Foto
Foto
Filesofische gedachtensprokkels

Elke week een nieuwe column,
als het even kan...

"Filesofie:
een
samenstelling van de griekse woorden voor wagenrij en voor wijsheid.
Een beoefenaar van de filesofie wordt een
filesoof of wagendromer genoemd."
Anonymus.

Jarenlange files naar Brussel , uren in luchthavens, op de Thalys en in andere treinen gaven me de tijd om te filesoferen, jeugdherinneringen neer te pennen en gewoon wat te mijmeren.
Die tijd is voorbij, nu zijn het jarenlange files rond Aalst en Wetteren, maar de pennevruchten blijven...

Martin Steelandt

 

Een goede column moet zijn zoals een minirokje:

kort genoeg om de aandacht te trekken

en lang genoeg om de essentiële inhoud te dekken.

 

(naar meester Wilfried Criquelion,
speech naar aanleiding
van
40 jaar oudercomité,  
Tollembeek 13 april 2008)


Knappe blogs
  • Sprokkels: fijne verhaaltjes uit het leven gegrepen
  • Leven met ADHD
  • Het leven bij het openbare vervoer in A'pen. De moeite van het ontdekken waard.
  • Cursiefjes, een fijne kijk op de wereld. Een beetje filesofie ?

  • Link met het thuisfront, van een jonge avonturier in Canada
  • Follow the blue line
  • Filesofie

    Cursief durven denken.


    23-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paardrijden

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Paardrijden, dat lijkt me wel iets.

    De wereld zo eens vanuit een ander standpunt bekijken, hoog van op de rug van een edel dier, dat moet heerlijk zijn. Het idee kwam bij mij op toen ik onlangs – ik weet niet meer waarom - aan de Sint dacht. Hoe die man op hoge leeftijd op zijn witte schimmel kan klimmen en daarna met zo'n lange rok tussen zijn benen toch nog op een normale manier over de daken kan rijden, dat is voor mij altijd al een raadsel geweest. Daarom ben ik er dus aan begonnen, aan dat paardrijden. Met een schriftelijke cursus.

    Echt waar: een schriftelijk cursus !

    Een paar jaar geleden kregen we namelijk een uitnodiging voor een paarden- annex taalkamp voor kinderen en onze dochter zag daar wel iets in: Frans leren en tegelijk leren paardrijden, tof zeg. Als voorbereiding kregen we enkele pagina's Franse ruiterterminologie. "Le cheval", dat is het paard. Een paard heeft vier hoeven en op hoeven horen hoefijzers, "sabots". Een hoefsmid is dus een saboteur. Oeps, foutje: dat is een "maréchal". En op die manier leerde ik het paard kennen, van boven tot onder, van links naar rechts en van voor naar achter.

    Echt wat je nodig hebt als nieuweling in het vak.

    Met die indiepe kennis trokken we naar het paardenkamp en daar wilden de kinderen natuurlijk direct de paarden zien. Ik had nog wat jeugdherinneringen aan pony's, maar zelf had ik nog nooit een paard van dichtbij gezien. Wij dus naar de stallen, ik heel zelfverzekerd want je toont je toch niet zwak tegenover jouw kinderen, nietwaar ? En plots stonden ze daar: het ene beest al woester dan het andere. Een paar saboteurs stampten keiluid met hun hoeven tegen de stalpoorten, een paar andere toonden hun glinsterende tanden en beten naar mijn haren, wat niet moeilijk was want die waren al verre ten berge gerezen. Zo'n monsters ! (Let wel: die paarden, niet mijn haren).

    Eentje sloeg zelfs op hol.

    Wat later, toen mijn eerste schrik over was, bleek dat niet het paard maar wel mijn verbeelding op hol geslagen was. Toch hield ik liever wat afstand want ik had niet verwacht dat ze een schofthoogte van meer dan anderhalve meter konden hebben. Een week later, toen we onze dochter terughaalden, ging het natuurlijk heel wat beter. De fiere ouders mochten de laatste rijles bijwonen en ik moet toegeven: het feit dat onze dochter zo handig met die grote dieren omsprong, dat deed me wel iets. Zij deed dat zo vlot, dat wou ik ook leren. Daarom heb ik heel goed geluisterd naar haar verhalen. Ik leerde opnieuw hoe zo'n paard ineensteekt, nog eens van boven tot onder, van links naar rechts, van voor naar achter en zelfs hoe je zo'n paard moet bestijgen. Ja: bestijgen! Je stapt in een auto, je stapt op een motor maar je bestijgt een paard.

    En pas op, dat is geen kattenpis !

    Je staat naast het paard en je fluistert lieve woordjes in zijn oor tot het stil blijft staan. "Stil staan paardje!" lukt al aardig maar nog beter is het klassieke "Wooow peird !" Als het vurige ros eindelijk ter plekke blijft moet je jouw been in de stijgbeugel steken. Dat lukt redelijk goed bij pony's maar zodra je die mannen van anderhalve meter en meer naast jou krijgt gaat het niet zo gemakkelijk meer. Probeer het maar eens: je moet jouw buitenste voet tot in de beugel laten stijgen, en die bengelt daar zo'n meter twintig boven de grond. En meestal wil die dan ook niet meewerken zodat je daar maar onnozel staat te wezen met jouw buitenste voet ergens tussen de borst en de kinnebak. Erop letten dat het paard blijft staan, erop letten dat je jouw voet niet op je bakkes schopt en dan die stijgbeugel die daar maar hangt te lachen, doe het maar! Waarom heeft er nog niemand aan gedacht om elastiekjes aan die beugels te doen, dan kan je ze toch gewoon wat naar beneden trekken?

    Maar goed, eenmaal die voet in die stijgbeugel staat wordt het echte kunst.

    Je moet het paard stilhouden wat niet zo evident is want dat beest voelt heel wat gewicht aan één kant en wil dat natuurlijk compenseren, tegelijkertijd moet je jouw andere voet over de rug van het paard zwieren en in de andere beugel krijgen en heel belangrijk: je mag de achterkant van het paard niet raken want anders panikeert het en dan schiet het vooruit.

    Gebeurt dat toevallig wel dan is er maar één oplossing.

    Zo snel mogelijk een steuntje zoeken. Je hebt geluk als je jouw been nog over zijn rug krijgt en snel in de stijgbeugel kan stappen. Je bent deze keer wel blij dat die beugel nu net niet met een elastiekje vasthangt want anders was het zware miserie geweest. Voel je jouw voet in een zachte, warme en stevige holte die helemaal niet koud, hard en metaalachtig aanvoelt, dan ben je nog niet bij de beugel aangeland. Je bent halverwege blijven steken, zo ongeveer in de buurt van de staart. En als paarden ergens helemaal niet tegen kunnen, dan is het dat iemand de holte onder hun staart voor een stijgbeugel aanziet. Dan staat er niemand meer in voor de gevolgen, dan is dat edel ros tot alles in staat. Echt tot alles !

    Wil iemand nog weten waarom het paard van Sinterklaas over daken kan lopen ?


    » Reageer (1)
    15-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spieken

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Ze eten papier en schrijven op hun billen!

    Ik las het met heel veel interesse toen ik in de wachtkamer bij de tandarts en onze zoon in zijn examenperiode zat (vandaar die interesse). Het artikel stond in het gekende magazine waarmee onze jeugd op de trein aan de andere kunne te kennen geeft dat ze helemaal niet openstaan voor nadere contacten, omdat ze anders geen berichtje in “Uitlaat” kunnen schrijven over dat leuke meisje/die leuke jongen met witte T-shirt en blauwe jeansbroek dat/die ze niet durfden aanspreken, waardoor ze de toch wel leuke reacties van de Uitlaatcommentaar mislopen. Inderdaad, dàt gekende radio-en tv blad dus. Humo. Het was een recent exemplaar, net geen twee dagen oud. Wat heel veel zegt over de kwaliteit, of het gebrek eraan, van deze tandarts. Bij druk bezette gezondheidswerkers vind je magazines van weken, zoniet jaren oud, bij hem lagen tijdschriften van ocharme amper twee dagen geleden. Hij had dus tijd zat om ze vooraf te lezen. Toen ik een uurtje later met mijn mond vol vuur huiswaarts strompelde begreep ook ik waarom. Echt veel volk kan daar niet komen.

    Maar ondertussen weet ik dat studenten tijdens de blok papier eten.

    Eerst voelde ik me er niet goed bij: als bewuste ouder probeer je jouw kind de echte waarden van het leven mee te geven. Aan het begin van elk academiejaar gaat een lange en diepgaande studie vooraf waarbij de gemiddelde prijzen van de Aldi en de Lidl in het dorp, de Colruyt en de Carrefour in de nabije stad, de Karmeliet in Brugge en ’t Hof van Cleve in Kruishoutem grondig bestudeerd worden om het zakgeld van de jonge student op een eerlijke en rechtvaardige manier vast te leggen. Niet te weinig om zeker niet te verhongeren maar ook niet te veel om aan alle verleidingen van de vele cantussen, fuiven en lonkende cafés te kunnen weerstaan. En dan lees je dat ze tijdens de examens papier eten ! Je voelt je zwaar schuldig, tot je verder leest. Dat rituele papier eten legt namelijk het einde van een stressvol examen vast.

    Het werkt als volgt:

    eerst leest de student heel aandachtig en nauwgezet zijn cursus. Daarna sprint hij naar de nachtwinkel en koopt daar een boekje sigarettenblaadjes (alle sterken verhalen over de blokperiode spelen zich ’s nachts af, heb je dat ook al gemerkt?). Vervolgens legt hij zijn cursus voor zich en noteert hij hoofdstuk per hoofdstuk, in minuscuul kleine lettertjes, de kernpunten op een sigarettenblaadje. Dan volgt de creatieve fase: hoofdstuk 1 wordt in het borstzakje gestopt, hoofdstuk 2 in de rechterbroekzak, hoofdstuk 3 in de linkerkous en zo verder, en om te besluiten volgt er een doorgedreven trainingsfase. De student snort alle examenvragen van voorgaande jaren op, een luxe die men zich nu dank zij het internet kan permitteren, vroeger kon dit helaas nog niet. Voor elke vraag probeert hij zich te herinneren in welk hoofdstuk hij het antwoord kan vinden en tracht dan ongemerkt het correcte papiertje te vinden. Hij bekijkt zijn samenvatting, formuleert een antwoord en controleert of het correct is. Het spreekt vanzelf dat de papiertjes na deze trainingsfase volkomen onbruikbaar geworden zijn. Daarom wordt fase twee - kernpunten op sigarettenblaadjes noteren - opnieuw uitgevoerd, eventueel voorafgegaan door een hernieuwd bezoek aan de nachtwinkel. En uiteindelijk doorloopt de student een vlekkeloos examen. Wanneer de vragen van een hoofdstuk volledig beanwoord zijn eet hij het sigarettenblaadje op, en op het einde van het examen volgt de rest.

    Een ietwat rare studiemethode maar toch een mooi ritueel, zo op het einde van het examen de leerstof tot zich nemen.

    Meisjes hebben nog een andere methode: eenvoudiger maar volop gebruikmakend van hun psychologisch inzicht in de drijfveren van de mannelijke en vrouwelijke medemens. Ze schrijven niet op sigarettenblaadjes, daar doen ze niet aan mee want nachtwinkels bezoeken is niet zo hun ding. Nee, fase twee is bij hen: de leerstof in kleine lettertjes op de billen neerpennen en voilà: de blok is voorbij, laat de examens maar komen! Een kort rokje aantrekken en de psychologie kan beginnen. Een beetje mannelijke leerkracht is in eerste instantie uiteraard sterk gevleid door de hem geschonken aandacht, het meisje heeft zich namelijk met veel zin voor essentiële waarden gekleed, maar daarna bedenkt hij zich, wetende dat dit sensuele manoeuvre bedoeld is om zijn streng maar rechtvaardig beoordelings¬vermogen te vertroebelen en nee, daar trapt hij niet in. Na dit verhelderende inzicht wil hij geen seconde meer kijken naar de – geef toe: aantrekkelijke – benen die onder het rokje uitsteken. Bij vrouwelijke leerkrachten werkt het nog efficiënter: sexy opgetutte sexegenoten worden eerst minachtend bekeken en daarna ostentatief genegeerd. Zo kan de jonge studente ongestoord de antwoorden van haar billen aflezen.

    Een mannelijke collega-student had van dit trukje gehoord.

    Tijdens het examen werd hij betrapt. De surveillant vond die ene broekspijp, bijna tot aan de spriet opgerold, toch wat merkwaardig. Een echte man heeft het duidelijk moeilijker om op een correcte wijze te spieken.


    » Reageer (0)
    09-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tuinieren

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Jaren geleden wou mijn – toen nog - zoontje (nu: zoon) een groententuintje.

    Dat was schrikken, want ik ben niet met groene vingers geboren, het waren veeleer kleine rozige vingertjes. Kort na mijn geboorte toch. En ik heb ze nog nooit groen gezien. Pech natuurlijk wanneer je, zoals ik, een medium grote tuin hebt. Gras afrijden is nog gezellig: gemiddeld duurt een snoeibeurt slechts drie uur, en dat is redelijk haalbaar. Ik heb namelijk drie buren: twee langszij en één wiens tuin achteraan aan de mijne grenst. En die voeden zich met geluid. Het geluid van grasmachines. Vermoed ik. Want telkens ik mijn gras snoei komen ze buiten om een praatje te slaan. Gezellig is het wel en zo blijf ik tenminste op de hoogte van het weer, de politiek, de sport en het leven in ons dorp. De hoek met bomen was ook een goede investering, want daar kan ik mijn gras- en snoeiresten kwijt en dat helpt perfect om het onkruid weg te houden. Maar dat is het zowat.

    Ergens las ik “Tuinieren is de natuur beletten zijn ding te doen”, en daar vind ik me helemaal in terug.

    De zone met bloemen en bloeiende struiken, die is op geregelde tijdstippen een echte ramp. Zevenblad, paardenstaart en paardenbloem, boterbloem en brandnetel, ze groeien en bloeien allemaal sneller dan de andere bloemen en de struiken. “Ja, dat moet je niet zaaien, hé”, zeggen de buren dan. En dan spreek ik nog niet van de mollen. Erger dan de metro van Charleroi: teveel ondergrondse gangen en compleet nutteloos. En ik krijg dat niet onder controle. Zo begrijp je misschien mijn paniek toen mijn zoontje een groententuintje wou. Maar ja, als vader kan je zoiets niet weigeren, het goddelijke gevoel dat je jouw kinderen iets kan leren, dat is zo heerlijk. Daarbij zijn groenten uit de tuin heel gezond. We begonnen er dus aan. Maar je kent dat: je hebt pas gebouwd en dan komt de tuin op de laatste plaats. Dus was de tuin voor drievierde weide.

    Voor verstedelijkte medeburgers: een weide, dat is gewoon wat gras.

    Mits gebruik van een goede grasmachine kan je er zo de schijn van een proper gazon op nahouden. En weidegrond is ook heel vruchtbare materie wegens jarenlange besproeiing door natuurlijke mest, rechtstreeks van de bron, ideaal dus voor een groentetuin, dus dat zat goed. Ik wou niet te overmoedig beginnen en daarom spitte ik slechts een stukje van twee op vijf meter om. Tweemaal niets als je het vergelijkt met het volledige terrein. Toen mocht de zoon kiezen wat er in die groentetuin kwam. Radijsjes? Goed: twee lijntjes radijsjes gezaaid. Worteltjes? OK, drie lijntjes worteltjes zullen wel lekker smaken. Sla ? Goed, wat slazaadjes gekocht en ze in de grond gepoot. Prei moest er ook komen, en verder, als experiment, wat dille en een bosje peterselie. Restte nog twee op drie meter voor de aardappeltjes.

    De zoon was heel tevreden: zijn groententuintje was in orde en papa had goed gewerkt!

    En kijk: een week later begonnen de eerste vruchtjes al hun kopje boven de grond te steken en nog eens twee weken later zagen we de eerste echte resultaten. Nu moet je weten dat ik door mijn job alleen tijdens het weekend tuinier kunnen spelen, dat het in België twee weekends op drie regent, en dat we meestal net toevallig tijdens dat andere weekends bij familie of vrienden verwacht worden...Perfect voor onkruid, als eerste resultaat. Dus snel even wieden, drie weken later nog eens en kijk: de radijsjes waren rijp en klaar voor consumptie. Alle radijsjes! Twee maal vijf meter radijzen en toen bleek pas dat ik in huis de enige ben die radijzen lust. Wat we wel graag aten – sla -, dat wilde dan weer niet kiemen. Geen sla uit de tuin dus dat jaar. De aardappelen vielen gelukkig wel mee. Schone knollen, en heel lekker. Maar onze worteltjes waren het grootste succes. Kanjers van drie vingers dik, zonder ook maar één wormgaatje of rot stuk. Perfecte dingen, prima kwaliteit.

    En zo heb ik het geheim van goed tuinieren ontdekt.

    Dat heuglijke feit werd namelijk pas in de annalen vastgelegd na vier weekends regen en twee weekends familiebezoek, je kunt je dus de toestand van mijn onkruidtuintje voorstellen. Na een volle namiddag wieden zagen we eindelijk dat er tussen het onkruid ook wortels stonden, in een perfecte toestand. Wie even logisch nadenkt en zijn hoofd onder de grond steekt ziet duidelijk hoe dat kon: de regenwormen, torren en ander ongedierte dat zich gewoonlijk een bult vreet aan jouw peentjes kon zich bij ons veel meer keuze permitteren. En geef nu toe: als je kan kiezen tussen elke dag hetzelfde boterhammetje met choco of een gevarieerd menu met vijf gangen, dan is jouw keuze toch ook snel gemaakt? Mijn ongedierte houdt ook niet van een eenzijdig dieet en liet mijn worteltjes dus voor wat ze waren. Het festijn aan ander onkruid was te kleurrijk om eraan te weerstaan, en ik had dus echte prijsbeesten van wortels. Let wel: dit was mijn enige echte jaar als boer en tuinder. Na dat groene jaar bleef dat stukje land eerst een paar jaar braak liggen en daarna gaf mijn buurman een scheutje van een pompoenplant. Dat was de oplossing: twee vierkante meter wordt in geen tijd door één enkele plant bedekt, zonder onkruid.

    Ben ik even blij dat ik geen groene vingers heb!


    » Reageer (0)
    01-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kort

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    "Ik moet je iets vragen wat ik in mijn ganse leven tot nu toe nog maar aan één enkele vrouw gevraagd heb...".

    Enkele seconden stilte aan de andere kant van de lijn. Ik zag de vraagtekens in die ogen, misschien een vleugje twijfel, wie weet, en ik hoorde die gedachten door haar hersenen zoeven: "Wat is me dat nu? Wat betekent dat? Wat steekt er achter die vraag? Waarom vraagt hij nu zoiets?" Al die vragen werden samengevat in een stil, klein "Ja?". Na mijn verduidelijking kwam een kleine zucht van opluchting, een zucht die ik volledig begreep, want ik voelde hetzelfde. Het was voor mij ook moeilijk geweest, maar het was eruit. Oef, ook een zucht van opluchting. Het komt dan ook niet vaak voor dat iemand dit, na veertig jaar, stel je eens voor: na veertig jaar, aan een andere vrouw moet vragen. We hebben afgesproken om er meteen maar korte metten mee te maken. Hoewel, zo kort moesten die metten nu ook niet weer zijn, want kort, dat was nu net het probleem. Veertig jaar lang was de vraag "kort of lang" de inzet van een stille strijd. Bij momenten was het heel kort, op andere, meestal na wekenlang uitstel, was het dan weer lang.

    Tot het gebeurde.

    "Kom jongen, het wordt zo stilletjesaan tijd dat we er iets aan doen, nietwaar?". Meestal kon ik de feiten dan nog een paar dagen uitstellen, maar daarna was het onherroepelijk. Ik moest op een stoel zitten, kreeg een soort laken rond mijn nek geknoopt, een tweede werd over mijn broek gedrapeerd, en daar kwamen de schaar en de kam naar boven. Knip, knip knip. Met stille kreetjes vlogen mijn haren op de grond. Toen ik klein was, was het niet zo erg: ons moeke knipte onze haren, en dat was zeer gewoon. Ze had het geleerd van haar papa, onze pepe, toen die grijze haren begon te krijgen. Die grijze haren waren noodzakelijk, want zo viel het niet op als ze een "kap" sneed. Zo'n "kap", dat is een stukje kapsel (toeval: kap, kap-sel?), een stukje kapsel dus dat mishandeld werd: het lijkt net alsof er een snee in steekt. In die volle veertig jaar heeft mijn haardos toch één à twee keer zo'n snee, zo'n kap, mogen meemaken. Gevolg: verwoede pogingen tot herstel en des te meer gesneuvelde haren.

    Resultaat: kort, heel kort.

    Maar zonder snee. Het valt me steeds opnieuw op dat onze pepe op geen enkele foto met lange haren prijkt. Even tussendoor, voor alle duidelijkheid: ik heb mijn moeder heel dikwijls, vanwege veel mensen moeten feliciteren met mijn haarsnit, die toch steeds weer de mode volgde. Tot hier het tussendoortje. Het was niet evident, als kind was het zelfs een echte verschrikking. Ken je dat marteltuig, die tondeuse? Zo'n ijskoud ding, tijdens de middeleeuwen uitgevonden in de diepste kerkers van een luguber slot. Schjtskjk schjtsjk schjtsjk zegt dat, daar achteraan in de nek, net op dat kleine stukje ruggengraat. Koude rillingen krijg je ervan, erger nog dan bij een Eskimo die buiten, tegen de wind in staat te plassen. Ons ma had er een koosnaampje voor gevonden. Ze noemde het de kielekiele. Alsof dit onding ons kietelde. Toch lief van haar; zoals ze dat sadistisch tuig vooraf eerst over haar schort en daarna over haar hand wreef, om dat ijskoude metaal toch even op te warmen, al was het maar enkele graadjes, allemaal om ons te sparen. Het hielp toch een beetje, want ons mama deed het voor ons. Maar die tondeuse, die zagen we toch liever terug in Siberië dan daar in onze nek.

    Achteraf beschouwd was dat het minst erge.

    We werden een dagje ouder en we kregen oog voor de indirecte gevolgen van mei 68. Haren werden plots lang gedragen, zowel door jongens als door meisjes. Heb ik moeten zagen om die mode te mogen volgen! Zagen man, je hebt er geen idee van! Telkens een paar dagen langer uitstel verwezenlijken, de ene keer omdat ik nog moest studeren, dan weer omdat het examens waren. Hoe dikwijls heeft ze me niet gezegd dat ik er als een echte Beatle uitzag, en dat was niet als compliment bedoeld. Dan kon alleen een klaaglijk "allee toe ma..." haar hartje doen smelten. Om een lang en pijnlijk verhaal nu even kort te knippen: toen ik achttien was vielen mijn haren ongeveer tot op mijn schouders. Eindelijk. Oef. En bij de volgende kapbeurt zei ik telkens: korter.

    Nog korter.

    Nog. Mijn ma was verbaasd en ze bleef maar knippen. Centimeters en centimeters haargroei verdwenen in het niets. Mijn oren werden zichtbaar, de kielekiele vloog weer in mijn nek, en ik had opnieuw een fris kopje. Nu ben ik de veertig al lang voorbij en mijn leven begint opnieuw. Onlangs zag ik een jonge ex-collega, die me de bijnaam "voadre" gaf, omdat ik zo zwaar over futiliteiten kan zagen. "Voadre" zei die, "ge zijt een echte Beatle". Opnieuw lange haren, inderdaad. Een hele dikke, semi-lange haarbos. Bij mijn laatste bezoek aan ma vroeg ik of ze mijn haren even kon knippen, maar niet korter, enkel wat uitdunnen. "Oeie, dat kan ik niet, daar heb je een speciale schaar voor nodig, en die heb ik niet." Daarom heb ik dan maar, met lood in de schoenen, naar een kapster gebeld. Als je nu nog wilt weten wat ik haar vroeg, dan heb je het begin van dit cursiefje niet goed gelezen. Dat start zo ongeveer negenhonderd woorden terug. Ik vroeg haar dus of ze mijn haar wou snijden.

    Het antwoord was negatief.

    Een kapster snijdt geen haar. Althans, niet in Vlaams-Brabant. In West-Vlaanderen misschien wel, maar hier niet. Hier worden haren geknipt. In een gezellig cosy salonnetje, met een koffietje. En in mijn geval met knikkende knieën, ogen meer dichtgeknepen dan open, zenuwen dat het niet mooi meer is en een enorme grote opluchting achteraf.

    Maar dat is een totaal ander verhaal.


    » Reageer (1)
    24-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.My car

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    ‘My car is like a woman’, las ik onlangs op de achterruit van een wagen.

    Toen ik in de file iets dichter bij die wagen stond zag ik ook het onderschrift: ‘if it ain’t yours, don’t touch her'. “Dat zouden ze op alle wagens moeten hangen” zei mijn vrouwtje. “Groot gelijk, schat”, zei ik. Zo ben ik: ze krijgt gelijk. Dit zijn we overeengekomen toen we trouwden. Ik heb altijd gelijk, en zij elk jaar toch ook een keertje. Even heb ik gedacht om dit in een huwelijkscontractje te gieten, maar toen leek het te gek om los te lopen, ik kreeg toch altijd gelijk. En zij slechts een keer per jaar. Het eerste jaar was dat met Pasen, het tweede jaar met Valentijn en het derde jaar op 15 augustus (in de USA gekend als Mary-take-off, hier als OLV Hemelvaartsdag).

    En op 16 augustus. En op 17 augustus.

    Toen had ik de bui al moeten zien hangen, maar we waren jong en verliefd. Op 1 januari van het volgende jaar begon het. “Proficiat, schattebout !” zei ze. “We zijn nu 1989, nietwaar ?”. Naief als ik was antwoordde ik “Natuurlijk, wat dacht je ?”. “Hee”, zei ze, “je geeft me gelijk”. Sinds die dag heeft het me verschrikkelijk gespeten dat we geen sluitend huwelijkscontract hadden ! In mijn verliefde vrijgevigheid wilde ik haar gerust een keer per jaar gelijk geven, maar verder hadden we dat niet gedetailleerd. Niet “één dag”, “één maal” of “voor één enkel feitje”, nee. Een keer, zonder meer. Sedert die bewuste nieuwjaarsdag van 1989 begint die ene keer telkens op 1 januari om 00:00 uur en op 31 december om precies 24:00 uur is het afgelopen. Elk jaar opnieuw laat ik me vangen, geef ik haar op nieuwjaar even gelijk, en lap, we zijn weer vertrokken. Gelukkig is dit allemaal niet waar.

    Maar zodoende is het een feit dat alle wagens een sticker moeten dragen waarbij ze vergeleken worden met een onaanraakbare vrouw.

    Een Iron Lady dus. Ik kan er wel inkomen: als er in het huisgezin al twee wagens gestolen werden denk je er wel even aan: niemand komt er nog aan ! Achteraf beschouwd was die eerste keer toch een beetje grappig. Een echte sketch voor Mister Bean. Ik sloot de gordijnen voor het slapengaan en zag onze wagen nog netjes aan de overkant van de straat staan. De volgende morgen werden we heel vroeg wakker gebeld. “Hallo meneer, met de rijkswacht, om u te melden dat uw gestolen wagen teruggevonden is.” Met mijn hersenen nog op slaapstand zei ik tegen die man “Een ogenblikje meneer”. Naar het venster gelopen, gordijnen geopend en daar was ze: die grote leegte op de plaats waar een paar uurtjes geleden de wagen nog stond. Daarom ben ik meer dan akkoord: if it ain’t yours, don’t touch her. En toch…

    Stel dat we ‘My car is like a woman’ letterlijk mogen nemen, dan heb ik het er wat lastig mee.

    Nu geef ik grif toe dat ik, als man, oog heb voor de rondingen, de glitter, de glamour en de uitstraling van de hostessen die je tijdens het autosalon rond, op en in de wagens vindt. Heel wat wagens mogen er trouwens ook wel zijn, maar in de meeste gevallen doorstaan ze de vergelijking met die hostessen toch niet. Stel dus dat een wagen een vrouw is, dan heb ik een probleem. Om te beginnen moet je in de wagen plaatsnemen.

    In de wagen, qua symbool kan dat tellen.

    Terug naar de moederschoot, tijd voor het pre-oedipaal syndroom. Stil zitten, nu en dan eens met de handjes en de voetjes bewegen, netjes beschermd door een zachte zetel, beschut tegen weer en wind, temperatuur precies op peil, de geluiden van de buitenwereld zachtjes gedempt, echt een veilige cocoon. Tenzij je natuurlijk in een occasiewagen van het zevende knoopsgat stapt, dan lijkt het ’s winters meer alsof je in een eskimo baarmoeder zit en ’s zomers in een Somalische uterus. Telkens wanneer je uitstapt beleef je jouw geboortetrauma opnieuw. Uit de cocoon, recht de harde wereld in. Gedaan met de vrede en rust. Let wel: het geboortetrauma kan ook een opluchting zijn, zeker indien je uit die zevende-knoopsgat-wagen stapt.

    Maar goed, terug naar het onderwerp: als je het op die manier bekijkt, dan kan je wel beamen dat een wagen een vrouw is.

    Ik durf die vergelijking evenwel niet te ver doortrekken, want er is meer. Veel meer. Blijf even in de sfeer van de moederfiguur. Waar stop je jouw boodschappen, en waar haal je ze weer uit ? Juist: de koffer. Die bewuste sticker die jouw wagen vrouwelijke eigenschappen toedicht lacht jou van op de achterruit toe. Je haalt de boodschappen uit de koffer. Aan de achterkant van de wagen. Dicht bij de uitlaat.

    Nee, deze gedachte werk ik niet uit; laten we het op de vrouw in het algemeen houden.

    Jouw wagen is al een paar jaartjes oud, de eerste verliefdheid is over, het is liefde geworden, je bent elkaar gewoon, jij en jouw wagen, en dan komt die avond dat je met oude vrienden en vriendinnen gaat stappen, eventjes helemaal alleen, de wederhelft blijft thuis, geen zin. Sleuteltje in het stopcontact en … niets. Geen beweging, geen lichtjes op het dashboard, geen klank uit de radio, helemaal niets. Je bent een volhouder, dus probeer je het nog eens, maar de wagen houdt langer vol. Resultaat: na een halfuur ga je terug in huis. Jouw wederhelft kijkt verbaasd, en jouw reactie is simpel: “Vanavond niet, schat”. Bij dergelijke problemen is er slechts één oplossing: de wagen-gynecoloog. Uw garagist opent de motorkap. Even kijken, even voelen, met een uitgebreid instrumentarium de inwendige organen herstellen en de wagen is weer op de been. Opgelet: hier is de vergelijking met een vrouw bij de meeste wagens niet correct: er bestaan maar een paar modellen met de motorkap dicht bij de uitlaat. Maar dat zijn dan echt sexy modellen.

    En zo kunnen we blijven filesoferen over de vraag of een wagen inderdaad met een vrouw te vergelijken valt.

    Maar voor mij is dat niet noodzakelijk zo. Je kan het ook vanuit een ander standpunt bekijken en wat andere eigenschappen onderzoeken Dan is een wagen misschien als een man: avonturier, krachtig, een beetje ruig, meestal stil maar luidruchtig als het moet, en vooral: je komt heel snel waar je moet zijn.

    Maar tja, voor het ogenblik heeft mijn vrouwtje gelijk.


    » Reageer (0)
    16-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Carpooltunnelsyndroom

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Het intikken van deze tekst valt me heel moeilijk.

    Ik heb namelijk last van het carpooltunnelsyndroom. Beter gekend onder de medisch correcte naam carpale tunnel syndroom of carpaaltunnelsyndroom, maar ik vind die carpool toch veel leuker. Het syndroom daarentegen, dat kunnen ze steken waar ik het denk. Een paar maanden geleden had ik problemen in dezelfde regio: toen had ik een springduim. Je leest het goed: een spring-duim. Toen die diagnose gesteld werd dacht ik dat de dokter een slagje van de molen gekregen had: mijn duim sprong niet, eens geplooid bleef hij geplooid en moest ik hem met de andere hand opnieuw rechttrekken. Met springen, zoals kangoeroe’s in de Australische vlaktes of gazelles in de Afrikaanse vlaktes, had dat niets te maken. Maar goed, met een kleine ingreep werd dit euvel nogal snel verholpen.

    En nu heb ik dus dat carpooltunnelsyndroom.

    Ik heb het woordje ‘carpooltunnel’ via Google opgezocht - ik dacht namelijk dat het compleet fout was - maar ik vond waarachtig een aantal links. Carpooltunnel is een Java class (voer voor informatici), het is ook een CD van de groep Bend (voer voor new age liefhebbers), en tot mijn grote verwondering vond ik ook een verwijzing naar foto’s van een ingreep op de carpale tunnel. Gevoelige zielen onthouden zich best, andere zielen kunnen de foto’s op eigen risico aanschouwen, liefst met een emmer in de buurt en niet net na de maaltijd. De website vind je via http://www.hayesclan.org/images/carpooltunnel/. Klik op de bestanden die eindigen op .jpg, en voilà: je krijgt foto’s die de beste horrorfilm waard zijn. Ik mag er niet aan denken dat ze dit op mijn pols moeten uitvoeren: opensnijden, aan pezen en zenuwen trekken en weer dichtnaaien… Jakkes !

    Maar we wijken af van het carpooltunneltje, dat ik veel liever hoor dan dat statige carpale tunnel syndroom.

    Die carpool maakt het leven draaglijker en het helpt me de symptomen te verklaren. Want wie begrijpt nu de volgende zin: het carpale-tunnelsyndroom is een klachtenpatroon veroorzaakt door een beknelling van de nervus medianus in het verloop van de carpale tunnel ? Niemand toch ? Een normale reactie zou zijn: ‘En dan ?’ Maar stel nu dat ik je vertel dat mijn vingers voortdurend tintelen, dat het lijkt alsof ik drie handschoenen boven elkaar draag, dat ik geen speld meer kan oprapen omdat ik mijn vingertoppen niet voel (en ook omdat ik zelden spelden vastneem en de kans dat ik er een laat vallen dus gering is), dat er elke vijf minuten een elektrische stroomstoot vanuit mijn pols naar mijn vingers en naar mijn bovenarm springt, dan voel je toch medelijden ?

    Om de pijn te verlichten stel ik het me als volgt voor: er loopt een autosnelweg van mijn hersenen tot in mijn vingertoppen.

    Op die autosnelweg rijden autootjes op en af die alle prikkels van mijn handen naar mijn hersenen voeren en met de opdrachten van mijn hersenen terugkeren. Een voorbeeldje: ik streel zachtjes de zachte huid van mijn vrouw maar ik trek mijn vingers snel weg wanneer ik me aan een cactus prik, omgekeerd zou namelijk heel erg zijn. Nu moeten die autootjes met die prikkels en opdrachten frequent door tunneltjes rijden, en één van die tunnels is de gevreesde carpooltunnel. Die is te vergelijken met de verouderde tunnels aan de noordoostzijde van het Gardameer in Italie, tussen Gardone en Riva: nauw en niet verlicht terwijl iedereen daar aan overdreven snelheid rijdt – toeristen uitgezonderd -. Bij mij is die tunnel nu nog nauwer en daar hebben de bestuurders van de autootjes een oplossing voor gevonden. Ze stoppen midden in de tunnel, parkeren hun wagentje, stappen uit en rijden dan mee met een collega. Zo zitten ze dan met drie of vier in één wagen.

    Carpoolen noemen ze dat.

    Helaas geeft dat wel wat problemen, en die problemen, dat zijn mijn kwalen. De bestuurder van het wagentje rijdt natuurlijk naar zijn hersendeeltje en geeft daar zijn prikkel af. De medereizigers zijn zodanig gedrild dat ze ook hun prikkel afgeven, maar op die manier komt minstens één op de twee prikkels verkeerd terecht. Ik voel dus maximum de helft van wat ik zou moeten voelen. Mijn hersenen reageren op basis van deze beperkte informatie, en geven dan onvoldoende bevelen. Resultaat: ik laat mijn sleutels vallen, ik tik op de verkeerde toetsen, ik zet onvoldoende kracht om een flesje te openen. Grove opdrachten zoals een kruiwagen vervoeren, bergen zand scheppen of een muurtje metselen lukken dan wel weer omdat in dit geval één op twee prikkels en bevelen voldoende zijn. Maar dat is nog niet alles.

    Wanneer een wagentje opnieuw door die carpale tunnel rijdt willen de macho’s onder de carpoolers terug naar hun eigen wagen.

    Dat kan ik goed begrijpen, want stel dat je met een Porsche of Lamborghini reed en zonet een carpooltripje naar de hersenpan gemaakt hebt in een oud model Lada, dan zou je zelf ook wel terug in jouw eigen droomwagen willen stappen. De macho carpoolmannetjes doen dat dus ook, en om het tijdverlies goed te maken geven ze eens goed gas. Ik denk dat mijn zenuwbaan veel snelle wagens bevat, want ik voel ze accelereren. Ik kan het niet beter beschrijven dan als een stroom mieren die continu over mijn hand loopt, of als een electrisch stroompje dat nooit stopt. Als apotheose is er nog de spontane tunnelvernauwing wanneer ik mijn pols plooi. Stel je de paniek in die tunnel voor: tijdens het plooien komen de muren van de tunnel op de Lada’s af, de macho’s met de snelle wagens springen eruit en stormen naar hun Ferrari of andere speedcar, maar ook de kereltjes met iets minder snelle wagens verlaten de Lada’s en sprinten naar hun auto. En ze verlaten de tunnel zo snel mogelijk, allemaal samen. Resultaat: een stroomstoot van jewelste richting hand en een even sterke stroomstoot richting schouder. Pijnlijk is het wel, zo’n carpooltunnel.

    Ik wens het niemand toe. Maar ondertussen droom ik toch van mooie, snelle wagens.


    » Reageer (0)
    08-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bredene

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Ik ben geen naturist, ik zeg het direct.

    Maar ik ben heterofiel en ik heb gewoon geen zin in pottenkijkers op het naturistenstrand. Zie je het tafereeltje al voor jouw ogen? Je ligt braafjes op jouw strandlaken, een vleugje wind laat wat zandkorreltjes over jouw bips strelen, jammerlijk genoeg glijdt er nu en dan een korreltje netjes tussen de billen, precies waar het niet moet, en net als je wilt opstaan om jouw derrière even van het overtallige zand te ontdoen komt er een textieltoerist aanwandelen. Het spijt me, maar in dit geval mag er een zandberg op mijn achterste liggen, op dat moment sta ik gewoon niet op. Wat denken die textielsponsors wel ?

    Aan de ingang van het strand staat er heel duidelijk, in grote letters: “naturistenzone”.

    Dat betekent dus dat je daar gewoon jezelf mag zijn, puur natuur. Ik vind dat de textielmannen deze zone zouden moeten respecteren en hun meestal nogal schaarse kledingsstukken aan de wilgen of - bij gebrek aan wilgen - aan het duingras zouden moeten hangen. Want in het omgekeerde geval toon ik ook respect. Stel dat ik een kik zou krijgen van schaars geklede dames, dat ik verliefd zou worden op de textuur van een perfect geknipte bikini, dat het kleurenpalet van een minuscuul tangaslipje mij in een hoogste staat van verrukking zou brengen, dan nog mag ik niet in mijn natuurlijke staat over het textielstrand lopen.

    Nee: ik ben verplicht om een dinges aan te doen, een lap stof die mijn eigenheid volledig blootlegt, al was het maar door de keuze van het model.

    Echt waar: de keuze van de zwembroek zegt meer over jezelf dan je denkt. De kleur, de snit, de taille, het model, allemaal dingen die je zelf kiest, en waardoor je jezelf dus blootgeeft. Dit in tegenstelling tot het naturisme: je hebt niet gekozen voor het model, de taille en de snit van jouw sjarel noch voor de vorm en de grootte van jouw borsten. Wanneer je iemand in zijn ukkie ziet vang je veel minder op over zijn persoonlijkheid dan als hij/zij textiel draagt. Maar bon: ik moet dus een lapje stof aandoen om over een textielstrand te lopen. Doe ik dat niet, dan krijg ik een bekeuring.

    Het principe komt ongeveer overeen met dat van de rokerscoupés in de treinen, vroeger.

    Je had rokerscoupés en je had niet-rokerscoupés. In een niet-rokerscoupé mag een roker niet roken, maar in een rokerscoupé mag een niet-roker wel niet-roken. Het valt een niet-roker wel wat moeilijk want meestal rookt hij mee, zij het dan passief. Dit neemt niet weg dat hij het recht heeft te niet-roken in een rokerscoupé terwijl een roker geen recht heeft om te roken in een niet-rokerscoupé. Deze redenering is toch niet logisch ? Rokers zullen dit direct beamen, niet-rokers zullen nu eerst een tijdje proberen argumenten te vinden om die pure logica te weerleggen vooraleer ze verder lezen. Nog waarschijnlijker is dat de niet-rokers nu al een tijdje een soort onrechtvaardigheidsgevoel ervaren, en dit is perfect terecht: het is zo logisch dat het onrechtvaardig is !

    Hetzelfde geldt dus ook voor het naturistenstrand en het textielstrand.

    Een textieler mag textielen op een naturistenstrand, een naturist mag niet naturisten op een textielstrand. Het gaat zelfs nog heel wat verder: zo zijn er textieltoeristen die er met het fototoestel in aanslag rondlopen. Natuurlijk: om een Brabants trekpaard te fotograferen, wat had je dan wel gedacht, borsten misschien ? Nog erger zijn die mannen die fluitend door hun verrekijker turen, zogezegd op zoek naar de flierefluiter, dat gekende strandvogeltje. Wanneer zulke individuen betrapt worden, worden ze pottenkijkers of in het ergste geval "voyeurs" genoemd. Ongevaarlijke namen.

    Maar laat een naturist eens in zijn hummetje op een textielstrand lopen: die mens wordt binnen de kortste keren gearresteerd.

    Kan hij snel lopen, dan kan hij nog als streaker bestraft worden, zoniet wordt hij als een gewone, laag-bij-de-grondse, vulgaire exhibitionist gecatalogeerd. Dat komt ook op zijn getuigschrift van goed gedrag en zeden, natuurlijk met alle gevolgen van dien. En nu komt het sterkste verhaal: de politie van Bredene zal intensief op het naturistenstrand patrouilleren. In textiel ! Kan je dat geloven? Niemand weet hoeveel textiel ze zullen dragen, maar iedereen is akkoord dat er het menselijk lichaam geen zakken heeft om bijvoorbeeld een potlood of het proces-verbaalboekje in op te bergen. Ik zie ze al voor mijn ogen: een bermudabroek die op geregelde tijdstippen naar lagere regionen zakt wegens het gewicht van de handboeien, het pistool en de knuppel. Hola, opgepast; voor de slechte verstaanders: ik heb het hier wel over de politieknuppel, de matrak ! Duidelijk zo? Maar pas op: je weet nog niet alles. Die patrouilles moeten over de goede zeden op dit domein en vooral in zijn duinen waken. Ze moeten namelijk vermijden dat "het" in het publiek gedaan wordt. En wetende dat "het" daar soms ook door gelijkslachtigen wordt gedaan komen we tot de conclusie dat politieagenten – volgens de logica van bovenstaand betoog - pottenkijkers kunnen zijn.

    Dit alles heb ik hier verteld om jouw diets te maken dat ik geen naturist ben. Misschien begrijp je nu ook waarom: het is me allemaal veel te ingewikkeld.


    » Reageer (0)
    28-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Comme chez soi

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    "Ben je sterk in rekenen ?" vroeg de man met een fijn glimlachje rond zijn mond.

    Ik was heel geconcentreerd aan het werk en zei dus, gewoon om ervan af te zijn "Nee hoor, helemaal niet !" Toen keek ik even op en ik zag de ontgoocheling in zijn ogen. Nee, dat kon ik hem niet aandoen. Waarschijnlijk had hij al zo'n plezier gehad bij het idee om mij een hersenbreker voor te schotelen, en nu zou ik dat zomaar teniet doen. Dat kon dus niet. "Maar allez, vertel het toch maar, ik zie dat het niet eenvoudig is." zei ik dus.

    Het werd een lang verhaal.

    "Wel kijk, drie vrienden gaan bij 'Comme chez soi' eten, je kent dat wel, dat chique restaurant in Brussel." En of ik het ken, waarschijnlijk even goed als hij. Helemaal niet dus. Of beter gezegd: ik ken het van reputatie maar ik ben er nog nooit geweest. Veel te duur. "Die mannen eten daar hun buikje rond, smullen van de beste gerechten en drinken van de beste wijnen, kortom, het was een echt festijn." "Goed voor hen," zei ik "het kan niet lekker genoeg zijn, rekening houdend met de prijs." "Juist ja, maar daar knelde nu precies het schoentje. De ober kwam met de rekening. Ze was niet weinig gepeperd, het leek eerder alsof iemand ze de ganse nacht in de peper gemarineerd had. Vijftienhonderd euro, en dan nog zonder de dranken want die rekening was nog aan het marineren.

    Ze haalden hun portefeuille boven en toen bleek dat elk slechts tien euro op zak had.

    Geen cheques, geen Visa of MasterCard, laat staan American Express Gold. Alleen maar tien schamele euro. Drie mannen met elk tien euro, hoeveel is dat dan ?" vroeg hij me. Ha, dacht ik, daar komt het rekenen ! "Dat is dertig euro." Poepsimpel. Gewoon die man even tonen dat ik toch nog iets of wat kan rekenen. "Heel correct. De ober zei die mannen dus dat het hem niets kon schelen, dat het zijn zaak niet was en dat hij niet voor de gevolgen kon instaan wanneer hij hun probleem aan de patron zou voorleggen. Hij nam de dertig euro en trok ermee naar de eigenaar.

    Nu bleek Pierre Wynants, da's de alom gekende baas van 'Comme chez soi', in een ontzettend goede bui te zijn.

    Hij zei tegen de ober om vijfentwintig euro aan te rekenen en om hen vijf euro terug te geven zodat ze nog een goeie pint konden gaan pakken. De ober dacht ‘Als de patron zo gul is, dan mag er wel twee euro in mijn zak, ze krijgen dan nog altijd één euro per man terug. Al bij al hebben zij toch goed gegeten en gedronken en ik heb hier mijn peren afgedraaid. Een beetje drinkgeld kan geen kwaad.’ En dus stak hij twee euro in zijn zak en ze kregen elk één euro terug." Tot zover kon ik alles goed volgen. "Dus moet je nu eens goed rekenen," zei de man "ze kregen elk één euro terug. Juist ? " "Ja". Hoeveel hadden ze dan elk gegeven ?" "Negen euro. " "Correct. Elk negen euro, maal drie, dat is dus ... ?" "Zevenentwintig euro." zei ik. "Goed. Maar nu heeft de ober twee euro in zijn zak gestoken.

    Zeventwintig plus twee, da's negentwintig euro, nietwaar ? Waar is die ene euro dan gebleven????"

    Groot mysterie. Voor hem althans. Aan het fijne glimlachje op zijn gezicht te zien genoot hij al bij voorbaat van het vooruitzicht op mijn gepijnigde hersenen, slapeloze nachten en kwade dagen om dit enigma op te lossen. Waar is die ene euro naar toe? Waar is hij naar toe ? Groot was dan ook zijn ontgoocheling toen ik hem uitlegde waarom zijn rekening niet klopte. Hij geloofde me niet want hij had al lang naar die euro gezocht en hem nog niet gevonden. Tekst en uitleg konden niet baten, alles propertjes op het bord tekenen hielp geen zier: zij hadden zevenentwintig euro betaald en de ober had er twee in zijn zak gestoken, dat maakt dus negenentwintig en er blijft één euro zoek.

    Ten langen laatste bleef er maar één oplossing over: het probleem opnieuw schetsen, maar dan op een andere manier.

    Ik begon er aan. "Die drie mannen zitten dus met hun buikje lekker bol gesmuld van een heerlijk cognacje te nippen, met een dikke Havana tussen de lippen, wanneer de ober met de rekening komt. Vijftienhonderd euro en nog wat blabla, en in de portefeuilles steekt opnieuw slechts tien euro. De ober zegt dat het zijn probleem niet is, dat hij het hogerop zal voorleggen en neemt de dertig euro mee. Hij geeft ze aan de chef de salle en legt de situatie uit. "Zwzwzwzw vijftienhonderd zwzw slechts dertig zwzwzw...".

    De chef de salle werpt een vernietigende blik op het tafeltje van de bewuste sigarenrokers, draait zich hooghartig om en stapt naar de maître d'hôtel.

    Zelfde tafereeltje met "zwzwzwzw" en "zwzwzwzw" waarna de maître d'hôtel luid snuift en met de neus in de lucht naar Pierre Wynants trekt. Pierre is vandaag in een heel lollige bui, en zegt "Och god, laat die mannen vijftien euro betalen en geef ze de rest terug, dan kunnen ze ergens echt lekker gaan eten. Hahaha!" De maître d'hôtel lacht groentjes mee en denkt "Vijftien euro teruggeven ? Mij niet gezien. Hier zie, vijf euro in de pocket. Kwestie van het gezichtsverlies goed te maken." De chef de salle moet twintig euro aanrekenen, maar die zag het briefje van vijf in het bovenzakje van de maître d'hôtel steken.

    "Wat mijn chef mag, mag ik ook" denkt hij en hopla, er verdwijnt vijf euro in de zakken.

    De ober heeft dat niet gezien, maar er verdwijnt ook twee euro drinkgeld in de broekzak. De drie mannen krijgen dus elk één euro terug. Correct ?" "Euhm... even tellen. Euh... juist, ja." "Goed zo. Dan kunnen we nu verder blijven rekenen. De mannen kregen elk één euro. Hoeveel hebben ze dan elk betaald ?" "Euh... negen euro." "Juist. Samen is dat dan... ?" "Zeventwintig euro!" zei hij trots. "Goed zo. En de twee euro van de ober ?"

    Nu kwam hij op gekend terrein.

    Zonder aarzelen werd het "negentwintig euro!" Het glimlachje verscheen weer op het gezicht. Triomfantelijk. Ik zou er niet aan uit geraken. Hij voelde het aan zijn kleine teen. Die euro ontbrak in zijn verhaal en in het mijne ontbrak hij ook ! Het rekenraadsel bleef een raadsel. "En voeg daar nu nog eens de vijf euro van de chef de salle aan toe, en daarna de vijf euro van de maître d'hôtel. Aan hoeveel kom je dan?" "...?... Negenendertig euro ?! " "Juist ja. Vertel me nu eens, waar komen die negen extra euro vandaan ?"

    Ik vermoed dat die man een paar slapeloze nachten tegemoet gaat.


    » Reageer (1)
    21-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.B.V.

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Misschien moet ik nog eens goed nadenken en me toch maar inschrijven als BV.

    BV - Bekende Vlaming? Nee hoor, dat word ik nooit. BV staat voor beroepsvrijwilliger, in de volksmond beter gekend als boeffer. Maar dan wil ik ook direct goed boeffen, zonder eerst alle passages van opleiding en training te moeten doorstaan, want een tijd geleden mocht ik heel even van dat leuke leven proeven: eten in de officiersmess, langs alle kanten gesalueerd worden, vrij rondlopen in de zee van ruimte rond de kazerne, da’s echt een fijn gevoel.

    Met toch een klein filesofisch hersenspinseltje als souvenir.

    Het probleem is een quizvraag waard: als ik jou salueer, word jij dan ‘gesalueerd’ of ‘besalueerd’? Ik weet het niet.
    Ik vermoed dat het ‘gesalueerd’is, want bij ‘besalueerd’ krijg ik een visioen van een soldaat die voor mij komt staan en netjes zijn rechterhand tegen mijn slaap plaatst, en dat is geen zicht natuurlijk. Het lijkt eerder op een jeannette-situatie dan op ’t leger. Je wordt dus gesalueerd, denk ik.

    Dat salueren viel mij het sterkst op bij het verlaten van de kazerne.

    Pas op: om binnen te komen had ik de eerste dagen wat last. Mijn pasje was nog niet in orde en ik moest een half uur wachten voordat er iemand me kwam ophalen – te voet en heel erg op ’t gemakske -. En dan was die soldaat nog zo vriendelijk om te vragen of hij met mij mee mocht rijden naar de plaats van afspraak. Een half uurtje stappen over één kilometer en dan al zo moe zijn dat ze met de wagen teruggevoerd moeten worden, tja, die soldaten zijn ook niet meer wat ze waren in mijn tijd...

    Het verlaten van de kazerne was dan wel heel wat leuker: de slagboom opende direct en de wacht ging in de houding staan. Langzaam trok die zijn lichaam kaarsrecht, de voeten netjes open in een hoek van negentig graden, linkervoet vijfenveertig graden naar links, rechtervoet vijfenveertig naar rechts. Logisch, want alle andere combinaties zouden toch wel heel grappig overkomen. Daarna werd de blik op de verre einder gericht en als apotheose ging die rechterhand traagjes omhoog om plechtig tegen de rechterslaap te eindigen.

    Ik werd gesalueerd.

    Nu blijf ik me afvragen waarom dat salueren zo traag moet gebeuren. Misschien slaat ie zich na een tijdje wel knock-out als ie dat 8 uur per dag op volle snelheid doet? Of verveelt hij zich en denkt hij: hoe trager ik salueer hoe sneller de dag voorbij gaat? Eender hoe, ik vond het telkens ontzettend grappig en ik kon het nooit laten om hem te beantwoorden met een saluut: mijn linkerhand netjes tegen mijn linkerslaap, flitsend snel. Toch vroeg ik me af of hij het wel zag, met zijn blik zo op oneindig gericht. De volgende dag heb ik dan maar het indianensaluut gebracht: met mijn hand boven mijn ogen, nadrukkelijk in de verte turend. Hij heeft het niet gezien.

    Dat alles dus om te vertellen dat het leven als BV me wel iets zegt.

    En dan moet je weten dat ik in mijn jonge jaren precies twee dagen Klein Kasteeltje en twee dagen Militair Hospitaal heb meegemaakt om uiteindelijk te horen dat ik niet gezond genoeg was om door de vijand neergeschoten te worden. Maar niet getreurd: nu kan ik er dus, door een project voor mijn werk, met volle teugen van genieten. Lekker middagmalen in een aangenaam lokaaltje, propere tafeltjes, een tafelnapje, persoonlijke bediening door een rasechte kelner, in uniform weliswaar. Er was waarschijnlijk ook een militair met oog voor de vrouwelijke toets - iemand die liever besalueerd wordt dan gesaalueerd ?- want op elk tafeltje stond een kaarsje, een minipompoentje en wat kastanjes, echt aangepast aan de tijd van het jaar. Leuk.

    Er was één klein probleempje: de ober-militair sprak enkel Duits en wij waren een frans-duits-italiaans-belgisch gezelschap.

    De voertaal was dus het officiële ‘allo-allo’ Engels.Je kent dat wel, het engels zoals in het gelijknamige feuilleton: ‘Aai aam zze frrrench rrresponsaable’,‘haai hem dzje dzjurman prooojekt manadzjer’, ‘aai-e aam-e die ietaalian soepervaaiser’. Toen die ober dus vroeg of we Pilzen bij onze vis wilden waren we direct akkoord. Een fris pintje wou er uiteraard wel in.. Helaas, na wat uitleg bleken Pilzen rasechte champignons te zijn. Daar konden we ook mee leven maar wat kregen we uiteindelijk niet te zien? Goed geraden: champignons. Of toch ? Tijdens de koffie vroeg iemand zich namelijk af waarom dat pompoentje er toch zo witjes uitzag. Het leek een slecht afgewassen plastieken imitatiedingetje, en toen hij het stof er af wou vegen bleek het griezelig echt te zijn, bedekt met een dikke laag schimmel. Daar groeiden dus die champignons!! Voor wie ‘t niet snapt: schimmel, dat is in feite een soort mini-mini-champignons.

    Antibiotica trouwens ook, maar dit doet hier verder helemaal niet ter zake.

    Op andere dagen kregen we rare combinaties voorgeschoteld: stoofvlees met boontjes, aardappeltjes met een soort spirelli vergezeld van een slaschoteltje, en dat alles netjes tegelijk geserveerd, om in één enkele menugang op te eten. Ook nog: visbrochette (zonder champignons)met aardappelen en risotto, en het even obligate slaschoteltje. Gegeten hebben we dus wel, maar qua smaak kan er daar in Duitsland toch nog wat verbeteren. BV is misschien toch niets voor mij. Het gewone leven, ‘avonds buiten de kazerne, lijkt me iets beter. S’avonds aten we in een restaurant.

    Pizza mit Bratwurst, Kartoffeln , Sauerkraut, und Knödel.


    » Reageer (0)
    13-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nooit...

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Ik heb er al heel dikwijls over gefilesofeerd, over de tijd.

    Iemand die geen tijd heeft beschikt over slechts 24 uur per dag. Iemand die een zee van tijd leeft mag daarentegen welgeteld zesentachtig duizend vierhonderd seconden per dag zoek maken. Geef mij maar die tweede optie, want zelf heb ik bijna geen tijd: ik verlies zelfs nog vijf tot zes uur per dag met slapen!

    Verder filesoferend kom ik dan op de vraag hoelang “altijd” duurt. Altijd? Ik ben er nog niet aan uit.

    "Hij zal altijd een blaaskaak blijven", dit duurt maximum een mensenleven lang. "Er zijn altijd al vogels in de lucht geweest", zou volgens de laatste evolutietheorieën dan weer slechts vanaf enkele duizend jaren na de dinosaurussen waar zijn. En "Je zegt me altijd dat ik dit niet mag doen" komt het overeen met "zo nu en dan". Altijd blijft deze vraag dus door mijn geest spoken, hoelang duurt “altijd”? En ik raak er niet aan uit.

    Maar dat is niet erg, want ondertussen weet ik wel al hoelang "nooit" duurt.

    Echt waar, proefondervindelijk bewezen. "Nooit", dat duurt welgeteld vijf minuten, 300 seconden (voor mensen met tijd) of 0,003472222 dagen (voor mensen die geen tijd hebben). Vijf minuten dus. Op de paasfoor geleerd. In de stad. Een unieke ervaring: beseffen dat "nooit" slechts vijf minuten duurt. Heel wat mensen zouden er veel voor over hebben om dat te beseffen, en ik kreeg dat zomaar in mijn schoot geworpen! Vijf minuten, het is niet te geloven.

    Dit inzicht kreeg ik toen ik ongeveer vijfentwintig was.

    We waren nog jong, stonden op trouwen of waren pas getrouwd, ik weet het niet meer. We waren met een koppel vrienden op stap, op de kermis – de Paasfoor – in de stad. De gewone sfeer: een grijze hemel, vroeg donker, wat frisjes en niet al te veel volk op baan, het was een avond in de week. Een keer een lotje getrokken om niets te winnen, oliebollen gegeten, wat geschoten, ik denk zelfs dat we even op de botsauto's zaten. Daarna het spookhuis. Dat is natuurlijk één van de obligate dingen, vooral als je nog indruk moet maken op het kersverse liefje of vrouwtje. In een karretje het donker binnenrijden, hier en daar een lichtje, een boe links, een eeeek rechts, wat touwen die in jouw gezicht slingeren, deuren die onverwacht met een harde klap sluiten, kortom: alles wat je nodig hebt om jouw vrouwtje heel dicht bij jou in bescherming te nemen. Je gelooft dit toch niet ?  We hebben er niets van gezien, het was donker in dat kot en wij waren jong! De enige reden waarom waarom jonge koppeltjes bang zijn om in het spookhuis te gaan is dat ze nooit met zekerheid kunnen zeggen wanneer het karretje plots weer in het volle publiek zichtbaar zal zijn.

    De vliegtuigjes, dat was dan weer iets anders.

    Die vliegtuigjes riepen zoete herinneringen op. Ik was zeven jaar oud en veroverde het luchtruim, langs het station in het dorp van mijn jeugd, de stuurknuppel in de hand en steeds weer rondjes vliegend. Hele bergland­schappen heb ik toen overvlogen, ik keek van mijlenhoog naar beneden. Het spektakel van John Massis verliep als een klein fait-divers daar diep onder mij. Maar helaas, als je vijfen­twintig bent, dan passen die vliegtuigjes niet meer zo goed. En precies daarom hebben ze andere dingen uitgevonden. De ‘rappe rups’ bijvoorbeeld. Niet die 'oude' rups, dat treintje met het zoenkapje. Zoenkapje? Ja. De rups werd na twee minuten afgedekt door een kap, zodat de buitenwereld jou niet meer zag. Het geheel leek op een snel bewegende rups. En binnenin kon jij het meisje naast jou zoenen.

    Niet dat er veel afgezoend werd want meestal zat er geen te zoenen meisje naast je.

    In het beste geval was het een vriendinnetje van jouw broer of zus, maar dan nog: die kap maakte geen privé-hokjes van de treinstelletjes: iedereen voor, en iedereen achter jou zat onder dezelfde kap. En die keken dus mee! De “rappe rups” nu, die heeft geen kap. Het is een marteltuig waarbij het meisje naast jou je eerder lijkt te willen verpletteren dan jou teder te benaderen. Charmant is anders, en het is nog duur betaald ook. Allemaal te danken aan de ontdekking van de fysica. Hadden ze daar de middel­puntvliedende kracht niet uitgevonden dan had het allemaal zo 'n vaart niet gelopen.

    Maar het kan nog erger.

    Neem nu de octopus. Dat ding gaat op en neer, draait rond zijn as en elk karretje draait dan nog eens rond een aparte as waardoor je de indruk krijgt dat je driehoekjes in een cirkel maakt. Probeer het niet te begrijpen, gewoon even doen, dan zal je direct ervaren wat ik bedoel. Daar kochten we dus jetonnetjes voor en we sprongen in zo 'n bakje. Lekker rondtollen, alle kleine kantjes van de Grote Markt zien en de oliebollen alle hoeken van onze maag voelen verkennen. Voor mij was het heerlijk: voor een keer verpletterde mijn meisje me niet. Of beter gezegd: niet continu, want de octopus veranderde zo dikwijls van richting dat nu eens zij en dan weer ik naar buiten gezogen werd. We proefden dus beurtelings van het genoegen om elkaar te verpletteren, en ik moet toegeven, dat lucht op. 't Is heel wat beter dan die TGV-rups. En toen was het gedaan. Uit de bakjes stappen, even gewoon worden aan het feit dat de Grote Markt niet meer beweegt, wat op adem komen, de oliebollen in de maag herschikken, aan de vrienden vertellen dat het ontzettend tof was en overwegen of een extra rondje er nog bij kan.

    "Nooit meer" zei mijn vrouwtje. We hadden nog jetonnetjes. Vijf minuten later zaten we weer in de octopus.


    » Reageer (0)
    05-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Venetië

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Ik heb niets tegen Italianen.

    Integendeel. Ik hou van Italië en zijn inwoners. Ik spreek zelfs vijf woorden Italiaans. Met een Napolitaans accent, zoals een Italiaans-Limburgse vriend me wist te vertellen. Ik heb dus niets tegen Italianen, maar wel wat tegen domme Italianen. En tegen domme Britten, domme Duitsers, domme Vlamingen, kortom tegen die mensen die volharden in de domheid. Van zo'n kerels ontplof ik gewoon.

    We reden dus naar Venetië.

    De eerste de beste parking binnengereden, acht verdiepingen omhoog, tot op het dak, in de volle zon. Bij het uitstappen beveelt een bewaker iets in de zin van "lasciate le chiave". "OK" zeg ik met een brede smile, want ik had er geen ballen van begrepen, en weg waren wij. Bij de lift gekomen bleek dat we nog iets vergeten hadden. Terug naar de wagen, de vergeten dingen uitgehaald, en opnieuw op weg. Dacht ik toch, maar vergeet het. Kwam er daar een parkingbewaker op me toe, die vroeg de parkingpapieren, bekeek de nummerplaat van de wagen, en gebood "Dovete lasciare le chiave !".

    Ik, in mijn beste Italiaans, goed wetende dat dit italiaans wel het mijne is maar daarom nog niet noodzakelijk het zijne : "Wadde?"

    Die beste man begon opnieuw, lichtjes geënerveerd, deze keer met handen en voeten zoals alleen Italianen dat kunnen: "Lasciate le chiave". Ik begon te begrijpen dat ik mijn sleutels in de wagen moest laten, maar dat zie je van hier: geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht mijn wagen daar onbeschermd achter te laten. Dus deed ik een zware inspanning, en met een licht Napolitaans accent kwam die eerste, echte, Venetiaanse volzin over mijn lippen: "Perché ?" Waarom ?

    De arme man, geschokt door zoveel zucht naar wetenschap, begon zich nog iets meer op te winden.

    Zijn hoofd kreeg de kleur van roze garnaaltjes, wat niet evident is voor een italiaanse parkeerwachter die dag na dag in volle zon doorbrengt op het dak van een parking. "Perché? Perché? Perché è il regolamento!" Vertalen was hier niet nodig, alleen krijg ik graag een duidelijk en liefst redelijk aanvaardbaar antwoord als ik wat uitleg vraag, en 'omdat dit het reglement is' voldoet nu eenmaal niet aan die voorwaarde.

    Reglementen zijn er om een reden, en die ken ik graag.

    Dus opnieuw geprobeerd, zijn garnalenkopje al stilletjesaan imiterend. "Ke reglemento ?" Let vooral op het accent, het moest toch duidelijk zijn dat ik een vreemdeling was. "Che regolamento? Che regolamento? Quello regolamento !" zei hij, duidelijk articulerend, en met een licht gekookte kreeftenkop naar de muur wijzend. Daar hing inderdaad een poster met wat uitleg in het Italiaans, Duits, Engels, Frans, Swahili, Lingala, en Chinees of Japans. Van dat laatste ben ik niet helemaal zeker. Het kan Japans geweest zijn, maar ook Chinees. Maar niets, helemaal niets in het West-Vlaams.

    Mijn antwoord was dus snel klaar, met een zwaar accent "No kapisko, sono flamenco".

    Voor Italianen moet dit natuurlijk ontzettend grappig overkomen, want een flamenco, dat is voor hen een Spaanse dans. Een fiammingo, dat is pas een Vlaming. Ik denk echter dat onze bewaker noch van dansen noch van Vlamingen hield, want nu stond hij helemaal in vuur en vlam. Die zon deed hem echt geen deugd. "Dovete lasciare le vostre chiave nella macchina. E’ il regolamento". Nog maar eens geprobeerd, in mijn beste Vlitaliaams, om hem duidelijk te maken dat ik geen zin had om zomaar een reglement op te volgen omdat het aan de muur hing. Ik laat mijn sleutels niet op mijn wagen steken zonder te weten waarom. Als het reglement zou vermelden dat de bewakers elke morgen om 11 uur van de achtste verdieping naar beneden moeten springen, dan zou hij het waarschijnlijk ook niet doen perché è il regolamento.

    Maar helaas, hij dampte al als een glazen stoompot vol tomatensoep.

    En mijn bloeddruk stond ondertussen ook al op 25/12, wat natuurlijk mijn Napolitaans accent niet bevorderde. Uiteindelijk gaf ik dan maar toe, haalde mijn sleutel van de (aparte) afstandsbediening en stak hem in het contact. Hij was tevreden, ik niet. Zes meter verder klikte ik op de afstandsbediening en hospakee, de wagen was netjes beveiligd en op slot. Maar dat was buiten de waard gerekend, want hij die afgrijselijk luide klik gehoord ! Daar kwam hij afgestormd, een stier op een rode lap, briesend. Ik moest en ik zou mijn deuren openlaten, of... Heel eventjes leek het erop dat ik van de achtste verdieping naar beneden zou gegooid worden - het was 11 uur ’s morgens - en voor de goede vrede heb ik dus maar toegegeven. Deuren open. En Venetië bezocht. Met de afstandsbediening op zak.

    's Avonds werd het ons duidelijk waarom de sleutels in het contact moesten steken.

    De parking was voorzien voor twee rijen wagens en een brede middengang. Maar er stonden drie rijen wagens: aan de ene kant de klassieke rij, dan een extra smalle middengang en aan de andere kant een dubbele rij wagens. Daarom moesten die sleutels er op! Wie achter een dubbel geparkeerde wagen stond kon pas vertrekken nadat de parkeer-wachters die eerste wagen verplaatst hadden. In feite waren alleen de sleutels van de dubbel geparkeerde wagens nodig, want de andere moesten helemaal niet verplaatst worden. En wij stonden niet dubbel geparkeerd, dus was die hele sleutelhistorie drukte om niets geweest. En gelukkig maar want wat bleek? Mijn wagen stond op slot. De automatische beveiliging had hem hermetisch gesloten omdat de motor niet draaide en de sleutel er te lang op stak. Dat was nieuw, deze functie kende ik nog niet. Ik was maar al te blij dat onze parkeerwachter niet gevraagd had om de afstandsbediening bij de sleutel te laten. Trouwens, ik zou het toch niet gedaan hebben. En vraag me nu niet waarom.

    Toch? Wel, heel eenvoudig : perché non è il regolamento.


    » Reageer (0)
    29-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zuster Zurulfa

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Zuster Zurulfa.

    Haar naam zal ik nooit vergeten. Zuster... het was toch Zurulfa ? Ik denk het toch. Hoe kan je zo'n naam vergeten? Waarschijnlijk heette ze vroeger Madeleine of Clothilde, maar toen ze in het klooster stapte werd ze Zuster Zurulfa. In 't West-Vlaams dan nog wel. Je spreekt het goed uit als het doffer klinkt dan Zuuruulfaa en scherper dan Zeureulfa. Er bestaat geen enkele letter in 't alfabet die deze klank goed weergeeft. Maar ja, West-Vlaams is dan ook speciaal. Welk ander dialekt kan het woordje "ja" vervoegen? "Joak, Joag, Joaij, Joam, Joag, Jaons" (Ja ik..., Ja jij..., Ja hij...enz.). En het woordje "nee"? "Njink, Njeig, Njeinj ... Best mogelijk dat dit nog in ander dialekten kan. Maar kunnen die "nee" ook op een tweede manier vervoegen? Probeer eens "Ja-ke-'ndoe, Ja-ge-'ndoet, Ja-je-'ndoet, Ja-me-'ndoen, Ja-ge-'ndoet, Ja-ze-'ndoen". Beluister de pure engelse invloeden: yes, I don't, yes you don't, yes he doesn't!

    Dit allemaal om uit te leggen dat "zuster Zurulfa" moeilijk exact gespeld kan worden, en dat ik haar nooit zal vergeten.

    Zij behoort tot één van de diepste in mijn geheugen gebrande herinneringen. Waarom, dat weet ik niet, want alleen haar naam is scherp in mijn gedachtenkronkels blijven hangen, al de rest is vaag. Een oude klasfoto roept flarden herinneringen op aan vrienden, aan dichte en verre buren en aan het laatste jaar in de meisjesschool. Een jaar later waren wij, de jongens, groot en dan mochten we naar de jongensschool, bij de meesters. Zuster Zurulfa sloot een eerste fase van ons leven af, en misschien heeft ze net daarom de juffen van het eerste en het tweede kleuterklasje uit mijn geheugen verdrongen. De eerste en de tweede waren goede juffen want ze hebben een veilig gevoel nagelaten. Ze waren wat ze moesten zijn: een stukje surrogaatmoeder die ons de eerste stappen in de wereld leerden zetten waarna we weer snel, elke middag en elke avond naar onze echte mama konden terugkeren.

    Zuster Zurulfa was ook een goede juf, maar ze kon geen surrogaatmoeder zijn.

    Hoe kon dat ook, met haar lange zwarte kleren, haar zwarte kap en daaronder dat wit, hard gesteven randje waardoor haar aangezicht definitief haarloos leek? En trouwens, ze had ook geen papa, ze kon dus geen mama zijn. Vanuit kinderogen gezien dan: mijn mama had een papa: mijn papa. Zuster Zurulfa had geen papa want ze was niet getrouwd. Ze was dus "iets speciaals". Ze was geen mama, maar toch was ze zacht. Denk ik.... Allez, ik zou wel willen dat ze zacht was.... Misschien... tja, de herinnering is vaag... Maar een andere flard jeugd komt bovendrijven, haarscherp nu.

    De geschiedenis van de verschrikkelijke gele lijn.

    Bij het binnenkomen van de school moest je eerst een zwaar metalen hekken voorbij. Dat hekken stond er om de mama's van de kindjes van de eerste kleuterklas toe te laten gedurende de eerste schooldag stilletjes te staan wenen terwijl de kindjes in de klas waren, en om ‘s avonds weer gelukkig te lachen wanneer de school gedaan was. Natuurlijk was onze mama daar niet bij, want wij zaten al bij zuster ... juist!. Net veertig centimeter na dat hekken begon ze, die gruwelijke gele lijn. Ze omzoomde de volledige speelplaats, je vond ze op veertig centimeter van de muren, op veertig centimeter van de lage vensterdorpels en op veertig centimeter van de deuren. Het was ten strengste verboden om die grens te overschrijden, tenzij om in de klas te gaan, om naar huis te gaan of om met toestemming van de juf naar het toilet te gaan. Het geraffineerde sadistische bestond erin dat er veertig centimeter achter die lijn zoveel lage vensterdorpels waren waar je zo lekker op kon zitten als je wat moe was.

    O jongens, wat hebben we dat zitten vlug afgeleerd!

    In geen tellen stond zuster directrice er om ons met een ijskoude blik, bliksemflitsen in de ogen, de wenkbrauwen in een donderwolk samengetrokken, mondhoeken vlijmscherp naar beneden, van heel hoog op ons neerkijkend en met een priemende, knarsende stem duidelijk te maken dat dergelijk lui en duivelsverzoekend gedrag niet gewenst was in deze school. We wisten nog niet wat duivelsverzoekend betekende, maar we begrepen wel dat die blik, die bliksemschichten, die stem en dat afschuwelijk wezen daar hoog boven ons al aardig dicht in de buurt kwam. Even toch, want zo snel we konden schuimden we de speelplaats opnieuw af om toch stiekem op de vensterbanken te zitten wanneer de zuster even niet keek.

    Beter noch: wanneer we ons verveelden speelden we het allerleukste kleuterspelletje: “directrice spelen”.

    We zochten een slachtoffertje dat durfde op een vensterbank te zitten, en benaderden het een ijsblokjesblik, mini bliksemschichtjes in de ogen, de wenkbrauwen in een fronsje getrokken, mondhoekjes wat naar beneden en van zo hoog mogelijk op het arme kind neerkijkend probeerden we het duidelijk te maken dat ze niet achter de gele lijn mochten vertoeven. Natuurlijk lukte dit niet en daarom grepen we snel naar het echte spul : de peuter moest oprotten of we zouden het aan zuster directrice zeggen. Wist die veel dat we zelf te bang waren om naar de zuster te stappen? Na dit leuke maar vruchteloze spelletje gingen we er dan uiteindelijk maar zelf bij zitten, een paar meters verder. Dat was uiteindelijk veel spannender, want het echte spul kon elk ogenblik opdagen. Met banbliksem in de ogen. En het volgende jaar zouden we ze toch niet meer zien, want dan gingen we lekker naar de jongensschool.

    Helaas. Want dan zagen we zuster Zurulfa ook niet meer.


    » Reageer (0)
    21-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Filesoof

    Liever afdrukken en op papier lezen ?
    Klik dan hier, zo krijg je het in .pdf formaat.
    Eén pagina A4, perfect formaat om af te drukken.





    Het was mijn dag.

    Echt waar, ze hebben het nog op de radio gezegd. Op mijn zender, op Studio Brussel, de zender voor pubers van 7 tot 77 jaar. Voor mij dus. Het was de dag van de filesoof. De presentator wist het te vermelden en hij vroeg om wat filesofische gedachten door te mailen. Meteen sprong me die eerste, prangende vraag voor ogen, die vraag waar ik graag het antwoord op zou krijgen, liefst proefondervindelijk bewezen.

    Als je vooraan in de file staat, sta je dan wel in de file?

    En zo niet, vanaf welke positie sta je dan wel in de file ? Als je op de autostrade in Rotterdam de brug over de Rijn net voor jouw neus ziet ophalen en er na jou kilometers voertuigen stilvallen, dan heb je inderdaad een file. Maar jij staat daar met voor jouw neus een opgehaalde brug. Door die voorruit is geen auto te zien, alleen massa’s water. Aan de overkant waren er eerst auto’s, maar die rijden van het water weg en zijn heel snel verdwenen. Je zal me natuurlijk zeggen dat ik dan toch in de file sta. Maar wat dan als je met jouw wagen op de zeedijk gaat staan? Met de neus naar de zee. En je blijft daar een kwartiertje of een half uurtje zitten. Door de voorruit is geen auto te zien, alleen water. Massa’s water. En ergens, duizenden kilometer verder, misschien in New York, rijden er ik weet niet hoeveel auto’s van het water weg. Die zijn in geen tijd verdwenen. Tenzij ze daar in de file staan natuurlijk. Maar jij, sta jij daarom in de file ?

    Begrijp je dat ik blij was dat mijn dag gevierd werd, de dag van de filesoof?

    Ik wou die diepgaande gedachten direct naar Studio Brussel mailen, maar helaas, het kon niet want ik stond in de file. Voor mij, achter mij, naast mij, zo ver ik kon kijken: auto’s. Dus heb ik maar even rondgekeken. De meneer voor mij zat zijn krant te lezen. Die naast mij zat verhuiswagentje te spelen in zijn neus. Vinger in de neus, de meubeltjes er uit halen, een neuskeuteltje maken, eventjes aan ruiken om te zien of het nog goed vers is en dan het bolletje tussen duim en wijsvinger door het open raam wegschieten. Plats. De keutel blijft natuurlijk aan zijn carrosserie plakken want hij had niet lang genoeg gedraaid zodat ie niet droog genoeg was. Tja, je bent expert of je bent het niet. En dan het volgende neusgat. Opnieuw de meubeltjes uithalen, nog een beetje, nog... bwèèèk, daar hangt nog een klodder vers snot aan, hoe krijgt die dit nu opgelost?

    Ik heb het niet gezien want net op dat moment ging zijn file een paar tientallen meters vooruit. Ik zag hem nog vertwijfeld zijn versnellingspook vastpakken, zijn handen aan het stuur houden, de keutelvinger stijfjes omhoog, het streepje vers snot trillend, glibberend over de volledige lengte van die vinger, en weg was hij.

    De krant voor mij had geen zin om op te schuiven, dus bleven wij staan. Dan even gespiegeld.

    De dame achter mij was druk bezig met haar normale morgenritueel. Spiegel frontaal naar het aangezicht gericht. Kammetje en borsteltje uit de handtas, en we zijn vertrokken: de haren eerst even in de war met de vingertoppen, dan er met het steeltje van de kam wat in zitten frunnikken, daarna de borstel erdoor en vervolgens een halve minuut met de spuitbus bestuiven. Ik zag een tijdje niets meer in die wagen, of toch: plaatselijke mist. Ze moet daarna het zijvenstertje opengedraaid hebben want langzaam vloog er een enorme wolk buiten. Tijd voor de volgende stofwolk: poederdoos en hopsakee, de wangen onder stof. Oesje, het mantelpakje ook. Geen paniek: zakdoekje uit het tasje, veegje hier, veegje daar en ze was weer in orde. Daarna de lippenstift. Hoezo, lippenstift op de wangen ? En daarna openwrijven ? Ha ja, voor het blosje. Wedden dat ze al een blos had voor ze dat poederstof op haar wangen veegde ? Zo gaat dat dus bij vrouwen: eerst poeder op de wangen om de blos de laten verdwijnen en daarna lippenstift op dat poeder doen om een mooi blosje te krijgen. Maar kijk, de krant heeft besloten om toch maar wat vooruit te rijden. Gelukkig, want naast mij staan ze weer stil en daar was er al een sportkar aan ’t proberen om van file te veranderen.

    Ik herken de neuskeutel aan het bolletje op zijn carrosserie.

    Hij heeft een zakdoek in zijn hand en zit zijn stuur te poetsen. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik dat de sportkar zich tussen twee wagens heeft kunnen wringen, net na de lippenstift. Oeie, ’t is wel even gevaarlijk: ze zit haar lippen te stiften terwijl ze langzaam vooruit rijdt. Hopelijk blijft ze niet op het één of ander rimpeltje geconcentreerd want ’t zou de eerste niet zijn die dan vergeet te remmen. Die sportkar heeft trouwens nog niet veel files gevreten: van strook veranderen dient tot niets.

    In mijn file telt de wet van Murphy niet.

    Tja, zo begint een in Brussel werkend mens na een tijdje te denken: ‘mijn’ file. De mijne is zo’n vijftien kilometer lang en Murphy’s wet, diegene die zegt dat de andere file altijd sneller is, werkt hier niet. Een kilometer of vijf voor het begin van mijn file steek ik meestal een paar wagens voorbij of word ik voorbijgestoken. En aan mijn afrit vind ik altijd dezelde wagens terug, eender welke filestrook ik volgde. Conclusie: niet zenuwachtig worden, neuskeutelen, lippen stiften of krantje lezen, je geraakt er toch altijd even traag uit.

    Dit wou ik mailen, maar ik stond dus in de file. En toen hoorde ik het opnieuw, duidelijker deze keer: het was de dag van de filosoof!


    » Reageer (0)


    Foto

    Foto

    Lees ook:

    Dringend
    Taxi driver
    Anesthesie


    Inhoud blog
  • Stress
  • Opi
  • Dringend
  • Worst
  • Orka
  • Crap
  • Badjas
  • Schwester
  • Koekoek
  • Catgut
  • Alfa
  • Donkerder blauw
  • Blond
  • Taxi driver
  • Betrapt
  • Baby blues
  • Madrid
  • Italië
  • Schoolstrijd
  • My Generation
  • Perfect
  • Lausanne
  • Nieuwjaar
  • Writer's Block
  • Groot Dictee
  • Anciens
  • Sinterklaas
  • Gebakken peren
  • Sint Maarten
  • Schoolfeest
  • Oud-strijder
  • Fawlty Towers
  • Marketing
  • Sorry
  • Instinkers
  • Lotto
  • Boek
  • Anesthesie
  • Chatten
  • All in
  • Ha !
  • Paardrijden
  • Spieken
  • Tuinieren
  • Kort
  • My car
  • Carpooltunnelsyndroom
  • Bredene
  • Comme chez soi
  • B.V.
  • Nooit...
  • Venetië
  • Zuster Zurulfa
  • Filesoof

    Foto

    Gastenboek
  • Eef op blogronde
  • Bezoekje Eef!
  • Op visite na de tropische bui!
  • vriendelijk bezoekje aan deze zeer mooie blog
  • Kunst

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek



    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    liefdenetwerk
    www.bloggen.be/liefden
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    computerthuiswerk
    www.bloggen.be/compute

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!