd, aanhoor in Uw goedheid onze gebeden en stort de kracht van Uw zegening + uit in dit element, klaargemaakt voor vele soorten van zuiveringen. Moge dit,  Uw schepping, een vertegenwoordiger worden van goddelijke genade in dienst van Uw mysteries, om boze geesten te verjagen en ziekte te verdrijven, zodat alles in de huizen en andere gebouwen van de gelovigen die besprenkeld worden met dit water bevrijd moge worden van alle onreinheid en bevrijd van alle kwaad. Laat geen adem van besmetting, geen ziektedragende lucht, in deze plaatsen blijven. Mogen de sluwe streken van de op de loer liggende Vijand vruchteloos zijn. Laat alles wat de veiligheid en vrede van degenen die hier leven bedreigd vluchten door het sprenkelen van dit water, zodat het heilzame dat verkregen wordt door Uw heilige naam te aanroepen, verzekerd wordt tegen alle aanvallen. Door onze Heer Jezus Christus, Uw Zoon, die leeft en heerst met U in de eenheid van de Heilige Geest, God, voor eeuwig en altijd.

    R. Amen.

    Er is ook een zegening in het novus ordo boek van zegeningen. Hier zijn de woorden om water te zegenen:

    Gezegend bent U, Heer, Almachtige God, U die zich verwaardigde om ons te zegenen in Christus, het levende water van onze redding, en ons innerlijk te hervormen. Verleen dat wij die versterkt worden door het besprenkelen of gebruik van dit water, vernieuwd mogen worden door de Heilige geest, door Zijn kracht, en altijd moge in de nieuwheid van leven zijn.

    En dan maak je een kruisteken over het water.

    Dit is de zegening in de viering van de mis:

    WIJDING

    Aanvangsritus

    De celebrant begint met deze woorden:
    In de naam van de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest.

    Allen maken het kruisteken en antwoorden:
    Amen.

    De celebrant groet degenen die aanwezig zijn, en hij gebruikt de volgende worden, hoofdzakelijk genomen uit de H. Schrift:
    Moge God, die door water en de Heilige Geest ons een nieuwe geboorte gegeven heeft in Christus, met U allen zijn.

    Allen antwoorden:
    En met Uw geest.

    De celebrant bereidt deze die aanwezig zijn voor op de zegening:
    De zegening van dit water herinnert ons aan Christus, het levende water, en aan het sacrament van het Doopsel, waarin we werden geboren uit water en de Heilige Geest. Wanneer we daarom besprenkeld worden met dit heilig water of het gebruiken om ons te zegenen als we de kerk of ons huis binnenkomen, danken we God voor zijn onschatbare gave aan ons en vragen we om zijn hulp zodat we trouw blijven aan het sacrament die we hebben ontvangen in geloof.

    Lezing van het Woord van God

    Een lezer, of de celebrant leest een korte tekst uit de H. Schrift, zoals de volgende:

    Luister naar de woorden uit het H. Evangelie volgens Johannes 7:37-39

    Als iemand dorst heeft, Hij kome tot Mij.

    Op de laatste en grootste dag van het feest stond Jezus daar en riep met luider stem: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: “Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.” Hiermee doelde Hij op de Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

    De lezer besluit:
    Dit is het Woord van de Heer.

    Allen antwoorden:
    Lof zij U, Christus.

    12-11-2017 om 17:16 geschreven door claudia  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Heiligheid - deel 5

    Heilig zijn betekent in alle opzichten op Christus lijken: in gedachten en gevoelens, in woord en daad. Het meest kenmerkende van heiligheid is de liefde (God boven alles beminnen en de naaste als zichzelf). De liefde doordrenkt alle deugden: de nederigheid, rechtvaardigheid, werkinzet, kuisheid, gehoorzaamheid, vreugde, etc. De heiligheid is een doel waartoe alle gedoopten geroepen zijn. Ze wordt alleen, met de hulp van God, in de hemel bereikt na een levenslange strijd.  – Opus Dei

    Vertegenwoordigers van heiligheid (www.derekprince.nl)

    De Heilige Geest, de Gever van heiligheid

    Zonder de Heilige Geest (of: de Geest van heiligheid) is er geen hoop dat wij heilig kunnen worden. Zowel in heiliging als in het proces van verlossing, ligt het initiatief bij God. Vervolgens vindt het volgende proces plaats:

    – De Heilige Geest begint invloed op ons uit te oefenen
    – Hij keert ons af van de weg die naar verwoesting leidt (Matt. 7:13)
    – Hij brengt ons oog in oog met de waarheid (en met Jezus, die zelf de Waarheid is)
    – Hij geeft ons geloof om die waarheid te geloven
    – Door deze waarheid te geloven, worden we gered

    In Efeze 2:8 vertelt Paulus ons dat we moeten geloven. En vervolgens herinnert hij ons aan het feit dat dit geloof niet uit onszelf is gekomen, maar in ons is gelegd als gave van God.

    Heiliging is het proces waardoor de Heilige Geest ons afzondert tot een confrontatie met de waarheid die Christus brengt. De Heilige Geest geeft ons de genade om het evangelie te gehoorzamen, en als we dat doen wordt het bloed van Jezus over ons gesprenkeld.

    Het initiatief van heiliging bij God, niet bij de mens, en de eerste vertegenwoordiger in dit proces is de Heilige Geest. Daarom moeten we vragen om de 7 Gaven van de Heilige Geest om het proces van heiliging bij ons kracht bij te zetten. De Gaven van de Heilige Geest zijn voor de ziel wat voedsel is voor het lichaam: levensnoodzakelijk. Wij mogen stellen dat de ingesteldheid, de levensvisie, de houding en de deugdzaamheid van een mens grotendeels wordt bepaald door de mate waarin hij door de Heilige Geest bezield wordt. Het is diezelfde bezieling die in verregaande mate de graad van Liefde en zuiverheid van de mens bepaalt. Liefde tot God, Maria en de medemens, en zuiverheid in daden, woorden, gedachten, gevoelens en verlangens zijn de grootste graadmeters voor heiligheid. Dit alles laat begrijpen waarom de Heilige Geest de Heiligmaker wordt genoemd. Wat zijn nu de 7 Gaven van de Heilige Geest: (catechese door Paus Franciscus 11/6/2014)

    1 Wijsheid

    Dit is een geschenk van de Heilige Geest. Daarom moeten we aan de Heer vragen dat Hij ons de gave van wijsheid schenkt, van de wijsheid van God die ons leert met de ogen van God te zien, met het hart van God te voelen, met de woorden van God te spreken. En zo, met deze wijsheid, gaan we vooruit, bouwen we het gezin op, bouwen we de Kerk op en heiligen we onszelf. Vragen we vandaag de genade van de wijsheid. En vragen we dat aan Onze Lieve Vrouw, die de zetel van wijsheid is, van deze gave: dat zij ons deze genade schenkt.

    2 Inzicht

    Dat is wat de Heilige Geest met ons doet: Hij opent onze geest, om beter te verstaan, om beter het heilsplan van God te verstaan, de situaties in het mensenleven en de werkelijkheid te doorgronden, enz. De gave van inzicht is belangrijk voor ons christelijk leven. Vragen we aan de Heer dat Hij ze ons schenkt, dat Hij ons allen de gave schenkt om de dingen die gebeuren te verstaan, te verstaan zoals Hij en om vooral het Woord van God in het Evangelie te verstaan.

    3 Raad

    Zoals alle andere gaven van de Geest, is ook de raad een schat voor all christenen. De Heer spreekt niet slechts in de intimiteit van ons hart, Hij spreekt daar zeker, maar niet alleen daar, Hij spreekt ook doorheen de stem en het getuigenis van de broeders. Het is waarlijk een groot geschenk mannen en vrouwen van geloof te mogen ontmoeten die ons , vooral bij ingewikkelde en belangrijke overgangen in het leven, helpen klaarheid te scheppen in ons hart om de wil van de Heer te leren kennen! Psalm 16 nodigt ons uit met deze woorden te bidden: “Ik prijs de Heer die mij raad heeft gegeven, zelfs bij nacht spreekt mijn geweten. Ik houd de Heer voor ogen, de Heer altijd, Hij staat mij terzijde en ik wankel niet”. Dat de Geest altijd ons hart vervult met deze zekerheid en ons overlaadt met zijn troost en vrede! Vraag altijd om de gave van raad.

    4 Sterkte

    We moeten niet denken dat de gave van sterkte slechts bij bijzondere situaties nodig is. Deze gave moet het basiskenmerk zijn van ons christelijk bestaan, in het gewone van ons alledaagse leven. Alle dagen van ons dagelijks leven moeten we sterk zijn, we hebben deze sterkte nodig om met ons leven, ons gezin, ons geloof verder te gaan. De apostel Paulus zegt hierover: “Alles vermag ik in Hem, die mij kracht geeft” (Fil. 4, 13). Als we het gewone leven trotseren, als er moeilijkheden komen, laat ons dan dit herinneren: “Alles vermag ik in Hem, die mij kracht geeft”. De Heer geeft sterkte, Hij laat ze ons niet ontbreken; de Heer beproeft ons niet boven onze krachten. Hij is ons altijd nabij. “Alles vermag ik in Hem, die mij kracht geeft”. Soms kennen we de bekoring om ons, met de lasten en beproevingen van het leven voor ogen, te laten verleiden tot ontmoediging. Laten we in dergelijke gevallen de moed niet opgeven, maar laten we de Heilige Geest aanroepen dat Hij ons hart door de gave van sterkte verlicht en aan ons leven en onze navolging van Jezus nieuwe kracht en enthousiasme meedeelt.

    5 Kennis

    Wanneer over kennis gesproken wordt, denkt men onmiddellijk aan het vermogen van de mens om altijd beter de werkelijkheid die hem omgeeft te kennen en de wetten te ontdekken die de natuur en het heelal ordenen. De kennis die van de Heilige Geest komt, beperkt zich echter niet tot de menselijke kennis: het is een bijzondere gave, die ons ertoe brengt, via de schepping, de grootheid en de liefde van God en zijn diepe verbondenheid met elk schepsel, te vatten. Dit moet ons tot nadenken stemmen en ons aan de Heilige Geest de gave van kennis doen vragen om goed te verstaan dat de schepping het mooiste geschenk van God is. Hij heeft zoveel goede dingen gemaakt voor het beste dat er is en dat is de menselijke persoon.

    6 Vroomheid

    Deze gave van de Heilige Geest wordt dikwijls hetzij misverstaan hetzij oppervlakkig benaderd, terwijl ze het hart van onze christelijke identiteit raakt: het gaat over de gave van vroomheid.

    Het moet van meet af aan duidelijk zijn dat deze gave niet hetzelfde is als medelijden met iemand hebben. Deze gave verwijst naar ons toebehoren aan God en onze diepe band met Hem, een band die zin geeft aan heel ons leven en die ons, in gemeenschap met Hem, rechtop houdt ook op de moeilijke en uitdagende momenten.

    Deze band met de Heer mag niet verstaan worden als een plicht of een last. Het is een band die van binnenuit komt. Het gaat om een met het hart beleefde relatie: het is onze vriendschap met God, door Jezus geschonken, een vriendschap die ons leven verandert en ons vervult van enthousiasme en vreugde. Vandaar dat de gave van vroomheid in op de eerste plaats tot dankbaarheid en lofprijzing voert. Dat is inderdaad het motief en de meest waarachtige zin van onze aanbidding. Wanneer de Heilige Geest ons de aanwezigheid van de Heer en heel zijn liefde voor ons doet waarnemen, verwarmt Hij ons hart en zet ons als het ware natuurlijker wijze aan tot bidden en vieren. Vroomheid is dus synoniem van waarachtige godsdienstzin, van kinderlijk vertrouwen in God, van dat vermogen om tot Hem met liefde en eenvoud, eigen aan personen met een nederig hart, te bidden.

    Omdat de gave van vroomheid ons doet groeien in de relatie en in de gemeenschap met God en ons ertoe brengt als zijn kinderen te leven, helpt ze ons tegelijkertijd die liefde op de anderen te oriënteren en hen als broeders te erkennen. Wanneer dat gebeurt, worden we bewogen door gevoelens van vroomheid tegenover onze naasten en tegenover hen die we elke dag ontmoeten. Sommigen denken dat vroom zijn, betekent de ogen sluiten, een gezicht van een heiligenprentje opzetten, doen alsof men een heilige is. Dat is niet de gave van vroomheid. De gave van vroomheid betekent echt bekwaam zijn, blij te zijn met wie vreugde beleeft, te wenen met wie weent, nabij te zijn bij wie alleen of angstig is, te verbeteren wie dwaalt, te troosten wie rouwt, op te vangen en hulp te bieden aan wie in nood is. Er bestaat een sterke band tussen de gave van vroomheid en zachtmoedigheid. De gave van vroomheid die de Heilige Geest ons schenkt, maakt ons zachtmoedig, rustig, geduldig, in vrede met God, zachtmoedig ten dienste van de anderen.

    7 Ontzag voor God

    Ontzag voor God is de gave van de Geest die ons eraan herinnert hoe klein we tegenover God en zijn liefde zijn en dat ons welzijn erin bestaat ons nederig, met eerbied en vertrouwen aan zijn handen toe te vertrouwen. Dat is het ontzag voor God: overgave aan de goedheid van onze Vader die ons bijzonder liefheeft.

    Wanneer de Heilige Geest in ons komt wonen, stort Hij troost en vrede in ons en brengt ons ertoe ons te voelen zoals we zijn, dat wil zeggen: klein, met die houding van iemand die al zijn zorgen en verwachtingen aan God toevertrouwt en zich geborgen weet en gesteund door zijn warmte en bescherming, precies zoals een kindje met zijn papa! Dat bewerkt de Heilige Geest in onze harten: Hij geeft ons het gevoel van kindjes in de armen van onze papa. Zo begrijpen we dat ontzag voor God in ons de vorm aanneemt van volgzaamheid, van erkentelijkheid en van lofprijzing en zo ons hart vervult van hoop. Vaak slagen we er niet in de bedoeling van God te verstaan en stellen we vast dat we er op eigen kracht niet in slagen het geluk en het eeuwig leven te bereiken. Het is precies bij de ervaring van onze grenzen en onze armoede dat de Geest ons moed inspreekt en ons doet zien dat het enig belangrijke erin bestaat ons door Jezus in de armen van zijn Vader te laten voeren.

    Daarom hebben we grote nood aan deze gave van de Heilige Geest. Ontzag voor God doet ons verstaan dat alles genade is en dat onze ware sterkte alleen in de navolging van Jezus bestaat en in het aanvoelen dat de Vader zijn goedheid en barmhartigheid over ons kan uitstorten. Het hart openen zodat de goedheid en barmhartigheid van God tot ons komen. Dat bewerkt de Heilige Geest bij middel van de gave van ontzag voor God: Hij opent de harten zodat de vergiffenis, de barmhartigheid, de goedheid en de liefkozingen van de Vader ons bereiken, want we zijn kinderen die oneindig bemind worden.

    Wanneer we doordrongen zijn van ontzag voor God, zijn we geneigd de Heer met nederigheid, volgzaamheid en gehoorzaamheid te volgen. Niet met een houding van onderwerping, passief, zelfs klagend, maar met de verbazing en de vreugde van een kind dat zich door de Vader geholpen en bemind weet. Ontzag voor God maakt van ons geen angstige Christenen die het opgeven, maar het wekt moed en kracht in ons! Het is en gave die ons tot overtuigde en enthousiaste Christenen maakt, niet door angst aan de Heer onderworpen, maar ontroerd en gewonnen door zijn liefde! Door Gods liefde veroverd! Dat is iets zeer mooi. Ons laten veroveren door de liefde van papa die ons intens, met heel zijn hart, bemint.

    Maar, laten we oppassen, want de gave van God, de gave van ontzag voor God, is ook een alarmsignaal ten aanzien van de hardnekkigheid van de zonde. Wanneer iemand slecht leeft, wanneer men God vervloekt, wanneer men anderen uitbuit, wanneer men anderen tiranniseert, wanneer men alleen voor het geld leeft, alleen voor eigenwaan, macht, trots leeft, dan luidt het heilige ontzag voor God de alarmklok: Pas op! Met al die macht, met al dat geld, met al je trots, met al je eigenwaan, zal je niet gelukkig worden. Niemand zal het geld, de macht, de eigenwaan of de trots naar de overkant meenemen. Niets! Alleen de liefde van God Vader, de liefkozingen van God, aanvaard en ontvangen met liefde, kunnen we meenemen. En ook wat we voor anderen gedaan hebben, kunnen we meenemen. Hoed je er dus voor je hoop te stellen op geld, op trots, op macht, op eigenwaan want dat alles kan ons niets goeds beloven!

    Gebed tot Maria om de gaven van de Heilige Geest

    Lieve Moeder Maria,
    In Uw liefdevol Moederhart leg ik mijn verlangen dat de Heilige Geest voorgoed bezit van mij zou mogen nemen.
    Moge Hij mijn geest verlichten, opdat ik doorheen de nevelen waarmee de satan mijn ogen versluiert, de Eeuwige Waarheid zou zien. Moge ik zo leren herkennen wat echt van belang is, en mijn wereldse zorgen en tegenslagen als dermate onbelangrijk leren beschouwen dat zij mijn geest niet langer geketend houden.
    Moge Hij mijn hart steeds meer laten ontbranden in Liefde tot U, opdat ik elk moment van de dag zodanig naar U en Jezus moge verlangen dat tijdens mijn gebedsvereniging met U niets anders meer een plaats in mijn hart en mijn geest krijgt.
    Moge diezelfde verheven Liefde tot U mij onderdompelen in een volkomen zin voor versterving, opdat ik alle beperkingen en tekortkomingen in mijn dagelijks leven blijmoedig aan U zou kunnen opdragen, in plaats van deze als constante bron van afleiding mijn geest te laten domineren.
    Moge mijn geloof in de Eeuwige Dingen als enig doel van mijn leven mij oprecht gelukkig maken, ongeacht wat in mijn leven gebeurt.
    En moge mijn Liefde tot U de enige zin van mijn leven zijn en blijven, want als Uw toegewijde heb ik mijn hele wezen, al mijn zijn, hebben en doen voor eeuwig in Uw handen gegeven, en leef ik bijgevolg alleen nog voor U, de Deur naar mijn God.

    Het bloed van Jezus, de Kracht tot heiligheid

    In Hebreeën 13:12 staat: Daarom heeft ook Jezus, om door zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden. Jezus vergoot zijn bloed om vele redenen. Een van die redenen was om ons vrij te kopen. Een andere was om ons te heiligen of ons apart te zetten voor God en ons heilig te maken.

    Het is mogelijk om op de plaats te komen waar satan en de zonde ons niet langer kunnen raken omdat we beschermd en geheiligd zijn door het bloed van Jezus: Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, een het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7). Als we voortdurend in het licht wandelen, hebben we voortdurend gemeenschap, en reinigt het bloed van Jezus ons voortdurend van alle zonde. We worden rein en onbesmet bewaard, omdat we in een andere werkelijkheid leven. We leven niet in de besmetting en vuilheid van deze slechte wereld. We worden afgezonderd voor God door het bloed van Jezus.

    Dit leidt ons naar een andere belangrijke bijbeltekst: Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem (1 Johannes 5:18). Dit is uitdagend – bijna beangstigend. Om deze tekst goed te begrijpen, moeten we zien dat Johannes hier niet spreekt over een individuele gelovige, maar over een gesteldheid. Het is de nieuwe natuur – die iedere gelovige bij de wedergeboorte in het doopsel ontvangt – die niet kan zondigen.

    1 Petrus 1:23 zegt ons dat deze natuur is geboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Het onverderfelijke zaad van Gods Woord bewerkt een natuur, onverderfelijk is. Deze natuur is de ‘nieuwe mens’. Deze nieuwe mens is onverderfelijk. Hij zondigt niet. Dat geldt niet voor de individuele gelovige op zich, maar wel voor de ‘nieuwe mens’ in iedere gelovige.

    Dit is in overeenstemming met 1 Johannes 3:9: Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Johannes spreekt hier duidelijke taal. Hij zegt niet dat zo iemand niet zondigt, maar dat hij niet kán zondigen. Waarom niet? Omdat het onverderfelijke zaad van Gods Woord – dat in hem is – een natuur heeft bewerkt die net als het zaad onverderfelijk is. De nieuwe mens kan niet bedorven worden door de zonde.

    Nadat ik wedergeboren ben is de koers van mijn leven afhankelijk van door welke natuur ik me laat leiden – de nieuwe of de oude mens. Als ik een nederlaag leid, dan komt dat doordat ik het probleem niet aanpak met mijn nieuwe natuur. De nieuwe natuur is onoverwinnelijk. Een oude vrouw die opzienbaarlijke overwinningen had geboekt, werd eens gevraagd hoe ze verleiding weerstond. Ze antwoordde: “Als de duivel aan mijn deur klopt, laat ik Jezus opendoen.” Dat is de nieuwe mens; Christus in ons.

    Terug naar 1 Johannes 5:18, waar we worden opgeroepen ‘onszelf te bewaren’. Hoe? Onder het bloed. Dit doen we door in het licht te wandelen volgens 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Als we in het licht wandelen en onszelf bedekken onder het bloed van Jezus, dan plaatsen we ons in een ruimte waar satan ons niet kan raken.

    Smeekgebed om het Allerheiligste Bloed van Jezus

    O Jezus, levende Schatkamer der eeuwen en der eeuwigheid,
    Elk uur van mijn leven tracht duisternis mij van het erfdeel te beroven, dat U mij op Golgotha hebt nagelaten.
    Zie, ik verschijn voor U in mijn armoede, gedreven door het verlangen, vanaf heden mijn hart vervuld te mogen weten van de schat der Ware Liefde, die mij de oogst der eeuwige rijkdom zal opleveren.
    Daarom smeek ik U, wil Uw Bloed in mij uitstorten, opdat het mijn hele wezen tot nieuw Leven moge wekken, want hoe zou ik anders voor altijd in mijn God verder leven?
    O Maria, Schatbewaarster van alle genaden, U smeek ik om versmelting van mijn hart met Uw Hart, opdat het Bloed van Jezus in mij moge stromen op Uw hartslag, en mijn hele wezen moge leven op de golven uit de Bron van alle Gelukzaligheid.

    Hoe bereik je nu heiligheid

    1 Door de Heilige Geest die ze geeft en de 7 gaven van de Heilige Geest die nodig zijn om heiligheid te bereiken

    2 Door Jezus Bloed die de Kracht geeft om te blijven volhouden in heiligheid

    3 Door de sacramenten van de RK Kerk wordt heiligheid bereikt en ondersteund

    4 Door de 12 stappen tot Heiligheid te beoefenen die de H. Alfonsus van Liguori beschrijft : geloof, hoop, liefde tot God, liefde voor de naaste, soberheid, kuisheid, gehoorzaamheid, nederigheid en zachtmoedigheid, versterving, meditatie van Gods woord, gebed, zelfverloochening of liefde voor het Kruis. (er zijn natuurlijk nog deugden die moeten nagevolgd worden, de H. Maagd Maria had er 64 die ze perfect heeft nagevolgd)

    Nu volgt een gedetailleerde beschrijving van de 12 stappen

    1 Geloof

    De Bijbel geeft een duidelijke definitie wat ‘geloof’ is, namelijk:
    Het geloof is de zekerheid van de dingen, die men hoopt en de overtuiging van de dingen die men niet ziet. (Hebr. 11:1)
    Het geloof heeft dan ook te maken met dingen, die niet concreet en tastbaar zijn. Veel mensen kunnen alleen maar dingen geloven, die toch indirect te bewijzen zijn. Er is één mens op aarde geweest, die van God kwam, namelijk Jezus. Hij getuigde van alles wat Hij bij God gehoord, geleerd en gezien heeft (Joh 8 :26, 28 en 38). De mensen die Hem hoorden en zagen wat Hij deed, kwamen tot de erkenning dat Hij van God moest komen (Luk. 1:1-5) en geloofden door Hem niet alleen in God, maar gingen ook begrijpen wie God werkelijk is en dat Hij van hen hield. 
    Door het lezen in de Bijbel en wat andere mensen vertellen over God, kan je geloven dat God bestaat en ook gaan ontdekken wie Hij is en voor jou wil zijn. Ook krijg je een beeld van de geestelijke wereld, die je niet ziet, maar die wel bestaat. 

    God kan je echter niet zien. Je zult moeten vertrouwen op Jezus en de Bijbel. Jezus zegt zelf dat je moet geloven in Hem (Jezus), die God gezonden heeft (Joh. 6: 29). Toch kan je door het geloof gaan ervaren dat God bestaat; zoals in Lukas 1:1 staat dat de mensen volkomen zekerheid hadden. Dat kan bijv. door gebed waarbij je met God kan spreken. Daarbij moet je er wel van uitgaan dat Hij bestaat. De Bijbel zegt het in Hebr. 11: 6 zo: Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

    Wel of niet geloven in God en de Bijbel is dus een persoonlijke keus, maar heeft verstrekkende gevolgen. In je huidige leven mag je door het geloof gaan ervaren dat God van je houdt en een echte liefdevolle Vader voor je wil zijn. Daardoor ben je nooit alleen en dat geeft rust en ook vertrouwen in de toekomst, want je geloof heeft ook grote gevolgen voor je leven na dit leven op aarde. God wil je daarna graag bij Hem in de hemel hebben, maar dat kan alleen als je nu de keuze doet voor God en gelooft wat Jezus voor je heeft gedaan. Wat dat is kan je lezen in de Bijbel vooral in de boeken Mattheus, Markus, Lukas en Johannes. Kies daarom en laat je overtuigen omtrent de dingen, die je niet ziet! Uit: www.bijbelindebus.nu

    Geloof is een goddelijke ingegoten deugd waarbij de mens gelooft, op Gods autoriteit, wat God heeft geopenbaard en ons leert door Zijn Heilige Kerk. De H. Paulus noemt geloof “de substantie van dingen die niet te zien zijn.” (Hebr. 11:1). Geloof is inderdaad “de substantie van dingen die men hoopt,”. Het is de basis van onze hoop, want zonder geloof kan de hoop niet bestaan. Geloof is een bewijs van het ongeziene, “het bewijs van dingen die niet te zien zijn.” Het bewijs voor de waarheid van ons heilig geloof zijn zo duidelijk dat, zoals Pico van Mirandola zegt, dat een mens volledig moet beroofd zijn van zijn rede om te weigeren ze te aanvaarden. “Uw getuigenissen, O Heer, zijn buitengewoon aanneembaar,” zegt de Psalmist. (Ps. 92:5). Daarom hebben ongelovigen geen excuus om te weigeren hun verstand te onderwerpen aan de leer van het heilig geloof. “Hij die niet gelooft, is reeds veroordeeld,” zegt Jezus. God heeft gewild dat het voorwerp van ons geloof zou duister blijven, omdat door geloof, we verdiensten zouden verkrijgen. Van wat er gezegd is, volgt dat geloof ons kennis geeft die in waardigheid alle wetenschappelijke waarheden overstijgt. “Zie,” zegt Job, “hoe groot is onze God; Hij overstijgt al onze kennis.” (Job 36:26)

    Ons schild en bescherming

    Geloof is een schild tegen de vijanden van onze redding. De H. Johannes zegt: “Dit is de overwinning op de wereld, ons geloof.” (1 Joh 5:4). God heeft ons geschapen om te werken aan de redding van onze ziel en heilig te worden. “Dit is de wil van God, je heiliging,” zegt de H.  Paulus (1 Tess. 4:3).

    Geloof zorgt voor de vrede in ons hart temidden van beproevingen, want in al de kruisen van het leven, geeft geloof ons de verzekering dat geduld en overgave eeuwige vreugde zullen geven. De H. Petrus zei: “Als je gelooft, zal je je verheugen met een onuitsprekelijke vreugde en glorie, en zal je het doel van je geloof ontvangen nl. de redding van je ziel.” (1 Petrus 1:8-9)

    Een levend geloof

    Om te behagen en acceptabel te zijn in Gods ogen is het niet genoeg om enkel te geloven al wat ons heilig geloof ons leert; we moeten ook ons leven aanpassen in overeenstemming met ons geloof. Pico van Mirandola zegt: “Het is een grote dwaasheid niet wensen te geloven in het Evangelie van Christus; maar het is nog een grotere dwaasheid om het te geloven en te leven alsof je er niet in geloofde.” De H. Jacobus roept het uit: “Wat voor nut heeft het als een man zegt dat hij gelooft, maar geen werken doet? Zal dat geloof hem kunnen redden?” (Jacobus 2:14)

    Vele Christenen geloven zonder twijfel dat er een rechtvaardige God is die hen zal oordelen; dat eindeloos geluk of eeuwige miserie hen wacht; en toch leven zij alsof er geen God was, geen oordeel, geen Hemel en geen Hel. Er zijn er velen die geloven dat onze Goddelijke Verlosser in een stal geboren is in Bethlehem, 30 jaar nederig geleefd heeft in Nazareth, overal gepredikt heeft, en op het einde onder lijden en leed Zijn leven op het Kruis beëindigd heeft; en toch houden ze niet van Hem. Ze beledigen Hem door ontelbare zonden. De H. Bernardus zegt hierover: “Toon door je daden dat je gelooft; door een deugdzaam leven moet een Christen bewijzen dat hij geloof heeft.” “Geloof zonder werken is dood,” zegt de H. Jacobus (Jac 2:17).

    Als we geloven in de leer van de H. Drie-eenheid en in de Incarnatie van het Goddelijk Woord, moeten we ook de principes accepteren die Christus neergelegd heeft voor onze houding te reguleren. De H. Paulus zei hierover: “Beproef jullie als jullie in het geloof zijn.” (2 Kor. 13:5) De mens die echt gelooft moet zijn rijkdom en zijn geluk zoeken in de genade van God en het eeuwig leven, en niet in de vergankelijke goederen van de wereld.

    De wet van Jezus Christus beveelt ons te strijden tegen onze begeerten, om onze vijanden lief te hebben, om te versterven aan ons lichaam, om geduld te hebben in tegenslagen en al onze hoop te stellen in het volgend leven. Maar dit alles maakt het leven van de ware gelovige niet triestig. De godsdienst van Jezus zegt ons: Kom en verenig je met Mij. Ik zal je leiden op een weg die voor de menselijke ogen ruw en hard eruitziet om te beklimmen, maar voor degenen van goede wil is het gemakkelijk en aangenaam. Jullie zoeken vrede en plezier? Goed. Welke vrede verkies je? Degene die je nauwelijks hebt geproefd, die verdwijnt en het hart achterlaat in bitterheid, of degene die je zal verblijden en bevredigen voor alle eeuwigheid? Jullie streven naar eer? Goed. Welke verkies je? Nietszeggende eer dat verdwijnt zoals rook, of de ware en echte eer die op een dag je zal verheerlijken voor de hele wereld?

    Geloof is lastig voor degenen die steunen op hun eigen kracht en hulpmiddelen. Maar voor degene die vertrouwen stelt in God en smeekt om Zijn bijstand, is de naleving van de wet van Jezus zoet en gemakkelijk. “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” (Matt 11:28-30) Uit: 12 steps to holiness and salvation – Rev. Warren