Foto
Foto
Filesofische gedachtensprokkels

Elke week een nieuwe column,
als het even kan...

"Filesofie:
een
samenstelling van de griekse woorden voor wagenrij en voor wijsheid.
Een beoefenaar van de filesofie wordt een
filesoof of wagendromer genoemd."
Anonymus.

Jarenlange files naar Brussel , uren in luchthavens, op de Thalys en in andere treinen gaven me de tijd om te filesoferen, jeugdherinneringen neer te pennen en gewoon wat te mijmeren.
Die tijd is voorbij, nu zijn het jarenlange files rond Aalst en Wetteren, maar de pennevruchten blijven...

Martin Steelandt

 

Een goede column moet zijn zoals een minirokje:

kort genoeg om de aandacht te trekken

en lang genoeg om de essentiële inhoud te dekken.

 

(naar meester Wilfried Criquelion,
speech naar aanleiding
van
40 jaar oudercomité,  
Tollembeek 13 april 2008)


Knappe blogs
  • Sprokkels: fijne verhaaltjes uit het leven gegrepen
  • Leven met ADHD
  • Het leven bij het openbare vervoer in A'pen. De moeite van het ontdekken waard.
  • Cursiefjes, een fijne kijk op de wereld. Een beetje filesofie ?

  • Link met het thuisfront, van een jonge avonturier in Canada
  • Follow the blue line
  • Filesofie

    Cursief durven denken.


    07-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Italië

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Vier jaar !

    Vier jaar heb ik gewacht. Vier lange jaren vol zweet, bloed en tranen sleepte ik mij elke week naar de Italiaanse les. Na een lange dagtaak kwam ik dikwijls – zo niet altijd – veel te laat aan, opende vol schroom de deur van het leslokaal en mompelde ik “Buona sera”, waarbij ik telkens opnieuw wenste dat het inderdaad een ‘buona sera’ zou worden. Mijn probleem is namelijk dat ik tamelijk tweetalig ben, Nederlands-Frans dan nog wel. In mijn hoofd is er een kortsluitingetje waardoor ik moeiteloos van de ene taal op de andere overschakel. Beide met een accentje weliswaar: Nederlands spreek ik met een leuk West-Vlaams accentje, Frans met een ietwat zwaarder, West-Vlaams accent. Ik schakel moeiteloos van het ene op het andere over, maar zo heb ik ook heel veel moeite met al die andere talen. Wanneer ik bijvoorbeeld een Engelse klant aan de lijn krijg kan ik pas na heel veel moeite mijn concentratie op een Engels gesprek instellen. En dan moet je weten dat die klanten echt zo heel hard hun best doen om heel duidelijk en beschaafd Cockney, Welsh of Scottish te spreken. Ik ben blij dat we nog geen Duitse klanten hebben, want tijdens de selectieproeven habe ich gesaagd das ich ook noch een woortchjen deutsch spreche. Wat op zich wel waar is, maar es is echt al viel zoe viele jaren geleden das ich noch wass duits geklapft habe, zoals je hier overduidelijk kan lezen, en zo vergesst ein mensch zijn talen.

    Zo, nu begrijp je al ietsje beter wat ik elke donderdagavond doormaak.

    Die talenknobbel van mij moet plots overschakelen van Nederlands en Frans, luchtig doorspekt met een snuifje Engels, naar Italiaans. Het is een echte cultuurschok, die onderdompeling in dat Italiaanse bad. Maar wanneer ik na twee ellenlange uren het klaslokaal verlaat voel ik me een totaal ander mens. Vreugdevol, gevuld met kennis en wetenschap. Ik kan weer tegen het leven en het leven kan weer tegen mij. Ik zuig de duffe stadsgeuren diep in mijn longen als kwamen ze uit die zonovergoten dreef in die olijfgaard, daar in dat verre land. Ik voel me bello, magnifico, grandissimo. Lang duurt het niet, maar telkens opnieuw trek ik er me weer aan op. En daarom blijf ik gaan. Voor die vreugde achteraf. Het is duizend maal sterker dan een avondje sporten.

    Hoewel, de lessen zijn nog steeds heel theoretisch.

    We leren grammatica, woordenschat, zinsstructuren met gezegden, werkwoorden, onderwerpen en alle andere dingen die ervoor zorgen dat een taal leren moeilijker is voor een volwassene dan voor een baby van ocharme enkele maanden oud. Langs de andere kant kan ik me niet voorstellen dat ik een taal op dezelfde wijze zou leren zoals een baby die leert. Eerst klanken herkennen (e dada kiki, e boeboele), daarna eenvoudige woordjes leren (pa-pa, ma-ma, hihihi hahaha) om dra over te stappen op kleine, simpele maar essentiële zinnetjes (pipi op potje doen – let op de alliteraties). Nee, zo werkt het niet bij volwassenen. Wij starten met een simpele “buongiorno”, “buona sera”, “io sono Filosofo, mi chiamo Filosofo” maar voor we het beseffen zwemmen we in het meervoud, het verbum, de hoofdtijden, het adjectief, de prepositie en het adverbium, de woordvolgorde, de inversie, de plaats van het direct en het indirect object, de bijzin, relatieve zinnen, de negatie, het perfectum, de dubbele negatie en het reflexief verbum.

    Praktijklessen starten pas in het zevende jaar.

    Dan, en niet eerder, leren we de edele kunst van het echte Italiaans: de gebaren. Handen in de vorm van een kommetje houden en dan langzaam openen tijdens het declameren van mysterieuze volzinnen; armen breed openzwaaien, toonaangevend om een levendige conversatie te ondersteunen; woordeloos en heel subtiel, eventjes maar, met de handrug onder de kin wrijven of de wang beroeren, met de vingertop de neus tweemaal aantikken: allemaal geheime rituele tekens die kenners toelaten om de geletterde Italiaans-kundige van de standaardtoerist te onderscheiden. Ik zal er een zijn, een Italiaans-kundige. Nog twee en een half jaar en ik begin er echt aan. Ik kijk er nu al naar uit.

    Het spreekt vanzelf dat ik niet moet vertellen waar we op vakantie gaan.

    Gardameer, Trasimenomeer, Francia Corta, Toscane en Umbrië, Vieste in de Puglia, Sicilië, citytrips in Rome en Firenze, allemaal al gezien en bekeken. We proberen de toeristenvallen mee te pikken en tegelijk willen we ze zoveel mogelijk vermijden, omdat we op die manier veel dichter bij de lokale bevolking komen. Jaar na jaar wordt het contact beter, en hier en daar pik ik zelfs al een geheim gebaartje op. Ik ben er nog niet zo goed in – sommigen vragen me beschroomd of ik van oorsprong misschien een West-Vlaming ben – maar het is leuk. Italië is een prachtig land zolang je er jouw vrijheid behoudt en niet met de toeristenkudde meeloopt in “Ontdek Italië in Zeven Dagen” trips. Nee, huur een wagen en liefst een deftige Italiaan: een Alfa Romeo – indien mogelijk de Giulietta –, een Lancia of een Fiat. Kapitaalkrachtigen kiezen natuurlijk een Maserati, een Ferrari of een Lamborghini, en de echte fan kiest geen wagen, maar de enige echte Italiaan: de Vespa.

    Met de haren in de wind door de wijdse landschappen snorren, heerlijk.

    Oh, sorry, dat kan niet meer, de helm is nu verplicht. Maar we kunnen er wel nog steeds van dromen. En dromen, dat doe ik nu al jaren. Dromen van andere businesstrips dat naar Wallonië, naar Frankrijk of naar het Franstalige Zwitserland. En nu, volgende week, is het eindelijk zover. Ze hebben het me gezegd. Ik mag naar het Zuiden, zegden ze me. Gedaan met dat Frans. Eindelijk breek ik los uit die routine, eindelijk komt er verandering, eindelijk is het zover! Leven zal ik, andere sferen zal ik opsnuiven, vreugde zal ik voelen want ik ga op businesstrip naar het verre Zuiden. Ik vroeg naar welke streek ik trok, naar welke stad. Toscane? Roma? Napoli? Palermo? Nee, zeiden ze. Je gaat naar Pamplona in Navarra, Spanje.

    Oh shit!


    » Reageer (0)
    28-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schoolstrijd

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    “Vos tegen Frans”

    “Vos tegen Frans”, “Vos tegen Frans”… Met de regelmaat van een klok weerklonk deze mysterieuze kreet op onze speelplaats. Zo’n kreet kan aanleiding geven tot veel speculaties en sprekende krantentitels: “Vlaamse Overkoepelende Studentenvereniging weigert Frans” of “Vereniging van Ondernemende Scholieren betoogt tegen Franse taal”. Maar zover moet je het niet zoeken, wat bijkomende informatie volstaat. Laten we de zaak eerst wat beter situeren. We waren 6 jaar oud, we hadden er nog geen benul van dat er naast West-Vlaams ook nog andere talen gesproken werden zoals bijvoorbeeld ABN, en de Guldensporenslag, die grootse slag die in de nabije stad tegen de Fransen uitgevochten werd, zovele honderden jaren geleden, daar hadden we nog nooit iets van gehoord. Je begrijpt dus dat wij, kleine jongetjes, niet wisten dat Frans een taal was en dan nog wel een taal waar sommige mensen tégen konden zijn.

    Nee, de kreet “Vos tegen Frans” was gewoon een kordate uitnodiging tot een voetbalmatch.

    Ze was afgeleid uit de namen van de twee leraars van het eerste leerjaar, en aangezien slogans beter inslaan dan logische redeneringen ging onze voorkeur uit naar die strijdkreet boven een beleefd maar oersaai “De leerlingen van meester Devos zouden dolgraag voetbal spelen tegen de leerlingen van meester X… Wie doet er mee?” (Uit postuum respect voor die man, helemaal niet vriendelijk, ontzettend streng, een echte… bon, uit postuum respect schrijf ik zijn naam dus niet volledig neer). Maar geef nu toe, wanneer twee groepjes leerlingen van het eerste leerjaar tegen elkaar willen voetballen, dan gebruik je toch geen volzinnen ? “Willen de leerlingen van meester X… alsjeblieft voetballen tegen de leerlingen van meester Devos ?” Geef toe, dat lijkt op niets.

    Maar waarom dan “Vos tegen Frans”?

    “Vos”, dat is logisch: dit is een afgekorte versie van “Meester Devos”. “Frans”, da’s wat anders, en toch niet moeilijk: Meester Frans X… woonde in het dorp en genoot dus het voorrecht om met zijn voornaam aangesproken te worden. Meester Devos kon niet van dit privilege genieten: hij kwam elke dag van twee dorpen verder, in een Mercedes dan nog wel! In die tijd sprak je zo iemand alleen met zijn titel en zijn familienaam aan. Nu hoor ik je vragen waarom de slogan dan “Vos tegen Frans” was en niet “Frans tegen Vos”? Wanneer je de eer van jouw dorp verdedigt begin je toch altijd met de naam van jouw dorpsgenoot te scanderen, en dan pas die van de vijand, de vreemdeling?

    Maar helaas, dit was toen niet zo en wel om twee totaal verschillende redenen.

    De eerste reden is de duidelijkste, en heeft niets met voorrechten of privileges, maar alles met uitspraak en de opbouw van slogans te maken. Probeer eens beide zinnen enkele malen luidop te scanderen, en vergeet niet dat je jezelf en je klasgenoten moet opzwepen om mee te spelen in een keiharde voetbalmatch. Je zal bemerken dat “Vos tegen Frans” veel gemakkelijker in de mond ligt dan “Frans tegen Vos”. Om “Frans tegen Vos” te scanderen moet je in het begin van de zin namelijk verschillende mondspieren goed aanspannen, kracht uitoefenen dus, waarna je ze ontspant naar het einde van de zin toe. Scanderen ? Eerder een slaapliedje, zou ik zeggen. Maar omgekeerd merk je dat je, bij het herhaaldelijk roepen van “Vos tegen Frans”, een spanningsboog opbouwt, beginnend met de zachte “Vos”-klanken, groeiend naar een streng en hard “tegen” om te eindigen in de harde en strijdvaardige klanken van het korte “Frans”. Deze spanning kan je onmogelijk bereiken met “Frans tegen Vos”.

    De tweede reden moeten we zoeken in de reputatie van beide meesters.

    Meester Devos volgde een zachte pedagogische lijn maar meester Frans, die nog in het oude Belgische Congo had gewerkt, volgde de harde lijn, en dat zei alles. Hij hield van harde regels. Voor diegenen onder u die geen regels kennen: een regel is een soort latje, gemaakt uit een blokje hout van 30 centimeter lang, 1 centimeter hoog en 1 centimeter diep. Nee, geen lat. Een lat is een lang plat stuk hout, van 30 centimeter lang of meer, een paar millimeter hoog en drie tot vier centimeter diep. Hij hield dus van harde regels want zachte regels braken te snel als je ermee op de banken sloeg. Of slechter nog, op de vingers van een arme leerling. In de hand van meester Frans was dit het ideale instrument om de aandacht te trekken: eventjes op de lessenaar tikken en zelfs de muisjes werden stil.

    In de donkerste hoekjes van de speelplaats werden fluisterend de gruwelijkste verhalen verteld.

    Over meester Frans en zijn obsessieve drang naar schoonschrift. Je schoof de pen in de pennenhouder, je nam die in de rechterhand, je dipte de punt heel eventjes in de inktpot en – belangrijk – je schreef met een gestrekte wijsvinger. Kromme wijsvingers maakten direct kennis met de regel van meester Frans. Meestal was de regel sterker, en soms, maar zelden, heel zelden won de vinger. Misschien ligt deze reputatie aan de oorsprong van de leuze “Vos tegen Frans”: de leerlingen van meester Devos waren tegen meester Frans. En uit medelijden met zijn stakkertjes van leerlingen, uit drang om hen te helpen hun angsten te vergeten, nodigden we ze uit om een spelletje voetbal te spelen. Impliciet werd er nooit een spelletje volleybal voorgesteld om eventuele ongelukkige vingers te sparen. Uiteindelijk, op het einde van het schooljaar, bleek het allemaal toch nog goed mee te vallen: alle vingers hebben het schooljaar heelhuids overleefd, zonder één enkele tik. Maar wij hadden elke match verloren, de leerlingen van meester Frans konden zich echt niet aan de regels houden.

    Vier jaar later, in het vijfde leerjaar, was meester Frans onze leerkracht. Hadden we dat in het eerste leerjaar geweten, dan hadden we heel wat minder hard geroepen…


    » Reageer (0)
    17-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.My Generation

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Hij ging vroegtijdig op pensioen.

    Dat was nochtans niet nodig want hij was een van de intelligentste personen die ik ken. Bovenmate slim. Een bron van kennis voor iedereen, de vraagbaak bij uitstek, de oplosser van de moeilijkste problemen. Het was dan ook heel raar om dat uit zijn mond te horen. Ik kan niet meer, zei hij. Ik kan niet meer mee… die jeugd. Het kwam er uit met een zucht, en toen pas viel zijn matte blik me op, de rimpels op zijn gezicht, zijn brede schouders nu triestig naar beneden gebogen. Zelfs zijn grijze haren, nog steeds in een lange staart samengebonden, waren dof. De baard was lang geleden, bij het eerste grijze sprietje, verdwenen; hij wou er dan ook nooit oud uit zien, maar nu was het zo ver. Ik zag hier de hoop van mei 68, de revolutie, het “alles kan beter” – op maatschappelijk vlak dan –, de verbeelding aan de macht, dat alles zag ik op een ellendig hoopje samen geveegd. Die jeugd… zucht.

    Nu is hij al een paar jaar op rust en hij doet het goed.

    Maar onlangs hoorde ik het opnieuw, uit de mond van een veel jonger persoon. “Word ik nu oud? Wat gebeurt er toch? Wat doe ik verkeerd ? Kan ik niet meer mee met de jeugd ?” Ik kreeg een flashback, maar nee, dat kon niet. Hij was er veel te jong voor en zijn haren waren helemaal niet in een staart gebonden. Alhoewel, dit laatste zal wel te wijten geweest zijn aan een verschrikkelijk gebrek aan hoofdhaar, wat jammerlijk genoeg ook op jonge leeftijd voorkomt. Hij vertelde het, in kleine stukjes, met veel stiltes en ontzettend veel wanhoop. Het kan toch niet, dit gebeurt minstens tien jaar te vroeg. Maar zo kan het niet verder. Die jeugd,… zucht.

    Toen ik jong was had ik altijd gelijk.

    Zei hij. Dit kon ik niet beamen, want we zijn even oud en toen ik jong was had ik altijd gelijk. Maar hij bleef bij zijn standpunt, de koppigaard. Uiteindelijk kwamen we overeen dat we op dat punt niet overeenkwamen, en zo kregen we allebei gelijk: ik had dus toch gelijk. Toen ik jong was. Dachten we allebei. Mediterende stilte. En nu heb ik nog steeds gelijk. Zei hij. Waarop dezelfde discussie opnieuw begon en we uiteindelijk allebei nu nog steeds gelijk hebben. Elk apart dan toch. Nu we iets ouder zijn. En opnieuw was er een lange mediterende stilte. Maar hoe kan dat toch? Vroeg hij. Hoe kan het dat ook zij… Dat kan toch niet… Ik begrijp het niet, mijn hele leven is er op gebouwd, ik heb prachtige dingen uit de grond gestampt, ik heb aan de ezel getrokken en aan de kar geduwd en nu…

    Nu heeft de jeugd gelijk.

    Zei hij. Ik kon dat alleen maar beamen. Zij hebben net zoveel gelijk als jij en ik, zei ik, maar voor hen ligt de wereld nog open, ze voelen dat hun tijd gekomen is om aan de ezel te trekken en aan de kar te duwen. En nu ben jij de ezel en ik de kar. Geen stilte deze keer maar wel een flitsende heen-en-weer-discussie over wie de ezel was en wie de kar. We voelden ons plots opnieuw student tijdens een min of meer zware les die we brosten omdat de prof alleen maar uit de cursus voorlas en er betere dingen te bestuderen vielen, zoals bijvoorbeeld het enigma van de ezel en de kar. We zij er uit geraakt. Wij, de mannen met een ‘senior’ vermelding op ons visitekaartje, wij zijn de ezels. En we zijn ook de kar. De jeugd, die duwt en trekt, probeert ons in een bepaalde richting te duwen, maar wij weten waar de koopwaar heen moet. Jarenlang hebben we het pad getrokken. De ezel weet waar hij heen wil en de wielen van de kar volgen de diepe voren in de grond.

    Hij had het nochtans moeten voelen aankomen.

    Zijn jeugd had hij al heel vroeg verloren, en hij was heel fier, die eerste keer. Maar hij had het verkeerd ingeschat. O toch zo verkeerd. “Voadre”, zo noemde een tien jaar jongere collega hem. Een knaap nog, net aangeworven, de inkt van zijn diploma was nog niet droog, en het feit dat die collega hem zo aansprak gaf hem een heel warm gevoel. Hij wist het, hij trok aan de toenmalige ezel, hij duwde aan de toenmalige kar en hij kreeg die een andere richting uitgeduwd. Gemakkelijker, sneller, beter. En nu, door die nieuwe aanspreektitel, voelde hij zich erkend, een lichtend voorbeeld, een steunpilaar, iemand die nagevolgd zou worden, kortom: hij voelde zich gelukkig. Tot een paar weken later, toen die titel algemeen doorgevoerd werd, toen iedereen hem zo aansprak. Hij vroeg die jonge snaak waar hij die eervolle vermelding toch aan verdiend had. Makkelijk zat, zei de snaak. Je doet me aan mijn pa denken, die kan ook zo zagen. De jeugd, … zucht.

    En nu ik iets ouder ben, ietsje maar, nu is het nog veel erger.

    Zei hij. Ze liepen nog in pampers toen we afstudeerden, ze leerden op het potje plassen toen we ons eerste loon al binnen hadden en ze zijn nooit, maar dan ook nooit naar het leger geweest. Discipline, respect, hulp aan kameraden in nood, dat kennen ze allemaal niet. Aan de ezel trekken en aan de kar duwen, dat kennen ze, ja. Maar luisteren naar wijsheid, geloven dat anderen ook gelijk kunnen hebben, weten dat ervaring een verzameling is van stommiteiten die je zelf niet meer zult begaan en die je aan anderen wilt doorgeven, dat steekt er niet in. Vroeger was het toch beter. Zei hij. Maar vroeger was het vroeger toch ook beter? Zei ik. Daar hebben we toen tegen gereageerd en is het nu beter ? Nee toch, want vroeger was het beter, zei je zelf. Zei ik. Dus: conclusie ? vroeg ik, maar ik gaf het antwoord al: laat ze toch doen. Jij bent nu de ezel, je zal je niet meer aan dezelfde stenen stoten, en dat kan je hen nog meegeven. Zij zullen zich aan andere stenen stoten, en samen kunnen jullie zo alle stenen leren kennen, zodat niemand zich ooit nog zal stoten. Hij had mij niet gehoord. Je bent totaal kompleet verkeerd, zei hij.

    Jij bent de ezel, zei hij. Ik ben de kar.


    » Reageer (1)
    08-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Perfect

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    “Perfect.”

    Dit was het enige antwoord dat ik haar kon geven toen ze me vroeg hoe de service was geweest. Ik had dan ook geen enkele reden tot klagen. Het had niet meer dan een kwartiertje geduurd, en meer moet dat niet zijn. Nu hoor ik het je al zeggen: “Slechts een kwartiertje? Allez jong, dat is echt niet lang, het is zelfs eerder beschamend kort !” Ik kan dat alleen maar beamen. Het is inderdaad heel kort. Maar beschamend kort ? Nee, dat is het niet, want door die dienstverlening in een kleine vijftien minuten af te handelen hou ik veel meer tijd over voor de echt interessante dingen in het leven. En wat je nog niet weet: ik betaal er zelfs extra voor, voor die snelle handeling. Niet veel hoor, maar toch net iets extra want voor mij is het de moeite waard. Ik krijg een perfecte service en ik word door haar en haar collega’s, mannen zowel als vrouwen, extra verwend. Kortom, ik ben een gelukkig man wanneer ik het lokaaltje verlaat. Telkens opnieuw, steeds weer. Piekfijn is het, niets ontbreekt.

    Het is ooit anders geweest, en hierbij denk ik vooral aan mijn eerste keer.

    Ik herinner het me alsof het gisteren was. Tussen haakjes: onderzoek heeft uitgewezen dat dit een gezond verschijnsel is, zich iets herinneren alsof het gisteren was. Het is een teken van waardig ouder worden, hoewel ik daar nog niet over mag klagen. Volgens mijn leeftijdsgenoten staan mijn beginnende grijze haren me heel aardig, en die tamelijk tot toch wel erg omvangrijke ronding die mijn stoere buikspieren netjes beschermt en voor de wereld verbergt, wel, die is er nu eenmaal en ze wordt met noblesse gedragen. Ik krijg dus stilletjesaan het recht om me iets te herinneren alsof het gisteren was. Het verliep als volgt.

    We waren in het buitenland.

    Het werk was gedaan, het was avond, we hadden tijd en de computer was met een modem verbonden. “Ken je internet ?” vroeg mijn collega. “Vaag al eens over gehoord” antwoordde ik. Je voelt het al: dit gebeurde heel lang geleden. Je kan je dus al een beeld vormen van mijn huidige leeftijd en de omvang van die buikspier-beschermende ronding tussen mijn borstkas en mijn heupen, die toen volledig ontbrak. Maar vergis je niet: we spreken hier slechts over 1996. Een paar jaar in een mensenleven, maar een computer-eeuwigheid geleden. De collega schakelde de modem aan, startte Netscape, tikte een adres in en toen moesten we heel eventjes wachten. Zei hij. En inderdaad: een minuscule minuut later verschenen, heel schuchter, een paar lijntjes tekst.

    “Dit is een website”, verklaarde hij.

    “Wil je misschien een paar foto’s van de nieuwe Toyota zien, de RAV 4? Maar natuurlijk wil je dat. Kom, ik zal het je tonen !” zei hij, zonder mijn antwoord af te wachten. Hij neuzelde een mysterieuze internetformule terwijl hij die intikte. Haa tee tee pee column foreslash foreslash en verder nog wat onzin die ik gelukkig vergeten ben. Zijn hocus pocus leek echter niet te werken want er gebeurde niets. Het scherm bleef gezellig leeg, en hij wachtte. Het was avond, het was laat, het werd later en daarna nog heel veel later. Maar hij bleef rustig. Hij leek een uit arduin gebeeldhouwde Boeddha, tot er plots een lijntje op het scherm verscheen. “Kijk! Het eerste lijntje !” Nutteloze informatie natuurlijk, want ik had het ook gezien, maar ik voelde dat het wonder nu zou gebeuren. Er verscheen een tweede, een derde en een vierde lijntje. En dan weer niets. Om het verhaal kort te maken: na 20 minuten stond er een foto van de RAV 4 op het scherm, we bekeken hem, klikten op een andere link en toen werd de verbinding plots verbroken. Nee, internet, dat leek me maar niets. Traag, zo traag.

    Ondertussen is er veel veranderd en sinds ik een adsl lijn heb gebruik ik veel interessante internetdiensten.

    Zoals die service waarover ik in het begin schreef. Een typisch Vlaams initiatief, en om dit voor iedereen zo duidelijk mogelijk te maken luidt de naam: Collect, and Go! Verzamel alles wat je nodig hebt en vertrek dan maar. Heel wat anders dan winkelen, en ik weet waarover ik het heb. Elke zaterdag zocht ik eerst een kwartiertje naar parking en daarna nam ik een winkelkarretje. Als ik kleingeld bij had tenminste, anders moest ik eerst naar de kassa om een briefje van vijftig oude Belgische franken te wisselen voor ik zo’n karretje kon losmaken. Daarna liep ik minstens een uur in de winkel om al mijn boodschappen te verzamelen, en ondanks het feit dat ik mijn boodschappenlijstje netjes volgde had ik toch telkens veel meer mee dan nodig was. Na die ronde in de winkel droomde ik ervan om direct te vertrekken, maar ik wist dat dit onmogelijk was. ‘Het volk’ heeft namelijk de neiging om verslaafd te raken aan dagelijkse routines en in mijn streek is dat niet anders. Bij ons is 80% van de werkende bevolking verslaafd aan files: elke dag in de file naar Brussel, elke zomerse weekenddag in de file naar de kust, en om zeker geen onthoudingsverschijnselen te krijgen: elke zaterdag in de file aan de payage van de winkel, aan de kassa.

    Maar ik wil afkicken en daarom ben ik nu verslaafd aan die “Collect, and Go!”

    Je maakt jouw boodschaplijstje op het internet, waar je niet verleid wordt door snoep en koekjes, niet door die nieuwste kookpotten en ook niet door de recentste strip van Urbanus. Je stuurt het lijstje door en de volgende dag haal je jouw boodschappen op. Soms staan er een paar mensen voor jou, die ook via internet bestelden, maar je moet maximum een kwartiertje wachten. Ophalen en meenemen. Perfect. Eén keer is het fout gelopen, door mijn eigen stomme schuld. Ik had een ander Collect and Go ophaalpunt gekozen. In Lochristi. De service was perfect: mijn boodschappen stonden klaar. Maar ik had één lijntje te laag geklikt.

    Ze stonden in Londerzeel.


    » Reageer (1)
    23-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lausanne

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    “Wegens een menselijk ongeval op het spoor kan de intercity naar Genève niet verder rijden.”

    “Reizigers worden verzocht de interregio te nemen die om kwart voor vijf vertrekt op perron 3”. Een menselijk ongeval, dat gooide roet in mijn eten. Een niet-menselijk ongeval zou dat trouwens ook gedaan hebben. Een ongeval is heel erg voor de mensen (menselijk ongeval) of de niet-mensen (ander ongeval) die het meemaken, en het brengt veel miserie mee voor wie daarin meegesleurd wordt. Zoals ik. Nochtans had ik goed en hard gewerkt. Beter gezegd: mijn cursisten hadden hard gewerkt. De vorige dagen hadden ze overuren gedraaid zodat ik vandaag een half uurtje vroeger kon stoppen. Hoogstnodig om de bus te halen zodat ik de trein kon halen waardoor ik mijn vliegtuig kon halen om toch nog voor middernacht thuis te komen zodat ik tijdig kon slapen om de volgende morgen vroeg weer naar kantoor te kunnen gaan.

    Als ik iets haat, dan is het mijn vliegtuig missen.

    Het is me één keer overkomen en dat maak ik liever geen tweede keer mee. Vroeger kon ik me meer permitteren. Toen werkte ik wekenlang in Parijs, nu eens twee dagen na elkaar, dan weer drie dagen. Ik vergeet hem nooit, mijn eerste, echte en enige sprint: met pak en zak startte ik in de ondergrondse parking van het Zuidstation, ik spurtte over de roltrap, stormde door de hall en eindigde, hijgend en puffend, op het perron. Godzijdank stond hij er nog, de Thalys. Ik drukte op de knop om de deuren te openen, en langzaam maar zeker gebeurde er niets. Of toch, de knop vertrok zachtjes maar kordaat richting Parijs en trok de Thalys met zich mee. Maar die keer was dat zonder mij. Ik nam de volgende Thalys nemen, een half uurtje later, zonder administratieve rompslomp of speciale toeslag, dank zij een speciaal pasje. Toen ik dat begrepen had, dat je met dit speciale pasje eender welke Thalys kon nemen, besloot ik onmiddellijk dat dit mijn eerste en ook mijn laatste Thalys-sprint was geweest. Sinds die dag heb ik nooit cursisten opgejaagd om snel snel de materie af te werken en had ik altijd tijd voor een extra weetje of voor een losse babbel, want na een gemiste trein komt er toch nog steeds een andere Thalys.

    Met het vliegtuig is dat niet zo.

    Een vliegtuig missen betekent minstens twee uur verliezen, zo niet meer. En ik kan het weten, ik heb recht van spreken want ik ben ervaringsdeskundige. Ik had het meegemaakt tijdens mijn eerste trip naar Lausanne en nu, zoveel trips later, leek deze onaangename gebeurtenis zich te herhalen. Opnieuw Lausanne, opnieuw vertraging, een menselijk ongeval deze keer. De intercity liep leeg en de kleine, reeds voor de helft gevulde interregio werd plots geconfronteerd met een massa extra volk. Even kwam er een griezelige gedachte bij mij spoken: er loopt maar één lijn tussen Lausanne en Genève, hoe kan deze interregio wel naar Genève sporen als de intercity dat niet kan ? Maar die gedachte werd snel verdrukt door de drang naar overleven, wat in business terminologie hetzelfde betekent als een mooi zitplaatsje veroveren om rustig te kunnen werken tijdens de trip. Tot mijn grote opluchting vertrok de trein stipt op tijd. Van mijn ingebouwde reservetijd was ik nog maar een kwartiertje kwijt, en ondanks de extra tussenstops zou ik toch nog mijn vliegtuig kunnen halen.

    “Wegens een menselijk ongeval op het spoor kan de interregio naar Genève niet verder rijden.”

    De trein was gestopt in Morges, een boerengat langs het meer. De businessreizigers kregen het wat op hun heupen, blijkbaar moesten er nog meer vliegtuigen gehaald worden. Zoals gebruikelijk tijdens dergelijke onheuglijke momenten stapten we uit en begonnen we wat te praten. Ik probeerde bijvoorbeeld een trosje Japanners in het Engels uit te leggen wat de Franstalige speaker door de luidsprekers schalde. “The train cannot continue, there’ s been a human accident”. “Tlain not continue ? Human accident ? You have unhuman accidents in Eulope?” Sommige mensen wilden de bus nemen maar geen enkele bus kon hen tijdig in Genève brengen. De drie taxi’s die er bij aankomst van de trein stonden werden door vijftien businessmensen gecharterd, vijf per taxi, en ik was er niet bij. Spijtig. Maar let wel: het was een superdag voor de taxicentrale van Morges: alle taxi’s waren volledig bezet ! Een pijnlijke drie kwartier later vertrok de trein opnieuw. Mijn reservetijd was volledig opgesoupeerd.

    Luchthaven Genève.

    Op het bord zie ik dat het vliegtuig uit Brussel een uur vertraging heeft. Ik had het kunnen weten, in Genève zijn de avondvluchten altijd vertraagd. Aangezien we met dat vliegtuig terugvliegen heb ik zeker nog wat tijd. En joepie: de rij aan de incheckbalie is heel kort waardoor ik extra reservetijd win. Tijd om een sandwich te halen en die op het terras van de luchthaven op te peuzelen, buiten, nog even in het zonnetje. Nog even, inderdaad, want er kwamen pikzwarte wolken aandrijven. Wanneer ik terug naar binnen ga valt de eerste regendruppel, maar ik kan gelukkig met de klassieke routine beginnen: douane, taxfree zone, controlepost en dan in dat trieste zaaltje wachten tot we kunnen instappen. Buiten woedt een overdreven ongezellig onweer, erger dan in een slechte film, het lijkt alsof er elk ogenblik een vlucht vampiers kan aanvallen. Het ene na het andere vliegtuig is vertraagd: door het onweer kunnen ze niet landen. En dan… “We hebben geen nieuws van het vliegtuig uit Brussel.” Ik vertel de dame tegenover mij dat het ongeluk me die dag achtervolgt, mijn trein had ook al vertraging wegens een menselijk ongeval. Ze kijkt me angstig aan. Ze rilt. Ze zegt: “Jij moet toch niet naar Brussel, hoop ik ?”

    Die avond raakte ik toch nog thuis. Maar laat, heel erg laat.


    » Reageer (1)
    12-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuwjaar

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    “En vooral: een goede gezondheid”.

    Hiermee eindigen de meeste nieuwjaarswensen. “En voor jou hetzelfde” antwoord ik dan, en ik meen het ook, echt, het komt uit het diepste van mijn hart. De laatste tijd krijg ik echter steeds meer zin te krijgen om vooral gulle schenkers “hetzelfde” te wensen, want mijn gezondheid werd al meer dan eens meer dan ernstig bedreigd door de geschenken die de goede gezondheidswensen in regel begeleiden. Het begon nochtans met kleine dingetjes, met tekentjes aan de wand die me aanmaanden om voorzichtig te blijven. Maar ja, je bent maar een mens en dus doe je gewoon verder, in een poging om die oude tradities in stand te houden.

    Het eerste voorteken kwam er op een kerstavond, nu zoveel jaren geleden.

    Het was een simpel, klein tekentje. Op zich was het ongevaarlijk, maar ik was zo stom om de diepere betekenis ervan niet in te zien. Er was die prachtig gedekte kersttafel. Er was vrede op aarde voor iedereen. Er waren geschenken onder de traditionele kerstboom. Er stond aperitief op tafel. De traditie indachtig trachtten we te raden wij uit welke mix hij dat jaar samengesteld was. Na vier glazen hadden we eindelijk alle ingrediënten gevonden – sterke dranken en delicate fruitsappen - en toen kreeg iemand het afgrijselijk originele idee om de sfeer van die avond op foto vast te leggen. Gevolg: de obligate familiekiekjes en dat jaar moest die echt uitzonderlijk prachtig gedekte tafel ook vereeuwigd worden. Met veel zorg hebben we die op foto vastgelegd. Met heel veel zorg en dat was nodig want alle ingrediënten van het aperitief spanden samen om a) onze concentratie te verstoren, b) voor een wazig beeld te zorgen wat c) zeker niet gewenst was in een tijd toen digitale fotografie nog niet bestond. Je kon niet zomaar een fotootje wissen en filmrolletjes waren toen nog redelijk duur. Daarna was er soep, iedereen kwam aan tafel en net toen we wilden beginnen eten zei onze jongste: “Papa, er liggen geen couverts….”

    Het volgende jaar begon het pas echt.

    Het was Nieuwjaar. We waren op bezoek bij familie en zoals de jaarlijkse traditie het wil wipten we ’s avonds met schoonbroers, schoonzusters en alle kinderen even binnen bij een groottante. “Beste wensen, groottante”. “Dank u, dank u, en vooral: een goede gezondheid!”. Voor mij was het niet meer dan normaal dat ik antwoordde: “En voor jou hetzelfde, groottante”. Alle rituele attributen kwamen op tafel: een pintje voor de mannen, een elixir voor de dames – Bob was toen nog niet geboren - en zoete limonade voor de kinderen. De Nieuwjaarskoekjes waren ook van de partij groottante had nog een verrassing: “Kijk hier zie, een doosje ijs van vorig jaar !” Onze kinderen, beleefd als ze zijn, maakten variaties op het grapje en toasten met hun drankje “van vorig jaar”. Maar het ijs, dat had een smaakje. Om echt heel eerlijk te zijn, tot die dag had ik nog nooit taai ijs gegeten, ik wist zelfs niet dat zoiets bestond. Een glimp op de doos leerde me dat ik in de toekomst rekening moest houden met het feit dat oude mensen wel weten dat er een nieuw jaar aangebroken is, maar dat ze het nog niet direct echt beseffen. De vervaldatum was meer dan 365 dagen geleden. Die nacht stond er een plaatselijke file aan het toilet.

    Daarna ging het van kwaad naar erger.

    Onze vrienden kwamen op bezoek. We wensten elkaar het beste voor het nieuwe jaar en vooral: een goede gezondheid. We waren al wat ouder, we hadden al wat meer levenservaring en we hadden leren genieten van lekker eten en goede wijn. Maar onze wijnkelder is niet groot en de tijd ontbrak om hem deftig aan te vullen. Toch zaten we gezellig bij elkaar en werd het een echte wijnproeveravond. De ene fles na de andere werd geproefd, goedgekeurd, soldaat gemaakt en uiteindelijk bleek dat we net iets te overmoedig waren geweest… onze voorraad raakte op. Op één fles na. Een fles die we hadden gekregen, met bijhorende beste wensen en een goede gezondheid. En vooral: met diep uit mijn hart komende wederkerige wensen. De fles werd gekraakt. Het was een echte Russische schuimwijn. Nu staan we altijd open voor nieuwe smaken, we hebben genoten van prosecco’s die beter waren dan een aantal mindere champagnes, en aangezien Russen gekend zijn voor hun wodka en ook wel wat drank kunnen verstouwen kon dit dus niet tegenvallen. De bubbeltjes parelden mooi in de glazen en we proefden goudgele, sprankelende mierzoete pseudo… tja, pseudo wat? Limonade was het niet want het bevatte alcohol. Veel alcohol. Sterk gealcoholiseerde suikerlimonade, dat is de correcte omschrijving. Het feestje heeft niet lang meer geduurd, en die nacht sliep niemand echt gezond.

    Dit jaar kwam de apotheose, er werden geen doekjes meer om gewonden.

    Een regelrechte aanslag op ons leven, dat was het. Met de beste wensen en vooral - ja, we geloofden het nog - een goede gezondheid. Alle voortekens uit het verleden ten spijt hebben we de gulle schenker hetzelfde toegewenst. En nu hopen we vooral dat hij inderdaad hetzelfde meemaakt. Een prachtig kartonnen doosje was het, met een mooie strik er rond. Bij het openen … chocolade …yes, pralines! Het was lang geleden dat we nog pralines gegeten hadden, en deze waren dan nog van een goed merk ook. Gulzig zijn we niet, van pralines moet je genieten. Je bijt ze dus eerst middendoor om vooraf het aroma van de zachte vulling op te snuiven, waarna je ze langzaam, heel langzaam, leeg likt, genietend tot het laatste moment. Alleen… bij deze pralines lachte een vettige vulling vol vieze, blauwe en groene schimmels ons toe, doorweven met grillige witte slijmdraden. Genieten? Het leek een pure horrorfilm. “Last year’s Belgian chocolates – The movie” !

    Ik wens alle lezers uit de grond van mijn diepste bestaan het aller- allerbeste voor het nieuwe jaar, maar ik krijg het echt niet meer over mijn hart om u een goede gezondheid te wensen. Sorry.


    » Reageer (0)
    29-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Writer's Block

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    In deze periode van eindejaarsfeesten wou ik leuke dingen schrijven.

    Maar het lukt niet. Ik heb wat men noemt een Writer’s Block, een klein duiveltje onder mijn hersenpan dat elke zin die ik wil neerpennen genadeloos afslacht, dat misprijzend neerkijkt op tekst, inhoud en vorm, dat me steeds weer voorspiegelt dat dit geschrijf niet grappig, niet leesbaar en niet te genieten is. Zo’n duiveltje dus. Elk jaar opnieuw, tijdens de donkerste weken van het jaar, komt het in mijn hoofd spoken. Het zal wel te wijten zijn aan het gebrek aan zonlicht, aan warmte, aan buitenlucht. Elke dag opnieuw hoor ik de wekker niet omdat het nog veel te duister is om wakker te worden. Gelukkig bestaat er een snooze toets zodat diezelfde wekker elke morgen minstens vijf keer kan afgaan. Zolang duurt het eer mijn brein beseft dat het misschien wel eens een beetje tijd zou kunnen zijn om toch maar even op te staan, en dan duurt het nog altijd een paar koppen sterke koffie voor datzelfde brein eindelijk in een actieve stand geschakeld wordt. Die actieve energie wordt gelukkig nuttig gebruikt op het werk maar elke avond is het, bij het naar huis rijden, veel te donker om te beseffen dat er geleefd kan worden. Wat mis ik de warme, zwoele zomeravonden op mijn terras.

    En in die gemoedstoestand wou ik dus leuke dingen schrijven.

    Materiaal bij de vleet dit jaar, er gebeuren heel wat dingen die je door een speciale bril kan bekijken, waar je een kleine, sloeberse draai aan kan geven zodat het trieste van de zaak verholen wordt. Neem nu bijvoorbeeld de vergrijzing. Ik denk hierbij nu vooral aan onze meester-grijsaard, onze koning. Albert. De tweede. Op 74 jarige leeftijd moet hij nog overuren draaien, en dan is het meestal nog nachtwerk ook. Gelukkig is hij pienter genoeg om te zorgen dat hij zich niet alleen moet voelen. Nachtwerk deed hij samen met die andere grijsaard: Wilfried Martens, 72 lentes. Deze laatste is zelfs nog kwieker dan onze vorst: als toonbeeld van het katholieke gedachtegoed is hij voor de tweede keer gescheiden en voor de derde keer hertrouwd. Noblesse oblige, nietwaar ? En dan komt mijn duiveltje opwippen. Dit is geen stichtend voorbeeld voor mijn toekomstperspectieven, ik hoopte toch op mijn 65e op pensioen te kunnen, maar als staatshoofden en politieke kopstukken zulke voorbeelden stellen, dan zit dit er niet meer in.

    Ondanks deze verschrikkelijke gedachte zocht ik toch verder om leuke dingen te schrijven.

    Albert moest werken omdat de regering gevallen was. Ik zie het zo voor mijn ogen. In maart 2008 stonden 22 ministers en staatssecretarissen samen met de koning op de trappen van het een of andere paleis voor de obligate regeringsfoto. De ene met de armen stijf naast het lichaam, starend in de camera, de andere wat losser, de armen gekruist, de handen samen of netjes op de rug. Het vest is steeds professioneel dichtgeknoopt, zoals het hoort, waardoor aan de spanningsboog rond de knopen en bijhorend beginnend of gevorderd buikje duidelijk wordt wie zijn kleren in confectie koopt en wie ze op maat laat maken. Ik zie nu diezelfde foto, op dezelfde trappen voor hetzelfde een of andere paleis, met onze Albert rechtop, verbaasd rond zich kijkend naar de gevallen regering: op de grond vliegende ministers en andere staatssecretarissen, vesten half open, confectieknopen afgescheurd, daar een dikke teen die bloot uit een sok steekt terwijl de schoen netjes over het tafereeltje vliegt, een opengevallen handtas waar een kohlpotlood, lippenstift en een blackberry uit rollen, een attachécase waar de Fortis aandelen uit wegwaaien, blauwe plekken, beurse lippen, pijnlijke grimassen, kortom: een foto vol dolle pret voor wie het komisch zou kunnen vinden. Maar mijn duiveltje is er weer: daar kan je niets plezants van maken...

    Ik wou het niet opgeven, en ik zocht verder om toch iets leuks, iets warms, iets vredevols te schrijven.

    Dus terug naar de oorsprong van deze feestperiode. Als mijn informatie correct is combineren we de herdenking van geboorte van Christus met het een of andere heidense feest waarbij de winterse zonnewende gevierd wordt. Gesymboliseerd door een kerststalletje en een dennenboom. Of waren het nu de Kerstman en de cadeautjes? Ik weet het niet meer zeker. Stof voor een verhaal in tien episodes over de concurrentie tussen Sint-Niklaas en de Kerstman, stof voor een vredig stukje over de gezellige warmte van de open haard, kerstliederen en een feestmaal, stof voor een verontwaardigd opiniestuk over vrede op aarde aan iedereen maar vooral niet aan die anderen, stof voor een kinderboekje over de drie koningen en de verloren schat, maar daar komt mijn duiveltje weer: wat mag het allemaal baten?

    Toch geef ik het niet op.

    De kerstperiode is donker, maar er komt licht. Het landschap rust, het lijkt dood maar het nieuwe leven sluimert onder de grond. Het is koud, maar spoedig wordt er weer globaal opgewarmd. Het is crisis, maar de solden komen er aan. Ik heb een writer’s block, maar toch kon ik dit hier schrijven, ondanks het duiveltje. Jij vroeg je af wat er nu weer uit mijn pen zou vloeien, en jouw nieuwsgierigheid is bevredigd. Ooit wordt alles dus beter, hoe erg het ook was.

    Prettige feesten !


    » Reageer (1)
    18-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Groot Dictee

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Luc Panis uit Dilbeek heeft het Groot Dictee der Nederlandse taal, editie 2008 gewonnen. Proficiat, Luc !

    Maar tegendraads als ik ben heb ik een dictee uit een vroegere jaargang nog eens opgepikt. Even concentreren : "Peinzende treinreizigers worden heden ten dage in hun gecapitonneerde coupés frequent lastiggevallen; zij horen medereizigers sans gêne en met bravoure telefonisch tekeergaan over intieme zielenroerselen en particuliere aangelegenheden. Zelfs in de weidsheid van een rijke concertzaal wordt de ascetische klavecinist die geconcentreerd en consciëntieus een cantate begeleidt, rauwelijks gestoord door gedownloade riedels van een hinnikend paard of een hit uit de toptien; je krijgt er welhaast het heen-en-weer van."

    Maar Guy de Kort uit Turnhout niet.

    Die heeft deze zin, en nog heel wat andere, foutloos neergeschreven. Wat die "nog heel wat andere" inhoudt ? Even zien. Wat dacht je van het volgende: "Nooit ofte nimmer had de negentiende-eeuwer Graham Bell kunnen voorzien wat zijn avant-gardistische inventiviteit teweeg zou brengen; het product van zijn visionaire exercities was indertijd prestigieus gerei van de geprivilegieerde bourgeoisie en puissant rijken van adellijken huize." Ook correct neergepend. En dan dit nog: "Aan de onoorbare praktijken van gsm-junks valt nauwelijks meer te ontsnappen; nochtans lijkt dit de plaats om de autistische wildbeller te kapittelen: beëindig als de wiedeweerga dat nietsontziende gekoeioneer van de toch al veelgeplaagde medemens!" Pas op, ik heb dat zelf niet uitgevonden. Ik weet het, ik ben een gecompliceerde mens, maar zo gecompliceerd nu toch ook niet.

    Hoeveel zinnen heb ik nu al besteed om te schrijven dat al die gsm's op de trein mij het schijt geven?

    Heel wat. Maar wat belangrijker is: Guy de Kort uit Turnhout verwerkte dit dus fuotloos. Compleet. Zonder één enkele fut. We schrijven 2002. Een unicum in de geschiedenis van het Groot Dictee der Nederlandse Taal! Probeer het zelf maar eens. Laat dit cursiefje nu eens door jouw wederhelft of door het nageslacht voorlezen en probeer die specifieke zinnetjes maar neer te pennen. Zelfs met een schrijfmachine of een computer is het niet evident, de foutjes vloeien zo uit het klavier. Gelukkig is de computer daar toch op berekend. Zelf werk ik er dagelijks mee, en ik kan de spellingchecker niet genoeg loven. Een prachtig onderdeel van het programma. Ik zet het steeds op. Maak ik een schrijffout, dan wordt het netjes in het rood onderlijnd terwijl ik tik en maak ik een grammaticale fout dan wordt het lijntje groen. Het vraagt wel wat gewenning: in het begin had ik meer rood en groen dan wat anders, maar zo'n computer, die moet je ook trainen. Je kan dus je tekst rustig overlopen met die spellingchecker. Bij elk verkeerd woordje stelt de computer jou alternatieven voor.

    Nemen we nu bijvoorbeeld dit blogtekstje.

    Mijn Engelse checker begon al te reclameren bij "Turnhout". Logisch, je kan toch niet verwachten dat zo’n Engels programma alle steden van de wereld bevat. Ter correctie werd "turnout" of "turnouts" voorgesteld, maar helaas is geen van beiden correct dus moest ik het wel aan de woordenlijst toevoegen. Volgend onderstreepte woordje: "wordt". De computer kende het opnieuw niet en stelde "word", "worst", "words", "wordy" en "worth" voor. Ik heb het woordje "wordt" dus ook maar in dat woordenboek laten opslaan. En zo werd de volledige tekst doorlopen. Ik heb wel heel wat woordjes moeten toevoegen, bijna allemaal om precies te zijn, maar nu staat er dus geen enkel woord of zin meer onderlijnd in deze tekst.

    Conclusie: deze tekst is zonder fouten geschreven.

    Om zeker te zijn heb dit nog eens overgedaan met de Franse spellingchecker en kijk: mijn blad werd weer rood en groen. Er stonden ongeveer evenveel woordjes onderlijnd als in het begin van de Engelse controle. Dat betekende dus dat mijn Frans woordenboek die woorden ook nog niet kende, die heb ik dus ook maar allemaal toegevoegd. Het uiteindelijke resultaat was identiek: een proper blad, netjes, zwarte tekst op een witte ondergrond, geen gekleurde lijntjes, volledig correct gespeld, zonder fouten. Zo zie je maar hoe praktisch een computer kan zijn. Ik ben er zeker van: mocht ik aan dat Groot Dictee deelnemen, ik zou het parcours ook foutloos afwerken. Natuurlijk op voorwaarde dat ik mijn Engelse of Franse spellingchecker mag gebruiken.

    Let op, begrijp me niet verkeerd.

    Het zou misschien leuk zijn, maar in feite heb ik helemaal geen zin om zo'n dictee mee te maken, dat is veeleer iets voor bollebozen en voor mensen die nachten door studeren. Echt waar: ik heb het dictee van 2001 ook opgezocht en ik zou graag eens de kronkels in de hersenen zien van de persoon die dat opgesteld heeft. Een gewone mens vertelt bijvoorbeeld dat we van de Belgische frank op de euro overgeschakeld zijn. Maar nee, meneer Dictee moet het anders doen. Lees dit, en probeer jouw ogen te geloven: "Allerwegen maken kassiers en caissières zich in deze decembermaand op voor een financieel project vanjewelste: na ommekomst van 2001 gaan zij vol fiducie over van de nationale munt op de euro. Dit geschiedt ter wille van de Europese eenheid en met een soms excentriek euro-enthousiasme: ‘eureka’ hoorden wij zopas nog een Europagezinde europarlementariër op het achtuurjournaal geëxalteerd uitkrijten." Ik denk dat die schrijver een bord spaghetti à la flamande onder zijn hersenpan zitten heeft, een Vlaams recept met echt ferme brokken groente. Of er steekt een knotteke verknoopte breiwol onder. Of misschien is de dollekoeienziekte er glorievol aan het werk maar een ding weet ik zeker: er is in iets loos in die hersenpan.

    Gelukkig kon Guy de Kort uit Turnhout daar foutloos mee overweg.


    » Reageer (1)
    07-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Anciens

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    ‘Waarom neem je geen foto’s van mensen ?’

    Hij vroeg het met een zwaar Napolitaans accent. Mijn Italiaans is niet zo goed dat ik zomaar en spontaan de verschillende accenten herken, integendeel zelfs, maar hij heeft het me iets later zelf verteld. ‘Capisco italiano, ma potrebbe parlare più piano’ vroeg ik hem, ‘Ik spreek wel een half woordje Italiaans, maar kan je iets trager spreken aub ?’. En dat deed hij. We hebben zeker een half uurtje gebabbeld, voor mij was het een goede oefening na drie jaar Italiaanse les, voor hem was het een half uur eenzaamheid minder. Mijn vrouwtje zat wat verder op een ligstoel, gratis, inbegrepen in de prijs van het hotel, en ik had net geprobeerd om een zonloze zonsondergang op foto te krijgen. De dag ervoor was de zon netjes in de zee gezakt, zoals het hoort, maar nu was het wel heel speciaal: de wolken, met hier en daar een klein gaatje, toverden een heerlijk, subtiel, kleurrijk lichtspel in de lucht en over de zee.

    Dit kleine tafereeltje kwam me terug voor ogen tijdens zo’n sombere winterochtend in de file.

    Mijn fototoestel steekt al een tijdje opnieuw in zijn tas, het is te donker, te koud en de herinneringen aan die warme periode in Sicilië houden me op de been. Hij stond waarschijnlijk al een kwartiertje naar mij te kijken terwijl ik dat licht probeerde te vangen, die reflecties op het water probeerde op te slaan, een race aanging tegen de zon die achter de Italiaanse wolken langzaam maar zeker de horizon naderde. Ik had al prachtige zonsondergangen gefotografeerd maar nu wilde ik ook de sfeer van onze laatste dag vakantie vastleggen. En plots vroeg hij me dus waarom ik geen foto’s van mensen nam. Rare vraag, dacht ik, met zo’n prachtig schouwspel boven de zee. Ik probeerde hem uit te leggen, moeizaam, dat het licht me fascineerde, dat we dit nooit te zien krijgen in België, toch niet in die intensiteit.

    Ah, België !

    Hij had een neef in België. Zoals elke Italiaan. Allemaal hebben ze een neef, een vriend of een kennis die in België woont. Het schijnt een mooi land te zijn, België. Zelf was hij van Napels, kende ik Napels? Nee dus. Ik heb wel een paar weken in de buurt gewerkt, na de aardbeving in Valva, in het begin van de jaren tachtig. Hij herinnerde het zich. Een verschrikkelijk aardbeving was dat. Het volledige dorpje was met de grond gelijkgemaakt, honderden jonge mensen waren begraven in een kelder die tot danszaal omgebouwd was. Ik kon het alleen maar beamen, ik heb het verwoeste dorp gezien. In die tijd voelde ik me beschaamd om Belg te zijn: alle wegen waren afgezoomd met grote wooncontainers en stacaravans, en ergens in die ellenlange woonfile stond zo’n klein, minuscuul bol caravannetje. Met in koeien van letters ‘Offert par la ville de Liège’. Geschonken door de stad Luik. Oh vrijgevig België… Ik kreeg dit alleen niet uitgelegd in het Italiaans. Gelukkig maar, misschien.

    Dus begon ik over vuile dingen te praten.

    Afval, dat was toch een enorm probleem in Napels ? De vuilnisdiensten waren toch al maanden aan het staken? Maar hij vertelde me dat dit probleem snel zou opgelost zijn. Berlusconi is een goed mens, zei hij. Die had een paar dagen eerder het leger gestuurd om de plaatselijke maffia, de camorra te bestrijden. Het probleem zou eindelijk aan de basis aangepakt worden. Zelf had hij er geen last van, hij was gepensioneerd, zijn vrouw was kort na zijn pensioen overleden en sindsdien ging hij een paar maal per jaar op reis. ‘Con gli anzieni’. Met de anciens. Dat klonk mooi. Het mag dan wel Frans zijn maar ‘anciens’, dat straalt glorie uit, verdienste, respect, dat vind je niet terug in ‘ouden van dagen’ of in ‘bejaarden’. En hij was een ancien, een echte. Netjes in het pak terwijl ik, toeristische Belg, daar rondhoste in een kniebroek en T-shirt. Respect, ancien!

    Twee, drie maal per jaar gingen ze op reis, gli anzieni.

    En altijd met een gids. ‘Ga nooit op reis zonder gids’, zei hij me. ‘Hoezo’, vroeg ik verwonderd. Ik ga altijd zonder gids op reis, ik hou van mijn vrijheid, ik ontdek mooie plekjes en lekkere restaurantjes die ik met een gids nooit te zien zou krijgen. Sprinten van zichtpunt naar toeristische trekpleister is niet echt mijn ding. ‘Nee’, zei hij, ‘een gids bespaart je heel veel tijd, en je leert zeer veel bij’. Gidsen zijn opgeleid, kennen de toeristische plekjes van binnen en van buiten, weten heel veel te vertellen, zorgen voor een groepssfeer, houden de lol er in en vooral: je moet vooraf nooit boeken kopen om te weten wat je moet bekijken. Je koopt de boeken na het bezoek, zo begrijp je veel beter wat er beschreven staat. Hij had een punt.

    Al pratend waren we verder gewandeld.

    We waren bij mijn vrouwtje aangekomen, en ik nam afscheid. De zon was waarschijnlijk al onder, alle kleur was verdwenen, wat overbleef waren duizenden tinten grijs. Ook mooi om te zien, maar de betovering was weg. Het werd stilletjesaan tijd om onze valiezen te pakken, om een laatste aperitief te nemen, om voor de laatste maal naar het buffet te gaan en om nog eenmaal naar onze zanger te luisteren met zijn dagelijkse rantsoen liedjes van Eros Ramazzotti en andere Italiaanse grootheden. De volgende dag begon heel vroeg: het vliegtuig vertrok om zeven uur.

    Met de handen op de rug stapte hij langzaam verder over het strand, de ancien.


    » Reageer (2)
    30-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sinterklaas

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    KNAL!!! BOEM!!!!

    We wipten minstens een meter hoog, de voordeur sloot met een knal nog eer we terug in onze zetel belandden. Het gebeurde te snel, we konden het niet direct vatten. Het ene ogenblik zaten we rustig tv te kijken en het andere ogenblik kwam die ontzettende verrassing, tijdens Het Zandmannetje. Heb je dat gekend, Het Zandmannetje? Een tv-programma in zwart-wit en toch veel mooier dan de huidige Hopla’s, Bumba’s, Samson’s en andere plopkabouters, ook al zijn die nu in kleur en in een 16 x 9 HDTV formaat. Eenvoud troef, geen gecompliceerde dingen met een reclamekaravaan van schoenen, boekentassen, boterhammen, shampoos en andere merchandising op de achtergrond. Nee, het was simpel, leuk en heel spannend. Wij zaten echt gebiologeerd aan dat kleine scherm gekluisterd, terwijl er in feite helemaal niets gebeurde. En toch… ik weet niet meer precies wat het was, maar toch hield het ons in de ban.

    Kan je volgen?

    Dan begrijp je ook hoe oud we toen waren: Bumba-leeftijd, dagelijks hartstochtelijk uitziend naar dat Zandmannetje. En net die heerlijke vredige rust werd harteloos verstoord door die afgrijselijke KNAL gevolgd door die enorme BOEM. Ik wist niet dat ik zo kon gillen. Ik schrok zelf van mijn geproduceerde decibels, ik stond te trillen op mijn benen, maar die schrik was direct voorbij toen ik het resultaat van die knal ontdekte. In ons salonnetje lag op de grond een enorme zak piknikken, zo noemen ze de nic-nac's in West-Vlaanderen. Het snoepgoed lag overal in het rond. We begrepen het nu: de knal, die kwam door de zak die uit het niets in ons huisje uiteen, tja, knalde. En die boem, dat was onze voordeur die keihard dichtgesmeten werd. Hij was het, Sinterklaas, de heilige man! Uit het niets verschenen, en via de voordeur terug verdwenen. We sprintten naar de voordeur in de hoop nog een glimp van de mijter op te vangen, maar we waren al te laat. Kan je dat geloven? Minder dan dertig seconden na het dichtklappen van de deur was er op straat al niemand meer te zien. Verlaten. Het was een wonder. We hebben nooit, maar dan ook nooit begrepen hoe hij zomaar kon binnenkomen, en nog minder hoe hij in geen tijd kon verdwijnen. Misschien dook hij sneller in de schoorstenen dan we konden vermoeden?

    Een paar dagen later zagen we hem terug, op het feest van de vakbond.

    Ik heb nooit echt van dat feest gehouden. We zaten met veel te veel mensen op veel te ongemakkelijke stoelen aan veel te lange tafels en veel te dicht bij elkaar. We moesten eerst urenlang luisteren naar deftige meneren die heel belangrijke dingen kwamen vertellen waar wij geen snars van begrepen. Pas nadat die uitverteld waren, allemaal, pas dan mochten we boterkoeken eten. Met chocomelk. Daarna kwam de volgende opdracht: "Zie ginds komt de stoomboot" kwelen. Aartsmoeilijk, want wij waren pas aan "Sinterklaas kapoentje" toe, en zelfs dat liedje was al te moeilijk voor ons. Probeer maar eens aan zo'n ukkepuk uit te leggen waarom “Sinterklaas kapoentje, leg wat in mijn schoentje" correct is en "leg wat in mijn laarsje, dank u Sinterklaarsje" niet, het rijmt allebei toch perfect?

    Maar kijk, daar kwam hij: de Sint!

    Hij schreed plechtig voort, omringd door vier...vijf, nee, zes zwarte pieten. Wij waren dolblij. Hij was er! Tot we doorhadden dat dit slechts het begin van nog een urenlange marteling was. Een mevrouw begon namen af te roepen. Amelinck Anneke, Amelinck Pieter, Asselbach Joke... De een na de ander mocht naar de Sint, alleen wij niet. Dedeurwaerder Dimitri, Devolder Jan, allemaal kwamen ze terug met een prachtig cadeau in hun armen. Ons mama had alle moeite van de wereld om ons uit te leggen dat iedereen aan de beurt kwam, alleen moesten we geduld hebben want alle kindjes kwamen aan de beurt, zeker weten, dat had de Sint haar verteld. Alleen moest het heel ordelijk verlopen, en daarom kwamen eerst de kindjes met een naam die begint met een A, daarna die met een naam met B enzovoort… We hebben gesmeekt, gesmacht, gebedeld en haar oren afgezaagd met de vraag of onze naam nu echt niet met een andere letter mocht beginnen zodat we sneller bij de Sint konden gaan, maar dat was onmogelijk.

    Een echte marteling, dat wachten.

    Geen boterkoeken of chocomelk meer om de tijd te doden. Alleen die ellen- ellenlange rij kinderen die naar de Sint stapten en met prachtige cadeautjes terugkeerden. Hoe langer het duurde, hoe meer schrik we kregen dat de mooiste cadeautjes weg zouden zijn voor het onze beurt was. Kan je je de hel voorstellen van de kinderen bij wie de familienaam met W, X, Y of Z begint? En toen kwam, eindelijk, de "S". Het einde van onze ellende. We stapten naar de Sint. Oef.

    Toen werd mijn zusje op de schoot van de Sint gezet, en dat was een grote fout.

    Ze begon te wenen, te wenen, er was geen troosten aan! Ze was toch zo bang voor die oude man met zijn immense witte baard en met die hoed die tot aan het plafond leek te reiken. Ik kon haar natuurlijk begrijpen want zij was dan ook twee jaar jonger en ik, met mijn jarenlange ervaring met Sinten, zou haar tonen hoe het moest. Op de schoot van de Sint kruipen, vriendelijk kijken, fotootje laten nemen, cadeautje pakken en wegwezen. Twee jaar na elkaar hebben we die ellende meegemaakt. Het was zo'n beproeving dat ik me zelfs nu niet meer kan herinneren welke cadeautjes we toen kregen. Nee, die grote organisaties onder het mom van een kinderfeest, die hoeven voor mij niet meer. Geef mij maar zes december. 's Morgens vroeg opstaan en vol verwachting naar de cadeautjes kijken. Een tafel vol. Chocolade, piknikken, koekjes, kleurboeken en kleurpotloden, een echte wandelende pop voor zus en voor mij een echte trein. Uren heb ik ermee gespeeld. Zes kromme railtjes die samen een cirkeltje vormden, een locomotiefje dat je moest opwinden om het te laten rijden, en twee aanhangwagentjes.

    Eenvoud troef en uren speelplezier!


    » Reageer (0)
    19-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebakken peren

    Eventjes diep ademhalen.

    Vrijdagavond, precies op het moment dat mijn PC allerbelangrijkst was, heeft het kreng besloten om de geest te geven. Ik was net van plan om het (de vriendelijke "hem" die ik normaal pleeg te gebruiken wanneer ik naar mijn computer verwijs is hier niet meer van toepassing, die "het", verwijzend naar dat kreng dat me in de steek liet lijkt me sinds vrijdag heel wat geschikter), ik was dus net van plan om het tijdens een vergadering te gebruiken, toen het nukkig, koppig en met een klein vleugje arrogantie, plechtig een pikzwart scherm te zien gaf. Smeken, bidden, wenen, heropstarten, de kabels uithalen en opnieuw insteken, niets hielp. Het scherm bleef netjes zwart. Gelukkig ben ik via mijn werk goede vrienden geworden met Murphy, en ik had dus een backup-oplossing voorzien. Het was slechts een light versie van mijn oorspronkelijk plan, maar het werkte.

    En ondertussen waren de peren gebakken. Ik zat er mee.

    Die gebakken peren bleken een paar systeembestanden te zijn die hoogstwaarschijnlijk ergens in een pan lagen te sudderen, want op mijn computer waren ze niet meer te vinden. Alles heb ik geprobeerd om de toestand te redden, maar tot mijn ontzetting was er geen andere oplossing meer dan Windows opnieuw te installeren. Idem dito voor alle andere programma's. Ik ben nu dus een tijdje zoet met het opnieuw terugvinden van mijn installatie-CD's met de virusscanner, met Office en met die andere nuttige en vooral onnuttige maar leuke programma's, gevolgd door het opnieuw installeren van dat boeltje. Ik ben wel blij met die externe harde schijf, een nieuwjaarsgeschenkje voor mezelf van begin 2008: op tijd en stond pomp ik daar een copietje van al mijn data op neer.

    Maar bon, dit is het einde van de wereld niet. We overleven het wel. Voor u, lezer, is er echter nog meer.

    Er is een nieuwe periode aangebroken van reizen met de Thalys en de TGV, met vliegtuigen, taxi's en andere vervoermiddelen. Allemaal leuke businesstrips waarbij ik frisse, nieuwe indrukken op kan doen en de wereld nog eens op een aparte manier kan bekijken. Maar misschien ontbreekt me de tijd om ze veilig, accuraat en met mijn eigen 'twist' neer te pennen. De toekomst zal het uitwijzen.

    Wordt vervolgd.


    » Reageer (1)
    07-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sint Maarten

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Voor de archieven: ik schreef dit op elf november.

    Tweeduizendendrie om precies te zijn, en ik was kwaad. Ontzettend kwaad. Heel kwaad zelfs. Want die dag was het feest van mijn patroonheilige, Sinte Maarten. Door Jan en alleman gevierd in het Ieperse, in Poperinge, in Aalst, Dendermonde, Den Diel, Dessel, Beveren en nog een aantal andere steden, alsook in grote delen van Nederland. Maar voor de rest van België kan hij de pot op en dit werd mij die dag maar al te duidelijk. Heb je toen ook naar het nieuws gekeken? Ik wel, met afgrijzen. Het begon zoals het op elke elfde november begint: een horde oud-strijders, een stukje over de koning, wat soldatenkerkhoven en dit alles werd netjes afgesloten, geheel volgens de traditie, door de Last Post in Ieper. Die stad was nu de ideale link om naar het feest van Sint Maarten over te stappen maar nee - en dat maakt me nu net pisnijdig - de volgende vijf minuten werden aan die andere kindervriend besteed, aan Sinterklaas. Geen woord over Sint Maarten want de Nico was die dag met de boot in Oostende aangekomen.

    De stoomboot.

    Net op die dag, op het feest van Sint Maarten, precies op die dag kwam Sint-Nicolaas naar België. Hoe durft hij! In het nieuws durfden ze zelfs te melden dat ze er later die avond nog dieper op in zouden gaan, ik kreeg er het schijt van. Waarschijnlijk was de nieuwsdienst omgekocht, bedolven onder een berg snoepgoed, want in Terzake kreeg hij nog eens tien minuten zendtijd. We zagen Bart Peeters glunderend als een klein kind achter Sinterklaas huppelen. Bijna opgebrand, dat is hij, die Bart Peeters, maar hij helpt wel aardig bij de carrière van die profiteur met zijn hoge mijter en zijn lange baard, Nico de Sint. Ieder jaar komt hij iets vroeger op tv (de Nico, niet de Bart want die krijg je gewoon niet weggezapt), en ieder jaar zie je hem iets langer. Let op mijn woorden, binnen twee of drie jaar heeft hij een eigen talkshow op VRT (Welgesint bij Nico) en nog een jaartje of wat later heeft hij een exclusiviteitscontract bij VTM.

    Echt waar, als ik er aan denk word ik pisnijdig.

    Want wat heeft die man meer dan Sint Maarten? Hij heeft wat cadeautjes uitgedeeld aan meisjes om hen van de prostitutie te redden en daarna heeft hij wat gepekelde en in stukken gesneden kindjes uit de tobbe gehaald en weer levend gemaakt. OK, zeker, dat is echt een wonder, maar hij kon dat niet alleen. Om die meisjes uit de prostitutie te halen had hij heel wat geld nodig, en zoveel verdient een bisschop nu ook weer niet. En om zo'n mirakel uit te voeren als bij die kinderen in de pekel, daar moet Ons Here wel bij tussengekomen zijn want zoiets kan je ook niet alleen. Mijn Sint Maarten daarentegen, wel, die scheurde, moederziel alleen, zonder steun van bovenaf, zijn jas in twee en hij gaf de helft aan een bedelaar. Dat is pas klasse: iedereen kan zoiets doen, weinigen doet het. Delen. Niemand verloor: Sint Maarten had nog een stuk jas en kreeg het dus niet al te koud, en die bedelaar kreeg er een warm stuk kleding bij. Dat maakt die heilige nu zo speciaal: geen hulp van God, geen mirakel, gewoon menselijk. Maar bon, zaken zijn zaken, en Sinterklaas heeft daar nu eenmaal een neus voor. Als echte commerçant is hij in de jaren zeventienhonderd met de Hollanders meegetrokken naar Amerika. Daar ging hij in de clinch met die andere patroon, die dan weer met de Engelsen meereisde: Father Christmas.

    t Heeft niet lang geduurd.

    In de jaren negentiendertig werd Father Christmas gewoon van de kaart geveegd. Een contractje met Coca-Cola en kijk, daar verscheen Santa Claus, met acht rendieren en een slee, in de reclameboodschappen van Coca-Cola. Om de Engelsen niet al te zeer voor het hoofd te stoten heeft hij zijn feest daar maar naar Kerstdag verplaatst, en zo sloeg hij een dubbele slag: in Europa werkt hij tot de zesde december, waarna hij zich ten volle kan toeleggen op de Amerikaanse markt. Spreiding van het risico noem ik dat. Verder zorgt hij voor verwarring in de namen, waardoor zijn slinkse werkwijze niet al te duidelijk wordt: de Amerikaanse Santa Claus is hier, bij ons, gewoon "de Kerstman". Kassa kassa: dubbele inkomsten in België! En pas op, hij heeft nog andere gegadigden in het oog. In Rusland komt Vadertje Vorst op Nieuwjaar, en in Spanje en Italië vliegt op 6 januari Vrouwe Befona op haar bezem over het land om cadeautjes uit te strooien, maar lang zal dat niet meer duren, let op mijn worden.. Kijk maar eens met welke snelheid Halloween uit Amerika naar ons kwam overgewaaid. Ik zeg het je: binnenkort vieren we Sinterklaas op 6 december, Santa Claus op 25 december, Sint Nico op 31 december en de drie Sinten op 6 januari. Gedaan met La Befona en met Vadertje Vorst. Op brugpensioen.

    Echt waar, iedereen moet wijken als 't om zaken gaat.

    Kijk maar naar Nicodemus. Vroeger liep die nog naast de Zwarte Pieten, maar nee, eenmaal één verkeerd woord en daar vloog hij, de laan uit. Zie of hoor je hem nog? Ja, hier en daar nog bij enkele respectvolle mensen, maar verder is hij van het toneel verdwenen. En met Sint Maarten gaat het langzaam maar zeker dezelfde weg op. Toch moet je het toegeven: het business plan van Sinterklaas heeft hem geen windeieren gelegd: een prachtige villa in Spanje, een peloton knechten, een ranch vol witte paarden en een eigen postbus om alle brieven met "Sinterklaas - Spanje" te kunnen ontvangen. Verder nog een kinesist om hem te helpen bij zijn dagelijkse oefeningen "dakrijden" en een psychiater om hem bij te staan als hij een dipje heeft (zoals na de zoveelste mislukte poging om een eigen website met gepast e-mailadres te maken). Daarnaast heeft hij onder de naam Santa Claus nog een riant kasteel in Korvatunturi, Lapland, dat door de goede inkomsten echter te klein werd. In 1950 is hij dan maar naar Napapiiri, nabij Rovaniemi verhuisd. Voor 't gemak van de Amerikanen wordt dit gewoon "Santa Claus Village" genoemd. En Sint Maarten? Niets heeft die mens. Hij zou zelfs het andere stuk van zijn jas in twee snijden om het met nog een andere bedelaar te delen. Ik denk dat hij hulp nodig heeft. Snel. En heel deskundige hulp. Misschien kunnen onze politici hem wel helpen. "We moeten de gewone mensen meer cadeautjes geven”.

    Allez toe zeg, wie gelooft er nu nog in Sinterklaas ?


    » Reageer (3)
    20-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schoolfeest

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Ik hang alles aan de kapstok.

    Echt waar, ik geef het op, voor mij hoeft het hoeft niet meer. Aan de kapstok, voor altijd, die clownsneus, die oranje pruik, dat idiote groene hoedje, de “zwaluwstaart” en de te ruime broek: alles vliegt aan de kapstok. En die schoentjes van maatje drieënzestig, die zet ik eronder. De schmink, die vliegt in een doos tot ze beschimmelt. Of nee, beter nog: ik stop alles samen in een grote zak met een goede scheut mottenbollen en ik gooi hem op zolder. Daar ligt die goed. Voor het nageslacht. Want wie weet, misschien zit er nog een opvolger in de familie en dan kan die het materiaal nog gebruiken.

    Ik speel al clown sinds mijn achttiende, zo nu en dan een keer.

    Eerst in een spektakelgroep, daarna op studentenfuiven, dan op het huwelijk van een nichtje of twee drie en de laatste keer was op het schoolfeest in ons dorp, nu al wat jaren geleden. Leuk was dat: de ganse namiddag op de speelplaats rondlopen en de kleintjes laten lachen. Hoewel... na drie uur werd het wat lastig: ze waren mijn aanwezigheid toen al gewoon en een paar hadden begrepen dat ik geen “echte” clown was maar de papa van... . Dus werd de clown hun eigendom. Ze kwamen letterlijk aan mijn kleren hangen, een paar wilden voortdurend met mij rondlopen, hand in hand, en de één of andere stoere kleine durfde al eens een stomp geven. Op dat moment leuk en vriendelijk blijven, dat is een toffe uitdaging maar toch niet zo evident en dus verdween de clown van het toneel. Maar het was nog niet voorbij want het kleintje dat aan mijn hand rondgelopen had herkende me, ook zonder schmink. Ook de groteren kwamen naar mij gelopen: zie je wel dat jij de papa bent van...., jij was de clown! Alleen die ene voetballer in de dop durfde gelukkig niet meer stompen. Het was mijn laatste dag als clown en binnenkort vliegen alle attributen dus op zolder. Misschien voorgoed, want het is niet meer nodig: ik heb de toekomst gezien, en die is veelbelovend. Echt veel belovend.

    Het was een zaterdag, vijf uur, en deze keer vond het schoolfeest plaats in een circustent.

    Circus in Tollembeek, daar moesten we naar toe! Het was te lang geleden dat ik nog een circus gezien had. Leeuwen, tijgers, jongleurs, acrobaten, trapezisten, dagen vooraf droomde ik er al van. Hoe zouden de kinderen dat doen? En die dag zag ik het. Het was beter dan mijn sterkste verwachtingen. De circusdirectrice en haar ploeg waren perfect, ze bespeelden het publiek zoals een virtuoos viool speelt. Het begin was direct een schot in de roos. Tollembeek’s clown nummer één: Urbanus! Zijn job: jongleren met lege plastiekzakjes, elk zakje zogezegd 50 kilo zwaar, ik zag me zelf al in zijn plaats staan. Prachtig toch, het publiek zo kunnen meeslepen dat ze alles geloven, maar dan ook alles. Lege zakjes van vijftig kilo, en iedereen maar lachen en applaudisseren.

    Toen kwam er een jongetje de piste opgelopen.

    ‘Hela, hela, papa, het is nu wel aan ons, hé!’ En weg was Urbanus. Mijn lach ook. Papa? Urbanus papa? Ik weet wel dat Urbain vader is van een nestje kinderen, maar Urbanus? De grapjas? Urbanus, vader? Mijn droom vloog aan diggelen. Een clown is niet echt een clown. Het is een hij of een zij, een zoon of een dochter, een broer of zuster, een vader of moeder... Een clown is geen figuur, maar een ‘iemand’. Van mezelf wist ik het al, mijn clownskostuum was al een paar jaar buiten gebruik en het lag zuchtend te wachten tot het naar een verborgen hoekje verbannen zou worden. Maar nu begreep ik ook Urbain, de man achter Urbanus. Zolang je in je clownspak rondloopt ben je een figuurtje, een publiek bezit. De grote truc om te overleven is ervoor te zorgen dat het publiek de man of vrouw niet met het figuurtje verwart. Dus zorg je voor een low profile wanneer je niet verkleed bent. Tollembeek begrijpt dit, want wanneer vreemde “BV-toeristen” vragen waar Urbanus woont wordt hen vriendelijk de weg uitgelegd naar zijn standbeeldje op het plein. Maar goed, dat jongentje, dat was dus de zoon van de clown.

    En nu was het zijn beurt en die van zijn vriendjes, want het was schoolfeest, de dag van de kinderen.

    Wat ik daarna zag heeft me tot tranen toe bewogen, tranen van vreugde wel te verstaan. Het was wondermooi, ik kreeg echt een krop in de keel. Twintig kleine clowntjes van ocharme misschien net drie jaar oud kwamen de piste ingestapt. Ze kropen elk in een kartonnen doosje en toen begon de muziek. De clowntjes werden wakker, gingen zitten en keken om zich heen, het was snoezig. Het waren net kleine bloempjes die langzaam openbloeiden. Paarse, gele en rode pruikjes, een prachtig geschminkt gezichtje en kleertjes in alle kleuren. Ze droegen veel te grote broeken, breed genoeg om vijf lagen pampers op elkaar te bevatten, en die werden netjes opgehouden door bretelletjes van misschien veertig centimeter lang. Verbaasd keken ze om zich heen, waarschijnlijk zoekend naar papa, mama, oma, pepe of tante, tot ze de juf in het oog kregen en begrepen dat het weer showtime was. Rond het kartonnen doosje lopen, eventjes zwaaien, weer rondlopen en dan, bij een grote BOEM in de muziek, moesten ze vallen. Eentje wist dat nog en vloog netjes op zijn pampers, de beentjes hoog in de lucht. Een natuurtalentje. Echt waar, de toekomst is verzekerd. Twintig nieuwe clowntjes in de dop, dat is heel wat. Onze kleinkinderen zullen dus ook nog kunnen lachen.

    De rest van het circusgebeuren kon voor mij niet meer stuk.

    Ik heb alles opgeslorpt en met volle teugen genoten. De directeur, de burgemeester en een meester deden ook mee. Het werd een wedstrijdje gewichtheffen waar ze maar bekaaid van af kwamen want de jeugd was heel wat sterker. Daarna kwamen de kleinsten in de arena, verkleed als leeuwtjes en tijgertjes, als paarden en olifanten, we zagen de groteren gedurfde capriolen maken op reuzenballen en fietsen, jongleren met ballen, doekjes, borden en diabolo’s, ballerina’s dansten met touwen, lintjes en hoepels en de soepelste gymnasten maakten een reuzenpiramide. Er was bijna te veel spektakel om alles te onthouden, maar dat is niet erg: het was oké.

    De clowntjes hadden mijn dag gemaakt.


    » Reageer (1)
    14-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oud-strijder

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Toen hij de koning ontmoette was hij zevenennegentig.

    Dit is geen verzonnen verhaaltje, het is echt gebeurd, ik was erbij. Het was komisch, grappig, diep intens en intriestig tegelijk. Maanden had hij er naar uitgekeken, ik heb zijn verhaal wel honderd keer moeten aanhoren. Hoe hij in de grote oorlog van 14-18 als simpele soldaat van ocharme 17 jaar in de loopgraven gevochten had, hoe hij gewond werd, hoe hij in Frankrijk herstelde en hoe hij daarna opnieuw de loopgraven in moest. Als simpele pajot, als soldaat zonder strepen, zonder graad, heeft hij gevochten, afgezien en de pinhelmen verjaagd. Een prestatie om fier op te zijn. Heel fier. Het land was hem dan ook erkentelijk: toen hij oud werd mocht hij naar het rusthuis van de oorlogs-invaliden. Een klein kamertje van amper twaalf vierkante meter met een bed, een kast en wat plaats voor een meubeltje, maar met heel veel publieke ruimtes, een leuke bar om een pintje te pakken net als in 't café van op de hoek, en vooral veel gelijkgezinden: iedereen had wel de één of andere oorlog meegemaakt. Die van veertien-achttien waren zeldzaam, de meesten waren van veertig-vijfenveertig en er waren er zelfs die in de oorlog van Korea gevochten hadden. Daar mocht hij zijn hele verhaal doen, en hoe meer hij het vertelde, hoe triestiger hij werd. Nooit had hij een onderscheiding gekregen. Was hij niet gewond geraakt? Had hij de oorlog niet volledig uitgevochten? En toch was hij nog steeds gewone pajot. Medailles had hij genoeg maar die anderen, die verhoogden regelmatig van graad, hij niet. Waarom toch? Waren ze hem vergeten?

    Iemand hoorde dit verhaal en vond dat hij meer verdiende.

    Na veel heen-en-weergeloop, na het verwerken van de volledige administratieve molen, kreeg hij plots de verrassing van zijn leven. Hij werd uitgenodigd door de politiecommissaris om als erekorporaal in het korps opgenomen te worden, wegens een voorbeeldige dienst voor het land. Trots als een gieter was hij, hij had een ontzettend dik fotoalbum aan de ceremonie overgehouden, en sinds die dag was zijn verhaal opnieuw optimistisch: hij had heel zijn leven gevochten als pajot, en nu was het land hem zeer erkentelijk, nu was hij ere-korporaal. Hij moet toen zowat vijfennegentig geweest zijn. Het mooiste moment uit zijn leven. Mooier kon niet meer.

    Of toch?

    Hij was zevenennegentig toen hij mij een dienst kwam vragen. Zijne Majesteit de Koning Boudewijn had hem persoonlijk uitgenodigd om deel te nemen aan een herdenkingsfeest, vijfenzeventig jaar na het einde van de oorlog 14-18, in Brugge. Onze Vorst zou elke genodigde ook persoonlijk ontmoeten. Met die brief in de hand vroeg hij of ik hem wou vergezellen, wat ik natuurlijk niet kon weigeren. Maar kort daarna overleed onze vorst, totaal onverwacht. Het was een periode van nationale rouw, die zich in dat specifieke rusthuis nog meer deed voelen, want Koning Boudewijn had veel respect voor "zijn" oud-strijders. Het was pijnlijk. Ook voor onze korporaal. Hij zou de Koning niet zien. Zijn laatste mooie droom lag aan diggelen. Het kon niet waar zijn. Dat kon niet…

    Een paar weken later kwam een nieuwe brief.

    De feestelijkheden in Brugge gingen toch door en ondanks hun diepe rouw zouden Koning Albert en Koningin Paola aanwezig zijn, uit respect voor de oud-strijders. Op naar Brugge dus. Op zijn overjas droeg hij al zijn medailles en ik kon een glimlach niet onderdrukken toen ik ze hoorde rinkelen. Bij het instappen stelde ik hem voor zijn overjas uit te doen. Op zijn vest had hij nog even zoveel medailles, in kleiner formaat, met een fijner gerinkel. Nog een glimlachje. Sympathiek. In Brugge werden we gescheiden: hij mocht op de eretribune, ik vloog ergens langs de zijkant bij de andere begeleiders, en na een paar uur in de kou kwam het moment suprême: we mochten naar het gemeentehuis voor de receptie. Een prachtige grote zaal, journalisten, een zestigtal oud-strijders en hun begeleiders. Er waren zes tafels, één per tien personen. Onze tafel stond achteraan links. Wij, begeleiders, moesten recht blijven staan, maar dat deerde ons niet want we waren blij dat onze mannen de Koning zouden ontmoeten. En toen kwamen de vorsten.

    Koningin Paola begon aan de linkerkant, Koning Albert aan de rechterkant.

    Ze namen rustig de tijd om met iedereen een praatje te slaan, heel sereen. Toen de Koningin bij ons kwam viel het ons pas op hoe lastig ze het had: ze was zwaar verkouden en deed haar best om het te verbergen. Vriendelijk hoorde ze het verhaal van elke soldaat, en toen … toen kwam de ontgoocheling. Wij hadden gedacht dat ze beiden alle tafels zouden bezoeken maar nu bleek dat ze de Koning slechts bij de ene helft ging en de Koningin bij de andere. Toen ze aanstalten maakten om te vertrekken kwam de soldaat in hem naar boven. Hij had niet voor niets gevochten, hij was niet voor niets ere-korporaal, hij was een echte soldaat die uitgenodigd was door Koning Boudewijn! Het stond duidelijk in de brief: de Koning wou hem spreken, en dat was niet gebeurd. Hij had de Koning niet gesproken, enkel de Koningin. Het zei het luid genoeg om de veiligheidsdienst te alarmeren, en in geen tellen stonden die mannen daar, discreet maar alert. We konden hen het probleem uitleggen en ze hadden begrip voor zijn zaak. Koning Albert, die al bijna vertrokken was, keerde op zijn stappen terug, en aanhoorde het hele verhaal.

    Het hele verhaal.

    Van veertien-achttien, van de verwonding, het uitvechten van de oorlog, de simpele pajot, de ere-korporaal, de uitnodiging van Zijne Majesteit Boudewijn…


    » Reageer (2)
    08-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fawlty Towers

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    We dachten dat het in Torquay lag, in Engeland, dat Fawlty Towers hotel.

    Maar we waren fout. Fawlty Towers ligt in Italië. Erg verspreid zelfs: je zou kunnen stellen dat Fawlty hier ligt en Towers daar en het zal nog steeds correct zijn. Ze hadden dus toch gelijk, de Spanjaarden, want volgens hen komt Manuel helemaal niet ‘from Barcelona’, maar uit Italië, en we hebben het mogen weten. Drie jaar geleden al werden we aangetrokken door een prachtige brochure van een aangenaam en rustig oord om een leuke vakantie door te brengen. Een schitterende voorstelling van mooie vakantiehuisjes midden in de glooiende Toscaanse heuvels, zwembaden, thalassotherapie en - ik citeer - “last but not least, at our estate you can enjoy wonderful traditional Italian cuisine at our restaurant”. Luxueuze rust gegarandeerd dus.

    Je voelt het al aan jouw kleine teen: we waren fout.

    De gegeerde rust die we bij aankomst verwachtten kwam er niet want er was een klein probleempje: ik was mijn portefeuille kwijt. Gelukkig laat een stressvolle job toe om ook bij de moeilijkste momenten kalm te blijven en alles geduldig te analyseren (“Jaja, ’t zal wel”, hoor ik mijn vrouwtje al denken, en ze heeft gelijk). In volle paniek sprintte ik dus naar onze wagen om de terugweg aan te vatten. Met veel geluk lag de portefeuille nog in het cafeetje waar we laatst gestopt waren, anderhalf uur geleden, in het ergste geval lag ze in het restaurant waar we ’s middags gegeten hadden, in Pisa, drie uur eerder. We zouden het cafeetje proberen, en lag ze daar niet, dan zouden we wel zien. Het werd dus anderhalf uur terugrijden en het ongelooflijke geschiedde: in dat land vol geboefte waar de mafia of de cosa nostra, de camorra en de n’dranghetta elke argeloze toerist op een vriendelijke doch doortastende wijze de laatste euro, dollar of yen uit de portefeuille probeert te persen, in het land van charlatans en loverboys waar geen enkele schoonheid veilig is voor de ruimschoots voorhanden wulpse blikken en het bewonderend fwiet-fwiet gefluit, in datzelfde land waar een buitenlandse man niet één steelse blik mag werpen naar een al dan niet aantrekkelijke dame op straffe van een mes tussen de ribben, in dat rovershol lag mijn portefeuille netjes op mij te wachten, in het café. De eigenaars waren blij dat ik ze zelf kwam halen, want ze wilden de politie al inlichten maar ze vreesden dat die me niet zouden vinden. Geen slecht woord meer over Italianen, dus. Of toch?

    Want ik zei het eerder al: we waren fout. We verwachtten namelijk een ‘wonderful traditional Italian cuisine’.

    Het restaurant lag in open lucht. We genoten van de prachtige zonsondergang, daarbij gesterkt door het idee dat de portefeuille terecht was, we nipten van ons zalig Italiaanse drankje en we wachtten op onze antipasta. Er was veel volk, het moest dus inderdaad een goed restaurant zijn. Na een half uurtje hadden we het systeem door: er waren twee keukens: één in het gebouwtje links en één in het gebouwtje rechts. Een ober kwam met onze schotels, zorgvuldig vragend of dit wel onze bestelling was. Toen zagen we de rest van het systeem: er was er gewoon geen. Elke ober liep wat rond tot er een belletje ging in één van de keukens. Eén ober haalde de schotel en bracht die naar de correcte tafel. Alleen was er zoveel volk dat er geen tijd was om ‘wat rond te lopen’. Het werd dus snelwandelen. Wat zeg ik? Sprinten werd het. Bord halen, bord afleveren, belletje horen links, naar de linkerkeuken lopen, belletje horen rechts, vaststellen dat je daar dichter bij bent en dus afwijken naar rechts, zien dat een andere ober nog dichter bij rechts is en dus maar weer afwijken naar links. Daar het bord ophalen samen met het papiertje van de bestelling, toekomen aan de tafel en dan pas het papiertje lezen, vaststellen dat je het foutieve bord vasthebt, het even voor de neus van de gasten laten zweven om er dan met Italiaanse zwier rechtsomkeer mee te maken, terug naar de rechtse keuken, oeps, foutje, ‘t moest de linkse keuken zijn, om daar nog een verkeerd papiertje mee te grabbelen, waarna de scène herbegint. Met één ober is dat grappig, met zes obers tegelijk is dat ronduit hilarisch. We hebben die avond heel laat gegeten maar wel veel plezier gehad. De volgende dagen was het restaurant leeg. Die eerste dag was namelijk de ‘aankomstdag’ van tientallen toeristen, en die vonden terecht dat je in de stad beter bediend werd.

    En we bleven fout, want we dachten dat dit ons maar één keer in ons leven kon overkomen.

    Dit jaar werd het Sicilië. Grande luxe: elke avond zocht de maître de salle een geschikt plaatsje voor ons. Tot die ene dag, toen er drie bussen tegelijk toegekomen waren. Een massa volk, en we mochten gewoon doorlopen om zelf een plaatsje te zoeken. De tafeltjes voor twee personen waren volzet, ook die voor vier, dus namen we een tafel voor zes. Er waren twee obers voor een zestigtal gasten, en hun taak was eenvoudig: drankbestellingen opnemen en afruimen. De ene was jong en rustig, de andere was van middelbare leeftijd en in paniek. Hij sprintte met zijn notaboekje van de ene tafel naar de andere, luidop vragend ‘Trinken?, Trinken?’ zonder na te gaan welke taal de gasten spraken. Aan onze tafel gekomen werd zijn paniek ten top gedreven: twee mensen aan een tafel van zes! Onmogelijk! Hij keek rond, maar zag geen tafeltje voor twee of vier meer vrij en hij zei ons dus, de stress uit zijn stembanden springend, dat hij waarschijnlijk nog gasten aan onze tafel zou plaatsen. Daar hadden we natuurlijk al op gerekend, geen enkel probleem. Hij sprintte verder en we zagen dat de jonge ober al één bestelling klaar had – een fles water -. De oudere schreef en schreef, het zweet parelde van zijn voorhoofd, zijn vestje werd al verdacht zwarter onder de oksels, en toch ging het niet vooruit. Hij krabbelde en noteerde, maar vergat zijn bestellingen af te geven. Zijn orderboekje was vol en de jongeman stond daar, zonder werk, met een brede glimlach rond de lippen en wulpse blikken werpend naar de toeristische schoonheden.

    Gelukkig hebben we daar toch op tijd kunnen eten. Het was een buffet.


    » Reageer (0)
    23-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Marketing

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Je bent niet op Sicilië geweest als je niet van de sfeer in een echt Siciliaans restaurant hebt kunnen proeven.

    De resort-formule met continentaal ontbijt, zwembadrust, uitgebreid middagbuffet, opnieuw zwembadrust of zonnebakken aan zee, de activiteiten van de animatieploeg polsen om te besluiten dat je je toch beter lekker omdraait om verder en vooral gelijkmatig te bruinen, aperitiefje, copieus avondbuffet, espresso en obligate limoncello, die kan daar in de verste verte niet aan tippen. Maar natuurlijk ontsnap je niet zomaar uit zo’n resort om op restaurant te gaan. Je kunt het proberen via een georganiseerde uitstap waarbij je van bus naar boot naar bus naar strandje naar zichtpunt naar historisch gebouw naar interessant niemendalletje naar eventjes rustpauze in een bar en opnieuw naar bus en naar boot sprint, ondertussen massa’s foto’s makend om vooral thuis na te kunnen genieten van dat waar je geen tijd voor had tijdens de trip, om uiteindelijk vermoeid terug neer te strijken in het resort, net op tijd voor het aperitief. De oren tuiten nog wat na van die non-stop babbelende meertalige gidse die Italiaans, Frans, Duits, Engels, Russisch en Pools sprak, liefst door elkaar, zodat je het toeristisch interessante punt al vijf minuten voorbij was eer je begreep waar ze het over had. ‘Ah ja, dat hebben we inderdaad gezien’. Maar rustig op restaurant zitten, vergeet het maar.

    Misschien probeer je het te voet.

    Maar dit is ook geen optie want het resort ligt doelbewust niet in de bewoonde wereld, kwestie van inkomsten te genereren. In Sicilië heb je drie leefwerelden: toeristische steden aan de kust, gewone dorpen hoog op de top van een berg, en toeristenresorts. Deze laatste liggen gezellig dicht bij zee en strand maar zijn ook kilometers ver verwijderd van de dorpen, en toeristische steden liggen helemaal buiten bereik; die zijn enkel via de bovenvermelde georganiseerde toeristische sprints te bezoeken. Je kunt het natuurlijk kalmer aan doen en een heroïsche voettocht ondernemen naar het dichtstbijzijnde dorpje, zoveel kilometers verder en vooral zoveel honderden meters hoger. Een uitstekende conditie is een minimale vereiste, topsportniveau met hittetraining vooraf is aangewezen. Verder komt een overlevingspakket goed van pas: perfect zittende stapschoenen, een rugzakje met het klassieke lunchpakket, liters isotone drank, een paar verse T-shirts, een wandelstok en een paraplu. Dit laatste lijkt niet nuttig in subtropische temperaturen maar het is vooral handig om de wilde honden, die daar wel iets vaker voorkomen dan normaal, op een afstand te kunnen houden. Hond blaft, hond stormt met ontblote tanden op jouw af, je richt de paraplu, doet hem open, en als je even geluk hebt druipt het monster met de staart tussen de benen af. Of niet, en dan heb je pech. Heel misschien brengt de salami uit het lunchpakket dan nog redding. In de meeste gevallen echter kom je ongedeerd aan in het dorp. Te laat weliswaar: de siësta is aangebroken en de restaurants sluiten. Terug naar af. Lunchpakket verorberen (met of zonder salami, al naargelang…) en terug naar beneden. Dit verloopt wel iets sneller zodat je vermoeid neerstrijkt in het resort, net op tijd voor het aperitief. Rustig op restaurant zitten, vergeet het maar.

    Dit jaar verkozen wij de derde optie: een huurwagen.

    Als het een beetje meevalt kan je genieten van een echte Italiaanse wagen. We droomden van een kleine Fiat cinquecento, het oude model. Zo’n klein minuscuul bijna-bolhoedje met variabele ruimte: buitenlanders kunnen er met heel veel moeite twee personen en twee valiezen in kwijt terwijl Italianen er gemakkelijk met vijf personen in stappen en nog ruim plaats overhouden voor een kinderwagen, twee grote rieten manden met watermeloenen, een mand met kippen, twee hespen, vijf salami’s en het reservewiel van een scooter. Maar het mocht niet zijn, we kregen een ander model. Ook Italiaans maar iets beter aangepast aan ons Belgisch gevoel voor ruimte. En tegelijk toch klein genoeg om zonder blikschade door de smalle Siciliaanse straten te laveren en op anderhalve zakdoek te kunnen parkeren. Daarmee trokken we dus op zoek naar een Italiaans restaurantje met sfeer. We waren niet aan ons proefstuk toe, we kenden het klappen van de zweep. Een beetje klasserestaurant vind je steeds in de buurt van de toeristische steden, en de truc bestaat er in om de toeristenvallen te vermijden. Je kijkt dus eerst waar de bussen parkeren, en daar blijf je liefst zo ver mogelijk vandaan. Daarna wandel je het stadje in en speur je naar de valiezenkoersen. Horden toeristen die hun koffers naar hun hotel sleuren tonen je welke weg je zeker moet vermijden. En tot slot zoek je mature dames met een fluogroene of knalrode omhooggestoken, gesloten paraplu. Mijlen in de omtrek is er geen hond te zien, maar dichtbij staat wel een kudde Japanners, Duitsers of Amerikanen. Deze streek is ook te mijden. Eens die zones afgebakend zijn weet je waar je niet moet zoeken, en zo vind je jouw restaurant. Wij dus ook.

    Het lag langs de dijk.

    In feite waren er twee: ‘da Nino’ en ‘da Giuseppe’. We liepen twijfelend over het trottoir, beide restaurants vergelijkend, en knalden bijna tegen zo’n rood/wit lint van wegenwerken aan. Typisch Italiaans: ze hadden het voetpad al gebarricadeerd maar de werken waren in de verste verte nog niet begonnen. We moesten dus de straat op en automatisch viel onze blik op Giuseppe, die ons uiterst hoffelijk in zijn restaurant uitnodigde. We hebben er heerlijk gegeten, met een prachtig zicht op zee. Er waren wel heel wat Fransen, Duitsers, Engelsen en weinig tot geen Italianen. Jammer ook dat de meeste wagens fel claxonerend voorbijreden. Ze moesten wel, want alle voetgangers liepen daar de straat op om het afgesloten voetpad met de niet-bestaande wegenwerken te vermijden. Maar we zaten toch netjes niet in een toeristenval.

    Iedereen genoot van zijn espresso. Giuseppe stak de straat over.

    Met een brede glimlach verwijderde hij het lint van de wegenwerken.


    » Reageer (0)
    12-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sorry

    Sorry folks !
    ik ben even een frisse neus gaan halen...
    Binnenkort meer nieuws.


    » Reageer (1)
    08-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Instinkers

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    In feite was het beangstigend.

    Ik zat vast in de Hallepoort-tunnel in Brussel. Ik had net nog gedacht: rij ik er af of blijf ik er op, op die kleine ring? Ik bleef erop, en twee tellen later stond het verkeer stil. Drie kwartier zat ik vast, drie keer vijftien minuten, negen keer vijf minuten, tweeduizendzevenhonderd ellenlange seconden - het kunnen er wat meer of minder geweest zijn - stond ik daar stil, in die donkere tunnel. Dampen van uitlaatgassen stroomden langs alle gaten binnen en niemand dacht eraan om zijn motor af te zetten. De radio werkte niet meer en de GSM was opnieuw een waardeloos stukje metaal. We waren echt van de wereld afgesloten. Maar ik had het gehoord. Net toen de afrit voorbij was, net toen het te laat was om nog te kunnen uitwijken, net op dat ogenblik kwam de verkeersinformatie: alle toegangswegen naar "de Zuid" waren afgesloten. Wegens een recente bommelding in het Zuidstation. Na vijfenveertig minuten doodsangsten en helse schrik werd het alarm gelukkig afgeblazen en konden we weer doorrijden.

    Maar die bommelding had vreemde gedachtenkronkels geactiveerd.

    Bom-melding, bommel-ding. Het is toch zo gemakkelijk om iemand met een kleine wijziging, met een lichte nuance, op het verkeerde been te zetten. Het is zelfs heel gemakkelijk: ooit heb ik in een opstelletje een oud-strijder koelbloedig verast, terwijl ik hem gewoon wou verrassen! De arme man. Gelukkig is hij niet meer, of hij vergaf het me nooit. En hoewel ik vanaf mijn prille jeugd gedrild werd om zo'n fouten te vermijden schrijf ik nog steeds dergelijke taalonkundige misbaksels,. Ik heb het met scha en schande geleerd, door telkens opnieuw in instinkers te lopen. Op jonge leeftijd stuurden mijn West-Vlaamse roots me al in de fout. Eerste leerjaar: we leren lezen. Jan, Miet, aap en alle andere dieren van de zoo, en plots stond hij daar, de bastaard: ‘thuis’. Wat lezen we? Lettertjes: een "tee", een "gaa naar boven" (West-Vlaams, nietwaar), een "uu", een "i" en een "is". Heel gemakkelijk: "tguis". En dat bleek fout te zijn. Wanneer de "tee" en de "gaa naar boven” bij elkaar staan, zoals in “thuis”, dan worden ze samen als "tee" uitgesproken.

    Toch was ik blij dat ik uit die fout kon leren want zo zag ik in dat het o zo moeilijke Nederlands toch wat op West-Vlaams lijkt.

    De “h” bestaat gewoon niet in het West-Vlaams. Dat is gemakkelijk want zo moet je die ook nooit uitspreken. Hoor je een “g” of een “h”, dan schrijf je altijd een “g”, een “gee naar beneden”. Een “hee naar beneden” is ook goed, dat is toch hetzelfde. Hoor je niets, dan schrijf je een “h”, een “haa naar boven”. Of een “gaa naar boven”. In “tuis” hoor je niets, dus staat er een “h”. Pure logica (hoewel ?) en geen mens die er zich aan stoort.

    Dat niet West-Vlamingen er zich toch aan konden storen begreep ik pas toen ik veertien jaar oud was.

    Vakantie in Zwitserland. Limburgse vriendjes. Een mopje. Over een gaantje en een gennetje. Maar ze konden er niet mee lachen. Letterlijk, want ze begrepen er geen snars van. Tot het eindelijk, na een hele tijd, bij hen doordrong dat ik West-Vlaming was, en dat er dus een simultaanvertaling naar het "normale" Nederlands moest gebeuren. "Aah jaa, een haaaantje en een hennetje! Daaaa's een goeie!". En zo werd een jarenlange vriendschap geboren, die zoals zovele vakantievriendschappen in het pre e-mail, SMS en MSN tijdperk, al na één brief sneuvelde. Maar let wel: mits de nodige inspanning en veel oefenen is het, ook voor een West-Vlaming, mogelijk om de "gee" en de "haa" duidelijk uit te spreken en het verschil tussen beide letters ook aan anderstaligen duidelijk te laten horen. Bepaalde ministers doen het ons voor: ze gopen op een choeie afloop, chesteund door gele choede mensen. Sommige West-Vlamingen verongelukken zelfs niet meer bij de tongbreker “Ik heb een hele hoge hoed op, of is het helaas een gele hoge hoed?” .

    Maar zo wijken we af van onze instinkertjes.

    In het vierde leerjaar kon ik me wel voor de kop schieten. Tijdens het proefwerk had ik me opnieuw laten vangen! Ik vergeef het de leerkracht nooit. Ook nu nog niet. Hij martelde onze onschuldige kinderlijke fantasie met de aartsmoeilijke vraag: "Wat weegt het zwaarst, een kilogram lood of een kilogram pluimen?" We herinnerden ons de les waarin hij ons uitgelegd had wat "loodzwaar" betekende, we zagen het blok lood nog voor ons ogen, we voelden opnieuw hoe zwaar het woog, en dan durfde hij te vragen wat het zwaarst was, een kilo lood of een kilo pluimen. Je mag het proefondervindelijk uitproberen: laat een kilo lood op jouw rechtervoet vallen, en daarna - als je nog kan - een zakje pluimen van een kilootje, het mag zelfs wat meer zijn, op jouw linkervoet. Wat zal je het sterkst voelen? Je mag twee keer proberen en daarna jouw rechtervoet verzorgen. Zo'n domme vraag, dat was toch een cadeautje: iedereen weet toch dat een kilo lood veel meer pijn doet. Het antwoord is dus eenvoudig: lood is zwaarder dan pluimen. Die grijns op de leerkracht zijn gezicht, die vergeet ik nooit. "Jongens, wat had ik gevraagd? Wat weegt er meer? Een kilogram of een kilogram?" Toen ging er ons een licht op. Het was een instinker!

    Jaren later hebben we de logica van de zaak geleerd.

    We leerden toen zelfs bewijzen waarom wij in onze pyjama kunnen, onze pyjama in onze valies, maar wij niet in onze valies. Als ik me niet vergis had het iets met premissen te maken, maar dat is niet belangrijk want ik probeer al lang niet meer in mijn valies te kruipen. Die premissen zijn nochtans belangrijk, ik las het onlangs nog in de krant. Een vrouw maakte een scène op de luchthaven toen ze haar handbagage niet mocht meenemen. Ze had namelijk gehoord dat je op de Spaanse tv’s VTM niet kan ontvangen, en daarom nam ze haar tv mee. Als handbagage. Om VTM te kijken.

    Foute premisse.


    » Reageer (0)
    02-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lotto

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Eén kans op twee dat ik de Lotto win!

    Dit is statistisch heel gemakkelijk te bewijzen. Vroeger was ik daar tamelijk sterk in, ik haalde er zelfs afgrijselijk goede punten voor, iets wat jammerlijk genoeg ook wel eens in de beste families voorkomt. Toch krijg ik snel tegenwind wanneer ik aan een ietwat erudiet lijkend persoon vertel dat ik zaterdag vijftig procent kans heb om de Lotto te winnen. "Arme stakker. Die combinatie van jouw zes cijfertjes, dat is toch maar één van de vijf miljoen mogelijkheden, je hebt dus toch slechts één kans op vijf miljoen!" En dan mag ik het weer uitleggen hoe de vork aan de steel zit. Ik bespaar je de wiskundige details, we houden het bij gokken, meer bepaald bij het dobbelen. Hoe groot is de kans dat je, met één dobbelsteen, drie ogen gooit ? Wel kijk, je hebt zes mogelijkheden. Je kunt één oog gooien, of twee, of drie, of vier of vijf of zes. De Lotto, dat is hetzelfde: je hebt daar iets meer dan vijf miljoen mogelijke combinaties. Bij elke trekking is mijn combinatie dus slechts één van de vijf miljoen mogelijkheden, maar toch is mijn kans één op twee: ofwel win ik, ofwel niet. En zo zie je dat ik de kern van de lessen van mijn prof wiskunde goed onthouden heb: "Met statistiek alles kan bewijzen wat je maar wil, zeker als je rekening houdt met de o zo menselijke eigenschap om verbanden te zoeken waar er geen zijn, als je ze maar voldoende cijfertjes op een logisch ogende manier geeft". Om dat te bewijzen vertelde hij een griezelig accuraat verhaal over een onderzoek in de jaren zestig.

    De noeste vorsers stelden een positieve correlatie vast tussen het aantal auto-ongelukken en de verkoop van nylons.

    Toen hij dat vertelde gingen mijn ogen open. Ik wist het ! Ik had het al vermoed en nu was het ook nog eens statistisch bewezen: nylons of panty’s zijn een waar gevaar voor de zorgeloze mannelijke chauffeur. Je rijdt rustig door een bebouwd kommetje, je volgt netjes het verkeer als plots, voor je het beseft, jouw aandacht getrokken wordt door een welgevormd been. De vormen verschuilen zich in een teder omhulsel, frêle spinrag wikkelt zich beloftevol rond die enkel, die kuit, die knie, hoger, en nog hoger, met als enig doel om goddeloze lusten op te wekken bij de argeloze man die er een blik op durft te werpen. Dit moet het enige doel zijn van die nylons want geen mens gelooft dat die dingen benen warm kunnen houden. En dan is het zover: het oog bereikt de omfloerste knie en wil de trektocht hogerop aanvatten als plots, knal, boem, de neus van jouw wagen zich in de koffer van jouw voorganger boort. Een auto-ongeval ! Maar nu ben ik gerustgesteld, nu weet ik hoe dit komt, dit wordt veroorzaakt door de statistiek.

    Toen bleek dat ik - net als mijn mannelijke collega-studenten trouwens - het verkeerd voor hadden.

    Een positieve correlatie betekent dat twee totaal verschillende zaken ongeveer gelijk op gaan. In ons voorbeeld dus: in de jaren 60 werden er meer ongevallen vastgesteld en werden er meer nylons verkocht. Maar dit betekent niet dat nylons ongevallen veroorzaken ! Het is meer waarschijnlijk dat er toen een goede conjunctuur was zodat de mensen meer konden kopen. Nylons bijvoorbeeld, maar ook auto’s. En hoe meer auto’s, hoe meer kans op ongevallen. Zo misleidend kan statistiek zijn. Dit is nu wel een sterk en sprekend voorbeeld, maar er wordt nog teveel met jargon gegoocheld. Want wie zit nu ’s morgens aan de ontbijttafel te mijmeren over die toch wel opmerkelijk positieve correlatie tussen het aantal kruimeltjes op tafel en het aantal besmeerde boterhammen? Ik niet in ieder geval, mijn voornaamste zorg is te weten hoeveel koppen koffie ik nog moet drinken eer die slaap nu eindelijk eens uit mijn ogen wil verdwijnen.

    Toch zijn veel mensen met kansberekening bezig. Of denken dat ze er mee bezig zijn. Kijk maar naar de beurs.

    Statistiek bij de vleet, en iedereen trapt er in. Ik zal het heel eenvoudig uitleggen, de moraal van het verhaal bekijk je zelf maar. Stel: je hebt een klein spaarpotje. Laat ons zeggen een miljoen of twee eurootjes. Het huisje is afbetaald, de 4 x 4 met kanjers van ijzeren staven voor het radiatorrooster (een bullbar) staat op de oprit. 4x4, bullbar ? Ja, want je krijgt jouw drie kinderen niet in de Porsche, nog minder in de Lamborghini, en het sinds de jaren zestig is toch zo gevaarlijk geworden om de kinderen naar school te brengen met al die nylons op de openbare weg ! Dus zeg je aan jouw vrouwtje: als we nu eens een miljoentje naar de beurs brachten ? Na twee dagen rekenen om na te gaan of er nog voldoende overblijft om te overleven - niptjes - neem je uiteindelijk de grote stap en zie, één jaar later brengt dit een extra miljoentje op.

    Dat is puur, dat is genieten, dat is honderd procent winst, probeer dat maar eens met een spaarboekje op de bank!

    Je doet dus nog een jaartje verder, maar nu blijkt plots dit een rampzalig jaar is. De index stijgt (leuk: je krijgt opslag), alles wordt duurder (helemaal niet leuk, want de opslag volstaat niet om dat allemaal te betalen), de rente op spaarboekjes gaat wel iets omhoog, maar o wee, dan blijkt plots dat de beurs gezakt is! Met vijftig procent dan nog wel. Jouw geld op de beurs is maar de helft meer waard. En er stond al twee miljoen op ! Maar wacht eens even.. Je blijft je natuurlijke zelf, doodkalm dus, en je begint alles met een frisse kop na te rekenen. Zo erg kan het toch niet zijn ? Verleden jaar hadden je honderd procent winst. En dit jaar vijftig procent verlies. Honderd min vijftig is toch nog steeds vijftig? Zie je wel: iedereen panikeert voor niets: na twee jaar, met de inzet van jouw schamele spaarcentjes, heb je nog steeds vijftig procent winst. Statistiek !

    Vrijdag win ik dus misschien de jackpot van de Euromillions. Eén kans op twee.

    P.S. Ergens gelezen, maar ik weet niet meer precies waar: "In de voetbalmatch Rusland - Verenigde Staten werd Rusland eervol tweede. De Verenigde Staten moesten zich met de voorlaatste plaats tevreden stellen."


    » Reageer (0)
    28-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Boek

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    "De eeuwige drieling".

    Dat was de titel van mijn eerste boek. En dat is hij nog steeds: de titel van een boek verander je niet zomaar van de ene dag op de andere. Stel je voor dat ze op school vragen om een boekbespreking te maken over "Kartonnen dozen" van Tom Lanoye en dat jouw definitieve bespreking uiteindelijk over het boek " Valiezen op wieltjes" handelt omdat hij in de tussentijd zijn titel veranderd had. Dat kan dus niet, en daarom heet mijn eerste boek ook nog altijd "De eeuwige drieling".

    Geschreven toen ik jong was.

    Heel jong zelfs: ik was nog geen twaalf. Kan ook niet, want na mijn twaalfde heb ik bijna niets meer geschreven. Vanaf die tijd tikte ik de meeste van mijn literaire gedrochten. Geleerd tijdens een cursus "Blind typen". Een grove leugen, dat was het, die cursus. We moesten letterreeksen lezen en ze netjes natikken, maar we hebben nooit geleerd hoe we ze konden lezen met de ogen dicht. Hier wijken we evenwel iets van het onderwerp af. Mijn eeuwige drieling, die was dus geschreven. Met de pen, geheel volgens de regels en de traditie van de grote schrijvers. Toen mijn nonkel pastoor het eerste brouwsel gelezen had was hij echt verrukt: de godsdienst zat diep in mij gebakken: eeuwig, drie, de drievuldigheid, kortom: het zag er echt beloftevol uit met die onderliggende katholieke boodschap. Wist ik veel, ik had heel wat anders voor ogen !

    Ik wou een succesvolle reeks schrijven en daarom baseerde ik me op mijn grote voorbeelden.

    Zoals ‘de Rode Ridder’. Niet die stripverhalen vol wulpse deernen, maar de boeken, de echte. Boek na boek trekt Johan, de Rode Ridder, ten strijde tegen de Saracenen. Of ’Drie jongens en een helikopter’, een reeks over – hoe kan het anders - drie jongens die een oude helikopter op de kop kunnen tikken en daarmee boeven in de gevangenis gooien. Dertig jaar later zijn de tijden veranderd: nu tikken boeven helikopters op de kop om uit de gevangenis te ontsnappen.

    De allerbeste reeks was wel die van de G7, de Geheime Zeven.

    Een groepje jongens en meisjes ontdekken allerlei complotten en ontmaskeren de gemene bandieten. Super ! Zo goed dat we zelf ook een G7 oprichtten. Zonder meisjes, dat spreekt vanzelf, want dat was het enige minpunt van die jeugdreeks: jongens spelen met jongens en meisjes met meisjes, ze maken geen gemengde groepen. We hadden zelfs een speciaal gecodeerd alfabet waarmee we onze boodschappen schreven, en als extra beveiliging schreven we zelfvernietigende brieven in onzichtbare inkt. Echt waar ! Ik ken de formule niet meer precies, maar de letters werden pas zichtbaar wanneer je het papier boven een kaars hield. Negen keer op tien hielden we de kaars te dicht bij de brief waardoor de boodschap in rook opging en zichzelf vernietigde. Ik vrees dat dit de reden was waarom wij geen enkel gemene bandiet ontmaskerden.

    Dit alles had ik dus voor ogen toen ik aan mijn boek begon.

    Ken je een beter uitgangspunt dan een eeuwige drieling? Ik niet. Je begint het verhaal ergens in de prehistorie, je zorgt voor een goede fee die hen eeuwige jeugd schenkt en je bent vertrokken voor een serie zonder einde. Eerst een boek of drie tijdens de prehistorie, dan een boek of vijf tijdens de historie, daarna bij de Romeinen, in de middeleeuwen met de Saracenen, een korte flashback naar het Oude Egypte, dan weer Napoleon, de eerste wereldoorlog en daarna wordt het wel tijd om te stoppen met schrijven. En om met de ontzaglijk grote winsten te rentenieren op Hawaï.

    Het idee was briljant en een logische voortzetting van mijn prille en succesrijke schrijverscarrière.

    Die is begonnen met karamelleverzen zoals "De meester staat vooraan in de klas, ik wou dat het al speeltijd was. De bel die wil nu maar niet gaan en als 't lang duurt dan is 't nie rap gedaan". In een tweede fase werden er literaire hoogstandjes afgeleverd met een A-B-A-B rijm. "De meester staat vooraan in de klas en de bel die wil maar niet gaan. Ik wou dat het al speeltijd was en als 't lang duurt dan is 't nie rap gedaan". Pas in het middelbaar leerde ik dat poëzie niet noodzakelijk moet rijmen. Dit werd me echt duidelijk tijdens de lessen Frans: ik kreeg er een grenzeloze bewondering voor de gedichten van Jacques Prévert. Dit mondde uit in mijn poëtische climax, aan de unief, tijdens de lessen van een prof die om de haverklap "euh" zei. De eerste lessen hielden we een wedstrijd "euh's" tellen, maar na 180 keer "euh" - na drie minuten dus - gaven we het meestal op. Over die professor heb ik mijn mooiste gedicht geschreven, vol dichterlijke vrijheid, à la Prévert. Je zag de prof zo voor je ogen. Het was een knettergek gedicht, maar wel compleet getikt. Niet dat het vlot verliep: tijdens het tikken heb ik toch een paar liter Typex gebruikt.

    Nu is het gemakkelijker.

    Met de computer kan ik schrappen, wijzigen en hele zinnen opnieuw schrijven tot mijn afgedrukte cursiefjes netjes op de vooropgestelde plaats eindigen: precies op het einde van een A4 pagina. "De Eeuwige Drieling" was helemaal niet getikt: twaalf bladzijden handschrift vol avontuur en spanning. Het verhaal begon in de prehistorie en op bladzijde twaalf zaten ze nog maar in de middeleeuwen. Uren leesplezier verzekerd dus !

    Jammer dat het geen successerie werd want dan zat ik nu al in Hawaï.


    » Reageer (1)


    Foto

    Foto

    Lees ook:

    Dringend
    Taxi driver
    Anesthesie


    Inhoud blog
  • Stress
  • Opi
  • Dringend
  • Worst
  • Orka
  • Crap
  • Badjas
  • Schwester
  • Koekoek
  • Catgut
  • Alfa
  • Donkerder blauw
  • Blond
  • Taxi driver
  • Betrapt
  • Baby blues
  • Madrid
  • Italië
  • Schoolstrijd
  • My Generation
  • Perfect
  • Lausanne
  • Nieuwjaar
  • Writer's Block
  • Groot Dictee
  • Anciens
  • Sinterklaas
  • Gebakken peren
  • Sint Maarten
  • Schoolfeest
  • Oud-strijder
  • Fawlty Towers
  • Marketing
  • Sorry
  • Instinkers
  • Lotto
  • Boek
  • Anesthesie
  • Chatten
  • All in
  • Ha !
  • Paardrijden
  • Spieken
  • Tuinieren
  • Kort
  • My car
  • Carpooltunnelsyndroom
  • Bredene
  • Comme chez soi
  • B.V.
  • Nooit...
  • Venetië
  • Zuster Zurulfa
  • Filesoof

    Foto

    Gastenboek
  • Eef op blogronde
  • Bezoekje Eef!
  • Op visite na de tropische bui!
  • vriendelijk bezoekje aan deze zeer mooie blog
  • Kunst

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek



    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    huaweitelefoonhoesjes
    www.bloggen.be/huaweit
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    muntenverzamelen
    www.bloggen.be/muntenv

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!