Inhoud blog
  • Een Amerikaan in Parijs, Benjamin Franklin (1706-1790). Achtergronden 1
  • Jacques-Louis David, revolutionair of opportunist ? (2)
  • Jacques-Louis David, revolutionair of opportunist ? (1)
  • Louise 0'Murphy
  • Vier zussen in het bed van de koning.
  • Wolfgang Amadeus Mozart op de 'thé à l’anglaise' bij Conti in de Temple.
  • Belisarius, een Byzantijnse generaal als proto-revolutionair icoon in de 18de eeuw.
  • In de Rue Neuve des Petits-Champs: Adelaïde, Jeanne, Vincent "et les autres".
  • Diderot : brieven aan Sophie Volland (3)
  • Diderot : Brieven aan Sophie Volland (2)
  • Diderot : Brieven aan Sophie Volland (1)
  • Diderot : huwelijk en eerste affaire
  • Een dubbel portret door Roslin uit 1954 in het Göteborgs Konstmuseum
  • Een merkwaardig portret van Louis XIV en zijn familie.
  • Een Vlaams-Duitse familie in Parijs of de Gentse roots van Eugène Delacroix.
  • Een nieuwe jas voor Diderot.
  • Verzamelde Lumières in het Salon van Mme Geoffrin.
  • Diderot, Greuze en Mademoiselle Babuti (2).
  • Diderot, Greuze en Mademoiselle Babuti (1).
  • Het trieste eind van Mme du Barry. (2) De obsessie van Grieve.
  • Het trieste eind van Mme du Barry. (1) De dood van Brissac.
  • Soufflot (1713-1780), architect van het Pantheon.
  • De smadelijke aftocht van Voltaire uit Pruisen.
  • over schilders, meubels & maîtresses
  • Opkomst en ondergang van de hertog van Choiseul
  • Voltaire : de smadelijke vlucht uit Engeland.
  • Het drama van Metz en het Pantheon
  • De mythische diamanten van Marie-Antoinette (2)
  • De serre-bijoux en de mythische diamanten van Marie-Antoinette (1)
  • Diderot verhuist naar het Pantheon.
  • Een 18de eeuwse galante abbé in de slaapkamer van Madame C.
  • 2013. Het jaar van Denis Diderot.
  • Shakespeare en Voltaire. Geslepen zakenlui en fraudeurs.
  • Voltaire vlucht voor een duel aan het hof van Stanislas te Lunéville.
  • Voltaire in Versailles, vicino al piu puzzolente cacatoio di Versailes.
  • Boucher en de Chinoiserieën (2).
  • Ontbijt met oesters en champagne
  • Boucher en de Chinoiserieën (1).
  • Een knipoog van Lavoisier.
  • Van bordeelmeisje tot First Lady
  • Our Lady of the Potatoes
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    18de Eeuws Parijs

    Over kunst, wetenschap, techniek, politiek, mannen, vrouwen en roddels in het 18de eeuwse Parijs.

    © Guido VanPoucke.
    Wil je verwittigd worden als er een nieuw item wordt gepost, geef dan je emailadres op.

    16-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diderot : Brieven aan Sophie Volland (1)

    Eind 1754, min of meer welstellend geworden, verhuisde het gezin Diderot van de Rue de l’Estrapade naar de Rue Taranne (Tarane op een plan van Parijs uit 1739, het zogenaamde plan Turgot – Afb 1). Vandaar dat men in de modieuze literaire salons sprak van le philosophe de la rue Taranne als men het over Diderot had. Hij zou er 30 jaar wonen, tot vlak voor zijn dood in 1784.


    In de 19de eeuw werd de straat opgeslokt door de nieuwe boulevard Saint-Germain, aangelegd volgens het tracé van Haussmann. De huizen aan een kant van de straat, waaronder dat van Diderot, werden afgebroken. Een marmeren plaat, op de hoek van de boulevard Saint-Germain en de rue des Saint-Pères, herinnert nog steeds aan de vroegere straat (Afb 2).


    Het gezin Diderot betrok de 3de en 4de verdieping van een huis dat uitkeek op de Carrefour Saint Benoit. De 3de verdieping was voor het huishouden, Nanette, zijn vrouw, en Angelique, zijn enig overgebleven kind en oogappel (drie andere kinderen waren kort na de geboorte overleden). De 4de verdieping was voorbehouden aan de heer des huizes : daar bevond zich zijn werkkamer en zijn omvangrijke bibliotheek, daar ontving hij zijn vrienden en daar schreef hij talloze brieven aan Sophie Volland.


    Het ensemble van de brieven aan Sophie vormt een belangrijk hoofdstuk in de Franse correspondentie-literatuur en volgens Proust (A la recherche du temps perdu) is dit het beste wat ooit in dit genre verscheen. Er zijn dan ook talloze uitgaven van deze correspondentie, telkens voorzien van een uitgebreid en geleerd voetnotenapparaat. Uiteraard kan niets de lectuur van de sprankelende originele tekst vervangen maar de Nederlandse vertaling door Anneke Brassinga komt toch heel dicht in de buurt (Brieven aan Sophie, Uitg. de Arbeiderspers, 1995). Niet alleen uit literair oogpunt zijn deze brieven interessant : ze bieden ook nog een niets verhullende inkijk in de persoonlijke zieleroerselen van de auteur die alles, maar dan ook letterlijk alles wil delen met zijn geliefde. Door zijn commentaren op de kringen waarin hij vertoefde krijgen we bovendien een zeer levendig beeld van de 2de helft van de 18de eeuw in Parijs.


    Toch zijn er een aantal onduidelijkheden in verband met deze correspondentie. Zo is er bijvoorbeeld nooit een brief van Sophie aan Diderot, noch een portret van haar teruggevonden. Bij het lezen van Diderot’s brieven krijgen we soms het gevoel getuige te zijn van een telefoongesprek gevoerd door Diderot met een voor ons onbekend persoon: we horen hem spreken maar we horen de antwoorden van zijn gesprekspartner niet. Het lijkt bijwijlen wel alsof Diderot maar een beetje doet alsof en er gewoon niemand is aan de andere kant van de lijn. Sommige onderzoekers menen dan ook dat die ganse correspondentie fake is, niet meer dan een soort dagboek in briefvorm, bedoeld voor latere publicatie.


    Het nieuws dat de brieven van Sophie eindelijk werden gevonden bracht dan ook grote opschudding teweeg in de kring van Diderot-kenners en –biografen, de zogenaamde “diderotisten”. Men had steeds aangenomen dat deze brieven –voor zover ze al bestonden- door zijn vrouw of dochter werden verbrand na zijn dood. In 1994 publiceerde Rosalina de la Carrera een ophefmakend artikel The Lost Letters of Sophie Volland in “Modern Language Notes”, MLN, een gezaghebbend tijdschrift van de John Hopkins University  (109, n° 4, septembre 1994, 650-658). Daarin gaf ze een boeiend verslag van haar zoektocht naar de brieven en hoe ze die (en ook een portret van Sophie) na maanden zoeken had gevonden in de bibliotheek van de Ermitage in St Petersburg. Dit klonk aannemelijk, het was immers bekend dat  Katharina de Grote, Tsarina van Rusland, de ganse bibliotheek, boeken en manuscripten, van Diderot had aangekocht waarbij hij alles mocht behouden op zijn 4de verdieping in Parijs en daarbovenop nog een salaris kreeg als bibliothecaris van de keizerin. Pas na zijn dood werd alles verscheept naar Rusland, inclusief de al dan niet bestaande brieven van Sophie.


    Eindelijk was het mysterie rond Sophie dus opgelost. Tot in de zomer van 1996 toen de uitgever van MLN bevestigde dat het bewuste artikel een grap was, een voorbeeld van literaire mystificatie, een handige mix van fictie en realiteit – een genre waarin Diderot trouwens uitblonk.  The letters do not exist, zo klonk het toen, and were indeed products of the authors imagination. I am sorry for any confusion this may have caused.


    En tot op vandaag is er nog steeds geen spoor van Sophie’s brieven aan Diderot.



     





    Afb 1



    Afb 2


    Afb 3 Katharina de Grote. Tsarina van Rusland. Roslin, 1776.

    16-03-2014 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diderot : huwelijk en eerste affaire

    Behind every great man stands a great woman. Zegt men. Greuze was getrouwd met “la Babuti” (zie blog 20/11/2013) - op wie Diderot destijds verlekkerd was. Maar de mooie Babuti ontpopte zich tot een kreng van een echtgenote, vele malen erger dan de legendarische Xanthippe van Socrates.

    Rousseau  was getrouwd – of leefde samen – met Thérèse Levasseur, wasvrouw en kamermeisje, zij kon de klok niet lezen, niet rekenen noch de maanden van het jaar onthouden en schreef enkel fonetisch. Al de kinderen die Rousseau bij haar verwekte werden gedumpt in een weeshuis, feit dat Voltaire, jaloers op het succes van Rousseau, niet naliet wereldkundig te maken.

    Diderot, lange tijd een boezemvriend en van Greuze en van Rousseau, was tijdens zijn jaren als bohémien (zie blog dd 17/11/2013) in 1743 in het geheim getrouwd met Anne-Toinette Champion, alias Nanette, de mooie dochter van zijn wasvrouw;  mooi maar onbemiddeld, ongecultiveerd en hyperdevoot. Hij trouwde in het geheim, want zonder ouderlijke toestemming. Nanette zou zich in de loop der jaren ontwikkelen tot une vraie mégère, grincheuse et hargneuse. Was haar karakter de oorzaak of het gevolg van de buitenechtelijke ecapades van haar echtgenoot? Het huwelijk was geen succes, en Diderot ontvluchtte de hel van het huishouden zoveel hij kon. Later, als hij stilaan beroemd werd, hield hij zich bij voorkeur op in adellijke en intellectuele kringen waardoor zijn vrouw nog eenzamer en vijandiger werd.

    Nochtans was Nanette, althans in de begintijd van hun huwelijk, toen ze beiden nog straatarm waren, een zorgzame echtgenote : ze leefde bij wijze van spreken van water en brood om six sous te kunnen sparen teneinde haar man toe te laten een tasse de café te gaan drinken (toen nog een luxedrank) in café Procope om de schaakspelers aldaar te observeren of om te filosoferen met vrienden en vriendinnen. Maar zoals reeds gezegd : naarmate Diderot opklom op de sociale ladder deterioreerde hun huwelijk.

    Een citaat uit een brief aan J-J Rousseau  spreekt boekdelen : Ah ! Que la vie me paraît dure à passer ! Combien de moments où j'en accepterais la fin avec joie ! Depuis le dernier orage domestique, nous mangeons séparés. On me sert dans mon cabinet. Lorsque nous ne verrons plus qu'en passant, il faut espérer que nous n'aurons ni l'occasion ni le temps de nous quereller. Ô la cruelle vie !...

    Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat Diderot onder het lemma indissoluble in zijn beroemde encyclopedie het huwelijk afkraakte (onder het Ancien Régime was echtscheiding verboden) Het huwelijk was, aldus Diderot, een instituut waar een mens alleen maar overspelig of ongelukkig van werd daar “een onverbrekelijke band onverenigbaar was met de onstandvastigheid van de menselijke natuur”.

    In 1745 of 46, raakte Diderot verliefd op Madeleine de Puisieux. Het werd zijn eerste echte affaire. La Madeleine was weliswaar geen schoonheid zoals Mme Diderot, maar ze was een min of meer bekende schrijfster, moraliste en feministe. Haar intellectuele interesses spoorden volledig met deze van Diderot. Het was een verademing na de kwezelachtigheid van zijn vrouw. De verhouding van Diderot met Puisieux bracht hen beiden voordeel. Ze zouden samen geschreven hebben aan L’Oiseau blanc en Puisieux zou meegewerkt hebben aan de scabreuze roman : Les bijoux indiscrètes. Onder haar eigen naam publiceerde Puisieux Le plaisir et la volupté (waaraan Diderot zou hebben meegeschreven). De coöperatie met Diderot was zeer lucratief voor haar, en volgens de mémoires van de dochter van Diderot, Mme de Vandeul, was het haar enkel daarom te doen. Diderot van zijn kant zou door deze vorm van coöperatief schrijven in het begin van zijn carrière de kracht hebben ontdekt van de dialoog als literaire vorm. Bovendien introduceerde Madeleine hem in de literaire salons en vogue zoals die van Mme Geoffrin (zie blog van 24-11-2013).

    Madeleine de Puissieux had revolutionaire ideeën over de opvoeding, en was een feministe avant la lettre (Le Triomphe des Dames, 1751). Voor haar verzameld werk kreeg ze in 1795 van de Republikeinse Conventie een levenslang pensioen. Dit in fel contrast met het lot van die andere feministe, Olympe de Gouze. Deze had in 1791 de Déclaration des droits de la femme et de la citoyenne gepubliceerd en werd daarvoor in 1793 door de revolutionairen geguillotineerd.

    Mme Diderot kreeg vlug in de gaten dat de werkzaamheden van haar man bij la Madeleine zich niet louter tot het literaire beperkten. Haar jaloersheid was grenzeloos. Toen Madeleine, nieuwsgierig naar de gezinswoning van haar minnaar in de Rue de la Vielle-Estrapade voorbij wandelde sprong ze letterlijk uit het venster en wierp zich op de minnares van haar echtgenoot. Men zegt dat de twee vechtende vrouwen door de omstaanders werden gescheiden door er emmers water op te gieten, zoals men bij vechtende of copulerende honden doet. (cfr La Bigarure ou Gazette galante, 1751 - een weekblad gepubliceerd in Den Haag).

    In de Rue de l'Estrapade (tegenwoordig zo genoemd) op nr 3 vindt men een wit-marmeren gedenkplaat die attesteert dat Diderot hier woonde van 1747 tot 1754, periode waarin hij zijn Encyclopedie dirigeerde.De paar jaren met Puissieux waren hoe dan ook een intens creatieve periode voor Diderot waarin hij zich volledig ontplooide. Maar toen hij in juni 1749 zijn essai Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient publiceerde liep het fout. Niet alleen wegens de antiklericale en provocerende atheïstische inhoud maar omdat hij bovendien hierbij op de gevoelige tenen zou hebben getrapt van een minnares van minister d’Argenson die zich derhalve verplicht voelde Diderot te laten opsluiten in de gevangenis van Vincennes. Wat gebeurde op 24 juli 1749.

    De directeur van de gevangenis was de markies van Châtelet, de echtgenoot van Emilie, de maîtresse van Voltaire (zie blog van 27-03-2013). Châtelet gaf de gevangene veel bewegingsvrijheid : hij mocht met hem dineren, gaan wandelen in het park en bezoek ontvangen van vrienden en familie. Rousseau is er op bezoek geweest, en dat bezoek is een veel besproken item geworden in de literatuur, en ook in deConfessions van Rousseau zelf. Op weg naar Vincennes zou Rousseau een fundamenteel inzicht verworven hebben dat hij nadien publiceerde in Discours sur les sciences et les arts. Over dit cruciaal gebeuren misschien later meer.

    Waarom markies du Châtelet Diderot zo opvallend welwillend behandelde is een vraagteken. Was het om Voltaire, de minnaar van zijn vrouw te contrariëren? Voltaire zag immers niets liever dan dat Diderot blijvend werd opgesloten, zo kon die jonge snaak hem niet langer naar de kroon steken in de kring van de verlichte filosofen. We herinneren er bovendien aan dat de vrouw van de markies, Emilie, op dit moment reeds hoogzwanger was van, niet van Voltaire, maar – en met diens goedkeuring -  van St Lambert. En dat ze in het kraambed zou sterven op 10 september 1749 toen Diderot nog steeds gevangen zat in Vincennes. Zou dit van invloed geweest zijn op de houding van de markies ten opzichte van Diderot ?

    Niet alleen van zijn vrouw kreeg Diderot bezoek, maar ook van zijn minnares, Madeleine de Puisieux. Op een keer kwam ze hem bezoeken, “in vol ornaat” alsof ze een feest wou bijwonen. Op Diderot’s vraag naar het waarom van deze extravagante outfit antwoordde ze dat het alleen maar was om hem te plezieren. Maar Diderot’s argwaan was gewekt, en toen ze vertrok klom hij over de muren van het park van Vincennes, volgde haar en trof haar uiteindelijk aan in de armen van een tien jaar jongere stalknecht. Dat was meteen het einde van hun verhouding. Althans volgens Angelique Diderot, beter bekend als Mme de Vandeul, in haar biografie over haar vader. Waarschijnlijk is deze biografie niet erg objectief want de dochter wou haar moeder een meer eervolle rol toedichten en Mme de Puisieux afschilderen als een egoïstisch op geld en sex belust kreng.

    Diderot werd uit de gevangenis ontslagen op 3 november 1749.

    Wat aan het einde van de liaison met Puissieux ten grondslag ligt, of zou liggen, moet grondiger onderzoek aantonen. Biografen van Diderot hebben lange tijd de versie van Angélique geloofd. Maar Alice Laborde, in haar standaardwerk Diderot et Madame de Puisieux (1984),  trekt alvast de mémoires van de dochter in twijfel en bevrijdt Mme de Puissieux van de slechte faam haar toegedicht door de dochter. Volgens Laborde zou de verhouding, of vriendschap, of collaboratie tussen Diderot en Puissieux zelfs nog na 1768 hebben blijven bestaan. Dat werpt een wel bijzonder licht op de boeiende relatie en correspondentie van Diderot en Sophie Volland, zijn volgende maîtresse (cfr Lettres à Sophie).

     

     

     

     

     










    Château de Vincennes (prison)


    Rue de l'Estrapade N° 3

    11-03-2014 om 17:19 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een dubbel portret door Roslin uit 1954 in het Göteborgs Konstmuseum

    In het Göteborgs Konstmuseum hangt een groot dubbelportret van 1.63 m op 2.02 m, gesigneerd en gedateerd door Alexander Roslin (Afb 1). Het laatste cijfer van de datum is echter moeilijk leesbaar maar de experts lijken tegenwoordig aan te nemen dat het een 4 is in plaats van een 9, het schilderij zou dan van 1754 zijn.

    Alexander Roslin, geboren in Malmö in 1718, kreeg een opleiding als portretschilder. Hij verliet Zweden in 1745 voor een leerrijke tocht doorheen Europa. In 1752 vestigde hij zich definitief in Parijs en huwde er in 1759 Marie-Suzanne Giroust, een leerlinge van Joseph Vien. Een portret van zijn vrouw (Afb 2) uit 1768 (Damen med Slögan of Dame met Sluier) is te vinden in het Nationaal Museum te Stockholm en geniet in Zweden dezelfde status als de Mona Lisa in Parijs. Na de dood van zijn vrouw in 1772 ondernam hij opnieuw een tocht door Europa en schilderde hij de portretten van al wie van tel was aan de Europese Koninklijke of Keizerlijke Hoven. In 1778 kwam hij definitief terug naar Parijs waar hij zou verblijven tot aan zijn dood in 1793. Hij kan tot de Franse School worden gerekend: hij was lid van de Académie des Beaux-Arts en exposeerde tot 1791 regelmatig in het Salon waar hij door Diderot werd beschouwd als een bon brodeur.

     In het genoemd dubbelportret zien we een elegant gekleed koppel, bijna op ware grootte, dat de toeschouwer rechtstreeks aankijkt. De vrouw lijkt bezig met haar schelpencollectie en de man demonstreert een van zijn interesses, architectuur of modelbouw. Een en ander is typisch voor de Verlichting.

    Wat ons intrigeert in dit dubbelportret is de identiteit van de afgebeelde personages. Volgens Gunnar W. Lundberg in zijn standaardwerk over Roslin (1957) gaat het hier om Perronet en zijn vrouw. Jean-Rodolphe Perronet (1708-1794) was een architect-ingenieur en de stichter van de nog steeds bestaande Ecole des ponts et chaussées. Hij is vooral bekend gebleven om zijn vele stenen boogbruggen waarvan de Pont de la Concorde (Afb 3) het meest bekend is (gebouwd in 1791 met stenen afkomstig van de afbraak van de Bastille). Er zijn diverse portretten bekend van Perronet o.a. een portret uit 1764 (Afb 4). Dit portret wordt toegeschreven aan Karl Van Loo volgens de archieven van de École nationale des ponts et chaussées of aan Louis-Michel Van Loo volgens de Archives de France (culture.gouv.fr). In 1754 was Perronet 46 jaar oud en op het portret door Roslin zien we inderdaad een flinke veertiger. Echter, in 1752 was Perronet – van bescheiden afkomst en bovendien een buitenechtelijk kind -  weliswaar reeds sinds 1750 benoemd tot inspecteur général maar nog helemaal niet een personage behorend tot de exclusieve hogere kringen waar Roslin in vertoefde. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat Peronnet als veertiger reeds leefde in een dergelijk somptueus décor zoals afgebeeld op het schilderij, het lijkt wel een kasteel in een park. Ook de zeer royale afmetingen van het doek wijzen in de richting van hogere adel. Perronet werd pas in 1763 benoemd tot premier ingénieur du Roi en twee jaar later werd hij membre associé de l’Académie royale des Sciences. Zijn portret door Karl ( of Louis-Michel ?) Van Loo uit 1764 bevestigde zijn nieuwe sociale status.

    Als het afgebeelde koppel dan niet Perronet en zijn vrouw is, over wie gaat het dan wel ? Er werden in het verleden diverse hypotheses geopperd : het zou gaan over de Dauphin, Louis de France (geboren in 1729, zoon van de regerende Louis XV en vader van de latere Louis XVI) en zijn vrouw. Een meer plausibele veronderstelling was dat het ging over Madame de Pompadour en haar jongere broer Marigny. Het kleed van de dame op het portret is inderdaad een variatie van het kleed van Pompadour zoals te zien in een portret van Pompadour door Boucher in 1756 waarvan men weet dat Roslin assisteerde in het schilderen van dat kleed (Afb 5). Maar in 1754 was Marigny pas 27 jaar oud, dat klopt dus niet met de veertiger afgebeeld op het schilderij. Bovendien, het imposante en originele rococo frame waarin het doek gevat is wordt bovenaan bekroond door twee tortelduifjes, hetgeen wijst op een afbeelding van een gehuwd of verliefd koppel (Afb 6). Een andere theorie is dat het hier gaat om Choiseul (1719-1785) en een dochter van de superrijke Louis de Crozat, met wie hij in 1750 was getrouwd; of Choiseul en zijn zus Mme de Grammont met wie hij zeer intiem omging; of nog Choiseul en zijn mâitresse Mme de Brionne  die we hier zien op een portret van Jacques Wilbaut uit 1775 in het gezelschap van zijn beste vriend Abbé Barthélmy (Afb 7).

    Wellicht zullen we nooit meer de identiteit van het afgebeelde koppel kunnen  achterhalen.

    Een ander interessant aspect van het schilderij is het afgebeelde meubilair. Bill Pallot in L’Art du Siège au XVIIIe Siècle en France bestempelt het meubilair van het portret dit de Perronnet et sa femme als typisch style de transition (tussen rococo en neoklassiek). Beide op het doek afgebeelde fauteuils zijn, net zoals het interieur, eveneens in de Louis XV stijl, maar terwijl de fauteuil van de dame op de kapregel nog een typisch asymmetrisch rocococartel vertoont, kondigen de brede moulures op de fauteuil van de man reeds het neoclassicisme van Louis XVI aan. Het bureau, eveneens in Louis XV stijl, is merkwaardig. Het lijkt wel of het een uniek exemplaar is dat op bestelling werd gemaakt. Het meubel ziet er enerzijds uit als een schrijftafel maar door zijn vele laden vertoont het ook kenmerken van de in die tijd zeer populaire meubels waarin men zijn verzamelingen kon opbergen, zoals juwelen en munten (médaillers), schelpen (coquillers) vlinders of mineralen (meubles minéralogiques). In het Cabinet Lafaille van het Muséum d’Histoire Naturelle te La Rochelle bevindt zich een meubel dat een merkwaardige gelijkenis vertoont met dat op het doek van Roslin (Afb 8). Dit meubel in acajou de cuba dateert inderdaad van rond het midden van de 18de eeuw maar de poten ervan vertonen wel een excessieve kromming.





    Afb 1 Dubbelportret door Alexander Roslin, 1954. Göteborgs Konstmuseum, Zweden.



    Afb 2. Marie-Suzanne Giroust. Nationalmuseum, Stockholm.



    Afb 3. Pont de la Concorde (autrefois : Pont Louis XVI.



    Afb 4. Perronet par Louis-Michel ou Carl Van Loo, 1764.



    Afb 5. Pompadour door Boucher, 1956.



    Afb 6. Tortelduifjes bovenin het rococoframe van het schilderij van Afb 1. © Göteborgs Konstmuseum - H. Sehatlou.



    Afb 7.Choiseul, Mme de Brionne et l'abbé Barthelemy. Jacques Wilbaut, 1775.


    Afb 8. Cabinet Lafaille, Museum d'histoire Naturelle, La Rochelle (Fr) © MLR - Romain Vincent.

    29-01-2014 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een merkwaardig portret van Louis XIV en zijn familie.

    De Wallace Collection in Marylebone, Londen, is een klein maar fijn museum – met vrije toegang bovendien - voor wie houdt van Franse 18de-eeuwse kunst, zij het schilderijen, sculpturen, meubels  of Sèvre porselein (Afb 1).  Een intrigerend doek in de collectie is “Louis XIV and his family" (Afb 2)Het doek is noch gedateerd noch gesigneerd maar wordt toegeschreven aan Nicolas de Largillière (1656-1746). Deze schilder bracht zijn jeugd door in Antwerpen en Londen en kwam pas rond 1682 naar Parijs. Door zijn inbreng van Vlaamse barok kan hij beschouwd worden als een soort wegbereider van de Franse rococo. 

    Dat “Louis XIV and his family"  inderdaad van de hand is van Largillière daar is iedereen het mee eens, maar dat geldt niet voor de identificatie van de afgebeelde personen noch voor de datering. De dame in het zwart bijvoorbeeld, links op het doek, werd aanvankelijk door de curatoren van de Wallace Collection aanzien als Mme de Maintenon. En inderdaad, op een portret van Pierre Mignard uit 1694 (Afb 3) lijkt het om dezelfde dame te gaan.

    Mme de Maintenon was aanvankelijk de gouvernante voor de zeven kinderen ontsproten uit de verhouding van de koning met zijn mâitresse Mme de Montespan. Toen de passie van Louis XIV voor de Montespan verkoelde werd de gouvernante zelf zijn mâitresse, de laatste in een lange reeks en, omdat ze zeer vroom katholiek was, uiteindelijk zijn geheime echtgenote na de dood van zijn wettelijke vrouw Maria Theresia van Spanje in 1683.

    Nader onderzoek van het schilderij echter leerde dat het niet ging om deze Mme de Maintenon maar om Mme de Ventadour, en dat het schilderij mogelijk eerder bedoeld was als een hommage aan deze dame omdat zij de Bourbons gered had van de dynastieke ondergang. De mensen van Wallace dateren het doek circa 1715 en interpreteren het dan ook als een imaginair familieportret waarin het knaapje aan de leiband de toekomstige Louis XV voorstelt, de troonopvolger van Louis XIV die op het schilderij zo ostentatief naar hem wijst, en die door Ventadour van de dood werd gered. Was het knaapje gestorven dan was Louis XIV de laatste koning geweest van de Bourbon-dynastie.

     Madame de Ventadour was sinds 1704 de gouvernante van de kinderen van de oudste kleinzoon van Louis XIV, de hertog van Bourgondië of le petit dauphin. De oudste zoon van Louis XIV, de natuurlijke opvolger of le grand dauphin was reeds in 1711 op 50-jarige leeftijd, een natuurlijke dood gestorven. Dus nu werd diens oudste zoon, de voormalige petit dauphinof  hertog van Bourgondië, de troonopvolger. Het jaar daarop, in 1712, woedde er een mazelen epidemie aan het Franse hof. Dokter Fagon, volgens Mme de Maintenon de beste dokter van Frankrijk, behandelde de zieken met de beproefde methode van de aderlating. De gevolgen van zijn therapie waren dramatisch. Eerst stierf de vrouw van le petit dauphin en een week later de dauphin zelfHij had twee kinderen in leven : de oudste, geboren in 1704 en getiteld als de hertog van Bretagne, en een jonger broertje, geboren in 1710 en getiteld als hertog van Anjou. Deze twee achterkleinkinderen van Louis XIV bleven dus verweesd achter waarbij de oudste, de hertog van Bretagne de nieuwe troonopvolger of dauphinwerd. Voor alle duidelijkheid : Louis XIV was nog steeds in leven. Nu kregen ook beide broertjes de mazelen. Fagon spande zich in om middels heroïsche aderlatingen de troonopvolger te redden. De reeds danig verzwakte knaap overleefde dit natuurlijk niet en stierf op 8 maart 1712. De tweejarige hertog van Anjou werd nu de enige nog mogelijke troonopvolger, dus moest hij ten allen prijze  overleven en Fagon maakte zich reeds klaar om hem te redden via een nog spectaculairder aderlating want die van het broertje was onvoldoende gebleken. Maar dat was buiten de Ventadour gerekend. Zij had de rampzalige gevolgen van Fagon’s therapie gezien en verschanste zich met de kleine dauphin en drie kindermeisjes en weigerde de dokters elke toegang tot de zieke knaap die vervolgens voorspoedig genas. Drie jaar later stierf uiteindelijk de Zonnekoning en de hertog van Anjou werd als Louis XV de nieuwe koning van Frankrijk.


    Indien het doek dateert van 1715 of later dan is het inderdaad imaginair want  1711 was het laatste jaar waarop alle afgebeelde personages nog in leven waren. Franse deskundigen daarentegen (Pierre Cabanne in L’Art du XVIIIe Siècle) dateren dit werk in 1708, toen waren alle afgebeelde personages nog in leven maar het knaapje aan de leiband kan dan onmogelijk de latere Louis XV zijn, vermits nog niet geboren, maar de vierjarige hertog van Bretagne. Louis XIV zou dit schilderij in 1708 besteld hebben om trots al zijn troonopvolgers voor te stellen : zijn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon. Maar vervolgens stierven de drie afgebeelde troonopvolgers kort na elkaar en wel in protocollaire orde, eerst zijn oudste zoon, le grand dauphin, dan zijn kleinzoon en tenslotte ook de afgebeelde achterkleinzoon. De Zonnekoning moet vanaf 1712 wel met enige bitterheid in het hart naar dit doek hebben gekeken waarop zijn eigenlijke troonopvolger zelfs niet eens wordt afgebeeld.


    Is de scène fictief of niet, het decor lijkt reëel. Bijvoorbeeld het paneel met de apollinische zonnewagen. Louis XIV geloofde blijkbaar zelf dat hij inderdaad le Roi Soleil was. De omlijsting van dit paneel illustreert trouwens treffend de laat Louis XIV stijl die de Régence onmiddelijk voorafgaat. Het doek is bovendien merkwaardig omdat het 6 generaties van de Bourbon familie afbeeldt, voorzover men de twee borstbeelden meetelt : links Louis XIII, de vader van de Zonnekoning en rechts Henri IV, zijn grootvader en stichter van de dynastie (Afb 4).





    Afb 1. Het Wallace museum in Marylebone.



    Afb 2 Het familieportret.



    Afb 3. Mme de Maintenon.


    Afb 4. Who is who ?
    1. Mme de Ventadour
    2. Indien 1715 : de toekomstige Louis XV - indien 1708 : de hertog van Bretagne
    3. Le Grand Dauphin
    4. Louis XIV
    5. Henri IV
    6. Le Petit Dauphin
    7. Louis XIII

    05-01-2014 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een Vlaams-Duitse familie in Parijs of de Gentse roots van Eugène Delacroix.

    Een getalenteerde meubelmaker uit Gent, Frans Vander Cruysse, aldaar geboren rond 1690, verhuisde in de eerste helft van de 18de Eeuw naar Parijs. Ook Johann Franziscus Oeben (of Öben) hield het voor bekeken in zijn geboorteplaats Einnsberg (bij Aachen) en trok rond 1740 eveneens naar Parijs met in zijn kielzog 3 broers en 2 zusters.

     

    Voor bekwame meubelmakers-ebenisten was de aantrekkingskracht van het 18de eeuws Parijs gemakkelijk te verklaren. Sinds Louis XIV was Parijs zowat het artistieke en intellectuele centrum van de beschaafde wereld geworden. Het potentieel kliënteel voor peperduur of avant-garde meubilair was er veel groter dan in een of ander klein Duits vorstendommetje, laat staan in Gent.

     

    In de Faubourg St Antoine vonden de inwijkelingen een ganse kolonie nederduits sprekende ambachtslui. De meesten van hen waren katholiek en ze vulden als het ware het vacuüm op dat vertrekkende protestanten achterlieten. Velen hadden bovendien vroeger op hun verplichte reizen als gezel of compagnon al gewerkt bij een Franse meester. Nu kwamen ze terug als meester of behaalden er alsnog het meesterschap.

     

    Frans Vander Cruysse, algauw François Lacroix genoemd, werd mâitre menuisier-ébéniste, en verwierf een atelier in de Faubourg St Antoine. Rond 1720 trouwde hij met Françoise Dupuis. Het koppel kreeg vijf ravissante dochters en een zoon, Roger. Deze Roger zou net als zijn vader een beroemde menuisier-ébéniste worden. Hij stempelde zijn meubels als R.V.L.C (Roger.Vandercruysse.La.Croix) maar ook soms simpelweg als R.LACROIX.

     

    Johann Franziscus, of Jean-François, Oeben en zijn jongere broer Simon-François werkten aanvankelijk in de werkplaats van Charles-Joseh Boulle in de Louvre. Na diens dood kreeg Jean-François de titel van menuisier ébéniste du Roy en installeerde zijn werkplaats in de Gobelins. In 1756 verhuisde hij naar de Arsenal waar hij tot zijn dood zou verblijven. Simon bleef in de Gobelins.

     

    Beide broeders Oeben trouwden elk met een dochter van François Lacroix Vander Cruysse. Jean-François Oeben trouwde in 1749 met de oudste, Françoise-Marguerite, en Simon-François met Marie-Marguerite. En een van de 2 zussen Oeben, Marie-Catherine, trouwde in 1759 met Martin Carlin, een jonge Duitser afkomstig uit Freiburg, die als gezel werkzaam was eerst bij François Vander Cruysse en later bij Jean-François Oeben als die vanaf 1756 zijn eigen werkplaats had. Carlin werd mâitre menuisier ébéniste in 1766 en had dus voortaan ook zijn eigen atelier. De vier schoonbroers werden wereldberoemde vaklui en hun werk wordt nog steeds bewaard in diverse musea over de hele wereld. J-F Oeben werd de vaste leverancier van Mme de Pompadour, zijn broer leverde meubilair aan de Duc de Choiseul, Carlin leverde zijn meubels voornamelijk aan de vermaarde marchand-mercier Poirier voor Mme du Barry en LaCroix had een vast clienteel bij Mesdames Tantes (de dochters van Louis XV). Op openbare veilingen gaat hun werk tegenwoordig van de hand voor miljoenen euro’s.

     

    Toen J-F Oeben stierf in 1763 dongen 2 gezellen van zijn werkplaats, Jean-Henri Riesener en Leleu, naar de hand van Françoise-Marguerite, de weduwe. Wie met de weduwe van een overleden meesters-ebenist trouwde kreeg er als het ware het meesterschap van de overleden echtgenoot bij en dus ook het recht onafhankelijk een atelier uit te baten. Riesener haalde het van zijn rivaal en volgde dus J.F. Oeben op in de Arsenal  . Hij werkte het door Oeben begonnen wereldberoemde bureau cylindrique van Louis XV verder af en werd net als zijn nieuwe schoonbroers, S. Oeben, LaCroix en Carlin wereldvermaard door zijn meubilair in een neoklassieke stijl die zeer geliefd was bij koningin Marie-Antoinette. Riesener nam ook de zorg op zich van Victoire, het dochtertje van J.F Oeben dat pas 5 jaar was toen haar vader stierf. Met Françoise-Marguerite kreeg hij een zoontje Henri-François, geboren in 1767 die later een bekend portrettist zou worden..

    Victoire Oeben was dus de kleindochter van Frans Vander Cruysse alias François Lacroix, Roger Lacroix was haar oom en Henri-François Riesener haar halfbroer. Toen ze 20 werd, in 1778, trouwde ze met een zekere Charles Delacroix, een diplomaat die carrière zou maken tijdens de Revolutie en Minister van Buitenlandse Zaken werd onder het Directoire.

    Charles en Victoire kregen kort opeenvolgend 3 kinderen, en 14 jaar later een “nakomertje”, Eugène, geboren op 26 april 1798.

     

    Met die geboortedatum van Eugène, de latere exponent van het Franse Romantisme (naast Géricault) is iets loos. Charles, de vader, leed al enkele jaren aan wat toen werd genoemd een sarcocèle (nu wordt dat een lipofobroom genoemd) uitgaand van zijn scrotum. Dit overigens goedaardig gezwel ontwikkelde zich tot een volumineuze tumor. Die tumor was zò groot dat zijn penis er in verdween en de urine geloosd werd als door een soort navel in dat gezwel. In die situatie was geslachtsgemeenschap met penetratie onmogelijk.

     

    Niemand durfde hem te opereren, uiteindelijk werd een militair chirurg, Imbert-Delonnes, bereid gevonden de risicovolle ingreep uit te voeren. Dit gebeurde op 27 Fructidor van het jaar V (13 september 1797). Een gezwel van 15 kilo werd verwijderd, Charles doorstond de ingreep heldhaftig – er was toen nog geen sprake van anesthesie. De verwijdering van dat gezwel was een medische primeur en de chirurg publiceerde een omstandig verslag van de ingreep. Dit verslag werd zelfs in het Nederlands vertaald : “Kunstbewerking van een vleeschbreuk gedaan aan Ch. Delacroix”. In die prae-antibiotische tijd veretterde een chirurgische wonde altijd maar genas meestal na een maand of zo. Dus Charles zou Victoire pas hebben kunnen bevruchten vanaf medio october. Derhalve zou Eugène een prematuur geweest zijn van ongeveer 6 à 7 maand. In die tijd waren de overlevingskansen van een dergelijke prematuur nihil.

    Vandaar het geroddel in Parijs : Charles Delacroix werd als minister vervangen in juli 1797 door Talleyrand en werd aangeduid als gevolmachtigde voor de Bataafse Republiek (Holland). Kwatongen verspreidden het gerucht dat Talleyrand niet alleen de ministerstoel van Delacroix bezette maar ook diens plaats innam in het bed van de mooie Victoire, des te meer daar Talleyrand een intieme vriend was van het gezin Delacroix-Oeben. Hij zou de biologische vader geweest zijn van Eugène.

    Hoe dan ook, we gaan hier niet verder op in, maar gezien  “mater semper certa est” : of de biologische vader van Eugène nu Charles Delacroix was of prins Talleyrand, dat maakt voor ons betoog niets uit : Eugène Delacroix, de schilder van de Franse Romantiek en icoon van de revolutie in het algemeen (in casu tegen koning Charles X) was langs moederszijde een achterkleinkind van de Gentse meubelmaker Frans Vander Cruysse. Quod demonstrare volui. 

     

     




    Het beroemde Bureau cylindrique du Roi, door Oeben begonnen en door Riesener afgewerkt


    Een commode met plakken Sèvre porselein voor Mme du Barry door Martin Carlin, 1772.


    Een schrijftafel voor Marie-Antoinette door Riesener, 1783.


    De merkwaardige publicatie van Imbert Delonnes.


    Gravure van de trotse Imbert Delonnes wijzend naar zijn pronkstuk: de tumor van CH. Delacroix in een glazen stolp.
    (made by Pierre Chasselat in 1799, Wellcome Collection London.)


    Eugène Delacroix.

    La Liberté guidant le Peuple. Iconisch schilderij door Eugène Delacroix.

    30-12-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een nieuwe jas voor Diderot.


     

    2013 is het jaar van Diderot (zie blog van 11/4/13). Naar aanleiding van de tricentenaire van zijn geboorte worden her en der in Frankrijk tentoonstellingen ingericht die op een specifiek aspect van zijn carrière inzoomen. In het Musée Fabre te Montpellier loopt aldus nog tot 12 januari 2014 een expositie die focust op de werken (schilderijen en sculpturen) waarover Diderot zich zowel lovend als negatief uitsprak: Le goût de Diderot: Greuze, Chardin, Falconet, David ... (afb 1).

    Diderot speelde inderdaad een belangrijke rol in het kunstgebeuren van zijn tijd door zijn kritische commentaren op de tweejaarlijkse Salons van 1759 tot 1781. Deze commentaren verschenen vervolgens in de Correspondance littéraire van Grimm (zie blog van 17/11/13). De tentoonstelling in Montpellier toont, zoveel als mogelijk was, de werken die door Diderot besproken werden in deze Correspondance.

     

    Er wordt hier tevens een merkwaardig portret getoond van de oude Diderot (rond 1780) vêtu de sa vieille robe de chambre (afb 2). Dit portret is pas onlangs opgedoken uit een partikuliere verzameling. Het toont de filosoof met een “ beau regard bleu, lavé par les années assorti à la doublure de son vêtement”. (http://diderotdenis.blogspot.be). We gaan hier niet verder in op zijn “blauwe ogen” die eigenlijk bruin waren (zie blog van 11/4/13) maar wel op zijn oude kamerjas.

     

    Het moet  in october 1768 geweest zijn dat Diderot omwille van een of andere bewezen dienst aan Mme Geoffrin – van wie hij overigens niet veel moest hebben – nieuw meubilair en een luxe scharlaken rode kamerjas kreeg (afb 3). Kort daarop kreeg hij bezoek van Grimm die hem nogal ironisch wees op de gevaren van luxe. Enkele dagen later reeds repliceert Diderot met zijn beroemde tekst : Regrets sur ma vieille robe de chambre. Deze tekst was bedoeld voor de Correspondance littéraire van Grimm als inleiding voor zijn kritiek op het Salon van 1769. Geen enkele van deze “salon-kritieken” van Diderot mocht worden gepubliceerd zolang de auteur nog in leven was, vandaar dat de toon van deze kritieken zo vrijmoedig was, en niets of niemand ontziend. Deze teksten werden pas vanaf 1798 in druk verspreid door Naigeon. De tekst: Regrets sur ma vieille robe vormt hierop een uitzondering en werd nog tijdens het leven van Diderot, 

     in 1772, gepubliceerd door eene Friedrich Ring, zeer tot ongenoegen trouwens van de auteur. Deze tekst werd waarschijnlijk gelekt door Grimm zelf (afb 4).

     

    We geven hier de vertaling door Martin de Haan van de eerste paragrafen van dit merkwaardige essai. De volledige tekst kan men lezen in Raster #94, 2001 (tijdschriftraster.nl/diderot/).

    Waarom heb ik haar niet gehouden? Ze was aan mij gewend, ik was aan haar gewend. Ze volgde alle plooien van mijn lichaam zonder het te hinderen. Ik was schilderachtig en mooi. De andere is stijf en gekunsteld, ik lijk wel een houten klaas. Geen nood waartoe ze zich in haar gewilligheid niet leende, want armoe is bijna altijd gedienstig. Was er een boek met stof bedekt? Een van haar slippen diende zich aan om het af te wissen. Weigerde de dikke inkt van mijn veer te vloeien? Ze bood me haar zij. Lange zwarte strepen getuigden van de vele diensten die ze me had bewezen. Die lange strepen waren de herkenningstekens van de literator, de schrijver, de noeste werker. Maar nu zie ik eruit als een vadsige rijke. Men weet niet wie ik ben.
    Onder haar bescherming was ik niet bang voor de onhandigheid van een knecht of van mezelf, niet voor vonken uit de haard en niet voor spetterend water. Ik was heer en meester over mijn oude kamerjas; van de nieuwe ben ik een slaaf geworden...
    De ritsige grijsaard die zich met lijf en leden heeft overgeleverd aan de grillen en de genade van een lustig deerntje, zegt van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat: ‘Waar is mijn goede oude huishoudster? Van welke demon was ik bezeten toen ik haar verjoeg voor deze hier?’, en hij huilt, hij zucht... .

     

    Deze tekst geeft tot op heden aanleiding tot uiteenlopende interpretaties. Zelf zien we er een pleidooi in voor authenticiteit.
    Voor een uitgebreide analyse van deze tekst zie Samuel Sadaune : L’ouverture excentrique du Salon de 1769 ou portrait du Philosophe en robe de chambre. (rde.revues.org/177).

     




    afb 1 


    afb 2

    afb 3

    afb 4

    02-12-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verzamelde Lumières in het Salon van Mme Geoffrin.

    In 1812 bestelde Keizerin Joséphine de Beauharnais bij Lemonnier voor haar kasteel te Malmaison, een doek met een voorstelling van vooraanstaande Lumiéres naar aanleiding van hun bezoek aan een of ander gerenommeerd Salon. Met Lumières worden filosofen bedoeld, schrijvers en kunstenaars, uit de 18de eeuwse Franse Verlichting. Lemonnier koos voor het Salon van Mme Geoffrin en titelde zijn werk Première lecture, chez Madame Geoffrin, de l’Orphelin de la Chine, tragédie de Voltaire, en 1755 (Lemonnier f.1812). Het origineel hangt nog steeds in Malmaison. Een replica daarvan, half zo groot als het origineel, is te vinden in het Musée des Beaux-Arts van Rouen. Van dit schilderij zijn er tal van gravures gemaakt bovendien voorzien van de nodige uitleg om elk van de 53 afgebeelde personages te kunnen identificeren. Lemonnier had ieder van hen “natuurgetrouw” afgebeeld op basis van bestaande portretten. Een reproductie van dit beroemde schilderij vindt men omzeggens in elk boek dat gaat over de Verlichting in Frankrijk en over de rol die de Salons hebben gespeeld in de informele verspreiding van de nieuwe ideeën. Toch heeft het doek, zoals zal blijken, geen enkele historische of documentaire waarde, althans niet in verband met  het jaar 1755.

    Wat die zogenaamde Salons betreft : in de 18de eeuw organizeerde een dame van rang of stand, die daartoe de middelen had, en de ambitie, meestal wekelijks een Salon waarop ze schrijvers, kunstenaars of filosofen uitnodigde. Een bekend en goed gefrekwenteerd Salon was dat van Mme Geoffrin. Op maandag ontving ze kunstliefhebbers, artiesten en hun mecenassen en op woensdag het letterminnend volk.

     Wat het interieur van het Salon van Mme Geoffrin betreft, zoals weergegeven op het doek van Lemonnier: dit is een een schoolvoorbeeld van neo­klassieke stijl, geen enkel spoor meer van uitbundige rococo maar strakke omkadering van de monumentale spiegel met parellijst, rechttoe-rechtaan kaders van de schilderijen, deur­openingen afgelijnd door pilasters, boven de deuren kroonlijsten geschraagd door consoles, bas-reliëfs in de imposten, tegen het plafond aan een veelvoud van lineaire lijsten, enz...Voor zover we weten bestaat er geen enkel schilderij, gedateerd 1755 of vroeger, waarop reeds een dergelijk interieur te zien is. zoiets bestond gewoonweg nog niet in 1755.

    Wat de schilderijen betreft die de wanden van het salon versieren: een aantal van hen was in 1755 nog niet eens geschilderd, bijvoorbeeld het schilderij van Vien bekend als La Vertueuse Athenienne , een werk dat we verder uitvoerig bespreken. Het is bekend dat Vien opdrachten kreeg van Geoffrin, maar het doek in kwestie, dat we gemakkelijk herkennen op de tweede rij in de rechterhoek van de kamer, schilderde hij pas in 1762 ! Het bekende schilderij van Chardin daarentegen, La Pourvoyeuse, onder dat van Vien, hangt daar terecht want het dateert al van 1739.

    Wat de afgebeelde personages betreft enkele daarvan hebben nooit het salon van Geoffrin gefrequenteerd, anderen waren daar zeker niet in 1755 en nog anderen tenslotte zullen daar nooit tezamen geweest zijn. Zo zouden Rousseau, Diderot en nog een paar andere van de hier afgebeelde figuren waarschijnlijk nooit het salon van Geoffrin hebben bezocht. Van Buffon bijvoorbeeld is dat met zekerheid bekend, toch is hij op het schilderij prominent aanwezig als de figuur op de eerste rij uiterst links, in gesprek met Daubenton, de man achter hem. Bovendien zit Buffon op een stoel met achterpoten en sabre, een model dat pas na zijn dood, op het einde van de 18de eeuw zou verschijnen (style directoire). De stoel waarop Le Kain zit, de acteur die voorleest uit het werk van Voltaire, de stoel met de rechte kapregel waarop een dame haar hand legt, is reeds van een duidelijke Louis XVI signatuur. Uiterst rechts op het doek daarentegen zien we Vernet, naast de knikkebollende Fontenelle, op een Louis XV stoel. Men had dus geen bezwaren tegen het voorkomen van stoelen uit diverse stijlperioden in eenzelfde salon, hoe modieus en trendy ook.

    Lemonnier moet geweten hebben dat Voltaire in 1755 niet aanwezig kon geweest daar deze zich met Madame Denis aan het installeren was in Les Délices nabij Genève. Daarom verving hij de lijfelijke Voltaire door diens buste. Men vraagt zich dan ook af waarom Choiseul, op het doek links van de buste, wel werd gekonterfeit. Hij verbleef van november 1754 tot januari 1757 in de Ambassade de France te Rome en kon dus evenmin als Voltaire hier aanwezig geweest zijn.

    Op de eerste rij, uiterst rechts zien we, zoals reeds vermeld, Joseph Vernet, pas terug uit Rome en beroemd om zijn schilderijen van Franse zeehavens. Naast hem zit de toen 96-jarige Fontenelle, links van Geoffrin. De bejaarde Fontenelle heeft weinig aandacht voor de voorlezing, hij lijkt een dutje te doen, wat volkomen gerechtvaardigd is op zijn leeftijd. Op de rij achter Vernet en Fontenelle zit Sophie d’Houdetot in gesprek met Montesquieu. Elders, ergens op de linker­kant van het doek wordt Mlle de Lespinasse afgebeeld. Vermits zij pas in 1764 voor het eerst bij Geoffrin opdook kan zij daar moeilijk Montesquieu of Fontenelle hebben ontmoet, want de eerste stierf in februari 1755 en de tweede in 1756.

    Het is bekend dat Geoffrin op maandag kunstliefhebbers, artiesten en hun mecenassen ontving en op woensdag het letterminnend volk. Vermits hier een toneelstuk van Voltaire wordt voorgelezen zou de scene een woensdagbijeenkomst moeten voorstellen. Mensen als Marmontel, D’Alembert, Helvetius, Turgot, Saint Lambert e.a. zijn hier dus op hun plaats; maar de schilders Carl Van Loo, Vien en Vernet, de beeldhouwers Bouchardon en Pigalle, de architect Soufflot en de mecenas Caylus zouden we toch eerder op een maandag verwachten.

    Afgezien van het feit dat de hier afgebeelde personages op een of ander ogenblik echt bestaan hebben, en herkenbaar werden geportretteerd, is de rest een puur verzinsel van Lemonnier.

    Echte verlichte geesten, zoals de radicale atheïsten Holbach en La Mettrie worden hier echter niet afgebeeld - wellicht was het zelfs in 1812 nog niet “politiek correct” die beide radikale atheïsten te vermelden

    .

     









    24-11-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diderot, Greuze en Mademoiselle Babuti (2).

    In een artikel van Paul de Musset over Mlle Quinault (Revue de Paris, 1841) wordt het volgende gesprek weergegeven:

    ... Un soir, Duclos arriva chez Mlle Quinault et dit négligemment :
     - Vous allez avoir Diderot à souper.
     - Ah ! répondit Mlle Quinault, voici la première fois que vos grands airs accouchent d'autre chose que d'une souris. La nouvelle me fait plaisir. Il nous faut du vin de Champagne, car M. Diderot est bon convive.
    - Sans doute, reprit Duclos, et je lui ai ordonné de boire sec pour s'étourdir.
    - Est-ce qu'il a quelque chagrin?
    - Vous ne savez donc pas ce qui lui arrive? Il était amoureux de la petite Babuti, la fille du libraire, et elle a épousé Greuze le peintre. J'ai rencontré tout à l'heure Diderot éperdu et en désordre. Il parlait de fuir en Russie ou à La Baye, de se jeter dans la rivière, et, en dernier lieu, de courir à Montmorency confier sa peine à Rousseau; mais je lui ai ouvert mes deus bras, où il s'est précipité en pleurant, et l’envie de voyager et de mourir lui a passé aussitôt. Je connais l'homme. Il ne lui fallait qu'un moment d'effusion. Je me suis trouvé là fort à propos pour offrir un exutoire à sa sensibilité. Une page dans un de ses contes sur l'inconstance des femmes, une tirade dont vous jouirez, achèveront la purgation, et demain il écrira au voyageur Grimm: Nous avons sablé le Champagne, et tu n’y était pas!

    La petite Babuti trouwde officieus met Greuze in 1757 – deze conversatie werpt een ander licht op het verhaal van Diderot van quand j’étois jeune... .

    Jean-Baptiste Greuze, geboren in 1728, was op het Salon van 1755 beroemd geworden door een schilderij van een tot dan toe ongekend moralizerend genre : Père de famille expliquant la Bible à ses enfants. Door het succes van dit werk werd hij aangenomen als Agréé de l’Académie en in 1756 vertrok hij naar Rome voor de obligate Italië-reis. Het jaar daarop was hij alweer in Parijs.

    Volgens zijn mémoires liep hij op een dag, kort na zijn terugkeer, de Librairie Babuti binnen, gelegen in de Rue Saint Jacques (Diderot situeerde deze boekhandel eerder in de Quai des Augustins, de winkel was ondertussen blijkbaar verhuisd). Hij trof er Mlle Babuti. Je fus frappé d’admiration, schrijft hij, car elle avait une très belle figure.

    Er volgden komplimentjes heen en weer, et des cajoleries. Zij deed er ondertussen alles aan om hem tot een huwelijk te verleiden, want zo schrijft Greuze, nogal verwaand: ik was al beroemd en Mlle Babuti vreesde reeds “ de faire Sainte-Catherine” voor de rest van haar leven, ttz een oude vrijster te blijven, want ze was al meer dan 25. Op haar vraag of Greuze niet met haar wou trouwen indien ze daarin zou toestemmen, antwoordde hij galant : Mademoiselle, n’est-on pas trop heureux de passer sa vie avec une femme aussi belle que vous ? Deze galanterie zou hem zeer zuur opbreken want ze nam zijn antwoord letterlijk op als een bevestiging op haar vraag. Ze kocht enkele juwelen en vertelde in de buurt dat het een huwelijksgeschenk was van M. Greuze de l’ Académie Royale. Omwille van het goed fatsoen kon Greuze de boot toen niet langer afhouden. Toch zou het nog 2 jaar duren, tot begin 1759, voor ze officieel trouwden.

    Aanvankelijk liep alles gesmeerd. Greuze boekte aanzienlijke successen op de Salons van 1761, 63 en 65 met werken als Un paralytique soigné par sa famille, La mère bien aimée, La piété familiale, Le bonheur conjugal, etc. Diderot was een vriend aan huis en prees zijn schilderijen de hemel in. Greuze was volgens Diderot de eerste peintre morale van zijn tijd. Het was alsof hij predikte, niet met woorden maar met het penseel. Greuze, hierin aangemoedigd door Diderot, surfte volop verder op de golven van een soort epidemie van moralisme waaraan de tweede helft van de 18de eeuw zo onderhevig was. De “heilige” waarden van het huwelijk, het gezin en de deugdzame opvoeding van de kinderen waren weer “in” bij een publiek lassé de galanteries mythologiques, de nudités friponnes et de tableautins galants, zoals de gebroeders Goncourt schreven.

    En dan waren er nog de “Greuze girls”: Jeune fille pleurant son oiseau mort, La cruche cassée, etc. Over de onderliggende dubbele moraal hebben we het nog in een andere bijdrage. Gravures van zijn werken verkochten als zoete broodjes. Ze waren omzeggens in elke huiskamer te vinden en bezorgden Greuze een fortuin.

    Geleidelijk echter zou mevrouw Greuze zich ontwikkelen tot een kreng van een wijf. Ze hield er tal van minnaars op na, soms van het meest bedenkelijke allooi en verkwiste de fortuinen die Greuze verdiende. In 1769 mislukte Greuze in zijn poging om door de Académie aanvaard te worden als Peintre d’Histoire hetgeen voor de ijdele Greuze een enorme vernedering betekende. Diderot, niet langer een erotische fascinatie koesterend voor Mme Greuze, sprak nu in zijn kritieken negatief over het werk van feu mon ami Greuze.

    Ondertussen, voor de buitenwereld, voor de schone schijn, tolereerde hij oogluikend de buitenechtelijke escapades van zijn vrouw en bleef hij schilderijen maken over het idyllische gezin, Le bonheur conjugal, La paix du ménage, Fidelité, etc, ttz over het leven dat hij zich wellicht gedroomd had toen hij la petite Babuti ontmoette avec sa très belle figure.

    Eén keer echter gaf hij een inkijkje in de ellende van zijn huwelijksleven. Toen zijn vrouw hem met een pan vol aangebrand voedsel aanviel moesten zijn twee dochters hem tegen deze razende harpij beschermen. La femme colère, een tekening, getuigt hiervan.

    In december 1785 zal hij uiteindelijk een klacht indienen tegen zijn vrouw bij de politie : een transcriptie hiervan vindt men in het befaamde Mémoire de Greuze contre sa femme, in extenso weergegeven in Archives de l’Art Français. Op het einde van de 18de eeuw vielen de werken van Greuze niet meer in de smaak van het publiek: de nieuwe goden waren nu eerst Vien en dan David. Geruïneerd door de perikelen omtrent zijn echtscheiding (echtscheiding werd pas mogelijk na de revolutie, dit kon niet onder het Ancien Régime) en waardeloos geworden revolutionaire assignaten stierf hij in behoeftige omstandigheden op tachtigjarige keeftijd in 1805. Alleen Dr Guillotin, zijn logebroeder van de Loge des Sept Soeurs was aan zijn sterfbed aanwezig.

    La belle Babuti was al eerder gestorven aan de gevolgen van haar liederlijk gedrag.

    Bronnen: 
    Revue de Paris, 1841. 
    L’Art du dix-huitième siècle. Edmond et Jules de Goncourt. Paris, 1881-82 
    Archives de l’Art Français, tome deuxième, 1852-53. 
    Greuze. Louis Hautecoeur. Paris, 1913.







                        Portret van François Babuti. Greuze, Salon 1761.


           L'Accordée de Village. Greuze, Salon van 1761.


    Le bonheur conjugal. Gravure naar een schilderij van Greuze.


                         La femme colère (The angry wife). The MET, NY


               Jeune fille pleurant son oiseau mort. Greuze,1765.

                        La cruche cassée. Greuze, 1777.

             Girl with birds. Greuze, 1780. NGA, Washington.


                    Graf van Greuze, Montmartre.

    20-11-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diderot, Greuze en Mademoiselle Babuti (1).

      Diderot liep in zijn jonge jaren als een min of meer haveloze bohémien rond in het Quartier Latin, samen met zijn vriend Wille met wie hij destijds een soort kraakpand deelde in de Rue de l’Observance (tegenwoordig Rue Antoine Dubois). Beiden vermoedden toen nog niet hun latere beroemdheid. Wille, een Duitse graveur, twee jaar jonger dan Diderot, was in 1736 in Parijs aangeland. Vele jaren later zou Wille in zijn Mémoires over deze periode het volgende schrijven:

    Enfin, notre situation actuelle nous parut admirable, même digne d'envie. Les mets de notre table étoient parfaits, nos vins exquis. Nous choquâmes nos verres pleinement remplis les uns contre les autres; on les vidoit souvent, on les remplissoit de nouveau. Les contes, les rires, les charges et les plaisanteries, se succédèrent rapidement. Chacun étoit content de soi et de moi. Nous nous séparâmes vers minuit. On se donnoit la main d'amitié. Chacun retournoit peut-être un peu chancelan! pour se reposer dans son manoir, où souvent il ne trouvoit ni feu ni flamme pour allumer sa pauvre petite bougie. Il ne faut pas oublier que nous étions tous de jeunes artistes, peu sujets aux inquiétudes, quoique souvent sans pécune, mais toujours  prêts à nous réjouir honnête ment, selon les circonstances, nos moyens et les occasions.

    Op een dag liep Diderot de boekhandel binnen van François Babuti op de Quai des Augustins. Hij trof er de dochter, Anne-Gabrielle, en werd op slag verliefd. Hij beschrijft deze ontmoeting in zijn beroemde kritiek op het Salon van 1765.

    De Académie Royale de Peinture et de Sculpture, organiseerde tweejaarlijks een expositie waar alleen de académiciens of agréés de l’académie  mochten deelnemen. Deze druk bezochte tentoonstelling werd telkens gehouden in een imposante zaal van het Louvre, de zogenaamde Salon Carré. Sindsdien noemt men elke tijdelijke tentoonstelling in Frankrijk een “salon”: Salon du Livre, Salon de l’Agriculture, enz. Vanaf het Salon van 1759 tot dat van 1781 gaf Diderot pittige commentaren op de tentoongestelde werken. Deze commentaren werden gepubliceerd in een soort handgeschreven nieuwsbrief, de Correspondance Littéraire van Grimm. Baron von Grimm, grootvader van de beroemde gebroeders Grimm, bekend om hun sprookjes: Assepoester, Roodkapje, Hans en Grietje, enz., was een Duits diplomaat in Parijs die op geregelde tijdstippen deze nieuwsbrief over Parijs, hét centrum van het intellectuele en artistieke leven in Europa, stuurde naar tal van Duitse prinsen en koningen. Deze Correspondance Littéraire werd slechts op een beperkt aantal exemplaren via de diplomatieke post verspreid. Pas in 1812 werden deze bijdragen gedrukt en publiek gemaakt.

    In zijn commentaar op een schilderij van Greuze op het Salon van 1765 (Mme Greuze avec épagneul- waarvan we nergens een afbeelding vonden) schrijft Diderot : Je l'ai bien aimée, moi, quand j'étois jeune, et qu'elle s'appeloit mademoiselle Babuti. Elle occupait une petite boutique de libraire sur le quai des Augustins: poupine, blanche et droite comme le lys, vermeille comme la rose. J’entrois avec cet air vif, ardent et fou que j'avois, et je lui disois: Mademoiselle, les contes de La Fontaine, un Pétrone, s'il vous plaît ... Monsieur, les voilà. Ne vous faut-il point d'autres livres ? .. Pardonnez­ moi. mademoiselle. Mais... Dites toujours ... La Religieuse en chemise [destijds een bekend pornografisch werk dat onder de toonbank werd verkocht] ... Fi donc, monsieur; est-ce qu'on lit ces vilénies-là? .. Ah! ah! ce sont des vilénies; mademoiselle, moi, je n'en savois rien ... Et puis un autre jour, quand je repassois, elle sourioit, et moi aussi.

    En in zijn commentaar op een ander schilderij van Greuze, op het zelfde salon (Le Baiser envoyé) geeft hij nog steeds lucht aan zijn erotische fascinatie voor Mme Greuze die model stond voor het schilderij : ... et la mollesse voluptueuse qui règne depuis l'extrémité des doigts de la main, et qu'on suit de-là dans tout le reste de la figure; et comme cette mollesse vous gagne et serpente dans les veines du spectateur, comme il la voit serpenter dans la figure! C'est un tableau à tourner la tête ...

    Op deze ontboezemingen past enig commentaar. Anne-Gabrielle Babuti, de latere Mme Greuze, werd geboren in 1732, dus 19 jaar jonger dan Diderot. Als Diderot in 1765 – hij was toen 52 jaar - schrijft over zijn jonge jaren (quand j’étois jeune) dus 20 jaar of zo, dan was Mlle Babuti amper 1 jaar oud. Stel dat Babuti 15 jaar en vroegrijp was ten tijde van deze ontmoeting, dan was Diderot 34 jaar, getrouwd en vader van 2 kinderen. De zo levendig beschreven ontmoeting tijdens zijn “jonge jaren” in de boekhandel op de Quai des Augustins is dus wellicht aan zijn verbeelding ontsproten.

    Bronnen:
    Diderot & l’Art de Boucher à David. Editions de la RMN, 1984.
    Mémores et Journal de Wille.Tome premier.1857.
    Oeuvres de Denis Diderot. Salons. Tome I. 1821. 
    Jean Sgard : rde.revues.org  (N°43, 2008)

     






    Plan général de Paris et des faubourgs de Paris / par le Sr Robert de Vaugondy. 1760




    17-11-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het trieste eind van Mme du Barry. (2) De obsessie van Grieve.

    In oktober 92, een maand na de dood van Brissac vertrekt du Barry weer naar Londen in de hoop eindelijk haar juwelen te recupereren. Door de Revolutie ontvluchtten een groot aantal Fransen hun vaderland en werden de wetten op emigratie zo sterk verstrengd dat emigratie meestal illegaal werd waardoor de bezittingen van de emigrant verbeurd konden worden verklaard. Du Barry was zich daar terdege van bewust en zorgde er voor dat haar papieren in orde waren. Ten overvloede kreeg ze nog een attest mee van Lebrun, minister van Buitenlandse Zaken : het ging om een zakenreis  en het was niet de bedoeling het land te ontvluchten.

    Terwijl de juridische procedure in Londen eindeloos aansleept frequenteert ze er de kringen van de Franse émigrés. Het nieuws uit Parijs is alarmerend: op 21 januari 1793 wordt de koning onthoofd, en daarmee vervliegt alle hoop op een herstel van de monarchie. In Londen wordt een officiële rouwperiode aangekondigd en du Barry draagt de voorgeschreven rouwkledij. Een en ander wordt door spionnen van de Republiek getrouw doorgebriefd aan het Comité du Salut Public in Parijs als bewijs van haar royalistische sympathie.

    Eind februari 73 is er eindelijk een doorbraak in het juridische kluwen. De juwelen worden als haar eigendom beschouwd en de beloning voor De Symon geregeld. De bekrachtiging van dit definitieve vonnis is gepland in april waarna ze haar juwelen zal kunnen gaan ophalen bij de bank van Ransom, Morland & Hammersley en haar leven in Louveciennes hervatten met haar nieuwe minnaar Alexandre Louis Auguste hertog van Rohan-Chabot. Ze had deze in Londen leren kennen en hem daar een substantiële lening gegeven om hem toe te laten zijn bezittingen in Frankrijk te gaan beschermen (later zou dit door het Revolutionaire Tribunaal uitgelegd worden als verkapte steun aan de antirevolutionaire opstandelingen in de Vendée waar Rohan-Chabot bezittingen had).

    Haar plannen werden echter doorkruist door de obsessie van één man : George Grieve, een radicale politiek actieve Brit. In zijn jeugdjaren had hij Marat leren kennen, toen deze voor zijn studies in Engeland verbleef om als apotheker vooralsnog geneesheer te worden. Later zou Grieve in Amerika actief zijn in de Onafhankelijkheidsoorlog waar hij Washington en Franklin frequenteerde. Hij was wel degelijk een revolutionair.

    Maar Grieve had een morbide - en naar sommigen beweren - seksuele fascinatie opgevat voor du Barry. Die fascinatie ging schuil onder zogenaamde revolutionaire motieven. Zo tekende hij een anti du Barry pamflet als : Greive (sic), défendeur officieux des braves sans-culottes de Louveciennes, ami de Franklin et de Marat, factieux et anarchiste de premier ordre, et désorganisateur du despotisme dans les deux hémisphères depuis vingt ans.’   

    In de winter van 1792-93, terwijl du Barry in Londen verbleef, logeerde hij in het dorp Louveciennes en snuffelde rond in haar kasteel, daarbij geholpen door 2 ontevreden personeelsleden : de butler Salanave en de “neger” Zamor. Hij kreeg er info uit de eerste hand over het komen en gaan van aristocraten en hun gedragingen. Hij klaagde du Barry aan als illegale emigrant en op 16 februari 1793 verkreeg hij het order haar kasteel en de inhoud ervan te verzegelen.

    Du Barry werd hiervan verwittigd en ze vertrok op 5 maart hals over kop uit Londen om het misverstand over haar zogezegde illegale emigratie op te helderen. Met het attest van Lebrun kon ze haar verblijf in Londen verklaren. Begin april werden de zegels verwijderd en ze kreeg enkele maanden respijt tot Grieve eind juni een nieuwe actie ondernam.  Hij slaagde erin een kleine minderheid van de dorpelingen van Louveciennes een petitie te laten ondertekenen waarin du Barry beschuldigd werd van incivisme, lèze-nation en royalisme. Salanave en Zamor bevestigden bovendien dat aristocratische genodigden werden aangesproken met hun adellijke titels in plaats van citoyen zoals voorgeschreven. Op grond daarvan werd ze aangehouden om naar de gevangenis van Versailles overgebracht te worden. Ze protesteerde hevig en bekwam dat ze haar arrest in haar kasteel  mocht uitzitten. Maar ook hier kreeg Grieve het deksel op zijn neus : onder druk van de lokale bevolking die betoogde dat du Barry een echte citoyenne was en bovendien hun weldoenster werd het arrest herzien en op 13 augustus kwam ze vrij. Het hielp Grieve ook al niet dat Marat, zijn vriend en medestander in zijn kruistocht tegen du Barry, in juli was vermoord. Maar Grieve liet niet los, zo groot was zijn obsessie om du Barry op het schavot te krijgen.

    In september ondernam hij een nieuwe aanval, hij wendde zich nu rechtstreeks tot het zopas opgerichte Comité de Sûreté Générale in Parijs, daarbij de lokale autoriteiten passerend. Dat Comité - een soort “ministerie van terreur” - was gemachtigd alle verdachten van inciviek gedrag aan te houden en hen naar het Tribunal révolutionnaire te sturen. Dit laatste was in feite niet meer dan een doorgeefluik naar de guillotine.

    Dat du Barry “verdacht” was kon Grieve gemakkelijk aantonen en hij verkreeg moeiteloos de beslissing om haar te arresteren.

    Hij verkreeg zelfs subsidies om haar in eigen persoon naar Parijs te brengen met een gewapende wacht naar zijn keuze. Op 21 september 1973 stond hij triomfantelijk voor haar deur in Louveciennes om haar op te pakken waarbij hij volgens verschillende getuigen uiterst hardhandig te keer ging. Op weg naar de Parijse gevangenis Sainte-Pélagie, zou hij zelfs gepoogd hebben haar te verkrachten.

    Eenmaal in de handen van het “Ministerie van Terreur” was het lot van du Barry voorspelbaar. Op 6 december verscheen zij voor het Tribunal révolutionnaire met de geduchte aanklager Fouquier-Tinville. Zijn requisitoir, volledig van de pot gerukt, waarin hij du Barry vergelijkt met de beruchte oud-Griekse hetaïre Laïs, voor wiens schaamteloos genot, een despoot, een moderne Sardanapalus (Louis XV) het bloed en de bezittingen van zijn volk opofferde, deze hoer die het zelfs met Pitt zou aangelegd hebben (Pitt: Engelse Prime Minister, die de oorlog verklaarde aan het revolutionaire Frankrijk), zijn requisitoir dus overdonderde de 12 juryleden dusdanig dat die prompt du Barry naar de guillotine verwezen. Hetgeen dan ook geschiedde op 8 december 1793, onder oorverdovend gekrijs, sterk contrasterend met de stoïcijnse houding van Marie-Antoinette, koningin van Frankrijk, die een paar weken voordien hetzelfde lot had ondergaan.

    Haar juwelen die nog altijd in een Londense bank lagen werden op 19 februari 1795 werden openbaar geveild door Christie (de stichter van het huidige Christie’s in Londen).

    En hoe liep het af met Grieve ? Na de val van Robespierre werd hij gearresteerd maar ontsnapte aan een veroordeling en vluchtte naar Newcastle, Amerika. Uiteindelijk kwam hij terug naar Europa en vestigde zich in Brussel waar hij overleed op 22 februari 1809. Het zou interessant zijn eens op te zoeken waar ergens in Brussel die man werd begraven en als daar nog een grafzerk of zoiets te vinden is.

    In 1935 verscheen een boek van James Henry Duveen (die aan de basis ligt van de huidige collectie van 18de- eeuws Frans meubilair in de beroemde Huntington collectie te San Marino, California, US) waarin het vermoeden werd geuit dat Grieve zelf zou betrokken geweest zijn bij de diefstal van du Barry’s juwelen op 10 januari 1791.  

    Bronnen ( alles integraal digitaal downloadbaar van het internet):

    Marion Ward: The du Barry inheritance (1967). 
    Georges Leclerc: La juridiction consulaire pendant la Révolution (1909)  
    H. Fleischmann : Réquisitoires de Fouquier-Tinville (1911). 
    Charles Vatel: Histoire de Mme du Barry (1883)















    07-11-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-11-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het trieste eind van Mme du Barry. (1) De dood van Brissac.
    In onze blog van 14-03-2013 (Van Bordeelmeisje tot First Lady) vertelden we reeds hoe du Barry in 1774 het Petit Trianon moest ontruimen zodat Louis XV vooralsnog waardig zou kunnen overlijden, niet in haar onkuise schoot, maar in de schoot van onze Moeder de Heilige Kerk.
    Ze trok naar haar kasteeltje in het dorp Louveciennes en zou daar nog bijna 20 jaar wonen, in peis en vree, in een LAT relatie met haar nieuwe minnaar  Louis Hercule Timoléon de Cossé-Brissac, kapitein van de Cent-Suisses, een soort persoonlijke lijfwacht van de koning.

    Het drama begon in feite op maandag 10 januari 1791. Du Barry was die dag naar Parijs getrokken om Driekoningen te vieren ten huize van Brissac en bleef daar overnachten. Een Joodse dievenbende uit Parijs was daarvan op de hoogte geraakt, waarschijnlijk getipt door Zamor, de Bengaalse huisslaaf van du Barry. De dieven besloten tijdens haar afwezigheid in te breken in haar  kasteel te Louveciennes. Het was algemeen bekend dat du Barry over een aanzienlijke hoeveelheid juwelen beschikte, die ze geleidelijk moest verkopen om met de opbrengst haar train de vie en dat van haar personeel te kunnen handhaven, maar ook om behoeftige inwoners van het dorp te kunnen helpen.

    Een signalement van het gestolen goed werd verspreid en er werd in vage termen gewag gemaakt van een beloning voor wie de juwelen zou kunnen terugbezorgen. De dieven zagen in dat ze hun waar niet in Parijs zouden kunnen verkopen en besloten dit in Londen aan de man te brengen. Via een andere Jood, Goldschmidt, maakten ze kennis met een Britse juwelier, Lyon De Symon. Deze vond de zaak verdacht en verwittigde de politie. Via de Franse ambassade ontstond het vermoeden dat het wel eens de gestolen juwelen van du Barry zouden kunnen zijn. Ze wordt uitgenodigd de juwelen te komen identificeren en op 20 februari 1791 arriveert ze de eerste keer in Londen en bevestigt dat de juwelen inderdaad van haar zijn. De juridische procedure sleept eindeloos aan en er zijn allerlei complicaties : de Londense rechtbank heeft problemen met het feit dat het misdrijf in Frankrijk is gepleegd, de dieven beweren dat ze de juwelen in Frankrijk hebben gekocht en eisen zelfs schadevergoeding en De Symon vindt dat hij onvoldoende wordt beloond voor het “vinden” van de juwelen. Ondertussen worden deze juwelen bewaard in de Bank van Ransom, Morland & Hammersley.

    Du Barry zal nog herhaalde malen heen en weer moeten pendelen tussen Louveciennes en Londen. Van mei tot augustus 91 is ze weer eens in Londen. Ze zal pas terugkeren naar Londen in october 1792. Terwijl ze daar is, in juni 91, vlucht de koninklijke familie uit hun verplicht verblijf in de Tuileries maar worden gevat in Varennes. Later, tijdens het proces tegen Bissac, zal Marat, l’ami du peuple, in de Journal de la République getuigen over een afgeluisterd gesprek, op de vooravond van de vlucht, tussen Brissac en du Barry, over geheime vluchtroutes uit de Tuileries. Hetgeen natuurlijk een flagrante leugen was vermits du Barry op dit ogenblik in Londen verbleef.

    In october 91 wordt de Garde des 100 Suisses ontbonden en vervangen door een Garde Constitutionelle. Brissac wordt weer aangeduid als commandant van deze Garde.

    In april 1792 verklaart de Assemblée Nationale de oorlog aan Oostenrijk. Aanvankelijk lijden de Franse troepen zware verliezen en er wordt een zondebok gevonden in de persoon van Brissac die er van wordt beschuldigd alleen koningsgezinden te hebben gerecruteerd voor zijn Garde. Op 30 mei wordt de Garde ontbonden en Brissac samen met zijn kompanen gearresteerd en gevangen gezet in Orléans waar het Hooggerechtshof zetelt.

    Ondertussen trekken buitenlandse troepen zich samen aan de grenzen en de anti-royalistische stemming van de Parijse bevolking bereikt een hoogtepunt. De Tuileries, het gedwongen verblijf van de koning, wordt bestormd op 10 augustus 1792. De koninklijke familie wordt dan maar opgesloten in de Temple. Dit is het feitelijk einde van de monarchie in Frankrijk.
    In de dagen daarop bereikt de hysterie van de bevolking, opgejut door Danton en Marat, een hoogtepunt met de zogenaamde massacres de septembre waarbij tussen 2 en 6 september meer dan duizend gevangenen in de diverse Parijse gevangenissen worden doodgeslagen.

    Eind augustus werd besloten Brissac en 53 van zijn Gardisten van Orléans over te brengen naar Parijs om te worden berecht. Het konvooi vertrekt op 2 september maar gezien de chaotische toestand in de Parijse gevangenissen wordt het omgeleid naar Versailles waar de gevangenen en hun bewakers op zondag 9 september aankomen. Een uitzinnige menigte kan de gevangenen scheiden van de bewakers die voor hun veiligheid moesten instaan en overvalt de wagens waarin Brissac en zijn kompanen zitten. Tijdens een gruwelijke slachtpartij die meer dan een uur duurde worden alle gevangenen zwaar toegetakeld en uiteindelijk gedood. Het hoofd van Brissac wordt op een hooivork gespiest en door een brallende menigte in triomf naar Louveciennes gedragen. Daar paraderen ze rond het kasteeltje van een angstig afwachtende du Barry en gooien uiteindelijk het hoofd door de vensters voor haar voeten. 





    du Barry, 46 jaar, door Vigée-Lebrun.


    Hertog van Brissac ( door Drouais ?)


    "Pavillon de musique" in de tuin van kasteel van du Barry. Ontwerp door Ledoux.


    Kasteeltje van du Barry. Huidig zicht. Beschermd monument.


    Bestorming van de Tuileries op 10 augustus 1792 (door Jacques Bertaux, 1793)


    Les massacres de Septembre. Gravure

    04-11-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-10-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Soufflot (1713-1780), architect van het Pantheon.

    Dit jaar, 2013, herdenken we de 300ste verjaardag van de geboorte van Soufflot (net als van Diderot trouwens). Naar aanleiding van deze tricentenaire wordt er in het Pantheon, zijn meesterwerk, van 11 september tot 24 november, een tentoonstelling gehouden van zijn werk.

    Hoe de kerk van Ste Geneviève, het latere Pantheon, er kwam vertelden we reeds in de blog van 28 -05-2013 ( Het drama van Metz).

    Een kantelmoment in de carrière van Soufflot was zijn reis naar Italië in 1750 in het gezelschap van Abel Poisson, broer van Pompadour en latere marquis de Marigny en Directeur des Bâtiments du Roi. Poisson en Soufflot werden vrienden en zo kwam het dat de opdracht voor de kerk van St Geneviève naar Souflot ging en niet naar zijn rivaal, Ange-Jacques Gabriel, Premier Architecte du Roi.

    In Italië maakte Soufflot kennis  niet alleen met de basiliek van Sint Pieters te Rome maar raakte ook onder de indruk van de Griekse tempels van Paestum.

    Het imago van Soufflot als heraut van het neo-classicisme dient te worden genuanceerd. Soufflot bewonderde eveneens de lichtheid en het licht van de gothische architectuur. Het originele ontwerp van de kerk van Ste Geneviève toont nog deze gothische invloed: hoge ranke kolonnen en overvloedig licht via grote vensters aan de zijkant. Een en ander kan men nog zien op de maquette van de originele kerk die nog steeds in het Pantheon wordt bewaard. Deze maquette werd gemaakt door Rondelet, leerling van Soufflot. Het is trouwens Rondelet die na de dood van Soufflot de vensters liet dichtmetsen en de kolonnen verzwaarde om het geheel een meer robuust aspect te verlenen, meer kompatiebel met de smaak van zijn tijd. Daardoor ging echter het gothisch aspect van dit neoklassiek meesterwerk verloren.

    Voor een uitgebreide monografie van Soufflot zie : “Jacques-Germain Soufflot” door Pérouse de Montclos (2003).




    Portret van Soufflot door Van Loo



    Tempel van Poseidon in Paestum


    Plan van de kerk

    maquette van Rondelet

    23-10-2013 om 19:30 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-09-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De smadelijke aftocht van Voltaire uit Pruisen.

    Na de dood van Emilie (zie blog van 27/3/13) gaat Voltaire uiteindelijk in op de herhaalde verzoeken van Frederik II om naar Potsdam te komen. Hij vertrekt nu naar Pruissen waar hij als een echte Prins der Letteren wordt  ontvangen. Hij voelt zich aanvankelijk zeer goed thuis in Frederik’s verfijnde en homosexuele hofhouding en ontmoet er een aantal figuren die hij reeds kende. 

    Maupertuis bijvoorbeeld - die nog wiskundelessen had gegeven aan Emilie, en ook haar minnaar was geweest - en die nu door Frederik benoemd was tot hoofd van de Berlijnse Academie voor Wetenschappen. Voltaire zou het nog zeer aan de stok krijgen met deze Maupertuis die, net als Emilie destijds, de stellingen van Leibnitz verdedigde, en de theorie van het optimisme. Ook La Mettrie was daar : de man van L’Homme machine, en de markies d’Argens, auteur van Therèse Philosophe, een van de merkwaardigste afleveringen van de erotische productie van de radicale Franse Verlichting waarin wellust niet langer als zondig werd beschouwd, maar waar de volupté  als de ware drijvende kracht van het leven werd beschouwd. 

    Ondanks de rooskleurige en snoeverige brieven die Voltaire schreef naar zijn vrienden in Parijs, werd hij verteerd door heimwee en via Richelieu trachtte hij weer in de gunst te komen van Pompadour en de Franse koning. Hij raakte verslaafd aan opium onder de vorm van Laudanum –  en zou zelfs een zelfmoordpoging hebben ondernomen tijdens een van zijn depressieve buien.

    Net als toen in Engeland, eindigde zijn verblijf in Pruissen weer eens met een financieel schandaal. Uiteindelijk zou hij op zeer vernederende wijze het land worden uitgezet. Het ging over een dispuut met 2 Joodse bankiers, vader en zoon Abraham Hirschel.

    Voltaire zou hen een enorme som hebben gegeven om illegaal Saksische obligaties te gaan kopen te Dresden om die nadien met grote winst in Pruissen te verkopen, wat door Frederik streng werd verboden. Toen Voltaire hoorde dat Frederik lucht gekregen had van zijn voornemen, cancelde hij snel de opdracht en vroeg zijn geld terug. Om een of andere reden kon Hirschel die enorme som niet meer meteen terugbetalen en stelde hij Voltaire schadeloos met een hoeveelheid diamanten. Voltaire beweerde echter dat de diamanten vals waren en sleepte de Jood voor de rechter. Onder ede verklaarde Voltaire dat hij Hirschel naar Dresden gezonden had, niet  voor die  Saksische obligaties – nee, helemaal niet - maar wel om diamanten en bontjassen te gaan kopen. 

    Iedereen wist dat Voltaire loog maar om de schone schijn te redden werd de Jood veroordeeld. Gelukkig stierf Abraham Hirchel kort na het proces.
    De ganse zaak bracht hem de minachting mee van Frederik en Voltaire werd eens te meer persona non grata waarop hij besloot met al zijn geld naar de republiek Genève te vluchten.

    Eerst vestigde hij zich met Mme Denis – die hij steevast “maman” noemde, en die steeds dikker werd naarmate hij vermagerde - in een statige woning die hij Les Délices noemde. Het gebouw bestaat nog steeds en is nu een museum gewijd aan Voltaire. Vervolgens, en voor de rest van zijn lange leven verbleef hij te Ferney, een kasteel en bijbehorende landerijen op de grens van de toenmalige Republiek Genève en het Koninkrijk Frankrijk.  En alsof het nog niet genoeg was kocht hij met zijn immense kapitaal ook nog Tournay een aanpalend graafschap, inclusief de lijfeigenen, zodat hij zich nu ook comte de Tournay kon noemen.

    Hij was 60 toen hij in Ferney aankwam en zou er nog 24 jaar zijn kleine koninkrijkje als een verlicht despoot beheren. Op 84 jarige leeftijd trok hij naar Parijs om er enkele weken later uiteindelijk te sterven.















    14-09-2013 om 13:22 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-09-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.over schilders, meubels & maîtresses
    Het is een tijdje stil geweest op deze blog. Enerzijds door de prachtige voorbije zomer, anderzijds omdat ik me onledig hield met het omzetten van een boek dat ik onlangs publiceerde, in een een digitale versie. Dat boek, over schilders, meubels & maîtresses, met 320 bldz en meer dan 200 illustraties in full color, werd, via sponsoring, in beperkte oplage uitgebracht en is volledig uitverkocht. Gezien de kostprijs en het onderwerp dat slechts een zeer beperkt publiek kan boeien, is een herdruk niet doenbaar. Een Engelstalige versie is onderweg voor de Apple Store.
    Het boek was weliswaar initieel bedoeld voor aficionados van 18de eeuws Frans meubilair maar groeide gaandeweg uit tot een breed panoroma van Parijs onder Louis XV en XVI.

    Ik heb dit boek nu omgezet in een interactieve PDF versie, leesbaar op elk platform, PC of Mac, en uiteraard op de iPad of gelijkwaardig tablet. U kunt via mail een link bekomen waar u het volledige boek kunt downloaden (prijs 10 €, ca 25 MB) of desnoods  de DVD bestellen (+ verzendkosten).


    Inhoudsopgave

    VOORWOORD    2

    Inleiding         9

    Deel I Achtergronden        14

    Hoofdstuk I. Koningen en maîtresses         16

    Hoofdstuk II. Les Lumières.      31

    De eeuw van de Verlichting               31

    Newtonianismo per le dame.              33

    Het Laatste Avondmaal van de Patriarch.    37

    Marmontel en Belisarius.                   39

    Verzamelde Lumières in het Salon van Madame Geoffrin.            42

    Hoofdstuk III. Wetenschap & Techniek.       45

    Le Jardin des Plantes .       46

    Le Cabinet Physique de M. Bonnier de la Mosson.          48

    De Encyclopedie.                 50

    Verkenningen te land: de meridiaan van Parijs.              52

    Verkenningen in de lucht: Montgolfières & Charlières.  54

    Verkenningen ter zee: De reis van La Pérouse.                   58

    De lamp van Argand        61

    Rien ne se crée, rien ne se perd.            64

    Hoofdstuk IV. Architectuur & Interieur.                  69

    Architectuur in de eerste helft van de 18de eeuw.              69

    Architectuur in de tweede helft van de 18de eeuw.            79

    Ornamentiek van laat Louis XIV tot Rococo.                   87

    Het Neoklassieke Interieur.                 96

    Hoofdstuk V. De Meubelkunst  102

    De Meubelmakers               102

    De marchands-merciers.   111

    Gersaint en Watteau.        114

    Meubelstijlen.    119

    Hoofdstuk VI. De Schilderkunst                149

     

    Deel II. Schilderijen               155

    A. Eerste helft van de 18de eeuw           155

    Hoofdstuk I. Nicolas de Largillière           156

    Hoofdstuk II. Jean-François de Troy       160

    Hoofdstuk III. François Boucher (1703-1770)       169

    Le Déjeuner: prototype van een burgerlijk rococo-interieur.            169

    Boucher en de Chinoiserieën.              171

    Boucher en Diderot.           174

    Madame Boucher               176

    Hoofdstuk IV. Jean-Siméon Chardin.      180

    B. Pompadour, Marigny & Angiviller                186

    Hoofdstuk I. Pompadour.          187

    Alexander Roslin, 1754.  187

    Maurice Quentin de la Tour, 1755.                  189

    François Boucher,1756.    195

    François Guérin, 1763.    198

    François-Hubert Drouais, 1764.    201

    Hoofdstuk II. Marigny.             211

    De Troy, 1750. 211

    Tocqué, 1755.    212

    Roslin, 1761.     214

    Hoofdstuk III. Angiviller.         217

    Duplessis, 1779.                 217

    C. Tweede helft van de 18de eeuw        221

    Hoofdstuk I. Pierrre-Antoine Baudouin (17231769)          222

     Hoofdstuk II. Jean-Baptiste Greuze         225

    Het meubilair van Lalive de Jully en de style grecque.    225

    “ Le contrat “ van Fragonard: style grecque.    231

    Een portret van Watelet.  234

    Over de mislukking van Greuze als Peintre d’Histoire. 235

    De dubbele moraal van Greuze en de “Greuze girls”.      239

    Hoofdstuk III. Van Blarenberghe en de snuifdoos van Choiseul             242

    Wie was Van Blarenberghe?              242

    Wie was Choiseul?             243

    La tabatière de Choiseul.  245

    Hoofdstuk IV. Joseph-Marie Vien (1716-1809).    258

    Hoofdstuk V. Genretaferelen.    267

    De familie Devin.              267

    Mozart in de Temple        268

    Jean-Fréderic Schall          270

    Lavreince            271

    Louis Léopold Boilly         274

    Moreau le Jeune.                  275

    Hoofdstuk VI. Vrouwen in hogere sferen. 279

    Adelaïde Labille                 279

    Elisabeth-Louise Vigée      285

    Hoofdstuk VII. J. Louis David (1748-1825).         293

    Een schilder in dienst van de politiek ?             293

    David in Rome.                  295

    De smart van Andromache (1783).                   298

    De eed der Horatiërs (1784).             300

    Pâris en Helena (1788).   303

    De lictoren brengen Brutus de lichamen van zijn zonen,1789.      306

    Epiloog              311

    Genealogie van de Bourbons              313

    Illustratieverantwoording                314

    Bibliografie        314

    Register van schilders en graveurs met afbeeldingen.       316

    Back cover: Over de auteur.                320

     





    11-09-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-06-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Opkomst en ondergang van de hertog van Choiseul

    Etienne François de Choiseul was in zijn tijd een van de machtigste, en door zijn huwelijk met de dochter van de steenrijke baron Crozat de Châtel, ook een van de rijkste mensen van Frankrijk. Hij was aan de macht gekomen door toedoen van een vrouw, was rijk geworden door een andere vrouw en zou tenslotte door een derde vrouw ten val worden gebracht. Hij was rosharig, klein van gestalte en bovendien eerder lelijk, maar hij was een succesrijke vrouwengek en had tal van minaressen. Hij zou een meer dan broederlijke belangstelling hebben gehad voor zijn eigen zus, de hertogin van Grammont, die op haar beurt een goede vriendin was van Pompadour. Hetgeen de carrière van haar broer uiteraard ten goede kwam. Zijn beste vriend was de Abbé Barthélemy en zijn trouwste vriendin Mme de Brionne. Alhoewel totaal amoreel nam hij, in tegenstelling tot veel van zijn rivalen, zijn politieke taken uiterst ernstig op.

     Hij was een van de belangrijkste ministers van Louis XV geworden door de steun van Pompadour, aka Madame Quinze. Zij was hem dankbaar omdat hij haar een indiscrete brief van de koning aan zijn nichtje, Mme de Choiseul-Beaupré, had laten zien waarin Louis XV aan dit nieuwe liefje beloofde haar te installeren als maîtresse en titre en Pompadour te dumpen. Pompadour maakte een gepaste scène, de koning trok zijn staart in en de carrière van Choiseul was begonnen.

     Eerst als militair in de Oostenrijkse Successieoorlog (Dispuut over de opvolging van de laatste Habsburger, Karel VI, door zijn dochter Maria-Theresia.) waar hij deelnam aan de veldslagen die Frankrijk voerde in de Lage Landen als bondgenoot van Pruisen tegen de Oostenrijkers die toen in Vlaanderen aan het bewind waren. Hij was bijvoorbeeld aanwezig bij de slag van Fontenay waar ook Van Blarenberghe bij was als “reporter” belast met het zeer nauwkeurig schilderen van de stellingen van de diverse legereenheden. Later, toen Choiseul minister van Oorlog werd zou hij Louis-Nicolas Van Blarenberghe trouwens benoemen als Peintre de Batailles au Département de la Guerre. Over die Van Blarenberghe zullen we het nog uitgebreid hebben.

    Frankrijk dat door zijn alliantie met Pruisen in een oorlog verwikkeld raakte met Oostenrijk en diens bondgenoten Engeland en de Verenigde Provinciën, voelde zich zwaar bekocht toen Frederik II van Pruisen, om wie tenslotte Frankrijk in de oorlog verwikkeld was geraakt, een afzonderlijke vrede sloot met Oostenrijk, zodat Frankrijk nu eigenlijk zonder reden verder vocht tegen Engeland et de Verenigde Provinciën. Vandaar het spreekwoord, door Voltaire gelanceerd: travailler pour le roi de Prusse, waarmee dus werd bedoeld: een nutteloze inspanning leveren. De oorlog eindigde in 1748 met de Vrede van Aken waardoor Maria-Theresia op de Habsburgse troon kon blijven zitten zoals zovele jaren voordien al was afgesproken bij de zogenaamde Pragmatieke Sanctie. In 1756 werd Choiseul ambassadeur in Wenen waar hij aan de basis lag van de Renversement des Alliances: Frankrijk sloot nu een vredesverdrag met de Habsburgse erfvijand, wat zou bezegeld worden door het huwelijk van de dochter van Maria-Theresa, Marie-Antoinette, met de Dauphin, de latere Louis XVI.

    Deze nieuwe alliantie met Oostenrijk lag mee aan de basis van de “Zevenjarige Oorlog” (1756-1763), de eerste echte “wereldoorlog” met aan de ene kant Oostenrijk en zijn gealliëeerden Frankrijk, Spanje en Zweden en aan de andere kant Pruisen, Hannover en Engeland. De oorlog werd op drie continenten uitgevochten, in Europa natuurlijk, maar ook in Amerika waar de Britten de Fransen uit Canada en Missisipi verjaagden, en in Indië waar de Compagnie Française des Indes Orientales zwaar verloor van de Britten die o.a. Pondicherry op de Fransen veroverden. De Franse generaal Lally-Tollendal zag zich genoodzaakt Pondicherry aan de Engelsen over te geven, dit werd als een zware belediging aan het adres van de koning beschouwd en de generaal werd ter dood veroordeeld.

    Die oorlog verliep dus desastreus voor Frankrijk dat het gros van zijn overzeese kolonies aan Engeland moest prijsgeven.

     Met de dood van Pompadour verloor Choiseul zijn machtige beschermvrouw. De nieuwe maîtresse en titre, du Barry, die op zeer gespannen voet leefde met Marie-Antoinette, vertrouwelinge van Choiseul, kon Louis XV met haar beruchte uitroep: saute Choiseul ! uiteindelijk overhalen Choiseul te ontslaan. De druppel die de emmer deed overlopen was een ongelukkige tussenkomst van Choiseul in de oorlog die Engeland en Spanje voerden om de Falklands (Islas Malvinas of îles Malouines, zo genoemd naar de vissers uit St Malo).

     Op 24 december 1770 werd hij uit al zijn functies ontslagen en moest zich terugtrekken op zijn kasteel te Chanteloup waar de Franse adel - uit onvrede met de koning - hem ostentatief bleef frekwenteren. Een jaar later diende hij zijn uitgebreide collectie schilderijen te verkopen om zijn schulden te kunnen betalen. Ter gelegenheid van deze openbare verkoop werd een gedetailleerde cataloog opgemaakt met gravures van de belangrijkste werken van zijn verzameling. Deze cataloog, een volkomen nieuw experiment, in een format portatif, volgens de graveur Basan een handig formaat dont la petitesse n’empêchat pas de reconnoitre l’excellence des Maitres. (F. Basan: Recueil d’estampes gravées d’après les tableaux du cabinet de Monseigneur le duc de Choiseul. Paris, 1771).




    Choiseul door Adelaïde Labille-Guiard (deiail) 1786.


    Pondicherry (India) waar de straatnamen nog steeds 2-talig zijn : Frans en Tamil



    Frontispice van de cataloog van de schilderijen van Choiseul bij de openbare verkoop, 1771.

    13-06-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-06-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Voltaire : de smadelijke vlucht uit Engeland.

    In 1718, na de succesrijke opvoering van Oedipe, besloot François Arouet dat het tijd werd voor een fatsoenlijker naam dan het banale Arouet. Arouet klonk teveel als “à rouer”, mettre sur la roue, om af te ranselen, te radbraken. Negatieve associaties dus. In de eeuw daarvoor al had een zekere Poquelin zijn naam veranderd in Molière. En Arouet vond dat hij minstens even goed was als die Molière. Hij noemde zichzelf nu Monsieur de Voltaire.
    Waarom precies “de Voltaire” ? Dat heeft hij nooit uitgelegd. Hoe dan ook, deze nieuwe adelijke naam belette niet dat hij op zekere
    dag een flinke rammeling kreeg door handlangers van een telg uit het zeer oude adelijk geslacht  Rohan-Chabot. Hij zocht hulp bij zijn kennissen maar de adelijke gelederen sloten zich en de jonge arrivist, in plaats van hulp te krijgen werd meteen opgesloten in de Bastille. Hij komt echter vlug vrij, op voorwaarde dat hij ophoepelde naar Engeland.

    Eenzaam en berooid komt hij daar aan, in de winter van 1725. Maar na enkele maanden reeds spreekt en schrijft hij behoorlijk Engels. Hij maakt er kennis met de religieuze tolerantie en een constitutionele monarchie. Een en ander zal later de basis vormen van zijn Lettres sur les Anglais of Lettres philosophiques. Hij gaat er de stukken van Skakespeare bekijken, en verbroedert met vooraanstaande intellectuelen zoals Pope en Berkeley en schrijvers als Jonathan Swift.

    Hij heeft er een verhouding met John Hervey, de bisexuele graaf van Bristol. Maar bovenal zorgt hij ervoor dat zijn Henriade wordt gepubliceerd (een lofdicht op Henri IV die middels het Edict van Nantes een eind had gemaakt aan de godsdienstoorlogen) in een dure luxe uitgave en opgedragen aan de Engelse Koningin.

    Met zijn voorintekenformulieren schuimt hij de Britse High Society af. Hij werd in die kringen geintroduceerd door zijn vriend Lord Bolingbroke die hij destijds in Parijs had leren kennen. De publicatie van de Henriade  wordt een financieel succes.

    Toch is de opbrengst niet genoeg om zijn levensstijl van dure snob te bekostigen en hij komt vlug weer in geldnood. Hij schrijft slijmende brieven naar Kardinaal Fleury, de nieuwe machtige man in Frankrijk waarin hij zijn terugkeer naar Parijs afsmeekt. Ondertussen aanvaardt hij Judaspenningen van Robert Walpole, leider van de Whigs, voor het bespionneren van zijn goede vriend, Lord Bollingbroke, leider van de rivalizerende Tories.

     Maar het mag niet helpen. Hij neemt nu zijn toevlucht tot frauduleuze financiële praktijken, waarschijnlijk door het vervalsen en knoeien met cheques. In de Franse biografiën over Voltaire doet men zeer discreet over deze episode. Ce ne sont que des rumeurs, schrijft Max Gallo van de Academie Française, des rumeurs basées sur quelques “petits faits” vrais.

    Op het punt ontmaskerd te worden vlucht hij stilletjes met de staart tussen de benen naar Frankrijk om zich te gaan verbergen bij een apotheker in Dieppe, in de pharmacie Cassel (deze bestaat nog steeds : 4, Rue de la Barre) waar hij zich voordoet als  een Engelsman die amper een woord Frans spreekt. De Franse hagiografieën noemen dat "Le studieux séjour de Voltaire à Dieppe au cours de l'hiver 1728-1729" (Gérard Bignot : Connaissance de Dieppe et de sa région, 1985, N° 51, p 6-10)

     




    Voltaire, de jonge snob. Portret door Largillière



    Luxe uitgave opgedragen aan de Engelse Koningin



    Lord Hervey, loverboy



    De pharmacie in Dieppe, 4 Rue de la Barre.

    05-06-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-05-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het drama van Metz en het Pantheon

    In 1744 was Louis XV zijn troepen gaan bezoeken in Metz en had op die tocht zijn minnares meegenomen, Mme de Châteauroux en haar zuster Mme de Lauraguais. Hij viel daar echter ziek, vreesde voor zijn leven en wilde graag biechten. Zijn biechtvader, Mgr de Fitz-]ames, vond het niet kunnen dat hij daar op zijn sterfbed lag met zijn maîtresse in de buurt. Hij verplichtte de koning beide zussen weg te sturen. Nog voor ze klaar was met inpakken begon "het grauw" zich rond haar rijtuig te verzamelen en haar met modderkluiten en uitwerpselen te bestoken terwijl ze er snel vandoor ging, terug naar Parijs. Een of twee dagen later werd ze vermoord teruggevonden in haar woning. Het gerucht gaat dat Phélypeaux, comte de Maurepas, daarbij betrokken was. Maar dat was niet alles. De aalmoezenier liet de koning beloven dat hij, in geval van genezing, een nieuwe kerk zou laten bouwen in Parijs voor Sainte Geneviève, beschermheilige van de stad. Bovendien eiste deze aalmoezenier van de koning een publieke biecht waarin hij zich de titel van Roi Très Cbrétien onwaardig verklaarde te zijn en hij liet deze verklaring, god weet waarom, door de geestelijkheid vanaf de preekstoel in gans Frankrijk verspreiden. De bevolking was diep geschokt en niet alleen Le Bien Aimé, zoals Louis XV toen nog werd genoemd, maar ook de monarchie als dusdanig verloor definitief heel wat van haar prestige.

    Volgens sommige historici lag het "drama van Metz" aan de basis lag van een irreversibele aantasting van het principe van de absolute monarchie veroorzaakt door de stupide houding van de Kerk zelf in de persoon van de hoofdaalmoezenier van de koning, Monseigneur de Fitz-]ames, die aldus zijn steentje bijdroeg voor de latere Revolutie..

    Een van de eerste architecten van de toen nieuwe neoklassieke stijl was Soufflot en hij kreeg de opdracht voor de bouw van een nieuwe kerk voor de abdij van Sainte Geneviève.

    Op 6 september 1764 vond de plechtige eerste steenlegging plaats van deze kerk. Zelfs als men niet van de stijl houdt moet men erkennen dat het een bouwkundig wonder geworden is dat bijvoorbeeld niet moet onderdoen voor de St Pau1's Cathedral van Christopher Wren te Londen. Voor de ceremonie van de eerste steenlegging bedacht Soufflot een reusachtige trompe-l’oeil op ware grootte van de toekomstige kerk. Dit enorme doek werd door de Machy geschilderd op basis van de plannen van Soufflot en op een houten chassis gespannen als decor voor de ceremonie. Uiteraard maakte de Machy achteraf graag een schilderij van het gebeuren. Op dit schilderij herkent men, behalve de trompe-l’oeil natuurlijk, Soufflot vergezeld door Marigny die het plan van de kerk aanbiedt aan de Koning en de Dauphin. De kerk zelf kwam pas klaar in de jaren 1780 en werd na de revolutie prompt herdoopt tot Pantheon, een mausoleum voor de groten van Frankrijk.

    Jammer genoeg werden later de vensters dichtgemetseld zodat het deelaspect van gothische lichtvoetigheid verdween en het massief en gesloten karakter van het gebouw op de voorgrond kwam te staan zoals de tijdsgeest toen wilde. In dit mausoleum werden figuren als Rousseau, Voltaire en Soufflot zelf begraven. Ook Marat werd er bijgezet maar kort daarop weer verwijderd wegens beschuldiging van verraad. Pierre en Marie Curie liggen er, evenals Malraux. En straks komt er dus Diderot bij te liggen In tegenstelling tot wat velen denken ligt Napoleon niet daar maar in het Hótcl des Invalides begraven.

    Het Pantheon met zijn 83 meter hoge koepel was tevens de locatie voor de experimenten met de beroemde “slinger van Foucault” waardoor werd aangetoond dat de aarde om haar as draait. Umberto Eco heeft er zelfs een heel boek aan gewijd. De originele slinger hangt er sinds 1995 opnieuw.



     





    28-05-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-05-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De mythische diamanten van Marie-Antoinette (2)

    Kardinaal de Rohan had als gewezen ambassadeur in Wenen geen al te goede indruk nagelaten bij keizerin Maria Theresia van Oostenrijk en dus ook niet bij haar dochter de Franse koningin Marie-Antoinette. Dit stond haaks op de ambitie van de kardinaal om premier ministre te worden. En dus probeerde hij weer op goede voet te komen bij Marie-Antoinette.



    Dit was ter ore gekomen van Jeanne de La Motte, een gewiekste boerendochter, die zich door allerlei intriges en vervalste documenten liet doorgaan als afstammend van Henri II, een van de laatste koningen uit de Valois-dynastie. Zij maneuvreerde zich in de entourage van de kardinaal en liet daar uitschijnen dat zij een gunstelinge was van de koningin. De Rohan trapte in de val en gaf haar belangrijke sommen om voor hem te lobbyen bij de koningin. Als bewijs van haar succes schreef Jeanne brieven naar de kardinaal die ze ondertekende als Marie-Antoinette de France. De toon van die brieven werd steeds intiemer naarmate Jeanne meer geld toegestopt kreeg en de kardinaal zag zijn dromen bijna verwezenlijkt. De La Motte had een hoertje gevonden, Nicole Le Guay, die wat bijkluste als actrice en die opvallend leek op de koningin. Jeanne arrangeerde een afspraakje tussen de kardinaal en de vermeende koningin, op een donkere avond in het park van Versailles. De actrice moest niet veel meer doen dan de kardinaal een roos aan te bieden en hem toe te fluisteren dat hij wel wist wat dat betekende. De kardinaal was nu als was in de handen van Jeanne de La Motte en zij zag haar kans schoon voor een van de grootste oplichterijen van de 18de eeuw.



    De juweliers Böhmer en Bassenge hadden destijds een exuberant diamanten halssnoer vervaardigd ten koste van een astronomisch bedrag in de hoop dat Louis XV het zou aankopen voor zijn maîtresse, Madame du Barry. Maar de koning stierf voor het klaar was. Nu trachtten ze het aan Marie-Antoinette te verkopen maar deze weigerde, het halssnoer leek haar te vulgair en teveel in stijl met du Barry die ze verafschuwde. De juweliers waren radeloos en de La Motte was daarvan op de hoogte.

    Zij wist de Rohan te overtuigen dat de koningin dit juweel wenste te kopen maar via een discrete tussenpersoon om kritiek van het volk over haar hang naar dure juwelen te vermijden. De kardinaal leek de geknipte persoon daarvoor. Jeanne schreef hem een brief, vervalst uiteraard, waarin de koningin bevestigde dat ze het juweel wenste te kopen op voorwaarde dat het direct zou geleverd worden en dat de betaling later zou volgen gespreid over vier termijnen waarvan de eerste op 1 augustus 1785. De kardinaal liet het juweel bij hem thuis brengen en overtuigde de juweliers dat de koningin garant stond voor de betaling. Op 29 januari 1785 werd het  juweel gebracht en werd meteen gegeven aan een zogezegde bode van de koningin, in werkelijkheid een minnaar van de La Motte. Zij ontmantelde het juweel en verkocht de meer dan 500 afzonderlijke diamanten in Londen. Met de opbrengst kocht ze een landgoed dat paste bij haar verzonnen adellijke afkomst en liet het inrichten “met niet minder dan 42 wagenladingen met meubels van Adam, tapijten van d’Aubusson, etc ”.



    Op de vooravond van de eerste vervaldag was er nog steeds geen geld, en er zou ook geen komen want de koningin wist van deze hele handel niets af. De volgende dag informeerde de La Motte de juweliers dat ze bedrogen waren door middel van een vervalste brief. De juweliers trokken naar de koningin en de waarheid kwam onmiddellijk aan het licht. De kardinaal, de la Motte, Le Guay en Cagliostro – een charlatan die meegeholpen had aan het komplot – werden gearresteerd en het kwam tot een openbaar proces. De zaak mocht zich verheugen in een enorme belangstelling van het publiek en er verschenen honderden pamfletten, prenten en pornografische schotschriften waarvan de algemene teneur was dat de koningin een spilzieke slet was die voor niets terugdeinsde om haar lusten te bevredigen. Het proces dat ruim een jaar later volgde was een soort straattheater waar de advocaten het publiek naar de mond praatten –net zoals in sommige recente assisenprocessen bij ons. Het gevolg laat zich raden : de Rohan werd vrijgesproken, de la Motte veroordeeld en gebrandmerkt met de grote V van voleuse. Ze wist echter na enige tijd  naar Engeland te ontsnappen van waaruit ze een virulente campagne voerde tegen Marie Antoinette waarvoor ze een gretig publiek vond bij de bevolking van Parijs. Ze beweerde een lesbische verhouding te hebben gehad met de koningin die haar gebruikt had om de Rohan ten val te brengen omdat hij op de oneerbare voorstellen van de koningin niet wilde ingaan. De wildste verhalen deden de ronde en het gepeupel raakte er van overtuigd dat de koningin nog steeds tal van diamanten bewaarde in haar serre-bijoux.



    Zo kwam het dat in de nacht van 5 op 6 oktober 1789 het woedende volk Versailles binnen drong, tot in de slaapkamer van de koningin. Deze  kon op het laatste nippertje nog ontsnappen via een geheim deurtje van haar alkoof. Het blijft onduidelijk of de plunderaars daar de serre-bijoux van Ewald of die van Schwerdfeger aantroffen. In elk geval is sindsdien het meubel van Ewald spoorloos.

    09-05-2013 om 18:48 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-05-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De serre-bijoux en de mythische diamanten van Marie-Antoinette (1)

    In 1787 schilderde Vigée-Lebrun een portret van de koningin en haar kinderen. Op dit portret zien we de oudste dochter, Marie-Thérèse of Madame Royale, de enige van het gezin die de revolutionaire moordpartijen zou overleven. Na de executie van haar ouders bleef ze nog zes jaar gevangen in de Temple tot ze in 1799 werd uitgewisseld voor Franse gevangenen in Oostenrijk, waarna ze werd opgevangen aan het Hof in Wenen. De eerstgeboren zoon, de Dauphin, wijst naar het lege wiegje waar normaal het jongste dochtertje had moeten liggen, maar dat was gestorven terwijl het portret werd gemaakt.

    De Dauphin zelf stierf twee jaar later, in 1789, aan de ziekte van Pott, een tuberculeuze aandoening van de wervels. Hij zou TBC hebben opgelopen via zijn min die de toepasselijke naam droeg van Madame Poitrine. Louis-Charles, het tweejarig knaapje op de schoot van zijn moeder werd dus na de dood van zijn oudere broer nu Dauphin, en na de executie van zijn vader in 1793 de eigenlijke troonopvolger of Louis XVII. Hij bleef gevangen in de Temple en zou er in 1795 - hij was toen tien jaar - gestorven zijn tengevolge van uithongering en de slechte behandeling aldaar. In royalistische kringen werd beweerd dat hij ontsnapte uit de gevangenis en dat het lijkje dat men in de Temple vond van iemand anders was. Ïn latere jaren zouden dan een aantal figuren opduiken die zich uitgaven voor Louis XVII, sommigen zoals Karl Wilhelm Naundorff zelfs met enig succes. Op het lijkje dat men in de Temple vond werd destijds sectie verricht en het hart naar buiten gesmokkeld en bewaard in gemummificeerde toestand. Pas in 2004 zou via DNA-onderzoek van dat hart, onder andere door Professor Cassiman, in opdracht van de Franse regering, definitief kunnen worden aangetoond dat het wel degelijk om Louis XVII ging.

    Maar waar het ons eigenlijk om te doen is in verband met dit schilderij is het meubel dat men rechts op de achtergrond ziet. Dit is de befaamde serre-bijoux die Marie-Antoinette aangeboden kreeg van Louis XV ter gelegenheid van haar huwelijk met de dauphin in 1770 om haar persoonlijke juwelen in op te bergen. Het meubel werd vervaardigd en geleverd door de ebenist Ewald op basis van een ontwerp van Belanger, dessinateur du Roi. De bronzen waren van Pierre Gouthière en het meubel kreeg een soort overtrek van met goud bestikt velours. In 1777 stond het meubel in de hoek van haar kamer, naast haar bed zoals we kunnen zien op een gouache van Jean-Baptiste-André Gautier d'Agoty. Marie-Antoinette moet wel van dat meubel hebben gehouden want in 1787 stond het daar nog steeds, getuige het doek van Vigée. Het is trouwens mede aan de hand van de gouache van d'Agoty dat de kamer van de koningin in Versailles recentelijk werd gerestaureerd. De serre­ bijoux van Ewald is vandaag spoorloos, maar de ontwerptekening van Belanger, in vroege neoklassieke stijl, is bewaard gebleven.

    In 1787, en die datum staat vast, werd een nieuwe serre-bijoux geleverd, nu door de ebenist Schwerdfeger. Men neemt meestal aan dat dit ter vervanging was van het meubel van Ewald. Dat lijkt ons onwaarschijnlijk. Marie-Antoinette zou zich in 1787 niet met dat oude meubel hebben laten afbeelden als er al een nieuw was besteld of er al stond. Meest waarschijnlijk werd dit meubel besteld hetzij voor het Trianon hetzij voor haar kasteel in Saint-Cloud.

    Toen in de nacht van 5 op 6 october 1789 het gepeupel, criminals and fishwives, het paleis van Versailles bestormde en de slaapkamer van de koningin binnen drong troffen ze daar waarschijnlijk dus het meubel van Ewald aan en ze moeten hebben gedacht dat daarin de mythische diamanten van de koningin waren opgeborgen. Sindsdien ontbreekt elk spoor van dat meubel. Wie nu Versailles bezoekt zal in de Chambre de la Reine, in de hoek van de alkoof een andere serre-bijoux zien staan, namelijk die van Schwerdfeger.

    Dit meubel met zijn Griekse kariatiden in verguld brons, geciseleerd door Thomire, de vier seizoenen voorstellend, zjjn panelen met arabesken, cameeën en plakken van Sèvres-porselein en een onderstel dat reeds de empire stijl aankondigt, was het culminatiepunt van de meubel­ kunst onder Marie-Antoinette. Inderdaad, zij was de gangmaker van de nieuwe trends in de meubelkunst. De mode die zij lanceerde werd in gans Europa nagevolgd. De trendsettende rol van Frankrijk, of liever van Parijs, was te wijten aan het gelijktijdig aanwezig zijn, enerzijds van iemand met een uitstekende smaak en veel geld, en anderzijds van een aantal uiterst bekwame vaklui: meubelmakers, ebenisten en bronzeurs. Deze grandeur kostte echter enorme sommen en dat terwijl de staat virtueel failliet was en de bevolking honger leed. De aankoop van de serre­ bijoux van Schwerdfeger was echter een stap te ver en zou onrechtstreeks leiden tot de ondergang van het Ancien Régime. Die aankoop was buitengewoon slecht getimed en kwam vlak na de rocamboleske geschiedenis van een diamanten halssnoer waarin een kardinaal, een prostituée, een gewiekste oplichtster en Cagliostro waren betrokken, en waarin Marie-Antoinette geheel onschuldig was, maar niet in de perceptie van het volk.

    De aankoop van deze serre-bijoux werd door het volk dan ook geïnterpreteerd als de aanschaf van een immense coffre-fort om de laatste rijkdommen van het land te roven en op te bergen. Een ultieme provocatie van de putain Autrichienne.  Het gevolg is bekend: in de nacht van 5 op 6 oktober 1789 drong het woedende volk Versailles binnen, tot in de slaapkamer van de koningin. Ze kon op het laatste nippertje nog ontsnappen via een geheim deurtje van haar alkoof. Waarschijnlijk troffen ze daar de serre-bijoux van Ewald aan. ln elk geval is dat meubel sindsdien spoorloos. Dat van Schwerdfeger dook later achtereenvolgens op in Saint-Cloud en Compiègne bij de successieve echtgenotes van Napoleon en later van Napoleon III. Nog later kwam het meubel in het Louvre terecht en uiteindelijk, in 1933, belandde het daar waar d'Agoty en Vigée­ Lebrun de serre-bijoux  van Ewald hadden geschilderd, in de hoek van de kamer van de koningin te Versailles.

     

     

     

     




    Vigéé Lebrun, 1787.


    Ontwerp van Belanger



    Gautier d'Agoty, 1777.



    Serre-bijoux van Schwerdfeger


    De kamer van Marie-Antoinette in Versailles, vandaag.


    03-05-2013 om 00:00 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-04-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diderot verhuist naar het Pantheon.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Denis Diderot, een van de meest interessante van de filosofen-schrijvers van de 18de eeuw, de zogenaamde Lumières, werd bij zijn dood begraven in de kerk van Saint-Roch, in het gezelschap van onder meer Pierre Corneille en André Le Nôtre. Tijdens de Revolutie werd de kerk geprofaneerd en de graven geplunderd. Er zou niet veel meer overblijven van de stoffelijke resten van Diderot.

    Eindelijk daagt het de Fransen wat een bijzonder figuur deze man eigenlijk was. Tot voor kort staarden ze zich blind op Voltaire ondanks de waarschuwingen van abbé Desfontaines  die reeds in 1738 in een pamflet genaamd La Voltairomanie Voltaire afschilderde  – overigens niet onterecht - als een van zich zelf bezeten figuur, dronken van arrogantie en trots, schuldig aan bedrog en fraude, een paranoïde en ijdele exhibitionist, een gewetenloze geldwolf en opportunistische sjoemelaar.

    Pas nu, valt Diderot dus de eer te beurt die hij verdient en wordt hij omstreeks de 300ste verjaardag van zijn geboorte (october 1713) herbegraven, panthéonisé, in de vroegere Eglise Ste Geneviève, nu mausoleum ‘aux grands hommes la patrie reconnaissante’.

    Hij zal er dus liggen in het gezelschap van Voltaire en diens aartsvijand Rousseau. Benieuwd of hij zal terecht komen in de crypte zelf of een of andere ‘caveau’ .

     

    19-04-2013 om 16:52 geschreven door Guido  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 20/04-26/04 2020
  • 22/12-28/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 02/12-08/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 15/04-21/04 2013
  • 08/04-14/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!