"Filesofie: een samenstelling van de griekse woorden voor wagenrij en voor wijsheid. Een beoefenaar van de filesofie wordt een filesoof of wagendromer genoemd." Anonymus.
Jarenlange files naar Brussel , uren in luchthavens, op de Thalys en in andere treinen gaven me de tijd om te filesoferen, jeugdherinneringen neer te pennen en gewoon wat te mijmeren. Die tijd is voorbij, nu zijn het jarenlange files rond Aalst en Wetteren, maar de pennevruchten blijven...
Martin Steelandt
Een goede column moet zijn zoals een minirokje:
kort genoeg om de aandacht te trekken
en lang genoeg om de essentiële inhoud te dekken.
(naar meester Wilfried Criquelion, speech naar aanleiding van 40 jaar oudercomité, Tollembeek 13 april 2008)
Echt waar, ze hebben het nog op de radio gezegd. Op mijn zender, op Studio Brussel, de zender voor pubers van 7 tot 77 jaar. Voor mij dus. Het was de dag van de filesoof. De presentator wist het te vermelden en hij vroeg om wat filesofische gedachten door te mailen. Meteen sprong me die eerste, prangende vraag voor ogen, die vraag waar ik graag het antwoord op zou krijgen, liefst proefondervindelijk bewezen.
Als je vooraan in de file staat, sta je dan wel in de file?
En zo niet, vanaf welke positie sta je dan wel in de file ? Als je op de autostrade in Rotterdam de brug over de Rijn net voor jouw neus ziet ophalen en er na jou kilometers voertuigen stilvallen, dan heb je inderdaad een file. Maar jij staat daar met voor jouw neus een opgehaalde brug. Door die voorruit is geen auto te zien, alleen massas water. Aan de overkant waren er eerst autos, maar die rijden van het water weg en zijn heel snel verdwenen. Je zal me natuurlijk zeggen dat ik dan toch in de file sta. Maar wat dan als je met jouw wagen op de zeedijk gaat staan? Met de neus naar de zee. En je blijft daar een kwartiertje of een half uurtje zitten. Door de voorruit is geen auto te zien, alleen water. Massas water. En ergens, duizenden kilometer verder, misschien in New York, rijden er ik weet niet hoeveel autos van het water weg. Die zijn in geen tijd verdwenen. Tenzij ze daar in de file staan natuurlijk. Maar jij, sta jij daarom in de file ?
Begrijp je dat ik blij was dat mijn dag gevierd werd, de dag van de filesoof?
Ik wou die diepgaande gedachten direct naar Studio Brussel mailen, maar helaas, het kon niet want ik stond in de file. Voor mij, achter mij, naast mij, zo ver ik kon kijken: autos. Dus heb ik maar even rondgekeken. De meneer voor mij zat zijn krant te lezen. Die naast mij zat verhuiswagentje te spelen in zijn neus. Vinger in de neus, de meubeltjes er uit halen, een neuskeuteltje maken, eventjes aan ruiken om te zien of het nog goed vers is en dan het bolletje tussen duim en wijsvinger door het open raam wegschieten. Plats. De keutel blijft natuurlijk aan zijn carrosserie plakken want hij had niet lang genoeg gedraaid zodat ie niet droog genoeg was. Tja, je bent expert of je bent het niet. En dan het volgende neusgat. Opnieuw de meubeltjes uithalen, nog een beetje, nog... bwèèèk, daar hangt nog een klodder vers snot aan, hoe krijgt die dit nu opgelost?
Ik heb het niet gezien want net op dat moment ging zijn file een paar tientallen meters vooruit. Ik zag hem nog vertwijfeld zijn versnellingspook vastpakken, zijn handen aan het stuur houden, de keutelvinger stijfjes omhoog, het streepje vers snot trillend, glibberend over de volledige lengte van die vinger, en weg was hij.
De krant voor mij had geen zin om op te schuiven, dus bleven wij staan. Dan even gespiegeld.
De dame achter mij was druk bezig met haar normale morgenritueel. Spiegel frontaal naar het aangezicht gericht. Kammetje en borsteltje uit de handtas, en we zijn vertrokken: de haren eerst even in de war met de vingertoppen, dan er met het steeltje van de kam wat in zitten frunnikken, daarna de borstel erdoor en vervolgens een halve minuut met de spuitbus bestuiven. Ik zag een tijdje niets meer in die wagen, of toch: plaatselijke mist. Ze moet daarna het zijvenstertje opengedraaid hebben want langzaam vloog er een enorme wolk buiten. Tijd voor de volgende stofwolk: poederdoos en hopsakee, de wangen onder stof. Oesje, het mantelpakje ook. Geen paniek: zakdoekje uit het tasje, veegje hier, veegje daar en ze was weer in orde. Daarna de lippenstift. Hoezo, lippenstift op de wangen ? En daarna openwrijven ? Ha ja, voor het blosje. Wedden dat ze al een blos had voor ze dat poederstof op haar wangen veegde ? Zo gaat dat dus bij vrouwen: eerst poeder op de wangen om de blos de laten verdwijnen en daarna lippenstift op dat poeder doen om een mooi blosje te krijgen. Maar kijk, de krant heeft besloten om toch maar wat vooruit te rijden. Gelukkig, want naast mij staan ze weer stil en daar was er al een sportkar aan t proberen om van file te veranderen.
Ik herken de neuskeutel aan het bolletje op zijn carrosserie.
Hij heeft een zakdoek in zijn hand en zit zijn stuur te poetsen. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik dat de sportkar zich tussen twee wagens heeft kunnen wringen, net na de lippenstift. Oeie, t is wel even gevaarlijk: ze zit haar lippen te stiften terwijl ze langzaam vooruit rijdt. Hopelijk blijft ze niet op het één of ander rimpeltje geconcentreerd want t zou de eerste niet zijn die dan vergeet te remmen. Die sportkar heeft trouwens nog niet veel files gevreten: van strook veranderen dient tot niets.
In mijn file telt de wet van Murphy niet.
Tja, zo begint een in Brussel werkend mens na een tijdje te denken: mijn file. De mijne is zon vijftien kilometer lang en Murphys wet, diegene die zegt dat de andere file altijd sneller is, werkt hier niet. Een kilometer of vijf voor het begin van mijn file steek ik meestal een paar wagens voorbij of word ik voorbijgestoken. En aan mijn afrit vind ik altijd dezelde wagens terug, eender welke filestrook ik volgde. Conclusie: niet zenuwachtig worden, neuskeutelen, lippen stiften of krantje lezen, je geraakt er toch altijd even traag uit.
Dit wou ik mailen, maar ik stond dus in de file. En toen hoorde ik het opnieuw, duidelijker deze keer: het was de dag van de filosoof!
‘My car is like a woman’ las ik onlangs op de achterruit van een wagen.
Toen ik in de file iets dichter bij die wagen stond zag ik ook het onderschrift: ‘if it ain’t yours, don’t touch her. “Dat zouden ze op alle wagens moeten hangen” zei mijn vrouwtje. “Groot gelijk, schat”, zei ik. Zo ben ik: ze krijgt gelijk. Dit zijn we overeengekomen toen we trouwden. Ik heb altijd gelijk, en zij elk jaar toch ook een keertje. Even heb ik gedacht om dit in een huwelijkscontractje te gieten, maar toen leek het te gek om los te lopen, ik kreeg toch altijd gelijk. En zij slechts een keer per jaar. Het eerste jaar was dat met Pasen, het tweede jaar met Valentijn en het derde jaar op 15 augustus (in de USA gekend als Mary-take-off, hier als OLV Hemelvaartsdag).
En op 16 augustus. En op 17 augustus.
Toen had ik de bui al moeten zien hangen, maar we waren jong en verliefd. Op 1 januari van het volgende jaar begon het. “Proficiat, schattebout !” zei ze. “We zijn nu 1989, nietwaar ?”. Naief als ik was antwoordde ik “Natuurlijk, wat dacht je ?”. “Hee”, zei ze, “je geeft me gelijk”. Sinds die dag heeft het me verschrikkelijk gespeten dat we geen sluitend huwelijkscontract hadden ! In mijn verliefde vrijgevigheid wilde ik haar gerust een keer per jaar gelijk geven, maar verder hadden we dat niet gedetailleerd. Niet “één dag”, “één maal” of “voor één enkel feitje”, nee. Een keer, zonder meer. Sedert die bewuste nieuwjaarsdag van 1989 begint die ene keer telkens op 1 januari om 00:00 uur en op 31 december om precies 24:00 uur is het afgelopen. Elk jaar opnieuw laat ik me vangen, geef ik haar op nieuwjaar even gelijk, en lap, we zijn weer vertrokken. Gelukkig is dit allemaal niet waar.
Maar zodoende is het een feit dat alle wagens een sticker moeten dragen waarbij ze vergeleken worden met een onaanraakbare vrouw.
Een Iron Lady dus. Ik kan er wel inkomen: als er in het huisgezin al twee wagens gestolen werden denk je er wel even aan: niemand komt er nog aan ! Achteraf beschouwd was die eerste keer toch een beetje grappig. Een echte sketch voor Mister Bean. Ik sloot de gordijnen voor het slapengaan en zag onze wagen nog netjes aan de overkant van de straat staan. De volgende morgen werden we heel vroeg wakker gebeld. “Hallo meneer, met de rijkswacht, om u te melden dat uw gestolen wagen teruggevonden is.” Met mijn hersenen nog op slaapstand zei ik tegen die man “Een ogenblikje meneer”. Naar het venster gelopen, gordijnen geopend en daar was ze: die grote leegte op de plaats waar een paar uurtjes geleden onze wagen nog stond. Daarom ben ik meer dan akkoord: if it ain’t yours, don’t touch her. En toch…
Stel dat we ‘My car is like a woman’ letterlijk mogen nemen, dan heb ik het er wat lastig mee.
Nu geef ik grif toe dat ik, als man, oog heb voor de rondingen, de glitter, de glamour en de uitstraling van de hostessen die je tijdens het autosalon rond, op en in de wagens vindt. Heel wat wagens mogen er trouwens ook wel zijn, maar in de meeste gevallen doorstaan ze de vergelijking met die hostessen toch niet. Stel dus dat een wagen een vrouw is, dan heb ik een probleem. Om te beginnen moet je in de wagen plaatsnemen.
In de wagen, qua symbool kan dat tellen.
Terug naar de moederschoot, tijd voor het pre-oedipaal syndroom. Stil zitten, nu en dan eens met de handjes en de voetjes bewegen, netjes beschermd door een zachte zetel, beschut tegen weer en wind, temperatuur precies op peil, de geluiden van de buitenwereld zachtjes gedempt, echt een veilige cocoon. Tenzij je natuurlijk in een occasiewagen van het zevende knoopsgat stapt, dan lijkt het ’s winters meer alsof je in een eskimo baarmoeder zit en ’s zomers in een Somalische uterus. Telkens wanneer je uitstapt beleef je jouw geboortetrauma opnieuw. Uit de cocoon, recht de harde wereld in. Gedaan met de vrede en rust.Let wel: het geboortetrauma kan ook een opluchting zijn, zeker indien je uit die zevende-knoopsgat-wagen stapt.
Maar goed, terug naar het onderwerp: als je het op die manier bekijkt, dan kan je wel beamen dat een wagen een vrouw is.
Ik durf die vergelijking evenwel niet te ver doortrekken, want er is meer. Veel meer. Blijf even in de sfeer van de moederfiguur. Waar stop je jouw boodschappen, en waar haal je ze weer uit ? Juist: de koffer. Die bewuste sticker die jouw wagen vrouwelijke eigenschappen toedicht lacht jou van op de achterruit toe. Je haalt de boodschappen uit de koffer. Aan de achterkant van de wagen. Dicht bij de uitlaat.
Nee, deze gedachte werk ik niet uit; laten we het op de vrouw in het algemeen houden.
Jouw wagen is al een paar jaartjes oud, de eerste verliefdheid is over, het is liefde geworden, je bent elkaar gewoon, jij en jouw wagen, en dan komt die avond dat je met oude vrienden en vriendinnen gaat stappen, eventjes helemaal alleen, de wederhelft blijft thuis, geen zin. Sleuteltje in het stopcontact en … niets. Geen beweging, geen lichtjes op het dashboard, geen klank uit de radio, helemaal niets. Je bent een volhouder, dus probeer je het nog eens, maar de wagen houdt langer vol. Resultaat: na een halfuur ga je terug in huis. Jouw wederhelft kijkt verbaasd, en jouw reactie is simpel: “Vanavond niet, schat”. Bij dergelijke problemen is er slechts één oplossing: de wagen-gynecoloog. Uw garagist opent de motorkap. Even kijken, even voelen, met een uitgebreid instrumentarium de inwendige organen herstellen en de wagen is weer op de been. Opgelet: hier is de vergelijking met een vrouw bij de meeste wagens niet correct: er bestaan maar een paar modellen met de motorkap dicht bij de uitlaat. Maar dat zijn dan echt sexy modellen.
En zo kunnen we blijven filesoferen over de vraag of een wagen inderdaad met een vrouw te vergelijken valt.
Maar voor mij is dat niet noodzakelijk zo. Je kan het ook vanuit een ander standpunt bekijken en wat andere eigenschappen onderzoeken Dan is een wagen misschien als een man: avonturier, krachtig, een beetje ruig, meestal stil maar luidruchtig als het moet, en vooral: je komt heel snel waar je moet zijn.
Maar tja, voor het ogenblik heeft mijn vrouwtje gelijk.
Misschien moet ik nog eens goed nadenken en me toch maar inschrijven als BV.
BV - Bekende Vlaming? Nee hoor, dat word ik nooit. BV staat voor beroepsvrijwilliger, in de volksmond beter gekend als boeffer. Maar dan wil ik ook direct goed boeffen, zonder eerst alle passages van opleiding en training te moeten doorstaan, want een tijd geleden mocht ik heel even van dat leuke leven proeven: eten in de officiersmess, langs alle kanten gesalueerd worden, vrij rondlopen in de zee van ruimte rond de kazerne, da’s echt een fijn gevoel.
Met toch een klein filesofisch hersenspinseltje als souvenir.
Het probleem is een quizvraag waard: als ik jou salueer, word jij dan ‘gesalueerd’ of ‘besalueerd’? Ik weet het niet. Ik vermoed dat het ‘gesalueerd’ is, want bij ‘besalueerd’ krijg ik een visioen van een soldaat die voor mij komt staan en netjes zijn rechterhand tegen mijn slaap plaatst, en dat is geen zicht natuurlijk. Het lijkt eerder op een jeannette-situatie dan op ’t leger. Je wordt dus gesalueerd, denk ik.
Dat salueren viel mij het sterkst op bij het verlaten van de kazerne.
Pas op: om binnen te komen had ik de eerste dagen wat last. Mijn pasje was nog niet in orde en ik moest een half uur wachten voordat er iemand me kwam ophalen – te voet en heel erg op ’t gemakske -. En dan was die soldaat nog zo vriendelijk om te vragen of hij met mij mee mocht rijden naar de plaats van afspraak. Een half uurtje stappen over één kilometer en dan al zo moe zijn dat ze met de wagen teruggevoerd moeten worden, tja, die soldaten zijn ook niet meer wat ze waren in mijn tijd... Het verlaten van de kazerne was dan wel heel wat leuker: de slagboom opende direct en de wacht ging in de houding staan. Langzaam trok die zijn lichaam kaarsrecht, de voeten netjes open in een hoek van negentig graden, linkervoet vijfenveertig graden naar links, rechtervoet vijfenveertig naar rechts. Logisch, want alle andere combinaties zouden toch wel heel grappig overkomen. Daarna werd de blik op de verre einder gericht en als apotheose ging die rechterhand traagjes omhoog om plechtig tegen de rechterslaap te eindigen.
Ik werd gesalueerd.
Nu blijf ik me afvragen waarom dat salueren zo traag moet gebeuren. Misschien slaat ie zich na een tijdje wel knock-out als ie dat 8 uur per dag op volle snelheid doet? Of verveelt hij zich en denkt hij: hoe trager ik salueer hoe sneller de dag voorbij gaat? Eender hoe, ik vond het telkens ontzettend grappig en ik kon het nooit laten om hem te beantwoorden met een saluut: mijn linkerhand netjes tegen mijn linkerslaap, flitsend snel. Toch vroeg ik me af of hij het wel zag, met zijn blik zo op oneindig gericht. De volgende dag heb ik dan maar het indianensaluut gebracht: met mijn hand boven mijn ogen, nadrukkelijk in de verte turend. Hij heeft het niet gezien.
Dat alles dus om te vertellen dat het leven als BV me wel iets zegt.
En dan moet je weten dat ik in mijn jonge jaren precies twee dagen Klein Kasteeltje en twee dagen Militair Hospitaal heb meegemaakt om uiteindelijk te horen dat ik niet gezond genoeg was om door de vijand neergeschoten te worden. Maar niet getreurd: nu kan ik er dus, door een project voor mijn werk, met volle teugen van genieten. Lekker middagmalen in een aangenaam lokaaltje, propere tafeltjes, een tafelnapje, persoonlijke bediening door een rasechte kelner, in uniform weliswaar. Er was waarschijnlijk ook een militair met oog voor de vrouwelijke toets - iemand die liever besalueerd wordt dan gesaalueerd ?- want op elk tafeltje stond een kaarsje, een minipompoentje en wat kastanjes, echt aangepast aan de tijd van het jaar. Leuk.
Er was één klein probleempje: de ober-militair sprak enkel Duits en wij waren een frans-duits-italiaans-belgisch gezelschap. De voertaal was dus het officiële ‘allo-allo’ Engels.
Je kent dat wel, het engels zoals in het gelijknamige feuilleton: ‘Aai aam zze frrrench rrresponsaable’, ‘haai hem dzje dzjurman prooojekt manadzjer’, ‘aai-e aam-e die ietaalian soepervaaiser’. Toen die ober dus vroeg of we Pilzen bij onze vis wilden waren we direct akkoord. Een fris pintje wou er uiteraard wel in.. Helaas, na wat uitleg bleken Pilzen rasechte champignons te zijn. Daar konden we ook mee leven maar wat kregen we uiteindelijk niet te zien? Goed geraden: champignons. Of toch ? Tijdens de koffie vroeg iemand zich namelijk af waarom dat pompoentje er toch zo witjes uitzag. Het leek een slecht afgewassen plastieken imitatiedingetje, en toen hij het stof er af wou vegen bleek het griezelig echt te zijn, bedekt met een dikke laag schimmel. Daar groeiden dus die champignons!! Voor wie ‘t niet snapt: schimmel, dat is in feite een soort mini-mini-champignons.
Antibiotica trouwens ook, maar dit doet hier verder helemaal niet ter zake.
Op andere dagen kregen we rare combinaties voorgeschoteld: stoofvlees met boontjes, aardappeltjes met een soort spirelli vergezeld van een slaschoteltje, en dat alles netjes tegelijk geserveerd, om in één enkele menugang op te eten. Ook nog: visbrochette (zonder champignons) met aardappelen en risotto, en het even obligate slaschoteltje. Gegeten hebben we dus wel, maar qua smaak kan er daar in Duitsland toch nog wat verbeteren. BV is misschien toch niets voor mij. Het gewone leven, ‘avonds buiten de kazerne, lijkt me iets beter. S’avonds aten we in een restaurant.
Pizza mit Bratwurst, Kartoffeln , Sauerkraut, und Knödel.