Kom Heilige Drie-eenheid, Heilige Familie, en
de H. Michael als Beschermer van Gods woorden
26 oktober 2017, Feest van Onze Lieve Vrouw van
de overwinning [Senlis, Frankrijk]
Mijn geliefde zoon, dit is Jezus van Liefde en
Barmhartigheid. De tijd is gekomen en nu zullen jullie veel rampen zien
gebeuren buiten hetgeen de laatste paar weken is gebeurd. Jullie, volk van
Amerika, zijn zeer koppig en jullie hebben stenen harten. Zeer weinig mensen
veranderen en bekeren zich en jullie God moet zelfs nog hardere kastijdingen op
hen doen komen.
Dit zal een zeer harde winter zijn voor jullie land. Jij en
je gebedsgroep hebben reeds verschillende maanden gebeden voor goed weer maar
de tijd is gekomen dat heel je land zal rampen zien die jullie land tot op de
grond zullen doen beven. Bid veel want
Gods gerechtigheid komt over jullie en een groot deel van de wereld. Sorry,
mijn zoon, maar het moet zo.
Jullie Jezus van Liefde en Barmhartigheid
26 oktober: OLV
van Senlis (1225)
De Abt Orsini schreef: Inzegening van OLVrouw van de
Overwinning, bij Senlis, in het jaar 1225, door Guarin, Bisschop van Senlis, en
Kanselier van Frankrijk. Deze abdij werd gebouwd door Filip Augustus (Filips II
van Frankrijk), als dank voor de overwinning die hij behaalde over Keizer Otto
IV te Bouvines, in het jaar 1214.
Slag bij Bouvines, koning Filips II plaatst zijn kroon op het altaar
Slag bij Bouvines
(wikipedia): De Slag bij
Bouvines werd op 27 juli 1214 geleverd ten oosten van de rivier
de Marke, tussen Bouvines en Cysoing in het zuidelijk deel van
het graafschap Henegouwen, tussen enerzijds koning Filips II van Frankrijk en
anderzijds Ferrand van Portugal, de graaf van Vlaanderen, geallieerd met
koning Jan I van Engeland (Jan zonder Land), keizer Otto IV van
het Heilig Roomse Rijk, Hendrik I, hertog van Brabant en hun
bondgenoten. De Vlaamse alliantie werd, hoewel numeriek in de meerderheid,
verpletterend verslagen.
Voorbeschouwing : Ferrand
van Portugal, echtgenoot van Johanna van Constantinopel, de gravin van
Vlaanderen, wilde Ariën en Sint-Omaars, die hij pas aan de Franse koning had
verloren in 1212, terugwinnen. Hij brak daarom met zijn Franse leenheer en ging
een coalitie aan met de Duitse keizer Otto IV. Hij verplichtte ook hertog Hendrik
I van Brabant mee in de coalitie te stappen. Jan zonder Land, die zich
eveneens aansloot, zou landen in het zuiden van Frankrijk in een poging
om Aquitanië en Anjou te veroveren en dan naar Parijs op te
marcheren. Otto zou vanuit het noorden oprukken. Filips II versloeg de Engelsen
echter in 1214 waardoor hij grotere bewegingsvrijheid kreeg.
OLVrouw van Overwinning te Senlis: De Franse Koning Filips
ging naar de Mis met zijn troepen net voor de strijd. Zijn leger was kleiner
dan deze van de geallieerden. De Koning deed zijn kroon af en plaatste ze op
het altaar, en hij zei: Als iemand hier denkt dat hij deze kroon waardiger kan
dragen dan ik, laat hem dan naar voor treden en de kroon nemen.
De slag : De Franse koning
verzamelde 2400 ridders en 5000 man infanterie. Otto kon beschikken over
evenveel ridders en 7500 man infanterie. Filips August, die als eerste op het
slagveld aankwam, had alle tijd om zijn leger op te stellen in een 3 km lang
front van noord naar zuid, dwars over de Romeinse Weg tussen Doornik en
Bouvines. De rechtervleugel van de Fransen, opgesteld tegenover de troepen van
Ferrand, viel aan terwijl het centrum en de linkervleugel de reactie van de
vijand afwachtten. Na drie uur strijd werd Ferrands leger uiteengeslagen.
Daarna viel Otto aan in het centrum, en Vlamingen in zijn strijdmacht slaagden
erin de Franse koning uit het zadel te lichten, maar ze wisten hem niet
gevangen te nemen. Het was door de interventie van de H. Maagd Maria dat zijn
leven gespaard bleef.
De keizer vluchtte toen de
Fransen zijn aanval tot staan brachten. De rechtervleugel van de
coalitietroepen, onder leiding van Reinout van Dammartin, graaf van
Boulogne, hield stand maar geraakte geïsoleerd door de ineenstorting van het
centrum. Ferrand, en met hem Reinout van Dammartin, William Longespee (halfbroer
van Jan zonder Land), alsook Arnulf IV van Oudenaarde, de aanvoerder van
de Vlamingen, werden gevangengenomen.
Nabeschouwing :
In 1220 werd Otto IV opgevolgd door keizer
Frederik II.
William Longespee, graaf van Salisbury, werd al snel
omgewisseld voor een Frans edelman in Engelse gevangenschap.
Ferrand werd, naar oud Romeins gebruik, vastgeketend
aan handen en voeten in een open draagstoel door Parijs gevoerd. Het
gepeupel van Parijs kom hem ongestoord bespuwen en uitjouwen. De Franse koning
reed te paard voorop. Ferrand bleef tot januari 1227, twaalf jaar later en
zes jaar voor zijn dood, in Frankrijk opgesloten. Hij kwam, als een
gebroken man, vrij door het sluiten van de Vrede van Melun.
Reinoud van Dammartin pleegde zelfmoord in een
Franse kerker.
Frankrijk werd voor het eerst machtiger dan
Vlaanderen dat meer en meer betrokken geraakte bij de Frans-Engelse
tegenstellingen en afhankelijker werd van de Franse kroon. Vlaanderen kwam
na de nederlaag onder bestuur van de jonge gravin Johanna van Constantinopel.
Zij moest een verdrag tekenen dat bepaalde dat de muren en vestingen van
de voornaamste Vlaamse steden zouden worden gesloopt. De gravin regeerde
voorlopig onder toezicht van het hoofd van de Franse partij, Jan van
Nesles. Op 11 april 1226 werd de ongunstige Vrede van Melun getekend
tussen Frankrijk en Vlaanderen. De Vlaamse adel en steden moesten
leenhulde brengen aan de Franse koning, in ruil waarvoor de
graaf-gemaal Ferrand van Portugal na twaalf jaar
krijgsgevangenschap vrijkwam.
Koning Jan I van Engeland (Jan zonder Land), die
zijn bezittingen in Normandië, Maine, Anjou de la Touraine
en Bretagne kwijt was sedert 1206, beëindigde de
vijandelijkheden tegen Frankrijk en keerde terug naar Engeland. Om zijn
kroon te redden werd hij verplicht om in 1215 de Magna Carta ten
voordele van de barons te ondertekenen.
Het lot van Arnulf IV van Oudenaarde is
onbekend.
Als dank voor zijn
overwinning stichtte Koning Filips II de abdij van Overwinning bij Senlis om de
Moeder van God te danken voor zijn overwinning.
De grote duisternis omringt de aarde - Hille Kok 13/11/2017
De grote duisternis omringt de aarde Hille Kok
13/11/2017
Mijn volk,
Zij die de Weg van het Licht verlaten zullen in de
duisternis geraken en het Licht van God verlaten. Luister wat Ik, de Vader, U
zeg. Bekeer U, de tijd is NU. Het kwaad is om U heen. Wees op Uw hoede, wees
waakzaam. Mijn kleine Restkerk, blijf dicht bij elkaar. De Moeder Gods en de
Vader zullen over U waken. De valse profeet is huichelachtig en slim. Zijn
woorden zijn niet de Mijne. De Duivel regeert over de wereld.
O Gij Mens, velen luisteren nog steeds naar die valse paus.
Hij zal Gods woorden en gebeden doen veranderen. Systematisch zal het kwaad het
Heilig Misoffer veranderen en niet meer geldig meer zijn. Dit is zijn
kwaadaardig plan, Gods Sacramenten te vernietigen. Let op, dat de priesters nog
wel de geconsecreerde woorden uitspreken. Zoniet dan ben Ik niet meer
aanwezig!!! Dan is de Hostie ongeldig.
Gij, Mijn priesters, spreken over Mijn gebed in valse
veranderde woorden. Dat het Mijn woorden zijn? Neen, het zijn mensenwoorden
geworden. Hoe durft gij Mijn woorden te veranderen. Gij bedriegt Mij Jezus
en de gelovigen die Uw volgelingen zijn in de valse waarheid. Gods gramschap
zal U treffen.
Mijn volk, ziet gij dan niet wat er gebeurt? Blinde
gelovigen zijt gij geworden. Open Uw ogen!! Het Rooms Katholieke geloof is de
Weg, de Waarheid en het Leven. Gij mocht Gods woorden nooit veranderen. Zij die
niet geloven zijn al veroordeeld. Zij behoren God niet toe, hoe triest!!! De
wereld is in grote duisternis. De valse profeet zal alles belachelijk maken wat
heilig is om God te kwetsen.
Hij is boosaardig, het kwaad zelf die zich zal openbaren
door hoogmoed en valsheid. Hij is de duivel zelf in eigen persoon tussen de
mensen. Velen aanbidden hem. Hun vreugde zullen tranen worden als hij zichtbaar
wordt als het kwaad door het vernietigen van het Rooms Katholieke Geloof. Hun
verdriet en verwarring zullen groot zijn door het bedrog dat hen is overkomen.
Velen luisteren niet naar God de Vader. De Vader waarschuwt
de priesters en de gelovigen dat de Satan alles zal vernietigen. Bescherm de
Heilige Sacramenten en de Tien Geboden die de Waarheid bevatten. Weinig
gelovigen zullen nog overblijven die de Vader in de Waarheid blijven volgen.
Weinig goede zuivere priesters zullen er nog zijn die het Heilig Sacrament van
de Biecht nog waardig uit mogen voeren.
Alleen een gezalfde priester van God kan van uit zijn naam
Uw zonden vergeven. Geen ander heeft die macht en kracht ontvangen. Laat U niet
misleiden door bedriegers die de Sacramenten misbruiken. Gij wordt misleid en
laat U vertellen dat de Hel niet bestaat. Luister niet naar hen. De Hel bestaat
echt. Vele zielen zullen daardoor verloren gaan.
Wat een vreselijke misleiding. Het is een duivels plan van
de zielenrover van God. Gij zult dan van het eeuwig leven beroofd zijn. Bidt
tot God voor kracht en liefde om te strijden tegen het kwaad. Roep God om hulp.
Draag Zijn goddelijk geschenk, het heilig blauwwitte Liefdeskruisje, dat Uw
bescherming zal zijn!!! Draag het om Uw hals. Het goddelijk Licht zal U
omringen.
Het kwaad zal van U wijken. De wereld is overweldigd door
seksueel geweld. De Satan verwijst U naar de afgrond door de valse liefde
waardoor Uw ziel verloren gaat. Misbruik van elkaars lichaam, uitbuiting. De
tempel van de Heilige Geest wordt geschonden. Misbruik van Zijn schepping.
Mannen met mannen, vrouwen met vrouwen. Een gruwel in Gods ogen!!! Gij zondig
mens, vermaan U. Losbandig volk, gij pijnigt Uw God.
Richt Uw blik naar de Hemel. Bidt de Rozenkrans!! Vraag om
vergeving!! God is Liefde. Amen.
Volgens de H. Jozefmaria Escriva kun je op elke positie in
de maatschappij heilig worden. Blijf op de plaats waar je bent. Je moet niet
alles in de steek laten en in Afrika gaan prediken, je moet niet alle
bedevaartsoorden van Europa te voet gaan bezoeken, je moet niet aan een kruis
hangen om heilig te worden. Allemaal niet nodig. Blijf op de plaats waar bent.
Je kunt daar ook heilig worden. Het is de bedoeling dat je de mensen rond je
vanop die positie in vuur en vlam zet met liefde tot God en de naaste. Doe dit
gewoon in je gezin, op je werk, in je vrije tijd. Wees jezelf, maar met een
voortdurende blik op God gericht. Doe zoals een Christen doet, woon de
sacramenten bij, bid, lees de Bijbel. Neem het leven zoals het komt, draag alle
zorgen en tegenslagen als een kruis op de rug en zet je kleine kruis bij dat
van de Heer. Dank de Heer voor alle kansen, genaden, gelukkige momenten,
personen waarop je kan steunen. Onthoud dat het leven op aarde maar een verblijfplaats
is op doortocht naar het eeuwige leven bij God in de Hemel.
Er is geen slechter gevoel dan een gevoel van
machteloosheid. En onmacht is de wortel van een reeks gevoelens die eruit kunnen
volgen. Gevoelens zoals teleurstelling, verdriet, wanhoop, jaloersheid,
boosheid Als je voelt dat je vastzit in onmacht dan moet je dit gevoel zo vlug
mogelijk onderkennen en zorgen dat de andere gevoelens geen kans hebben.
Voorbeelden van onmacht zijn:
Een man verliest zijn vrouw die sterft aan kanker. Deze man
zit in een situatie van machteloosheid en daaruit kan een gevoel van verdriet
en wanhoop volgen.
Een collega krijgt de kans op promotie. Degene die deze
kans niet gekregen heeft kan zich machteloos voelen en misschien boos worden
omdat hij zelf hard gewerkt had om die promotie te verdienen.
Je wordt getroffen door een chronische ziekte die je in de
onmogelijkheid stelt om nog een job te kunnen uitoefenen. Uit het gevoel van
onmacht kan wanhoop volgen.
De buurman heeft een nieuwe wagen gekocht. Maar je hebt
zelf geen geld genoeg om een nieuwe wagen te kopen. Uit het gevoel van onmacht
kan jaloersheid volgen.
Onmacht is op zichzelf niet verkeerd maar het mag geen
gevoel van onmacht blijven. God houdt zich aan het beste plan dat voor jouw
bestemd is. Je moet terug het vertrouwen in God stellen, dat Hij het beste met
je voor heeft. Het is een test om te zien of je door onmacht je van God gaat
afkeren, of dat je dichter tot Hem gaat naderen. Je mag niet denken dat het
uitzichtloos is, want God schept altijd nieuwe kansen. En zelfs als de situatie
een einde van het leven betekent is dit enkel dit leven dat eindigt, maar het
biedt de kans om eeuwig bij God te leven.
Mijn moeder had darmkanker dat was uitgezaaid en bij het
nieuws heeft ze zich kranig gehouden. Ze heeft het leven tot haar einde van dag
tot dag geleefd, haar vriend en ons gezegd dat ze van ons hield. Niet geklaagd,
maar met de palliatieve zorg gepraat en een priester. Ze heeft met een
positieve kijk in haar einde berust. Ze heeft in haar onmacht geen kans gegeven
aan wanhoop, verdriet of boosheid.
Heer, ik kom tot U. Hier ben ik met al mijn zonden en gebreken, met
mijn klein geloof en met mijn gebrekkige liefde. Ik stel mijn vertrouwen op U
Heer. Ik verlang naar Uw Liefde, en vernieuwde gedachten. Maak mij bereid Heer
en verlos mij van mijn onmacht.
Naastenliefde is een Latijns woord dat christelijke liefde,
naastenliefde en het betonen daarvan, liefdadigheid betekent. In het
Grieks wordt dit agapè genoemd en wordt vertaald in "gevende
liefde". Agapè of naastenliefde is de laatste in de rij van de liefdebegrippen:
genegenheid, vriendschap, eros en agapè. Ze zit in de lijn van de
voorgaande, maar is er toch wezenlijk van onderscheiden. We zouden kunnen
zeggen dat ze uitgezuiverd wordt, tot haar essentie en wezen wordt
teruggebracht. Er is niets meer boven de naastenliefde of de agapè.
Het gaat over de liefde
Het uitgangspunt is het liefdesgebod van Jezus: Gij zult de Heer uw God
beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het
voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw
naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de
Profeten (Mt. 22, 37-40). Doe dit, en ge zult ten volle leven! Naastenliefde
bij Jezus is terug te brengen in het liefdesgebod. Dus alles wat Jezus zegt en
doet met betrekking tot de naastenliefde moeten we lezen in het licht van Mt.
22, 37-40. Het wordt door Jezus zelf geconcretiseerd in de werken van
barmhartigheid (Mt. 15,30-31). Ook bij de zending van de apostelen horen
we Jezus zeggen: Genees zieken, wek doden op, reinig melaatsen en drijf
demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven
(Mt. 10, 8)
Wat wordt eigenlijk in dit liefdesgebod gezegd?
1. Dat we God boven alles moeten liefhebben, maar dat de Godsliefde toch
gelijkwaardig is aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf. Het
onderscheid zit niet in de wijze van liefhebben, wel in het subject dat we
moeten liefhebben. De liefde van en tot God komt op de eerste plaats omdat de
liefde van God tot de mens het eerst is. God heeft ons het eerst liefgehad (1
Joh. 4, 10).
2. De Godsliefde, de naastenliefde en de liefde tot zichzelf worden op dezelfde
lijn geschreven, waardoor een quasi-gelijkwaardigheid ontstaat. De
naastenliefde zit dus vervat tussen de Godsliefde en de liefde tot zichzelf.
3. Johannes zegt dat de liefde tot God ook liefde tot de naaste tot gevolg
heeft, zoniet is de liefde tot God geveinsd. Als iemand zegt dat hij God
liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want als
hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die
hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben we dan ook van Hem gekregen: wie
God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben (1 Joh. 20-21).
Is de naaste de ondergeschikte van God, toch wordt deze in dit gebod de unieke
plaatsvervanger van God. De naaste kunnen we zien en God niet, dus kan onze
liefde tot God slechts zichtbaar en tastbaar worden doorheen onze liefde tot de
naaste.
De naaste beminnen is niet hetzelfde als God beminnen, maar wie zijn naaste
bemint, gehoorzaamt reeds aan het eerste gebod. Jezus zegt in Mt. 25:40: Al
wat je aan één van deze geringsten hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan.
Wat is er zo bijzonder aan dit liefdesgebod?
1. Dat het een gebod is: Als we de menselijke liefde nemen, dan is deze niet te
vatten door een gebod. Liefde is een emotie, dat spontaan ontstaat en dat niet
kan worden opgelegd. Door de liefde hier te vatten in een gebod, wordt
uitdrukking gegeven aan het feit dat het hier fundamenteel over iets anders
gaat dan een emotie. We zitten met het Goddelijk liefdesgebod dan op een ander
niveau dan deze uit spontane emotie gegroeid graag zien.
2. Dit totaal anders zijn dan de emotionele liefde wordt nog versterkt door wat
verder vermeld wordt als Bemin uw vijanden. Emotioneel kunnen we dat
niet! Maar we horen Christus in alle duidelijkheid de vraag
stellen: Wat voor buitengewoons doe je dan als je alleen maar liefhebt die jou
liefhebben (= wederkerige, emotionele liefde). Doen de heidenen dat ook
niet? (Mt. 5, 46). Het typisch christelijke van de naastenliefde wordt juist
bepaald door haar grenzeloosheid: iedereen, overal, in alle omstandigheden
(altijd) liefhebben.
Bemin ook in omstandigheden waar geen enkele aanleiding is om te
beminnen! Hierbij kunnen we verwijzen naar de parabel van de
barmhartige Samaritaan. De naastenliefde die hier via een daad van
barmhartigheid wordt voorgesteld, gaat verder dan de vriendschap
(wederkerigheid), de verwantschap, de emotionele liefde, gaat de redelijkheid
voorbij. De christelijke naastenliefde kenmerkt zich juist door haar totale
onbaatzuchtigheid en het totaal ontbreken van wederkerigheid.
Onbaatzuchtig: gewoon omdat de andere er is, zelfs als er geen nood is en zelfs
als geen hulp meer kan baten (de zogenaamde doden begraven is daar een
voorbeeld van). Ontbreken van wederkerigheid: ik verwacht letterlijk niets
terug, zelfs geen dank.
3. Het is ook een gebod dat niets verbiedt. We kunnen alleen niet ver genoeg
gaan. We kunnen dus nooit zeggen: we hebben genoeg liefgehad. Dit geeft
natuurlijk een gevoel van onverzadigbaarheid. De maat van de liefde is
inderdaad liefde zonder maat.
Hoe kunnen we met het liefdesgebod omgaan?
a. We kennen de vraag van de apostelen: Wie kan er dan nog gered worden? Het
is steeds een liefde zonder maat en dat kunnen we niet wegwerken, maar het
hoeft daarom geen frustratie te worden. Het antwoord zit in het liefdesgebod
zelf: Bemin God bovenal, laat u beschijnen door Gods liefde en bid om Gods
liefde en Gods liefde zal u liefdebekwaam maken. Wij hebben lief, we
kunnen liefhebben omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad (1 Joh. 4, 19).
b. Bemin je naaste als jezelf bevat ook geen enkele richtingwijzer naar de te
volgen weg. En het bemin je vijand geeft een mateloosheid aan. Christus zelf
heeft dit begrepen door zelf de naastenliefde te vertalen, te kaderen in de
werken van barmhartigheid. (zie Mt. 25) En ook de christelijke traditie heeft dat
begrepen en is aan die moeilijkheid tegemoetgekomen door een de werken van
barmhartigheid op te stellen. Daardoor wordt het gebod niet minder radicaal,
maar het wordt handelbaar. We moeten er onmiddellijk aan toevoegen dat het
verrichten van de werken van barmhartigheid op zich nog geen naastenliefde is.
Nemen we het voorbeeld van het voedsel geven aan de hongerigen. Je kunt dit
doen uit medelijden, emotioneel voel je je betrokken op de andere. Dat is
barmhartigheid tonen. Barmhartigheid wordt naastenliefde wanneer je die
andere voedsel blijft geven, ondanks het feit dat die andere niet positief
reageert op je barmhartigheid. De naastenliefde wordt geboren als de daad
stopt een spontane reactie van helpen te zijn.
We kennen de 7 lichamelijke en 7 geestelijke werken
van barmhartigheid:
De 7 geestelijke werken van barmhartigheid: onwetenden onderrichten, twijfelaars
raad geven, bedroefden troosten, zondaren vermanen, lastigen verdragen,
beledigingen vergeven en voor allen (levenden en doden) bidden
Het laatste werk geeft ons de mogelijkheid onze eigen beperking aan te vullen,
te vervolledigen met het bidden. Als alles gedaan is voor het welzijn van de
naaste, kunnen we nog altijd iets doen: voor hen bidden, zelfs voor de doden.
We kunnen ons ook nog afvragen hoe we
die naastenliefde, met dat steeds maar geven, kunnen uithouden?
Zij die nooit emotioneel liefde hebben ontvangen, zullen
het wellicht moeilijk hebben om de naaste lief te hebben met een liefde die het
emotionele overstijgt. Christus had twee soorten vrienden: enerzijds de armen,
zieken, behoeftigen en zondaars aan wie Hij bewust het beste van zijn tijd
besteedde, anderzijds hartsvrienden, de mensen bij wie Hij graag vertoefde en
bij wie Hij zich ging herbronnen. Het is onmogelijk om zich met hart en ziel te
blijven inzetten voor de hulpbehoevenden, indien men tezelfdertijd niet kan
bogen op een vriendschap die beantwoordt aan een spontaan verlangen en die geen
enkele wilskrachtige inspanning vergt. Zonder de ruggengraat van de
onverplichte vriendschap blijft de volgehouden naastenliefde onleefbaar.
Hoe als individu het ideaal van de naastenliefde beoefenen?
De naastenliefde vraagt steeds meer en steeds verder. Maar dit moeten we
koppelen aan een bescheidenheid die ons behoedt voor fanatisme. Jezus reageert
op het kwaad dat mensen overkomt of aangedaan wordt nooit met een totalitaire
strijd waarmee Hij het probleem van het kwaad definitief wil oplossen.
Zijn goed doen, waarmee Hij opkomt tegen allerlei vormen van lijden en
aangedaan kwaad, blijft heel bescheiden, beperkt en partieel, volstrekt
voorlopig. Hij gaat al weldoende rond, geneest hier en daar een
zieke. Hij heeft geen totaal-plan om het kwade te breken en het goede
definitief te vestigen. Hij had dit kunnen doen, dit lag in zijn macht, maar
Hij heeft het niet gedaan. Zijn optreden had niets weg van een
obsessionele gedrevenheid. Hij ging alleen maar in op hetgeen aan Hem
voorbij kwam, en in deze situaties gaf Hij een radicaal antwoord.
Dat was de methode van Jezus: op de plaats waar men staat en komt en bij de
mensen met wie men in contact komt het goede doen en verkondigen, radicaal voor
zichzelf, maar zonder dwang naar de andere toe. Ruimte geven aan Gods
genade betekent juist dat men de weg opent voor het goede doorheen de liefde. Het
fanatisme ontstaat wanneer we het goede dwangmatig willen opleggen aan de
andere, het goede dat wij denken goed te zijn. Onze strijd tegen het kwade en
voor het goede mag geen strijd worden tegen de mens die het kwade bedrijft. De blijvende liefde voor deze medemens zal
juist ruimte scheppen opdat Gods genade het kwade kan omvormen tot het goede.
Alleen met de liefde kan het kwade worden overwonnen.
God beminnen, onze naaste beminnen doen we niet omdat het ons tot nut kan zijn,
maar gewoon omdat God en de naaste er zijn. Dat is en dat mag onze enige
motivatie zijn. Als we tenslotte opnieuw de vraag stellen hoe we als individu
erin slagen om de naastenliefde te blijven beoefenen, dan is één zaak nog het
meest essentieel, nl. ons gericht zijn op God. We kunnen de naaste maar
echt liefhebben als we ons laten beschijnen door de liefde van God. Regelmatige
herbronning is dan ook levensnoodzakelijk. Zonder regelmatig gebed, bezinning
en geestelijke lectuur is het gevaar groot dat de invulling nog enkel gericht
is op resultaat, op wederkerigheid en op nuttigheid.
Omgaan met verschil
Bij het Laatste Avondmaal zegt Jezus tot zijn leerlingen: Een nieuw gebod geef
Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij
elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen opmaken dat gij mijn leerlingen zijn:
als gij de liefde onder elkaar bewaart (Joh 13, 34-35).
Jezus zegt hier niet: Voel u goed bij elkaar, maar bewaar de liefde onder
elkaar. Hij nodigt ons uit om goed om te gaan met de verschillen die er zijn
tussen mensen en ons met die verschillen juist verbonden te voelen door die
diepere grond die ons draagt. Want allen hebben wij dezelfde Vader, die elk van
ons bemint. Jezus nodigt ons uit om met die waarheid, met die blik van God naar
mensen te kijken, misschien in de eerste plaats naar diegene die we spontaan
voorbij zouden lopen.
God heeft aandacht voor elke mens en nodigt ook jou en mij daartoe uit. Wie
zich door God bemind weet, weet dat God dat niet doet uit nieuwsgierigheid, uit
een drang naar kritiek of om op zoek te gaan naar zelfbevestiging. Ook wij
zouden zon aandacht voor mensen moeten proberen opbrengen: echt luisteren, met
eerbied en respect, zonder vooroordelen of kritiek, zonder verwachtingen van de
ander aan jezelf, hen als mens ernstig nemen. Wellicht weet je uit eigen
ervaring wat een mens met die houding voor een andere mens kan betekenen! Uit: www.holyhome.nl
Het is onmogelijk om de Heer onze God lief te hebben zonder
tegelijk onze naaste lief te hebben. De H. Jeroom vertelt ons dat wanneer de
leerlingen van de H. Johannes hem vragen waarom hij zo dikwijls spreekt over
broederlijke liefde, hij antwoordde: Omdat het het gebod van de Heer is, en de
vervulling van dit alleen is voldoende voor eeuwige redding. We moeten onze
naaste liefhebben, omdat hij geliefd is door God. Onze Heer beloofde: Voorwaar,
Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders
hebt gij voor Mij gedaan. (Matt 25:40). Daaruit besluit de H. Catharina
van Genua: Als je wilt weten hoeveel een persoon zijn God liefheeft, zie
hoeveel hij van zijn naaste houdt.
Christelijke naastenliefde is een van de belangrijkste
vruchten van de Verlossing. De H. Lucas zegt over de eerste Christenen: De
menigte gelovigen had 1 hart en 1 ziel. (Handelingen 4:32) Broederlijke liefde
zorgt voor wederzijdse verdraagzaamheid tussen verschillende naties en zou in
praktijk moeten omgezet worden. Dit is waarvoor onze Verlosser bad tot Zijn
hemelse Vader op de avond van Zijn Heilig Lijden: Ik blijf niet langer in de
wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige
Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn
zoals Wij. (Johannes 17:11)
Vooroordelen
Als je naastenliefde wilt beoefenen moet je in de eerste
plaats vooroordelen en wantrouwen in je naaste verdrijven. Hij die oordeelt zal
zichzelf veroordelen. Jezus zegt: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld
wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de
maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.Waarom kijkt gij
naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw
eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit
uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog! Huichelaar, haal
eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de
splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder. (Matt 7:1-2)
Bovendien moet je niet letten op wat anderen over je zeggen.
Doe het goede en laat de anderen maar praten. Hoe graag heeft God die het goede
over iedereen spreekt! Als gedurende zijn leven, een mens nooit kwaad sprak
over zijn naaste, zou ik hem aanzien aan een heilige, zeg de H. Maria
Magdalena de Pazzi. Zie erop toe er geen gewoonte van te maken onvriendelijk
over anderen te praten, en vooral over superieuren. Het is een veel voorkomende
fout dat sommige mensen over hun naaste praten en beginnen met lof en eindigen
met afkeuring. Bijvoorbeeld: Deze is zeer bekwaam, maar is het niet erg dat
hij zo hoogmoedig is?. En als je weet dat je naaste een fout begaan heeft,
zwijg er dan over.
Wanneer je te kwaad bent is het beter om niets te zeggen,
want anders zal je spijt hebben over hetgeen je hebt gezegd. En wanneer iemand
die je heeft beledigd om vergeving vraagt, wees dan vrijmoedig genoeg om hem
vergeving te geven. Als je een ander hebt beledigd, wees dan vlug om de schade
die je hebt aangericht te herstellen. En dat doe je het best door nederig te
zijn. Jezus zegt: Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet
u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het
altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave
aan te bieden. (Matt 5:23-24)
Het
geven van aalmoezen
Een zeer belangrijke taak van naastenliefde bestaat in het
geven van aalmoezen wanneer hij arm en behoeftig is en jezelf in de positie
bevindt om er te geven. Geeft wat overblijft als aalmoes; dan is voor u alles
rein. (Lucas 11:41) Als je niets anders kunt doen, beveel hem dan aan bij God,
want gebed is ook een aalmoes.
Heb je
vijanden lief
Boven alles zou ik je aanbevelen om naastenliefde te
betonen aan je vijanden. Maar
ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij
kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan
over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en
onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon
hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw
broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook
niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is. (Matt
5:44-48)
Hoe triestig is het om Christenen te zien die naar de Kerk
gaan en zelf naar de Heilige Communie en toch vijandschap in hun hart hebben!
Als je weerwraak wilt plegen moet je het volgende doen. De H. Paulinus zegt dat
je vijand liefhebben een hemelse weerwraak is. Misschien zal iemand zeggen: ik
heb zo geen sterkte en genade. Maar de H. Ambrosius antwoordt: Als er kracht
nodig is, bid tot God en Hij zal het je geven. Als we anderen vergeven, zijn
we zeker dat we onszelf vergeven: spreekt vrij en ge zult vrijgesproken
worden. (Lucas 6:37). Als je niets kunt doen, bid dan voor degenen die je
beledigt hebben of je verwondt hebben. De liefde die gericht is op het
geestelijke welzijn van je naaste is ongetwijfeld het beste. In Gods ogen is
een ziel meer waard dan de hele wereld. Zou er dan niets meer subliem kunnen
zijn dan te werken samen met Jezus Christus voor de redding van de zielen?,
zegt de H. Bernardus.
De zielen die we helpen redden zullen smeken in onze naam
voor de troon van God. En God zal hun smeking beantwoorden:Laat hen uitrusten van hun
moeiten, want hun daden vergezellen hen. (Openb 14:13) De H. Gregorius zegt
dat we vele kronen zullen verdienen als we zielen winnen voor God. Zo moet ook
uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en
uw Vader verheerlijken die in de hemel is. (Matt 5:16) Onze Heer zei op een
dag aan de H. Maria Magdalena de Pazzi: Zie hoevele Christenen er in de handen
van de duivel zitten; als Mijn uitverkorenen hen niet bevrijden door gebed,
zijn deze ongelukkigen eeuwig verloren. Als je een kans hebt om de stervenden
bij te staan, onthoud dan dat je een daad van naastenliefde stelt die zeer
aangenaam is voor God. De H. Filip Neri zag dikwijls de engelen woorden van
troost op de tongen leggen van degenen die de stervenden bijstonden. Zie dat de
priester op tijd wordt opgeroepen om de laatste Sacramenten toe te dienen
terwijl de patiënt nog bij bewustzijn is. Uit: 12 steps to holiness and
salvation Rev. Warren
Opdracht van mijn apostolaat aan Maria (overgave van de
eigen wil aan God)
Lieve Moeder Maria,
Onbevlekte Koningin van het Paradijs, in Uw ziel, geest, Hart en lichaam werd
het zuiverste Licht van God de Vader gestort.
Allerheiligste Maagd en Moeder van de Messias, door U is het Licht van Christus
in de wereld gekomen.
Onoverwinnelijke Schrik der duivelen, op Uw Voorspraak komt weldra het Licht
van de Heilige Geest onze wereld van duisternis herscheppen, opdat Gods Rijk
kome.
Bekroning van Gods Schepping, vanop het Kruis heeft Jezus mij aan U gegeven als
Uw kind. Vandaag werp ik mij voor Uw voeten neer om mijzelf uit vrije wil aan U
te geven als Uw dienares voor de verwezenlijking van Gods Plan van Heil in een
nieuwe wereld van Liefde en Vrede.
Ik erken U als mijn Hemelse Meesteres, en smeek U, mij te aanvaarden als Uw
eigendom, mij te beschermen en te leiden, opdat ik van heden af dienstbaar moge
zijn als Uw instrument in de strijd voor de spoedige vestiging van het Rijk van
Christus op aarde.
O Maria, vlekkeloze Parel van Hemel en aarde, U is de macht gegeven om de kop
van de duivelse slang te verpletteren en de Wederkomst van Christus, het Licht
der wereld, over ons af te roepen.
O heilige Dageraad van het nieuw Rijk van het Licht, opdat U onbeperkt over mij
zou kunnen beschikken, bied ik U mijn geloften van een totale gave van mijzelf
aan Uw Onbevlekt Hart, waaraan God de leiding heeft toevertrouwd van de strijd
tegen alle krachten die Zijn Schepping vernietigen, zielen in het verderf
storten, de mensheid gevangen houden in wereldse belangen en haar wegleiden van
de Weg, de Waarheid en het Eeuwig Leven.
Ik schenk U mijn gelofte van een volkomen overgave aan Gods Wil in een
betrachting van alle christelijke deugden en een leven in overeenstemming met
de Geboden en het Evangelie.
Ik schenk U mijn gelofte van een onvoorwaardelijke Liefde tot de Heilige Drievuldigheid
en Uw Smartvol en Onbevlekt Hart.
Ik schenk U mijn gelofte van zuiverheid naar geest, hart en lichaam, opdat ik
een waardige tempel van de Heilige Geest en Uzelf moge zijn.
Ik schenk U mijn gelofte van eeuwige trouw aan Uw leiding op de Weg van
Christus.
Ik schenk U mijn gelofte van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Uw
ingevingen, en volgzaamheid tegenover de paus die zich met U verenigt.
Ik schenk U mijn gelofte van gebed tot zuivering van de wereld en redding van
zielen.
Ik schenk U mijn gelofte van een leven in navolging van Uw heilige deugden en
overgave aan Gods belangen boven alle wereldse genoegens.
Ik schenk U mijn gelofte van bereidheid tot offers naar lichaam en geest voor
het afsmeken van genaden voor dwalende zielen en tot eerherstel voor
heiligschennissen en beledigingen jegens alle Hemelse machten.
Ik schenk U mijn gelofte van totaal vertrouwen in Uw leiding over mijn ziel,
geest, hart en lichaam, en van geloof in de macht die U daartoe door God is
gegeven.
O Koningin van de Apostelen, U bent aan mij gegeven, ik wil van U zijn. Geef
mij de kracht, deze heilige geloften volkomen na te leven, opdat God en Uzelf
in mij verheerlijkt worden.
Je bent niet de eerste die het denkt: bij het dienen van
God móet er zoveel. Je moet naar de Mis gaan, je moet in de Bijbel lezen, je
moet op je woorden letten, je mag niet
De Farizeeën willen het wel eens weten. Ze gaan naar Jezus
toe met de vraag: Meester! Wat is nu het grote gebod in de wet? Jezus
herhaalt dan de woorden van God uit Deut.6:5 Gij moet Jahwe uw God beminnen
met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. Het woord beminnen
staat centraal. Liefde is de kern van het leven met de Heer.
Als de vonken overspringen tussen een jongen en een meisje,
hebben we het over verliefdheid. De liefde tussen twee mensen hier op aarde kun
je als voorbeeld nemen als je nadenkt over het dienen van de Heer. Want ook
daarin staat de liefde centraal.
- Aan liefde gaat kennis vooraf. Want hoe kun je iemand
liefhebben die je niet kent? Tegelijk is het ook waar dat je in de
liefdesrelatie elkaar steeds beter leert kennen. In de Bijbel maakt God
Zichzelf bekend, dáar leren we Hem kennen. De Heilige Geest verlicht het
verstand en laat ons de deugden van God ontdekken, zoals Zijn heiligheid,
wijsheid, geduld en genade.
- Als je elkaar liefhebt, wil je elkaar zo vaak mogelijk zien en spreken. Als
je God liefhebt, zoek je Zijn aanwezigheid. Je wilt Hem zoveel mogelijk
ontmoeten; daarom ga je naar de Kerk en de sacramenten, zoek je Hem steeds in
Zijn Woord en wil je met Hem spreken in je gebed.
- Als je verliefd bent, kun je er niet mee leven als je vriend(in) ook nog van
een ander houdt. Je wilt hem/haar helemaal. Ook God vraagt van ons om Hem lief
te hebben met ons hele hart. Hij wil niet dat wij onze liefde delen tussen Hem
en de wereld/zonde.
Ongelooflijk hoe je leven verandert door de genade van God.
Door Zijn liefde wil je Zijn Woord bewaren en doen. Je wilt wandelen zoals
Jezus Christus gewandeld heeft, je gaat haten wat tussen jou en God in staat,
je vraagt je bij een keuze af wat Jezus gedaan zou hebben. Het Volg Mij!
krijgt gestalte in je leven.
Hoe is dat mogelijk? Onze liefde tot God komt niet vanuit
onszelf, maar het is een wederliefde van dat wat Christus in ons hart heeft
gelegd. 1 Joh.4:19: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.
Het dienen van de Heer is geen last, maar een lust. Geen moeten, maar een mogen.
Dan zing je mee met David in Psalm 119:49 Hoe lief heb ik Uw wet! Het is mijn
doel om de ganse dag haar ijverig te betrachten! Uit: www.hhjo.nl
De liefde tot God is een goddelijk ingeprente deugd die ons
leidt om de Heer Onze God lief te hebben als het soevereine goede, en puur om
Zijnentwil. Het motief waardoor we God liefhebben is Zijn onbegrensde
perfectie, waardoor Hij verdient geliefd te worden. Degene die God liefheeft
omdat Hij verdient geliefd te worden, heeft de ware en echte liefde van
vriendschap. Het is geen zelfzuchtige liefde om Hem lief te hebben alleen om de
eeuwige beloning in de Hemel. Dat wil niet zeggen dat we niet mogen verlangen
naar de Hemel. We moeten verlangen naar de Hemel zodat we God kunnen bezitten
en Hem op een meer perfecte manier kunnen liefhebben.
Alle perfectie bestaat in de liefde tot God, want liefde is
de deugd die ons het meest innig verenigd met God. Al de andere deugden zijn
nutteloos als ze niet vergezeld zijn van liefde. Hij die God liefheeft boven
alles, verafschuwt een belediging tegen Hem meer dan de dood zelf, en streeft
ernaar alles te doen om God te behagen. God heeft ons liefgehad met een
oneindige liefde, Hij verlangt dan ook dat we Hem oprecht liefhebben, en Hij
verlangt ons hele hart te bezitten. En God geeft Zichzelf aan degenen die Hem
liefheeft. Bovendien wie is er liefdevoller, mooier, rijker, machtiger,
barmhartiger, dankbaarder dan God? Hij is alle liefde waardig. En Hij ziet ons
graag. De H. Johannes Chrysotomus zegt dat God ons meer liefheeft dan wij
onszelf kunnen liefhebben. Degenen die ons eerst op aarde liefhadden waren onze
ouders; maar ze begonnen ons pas lief te hebben wanneer ze ons kenden. God
integendeel, had ons lief voor we een bestaan hadden. Zelfs voor onze ouders
leefden, had God ons lief. Hij heeft ons liefgehad zolang Hij God is, en dat is
in alle eeuwigheid.
De
natuur draagt ons op God lief te hebben
De H. Augustinus zegt: De Hemel en de aarde schreeuwen het
uit, alles wat ik zie spreekt tot mij en dringt aan om U lief te hebben, mijn
Heer; alle schepselen zeggen me dat U ze geschapen hebt uit liefde voor mij.
Het
lijden van Christus is een bewijs van liefde
Voor de Incarnatie van het Eeuwig Woord kon de mens nog
twijfelen of God hem teder liefhad of niet; maar nu dat Jezus Christus mens is
geworden en voor ons stierf, is zon twijfel onmogelijk. Hoe kon onze Heer Zijn
liefde voor ons beter bewezen hebben dan door zoveel pijn en zoveel minachting
te lijden voor ons? En Hij heeft Zijn leven beëindigd in een bittere
doodsstrijd op de Calvarie. Omdat zovelen de liefde vergeten die Hij ons
betoond heeft, leven ze zonder Hem lief te hebben. Een ziel dat rekening houdt
met de liefde die Jezus heeft voor de mensheid wordt gedwongen om op zijn beurt
Jezus lief te hebben. De H. Maria Magdalena de Pazzi zei hierover: O Jezus, U
bent gek geworden van liefde. Ik zeg het en blijf het zeggen: liefde heeft U
gek gemaakt, mijn Jezus. Als geloof ons niet verzekerd had van de waarheid van
het grote mysterie van onze Verlossing, wie zou het dan voor mogelijk houden
dat de Schepper van het universum wilde lijden en sterven voor Zijn schepselen?
De H. Paulus vertelde dat het prediken van de Gekruisigde
Christus aan de Joden een hindernis was, en voor de Heidenen dwaasheid. Hoe
kunnen we geloven, zeiden ze, dat een God die van niemand afhankelijk is en die
perfect gelukkig is op Zichzelf, naar de aarde zou komen, de menselijke natuur
aannemen en sterven voor Zijn ellendige schepselen? De H. Augustinus zegt dat
Jezus dit gedaan heeft opdat de mens de onuitsprekelijke liefde die God heeft
voor hem zou erkennen. Het is de liefde die God tot zon daden heeft aangezet.
Wat een geluk voor ons als we gloeien met het vuur dat onze Heer en God
verteerde! Hoeveel pijlen van liefde komen voort uit de heilige wonden en
doorboren de versteende harten! De H. Thomas zegt dat de liefde die het hart
van God verteert het doet lijken alsof in de mens Hij Zijn God zag, en Hij niet
gelukkig zou kunnen zijn tenzij de mens ook gelukkig is.
Maar O God, waar is onze dankbaarheid? We zouden moeten
overstromen van liefde wanneer we de dood van Jezus Christus overwegen. Maar
wat we hebben nagelaten te doen in het verleden kunnen we tenminste doen in de
toekomst, als God ons nog wat tijd geeft. Jezus stierf voor ons, zegt de H.
Paulus, opdat Zijn liefde perfect meester zou worden over onze harten. Daarom
stierf Christus en verrees Hij, opdat hij de Heer van zowel de doden als de
levenden zou zijn. (Rom. 14:9). En jij, Christelijke ziel, wat heb jij gedaan
voor je Goddelijke Verlosser! Wat bewijs van liefde heb je Hem gegeven? Jezus
stierf voor jou, evenals voor een H. Agatha, een H. Agnes, een H. Barbara Denk
aan de bijzondere genaden die Hij je gegeven heeft en die anderen niet gekregen
hebben. Je bent in een land geboren waar er geloof is. Je hebt de genade
gekregen om geboren te worden in de boezem van Gods Kerk! Denk aan de grote
genade die God je betoond heeft, door de vele beledigingen te vergeven die je
hebt gepleegd. En als je berouw toont, doet Hij dat opnieuw met dezelfde grote
liefde!
Vooruitgang
boeken in Gods liefde
De H. Teresa zegt dat het een buitengewone genade is voor
een ziel om geroepen te worden tot de perfecte liefde van God. Jij behoort tot
deze gelukkige zielen. Om je echter volledig over te geven aan de liefde van Je
Goddelijke Redder, moet je gebruik maken van de volgende middelen:
Het eerste middel is een vurig verlangen naar deze
perfecte liefde. God geeft enkel Zijn genaden in overvloed aan degenen die
hongeren en dorsten naar deze genaden. Maar dit verlangen is absoluut
noodzakelijk omdat we anders nooit zouden standhouden in onze inspanningen om
de schat van liefde voor God te verkrijgen. Dan worden alle moeilijkheden licht
en zoet wanneer onze inspanningen gedragen worden door dit vurig verlangen.
Het tweede middel om de perfecte liefde van God te
verkrijgen is alle liefde opgeven die niet tot God behoort. God verlangt
alleen onze harten te bezitten, Hij tolereert geen rivalen omdat Hij de ene
ware God is. We moeten uit ons hart alle gehechtheden (aan mensen, aan materiële
bezittingen) verdrijven die niet God als doel hebben. Zolang het hart niet vrij
is van aardse neigingen, kan de liefde van God geen ingang vinden. De H.
Bonaventuur zegt: God is oneindig liefdevol en het hoogste goed, en Hij
verdient onze onverdeelde liefde; Hij heeft gelijk wanneer Hij wenst dat een
hart dat Hij geschapen heeft, alleen aan Hem behoort, en sinds Hij Zich als
offer gegeven heeft voor ons, heeft Hij nog een groter recht op onze
onverdeelde liefde.
Het derde middel is zelfverloochening. Om de
perfecte liefde van God te verkrijgen is het noodzakelijk om alles te
aanvaarden wat tegen de eigenliefde ingaat, en weigeren wat de eigenliefde
verlangt. We moeten bijvoorbeeld ons een plezier ontzeggen omdat we het juist
willen, voor een ondankbare persoon iets doen omdat hij juist ondankbaar is
Het vierde middel om de perfecte liefde van God te
verkrijgen bestaat in een veelvuldige overweging van het lijden van Jezus
Christus. Het lijkt alsof doordat onze Verlosser zovele verschillende
kwellingen, martelingen en beledigingen heeft ondergaan, zoals Zijn verraad,
Zijn doodsstrijd, Zijn geseling, Zijn doornenkroning, Zijn lijdensweg en Zijn
Kruisiging om te zorgen dat we over vele zaken kunnen mediteren. En we moeten
niet alleen het lijden van Jezus overwegen om troost te brengen, maar enkel om in
onze harten de liefde te ontsteken voor onze lijdende Redder en te weten wat
Hij verlangt van ons. Tegelijkertijd moeten we klaar staan om alles geduldig te
verdragen uit liefde voor Hem die zoveel geleden heeft uit liefde voor ons.
Het vijfde middel om de schat van Gods liefde te verkrijgen
is gebed. Het voortdurend gebed van een Christen ziel moet zijn: Jezus, geef me Uw heilige liefde; Maria, mijn Moeder,
verkrijg voor mij de liefde van God; mijn Engelbewaarder en al mijn
patroonsheiligen, bemiddel voor mij zodat ik mijn God moge liefhebben met mijn
hele hart en ziel. De Heer is vrijgevig in het uitstorten van Zijn
gaven; maar Hij is in het bijzonder vrijgevig om Zijn liefde te geven aan
degenen die ze zoeken. Uit: 12 steps to holiness and salvation Rev. Warren
Ik heb werk voor jullie. Jullie moeten je hart voorbereiden
met smetteloze gewaden: reine harten, smetteloze gewaden. Deze gewaden kunnen
enkel gevonden worden in het Heilige der Heiligen. Ze kunnen niet gekocht
worden. Ze kunnen niet verdiend worden door goede werken die in het vlees
worden uitgevoerd, buiten Mijn Wil en de volheid van Mijn Geest. Ze kunnen
enkel verkregen worden door het werk van Mijn kruis dat Ik heb voltooid wanneer
Ik de vijand heb verslaan en Mijn Liefde heb uitgestort.
Het werk die je moet doen als Mijn leerling is werken aan
je redding met vrees en erkennen dat je een REDDER nodig hebt, beven bij de
gedachte dat je zou kunnen wegvallen op de brede we gen dat niemand de sleutel
vastheeft behalve IK. Je moet je leven, je wil, je wegen, overgeven aan Mij en
beslissen dat je niet langer zelf de controle wilt hebben. Je moet Mij zoeken
gedurende de dag en Mij je voortdurende metgezel maken die waakt tegen de boze
die komt om te doden, stelen en vernietigen.
Alles wat je doet in je eigen wil zal zonder een volle
olielamp zijn, zonder een relatie met je God, in het vlees buiten de Geest is
nutteloos, hoewel de wereld het anders denkt. Jullie God kent het hart. Ik onderzoek en ken de
harten. Ik ken de harten die kloppen voor MIJ. Ik herken wie MIJN
schapen zijn en wie MIJN stem kent.
Kom naar buiten en wees vervuld van MIJN GEEST, loop naar
MIJN redding. Bid om in MIJN WIL te zijn. Laat MIJ jullie uit de woestijn
leiden om afgescheiden te zijn van de wereld. De wereld begint te zien wat er
voor haar ligt. Mijn trouwe gelovigen die sterven aan hun eigenwil zullen
waardig bevonden worden om te ontsnappen aan wat over de wereld komt.
Werk aan je redding met vrees en beven. Ik alleen kan je
naar het smalle pad leiden dat weinigen vinden.
Dit is je Hemelse Redder, de Leider van de
kleine kudde
Bijbehorende
verzen:
Openb 7:14: Ik antwoordde hem:
Heer, dat weet gij. Toen zei hij: Dat zijn degenen die komen uit de grote
verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam.
Fillip 2:12: Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd; maakt dus nu, in
mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was.
Joh 10:27: Mijn schapen luisteren
naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.
Matt 7:13: Gaat binnen door de
nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen
zijn er die hem inslaan.
Woorden van de Heer:
"Verspil geen tijd want tijd staat niet
aan jullie kant."
(Susan, 19 oktober
2017)
Mijn kinderen:
Dit is jullie Heer en
Redder. Ik
keer terug om Mijn getrouwe gelovigen uit te plukken: degenen die Mij zoeken op
de knieën en met open harten. Ik heb een bijzondere plaats in Mijn hart voor
Mijn bruid, de kerk die alles laat liggen om Mijn wegen, Mijn nederige wegen te
volgen.
Deze kerk, Mijn eigen ware volgelingen, zullen Mij in het
binnenste van hun hart houden voor eeuwig. Ik zal altijd lijken op deze schapen
met grote liefde, liefde als naaste metgezellen. We zullen dichter bijeen zijn
dan een broer. Ik heb eeuwige schoonheid in mijn gedachten voor Mijn ware kerk,
voor degenen die voor niets wijken om Mij te zoeken, degenen die hun gewaden in
heiligheid bewaren.
Deze wereld is ellendig, het heeft een verwoestende
invloed. Ik zal het spoedig aan zichzelf overlaten en het laten lijden aan zijn
eigen walgelijke wegen. De wereld maakt zijn bed en spoedig zal het erin slapen
en Mijn Glorie zal buiten zijn bereik zijn, vervangen door de hand van het
kwade. Mijn rol als liefhebbende Vader voor degenen die achtergelaten worden
nadat Ik Mijn kerk weghaal zal niet langer zijn. Ik zal de Rechtvaardige
Rechter worden en Mijn straffen uitvoeren over de hele aarde. Ik zal Mij niet
inhouden voor degenen die Mij en Mijn nederige offer dat Ik gegeven heb uit
pure liefde, verwerpen.
Deze dag is op handen. Mijn kinderen moeten hun gewaden
voorbereiden en Mijn bescherming zoeken want niemand zal gespaard blijven die
Mij, de Gever van Leven, verwerpt.
Verspeel geen tijd in het maken van beslissingen. Nu is het
uur om naar Mij te komen voor je redding en om in de Wil van God te blijven.
Laat alle vormen van kwaad voor wat ze zijn, was jullie handen in Mijn Woord.
Jullie moeten naar de kristalheldere wateren van waarheid komen en Mij jullie
zonden laten wegnemen. Kom naar Mijn vuur en laat Mij jullie afval wegbranden
en je heel maken.
Verspeel geen tijd want de tijd staat niet aan jullie kant.
Dit is de God van alle waarheid, Christus de
Messias
Bijbehorende
verzen:
Hooglied 7:5-6: Je
hals is als de ivoren toren, je ogen zijn als de vijvers van Bat-rabbim, de
poort van Chesbon. Je neus is als de Libanontoren, die uitziet op Damascus. Je
hoofd is als de Karmel, je haarlokken zijn omwonden met een band van
koningspurper.
Handelingen 16:14: Ook
een zekere Lydia uit de stad Tyatíra, die purperen stoffen verkocht - zij was
een godvrezende -, hoorde toe en de Heer maakte haar hart ontvankelijk voor wat
door Paulus gezegd werd.
Spreuken 25:4: Haal
het schuim weg van het zilver en de edelsmid maakt het tot een stralend schoon
stuk.
De Vaders en bedoelde schrijvers hebben ook verklaard;
dat waar over zonde gehandeld
wordt, de H. Maagd Maria aan welke ter algehele overwinning van de zonde
overvloedige genade geschonken is, niet aan zonde was onderworpen
dat deze roemrijke Maagd de
herstelster was van de eerste ouders, de levendmaakster van hun
nakomelingen, de uitverkorene van eeuwigheid, door de Allerhoogste zelf bereid,
door God voorzegd als Hij tot de slang sprak: "Ik zal
vijandschap stellen tussen u en de vrouw"
dat zij zonder twijfel de
giftige kop van het serpent heeft verpletterd
dat de allerzaligste Maagd door
de genade van alle smet van de zonde ongedeerd was en naar lichaam, ziel en
verstand van alle aanraking met de zonde vrij is geweest
dat zij altijd met God heeft
verkeerd en in een eeuwig verbond met Hem verenigd is geweest, altijd in
het licht
dat zij een waardige woonplaats
was voor Christus niet om het lichaam dat zij gedragen heeft, maar om de
oorspronkelijke genade waarin zij altijd is geweest
ARTIKEL 15 - De
natuur voegde zich bij de Onbevlekte door de genade: het vlees werd uit Adam
genomen, maar nam de smet niet op
Als zij spreken over de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd
verklaren zij dat de natuur zich bij de genade gevoegd heeft. De H. Maagd werd
niet eerder door Anna ontvangen voordat de genade haar vrucht baarde. Zij
verklaren dat het vlees van de Maagd uit Adam genomen is, maar de smet van Adam
niet heeft opgenomen, en dat de H. Maagd op die manier een tent is die door God
is geschapen en door de H. Geest gevormd. Het is een tent van onvervalst
purperdoek, hetwelk een andere Bezaleël met goud en verscheidenheid van kleuren
gestikt en gespannen heeft.
Bezaleël (wikipedia) : wordt in het Bijbelboek Exodus 31:1-6 genoemd als de
man die wordt uitverkoren door God om het tabernakel te bouwen, de
draagbare tempel die Mozes in opdracht van God liet bouwen volgens de
instructies die hij ontvangen had op de berg Sinaï. Bezaleël was ook
verantwoordelijk voor de priesterkleding die moest gemaakt worden en de olies
en reukwerken die moesten gemengd worden. Zijn opdracht omvatte ook het bouwen
van de Ark van het Verbond.
De naam "Bezaleël" betekent: "in de schaduw
(bescherming) van God". In het boek 1 Kronieken 2:19-20 wordt
hij genoemd als de zoon van Uri en de kleinzoon van Hur en in Exodus
wordt zijn afstamming op dezelfde wijze beschreven. Vervolgens wordt het
vakmanschap van Bezaleël beschreven en geprezen en zijn assistent Aholiab wordt
vernoemd. Het Bijbelboek gaat dan verder met een omstandige beschrijving
van het maken van de verschillende onderdelen van het tabernakel en de
priesterkleding. Zelfs de kostprijs wordt toegelicht.
Zij wordt gevierd als een die het eerste eigen werk van God is, die
voor de vurige pijlen van de boze beveiligd was, en die in een schone natuur en
zonder enige smet als de dageraad in de wereld is ingetreden bij haar
Onbevlekte Ontvangenis. Dit uitverkoren vat mocht niet de schennissen lijden
die alle anderen overkomen, omdat zij van alle anderen zeer verschillend is. Ze
deelt wel in de menselijke natuur maar niet in de schuld. De Eniggeborene moest
zoals Hij in de hemel een Vader had die de serafijnen als driemaal Heilig
loven, ook op aarde een Moeder hebben, die de glans van heiligheid had.
En deze leer had de geest van de oude Vaders zo zeer doordrongen,
dat zij van de Moeder Gods zeiden, dat zij is onbevlekt is en alleszins
onbevlekt, onschuldig en de onschuldigste, onbezoedeld en van alles
onbezoedeld, heilig en aan alle onreinheid van de zonde vreemd, geheel zuiver,
geheel ongeschonden, zo goed als de zuiverheid en de onschuld in eigen gestalte,
schoner nog dan de schoonheid, behagelijker dan de behagelijkheid, heiliger dan
de heiligheid, en de enig heilige, de reinste van ziel en van lichaam die alle
ongeschondenheid en maagdelijkheid overtreft, en die helemaal, enig en alleen een
verblijf voor al de genaden van de Heilige Geest geworden is, en die boven
alles, God alleen uitgezonderd, verheven is en van nature schoner, waardiger en
heiliger is dan de cherubijnen en serafijnen en heel het engelenlegioen.
De aardbewoners en hemelbewoners zijn niet in staat haar verdienste
te loven. Deze wijze van spreken is in de heilige liturgie als vanzelf overgegaan,
en komt overal daarin voor, omdat de Moeder Gods daar aanroepen en geprezen
wordt als enige ongeschonden duif van schoonheid, als roos die altijd in volle
bloei staat, de zuiverste, de altijd onbevlekte en gelukzalige, en gevierd
wordt als de onschuld die nooit werd geschonden. Zij is de tweede Eva die de Emmanuel
heeft gebaard.
ARTIKEL 16 - De Onbevlekte Ontvangenis werd altijd geprezen
De herders van de Kerk en gelovige volkeren hebben de leer van de
Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd en Moeder Gods altijd overgedragen. Zij
dienden met het meest warme hart de zonder erfsmet ontvangen Moedermaagd. Ze eerden
en loofden haar. Van oudsher hebben kerkoversten, geestelijken, reguliere
orden, en zelfs ook keizers en koningen bij onze apostolische Stoel erop
aangedrongen, dat de Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Moeder Gods
als leerstuk van het katholieke geloof zou worden vastgesteld. Ook in onze tijd
werden deze beden herhaald en werden ze gericht aan onze voorganger Gregorius
XVI, evenals aan ons door bisschoppen, wereldgeestelijken, religieuze
verenigingen, vorsten met oppergebied bekleed en gelovige volkeren.
ARTIKEL 17 - Een nauwkeurig onderzoek werd door de godgeleerden
ingesteld, en er werd om schriftelijke steunbetuigingen van de Christelijke
wereld gevraagd ( )
ARTIKEL 18 - De Christenheid riep om een dogmaverklaring zodat er
uiteindelijk een consistorie werd belegd
Toen de antwoorden van de eerwaardige broeders bij ons zijn binnengekomen
hebben zij de bevestiging gegeven van het Onbevlekt-Ontvangen-zijn van de
allerzaligste Maagd, en hebben zij de wens geuit dat door ons opperste gezag en
hoogste uitspraak het Onbevlekt-Ontvangen-zijn van de H. Maagd zou worden
vastgesteld. Onze eerbiedwaardige broeders kardinalen van de heilige Roomse
kerk en de voormelde godgeleerden die wij als raadslieden aan hen hadden
toegevoegd, hebben na onderzoek evenzo op de uitspraak van de Onbevlekte
Ontvangenis van de Moeder Gods bij ons aandrongen. Hierna hebben wij een
consistorie aangekondigd en belegd, waarin wij tot onze eerwaardige broeders de
kardinalen van de heilige Roomse Kerk het woord hebben gericht; en wij mochten
een dogmatische bepaling over de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd en
Moeder Gods afkondigen.
ARTIKEL 19 - Na deze voorbereiding volgde de dogma-afkondiging
Toen we op de Heer vertrouwden dat het geschikte ogenblik was gekomen
om de Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Moeder Gods en Maagd Maria
vast te stellen, zijn wij van oordeel geweest niet langer, te moeten wachten om
de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd door onze hoogste oordeelvelling te
bekrachtigen en vast te stellen, en zodoende voldoening te geven aan het
verlangen van de Katholieke wereld en aan onze eigen tedere liefde voor de H.
Maagd, en in haar meer en meer haar eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus
te eren, vermits toch aan de Zoon alle eer en lof toekomt, welke aan de Moeder
gegeven wordt.
Na zonder ophouden in vernedering en
vasten onze bijzondere gebeden en openbare gebeden van de Kerk aan God de Vader
door Zijn Zoon te hebben opgedragen, opdat Hij door de kracht van de Heilige
Geest ons zou besturen en versterken; - wij de hulp ingeroepen hebben van heel
het hemels hof, en met verzuchtingen de H. Geest onze Parakleet om bijstand
gesmeekt hebben, en deze het ons ingeeft, zo is het dat wij, ter ere van de
heilige en ondeelbare Drievuldigheid, tot luister van de H. Maagd en Moeder
Gods, ter verheffing van het Katholiek geloof, en ter uitbreiding van de
christelijke godsdienst, op gezag van onze Heer Jezus Christus, van de apostelen
Petrus en Paulus en het onze, verklaren, uitspreken en bepalen, dat de leer,
welke inhoudt dat de allerzaligste Maagd Maria als eerste van haar Ontvangenis
door een enige bijzondere genade en voorrecht van de almachtige God, omwille
van de verdiensten van Christus Jezus de Behouder van de mensheid, van alle
smet van de erfzonde is bewaard, door God is geopenbaard, en zo door alle
gelovigen vast en bestendig moet geloofd worden.
ARTIKEL 20 - Moge Maria bij God verkrijgen dat de mensen tot de ene
kudde, de Rooms Katholieke Kerk, zullen komen
Wij zeggen nederig, maar grote dank en zullen die altijd blijven
zeggen aan onze Heer Jezus Christus, dat Hij door bijzondere gunst het voor ons
onwaardigen heeft weggelegd deze eer, lof en glorie aan Zijn allerheiligste
Moeder toe te wijzen en op te dragen. De H. Maagd Maria is geheel schoon en
onbevlekt. Zij verpletterde de giftige kop van het wrede serpent en heeft het
heil aan de wereld gebracht. Zij is het voorwerp van lof van profeten en
apostelen, de eer van de martelaren en de vreugde en de kroon van alle
heiligen: die voor allen die in gevaar verkeren een veilige toevlucht en trouwe
helpster is. Zij is de middelares en verzoenster van de wereld die bij haar
eniggeboren Zoon het meest bekomt. Zij is het hoogste sieraad, het erepand en
de onwankelbare beschermster van de Kerk. Zij heeft altijd alle ketterijen vernietigd
en de gelovige volkeren en naties uit allerlei zware rampen gered. Zij heeft
ons van zovele dreigende gevaren bevrijd.
Maar wij koesteren ook de zekere hoop en het vaste vertrouwen, dat
van haar kant de gelukzalige Maagd er ook haar welbehagen in zal vinden om door
haar vermogende begunstiging onze heilige Moeder de Katholieke Kerk alle
belemmeringen zal uit de weg ruimen en alle dwalingen teniet zal doen. Dat ze
alle volkeren dagelijks zal doen toenemen in kracht en in bloei. Dat ze zich
zal doen regeren van de zee tot de zee en van de vloed tot aan het uiteinde van
de aarde, en dat ze alle vrede, rust en vrijheid zal schenken, opdat de
schuldigen vergiffenis krijgen, de zieken genezing, de kleinmoedigen sterkte,
de neerslachtigen vertroosting, de beproefden hulp krijgen, en alle dwalenden
van verduistering van de geest verlost worden en tot het pad van de waarheid en
van de gerechtigheid terugkeren, en het één schaapskooi en één herder wordt.
ARTIKEL 21 - Mogen de Christenen hun toevlucht tot Maria nemen
Mogen alle kinderen van de Katholieke Kerk die onze woorden horen
voortaan met vroomheid, godsdienstigheid en liefde de allerzaligste Maagd en
Moeder Gods Maria die zonder erfsmet ontvangen werd, eren, aanroepen en smeken,
en in alle gevaren, angsten, behoeften en noden, met alle vertrouwen tot deze
zoete Moeder van barmhartigheid en genade hun toevlucht nemen! Niets is te
vrezen, niets is te wanhopen, onder haar leiding, aanvoering, gunst en
bescherming van haar, die ons een moederhart toedraagt, en onze heilsbelangen
bepleit. Zij werd door de Heer aangesteld tot koningin van hemel en aarde, en zij
werd verheven boven alle engelenkoren en heiligen. Zij staat aan de rechterhand
van haar eniggeboren Zoon onze Heer Jezus Christus. In haar moederlijk gebed
kan ze het meest verkrijgen, en het is niet mogelijk dat haar iets geweigerd
wordt.
ARTIKEL 22 - Slot
Opdat onze bepaling betreffende de Onbevlekte Ontvangenis van de
allerzaligste Maagd Maria in heel de universele Kerk wordt verspreid, hebben
wij ter eeuwigdurend aandenken dit apostolisch schrijven opgesteld. ( )
Gegeven te, Rome bij St. Pieter, van onze pauselijke regering het
negende jaar.
Paus Pius IX
Maria verplettert de slang maar doet dit niet onafhankelijk
van de macht van Christus. Paus Pius IX maakt het duidelijk dat het omwille van
haar onverbrekelijk en innig verbond met Christus is dat ze de vijand van onze
redding kan verpletteren. Maar
er is meer. Als zijn dienaren in zijn heilswerk betrokken zijn is dit
eenvoudigweg de manier van werken die de Heer verkiest. Hij
blijft altijd de Bron van elke macht die uitgevoerd wordt tegen de duivel of
voor het opbouwen van de Kerk. Maar als Hij alles zou zelf doen, zouden er geen
profeten, priesters, apostelen, leraars en bedienaren van de Kerk meer nodig
zijn. Daarom stelt de Heer zijn dienaren aan om zijn wil uit te voeren, door de
kracht van zijn Geest en zijn genade. Zoals de H. Schrift het vermeldt, heeft
de Heer zijn Moeder aangesteld om de kop van de slang te verpletteren, door het
gebruik van zijn eigen kracht en verlossende genade. Hij heeft haar naar de
frontlinie van de strijd gestuurd, door vijandschap te stichten tussen haar en
de satanische slang.
Als de Vrouwe die met de zon bekleed is, de Koningin van de
Kerk, een immense macht heeft van God gekregen om ons bij te staan in de geestelijke
oorlogsvoering, zullen we er veel voordeel uithalen als we kiezen ze te
gebruiken. Veilig in de Hemel, is Maria ver buiten het bereik van enige
aanvallen van de duivel om haar te treffen, maar de strijd gaat nu verder
tussen de slang en de nakomelingen van de Vrouw. Dat zijn degenen die de
geboden van God naleven en getuigenis dragen van Jezus (Openb. 12:17). Hoewel
ze vredig in de Hemel verblijft, is de Moeder voortdurend waakzaam voor het
welzijn van haar kinderen, aan wie ze de genade van God brengt in al hun noden.
Exorcisten hebben getuigd dat in hun ervaring de duivel
verschrikkelijk bang is voor de Moeder van God en vlucht wanneer ze wordt
aanroepen. Vele exorcisten roepen Maria aan, en wanneer ze dit doen, zegt de
auteur Matt Baglio,is de demon zo bang van haar dat hij nooit haar naam zal
uitspreken. Hij zal zeggen die vrouw of ze vernietigd me. En opnieuw: in
zijn besluit van het boek [Een Exorxist vertelt door Fr Gabriele Amorth]
beschrijft hij Marias rol als een instrument van het goddelijk plan, in de
strijd tegen het kwaad. Ook in een hoofdstuk waar hij het gedrag van de demonen
beschrijft, vertelt hij hoe de demonen reageren op bepaalde heilige namen. Natuurlijk
haten de demonen de Heilige Naam van Jezus. Maar de meesten onder hen kunnen
ook de naam van Maria niet zeggen, en zeggen zij of de Vrouwe om Maria aan
te duiden. Als de demon die een persoon bezet een hoge rang heeft, kan hij deze
namen zeggen, maar ze worden altijd gevolgd door verschrikkelijke godslasteringen.
Hier is er een uittreksel van The Rite, door Matt Baglio,
betreffende de rol van OLVrouw in het bevrijden van een bezeten vrouw van de
duivel. Dit gebeurde in Rome in
2006. De
vrouw werd jarenlang gekweld door de duivel zonder verlichting te krijgen. De
exorcist had de duivel bevolen om te vertrekken in naam van Jezus Christus en
van de Onbevlekte Maagd Maria: Opeens, voelde de bezeten vrouw een
ongelofelijk gevoel van liefde als Maria voor haar verscheen. Maria was gehuld
in een wit met goud bekleedde sluier die half haar gezicht bedekte. Ze was
verbaasd toen ze verscheen, en ze was nog meer verrast te zien dat Maria onder
tranen naar haar keek.
Als de exorcist keek,
had de demon opnieuw een bui. Nee, nee, nee, niet huilen! schreeuwde
hij, en het lichaam van de vrouw ging in schokken. Voor een ogenblik kwam de
vrouw uit de trance en zei Een traan van Maria is alles wat er nodig was. De
macht van de duivel was gebroken en hij werd door de exorcist in een paar
minuten uitgedreven.
De demonen zijn vol van angst en haat voor de Heilige
Maagd, niet alleen omwille van haar enorme macht van haar heiligheid, maar ook omwille
van hun eigen monsterlijke hoogmoed. Ze kunnen het feit niet verdragen dat zij,
de grote geestelijke wezens van een hogere natuur dan de onze, gedwongen worden
te vluchten wanneer de kleine Dienstmaagd van Nazareth naderbij komt!
Een andere vrouw die bevrijd was van de duivel getuigt dat
wanneer de naam van Maria werd aanroepen, ze voelde alsof een grote golf van
een zeer hel wit licht haar trof. Het was alomvattend, een licht dat ik kon
zien en zelfs voelen, en het gaf mij een gevoel van zeer zoete vrede, terwijl
voor de demon het een verschrikkelijke pijn veroorzaakte. Ik wist dat het licht
dat mij omhelsde een geestelijk licht was. Toen ik mijn ogen opnieuw sloot, kon ik zien dat het
zelfde licht de ogen van het monster doorstak zoals een duizend zwaarden. Intussen
was het monster aan het schreeuwen, bewoog in het wilde weg, en zei dat de
sluier van Maria (hij verwees naar haar als die daar) hem verstikte en hem
enorm veel pijn veroorzaakte. Het was zo erg dat hij verschrikkelijke,
onbeschrijflijke spasmen kreeg. Tegen
het einde schreeuwde hij als nooit tevoren. Dan was er plotseling een
kalmte en een stilte. De vrouw was spoedig volledig bevrijd, en ze ontving als
een teken uit het Evangelie van de H. Lucas over Jezus die gezonden werd om te
verkondigen dat de gevangenen en de verdrukten zouden vrijgelaten worden.
Lucas 4:16-21 Zo kwam Jezus ook in Nazaret, waar Hij was
grootgebracht, ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en
stond op om voor te lezen. Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja
aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: De geest
des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij
gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun
vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten
te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de
Heer. Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en
ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen
begon Hij hen toe te spreken: 'Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt,
is thans in vervulling gegaan.'
De vrouw besloot: Terwijl ik tranen huilde van vreugde,
begon ik de Heer en de Onbevlekte Maagd te danken, en dat zal ik blijven doen
zolang ik leef.
We kunnen rekenen op de machtige voorspraak van de Moeder
van God in onze geestelijke strijd. De duivel kan haar niet overwinnen, want ze
heeft de macht gekregen om hem te verpletteren, en ze zal deze macht uitoefenen
tot de Dag des Oordeels. Nu is de tijd om haar te aanroepen. De beste manier om
dit te doen is door het bidden van de Heilige Rozenkrans, het is een zeer
krachtig wapen in de strijd tegen Satan, legde een exorcist, Pr Francesco
Bamonte uit. Dat is waarom Maria erop staat dat we de rozenkrans zouden
bidden; de rozenkrans is een gebed dat werkelijk de demon neerslaat. Op
talrijke gelegenheden, heeft Pr Bamonte Maria gesmeekt om hulp, en de persoon
waarvoor hij bad zei: Ze is daar! of de duivel zei: Je kunt niet indenken
wat ik zou doen als ze mij niet zou stoppen!.
Het is iets om over na te denken wanneer je tegen de
machten van het kwade vecht
"Wanneer de kracht van de demon is uitgeput door
razernij, wordt hij een lafaard. Moed is een deugd en de demon heeft geen zon
deugd. Vandaar is hij niet moedig maar wild, juist zolang hij energie heeft.
Van zodra zijn kracht hem verlaat, wordt hij een zwakkeling. "Genade, genade! Oh, wat moet ik lijden!
Genoeg! Genoeg! Ik kan het niet langer uitstaan! Ik ben verloren! Ik ben miserabel!
Heb medelijden met mij en laat me niet langer zo
verschrikkelijk lijden!" Zo is het geschreeuw van de
demon, zelfs de sterkste, van zodra hij overweldigd is.
"De demonen ervaren andere vernederingen die hen furieus doen worden met
razernij. Wanneer ze hun slachtoffers martelen maken ze hen heilig. Ik heb
altijd bemerkt dat deze nobele zielen vlugge schreden maken op de weg van
perfectie. Om de demon te vernederen vermelde ik de vooruitgang dat deze zielen
maakten die hij had gekweld: Kijk naar die ziel, hoe mooi ze is! Je hebt haar
zo mooi gemaakt. Wanneer je naar haar kijkt op het laatste oordeel in haar
luister, kun je glorie halen in het feit en zeggen: Dat is mijn werk! Dit sarcasme zorgde dat hij tierde. Maar
hij bleef verder strijden zolang hij de kracht had. Zijn trots liet hem niet
toe te geloven dat hij zou overwonnen worden, noch dat hij zou falen in het
beschadigen van haar ziel. "Ik
laat mijzelf nooit toe om ontmoedigd te raken," zei hij me. "Zolang als ik kracht heb, zal ik mijn
aanvallen verder zetten. Ik zal mij niet
terugtrekken." "De
demon is bijzonder beschaamd wanneer een van zijn kostbare slachtoffers [die
eerst ver van God was verwijderd] zich bekeert, heilig wordt, en uiteindelijk
vecht om hem van meer zielen te beroven Het is een ondraaglijke marteling voor
de demon om gevangen te zitten in een offerziel en aan haar gebonden te zijn. Het
zicht van dat alles is deugdzaam en veroorzaakt een intense pijn bij hem, want
ik heb dikwijls gehoord dat hij het uitschreeuwde: "Ik zou liever in de hel zijn dat in deze vuile persoon!"
Opnieuw zei hij: "Denk je dat
het plezant is om in dat moeras te zijn en getuige te zijn van al deze daden
van liefde?"
"De demonen smeekten dikwijls: "Laat
me vrij! Laat me vertrekken! Je hebt de macht om het te doen! Dit is werkelijk
een gloeiende oven. Laat me vertrekken!" Ik vroeg hen: "Wie heeft je bij deze persoon opgesloten
"De Maagd," antwoordde hij. "OK," zei ik, "als
zij degene is die je heeft opgesloten, dan is het haar zaak om je te bevrijden
als ze de toelating geeft."
"De gedwongen vereniging van de demon met een offerziel deed hem
uitschreeuwen: "Als ze me maar
zou laten gaan!".Wat
betekent al dit geweeklaag? "Dit is
een gloeiende oven! Ik zou liever in de hel zijn dan in dat huis van
smerigheid," en andere gelijkaardige uitdrukkingen. Dit smeken van de demon met de
exorcist:"Laat me
vertrekken! Laat haar (het slachtoffer) mij vrijlaten!" is een
bewijs van het feit dat de demon een gevangene is van degene die hij eerst
controleerde. Hij drong oorspronkelijk het slachtoffer binnen als een heerser,
in de hoop haar te doen ineen storten. Het heroïsche geduld en oprechte liefde
van de offerziel voor haar missie deed de kracht van de demon breken.
Nadat de strijd verloren is wilde hij ontsnappen uit deze vernederende strijd. Maar
God beval hem: "Blijf daar!"
En hij werd gedwongen om te blijven verder doen. Hij moet het gevecht verder
voeren en mag niet vertrekken uit de ziel tot hij helemaal is overwonnen. Opgesloten
in zijn slachtoffer, kan hij niet langer rondzwerven of mensen kwaad doen zoals
hij zou willen.
"De gevangen demon laat zijn furie los op de levende persoon zoals een
wild dier dat in een kooi zit en probeert er wanhopig uit te geraken. Toch kan
hij niet ontsnappen. Natuurlijk, lijdt de offerziel als de demon niet bevrijd
is. Maar door geduldig de razende demon te verdragen, maakt de offerziel hem
geleidelijk aan machteloos. Hoe
meer de demon voelt dat zijn invloed wegglipt hoe kwader hij wordt. Demonen
geven het toe: "Hoe zwakker ze
zijn, hoe wilder ze worden."
"Naast de mensen die ze hebben gewonnen voor hun kant, gebruiken de
demonen ook geheime organisaties als troepenmacht. Met hun hulp verbreiden de
demonen het kwaad steeds verder zoals een bosbrand. Ondanks deze hulp, weten de
demonen de nutteloosheid van de strijd op voorhand. Ze geven ook hun eigen
nederlaag toe en de ultieme nederlaag van de geheime organisaties in hun
huidige strijd. Ze geven het toe: "We zullen terug in de hel geworpen worden maar we weten niet juist
wanneer. Het uur wordt bepaald door jullie Meester, die ook onze Meester is. Lucifer
is niet onze meester; hij is onze leider." Met Meester
bedoelen ze God.
"God heeft bekrachtigd dat er altijd demonen op de aarde zullen zijn om de
mensheid op de proef te stellen en te testen. Maar de hoofdleiders zullen naar
de hel moeten terugkeren en degenen die overblijven zullen verzwakt worden. Ze
zullen niet langer in staat zijn om de mensen te verleiden. De demonen zeiden
het zelf. Ze zeiden me ook dat eens ze zijn verslagen, de tijd ook zal komen
wanneer de leden van de geheime organisaties zullen vernederd worden.
"De Maagd zal de geheime
organisaties vernietigen. Ze heeft zich reeds tegen hen gekeerd. Jullie zullen
gered worden door de Toren van Babel. Ik neem aan dat met de Toren
van Babel de demon bedoelt dat al de goddelozen een arrogante poging zullen
doen dat zal eindigen in een algemene verwarring tot hun schaamte, net als de
goddeloze mensen van het Oude Testament die probeerden de Toren van Babel op te
richten om hun intrede te doen in de hemel. "De gekruisigde zielen zijn degenen," zei de demon,
"die zullen een oorlog voeren
tegen ons Een gelovige ziel is machtiger dan de hel, maar een gekruisigde ziel
is machtiger dan een duizend hellen." Dan zullen de offerzielen
de vrede terugbrengen in de Kerk wanneer ze hun lijden hebben voltooid.
"Wanneer de demon zijn toekomstige nederlaag opbiechtte dwong ik hem om
meer informatie te lossen In die tijd, zullen we deel hebben in de
barmhartigheid van God, in de plaats van zijn straf? Hij antwoordde Het is echt waar!...en als het niet was
door Haar (H. Maagd) machtige arm ! Is het Haar arm die de arm van God tegenhoudt?Ja, en dat is de reden waarom Ze
offerzielen wenst.
"Van deze ontboezemingen van de demon mogen we besluiten dat de H. Maagd
Maria nobele offerzielen selecteert die willen lijden uit liefde tot God. De H.
Maagd laat hen toe te strijden met de demonen die rondzwerven op aarde en de
Kerk onderdrukken en zielen doen ineen storten.
"De H. Maagd voorziet een oplossing voor al ons groot kwaad op deze
manier: Ze bevrijdt de Kerk en de zielen van de macht van deze duivels; ze
troost en kalmeert het Hart van haar Geliefde Zoon; ze maakt eerherstel voor
Gods Gerechtigheid in plaats van de zondaars en smeekt om Gods genade in hun
naam. Uiteindelijk, verwijdert ze de straffende gerechtigheid van God van ons
of verzacht ze de straffen. Ze vergeet niet de nobele zielen die haar
vergezellen om haar plan uit te voeren. Ze worden geheiligd door het kruis die
ze vrijwillig hebben aanvaard, en door de H. Maagd, wordt voor hen een beloning
voorbereid voor God in evenredigheid met de onderwerping en grootte van hun
liefde.
"Het doel dat gepland is door de H. Maagd Maria zijn van het grootste
belang. Dat maakt het begrijpelijk dat God toelaat dat deze uitverkoren zielen
zich onderwerpen aan de invloed en [soms] de echte bezetenheid van Satan. De
praktische resultaten gewogen in de schaal van een almachtige God zullen het godsoordeel
rechtvaardigen van deze verschrikkelijke beproevingen om Zijn ultieme doel te
bereiken. Het is waar dat er onschuldige zielen worden overgegeven aan de wreedheid
van de demonen. Maar liet God ook Zijn eniggeboren Zoon, die onschuldig was en
heilig, niet toe te lijden en sterven op het kruis om de wereld te bevrijden
van de macht van Satan en de redding van zielen te brengen? Het was niet door
Zijn leer en gebed, maar door Zijn bitter lijden en dood dat Hij ons verloste. En
heeft de H. Maagd Maria niet toegestemd in het offer van Haar Goddelijke Zoon,
toen ze onder het Kruis stond? Heeft Ze haar smarten niet opgeofferd om de
machten van de hel te verpletteren en de redding van zielen te brengen? Ze heeft
haar Geliefde Zoon zo heroïsch voor ons geofferd, en dat doet Ze nu nog altijd
voor ons. Ondanks de sympathie van haar moederlijk hart offert Ze haar
liefdevolle kinderen, de offerzielen, door hen toe te laten te lijden ten
gunste van de Kerk en voor de redding van zielen, met het oog op de glorierijke
overwinning dat Ze bereikt over de machten van de hel.
"Dat is het programma van de
H. Maagd. Wat ik erover heb gezegd is de echte waarheid; het is geen
theorie dat ik heb verzonnen, maar het is een realiteit dat
ik wens kenbaar te maken en de echtheid ervan kan ik definitief bewijzen. De
ontboezemingen van de demonen bewijzen het; de bovennatuurlijke openbaringen
zijn er getuige van.
"Wanneer ik begon met mijn carrière van exorcist schreef ik de details van
de openbaringen op na elk exorcisme. Ik maakte een dagelijkse notitie van de bovennatuurlijke
manifestaties die plaatsvonden gedurende de exorcismen of tussen een serie van
exorcismen. Ik beschouw mezelf als gekwalificeerd om een exacte weergave van de
feiten te geven zoals ze zich ontwikkelden in de tijd zonder mijn notities te
moeten raadplegen. Ik kan exact zeggen wat ze zeiden. Ik heb alles wat ik heb
gezegd gezien en gehoord en ik heb het trouw opgeschreven gedurende de 25 jaar
van mijn dienst als exorcist.
" Het is door het vrijmoedig lijden van de offerzielen dat de H. Maagd
zoekt genoegdoening te bieden voor de beledigingen die gepleegd worden tegen
het H. Hart van Haar Goddelijke Zoon. Ze wenst daarbij Zijn toorn te
verminderen; genoegdoening te brengen voor de Goddelijke Gerechtigheid, en op
die manier genade en barmhartigheid voor de zondaars te verkrijgen. Het is haar
plan om voortdurend strijd te voeren tegen de demonen; om een groot aantal
zielen van hen te beroven, en de hulpeloze demonen terug in de hel te werpen. Het
werk van de offerzielen is een werk van barmhartigheid tegenover de zondaars
evenals een werk van verzoening en genoegdoening voor hun schuld.
~Heilig Hart van Jezus, ontferm U
over ons; Onbevlekt Hart van Maria, bid voor ons!
Maria
verplettert de slanguit:icxcmary.wordpress.com
In Genesis 3:15 vinden we wat soms het proto-evangelie
wordt genoemd. Het is de eerste indicatie van de verlossing van de mensheid van
zonde. Het volgt onmiddellijk op de erfzonde die Adam en Eva veroorzaakt
hebben. Iets belangrijk over God wordt hier geopenbaard: van zodra zijn
kostbaarste schepselen (degenen die hij schiep naar zijn eigen beeld en
gelijkenis) ernstig hun relatie verbraken met Hem door ongehoorzaam te zijn aan
zijn gebod, en zodoende een ernstige straf over zich riepen. De Heer God
bedacht een verlossing uit deze straf voor hun toekomstige nakomelingen. Het
deed Hem pijn hen te moeten straffen (omdat de gerechtigheid dit meebracht),
daarom was zijn hart barmhartig
De tekst van Genesis 3:15 waarin God zich tegen de slang
richt, wordt sinds eeuwenlang vermeld: Vijandschap sticht ik tussen u en de
vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het
zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel! De Hemel heeft het bevestigd
wanneer de Moeder van God verscheen aan de H. Catharina Labouré in 1830. Er
waren verschillende elementen in dit visioen, en onder hen was een beeld van
een slang onder Marias voeten. De heilige werd verteld om een medaille te
laten maken volgens het visioen. Deze verschijning van OLVrouw is een van de
weinige die formeel goedgekeurd is door de Kerk na diepgaand onderzoek over
zijn authenticiteit. De realiteit van haar macht over de duivel is ook
belangrijk voor ons begrip van Marias rol in het helpen van onze eigen geestelijke
strijd.
OLV van de Wonderdadige Medaille in Rue du Bac
Wanneer [de H. Paus Pius IX] het dogma van de Onbevlekte
Ontvangenis instelde in 1854 in zijn apostolische constitutie Ineffabilis Deus had
hij het over de H. Maagd Maria die de slang heeft verpletterd.
INEFFABILIS DEUS 8
december 1854 Z. Paus Pius IX
ARTIKEL 1 - Maria, de uitverkoren Maagd
God is onuitsprekelijk, zijn wegen zijn barmhartig en waarheid,
zijn wil is almacht en zijn wijsheid bereikt van grens tot grens alles en
ordent alles in liefde. God heeft van alle eeuwigheid het treurig bederf
voorzien die door Adams overtreding over heel de mensheid zou komen en in de
verborgenheid van eeuwen heeft Hij besloten het eerste werk van Zijn goedheid
in de vleeswording van het Woord te vervolmaken, opdat de mens die door het
bedrog van de duivel tot schuld gevoerd werd, niet tegen Gods barmhartige
bedoeling mocht vergaan. Hetgeen in de eerste Adam verloren ging, werd in de
tweede Adam (Jezus) tot hoger geluk opgericht. God heeft van in het begin en vóór
de aanvang der eeuwen, voor Zijn Eniggeboren Zoon een moeder gekozen en
toebereid. Uit Haar zou Hij het vlees aannemen en in de volheid van de tijden
geboren worden. Hij heeft haar boven alle schepselen aan Zijn liefde deelachtig
gemaakt in zon mate, dat Hij in haar een enig welbehagen gevonden heeft.
Hij heeft Haar boven alle engelen en heiligen uit de schat van Zijn
goddelijke voorraad met alle hemelse genadegunsten wonderbaar begiftigd.
Zodanig dat zij vrij van alle zondesmet is, in heel haar wezen schoon en
volmaakt, een volledige onschuld en heiligheid droeg zoals er buiten God geen is.
Zij schitterde voor altijd met de glans van de volkomenste heiligheid. Ze was
vrij van alle zondesmet, waaronder de erfzonde en zij behaalde de hoogste zege
over het oude serpent. God heeft besloten Zijn enige Zoon uit haar, de hoogwaardige
Moeder, te laten geboren worden. God die Zijn Zoon uit zijn eigen schoot aan
Hemzelf gelijk heeft geboren doen worden en die Hij daarom als Zichzelf bemint,
gaf door Haar Zijn Zoon dat Hij zowel de natuur van de Zoon van de Maagd zou
hebben, als de Zoon van de goddelijke Vader zou zijn. De Zoon heeft zelf haar
uitgekozen om waarachtig Zijn Moeder te zijn. De Heilige Geest heeft dan zo
gemaakt dat de Zoon door haar ontvangen en geboren werd.
ARTIKEL 2 - De heiligheid en verheven waardigheid van Gods Moeder
in de leer van de Kerk
Deze oorspronkelijke schuldeloosheid van de Maagd, waarmee haar
heiligheid en hoog verheven waardigheid van Moeder Gods samenhangen, heeft de
Kerk als een leer die zij van God in bezit heeft verkregen, onophoudelijk
kenbaar gemaakt en voorgedragen. De Kerk is omdat zij altijd door de Heilige
Geest onderwezen wordt, een zuil en grondslag van de waarheid. Deze openbaring
komt van de hemel en is door de Kerk met veel liefde aanvaard. Deze leer
bestond reeds in de oudste tijden en was in het bewustzijn van de gelovige diep
gevestigd door het toedoen van de kerkoversten over de hele katholieke wereld.
Daarom heeft de Kerk dit op het oog gehad, toen zij besloten heeft de
Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd aan de openbare dienst en verering van
de gelovigen voor te stellen. De Onbevlekte Ontvangenis is van alle andere
mensen helemaal onderscheiden, en moet als heilige feestdag gevierd worden. De
Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd, die met de menswording van de
goddelijke Wijsheid bij eenzelfde Godsbesluit werd vastgesteld, moet zo in het
kerkelijk officie als in de gewijde liturgie van die feestdag gebruikt worden.
ARTIKEL 3 - De Onbevlekte Ontvangenis
De Romeinse Kerk is het middelpunt van de katholieke waarheid en
eenheid, en alleen in deze is de godsdienst ongeschonden bewaard en moeten alle
andere kerken de geloofsoverlevering ontlenen. Daarom moet dit nog eens
benadrukt worden bij de leer van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd.
Daarom bevestigt de Romeinse Kerk de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, haar
verering en leer. De Kerk verdedigt haar, bevordert haar en handhaaft haar.
Hiervan geven een menigte akten van Roomse pausen onze voorgangers getuigenis, die
in de persoon van de prins van de apostelen door de Heer Christus zelf bij
goddelijke beschikking de opperste zorg en macht is toevertrouwd tot het weiden
van de schapen, en het bevestigen van broeders en het regeren en besturen van
de Kerk.
ARTIKEL 4 - De feestviering van de Onbevlekte Ontvangenis
Onze voorgangers hebben het feest van de Ontvangenis krachtens hun
apostolische macht in de Romeinse Kerk ingesteld, en het met een eigen officie
en een eigen Mis, waarin het ontbreken van de erfzonde duidelijk is uitgedrukt,
te eren en op te luisteren; en toen die dienst eenmaal was ingesteld, haar met
alle kracht te bevorderen en uit te breiden, door het verlenen van aflaten, door
steden of provinciën te machtigen om de Moeder Gods bepaald als Onbevlekt
Ontvangen tot patrones te nemen of door kerkelijke goedkeuring te geven aan
broederschappen, congregaties en religieuze orden ter ere van de Onbevlekte
Ontvangenis, of door lof te brengen aan de vrome zin, welke kloosters,
gasthuizen, altaren of kerken onder de titel van de Onbevlekte Ontvangenis
stichtten, of met een eed zich verbonden om de leer van de Onbevlekte
Ontvangenis te verdedigen.
Met grote vreugde hebben zij vastgesteld, dat het feest van de Onbevlekte
Ontvangenis (8 december) voor de hele Kerk van gelijke hoogte als de feestdag
van Marias Geboorte (8 september) zou zijn, en dat het de hele Kerk door als
feest van verplichting en met octaaf zou gevierd worden, en dat jaarlijks op de
feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen de pauselijke kapel in onze patriarchale
basiliek Maria de Meerdere zou gehouden worden. En door dezelfde wens gedreven,
om de leer van de Onbevlekte Ontvangenis in de gelovigen meer en meer zich te
doen hechten, en aan de zin van de verering van de Onbevlekt Ontvangen
Moedermaagd een nieuwe opwekking te geven, verleenden zij steeds graag en met
vreugde, dat men bij de litanie van Loreto en in de prefatie van de Mis, de vlekkeloosheid
van Maria's Ontvangenis zou verkondigden. Wij hebben niet enkel goedgekeurd
hetgeen door hen was verordend, maar wij hebben ook, met het oog op de
verordening van Sixtus IV, aan een eigen officie van de Onbevlekte Ontvangenis
onze bekrachtiging gegeven, en het gebruik aan de hele Kerk toegestaan.
ARTIKEL 5 - Het voorwerp van de viering en de leer werden steeds
voor ogen gehouden
Met duidelijke woorden hebben de pausen geleerd, dat het feest van
de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, de Onbevlekte Ontvangenis moet
gevierd worden en niet de heiliging. Ook een verzwakking van de leer van de
Onbevlektheid van de Ontvangenis is verworpen voor zij die een onderscheid
maakten tussen het eerste moment van de Ontvangenis en een later ogenblik. Ook
werd verworpen degenen die beweerden dat wel de Ontvangenis moest gevierd
worden maar niet die van het allereerste ogenblik. Het is het feest voor de
Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd, maar ook van die Ontvangenis vanaf haar
eerste moment. Vandaar deze afdoende woorden, waarmee onze voorganger Alexander
VII de ware bedoeling van de Kerk heeft verklaard, "Het is een oude
piëteit van de gelovigen tegenover de Allerzaligste Moedermaagd Maria, dat haar
ziel vanaf het eerste ogenblik van haar schepping en haar instorting in het
lichaam, door een bijzondere genade en voorrecht Gods, om de verdiensten van
Jezus Christus, haar Zoon de Verlosser van de mensheid, van de smet van de
erfzonde vrij bewaard is, en dat zij het feest van haar Onbevlekte Ontvangenis
plechtig houden en vieren". ( )
ARTIKEL 8 - De leer van de Onbevlekte Ontvangenis is altijd door de
godgeleerden onderwezen en door de kerkvergadering van Trente bevestigd
Vervolgens is het aan allen bekend met welke geestdrift de leer van
de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd door de aanzienlijkste religieuze
orden, door de meest beroemde godgeleerde academies en de in de goddelijke
wetenschap uitmuntendste leraren is onderwezen, verdedigd en voorgestaan. Ook
weet een ieder hoezeer de kerkoversten er een voorwerp van zorg van gemaakt
hebben om zelfs in kerkelijke vergaderingen openlijk belijdenis af te leggen,
dat de allerheiligste Moeder Gods en Maagd Maria omwille van de voorziene
verdiensten van Christus, de Heer en Verlosser, nooit aan de erfzonde onderworpen
is geweest, maar van de oorspronkelijke smet helemaal bewaard is gebleven en zo
op verhevener wijze verlost is geworden. Hierbij komt nog dat de
kerkvergadering van Trente, toen zij haar dogmatisch decreet over de erfzonde
uitvaardigde, op het gezag van de getuigenissen van de H. Schrift, van de
heilige Vaders en van de meest gezaghebbende Concilies, bepaalde dat alle
mensen geboren worden met de erfschuld, behalve de H. Maagd. De Trentse vaders hebben
toen ook genoegzaam betekend, dat de allerzaligste Maagd van de erfsmet vrij
is, en zo te kennen gegeven dat er niets uit de H. Schrift, noch uit de
Overlevering en de lering van de kerkvaders, iets geldigs kan worden ingebracht
tegen het grote voorrecht van de H. Maagd.
ARTIKEL 9 - Zowel het Oosten als het Westen heeft dit leerstuk
onveranderd bewaard ( )
ARTIKEL 10 - De heiligheid, waardigheid en reinheid van Maria
werden in de loop van de eeuwen in hogere eer gesteld
Aan de Vaders nu en aan de kerkelijke schrijvers die door de
orakelen van de hemel onderricht waren, was niets liever dan in de werken die
zij schreven, hetzij ter verklaring van de H. Schriftuur, hetzij ter handhaving
van de leerstukken van de Kerk of tot onderrichting van de gelovigen, Maria's
hoge heiligheid, haar verheven waardigheid, alsmede haar reinheid van alle
zondesmet en haar roemrijke zege over de afschuwelijke vijand van de mensheid
hoger in ere te stellen. Zij legden de woorden uit toen God bij de aanvang van
de wereld de middelen aankondigde die Zijn liefde ter vernieuwing van de mensen
bereid had. Hij zei: Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw, tussen uw
zaak en haar zaad. Op dat moment dwarsboomde God de stoutheid van de
verleidende slang en verlevendigde Hij de hoop in het hart van de mensheid. In
deze Godspraak werd duidelijk aangekondigd dat de barmhartige Verlosser, Jezus
Christus de eniggeboren Zoon Gods zou komen, en bovendien ook zijn Moeder, de
H. Maagd Maria, en dat ook hun beider vijandschap tegen de duivel met kracht
was uitgedrukt. Christus, de Middelaar tussen God en mensen, heeft dan de
menselijke natuur aangenomen en het handschrift van het besluit dat tegen ons
was teniet gedaan op het Kruis. En ook de H. Maagd heeft met Jezus door de
nauwste en onlosmakelijke band verenigd, tegelijk met Hem en door Hem, het
giftige serpent met onbezoedelde voet zijn kop verplet en zo de zegepraal
behaald.
ARTIKEL 11 - De deugden van Maria zag men vele keren in de Schrift
Dezelfde grote zegepraal van de H. Maagd, haar onschuld,
zuiverheid, heiligheid en reinheid van elke zondevlek, evenals de onuitsprekelijke
veelheid en grootheid van alle genaden van de hemel en van deugden en
voorrechten haar geschonken zagen de Vaders ook
in de ark van Noah die op Gods bevel vervaardigd werd en van de
ondergang van de hele wereld werd behouden;
in de ladder die Jacob van de aarde tot de hemel zag reiken, en
waar Gods engelen op en afklommen en waar de Heer op rustte;
in het braambos dat Mozes aan alle kanten branden zag zonder dat
het door de knetterende vuurvlammen verbrand of beschadigd werd, maar voor zijn
oog groeide en bloeide;
in die onoverwinnelijke toren die voor de vijand staat en waarvan duizend
schilden afhangen en de hele wapenrusting van de sterken;
in die gesloten tuin die niet geschonden mag worden, noch door enig
listig overleg bedorven worden;
in de glanzende stad Gods wier grondvesten in de heilige bergen
zijn;
in de eerwaardige tempel Gods die schitterend van goddelijke glans
is van de heerlijkheid van de Heer;
in vele andere beelden, waarin de Vaders geleerd hebben, dat de
verheven waardigheid van de Moeder Gods, haar ongeschonden onschuld en haar onbevlekte
heiligheid is voorzegd.
ARTIKEL 12 - Hierbij werd ook geput uit de profeten, uit de groet
van de Engel en van Elisabeth
Zo ook hebben zij zich van de woorden van de profeten bediend om
het geheel van goddelijke gaven en de oorspronkelijke zondeloosheid van de
Maagd, uit welke Jezus geboren is, te kennen te geven, en haar, als een reine
duif, als het heilig Jeruzalem, de verheven troon van God, de ark van de
heiligmaking, de woonstede welke de eeuwige Wijsheid Zichzelf gebouwd heeft, de
koningin die overvloeiende van geneugten en steunende op haar Geliefde gekomen
is uit de mond van de Allerhoogste geheel volmaakt, schoon en door God geliefd
en door geen vlek van enige besmetting ooit bezoedeld. De Vaders en kerkelijke
schrijvers vestigden hun aandacht er ook op, dat de allerzaligste Maagd door de
engel Gabriël, wanneer deze haar de verheven waardigheid van Moeder Gods
boodschapte, uit naam en op bevel Gods vol van genade genoemd werd, dat de
Moeder Gods geweest is als de zetel van alle goddelijke genaden; een rijk
versierde met al de genadegaven van de goddelijke Geest. Ze was als een
onuitputtelijke schatkamer en een bodemloze afgrond van diezelfde genadegaven;
zodat Zij nooit aan de vloek van de zonde onderworpen was maar zoals haar Zoon
deelgenote was van een eeuwige zegen. Elisabeth zei woorden tot de H. Maagd die
door de Heilige Geest waren ingegeven: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw
schoot.
ARTIKEL 13 - Maria is boven de lof van Engelen en mensen verheven
De roemrijke Maagd aan welke de Allermachtigste grote dingen gedaan
heeft, door een rijkdom van alle hemelgaven en een volheid van genade te geven,
is zij uitgeblonken door een ongekrenkte onschuld. Zij is als een
onuitsprekelijk Godswonder, het hoogste wonder, en zij was het waardig om Gods
Moeder te zijn. En zij is voor zover dit van enig schepsel gelden kan, van de
Godheid het dichtst bijzijnde, boven het lof van mensen en engelen verheven.
Bij de verdediging van haar oorspronkelijke onschuld en gerechtigheid
vergelijken zij haar niet alleen vaak met Eva die nog maagd, nog schuldeloos,
nog onbedorven is en nog niet door de dodelijke list van de sluwe slang verleid
werd, maar verheffen haar boven Eva. Eva is, door toegevendheid aan de slang, uit
de oorspronkelijke onschuld vervallen én slavin van de verleider geworden,
terwijl de gelukzalige Maagd de oorspronkelijke gaven altijd heeft vermeerderd.
Bovendien heeft Zij de sterkte en macht van het serpent met de door God
geschonken kracht neergeslagen.
ARTIKEL 14 - Zij bleef naar lichaam en ziel vrij van alle zondesmet
Onophoudelijk wordt de Moeder Gods door hen genoemd
een lelie onder de doornen;
een ongerepte, maagdelijke,
onbesmette, onbevlekte aarde altijd gezegend en van alle aanraking van de
zonde vrij, waaruit de nieuwe Adam gevormd is;
een niets missend, hel verlicht
en schoon paradijs van onschuld en onsterfelijkheid en genieting dat door
God zelf is geplant en tegen alle listen van het giftige serpent
beveiligd;
een nooit verwelkende boom die
van de worm van de zonde niet is beschadigd;
een bron zonder slijk en door
de kracht van de Heilige Geest bezegeld;
een goddelijke tempel;
een schatkamer van
onsterfelijkheid;
de ene en enige dochter, niet
van de dood, maar van het leven;
de spruit, niet van de toorn
maar van de genade, die altijd groeit uit de bedorven en aangestoken
wortel, door de voorzienigheid Gods, buiten de vaste en algemene wetten
om, geschoten is.
Citaten uit het Oude en Nieuwe Testament over
demonen
Deut 32:16-17 Zij tartten Hem met
vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; aan geesten
offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen,
pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd.
Ps 106:37-38 zij brachten ten offer hun
zonen, hun dochters aan de demonen, vergoten schuldeloos bloed, -
het bloed van hun zonen, hun dochters die zij Kanaäns afgoden offerden! -, door
bloedschuld werd de aarde ontwijd.
Lev 17:7 Zij mogen niet langer
slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit
is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door.
Jes 13:21 De dieren van de woestijn
hebben er hun rustplaats, de huizen zitten vol uilen, struisvogels wonen er en saters
dansen er in het rond.
Jes 34:14 Woestijndieren en hyena's
komen er samen, saters
ontmoeten elkaar. Ook Lilith vindt er rust, zij woont er ongestoord.
Matt 8:31 De duivels nu smeekten Hem: Als
Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.
Boze en onreine geesten
Openb 16:13 Toen zag ik uit de muil van
de draak en uit de muil van het beest en uit de muil van de valse profeet drie onreine geesten te voorschijn komen in de gedaante van kikvorsen.
Openb 16:14 Duivelsgeesten zijn het, die
wonderen doen en uitgaan naar de koningen van de gehele wereld, om hen te
verzamelen voor de strijd op de grote dag van God, de Albeheerser.
De boze geesten die zoveel mensen bezet
hadden toen de Heer op aarde was, waren demonen, en uit de vermelde gevallen
leren we veel aangaande hen. In de synagoge te Kafarnaüm, waar Jezus leerde,
openbaarde zich een onreine geest in een bezoeker.
Marc 1:23-28 Er bevond zich in hun
synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest en luid begon
te schreeuwen. 'Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt
gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet, wie Gij zijt: de heilige
Gods.' Jezus voegde hem dreigend toe: 'Zwijg stil en ga uit hem weg.' De
onreine
geest schudde hem heen en weer, gaf nog een luide schreeuw en ging
uit hem weg. Allen stonden zó verbaasd, dat ze onder elkaar vroegen: 'Wat
betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag! Hij geeft bevel aan de onreine
geesten en ze gehoorzamen Hem.' Snel verspreidde zijn faam zich naar alle
kanten over heel de streek van Galilea.
Deze geest sprak door de mond van de
bezetene. Hij wist wie Jezus was en erkende zijn macht. Hij wist van de straf
die hem in de toekomst wacht. Hij beheerste niet alleen de tong, maar ook het
lichaam van de bezetene: hij liet hem stuiptrekken. Bezetenheid gaat verder dan
beϊnvloeding. De satan en zijn demonen kunnen mensen beϊnvloeden zonder hen te
bezetten. De Farizeeën zeiden dat de Heer demonen uitdreef door Beëlzebul, de
overste van de demonen. De Heer legde dit als Satan uitwerpen door satan uit,
waardoor wij leren dat de demonen dienaren van Satan zijn, en dat Satan als een
sterke man moet worden geboden voor zijn koninkrijk kan worden binnengevallen.
Matt 12:24-29 Maar de Farizeeën die dat
hoorden, antwoordden: Hij drijft de duivels alleen maar uit door Beëlzebul, de
vorst der duivels. Omdat Hij hun gedachten kende, zei Hij tot hen: Elk rijk
dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij; en geen stad of huis, in
zichzelf verdeeld, houdt stand. Als nu de satan de satan uitdrijft, is hij
met zichzelf in strijd: hoe kan zijn rijk dan standhouden? Bovendien als
Ik door Beëlzebul de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit?
Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als Ik door de geest Gods de
duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan
iemand binnendringen in het huis van een sterke en zijn huisraad roven, als hij
niet eerst die sterke heeft geboeid? Dan pas kan hij zijn huis leeghalen.
De demonen waren ook sterken, wat
gebleken is door hun behandeling van bezetenen en door de kracht die ze bewezen
door zeven mannen te verwonden en te doen vluchten.
Hand 19:11-16 God deed door Paulus ook
buitengewone wonderen en men nam zelfs de hoofddoeken en het lijfgoed dat hij
gedragen had mee naar de zieken, waardoor de kwalen van hen werden weggenomen
en de boze geesten hen verlieten. Ook een paar rondtrekkende joodse
duivelbezweerders probeerden over hen die door boze geesten bezeten waren, de
naam van de Heer Jezus uit te spreken door te zeggen: Ik bezweer u bij de
Jezus, die Paulus predikt. Het waren de zeven zonen van een zekere
Skevas, een joodse hogepriester, die dit deden. Maar de boze geest gaf hun
ten antwoord: Jezus ken ik, wie Paulus is weet ik ook; maar gij, wie zijt
gij? Toen sprong de man waarin de boze geest huisde,
op hen toe, overweldigde hen allen en zijn kracht was zo groot, dat ze naakt en
overdekt met wonden uit dat huis moesten wegvluchten.
Met rede begiftigd
We weten ook dat ze met verstand en
redeneervermogen begiftigde wezens zijn, want ze kennen de Heer Jezus en bogen
onmiddellijk voor Zijn gezag. Ze weten ook dat hun straf te wachten staat:
sommigen vroegen de Heer tot Hij tot hen was gekomen om hen vóór de tijd te
pijnigen.
Matt 8:28-32 Toen Hij aan de overkant
gekomen was in het land der Gadarenen, liepen Hem twee bezetenen tegemoet; zij
kwamen uit de grafspelonken te voorschijn en waren zeer gevaarlijk, zodat
niemand daarlangs kon gaan. Plotseling begonnen ze te schreeuwen: Wat
hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de
tijd te kwellen? Een eind van hen vandaan was men een grote kudde zwijnen
aan het hoeden. De duivels nu smeekten Hem: Als Gij ons uitdrijft,
stuur ons dan in die kudde zwijnen. Hij zei hun: Gaat heen. En zij
verlieten hen. Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen, of de hele
kudde stortte zich van de steile oever in het meer en kwam in het water om.
Marc 1:34 Velen die aan allerhande
ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet
toe dat de boze
geesten spraken, omdat zij Hem
kenden.
Hun kennis over Jezus
In de confrontatie met de Heer Jezus
geven zij er blijk van Hem te kennen: zij noemen Hem de Heilige Gods, Luc
4:34, de Zoon van God, Luc 4:41. Ze weten dat Hij de Christus is, Luc 4:41,
en dat hij hen eens zal in de hel werpen, Luc 4:34.
Luc 4:33-35 Eens bevond zich in de
synagoge een man die bezeten was door een onreine geest en luid begon te
schreeuwen: 'Jezus van Nazaret, wat hebben wij met elkaar te maken? Zijt
Ge gekomen om ons in het verderf te storten? Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods.' Jezus voegde hem toe: 'Zwijg stil en ga van
hem weg.' De boze geest slingerde hem tussen de mensen en ging van hem weg
zonder hem enig letsel te hebben toegebracht.
Luc 4:41 Uit velen gingen ook duivels
weg, die schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God.' Hij gaf een streng
bevel en liet niet toe dat zij spraken, want zij wisten dat Hij de Messias was.
Verleidende geesten
We worden aangemaand geesten, valse
profeten, die tot ons komen te beproeven:
1 Joh 4:1-3 Vrienden, vertrouwt niet
elke geest. Onderzoekt de geesten, of ze wel van God komen, want onder hen die
tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten. Hieraan onderkent
gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk
mens is geworden, is van God; maar iedere geest, die Jezus neerhaalt, is
niet van God, en dat is de eigenlijke antichrist'. Men heeft u gezegd dat hij
komen zou, maar hij is reeds in de wereld, nu al.
Met deze aanmaning stemt de mededeling
in 1 Tim 4:1-2 overeen:
De Geest zegt nadrukkelijk, dat in de
laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij gehoor geven
aan dwaalgeesten en demonische leringen, verleid door huichelachtige
leugensprekers, wier geweten met een brandijzer is toegeschroeid.
Spiritisten en theosofen hebben contact
met verleidende geesten en worden door hen geleerd.
Demonen en natuurverschijnselen
God draagt, onderhoudt en bestuurt de
waarneembare schepping. En onder Gods toelating speelt zijn tegenstander,
satan, ook een rol van veroorzaker van natuurfenomenen. Dat de geest op stof
kan inwerken bewijzen wijzelf. Onze onstoffelijke geest staat in wisselwerking
met ons stoffelijk lichaam.
Boze geesten kunnen aardse fysische
gebeurtenissen beϊnvloeden.
Job 2:7-8 En Satan verliet de
vergadering. Hij sloeg Job met kwaadaardige zweren van voetzool tot
kruin. Job krabde ze af met een scherf, gezeten in as en vuil.
Ook de eerdere rampen die Jobs
veestapel en kinderen overkwamen, lijken door satan veroorzaakt te zijn. God
gaf hem tijdelijk zulk een vrijheid van handelen ten opzichte van Job. De
occulte tovenaars van Egypte konden staven in slangen veranderen, water in
bloed veranderen en een kikkerplaag veroorzaken. Het Beest uit de aarde zal
vuur uit de hemel laten neerdalen op aarde. Openb 13:13
Afgoderij en demonen
De H. Schrift openbaart dat afgoderij
in wezen aanbidding van demonen is, de afgod zelf is niets.
Deut 32:17; 1 Kor 10:19-20 Ze offerden
aan demonen, niet aan God.
Lev 17:7; Openb 9:20 Zij zullen niet
meer hun offers aan demonen brengen.
2 Kron 11:15 Jerobeam was zo diep
gezonken omdat hij priesters had aangesteld voor de demonen en voor de kalveren
die hij gemaakt had.
Ps 106:37 Sommige Israëlieten offerden
hun zonen en hun dochters aan de demonen.
1 Kor 10:19-21 Achter de aanbidding van
afgoeden en afgodsbeelden zitten boze, onreine geesten, zodat het zedelijk
onmogelijk is om gemeenschap te hebben met de Heer Jezus en met deze demonen.
Deut 32:16-17 Zij tartten Hem met
vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; aan geesten
offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen,
pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd.
Toekomst
In een toekomstige tijd, wanneer God
Zijn oordelen over de aarde zal brengen, zullen de mensen zich niet bekeren,
maar demonen en allerlei afgoden blijven aanbidden, Openb 9:20. De geesten van
demonen zullen door tekenen de koningen van de aarde verzamelen tot de oorlog
op de grote dag van de almachtige God, Openb 16:14. En Babylon, het valse
godsdienstige stelsel van de eindtijd, zal zijn de woonplaats van demonen, en
een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een schuilplaats van alle onrein
en verfoeilijk gevogelte. Openb 18:2
Wanneer Jezus zijn vrederijk vestigt op
aarde, zullen de demonen worden opgepakt en in de hel, die voor hen en de satan
is bereid, worden geworpen. Ze zullen in het verderf worden gestort. Ze weten
dat hen deze straf te wachten staat.
Marc 1:24 'Jezus van Nazaret, wat hebt
Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik
weet, wie Gij zijt: de heilige Gods.'
De Maagd Maria, de offerzielen en de demonen 30
jaar van ervaringen als een exorcist vertelt in zijn eigen woorden door Rev.
Theodore Geiger.
In Maria verplettert de Slang lezen we:
De H. Maagd Maria heeft een klein leger van nobele zielen geselecteerd die
bereid zijn alles te lijden en zich vrijwillig aan God te offeren als een
holocaust in de verzoening van zielen. Ze heeft hen geselecteerd om rechtstreeks
te vechten tegen de demonen. Ze zullen de macht van Lucifers legioenen breken
op aarde en zullen hen beroven van een heel deel slachtoffers die hij reeds als
de zijne aanzag.
"Deze geselecteerde zielen zullen moedig de aanvallen van de demonen
dragen. Ze zullen bezetenheid lijden om de zielen van de medemens te bevrijden
van het juk van de boze. Ze nemen de plaats in van de schuldigen om hen te
bevrijden van de macht van de demon die hun begrip heeft verduisterd en die
probeert hun misleide wil te verharden. Het is een wereldwijde strijd tussen de
wreedheid van de demon en de liefde van de offerziel voor het kruis.
"De offerzielen verduren lichamelijke lijden evenals directe aanvallen
tegen de fijngevoelige machten van de ziel. Ze zullen echter overwinnen met hun
geestelijke helpers. Hun lagere natuur zal verpletterd worden door demonische
martelingen, maar hun hogere geestelijke natuur zal triomferen over de
boosaardige geesten door hun vrijmoedige onderwerping aan het lijden. Hun
geestelijke machten zullen toenemen naarmate hun lijden toeneemt die ze
verdragen, want in elk liefdevol lijden zullen ze een toename van liefde
ontvangen.
"De macht van de demonen zal geleidelijk verminderen, tenminste uiterlijk.
Al hun energie zal uitgeput raken
in hun hevige aanvallen tegen deze offerzielen. Zou de offerziel
standhouden in haar offer, dan zal haar invloed toenemen, en dat van de demon
zal geleidelijk verminderen. Daaruit volgt dat de offerziel zal overwinnen en
de vijand volledig verpletterd zal zijn. De strijd tussen zon offerziel en de
demon is een echt duel tot de dood. Ze zijn als twee gladiatoren die gedwongen
zijn te vechten tot een slachtoffer valt in de strijd. De demon is vol haat
tegen al wat goed is.
"Bij jullie is alles liefde, maar bij ons is alles haat. Hij houdt van de slechten enkel uit haat voor
het goede. Een demon vertelde me dat hij mensen verleidt tot verschillende
ondeugden niet omdat hij van deze ondeugden houdt, maar omdat hij hun deugden
verafschuwt. Wanneer hij een deugdzame of welwillende ziel ziet die God kan
gebruiken om iets kostbaars te voltooien, wordt zijn haat aangestoken en
probeert hij alles te doen om die ziel van haar deugden te beroven en probeert
hij het haar onmogelijk te maken iets goeds te doen. Hij kan niet voorspellen
wat de resultaten van zijn aanvallen zullen zijn. Hij zei me: "We weten
niet waar we zullen uitkomen." Hij gebruikt elke kans om kwaad te
doen en jaagt blindelings zijn haat tegen het goede na zonder te weten waar hij
met zijn woede en zijn streven naar het kwaad zal uitkomen.
"Geleid door
trots hoopt hij altijd op succes en overwinning. "Ik ben te
hoogmoedig," zei hij, "om te geloven dat ik zal falen
in mijn poging." Daarom doet hij blindelings voort en tot zijn
eigen schaamte is hij een instrument in het brengen van veel goeds. De demon
zelf vertelde me dat er vele dingen zijn die gij niet zou doen als hij op
voorhand zou weten wat het resultaat is. Al deze verklaringen werden opgenomen
in een echte strijd van demonen met hun slachtoffers.
"De demon is zich bewust van deze deugdzame zielen die offerzielen zijn en
hij weet dat ze veel goeds kunnen doen. Gedreven door haat valt hij hen aan
zonder te weten wat de gevolgen zullen zijn, maar hij twijfelt niet aan zijn
eigen succes. Hij heeft ze onder zijn controle om hen te doen vallen en om God
hun eer te ontnemen. God laat dit toe, maar eens de demonen vrijmoedig heeft
ondernomen deze zielen aan te vallen, dwingt God Zijn afgezanten de strijd
voort te zetten tot het einde. De demon zal ofwel overwinnen of neergeslagen
worden. Hij zei mij:"Het
lijkt alsof God ons zegt: Ga ervoor! Ik moet verder
doen. Ondanks zijn trots
om een strijd aan te gaan voor een mogelijke overwinning, weet hij en geeft hij
toe dat liefde zal winnen. "Omdat," zegt hij,
"liefde machtiger is dan haat."
"De strijd van deze offerzielen tegen de demonen brengt de heiliging van
deze zielen met zich mee. De demon verklaart dat een bepaald aantal van zielen
onder de heerschappij is van elke demon die ronddwaalt op aarde. Het doel is
niet de demonische bezetenheid zelf, maar eerder de controle over de ziel door
zonde en een gewillige aanhang aan het kwaad. Hij aanziet deze zielen als zijn
oorlogsbuit, omdat hij hun hart verduistert en daarbij maakt hij hun terugkeer
naar het goede bijna moreel onmogelijk.
"Over deze zielen wiens wil onderworpen is aan zijn controle zegt de
demon: "Wanneer ik de wil van een individu heb, dan bespot ik jullie
God." Toch geeft hij toe dat de bekering van die ziel niet
onmogelijk is. Ze kunnen berouw tonen, maar het is zeer moeilijk.
"Gelukkig zijn
er offerzielen die zich meester maken van deze gekwelde zielen vanonder de
greep van de demon. Als ze niet allen op deze manier worden bevrijd, zijn er
toch een groot deel zo bevrijd:
Volgens de bekentenissen van de demonen, verliezen ze hun macht in de strijd
met deze offerzielen. Niet alleen verliezen ze het slachtoffer, maar ze worden
ook hulpeloos gemaakt. Ze verliezen ook controle over de zielen die hun slaven
geworden zijn door zonde. Nadat ze bevrijd werden kunnen deze zielen voor wie
de offerzielen hebben geleden en verzoening hebben gebracht voor de Goddelijke
Gerechtigheid, opnieuw genieten van Gods barmhartigheid en kunnen ze zich
gemakkelijk bekeren. De duivel heeft dan niet langer macht om hen tegen te
houden.
"Ik vroeg aan een overwonnen demon die gedwongen was om alle zielen te
bevrijden die hij in slavernij van zonde hield: "Zijn al deze zielen
bekeerd?" Waarop hij antwoordde : "Sommigen zijn inderdaad
bekeerd; de anderen kunnen zich bekeren als ze willen." De hulpeloze demonen blijven in hun slachtoffers achter als in een
gevangenis, zonder de mogelijkheid te hebben ergens anders te gaan, of extern
actief te zijn. Ze wachten op de nederlaag van hun hele groep, wat gebeurt als
hun leider volledig overwonnen is. Van zodra hun leider alles verloren heeft
dat hij en zijn metgezellen hebben bezeten op aarde, moet hij terugkeren naar
de hel, en moet hij al zijn volgelingen meenemen. Want de demonen zeiden mij: We
kunnen niet op aarde blijven als we hier niet langer de controle uitoefenen."
"Een demon deed de volgende bemerking nadat ik hem had gedwongen om een
non te verlaten over wie ik een exorcisme had uitgevoerd: "Laat me
hebben wat ik bezit op aarde en ik zal haar onmiddellijk verlaten. Maar als ik uit
haar moet vertrekken, dan moeten we alles opgeven en terugkeren naar de hel. Omwille
van deze reden laat God ons toe om ons tot het allerlaatste te verdedigen."
"De demonen beweren dat de zonden van de mens hen macht over hen geven. Ze
zeggen dat God demonen toelaat om te houden wat ze hebben overwonnen door de
misleide wil van de mens, en enkel de vrije wil van de mens kan van hen
wegnemen wat de vrije wil van de mens hen heeft gegeven. Door het vrijwillig
lijden van de offerzielen worden de demonen beroofd van wat de mensen hen
gegeven hebben door zonde.
"Gedurende het exorcisme van een offerziel vroeg ik de demon wanneer het
lijden van dit slachtoffer zou ophouden. Hij antwoordde dat het volledig afhing
van de offerziel zelf. Ze moest enkel het verlangen hebben haar lijden te beëindigen
en de demonen gerust laten in plaats van tegen hen te strijden om ze te beroven
van gevangen zielen. "Ze zou bij haar geliefde (Jezus) moeten
blijven, zei de demon van
het slachtoffer, "en we zullen haar in vrede laten Waarombemoeit ze zich in onze familie? Omdat ze het
niet anders wilt. Ze is er tevreden
mee."
"De demon geeft
toe dat de offerziel wilde lijden en dat door dit lijden ze in het rijk van de
demon binnendrong en zielen roofde van hem. Volgens de demonen is het de
Heilige Maagd die de lijdende zielen tegen de demonen leidt en hen dwingt te
strijden tegen de offerzielen tot ze overwonnen zijn. De H. Maagd verbindt een
leider aan een offerziel. Wanneer een groep hulpeloos is gemaakt, volgt een
andere om hetzelfde lot te ondergaan
"Dat een zwak menselijk schepsel, een offerziel, hen overweldigt vernedert
de trots van de demonen. "Zij (de H. Maagd) zou zelf moeten komen om
ons te verpletteren," schreeuwde de overwonnen en vernederde demon,
"maar te denken dat twee zwakkelingen zoals jij en zij (de exorcist
en het slachtoffer) mij op zon manier vernederen !"
Hoop is een noodzakelijk onderdeel voor een volledig,
vervuld leven als christen. Er is het gezegde Waar hoop is, is leven, of
Hoop doet leven. Daar zit volgens mij veel waarheid in. Maar laat ik zeggen
dat het omgekeerde ook waar is: Waar geen hoop is, daar is geen leven. Naar mijn mening is hopeloosheid één van de
meest trieste dingen die een mens kan meemaken. Ik kan me moeilijk iets
droevigers en uitzichtlozers voorstellen dan wanhoop en toch, ontelbare
miljoenen mensen in onze wereld vandaag zijn hopeloos. Maar gelukkig, je hoeft
niet hopeloos te zijn en je kan zelfs anderen helpen om uit die beproeving te
komen!
Samenwerken
Om ons begrip van hoop te vergroten, kijken we naar 1 Tess
1:2-6. In deze passage laat Paulus een beeld zien van Gods volk, de christenen
van Thessalonica, die genieten van hun hele erfenis. Ze hebben geloof, ze
hebben hoop en ze hebben liefde. Let erop dat hij alle drie deze deugden
vermeldt en dat hij God voor hen dankt. Dit is wat Paulus zegt:
Wij zeggen God dank voor u
allen, telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden. Onophoudelijk
gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw
onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus
Christus. Wij weten, broeders, dat God u liefheeft en dat gij door Hem
zijt uitverkoren, want wij hebben u het evangelie verkondigd niet alleen
met woorden maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging. Gij weet
trouwens zelf wel hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw
heil. En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer,
toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met
vreugde van de heilige Geest.
Het is duidelijk dat de geestelijke gesteldheid van deze
christenen in Thessaloniki Paulus ervan overtuigde dat zij echt mensen waren
die in God waren. Wat hij in hen zag waren deze drie voortdurend aanwezige
realiteiten: geloof, liefde en hoop. In het woord van goedkeuring dat hij over
hen uitspreekt, gebruikt hij een aantal karakteristieke woorden om te
beschrijven wat er aan elk van deze waarheden zo bijzonder is. Hij heeft het
over het werkdadig
geloof, de onvermoeibare liefde en de standvastige hoop. Tegen
christenen in Thessalonica zegt hij: de standvastigheid van (jullie) hoop. We
zien dus dat hoop volharding, vasthoudendheid, standvastigheid,
uithoudingsvermogen voortbrengt. Zonder deze kwaliteiten van
uithoudingsvermogen, standvastigheid en volharding die hoop produceert, zouden
we gemakkelijk de eerste twee deugden namelijk geloof en liefde kunnen
verliezen.
De bron van hoop
Hoe kunnen we deze hoop verkrijgen? Het antwoord is dat
hoop het directe resultaat is van de wedergeboorte. Ze is het directe gevolg
van het door de Heilige Geest wederom geboren worden door geloof in Jezus
Christus. Hoop komt niet door gewoon algemeen geloof in Jezus Christus, maar
eerder een specifiek geloof in Zijn dood, begrafenis en opstanding. Deze
waarheid bevestigt de apostel Petrus in zijn eerste brief:
Gezegend is God, de Vader van
onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren
worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood.
(1
Petrus 1:3)
Let op die erg belangrijke zin: herboren worden tot een
leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood Dit leert ons
dat als wij geloven in de dood van Jezus Christus en Zijn opstanding we geboren
worden in een levende hoop. Hoop komt in ons door de verrijzenis van Jezus
Christus uit de dood. We moeten deze ultieme, historische basis voor alle hoop
goed begrijpen. De basis voor
werkelijke, blijvende hoop is de opstanding van Jezus. Zonder de
opstanding van Jezus, zou het leven hopeloos zijn. Het is de opstanding van
Jezus die ons in een levende hoop brengt.
Hoop gaat door
Het is belangrijk om ons te realiseren dat deze hoop moet
blijven doorgaan tot de voltooiing van onze redding. We zien een andere
essentiële waarheid in dezelfde brief van Petrus, vers 13:
Weest daarom wakker en actief,
weest nuchter, vestigt heel uw hoop op de genade die uw deel wordt, wanneer
Jezus Christus zich zal openbaren.
Wat Petrus hier zegt, is dat het proces van redding nog
niet compleet is. Het zal uiteindelijk pas volledig voltrokken worden bij de
Tweede Wederkomst van Jezus Christus. Intussen moeten wij onze hoop volledig
stellen op die toekomstige gebeurtenis. Terwijl wij onze weg gaan door dit
leven, moeten wij aan dit bevel van Petrus gehoorzamen. Wij moeten onze hoop
volledig stellen op de genade en zegen die ons ten deel zal vallen door de
terugkomst van Jezus in heerlijkheid.
Tot het einde
Zoals dit belangrijke principe, brengt de schrijver van
Hebreeën een ander belangrijk facet van hoop naar voren in Hebreeën 3:6:
Christus echter is getrouw als zoon, aangesteld over het
huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de
hoop die onze trots is ongeschokt bewaren tot het einde.
Let er opnieuw op dat deze hoop moet worden vastgehouden
tot het einde toe. We mogen ons hopen niet opgeven, totdat die vervuld is door
de gebeurtenis. Dat is waarom de schrijver van Hebreeën de aansporing hierboven
geeft. Om deel te zijn van het volk van God, moeten we ons vertrouwen en de
vrijmoedigheid van onze hoop vastberaden vasthouden tot het eind.
De soort hoop die we moeten vasthouden is geen passieve,
innerlijke verwachting. Nee, het is eerder heel sterk, heel zelfverzekerd, vol
vertrouwen. Het is een hoop die het uitroept, die vrijmoedig de Heer roemt.
Deze opdracht om uitdrukking te geven aan onze hoop en zo die hoop in stand te
houden, is deel van wat God voor ons heeft voorzien. De voortdurende verklaring
van onze zekere verwachting van de komst van de Heer Jezus en de opstanding uit
de dood - tot het einde van ons leven of de komst van Jezus Christus. Uit:
www.derekprince.nl
Hoop is een bovennatuurlijke deugd waarbij we
vertrouwensvol Gods belofte verwachten, het eindeloze geluk van de Hemel en de
noodzakelijke middelen om het te bereiken. Om overtuigd te zijn van de
onschatbare waarde van deze deugd, en het voortdurend in praktijk brengen
ervan, is het goed om de doelstelling van onze hoop te overwegen. Het eerste
doel van onze hoop is het bezit van God in de Hemel. De hoop om God eeuwig in
de Hemel te bezitten is verenigd met liefde, want enkel in de Hemel zal de
voltooiing en perfectie van liefde gevonden worden. Volgens de leer van de H.
Thomas sluit liefde de hoop op een beloning die God heeft voorbereid voor ons
in de Hemel niet uit. Want God alleen is het doel van het eeuwig geluk voor de
uitverkorenen.
Het goede waar ik op hoop, zegt de H. Franciscus van
Assisi is zo groot dat alle lijden voor mij een plezier wordt. Dit verlangen
is een daad van perfecte liefde. De H. Thomas leert ons dat de hoogste graad
van liefde wat een ziel op aarde kan bereiken is een vurig verlangen naar de
Hemel, om daar verenigd te zijn met God en Hem voor eeuwig te bezitten.
Kardinaal Bellarmine denkt dat in het Vagevuur er een plaats is waar zielen
geen pijn door de zintuigen ervaren, maar gemarteld worden enkel omdat ze de
aanwezigheid van God missen. De H. Gregorius, de H. Vincent Ferrer, de H.
Brigitta en de H. Bede noemen een aantal omstandigheden op waar de zielen
worden gemarteld niet op basis van hun zonden, maar omdat ze geen verlangen
hadden naar de Hemel. Er zijn zielen die streven naar perfectie, maar zonder
enig speciaal verlangen om de aarde te verlaten en verenigd te zijn met God.
Maar sinds het eeuwig leven een kostbare schat is dat Jezus Christus voor ons
heeft gekocht door Zijn dood, moeten de zielen die maar een zwak verlangen
hadden later lijden hiervoor. Er zijn drie dingen noodzakelijk voor het
bereiken van het eeuwig leven: de vergeving van onze zonden, de overwinning
over bekoringen en de kroon van alle genaden: een heilige dood. Deze drie zaken
zijn de voorwerpen van onze hoop.
De
vergeving van onze zonden
Aan elke zondaar die berouw toont, belooft God vergeving.
God zal een berouwvol en nederig hart niet weigeren. Het is Jezus Christus,
onze Verlosser die het oordeel zal vellen, maar het zal ook onze liefdevolle
Verlosser zijn die om ons te redden van de eeuwige dood, zichzelf heeft
overgeleverd aan de dood, en dit nu handelt als onze voorspreker bij de Vader
in de Hemel. We moeten dus niets vrezen, zegt de H. Thomas van Villanova,
zolang we onze zonden haten. In de openbaringen van de H. Maria Magdalena de
Pazzi lezen we dat op een dag God tot haar sprak: Door de wraak die Ik
uitwerkte op het lichaam van Mijn Zoon, veranderde Mijn gerechtigheid in
genade. Zijn Bloed schreeuwt niet om wraak, zoals het bloed van Abel; het
vraagt om barmhartigheid, en Mijn gerechtigheid kan zijn smeking niet
weerstaan. Het bloed van Jezus bindt de handen van Gerechtigheid zodat ze niet
kunnen opgeheven worden om te straffen.
Overwinning
over bekoring
Om ons overeind te houden in de genade van God is het
noodzakelijk om onze hoop te plaatsen op de verdiensten van Jezus Christus, en
niet te bouwen op onze eigen kracht. We moeten ons vertrouwen niet stellen op
onze goede voornemens. Met Zijn hulp zullen we volhouden. Er zullen keren zijn
wanneer bekoringen zo hevig zijn dat de zonde onvermijdelijk lijkt, maar dan
mogen we onze moed niet verliezen en ons haasten naar de gekruisigde Jezus.
Alleen Hij kan ons helpen. De Heer laat soms zon stormen van bekoringen toe,
zodat we onze eigen zwakheid ondervinden en dat we onze miserie erkennen en
niet vertrouwen op onszelf maar in God, die de doden verrijst (2 Kor 1:9). We
moeten dan nederig om Zijn hulp vragen zodat we ons niet overgeven. Dan geeft
Hij in Zijn genade ons de kracht om onze vijanden te weerstaan.
Een goede
dood
We hopen op de genade van een goede dood. Het uur van de
dood is voor ons de tijd van de grootste benauwdheid. Jezus alleen kan ons de
kracht geven om te lijden, met geduld en verdiensten, en de beproevingen op dit
laatste beslissende moment te verduren. Bij het naderbij komen van de dood
hebben we meer dan ooit te vrezen voor de aanvallen van de Hel. Hoe dichter we
bij ons doel komen, hoe meer de Hel er naar zal streven om te voorkomen dat we
in de Hemel geraken. De Heer wenste de menselijke natuur en zijn miserie te
ervaren, zodat hij beter medelijden met ons kon hebben. Op deze manier kon Onze
Heer ons beter bijstaan om ons te helpen in alle bekoringen van het leven, en
vooral in het uur van de dood.
Beweegredenen
voor onze hoop
De eerste vinden we in de beloften die door God gedaan
zijn. Op bijna elke bladzijde in de H. Schrift vinden we redenen om te hopen op
de Heer. We lezen er dat God eeuwige redding belooft en de middelen om het te
bereiken als je in Hem gelooft en bidt: Amen, amen, Ik zeg jullie: als je de
Vader iets in mijn naam vraagt, zal Hij het je geven. (Joh 16:23). De beloften
worden aan alle mensen gegeven zonder uitzondering. De Hemel en de aarde zullen
voorbijgaan, maar de woorden en beloften van God zullen niet voorbijgaan. Laten wij onwrikbaar
vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is
betrouwbaar. (Hebr 10:23)
De tweede beweegreden van onze hoop is het oprechte
verlangen van onze Heer om ons gelukkig te maken. God houdt van alle mensen,
Hij moet dus ook verlangen dat alle mensen het eeuwige geluk bereiken, want dit
is het hoogste en enige goed van de mens sinds het het doel is waarom de mens
is geschapen. Maar
nu, bevrijd van de zonde en dienstknechten geworden van God, oogst gij
heiligheid en tenslotte eeuwig leven. (Rom 6:22) De Heer wil niet dat iemand
verloren gaat, maar dat ze boete doen en gered worden. We moeten onszelf niet
veroordelen tot eeuwige verdoemenis.
De derde beweegreden is dat we de verdiensten van Jezus
Christus hebben gekregen. Door onze zonden hebben we een goede reden om de
eeuwige dood te vrezen, maar we hebben nog meer reden om te hopen op het eeuwig
leven door de verdiensten van Jezus Christus. En ze zijn krachtiger om ons te
redden dan dat onze zonden zijn om ons te vernietigen. Hij heeft de straf van
God op het Kruis genageld en het uitgeveegd met Zijn Kostbaar Bloed. We kunnen
dus hopen op vergeving en op eeuwige redding. Het enige dat we moeten doen is
naar Jezus gaan en vragen dat Hij ons helpt. Hij is het die genade kan
schenken. De verdiensten van Jezus hebben voor ons de schat van God geopend
voor ons doordat Hij voor ons het recht heeft verdiend op alle mogelijke genaden
die we maar kunnen wensen.
Een vierde beweegreden is de machtige voorspraak van Maria
onze Moeder. De H. Bernardus zegt dat we toegang hebben door de Eeuwige Vader
door Zijn Goddelijke Zoon, die de bemiddelaar is in gerechtigheid. Maar we
hebben toegang tot de Zoon door Zijn heilige Moeder, die de middelares is van
genade en die, door haar voorspraak voor ons verkregen heeft wat Jezus heeft
verdient door Zijn dood. Alle deugden en genaden die we ontvangen van God komen
tot ons door de voorspraak van Maria. Dit heeft God zo gewild. De H. Bernardus
roept ons op om voortdurend ons tot Maria te wenden, omdat haar verzoeken zeker
worden beantwoord. Zij is de ladder van veiligheid voor de arme zondaars. De
heilige noemt Maria zijn grootste zekerheid en de enige grond van zijn hoop.
Hij die deze goede Moeder liefheeft en zich onder haar bescherming plaatst kan
zeggen met de H. Bonaventuur: Ik ben verheugd want mijn vonnis op het laatst
Oordeel hangt af van Jezus, mijn Broeder en op Maria, mijn Moeder.
Eigenschappen
van onze hoop
Eerst en vooral moet onze hoop vast zijn en onwankelbaar.
Er is een verschil tussen menselijke hoop en Christelijke hoop. Menselijke hoop
is altijd verbonden met de vrees dat degene die een belofte gedaan heeft zijn
gedacht zal veranderen. Christelijke hoop, daarentegen, die kijkt naar de
eeuwige redding, heeft geen twijfel of vrees dat God Zijn belofte houdt. De
Heer verleent ons met plezier het eeuwig geluk, en Hij heeft het belooft aan
alle die Zijn geboden onderhouden.
Ten tweede moet onze hoop enkel en alleen op God gebaseerd
zijn. Dat wil echter niet zeggen dat Maria hierbuiten staat. Jezus verlangt om
ons te verrijken met Zijn genaden; maar als een groot vertrouwen van onze kant
nodig is om ze te verkrijgen, heeft Hij om ons vertrouwen te vergroten, ons
Zijn eigen Moeder gegeven als onze Moeder en Middelares om ons te helpen.
Daarom wenst Hij dat onze hoop op redding en van alle deugden en genaden in
haar gesteld wordt. Door Maria te aanroepen met vertrouwen, is het niet dat we
de barmhartigheid van God niet vertrouwen, maar gewoonweg dat we onze
onwaardigheid vrezen.
Ten derde moet onze hoop een actieve hoop zijn. We moeten
handelen alsof het verkrijgen van onze redding volledig van onszelf afhangt, en
toch al ons vertrouwen in God stellen en ervan overtuigd zijn dat we niet in
staat zijn ons verlangen te bereiken. God voltooid alles door middel van Zijn
genade, maar Hij verlangt toch onze medewerking. We moeten dus bidden en de
Geboden van Christus navolgen.
Boodschappen aan Mario te Brindisi : tot en met 5/11
Ik
nodig jullie uit om al Mijn boodschappen te beleven want zij zullen jullie
vervullen van zuivere Liefde, Mijn moederlijke liefde.
5 oktober 2017 : De Moeder van Verzoening aan
Mario dIgnazio in de Gezegende Tuin van de wijk Santa Teresa, Brindisi
Vandaag wenste het heilige Hemelse Hof om ons met eindeloze
liefde te overstromen en liet ons allen deze buitengewone gebeurtenissen intens
beleven: de verschijning van de Madonna, het afscheiden van de heilige olie, de
verschijning van Jezus die mij de Heilige Eucharistie gaf.
Mario: Vlak voor het begin van de heilige Rozenkrans stond
ik bij het beeld van de Heilige Michael en ik begroette enkele pelgrims uit
Duitsland die gekomen waren om de Maagd van de Verzoening te eren en daarna
verscheen Onze Heer Jezus. Hij was helemaal gekleed in het wit en werd omgeven
door een immens licht, een licht dat niet kan beschreven worden met een
bestaande kleur. Nadat Hij mij met het kruisteken zegende en mij de Heilige
Eucharistie gaf zei Hij:
Ik zegen je in Mijn
Heilige Naam. Ik ben Jezus, de Goede Herder.
Mijn zoon, ontvang
Mijn Heilig Lichaam en aanbid Mij.
Ik wens dat de
kleine kudde trouw blijft aan Mijn Heilig Evangelie van Leven en dat ze zich
voeden met Mij, het Hemels Brood. Zij die zich met Mijn Heilig Lichaam voeden,
zullen eeuwig leven.
De Maagd Maria verscheen helemaal gekleed in het wit,
gekroond door twaalf schitterende sterren en met een lange rozenkrans aan Haar
rechterarm. De Madonna was buitengewoon stralend. Zij heeft de mensen allemaal
gezegend en naar hen gekeken met ogen van oneindige moederliefde. De Heilige
Moeder heeft gezegd:
Geloofd zij Jezus
Christus.
Lieve kinderen, Ik
wil nog lang bij jullie blijven en jullie opvoeden om intens te beminnen, te
vergeven en te heiligen met het gebed. Ik nodig jullie uit om al Mijn boodschappen
te beleven want zij zullen jullie vervullen van zuivere Liefde, Mijn
moederlijke liefde.
Blijf standvastig in
de Leer van Jezus door je broeders te vermanen tot bekering van het hart. De
weg van de bekering geldt voor iedereen want God maakt geen onderscheid tussen
personen. God bemint iedereen en verlangt dat iedereen herrijst door Zijn Geest
van Leven. In deze maand zul je veel dank ontvangen wegens Mijn tussenkomsten
van universele Moeder. Ik verenig jullie allen met Mijn heilige geparfumeerde olie
om jullie te zegenen in de naam van de Allerheiligste Drie-eenheid die Mij naar
de aarde zendt."
Mario: Toen Zij de laatste woorden sprak begon uit de
sokkel van het beeld van O.L.Vrouw van Fatima, waar het beeld op staat, de
geparfumeerde olie van de Heilige Maagd te vloeien. De olie kwam er zo
overvloedig uit dat er meer vaatjes nodig waren om alles te verzamelen.
Berichten ontvangen door mario, tijdens de meetings in het
buitenland op 28 oktober 30, 29 oktober 2017, terwijl ze bidden voor de
rozenkrans voor zijn getuigenis.
Net als andere keren werd mario in het buitenland uitgenodigd voor zijn
publieke evangelisatie, over de authentieke verschijning van contrada s. Teresa
-. honderden en honderden gelovigen, priesters en religieuze, bezochten zijn
vergaderingen. In elke vergadering werd de heilige rozenkrans gebeden, er was
een buitengewone verschijning van de goddelijke moeder. Men waardeerde de
aansporingen van de kleine eik, ook de moeder van god, door het kleine
teken van kruis op het voorhoofd - en de uitstorting van de heilige geest - door
de handen van mario ware leerling en apostel van de heer. Vele mooie
emoties hebben de harten van de mensen gevuld, die voortaan het beeld van maria
maagd van verzoening zullen eren, met grote toewijding en waardering voor de
hemel. Denk aan de berichten in deze dagen van genade door mario, ware krijger
van de heilige harten, verenigd naar het voorbeeld van de heilige Jeanne d'Arc zijn gids en beschermer, evenals voorbeeld om te volgen in de vernietiging van de ketterij nl. de vrijmetselarij. Die bestaat uit valse
christenen en valse bedienaren van de Kerk, vervolgers van de verschijningen.
28 oktober
De madonna verschijnt in het wit. Nadat hij ons gezegend had met het teken van
het kruis, zei hij:
"wees gezegend, geprezen H. Drie-eenheid. Mijn kinderen, open je hart en aanroep
mij elke dag. Ik heb veel tekenen gegeven met mijn jezus, maar veel harten zijn
hard, ze geloven niet in het goddelijke en zijn klaar om te oordelen, en
veroordelen elk teken dat van boven komt. Kinderen, geloof in ons in de hemel
en veracht onze hulp en onze wonderbaarlijke wonderen niet. De man van vandaag
is erg sceptisch en geen teken kan hen bekeren tot hun Vader (behalve door een
speciale gratie). Laat me je vertrouwen in mijn hart, wijd het toe, om te leven
als echte christenen. De ware christen houdt van iedereen en bidt voor
iedereen. Wees barmhartig en luister naar mijn instrument die zo vervolgd wordt
en verkeerd begrepen door de meesten. Zegen met een klein teken van kruis op het
hoofd van mijn kinderen en leg hen hun handen voor de uitstorting van de geest
van de liefde".
29 oktober
De maagd maria verscheen in het wit. Hij zei:
"Loof jezus christus.
Ik ben de levende moeder. In deze heilige vergadering van het gebed en
eerherstel en ik ben hier door het bevel van de vader. Ik dring er bij u op aan
om in de vrede van de heer te blijven en niet te vrezen voor de vervolging van
de agenten van het beest. Mijn verschijningen zullen steeds meer worden bestreden
en als onnodig worden beschouwd, maar zal de naties en de kerk van zo ' n
verwarring redden. Bevrijd jezelf van elke angst en laat mij jou naar de Heer
jezus leiden. Bid dat de harten de oproepen verstaan en navolgen, anders zullen
zij in de hel vallen en met hen allen die in hen geloven. Het is tijd om mij te
volgen en mij zonder twijfel te eren.
30 oktober
De maagd maria is in het wit en dicht bij haar is de H. aartsengel Michael.
"Loof jezus christus.
Lieve kinderen, vandaag ben ik hier onder jullie, omdat ik jullie wil zegenen
met mijn moederlijke liefde. Ik verzamel jullie allemaal onder mijn mantel en
jullie zullen veilig zijn: beschermd. Geloof is als een vlam die altijd gevoed
moet worden: bidden. Je moet volledig van christus zijn, ver van de wereld en
alleen in god. Ik laat je niet achter. Wees op je hoede voor iedereen die bij
je in de buurt komt, om hulp vragen, stuur ze naar mij. Vandaag is de H.
Michael hier om je te bevrijden van satan die je kwelt met zijn verleidingen en
vleierij. Bid elke dag mijn rozenkrans ".
Heilige Aartsengel Michael,
machtige hemelse strijder,
help ons met uw zegen,
bevrijd ons door uw macht,
verdedig ons met uw hemelse legermacht.
aan u vertrouwen wij ons toe,
bescherm ons en neem ons mee naar het Hoogste Goed.
H. Michael, onze hemelse bewaker,
kom ons te hulp en vertroost ons,
o bewaker van degenen die geloof hebben,
vervul ons met de liefde van de Vader,
de vrede van de Zoon,
de genade van de Heilige Geest. Amen.
5
november 2017 : Boodschap van de Maagd van de Verzoening aan Mario dIgnazio in de Gezegende Tuin van
de wijk Santa Teresa, Brindisi
De H. Maagd Maria verscheen helemaal wit gekleed met Haar
Hart zichtbaar en omringd door drie gele rozen.
De Maagd Maria: "Geloofd zij Jezus Christus."
Mario: "In alle eeuwigheid.
De Gezegende Moeder: "Ik zegen jullie Mijn kleintjes
in de Naam van de Allerheiligste Drievuldigheid die Mij naar de aarde zendt om
jullie aan te sporen tot gebed en tot vrede.
Ik heb jullie vele tekens en boodschappen gegeven in deze jaren.
Prijs God voor dit alles; wees dankbaar jegens de Heer voor elke ontvangen
genade op deze heilige plaats veracht door atheïsten en valse Christenen die
niet tot de ware Christus behoren. Velen geloven dat ze Mij toebehoren, maar in
waarheid behoren ze niet bij Mij omdat ze leven gebonden aan de dingen van deze
wereld.
Blijf verenigd in de beproeving en verwijder jullie niet van Mij. De Boze zal
vernietigd worden met heel zijn leger. Bid, bid en wees alleen maar van Mij.
Mario na de verschijning: De Madonna was bijzonder
schitterend, stralend. Dit licht omhult me elke keer volledig en breidt zich
uit naar allen: het is het Licht van God, want de Allerheiligste Maagd Maria
brengt Gods Licht om ons te bevrijden van duisternis.
Onze ziel, om beter gelijkvormig te worden met Jezus Christus en om steeds meer
en meer op Hem te gaan gelijken, moet vele beproevingen, vele tegenslagen, vele
obstakels overwinnen. Zij moet de strenge winter ervaren van misverstand,
veroordeling, vonnis. Maar eenmaal overwonnen worden we één in Jezus Christus
en het mooie komt bij ons tot uiting omdat er het goede is. Dat goede kan
alleen ontstaan door onze overgave aan de Goddelijke Wil, vast in Jezus te
geloven en Jezus zal het goede voortbrengen dat Hijzelf is: Jezus is het
Hoogste Goed!
Dank aan de Maagd Maria die ons ook op deze 5de november is komen zegenen.
Laten we het gebed van de heilige Rozenkrans blijven bidden bijzonder voor de
zielen van onze overledenen, voor allen die we tijdens ons leven hebben gekend
en die van ons hielden, ons hebben geholpen, aangemoedigd, ondersteund en
getroost.
Laten we deze zielen niet vergeten, dierbaar aan God, zodat ze in het Paradijs
kunnen komen en niet meer moeten lijden zodat ze vrede, licht en vreugde in God
kunnen vinden, deel uitmaken van het Hemelse Hof en het Licht van Christus
kunnen ervaren, het Licht van Zijn Wederopstanding en eens in de Hemel voor ons
allemaal kunnen bemiddelen.
MIJN
VOLK, ALS EEUWIGE EN SOEVEREINE PRIESTER, VRAAG IK JULLIE OM VELE GEBEDEN EN
EERHERSTEL VOOR DE PRIESTERS. MIJN KERK IS IN EEN CRISIS, HET SCHISMA KOMT
NADERBIJ, LAAT ZE NIET IN DE STEEK!
6 november 20171:55
PM
DRINGENDE OPROEP VAN JEZUS, DE EEUWIGE EN SOEVEREINE
PRIESTER AAN ZIJN TROUWE VOLK
Mijn vrede zij met jullie, mijn Volk.
Mijn kinderen, elke dag wordt de geestelijke strijd
heviger; de krachten van het kwaad vallen mijn kudde aan, de zwaarste aanvallen
zijn voor mijn Uitverkoren Zonen en mijn Instrumenten, door de missie die ze
moeten voltooien. Bid veel, mijn kleintjes, voor mijn Priesters en hoogwaardigheidsbekleders
van mijn Kerk, omdat mijn tegenstander hen hevig aanvalt. Houd met hen rekening
in jullie gebeden, laat ze niet alleen, omdat mijn tegenstander hen wil doen
vallen in het priesterlijk ambt dat ik hen heb toevertrouwd.
De rozenkrans van mijn Moeder met de Droevige mysteries,
het kroontje van mijn wonden en het kroontje van mijn Allerkostbaarste Bloed,
zijn krachtige wapens die de plannen van het rijk der duisternis vernietigen.
Dompel, mijn kinderen, mijn priesters in mijn wonden, zodat het kwaad ze niet
doet afkeren van hun priesterlijk ambt; bid en doe eerherstel voor mijn
uitverkoren Zonen en in het bijzonder van degenen die verloren gaan door het
modernisme, het vlees, New Age, de zorgen en de pleziertjes van deze wereld.
Mijn volk, vele van mijn uitverkoren Zonen geloven niet
meer in de transsubstantiatie, van mijn Lichaam en mijn Bloed; bepaalde
priesters dragen de mis op in snel tempo en anderen enkel om zich aan de orders
te houden. Wat een grote smart voel ik in mijn Liefdevolle Hart, als ik deze
priesters zie van mijn Kerk, die het Heilige Priesterambt bezoedelen! Hun
onverschilligheid en hun nalatigheid, doen mijn Hart bloeden. Hoeveel lijd ik
en ween ik als ik zoveel van mijn Priesters zie die zich laten verleiden door
de New Age! In vele van mijn Huizen zijn er Priesters, die yoga, reiki en
andere occulte technieken praktiseren. En het droevigste, is dat ze mijn kudde
besmetten en het laten doorgaan alsof het goddelijk is.
Vele van mijn huizen zijn wereldse huizen geworden, men
organiseert er feesten en markten en activiteiten die niets met het religieuze
leven te maken hebben. In vele van mijn huizen, zijn er priesters die onzuivere
daden plegen; de geest van Asmodeus is er binnengedrongen. Welke droefheid voel
ik als ik al deze degradatie binnen mijn Kerk zie! Iedereen zwijgt, niemand
staat recht, deze schuldige stilte is een belediging voor mijn Goddelijkheid
die mij diep verdrietig maakt en de Hemel doet wenen.
Vele van mijn uitverkoren Zonen, zijn tegenwoordig als
Judas die me verraadde, ze laten zich verleiden door de wereld en het vlees en
ze hebben de deuren van mijn huizen geopend voor mijn tegenstander. In vele
huizen woont mijn Heilige Geest niet meer. O ontrouwe priesters, als jullie geen
berouw tonen en geen eerherstel bieden voor jullie grove beledigingen, verzeker
ik jullie dat de eeuwige dood jullie beloning zal zijn! Wanneer jullie aankomen
in de eeuwigheid, laat ik het gewicht van mijn Gerechtigheid los op jullie,
ontrouwe priesters en jullie zullen sterven zoals de vetgemeste schapen! Ik doe
een dringende oproep aan jullie, ontrouwe priesters van mijn Kerk, zodat jullie
terug op de goede weg komen, voor de komst van mijn Waarschuwing; omdat als
jullie het niet doen, en jullie komen in de eeuwigheid aan, de plaats die
jullie zal wachten zal het rijk der duisternis zijn.
Mijn volk, als eeuwige en soevereine priester, vraag ik
jullie veel gebeden en eerherstel voor mijn priesters. Mijn Kerk is in een
crisis, het schisma komt naderbij, laat de Kerk niet in de steek. Bid
rozenkransen, vast en doe boete, voor heel mijn clerus; zodat de Wijsheid en
het Licht van mijn Heilige Geest mijn Kerk en mijn priesters kan leiden op de
weg van de zaligheid.
Jullie Meester, Jezus, eeuwige en soevereine Priester
Breng mijn boodschappen naar al mijn uitverkoren Zonen
In deze context zal het Mariale
jaar een nieuwe en diepgaande lezing moeten bevorderen ook van wat het Concilie
gezegd heeft over de heilige Maagd Maria en Moeder van God in het mysterie van
Christus en de Kerk, van datgene dus waarop de overwegingen van deze encycliek
zich beroepen. Het gaat hier niet alleen over de geloofsleer maar ook
over het geloofsleven en dus over de authentieke Mariale
spiritualiteit, gezien in het licht van de Traditie en in het bijzonder van de
spiritualiteit waartoe het Concilie ons opwekt.
De Mariale spiritualiteit vindt
evenals de overeenkomstige devotie bovendien een uitermate rijke bron
in de historische ervaring van de personen en de verschillende christelijke
gemeenschappen die overal op aarde leven onder de diverse volken en naties. In
dit opzicht wil ik graag onder de vele getuigen en meesters van deze
spiritualiteit herinneren aan de heilige Louis Maria Grignion de Montfort die
aan de christenen de toewijding aan Christus door Maria voorhield als
doeltreffend middel om te leven in trouw aan de verplichtingen van het doopsel.
Met voldoening merk ik op dat ook in onze dagen nieuwe uitingen van deze
spiritualiteit en devotie niet ontbreken.
Wij hebben dus veilige
oriënteringspunten waarop wij ons kunnen richten en waarmee wij ons kunnen verbinden
in de context van dit Mariale jaar.
Het zal beginnen op het
hoogfeest van Pinksteren, 7 juni a.s. Het gaat er niet alleen om te herdenken
dat Maria is voorafgegaan aan de intrede van Christus de Heer in de
geschiedenis van de mensheid, maar tevens om in het licht van Maria te
onderstrepen dat de geschiedenis van de mensheid vanaf de verwerkelijking van
het mysterie van de menswording binnengetreden is in de volheid van de tijd
en dat de Kerk het teken van deze volheid is. De Kerk maakt als volk
Gods haar pelgrimstocht naar de eeuwigheid in geloof temidden van alle volken
en naties vanaf de dag van Pinksteren. De Moeder van Christus die
aanwezig was aan het begin van de tijd van de Kerk toen zij de Heilige Geest
afwachtte en ijverig in het gebed volhardde temidden van de apostelen en
leerlingen van haar Zoon, blijft de Kerk voorgaan op deze tocht door
de geschiedenis van de mensheid heen. Zij is ook degene die precies als
dienstmaagd des Heren onophoudelijk meewerkt aan het heilswerk dat Christus,
haar Zoon, verricht.
Zo wordt door middel van dit
Mariale jaar de Kerk opgeroepen, niet alleen om alles te herdenken wat in
haar verleden getuigt van de speciale moederlijke medewerking van de Moeder
Gods aan het heilswerk in Christus de Heer, maar ook om van haar kant voor de
toekomst de wegen voor te bereiden van deze medewerking: want het
einde van het tweede christelijk millennium opent als het ware een nieuw
perspectief.
Er is reeds aan herinnerd dat
ook onder de gescheiden broeders velen aan de Moeder van de Heer de
verschuldigde eer bewijzen, vooral onder de oosterse christenen. Het is een
mariaal licht dat op het oecumenisme valt. Ik wil er speciaal nog aan
herinneren dat gedurende het Mariajaar de duizendste verjaardag gevierd
zal worden van het doopsel van de heilige Wladimir, Grootvorst van
Kiev (in het jaar 988), dat het begin was van het christendom in de gebieden
van het Rus van die tijd en vervolgens in andere gebieden van Oost-Europa.
Langs deze weg is door het werk van de evangelisatie het christendom ook buiten
Europa verspreid tot in de noordelijke streken van het Aziatische continent.
Wij zouden ons dus vooral gedurende dit jaar in gebed willen verenigen met
allen die deze duizendste verjaardag van dit doopsel vieren, orthodoxen en katholieken,
en wij hernieuwen en bevestigen met het Concilie de gevoelens van vreugde en
troost omdat de oosterse Christenen . . . met vurige geestdrift en vrome
zin wedijveren om de Moeder van God, altijd Maagd, te vereren.
Ook al ondervinden wij nog steeds
de smartelijke gevolgen van de scheiding die enige tientallen jaren later (in
het jaar 1054) heeft plaatsgevonden, toch kunnen wij zeggen dat wij ons
tegenover de Moeder van Christus waarlijk broeders en zusters voelen binnen het
messiaanse volk dat geroepen is om op aarde een enkele familie van God te
vormen, zoals ik reeds verklaard heb aan het begin van het nieuwe jaar: Wij
willen opnieuw deze universele erfenis van alle zonen en dochters van deze
aarde bevestigen.
Toen ik het Mariajaar
aankondigde heb ik tevens gezegd dat dit volgend jaar besloten zal worden op
het hoogfeest van de Tenhemelopneming van de allerheiligste Maagd,
om het grote teken aan de hemel te doen uitkomen waarover de Apokalyps spreekt.
Op deze wijze willen wij ook gevolg geven aan de aansporing van het Concilie
dat naar Maria opziet als teken van vaste hoop en vertroosting voor het
pelgrimerende volk van God. Het Concilie spreekt deze aansporing uit met de
volgende woorden:
Laten alle gelovigen de Moeder
van God en de Moeder van de mensen dringend erom smeken, dat zij, die de
beginnende Kerk met haar gebed heeft bijgestaan, ook nu zij in de hemel boven
alle gelukzaligen en engelen verheven is, in de gemeenschap van alle heiligen
bij haar Zoon ten beste zal spreken, totdat alle volkerenfamilies, zowel zij
die de erenaam van christenen dragen als zij die hun Verlosser nog niet kennen,
in vrede en eensgezindheid tot een enkel volk van God gelukkig verenigd worden,
tot glorie van de allerheiligste en onverdeelde Drievuldigheid
DEEL 4 - Besluit
Aan het einde van de dagelijkse
getijden stijgt onder andere de volgende aanroeping van de Kerk tot Maria op:
Verheven Moeder van de
Verlosser,
die de open deur des hemel blijft en de sterre der zee
snel het volk te hulp, dat valt en poogt op te staan.
Gij die tot verbazing der natuur uw heilige Schepper hebt gebaard.
Tot verbazing der natuur. Deze
woorden van de antifoon drukken de verbazing van het geloof uit die
het mysterie van het goddelijke moederschap van Maria vergezelt. Zij vergezelt
het in zekere zin in het hart van de natuur en direct in het hart van het
gehele volk Gods, in het hart van de Kerk. Hoe wonderlijk ver is God, Schepper
en Heer van het heelal, gegaan in de openbaring van zichzelf aan de
mens. Hoe duidelijk heeft Hij alle ruimten overwonnen van de oneindige afstand die
de Schepper scheidt van het schepsel! Hij blijft onuitsprekelijk en
onnaspeurlijk in zichzelf, maar nog meer in de werkelijkheid van de
incarnatie van het Woord dat mens is geworden door de Maagd van Nazareth.
Als Hij de mens van eeuwigheid
af heeft willen roepen om deel te krijgen aan het goddelijke wezen, dan kan men
zeggen dat Hij de vergoddelijking van de mens beschikt heeft
overeenkomstig diens historische condities, zodat Hij ook na de zondeval bereid
is om het eeuwige plan van zijn liefde uit te voeren tegen een hoge prijs, door
middel van de vermenselijking van de Zoon die één in wezen met Hem
is. De natuur en meer direct de mens kan niet ontkomen aan de verbazing
tegenover deze gave waaraan hij deelachtig is geworden in de Heilige
Geest: Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn
eniggeboren Zoon heeft gegeven (Joh. 3, 16).
In het middelpunt van dit
mysterie, in het hart van de verbazing van het geloof staat Maria. Als verheven
Moeder van de Verlosser heeft zij deze het eerst ervaren: Gij die tot
verbazing der natuur uw heilige Schepper hebt gebaard!
In de woorden van de liturgische
antifoon ligt ook de waarheid uitgedrukt van de grote wending die
het mysterie van de menswording bewerkt heeft voor de mens. Deze wending hoort
tot heel zijn geschiedenis, van het begin af dat ons geopenbaard is in de
eerste hoofdstukken van genesis, tot aan het laatst toe, in het
perspectief van het einde van de wereld waarvan Jezus ons de dag noch het
uur heeft geopenbaard (Mt. 25, 13). Het is onophoudelijk en voortdurende
omkeer van het vallen naar het opstaan, tussen de mens van de zonde en de mens
van de genade en de gerechtigheid. De liturgie plaatst ons vooral in de Advent
in het zenuwpunt van deze wending en raakt het onophoudelijke heden en
nu ervan aan, terwijl zij uitroept: Snel het volk te hulp dat valt
en poogt te op te staan!
Deze woorden betreffen iedere
mens, alle gemeenschappen, alle naties en volkeren, alle geslachten en
tijdvakken van de mensengeschiedenis, ons tijdvak, deze jaren van het
millennium dat ten einde loopt: Snel te hulp, ja snel het volk te hulp
dat valt!
Dit is de aanroeping die gericht
is tot Maria, de verheven Moeder van de Verlosser; het is de aanroeping
die gericht is tot Christus die door Maria de geschiedenis van de mensheid is
binnengetreden. Van jaar tot jaar verheft de antifoon zich tot Maria en roept
zij het moment op waarop deze wezenlijke historische wending zich voltrokken
heeft, die onomkeerbaar voortduurt: de omkeer van het vallen naar
het opstaan.
De mensheid heeft
bewonderenswaardige ontdekkingen gedaan en wonderbaarlijke resultaten bereikt
op het gebied van de wetenschap en de techniek; zij heeft grote werken verricht
op de weg van de vooruitgang en de beschaving en men zou zeggen dat zij in de
jongste tijden erin geslaagd is de loop van de geschiedenis te versnellen; maar
de fundamentele wending, de wending die oorspronkelijk genoemd kan
worden, begeleidt altijd de tocht van de mens en vergezelt door de
verschillende historische gebeurtenissen heen allen en iedereen. Het is de
omkeer van het vallen naar het opstaan, van de dood naar het
leven. Het is ook een onophoudelijke uitdaging aan het menselijke
bewustzijn, een uitdaging aan heel het historische bewustzijn van de mens: de
uitdaging om de weg van het niet vallen te volgen op de altijd oude
en nieuwe wijzen en van het opstaan als hij gevallen is.
Terwijl de Kerk met de gehele
mensheid de grens tussen de twee millennia nadert, neemt zij van haar kant met
de gehele gemeenschap der gelovigen en samen met iedere mens van goede wil de
grote uitdaging aan de vervat ligt in de woorden van de antifoon over het
volk dat valt en poogt op te staan. Zij richt zich zowel tot de Verlosser als
tot zijn Moeder met de aanroeping: Kom te hulp. Zij ziet de heilige
Moeder van God immers en dit gebed ziet haar diep betrokken bij de
geschiedenis van de mensheid, bij de eeuwige roeping van de mens, volgens het
providentiële plan dat God van eeuwigheid voor hem beschikt heeft; zij ziet
haar moederlijke aanwezigheid en betrokkenheid bij de veelvuldige en
ingewikkelde problemen waarmee heden ten dage het leven van de
enkelingen, van de gezinnen en van de volkeren vergezeld gaat; zij ziet haar
het christenvolk te hulp snellen in de onophoudelijke strijd tussen goed en
kwaad, opdat het niet zal vallen en, als het gevallen is zal
opstaan.
Ik hoop van harte dat ook de
overwegingen die in deze encycliek vervat zijn, mogen dienen tot de vernieuwing
van deze visie in het hart van alle gelovigen! Als bisschop van Rome zend ik
aan allen voor wie deze beschouwingen bestemd zijn de vredeskus en groeten en
zegen in onze Heer Jezus Christus.
Amen.
Gegeven te Rome bij Sint Petrus,
op 25 maart, het hoogfeest van de Aankondiging van de Heer, van het jaar
1987,
het negende van mijn pontificaat.
Paus Johannes Paulus II
Kroontje van dank aan Maria
INLEIDEND GEBED:
Allerheiligste Maagd Maria, machtige Schatbewaarster en
Uitdeelster van Gods Genaden. Ik breng U mijn dank voor al Uw weldaden die ik
niet waardig ben, voor al Uw Liefde die ik nog niet voel, en voor Uw gebeden
die mij de Eeuwige Gelukzaligheid verdienen.
3 x "Wees gegroet Maria "
daarna (op een gewone rozenkrans) 5 tientjes
als volgt:
* Op de GROTE KRALEN (kralen van het "Onze
Vader"):
Mijn liefhebbende Moeder Maria, Middelares van alle
Genaden, ik dank U voor de gunsten die ik uit Uw handen heb bekomen, voor de
kussen van Liefde die U op mijn hart hebt gedrukt, en voor de onzichtbare
bloemen van Eeuwig Leven die U in mijn ziel hebt gezaaid.
* Op de KLEINE KRALEN (kralen van het
"Weesgegroet"):
Dank U, Hemelse Moeder, voor Uw bescherming, hulp,
bemiddeling en Voorspraak.
Na de 5 tientjes:
Het volgend SLOTGEBED:
Geprezen zij Maria, Middelares voor de hele mensheid.
Geprezen zij Maria, Voorspreekster voor de hele mensheid.
Geprezen zij Maria, Medeverlosseres van de hele mensheid.
Aanvaard de toewijding van mijn hele wezen als dank, want zonder U ben ik
verloren.
De oecumenische beweging heeft
op grond van een meer helder en verspreid bewustzijn van de noodzaak om tot de
eenheid van alle christenen te komen van de kant van de katholieke Kerk haar
hoogste uitdrukking gevonden in het werk van het Tweede Vaticaans Concilie: het
is nodig dat de Christenen in zichzelf en in ieder van hun gemeenschappen de
gehoorzaamheid van het geloof verdiepen waarvan Maria het eerste en meest
lichtende voorbeeld is. En aangezien zij het lichtend teken is van de vaste
hoop en de vertroosting van het pelgrimerende volk van God, is het voor de
heilige kerkvergadering een reden tot grote vreugde en vertroosting dat er
onder de gescheiden broeders niet weinigen zijn die aan de Moeder van de Heer
en Verlosser de verschuldigde eer bewijzen, vooral Oosterse Christenen.
De Christenen weten dat zij hun
eenheid alleen werkelijk zullen terugvinden als deze gebaseerd zal zijn op de
eenheid van geloof. Zij moeten niet-geringe verschillen oplossen in de leer
over het mysterie en het dienstwerk van de Kerk en soms ook over de taak van
Maria in het heilswerk.
De dialogen die de katholieke
Kerk begonnen is met de kerken en kerkgemeenschappen van het Westen, komen
steeds meer samen op twee onscheidbare aspecten van heilsmysterie.
Als het mysterie van het mensgeworden Woord ons het mysterie van het goddelijke
moederschap doet onderscheiden en als de beschouwing van de Moeder Gods ons op
haar beurt voert tot een dieper begrip van het mysterie van de incarnatie, dan
moet men hetzelfde zeggen van het mysterie van de Kerk en van het mysterie van
de taak van Maria in het heilswerk. Door dieper door te dringen in de twee
mysteries en het ene te verhelderen door het andere zullen de Christenen die
verlangen te doen wat Jezus hun zal zeggen - zoals hun Moeder hun aanbeveelt
samen voort kunnen gaan op de pelgrimstocht van het geloof, waarvan
Maria nog steeds het voorbeeld is en welke hen moet voeren tot de eenheid die
gewild is door hun ene Heer en zozeer verlangd wordt door hen die oplettend
luisteren naar wat de Geest tegen de kerken zegt (Openb. 2, 7.11.17)
in deze tijd.
Het is een gelukkig teken dat
deze kerken en kerkgemeenschappen met de katholieke Kerk overeenkomen op
fundamentele punten van het geloof, ook wat de Maagd Maria betreft. Zij
erkennen haar immers als Moeder van de Heer en nemen aan dat dit deel uitmaakt
van ons geloof in Christus, waarlijk God en waarlijk mens. Zij zien op naar
haar die aan de voet van het kruis de geliefde leerling als haar zoon ontvangt,
die op zijn beurt als moeder ontvangt.
Waarom zouden wij dus niet allen
samen opzien naar haar als onze gemeenschappelijke Moeder die bidt
voor de eenheid van de familie van God en die allen voorgaat aan
het hoofd van de lange stoet van de getuigen van het geloof in de ene Heer, de
Zoon van God, die zij door de Heilige Geest in haar maagdelijke schoot
ontvangen heeft?
Anderzijds wil ik benadrukken
hoe diep de katholieke Kerk, de orthodoxe Kerk en de oude Oosterse Kerken zich
één voelen door de liefde en de lof voor de Theotókos. Niet alleen zijn
de fundamentele dogmas van het christelijk geloof over de Drie-eenheid en de
menswording van het Woord van God uit de Maagd Maria vastgesteld op
oecumenische Concilies die in het Oosten zijn gehouden, maar ook verheerlijken
de oosterse Christenen . . . met plechtige hymnen ... Maria altijd Maagd ... en
de heilige Moeder van God in hun liturgie.
De broeders van die kerken
hebben ingewikkelde lotgevallen gekend, maar door hun geschiedenis heeft steeds
een vurig verlangen gelopen naar christelijke inzet en apostolische
uitstraling, welke vaak getekend is door vervolgingen die ook bloedig zijn
geweest. Het is een geschiedenis van trouw aan de Heer, een authentieke pelgrimstocht
van het geloof door de plaatsen en tijden heen, waarbij de oosterse
christenen steeds met onbeperkt vertrouwen opgezien hebben naar de Moeder van
de Heer, haar met lofzangen geprezen en voortdurend met gebed aangeroepen
hebben. In de moeilijke ogenblikken van het gekwelde christelijke bestaan hebben
zij tot haar hun toevlucht genomen, omdat zij er zich van bewust waren in haar
een krachtige hulp te hebben. De kerken die de leer van Efese belijden
verklaren dat de Maagd waarlijk Moeder van God is, daar onze
Heer Jezus Christus . . . die voor alle eeuwen naar de godheid uit de Vader
geboren is, in de laatste dagen voor ons en voor ons heil naar de mensheid
geboren werd uit de Maagd Maria, de Moeder van God. De Griekse vaders en de
byzantijnse traditie hebben getracht door de Maagd te beschouwen in het licht
van het mensgeworden Woord door te dringen tot de diepte van de band die Maria
als Moeder van God verbindt met Christus en de Kerk: de Maagd is blijvend
aanwezig in heel de omvang van het heilsmysterie.
De koptische en Ethiopische
tradities zijn tot deze beschouwing van het mysterie van Maria gebracht door de
heilige Cyrillus van Alexandrië en op hun beurt hebben zij haar geprezen met
een overvloed van bloemrijke dichtwerken. Het poëtische genie van sint Efrem de
Syriër, die de citer van de heilige Geest wordt genoemd, heeft
onvermoeibaar de lof van Maria gezongen en in de gehele traditie van de
syrische Kerk een spoor achtergelaten dat nog steeds levend is. De heilige
Gregorius van Narek, één van degenen die op de meest stralende wijze de roem
van Armenië uitmaken, diept in zijn lofrede op de Theotókos met
sterke dichterlijke inspiratie de verschillende aspecten uit van het mysterie
van de incarnatie en ieder daarvan is voor hem een gelegenheid om de
buitengewone waardigheid en de schitterende schoonheid te bezingen en te
prijzen van de Maagd Maria, de Moeder van het mensgeworden Woord.
Het verbaast daarom niet dat
Maria een bevoorrechte plaats inneemt in de eredienst van de oude Oosterse
Kerken, met een onvergelijkelijke overvloed van feesten en hymnen.
In de byzantijnse liturgie gaat
de lof aan de Moeder in alle uren van het goddelijke officie samen met de lof
aan de Zoon en met de lof die door de Zoon opstijgt tot de Vader in de heilige
Geest. In de anafoor of het eucharistische gebed van de heilige Johannes
Chrysostomus bezingt de verzamelde gemeente onmiddellijk na de epiclese als
volgt de Moeder van God:
Het is waarlijk goed u zalig te
prijzen. Theotókos, die allerheiligst bent, geheel zuiver en de Moeder van onze
God. Wij verheerlijken u die meer eer waardig bent dan de cherubijnen en
onvergelijkelijk meer glorie dan de serafijnen. U die zonder uw maagdelijkheid
te verliezen het Woord van God ter wereld hebt gebracht. U die waarlijk de
Moeder van God bent.
Deze lofprijzingen die in iedere
viering van de eucharistische liturgie opstijgen naar Maria hebben vorm gegeven
aan het geloof, de vroomheid en het gebed der gelovigen. Zij hebben in de loop
der eeuwen heel hun geestelijke houding doordrongen en in hen een diepe devotie
opgewekt voor de geheel heilige Moeder van God.
Dit jaar is het twaalf eeuwen
geleden dat het tweede Oecumenisch Concilie van Nicea plaats vond (in
het jaar 787), waarop een einde werd gemaakt aan de bekende controverse over de
verering van de gewijde afbeeldingen en bepaald werd dat, volgens de leer van
de heilige vaders en de universele traditie van de Kerk, samen met het kruis de
beeltenissen van de Moeder van God, van de engelen en van de heiligen
voorgehouden mochten worden aan de verering van de gelovigen, zowel in de
kerken als in de huizen en langs de wegen. Dit gebruik is bewaar gebleven in
heel het oosten en ook in het westen: de beeltenissen van de Maagd hebben een
ereplaats in de kerken en de huizen. Maria wordt er afgebeeld als de troon van
God die de Heer draagt en aan de mensen geeft (Theotókos) of als de
weg die naar Christus leidt en Hem toont (Odigitria) of als orante
die ten beste spreekt en als teken van de goddelijke tegenwoordigheid op de weg
van de gelovigen tot aan de dag van de Heer (Deisis) of als
beschermster die haar mantel uitspreidt over de volkeren (Pokrov) of
als barmhartige Maagd van de tederheid (Eleousa) . Gewoonlijk wordt
zij afgebeeld met haar Zoon. Het kind Jezus, dat zij op haar arm draagt: het is
de band met de Zoon die de Moeder verheerlijkt. Nu eens omarmt zij Hem met
tederheid (Glykofilousa); dan weer lijkt zij hieratisch verzonken in de
contemplatie van Hem die de Heer van de geschiedenis is.
Het is passend ook te herinneren
aan de icoon van de heilige Maagd van Wladimir, die voortdurend de geloofstocht
begeleid heeft van de volkeren van het oude Rusland op de weg van het geloof.
Het eerste millennium va de bekering tot het christendom van die edele landen nadert:
landen van nederigen, van denkers en van heiligen. Nog steeds worden de iconen
onder verschillende titels vereerd in de Oekraïne, in Wit-Rusland en in
Rusland: het zijn beeltenissen die getuigen van het geloof en van de geest van
gebed van het vrome volk, dat de aanwezigheid en de bescherming van de Moeder
Gods ondervindt. Op die iconen schittert de Maagd als beeld van de goddelijke
schoonheid, verblijf van de eeuwige Wijsheid, figuur van de orante, oerbeeld
van de contemplatie, beeld van de heerlijkheid: zij die vanaf haar aardse leven
de geestelijke wetenschap bezit die ontoegankelijk is voor de menselijke rede
en door het geloof de meest verheven kennis heeft bereikt. Ik herinner ook nog
aan de icoon van de Maagd van het cenakel die samen met de apostelen bidt,
wachtend op de heilige Geest: zou zij niet als het ware het teken van hoop
kunnen worden voor allen die in de broederlijke dialoog hun
geloofsgehoorzaamheid willen verdiepen?
Deze rijkdom aan lofprijzing die
opgestapeld is door de verschillende vormen van de grote traditie van de Kerk,
zou ons kunnen helpen om de Kerk weer ten volle te laten ademen met haat twee
longen, het oosten en het westen. Dit is nu meer dan ooit nodig, zoals ik
meermalen heb bevestigd. Het zou een krachtig hulpmiddel zijn om de bestaande
dialoog tussen de katholieke Kerk en de kerken en kerkgemeenschappen van het
westen de bevorderen. Het zou ook voor de Kerk onderweg het middel zijn om op
meet volmaakte wijze haar Magnificat te zingen en te beleven.
HOOFDSTUK 3 - Het Magnificat van
de pelgrimerende Kerk
In de huidige fase van haar
tocht zoekt de Kerk dus de eenheid terug te vinden van hen die hun geloof in
Christus belijden, om de gehoorzaamheid aan haar Heer te tonen die vóór zijn
lijden gebeden heeft voor deze eenheid. Zij zet haar pelgrimstocht voort ...
en verkondigt het kruis en de dood van de Heer, totdat Hij komt.
Dwars door de beproevingen en
de wederwaardigheden heen schrijdt de Kerk voort, gesterkt door de kracht van
Gods genade, die haar door de Heer werd beloofd. Zo is zij bij machte om in de
zwakheid van het vlees van de oprechte trouw niet af te wijken, maar de
waardige bruid van haar Heer te blijven. Dank zij de werking van de heilige
Geest houdt zij niet op zichzelf te vernieuwen, tot zij door het kruis het
licht bereikt dat geen ondergang meer kent.
De moedermaagd is steeds
aanwezig op deze geloofstocht van het volk Gods naar het licht. Dit toont op
speciale wijze de lofzang van het Magnificat, dat opgeweld is uit de
diepte van het geloof van Maria bij het bezoek en niet ophoudt te
weerklinken in het hart van de Kerk door de eeuwen heen. Dit wordt bewezen
doordat het dagelijks gebeden wordt in de liturgie van de vespers en op zovele
andere ogenblikken van persoonlijke en gemeenschappelijke vroomheid.
Mijn hart prijst hoog de Heer,
van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder:
daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd.
En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig
omdat aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is,
en heilig is zijn Naam.
Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij toont de kracht van zijn arm;
slaat trotsen van hart uiteen.
Heersers ontneemt Hij hun troon,
maar verheft de geringen.
Die hongeren overlaadt Hij met gaven,
en rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid
voor eeuwig
jegens Abraham en zijn geslacht,
gelijk Hij had gezegd tot onze vaderen (Lc. 1, 46-55)
Toen Elisabet haar jonge
bloedverwante die uit Nazareth gekomen was, begroet had, antwoordde Maria
met het Magnificat. In haar groet had Elisabet Maria eerst vanwege de vrucht
van haar schoot gezegend genoemd en vervolgens zalig vanwege
haar geloof . Deze tweevoudige zegen had direct betrekking op het moment
van de boodschap. Nu de groet van Elisabet bij het bezoek getuigt van dat
hoogtepunt, wordt het geloof van Maria nog bewuster en drukt het zich opnieuw
uit. Wat op het ogenblik van de boodschap verborgen was gebleven in de diepte van
de gehoorzaamheid van het geloof bevrijdt zich nu om zo te zeggen
als een heldere, levenwekkende vlam van de geest. De woorden die Maria gebruikt
heeft op de drempel van het huis van Elisabet vormen een geïnspireerde
belijdenis van haar geloof, waarin het antwoord op het woord van de
openbaring zich uitdrukt door de religieuze en dichterlijke verheffing van
heel haar wezen tot God. In die verheven woorden, die tegelijk zo eenvoudig
zijn en geheel ingegeven door de gewijde teksten van het volk van Israël,
schijnt de persoonlijke ervaring van Maria door, de extase van haar hart. Er
schittert een straal in van het mysterie van God, de heerlijkheid van zijn
onuitsprekelijke heiligheid, de eeuwige liefde die in de mensgeschiedenis
binnentreedt als een definitieve gave.
Maria heeft als eerste deel aan
deze nieuwe openbaring van God en hierin aan deze nieuwe zelfgave van God.
Daarom roept zij uit: Hij deed aan mij zijn wonderwerken . . . heilig is zijn
Naam. Haar woorden weerspiegelen de vreugde van de geest welke zich moeilijk
laat uitdrukken: Van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder. Want de
meest innerlijke waarheid, zowel over God als over het heil van de mens, . . .
verschijnt ons in Christus die tegelijk de Middelaar en de volheid van de gehele
openbaring is. In haar geestdrift belijdt Maria dat zij zich in het hart zelf
van deze volheid van Christus bevindt. Zij is er zich van bewust dat de belofte
die aan de vaders en vooral aan Abraham en zijn geslacht voor eeuwig is
gedaan, in haar vervuld wordt: dat dus in haar als Moeder van Christus de
gehele heilseconomie uitmondt, waarin zich van geslacht tot geslacht diegene
openbaart die als God van het Verbond zijn barmhartigheid gedachtig is.
De Kerk die van het begin af
haar aardse tocht gelijkvormig maakt aan die van de Moeder Gods, zegt haar
voortdurend de woorden van het Magnificat na. Zij put uit het diepst van het
geloof van de Maagd bij de boodschap en het bezoek de waarheid over de God van
het Verbond, over God die almachtig is en wonderwerken doet aan de
mens: heilig is zijn Naam. In het Magnificat ziet zij de zonde
die aan het begin staat van de aardse geschiedenis van de man en de vrouw, tot
in de wortel overwonnen, de zonde van het ongeloof en van de kleingelovigheid jegens
God. Tegen de verdenking in die de vader van de leugen heeft
opgewekt in het hart van Eva, de eerste vrouw, verkondigt Maria die de traditie
de traditie de nieuwe Eva pleegt te noemen en de ware moeder
van de levenden, met kracht de onverminderde waarheid over God: de
heilige en almachtige God die vanaf het begin de bron van iedere schenking
is, die wonderwerken heeft gedaan. Scheppend schenkt God het bestaan aan
heel de werkelijkheid. De mens scheppend geeft hij in vergelijking met alle
andere aardse schepselen op speciale wijze de waardigheid van zijn beeld en
gelijkenis. En ondanks de zonde van de mens laat Hij zich niet weerhouden in
zijn wil om te schenken en geeft Hij zich in zijn Zoon: Zozeer heeft
Hij de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven (Joh.
3, 16). Maria is de eerste getuige van deze bewonderenswaardige waarheid die
zich ten volle zal verwerkelijken door wat haar Zoon doet en leert en
definitief door middel van zijn kruis en verrijzenis.
De Kerk die ook dwars door
de beproevingen en wederwaardigheden heen niet ophoudt Maria de woorden
van het Magnificat na te zeggen, vat moed ui de kracht
van de waarheid over God die toen met zulke buitengewone eenvoud is verkondigd.
Tegelijk wil zij met deze waarheid over God de moeilijke en soms
onontwarbare wegen van het aardse bestaan van de mensen verlichten. De
tocht van de Kerk die nu aan het einde van het tweede christelijke millennium
is gekomen, houdt een nieuwe inzet in haar zending in De Kerk die Hem volgt die
van zichzelf zei: (God) heeft mij gezonden om aan armen de Blijde
Boodschap te brengen, heeft er van geslacht tot geslacht naar gestreefd en
streeft er nog naar die zending te vervullen.
Haar voorliefde voor de armen staat
op wonderbare wijze in het Magnificat van Maria geschreven. De God
van het Verbond die de Maagd van Nazaret bezongen heeft in de verrukking van
haar geest, is tevens degene die de heersers hun troon ontneemt en de
geringen verheft ..., de hongerigen overlaadt met gaven en de rijken met lege
handen heenzendt ..., de trotsen van hart uiteenslaat ... en barmhartig is voor
hen die Hen vrezen. Maria is diep doordrongen van de geest van de armen
van Jahwe die in het psalmgebed hun verwachten en al hun vertrouwen op
Hem stelden.
Zij verkondigt waarlijk de komst
van het mysterie van het heil, de komst van de Messias van de armen.
De Kerk die put uit het hart van
Maria, uit het diepst van haar geloof dat uitgedrukt is in de woorden van
het Magnificat, wordt zich steeds beter bewust dat de waarheid over
God die redt, over God die de bron van iedere schenking is, niet
gescheiden kan worden van het betonen van zijn voorliefde voor de armen en
geringen, welke bezongen is in het Magnificat en vervolgens
uitdrukking gevonden heeft in de woorden en daden van Jezus.
De Kerk is zich daarom bewust
en in onze tijd wordt dit bewustzijn op geheel bijzondere wijze sterker -, niet
alleen dat deze twee elementen van de boodschap welke vervat is in het Magnificat,
niet gescheiden kunnen worden, maar ook dat zij de betekenis die de
armen en de voorkeur voor de armen hebben in het woord van de
levende God, zorgvuldig moet beschermen. Het gaat om themas en problemen die
organiek samenhangen met de christelijke zin voor vrijheid en bevrijding. Totaal
afhankelijk van God en geheel op Hem gericht door de geestdrift van haar geloof
is Maria naast haar Zoon het meest volmaakte beeld van de vrijheid en
bevrijding van de mensheid en van de kosmos. Naar haar moet de Kerk waarvan zij
de moeder en het voorbeeld is, opzien om de betekenis van haar zending in haar
volheid te begrijpen.
DEEL 3 : MIDDELARES ALS MOEDER
HOOFDSTUK 1 - Maria,
dienstmaagd des Heren
De Kerk weet en leert met sint
Paulus dat wij één middelaar hebben: Want God is één, één is ook de
middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die zich als
losprijs voor allen gegeven heeft (1 Tim. 2, 5-6). Welnu, de
moederlijke taak van Maria tegenover de mensen verduistert of vermindert op
geen enkele wijze dat enig middelaarschap van Christus maar toont aan, hoe
krachtig het is. Het is bemiddeling in Christus.
De Kerk weet en leert dat elke
heilsinvloed van de heilige Maagd op de mensen ontstaat ... uit welbehagen
van God, voortvloeit uit de overvloed van de verdiensten van Christus, op
zijn middelaarschap is gevestigd, daarvan volkomen afhankelijk is en daaruit
haar gehele kracht put; de onmiddellijke vereniging van de gelovigen met
Christus geenszins belemmert maar juist bevordert. Deze heilsinvloed wordt
gesteund door de Heilige Geest die, zoals Hij de Maagd Maria overschaduwde en
haar goddelijk moederschap deed aanvangen, zo ook voortdurend haar zorg voor de
broeders van haar Zoon bijstaat.
Het middelaarschap van
Maria is inderdaad nauw verbonden met haar moederschap en
heeft een specifiek moederlijk karakter waardoor het te onderscheiden is van
het middelaarschap van de andere schepselen die op verschillende maar altijd
ondergeschikte wijzen deelnemen aan het enig middelaarschap van Christus, ook
al blijft het hare eveneens deelname. Want al kan geen enkel schepsel op
één lijn worden gesteld met het mens geworden Woord en de Verlosser,
toch verhindert het enig middelaarschap van de Verlosser niet de
menigvuldige medewerking van de schepselen, maar wekt het deze op door ze aan
de enige ervan deelachtig te maken; en zo wordt de ene goedheid van God
op verscheidene wijzen werkelijk uitgespreid in de schepselen.
De leer van het Tweede Vaticaans
Concilie houdt deze waarheid over het middelaarschap van Maria voor als deelname
aan deze enige bron die het middelaarschap van Christus zelf is. Wij lezen
namelijk: De Kerk belijdt zonder aarzelen deze ondergeschikte taak van
Maria; voortdurend ervaart zij deze en zij drukt de gelovigen op het hart,
opdat zij, daar deze moederlijke bescherming geholpen, zich inniger aan de
Middelaar en Verlosser zouden hechten. Deze taak is tegelijk speciaal en
uitzonderlijk. Zij vloeit voort uit haar goddelijk moederschap en kan
slechts op grond van de volledige waarheid over dit moederschap in geloof
begrepen en beleefd worden. Omdat Maria door goddelijke uitverkiezing de Moeder
is van de Zoon die één in wezen is met de Vader, en edelmoedige gezellin Deze
taak vormt een reëel aspect van haar tegenwoordigheid in het heilmysterie van
Christus en de Kerk.
Het is nodig vanuit dit
gezichtspunt nogmaals de fundamentele gebeurtenis in het heilsbestel te
beschouwen, d.w.z. de menswording van het Woord op het ogenblik van de
boodschap. Het is veelbetekenend dat Maria die in het woord van de goddelijke
bode de wil van de Allerhoogste onderkent en zich aan zijn macht onderwerpt,
zegt: Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord
(Lc. 1, 38). Het eerste moment van de onderwerping aan het enig
middelaarschap tussen God en de mensen - het middelaarschap van Jezus
Christus is de aanvaarding van het moederschap door de Maagd van Nazareth.
Maria stemt in met de keuze van God om door de Heilige Geest de Moeder van Gods
Zoon te worden. Men kan zeggen dat haar instemming met het moederschap vooral
een vrucht is van haar volledige overgave aan God in de
maagdelijkheid. Geleid door de bruidsliefde, welke de liefde is die een
menselijke persoon geheel aan God wijdt, heeft Maria de uitverkiezing
tot Moeder van Gods Zoon aanvaard. Krachtens deze liefde wilde Maria altijd en
in alles aan God toegewijd zijn door in maagdelijkheid te leven. De
woorden Zie de dienstmaagd des Heren drukken het feit uit dat zij
van het begin af haar eigen moederschap heeft aanvaard en begrepen als de
totale gave van zichzelf, van haar persoon, ten dienste van het heilsplan
van de Allerhoogste. En heel haar moederlijke deelname aan het leven van Jezus
Christus, haar Zoon, heeft zij tot het einde toe vervuld op een wijze die
overeenkomt met haar roeping tot de maagdelijkheid.
Het moederschap van Maria, tot
in het diepst waarvan de bruidshouding van dienstmaagd des Heren is
doorgedrongen, vormt de eerste en fundamentele dimensie van het middelaarschap
dat de Kerk met betrekking tot haar belijdt en verkondigt en dat zij
voortdurend aanbeveelt aan de liefde van de gelovigen, daar zij er veel
vertrouwen in stelt. Men moet immers erkennen dat God zelf, de eeuwige
Vader zich als eerste heeft toevertrouwd aan de Maagd van
Nazareth, toen Hij haar zijn eigen Zoon gaf in het mysterie van de menswording.
Haar uitverkiezing tot de hoogste taak en waardigheid van Moeder van Gods Zoon
heeft op ontologisch vlak betrekking op de werkelijkheid zelf van de vereniging
van de twee naturen in de persoon van het Woord (hypostatische vereniging). Het
fundamentele feit van Moeder van Gods Zoon te zijn is vanaf het begin een
volledige openheid voor de persoon van Christus, voor hee; zijn werk, voor heel
zijn zending. De woorden Zie de dienstmaagd des heren getuigen van
deze openheid van de geest van Maria, die in zichzelf op volmaakte wijze de
liefde verwezenlijkt welke eigen is aan de maagdelijkheid, verenigd en als het
ware versmolten met de liefde welke karakteristiek is voor het moederschap.
Daarom is Maria niet alleen
de moeder en voedster van de Mensenzoon geworden, maar ook op
heel bijzondere wijze de edelmoedige gezellin van de Messias en
Verlosser. Zoals reeds gezegd, is zij voortgegaan op de pelgrimstocht van het
geloof en op deze pelgrimstocht tot aan de voet van het kruis heeft
zij tegelijk door wat zij gedaan en geleden heeft haar moederlijke medewerking aan
heel de zending van de Heiland gerealiseerd. Langs de weg van die samenwerking
met het werk van de Zoon en Verlosser heeft het moederschap van Maria een
bijzonder verandering gekend en zich steeds meer gevuld met vurige liefde voor
allen tot wie de zending van Christus zich richtte. Door die vurige
liefde die erop gericht is om in vereniging met Christus het
herstel van het bovennatuurlijke leven van de zielen te
bewerken, begon zij op geheel persoonlijke wijze deel te nemen
aan het enige middelaarschap tussen God en de mensen, dat het
middelaarschap van de mens Christus Jezus is. Als eerste heeft zij de
bovennatuurlijke uitwerking van dat enige middelaarschap op zichzelf ervaren
reeds bij de boodschap was zij begroet als vol van genade - en
daarom moet men zeggen dat zij door de volheid van genade en van
bovennatuurlijk leven bijzonder voorbereid was op de medewerking met Christus,
de enige Middelaar van het menselijke heil. En deze medewerking is juist
het middelaarschap dat ondergeschikt is aan het middelaarschap van
Christus.
In het geval van Maria gaat het
om een speciaal en uitzonderlijk middelaarschap dat berust op haar volheid
van genade die tot uitdrukking kwam in de volledige beschikbaarheid van
de dienstmaagd des Heren. In antwoord op deze innerlijke beschikbaarheid
van zijn Moeder bereidde Jezus Christus haar er steeds meer op voor om
voor de mensen moeder in de orde van de genade te worden. Daarom
wijzen minstens indirect bepaalde bijzondere aantekeningen van de
synoptici en nog meer van het evangelie van Johannes die ik
reeds toegelicht heb. In dit opzicht zijn de woorden die Jezus aan het kruis uitgesproken
heeft met betrekking tot Maria en Johannes bijzonder welsprekend.
Na de gebeurtenissen van de
verrijzenis en de hemelvaart ging Maria samen met de apostelen in afwachting
van Pinksteren het cenakel binnen, waar zij aanwezig was als Moeder van de
verheerlijkte Heer. Zij was niet alleen degene die voortging op de
pelgrimstocht van het geloof en de vereniging met haar Zoon standvastig
volhield tot onder het kruis, maar ook de dienstmaagd des Heren die door haar
Zoon achtergelaten was als moeder midden in de beginnende Kerk: Zie daar uw
moeder. Zo begon zich een speciale band te vormen tussen deze Moeder en de
Kerk. De beginnende Kerk was immers een vrucht van het kruis en de verrijzenis
van haar Zoon. Het was niet mogelijk dat Maria, die zich van het begin af
zonder voorbehoud aan de persoon en het werk van de Zoon had gegeven, niet van
het begin af haar moederlijke gaven over de Kerk zou uitstorten. Haar
moederschap is na het heengaan van de Zoon in de Kerk blijven voortbestaan als
moederlijk middelaarschap: door ten beste te spreken voor al haar kinderen werkt
de Moeder mee aan het heilswerk van de Zoon, de Verlosser van de wereld. Het
Concilie leert inderdaad: het moederschap van Maria in het genadebestel gaat
zonder ophouden voort ... tot aan de eeuwige voleinding van alle uitverkorenen.
Bij de verlossingsdood van haar Zoon heeft het moederlijke middelaarschap van
de dienstmaagd des Heren een universele omvang gekregen omdat het
verlossingswerk alle mensen omvat. Zo openbaart zich op bijzondere wijze de
doeltreffendheid van het enige en universele middelaarschap van Christus
tussen God en de mensen. De medewerking van Maria is in haar ondergeschikt
karakter deelname aan de universaliteit van het middelaarschap van de
Verlosser, de enige Middelaar. Het Concilie geeft dit duidelijk aan met de
bovengeciteerde woorden.
Wij lezen verder: Want, ten
hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door
haar menigvuldige voorspraak gaat zij voort ons de gaven van het eeuwige heil
te bezorgen. Het middelaarschap van Maria zet zich voort in de geschiedenis
van de Kerk en de wereld met dit karakter van voorspraak dat zich voor het
eerst gemanifesteerd heeft te Kana in Galilea. Wij lezen dat Maria met
moederlijke liefde zorg draagt voor de broeders van haar Zoon die nog op
pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegende
vaderland bereiken. Op deze wijze gaat het moederschap van Maria steeds voort
in de Kerk als middelaarschap dat voorspraak is, en de Kerk drukt haar geloof
in deze waarheid uit door Maria aan te roepen onder de titels van
voorspreekster, helpster, bijstand, middelares.
Door haar middelaarschap, dat
ondergeschikt is aan het middelaarschap van de Verlosser, draagt Maria op
speciale wijze bij tot de vereniging van de op aarde pelgrimerende Kerk met de
eschatologische en hemelse realiteit van de gemeenschap van de heiligen, omdat
zij reeds ten hemel opgenomen is.
De waarheid van de
tenhemelopneming die door Pius XII is gedefinieerd, is opnieuw bevestigd door
het Tweede Vaticaans Concilie dat het geloof van de Kerk als volgt uitdrukt:
Tenslotte werd de onbevlekte Maagd, die voor elke smet van de erfzonde behoed
was gebleven, bij het einde van haar aardse loopbaan met lichaam en ziel in de
hemelse glorie opgenomen en tot koningin van allen door de Heer verheven, om
aldus vollediger gelijkvormig te worden aan haar Zoon, de Heer der
heren en de Overwinnaar van zonde en dood.
Met deze leer sloot Pius XII
zich aan bij de Traditie die op vele wijzen uitdrukking gevonden heeft in de
geschiedenis van de Kerk, zowel in het oosten als in het westen.
Met het mysterie van de
tenhemelopneming is in Maria heel de uitwerking van het enige Middelaarschap
van Christus, de Verlosser van de wereld en de verrezen Heer, werkelijkheid
geworden: Allen zullen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen
rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens, bij zijn komst, zij
die Christus toebehoren (1 Kor. 15, 22-23). In het mysterie van de
tenhemelopneming drukt zich het geloof van de Kerk uit volgens hetwelk Maria
door een innige en onverbreekbare band verenigd is met Christus, omdat zij
die als Moedermaagd op speciale wijze met Hem verenigd was bij zijn eerste
komst, dit door haar voortdurende samenwerking met Hem ook zal zijn in
afwachting van zijn tweede komst; op een meer verheven wijze verlost met het
oog op de verdiensten van haar Zoon heeft zij ook de taak van middelares
van goedertierenheid die eigen is aan de Moeder, bij de definitieve komst, als
allen die Christus toebehoren zullen herleven en de laatste vijand, de dood,
vernietigd zal worden (1 Kor. 15, 26).
Met deze verheffing van de
dochter van Sion bij uitnemendheid door de tenhemelopneming is het
mysterie van haar eeuwige heerlijkheid verbonden. Want de Moeder van Christus
is verheerlijkt als koningin van allen. Zij die bij de boodschap zichzelf
dienstmaagd des Heren heeft genoemd, is heel haar aardse leven trouw gebleven
aan wat deze naam uitdrukt en daarmee heeft zij bevestigd een echte leerlinge
van Christus te zijn die sterk benadrukt heeft dat zijn eigen zending dienst
is: de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en
zijn leven te geven als losprijs voor velen (Mt. 20,28). Zo is Maria de eerste
geworden onder hen die Christus ook in de anderen dienen en aldus, door
nederigheid en geduld, hun broeders terugbrengen naar de koning: Hem dienen is
pas waarlijk heersen; zij heeft ten volle de staat van koninklijke vrijheid
verworven die eigen is aan de leerlingen van Christus: dienen betekent heersen!
Christus, gehoorzaam geworden
tot de dood toe en daarom door de Vader verhoogd, is in de glorie van zijn rijk
binnengegaan. Alles is Hem onderwerpen, totdat Hij zichzelf en heel de
schepping aan de Vader onderwerpt, opdat God alles in allen zou zijn. Maria,
de dienstmaagd des Heren, heeft deel aan dit Rijk van de Zoon. De glorie van
het dienen houdt niet op haar koninklijke verheffing te zijn: ten hemel
opgenomen staakt zij haar heilbrengende dienst niet, waarin het moederlijke
middelaarschap zich uitdrukt tot aan de eeuwige voleinding van alle
uitverkorenen. Zo blijft zij die hier op aarde de vereniging met haar Zoon
standvastig heeft volgehouden tot onder het kruis, steeds met Hem verenigd, nu
alles Hem onderwerpen is, totdat Hij zichzelf en heel de schepping aan de
Vader onderwerpt. Zo is Maria door haar tenhemelopneming als het ware omgeven
door heel de werkelijkheid van de gemeenschap der heiligen en haar vereniging
met de Zoon in de heerlijkheid staat geheel gericht op de definitieve volheid
van het Rijk, als God alles in allen zal zijn. Ook in deze fase blijft het
moederlijke middelaarschap van Maria ondergeschikt aan Hem die de enige
Middelaar is, tot aan de definitieve verwezenlijking van de volheid der tijden,
totdat het heelal in Christus onder één hoofd wordt gebracht.
HOOFDSTUK 2 - Maria
in het leven van de Kerk en van iedere Christen
Het Tweede Vaticaans Concilie
heeft in aansluiting op de Traditie nieuw licht geworpen op de taak van de
Moeder van Christus in het leven van de Kerk. Door de gave ... van het
goddelijk moederschap dat haar met haar Zoon, de Verlosser, verenigt, en door
haar heel bijzondere genaden en opdrachten is de heilige Maagd ook met de Kerk
innig verbonden: de Moeder van God is het model van de Kerk, ... namelijk in de
orde van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus. Wij
hebben reeds eerder gezien hoe Maria vanaf het begin bij de apostelen bleef in
afwachting van Pinksteren en hoe zij, de zalige die geloofd heeft, van
geslacht tot geslacht aanwezig is midden in de Kerk die in geloof onderweg is,
ook als model van de hoop die niet teleurgesteld wordt.
Maria heeft geloofd dat tot
vervulling zou komen wat haar vanwege de Heer gezegd is. Als maagd heeft zij
geloofd dat zij zwanger zou worden en een zoon ter wereld zou brengen: de
Heilige, aan wie de naam toekomt van Zoon van God, de naam van Jezus (=God
redt). Als dienstmaagd des Heren bleef zij volmaakt trouw aan de persoon en de
zending van deze Zoon. Als bleef zij volmaakt trouw aan de persoon en de zending
van deze Zoon. Als moeder heeft zij in geloof en gehoorzaamheid . . . de eigen
Zoon van de Vader hier op aarde gebaard, en wel zonder een man te bekennen,
overschaduwd door de Heilige Geest.
Om deze redenen wordt Maria
terecht door de Kerk met een bijzonder verering omringd. Inderdaad, vanaf de
oudste tijden wordt (zij) met de titel van Godsmoeder vereerd en tot haar
bescherming nemen de gelovigen in al hun gevaren en noden hun toevlucht. Deze
eredienst is van heel bijzonder aard: hij houdt de diepe band in die bestaat
tussen de Moeder van Christus en de Kerk en drukt deze uit. Maria blijft als
maagd en moeder voor de Kerk het model. Men kan dus zeggen dat Maria die
aanwezig is in het mysterie van Christus vooral volgens dit aspect, dus als
model of beter als beeld ook steeds aanwezig blijft in het mysterie van de
Kerk. Inderdaad wordt ook de Kerk Moeder en maagd genoemd en deze namen zijn
bijbels en theologisch zeer verantwoord.
De Kerk wordt . . . moeder
door het woord van God met getrouwheid op te nemen. Zoals Maria, die als
eerste geloofd heeft oen zij het woord van God aannam dat haar geopenbaard werd
bij de boodschap, en daaraan trouw bleef in al haar beproevingen tot onder het
kruis, zo wordt de Kerk moeder als zij het woord van God met getrouwheid
aanneemt en door de prediking en het doopsel zonen ter wereld brengt, van
de Heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk
leven. Dit moederlijke kenmerk van de Kerk is op bijzondere
levendige wijze uitgedrukt door de apostel van de heidenen toen hij
schreef: Ach kinderen, ik moet opnieuw weeën om u doorstaan, totdat ge de
gestalte van Christus hebt aangenomen (Gal. 4, 19). Deze woorden van sint
Paulus bevatten een interessant spoor van het moederlijke bewustzijn van de
oerkerk, dat verband houdt met haar apostolische dienstwerk onder de mensen.
Dit bewustzijn maakte het de Kerk mogelijk en maakt het haar steeds mogelijk
het mysterie van haar leven en zending te zien naar het voorbeeld van de
Moeder van de Zoon die de eerstgeborene onder vele broeders is
(Rom. 8, 29).
Men kan zeggen dat de Kerk ook
van Maria haar eigen moederschap leert. Zij herkent het moederlijke aspect van
haar roeping dat wezenlijk verbonden is met haar sacramentele natuur, terwijl
zij de verborgen heiligheid van Maria beschouwt, haar liefde navolgt en de wil
van de Vader getrouw volbrengt.
Als de Kerk teken en instrument
van de innige vereniging met God is, dan is zij dit vanwege haar moederschap:
omdat zij door de levenwekkende Geest zonen en dochters van de mensenfamilie
voortbrengt voor een nieuw leven in Christus; omdat de Kerk zo ten dienste
blijft staan van het mysterie van de aanneming tot de kinderen door de genade,
zoals Maria ten dienste staat van het mysterie van de menswording.
Naar het voorbeeld van Maria
blijft de Kerk tevens de maagd die trouw is aan haar bruidegom: Ook zij is
maagd: zij behoudt haar trouw aan de bruidegom gaaf en zuiver. De Kerk is
inderdaad de bruid van Christus, zoals blijkt uit de paulijnse brieven en
uit de naam die Johannes haar geeft: de bruid van het Lam (Openb. 21, 9).
Wanneer de Kerk als bruid de aan Christus gegeven trouw behoudt, dan heeft
deze trouw die in de leer van de apostel beeld van het huwelijk is geworden,
tegelijk de waarde van beeld van de volledige overgave aan God in het celibaat
omwille van het Rijk der hemelen ofwel van de aan God gewijde
maagdelijkheid.
Juist deze maagdelijkheid naar
het voorbeeld van de Maagd van Nazareth is bron van een bijzonder geestelijke
vruchtbaarheid: zij is bron van het moederschap in de Heilige Geest.
De Kerk behoudt ook het geloof
dat zij van Christus ontvangen heeft: naar het voorbeeld van Maria die alles
wat haar goddelijke Zoon betrof in haar hart bewaarde en bij zichzelf overwoog,
legt zij zich erop toe het Woord van God te bewaren en de rijkdommen ervan
oordeelkundig en omzichtig na te vorsen, om er in ieder tijdvak voor alle
mensen trouw van te getuigen.
Aangezien Maria haar voorbeeld
is gaat de Kerk naar Maria toe en tracht zij aan haar gelijk te worden: in
navolging van de Moeder van haar Heer bewaart zij op maagdelijke wijze, door de
kracht van de Heilige Geest, het ongerept geloof, de standvastige hoop en de
oprechte liefde. Maria is dus aanwezig in het mysterie van de Kerk als model.
Maar het mysterie van de Kerk bestaat er ook in de mensen voort te brengen voor
een nieuw en onsterfelijk leven: dit is haar moederschap in de Heilige Geest.
En hier is Maria niet alleen model en beeld van de Kerk maar veel meer.
Want met moederlijke liefde draagt zij bij tot de geboorte en de
opvoeding van de zonen en de dochters van de moederkerk. Het moederschap
van de Kerk verwerkelijkt zich niet alleen volgens het model en het beeld van
de Moeder Gods maar ook met haar medewerking. De Kerk putovervloedig
uit deze medewerking, uit het moederlijke middelaarschap dus, dat
karakteristiek is voor Maria, omdat zij reeds op aarde bijdroeg tot de geboorte
en de opvoeding van zonen en dochters van de Kerk, als Moeder van de Zoon die
God gesteld heeft tot Eerstgeborene onder vele broeders.
Zij droeg ertoe bij zoals het
Tweede Vaticaans Concilie leert met moederlijke liefde. Hier ziet men de
werkelijke waarde van de woorden die Jezus op het uur van het kruis tot zijn
moeder gesproken heeft: Vrouw, zie daar uw zoon, en tot de
leerling: Zie daar uw moeder (Joh. 19, 26-27). Het zijn woorden
die de plaats van Maria in het leven van de leerlingen van Christus bepalen
en, zoals reeds gezegd, het nieuwe moederschap van de Moeder van de Verlosser
uitdrukken: het geestelijke moederschap dat voortgekomen is uit het diepst van
het Paasmysterie van de Verlosser der wereld. Het is een moederschap in de orde
van de genade, want het smeekt de gave af van de Heilige Geest die de nieuwe
kinderen van God verwekt die verlost zijn door het offer van Christus: de Geest
die ook Maria, samen met de Kerk, ontvangen heeft op de dag van Pinksteren.
Het christenvolk ervaart en
beleeft dit moederschap speciaal in het heilig Gastmaal, de liturgische
viering van het mysterie van de verlossing waarin Christus tegenwoordig komt
zijn waarachtige lichaam geboren uit de Maagd Maria.
Terecht heeft de vroomheid van
het christenvolk steeds een nauw verband gezien tussen de verering
van de heilige Maagd en de eucharistische eredienst: dit is een feit dat men
kan opmerken zowel in de westerse als in de oosterse liturgie, in de tradities
van de kloosterfamilies, in de spiritualiteit van de hedendaagse bewegingen,
ook in die van de jongeren, in de pastoraal van de Mariaheiligdommen. Maria
voert de gelovigen tot de Eucharistie.
Het is wezenlijk voor het
moederschap dat het betrekking heeft op personen. Het vormt steeds een
unieke en onherhaalbare relatie van twee personen: van de moeder met
het kind en van het kind met de moeder. Ook als eenzelfde vrouw
moeder is van vele kinderen, dan kenmerkt toch haar persoonlijke relatie met
ieder van hen wezenlijk het moederschap. Want ieder kind is op unieke en
onherhaalbare wijze ter wereld gebracht en dit geldt zowel voor de moeder als
voor het kind. Ieder kind wordt op diezelfde wijze omringd met de moederlijke
liefde waarop zijn opvoeding en rijping in menselijkheid gebaseerd zijn.
Men kan zeggen dat het
moederschap in de orde van de genade de gelijkenis behoudt met
wat in de orde van de natuur de band van de moeder met het kind
kenmerkt. In dit licht wordt het begrijpelijker dat in het testament van
Christus op Golgota het nieuwe moederschap van zijn Moeder uitgedrukt is in het
enkelvoud tegenover één mens: Zie daar uw zoon.
Men kan bovendien zeggen dat in
die woorden ook volledig het motief aangegeven wordt voor de mariale
dimensie van het leven van de leerlingen van Christus: niet allen van
Johannes die op dat uur samen met de Moeder van zijn Meester onder het kruis
stond, maar van iedere leerling van Christus, van iedere christen. De Verlosser
vertrouwt zijn Moeder aan de leerling toe en geeft haar tegelijk als moeder aan
hem. Het moederschap van Maria dat een erfenis wordt voor de mens is een gave:
een geschenk dat Christus persoonlijk aan ieder mens geeft. Zoals de
Verlosser Maria toevertrouwt aan Johannes, zo vertrouwt Hij tegelijk Johannes
toe aan Maria. Aan de voet van het kruis begint de speciale toewijding van
de mens aan de Moeder van Christus die vervolgens in de geschiedenis van
de Kerk op verschillende wijzen in praktijk gebracht en uitgedrukt is. Als de
apostel en evangelist na de woorden weergegeven te hebben die Jezus aan het
kruis tot de moeder en tot hemzelf richtte, eraan toevoegt: En van dat
ogenblik af nam de leerling haar bij zich (Joh. 19, 27), dan wil dit
ongetwijfeld zeggen dat aan de leerling de taak van zoon werd gegeven en dat
hij de zorg voor de moeder van zijn geliefde Meester op zich nam. Daar Maria
aan hem persoonlijk als moeder gegeven werd, duidt het, zij het indirect,
datgene aan wat de intieme band van een kind met zijn moeder uitdrukt. En dit
alles kan begrepen worden in het woord overgave. De overgave is het
antwoord op de liefde van een persoon en in het bijzonder op de
liefde van de moeder.
De mariale dimensie van het
leven van een leerling van Christus drukt zich op speciale wijze uit juist door
zon kinderlijke overgave aan de Moeder van God, welke zijn oorsprong heeft in
het testament van de Verlosser op Golgota. Als de christen zich kinderlijk aan
Maria toevertrouwt, neemt hij de Moeder van Christus op in
het zijne, zoals de apostel Johannes gedaan heeft, en leidt hij haar binnen in
heel de ruimte van zijn eigen innerlijke leven, d.w.z. in zijn menselijke en
christelijke ik: Hij nam haar bij zich. Zo streeft hij ernaar binnen
te treden in de straal van werking van de moederlijke liefde waarmee
de Moeder van de Verlosser zorg draagt voor de broeders van haar Zoon tot
wier geboorte en opvoeding zij bijdraagt, overeenkomstig de maat van de gave
die aan ieder eigen is door de kracht van de Geest van Christus. Zo ontplooit
zich ook het moederschap naar de geest dat de taak van Maria is geworden onder
het kruis en in het cenakel.
Deze kinderlijke band, dit zich
toevertrouwen van een zoon aan de Moeder heeft niet slechts zijn oorsprong
in Christus, maar men kan zeggen dat het tenslotte op Hem gericht is.
Men kan zeggen dat Maria tot allen dezelfde woorden blijft zeggen die zij te
Kana in Galilea gezegd heeft: Doet maar wat Hij u zeggen zal. Hij, Christus,
is immers de enige Middelaar tussen God en de mensen; Hij is de weg, de
waarheid en het leven (Joh. 14, 6); Hij is degene die door de Vader aan
de wereld is gegeven, opdat de mens niet verloren zal gaan, maar eeuwig
leven zal hebben (Joh. 3, 16). De Maagd van Nazareth is de eerste getuige geworden
van deze heilsliefde van de Vader en zij verlangt ook altijd en overal
zijn nederige dienstmaagd te blijven. Maria is ten opzichte van iedere
Christen, van iedere mens degene die als eerste geloofd heeft en
zij wil juist met dit geloof van een bruid en moeder haar invloed uitoefenen op
allen die zich als kinderen aan haar toevertrouwen. En het is bekend dat, hoe
meer deze kinderen in die houding volharden en daarin vooruitgaan, Maria hen
des te dichter bij de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus (Lc.
3, 8) brengt. En zij herkennen eveneens steeds beter heel de waardigheid van de
mens en de uiteindelijke zin van zij roeping, want Christus maakt . . .
de mens voor zichzelf duidelijk.
Deze mariale dimensie van het
christelijk leven krijgt een bijzonder accent waar het om de vrouw en haar
conditie gaat. De vrouwelijkheid staat immers op speciale wijze in relatie met
de Moeder van de Verlosser; een thema dat elders nader uitgewerkt zal kunnen
worden. Hier wil ik alleen opmerken dat de persoon van Maria van Nazareth licht
werpt op de vrouw als zodanig door het feit zelf dat God zich in de
sublieme gebeurtenis van de incarnatie van de Zoon heeft toevertrouwd aan de
vrije en actieve dienst van een vrouw. Daarom kan men zeggen dat de vrouw die
naar Maria kijkt in haar het geheim vindt om op waardige wijze haar vrouw-zijn
te beleven en haar echte promotie te realiseren. In het licht van Maria ziet de
Kerk op het gelaat van iedere vrouw een schoonheid die de spiegel is van de
meest verheven gevoelens waartoe het menselijke hart in staat is: de totale
offervaardigheid van de liefde; de kracht die weet te weerstaan aan de grootste
smart; de onbeperkte trouw en de onvermoeibare zorg; het vermogen om de doordringende
intuïtie te verenigen met het woord van ondersteuning en bemoediging.
Paulus VI heeft tijdens het
Concilie plechtig verklaard dat Maria Moeder van de Kerk is, dat wil
zeggen Moeder van hel het christenvolk, zowel van de gelovigen als van de
herders. Later, in 1968, bevestigde hij deze verklaring in de
geloofsbelijdenis die bekend is onder naam Credo van het Volk van
God in een nog meer bindende vorm met de woorden: Wij geloven dat de
allerheiligste Moeder van God, de nieuwe Eva, de Moeder van de Kerk, in de
hemel haar moederlijke taak ten opzichte van de ledematen van Christus
voortzet, door mee te werken aan de geboorte en de ontwikkeling van het
goddelijke leven in de zielen van de verlosten.
De leer van het Concilie heeft
onderstreept dat de waarheid over de allerheiligste Maagd en Moeder van
Christus een doeltreffend hulpmiddel vormt voor de verdieping van de waarheid
over de Kerk. Sprekend in verband met de constitutie Lumen
Gentium die juist door het Concilie goedgekeurd was, heeft Paulus VI
gezegd: De kennis van de ware katholieke leer over de heilige Maagd Maria
zal altijd een sleutel vormen voor het nauwkeurige begrip van het mysterie van
Christus en van de Kerk.
Maria is in de Kerk aanwezig als
Moeder van Christus en tevens als de Moeder die Christus in het mysterie van de
verlossing aan de mens gegeven heeft in de persoon van de apostel Johannes.
Daarom omringt Maria met haar nieuwe moederschap in de Geest allen en
ieder in de Kerk en door de Kerk. In deze zin is Maria, de
Moeder van de Kerk, ook moeder van de Kerk. Want deze moet, zoals Paulus
VI wenst en vraagt, de Maagd en Moeder van God tot het meest authentieke
voorbeeld van de volmaakte navolging van Christus nemen.
Dank zij deze speciale band die
de Moeder van Christus met de Kerk verbindt, wordt het mysterie
duidelijker van de vrouw die vanaf de eerste hoofdstukken van het boek
Genesis tot aan de Apokalyps de openbaring van Gods heilsplan ten
opzichte van de mensheid vergezelt. Maria die als Moeder van de Verlosser aanwezig
is in de Kerk, neemt inderdaad op moederlijke wijze deel aan de lastige
worsteling tegen de machten van de duisternis, die zich ontwikkelt gedurende
heel de geschiedenis van de mensheid. En daar de Kerk haar identificeert met
de vrouw, bekleed met de zon (Openb. 12, 1), kan men zeggen
dat de Kerk in de zalige Maagd de volmaaktheid reeds bereikt heeft,
waardoor zij vlek noch rimpel vertoont. Daarom heffen de christenen op hun
aardse pelgrimstocht in geloof hun ogen op naar Maria en spannen zij zich
nog steeds in om in heiligheid te groeien.
Maria, de dochter van Sion bij
uitnemendheid, helpt al haar kinderen, waar en in welke situatie zij ook
leven om in Christus de weg naar het huis van de Vader te vinden.
Daarom, onderhoudt de Kerk in
heel haar leven met de Moeder van God een band die in het heilsmysterie het
verleden, het heden en de toekomst omvat en vereert zij haar als geestelijke
moeder van de mensheid en pleitbezorgster van genade.
HOOFDSTUK 3 - De
betekenis van het Mariale jaar
Juist de speciale band van de
mensheid met deze Moeder heeft mij er toe gebracht om in de Kerk een Mariajaar
uit te roepen in de periode die voorafgaat aan het einde van het tweede
millennium na de geboorte van Christus. Een soortgelijk initiatief is er reeds in
het verleden geweest toen Pius XII het jaar 1954 tot Mariajaar uitriep teneinde
de uitzonderlijke heiligheid van de Moeder van Christus in het licht te stellen
die tot uitdrukking komt in de mysteries van haar onbevlekte ontvangenis (welke
precies een eeuw eerder tot dogma was verklaard) en van haar tenhemelopneming.
Nu wil ik in de lijn van het
Tweede Vaticaans Concilie de speciale tegenwoordigheid van de Moeder Gods
in het mysterie van Christus en zijn Kerk doen uitkomen. Dit is namelijk een
fundamentele dimensie die opkomt uit de mariologie van het Concilie dat nu
reeds meer dan twintig jaar geleden is afgesloten. De buitengewone
bisschoppensynode die in 1985 heeft plaatsgevonden heeft allen aangespoord
de leer en de aanwijzingen van het Concilie trouw te volgen. Men kan zeggen dat
het Concilie en de synode datgene bevatten wat de Heilige Geest wil zeggen
tot de Kerk in de huidige fase van de geschiedenis.
Het woord van de levende God dat
door de engel aan Maria verkondigd werd betrof haarzelf Zie, gij zult
zwanger worden en een zoon ter wereld brengen (Lc. 1, 31). Maria die deze
boodschap aannam moest de Moeder van de Heer worden en in haar
moest het goddelijke mysterie van de menswording in vervulling gaan: De
Vader van barmhartigheid heeft gewild dat aan de menswording de aanvaarding zou
voorafgaan door haar die voorbestemd was de moeder van Jezus te worden. En
Maria geeft deze instemming, na alle woorden van de bode aanhoord te hebben.
Zij zegt: Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord(Lc.
1, 38). Dit fiat van Maria - mij geschiede - heeft van de
menselijke kant beslist over de vervulling van het goddelijke mysterie. Er is
volledige overeenkomst met de woorden van de Zoon, die volgens de brief
een de Hebreeën bij zijn komst in de wereld tot de Vader zegt: Slachtoffers
en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid . . .
Hier ben Ik . . . gekomen . . . om uw wil te doen (Heb. 10, 5-7). Het
mysterie van de menswording is vervuld toen Maria haar fiat heeft
uitgesproken: Mij geschiede naar uw woord en de verhoring van de
wens van haar Zoon heeft mogelijk gemaakt, voorzover dit van haar afhing in het
goddelijk plan.
Maria heeft dit fiat uitgesproken door
het geloof. Zij heeft zich door het geloof zonder voorbehoud aan God
toevertrouwd en zich als dienstmaagd des Heren geheel en al gewijd aan de
persoon en het werk van haar Zoon. En zij heeft deze Zoon, zoals de kerkvaders
leren, alvorens Hem in haar schoot te ontvangen in haar geest ontvangen: juist
door het geloof! Elisabet prijst dus Maria terecht: Zalig zij die geloofd
heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is. Deze
woorden zijn reeds in vervulling gegaan: Maria van Nazaret verschijnt op de
drempel van het huis van Elisabet en Zacharias als Moeder van Gods Zoon. Fat is
de blijde ontdekking van Elisabet: De moeder van mijn Heer komt naar mij
toe!
Daarom kan ook het geloof van
Maria vergeleken worden met dat van Abraham, die door de
apostel onze vader in het geloof is genoemd. Het geloof van Abraham
vormt in de heilsgeschiedenis van de goddelijke openbaring het begin van het
Oude Verbond. Door het geloof van Maria bij de boodschap begint het Nieuwe
Verbond. Zoals Abraham geloofd heeft, hopend tegen alle hoop in, dat hij
vader zou worden van vele volken, zo heeft Maria op het ogenblik van
de boodschap, na erop gewezen te hebben dat zij maagd was (Hoe zal dit
geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?), geloofd dat
zij door de kracht van de Allerhoogste, door de werking van de heilige Geest,
de Moeder van Gods Zoon zou worden, overeenkomstig de openbaring van de
engel: wat ter wereld wordt gebracht zal heilig genoemd worden, Zoon van
God (Lc. 1, 35).
Maar de woorden van
Elisabet: Zalig zij die geloofd heeft zijn niet alleen van
toepassing op dat speciale ogenblik van de boodschap. Dit is zeker het
hoogtepunt van het geloof van Maria die Christus verwacht, maar ook het
vertrekpunt van waaruit heel haar opgang naar God, heel haar
geloofstocht begint. En op deze weg zal zich op voortreffelijke en waarlijk
heldhaftige wijze ja, met een steeds groter en heldhaftiger geloof de gehoorzaamheid aan
het woord van de goddelijke openbaring welke zij beloofd heeft, verwezenlijken.
En deze gehoorzaamheid van het geloof van de kant van Maria
gedurende haar gehele tocht zal op verassende wijze lijken op het geloof van
Abraham. Zoals de aartsvader van het volk van God zo heeft ook Maria langs de
weg van haar kinderlijk en moederlijk fiat geloofd, hopend tegen
alle hoop in. De zegen die geschonken is aan haar die geloofd heeft zal
zich bijzonder duidelijk openbaren speciaal langs sommige etappes van deze weg.
Geloven wil zeggen vertrouwen op de waarheid van het woord van de
levende God, ook al weet en erkent men nederig hoe ondoorgrondelijk zijn
beslissingen zijn, hoe onnaspeurlijk zijn wegen (Rom. 11, 33). Maria, kan
men zeggen, bevindt zich door de eeuwige wil van de Allerhoogste in het centrum
van die onnaspeurlijke wegen en ondoorgrondelijke
beslissingen van God; zij geeft zich daaraan over in de schemering van
het geloof en aanvaardt volledig en met open hart alles wat beschikt is in het
goddelijk plan.
Als Maria bij de boodschap hoort
spreken over de Zoon van wie zij de moeder zal worden en aan wie zij de
naam Jezus (=Redder) moet geven, komt zij ook te weten dat de Heer de
troon van zijn vader David zal schenken aan Hem en dat Hij in
eeuwigheid koning zal zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap geen
eind zal komen (Lc. 1, 32-33). De verwachting van heel Israël ging in
deze richting. De beloofde Messias zou groot zijn en ook de hemelse
bode kondigt aan dat hij groot zal zijn - groot zowel vanwege de
naam van Zoon van de Allerhoogste als vanwege het ontvangen van
de erfenis van David. Hij zal dus koning zijn, hij zal regeren over
het huis van Jakob. Maria is opgegroeid temidden van deze verwachtingen van
haar volk: kon zij op het ogenblik van de boodschap vermoeden welke wezenlijke
betekenis deze woorden van de engel hadden? En hoe dient dat koningschap waaraan nooit
een einde zal komen verstaan te worden?
Hoewel zij door het geloof op
dat ogenblik begrepen heeft moeder van de Messias-koning te zijn,
heeft zij toch geantwoord: Zie de dienstmaagd des Heren; mij
geschiede naar uw woord (Lc. 1, 38). Vanaf het eerste ogenblik heeft Maria
vooral de gehoorzaamheid van het geloof getoond en zich verlaten op
de betekenis die Hij van wie de woorden van de boodschap kwamen eraan gaf: God
zelf.
Een weinig later hoort Maria
steeds op deze weg van de gehoorzaamheid van het geloof andere
woorden, de woorden die Simeon uitsprak in de tempel van Jeruzalem.
Het was reeds de veertigste dag na de geboorte van Jezus toen Maria en Jozef volgens
het voorschrift van de Wet van Mozes het kind naar Jeruzalem brachten om
het aan de Heer op te dragen (Lc. 2, 22). De geboorte had plaats gevonden
in omstandigheden van uiterste armoede. Wij weten door Lucas dat Maria zich met
Jozef naar Betlehem had begeven bij gelegenheid van de volkstelling die door de
Romeinse autoriteiten uitgeschreven was, en dat zij, daar zij geen plaats
in de herberg gevonden had, haar kind in een stal ter wereld bracht en Hem
neerlegde in een kribbe .
Een zekere Simeon, een
wetsgetrouw en vroom man, verschijnt aan het begin van de geloofstocht van
Maria. Zijn door de heilige Geest ingegeven woorden bevestigen de waarheid
van de boodschap. Wij lezen namelijk dat hij het kind in zijn armen nam,
dat volgens het bevel van de engel de naam Jezus ontving . Wat
Simeon zegt stemt overeen met de betekenis van deze naam die Redder is: God
redt. Hij keerde zich tot de Heer en zei: Mijn ogen hebben uw heil
aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen
straalt, een glorie voor uw volk Israël (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt
zich tevens tot Maria met de volgende woorden: Mijn ogen hebben uw heil
aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen
straalt, een glorie voor uw volk Israël (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt
zich tevens tot Maria met de volgende woorden: Zie, dit kind is bestemd
tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van velen openbaar zal worden. En met betrekking tot Maria
zelf voegt hij eraan toe: en uw eigen ziel zal door een zwaard worden
doorboord (Lc. 2, 34-35). De woorden van Simeon werpen een nieuw licht op de
boodschap die Maria gehoord heeft van de engel: Jezus is de Redder. Hij is licht
om te stralen voor de mensen. Is dit niet wat in zekere zin gebleken is
in de kerstnacht, toen de herders naar de stal waren gekomen? Is dit
niet wat nog duidelijker zou blijken bij de komst van de Wijzen uit het
oosten? Maar tegelijk ervaart de Zoon van Maria reeds aan het begin van zijn
leven en met Hem zijn moeder aan zichzelf de waarheid van de andere woorden
van Simeon: teken van tegenspraak (Lc. 2, 34). Wat Simeon zegt
blijkt een tweede boodschap aan Maria te zijn, want het toont haar de
concrete historische omstandigheden waarin de Zoon zijn zending zal vervullen,
namelijk in onbegrip en leed. Deze boodschap is enerzijds een bevestiging van
haar geloof in de vervulling van de goddelijke heilsbeloften, maar openbaart
van de andere kant ook dat zij haar geloofsgehoorzaamheid moet beleven in
lijden aan de zijde van de lijdende Heiland en dat haar moederschap duister en
smartelijk zal zijn. Zie, na het bezoek van de Wijzen, na hun eerbetuiging (neervallend
betuigen zij hun hulde), na het aanbieden van de geschenken, moet Maria
inderdaad samen met het kind onder de zorgzame hoede van Jozef naar Egypte
vluchten, omdat Herodes het kind komt zoeken om het te doden. En tot aan
de dood van Herodes zullen zij in Egypte moeten blijven.
Na de dood van Herodes keert de
heilige familie terug naar Nazaret en begint de lange periode van het
verborgen leven. Zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen
wat haar vanwege de Heer is gezegd (Lc. 1, 45) beleefd iedere dag de
inhoud van deze woorden. De Zoon aan wie zij de naam Jezus heeft gegeven is
dagelijks aan haar zijde; zij gebruikt dus zeker in haar contacten met Hem deze
naam, die overigens bij niemand verwondering kon opwekken daar hij sinds lang
gebruikelijk was in Israël. Maria weet echter dat Hij die de naam Jezus draagt door
de engel Zoon van de Allerhoogste genoemd is. Maria weet dat zij Hem geeft
ontvangen en ter wereld gebracht zonder gemeenschap te hebben met een
man, door de werking van de heilige Geest, uit de kracht van de Allerhoogste
die daar overschaduwd heeft, zoals de wolk de tegenwoordigheid van God omhulde
in de tijd van Mozes en de vaders. Maria weet dus dat de Zoon die zij als maagd
ter wereld heeft gebracht werkelijk de Heilige is de Zoon van
God over wie de engel haar gesproken heeft.
Gedurende de jaren van het
verborgen leven van Jezus in het huis van Nazaret is ook het leven van
Maria met Christus verborgen in God door het geloof. Want het geloof is
een contact met het mysterie van God. Maria is voortdurend, dagelijks in
contact met het onuitsprekelijk mysterie van God die mens is geworden, een
mysterie dat alles overtreft wat in het Oude Verbond geopenbaard is. Vanaf het
ogenblik van de boodschap is de geest van de Moedermaagd binnengeleid in de
radicale nieuwheid van Gods zelfopenbaring en ingewijd in het
mysterie. Zij is de eerste van die kleinen van wie Jezus eens zal
zeggen: Vader, . . . Gij hebt deze dingen verborgen gehouden voor wijzen
en verstandigen, maar ze geopenbaard aan kleinen (Mt. 11, 25). Niemand
kent de Zoon tenzij de Vader (Mt. 11, 27). Hoe kan Maria dan de
Zoon kennen? Zij kent Hem zeker niet zoals de Vader Hem kent; maar toch is
zij de eerste onder hen aan wie de Vader Hem heeft willen openbaren. Ook
al is aan Maria van het ogenblik van de boodschap af de Zoon geopenbaard die
alleen de Vader ten bolle kent omdat Hij Hem voortbrengt in het eeuwige heden,
toch is zij, de Moeder, alleen in en door het geloof in contact met de
werkelijkheid van haar Zoon! Zij is dus zalig omdat zij geloofd heeft en iedere
dag gelooft temidden van alle beproevingen en tegenspoed van de periode
van Jezus kindsheid en vervolgens gedurende de jaren van het verborgen leven
te Nazaret, waar Hij aan hen onderdanig was (Lc. 2, 51): onderdanig
aan Maria en ook aan Jozef, want deze nam voor de ogen van de mensen de plaats
van de vader in; daarom werd de Zoon van Maria door de mensen voor de
zoon van de timmerman (Mt. 13, 55) gehouden.
De moeder van die Zoon, die
alles wat haar bij de boodschap en de daarop volgende gebeurtenissen gezegd was
in haar hart bewaart, draagt dus de radicale nieuwheid van het
geloof in zich: het begin van het Nieuwe Verbond. Dit is het begin van het
evangelie ofwel van de goede, blijde boodschap. Maar het is niet moeilijk in dat
begin een bijzondere moeite van het hart op te merken, samen met een
soort nacht van het geloof (om de woorden van de heilige Johannes
van het Kruis te gebruiken), als het ware een sluier waardoorheen
men moet naderen tot de Onzichtbare en leven in innige verbondenheid met het
mysterie. Het is inderdaad op deze wijze dat Maria vele jaren innig
verbonden bleef met het mysterie van haar Zoon en voortging op haar
geloofstocht, terwijl Jezus toenam in wijsheid en welgevalligheid bij God
en de mensen (Lc. 2, 25). Steeds meer openbaarde zich voor de ogen van de
mensen de voorliefde die God voor Hem had. De eerste van de menselijke
schepselen aan wie het gegeven was Christus te ontdekken, was Maria die met
Jozef in het huis te Nazaret leefde.
Toe Maria en Jozef Jezus teruggevonden
hadden in de tempel en de twaalfjarige op de vraag van zijn
Moeder: Waarom hebt Ge ons dit aangedaan? antwoordde Wist ge
dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?, voegt de evangelist
toe: Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde (Lc. 2,
48-50). Jezus was er zich dus van bewust dat alleen de Vader de Zoon kent,
zozeer dat zelfs zij aan wie het mysterie van zijn goddelijk Zoon-zijn dieper
geopenbaard was, de Moeder, alleen door het geloof in innige verbondenheid met
dit mysterie leefde! Aan de zijde van haar Zoon onder hetzelfde dak heeft zij
de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden en is zij voortgegaan op
de pelgrimstocht van het geloof, zoals het Concilie onderstreept. En zo was
het ook tijden het openbare leven van Christus, waardoor van dag tot dag in
haar de zegen vervuld werd welke Elisabet bij haar bezoek had uitgesproken: Zalig
zij de geloofd heeft.
Deze zegen bereikt het
hoogtepunt van zijn betekenis als Maria onder het kruis van haar
Zoon staat . Het Concilie verzekert dat dit niet is geschied zonder
Gods beschikking: daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene
meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol
toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren.
Zo, heeft zij de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden tot
onder het kruis de vereniging door het geloof, hetzelfde geloof waarmee
zij de openbaring van de engel op het ogenblik van de boodschap had ontvangen.
Toen had zij ook tot zich horen zeggen: Hij zal groot zijn . . . God de
Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid
koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde
komen (Lc. 1, 32-33).
En zie, aan de voet van het
kruis is Maria menselijkerwijs gesproken getuige van de volstrekte logenstraffing
van deze woorden. Haar Zoon sterft als een veroordeelde op dat hout. Geminacht
en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten . . . geminacht en als niet
de moeite waard beschouwd: als het ware vernietigd. Hoe groot en heldhaftig is
dan de gehoorzaamheid van het geloof die Maria toont tegenover de ondoorgrondelijke
beslissingen van God! Hoe vertrouwt zij zich zonder
voorbehoud toe aan God, door de volledige onderdanigheid van verstand en
wil jegens Hem wiens wegen onnaspeurlijk zijn ! En hoe
machtig is tevens de werking van de genade in haar ziel, hoe doordringend is de
invloed van de heilige Geest, van zij licht en kracht?
Door dit geloof is Maria
volmaakt verenigd met Christus in zijn ontlediging. Want Jezus Christus . . .
die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de
gelijkheid met God. Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een
slaaf aangenomen: juist op Golgota heeft Hij zich vernederd en werd Hij
gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis. Aan de voet van het kruis
neemt Maria door het geloof deel aan het ontstellende mysterie van deze
ontlediging. Misschien is dit de meest diepe ontlediging van het geloof in de
mensengeschiedenis. Door het geloof neemt de Moeder deel aan de dood van de
Zoon, aan zijn verlossingsdood. Het was een geloof dat veel meer verlicht was
dan het geloof van de leerlingen die op de vlucht sloegen. Op Golgota heeft
Jezus door het kruis definitief bevestigd het teken van tegenspraak te zijn
dat Simeon voorzegd had. Tegelijkertijd zijn daar de woorden in vervulling
gegaan die tot Maria gericht had: En uw eigen ziel zal door een zwaard worden
doorboord.
Ja, waarlijk zalig zij die
geloofd heeft! Deze woorden welke Elisabet uitgesproken heeft na de boodschap,
lijken hier aan de voet van het kruis te weerklinken met uiterste
welsprekendheid en de kracht die erin opgesloten ligt wordt doordringend. Vanaf
het kruis, als het ware uit het hart zelf van het mysterie van de verlossing,
verbreidt zich de straal en verwijdt zich het perspectief van die geloofszegen.
Hij gaat terug, tot aan het begin en wordt, als deelname aan het
offer van Christus, de nieuwe Adam, in zekere zin het tegenwicht van de
ongehoorzaamheid en het ongeloof die gelegen zijn in de zonde van de
stamouders. Zo leren de kerkvaders en in het bijzonder de heilige Ireneüs die
geciteerd wordt door de constitutie Lumen Gentium: De knoop van Evas
ongehoorzaamheid werd door de gehoorzaamheid van Maria ontward: hetgeen de
maagd Eva door het ongeloof gebonden had, dat heeft de Maagd Maria door haar
geloof ontbonden. In het licht van deze vergelijking met Eva noemen de vaders
Maria "moeder van de levenden", zoals het Concilie ook in herinnering
brengt, en zij verklaren vaak: De dood door Eva, het leven door Maria.
Wij kunnen dus terecht in de
uitdrukking Zalig zij de geloofd heeft als het ware een sleutel vinden die
ons de innerlijke werkelijkheid van Maria ontsluit: van haar die de engel
gegroet heeft als vol van genade. Als vol van genade is zij van eeuwigheid
aanwezig in het mysterie van Christus, terwijl zij door het geloof daaraan
deelneemt op heel haar aardse levensweg: zij is voortgegaan op de
pelgrimstocht van het geloof. Tegelijk heeft zij op discrete maar directe en
doeltreffende wijze dit mysterie van Christus voor de mensen tegenwoordig
gesteld. En zij doet dit nog steeds. En door het mysterie van Christus is zij
ook aanwezig onder de mensen. Zo wordt door het mysterie van de Zoon ook het
mysterie van de Moeder verhelderd.
HOOFDSTUK 3 - Zie
daar uw moeder
In het Evangelie van Lucas staat
het moment opgetekend waarom een vrouw uit de menigte haar stem verhief en
Jezus toeriep: Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die
u hebben gevoed (Lc. 11, 27). Deze woorden vormden een hulde aan Maria
als moeder van Jezus naar het vlees. Die vrouw kende de Moeder van Jezus
misschien niet persoonlijk. Toen Jezus zijn messiaanse activiteit begon,
vergezelde Maria Hem immers niet en bleef zij in Nazareth. Men zou kunnen
zeggen dat de woorden van die onbekende vrouw haar op zeker wijze haar
verborgenheid hebben doen verlaten.
Door die woorden heen heeft
minstens voor een ogenblik onder de menigte het Evangelie van Jezus kindsheid
gestraald. Het is het Evangelie waarin Maria aanwezig is als de moeder die
Jezus in haar schoot ontvangt en ter wereld brengt en Hem als pasgeborene de
moederborst geeft: de moeder en voedster op wie de vrouw uit het volk
zinspeelt. Dank zij dit moederschap is Jezus Zoon van de
Allerhoogste een echt mensenkind. Hij is vlees ,zoals iedere
mens: Hij is het Woord (dat) vlees is geworden.
Hij is vlees en bloed van
Maria. Maar Jezus antwoordt op veelzeggende wijze op de zegen welke werd
uitgesproken door die vrouw tegenover zijn moeder naar het vlees: Veeleer
gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden (Lc. 11, 28).
Hij wil de aandacht afleiden van het moederschap enkel in de zin van een band
van het vlees om haar te richten op de mysterievolle banden van de geest die
gevormd worden door het beluisteren en onderhouden van het woord Gods.
Eenzelfde overdracht naar de
sfeer van de geestelijke waarden tekent zich nog duidelijker af in een ander
antwoord van Jezus, dat alle synoptici weergeven. Als men aan Jezus laat weten
dat zijn moeder en broeders zijn zij die het woord van God horen en er naar
handelen (Lc. 8, 20-21). Dit zei Hij terwijl Hij zijn blik liet gaan
over de mensen die in een kring om hen heen zaten, zoals wij bij Marcus lezen"
(Mc. 3, 34) of, volgens Matteüs, met een gebaar naar zijn leerlingen (Mt. 12,
49).
Deze uitdrukkingen lijken een
vervolg op wat Jezus als twaalfjarige antwoordde aan Maria en Jozef toen zij
Hem na drie dagen terugvonden in de tempel van Jeruzalem.
Toen Jezus uit Nazareth wegtrok
en zijn openbare leven begon in heel Palestina, wijdde Hij zich volledig en
uitsluitend aan de dingen van de Vader.
Hij verkondigde het Rijk: Rijk
van God en dingen van de Vader, die ook een nieuwe dimensie en een nieuwe
zin geven aan al wat menselijk is en dus aan iedere menselijke relatie, in
verband met de doeleinden en de taken die aan iedere mens zijn toevertrouwd.
Ook een band als die van het broeder-zijn betekent in deze nieuwe dimensie
iets anders dan het broeder-zijn naar het vlees, dat voortkomt uit de
gemeenschappelijke afkomst van dezelfde ouders. En zelfs het moederschap
krijgt een andere zin in de dimensie van het Rijk Gods, in de straal van het
vaderschap van God zelf. Met de woorden die Lucas heeft opgeschreven leert
Jezus juist deze nieuwe zin van het moederschap.
Verwijdert Hij zich daarmee van
haar die Hem naar het vlees heeft voortgebracht? Wil Hij haar misschien in de
schaduw van de verborgenheid laten die zij zelf gekozen heeft? Als dit zo kan
lijken omdat de woorden zo klinken, dan moet men evenwel vaststellen dat het
nieuwe en andere moederschap waarover Jezus tot zijn leerlingen spreekt, juist
op zeer speciale wijze Maria treft. Is Maria soms niet de eerste onder hen die
het woord van God horen en er naar handelen? En betreft de zegen die Jezus
uitgesproken heeft in antwoord op de woorden van de anonieme vrouw dus niet
vooral haar? Maria is zonder twijfel zegen waardig door het feit dat zij naar
het vlees Moeder van Jezus is geworden (Gelukkig de schoot die u gedragen
heeft en de borsten die u hebben gevoed), maar ook en vooral omdat zij reeds
op het ogenblik van de boodschap het woord van God aangenomen heeft, omdat zij
daarin geloofd heeft, omdat zij gehoorzaam was aan God, omdat zij het woord in
haar hart bewaarde en overwoog en met heel haar leven er naar handelde.
Wij mogen dus zeggen dat de zaligspreking die Jezus uitgesproken heeft, niet
staat tegenover die welke verwoord is door de onbekende vrouw, ook al heeft het
er de schijn van, maar daarmee samenvalt in de persoon van deze Moedermaagd die
zich alleen maar "dienstmaagd des Heren heeft genoemd (Lc. 1, 38). Het is
waar dat elk geslacht haar zalig prijst (Lc. 1, 48) maar men kan zeggen dat
die naamloze vrouw de eerste geweest is die onbewust dat profetische vers van
het Magnificat van Maria heeft bevestigd en het Magnificat van de
eeuwen heeft ingezet.
Door het geloof is Maria de
moeder geworden van de Zoon die de Vader haar gegeven heeft uit kracht van de
Heilige Geest, terwijl zij haar maagdelijkheid ongeschonden heeft bewaard. In
hetzelfde geloof heeft zij de andere dimensie van het moederschap ontdekt en
aanvaard, welke Jezus geopenbaard heeft gedurende zijn messiaanse zending. Men
kan zeggen dat het moederschap van Maria vanaf het begin deze dimensie had,
d.w.z. vanaf het ogenblik van de ontvangenis en de geboorte van de Zoon. Van
toen af aan was zij degene die geloofd heeft. Terwijl de messiaanse zending
van deze Zoon duidelijk werd voor haar ogen en in haar geest, stelde zij
zichzelf als Moeder steeds meer open voor de nieuwheid van het moederschap
die haar deel zou zijn aan de zijde van de Zoon. Had zij niet van het begin
af verklaard: Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord (Lc.
1, 28)? Door het geloof bleef Maria luisteren naar en nadenken over dat woord,
waarin op een wijze die alle kennis te boven gaat (Lc. 3, 19) de
zelfopenbaring van de levende God zich steeds doorzichtiger maakte. Moeder
Maria werd zo in zekere zin de eerste leerlinge van haar Zoon, de eerste tot
wie Hij scheen te zeggen: Volg Mij, nog voor Hij deze oproep richtte tot de
apostelen of tot wie anders ook.
Bijzonder welsprekend is vanuit
dit gezichtspunt de tekst van het evangelie van Johannes die ons
Maria toont op de bruiloft van Kana. Maria verschijnt er als de Moeder van
Jezus aan het begin van zijn openbare leven: Er was een bruiloft te Kana
in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. Jezus en zijn leerlingen
waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd (Joh. 2, 1-2). Uit de tekst
lijkt te blijken dat Jezus en zijn leerlingen uitgenodigd waren samen met
Maria, als het ware vanwege haar aanwezigheid op dat feest: de Zoon lijkt
uitgenodigd vanwege de moeder. Het vervolg van de gebeurtenissen die verbonden
zijn met die uitnodiging is bekend, dat begin van de tekenen die
Jezus deed het water veranderde in wijn dat de evangelist doet zeggen:
Jezus openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in hem (Joh.
2, 11).
Maria is te Kana in Galilea
aanwezig als Moeder van Jezus en draagt op veelbetekenende
wijze bij tot dat begin van de tekenen die de messiaanse
macht van haar Zoon openbaren. Zie: Toen de wijn opraakte zei de Moeder
van Jezus tot Hem: Ze hebben geen wijn meer. Jezus zei tot haar: Vrouw, is
dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen (Joh. 2, 3-4). In het
evangelie van Johannes betekent dat uur het moment dat door de
Vader is vastgesteld en waarop de Zoon zijn werk vervult en verheerlijkt moet
worden. Ook al lijkt het antwoord van Jezus aan zijn moeder te klink weigering
(vooral als men meer van Jezus aan zijn moeder te klinken als een weigering
(vooral als men meer dan naar de vraag kijkt naar die besliste verklaring: Nog
is mijn uur niet gekomen), toch wendt Maria zich tot de bedienden en zegt
hun: Doet maar wat Hij u zal zeggen (Joh. 2, 5) Dan beveelt Jezus
de bedienden om de kruiken met water te vullen en het water wordt wijn, betere
dan de wijn die eerst aangeboden was aan de gasten van het bruiloftsmaal.
Welke diepe verstandhouding is
er geweest tussen Jezus en zijn moeder? Hoe het mysterie van hun intieme
geestelijke eenheid te peilen? Maar het feit is welsprekend. Het is zeker dat
zich reeds in die gebeurtenis vrij duidelijk de nieuwe dimensie, de nieuwe
zin van het moederschap van Maria aftekent. Dit heeft een betekenis
die niet uitsluitend besloten ligt in de woorden van Jezus en in de
verschillende episoden die door de synoptici weergegeven (Lc. 11, 27-28)(Lc. 8,
19-21)(Mt. 12, 46-50)(Mc. 3, 31-35). In deze teksten wil Jezus vooral het
moederschap dat voortvloeit uit het feit zelf van de geboorte stellen tegenover
wat dit moederschap (zoals het broeder-zijn) moet zijn in de
dimensie van het Rijk Gods, in de heilbrengende uitstraling van het vaderschap
van God. In de johanneïsche tekst tekent zich daarentegen in de beschrijving
van de gebeurtenissen van Kana af wat zich concreet manifesteert als dit nieuwe
moederschap naar de geest en niet alleen maar naar vlees, ofwel de zorg
van Maria voor de mensen, naar wie zij toekomt in heel het wijde gamma van hun
noden en behoeften. Te Kana in Galilea toont zich slechts een concreet,
schijnbaar klein en onbeduidend aspect van de menselijke behoeftigheid (Zij
hebben geen wijn meer). Maar het heeft symbolische waarde. Dat tegemoetkomen
aan de noden van de mensen betekent tegelijk dat zij hen binnenleidt in de
straal van de messiaanse zending en van de heilbrengende macht van Christus. Er
is dus een bemiddeling: Maria plaatst zich tussen haar Zoon en de mensen in de
werkelijkheid van hun ontberingen, armoede en lijden.
Zij plaatst zich midden
tussen, d.w.z. zij wordt middelares, niet als een vreemdelinge maar in haar positie
van moeder, zich ervan bewust dat zij als zodanig in staat is zelfs het
recht heeft - om de noden van de mensen aan de Zoon voor te leggen. Haar
middelaarschap heeft dus het karakter van tussenkomst: Maria komt
tussenbeide voor de mensen. En niet alleen dit als moeder verlangt
zij ook dat de messiaanse macht van de Zoon zich openbaart ofwel zijn
heilsmacht die erop gericht is de mens te hulp te komen in zijn ongeluk, hem te
bevrijden van het kwaad dat in verschillende vormen en graden zijn leven
bezwaart. Juist zoals de profeet Jesaja voorspeld had van de Messias in de
befaamde tekst waarop Jezus zich beroepen heeft ten overstaan van zijn
stadgenoten van Nazareth: Om aan armen de Blijde Boodschap te brengen,
aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen
zien . . . .
Een ander wezenlijk element van
deze moederlijke taak van Maria vindt men in de woorden die zij tot de
bedienden gericht heeft: Doet maar wat Hij u zeggen zal. De Moeder van
Christus treedt op voor de mensen als woordvoerster van de wil van de Zoon,
als degene die de vereisten aangeeft waaraan voldaan moet worden, opdat de
heilsmacht van de Messias zich kan openbaren. Dank zij de tussenkomst van Maria
en de gehoorzaamheid van de bedienden begint Jezus te Kana zijn uur. Te
Kana blijkt dat Maria in Jezus gelooft: haar geloof geeft aanleiding tot
zijn eerste teken en draagt bij tot het opwekken van het geloof van
de leerlingen.
Daarom kunnen wij zeggen dat wij
op deze bladzijde van het evangelie van Johannes als het ware een eerste blijk
vinden van de waarheid over de moederlijke zorg van Maria. Deze waarheid heeft
ook uitdrukking gevonden in de leer van het laatste Concilie. Het is
belangrijk op te merken hoe de moederlijke taak van Maria daardoor belicht
wordt in verband met het middelaarschap van Christus. Wij lezen er
namelijk: De moederlijke taak van Maria tegenover de mensen verduistert
of vermindert op geen enkele wijze het enige middelaarschap van Christus, maar
toont aan, hoe krachtig het is. Want . . . ,één is de Middelaar tussen God en
de mensen, de mens Christus Jezus . . . (1 Tim. 2, 5). Deze taak vloeit
volgens het welbehagen van God voort uit de overvloed van de verdiensten
van Christus, is gevestigd op zijn middelaarschap, is daarvan volkomen
afhankelijk en put daaruit haar gehele kracht.
Juist in deze zin biedt de
gebeurtenis te Kana in Galilea ons als het ware een vooraankondiging van
het middelaarschap van Maria, dat geheel op Christus is georiënteerd en gericht
op de openbaring van zijn heilsmacht.
Uit de johanneïsche tekst blijkt
dat het om een moederlijk middelaarschap gaat. Zoals het Concilie verklaart:
Maria is onze moeder in de orde van de genade. Dit moederschap in de
orde van de genade is voortgekomen uit haar goddelijke moederschap, want omdat
zij door beschikking van de goddelijke voorzienigheid moeder en voedster van de
Verlosser was, is zij op heel bijzonder wijze, vóór alle anderen, zijn
edelmoedige gezellin en de nederige dienstmaagd des Heren geworden en geeft
zij . . . aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar
geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijke leven van de
zielen te herstellen.
En dit moederschap van
Maria in het genadebestel gaat zonder ophouden voort . . . tot aan de eeuwige
voleinding van alle uitverkorenen.
De passage van het evangelie van
Johannes over de gebeurtenis van Kana laat het zorgzame moederschap van Maria
zien aan het begin van de messiaanse activiteit van Christus. Een andere
passage van hetzelfde evangelie bevestigt dit moederschap in het heilsbestel
van de genade op zijn hoogtepunt, namelijk als het kruisoffer van Christus,
zijn Paasmysterie, voltrokken wordt. De beschrijving van Johannes is
bondig: Bij Jezus kruis stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder,
Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en
naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie
daar uw zoon. Vervolgens zei Hij tot de leerling: Zie daar uw moeder En van
dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich op (Joh. 19, 25-27).
Ongetwijfeld is dit een
uitdrukking van de bijzondere zorg van de Zoon voor de Moeder die Hij in zulk
een grote smart achterliet. Maar Christus testament van het kruis zegt
meer over de zin van deze zorg. Jezus doet een nieuwe band uitkomen tussen
Moeder en Zoon, waarvan Hij plechtig heel de waarheid en werkelijkheid
bevestigt. Men kan zeggen dat het moederschap van Maria ten opzichte van de
mensen, dat zich reeds eerder afgetekend had nu duidelijk omschreven en
vastgesteld wordt: het vloeit voort uit de definitieve
vervulling van het Paasmysterie van de Verlosser. De Moeder van Christus
die zich in de directe sfeer van dit mysterie bevindt welke de mens iedereen
en allen omvat, wordt als moeder aan de mens gegeven aan ieder en aan
allen. Deze mens is aan de voet van het kruis Johannes, de leerling die
Hij liefhad.
Dit nieuwe moederschap van
Maria dat voorgebracht is door het geloof, is dus vrucht van de
nieuwe liefde die definitief in haar rijpte aan de voet van het kruis
door middel van haar deelname aan de verlossende liefde van de Zoon.
Zo bevinden wij ons in het
middelpunt van de vervulling van de belofte die vervat is in het
proto-evangelie: het kroost van de vrouw zal de kop van de slang
verpletteren. Inderdaad overwint Jezus Christus door zijn verlossingsdood het
kwaad van de zonde en de dood in de wortels zelf ervan. Het is veelzeggend dat
Hij, als Hij zich vanaf het kruis tot de moeder richt, haar vrouw noemt
en zegt: Vrouw, zie daar uw zoon. Met dezelfde term heeft Hij zich
overigens ook te Kana in Galilea tot haar gericht. Hoe zou men kunnen
betwijfelen dat speciaal nu, op Golgotta, deze uitdrukking tot op de bodem van
het mysterie van Maria gaat er doordringt tot haar bijzondere plaats
in heel de heilseconomie? Zoals het Concilie leert, werden met
Maria, de dochter van Sion bij uitnemendheid na de lange verwachting van
de belofte, de tijden vervuld en de nieuwe heilsorde ingeluid, toen de Zoon van
God in haar de menselijke natuur aannam, om door de mysteries van zijn
mens-zijn de mensen van de zonden te bevrijden.
De woorden die Jezus uitspreekt
vanaf het kruis betekenen dat het moederschap van haar die Hem gebaard
heeft een nieuwe voortzetting vindt in en door de Kerk, die
gesymboliseerd en vertegenwoordigd wordt door Johannes. Op deze wijze blijft
zij die vol van genade is binnengeleid in het mysterie van Christus
om zijn Moeder te zijn, de heilige moeder van God dus, door middel
van de Kerk in dat mysterie als de vrouw die aan het begin van de
heilsgeschiedenis door het boek Genesis wordt aangeduid (Gen. 3, 15) en aan het
eind ervan door de Apokalyps (Openb. 12, 1). Volgens het eeuwige plan van de
Voorzienigheid moet het goddelijk moederschap van Maria zich uitstrekken over
de Kerk, zoals aangegeven wordt door uitspraken van de Traditie volgens welke
het moederschap van Maria ten opzichte van de Kerk de weerspiegeling en de
verlenging is van haar moederschap ten opzichte van Gods Zoon.
Reeds het ogenblik zelf van de
geboorte van de Kerk en van haar volle openbaring aan de wereld laat volgens
het Concilie de continuïteit van Marias moederschap doorschemeren.
Daar het God had behaagd het
mysterie van het heil van de mensen niet plechtig openbaar te maken, vooraleer
Hij de Geest die door de Zoon was beloofd, had uitgestort, zien wij de
apostelen vóór Pinksteren, ,eensgezind volharden in het gebed samen met de
vrouwen, met Maria de Moeder van Jezus en met zijn broeders (Hand. 1, 14). Ook
Maria smeekte door haar gebeden om de gave van de Geest, die haar reeds bij de
boodschap had overschaduwd.
Er is dus in het genadebestel
dat verwezenlijkt wordt onder de werking van de menswording van het Woord en
dat van de geboorte van de Kerk. De persoon die deze twee momenten verbindt, is
Maria: Maria te Nazaret en Maria in het cenakel te Jeruzalem. In beide gevallen
wijst haar discrete maar wezenlijke aanwezigheid de weg aan van de geboorte
van de heilige Geest. Zo komt zij die als moeder aanwezig is in het mysterie van
Christus, krachtens de wil van de Zoon en door de werking van de heilige Geest
tegenwoordig in het mysterie van de Kerk. Ook in de Kerk blijft het een
moederlijke aanwezigheid, zoals de op het kruis uitgesproken woorden
aangeven: Vrouw, zie daar uw zoon; Zie daar uw moeder.
DEEL 2 : DE MOEDER VAN GOD MIDDEN IN DE
PELGRIMERENDE KERK
HOOFDSTUK 1 - De
Kerk, het Volk van God, in alle delen van de wereld geworteld
Dwars door de vervolgingen
van de kant van de wereld en de vertroostingen van de kant van God heen zet de
Kerk haar pelgrimstocht voort en verkondigt zij het kruis en de dood van
de Heer, totdat Hij komt
Zoals nu Israël naar het vlees,
bij zijn tocht door de woestijn, reeds de Kerk van God genoemd wordt, zo wordt
het nieuwe Israël . . . ook de Kerk van Christus genoemd. Want Hij heeft haar
door zijn bloed verworven, met zijn Geest vervuld en met geschikte middelen
voor een zichtbare en maatschappelijke eenheid uitgerust. God heeft de
vergadering van hen die gelovend naar Jezus opzien als naar de bewerker van het
heil en het beginsel voor eenheid en vrede samengeroepen en tot de Kerk
gemaakt, om voor allen en ieder afzonderlijk het zichtbare sacrament te zijn
van deze heil brengende eenheid.
Het Tweede Vaticaans Concilie
spreekt over de pelgrimerende Kerk en maakt een vergelijking met het Israël van
het Oude Verbond onderweg door de woestijn. De tocht heeft ook een uiterlijk
karakter, dat zichtbaar is in de tijd en de ruimte waarin hij historisch
verloopt. De Kerk spreidt zich uit tot alle streken, treedt binnen in de
geschiedenis van de mensen en blijft toch tevens boven de tijden en grenzen van
de volkeren verheven.
Maar het wezenlijke karakter van
de pelgrimstocht van de Kerk is innerlijk. Het gaat om een pelgrimstocht
door middel van het geloof, door de kracht van de verrezen Heer, om een
pelgrimstocht in de heilige Geest die als onzichtbare Helper (parákletos) aan
de Kerk is gegeven: Dwars door de beproevingen en de wederwaardigheden heen
schrijdt zij voort, gesterkt door de kracht van Gods genade, die haar door de
Heer werd beloofd . . . Dank zij de werking van de heilige Geest houdt zij niet
op zichzelf te vernieuwen, tot zij door het kruis het licht bereikt dat geen
ondergang meer kent.
Juist op deze pelgrimstocht van
de Kerk door de ruimte en de tijd en nog meer door de geschiedenis van de
zielen is Maria aanwezig als degene die zalig is omdat zij geloofd heeft, als
degene die voortging op de pelgrimstocht van het geloof, terwijl zij als geen
ander schepsel deelnam aan het mysterie van Christus. Het Concilie zegt nog
dat, Maria is binnengetreden in het hart van de heilsgeschiedenis en als het
ware de hoogste geloofsgeheimen verenigt en weerspiegelt.
Zij is onder alle gelovigen als
het ware een spiegel waarin Gods grote daden (Hand. 2, 11) zich op de meest
diepe en klare wijze weerspiegelen.
De Kerk die door Christus op de
apostelen is gebouwd, is zich geheel bewust geworden van die grote daden van
God op Pinksteren toen zij die bijeengekomen waren in het cenakel, terwijl
zij door haar gebeden om de gave van de Geest smeekte.
Haar geloofstocht is in zekere
zin langer. De heilige Geest is reeds over haar neergedaald en zij is zijn
trouwe bruid geworden bij de boodschap, toen zij het Woord van de ware God
ontving en de volledige onderdanigheid van verstand en wil jegens de
openbarende God bewees, ja zich geheel aan God toevertrouwde door de
gehoorzaamheid van het geloof, waarmee zij aan de engel antwoordde: Zie de
dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord. De geloofstocht van Maria,
die wij zien bidden in het cenakel, is dus langer dan de tocht van de anderen
die daar bijeen waren. Maria gaat hen voor, gaat voor hen uit.
Het ogenblik van Pinksteren te
Jeruzalem is, behalve door het ogenblik van het kruis, ook voorbereid door het
ogenblik van de boodschap te Nazareth. In het cenakel komt de weg van Maria
samen met de geloofstocht van de Kerk. Op welke wijze?
Sommigen van degenen die ijverig
waren in het gebed in het cenakel en zich voorbereidden om uit te gaan in heel
de wereld na het ontvangen van de heilige Geest, waren successievelijk door
Jezus geroepen vanaf het begin van zijn zending in Israël Elf van hen waren
aangesteld tot apostelen en aan dezen had Jezus de zending overgedragen die Hij
zelf ontvangen had van de Vader. Na de verrijzenis had Hij tot de apostelen
gezegd Zoals de Vader Mij gezonden, geeft, zo zend Ik u (Joh. 20, 21). En
veertig dagen later zei Hij nog alvorens terug te keren naar de Vader: Gij
zult kracht ontvangen van de heilige Geest, die over u komt, om mijn getuigen
te zijn . . . tot het uiteinde der aarde. Deze zending van de apostelen begint
op het ogenblik dat zij het cenakel te Jeruzalem verlaten. Dan wordt de Kerk
geboren en groeit zij door het getuigenis dat Petrus en de andere apostelen
afleggen over de gestorven en verrezen Christus.
Maria heeft niet direct deze
apostolische zending ontvangen. Zij was niet onder hen die Jezus uitzond in
heel de wereld om alle volkeren tot zijn leerlingen te maken, toen Hij hun
deze zending toevertrouwde. Zij was daarentegen wel in het cenakel waar de
apostelen zich voorbereidden om hun zending te beginnen met de komst van de
Geest der Waarheid: zij was met hen. Temidden van hen was zij ijverig in het
gebed als moeder van Jezus, van de gestorven en verrezen Christus. En deze
eerste kern van hen die in geloof opzagen naar Jezus, de bewerker van het
heil, was er zich van bewust dat Jezus de Zoon van Maria was en dat zijn
moeder was en als zodanig vanaf de ontvangenis en de geboorte een bijzondere
getuige van het mysterie van Jezus, van het mysterie dat voor hun ogen
uitgedrukt en bevestigd was door het kruis en de verrijzenis. Van het eerste
ogenblik af zag de kerk dus op naar Maria door Jezus, zoals zij opzag naar
Jezus door Maria. Zij was voor de Kerk van die tijd en van alle tijden een
bijzondere getuige van de jaren van de kindsheid van Jezus en van zijn
verborgen leven te Nazareth, toen zij alles wat er gebeurd was in haar hart
bewaarde en bij zichzelf overwoog (Lc. 2, 19).
Maar in de Kerk van die tijd en
van alle tijden was en is zij vooral degene die zalig is omdat zij geloofd
heeft: als eerste geloofd heeft. Vanaf het ogenblik van de boodschap en de
ontvangenis, vanaf het moment van de geboorte in de grot van Bethlehem, volgde
Maria op haar moederlijke pelgrimstocht van het geloof stap voor stap Jezus.
Zij volgde Hem gedurende de jaren van zijn verborgen leven te Nazareth; zij
volgde Hem ook in de periode van de uiterlijke scheiding, toen Hij begon op te
treden en te leren in Israël; zij volgde Hem vooral in de tragische
ervaring van Golgota. Toen Maria zich met de apostelen aan de dageraad van de
Kerk in het cenakel te Jeruzalem bevond, vond haar geloof dat gewekt was door
de woorden van de boodschap bevestiging. De engel had haar bij de boodschap
gezegd: Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen die gij de naam
Jezus moet geven. Hij zal groot zijn . . . en Hij zal in eeuwigheid koning zijn
over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen. De
recente gebeurtenissen van Calvarië hadden deze belofte in duisternis gehuld;
maar zelfs onder het kruis was het geloof van Maria niet verflauwd. Zij was
degene gebleven die, zoals Abraham, geloofde hopend tegen alle hoop in (Rom. 4,
18). En zie, na de verrijzenis had de hoop haar ware gelaat getoond en de
belofte was begonnen werkelijkheid te worden. Jezus had inderdaad voor zijn
terugkeer naar de Vader tot de apostelen gezegd: Gaat dus en maakt alle
volkeren tot mijn leerlingen . . . Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de
voleinding der wereld. Zo had het gezegd Hij die door de verrijzenis had laten
zien dat Hij de overwinnaar van de dood was en het koningschap bekleedde
waaraan nooit een einde zal komen, overeenkomstig de aankondiging van de
engel.
Nu aan de dageraad van de Kerk,
aan het begin van de lange geloofstocht die met Pinksteren te Jeruzalem
aanving, was Maria samen met allen die de kiem van het nieuwe Israël vormden.
Zij was in hun midden als een uitzonderlijke getuige van het mysterie van
Christus. En de Kerk was ijverig in het gebed samen met haar en beschouwde
haar tegelijk in het licht van het mensgeworden Woord. Zo zou het steeds zijn.
Inderdaad, wanneer de Kerk verder doordringt in het diepste mysterie van
de incarnatie, denkt zij met grote verering en eerbied aan de Moeder van
Christus. Maria hoort onverbrekelijk bij het mysterie van Christus en ook, van
het begin af, bij het mysterie van de Kerk, vanaf de dag van haar geboorte. Aan
de basis van wat de Kerk vanaf het begin is, van wat zij voortdurend moet
worden, van geslacht tot geslacht, temidden van alle volkeren der aarde, staat
zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de
Heer is gezegd (Lc. 1, 45). Juist dit geloof van Maria dat het begin
betekent van het nieuwe altijddurende Verbond van God met de mensheid in Jezus
Christus, dit heldhaftige geloof gaat het apostolische getuigenis van
de Kerk voor en blijft in het hart van de Kerk, verborgen als een
speciale erfenis van Gods openbaring. Allen die van geslacht tot geslacht het
apostolische getuigenis van de Kerk aanvaarden en deelhebben aan die
mysterievolle erfenis nemen in zekere zin deel aan het geloof van Maria.
De woorden van Elisabet zalig
zij die geloofd heeft blijven de Maagd ook op Pinksteren vergezellen; zij
volgen haar van eeuw tot eeuw daar waar door het apostolische getuigenis en het
dienstwerk van de Kerk de kennis van het heilsmysterie van Christus zich
verbreidt. Zo wordt de voorspelling van het Magnificat vervuld: Elk
geslacht prijst mij zalig omdat aan mij zijn wonderwerken deed die machtig is,
en heilig is zijn Naam (Lc. 1, 48-49). Waarlijk op de kennis van het
mysterie van Christus volgt de zaligprijzing van zijn Moeder in de vorm van
speciale verering voor de Theotókos. Maar in deze verering is steeds de
zaligprijzing van haar geloof begrepen, want de Maagd van Nazareth is zalig
geworden vooral door dit geloof, overeenkomstig de woorden van Elisabet. Zij
die in elk geslacht onder de verschillende volken en naties van de aarde het
mysterie van Christus, het mensgeworden Woord en de Verlosser van de wereld, in
geloof aannemen richten zich niet alleen met verering tot Maria en nemen niet
alleen met vertrouwen hun toevlucht tot haar als tot zijn Moeder, maar zoeken
in haar geloof steun voor hun eigen geloof. En precies deze levende
deelname aan het geloof van Maria is beslissend voor haar speciale aanwezigheid
op de pelgrimstocht van de Kerk als het nieuwe volk van God op de gehele aarde.
Zoals het Concilie zegt: Maria
is in het hart van de heilsgeschiedenis binnengetreden . . . Wanneer zij dus
het voorwerp is van verkondiging en verering, roept zij de gelovigen op naar
haar Zoon en zijn offer en naar de liefde tot de Vader. Daarom wordt het
geloof van Maria op grond van het apostolische getuigenis van de Kerk op zekere
wijze onophoudelijk het geloof van het volk Gods onderweg: van de personen en
gemeenschappen, van de standen en verenigingen, van de verschillende groepen
die samen de Kerk vormen. Het is een geloof dat door kennis en tegelijk door
het hart wordt overgedragen. Het wordt voortdurend verworven of herwonnen door
het gebed. Daarom ook ziet de Kerk bij haar apostolisch werk terecht op naar
haar die Christus ter wereld bracht; die juist van de heilige Geest werd
ontvangen en uit de Maagd geboren om door de Kerk ook in de harten van de
gelovigen te worden geboren en te groeien.
Nu wij op deze pelgrimstocht van
het geloof thans het einde van het tweede christelijke millennium naderen,
richt de Kerk door middel van de leer van het Tweede Vaticaans Concilie de
aandacht op wat zij in zichzelf ziet, als het ene volk van God . . . dat
bij alle volkeren van de aarde is gevestigd, en op de waarheid volgens welke
alle gelovigen, ook al zijn zij over de gehele aardbol verspreid, door de
heilige Geest in gemeenschap blijven met elkaar, zodat men kan zeggen dat in
deze gemeenschap het mysterie van Pinksteren zich voortdurend voltrekt.
Tegelijkertijd blijven de apostelen en de leerlingen van de Heer in alle naties
van de aarde volharden in het gebed samen met Maria de Moeder van Jezus.
Zij vormen van geslacht tot geslacht het teken van het Koninkrijk dat
niet van deze wereld is en zij zijn zich ook bewust dat zij midden in deze
wereld moeten verenigen met de Koning aan wie de volkeren tot erfdeel
zijn gegeven, aan wie de Vader de troon van zijn vader David heeft
geschonken, zodat Hij in eeuwigheid Koning is over het huis van Jakob en
aan zijn koningschap nooit een einde zal komen.
In deze vigilietijd is Maria
door hetzelfde geloof dat haar vooral vanaf het ogenblik van de boodschap zalig
maakte, aanwezig in de zending van de Kerk, aanwezig in het werk van de Kerk
waardoor het rijk van haar Zoon een aanvang neemt in de wereld. Deze aanwezigheid
van Maria vindt heden ten dage veelvuldige uitdrukkingsmiddelen, zoals in heel
de geschiedenis van de Kerk. Zij is ook in vele vormen verspreid: door middel
van het geloof en de vroomheid van de afzonderlijke gelovigen, door middel van
de tradities van de christelijke gezinnen of huiskerken, van de parochie- en
missiegemeenschappen, van de kloosterinstellingen, van de bisdommen, door
middel van de aantrekkings- en uitstralingskracht van de grote heiligdommen
waar niet alleen individuen of plaatselijke groepen maar soms gehele naties en
continenten de Moeder van de Heer zoeken te ontmoeten, haar die zalig is omdat
zij geloofd heeft, die de eerste onder de gelovigen is en daarom Moeder van de
Immanuël is geworden. Dat is de roep van het land Palestina, het geestelijke
vaderland van alle christenen omdat het het vaderland is van de redder van de
wereld en van zijn Moeder. Dat is de roep van de vele heiligdommen die het
christelijk geloof in de loop der eeuwen heeft opgericht te Rome en overal in de
wereld. Dat is de roep van plaatsen zoals Guadaloupe, Lourdes, Fatima en van de
andere die verspreid zijn in de diverse landen, waaronder hoe zou ik het niet
kunnen vermelden Jasna Gora in mijn geboorteland. Men zou wellicht kunnen
spreken van een specifieke geografie van het geloof en de mariale vroomheid
die al deze bijzondere bedevaartplaatsen van het volk Gods bevat, dat de Moeder
van God zoekt te ontmoeten om in de uitstraling van de moederlijke aanwezigheid
van haar die geloofd heeft de versterking van het eigen geloof te vinden.
Want door het geloof van Maria reeds bij de boodschap en definitief aan de voet
van het kruis is van de kant van de mens de innerlijke ruimte heropend waarin
de eeuwige Vader ons kan overladen met elke geestelijke zegen: de ruimte van
het nieuwe altijddurende Verbond. Deze ruimte bestaat in de Kerk die in
Christus een sacrament van de innige vereniging met God en van de eenheid van
het menselijk geslacht is.
In het geloof dat Maria als
dienstmaagd des Heren bij de boodschap beleed en waarin zij voortdurend het
volk Gods onderweg op aarde voorgaat, streeft de katholieke Kerk er . . .
zonder ophouden naar heel de mensheid . . . weer samen te brengen onder
Christus als hoofd, in de eenheid van zijn Geest.
HOOFDSTUK 2 - De weg
van de Kerk en de eenheid van alle Christenen
De Geest wekt bij alle
leerlingen van Christus het verlangen en de inspanning om allen, naar de wijze
die Christus heeft bepaald in één kudde onder één Herder vreedzaam te
verenigen. De weg van de Kerk is speciaal in ons tijdperk gemarkeerd door het
teken van het oecumenisme: de christenen zoeken wegen om de eenheid te
herstellen, waarom Christus daags voor zijn lijden de Vader smeekte voor zijn
leerlingen: opdat zij allen één mogen zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in
U: dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden
hebt (Joh. 17, 21). De eenheid van de Christenen is een groot teken dat
gegeven is om het geloof van de wereld op te wekken, terwijl hun verdeeldheid
een ergernis is.
Twee dogmas uit de oudheid worden in de Katholieke Kerk en
de Oosterse Orthodoxie beleden:
Door
de Maagdelijke geboorte schonk Maria het leven aan Christus. Maria is
maagd, voor, tijdens en na de geboorte van Christus.
Maria,
Moeder van God (Theotokos). In wezen is dit een christologische uitspraak:
Maria is moeder van Jezus, die zowel volledig mens als volledig God is.
In de moderne tijd werden in de Rooms-Katholieke Kerk twee
dogma's, die reeds eeuwen bestanddeel van de katholieke geloofspraktijk waren,
formeel bevestigd:
Paus
Pius IX kondigde in 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis af.
Hiermee wordt bedoeld dat Maria verwekt werd en ter wereld kwam zonder met
de erfzonde te zijn bevlekt;
Paus
Pius XII voegde in 1950 het dogma toe dat Maria met ziel en lichaam in de
hemel is opgenomen (Maria-Tenhemelopneming).
Sommige gelovigen vragen ook de afkondiging door de Kerk
van het "vijfde en laatste mariale dogma", dat van Medeverlosseres,
Middelares en Voorspreekster.
Lumen
Gentium : De Heilige Maagd en Moeder Gods Maria in het geheim van Christus en
de Kerk 21/11/1964 Tweede Vaticaans Concilie
In dit document wordt al gewag gemaakt dat Maria,
Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster is.
1
Inleiding
PARAGRAAF 1 - Maria het verhevenste lid van de
Kerk
Toen de algoede en alwijze God zijn plan tot verlossing van
de wereld ten uitvoer wilde brengen, "zond Hij, toen de volheid van de tijd gekomen was, zijn Zoon, geboren
uit een vrouw, ... opdat wij het zoonschap zouden verkrijgen". (Gal.
4, 4-5) Deze is voor ons, mensen en omwille van ons heil uit de hemel
neergedaald. En Hij heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest uit de
maagd Maria.
Dit goddelijke heilsgeheim wordt ons opgebaard in de Kerk
en duurt voort in de Kerk, die de Heer tot zijn lichaam heeft gemaakt, en
waarin de gelovigen, één met het Hoofd Christus en in gemeenschap verbonden met
al zijn heiligen, ook de gedachtenis moeten eren "op de eerste plaats van
de glorierijke Maria, altijd maagd, de moeder van onze God en Heer Jezus
Christus".
De Maagd Maria, die, op de boodschap van de engel, het
Woord Gods ontving in haar hart en in haar schoot en die aan de wereld het
Leven bracht, wordt erkend en geëerd als de waarachtige Moeder van God, onze
Verlosser. Met het oog op de verdiensten van haar Zoon op een meer verheven wijze
verlost en door een intieme en onverbreekbare band met Hem verenigd, bezit zij
de hoogste taak en waardigheid van Moeder Gods en hierdoor van meestgeliefde
dochter van de Vader en tempel van de Heilige Geest; en door deze sublieme
genadegave overtreft zij verre alle andere schepselen in de hemel en op aarde.
Tevens echter is zij in het geslacht van Adam verbonden met alle te verlossen
mensen, ja, "zij is ten volle de moeder van de ledematen (van Christus),
... omdat zij in liefde heeft meegewerkt aan de geboorte van de gelovigen in de
Kerk, die de ledematen zijn van dat Hoofd". Dientengevolge wordt zij ook
geëerd als het voortreffelijkste en het uitzonderlijk verheven lid van de Kerk
en als haar beeld en uitstekendste model in het geloof en in de liefde; en de
katholieke Kerk, onderricht door de Heilige Geest, omgeeft haar, als een zeer
beminde moeder, met kinderlijke liefde. ( )
2 De functie van de Heilige Maagd in de
heilsorde
PARAGRAAF 1 - De Moeder van de Verlosser in het
Oude Testament
De Heilige Schrift van Oud en Nieuw Testament en de
eerbiedwaardige Traditie tonen ons met steeds grotere duidelijkheid de functie
van de Moeder van de Verlosser in de heilsorde en tekenen ons als het ware het
beeld ervan. De boeken van het Oude Testament beschrijven de heilsgeschiedenis,
waardoor de komst van Christus in de wereld geleidelijk wordt voorbereid.
Deze eerste documenten, zoals die in de Kerk worden gelezen
en zoals ze worden verstaan in het licht van de verdere en volle openbaring,
laten stap voor stap scherper uitkomen het beeld van een vrouw: de Moeder van
de Verlosser. In dit licht wordt zij reeds profetisch aangeduid in de belofte
van de overwinning op de slang, de belofte, die aan onze eerste ouders werd
gegeven na de zondeval.
Zij is ook de Maagd, die zal ontvangen en een zoon baren,
wiens naam Emmanuël zal zijn.
Zij neemt de eerste plaats in onder de nederigen en armen
van de Heer, die vol vertrouwen van Hem het heil verwachten en het verkrijgen.
Zij is tenslotte de verheven dochter van Sion, met wie, na een lang wachten op
de vervulling van de belofte, de volheid der tijden kwam en een nieuwe
heilsorde gevestigd werd, toen nl. de Zoon Gods uit haar de menselijke natuur
aannam om de mens door de mysteries van zijn aardse bestaan te bevrijden van de
zonde.
PARAGRAAF 2 - Maria bij de boodschap van de
engel
Het was de wil van de Vader van barmhartigheid, dat de
toestemming van de gepredestineerde Moeder vooraf zou gaan aan de menswording,
opdat zó, gelijk een vrouw had meegewerkt tot de dood, ook een vrouw zou
meewerken tot het leven. Dit geldt op volmaakte wijze van Jezus' Moeder, die
aan de wereld het Leven zelf schonk, dat alles vernieuwt, en die door God is
begiftigd met de gaven, passend bij deze sublieme taak. Geen wonder dus, dat
het bij de heilige vaders gebruikelijk werd, de Moeder Gods te noemen: de
geheel-heilige, vrij van iedere zondesmet, gevormd als het ware door de Heilige
Geest en gemaakt tot een nieuw schepsel.
Vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis gesierd met
de luister van een uitzonderlijke heiligheid, wordt de Maagd van Nazareth op
Gods bevel bij de boodschap van de engel door deze gegroet als "vol van genade" (Lc. 1, 28),
waarbij zij van haar kant aan de hemelse afgezant antwoordt: "Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede
naar uw woord" (Lc. 1, 38).
Zo werd Maria, de dochter van Adam, door haar
"Ja" op het goddelijk woord, de Moeder van Jezus; en, van ganser
harte en door geen zonde belemmerd, aanvaardde zij de heilswil Gods en wijdde
zij zich als de dienstmaagd van de Heer geheel toe aan de persoon en het werk
van haar Zoon, en zó stelde zij zich onder Hem en met Hem in dienst van het
verlossingsgeheim door de genade van de almachtige God. Daarom zijn de heilige
vaders terecht van mening, dat Maria geen louter passief werktuig is geweest in
de hand van God, maar dat zij door een vrije daad van geloof en gehoorzaamheid
heeft meegewerkt aan het heil van de mensen. Zij is, gelijk de heilige Irenaeus
zegt, "door haar gehoorzaamheid een oorzaak van heil geworden zowel voor
zichzelf als voor de gehele mensheid".
Vandaar, dat meerdere oude vaders in hun preken graag de
woorden van Irenaeus overnemen: "De knoop van Eva's ongehoorzaamheid werd
ontward door de gehoorzaamheid van Maria. Wat de maagd Eva had gebonden door
haar ongeloof heeft de Maagd Maria ontbonden door haar geloof".
En een parallel trekkend tussen Maria en Eva, noemen zij
Maria "de Moeder van de levenden", en verklaren zij herhaaldelijk:
"de dood kwam door Eva, het leven door Maria".
PARAGRAAF 3 - Maria in het verborgen leven van
Jezus
Deze verbondenheid van de Moeder met de Zoon in het
heilswerk zien wij vanaf het ogenblik van de maagdelijke ontvangenis van
Christus tot aan zijn dood. Vooreerst, als Maria met spoed op reis gaat om
Elisabeth te bezoeken, als zij door haar zalig wordt geprezen om haar geloof in
het beloofde heil, en als de voorloper Johannes van vreugde opspringt in de
schoot van zijn moeder.
Verder bij de geboorte, wanneer de Moeder Gods haar
eerstgeboren Zoon, die haar maagdelijkheid niet verminderde, maar heiligde, met
blijdschap toont aan de herders en de magiërs. Toen zij Hem in de tempel, met
de offergave van de armen, opdroeg aan de Heer, vernam zij tegelijkertijd van
Simeon de voorspelling, dat haar Zoon een teken van tegenspraak zou zijn en dat
een zwaard de ziel van de Moeder zou doorboren, opdat de gezindheid van vele
harten openbaar zou worden.
En toen de ouders het Kind Jezus hadden verloren en met
droefheid hadden gezocht, vonden zij het in de tempel, bezig met de dingen van
zijn Vader; maar zij begrepen de woorden van hun Zoon niet. Zijn Moeder
bewaarde dit alles in haar hart en overwoog het bij zichzelf.
PARAGRAAF 4 - Maria in het openbaar leven van
Jezus en onder het kruis
In het openbaar leven van Jezus komt zijn Moeder duidelijk
naar voren, reeds in het begin, wanneer zij uit medelijden op de bruiloft van
Kana in Galilea Jezus de Messias door haar tussenkomst er toe brengt, een begin
te maken met de tekenen.
Tijdens zijn prediking nam zij de woorden in zich op,
waarmee haar Zoon het Koninkrijk stelde boven de betrekkingen en de banden van
vlees en bloed, en waarmee Hij degenen gelukkig prees, die naar het woord Gods
luisteren en het onderhouden, iets wat zij zelf zo trouw in vervulling
bracht.
Zo ging ook de heilige Maagd vooruit op haar pelgrimstocht
van het geloof en volhardde zij trouw in de vereniging met haar Zoon tot aan
het kruis, waar zij stond, niet zonder een bepaald plan van God, diep meeleed
met haar Eniggeborene en zich met moederlijke gevoelens verenigde met zijn
offer, door liefdevol toe te stemmen in de offerdood van het Slachtoffer, dat
uit haar was geboren; en tenslotte werd zij door dezelfde Christus Jezus,
stervend aan het kruis, als moeder gegeven aan de leerling met deze woorden:
Vrouw, ziedaar uw zoon.
PARAGRAAF 5 - Maria in haar verheerlijking
Omdat God het mysterie van het menselijk heil niet plechtig
wilde openbaren, voordat Hij die door Christus beloofde Geest had uitgestort,
zijn wij de apostelen vóór de Pinksterdag, "eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria de
Moeder van Jezus en met zijn broeders" (Hand. 1, 14), en zien wij
ook Maria met haar gebed de gave afsmeken van de Geest, die haar bij de
boodschap reeds had overschaduwd. Tenslotte is de onbevlekte Maagd, die van
alle smet der erfzonde is gevrijwaard na het voltooien van haar
aardse levensloop met lichaam en ziel in de hemelse glorie opgenomen en
door de Heer verheven tot Koningin van het heelal, opdat zij vollediger
gelijkvormig zou worden aan haar zoon, de Heer der heren (Openb. 19, 16), de
overwinnaar van zonde en dood.
3 De
Heilige Maagd en de Kerk
PARAGRAAF 1 - Maria's moederlijke functie en
het middelaarschap van Christus
Wij hebben slechts één Middelaar, zoals de apostel zegt:
"Want God is één, één is ook de
middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven
heeft als losprijs voor allen". (1 Tim. 2, 5-6). Door de
moederlijke functie van Maria jegens de mensen wordt dit éne middelaarschap van
Christus volstrekt niet die schaduw gesteld of verkleind, integendeel de kracht
ervan komt daardoor nog beter uit. Want heel de heilbrengende invloed van de
heilige Maagd op de mensen vindt zijn oorsprong niet in een of andere
noodzakelijkheid, maar in Gods welbehagen: hij vloeit voort uit de overvloed
van Christus' verdiensten, steunt op zijn middelaarschap, is daarvan totaal
afhankelijk en ontleent daaraan heel zijn werkdadigheid; en het onmiddellijk
contact van de gelovigen met Christus wordt daar door volstrekt niet belemmerd,
maar veeleer bevorderd.
PARAGRAAF 2 - Maria's deelname aan het
verlossingswerk
De heilige Maagd, die tegelijk met de menswording van het
goddelijk Woord van eeuwigheid voorbestemd was tot Moeder Gods, werd door het
raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid hier op aarde de verheven Moeder
van de goddelijke Verlosser, de gezellin bij uitstek, en de nederige
dienstmaagd van de Heer. Door Christus te ontvangen, ter wereld te brengen, te
voeden, in de tempel aan de Vader op te dragen en door te lijden met haar zoon,
stervend aan het kruis, heeft zij op heel bijzondere wijze deelgenomen aan het
werk van de Verlosser, in gehoorzaamheid, geloof, hoop en vurige liefde, om het
bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Hierdoor is zij voor ons de
Moeder geworden in de orde van de genade.
PARAGRAAF 3 - De aard van Maria's moederlijke
functie
Dit moederschap van Maria in de orde der genade duurt
ononderbroken voort, vanaf haar jawoord, dat zij vol geloof bij de Boodschap
gaf en waarin zij onder het kruis zonder aarzelen volhardde, tot aan de eeuwige
bekroning van alle uitverkorenen. Want na haar tenhemelopneming heeft zij niet
opgehouden deze heilbrengende taak uit te oefenen, maar zij blijft door haar
voorspraak op allerlei wijzen de gaven van het eeuwig heil voor ons
verwerven.
Met haar moederlijke liefde draagt zij zorg voor de
broeders van haar Zoon, die nog op aardse pelgrimstocht zijn temidden van
gevaren en lijden, totdat zij binnentreden in het gelukkige vaderland. Daarom
wordt de heilige Maagd in de Kerk aangeroepen onder de titels van
voorspreekster, helpster, bijstand, middelares, Geen enkel schepsel immers
kan ooit in vergelijking komen bij het mensgeworden Woord, onze Verlosser. Maar
gelijk de gewijde bedienaars zowel als het gelovige volk op verschillende
wijzen deel hebben aan het priesterschap van Christus, en God op verschillende
wijzen zijn éne goedheid werkelijk uitstort in de schepselen, zo wordt ook door
het enige middelaarschap van de Verlosser een verscheidenheid van medewerking
van de schepselen, als aandeel uit de enige bron, niet uitgesloten, maar
veeleer gewekt.
Deze ondergeschikte functie van Maria wordt openlijk en
zonder aarzelen door de Kerk erkend, voortdurend ervaren, en aan de liefde van
de gelovigen aanbevolen, opdat zij, gesteund door deze moederlijke hulp, zich
inniger verenigen met de Middelaar en Verlosser.
PARAGRAAF 4 - Maria het beeld van de Kerk
De heilige Maagd is door de gave en de functie van het
goddelijk moederschap, waardoor zij met haar Zoon, de Verlosser, is verenigd,
en door haar buitengewone genaden en functies ook ten nauwste verbonden met de
Kerk. Zoals reeds de heilige Ambrosius leerde, is de Moeder Gods het beeld van
de Kerk, nl. in de orde van het geloof, de liefde en de volmaakte vereniging
met Christus.
Want in het mysterie van de Kerk, die eveneens met recht
moeder en maagd wordt genoemd, is de heilige Maagd Maria voorgegaan, doordat
zij op eminente en bijzondere wijze het model is van een maagd en van een
moeder. In geloof en gehoorzaamheid immers heeft zij op aarde de Zoon zelf van
de Vader voortgebracht, en wel zonder aanraking met een man, maar overschaduwd
door de Heilige Geest, als de nieuwe Eva, die geloof schonk nier aan de oude
slang, maar aan de afgezant van God, en dit zonder enige aarzeling. Zij baarde
de Zoon, die God gesteld heeft tot de eerstgeborene onder vele broeders (Rom.
8, 29), nl. de gelovigen, aan wier geboorte en vorming zij met moederlijke
liefde meewerkt.
Welnu, de Kerk, die Maria's geheimnisvolle heiligheid
beschouwt, haar liefde navolgt en getrouw de wil van de Vader volbrengt, wordt
door het woord Gods, dat zij in geloof aanvaardt, eveneens moeder, want door de
prediking en het doopsel brengt zij de kinderen, die van Heilige Geest zijn
ontvangen en uit God zijn geboren, voort tot een nieuw en onsterfelijk leven.
Ook zij is maagd; zij bewaart de aan haar bruidegom beloofde trouw gaaf en
zuiver, en op het voorbeeld van de Moeder van haar Heer bewaart zij maagdelijk,
door de kracht van de Heilige Geest, het geloof ongerept, de hoop ongeschokt,
de liefde onvervalst.
PARAGRAAF 5 - Maria's deugden, het voorbeeld
van de Kerk
Terwijl de Kerk in de allerheiligste Maagd reeds de
volmaaktheid heeft bereikt, waardoor zij zonder vlek of rimpel is, streven de
gelovigen nog ernaar de zonde te overwinnen en te groeien in heiligheid. Daarom
zien zij op naar Maria, die als een toonbeeld van deugden schittert voor heel
de gemeenschap van de uitverkorenen. Door met liefde aan haar te denken en haar
te beschouwen in het licht van het mensgeworden Woord, dringt de Kerk vol
eerbied dieper door in het allerhoogste geheim van de menswording en maakt zij
zich steeds meer gelijkvormig aan haar Bruidegom. Want wanneer Maria, die zo
diepgaand heeft deelgenomen aan de geschiedenis van het heil en daardoor de
grootste leerstukken van het geloof als het ware in zich verenigd en
weerspiegelt, wordt gepredikt en vereerd, dan brengt zij de gelovigen tot haar
Zoon en diens offer en tot de liefde van de Vader. De Kerk van haar kant, die
de glorie van Christus nastreeft, wordt meer gelijk aan haar verheven Beeld
door voortdurend toe te nemen in geloof, hoop en liefde en door in alles de
goddelijke wil te zoeken en te vervullen. Daarom houdt de Kerk ook bij haar
apostolaat terecht de blik gericht op haar, die Christus ter wereld bracht,
Christus, die daarom juist werd ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit
de Maagd om door middel van de Kerk ook in harten van de gelovigen geboren te
worden en te groeien. Maagd is in haar leven een voorbeeld geworden van die
broederlijke liefde, waarmee allen bezield moeten zijn, die in de apostolische
zending van de Kerk meewerken aan de wedergeboorte van de mensen.
4 De
verering van de Heilige Maagd in de Kerk
PARAGRAAF 1 - De ontwikkeling en de vruchten
van de Mariaverering
Maria, door Gods genade, na haar Zoon, verheven boven alle
engelen en mensen, geniet als de allerheiligste Moeder van God, die heeft deelgenomen
aan de geheimen van Christus, terecht een bijzondere verering van de kant van
de Kerk. En inderdaad, reeds vanaf de oudste tijden wordt de heilige Maagd
vereerd onder de titel van "Moeder Gods", tot wier bescherming de
gelovigen in al hun gevaren en noden smekend hun toevlucht nemen. Vooral sinds
het concilie van Efese heeft de verering van Maria door het volk Gods een
wonderbare groei gekend in eerbied en liefde, in gebed en navolging,
overeenkomstig haar eigen profetische woorden: "Elk geslacht zal mij zalig prijzen, omdat aan mij zijn wonderwerken
deed die machtig is" (Lc. 1, 48). Deze verering, zoals die altijd
in de Kerk heeft bestaan, draagt zeker een heel bijzonder karakter, maar
verschilt wezenlijk van de aanbidding, die gegeven wordt aan het mensgeworden
Woord en ook aan de Vader en de Heilige Geest, en bevordert deze aanbidding in
hoge mate. Want de verschillende vormen van godsvrucht jegens de Moeder Gods,
die de Kerk heeft goedgekeurd, binnen de grenzen van de gezonde en orthodoxe leer,
overeenkomstig de omstandigheden van plaats en tijd en naar gelang van de
mentaliteit en de geest van de gelovigen, hebben tot gevolg, dat, door de
verering van de Moeder, de Zoon, voor wie alles is geschapen, en in wie de
eeuwige Vader "de gehele volheid
heeft willen doen wonen" (Kol. 1, 19), op de juiste wijze wordt
gekend, bemind, verheerlijkt, en dat zijn geboden worden onderhouden.
PARAGRAAF 2 - Pastorale wenken voor de
theologie, de prediking en de Mariaverering
Het heilig Concilie houdt uitdrukkelijk deze katholieke
leer voor en wekt tevens alle kinderen van de Kerk op om edelmoedig de verering
van de heilige Maagd, vooral de liturgische verering, te bevorderen, een hoge
waardering te hebben voor de praktijken en oefeningen van godsvrucht jegens
haar, die in de loop van de eeuwen door het leerambt zijn aanbevolen, en de
bepalingen uit het verleden omtrent de verering van de afbeeldingen van
Christus, de heilige Maagd en de heiligen nauwgezet te onderhouden.
Verder spoort het Concilie de theologen en de
predikanten dringend aan om zich bij de behandeling van de bijzondere
waardigheid van de Moeder Gods met zorg te onthouden zowel van alle
overdrijvingen als van een te bekrompen opvatting. Bij de studie van de heilige
Schrift, van de Kerk, onder leiding van het leerambt, moeten zij zuiver de
verschillende functies en voorrechten van de heilige Maagd belichten, die
altijd op Christus gericht zijn, de oorsprong van alle waarheid, heiligheid en
godsvrucht. Zij moeten zorgvuldig alles vermijden, wat in woorden of daden de
gescheiden broeders of wie dan ook een verkeerd idee zou kunnen geven omtrent
de ware leer van de Kerk. De gelovigen moeten er aan denken, dat de ware
godsvrucht niet bestaat in een onvruchtbaar en voorbijgaand sentiment of in een
ijdele lichtgelovigheid, maar dat ze voortkomt uit het echte geloof, dat ons
brengt tot de erkenning van de hoge waardigheid van de Moeder Gods en dat ons
opwekt tot een kinderlijke liefde jegens onze Moeder en tot de navolging van
haar deugden.
5 Maria, een teken van vaste hoop en van troost
voor het volk Gods op pelgrimstocht
Gelijk de Moeder van Jezus, in de hemel thans verheerlijkt
naar lichaam en ziel, een beeld en begin is van de Kerk, die haar voltooiing
zal vinden in het toekomstig leven, zo licht zij hier op aarde het volk Gods op
pelgrimstocht voor als een teken van vaste hoop en van troost, totdat eens de
dag des Heren komt.
Het is voor dit heilig Concilie een reden tot grote vreugde
en troost, dat ook onder de gescheiden broeders velen aan de Moeder van de Heer
en Verlosser de verschuldigde eer bewijzen, vooral bij de oosterlingen, die
eensgezind, met vurig elan en diepe godsvrucht de Moeder Gods, altijd Maagd,
vereren.
Laten alle gelovigen zich in een dringend gebed richten tot
de Moeder Gods en de Moeder der mensen en haar smeken, dat zij, die met haar
gebed de eerstellingen van de Kerk bijstond, nu ook in de hemel verheven boven
alle heiligen en engelen, in de gemeenschap van alle heiligen een voorspraak
mag zijn bij haar Zoon, opdat eindelijk alle volkenfamilies, hetzij zij
christenen zijn hetzij zij hun Verlosser nog niet kennen, in vrede en eendracht
het geluk mogen hebben in één volk Gods te worden verenigd, tot glorie van de
allerheiligste en onverdeelde Drieëenheid.
Dit alles, tot in alle
onderdelen, wat in deze dogmatische Constitutie is vastgelegd, heeft de
instemming van de Vaders. En wij, krachtens het apostolisch gezag, door
Christus aan ons verleend, geven samen met de Concilievaders, in de Heilige
Geest daaraan onze goedkeuring, bepalen het en stellen het vast, en wij bevelen
datgene, wat aldus door de Synode is vastgesteld, tot Gods glorie te
promulgeren.
Redemptoris Mater
Johannes Paulus II 25/3/1987
Inleiding
De MOEDER van de VERLOSSER heeft
een zeer bepaalde plaats in het heilsplan, want toen de volheid van de
tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren
onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet stonden zou bevrijden, opdat wij
de rang van zonen zouden verkrijgen. En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft
de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader! (Gal.
4, 4-6).
Met deze woorden van de apostel
Paulus wil ik mijn overwegingen beginnen over de betekenis die Maria heeft in
het mysterie van Christus, en over haar werkdadige en voorbeeldige
tegenwoordigheid in het leven van de Kerk. Het zijn woorden die zowel de Vader
gedenken als de Zoon, de gave van de Geest, de vrouw uit wie de Verlosser
geboren werd, en ons goddelijk kindschap, in het mysterie van de volheid
van de tijd.
Deze volheid duidt het ogenblik
aan dat van alle eeuwigheid is vastgesteld en waarop de Vader zijn Zoon
gezonden heeft, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar
eeuwig leven zal hebben (Joh. 1, 1.14) en onze broeder is geworden. Zij duidt
het ogenblik aan waarop de heilige Geest, die reeds de volheid van de genade
had uitgestort in Maria van Nazaret, in haar maagdelijke schoot de menselijke
natuur van Christus vormde. Zij geeft het ogenblik aan waarop door de intrede
van het eeuwige in het tijdelijke de tijd verlost wordt, vervuld wordt met het
mysterie van Christus en definitief heilstijd wordt. Zij geeft tenslotte het
mysterievolle begin aan van de weg van de Kerk. Inderdaad begroet de Kerk in de
liturgie Maria van Nazaret haar begin, omdat zij ziet dat in de gebeurtenis van
de onbevlekte ontvangenis de heilsgenade van Pasen zich reeds van te voren aftekent
in haar edelste lid. En vooral omdat zij in het gebeuren van de menswording
Christus en Maria onverbrekelijk tezamen ontmoet, Hem die haar Heer en Hoofd
is, en haar die door het uitspreken van het eerste fiat van het
Nieuwe Verbond voorafbeelding is van de Kerk als bruid en moeder.
Gesterkt door de aanwezigheid
van Christus is de Kerk in de tijd onderweg naar de voleinding der tijden
en gaat zij haar Heer die komt tegemoet. Maar op deze weg gaat de Kerk
voort in de voetsporen van de Maagd Maria die is voortgegaan op
de pelgrimstocht van het geloof en de vereniging met haar Zoon standvastig
heeft volgehouden tot onder het kruis.
Het tweeduizendjarig jubileum
van de geboorte van Jezus Christus is nabij en richt onze blik tegelijk op zijn
Moeder. In de laatste jaren zijn verschillende stemmen opgegaan die
wenselijkheid geopperd hebben om deze herdenking te laten voorafgaan door een
soortgelijk jubileum dat gewijd is aan de viering van de geboorte van Maria.
Ook al is het niet mogelijk om de geboortedatum van Maria nauwkeurig chronologisch vast
te stellen, toch is de Kerk zich er steeds van bewust dat Maria eerder dan
Christus verschenen is aan de horizon van de heilsgeschiedenis (het
Oude Testament heeft op vele wijzen het mysterie van Maria aangekondigd). Het
is een feit dat bij de definitieve nadering van de volheid van de tijd,
d.w.z. van de heilskomst van de Immanuël, zij die van eeuwigheid af bestemd was
om zijn Moeder te zijn reeds op aarde leefde. Dit feit dat zij er was vóór de
komst van Christus, vindt ieder jaar een weerspiegeling in de liturgie van
de Advent. Als dus de jaren die ons nader brengen tot het einde van het
tweede millennium na Christus en tot het begin van het derde, vergeleken worden
met de historische verwachting van de Verlosser in de oudheid, dan wordt het
geheel begrijpelijk dat wij ons in deze periode op speciale wijze willen
richten tot haar die in de nacht van de Adventsverwachting begon te
schitteren als een ware morgenster (Stella matutina). Zoals deze ster samen
met de dageraad voorafgaat aan de opkomst van de zon, zo is Maria vanaf haar
onbevlekte ontvangenis voorafgegaan aan de komst van de Redder, aan de opkomst
van de zon der gerechtigheid in de geschiedenis van het mensengeslacht.
Haar aanwezigheid in Israël zo
onopvallend dat zij bijna onopgemerkt bleef voor de ogen van de tijdgenoten
straalde wel duidelijk voor de Eeuwige die deze verborgen dochter van
Sion deelgenoot gemaakt had van het heilsplan dat de gehele geschiedenis
van de mensheid omvat. Wij christenen, die weten hoe het providentiële plan van
de Allerheiligste Drieëenheid de centrale werkelijkheid is van de
openbaring en het geloof, voelen dus terecht de behoefte om aan het einde van
het tweede millennium de uitzonderlijke tegenwoordigheid van de Moeder van
Christus in de geschiedenis in het licht te stellen in het bijzonder gedurende
deze laatste jaren die voorafgaan aan het jaar tweeduizend.
Het Tweede Vaticaans Concilie,
dat ons in zijn leer de Moeder van God voorhoudt in het mysterie
van Christus en de Kerk, bereidt ons hierop voor. Want als het waar is
dat het mysterie van de mens alleen oplicht in het mysterie van het mens
geworden Woord, zoals het Concilie verklaart, dan moet men dit beginsel op
zeer bijzondere wijze toepassen op die uitzonderlijke dochter van het
mensengeslacht, op die buitengewone vrouw die Moeder van Christus werd.
Alleen in het mysterie van Christus wordt haar mysterie geheel en
al duidelijk. Vanaf het begin heeft de Kerk overigens getracht het zo te
verstaan: het mysterie van de menswording heeft het haar mogelijk gemaakt
steeds dieper door te dringen in het mysterie van de Moeder van het
vleesgeworden Woord en dit steeds beter te verduidelijken. Beslissende
betekenis voor deze verdieping heeft het Concilie van Efese gehad (in het jaar
431), waarop de waarheid over het goddelijke moederschap van Maria tot grote
vreugde van de christenen plechtig bevestigd werd als geloofswaarheid van de
Kerk. Maria is de Moeder van God (= Theotókos), omdat zij door de
heilige Geest Jezus Christus, de Zoon van God die één in wezen is met de Vader,
in haar maagdelijke schoot ontvangen en aan de wereld geschonken heeft. De
Zoon van God, . . . geboren uit de Maagd Maria, is . . . werkelijk één van de
onzen geworden. Hij is mens geworden. Zo schittert aan de horizon van het
geloof van de Kerk door middel van het mysterie van Christus ten volle het
mysterie van zijn Moeder. Op zijn beurt was het dogma van het goddelijke
moederschap van Maria voor het Concilie van Efese, en is het voor de Kerk, als
het ware een bezegeling van het dogma van de menswording, waarin het Woord
waarlijk de menselijke natuur aanneemt in de eenheid van zijn persoon zonder
haar te niet te doen.
Het Tweede Vaticaans Concilie,
dat Maria voorhoudt in het mysterie van Christus, vindt op deze manier ook de
weg om de kennis van het mysterie van de Kerk te verdiepen. Want Maria is als
Moeder van Christus op bijzondere wijze verenigd met de Kerk, die de
Heer als zijn lichaam heeft ingesteld. De Concilietekst brengt op veelzeggende
wijze deze waarheid over de Kerk als het lichaam van Christus (volgens de leer
van de brieven van Paulus) in verband met de waarheid dat de Zoon van God door
de heilige Geest uit de Maagd Maria is geboren. De werkelijkheid van de
menswording vindt als het ware een verlengstuk in het mysterie van de
Kerk, lichaam van Christus. En men kan niet aan die werkelijkheid van de
menswording denken zonder te verwijzen naar Maria, de Moeder van het
mensgeworden Woord.
In deze overwegingen wil ik
echter vooral verwijzen naar de pelgrimstocht van het geloof waarop de
heilige Maagd is voortgegaan en de vereniging met Christus standvastig volgehouden
heeft. Zo krijgt die tweevoudige band die de Moeder van God verenigt met
Christus en met de Kerk een historische betekenis. Het gaat hier niet
slechts om de geschiedenis van de Moeder-maagd, om haar persoonlijke geloofsweg
en het beste deel dat zij heeft in het heilsmysterie, maar ook om
de geschiedenis van heel het volk Gods, van allen die deelnemen aan
dezelfde pelgrimstocht van het geloof.
Het Concilie drukt dit uit waar
het in een andere passage vaststelt dat Maria is voorgegaan en model
van de Kerk is geworden in de order van het geloof, de liefde en de
volmaakte eenheid met Christus. Dit voorgaan als beeld of model verwijst
naar het diepe mysterie zelf van de Kerk, die in de vervulling van haar eigen
heilszending in zich de eigenschappen van moeder en maagd verenigt,
zoals Maria. Zij is een maagd die haar trouw aan de Bruidegom gaaf en
zuiver behoudt en die ook zelf moeder wordt . . . want zij brengt
zonen ter wereld, van de heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een
nieuw en onsterfelijk leven.
Dit alles geschiedt in een groot
historisch proces en om zo te zeggen op een tocht. De pelgrimstocht
van het geloof duidt de innerlijke geschiedenis aan, men zou kunnen zeggen de
geschiedenis van de zielen. Maar deze is ook de geschiedenis van de mensen die
op deze aarde onderworpen zijn aan de vergankelijkheid, opgenomen zijn in de
dimensie van de geschiedenis. In de volgende overwegingen willen wij ons vooral
concentreren op de huidige fase, die uiteraard nog niet geschiedenis is en haar
toch voortdurend vormt, ook in de zin van heilsgeschiedenis. Hier gaat een
wijde ruimte open waarin de heilige Maagd Maria het volk Gods blijft
voorgaan. Haar uitzonderlijke pelgrimstocht van het geloof vormt een vast
referentiepunt voor de Kerk, voor de enkelingen en de gemeenschappen, voor de
volkeren en de naties, en in zekere zin voor de gehele mensheid. Het is
werkelijk moeilijk om de straal ervan te omvatten en te meten.
Het Concilie onderstreept
dat de Moeder van God nu reeds de eschatologische vervulling van de Kerk
is: De Kerk heeft in de zalige Maagd reeds de volmaaktheid bereikt,
waardoor ze vlek noch rimpel vertoont; en tegelijk benadrukt het dat de
gelovigen zich nog steeds moeten inspannen om door de overwinning op de zonde
in heiligheid te groeien; daarom verheffen zij hun blikken naar Maria, die
voor heel de gemeenschap van de uitverkorenen als een toonbeeld van deugden
uitmunt. De Moeder van Gods Zoon neemt niet meer deel aan de pelgrimstocht van
het geloof. Maria die verheerlijkt in de hemel is naast haar Zoon, heeft reeds
de drempel tussen geloof en zien van aangezicht tot aangezicht (1 Kor. 13,
12) overschreden. Maar tegelijk houdt Maria niet op in deze eschatologische
vervulling de sterre der zee (Maris Stella) te zijn voor allen die nog
de weg van het geloof gaan. Als zij hun blikken naar haar opheffen op de
verschillende plaatsen van het aardse bestaan, dan doen zij dit omdat zij de
Zoon ter wereld heeft gebracht die God gesteld heeft tot Eerstgeborene onder
vele broeders, en ook omdat zij met moederlijke liefde bijdraagt tot
de geboorte en opvoeding van deze broeders en zusters.
DEEL 1 : MARIA IN HET MYSTERIE VAN CHRISTUS
HOOFDSTUK 1 - Vol
genade
Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus
Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke
zegen (Ef. 1, 3). Deze woorden van de brief aan de christenen van Efese openvaren
het eeuwige plan van God de Vader, zijn plan om de mens in Christus te redden.
Het is een universeel plan dat alle mensen die geschapen zijn naar het beeld en
de gelijkenis van God , betreft. Zoals allen in het begin begrepen
zijn in Gods scheppingswerk, zo zijn zij ook van eeuwigheid begrepen in het
goddelijke heilsplan, dat volledig geopenbaard zou worden in de volheid
van de tijd met de komst van Christus. De God die de Vader van onze
heer Jezus Christus in Hem, zo gaat dezelfde brief verder, ons
uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn
voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te
worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de
heerlijkheid van zijn genade. Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde,
in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden,
dank zij de rijkdom van zijn genade (Ef. 1, 4-7).
Het goddelijke heilsplan, dat
ons volledige geopenbaard is met de komst van Christus, is eeuwig. Het is ook,
volgens de leer van die brief en van andere paulijnse brieven, van
eeuwigheid af verbonden met Christus. Het omvat alle mensen, maar behoudt
een bijzondere plaats voor aan de vrouw die de Moeder is van Hem
aan wie de Vader het heilswerk toevertrouwd heeft. Zoals het Tweede Vaticaans
Concilie schrijft: Zij is het die . . . reeds profetisch doorzichtig
wordt in de belofte die aan de in zonde gevallen stamouders werd geschonken -volgens
het boek Genesis; evenzo is zij de maagd die een zoon zal ontvangen
en varen aan wie men de naam Immanuel zal geven -volgens de woorden
van Jesaja. Op deze wijze bereidt het Oude Testament die volheid van
de tijd voor waarin God zijn Zoon gezonden heeft, geboren uit een
vrouw . . . opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen. De komst van Gods
Zoon in de wereld is de gebeurtenis die opgetekend staat in de eerste
hoofdstukken van de evangelies volgens Lucas en volgens Matteüs.
Maria wordt
definitief binnengeleid in het mysterie van Christus door deze
gebeurtenis: de boodschap van de engel. Zij vindt plaats te Nazaret,
in zeer bepaalde omstandigheden van de geschiedenis van Israël het volk zegt
tot de Maagd: Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u (Lc.
1, 28). Maria schrok van dat woord en vroeg zich af wat die groet toch
wel kon betekenen (Lc. 1, 29): wat konden al die buitengewone woorden wel
betekenen en in het bijzonder de uitdrukking vol van genade (kecharitoméne)?
Als wij samen met Maria willen
mediteren over deze woorden en speciaal over de uitdrukking vol van
genade, dan kunnen wij een veelbetekenend vergelijkingspunt vinden juist in de
bovengenoemde tekst uit de brief aan de christenen van Efese. Als de Maagd
van Nazaret na de boodschap van de hemelse bode ook de gezegende onder de
vrouwen genoemd wordt, dan ligt de verklaring hiervoor in de zegen
waarmee God de Vader ons overladen heeft in de hemelen in
Christus. Het is een geestelijke zegen, die alle mensen betreft en in
zich de volheid en de universaliteit draagt (elke zegen), en die voortkomt
uit de liefde die de Vader en de Zoon, die één in wezen met Hem is, verenigt in
de heilige Geest. Het is tegelijk een zegen die door Jezus Christus is
uitgestort in de mensgeschiedenis tot aan het einde toe: over alle mensen. Deze
zegen betreft echter in een speciale en uitzonderlijke maat Maria: Elisabet
heeft haar immers begroet als de gezegende onder de vrouwen.
De reden voor de tweevoudige
groet is dus dat zich in de ziel van deze dochter van Sion in
zekere zin heel de heerlijkheid van de genade heeft geopenbaard,
van die genade waarmee de Vader . . . ons heeft begiftigd in de Geliefde.
De bode groet Maria immers als de Begenadigde; hij noemt haar zo, alsof
dit haar echte naam is. Hij noemt zijn gesprekspartner niet bij de naam die zij
onder de mensen heeft: Miryam (=Maria), maar bij deze nieuwe naam:
Begenadigde. Wat betekent deze naam? Waarom noemt de aartsengel de Maagd
van Nazaret zo?
In de bijbelse taal betekent
genade een speciale gave, die volgens het Nieuwe Testament haar bron heeft in
het leven van de drieëne God, van God die liefde is. De uitverkiezing waarover
de brief aan de christenen van Efese spreekt is vrucht van deze
liefde. Van Gods kant is deze uitverkiezing de eeuwige wil om de mens te redden
door deelname aan zijn eigen leven in Christus: het is het heil in de
deelname aan het bovennatuurlijke leven. De uitwerking van deze eeuwige gave,
van deze genade van de uitverkiezing van de mens door God, is als een kiem van
heiligheid of als een bron die opspringt in de ziel als gave van God zelf, die
de uitverkorenen levend en heilig maakt door middel van de genade. Op deze
wijze wordt vervuld, d.w.z. wordt werkelijkheid, die zegening van de mens met
elke geestelijke zegen, die aanneming tot zijn kinderen in Christus ofwel in
Hem die eeuwig de geliefde Zoon van de Vader is.
Wanneer wij lezen dat de bode
tot Maria zegt: vol van genade, dan laat de context van het evangelie, waarin
oude openbaringen en beloften samenvloeien, ons begrijpen dat het hier gaat om
een speciale zegen onder alle geestelijke zegeningen in Christus. Zij is
reeds aanwezig in het mysterie van Christus voor de schepping der
wereld als degene die de Vader uitgekozen heeft als Moeder van zijn
Zoon in de menswording en de Zoon heeft haar samen met de Vader uitgekozen en
haar eeuwig toevertrouwd aan de Geest van heiligheid. Maria is op geheel
bijzondere en uitzonderlijke wijze verenigd met Christus. Zij wordt eveneens op
geheel bijzonder en uitzonderlijke wijze bemind in deze eeuwige geliefde
Zoon, in deze Zoon die één wezen is met de Vader en in wie heel de
heerlijkheid van de genade samenkomt. Tegelijk is en blijft zij geheel open
voor deze gave van boven. Zoals het Concilie leert, munt Maria uit tussen
de nederigen en armen van de Heer, die het heil met vertrouwen van Hem
verwachten en ontvangen.
Al Betekenen de groet en de naam
Begenadigde dit alles, in de context van de boodschap van de engel hebben zij
vooral betrekking op de uitverkiezing van Maria als Moeder van Gods Zoon. Maar
tegelijk wijst de volheid der genade heel de bovennatuurlijke gave aan waarmee
Maria begiftigd is in verband met het feit dat zij uitgekozen en bestemd is om
de Moeder van Christus te zijn. Ook al is deze uitverkiezing fundamenteel voor
de vervulling van het heilsplan van God met betrekking tot de mensheid; ook al
betreffen de eeuwige keuze in Christus en de bestemming tot de waardigheid van
aangenomen kinderen alle mensen, toch is de uitverkiezing van Maria geheel
uitzonderlijk en uniek. Vandaar ook de uitzonderlijkheid en de enigheid van
haar plaats in het mysterie van Christus.
De hemelse bode zegt tot
haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij
zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet
geven. Hij zal groot zijn en zijn Zoon van de Allerhoogste genoemd worden (Lc.
1, 30-32). En als de Maagd, verschrikt door deze buitengewone groet,
vraagt: Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een
man?, ontvangt zij van de engel bevestiging en uitleg van de voorafgaande
woorden. Gabriël zegt tot haar: De heilige Geest zal over u komen en de
kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld
wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God (Lc. 1, 35).
De boodschap is daarom de
openbaring van het mysterie van menswording aan het begin zelf van de
vervulling ervan op aarde. De heilsgave die God maakt van zichzelf en van zijn
leven, op zekere wijze aan de gehele schepping en direct aan de mens,
bereikt in het mysterie van de menswording één van zijn hoogtepunten. Dit
is inderdaad een hoogtepunt onder alle genadegaven in de geschiedenis van de
mens en van het heelal. Maria is vol van genade omdat de menswording
van het Woord, de vereniging van Gods Zoon met de menselijke natuur, juist in
haar verwerkelijkt en vervuld wordt. Maria is, zoals het Concilie leert, de
Moeder van de Zoon van God . . . en daarom de geliefde dochter van de Vader en
het heiligdom van de heilige Geest. Door deze uitmuntende gave gaat zij alle
andere schepselen in de hemel en op aarde ver te boven.
Sprekend over de heerlijkheid
van de genade waarmee God de Vader . . . ons begiftigd heeft in de
Geliefde, voegt de brief aan de christenen van Efese hieraan toe: in
Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed (Ef. 1, 7). Volgens de leer die
geformuleerd is in plechtige documenten van de Kerk heeft deze heerlijkheid
van de genade zich in de Moeder Gods geopenbaard door het feit dat
zij op een meer verheven wijze is verlost. Krachtens de rijkdom der
genade van de geliefde Zoon, vanwege de verlossende verdiensten van Hem die
haar Zoon zou worden, is Maria gevrijwaard voor de overdracht van de
erfzonde. Zo hoort zij vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis, dus van
haar bestaan, toe aan Christus en deelt zij in de verlossende en heiligmakende
genade en in die liefde die zijn oorsprong heeft in de Geliefde in
de Zoon van de eeuwige Vader, die door de menswording haar eigen Zoon is
geworden. Daarom ontvangt Mariadoor de heilige Geest in de orde van de
genade, d.w.z. van de deelname aan Gods eigen wezen, het leven van Hem aan
wie zij zelf in de orde van de aardse voortbrenging als moeder het
leven schonk. De liturgie aarzelt niet haar moeder van haar
Schepper te noemen en haar te groeten met de woorden die Dante
Alighieri de heilige Bernardus in de mond legt: dochter van uw Zoon. En
omdat Maria die nieuwe leven ontvangt in een volheid die
beantwoordt aan de liefde van de Zoon voor de Moeder en dus aan de waardigheid
van het goddelijke moederschap, noemt de engel haar bij de boodschap Begenadigde.
In het heilsplan van de
Allerheiligste Drieëenheid vormt het mysterie van de menswording de
overvloedige vervulling van de belofte die God aan de mensen gedaan heeft na
de erfzonde, na die eerste zonde waarvan de uitwerking op heel de
geschiedenis van de mens op aarde drukt. Zie, een Zoon komt ter wereld,
het kroost van de vrouw dat het kwaad van de zonde in de wortel zal
verslaan: Hij zal de kop van de slang verpletteren. Zoals uit de woorden
van het proto evangelie blijkt, zal de overwinning van de Zoon van de vrouw
niet behaald worden zonder een zware strijd die heel de geschiedenis van de
mens op aarde zal vullen. De vijandschap die in het begin is aangekondigd
wordt bevestigd in de Apokalyps, het boek van de laatste gebeurtenissen van de
Kerk en de wereld, waarin opnieuw het teken verschijnt van de vrouw
ditmaal bekleed met de zon (Apok. 12, 1).
Maria, de Moeder van het Woord,
wordt geplaatst in het centrum van die vijandschap, van die strijd waarmee
de mensengeschiedenis op aarde en de heilsgeschiedenis zelf vergezeld gaan. Op
die plaats draagt zij die bij de nederigen en armen van de Heer hoort,
als geen andere mens de heerlijkheid van de genade in zich waarmee
de Vader ons begiftigd heeft in de Geliefde, en deze genade bepaalt
de buitengewone grootheid en schoonheid van heel haar wezen. Zo blijft
Maria voor God en ook voor de gehele mensheid als het onveranderlijke en
onschendbare teken van de uitverkiezing door God waarover de paulijnse brief
spreekt: In Christus . . . heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging
van de wereld . . . en ons voorbestemd zijn kinderen te worden (Lc. 1,
4.5). Deze uitverkiezing is machtiger dan iedere ervaring van het kwaad en van
de zonde, dan heel die vijandschap waardoor de geschiedenis van de
mens getekend wordt. In deze geschiedenis blijft Maria een teken van vaste
hoop.
HOOFDSTUK 2 - Zalig
zij die geloofd heeft
Onmiddellijk na het verhaal van
de boodschap voert de evangelist Lucas ons achter de schreden van de Maagd van
Nazaret aan naar een stad in Judea (Lc. 1, 39). Volgens de
geleerden zou deze stad het huidige Ain-Karim zijn, dat niet ver van Jeruzalem
in de bergen ligt. Maria gaat daar met spoed naar toe om
Elisabet, haar bloedverwante, te bezoeken. De reden voor het bezoek moet
ook gezocht worden in het feit dat Gabriël bij de boodschap op veelzeggende
wijze Elisabet genoemd had die op gevorderde leeftijd van haar man Zacharias
een zoon ontvangen had, door Gods kracht: Elisabet, uw bloedverwante,
heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen en, ofschoon zij ontvruchtbaar hette,
is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk (Lc. 1,
36-37). De goddelijke bode had zich beroepen op wat met Elisabet gebeurd was om
te antwoorden op de vraag van Maria: Hoe zal dit geschieden, daar ik geen
gemeenschap heb met een man? (Lc. 1, 34). Zie, het zal kunnen geschieden
juist door de kracht van de Allerhoogste, zoals en nog meer dan in het
geval van Elisabet.
Door liefde gedreven begeeft
Maria zich dus naar het huis van haar bloedverwante. Als zij er binnentreedt,
beantwoordt Elisabet haar groet en voelt zij het kind in haar schoot
opspringen. Vervuld met de heilige Geest groet zij op haar beurt Maria
met luider stemme: Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht
van uw schoot. Deze uitroep of toejuiching van Elisabet zou later opgenomen
worden in het Weesgegroet, als vervolg op de groet van de engel, en zo één
van de meest voorkomende gebeden van de Kerk worden. Maar nog meer betekenis
hebben de woorden van Elisabet in de vraag die volgt: Waaraan heb ik het
te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? (Lc. 1, 43).
Elisabet legt getuigenis af over Maria: zij erkent en verklaart dat voor haar
Moeder van de Heer staat, de Moeder van de Messias. Ook de zoon die Elisabet in
haar schoot draagt neemt deel aan dit getuigenis: Het kind sprong van vreugde
in mijn schoot (Lc. 1, 44). Het kind is de toekomstige Johannes de Doper die
bij de Jordaan Jezus als de Messias zal aanwijzen.
Ieder woord in de groet van
Elisabet is vol betekenis, maar wat zij op het eind zegt lijkt van fundamentele
betekenis: Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat
haar vanwege de Heer gezegd is (Lc. 1, 45). Deze woorden kunnen geplaatst
worden naast de benaming Begenadigde van de groet van de engel. In
beide teksten wordt de waarheid over Maria die werkelijk binnengetreden is in
het mysterie van Christus, juist omdat zij geloofd heeft, werkelijkheid.
De volheid de genade die de engel aangekondigd heeft betekent de gave
van God zelf; het geloof van Maria, dat Elisabet geprezen heeft bij
het bezoek, geeft aan hoe de Maagd van Nazaret geantwoord heeft
op deze gave.
Aan de openbare God moet de
mens de gehoorzaamheid van het geloof (Rom. 16, 26) betonen,
waardoor hij zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt, leert het Concilie.
Het geloof zoals het hier beschreven wordt, heeft in Maria een volmaakte
verwezenlijking gevonden. Het beslissende ogenblik was de
boodschap, en de woorden van Elisabet: Zalig zij die geloofd heeft hebben
op de eerste plaats juist op dit moment betrekking.
Want bij de boodschap heeft Maria zich volledig aan
God toevertrouwd en de gehoorzaamheid van het geloof betoond
aan Hem die door zijn bode tot haar sprak, en de volledige onderdanigheid
van verstand en wil bewezen. Zij heeft dus met heel haar menselijke,
vrouwelijke ik geantwoord. Dit geloofsantwoord bevatte een volmaakte
medewerking met de voorkomende en helpende genade van God en een
volmaakte beschikbaarheid voor de werking van de heilige Geest die voortdurend
het geloof vervolmaakt door zijn gave.
Jesaja
12:1-6 Op die dag zult gij zeggen: Ik loof u, Jahwe; Gij waart
toornig op mij, maar uw toorn is bedaard en Gij hebt mij getroost. Ja, God is
mijn redding, ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen: Jahwe is mijn sterkte en
kracht, Hij is mijn redding geworden. En gij zult vol vreugde water
putten uit de bronnen der redding. Op die dag zult gij zeggen: Looft
jahwe, roept zijn naam uit, maakt onder de volken zijn daden bekend, verkondigt
zijn hoog verheven naam. Zingt Jahwe lof, want Hij deed grootse dingen,
laat het bekend zijn over heel de aarde! Juicht en jubelt, bewoners van Sion:
Israëls Heilige is groot in uw midden!
Jesaja
55:1-11Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij,
die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld, en drinkt zonder
betaling wijn en melk. Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is, en
uw loon aan iets wat niet verzadigt? Luistert aandachtig naar Mij, en gij zult
eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Neigt uw oor
en komt naar Mij, luistert en gij zult leven; een eeuwig verbond zal Ik met u
sluiten, een blijk van mijn blijvende trouw aan David gezworen. Zie, hem
had Ik tot getuige voor de volkeren aangesteld, tot vorst en gebieder over de
naties. Zie, zo komt nu een volk, dat gij niet kent, naar u toe, en een volk
dat u niet kent, snelt op u af, omwille van Jahwe, uw God, en wegens de Heilige
van Israël, omdat Hij u luister heeft verleend. Zoekt Jahwe, nu Hij te
vinden is, roept Hem aan: Hij is nabij, De zondaar moet zijn weg verlaten
en de boosdoener zijn gedachten; en terugkeren naar Jahwe, die zich over hem
erbarmen zal, naar onze God, die immers rijkelijk vergeeft. Want mijn
gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet mijn wegen, zo luidt de
godsspraak van Jahwe, want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan
ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten. Want
zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren,
wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten
bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de
eter; zo zal het ook gaan met mijn woord, dat voortkomt uit mijn mond; het
keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat
Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden.
Sirach
15:1-6Zo doet degene die
de Heer vreest; wie zich houdt aan de wet zal de wijsheid verwerven. Als
een moeder komt zij hem tegemoet en zij begroet hem als de vrouw van zijn
jeugd. Zij geeft hem het brood van het inzicht te eten en laat hem het
water van de wijsheid drinken. Hij steunt op haar en hij wankelt niet,
hij hecht zich aan haar en hij wordt niet beschaamd. Zij zal hem verheffen
boven zijn naasten en in het midden van de vergadering ontsluit ze zijn mond. Blijdschap
en een vreugdekrans en een onvergankelijke naam zal zij hem schenken.
1
Johannes 5:1-6 Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser
is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft bemint ook het kind. Willen
wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods
kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. God beminnen wil zeggen zijn
geboden onderhouden, en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden, want
ieder die uit God geboren is overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de
wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. Niemand kan de wereld
overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die
gekomen is met water en bloed, Jezus Christus. Hij is gekomen niet door water
alleen, maar door water en door bloed. De Geest betuigt het, omdat de Geest de
waarheid is.
Openbaring
7:13-17 Toen richtte zich een van de oudsten tot mij en zei: Wie
zijn dat in die witte gewaden en waar komen zij vandaan? Ik antwoordde hem:
Heer, dat weet gij. Toen zei hij: Dat zijn degenen die komen uit de grote
verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam. Daarom
staan zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel, en
Hij die op de troon is gezeten zal zijn tent over hen uitspreiden. Zij
zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal
hen treffen, want het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren
naar de waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen van hun ogen
afwissen.
Openbaring
22:1-5 Toen toonde mij de engel de rivier met het water des
levens, helder als kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. Zij
liep midden door de straat van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden,
stond het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, elke maand eens;
en zijn loof brengt de volken genezing. En er zal geen banvloek meer zijn.
En de troon van God en van het Lam zal daar staan en zijn dienstknechten zullen
Hem vereren. Zij zullen zijn gelaat aanschouwen en zijn naam zal op hun
voorhoofd zijn. Er zal geen nacht meer zijn en zij behoeven geen licht
meer van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten, en zij zullen
heersen in de eeuwen der eeuwen.
Johannes
13:3-15 In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had
gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, stond
Hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde
zich daarmee. Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de
leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te
drogen. Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: Heer wilt
Gij mij de voeten wassen? Jezus gaf hem ten antwoord: Wat Ik doe
begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien. Toen zei Petrus
tot Hem: Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen! Jezus
antwoordde hem: Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot
niet zijn. Daarop zei Simon Petrus tot Hem: Heer, dan niet alleen mijn
voeten, maar ook mijn handen en hoofd. Maar Jezus antwoordde: Wie een
bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is
immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen. Hij
wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: Niet allen zijt gij
rein. Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken
en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: Begrijpt gij wat Ik u gedaan
heb? Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want
dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan
behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld
gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.
Gebed van zegen
Na de lezing, zegt de celebrant: Laat ons bidden.
Allen bidden in stilte; dan zegt de celebrant met uitgestrekte
handen, het gebed van zegen:
Gezegend bent U, Heer, Almachtige God,
die in Christus, het levende water van redding,
ons gezegend heeft en omgevormd.
Verleen dat wanneer we besprenkeld worden met dit water
of wanneer we er gebruik van maken,
we innerlijk worden verfrist door de kracht
van de Heilige Geest
en blijven leven in het nieuwe leven
dat we ontvingen bij het Doopsel.
We vragen dit door Christus onze Heer. R. Amen.
Het kruisteken over het water.
God zij dank dat we het Roomse Rituale hebben om ons te
helpen. Je moet niet elke keer het zout exorciseren. Ik exorciseer het zout en
houd het zo wanneer ik de traditionele zegening doe, het neemt niet zoveel tijd
in beslag. Geëxorciseerd zout is zeer krachtig tegen de duivel. Je kunt het
rond je huis, tuin, werk, en buurt strooien. Je kunt het ook gebruiken als je kookt.
Sommige eenvoudige zaken om te gebruiken als
bescherming tegen de duivel zijn: Wijwater, de geëxorciseerde H. Benedictusmedaille,
het bruine scapulier, de wonderdadige medaille en het dragen van de rozenkrans.
Blijf altijd in staat van genade, het helpt zoveel om de
aanvallen van de duivel te vermijden. We zouden meer moeten bevreesd zijn voor
het beledigen van God, dan voor de duivel. Vergeet ook nooit dat Maria een
grote beschermster is tegen de boze en ook de H. Michael. De H. Jozef wordt verschrikking van de duivel
genoemd.
Driekoningenwater
Het driekoningenwijwater is het water
dat tijdens de hoogmis op die dag gewijd wordt. Het is wijwater,
en als zodanig een van de vele sacramentaliën in de katholieke
kerken. Er wordt ongeveer 45 minuten over gebeden en is daarom het sterkste
wijwater. De sacramentaliën ontvangen de kracht die de gebeden uitdrukken bij
de zegening ervan.
In het Romeins
Rituaal wordt het wijdingsritueel beschreven dat alleen op de vigilie
van Driekoningen (5 januari) door een priester uitgevoerd kan worden.
De wijding geeft vier groepen van genaden:
verjaagt de duivel en zijn invloeden
roept de hulp van de hemel, de heiligen en engelen
af
geeft genezing naar ziel en lichaam
biedt genezing voor mensen en dieren.
Driekoningen was vroeger
net zoals Pasen traditioneel een doopdag. Ter herinnering aan de doop
vond met Driekoningen de wijding van het water plaats.
De liturgie van de wijding
van het driekoningenwijwater is als volgt opgebouwd:
litanie van alle heiligen, dat is de aanroeping van
degenen die definitief de overwinning over alle kwaad hebben behaald; de
'zegevierende Kerk'
twee overwinningshymnen uit de H Schrift, het Benedictus over
de komst van de voorloper van de Messias en verlosser en het Magnificat over
de komst van de Messias en verlosser zelf
drie psalmen over de overwinning van Israël tegen
de vijanden in het Oude Testament, voorteken van overwinning over
geestelijke vijanden in het nieuwe testament
gewone wijwatergebed met exorcismen over zout en
water
het kleine exorcisme van paus Leo XIII of
van de Aartsengel Michael tegen de omzetenheid (sterke merkbare
invloed van de duivel), waarin beroep wordt gedaan op alle sterke geloofsgeheimen
gezongen Te Deum, loflied van de overwinnende
kerk van de heiligen in de hemel.
Het
verdrijven van de duivel
De duivel haat wijwater omwille van zijn macht over hem. Hij
kan niet lang blijven op een plaats of bij een persoon die dikwijls wordt
besprenkeld met wijwater.
Lees wat de H. Teresa van Avila hierover had te zeggen:
"Uit lange ervaring heb ik
geleerd dat er niets zoals wijwater is om duivels op de vlucht te jagen en te
voorkomen dat ze terugkomen. Ze vluchten ook voor het kruis, maar keren terug;
daarom moet wijwater een grote waarde hebben. Voor mij, als ik het neem, is
mijn ziel getroost. In feite is het een
bewuste verfrissing die ik niet kan omschrijven, het lijkt op een innerlijke
vreugde die mijn hele ziel troost.
"Op een nacht, ongeveer
deze tijd, dacht ik dat de duivels mij aan het verstikken waren; en wanneer de
zusters heel wat wijwater hadden gesprenkeld zag ik een grote groep duivels
wegrennen zo vlug ze konden."
"Op een nacht was ik
devotionele gebeden aan het bidden, wanneer de duivel zelf kwam en me wilde
doen stoppen met bidden. Ik sloeg een kruisteken en hij ging weg. Ik begon verder te bidden en hij kwam terug. Ik
begon drie keer opnieuw en het was tot ik wat wijwater sprenkelde dat ik verder
kon bidden. Op hetzelfde moment zag ik verschillende zielen uit het Vagevuur
komen: hun tijd was bijna op en ik denk dat de duivel hun bevrijding wilde
voorkomen."
Wijwater
gebed voor de zielen van het Vagevuur
Sprenkel een paar druppels van Heilig Water en bid vurig:
"O God, in Uw
barmhartigheid vermenigvuldig deze druppels in zoveel Wijwaterdruppels als er
zielen zijn in het Vagevuur, en laat hen toe de pijnen van het Vagevuur niet te
vrezen, zoals als het vocht van het Wijwater aanwezig is.
Hoe
van wijwater dat muf is afgeraken:
Wijwater blijft gewoonlijk voor
een lange tijd bewaard. Maar als je toch muf water hebt, giet het dan buiten in
de grond aan planten of bomen. De reden omdat we het in de grond gieten is
omdat de grond heilig is en we het teruggeven aan de natuur. Andere religieuze
zaken zoals gebroken rozenkransen, versleten scapulieren, gebroken beelden,
enz. mogen ook in de grond begraven worden.
Asperges me (wikipedia): Het Asperges me is de katholieke liturgische plechtigheid
die op zondagen aan de viering van een plechtige H. Mis voorafgaat.
De kerkgangers worden gezegend met wijwater, terwijl het koor de Gregoriaanse antifoon 'Asperges
Me' zingt.
De gewone vorm van de
Romeinse ritus voorziet in een verkorte versie van het Asperges me.
In de buitengewone vorm is de plechtigheid volledig bewaard.
Ritueel
De priester of
bisschop gaat hierbij, gekleed in koorkap en eventueel geholpen
door diakens, door de kerk en besprenkelt de gelovigen door middel van
een aspergil met wijwater. Dit gebeurt ter herinnering aan
het doopsel en om barmhartigheid en reiniging van God af
te smeken, voordat men de heilige geheimen van de eucharistie viert.
Na de besprenkeling spreekt de celebrant staande voor het tabernakel een
gebed uit, waarin bescherming van het kerkgebouw en het gelovige volk
afgesmeekt wordt. Hierna wordt de koorkap afgelegd en bekleedt de priester zich
met kazuifel, manipel en bonnet.
Antifoon
De naam Asperges
me komt van de Latijnse antifoon die tijdens deze
besprenkeling met wijwater Gregoriaans gezongen wordt, namelijk Psalm 51:9
Raak
met hysop mij aan: ik zal rein zijn, maak mij smetteloos: witter dan sneeuw.
In de Paastijd zingt
men in plaats van Psalm 51, Psalm 118:1; deze antifoon heet Vidi aquam bij
de besprenkeling, waarin op mystieke wijze Christus aan het kruis bezongen
wordt, uit wiens Zijde water en bloed vloeit.
Tweede Vaticaans Concilie
De plechtigheid is bijna
overal verdwenen, hoewel de Novus Ordo Missae wel in een verkorte
versie van het Asperges me voorziet. In de Mis volgens
de Tridentijnse ritus is de plechtigheid bewaard. De priester kan
ervoor kiezen om het asperges en de processie met koorkap te doen en zich te
verkleden bij het altaar, maar kan er ook voor kiezen om meteen het kazuifel te
dragen bij het vertrekken uit de sacristie. De priester bekleedt zich in de
nieuwe misorde (Ordo Missae Cum Populo) enkel nog met het kazuifel (en stole);
het manipel en de bonnet worden niet meer gedragen. (In de nieuwe misorde is
het asperges een deel van de eucharistie.)
Tekst der plechtigheid
Asperges me, Domine,
hyssopo, et mundabor:
Gij zult mij besprenkelen, Heer, met hysop,
en ik zal rein worden:
Lavabis me, et super
nivem dealbabor.
Gij zult mij wassen, en ik zal witter worden
dan sneeuw.
Miserere mei, Deus,
Ontferm u mijner, o God,
secundum magnam misericordiam tuam.
volgens uw grote barmhartigheid.
Gloria Patri, et
Filio, et Spiritui Sancto.
Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige
Geest.
Sicut erat in principio,
et nunc, et semper,
Zoals het was in het begin, en nu, en altijd,
et in saecula saeculorum. Amen.
en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Asperges me (...) dealbabor.
Was mij (...) dan sneeuw.
S. Ostende nobis,
Domine, misericordiam tuam.
Pr. Toon ons, Heer, uw barmhartigheid.
M. Et salutare tuum
da nobis.
V. En schenk ons uw heil.
S. Domine exaudi orationem meam.
Pr. Heer verhoor mijn gebed.
M. Et clamor meus ad te veniat.
V. En mijn noodkreet kome tot U.
S. Dominus vobiscum.
Pr. De Heer zij met u.
M. Et cum spiritu
tuo.
V. En met uw geest.
S. Oremus. Exaudi nos Domine sancte Pater omnipotens
aeterne Deus et mittere digneris sanctum angelum tuum de caelis, qui
custodiat, foveat, protegat, visitet atque defendat omnes habitantes in hoc
habitaculo. Per Christum Dominum nostrum. Amen.
Pr. Laat ons bidden. Verhoor ons Heer, heilige
Vader, almachtige, eeuwige God en zend genadig uw heilige engel uit de hemel,
die allen die in dit heiligdom wonen moge bewaren, begunstigen, beschermen,
bezoeken en verdedigen. Door Christus onze Heer. Amen.
Wijwater
Definitie : Wijwater dat door een priester gewijd is.
Dit water wordt in de katholieke kerk gebruikt bij verschillende
religieuze handelingen. Wijwater wordt gerekend tot de sacramentalia.
Water is een heel belangrijk christelijk symbool. Het is de
bron van het leven. De hele aarde is een planeet vol water. Het geeft ons
leven, vernieuwt en hernieuwt.
Het christelijk leven begint met water bij de doop. Al in
het joodse leven werd water gebruikt bij reinigingsriten tegen de zonden. Het
is met de doop dat de gedoopte een nieuw leven begint als christen. We worden
gereinigd van onze zonden, begraven (ondergedompeld) met Christus om met Hem
uit het water te verrijzen in het nieuwe leven, herboren als kind van God.
Het doopwater is wijwater: water, waarover Gods zegen is
afgeroepen. Tijdens de viering in de Paasnacht wordt water in doopbekken
gegoten en gewijd door het uitspreken van een bede en het maken van een kruisteken
over het water. Tijdens de Paasviering worden de aanwezigen gezegend met dit
water, ter herinnering aan de eigen doop.
Wijwater is belangrijk: het wordt gebruikt om mensen en
zaken te zegenen. Bij binnenkomst (of het verlaten) van een kerk slaan katholieken
een kruisje nadat een paar vingers even in het wijwatervaten zijn
gedompeld. Ze staan dan onder het teken van het kruis met herinnering
aan de eigen doop. In kleinere vorm kunnen katholieken thuis ook wijwaterbakjes
hebben, gevuld met het gezegende wijwater uit de kerk.
Aan het einde van ons leven wordt bij de uitvaart de
lijkbaar besprenkeld met wijwater om Gods zegen over de dood af te smeken. Dit
is de absoute: het besprenkelen met wijwater en het bewieroken van de kist
onder het uitspreken van gebeden.
Een andere rol van water is bij plaatsen van Mariavereringen
en -verschijningen. Op veel plaatsen waar Maria is verschenen, is wel
een kraan te vinden dat heilig water schenkt. Bijvoorbeeld in bekende bedevaartplaatsen
als Banneux, Lourdes en Fatima. Ook hier reinigt, zegent en heiligt het water
de gelovige. (www.katholiek.nl)
Enkele
manieren om wijwater te gebruiken Gretchen Filz 12/8/2014 www.catholiccompany.com
Van lange ervaring heb ik geleerd dat er
niets zo goed is zoals wijwater om duivels op de vlucht te jagen en te
verhinderen dat ze terugkomen. Ze vluchten ook voor het Kruis, maar keren terug;
wijwater moet dus een grote heilzame werking hebben. Als ik er gebruik van maak
ondervindt mijn ziel een bijzondere troost. H. Teresa van Avila
Wanneer we deze uitspraak lezen zouden we moeten herinnerd
worden aan het belang van wijwater. Als we denken aan ons doopsel en onze
doopbeloften, als Katholieke hun vinger dopen in het wijwater en het kruisteken
maken als ze de kerk binnengaan.
Onze doopbeloften bevatten beloften om Satan te verwerpen
en zonde te vermijden. Maar meestal denken we er niet meer aan en is wijwater
maar gewoon omdat we het zo dikwijls gebruiken.
We moeten onthouden dat dit water, door de priester,
gezegend is door God krachtens Christus doopsel. De Katholieke Kerk bezit een
enorme kracht van sacramentele genade en het wijwater als sacramentalie
ontvangt zijn kracht door het gebed en de autoriteit van de Kerk.
De zegening dat over het water gezegd wordt door de
priester om het te wijden bevat gebeden van exorcisme. Het kan demonen
verdrijven, de zieken genezen, en ons genade geven, en toch wanneer we een
kruisteken maken met het wijwater denken we er zelfs niet aan hoe heilig het
eigenlijk is.
Wijwater is een krachtige sacramentalie en we zouden het
dagelijks moeten gebruiken. Wijwater kan gebruikt worden om mensen te zegenen,
plaatsen, en dingen die gebruikt worden om God te verheerlijken in hun leven.
Hier enkele
manieren om wijwater te gebruiken in je dagelijks leven:
1. Zegen jezelf
Deze suggestie is duidelijk, maar als we onszelf enkel zegenen met wijwater op
zondag, wat dan met de rest van de week? Je kunt nooit teveel genade of
zegening in je leven hebben. Gebruik dagelijks wijwater. Houd een wijwatervatje
in huis zodat jij en je gezin, en ook gasten zich kunnen zegenen in het komen
en gaan uit je huis. Houd het wijwatervatje in de buurt van de voordeur om er
zeker van te zijn dat je nooit de deur uitgaat zonder je te zegenen.
2. Zegen je huis Als
je niet de tijd genomen hebt om je huis te zegenen met wijwater, dan begin je
er best nu mee. Je huis is de huiskerk en heeft geestelijke bescherming nodig.
Je kunt zelf wijwater sprenkelen in je huis, of een priester je huis laten
wijden. Hij maakt gebruik van wijwater als een deel van de inzegening van je
huis. Wijwater in een kleine verstuiver doen, is gemakkelijk. Zo kun je het
thuis en elders gebruiken.
3. Zegen je gezin Gebruik
wijwater om te bidden en maak het Kruisteken over je partner en je kinderen
voor ze gaan slapen. Het dichterbij brengen van je gezin met God is op deze
manier een familietraditie om verder te zetten. Houd een wijwaterflesje bij je bed voor dit doel.
4. Zegen je
werkplaats Als je
buitenshuis werkt is het sprenkelen van je werkplaats een goed idee, niet enkel
voor geestelijke bescherming op de job, maar ook om je dagelijks werk te
heiligen voor de glorie van God.
5. Zegen je wagen De
wagen is waarschijnlijk de meest gevaarlijke plaats waar je elke dag tijd in
doorbrengt. Onderschat nooit de kracht van wijwater als het gebruikt wordt op
en in je wagen om veilig te rijden, wanneer het gebruikt wordt met geloof en
vertrouwen op God. Je kunt ook een priester je wagen laten zegenen met wijwater.
6. Zegen je moestuin Het
was een gewone praktijk in de Middeleeuwen dat mensen hun groentetuin
besprenkelden met wijwater. In tijden wanneer mensen zeer afhankelijk waren van
hun oogst om te overleven, konden een gebrek aan regen of vroege vorst roet in
het eten gooien. Het gebruik van wijwater om de plantjes te zegenen die gebruikt
worden voor voedsel toont het vertrouwen op Gods genade.
7. Zegen de zieken Als
je zieke familie hebt, zegen hen dan met wijwater, dan doe je een lichamelijk
en geestelijk werk van barmhartigheid. Als je zieken bezoekt in het ziekenhuis
of bejaardentehuis, zegen dan hun leefruimte met wijwater en laat een flesje
wijwater achter als een troost in hun noden.
8.
Zegen de zielen van het vagevuur Als we willen een kring van
voorsprekers hebben voor onszelf, laat ons dan enige van hun verlangens in
praktijk brengen en hen niet vergeten bij het wijwatervat. De heilige zielen
die het dichtst bij de Hemel zijn kunnen misschien maar 1 druppel wijwater
nodig hebben om hun hunkerende ziel te verlichten. Enkel in het Vagevuur kan
men begrijpen hoe hevig een arme ziel verlangt naar wijwater.
9. Zegen je huisdieren
Huisdieren zijn geliefde metgezellen voor alleenstaanden en gezinnen en ze bewijzen
hen dikwijls een grote dienst, en zelfs deze huisdieren kunnen gezegend worden met
wijwater omdat alle schepselen glorie geven aan God. Dit is ook van toepassing op het vee en de veestapel
op een boerderij.
Hier is een eenvoudig gebedje om te bidden
wanneer wijwater gebruikt wordt:
Omdat wijwater één van de sacramentaliën
is van de Kerk, worden dagelijkse zonden vergeven. Houd je ziel mooi zuiver in
Gods zicht door het Kruisteken te maken en te zeggen:
Door dit wijwater en door
Uw Kostbaar Bloed, was al mijn zonden weg, O Heer. Amen.
Er is geen specifiek gebed om te gebruiken wanneer wijwater
gebruikt wordt, buiten het kruisteken. Je kunt een Onze Vader bidden of zelf
het St Michaelsgebed wanneer je wijwater gebruikt. Houd er rekening mee dat het wijwater reeds gezegend
is door de gebeden van de priester.
Heilige Aartsengel Michaël,
Verdedig ons in de strijd en wees onze beschermer tegen de aanvallen en de
listen van de duivel.
Wij smeken U, dat God zijn heerschappij uitoefent over hem. En gij, Prins
van de Hemelse Legermachten, drijf Satan en de andere boze geesten, die
over de wereld ronddwalen voor het verderf van de zielen, terug in de hel door
de Goddelijke macht die U is toevertrouwd. Amen.
Traditioneel wijwater Pr. Carota 25/4/2013
Vandaag werd ik gevraagd om water te zegenen. Het duurt
langer en is meer werk, maar ik doe nog alleen de traditionele zegening van
water. Volgens het Roomse Rituale wordt er exorcisme gebed en wordt er geëxorciseerd
zout aan het wijwater toegevoegd. Hier is de ritus:
V. Onze hulp is in de naam van de Heer.
R. Die Hemel en aarde geschapen heeft.
Exorcisme van zout
O zout, schepping van God, ik exorciseer u door de levende
God, door de ware God, door de heilige God, door de God die u beval om gegoten
te worden in het water door Elisa de Profeet zodat zijn levengevende krachten
mogen hersteld worden. Ik exorciseer u zodat u een middel van redding moge
worden voor gelovigen, dat u gezondheid van ziel en lichaam moge brengen aan
allen die gebruik van u maken. Dat onvruchtbaarheid
moge vluchten. Dat van de plaatsen waar u gesprenkeld wordt
alle verschijningen, boosdoeners, duivels bedrog en elke onreine geest
verdreven wordt, bezworen door Hem die zal komen om de levenden en de doden en
de wereld te oordelen door vuur. Amen.
Elisa (wikipedia) : (Hebreeuws voor
"Mijn God is redding") is een profeet over wie
geschreven staat in de Hebreeuwse Bijbel. Hij is de leerling van de
profeet Elia en zijn opvolger na diens hemelvaart. De levensloop van
Elisa is met name terug te vinden aan het einde van het Bijbelboek 1
Koningen en voor de rest in het Bijbelboek 2 Koningen. In de Rooms-Katholiek
Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 14 juni.
Elisa was de zoon van Safat uit Abel-meholah; hij werd de dienaar
en volgeling van Elia (1 Kon. 19:16-19). Zijn naam komt het
eerst voor in de opdracht aan Elia om hem tot opvolger te zalven.
Op zijn weg van Sinaï naar Damascus treft de
profeet Elia hem aan terwijl hij met de runderen het land ploegt. Hij roept
Elisa door zijn mantel over diens schouders te gooien. Hij neemt hem aan als
zoon en roept hem tot het profetenambt.
Tot het overlijden van Elia is verder weinig vermeld over Elisa.
Hierna wordt gezegd dat hij 'een dubbel deel' van de geest van Elia heeft
gekregen, en wel omdat hij de wonderbaarlijke hemelvaart van Elia heeft mogen
aanschouwen. Hij heeft de leiding van de profetenschool in Jericho,
redt Samaria en Dothan van een Syrische belegering, en
geneest de Syrische generaal Naäman van melaatsheid. Hij zalft
Hazael tot koning over Syrië en Jehu tot koning over Israël.
Jaren later, op zijn sterfbed, komt koning Joas, de kleinzoon
van Jehu van Israël, om te rouwen over zijn naderende einde. Hij spreekt
tot Elisa dezelfde woorden als Elisa bij Elia's dood: "Mijn vader, mijn
vader! Wagens en ruiters van Israël!"
Volgens 2 Koningen 13:20-21 werd een overleden man, door
omstandigheden in de gauwigheid in het graf van Elisa gegooid, weer levend toen
zijn lichaam in aanraking kwam met het gebeente van Elisa.
Laat ons bidden.
Almachtige en eeuwige God, we smeken U nederig, in Uw oneindige
goedheid en liefde, dit zout te zegenen + en te heiligen + die U heeft
geschapen en aan het gebruik door de mensheid heeft overgelaten, zodat het een
bron van gezondheid wordt voor de geest en het lichaam van allen die er gebruik
van maken, en het alle onreinheid moge wegnemen van hetgeen aangeraakt of
besprenkeld wordt en hetgeen beschermen van elke aanval van boze geesten. Door
onze Heer, Jezus Christus, Uw Zoon, die leeft en heerst met U in de eenheid van
de Heilige Geest, God, voor eeuwig en altijd. R. Amen.
Exorcisme van water
O water, schepping van God, ik exorciseer u in de naam van
God de Almachtige Vader, en in de naam van Jezus Christus, Zijn Zoon, onze
Heer, en met de kracht van de Heilige Geest. Ik exorciseer u zodat je al de
kracht van de Vijand moge doen vluchten, en in staat zijn om die Vijand met
zijn gevallen engelen uit te roeien: door de kracht van onze Heer Jezus
Christus, die zal komen om de levenden en de doden en de wereld te oordelen
door vuur. Amen.
Laat ons bidden.
O God, die voor de redding van de mensheid Uw grootste
mysteries op deze substantie, water, hebt gebouwd, aanhoor in Uw goedheid onze
gebeden en stort de kracht van Uw zegening + uit in dit element, klaargemaakt
voor vele soorten van zuiveringen. Moge dit, Uw schepping, een vertegenwoordiger worden van
goddelijke genade in dienst van Uw mysteries, om boze geesten te verjagen en
ziekte te verdrijven, zodat alles in de huizen en andere gebouwen van de
gelovigen die besprenkeld worden met dit water bevrijd moge worden van alle
onreinheid en bevrijd van alle kwaad. Laat geen adem van besmetting, geen
ziektedragende lucht, in deze plaatsen blijven. Mogen de sluwe streken van de
op de loer liggende Vijand vruchteloos zijn. Laat alles wat de veiligheid en
vrede van degenen die hier leven bedreigd vluchten door het sprenkelen van dit
water, zodat het heilzame dat verkregen wordt door Uw heilige naam te
aanroepen, verzekerd wordt tegen alle aanvallen. Door onze Heer Jezus Christus,
Uw Zoon, die leeft en heerst met U in de eenheid van de Heilige Geest, God,
voor eeuwig en altijd.
R. Amen.
Er is ook een zegening in het novus ordo boek van
zegeningen. Hier zijn de woorden om
water te zegenen:
Gezegend bent U, Heer, Almachtige God, U die
zich verwaardigde om ons te zegenen in Christus, het levende water van onze
redding, en ons innerlijk te hervormen. Verleen dat wij die versterkt worden door
het besprenkelen of gebruik van dit water, vernieuwd mogen worden door de Heilige
geest, door Zijn kracht, en altijd moge in de nieuwheid van leven zijn.
En dan maak je een kruisteken over het water.
Dit is de zegening in de viering van de mis:
WIJDING
Aanvangsritus
De celebrant begint met deze woorden: In de naam van de Vader, en de Zoon, en de Heilige Geest.
Allen maken het kruisteken en antwoorden: Amen.
De celebrant groet degenen die aanwezig zijn, en hij
gebruikt de volgende worden, hoofdzakelijk genomen uit de H. Schrift: Moge God, die door water en de Heilige Geest ons een nieuwe geboorte gegeven
heeft in Christus, met U allen zijn.
Allen antwoorden: En met Uw geest.
De celebrant bereidt deze die aanwezig zijn voor op de
zegening: De zegening van dit water herinnert ons aan Christus, het levende water, en aan
het sacrament van het Doopsel, waarin we werden geboren uit water en de Heilige
Geest. Wanneer we daarom besprenkeld worden met dit heilig water of het
gebruiken om ons te zegenen als we de kerk of ons huis binnenkomen, danken we
God voor zijn onschatbare gave aan ons en vragen we om zijn hulp zodat we trouw
blijven aan het sacrament die we hebben ontvangen in geloof.
Lezing van het Woord van God
Een lezer, of de celebrant leest een korte tekst uit de H.
Schrift, zoals de volgende:
Luister naar de woorden uit het H. Evangelie volgens
Johannes 7:37-39
Als iemand dorst heeft, Hij kome tot Mij.
Op de laatste en grootste dag van het feest
stond Jezus daar en riep met luider stem: Als iemand dorst heeft, hij kome tot
Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: Stromen van
levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Hiermee doelde Hij op de
Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er
nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Heilig zijn betekent in alle
opzichten op Christus lijken: in gedachten en gevoelens, in woord en daad. Het
meest kenmerkende van heiligheid is de liefde (God boven alles beminnen en de
naaste als zichzelf). De liefde doordrenkt alle deugden: de nederigheid,
rechtvaardigheid, werkinzet, kuisheid, gehoorzaamheid, vreugde, etc. De
heiligheid is een doel waartoe alle gedoopten geroepen zijn. Ze wordt alleen,
met de hulp van God, in de hemel bereikt na een levenslange strijd. Opus Dei
Vertegenwoordigers van heiligheid (www.derekprince.nl) De Heilige Geest, de Gever van
heiligheid
Zonder de Heilige Geest (of: de Geest van heiligheid) is er geen hoop dat wij
heilig kunnen worden. Zowel in heiliging als in het proces van verlossing,
ligt het initiatief bij God. Vervolgens vindt het volgende proces plaats:
De Heilige Geest begint invloed op ons uit te
oefenen
Hij keert ons af van de weg die naar verwoesting leidt (Matt. 7:13)
Hij brengt ons oog in oog met de waarheid (en met Jezus, die zelf de Waarheid
is)
Hij geeft ons geloof om die waarheid te geloven
Door deze waarheid te geloven, worden we gered
In Efeze 2:8 vertelt Paulus ons dat we moeten geloven. En
vervolgens herinnert hij ons aan het feit dat dit geloof niet uit onszelf is
gekomen, maar in ons is gelegd als gave van God.
Heiliging is het proces waardoor de Heilige Geest ons
afzondert tot een confrontatie met de waarheid die Christus brengt. De Heilige
Geest geeft ons de genade om het evangelie te gehoorzamen, en als we dat doen
wordt het bloed van Jezus over ons gesprenkeld.
Het initiatief van heiliging bij God, niet bij de mens, en
de eerste vertegenwoordiger in dit proces is de Heilige Geest. Daarom moeten we
vragen om de 7 Gaven van de Heilige Geest om het proces van heiliging bij ons
kracht bij te zetten.De Gaven van de Heilige Geest zijn voor de ziel
wat voedsel is voor het lichaam: levensnoodzakelijk. Wij mogen stellen dat de
ingesteldheid, de levensvisie, de houding en de deugdzaamheid van een mens
grotendeels wordt bepaald door de mate waarin hij door de Heilige Geest bezield
wordt. Het is diezelfde bezieling die in verregaande mate de graad van Liefde
en zuiverheid van de mens bepaalt. Liefde tot God, Maria en de medemens, en
zuiverheid in daden, woorden, gedachten, gevoelens en verlangens zijn de
grootste graadmeters voor heiligheid. Dit alles laat begrijpen waarom de
Heilige Geest de Heiligmaker wordt genoemd. Wat zijn nu de 7 Gaven van de
Heilige Geest: (catechese door Paus Franciscus 11/6/2014)
1 Wijsheid
Dit is een geschenk van de Heilige Geest. Daarom moeten we
aan de Heer vragen dat Hij ons de gave van wijsheid schenkt, van de wijsheid van God die ons leert met de ogen van God te zien,
met het hart van God te voelen, met de woorden van God te spreken. En zo, met
deze wijsheid, gaan we vooruit, bouwen we het gezin op, bouwen we de Kerk op en
heiligen we onszelf. Vragen we vandaag de genade van de wijsheid. En vragen we
dat aan Onze Lieve Vrouw, die de zetel van wijsheid is, van deze gave: dat zij
ons deze genade schenkt.
2 Inzicht
Dat is wat de Heilige Geest met ons doet: Hij opent onze
geest, om beter te verstaan, om beter het heilsplan van God te verstaan, de
situaties in het mensenleven en de werkelijkheid te doorgronden, enz. De gave
van inzicht is belangrijk voor ons christelijk leven. Vragen we aan de Heer dat
Hij ze ons schenkt, dat Hij ons allen de gave schenkt om de dingen die gebeuren
te verstaan, te verstaan zoals Hij en om vooral het Woord van God in het
Evangelie te verstaan.
3 Raad
Zoals alle andere gaven van de Geest, is ook de raad een
schat voor all christenen. De Heer spreekt niet slechts in de intimiteit van
ons hart, Hij spreekt daar zeker, maar niet alleen daar, Hij spreekt ook
doorheen de stem en het getuigenis van de broeders. Het is waarlijk een groot
geschenk mannen en vrouwen van geloof te mogen ontmoeten die ons , vooral bij
ingewikkelde en belangrijke overgangen in het leven, helpen klaarheid te
scheppen in ons hart om de wil van de Heer te leren kennen! Psalm 16 nodigt ons
uit met deze woorden te bidden: Ik prijs de Heer die mij raad heeft gegeven,
zelfs bij nacht spreekt mijn geweten. Ik houd de Heer voor ogen, de Heer
altijd, Hij staat mij terzijde en ik wankel niet. Dat de Geest altijd ons
hart vervult met deze zekerheid en ons overlaadt met zijn troost en vrede!
Vraag altijd om de gave van raad.
4 Sterkte
We moeten niet denken dat de gave van sterkte slechts bij bijzondere
situaties nodig is. Deze gave moet het basiskenmerk zijn van ons christelijk
bestaan, in het gewone van ons
alledaagse leven. Alle dagen van ons dagelijks leven moeten we sterk
zijn, we hebben deze sterkte nodig om met ons leven, ons gezin, ons geloof
verder te gaan. De apostel Paulus zegt hierover: Alles vermag ik in Hem, die
mij kracht geeft (Fil. 4, 13). Als we het gewone leven trotseren, als er
moeilijkheden komen, laat ons dan dit herinneren: Alles vermag ik in Hem, die
mij kracht geeft. De Heer geeft sterkte, Hij laat ze ons niet ontbreken; de Heer
beproeft ons niet boven onze krachten. Hij is ons altijd nabij. Alles vermag
ik in Hem, die mij kracht geeft. Soms kennen we de bekoring om ons, met de
lasten en beproevingen van het leven voor ogen, te laten verleiden tot ontmoediging.
Laten we in dergelijke gevallen de moed niet opgeven, maar laten we de Heilige
Geest aanroepen dat Hij ons hart door de gave van sterkte verlicht en aan ons
leven en onze navolging van Jezus nieuwe kracht en enthousiasme meedeelt.
5 Kennis
Wanneer over kennis gesproken wordt, denkt men onmiddellijk
aan het vermogen van de mens om altijd beter de werkelijkheid die hem omgeeft
te kennen en de wetten te ontdekken die de natuur en het heelal ordenen. De
kennis die van de Heilige Geest komt, beperkt zich echter niet tot de
menselijke kennis: het is een bijzondere gave, die ons ertoe brengt, via de
schepping, de grootheid en de liefde van God en zijn diepe verbondenheid met
elk schepsel, te vatten.Dit
moet ons tot nadenken stemmen en ons aan de Heilige Geest de gave van kennis
doen vragen om goed te verstaan dat de schepping het mooiste geschenk van God
is. Hij heeft zoveel goede dingen gemaakt voor het beste dat er is en dat is de
menselijke persoon.
6 Vroomheid
Deze gave van de Heilige Geest wordt dikwijls hetzij misverstaan
hetzij oppervlakkig benaderd, terwijl ze het hart van onze christelijke
identiteit raakt: het gaat over de gave van vroomheid.
Het moet van meet af aan duidelijk zijn dat deze gave niet
hetzelfde is als medelijden met iemand hebben. Deze gave verwijst naar ons
toebehoren aan God en onze diepe band met Hem, een band die zin geeft aan heel
ons leven en die ons, in gemeenschap met Hem, rechtop houdt ook op de moeilijke
en uitdagende momenten.
Deze band met de Heer mag niet verstaan worden als een
plicht of een last. Het is een band die van binnenuit komt. Het gaat om een met het hart beleefde relatie:
het is onze vriendschap met God, door Jezus geschonken, een vriendschap die ons
leven verandert en ons vervult van enthousiasme en vreugde. Vandaar dat de gave
van vroomheid in op de eerste plaats tot dankbaarheid en lofprijzing voert. Dat
is inderdaad het motief en de
meest waarachtige zin van onze aanbidding. Wanneer de Heilige Geest ons
de aanwezigheid van de Heer en heel zijn liefde voor ons doet waarnemen,
verwarmt Hij ons hart en zet ons als het ware natuurlijker wijze aan tot bidden
en vieren. Vroomheid is dus synoniem van waarachtige godsdienstzin, van
kinderlijk vertrouwen in God, van dat vermogen om tot Hem met liefde en
eenvoud, eigen aan personen met een nederig hart, te bidden.
Omdat de gave van vroomheid ons doet groeien in de relatie
en in de gemeenschap met God en ons ertoe brengt als zijn kinderen te leven,
helpt ze ons tegelijkertijd die
liefde op de anderen te oriënteren en hen als broeders te erkennen.
Wanneer dat gebeurt, worden we bewogen door gevoelens van vroomheid tegenover
onze naasten en tegenover hen die we elke dag ontmoeten. Sommigen denken dat
vroom zijn, betekent de ogen sluiten, een gezicht van een heiligenprentje
opzetten, doen alsof men een heilige is. Dat is niet de gave van vroomheid. De
gave van vroomheid betekent echt bekwaam zijn, blij te zijn met wie vreugde
beleeft, te wenen met wie weent, nabij te zijn bij wie alleen of angstig is, te
verbeteren wie dwaalt, te troosten wie rouwt, op te vangen en hulp te bieden
aan wie in nood is. Er bestaat een sterke band tussen de gave van vroomheid en
zachtmoedigheid. De gave van vroomheid die de Heilige Geest ons schenkt, maakt
ons zachtmoedig, rustig, geduldig, in vrede met God, zachtmoedig ten dienste
van de anderen.
7 Ontzag voor God
Ontzag voor God is de gave van de Geest die ons eraan
herinnert hoe klein we tegenover God en zijn liefde zijn en dat ons welzijn
erin bestaat ons nederig, met eerbied en vertrouwen aan zijn handen toe te
vertrouwen. Dat is het ontzag voor God: overgave aan de goedheid van onze Vader
die ons bijzonder liefheeft.
Wanneer de Heilige Geest in ons komt wonen, stort Hij
troost en vrede in ons en brengt ons ertoe ons te voelen zoals we zijn, dat wil
zeggen: klein, met die houding van iemand die al zijn zorgen en verwachtingen
aan God toevertrouwt en zich geborgen weet en gesteund door zijn warmte en
bescherming, precies zoals een kindje met zijn papa! Dat bewerkt de Heilige
Geest in onze harten: Hij geeft ons het gevoel van kindjes in de armen van onze
papa. Zo begrijpen we dat ontzag voor God in ons de vorm aanneemt van
volgzaamheid, van erkentelijkheid en van lofprijzing en zo ons hart vervult van
hoop. Vaak slagen we er niet in de bedoeling van God te verstaan en stellen we
vast dat we er op eigen kracht niet in slagen het geluk en het eeuwig leven te
bereiken. Het is precies bij de ervaring van onze grenzen en onze armoede dat
de Geest ons moed inspreekt en ons doet zien dat het enig belangrijke erin
bestaat ons door Jezus in de armen van zijn Vader te laten voeren.
Daarom hebben we grote nood aan deze gave van de Heilige
Geest. Ontzag voor God doet ons verstaan dat alles genade is en dat onze ware
sterkte alleen in de navolging van Jezus bestaat en in het aanvoelen dat de
Vader zijn goedheid en barmhartigheid over ons kan uitstorten. Het hart openen
zodat de goedheid en barmhartigheid van God tot ons komen. Dat bewerkt de
Heilige Geest bij middel van de gave van ontzag voor God: Hij opent de harten
zodat de vergiffenis, de barmhartigheid, de goedheid en de liefkozingen van de
Vader ons bereiken, want we zijn kinderen die oneindig bemind worden.
Wanneer we doordrongen zijn van ontzag voor God, zijn we
geneigd de Heer met nederigheid, volgzaamheid en gehoorzaamheid te volgen. Niet
met een houding van onderwerping, passief, zelfs klagend, maar met de verbazing
en de vreugde van een kind dat zich door de Vader geholpen en bemind weet.
Ontzag voor God maakt van ons geen angstige Christenen die het opgeven, maar
het wekt moed en kracht in ons! Het is en gave die ons tot overtuigde en
enthousiaste Christenen maakt, niet door angst aan de Heer onderworpen, maar
ontroerd en gewonnen door zijn liefde! Door Gods liefde veroverd! Dat is iets
zeer mooi. Ons laten veroveren door de liefde van papa die ons intens, met heel
zijn hart, bemint.
Maar, laten we oppassen, want de gave van God, de gave van
ontzag voor God, is ook een alarmsignaal ten aanzien van de hardnekkigheid van
de zonde. Wanneer iemand slecht leeft, wanneer men God vervloekt, wanneer men
anderen uitbuit, wanneer men anderen tiranniseert, wanneer men alleen voor het
geld leeft, alleen voor eigenwaan, macht, trots leeft, dan luidt het heilige
ontzag voor God de alarmklok: Pas op! Met al die macht, met al dat geld, met al
je trots, met al je eigenwaan, zal je niet gelukkig worden. Niemand zal het
geld, de macht, de eigenwaan of de trots naar de overkant meenemen. Niets!
Alleen de liefde van God Vader, de liefkozingen van God, aanvaard en ontvangen
met liefde, kunnen we meenemen. En ook wat we voor anderen gedaan hebben, kunnen
we meenemen. Hoed je er dus voor je hoop te stellen op geld, op trots, op
macht, op eigenwaan want dat alles kan ons niets goeds beloven!
Gebed tot Maria om de gaven van de
Heilige Geest
Lieve Moeder Maria,
In Uw liefdevol Moederhart leg ik mijn verlangen dat de Heilige Geest voorgoed
bezit van mij zou mogen nemen.
Moge Hij mijn geest verlichten, opdat ik doorheen de nevelen waarmee de satan
mijn ogen versluiert, de Eeuwige Waarheid zou zien. Moge ik zo leren herkennen
wat echt van belang is, en mijn wereldse zorgen en tegenslagen als dermate
onbelangrijk leren beschouwen dat zij mijn geest niet langer geketend houden.
Moge Hij mijn hart steeds meer laten ontbranden in Liefde tot U, opdat ik elk
moment van de dag zodanig naar U en Jezus moge verlangen dat tijdens mijn
gebedsvereniging met U niets anders meer een plaats in mijn hart en mijn geest
krijgt.
Moge diezelfde verheven Liefde tot U mij onderdompelen in een volkomen zin voor
versterving, opdat ik alle beperkingen en tekortkomingen in mijn dagelijks
leven blijmoedig aan U zou kunnen opdragen, in plaats van deze als constante
bron van afleiding mijn geest te laten domineren.
Moge mijn geloof in de Eeuwige Dingen als enig doel van mijn leven mij oprecht
gelukkig maken, ongeacht wat in mijn leven gebeurt.
En moge mijn Liefde tot U de enige zin van mijn leven zijn en blijven, want als
Uw toegewijde heb ik mijn hele wezen, al mijn zijn, hebben en doen voor eeuwig
in Uw handen gegeven, en leef ik bijgevolg alleen nog voor U, de Deur naar mijn
God.
Het bloed van Jezus,
de Kracht tot heiligheid
In Hebreeën 13:12 staat: Daarom
heeft ook Jezus, om door zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort
geleden. Jezus vergoot zijn bloed om vele redenen. Een van die
redenen was om ons vrij te kopen. Een andere was om ons te heiligen of ons
apart te zetten voor God en ons heilig te maken.
Het is mogelijk om op de plaats te komen waar satan en de
zonde ons niet langer kunnen raken omdat we beschermd en geheiligd zijn door
het bloed van Jezus: Maar als wij
in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met
elkaar, een het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1
Johannes 1:7). Als we voortdurend in het licht wandelen, hebben we voortdurend
gemeenschap, en reinigt het bloed van Jezus ons voortdurend van alle zonde. We
worden rein en onbesmet bewaard, omdat we in een andere werkelijkheid leven. We
leven niet in de besmetting en vuilheid van deze slechte wereld. We worden
afgezonderd voor God door het bloed van Jezus.
Dit leidt ons naar een andere belangrijke
bijbeltekst: Wij weten dat ieder
die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart
zichzelf en de boze heeft geen vat op hem (1 Johannes 5:18). Dit is
uitdagend bijna beangstigend. Om deze tekst goed te begrijpen, moeten we zien
dat Johannes hier niet spreekt over een individuele gelovige, maar over een
gesteldheid. Het is de nieuwe natuur die iedere gelovige bij de wedergeboorte
in het doopsel ontvangt die niet kan zondigen.
1 Petrus 1:23 zegt ons dat deze natuur is geboren, niet uit vergankelijk, maar uit
onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Het
onverderfelijke zaad van Gods Woord bewerkt een natuur, onverderfelijk is. Deze
natuur is de nieuwe mens. Deze nieuwe mens is onverderfelijk. Hij zondigt
niet. Dat geldt niet voor de individuele gelovige op zich, maar wel voor de
nieuwe mens in iedere gelovige.
Dit is in overeenstemming met 1 Johannes 3:9: Ieder die uit God geboren is, doet de zonde
niet, want zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God
geboren is. Johannes spreekt hier duidelijke taal. Hij zegt niet
dat zo iemand niet zondigt, maar dat hij niet kán zondigen. Waarom niet? Omdat
het onverderfelijke zaad van Gods Woord dat in hem is een natuur heeft
bewerkt die net als het zaad onverderfelijk is. De nieuwe mens kan niet
bedorven worden door de zonde.
Nadat ik wedergeboren ben is de koers van mijn leven
afhankelijk van door welke natuur ik me laat leiden de nieuwe of de oude
mens. Als ik een nederlaag leid, dan komt dat doordat ik het probleem niet
aanpak met mijn nieuwe natuur. De nieuwe natuur is onoverwinnelijk. Een oude
vrouw die opzienbaarlijke overwinningen had geboekt, werd eens gevraagd hoe ze
verleiding weerstond. Ze antwoordde: Als de duivel aan mijn deur klopt, laat
ik Jezus opendoen. Dat is de nieuwe mens; Christus in ons.
Terug naar 1 Johannes 5:18, waar we worden opgeroepen
onszelf te bewaren. Hoe? Onder het bloed. Dit doen we door in het licht te
wandelen volgens 1 Johannes 1:7: Maar
als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij
gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons
van alle zonde. Als we in het licht wandelen en onszelf bedekken
onder het bloed van Jezus, dan plaatsen we ons in een ruimte waar satan ons
niet kan raken.
Smeekgebed om het Allerheiligste Bloed
van Jezus
O Jezus, levende Schatkamer der eeuwen en der eeuwigheid,
Elk uur van mijn leven tracht duisternis mij van het erfdeel te beroven, dat U
mij op Golgotha hebt nagelaten.
Zie, ik verschijn voor U in mijn armoede, gedreven door het verlangen, vanaf
heden mijn hart vervuld te mogen weten van de schat der Ware Liefde, die mij de
oogst der eeuwige rijkdom zal opleveren.
Daarom smeek ik U, wil Uw Bloed in mij uitstorten, opdat het mijn hele wezen
tot nieuw Leven moge wekken, want hoe zou ik anders voor altijd in mijn God
verder leven?
O Maria, Schatbewaarster van alle genaden, U smeek ik om versmelting van mijn
hart met Uw Hart, opdat het Bloed van Jezus in mij moge stromen op Uw hartslag,
en mijn hele wezen moge leven op de golven uit de Bron van alle Gelukzaligheid.
Hoe bereik je nu heiligheid
1 Door de Heilige Geest die ze geeft en de 7 gaven van de
Heilige Geest die nodig zijn om heiligheid te bereiken
2 Door Jezus Bloed die de Kracht geeft om te blijven volhouden
in heiligheid
3 Door de sacramenten van de RK Kerk wordt heiligheid bereikt en ondersteund
4 Door de 12 stappen tot Heiligheid te beoefenen die de H.
Alfonsus van Liguori beschrijft : geloof, hoop, liefde tot God, liefde voor de
naaste, soberheid, kuisheid, gehoorzaamheid, nederigheid en zachtmoedigheid,
versterving, meditatie van Gods woord, gebed, zelfverloochening of liefde voor
het Kruis. (er zijn natuurlijk nog deugden die moeten nagevolgd worden, de H.
Maagd Maria had er 64 die ze perfect heeft nagevolgd)
Nu
volgt een gedetailleerde beschrijving van de 12 stappen
1 Geloof
De Bijbel geeft een duidelijke definitie wat geloof is,
namelijk:
Het geloof is de zekerheid van de dingen, die men hoopt en de overtuiging van
de dingen die men niet ziet. (Hebr. 11:1)
Het geloof heeft dan ook te maken met dingen, die niet concreet en tastbaar
zijn. Veel mensen kunnen alleen maar dingen geloven, die toch indirect te
bewijzen zijn. Er is één mens op aarde geweest, die van God kwam, namelijk
Jezus. Hij getuigde van alles wat Hij bij God gehoord, geleerd en gezien heeft
(Joh 8 :26, 28 en 38). De mensen die Hem hoorden en zagen wat Hij deed, kwamen
tot de erkenning dat Hij van God moest komen (Luk. 1:1-5) en geloofden door Hem
niet alleen in God, maar gingen ook begrijpen wie God werkelijk is en dat Hij
van hen hield.
Door het lezen in de Bijbel en wat andere mensen vertellen over God, kan je
geloven dat God bestaat en ook gaan ontdekken wie Hij is en voor jou wil zijn.
Ook krijg je een beeld van de geestelijke wereld, die je niet ziet, maar die
wel bestaat.
God kan je echter niet zien. Je zult moeten vertrouwen op
Jezus en de Bijbel. Jezus zegt zelf dat je moet geloven in Hem (Jezus), die God
gezonden heeft (Joh. 6: 29). Toch kan je door het geloof gaan ervaren dat God
bestaat; zoals in Lukas 1:1 staat dat de mensen volkomen zekerheid hadden. Dat
kan bijv. door gebed waarbij je met God kan spreken. Daarbij moet je er wel van
uitgaan dat Hij bestaat. De Bijbel zegt het in Hebr. 11: 6 zo: Want wie tot God
komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig
zoeken.
Wel of niet geloven in God en de Bijbel is dus een
persoonlijke keus, maar heeft verstrekkende gevolgen. In je huidige leven mag
je door het geloof gaan ervaren dat God van je houdt en een echte liefdevolle
Vader voor je wil zijn. Daardoor ben je nooit alleen en dat geeft rust en ook
vertrouwen in de toekomst, want je geloof heeft ook grote gevolgen voor je
leven na dit leven op aarde. God wil je daarna graag bij Hem in de hemel
hebben, maar dat kan alleen als je nu de keuze doet voor God en gelooft wat
Jezus voor je heeft gedaan. Wat dat is kan je lezen in de Bijbel vooral in de
boeken Mattheus, Markus, Lukas en Johannes. Kies daarom en laat je overtuigen
omtrent de dingen, die je niet ziet! Uit: www.bijbelindebus.nu
Geloof is een goddelijke ingegoten deugd waarbij de mens
gelooft, op Gods autoriteit, wat God heeft geopenbaard en ons leert door Zijn
Heilige Kerk. De H. Paulus noemt geloof de substantie van dingen die niet te
zien zijn. (Hebr. 11:1). Geloof is inderdaad de substantie van dingen die men
hoopt,. Het is de basis van onze hoop, want zonder geloof kan de hoop niet
bestaan. Geloof is een bewijs van het ongeziene, het bewijs van dingen die
niet te zien zijn. Het bewijs voor de waarheid van ons heilig geloof zijn zo
duidelijk dat, zoals Pico van Mirandola zegt, dat een mens volledig moet
beroofd zijn van zijn rede om te weigeren ze te aanvaarden. Uw getuigenissen,
O Heer, zijn buitengewoon aanneembaar, zegt de Psalmist. (Ps. 92:5). Daarom
hebben ongelovigen geen excuus om te weigeren hun verstand te onderwerpen aan
de leer van het heilig geloof. Hij die niet gelooft, is reeds veroordeeld,
zegt Jezus. God heeft gewild dat het voorwerp van ons geloof zou duister
blijven, omdat door geloof, we verdiensten zouden verkrijgen. Van wat er gezegd
is, volgt dat geloof ons kennis geeft die in waardigheid alle wetenschappelijke
waarheden overstijgt. Zie, zegt Job, hoe groot is onze God; Hij overstijgt
al onze kennis. (Job 36:26)
Ons
schild en bescherming
Geloof is een schild tegen de vijanden van onze redding. De
H. Johannes zegt: Dit is de overwinning op de wereld, ons geloof. (1 Joh
5:4). God heeft ons geschapen om te werken aan de redding van onze ziel en
heilig te worden. Dit is de wil van God, je heiliging, zegt de H.Paulus (1 Tess. 4:3).
Geloof zorgt voor de vrede in ons hart temidden van
beproevingen, want in al de kruisen van het leven, geeft geloof ons de
verzekering dat geduld en overgave eeuwige vreugde zullen geven. De H. Petrus
zei: Als je gelooft, zal je je verheugen met een onuitsprekelijke vreugde en
glorie, en zal je het doel van je geloof ontvangen nl. de redding van je ziel.
(1 Petrus 1:8-9)
Een
levend geloof
Om te behagen en acceptabel te zijn in Gods ogen is het
niet genoeg om enkel te geloven al wat ons heilig geloof ons leert; we moeten
ook ons leven aanpassen in overeenstemming met ons geloof. Pico van Mirandola
zegt: Het is een grote dwaasheid niet wensen te geloven in het Evangelie van
Christus; maar het is nog een grotere dwaasheid om het te geloven en te leven
alsof je er niet in geloofde. De H. Jacobus roept het uit: Wat voor nut heeft
het als een man zegt dat hij gelooft, maar geen werken doet? Zal dat geloof hem
kunnen redden? (Jacobus 2:14)
Vele Christenen geloven zonder twijfel dat er een
rechtvaardige God is die hen zal oordelen; dat eindeloos geluk of eeuwige
miserie hen wacht; en toch leven zij alsof er geen God was, geen oordeel, geen
Hemel en geen Hel. Er zijn er velen die geloven dat onze Goddelijke Verlosser
in een stal geboren is in Bethlehem, 30 jaar nederig geleefd heeft in Nazareth,
overal gepredikt heeft, en op het einde onder lijden en leed Zijn leven op het
Kruis beëindigd heeft; en toch houden ze niet van Hem. Ze beledigen Hem door
ontelbare zonden. De H. Bernardus zegt hierover: Toon door je daden dat je
gelooft; door een deugdzaam leven moet een Christen bewijzen dat hij geloof
heeft. Geloof zonder werken is dood, zegt de H. Jacobus (Jac 2:17).
Als we geloven in de leer van de H. Drie-eenheid en in de
Incarnatie van het Goddelijk Woord, moeten we ook de principes accepteren die
Christus neergelegd heeft voor onze houding te reguleren. De H. Paulus zei
hierover: Beproef jullie als jullie in het geloof zijn. (2 Kor. 13:5) De mens
die echt gelooft moet zijn rijkdom en zijn geluk zoeken in de genade van God en
het eeuwig leven, en niet in de vergankelijke goederen van de wereld.
De wet van Jezus Christus beveelt ons te strijden tegen
onze begeerten, om onze vijanden lief te hebben, om te versterven aan ons
lichaam, om geduld te hebben in tegenslagen en al onze hoop te stellen in het
volgend leven. Maar dit alles maakt het leven van de ware gelovige niet
triestig. De godsdienst van Jezus zegt ons: Kom en verenig je met Mij. Ik zal
je leiden op een weg die voor de menselijke ogen ruw en hard eruitziet om te
beklimmen, maar voor degenen van goede wil is het gemakkelijk en aangenaam.
Jullie zoeken vrede en plezier? Goed. Welke vrede verkies je? Degene die je
nauwelijks hebt geproefd, die verdwijnt en het hart achterlaat in bitterheid,
of degene die je zal verblijden en bevredigen voor alle eeuwigheid? Jullie
streven naar eer? Goed. Welke verkies je? Nietszeggende eer dat verdwijnt zoals
rook, of de ware en echte eer die op een dag je zal verheerlijken voor de hele
wereld?
Geloof is lastig voor degenen die steunen op hun eigen
kracht en hulpmiddelen. Maar voor degene die vertrouwen stelt in God en smeekt
om Zijn bijstand, is de naleving van de wet van Jezus zoet en gemakkelijk. Komt
allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en
verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik
ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want
mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Matt 11:28-30) Uit: 12 steps to
holiness and salvation Rev. Warren