|
Franz Schubert (1797-1828) was een vat vol tegenstrijdigheden. Hij was een bourgondische levensgenieter vol banale grappen, maar ook een dolende zwerver, geobsedeerd door dood, mislukking en eenzaamheid. Die tragische kant heeft in de beeldvorming de overhand gekregen en de mythe van de lijdende en miskende componist kent in hem zijn patroonheilige. Hoewel Schubert ook lichtvoetige muziek bleef schrijven, kenmerkt zijn latere werk, zoals Winterreise en het nog somberder Schwanengesang, zich vooral door de onheilszwangere thematiek van verlatenheid en dood. Schuberts humor daarbij was vaak wrang en niet vrij van zelfspot, zoals in Die Schöne Müllerin, waarin de 'Wanderer' in hetzelfde beekje verdrinkt dat hij aan het begin van de liederencyclus nog zo lieflijk bezongen had.xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Schubert componeerde misschien wel de aangrijpendste en meest desolate klanken uit de muziekgeschiedenis. Franz Schubert werd slechts 31 jaar oud maar liet een oeuvre na van bijna duizend werken. Treurige werken vaak. Zo voert de cyclus Winterreise de luisteraar door een ijzingwekkend landschap waarvan geen reiziger terugkeert. Toch is het juist die treurigheid die fascineert en zelfs troost biedt.
|