Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
De winterkoning is wijd verspreid en haast overal talrijk aanwezig.
Niet groter dan een pingpongbal en met een gewicht van amper 10g, lijkt het energiek vogeltje op een rondhobbelend balletje veren.
Zijn domeintje is niet groter dan een boerenerf, een begrensd perceeltje grond waarop een (voormalige) boerderij, schuren, tal van kleine bouwsels, een mestvaalt en moes- en siertuin liggen. Doorgaans is zon boerenerf door beplanting (een rij knotwilgen bv.), hekken of sloot afgescheiden van de rest van het akker- of weideland.
Niet meteen de landschapskenmerken van de Kille Meutel, al vertoont de habitat wel een variatie aan vogelvriendelijke stads- en natuurtuinen, waarin die het winterkoninkje als een muisje langs heggen en struiken wegglipt, vlakbij het tuinhuisje rond hipt, langs houtstapels rondscharrelt, rondneust in wilde en gezellig rommelige hoekjes met oude bloempotten en andere tuinspullen.
Levenslust en optimisme
Het geluid dat het winterkoninkje produceert, tettert in je oren, terwijl het lijfje schokt en danst. Zingt het vogeltje niet dan is het aan het klussen: sleept met bouwmaterialen, past en meet, verzint steeds weer nieuwe inrichtingen. Eigenlijk zou het vogeltje aan twee nesten genoeg hebben, maar het weet van geen ophouden; met een onverwoestbaar optimisme en ontembare ijver bouwt het speelnesten, slaapnesten en pronknesten.
Dat is het moment ook, waarop de winterkoning in zijn lied verkondigt dat een handige haan naar een zorgzaam hennetje zoekt en haar diverse verblijven kan aanbieden. Als zij komt, verandert het driftig baasje in een royale charmeur die opgewonden het volledige assortiment broedholletjes laat zien.
Eens de keuze gemaakt, mag zij er haar intrek nemen, maar hoeft verder niet vaak meer te rekenen op zijn gezelschap. Het broeden is haar taak en hij heeft het alweer druk met opknappen en versieren van een 2de hennetje. Hij voelt zich inderdaad mans genoeg om vrachten insecten aan te voeren voor de dubbele kroost, die gemakkelijk kan oplopen tot acht snaveltjes per broedhol en dat wel twee keer in het seizoen.
Vijandige winters
Aan het eind van het broedseizoen telt de vrolijke bende een aanzienlijk koninkrijkje nakomelingen, dat jaarlijks riskeert te worden gehalveerd als het weer echt grimmig wordt met behoorlijke sneeuwval en ijzel.
Onder zulke barre weersomstandigheden gaat als het ware de provisiekast dicht voor deze insecteneters, die leven van larfjes, eitjes, weggekropen luizen, spinnetjes en torretjes tussen schors, spleten en onder afgevallen bladeren.
Al is hij kwetsbaar in de winter toch ontbreekt het de kleine holbewoner niet aan levenskracht en blijmoedigheid die het hele jaar door blijft zingen om iedereen te laten weten waar zijn jachtgebied is. Onvermoeibaar gaat hij elke dag op speurtocht en onderzoekt alle hoeken en gaten op iets eetbaars. s Nachts vergeet hij desnoods de grensgeschillen met de buren en kruipt dicht bij soortgenoten om zich te warmen, soms tientallen bij elkaar.
Voor het vogelportret kan je nog eens het artikel van 15/03/08 raadplegen!
De fotos hieronder zijn van Vogelbescherming Vlaanderen.
Al zaten de weersomstandigheden niet echt mee, toch waren Jo & Wim onze inmiddels erg gewaardeerde blogboosters bereid om voorbije zondag vanuit een alternatieve kijkhut een toiletraampje en een hondenluikje in de keukenberging beelden te schieten van de stamgasten. Gewapend met verschillende zoomobjectieven wachtten zij geduldig op de komst van de gevederde tuinbezoekers, die voor de gelegenheid een rijk gevarieerd menu voorgeschoteld kregen: fijne broodkruimels, een speciaal geselecteerde zaad- en graanmix in de silo, aaneengeregen vetranden op de boomstam, fijngesneden pindakaas, rozijnen, ongekookte havermout op de voedertafeltjes en enkele mezenbollen.
Een systeem ontwikkelen dat het mogelijk maakt vogelwaarnemingen in te voeren op geografische locatie en in tijd, is al langer de bedoeling van enkelen uit de vogelliefhebberbende. Iedere waarnemer zou via een gebruiksvriendelijke observatiefiche in de eigen omgeving zijn vaststellingen moeten kunnen wegschrijven naar een centrale databank.
Ook zou de vogelspotter de plattegronden, waar de vogels vaak worden opgemerkt of zelfs nestelen, moeten kunnen bekijken.
De tuinpercelen met hun eigen specifieke begroeiing die deel uitmaken van de Kille Meutel zijn als aparte biotoopjes.
Op deze manier zou je heel wat gegevens kunnen inzamelen en exporteren naar een rekenblad een overzichtstabel zeg maar waarin je zowel meldingen van andere waarnemers als eigen notities zou kunnen terugvinden.
Uiteraard moet voor iedereen duidelijk zijn welke de voordelen zijn; het is immers moeilijk input van derden te vragen als zij zich geen idee kunnen vormen van de tool en de talrijke mogelijkheden via internet. Vandaar het belang om met vrijwilligers en meedenkers overleg te plegen over de wijze waarop die input gebruiksvriendelijk kan worden geïnventariseerd en geraadpleegd.
Als je Zaventem als standaardlocatie instelt, kan je inzoomen op de groene oaseKille Meutel, begrensd door de Steenokkerzeelstraat in het oosten, de Watertorenlaan in het zuiden, de Van Dijcklaan in het westen en de Handelsstraat in het noorden.
In uithoeken van de lappendeken vertonen de groenzones hier en daar een rijkdom aan rommel- en schuilplaatsen die het uitverkoren jachtterrein vormen van een paar bekende vleeseters: het roodborstje en het winterkoninkje.Immers daar wemelt het van spinnen, slaperige muggen en kevertjes.
Hierbij kan worden vermeld dat na de boerenzwaluw, die met glans werd verkozen tot vogel van het jaar 2009, de uitslag van deze editie andermaal leert dat vogelliefhebbers, waaronder wellicht veel tuineigenaars een uitgesproken voorkeur hebben voor kleine zangvogels. Het op één na kleinste vogeltje van Europa [het kleinste is het goudhaantje], haalde het gemakkelijk van alle andere genomineerden.
De winterkoning kaapte niet minder dan 16 % van alle stemmen weg, gevolgd door de grote bonte specht met 11 % en de ringmus met 9.6 %.
De veldleeuwerik haaldede top drie net niet [gegevens Vogelbescherming Vlaanderen].
Wens je veel vogelsoorten te spotten dan komt het er op aan een gastvrij onderkomen te bieden waar via begroeiing veiligheid en voedsel gewaarborgd zijn.
Tuinvogels beschouwen het dichte struikgewas immers als een betrouwbare habitat en wel voor een aantal goede redenen:
·ze kunnen er voor rivalen, roofvogels en katten in wegvluchten;
·het is ook een ideale plek om de omgeving vanuit een veilige uitkijkpost te bespieden;
·het takkenbos doet ook nog dienst als een fastfood restaurant waar het gehele jaar door en niet tegelijk kleine spinnen, rupsen, slapende nachtvlinders, bladluizen, bessen, vliegjes, mugjes en kevertjes beschikbaar zijn;
·op deze beschutte donkere plek verstopt in dichte coniferen, doorn- of hulststruiken, kunnen ze na het uitkomen van de eieren gedurende een paar weken in een gevlochten mandje veilig hun kroost grootbrengen;
·als je tuin als favoriete woongebied wordt uitgekozen, dan zingen de meeste tuinvogels hun lied vanaf een zangpost in de top van een struik of boom, vlak in de buurt;
·verder zoeken merels, mussen en mezen er een veilige slaapplaats.
Het alleenheersertje
Het roodborstje dat zich heer en meester waant in zijn territorium kan zich stierlijk opwinden, waarbij het dan de rode borst opzet die heftig heen en weer wordt bewogen. Imponeert deze dreighouding de indringer niet, dan aarzelt het heethoofd niet op zijn rivaal in te hakken. Een gevecht tussen twee roodborstjes die van geen wijken willen weten, is een duel tussen twee houwdegens. Als er eentje stervend bij neervalt, blijft de ander hem fanatiek bewerken tot er geen oranje meer te zien is en alles hem rood voor de ogen schemert.
De gewone vink en de huismussen trippelen graag over de grond in een graslandje op zoek naar de voornamelijk door koolmezen kwistig rondgestrooide nootjes-en zadenmix, terwijl de zwartdassen zelf doorgaans enkel oog hebben voor de olierijke zonnepitten in het silomengsel.
Acrobatische pimpelmezen, die ook graag struinen langs kamperfoelie, braambessenstruiken of stekelige hulst, hakken al bengelend vaak in op de mezenbollen of pindaslingers, waar ze zelf aan hangen.
De merels ons even vertrouwd als de huismussen die vaak de eigendomsrechten over de foerageerplekken in hun territorium betwisten, pikken af en toe een rozijn of een hap uit wat rot fruit mee.
Toch gaan de spreeuwen, die vaak massaal neerstrijken, met de grootste buit lopen. Spreeuwen zijn de grapjassen onder de vogels, veelzijdige imitators, maar ook rustverstoorders, die als niets ontziende slokkoppen te keer gaan en de voederplek in razziastijl inpalmen.
De charmante lachbekjes of Turkse tortelduiven met hun kenmerkende tred van 6 buiginkjes na elkaar, stellen zich tevreden met de gemorste graanmix en de broodkruimels, die ook wel bij de goedgemutste en levenslustige straatketten, onze huismussen, in de smaak vallen. Ook strijken geregeld de grote opvallende houtduiven neer om deel te nemen aan de feestdis.
Eksters wonen graag dicht bij mensen omdat hun aartsvijand, de zwarte kraai, daar niet goed durft te komen, alhoewel er zich voorbije zondag een onheilsbode erg dicht in de buurt waagde.
Vanuit de geënsceneerde schuilhut passeerden de tortelduif, de houtduif, de gewone vink, de spreeuw, de koolmees, de pimpelmees, de merel, de huismus, de roodborst, de ekster en de kraai de revue; groenling, winterkoninkje, heggenmus lieten zich niet opmerken. Wie meer wenst te lezen over reeds verschenen en gedetailleerdere bijdragen over deze gevederde tuinbezoekers kan ze in het archief terugvinden.
De verrassend haarscherpe momentopnames van Wimen zoon Joweten al geruime tijd onze fascinatie voor gevleugeld natuurschoon te prikkelen; beiden verdienen dan ook een dikke pluim.
De fraaie aanblik van het broze lijnenspel van bevroren takkenbosjes, besuikerd met rijp heeft een betoverend effect de mooie opnames van Monique & Luc Bogaerts illustreren beeldend deze winterhaiku.
Als biotoop gaat de voorkeur van de slobeend uit naar drassige boezemlanden, die hoofdzakelijk voorkomen in rivieren- en laagveengebieden [dit zijn laaggelegen stukken weiland die onder water kunnen worden gezet], kleine ondiepe voedselrijke sloten of natuurlijk ondergelopen polders.
Bij de woerd, wiens vederpak veel gelijkenis vertoont met dat van de wilde eend, zijn kop met felgeel oog en hals zwart met een groene glans; de veren op de rug zijn zwart met lichtgrijze zoom; de borst is wit; flanken en buik zijn kastanjebruin; de spiegel is groen; de vleugel heeft een lichtblauwe voorvleugel en groene achtervleugel, gescheiden door een sneeuwwitte band en de poten zijn helder oranje gekleurd.
De lengte varieert van 48 tot 52 cm; de spanwijdte wisselt tussen 70 en 84 cm; het gewicht schommelt tussen 400 en 1000g.
Het opvallendste kenmerk van de slobeend, is zijn grote spatelvormige snavel, die hij op de typische manier van grondeleenden gebruikt voor het uitzeven van voedseldeeltjes uit grote hoeveelheden water. Hiertoe behoren knoppen en zaden van waterplanten als riet, zeggen en algen, maar ook dierlijk voedsel zoals kikkerdril, insectenlarven, wormpjes, slakjes en kleine zoetwater schaaldiertjes vallen in de smaak. Het zeefapparaat is zo fijnmazig dat het zelfs de fijnste plankton kan opnemen.
Bouillon-slurpers
Met slobberen wordt het typische geluid bedoeld dat ontstaat als de eend voedseldeeltjes uit de drabbige sloten en poelen opslurpt. De zeefsnavel wordt steeds een beetje geopend en weer dicht gedaan; de vlezige en zeer gevoelige getande tong zuigt het modderwater door de snavelpunt en perst het er, bij het sluiten van de snavel aan de achterkant tussen de randen van boven- en ondersnavel weer uit. Daarbij worden uit het dunne soepje de kleine voedseldeeltjes door de gevoelige tastpapillen herkend en door de hoornplaatjes of kamvormige lamellen op die randen aan weerskanten van de snavel gefilterd.
Slobeenden zwemmen langzaam voorwaarts tijdens het foerageren en dit met hun schouders bijna onder water. Soms verzamelen ze zich in dichte groepen, die als een groot wiel in het rond draaien. Om bij iets dieper gelegen voedsel te geraken, gaat de eend in kopstand, waarbij de lange vleugelpunten gekruist over de korte staart te zien zijn.
Paren en kleine groepen vliegen in de lente over de broedgebieden, waarbij de mannetjes in acrobatische vluchten achter een vrouwtje aanzitten. Een paartje slobeenden sluit een monogaam huwelijk voor één seizoen.
Het nest doorgaans te vinden in betrekkelijk open terrein, vlak in de buurt van water, is een met bladeren en grasstengels, veren en dons gevoerde ondiepe kom.
De 8 tot 12 lichtgroene eieren worden vanaf eind april gelegd en in circa 23 dagen uitgebroed. De jongen verlaten het nest direct na het uitkomen en vertonen al snel een kanjer van een sneb. Na 6 tot 7 weken kunnen ze vliegen. Als ze van het water opstijgen, hoor je het karakteristieke gezoem van hun vleugels. In de vlucht is de slobeend onmiddellijk herkenbaar aan de merkwaardige gebochelde rug, omdat de vogel kop en hals lager houdt dan andere eendensoorten. Hij staat bekend als een betrekkelijk langzame vlieger, maar hij kan even snel wenden en keren als de kleinere zomer- en wintertaling.
De smient, ook wel eens fluiteendgenoemd en vroeger gekend als een typische poldereend, tref je nu vaker aan op zoetwaterplassen.
De kenmerkendebiotoop van smienten is ondiep, rustig water, hoewel ze ook bij rivieren en in kustmoerassen nestelen. Zo mogelijk maken ze gebruik van eilandjes, daar deze bescherming bieden tegen roofzuchtige zoogdieren. Ze zijn immers erg schuw en vliegen op als men ze nadert; grote aantallen overvliegen dan een moeras op zoek naar een goed beschutte plek.
De smient heeft een rond geblokte silhouet; de rug en flanken zijn fijn grijs gestreept; de kastanjebruine kop vertoont een karakteristieke brede crèmegele band van de snavelbasis over het voorhoofd tot op de kruin. Kenmerkend ook is de korte, brede, driehoekige en licht grijsblauwe snavel met zwarte punt. De borst is grijs met een roze zweem; buik en onderlijf zijn helderwit.
De grijze vleugels met een opvallend wit vleugelveld en een vaal groen-zwarte achtervleugel houden smienten hoog op de rug gevouwen; tijdens de vlucht vallen de witte schouders en de groene vleugelspiegels op; bij agressief vertoon worden de vleugels omhoog geheven.
De blauwgrijze poten zijn voorzien van donkere zwemvliezen.
De eend wordt 45 tot 51 cm lang; haalt een spanwijdte van 75 tot 86 cm en bereikt een gewicht dat schommelt tussen 640 en 720 g.
Een echte grazer
Anders dan de meeste eenden grazen smienten net als ganzen in voorover gebogen houding weilanden af met hun snavel die is aangepast voor het versnijden van gras. Ook slobbert de grondeleend drijvende waterplanten op. De smient foerageert in dichte groepen op het water die dan gezamenlijk oprukken naar een zoutmoeras of weiland met kort gras.
s Winters eten deze wintergasten op kreekruggen en kwelders zoutminnend zeekraal, zeegras, maar ook nog grasstengels, zeggen en biezen, gras op natte weilanden en grazige moerassen nabij de kust.
Al zijn smienten doorgaansvegetarisch, toch eten de vrouwtjes grote aantallen muggen, die meer en betere eiwitten leveren.
Na het voedsel zoeken voornamelijk s nachts rusten en slapen grote groepen smienten overdag op grote wateroppervlakken: binnenlandse meren, riviermondingen of zelfs op open zee.
De balts is relatief onopvallend met uitzondering van de achtervolgingen in de lucht. De paren worden gevormd wanneer de woerden nog in volle ornaat zijn. Paren broeden geïsoleerd of hooguit in losse kolonies.
De broedgebieden omvatten Ijsland, Schotland, Noord-Engeland en een brede Arctische en subarctische gordel die van Noorwegen via Azië tot de Beringstraat loopt. In onze streken is het een uiterst zeldzame broedvogel.
De broedgebieden bestaan uit poelen in afgelegen hoogveengebieden en moerassen, ver verwijderd van de groene weiden, die ze zo effectief begrazen.
Het nest is een ondiep kuiltje, gevoerd met bladeren, gras en dons, verstopt onder overhangende pollen of struiken in de buurt van water. Het legsel telt 8 tot 9 eieren, die het wijfje bebroedt gedurende 24 tot 25 dagen. Na de broedtijd of amper 6 weken later vliegen de smienten in formaties van honderden exemplaren in de buurt van riviermondingen en in kustgebieden. Ze vormen in de vlucht vaak lijn- of V-formaties, zeer snel vliegend, hoewel ze niet de wendbaarheid hebben van de kleine wintertaling.
Het KMI voorspelt vanaf zondag temperaturen die overdag flirten met het vriespunt en er s nachts flink onderduiken. Het temperatuurverschil zal dus duidelijk voelbaar zijn, vooral voor de vogels. Vogelbescherming Vlaanderen roept daarom iedereen die een tuin heeft op de komende dagen voedsel en vers drinkwater voor de vogels te voorzien. Het zoeken naar voedsel is immers veruit de belangrijkste bezigheid van vogels om te overleven. Met een lichaamstemperatuur van meer dan 40°C hebben ze zeer veel calorieën nodig, vooral de kleinere soorten. Normaal gezien sterft een vogel in onze streken niet rechtstreeks van de koude, maar een langdurige voedselschaarste doet hen verzwakken en verstoort hun stofwisseling. Ze lopen dan meer kans op allerlei ziekten. De dagen zijn zeer kort en daardoor ook de beschikbare tijd om het nodige voedsel bijeen te zoeken. Bovendien hebben vogels ook nog een hoger calorieverbruik, zodat hun vetreserves sneller uitgeput geraken. Vooral in perioden van grote koude, waarbij de vogel genoeg energiereserve moet hebben om gedurende de lange, koude nachten zijn temperatuur op peil te houden, kan hij in een acute gevaarsituatie belanden.
Tijdens de middeleeuwen was de roerdomp in moerasstreken een alom bekende broedvogel en geliefd jachtwild bij de edellieden. De reigerachtige vogel stelt zich tevreden met een territorium van één tot twee hectaren aan de rand van natte en dichte rietkragen met verborgen poeltjes, mits het er maar rustig is en er genoeg te eten valt.
Met zijn gedrongen romp en lange, maar dik beveerde en half ingetrokken hals, geeft hij een plompe indruk. Ook wanneer hij opvliegt met brede gebogen vleugels doet zijn compacte silhouet wat denken aan deze van uilen.
Zelden overvliegt hij zijn domein, uitgezonderd wanneer hij buurmannen verdenkt mededingers te zijn van zijn harem. Hij voert s avonds inspectievluchten uit en als hij een concurrent aantreft, komt het tot een regelrechte en soms zelfs erg agressieve afrekening.
Met zijn dolscherpe snavel en offensief karakter weet hij zelfs een bruine kiekendief, die zijn territorium binnendringt, te intimideren.
Tussen het riet is hij subliem gecamoufleerd en vrijwel onzichtbaar. Zijn verenkleed vertoont overlangs en overdwars gerichte zwartbruine vlekken, banden en strepen op een goudbeige ondergrond. Met zijn korte groene poten, voorzien van lange tenen grijpt hij zich stevig vast aan enkele hoge rietstengels tegelijk.
De grote groene voeten bieden ook houvast tijdens het vissen wanneer het lichaam zijdelings heen en weer wordt bewogen en tegelijk ver naar voren wordt gebogen.
De lichaamslengte varieert tussen de 70 en 80 cm; de spanwijdte reikt tussen de 120 en 140 cm en het gewicht schommelt van 900 tot 1 100 g.
Paalhouding
Bij gevaar neemt hij de paalhouding aan, waarbij hij zich uitgestrekt met naar boven gerichte snavel roerloos tussen de rietstengels net als een kameleon met het natuurlijk decor weet te versmelten. Terwijl volgt hij nauwlettend elke verdachte beweging op met zijn voorwaarts gerichte ogen, laag aan de zijkant van de kop. Het bijzonder scherp gezichtsvermogen laat toe prooien heel precies te lokaliseren.
De rietvisser leidt een verborgen leventje tussen de riethalmen en laat zich zelden opmerken.
Uiterst behoedzaam sluipt hij meer dan hij loopt, waarbij hij alles in de gaten houdt en aan zijn kostje denkt. Een onvoorzichtige kleine karekiet of een onoplettend baardmannetje rijgt deze reigerachtige al gauw aan zijn dolksnavel. Als het mogelijk is, trakteert hij zichzelf ook op een waterhoentje of een waterral; een spitsmuis of waterrat. Verder vist hij langzaam wadend tussen het riet in ondiep water en spiest een snoek of een argeloze paling, snapt een kikker.
Zijn kenmerkende doffe baltsroep, waarbij hij zijn hals recht naar voren strekt, bezorgt hem de bijnaam whoempvogel (het geluid verwekt door kort boven de hals van een fles heen te blazen, zoals bij een panfluit). Hiermee verkondigt het mannetje tot ver in de omtrek dat hij over een eigen territorium beschikt. Tegen veelwijverij heeft hij geen bezwaar.
Het breed nest van rietstengels, bekleed met fijner plantenmateriaal, wordt tussen riet en zeggen gebouwd. Aan zijn vrouwtje(s) en jongen besteedt hij nauwelijks aandacht; hij is verre van een zorgzame en attente kostwinner. Het wijfje broedt de 4 tot 6 olijfbruine eieren alleen uit, die na 25 tot 26 dagen uitkomen.
Al laat deze mysterieuze bewoner van dichte rietvelden zich zelden fotograferen, toch wist Wimhem beeldend te strikken.
Leden van Vogelbescherming Vlaanderen en natuurliefhebbers kregen vandaag de kans in het bioscoopcomplex Siniscoop te Sint-Niklaas op groot scherm met surround system de verbluffende natuurfilm EARTH te bewonderen, het unieke en adembenemende portret van onze planeet.
Malta buigt
Voorzitter Jan Rodts meldde in een inleidend voorprogramma dat sinds de toetreding van Malta (1 mei 2004) door Vogelbescherming Vlaanderen onafgebroken campagne werd gevoerd tegen de trekvogeljacht. Malta ligt op de zogenaamde Middellandse Zeeroute tussen het Europese vasteland en Afrika en fungeert voor langeafstandstrekkers als tussenstop om er te rusten, te foerageren of te overnachten. Ieder jaar werden hier tienduizenden trekvogels geschoten en gevangen. Via verzoekschriften, een petitie met 300 000 handtekeningen werd de druk opgevoerd en kwam er een resolutie die de Maltese regering opriep de Europese Vogelrichtlijn inzake het behoud van de vogelstand na te leven. Inmiddels is het zo ver; de voorjaarsjacht op trekvogels is verboden.
Laakbare jachtmethode
Dan had de heer Jan Rodts het over de duivencarrousel. Deze ronddraaiende molen waarop houtduiven als lokvogels vast worden gespietst, heeft een magisch effect op passerende houtduiven, die dan massaal worden neergeknald. Inmiddels is het gebruik van deze duivenlokmachine verboden zowel bij de jacht als bij de bestrijding van houtduiven omwille van aangerichte wildschade.
Claude Velter helpt olievogels
De voorzitter van het opvangcentrum voor vogels en wilde dieren in Oostende werd al vaker voor zijn expertise inzake de behandeling van met olie besmeurde zeevogels opgeroepen en zo geschiedde dat ook bij de Noorse olieramp van vrijdag 30 juli met een bulkcarrier Full City die aan de grond liep en waardoor zijn brandstoftanks lek liepen.
Vele honderden zeevogels, waaronder voornamelijk eidereenden en grauwe ganzen zaten van kop tot teen onder de olie.
Onder leiding van Claude Velter werd een reddingsoperatie opgezet, waarbij lokale natuurverenigingen werden aangespoord zoveel mogelijk olieslachtoffers op een deskundige wijze op te vangen en te reinigen. Bij eerdere olierampen in Noorwegen werden olieslachtoffers gewoon doodgeschoten.
Als een vogel in aanraking komt met olie die op het wateroppervlak drijft, plakt de olie aan zijn veren, waardoor ze aan elkaar vastklitten en er openingen in het verenpak ontstaan. Als dat gebeurt, is het verenkleed niet langer waterdicht waardoor de dieren door het koud water onderkoeld geraken.
De heer Claude Velter wist ons te overtuigen dat het natuurhart bij de Vlamingen op de juiste plaats zit.
De veelgeprezen makers Alastair Fothertgill en Mark Linfield (Deep Blue) zijn erin geslaagd een spectaculaire documentaire af te leveren die de immense schoonheid en diversiteit van onze aarde laat zien.
De film bevat indrukwekkende lucht- en natuuropnamen met nieuwe, speciaal voor deze film ontwikkelde opnametechnieken. Gedurende maar liefst 5 jaar filmden 45 cameracrews met HD cameras op 200 verschillende locaties in 62 landen op alle 7 continenten om een onvergetelijke ontdekkingsreis te maken.
Het budget van 40 miljoen dollar maakte het mogelijk te filmen op locaties waar nooit eerder gefilmd is, zoals op de ijzingwekkende hoogte van de Mount Everest.
In ruim een anderhalf uur tijd maakt de kijker samen met verteller Patrick Stewart (X-men in Startrek) in elf afleveringen een tocht van Noordpool tot Zuidpool,waarbij hij van de ene unieke plek naar het andere verborgen paradijs wordt meegesleept, van de hoogste bergen tot de diepste zeeën, langs woestijnen en regenwouden, steppen en savannes, grotten en koraalriffen.
De documentaire volgt hiertoe een ijsberenfamilie, een kudde olifanten en twee bultrugwalvissen in hun vaste leefomgeving en toont de invloed van seizoenswisselingen hierop. Op indringende wijze wordt duidelijk hoe de opwarming van de aarde de overlevingskansen van vele diersoorten bedreigt.
Energievriendelijke windturbines, âgehaktmolensâ van vogels
Vlaanderen moet meer groene stroom opwekken en dus klinkt de vraag naar meer windturbines steeds luider. Omwonenden klagen over slagschaduw en het lawaai, veroorzaakt door de bewegende delen in de gondel van de windturbine en de ronddraaiende rotorbladen (90 tot 100 dB). Ook vogels leven niet vreedzaam samen met de reusachtige turbines.
Het Instituut voor natuur- en bosonderzoek (Inbo) heeft 6 jaar lang onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op vogels en vleermuizen. Het was het eerste langlopende onderzoek in zijn soort in Vlaanderen.
Op sommige locaties hebben de turbines met grote wieken een verstorend effect. Het aantal vogels dat in de wieken terechtkomt en sterft, schommelt voor de windparken gemiddeld tussen 1 en 42 per turbine per jaar.
Er zijn niet alleen de aanvaringsslachtoffers, ook treden er nog meer verstorende effecten op.
Vogels durven niet meer in de buurt te komen wanneer zij op zoek zijn naar voedsel of naar een rust- of broedplaats.
Samen met de druk die al op de vogels bestaat door hoogspanningslijnen, het verkeer, de bevolkingsdichtheid en de aantasting van natuurgebieden, zorgt dat mogelijk voor een cumulatief effect. De verstoring is het grootst bij watervogels, weidevogels en ganzen; kleine zangvogelsoorten ondervinden minder last.
Onderzoeker bij het Inbo, Joris Everaert: Het komt er allereerst op aan te zoeken naar zones voor windturbines waarbij gebieden waar vogels broeden, rusten of doorheen trekken, zoveel mogelijk worden vermeden. Goed gekozen locaties voor windmolenparken kunnen voorkomen dat er voor vogels nadelige gevolgen ontstaan. Er kan bovendien worden gekozen voor methodes om de negatieve impact te beperken. Zo staan de turbines best op één lijn in plaats van in een cluster.
In Nederland ziet men windenergie als de best mogelijke manier om de duurzame energieambities te halen. Voor 2020 wil men 6 000 Megawatt aan wind op land opwekken. Hiervoor is het noodzakelijk vele honderden windturbines extra te plaatsen.
Vogelbescherming Nederland is ook een voorstander van duurzame energie, maar levert met de risicokaart een constructieve bijdrage voor een evenwichtig besluitvormingsproces, waarbij kerngebieden windmolenvrij moeten blijven.
Afstand nemend van de cynische titel van dit Garage TV filmpje, is dit helaas wel een keiharde getuigenis van de werkelijkheid.
Van origine is de krooneend afkomstig van de Aziatische steppemeren. Aanvankelijk broedde de soort in Europa alleen in het Middellandse Zeegebied, maar sedert het begin van deze eeuw breidde de krooneend zijn verspreidingsgebied in noordelijke en westelijke richting uit.
Toch is deze forse en opvallende eend, die de kenmerken van zowel duik- als grondeleenden combineert, bij ons een zeldzame siereend.
Woerden hebben een vosrode kop, die groot en dikrond lijkt als gevolg van de kort opstaande goudbruine kuifveertjes en het hoge voorhoofd. Kenmerkend ook zijn de rode ogen, de vermiljoenrode snavel; nek, borst, bovenste staartveren en onderzijde zijn glanzend zwart, terwijl de flanken met rafelige rand wit zijn; de grijsbruine rug vertoont een smalle witte schoudervlek; de vleugels zijn grijsbruin met witte uiteinden. De vrouwtjes zijn effen bruin met witte wangen.
Ze bereiken een lengte van 53 tot 57 cm en een spanwijdte die varieert van 85 tot 90 cm; ze halen een gewicht dat schommelt tussen 900 g en 1.4 kg
Hoewel hij goed kan duiken foerageert de krooneend toch vaak aan het wateroppervlak, slobberend en zelfs grondelend als een wilde eend wanneer hij op zoek is naar scheuten en bladeren van waterplanten. De voorkeur gaat naar gebieden waar kranswieren (primitieve planten die zich net als mossen en varens met sporen vermeerderen) en fonteinkruid (uitstekende zuurstofleveranciers van vijvers) goed gedijen. Het dierlijk voedsel, zoals slakjes, waterinsecten, kleine visjes en kikkers vormt slechts een aanvulling op de vegetarische hoofdmoot.
Standvastige huwelijkspartner
Mannetjes achtervolgen in het voorjaar vrouwtjes boven het nestgebied, zoals de meeste grondeleenden en waarbij hun brede, witte vleugelbanen goed te zien zijn. Ze richten dan hun roestbruine kruinveren op en brengen typische geluiden voort die het midden houden tussen niezen en hijgen.
In de paartijd kunnen mannetjes die pas een wijfje hebben veroverd, agressief worden tegenover een al of niet vermeende mededinger. De aanval bestaat uit het dreigen met open snavel, waarbij kop en hals horizontaal boven het water worden gehouden. Dan volgt met veel gebruis een charge en gaat de vijand er al gauw met grote spoed vandoor.
Mannetjes en vrouwtjes sluiten monogame huwelijken en zijn daarin standvastiger dan de meeste andere soorten, waarvan de mannetjes nogal eens vreemdgaan, als ze de kans krijgen.
Het vrouwtje kiest de nestplaats en beiden bouwen zij met halmen, bladeren en andere plantendelen zorgvuldig een behaaglijke nestkom.
De nesten worden verborgen onder dichte vegetatie vlak in de buurt van zoetwatermeren, poelen en moerassen met een overvloedige oeverbegroeiing.
Meer dan andere eenden is het mannetje van de krooneend betrokken bij de verzorging en bewaking van het nest en de jongen. De 8 tot 10 eieren komen na 26 tot 28 dagen uit. Als het vrouwtje van het nest gaat, escorteert het waakzame mannetje het gezinsvlootje.
Toch gebeurt het dat het wijfje koekoeksmanieren vertoont en haar legsel wordt aangetroffen in het nest van een wilde eend of witoogeend, zelfs een tafeleend. Soms leggen krooneenden hun legsels bij elkaar, waardoor het nest meer dan 30 eieren telt.
Waarom dit gebeurt is niet helemaal duidelijk, maar men stelt vaker vast dat het vooral voorkomt bij gebrek aan nestgelegenheid.
Van oorsprong is de tureluur een vogel van steppen, venen en toendras, die zich hier in de zomer tot een weidevogel heeft ontwikkeld en het liefst vertoeft op drassige terreinen in de buurt van meertjes, op nat hoogveen en op natte weilanden langs slootkanten.
s Winters verzamelen tureluurs en bonte strandlopers vaak in kustgebieden vlak bij de vloedlijn, waar zij zich voeden met vlokreeften en zeeduizendpoten, die zij hoofdzakelijk uit het slib halen op zilte kwelders en schorren terwijl zij met de snavelpunt juist het oppervlak raken.
s Zomers eet de tureluur allerlei insecten zoals oorwormen, eendagsvliegen, libellen, wantsen, doodgravers, ritnaalden, mestkevertjes, bladhaantjes, emelten, pissebedden, waterinsecten, maar ook dikkopjes en stekelbaarsjes in slootjes of slakken en regenwormen.
In de weidegebieden treedt de Tureluur op als een soort schildwacht. Zodra een indringer in het broedgebied opduikt, laat hij een stroom van schelle doordringende waarschuwingskreten horen en voert hij een karakteristieke alarmvlucht uit.
In prachtkleed is de vaalwitte buik met zwarte stippels besprenkeld; de donkerbruine rug vertoontzwarte vlekken en de donkerbruine kop mondt uit in een rechte snavel met oranjerode basis; een dunne witte oogring omrandt het oog; de poten zijn fel oranjerood; de staart is zwart en wit gestreept; aan de bovenzijde vormen de helderwitte stuit en de witte achterranden van de vleugels een uniek patroon.
De tureluur haalt een lengte tussen de 27 en 29 cm; de spanwijdte varieert van 45 tot 52 cm; het gewicht schommelt tussen de 85 en 155 g.
Kenmerkend voor de vlucht zijn de trekkerige vleugelslagen en de glijdende vliegstijl op stijve vleugels tijdens de baltsvlucht. Gedurende deze demonstratievlucht stijgt en daalt de tureluur met sidderende vleugels. Na het neerkomen, houdt het mannetje zijn vleugels vaak in verticale stand hoog boven de rug om met de helderwitte onderzijde te pronken. Hij maakt schokkende bewegingen met de vleugels en buigt nadien neer, danst en huppelt met hangende vleugels en knikkend kopje om het wijfje heen.
De tureluur broedt vanaf half april en nestelt tussen het gras in een ondiep, gevoerd kuiltje op de grond, vaak met een dakje van gevlochten grassprieten erboven.
Het legsel bestaat uit 3 tot 4 donker gespikkelde, roomkleurige peervormige eieren.
Beide ouders broeden en de jongen verschijnen na circa 24 dagen.
De jongen, bewaakt door de moeder, blijven tussen de dichte begroeiing totdat ze na 25 tot 35 dagen kunnen uitvliegen.
Onderaan deze fotoreeks zie je een tureluurkuiken van 5 dagen oud in de hand van de Nederlandse weidevogelbeschermer en onderzoeker, Wim Tijsen
De wintertaling is een wijdverspreide eend die hoofdzakelijk voorkomt in vegetatierijke zoetwatergebieden, zoals moerassen, voedselarme vennen, duinmeren, stuwmeren, kleiputten en langs oevers van rivieren.
Als kleinste en behendigste van alle grondeleenden doet de wintertaling soms denken aan een steltloper, vooral wanneer vanuit een modderige poel een groepje opvliegt, draaiend en kerendvoordat ze er op topsnelheid vandoor gaan.
De lichaamslengte varieert van 34 tot 38 cm, de spanwijdte van 58 tot 64 cm en het gewicht schommelt tussen 250 en 400 g.
De fraaie zwemeend, waarbij het mannetje veel opvallender is gekleurd, heeft een grijs verenkleed; een brede groene band op de roodbruine kop; een smalle horizontale witte streep op de flanken; een witte streep midden op de vleugel; een felgroene vlek op de vleugels; een roomkleurige bovenborst met donkere vlekjes; een glanzend groene en zwarte spiegel, afgezet met witte strepen; de dekveren op de middelste onderstaart zijn zwart; aan weerszijden van de stuit is een roomkleurige vlek; aan het achtereind (anale streek) valt onder de staart de gele driehoek op; de smalle snavel is donkergrijs, evenals de korte poten.
Wintertalingen zoeken het vaakst hun voedsel in ondiepe plassen, vijvers en meren; in de late zomer en herfst kunnen ze zich verzamelen in groepen van honderden vogels, vooral op plekken waar het waterniveau is gedaald en er uitgestrekte moddervlaktes zijn ontstaan vol met ontkiemende zaden van oeverplanten.
s Winters foerageren groepen op ondergelopen weilanden, moerassen en langs estuaria.
Met knabbelende snavelbewegingen zeven ze allerlei zaden, worteltjes en scheutjes van moerasplanten uit het water; ook happen ze naar waterinsecten (lente/zomer).
De wintertaling is wendbaar en snel in de vlucht; zijn bewegingen doen denken aan die van een steltloper. Nerveuze groepen strijken neer op een beschutte baai, waarna ze alleen even over het wateroppervlak scheren en direct weer opvliegen; soms herhaalt dit zich enkele malen voor ze tot rust komen. Wintertalingen komen soms bij honderden voor maar zijn meestal met 20 tot 40, verspreid over dichtbegroeide oevers of natte moerassen.
Bij het baltsvertoon houdt de woerd tijdens de paringsdans op karakteristieke wijze zijn kop en staart omhoog. Paren achtervolgen elkaar boven hun grondgebied. Het mannetje heeft een prachtige melodieuze roep, die ver draagt in de stille winterlucht en weerklinkt als een krik of kriek; vrouwtjes hebben een hoge kwaak en een laag grommend geluid.
Wintertalingen zijn grondbroeders, die nabij water een kuiltje maken op een droog plekje, goed verborgen tussen gras, onkruid, heide, varens of lage struiken. Het kommetje is bekleed met plantendelen en donsveren. Het wijfje broedt alleen in 3 weken de 8 tot 11 roomkleurige eieren uit. De kuikens met een donker olijfgroen tot groenig bruin donspakje, verlaten het nest snel, maar kunnen pas na 25 tot 30 dagen vliegen. De mannetjes spelen geen rol bij het grootbrengen van de jongen.
Deze imposante en zeldzame Zuid-Amerikaanse roofvogel behoort eigenlijk niet tot de arenden maar tot de familie van de buizerds.
De lichaamslengte varieert tussen 70 en 80 cm en de lange brede vleugels halen een gemiddelde spanwijdte van 1,80 m; het gewicht schommelt rond de 3 kg.
Hij lijkt wel een donkere grijsblauwe bivakmuts te dragen die tot op de borst reikt en waarvan de veertjes uitmonden in fel afgetekende witte driehoekjes. Op de buikzijde is het prachtig verenkleed lichtgrijs met fijne zwarte dwarse streepjes; de donkergrijze bovendelen hebben lichtbruine en blauwgrijze dekveren met eveneens een opvallende zilverwitte parelende zone op de schouders.
Doorgaans voedt hij zich met knaagdieren (chinchillas en konijnen), kleine vogels of reptielen, die hij al zwevend over grote open en droge landvlakten, steppen of dun beboste gebieden en bergen opmerkt, tenminste wanneer wind en thermiek het toelaten. Soms leeft hij wekenlang van aas.
Het is een zeer weerbare, strijdlustige en beweeglijke jager. Toch zijn de indrukwekkende roofvogels gemakkelijk af te richten; vandaar ook dat valkeniers hen geregeld tijdens roofvogelshows opvoeren.
Oproep aan de lezer:
Wie mij meer info kan bezorgen over deze toch wel merkwaardige vogel, zou ik heel dankbaar zijn; jekan hiervoor de dropbox gebruiken.
De bij ons vrij algemene voorkomende broedvogel en wintergast vertoeft in de nabijheid van grote stilstaande wateren, zoals plassen en meren met een ondiepe randzone en rijke oevervegetatie, maar ook in sloten, beken en grachten, vaarten, kanalen en parken.
De fuut heeft een prachtig en opvallend waterdicht verenkleed, waar hij veel tijd aan besteedt om het glad te strijken.
Zijn wit gezicht, zijdeachtige witte keel en fel witte borst en buik, zwarte tweedelige kuif (oorpluimen), roodbruine kopveren en unieke kastanjebruine wangkraag, die tijdens het baltsritueel wordt opgericht, geven hem een karakteristiek uiterlijk.
De rugzijde varieert van donker- naar roestbruin.
Tijdens de vlucht vallen de grote witte vleugelvlakken op en steken de donkergrijze poten uit. Bij het opvliegen, neemt hij eerst een aanloop over het water en het lijkt wel of de snel bewegende vleugels de lange afhangende hals en het zware lichaam nauwelijks kunnen dragen.
De fuut haalt een lengte tussen 45 en 50 cm; een spanwijdte die reikt van 85 tot 90 cm en een gewicht dat varieert tussen 800 en 1000 g.
Fascinerend baltsvertoon
Voor verliefde futen is de wereld niet groter dan een drijvend nest waarin het geluk voor het grijpen ligt. Ernaast en erop wordt dagenlang een hartverwarmende romance opgevoerd, boordevol gracieuze baltsrituelen. Al die gelukzaligheid bereikt een hoogtepunt als op een dag de jongen worden geboren.
Het baltsgedrag van futen is erg bijzonder: voor futen die net een partner in de gaten hebben, geldt een vaste volgorde in de opvoering van de rituelen: de ontdekking, het kopschudden, het angstig wegzwemmen en de plantendans. Pas daarna is er sprake van een relatie.
Futen die al eerder paarden, voeren dit ceremonieel ieder voorjaar weer op maar omdat zij elkaar reeds kennen, slaan ze bepaalde plichtplegingen over.
Bij de ontdekkingsceremonie richt de ene fuut zich hoog boven het wateroppervlak op, de bakkenbaarden wijd uitgespreid en met platte kuif, terwijl de ander een bang en onderdrukte houding aanneemt.
Dan volgt de eerste confrontatie, waarbij de vogels in een voorwaartsedreighouding naar elkaar toe zwemmen.
Nu begint het kopschudden het meest voorkomende baltsritueel bij futen dat ook buiten de paartijd frequent plaatsgrijpt. Als de kuif daarbij overeind staat en de snavels naar beneden wijzen, is de onzekerheid nog niet helemaal verdwenen.
Hoogtepunt van de kennismaking is de plantendans; hierbij duiken beide partners naar de bodem op zoek naar plantenresten. Boven gekomen, zwemmen ze in rechte lijn met snel peddelende pootbewegingen naar elkaar toe en botsen met de borsten, waarbij beide vogels watertrappelend oprijzen en elkaars spiegelbeeld wel lijken (de zogenaamde pinguïndans of het schijnpoetsen). Hiermee is de wederzijdse bereidwilligheid bevestigd. Schuddend met de kop zwemmen ze nu dicht naast elkaar.
De wederzijdse waardering is een feit; de onderlinge agressie is onderdrukt. Het wordt tijd om voortaan de zaken samen aan te pakken. Ze bouwen stoeinesten als vrijersplekken en een nest waarop uiteindelijk zal worden gebroed, want al meteen na de kennismaking popelen beide partners om het voorspel in te zetten en driftig de liefde te bedrijven.
Stevig drijvend vlot
Na veel dartelen, dollen en minnekozen, bouwen ze met vereende krachten een drijvend platform van vervlochten rietstengels en half verrotte plantendelen, dat meestal op een goed verborgen plaats tussen een uitstekende rietkraag verankerd ligt.
Het grootste deel van het nest ligt onder water, dat dank zij de lucht in de rietstengels blijft drijven, maar ook doordat de futen de plantendelen zo stevig en dicht in elkaar hebben gevlochten, dat gassen die bij rotting vrijkomen niet kunnen ontsnappen. Doorgaans wordt de stengelstructuur nog aangesmeerd met modder.
Wanneer een ouder die beurtelings broedt, het nest verlaat, worden de eieren afgedekt met wat fijn plantaardig materiaal.
Het legsel bestaat uit 3 tot 4 matwitte tot blauwgroene langwerpige en ellipsvormige eieren, die na 3 tot 4 weken later uitkomen. Soms zit er tussen de geboorte van het eerste en het laatste jong een tussenpauze van een week. De kuikens die al zijn geboren, kruipen dan weg tussen de opgeheven vleugels en de lange schouderveren en wachten op het moment dat het laatste ei is uitgekomen. Na 10 weken zijn de jongen zelfstandig en kunnen dan al meteen uitstekend zwemmen.
Toch liften de lichtgrijze kuikens met zwartbruine strepen op de witte kop en hals (zebrastrepen) vaak mee op de rug van één van de ouders om alzo bescherming te genieten tegen snoeken, nertsen en reigers. Futen zijn uitstekende duikers en kunnen soms enkele minuten onderwater blijven, een goede manier om vijanden af te schudden.
Zwemkampioen
De slanke watervogel heeft een lange hals en ver naar achteren gerichte zwempoten zonder zwemvliezen, maar wel met gelobde tenen wat ideaal is voor de voortstuwing.
Terwijl hij uitademt en de veren plat legt, zodat hij minder blijft drijven, duikt hij vanaf het wateroppervlak naar beneden met de kop naar voren om gestroomlijnd door het water te klieven. Onder water stopt hij zijn vleugels weg of corrigeert er af en toe de zwemkoers mee. Met zijn lange spitse roze snavel en soepele nek kan hij vele soorten zoetwatervis verschalken, zoals voorn, zeelt en baars, maar ook paling.
s Winters wanneer de fuut in brakke en zoute watergebieden vertoeft, jaagt hij zelfs op zeevis, zoals haring en jonge kabeljauw.
Futen duiken vooral naar vis, maar vullen dit menu ook aan met waterplanten, waterinsecten, larven,kikkervisjes, kikkers, week- en schaaldieren.
Om de spijsvertering te bevorderen, slikt de fuut veertjes in. Deze vormen ballen in zijn maag die onverteerbaar materiaal zoals botten verzamelen en door het spijsverteringsstelsel heen helpen.
De grootste Europese steltloper haalt een lengte tussen 50 en 60 cm, bereikt een spanwijdte van80 tot100 cm en het gewicht schommelt rond de 575 en 950 g.
Wulpen, die voornamelijk voorkomen in kustgebieden, riviermondingen en rond binnenwateren, verzamelen vaak op vaste rustplaatsen en in gezelschap van andere waadvogels.
De wulp is onopvallend gekleurd. Het verenkleed is grijsbruin bedekt met een donker vlekkenpatroon en strepen en vertoont gespikkelde zandkleurige flanken. Een effen gekleurde kruin soms doorstreept met vage banden. Tijdens de vlucht, vaak in V-formaties, valt de witte stuit op en de donkere vleugeltippen.
Het ecologisch handboek leert dat de wulp zijn lange dunne omlaag gebogen snavel te danken heeft aan de strijd voor zijn bestaan. Hij moet concurreren tegen miljoenen andere steltlopers die ook wel een zeepier of een slijkgaper lusten.
De sabelsnavel (9 tot 15 cm) is een precies instrument waarmee de wulp in getijdengebieden schaaldieren, zoals kleine strandkrabben en kreeftachtige; weekdieren, zoals zeepieren en alikruiken uit door water overspoelde rotsen en wierhopen of andere schuilhoeken vandaan peutert en met gulzige schrokbewegingen opslokt.
Behendig zwaaiend met het kromme wapen snapt hij ook naar strandvlooien of slurpt hij zeeduizendpoten op. Via de gevoelige punt van de lange snavel kan de wulp dieper in de bodem foerageren dan de andere steltlopers (bv. scholekster en de reiger, die een dolkvormige snavel hebben). Buiten het broedseizoen langs slikachtige terreinen en binnenlandse weilanden worden ook wel regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten), kevers en pissebedden gesmaakt.
Moeilijke jeugd
In de broedtijd bakenen de mannetjes hun territoria af door boven een groot gebied te cirkelen en hun aanwezigheid luid en duidelijk kenbaar te maken. In deze tijd is de zang van de wulp met zijn rijk crescendo aan tonen, op zijn fraaist.
Als het mannetje met snelle vleugelslag verticaal opstijgt, begint de zang met lage tonen, waarna de zang en het tempo hoger worden. Dan sterft het jodelend gezang weer weg wanneer de vogel met sidderende vleugels sierlijk naar omlaag glijdt (der Grosser Brachvogel).
Het mannetje graaft meerdere kuiltjes in laagveenmoerassen, kleine kreken, vochtige heidevelden, open kustduinen of nat grasland, doorgaans beschut door wat laag struikgewas, om als nest te dienen.
Zodra het vrouwtje één van deze ondiepe kuiltjes kiest tot uitverkoren nestkommetje en dit bekleedt met plantenresten, is het gedaan met vrolijk zingen en laat de grotere wulpse vrouw zich niet lang bewonderen als lustobject. Na de paring ontfermt zij zich over het legsel, dat 4 lichtgroene eieren met donkergroene, bruine en paarse vlekken telt.
Het wijfje broedt vrijwel alleen, maar na het uitkomen van de eieren vertrekt ze naar het zuiden of bemoeit ze zich doorgaans niet meer met haar jongen; niks van een veilig warm nest onder moeders warme vleugels. De kleintjes (nestvlieders) moeten meteen het huis uit, rondhuppelen en voedsel zoeken om na 5 tot 6 weken te kunnen vliegen. De vogels keren jaren na mekaar terug naar hetzelfde broedgebied.
Van de vogels van getijdengebieden is de wulp de voor verstoring gevoeligste soort.
Allerlei bedreigde en kwetsbare vogelsoorten leven in riet (landriet, waterriet, rietzomen en rietland) en op vloedvlakten (oevers van rietmoeras en vennen).
Rietkragen (rietranden) in het water worden smaller door de slechte waterkwaliteit en doordat de natuurlijke variaties van de waterstand (s winters hoge en s zomers lage waterpeilen) zich haast niet meer voordoen. Als gevolg van verdroging en vermesting van het oppervlaktewater wordt riet verdrongen door struiken en bomen. Het jaarlijks intensief maaien van rietvelden, dat terecht versnelde en spontane verbossing (bosuitbreiding) tracht te voorkomen, is wel nadelig voor rietvogels.
Ook stelt men vast dat via het doordringen van rivierwater ten behoeve van de waterwinning meer open water in de duinen aanwezig is en wel in de vorm van infiltratiekanaaltjes en kleine plassen, waar riet welig kan groeien.
Al is de natuurlijke dynamiek weggevallen toch kan kennis en evaring, die rekening houdt met de biotoopeisen van de vogelsoorten, herstel- en inrichtingsmaatregelen helpen vormgeven.
Een ideale moerasbiotoop bestaat uit een afwisselend gebied met een groot oppervlak cultuurrietland, een deel rietruigte, verlandingszones (moerassen, wetlands of draslanden, plassen en ondiepe meren die via natuurlijke weg in land veranderen) grienden (bossen met een moerassige ondergrond), jong moeras, vochtige ruigten (kruidachtige vegetaties waarin bij gebrek aan beheer een sterke strooiselophoping optreedt) en graslanden.
Oud rietland dient afgeplagd (natuurbeheersmaatregel, waarbij de onnatuurlijke verrijkte of anderszins vervuilde bovenste bodemlaag wordt verwijderd) om rietverjonging mogelijk te maken.
Ook dient het moerasbos geregeld gekapt, de oevers afgevlakt, visbaaien aangelegd, verzande en nieuwe watergangen uitgegraven en in droge rietlanden het maaiveld verlaagd.
Economie versus ecologie
Als men niet meteen geneigd is hier werk van te maken dan ligt dit aan het feit dat het riet dat een hoge ecologische waarde heeft ook toevallig de rietsoort is met de hoogste commerciële waarde.Eens te meer een moeilijke evenwichtsoefening tussen economische belangen en ecologische troeven.
Nochtans is duurzaam maaibeheer nodig en ook mogelijk. Via pilootprojecten en met medewerking van landbouwers tracht men natuurlijk slootbeheer te bevorderen. Men laat zoveel mogelijk oud riet in sloten staan, wat een geschikt leefmilieu oplevert voor onder meer rietvogels, zoals de kleine karekiet, de rietzanger, de rietgors en de blauwborst, maar ook voor insecten, amfibieën en kleine zoogdieren.
Meerjarig onderzoek wijst uit dat een gedragsverandering in het slootonderhoud in harmonie met agrarische bedrijfsvoering, positieve effecten oplevert voor de natuur, het milieu en het landschap. Het onderzoek leverde een schat aan gegevens op overde optimale biotopen voor rietvogels, in relatie tot het rietvoorkomen (dichtheid, stengellengte, vitaliteit), kenmerken van de sloot (waterpeil, sliblaag), de broedvochtigheid en uiteraard de invloed van het schoningsregime op de natuurwaarden. Duidelijk is gebleken dat een nieuw alternerend watergangenbeheer, waarbij men nog meer oud riet laat staan in afvoerkanaaltjes een opmerkelijke stijging van het aantal rietvogels teweegbrengt. Hierbij wordt elk jaar een kant geschoond terwijl aan de overzijde oud riet blijft staan.
Het jaar daarop wordt gewisseld, waardoor elk jaar in het broedseizoen oud riet in de watergang aanwezig is. Dank zij dit alterneren beheer stijgt het aantal broedparen riet- en watervogels haast met 50% vergeleken bij het klassieke beheer (elk jaar schonen van oud riet).
De rietgors
De rietgors leeft in natte gebieden met riet, zeggen (rietgras), biezen (dun hoog opgroeiend oevergewas), wilgenstruiken, oevers van meren en rivieren; ook op venen en drogere hellingen met heide.
In zomerkleed heeft het mannetje een opvallend zwarte kop en witte keel met een zwarte baardstreep en een roomkleurige wenkbrauwstreep. De rug vertoont vaal bruine bovendelen met zwarte strepen; de buikzijde is grijzig witgestreept. Kenmerkend zijn ook de witte buitenste staartpennen en de flinke zwarte staart met eveneens brede witte zijkanten.
s Winters vervagen de kleuren wel.
Zich vastklemmend aan een rietstengel met zijn flets roodbruine poten laat de vogels zijn tsjilpende gezang horen. Hierbij knikt hij af en toe met zijn staart en zijn vleugels, alvorens hij in en onregelmatige, golvende vlucht naar een volgende rietbundel vliegt.
De rietgors heeft inmiddels zijn woongebied uitgebreid met drogere plaatsen, zoals graanvelden en zelfs met heidegebieden.
s Winters zoeken rietgorzen vaak in gemengde groepen met geelgorzen op stoppelvelden (na het maaien op de akker achtergebleven stukjes van de halmen) of in open weilanden nabij water naar zaden en granen.
Toch blijven de favoriete nestelplaatsen rietkragen en moerassen, waar het wijfje op of direct boven de grond in een biezenpol of tussen dichte vegetatie haarkomvormig nest bouwt, van zegge en andere stengels, gras en mos, gevoerd met fijn gras, rietpluimen en haar.
De rietgors produceert jaarlijks 2 tot 3 legsels, die per legsel doorgaans 4 tot 5 eieren opleveren. De jongen verschijnen na 2 weken en blijven, verzorgd door beide ouders, nog 2 weken in het nest.
De blauwborst
De musgrote vogel met zijn fraai gekleurde bef die middenin een witte ster vertoont, is een schaars broedende vogel in onze streken, die voorkomt op vochtige terreinen, zowel in rietvelden met struwelen (houtrand met laaggroeiend struikgewas) als in geleidelijke overgangen van rietvegetaties naar moerasbossen. Door ontginning en drooglegging zijn veel geschikte biotopen verloren gegaan.
De blauwborst heeft een witte wenkbrauwstreep boven het oog; een dunne spitse snavel. Onder de blauwe keel tekent zich een zwarte en roestrode borstband af.
Bij de vliegende vogel valt naast de donkerbruine rug en de effen gekleurde vleugels, de donkere roestbruine getekende staartbasis op.
De blauwborst zoekt zijn hoofdzakelijk dierlijk voedsel tussen de vegetatie op de grond, zoals insecten en hun larven, spinnen en slakjes.
Tijdens de balts vliegt het mannetje op uit het riet men een melodieuze zang om elders met gespreide staart en vleugels neer te strijken.
De blauwborst nestelt op een goed verborgen plekje op de grond in een kommetje van gras bij voorkeur op een dicht met struikgewas begroeide helling.
Voornamelijk broedt het wijfje tijdens de legperiode mei-juni de 5 tot 7 eieren uit. De broedduur bedraagt 13 tot 14 dagen. De door beide ouders gevoerde jongen verlaten na ca 2 weken het nest.
De rietzanger
De rietzanger is een klein, heel herkenbaar, actief vogeltje met een luide, snelle en gevarieerde zang. Het opvallende gekwetter, met en stortvloed aan verschillende geluiden en tonen, verklapt meteen waar hij zit. De vogel is verre van zeldzaam, maar komt het meest voor in natte of drassige omgevingen. De rietzanger beperkt zich niet tot rietvelden en moerassige gebieden, maar houdt ook van netels, wilgen, meidoornstruiken, wilgenroosjes en schermbloemigen. Vak wordt hij ook opgemerkt in heggen naast drassige sloten of droge plekken met dikke verticale stengels.
De rietzanger heeft boven het oog een duidelijke brede witte zilverkleurige wenkbrauwstreep. Op de kop lopen twee donkere banen en midden op de kruin weer een lichte baan. De vleugels zijn beige bruin met donkere vlakken en strepen.
De rietvogel leeft vooral van luizen die van de rietstengels worden gepikt.
Hij vliegt laag en rechtlijnig van bosje tot bosje; opvallend hierbij zijn de geelbruine stuit en de uitgespreide staart.
Tijdens de bruiloftsvlucht vliegt het mannetje zingend haast verticaal omhoog, waarna hij met uitgespreide vleugels en staart weer daalt. Rietzangers broeden in laagveenmoerassen die niet al te nat zijn. In de kuststreek zijn natte duinvalleien, rietvelden langs duinmeren en ruige kwelders eveneens ideale broedplaatsen.
De vogel maakt een diep en omvangrijk nest van gras, mos, spinnenwebben en plantenafval, waarin tussen april-juli 1 tot 2 legsels van 5 tot 6 eieren worden gelegd.
De kleine karekiet
De kleine karekiet is één van de meest verspreide en bekendste rietvogels van ons land.
Vanaf het vroege ochtenduur is het in de rietmoerassen een kakofonie van karre-karre-kie-kie-kie, karre-karre-kie-kie. Het zijn er soms zoveel bij elkaar dat totaal niet meer te onderscheiden valt hoeveel het er nu precies zijn. Rietlanden en kragen vormen het favoriete woongebied van de kleine karekiet, maar hij komt ook in wilgenbosjes of andere dichte begroeiing bij water voor.
Voor een gedetailleerde identiteitskaart van de geliefde waardvogel van de koekoek
verwijs ik naar het artikel verschenen op 17/09/09, geïllustreerd door Jo
Ecologie en economie verzoenen, een evenwichtsoefening
Kunnen ecologische rijkdom van het Schelde-estuarium en de economische functie als maritieme toegangsweg samen blijven bestaan?
Eeuwen geleden zag het Scheldebekken en de Noordzee er heel anders uit. Na de laatste ijstijd steeg het zeeniveau en overstroomde het gebied tussen de Britse eilanden en het continent Europa.
Zon 5 000 jaar gelden ontstond er voor de Nederlandse kust een lagune (baai) door de afzet van sedimenten als gevolg van overstromingen. Deze lagune werd tijdens de Romeinse overheersing almaar kleiner.
Voor de toekomst verwacht men een toenemende afzet van sedimenten, alsook een stijgend zeeniveau als gevolg van de klimaatveranderingen. Dit proces bepaalt de natuurlijke morfologische evolutie van de Schelde.
Nederland kende in het verleden zware overstromingen aan Wester- en Oosterschelde en met de bouw van afsluitdijken [het Deltaplan] werd de strijd tegen de dreiging van het water bedwongen.
Evenzo trachtte Vlaanderen met het Sigmaplan dankzij de aanleg van dijken en gecontroleerde overstromingsgebieden waterstromen te beheersen en overstromingsrampen te vermijden.
Europees denken
Heel terecht hechtte Europa de laatste jaren heel wat belang aan milieubescherming, waaruit de MER-richtlijn en de vogel- en habitatrichtlijn volgden om broed- en nestbiotopen van zeldzame vogelsoorten te beschermen.
De Scheldemonding is gekend voor zijn open water, slikken, schorren, ondiepe watergebieden met bijhorende vegetatie en als geschikt doortrek- en overwinteringgebied voor tal van vogelsoorten.
Alle middelen dienen aangewend omde unieke getijdennatuur in het Scheldebekken te herstellen en te behouden.
Deze natuurvriendelijke regelgeving misbruiken om verdere infrastructuurwerken op de Schelde a priori uit te sluiten, getuigt van enige kortzichtigheid.
De Antwerpse havenautoriteiten doen heel wat om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de milieubeweging in Vlaanderen: zo werden tal van projecten opgestart met het oog op milieubehoud: natuurontwikkeling aan de Tijsmanstunnel, het visdieveneilandje, de nestkasten voor slechtvalken, de paardenschor als compensatie voor het Deurganckdok en het windmolenpark.
De Technische Scheldecommissie stelde eerder al een langetermijnvisie op in een open en constructieve sfeer tussen de zogenaamde oeverstaten. Vlaanderen en Nederland hebben er alle belang bij zich te ontfermen over de veiligheid, toegankelijkheid en natuurlijkheid van het Schelde-estuarium, daar de waterloop één van de belangrijkste levensaders is voor de gehele regio over de landsgrenzen heen. Een landsgrensoverschrijdende benadering van een langetermijnvisie kan overigens tot voorbeeld strekken in een integrerend Europa.
Technische aspecten
Tot de economische functie van de Schelde behoren ook de binnenvaartactiviteiten, de visserij en de pleziervaart.
Een betere toegankelijkheid laat meer schepen toe om, onafhankelijk van het tij, de haven te bereiken of te verlaten. Hierdoor wordt het verkeer gespreid en daalt het risico op aanvaringen.
De verruiming van de vaargeul heeft slechts betrekking op het aftoppen van de drempels.
Het staat buiten kijf dat bij het dimensioneren van de vaarweg naast sociaaleconomische overwegingen die maritieme toegankelijkheid moeten verbeteren ook de fysieke en natuurlijke estuariumkenmerken in aanmerking dienen te worden genomen en dit in samenhang met een maximaal haalbare veiligheid.
Zelfs zonder baggerwerken om de scheepvaart te vergemakkelijken, zou men vandaag worden geconfronteerd met een verhoogd risico voor overstromingen en een verarming van de natuurlijkheid van de Westerschelde. De getijdenamplitude neemt gestaag toe, sneller dan de gemiddeldestijging van de zeespiegel.
De verdiepingswerken hoeven geen negatieve gevolgen te hebben als men erover waakt dat het meergeulenstelsel behouden blijft en de baggerspecie oordeelkundig wordt gestort.
Uit de veelvuldige wetenschappelijke studies blijkt dat het huidige overstromingsgevaar van de Schelde vooral afkomstig is van de ongebreidelde bouw in het estuarium door de Nederlanders.
De mensen trachten zich zo goed en zo kwaad mogelijk tegen overstroming te beschermen door inpoldering, staketselbouw, aanleg van kribben, dijkbouw,
In hun strijd tegen het water beseften ze niet dat het risico op overstromingen hierdoor toenam.
Herstel van de interne dynamiek van de Scheldemorfologie
De alternatieve strategie heeft o.m. als doel de vorm van geulen en platen gunstig te beïnvloeden; dit kan o.a. door het zand te herverdelen en de baggerspecie te storten op plaatsen waar er een tekort aan is, zodat de vloedstroming beter kan worden verdeeld tussen eb- en vloedgeulen. Wel moet permanente en nauwkeurige monitoring de efficiëntie ervan blijven opvolgen.
De operatie is bilateraal verdragrechterlijk vastgelegd en is van kapitaal belang voor de toekomst van de Antwerpse haven. Na een eis van de Zeeuwse milieufederatie schortte de Nederlandse Raad van State de baggerwerken op. Het centrale probleem is de ontpoldering van de Hedwige-Prosperpolder op Nederlands grondgebied.
Bron: De Belgisch-Nederlandse verkeersverbindingen De Schelde in de XXIste eeuw &
Fysische aspecten van de Scheldeverdieping van professor Jean-Jacques Peters:
As a consequence of the continuing changes in morphology and tidal dynamics, it is evident that in terms of safety from flooding, the conservation or improvement of navigation and the sustainable management of the environment, a do nothing or keep things as they are management strategy for morphology and ecology is neither a viable nor sustainable option.
De knappe opnames van Wim tonen ons lepelaars en een scholekster
Of natuurfotografen beroeps- of amateursfotografen zijn, ze delen samen dezelfde passie om de verbluffende schoonheid en diversiteit van de natuur om ons heen in beeld te brengen.
Men vergeet wel eens dat de sfeervolle en unieke pareltjes tot stand zijn gekomen na een urenlange geduldige observatie, waarbij voor de originele pose, de juiste lichtinval en de mooiste invalshoek wordt gekozen.
Wim (en zoon Jo) die zo accuraat mogelijk de werkelijkheid willen weergeven en een mix van techniek, biologie en poëzie beheersen, weten ons steeds weer te laten genieten van hun unieke beelden. Recent verbleef Wim in de Balearen.
Menorca
De Balearen vormen een eilandengroep in de Middellandse Zee, voor de kust van Spanje.
De belangrijkste eilanden zijn Majorca, Menorca, Ibiza en Formentera. Deze eilanden zijn allemaal populaire toeristenbestemmingen.
De dierenwereld op Menorca bestaat uit kleine zoogdieren, reptielen, insecten en heel veel vogels. Onder de zoogdieren vallen marters, fretten, wezels, konijnen, vleermuizen, enkele soorten veldmuizen en de schuwe egel. Reptielen zijn onder andere de Middellandse-Zeeschildpad, hagedissen en wat kleine ongevaarlijke slangensoorten. Alle biotopen die op Menorca te onderscheiden zijn, hebben hun eigen vogelwereld. In de ravijnen of barrancs leven hout- en tortelduiven en merels.
Op de klippen en in de haventjes komen meeuwen, stormvogels, pijlstormvogels en aalscholvers voor.
In de bossen en op de akkers woudsnippen, goudhaantjes, nachtzwaluwen, vliegenvangers, patrijzen en kwartels. Verder zijn er nog veldleeuweriken, kuifleeuweriken, gorzen en raven te zien. De toeristen zijn dol op langoesten, zeeduivels, zwaardvissen, zaagbaarzen, stokvissen, poon, tandbrasems en zeebrasems en verder inktvis, garnalen, mosselen, hommer, zeespinnen en zeedadels; bijzonder is de venusmossel. Tussen Playa de Son Bou en het vakantieoord Sant Jaume strekt zich het natte gebied Marisma de Son Bou uit, een belangrijke habitat voor wilde eenden, allerlei trek- en watervogels en reptielen.
In de lente en in de herfst is Menorca een tussenstation voor duizenden trekvogels: o.a aalscholvers, reigers, lepelaars, oeverzwaluwen, bijeneters, meerkoeten, waterrallen, karekieten, steltlopers, futen, strandlopers, tafeleenden, grielen en sternen.
De beste plaats om veel van deze soorten te bekijken zijn de 70 ha grote SAlbufera des Grau-moerassen, de kustgebieden en de zuidelijke ravijnen. Daarnaast komen er verschillende roofvogels en aaseters op het eiland voor, zoals visarenden, dwergarenden, rode wouwen, valken, buizerds, sperwers, aasgieren, kiekendieven en steenuilen. Vele soorten kleine insecteneters sluiten deze rij. De SAlbufera lagune wordt van de zee gescheiden door een zandbarrière, die zorgt voor zoutwatermoerassen naast een zoetwatermeer. In de zoutwatermoerassen leven o.a. alen en waterschildpadden; 400 meter van de kust verwijderd, ligt het eiland Ille den Colom, waar een beschermde hagedissensoort voorkomt. Bijzonder zijn de zwarte paarden van het Menorcaanse ras.
Bron: Wim
Onderstaande fotos tonen ons achtereenvolgens een:
Deze middelgrote uil, de meest nachtelijke vogel onder de uilen, haalt een lengte van 33 tot 39 cm, bereikt een spanwijdte die varieert tussen 85 en 93 cm en eengewicht dat schommelt tussen 290 en 460 g.
De kerkuil jaagt hoofdzakelijk op kleine knaagdieren zoals ratten, veldmuizen, huis- en bosspitsmuizen, die hij meestal s nachts of tijdens de avondschemering vangt en naar zijn nest brengt; ook mussen en spreeuwen vallen in de smaak.
De kerkuil komt voor in open en halfopen laaglandgebieden, zowel in landelijke als stedelijkecultuurlandschappen. In de buurt van menselijke omgevingen worden nestplaatsen gezocht in boomholten, ruïnes, oude graanschuren en bijgebouwen, oude fabriekschoorstenen en graansilos, verlaten duiventillen en zelfs in luchtkokers; ook wel in moerassige gebieden, zoals in ruig grasland of heiden langs rietkragen, slootkanten of gebieden langs rivieroevers.
De grote kop vertoont een hartvormige vrijwel witte gezichtssluier. De zwarte ogen zijn omcirkeld met een rood- tot lichtbruin gekleurde rand. De vleugels zijn asgrijs tot oranjebruin besprenkeld met langwerpige zwart-witte druppelvlekjes, die vanaf de kruin naar de dekveren van de vleugels steeds groter worden. Over de slag- en armpennen lopen duidelijke brede oranjebruine tot grijze dwarse banden. Borst- en buikzijde zijn oranjegeel tot roestbruin, gespikkeld met donkerbruine ruitvormige vlekjes. Bij het uitslaan van de vleugels zijn op de lichtgekleurde ondervleugels ook de stippen te zien. De poten zijn tot aan de tenen bedekt met witte haren en de staart is vrij kort.
De kerkuil kent een 3-tal jachtmethoden: naast een uitstekend gezichtsvermogen en gehoor is het geruisloos vliegen van groot belang voor de kerkuil. Vaak wordt de techniek van het laagvliegen benut: de kerkuil vliegt dan met minder diepe vleugelslagen, afgewisseld met korte glijvluchten, op een hoogte van 1 tot 3 meter over een vaste vliegroute. Tijdens die scheervlucht wordt de omgeving nauwkeurig afgespeurd op prooidieren.
Ook jaagt de uil van op vaste uitkijkposten, zoals paaltjes aan de rand van een weiland, kilometerpaaltjes langs verkeerswegen of vanaf een laaghangende tak in een boom van waaruit hij geduldig wacht tot nietsvermoedende prooidieren opdagen.
De derde jaagmethode is het bidden, waarbij de kerkuil, als hij een prooidier heeft opgemerkt, even in de lucht blijft hangen en zelfs een stukje achterwaarts kan terugvliegen. Eens het slachtoffer precies is gelokaliseerd, duikt hij, voorover met de vleugels naar achteren gestrekt, op het doel af.
Op vaste tijdstippen vroeg in de avond, brengt hij prooien op het nest die hij later opeet.
Hun aanwezigheid wordt meestal dan ook verraden door de massa braakballen of de onverteerbare resten van hun prooi, die in de buurt van hun verblijfplaats op de bodem liggen.
Uilenliefde
Vroeg in het voorjaar begint de balts. In maart en soms al in februari, wanneer de dagen langer worden en de temperatuur wat aangenamer, laat het mannetje zich zo nu en dan al eens horen.
De baltsroep, een ijselijk luid gekrijs dat tot honderden meters ver hoorbaar is, is het meest indrukwekkend geluid dat het mannetje in de vlucht laat horen. Het mannetje maakt aan mogelijke rivaliserende indringers zijn aanwezigheid in het uitverkoren gebied en dominantie over het territorium duidelijk kenbaar. De baltsvluchten van beide uilen zijn indrukwekkend. Ze vliegen vaak met grote snelheid achter elkaar aan en laten daarbij veelvuldig vleugelklappen horen. Nachtenlang probeert het mannetje zijn toekomstige partner naar de nestplaats te lokken.
Het bruidsgeschenk heeft hij dan al bij zich: een onthoofde muis. Na het liefdesspel duurt het nog minstens 6 weken alvorens het eerste ei wordt gelegd. Geregeld vinden paringen plaats haast elke nacht die in de eerste plaats dienen voor de bevruchting van de eieren, maar ook om de echtelijke band tussen beide uilen te versterken.
Het mannetje kiest de nestplaats, tussen hooibalen, in boomholten, in invlieggaten. Blazen is het karakteristieke geluid van de jongen. Bij zonsondergang produceren de jongen op het nest een monotoon geluid. Afhankelijk van de leeftijd en de voedselbehoefte blaast een jong 5 tot 30 keer per minuut. Behalve de jongen blaast het wijfje ook geregeld; het is de contactroep met de jongen.
Vlak voor het leggen van het eerste ei blaast het wijfje veelvuldig [bedelgedrag] met als gevolg dat het mannetje voedsel brengt. Zowel volwassen als jonge uilen laten bij gevaar een langgerekt blazen horen. Het is een dreigend geluid, dat 2 tot 10 seconden kan aanhouden. Dit geluid werkt aanstekelijk; zodra één van de nestjongen begint te blazen, valt de rest van het nest in.
Ongetwijfeld zal het agressieve geblaas van alle uilen indruk maken op de indringer; in dreighouding drukt de kerkuil zich plat op de zoldervloer en spreidt daarbij zijn vleugels horizontaal uit.
Zijn langhalzige jongen verschuilen zich achter hem. Bij naderend gevaar laat het jong naast het blazen tongklikken horen: het slikt als het ware de tong in, waardoor de boven-en ondersnavel op elkaar klappen. Het tongklikken wordt vaak afgewisseld met een sissend geluid, waarbij de snavel licht geopend is.
Het broedseizoen duurt van vroeg in het voorjaar tot laat in de herfst. Soms worden op donkere plaatsen 2 broedsels grootgebracht. Het legsel varieert van 4 tot 7 glansloze witte ovalen eieren, afhankelijk van de voedselsituatie. Het wijfje broedt 32 tot 34 dagen en het mannetje brengt haar dan voedsel. De jongen hebben 2 donskleden: eerst een wit, dat na 12 dagen door een roomkleurige wordt vervangen.Na 8 à 10 weken kunnen de uilskuikens uitvliegen. Vele kerkuilenparen blijven in de winter in hun voortplantingsgebied. De paarband is sterk en de koppels zijn meestal trouw aan een eenmaal gekozen nestplaats, al kunnen weersomstandigheden en voedselschaarste er soms de oorzaak van zijn dat uilen tijdens de wintermaanden gaan zwerven.
Kerkuilenwerkgroep Vlaanderen
In de jaren zeventig leek de kerkuil in Vlaanderen ten dode opgeschreven.
Dank zij een langdurige en structurele bescherming is de kerkuil inmiddels terug uit het dal gekropen en vliegt hij vandaag opnieuw rond de kerktoren. Biotoopverbeterende maatregelen en het plaatsen van speciale nestkasten in de omgeving van broedplaatsen zijn hieraan niet vreemd, al was het een moeizaam proces dat van honderden vrijwilligers 30 werkingsjaren volgehouden inspanningen vergde.
De achteruitgang van de kerkuil werd destijds ingezet met de strenge winter van 1962 1963.
Toen lag er een dik pak sneeuw en vroorhet wekenlang, waardoor de uilen geen muizen meer vonden. De kerkuilenpopulatie had toen wellicht ook te lijden onder het toenemende gebruik van DDT en andere bestrijdingsmiddelen in de landbouw. In heel West-Europa daalde het aantal kerkuilen tot minder dan 10 % van de oorspronkelijke populatie.
De al gehavende kerkuilenpopulatie kreeg bijkomende klappen toen de kleinschalige landbouw plaats maakte voor intensieve landbouwmethoden en het uitzicht van het platteland
het favoriete jaaggebied van de kerkuil drastisch veranderde.
In kleinschalige gebieden verdwenen gras- en bouwlanden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes, die veel muizen herbergen waardoor de kerkuil minder gemakkelijk voedsel vond.
Vanaf de jaren tachtig begon men steeds vaker gebouwen hermetisch af te sluiten om verwilderde duiven en kauwen buiten te houden. Invliegopeningen van kerktorens, boerderijen en schuren die de kerkuil al jarenlang gebruikt als broedplaats werden met gaasdraad ontoegankelijk gemaakt. Toen werd de kerkuilenwerkgroep Vlaanderen opgericht die nestkasten plaatste in kerktorens en boerderijgebouwen. Elk jaar worden de nestkasten gecontroleerd en de nieuwgeboren jongen geringd. Momenteel broedt 80 % van de kerkuilen in nestkasten.
In Vlaanderen was 2007 een absoluut topjaar. Er werden haast 1 000 broedparen geregistreerd, die samen voor bijna 4 000 uitgevlogen jongen zorgden. De kerkuil kent dus een opmars, maar toch zijn de gevaren niet helemaal geweken. Nieuwe vijandzijn de voorbijrazende wagens, die de kerkuilen grijpen wanneer zij langs de ruige grasstroken en muizenrijke wegbermen jagen.
Oorspronkelijk komt de Nijlgans alleen voor in Jordanië en Israël [stroomgebied van de Nijl], alsook in enkele delen van Afrika ten zuiden van de Sahara. Al in de 17deE werd de eend in Europa ingevoerd als siervogel. Ontsnapte vogels uit particuliere watervogelcollecties of uitgezette dieren zijn de aanstichters geworden van de enorm snel groeiende populatie.
Het is echter een algemeen biologisch gegeven dat zogenaamde invasiesoorten, na een aanvankelijk explosieve groei een stabiele fase doormaken, niet zelden gevolgd door een numerieke terugval van de populatie. Een afname van de jongerenproductie door toegenomen concurrentie om voedsel en nestplaatsen te veroveren en een toename van de verliezen door voedselgebrek, ziekten en jacht, liggen hier aan de grondslag. De Nijlgans leeft voornamelijk op land, hoewel hij goed kan zwemmen. Ondanks zijn afkomst uit zeer warme streken, gedijt de Nijlgans zeer goed in ons klimaat; ze overleven zelfs de strengste winters.
De Nijlgans eet vooral zaden, grassen en stengels. Ze prefereren het malse groen van zwaar bemeste weilanden boven de taaie grassen van schrale natuurterreintjes . Ook insecten en wormen vallen in de smaak. Als de vogels naar de duinvalleien trekken en lekkere orchideetjes vreten, verpesten ze de waterkwaliteit in het moerasgebied vanwege de uitwerpselen.
Buiten de broedtijd leeft de Nijlgans in troepen van een dozijn tot honderden vogels.
Hoewel de bouw van de Nijlgans doet denken aan een kleine gans is de vogel net zoals de verwante bergeend, een echte eend. Het is een prachtige vogel met een verenkleed dat verloopt van lichte grijsgroene tinten aan de onderzijde naar oker en roodbruine schakeringen aan de bovenzijde.
Ze hebben een donkerbruine vlek op de onderborst. De kop is bleker van kleur en om hun hals dragen ze een donkerbruine kraag. De iris is rood, de poten en snavel zijn roze. Kenmerkend is de roodachtige bril rond de ogen. Tijdens de vlucht vallen vooral de witte bovenste vleugeldelen op.
De vogels trekken in de winter even weg, maar zijn al vroeg terug om reeds in januari met het broeden te beginnen. De Nijlgans broedt bij voorkeur in halfopen landschappen, zoals landgoederen, weilanden en stadsparken. Daar zoeken ze in bomen grote nesten van andere vogels, in de vork van stevige boomtakken of tussen dichte vegetatie langs slootkantjes. Het nest wordt gemaakt met takken en twijgen, gevoerd met wat donsveren. Het vrouwtje legt tussen de 6 tot 8 eieren.
De ouders beschermen hen met een aan fanatisme grenzende agressie. Agressie is trouwens het handelsmerk van de Nijlgans. Ze kraken nesten van andere watervogels, zoals deze van grauwe ganzen, maar tevens deze van ooievaars, kraaien in hoge bomen en zelfs van roofvogels, waaronder haviken en buizerds of torenvalken. Eenden en meerkoeten toch ook geen lieverdjes worden zonder pardon aangevallen. Nijlgansen hakken met hun sterke snavels op de jonge vogels in, net zo lang tot ze verdrinken. Het zijn ware killers vooral in de broedtijd en in de periode dat ze zelf kuikens hebben. Al kunnen kraaien zich wonderwel weren als het gaat om het verdedigen van hun territorium, tegen de tactiek van de Nijlgansen zijn ze niet opgewassen. Het geduld waarmee deze Nijlgansen iedere keer weer op het nest gaan zitten en de kraaien uitdagen is eigenlijk onvoorstelbaar. Ze doen dat net zo lang tot wanneer het kraaienechtpaar de moed opgeeft en elders een nest gaat bouwen. Ze kiezen voor een uitputtingsslag waarbij zij zo lang de tegenstander uitdagen, dat die geen zin meer heeft om de strijd aan te binden.
De struisvogel is een ware recordbreker. Met een hoogte van 2.5 m is hij de grootste; met zijn 150 kg de zwaarste en met zijn renvermogen van 65 km/u de snelste loopvogel. Rennend maakt hij stappen van soms wel 3 m, terwijl het bovenlichaam onbeweeglijk blijft. Deze topsnelheid kan hij wel een half uur lang volhouden.
Struisvogels hoeven dan ook weinig beducht te zijn voor vijandelijke roofdieren. Bovendien geven hun poten, uitgerust met messcherpe nagels die bij een stevige trap een tegenstander kunnen openrijten, nog eens een extra zekerheid.
Het verenpak van het mannetje is grotendeels zwart met witte staart- en vleugelpluimen.
Het verenkleed van de hen is egaal grijsbruin.Ze hebben een kleine kop (een hersengewicht van 30 tot 40 g), maar erg grote ogen. De lange nek vertegenwoordigt bijna de helft van de lichaamslengte.
Desondanks zijn het extreem schuwe dieren, een kenmerk waarmee ze zichzelf in een belangrijke waakrol hebben gedrongen, want door hun enorme hoogte, uitstekende zintuigen en alertheid zijn ze de wachtposten van de steppe geworden, waar antilopen overigens stellig op rekenen.
Omwille van diezelfde schuwheid is het bestuderen van deze vogel een haast onmogelijke opdracht.
Toch wisten zoölogen via spitsvondige observatietechnieken de fratsen van de struisvogels van zeer dichtbij mee te maken. Ze ontdekten dat struisvogels er Indiaanse verkenningstechnieken op nahouden.
Als een groep een drinkplaats nadert, worden een paar jonge struisvogels door de oudere als verkenners vooruit gedreven om te kijken of er geen hinderlaag in de bosjes wacht, een bedenkelijke manier om zelf buiten schot te blijven.
Weinig mannetjesvogels blijken zo ontrouw als de struisvogelhaan. Hij legt als hij de kans krijgt een hele harem aan, maar net als in een echte harem zwaait zijn eerst gekozen partner de scepter.
Naast zich duldt de first lady een 4 of 5-tal bijhennen, die niets in de melk te brokkelen hebben; ze mogen nadat ze bevrucht zijn een aantal eieren leggen, maar meer niet. Dat doen ze allemaal in hetzelfde nest, een enorme kuil van 3 m doorsnede. Elk haremvrouwtje legt tussen de 6 en 10 eieren, om de 2 dagen één. Deze zijn 15 cm hoog en wegen tussen de 1 à 2 kg. Als ze allemaal gelegd zijn, jaagt de hoofdhen de rivales weg. Alleen zij meestal overdag en haar partner doorgaans s nachts broeden de eieren uit. Soms liggen er wel 50 eieren in één nest. Dat vindt het vrouwtje al snel teveel en dan kiepert ze er zon 30-tal uit, natuurlijk niet die van haarzelf. Sommige van de overgebleven 20 liggen na verloop van tijd een beetje apart alsof ze verlaten zijn, maar dat is niet zo. Het zijn de eerst gelegde eieren, die op deze manier in hun ontwikkeling worden vertraagd, zodat het hele legsel tegelijk zal uitkomen. De struisvogels houden dus een soort tijdklok bij. Terwijl de kuikens nog in het ei zitten kwebbelen ze dwars door de eierschaal al lustig met hun ouders. Na 40 dagen, wanneer de kuikens uit het ei komen, wegen ze ongeveer 1 kg. Het kost een kuikentje bijna 3 uur om door de bikkelharde schaal heen te breken. De nestvlieders verlaten het nest reeds na 3 dagen.
Mannetjes slaken kreten om vrouwtjes aan te trekken en andere concurrenten te ontmoedigen. Tegenover seksgenoten zijn de struisvogelmannen in deze tijd bijzonder agressief. Bij het vallen van de avond zijn hun opgekropte ergernissen tot het kookpunt gestegen en vallen ze elkaar aan, waarbij stevige klappen en trappen worden uitgedeeld.
Struisvogels zijn ware vuilnisemmers. Alles wat hen opvalt, eten ze op. Maagonderzoek leverde zelfs spijkers, munten, ijzerdraad, gespen, houtspaanders en sleutels op. Niettemin is hun hoofdvoedsel plantaardig en als ze de kans krijgen verorberen ze immense hoeveelheden gras en fruit die ervoor zorgen dat hun vochtgehalte op peil blijft, want ofschoon struisvogels gewend zijn aan een leven in woestijnachtige streken, is hun behoefte aan water onlesbaar.
Als struisvogels worden achtervolgd komen ze op de proppen met een slimme verdwijntruc.
Ze rennen als bezetenen weg en zijn natuurlijk sneller dan het roofdier dat ze achtervolgt. Maar als de jager de achtervolging niet opgeeft laten de vogels zich als ze op redelijke afstand zijn plotseling vallen en blijven met de hals languit uitgestrekt op de grond liggen. In de ogen van de vijand zijn ze gewoon van de aardbodem verdwenen. Mocht het roofdier toch te kort naderen, dan springt de struisvogel weer op en begint het spel opnieuw.
Struisvogels kunnen neergehurkt indommelen met de hals rechtop. Ze vallen dan s nachts verscheidene keren voor een korte tijd ( 1 to 15 minuten) in een diepe slaap waarbij ze de nek languit voor zich op de grond leggen of gebogen langs hun lijf neerleggen.
Dodelijke modetrend
De oude Egyptenaren waren gebiologeerd door de struisvogelveer. Het feit dat zon veer aan beide kanten van de schacht een even brede vlag heeft (wat bij andere vogelveren niet zo is) vatten zij op als een goddelijk teken. De struisvogel werd hun symbool van gelijkheid en rechtvaardigheid .
In de 17de E ontdekten bemiddelde dames de struisvogelveer als ideale opsmuk in hun overdadige kapsels. De mode in Europa van rond de eeuwwisseling, die grandeur, stijl en dus struisvogelveren eiste, luidde de definitieve teloorgang van deze vogel in. De Arabische struisvogel overleefde al dit jachtgeweld niet. Nu bestaan er nog 4 ondersoorten, wiens verspreiding zich beperkt tot de grote wildparken in het oosten en zuiden van Afrika.
Slikten reuzendinosaurussen stenen in om daarmee voedsel in hun maag te vermalen?
Sauropoden, de grootste landdieren van 80 tot 100 ton zwaar met een lange nek en een kleine kop die ooit (200 tot 65 miljoen jaar geleden) hebben geleefd, waren geen woeste vleeseters maar brave vegetariërs.
Het was lang een raadsel hoe deze planten(wr)eters met kleine kaken, waarin kiezen (dunne potloodtanden) zaten die soms volledig ongeschikt waren om het vezelige groenvoer fijn te malen.
Vondsten van gladgeslepen keien in de buikstreek van fossiele skeletten van zulkegiganten leken daarop te wijzen.
Maar na experimenten met struisvogels denken paleontologen aan de universiteit van Bonn daar anders over.
Veel vogels van nu gebruiken deze techniek ook. Ze hebben daarvoor naast hun gewone maag een speciale spiermaag, die de mix van voedsel en ingeslikte steentjes (gastrolieten) krachtig kneedt.
Bij een struisvogel kun je het geknars van de keitjes en het stenengerommel zelfs horen.
Struisvogels, die directe afstammelingen zijn van die verre voorouders, voeden zich ook met vezelig plantenmateriaal.
Twee dinosaurusdeskundigen Oliver Wings en Martin Sander onderzochten hoe het stenen vergaat in de maag van een struisvogel.
De gemiddelde struisvogel die in struisvogelfarms rondloopt, sjouwt iets meer dan 1 kg stenen in zijn maag mee, stelde men vast bij geslachte dieren. Dat is ruim 1% van het lichaamsgewicht dat rond de 100 kg schommelt.
De proefdieren werkten graag mee aan het onderzoek en pikten aangeboden stenen gretig op. Ronde stukken zwarte vuursteen (keisteen), kiezels van rozenkwarts en kubusjes van kalksteen of graniet gingen erin als zoete koek.Bij de slacht, 1 tot 60 dagen nadat de stenen waren ingeslikt, stelde men vast hoe sterk de steentjes waren veranderd onder invloed van de zure maagsappen.
Zo waren na enkele dagen reeds de kalkstenen helemaal verdwenen en verloor het graniet de helft van zijn gewicht na 50 dagen; zelfs het keiharde kwarts sleet aanzienlijk.
De onderzoekers rekenden voor dat zon kwartssteen na ongeveer een jaar in de struisvogelmaag totaal vermalen zou zijn. Glimmend worden ze in al die tijd niet; het oppervlak blijft ruw.
Dat bewezen de vuurstenen in het experiment ook; die waren glad toen ze werden opgeslokt, maar verloren na een dag hun glans.
Het is daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de gladde stenen die af en toe zijn gevonden bij skeletten van sauropoden, werkelijk maagstenen waren. Ze zijn veel te glad en bestaan soms ook nog eens uit steensoorten die in de maag snel zouden vergaan zijn. Bovendien zijn er altijd te weinig. Stel je de steenhoop voor die je zou moeten vinden als een 50 ton zware mastodont 1% van zijn lichaamsgewicht aan stenen meetorste: dan zou je 500 kg keien moeten zien liggen. In werkelijkheid is er nooit meer dan 15 kg aan gladgepolijste stenen bij de skeletten van deze dinosaurussen aangetroffen.
Als maagstenen geen rol speelden bij de vertering, blijft de vraag hoe de reuzendinosaurussen dan wel zorgden dat de plantenvezels in hun spijsverteringsstelsel verteerd geraakten.
Wings en Sander geloven dat de sauropoden grote hoeveelheden plantenresten konden verteren op een andere manier: door ze eindeloos te laten fermenteren (een metabolische omzetting van voedingsstoffen zoals bij een gisting) in hun kolossale lichamen.
Toch willen beide dino-experts niet beweren dat de stenen van buitenaf in de fossielen zijn terechtgekomen. Misschien gebruikten de dieren de stenen als minerale bijvoeding.
Er zijn moderne vogels die met zorg de juiste stenen uitzoeken, maar anderen slikken maar wat.
De stenen in de buikholte van dinosaurussen zouden dan te verklaren zijn als de slijtvaste, maar eindeloos gepolijste restanten van een willekeurig stenendieet.
Wings en Sander wijzen erop dat gastrolieten veelvuldig zijn ontdekt in de buikholtes van tweebenige dinosauriërs, nauwer verwantaan de vogels dan de sauropoden.
De vogelachtige tweebenige dinosauriërs hadden dus niet alleen primitieve vogelveren, maar ook een vogelmaag.
Bij verscheidene vogelsoorten bekommert alleen het mannetje zich om het nageslacht.
Uit onderzoek blijkt nu dat dit kennelijk ook gold voor de verre voorouders van de vogels, de dinosaurussen.
Dat ook vaders zich intensief met de opvoeding van de kinderen bezighouden is een verworvenheid van de 20ste eeuw, die nog eens extra is bekrachtigd door de invoering van het ouderschapsverlof.
In het verleden berustte deze taak geheel op de schouders van de moeder. Slechts bij ongeveer 5% van de zoogdiersoorten leveren ook de mannetjes een bijdrage aan het grootbrengen van de jongen.
Maar het kan ook anders, zoals bij de vogels, waar minder dan 10% van de soorten alleen de vrouwtjes verantwoordelijk zijn voor de zorg van de nakomelingen. Bij de meeste vogelsoorten van mussen tot kippen zorgen beide ouders voor de jongen.
Bij loopvogels, waarvan de struisvogel de belangrijkste vertegenwoordiger is, worden de eieren zelfs vrijwel uitsluitend door de vader uitgebroed. Tot voor kort was niet duidelijk welk zorgmodel nu het oorspronkelijke was.
Volgens heel wat biologen bestond er bij de vogels oorspronkelijk geen band tussen de beide ouders en zorgden de vrouwtjes in hun eentje voor het nageslacht.
Aangezien de mannetjes niet zeker konden zijn van hun vaderschap, hadden zij weinig zin om energie te verspillen aan het broeden. Zij konden hun tijd beter besteden door met zoveel mogelijk vrouwtjes te paren en zo hun voortplantingssucces te verzekeren.
Een dergelijk systeem treft men nu nog aan bij de krokodillen, een zustergroep van de vogels.
Een onderzoeksteam onder leiding van David Varricchio van de Universiteit van Montana heeft nu een compleet tegengesteld antwoord gevonden: oorspronkelijk zouden verrassend genoeg alleen de mannetjes hebben gebroed.
Er zijn tal van legsels opgegraven waarbij zelfs het broedende ouderdier bewaard bleef, al was het onduidelijk of het om een mannetje of een vrouwtje ging.
Uit een vergelijkend onderzoek van zorgmodellen bleek dat er een duidelijk verband bestaat tussen het aantal eieren van het legsel en het gewicht van de volwassen dieren, wat erop duidt dat dinosaurussen er een soortgelijk voortplantings- en broedgedrag op nahielden als de struisvogel en zijn verwanten. De polygame mannetjes brachten de jongen in hun eentje groot.
Geslachtsrijpe krokodillenwijfjes hebben gewoonlijk kleine holten in hun beenderen, doordat voor de productie voor eierschalen uit de structuur calcium en fosfor is onttrokken.
Vogelvrouwtjes daarentegen slaan voor de eierenproductie mineralen op in het sponsachtige botweefsel van de mergrijke holle pijpbeenderen.
Soortgelijke structuren zijn recent ook aangetroffen bij vrouwtjes van de Tyrannosaurus, Allosaurus en Tenontosaurus. Daarom hebben onderzoekers de dij- kuit- en middelvoetbeentjes bestudeerd van een volwassen Troödon, die was opgegraven in een zittende houding op zijn nest eieren. Ze vonden geen holten die waren ontstaan door de onttrekking van mineralen en ook het inwendige van de pijpbeenderen bleek leeg, wat aantoonde dat inderdaad mannetjes op het legsel zaten.
Dit riep meteen de vraag op waarom vaders überhaupt de zorg voor het nageslacht op zich nemen. Sommige wetenschappers zoeken de oorzaak in het feit dat de eieren buitengewoon groot waren. De wijfjes hadden daar meer energie voor nodig, zodat ze meer tijd moesten besteden aan het zoeken van voedsel. Bovendien legden ze de eieren niet allemaal in één keer, maar geleidelijk over een langere periode. Dus misschien was het voordeliger wanneer het mannetje op het legsel zat, terwijl het vrouwtje zich bezighield met het zoeken naar voedsel om de productie te kunnen voortzetten. Net als bij de vogels hadden de eieren van de Troödon en zijn verwanten namelijk een schaal die uit meerdere lagen bestond en daarom moesten worden bebroed.
In tegenstelling tot de krokodillen begroeven de wijfjes de eieren niet zomaar in de grond.
Eén van de ouders moest ze met zijn lichaamswarmte uitbroeden en als het mannetje er zeker van was dat hij de vader was aangezien hij vlak voor het leggen van de eieren met de dame(s) van zijn keuze had gepaard was het in zijn eigen belang deze taak op zich te nemen.
Faunaranden herbergen een verhoogde biodiversiteit
Een experiment om langs akkers grondvogels te beschermen, werd met één maaibeurt vernietigd, zo verneemt men uit goede bron van het Regionaal Landschap Zenne, Zuun & Zoniën [zie logo onderaan]. Deze vzw telt 15 gemeenten en 20 verenigingen voor natuur, landbouw, jacht en toerisme uit het Pajottenland, de zuidelijke Zennevallei en een stuk Zoniënwoud. Naast faunaranden promoot het Regionaal Landschap nog andere terreinmaatregelen die helpen foerageergebieden voor akkervogels in stand te houden, o.a. via de aanplant van hagen langs akkervelden, het verzoek tijdens de winter een graanstrook niet te oogsten, specifiek maaibeheer van omzomende graslanden aan te sporen.
Twee jaar na de opstart van het project was er al een aanzienlijke toename van geelgorzen, gele kwikstaarten, patrijzen, veldleeuweriken en ringmussen. Akkervogels hebben het immers moeilijk om nesten te maken en zich te voeden op intensief bewerkte akkers, zoals die er vandaag bij liggen.
De eerste ingezaaide stroken met klaproos, kamille, phacelia (gegeerd bij hommels en bijen), kaasjeskruid en korenbloem, werden aangelegd op gronden van de gemeente en beheerd door landbouwers van aangrenzende percelen of door landschaps- en natuurteams van Pro Natura.
De faunaranden zijn minstens 6 tot 12 m breed en hebben hoge en lage begroeiing met kruiden en grassen, die s zomers massaal insecten lokken en s winters zaden en bessen achterlaten.
Het project vergde frequent overleg om met de verschillende gemeentebesturen, met bereidwillige landbouwers en de Pro Natura-teams alles georganiseerd te krijgen en concrete maatregelen uit te voeren. Er werden duizenden euros geïnvesteerd in het gepaste zaaigoed, de samenstelling en structuur van de vegetatie en in loonwerkers, die de stroken inzaaiden.
Bedoeling was om het proefproject naar andere gemeenten en regios uit te breiden, maar nu werd in één maaibeurt al dit verdienstelijk opbouwwerk van natuurbeschermers teniet gedaan.
Walgelijke en verwerpelijke praktijken die het toenemend egoïsme in de samenleving bevestigen. Waar heeft men nog respect voor?
Zowat in maart strijken duizenden zwart witte, tropische vogels uit het zonnige Spanje, Portugal en Marokko in onze streken, ook aan onze Noordzeekust. In de winter vormen kluten dichte, synchroon vliegende zwermen. De kluut broedt in ondiepe brakke inhammen met slibachtige modderpoelen en wat drogere eilandjes, nabij een ondiepe poldersloot of op kale grond rond vijvers.
De volwassen kluut, die 42 tot 46 cm groot wordt, een spanwijdte heeft die varieert van 67 tot 77 cm en een gewicht dat schommelt tussen 250 en 500g, is gemakkelijk van andere waadvogels te onderscheiden.
De vogel vertoont in vlucht een karakteristiek en opvallend zwart wit kleurenpatroon: een helderwit slank lijf, een kromme zwarte band aan weerszijden van de rug; een diagonale band op de voorvleugels en rechte zwarte vleugelpunten, een lange hals, een zwarte kap en een zeer fijn en opwaarts gebogen snavel. Als de vogels slaapt staat hij op één van de lange blauwgrijze poten, snavel in de veren.
Belangrijke vijanden zijn meeuwen en kraaien. Om deze dreiging af te wenden, broeden kluten graag dicht bij soortgenoten, andere steltlopers of sterns.
Kluten hebben een speciale alarmkreet, waarmee ze elkaar waarschuwen voor zilver- of mantelmeeuwen. Bij gevaar drukt het gezinnetje zich niet tegen het plakkerige slijk, maar schuilt staand onder de geknielde vader of moeder, waardoor ze hun donskleed schoon houden.
Een zilvermeeuw heeft met één hap een jong verslonden.
Met de hoge stelten neemt de kluut energieke passen. Kluten zwaaien in vegende bewegingen met de snavel heen en weer door de drab op zoek naar garnaaltjes, kreeftachtige, zeewormen of insecten.
Hechte familieband
Al in het warme zuiden hebben de kluten besloten wie met wie verkering heeft.
De kluut nestelt in tamelijk grote wijdverspreide kolonies, niet zo dicht opeengepakt als meeuwen of sterns. Zo rustig en vriendelijk als ze in de loop van het jaar zijn, zo driftig zijn ze tijdens de broedtijd.
De kluten knikken geagiteerd met hun kopjes, buigen voor elkaar, trappelen met hun poten, pikken wild in het water, gooien strootjes en grassprieten in het rond of gaan plotseling in de slaaphouding staan.
Dan weer vallen ze elkaar aan: ze delen luid roepend meppen uit met hun vleugels of springen zo hard mogelijk boven elkaar. Klutenkenners vermoeden dan ook dat deze verhitte collectieve knokpartijtjes bedoeld zijn om de paarband tussen de stelletjes te verstevigen, daar de echtparen vaak vlak vóór of vlak ná de schermutselingen tot de intieme daad overgaan.
Hierbij pikken zowel mannetje als vrouwtje in het water en verzorgen nek- en borstveren.
Naarmate de opwinding toeneemt, slaan ze steeds sneller met de snavels in het water, waarbij ze elkaar nat spatten. Dan neemt het vrouwtje een uitnodigende houding aan: ze buigt net zo ver voorover dat haar kopje bijna het water raakt. Na lang heen en weer gedrentel alsof hij op het beslissend moment wel verlegen lijkt om met zijn partner te vrijen nadert hij het vrouwtje voorzichtig en springt bovenop haar rug.
Niet lang daarna maken ze samen het nest; de verblijfplaats treft men doorgaans aan in de buurt van een slik met vruchtbare kleiachtige modder, waarin welig diertjes tieren die de kluut met zijn gespecialiseerde snavel weet op te roeren.
Het legsel (april juli) dat wordt gedeponeerd in een kuil op lage eilandjes of in droge modder, kaal of gevoerd met gras of schelpendeeltjes, bestaat uit 3 tot 4 eieren.
De familiebanden in een klutengezin zijn heel sterk en alles wat het nestje met de donzige jonge kluutjes te dicht nadert, wordt uitgescholden, met duikvluchten geïntimideerd of weggelokt.
Jonge kluutjes stappen zo uit het ei de wereld in en gaan meteen op jacht. Na een paar dagen leiden de ouders de kuikens naar het water, zodat ze daar zelf voedsel kunnen zoeken. Daarbij nemen beide ouders een paar jongen onder hun hoede. Er wordt al snel fel opgetreden als blijkt dat andere watervogels, zoals bergeenden, dezelfde voederplek opeisen. Na amper één week kunnen de kleine kluten best zelf wel agressief opscheppen tegenbontbekpleviertjes bv.
Na een dag of 40 kunnen de jongen vliegen en na 10 weken zijn ze helemaal zelfstandig.
De kievit, die behoort tot de familie van de plevieren en de steltlopers, is van oorsprong een broedvogel van de steppen, de graslanden van de gematigde klimaatzone, die in een brede band over het Euraziatische continent loopt.
Ooit was op het platteland het rapen van kievitseieren een geliefde sport en het eerste kievitsei werd aan de koningin aangeboden. Aan deze traditie kwam in 1969 een einde en in 1979 werd de handel in kievitseieren volledig verboden.
De lengte van de kievit varieert tussen 28 en 31 cm, de spanwijdte tussen 70 en 76 cm en het gewicht schommelt tussen 150 en 300 g.
De weidevogel heeft brede afgeronde zwartgroene vleugels met witte vleugeltippen, witte ondervleugels, een rode vlek onder de staart en een donkergroene rug met paarse en koperen gloed. De snavel is kort en op het hoog voorhoofd gaat de zwarte kap over in een karakteristieke lange kuif.
In het voorjaar vertoont de kievit opvallend baltsgedrag. Het mannetje probeert de aandacht van het vrouwtje te trekken door luid met zijn vleugels te slaan en opgewonden in de lucht als een ware stuntvlieger in actie te schieten. Door behendig in bochtige vluchten over zijn territorium te vliegen en daarbij geregeld buitelingen te maken tot zelfs over kop gaan, probeert hij zijn toekomstige partner te verleiden.
De meest acrobatische mannetjes blijken voor de vrouwtjes het aantrekkelijkst. Het komt frequent voor dat een mannetje twee of meer vrouwtjes heeft.
Noorse natuurkundigen stelden vast dat dit het meest voorkomt bij de mannetjes die tijdensde baltsvluchten zich aan de meest steile duikvluchten waagden. Deze mannetjes bleken bovendien ook de meest voedselrijke territoria op de onderzochte percelen te bezetten.
Om het vrouwtje tot broeden te prikkelen, graaft het mannetje enkele ondiepe nestkuiltjes. Het uitverkoren nest wordt met grashalmen bekleed en na de paring volgt zowat in maart het legsel van 4 groenachtige eieren, vol met zwarte spikkels. Beide vogels broeden, maar het vrouwtje het meest. De eieren komen na 24 tot 31 dagen uit. Spoedig na het uitkomen worden de jongen van de droge, onbeschermde nestplaats naar een meer beschermd grasland verplaatst. Na 4 tot 5 weken zijn de nestvlieders zelfstandig. Bij gevaar doet een kievit alsof hij een gebroken vleugel heeft en probeert alzo een naderende wezel, vos of hermelijn weg te lokken bij het nest.
Buiten de broedtijd is het activiteitsritme afhankelijk van de maancyclus. Bij volle maan foerageert de kievit vooral s nachts; bij nieuwe maan foerageert hij ook veel overdag.
Kieviten zoeken voedsel op frequent gemaaide graslanden, oude weilanden (hogere wormdichtheid), natte veengronden en omgeploegd akkerland (bewerkte percelen en wintergraanvelden met korte vegetatie), waarbij de plevierentactiek met afwisselend korte eindjes rennen en stilstaan wordt gevolgd om de geviseerde prooi totaal te verrassen.
Ook stampt de kievit met de poten op de grond om prooidieren aan te trekken.
Op het menu staan ongewervelde diertjes die van het bodemoppervlak of uit de bovenste bodemlagen worden gepikt: regenwormen, slakjes, langpootmuglarven, kevers, spinnen of rupsen. Sommige prooidieren worden met heftig rukkende bewegingen tussen de wortels van graspollen uitgetrokken. Foerageren wordt moeilijk wanneer de velden bevriezen en dit verklaart de plotselinge grootscheepse trekbewegingen van kieviten bij een invallende vorst.
In de nazomer zoekt de kievit ook wel de kwelders en schorren in getijdengebieden op.
Rusten doen groepen (van honderden) kieviten vaak op structuurrijke terreinen, zoals omgeploegde akkers of oude weilanden of op open natte en vlakke terreinen, zoals slikvlakten, zoutmoerassen of riviermondingen met ondiep water. De overwinteringgebieden liggen voornamelijk in Zuidwest en West-Europa.
Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is, luidt het spreekwoord.
De Australische liervogel heeft wel een aparte manier bedacht om indruk te maken op soortgenoten. Hij bezit het buitengewone vermogen om natuurlijke en kunstmatige geluiden uit zijn omgeving na te bootsen.
De vogel dankt zijn naam aan de staartpluim, gevormd door 16 veren: 2 lange slanke in het midden, 2 brede gebogen aan de zijkanten en 12 kleinere tussenin.
Wanneer het voorjaar aanbreekt met langere dagen, prikkelt dit de hersenen zodat er seksuele hormonen worden aangemaakt. Immers in de ultieme fase van de paringsperiode wordt de zang sterk bepaald door het belangrijke mannelijke geslachtshormoon testosteron.
In de meeste gevallen is het mannetje met zijn arias diegene die het wijfje versiert. Tijdens de hofmakerij zet het mannetje zijn waaier staartveren op, die fel lijkt op een lier (oud Grieks snaarinstrument) en buigt die over zijn kop.
Voor een wijfje is de mate van zangkwaliteit een graadmeter voor de conditie van de toekomstige partner. Een mannetje in goede vorm heeft meestal ook een groot voedingsgebied (territorium), wat voor een vrouwtje uiteraard belangrijk is, die haar jongen gezond wil zien opgroeien. Vaak heeft een wijfje dan ook een voorkeur voor ingewikkelde zang met rollers en trillers.
Onze Australische verleider put uit een rijk arsenaal aan deuntjes en bootst niet alleen melodieën van andere vogelsoorten na, maar imiteert ook andere geluiden die hij in zijn omgeving hoort, zelfs dat van een kettingzaag, een autoalarm of een camerasluiter.
Het loont echt de moeite deze weblink eens aan te klikken:
De oeverloper is in vrijwel geheel Europa een algemene broedvogel, die echter niet zo vaak in onze streken wordt opgemerkt. Wel trekt hij op zijn doortocht naar het overwintergebied rond de Middellandse Zee en zuidelijker naar Afrika toe in voor- en najaar (van mei tot september) over onze contreien in allerlei natte gebieden, zoals meren, rivieren, modderpoelen, waterbekkens, riviermondingen en zelfs langs rotsige zeekusten.
Deze kleine waadvogel, die tot de steltlopers behoort, onderscheidt zich van zijn evenbeelden Witgatje en Bosruiter, door de kortere, vaak okergele tot groenige, poten.
De rugzijde en de borst zijn grijsbruin met een donkere streeptekening; de buikzijde is helderwit. Kenmerkend is de witte band die vanaf de buikstreek doorloopt naar de schouder. Een bleke wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep accentueren de donkere kijkers. Met de lange rechte grijze snavel, eindigend in een zwarte punt, wordt in de modder naar klein gedierte geboord.
Het menu dat aan de waterkant wordt bijeengescharreld, bestaat uit insecten, wormen, weekdieren, kreeftachtigen en ook wel kikkers.
Op de staart komen witte staartranden en donkere dwarse banden voor. Door zijn uitstekende schutkleur is de oeverloper op de zand- en kiezeloevers, vaak moeilijk te ontdekken en ziet men hem pas als hij met een luid muzikaal hie-die-die op de wieken gaat. Wanneer de vogel laag over het water scheert, afwisselend met stijve flitsende vleugelslagen waarbij de vleugeltippen licht omhoog gebogen zijn en korte glijvluchten, valt meteen de duidelijk afgetekende witte vleugelstreep op.
De oeverloper wordt 19 tot 21 cm groot; heeft een spanwijdte tussen 32 en 35 cm en haalt een gewicht dat schommelt tussen 40 en 60 g.
Wipstaarten
Meestal zitten kleine groepjes van hooguit 10 exemplaren bij elkaar, in een rij langs de oever verspreid in plaats van dicht bijeen; ze houden hun kop omlaag en maken voortdurend met hun staart knikkende bewegingen.
Het kleine nest is vaak een door een plant of struik beschut, spaarzaam met gras gevoerd kuiltje op de oeverkant vlak in de buurt van zoetwater.
Alle steltlopers badderen geregeld, zelfs bij koud weer, om hun verenkleed in topconditie te houden.
Omstreeks half mei legt het vrouwtje doorgaans 4 eieren, die qua kleur variëren van romig, groen tot geelbruin bezaaid met donkerbruine stippen.
Het legsel wordt door beide ouders bebroed gedurende 20 tot 34 dagen; de kuikens verlaten het nest zodra ze droog zijn en kunnen vrijwel meteen zwemmen en hun kostje bijeenscharrelen.
Door te duiken trachten zij aan hun vijanden te ontkomen. Na 3 weken kunnen ze vliegen en na 4 weken zijn ze zelfstandig.
Wie onderstaande fotoreeks van onze inmiddels bekende vogelspotter Wimgraag aangevuld ziet met een andere olympische selectie moet maar eens een kijkje nemen bij Belgium Digital, hier in de favoriete weblinks opgenomen als DKW/J
Fenicische oorlogsgaleien staken meer dan 25 eeuwen geleden op weg naar en van de havenstad Gades (het huidige Cádiz) in het zuidwesten van Spanje de grote baai aan de monding van de Guadalquivir over. De baai was 12 eeuwen later veranderd in een enorm zoutmeer. Tegen de 20ste E was het meer een moeras zonder begaanbare paden geworden.
De transformatie werd teweeggebracht door de massa slib die door de Guadalquivir werd aangevoerd en door de kracht van de sterke zeestromen. Het zand dat van het westen langs de kust werd aangevoerd, vormde geleidelijk een zandbank, waardoor een ondiepe zee werd ingesloten. De lading slib en zand die de rivier van de Sierra Morena en andere bergketens meevoerde, verdreef het zoute water en vormde in plaats daarvan ondiepe lagunes.
In de jaren 80 van de vorige eeuw is deze 70 km lange barrière, 'Arenas Gordas' (dik zand) genaamd, alleen aan de zuidpunt door de rivier onderbroken.
De wandelende zandduinen en de vaste duinstroken, bezet met grove dennen, kurkeiken, wilde olijfbomen, aardbeibomen, struikgewas en taai gras, kunnen wel 13 km breed zijn.
Een bijzondere boomsoort is de jeneverbes, een overblijfsel van de vroegere kustbossen. Ze groeien in dichte bosjes op droge zandbanken.
Las Marismas
Las Marismas, wat in het Spaans de moerassen betekent, bestrijkt een gebied van 1 150 km². Het ligt 24 km ten zuidwesten van Sevilla, waar het deel uitmaakt van de delta van de Guadalquivir die uitmondt in de Golf van Cádiz.
De randen van de brakke moerassen bestaan uit biologisch uiteenlopende biotopen, zoals heidevelden, savanne en overblijfselen van kurkeikbossen. Samen verschaffen ze een uitwijkplaats voor een enorme hoeveelheid permanente en overwinterende vogels, alsook verscheidene bedreigde zoogdiersoorten.
Tegen de 13de E was Las Marismas een koninklijk afgebakend jachtreservaat (coto) geworden. In 1294 schonk de koning Sancho IV van het mini-koninkrijkje Castilië, de Moedige bijgenaamd, het land aan Alfonso Pérez de Guzmán, El Bueno, als beloning voor zijn aandeel in het tegenhouden van de Moren, die de vestingsstad Tarifa bij Gibraltar hadden willen veroveren. De koning gaf Guzmán tegelijkertijd de titel van Hertog van Medina-Sidonia.
Medina betekent in het Arabisch stad en Sidonia komt van Sidon.
Ruim 4 000 jaar voor onze tijdrekening was Sidon een belangrijke stad van de Feniciërs die op enkele km van het moderne Beiroet in Libanon was gesitueerd.
Vanuit Sidon voeren de Feniciërs langs de kusten van de Middellandse Zee via de Straat van Gibraltar tot bij het huidige Costa de la Luz, waar zij op een heuvel de Stad van Sidon stichtten.
Medina-Sidonia behoort nu tot de zogeheten Pueblos Blancos (Witte Dorpen) in de provincie Cádiz in Andalusië, autonome regio in Spanje. Het telt ongeveer 11 000 bewoners en ligt op de toeristische Ruta del Toro (Stierenroute), die langs de Andalusische fokkerijen loopt.
Na 711 viel de stad Tarifa in de handen van de Moren.
Met de Reconquista de katholieke reactie tegen de islamoverheersing wordt verwezen naar de periode die in Spanje en Portugal loopt van 718 tot 1492 en tijdens dewelke beide landen onder Moors juk leefden en zich door militaire initiatieven konden bevrijden. De Moren uit Noord-Afrika gearabiseerde Berberdynastieën hadden na de slag bij Guadelete in 711 in amper 5 jaar tijd bijna het volledig Iberische schiereiland in handen gekregen. In 732 werd door Karel Martel te Poitiers de Islamitische opmars naar de rest van Europa gestopt.
De 10 km ongerepte witte zandstranden, de stevige branding van de Atlantische Oceaan en de forse zeewinden kenmerken de meest zuidelijke uithoek van Europa. Tarifa hoort men van op afstand door het eentonig ritselend geluid van honderden windmolens, die op de omringende heuvels uit de krachtige wind de plaatselijke energie vergaren.
Natuurreservaat
Vroeg in de 17de E bouwde de 7de hertog een jachthuis El Palacio, midden in het moerasland als plek van afzondering voor zijn vrouw Doña Ana.
Even leek het ecologische evenwicht in de jaren vijftig te zullen worden verstoord door de bouw van uitgebreide badplaatsen. Dankzij de interventies van vooraanstaande Europese biologen, onder leiding van de Spaanse wetenschapper dr. José Antonio Valverde en de steun van het opgerichte Wereld Natuur Fonds werd het voortbestaan van deze waardevolle verblijfplaats in de moerassen veiliggesteld.
In 1964 werd 6 500 ha aangewezen als het Coto Doñana Natuurreservaat.
In 1969 werd het samengevoegd met het aangrenzende Guadiamar Reservaat; het hele gebied van 35 000 ha kreeg tegelijkertijd de status Nationaal Park. Het jachthuis werd omgebouwd tot een biologische onderzoeksplaats voor bestudering van de fauna en flora in het park.
Tot in de jaren zestig observeerden toegewijde ornithologen op een ouderwetse manier de vogelpopulatie in het moerasgebied. Op platte bootjes gehecht met touwen aan de staart van geduldige Andalusische paarden, die het moerasgebied kniediep doorwaadden, werden ze voortgetrokken.
Ondanks de beschermde status van het reservaat en andere delen van het natuurgebied bleven de problemen en bedreigingen groot: mijnbouw, landbouw, toerisme, de aanleg van infrastructuur en wanbeheer.
Zo was er in 1998 een ramp bij een mijn net buiten het park waardoor duizenden liters zwaar vervuild water en slib de Coto Doñana instroomden. Ruim 5 miljoen m³ water, doordrenkt met zware metalen, als cadmium, koper, zink, ammoniumsulfaat en lood stroomden weg uit een stuwmeer, dat toebehoort aan het mijnbedrijf Boliden.
Nochtans is het Coto Doñana Nationale Park de laatste uitwijkplaats geworden voor verscheidene bedreigde soorten Europese vogels, zoals de zwarte gier.
De grootste vogel is de Spaanse koningsadelaar. Deze majestueuze roofvogel, te onderscheiden aan zijn witte schouders en vleugelranden, jaagt op kleine zoogdieren waaronder hazen en konijnen. In 1977 werd de kolonie adelaars geschat op 60 paren.
Natuurverschijnselen
Las Marismas is onderhevig aan radicale seizoenswisselingen.
In de late herfst trekken zware regens over zuidelijk Spanje die neerstorten op de westelijke hellingen van de Sierra Nevada en de vlakte van Andalusië. Het met slib beladen water wordt afgevoerd via de Guadalquivir, die op haar beurt Las Marismas onder water zet, vaak tot een diepte van 60 cm.
Het ondergelopen land biedt voor de winter een welkome pleisterplaats voor enorm veel watervogels op hun trek naar het zuiden. Dit merkwaardig natuurdomein biedt eveneens een winterverblijfplaats voor vele eenden en ganzen die van hun zomerbroedplaatsen in noordelijk Europa en Scandinavië terugkeren.
Een paar weken lang is Las Marismas een lawaaiig krioelend kruispunt voor een miljoen vliegende migranten.
In het voorjaar smelt de sneeuw op de bergen en krijgen de moerassen zoet water aangevoerd, terwijl de hogere temperatuur de planten tot groei aanzet. Dikke bundels gras, riet en biezen rijzen uit de bodem op hoger gelegen eilandjes en helpen een handje mee om een enorm aantal vogelnesten te verbergen.
Vroeg in mei komen zwermen steekmuggen en libellen te voorschijn, die duizenden vogels lokken. De fladderende vleugels en paarzang van honderdduizenden vogels brengen een ware kakofonie voort.
Een verzameling van 175 verschillende vogelsoorten, waarvan vele zich nergens anders in Europa voortplanten, komen bijeen om te eten en te paren: 8 van de 9 soorten reigers, flamingos, steltlopers, steenlopers en plevieren.
De broedende gemeenschap bevat eveneens zeldzame vogels als de rode bergeend, de gekuifde meerkoet en de gemarmerde taling. De rode wouw en de zwarte gier draaien hun cirkels boven Las Marismas, speurend naar hagedissen en kleine zoogdieren.
Witte reigers en pelikanen vormen kolonies met hun zware nesten in oude kurkeiken, terwijl in de dichte braambessen- en jaguarzostruiken de Spaanse lynxhaar leger maakt.
Enkele weken houdt de wateraanvoer van de Guadalquivir op, krijgt de zon meer kracht en verdampt het water. In de slinkende stroompjes groeien de biezen en grassen in dikkere groepen, terwijl de groene algen zich ophopen in de kleverige massa van het brakke water.
Tegen juni ploeteren roedels rode herten en damherten door het water om van het sappige gras te eten. Wilde zwijnen schoffelen over drogere terreinen.
In het begin augustus heeft de meedogenloze zon Las Marismas geschoeid tot een gebarsten mozaïek van bikkelharde leem.
De foto van de flamingo's in de Coto Doñana is van VIM
Het uitgestrekt brakke natuurgebied (3200 ha) in de Westerschelde, Het verdronken land van Saeftinghe, zowat 50 km van de monding is een land van slikken, zandplaten en schorren doorsneden door geulenstelstels. Het zilte zeewater dat met de vloed de schorgeulen binnenstroomt, mengt zich met het zoete rivierwater.
Drie grote in het noordwesten gerichte geulen doorsnijden het schorgebied: het Speelmansgat, de Ijskelder en het Hondegat. Deze hoofdgeulen hebben tal van zijtakken die het schorgebied als het ware opdelen in afzonderlijke eilandjes.
In het mondinggebied liggen uitgestrekte zandplaten die drempels vormen. Dit zijn door de sterke stroming ontstane golfribbels van ongeveer één meter hoog en enkele meters breed.
Het estuarium staat onder invloed van de zeegetijden die tweemaal daags met een hoog- en laagtij het gebied overspoelen.
Een ander kenmerk van de riviermonding is dat hoe verder men van de zee is verwijderd, hoe meer het vloedwater wordt opgestuwd. Dat komt doordat de rivierbedding landinwaarts minder diep en smaller wordt.
De Rijksdam werd aangelegd om het aanslibben te bevorderen in een tijd dat in Nederland landaanwinning nog een hoge prioriteit had. De Dam naar de Noord verbindt enkele stellen met de dijk. Op deze door schaapherders opgeworpen heuvels, kan men zich bij al te hoog water terugtrekken.
Op enkele plaatsen duiken van onder het zand van het strand langs de Westerschelde veenbanken op. Bij laagwater rijzen deze veenbanken als steile zwarte rotskliffen boven het woelige water uit.
Veel ouder dan het veen is een zandlaag die bij extreme laagwaterstand in de monding van de Ijskeldergeul onder het veen vandaan naar boven komt.
Maritieme dynamiek
Onder invloed van de getijden verandert het landschap in Saeftinghe voortdurend.
Wekenlang gebeurt er maar weinig en zijn de veranderingen klein en geleidelijk.
Tijdens zwaar stormweer beuken onstuimige golven tegen de steile schorranden en wordt het zand in de geulen flink omgewoeld door de krachtige getijstromen.
De volgende dag heeft het gebied een ware metamorfose ondergaan. Geulen hebben zich verlegd en een wild patroon van golfribbels is in het zand geëtst. Steile schorwanden en zandplaten zijn geheel verdwenen of half weggeslagen. Stromen die een paar dagen tevoren nog doorwaadbaar waren, zijn plots meter diepe putten of juist nieuwe zandplaten geworden. Het afgeslepen, weggeslagen en losgewoelde zand en slib zal spoedig weer elders in het gebied bezinken. Doorgaans is er meer groei dan afbraak in het gebied. Op rustige plekjes wordt volop materiaal afgezet, met name in binnenbochten (bolle oevers) van geulen en in doodlopende uitlopers diep het schor in. Ook zandplaten en slikranden hogen zich op. Zodra ze bij laagwater voldoende droog vallen, kan de eerste vegetatie zich ontwikkelen. Eenmaal er plantjes groeien, versnelt het opslibben aanzienlijk. Daar het opkomend water lichtjes wordt afgeremd kan nog meer meegesleurd slib bezinken. Op deze wijze verandert een zandplaat in een schor, waarbij talloze geultjes voor afwatering zorgen. Aan beide oevers worden ze begrensd door hoge zandige richels, oeverwallen genoemd, die kleiige schotelvormige laagtes omsluiten, die kommen heten. De zwaardere kleideeltjes bezinken als het water tot stilstand komt in de kommen. Daardoor komen oeverwallen steeds hoger te liggen, die nog enkel bij stormweer tijdens de allerhoogste springtijen onderlopen, wat het reliëf extra versterkt.
In het uitgestrekte Saeftinghe vindt men oeverwallen in alle stadia van ontwikkeling.
Alleen in de grootste geulen, blijft tot de vloed opkomt, water wegvloeien via bochtig vertakkende ebstromen, die op sommige plaatsen korte of lange tijd doorwaadbaar zijn. Ebstroompjes vanuit hoger gelegen delen vallen vaak droog. Overal in de buurt van de grotere ebstromen alsook bij met water gevulde putten treft men gemakkelijk drijfzand aan.
De waterstand in Saeftinghe wordt, naast het getij ook voor een belangrijk deel bepaald door de weersomstandigheden. Tijdens een noordwester storm bv. wordt er veel meer water het gebied ingestuwd. Bij springtij kolkt het schuimende water zelfs tot tegen de dijk en is Saeftinghe één onafzienbare watervlakte.
Bij vloed komt het water verrassend snel op daar in de hoofdgeulen behoorlijk hoge drempels zijn ontstaan. Vooral Hondegat en Ijskelder zijn erg verraderlijk daar ze in slechts een anderhalf tot 2 uur vol lopen. Terwijl de vloedstroom opkomt, vloeit het water langs ebstromen rustig terug. Eens het binnenstromend water de drempels voorbij is, schrikt men wel vaker als men ziet hoe een aansnellende vloedgolf van enkele tientallen cm opeens dicht nadert. Dieper in het gebied, in de kleinere geulen, is een stijgsnelheid van meer dan een meter in een half uur heel normaal, zelfs tijdens een gewoon tij.
Ter hoogte van Saeftinghe dat dagelijks wordt omspoeld heeft het water een brak karakter; door de vermenging met het zoete rivierwater is het nog half zo zout als het zeewater.
Brokje geschiedenis
In de late middeleeuwen was Saeftinghe een gebied van welvarende polders.
Door stormvloeden gingen in de 14de en 16de E grote stukken van het ingepolderde land verloren. Tijdens de 16de E woedde er een godsdienstoorlog. De katholieke Spanjaarden wilden de Calvinistische Nederlanden onder controle krijgen. De strijd spitste zich toe op de belangrijkste stad Antwerpen. Toen in 1584 de Spaanse troepen in de richting van de stad trokken, staken de soldaten van de Nederlandse strijdkrachten de dijken op verschillende plekken door. Daarmee beletten ze niet alleen de opmars van de Spanjaarden, maar kwam ook het hele achterland en zelfs een stuk van het Waasland onder water te staan.
Tevergeefs militair manoeuvre echter, daar in 1585 Antwerpen alsnog in Spaanse handen valt.
Het Land van Saeftinghe verdwijnt even onder de golven.
Vanaf de 17de E werd veel grond op de zee heroverd. In 1907 vond de laatste inpoldering plaats, waarbij de Hertogin Hedwigepolder ontstond, die aan het zuidoostelijke deel van Saeftinghe grenst.
Flora
De plantengroei in het deltagebied weerspiegelt de invloed van het brakke vloedwater.
Onder de 50 plantensoorten die het natuurgebied rijk is, vindt men bv. Engels slijkgras, kweldergras, lamsoor, lepelblad, schorrezoutgras, zeealsem, zeeaster, zeebies, zeekraal, gewone zoutmelde.
In het oosten waar de invloed van zoet water groter is, hebben zich verschillende rietvelden ontwikkeld. De strategie om in het zilte milieu te overleven, bestaat erin de met het water opgenomen zouten door de huidmondjes van de bladeren weer uit te scheiden. Tijdens warme zomerdagen kan men vaak aan de onderkant van de bladeren zoutkristallen met het blote oog waarnemen.
Het Engels slijkgras is door waterbouwers aan het begin van de 20ste E ingevoerd om de landaanwinning te bevorderen. Deze plant vormt op de nog kale slikken dichte horsten, die uit kunnen groeien tot eilanden van vele tientallen vierkante meters.
De stengels zitten zo dicht op elkaar dat ze de stroming van het overspoelende water sterk afremmen, wat de opslibbing sterk bevordert. In Saeftinghe is het Engels slijkgras over het hele schorgebied verspreid, vooral op laaggelegen zandige plaatsen die gedurende een heel deel van de dag onder water staan. De bloeipluim draagt één enkel rozig bolvormig hoofdje.
Kweldergras, herkenbaar aan de smalle blauwgroene opgevouwen tot zelfs min of meer opgerolde bladeren (kleiner bladoppervlak beperkt de verdamping)groeit op lage schorren met een middelmatig tot hoog zoutgehalte en bereikt al snel een hoogte van een halve meter.
Dit biedt potentiële vijanden, zoals bunzing en vos, de kans om ongezien grazende ganzen of eenden te naderen, al mijden instinctmatig veel vogels zulke onveilige plekken.
Hetlamsoor ook Zwinneblomme genoemd en niet te verwarren met de streeknaam lamsoaren (zeeaster) dankt zijn naam aan het feit dat de jonge blaadjes met enige fantasie op de oren van lammetjes lijken. De lamsoor, een echte zoutplant, die alleen onder uitgesproken zilte omstandigheden tot ontwikkeling komt, draagt van juli tot oktober paarsroze bloemenrijen.
Het echt lepelblad, dat enkel voorkomt op brakke grond, bloeit al vroeg in het jaar als alle andere schorplanten er nog dor bij staan. Jonge planten vormen een mooi rozet van groene blaadjes, waar pas in het 2de jaar bloeistengels in komen met kleine witte of paarse bloemen. De plant dankt zijn naam aan het feit dat de randen van de bladeren wat naar boven gekruld staan.
In de tijd dat onze voorouders met hun zeilschepen lange tochten naar het verre oosten ondernamen, was lepelblad een buitengewoon belangrijke plant. Tijdens die lange reizen gebeurde het wel vaker dat de bemanning een gebrek had aan vitamine C, waardoor ze de kans liepen de fatale scheurbuik op te lopen. Door het hartvormige en vlezige blad als groente te nuttigen of een glas lepelkruidsap te drinken, konden veel levens van scheepslieden worden gered.
Het melkkruid is door haar kleine formaat (10 tot 30 cm) een weinig opvallende plant, die hoofdzakelijk voorkomt op de schorren met middelhoge kommen. De kruipende stengels zijn dicht bezet met kleine ovale bladeren. De keurig in 4 rijen gegroepeerde donkergroene blaadjes steken fraai af tegen de dieproze klokvormige bloempjes, die alleenstaand in de bladoksels zitten. De bloempjes zijn overigens merkwaardig, daar zij noch kelk, noch kroonblaadjes bezitten.
Het schorrezoutgrasis niet verwant aan de grassen, maar aan de in het water levende fonteinkruiden. Niettemin wordt de plant met zijn vlezige lijnvormige bladeren en de groenwitte bloeiwijze nog vaak voor een grassoort versleten. Als je het blad kneust, neem je een scherpe chloorgeur waar, wat dan wel een duidelijk onderscheidingskenmerk is.
Schorrezoutgras kan goed tegen extensieve beweiding, maaien en stagnerend water.
Vandaar ook dat de plant voorkomt in de kommen van zowel lage als hoge schorren.
Oudere planten vormen vaak heksenkringen, omdat ze in het midden uitsterven en naar buiten toe uitdijen.
Zeealsemonderscheidt zich van andere planten op de schorren door zijn typisch zilvergrijze kleur. Die is te danken aan de dichte, viltige beharing waarmee de hele plant is overdekt.
De beharing doet dienst als een soort mantel, een aanpassing tegen uitdroging in zilte milieu.
Naast de beharing zorgt ook het smalle, lijnvormige blad ervoor dat de verdamping beperkt blijft. De gele tweeslachtige bloemen van de zeealsem verschijnen pas in de herfst. De kruidige geur is toe te schrijven aan het feit dat zeealsem santonine bevat, een wormafdrijvend en insectenwerend middel. Vandaar ook dat het wordt gebruikt als strooisel in hondenhokken om vlooien en ander ongedierte te weren.
Als zeealsem in een fles jenever wordt gestopt, trekt de aroma van de plant in de drank en bekomt men de zogenaamde heksenborrel.
De zeeasteris vanouds bekend onder de naam zulte. Aan deze maximaal 90 cm hoge plant verschijnen vanaf juli prachtige bloemen: gele harten omrand door bleekpaarse lintbloemen. De hoofdbloei van de zulte valt eind augustus. De plant gaat overmatige verdamping tegen doordat de leerachtige smalle bladeren bedekt zijn met een laagje was. De jonge ovalen blaadjes worden al eeuwen als groente gegeten. De smaak heeft veel weg van spinazie.
De streeknaam hiervoor lamsoaren, levert wel eens de verwarring op met de plant lamsoor.
Werden de groenten destijds door arme mensen geconsumeerd, nu wordt de luxe-groente als een delicatesse in de betere restaurants opgediend.
Zeebiesis een zeer algemeen voorkomende plant. Deze groeit op brakke tot zoete plaatsen. Zeebies is gemakkelijk herkenbaar aan de driekantige stengel en de uit compacte hoofdjes bestaande bloeiwijze. Ondergronds bezit de plant een aantal ronde knollen, waarin de voedingsstoffen liggen opgeslagen en die het hoofdvoedsel vormen voor overwinterende grauwe ganzen.
De zeekraalis een merkwaardige plant. Je kunt er niet zomaar stengels, bladeren of bloemen aan onderscheiden. De plant lijkt eerder op een wat fragiele sterk vertakte cactus, waarvan de stengels bestaan uit allemaal cilindervormige geledingen. Deze dikke, wat opgeblazen geledingen zijn voorraadkamers, waarin de plant een hoeveelheid water met daarin allerlei opgeloste zouten en voedingsstoffen opslaat. Zeekraal gedijt enkel in zilte bodems al zijn voor de ontkieming van de minuscule zaadjes zuiver zoete omstandigheden vereist. Een regenbui in het voorjaar is al voldoende om voor een korte tijd op het slik een zoetwaterplas te bekomen, waarin de zeekraalzaadjes kunnen ontkiemen. De pionierplant komt op verschillende standplaatsen voor: in grote geulen, op overspoelde platen, maar ook in laaggelegen kommen, die tijdens laagwater nog blank staan door het stagnerende vloedwater.
Wie er een loep bijneemt om het plantje beter te bestuderen, ontdekt dat de bladeren tot vlezige schubben zijn gereduceerd en dat de bloembekleedsels enkele roomkleurige tot gele meeldraden met stuifmeel vertonen. Vandaar dat ook bij de honingbij zeekraal in trek is.
Was vroeger ook deze groente gegeerd bij minder vermogende, nu is het snijden van zeekraal via wettelijke regelingen aan banden gelegd.
Zij die een vergunning verkrijgen, kunnen hun oogst tegen een goede prijs verkopen aan de betere horecazaken.
De winterharde, fraaie gewone zoutmelde is door de zilveren weerschijn op zijn bladeren al van ver waar te nemen. De gloed wordt veroorzaakt door zeer kleine papierachtige schubben die het jonge blad beschermen tegen uitdroging door het zout. De plant die gedijt in zware klei en onder moeilijke omstandigheden zilte kwelders en schorren weet te overleven, heeft deels kruipende stengels en ovale ongezaagde bladeren. De vrouwelijke bloem onderscheidt zich van de mannelijke door de tussen de schutbladen uitstekende stijlen.
Vogels kijken
In het vogelrijk domein broeden duizenden kustvogels, zoals zilver- en kokmeeuwen, visdiefjes en scholeksters; de rietvelden zijn belangrijke broedgebieden voor baardmannetje, blauwborst, rietzanger, rietgors, kleine karekiet, en bruine kiekendief. Honderden steltlopers zoeken hun kostje bij elkaar in de slikrijke geulen. Groepjes gele kwikstaarten volgen de schapen op de dijk.
Op het eind van de zomer (augustus, september) doen de zomergasten zich te goed aan het rijke voedselaanbod dat het natuurgebied te bieden heeft, alvorens ze de trek naar het zuiden voortzetten. In deze periode zijn honderden lepelaars en zilverreigers te zien. Ook zeldzamer soorten zoals de zwarte ooievaar, de grauwe franjepoot, de Temmincks strandloper, de krombekstrandloper en de poelruiter worden er jaarlijks waargenomen.
September begint met de spectaculaire aankomst van vluchten ganzen.
Tijdens herfststormen kunnen ook al eens zeevogels in het domein aanbelanden, zoals het vale stormvogeltje.
Tijdens de wintermaanden kan men volop genieten van de duizenden grauwe ganzen, die in en rond het gebied zitten. Voor veel doortrekkende en overwinterende vogels is het een welkome pleisterplaats. Van de rondjagende slechtvalken trekken de ganzen, in tegenstelling tot de duizenden eenden zich weinig aan. Overwinterende zangvogels moeten op hun hoede zijn voor de steeds aanwezige smellekens en blauwe kiekendieven.
De beste observatieplaatsen om vogels te kijken in het natuurgebied liggen langs de dijk.
Elk seizoen heeft zijn typische soorten.
Observatiepunten
1. Baalhoek
Net voor het dorpje Baalhoek in de Kruispolder (met parkeerplaats) kan men via een trap over de dijk geraken: op deze plek kan men in het najaar en in de winter honderden bonte strandlopers zien samen met enkele drieteenstrandlopers, steenlopers en andere steltlopers.
Over de vaargeul ligt de Plaat van Valkenisse, waar men tijdens de zomermaanden duizenden ruiende bergeenden aantreft en af en toe een zonnende zeehond kan waarnemen.
Op deze locatie (nabij het strekdammetje) broedt geregeld een strandplevier.
2. Gemaal van Paal
Verder langs de dijk staat aan de rechterzijde het pompgebouw van het Gemaal van Paal.
Daar tegenover is er een trap die leidt naar de dijk. Vooral bij hoogtij zijn hier vogels te zien: verschillende steltlopers zoals kluut, rosse grutto (vooral in mei), zwarte ruiter, oeverloper (mei augustus) en zilverplevier.
Tijdens de wintermaanden zie je langs de randen van de voorliggende geul duizenden smienten en honderden wintertalingen en pijlstaarten. Geregeld worden hier (augustus december) ijsvogels gezien. Wellicht bemerk je vanaf deze locatie ook slechtvalken en maak je zelfs kans een visarend waar te nemen.
3. Het Graszanger schor
Enkele honderden meters verderop ten oosten van het dorpje Paal is aan de linkerkant van de weg plaats om de wagen te parkeren en met behulp van een overstapje over de afrastering te geraken. Als je hier een stukje over de dijk loopt, maak je veel kans (mei september) zingende graszangers, blauwborsten, rietzangers en rietgorzen te zien.
4. De Plasjes
Eén km na Emmadorp en ca 20 m na de 1ste zijstraat (de Vercauterenweg) is een overstapje over de prikkeldraad. Net achter de dijken liggen verschillende ondiepe plasjes die heel geschikt zijn voor foeragerende steltlopers, zoals de groenpootruiter, de kluut, de wulp en eendensoorten, zoals de wintertaling, slobeend en krakeend.
5. Kijkhut
Weer verder bij de 1ste weg, die scherp links afbuigt, geraakt men vlakbij de kijkhut op de dijk. Op en nabij de parkeerplaats zitten tijdens de trektijd geregeld tapuiten. Boven op de kijkhut heeft men een prachtig uitzicht over de schorren en vooral bij hoog water is dit een uitgelezen plek om vogels te kijken. Veel vogels trekken zich met hoogtij terug op de ietwat hoger liggende begraasde delen in de omgeving van de kijkhut. Roofvogels (bruine en blauwe kiekendief, smelleken, sperwer, torenvalk, buizerd en boomvalk) en af en toe een velduil zijn te zien vanuit de hut. Ook het aan de rechterzijde gelegen Sieperdaschor is de moeite waard om te bezichtigen. Het is het foerageergebied van watersnip, zwarte ruiter, tureluur, kluut, poelruiter, bosruiter, steltkluut, zomertaling, wintertaling, krakeend, grote zilverreiger en vele andere vogels.
Wie een sterk doorzettingsvermogen bezit om op een heldere winterdag te wachten tot zonsondergang kan vanuit de kijkhut tientallen blauwe en bruine kiekendieven opmerken die hun slaapplaatsen opzoeken in het domein, dit onder begeleiding van duizenden gakkende ganzen die om dezelfde reden vanuit de omliggende polders terugkeren.
6. Sieperdaschor
Het Sieperdaschor kenmerkt zich door de vele plassen en slikrandjes. Het interessant gedeelte van het Sieperdaschor is te bereiken door vanaf de kijkhut de dijk in oostelijke richting te volgen. Na de Petrusstraat een 25-tal m verder kan je weer over de prikkeldraad om ook vanuit dit punt vogels te observeren.
7. Bosjes
Als er in Saeftinghe zeearenden zijn, is de kans groot dat ze overnachten in bosjes in de directe omgeving van Saeftinghe Ook andere vogels als buizerd, kraaiachtigen en duiven slapen in deze bosjes. De omliggende polders zijn beroemd om hun grote aantallen grauwe-, kol- en rietganzen. Net ten zuiden van Saeftinghe ligt de Vlaamse kreek, waar verschillende soorten rietvogels te vinden zijn. Iets verder naar het westen liggen de Vogelkreek, de Grote Putting en het Groot Eiland. Hier zijn broedende gruttos, slobeenden en overwinterende slechtvalken, smienten en ganzen te zien en in de winter de grote zaagbek. Net over de grens ligt het Antwerpse havengebied met zijn ongebruikte dokken, opgespoten gronden en hier en daar nog een restant van een oude polder, waar ook heel wat vedervolk.
Net als alle andere leden van de kraaienfamilie is de zwarte kraai, die algemeen voorkomt in Midden- en Zuid-Europa, door schade en schande wijs, maar ook erg schuw geworden.
Ook zij genieten de kwalijke reputatie schade toe te brengen aan land- en tuinbouwgewassen, maar tevens aan bedreigde vogelsoorten, zoals de weidevogels, waardoor ze al eerder onverbiddelijk werden vervolgd.
In agrarische gebieden mocht nog niet zo lang geleden onbeperkt op zwarte kraaien en kauwen worden gejaagd. De predatie [het roven] is echter slechts één factor die bijdraagt aan de achteruitgang van weidevogels. Trouwens die drang is heel natuurlijk en bovendien zijn er nog meer belangrijke oorzaken die het de weidevogels niet makkelijker maakt:
·verslechtering van hun leefomgeving [areaalvermindering door infrastructuurwerken]
·intensieve landbouwmethoden [ hogere veedichtheid, nieuwe mest- en maaitechnieken]
Als grondbroeders vormen weidevogels uiteraard een kwetsbare groep.
In het jaar 2000 werden van de 90 000 onderzochte nesten op percelen, waar weidevogels worden beschermd, de volgende gegevens opgetekend:
·54 % van de legsels kwamen uit [eieren en kuikens];
·24 % vielen ten prooi van roofdieren;
·9 % gingen verloren door agrarische activiteiten [beweiden / maaien];
·5 % werden vroegtijdig achtergelaten;
·8 % kwamen niet tot ontwikkeling zonder aanwijsbare oorzaken.
Kraaien zijn niet populair omdat hun levenswijze op sommige punten fel botst met bv. de belangen van de boeren, van wie ze het zaaigoed opeten. Toch dient aangestipt dat ze enorme hoeveelheden emelten verorberen, die niet minder schadelijk zijn voor landbouwgewassen en kraaien zijn niet de enige predatoren.
Aanbevolen wordt een vergelijkend onderzoek te doen naar de populatieontwikkelingen van weidevogels en predatoren in gebieden waar wel en waar geen afschot plaatsvindt.
Roofzuchtige aard
Om eventuele bewezen schadelijke activiteiten van zwarte kraaien in bepaalde gebieden te voorkomen of te beperken zou moeten worden onderzocht of het mogelijk is gebruik te maken van de [slimme] eigenschappen van deze vogels.
Inmiddels heeft men ook een gekende vangkooi of trechterkooi. Omdat de kraaien van nature wantrouwig zijn, plaatst men de kooi best op een open plaats, in de omgeving waar kraaien normaal naar de velden trekken, vlakbij enkele bomen. De te vangen vogels moeten in staat zijn de omgeving goed af te speuren, vooraleer ze zich aangetrokken door lokaas in de kooi wagen.
Hierbij wordt geschikt en duidelijk zichtbaar gespreid lokvoer gebruikt: gebroken eieren, maïskolven of broodresten.
Als de kraai op het dak van de vangkooi landt, ziet hij het voer of aas. Door de openingen in de invalladder middenin de kooi geraakt hij bij het gegeerde voedsel, maar dan kan hij niet meer terug, omdat de openingen te klein zijn om naar buiten te vliegen.
Het gebruik van deze valkuil is aan enkele strenge voorwaarden gekoppeld:
·er moet vers water en voldoende voedsel aanwezig zijn;
·andere gevangen vogels moeten dagelijks worden vrijgelaten;
·het gebruik van vlees of slachtafval als lokmiddel is verboden;
·lokvogels moeten gefokte exemplaren zijn en er moet een dagelijkse controle plaatsvinden;
·bij het gebruik van kastvallen moet de opstelling van die aard zijn dat fysiek contact tussen lok- en prooivogel onmogelijk is.
Open weilanden, wijde akkers, boerenerven en uitgestrekte tuinen die niet in dichtbegroeide landschappen voorkomen, struinen ze graag, af op zoek naar alles wat eetbaar is en waarmee ze doorgaans er het zangvogelvolk in rep en roer brengen.
De kraai heeft een gevarieerd menu: hij eet o.a. zaden, fruit, larven, wormen, slakken, insecten, keukenafval [brood, aardappelen, vleesresten], eieren, jonge vogels; ook pasgeboren haasjes en zelfs lammetjes, vooral in de broedtijd.
Hun verenpak is egaal zwart met een groenige glans. De vogel ongeveer even groot als een roek bereikt een lengte van 50 cm, haalt een spanwijdte van ruim 1 m en weegt tot 600 g.
De krachtige snavel is afgerond en gitzwart terwijl zijn neef een kale grijze snavelbasis heeft, waardoor diens bek ook langer lijkt.
Zwarte kraaien leven niet in kolonies zoals roeken of met meerdere stellen bij elkaar, zoals kauwen en treft men vaak solitair, in paren of gezinsverband aan; zeer zelden in grotere groepen.
Terwijl de meeste vogels hippen, beweegt de zwarte kraai zich op de grond voort door stappen te zetten, waarbij ook het achterlichaam heen en weer schommelt.
Het geluid dat de kraai voorbrengt, klinkt welbekend als kraa(k), kraa(k), kraa(k). De roep lijkt fel op deze van de roek.
Het nest dat door beide partners hoog in een boom wordt gebouwd, is een omvangrijk komvormig bouwsel, dat bestaat uit 3 lagen: een buitenrand van doorregen takken; een middenlaag van doorvlochten twijgen, aangevuld met wortels, aarde en gras; tenslotte een zachte voering met schorsvezels, wol en haar. Verlaten kraaiennesten worden vaak gebruikt door ransuilen en roofvogels.
Zwarte kraaien broeden pas vanaf het 4de levensjaar ergens eind maart, begin april; het enige legsel bestaat uit 4 tot 6 lichtblauwe tot diepgroene eieren met een bruine of grijze vlektekening.
Het wijfje broedt de eieren in ca 18 tot 20 dagen uit en brengt de jongen, die na 4 tot 5 weken het nest verlaten, vrijwel alleen groot.
Eens volwassen kunnen ze oproer kraaien: oproepen tot verzet en chaos, want bij ruzies en schermutselingen met andere soortgenoten, spelen zwarte kraaien graag de baas over de kauw, de roek, de ekster en de Vlaamse gaai.
De meest begaafde vogel van de kraaienfamilie voelt zich thuis in alle landschappen met de nodige rust: van klifkusten [Schotland] over uitgestrekte wouden [Oost-Europa] tot in het hooggebergte [Alpen en Pyreneeën].
Een hele tijd werd de gitzwarte vogel in onze dichtst bevolkte contreien genadeloos vervolgd en zelfs in het begin van de 20ste E massaal uitgeroeid.
Na een spannend uitzetproject in Nederland kreeg de raaf langzaamaan weer voet aan de grond, vooral op en rond de Véluwe, de Utrechtse heuvelrug en Flevoland.
Rond de beginjaren 90 telde men een 100-tal broedparen. Inmiddels is het aantal raven weer aanzienlijk gezakt. De oorzaak van de daling is het sterk teruggelopen voedselaanbod.
Om te beginnen is de konijnenstand wegens een virusziekte in korte tijd sterk uitgedund.
Ook stopten wildbeheerders met het bijvoederen van reeën en wilde zwijnen, waar ook de raven volop van aten. Als gevolg van de varkenspest mocht dit slachtafval niet langer worden verstrekt.
De broedstrategie van de raven was afgestemd op deze extra voedselbron, waarmee ze hun jongen voederden. Sindsdien dienen de oudervogels voor hun kroost verder te zoeken naar geschikt voedsel. Terwijl het nest ook langer onbewaakt is, kunnen roofvogels zoals de havik makkelijk toeslaan.
Natuurlijk wildbeheer kan zonder bijvoederen, maar het opruimen van alle kadavers uit angst voor veeziektes zet de raaf wel ferm voor schut. Er rest hem nog enkel de dood gereden slachtoffers aan de kant van autosnelwegen, waar ook al een hevige concurrentiestrijd woedt.
Verspreider van ongeluk en pest
In de dagen waarin christelijke zendelingen nog geen vaste voet hadden op onze bodem, stond de raaf in hoog aanzien. De wijze Noorse god Odin werd vergezeld van 2 raven die altijd op zijn schouders zaten en die hij uitzond om de verste uithoeken van de wereld te verkennen. Ze heetten Huginn [geheugen, denkvermogen] en Muginn [gedachte, herinnering] en rapporteerden wat ze hadden waargenomen. De eigentijdse uitdrukking: tegen heug en meug[met tegenzin, tegen wil en dank] vindt haar bron in deze mythologie.
Door zijn wat griezelige verschijning en zijn uitgesproken voorkeur voor aas associeerden veel culturen hem met de dood. Zijn reputatie van onheilsbode dankte hij ook aan zijn gewoonte om als lijkenpikker op galgenvelden [bijnaam galgvogel] en slagvelden neer te strijken.
Raven beschikken over een welluidende en metaalheldere lokroep die overeenstemt met deze van kauwen en uitnodigt tot meevliegen, wanneer ze in een scheervlucht met heen en weer bewegende staart laag over de grond vliegen. Op de grond verplaatst de raaf zich met een plechtige wandelpas of al huppelend.
Aartsvijand is de grote wijfjeshavik, die het op de jongen heeft gemunt. Als de ravenouders in de buurt van het nest toeven, maakt de rover geen schijn van kans, daar de behendigere vliegeniers de schalkse belager snel weten te verjagen.
De raaf waagt zich complexloos tussen de berghellingen waar stijg- en valwinden het wervelende luchtruim herschapen in een kolkende zee van wolkenflarden. Raven vliegen hoger dan kraaien met een tragere vleugelslag en voeren geregeld zweefvluchten uit; ook waagt de stuntvlieger zich aan onnavolgbare spiralen, saltos en duikvluchten. Het stuntvliegen van de raven bereikt een hoogtepunt tijdens de balts in het vroegste voorjaar.
De grootste kraaiachtige
Kenmerkend zijn de prominente kop met de massieve, lange en kromme snavel en het wig- of ruitvormig uitgewaaierd uiteinde van de staart. Raven bereiken een lengte van ongeveer 65 cm en halen een gewicht van 1.5 kg. De spanwijdte van de lange hoekige gevingerde vleugels, varieert van 1.20 tot 1.50 m. Zijn pikzwarte verenpak vertoont een schitterende metaalglans. De veren van kruin, kin en keel kunnen tijdens een dreighouding worden opgezet, zodat de kop nog imposanter lijkt.
Met zijn bijzonder scherpe zintuigen bestudeert de raaf met intense aandacht alles wat er zich in de omgeving afspeelt.
Raven zijn opportunistische omnivoren [alleseters] die heel wat op het menu hebben staan: insecten, kikkers, kleine reptielen, pasgeboren of kleine zoogdieren [verongelukte schapen in bergstreken], vogels en hun eieren.
Ook eten ze aas en troepen ze samen om een karkas uit te pikken. Raven weten immers dat jagers het geschoten wild vaak al in het veld van de ingewanden ontdoen, waardoor ze na het weerklinken van de schoten, erop af vliegen in de hoop een warm feestmaal te kunnen nuttigen.
Zelfs op vuilstortplaatsen zoeken raven tussen dierlijk en plantaardig afval naar lekkere hapjes.
Pas in het 3de levensjaar planten raven zich voor het eerst voort in een broedgebied, dat ze vaak al het jaar voordien hebben uitgekozen. Aan het eind van de winter [vaak rond februari ] bouwen ze op rotrichels of in bomen met voldoende uitzicht, solide nesten [ één meter dik en anderhalve meter diameter] waarvan de buitenkant wordt versterkt met gevlochten takken, gevuld met klompjes aarde, mest en heideplanten; ook zeewier. Ze bekleden de binnenkant met gras, blaadjes, zacht mos, haar en wol.
Raven blijven levenslang bij elkaar en keren gewoonlijk ieder jaar terug naar dezelfde nestplaats.
Na het paren legt het vrouwtje 4 tot 6 vale, blauwgroene eieren met grijsbruine spikkels in het nest. Ze broedt er 3 weken op, terwijl ze door het mannetje wordt gevoed. Beide ouders zorgen voor de kuikens; ze voeren hen met geplette insecten, vogels of kleine zoogdieren, waarvan ze eerst de veren, haren en botten hebben verwijderd. Na 5 tot 6 weken verlaten de jonge raven het ouderlijk nest.
Al sinds Jean de la Fontaine hebben ze iets met fabels in Frankrijk. Fabels houden ons een spiegel voor, zoals in het moraliserende verhaal van de Vos die met geveinsd gevlei de zelf ingenomen Raaf verleidt tot het zingen [krijsen] van een lied en hem zo een stukje kaas ontfutselt.
Verlegen over zijn domme hooghartigheid verstopt de raaf zich tussen het gebladerte.
Deze zomergast verblijft van april tot oktober in de laaglanden en overwintert in tropisch Afrika.
Daar de kleine rakker nieuwsgierig is en niet schuw, valt hij vrij gemakkelijk waar te nemen.
Rietlanden en-kragen vormen het favoriete woongebied van de kleine karekiet, maar hij komt ook voor in wilgenbosjes of andere dichte begroeiing bij ondiep water, in zogenaamde verlande vegetaties. Ontwatering en ongunstig rietbeheer zijn niet bevorderlijk voor het behoud van de broedplaatsen, al is de kleine karekiet een onverschillig vogeltje dat snel tevreden is met een bescheiden optrekje.
De ranke vogelmet een plat voorhoofd, een bruin gekleurde kruin en een lange spitse snavel, heeft een mooi en eenvoudig vederpak met kleurschakeringen variërend van helderwit tot lichtbruin.
De borst en buik vertonen een bleke okertint (schutkleur van het dode riet).
De keel is nagenoeg wit; de egaal bruingele rug met de grijsgroene mantel deinen uit in wat warmer bruin getinte vleugels. De ogen vertonen een dunne bleke oogring en een lichte wenkbrauwstreep; de lange staart vertoont onderaan bleke dekveren. De poten zijn donkerbruin tot grijs.
De lengte varieert van 13 tot 15 cm; de spanwijdte haalt 18 tot 21 cm en het gewicht schommelt tussen de 11 en 15 g.
Voedsel zoekt de kleine karekiet in rietlanden tussen de stengels in ondiep water en natte ruigten, waar hij massas insecten verorbert.
Als het mannetje een geschikte nestplaats heeft ontdekt, vertelt hij luidkeels dat hij een partner zoekt. Als het vrouwtje de gekozen plek veilig genoeg vindt, dan is er haast geboden. Er wordt onverwijld begonnen met de bouw van een soort paalwoning.
Het nest wordt gevlochten tussen een aantal rietstengels en bestaat uit een diepe kom, gebouwd van fijne plantenstengels. Het mandje wordt binnenin bekleed met droge grassprietjes, spinrag en schapenwol of paardenhaar.De nestkom is zo diep, dat de eitjes er met een hevige storm of golfslag niet uit kunnen wippen. Het verblijf hangt voldoende hoog zodat landroofdieren er niet bij kunnen en zit goed beschut waardoor roofvogels (de bruine kiekendief o.m.) de plek niet opmerken.
Eind mei begint de leg in regel één legsel per jaar die bestaat uit 3 tot 5 eieren.De eitjes zijn bleekgroen van kleur met grijze en olijfgroene vlekken, doorgaans aan de stompe kant.
Het vrouwtje broedt s nachts en beide ouders overdag gedurende 11 tot 12 dagen; de jonge piepers worden nog 11 tot 13 dagen in het nest gevoerd. Ze worden voornamelijk getrakteerd op zaagrups wespen, die in dit seizoen veelvuldig voorkomen in knotwilgen aan de waterkant.
De jongen zijn dan nog niet vliegvlug,maar klimmen dan nog een weekje behendig langs verticale rietstengels. Een jaar later moet het voor de jonge vogels een vreemde gewaarwording zijn om in plaats van het manshoge, dichte, wuivende rietbos - dat zij in augustus verlieten - niets meer te vinden dan enkele dorre stengels en wapperende blaadjes. Ze hebben nog alle tijd, want het nieuwe riet waarin zij hun nesten moeten bouwen, steekt nog maar enkele cm boven het wateroppervlak uit.
Het koekoekswijfjeheeft een voorkeur voor het stevige en diepe nest van de karekiet om haar ei in te deponeren. Ze legt haar ei zodra er reeds één of twee eieren in liggen. De jonge koekoek heeft iets minder tijd nodig om uit het ei te breken dan de jonge karekietjes.
Zodra het koekoeksjong uit zijn eierschaal is bevrijd, kiept hij zo snel mogelijk alle andere eieren uit het nest. Het ouderpaar blijft de parasiet voeden, zodat de koekoek snel te groot wordt voor het nest, dat al wel eens bezwijkt onder zijn gewicht.
Na 6 weken is hij eindelijk in staat om voor zichzelf te zorgen. Dan is het voor de karekieten in het seizoen echter te laat om nog een tweede broedsel te beginnen.
Het Zwin bestrijkt een oppervlakte van 212 ha, waarvan 179 ha in België en 33 ha in Nederland.
Het ligt op de westelijke oever van de monding van de Westerschelde, die in zee uitmondt tussen het Nederlandse schiereiland Walcheren, de zandbank Vlakte van de Raan en de Vlaamse oostkust.
Over een breedte van ongeveer 250 m stroomt bij vloed zeewater in het natuurgebied.
Het gebied bestaat uit een duinengordel met daarachter slikken en schorren.
Slikken zijn laaggelegen modderplaten die bij elk hoogtij worden overstroomd en bij laagtij droog staan.
Schorren zijn de hoger gelegen delen van het getijdengebied, die slechts enkele keren per jaar onderlopen en die begroeid zijn met overblijvende planten.
De slikbodem daarentegen is onbegroeid, maar barst van levende organismen, zoals wormen, kreeftachtige diertjes (grijze garnaal), schelpdieren (mosselen, kokkels en andere strandschelpen). Wel treft men er zoutminnende plantjes, voornamelijk zeekraal, maar ook slijkgras, lamsoor (de zwinneblomme), zeeaster, zoutmelde en kweldergrassen (stekend en zacht loogkruid, smalle rolklaver, hertshoornweegbree, Deens lepelblad) tieren er welig.
De slikken en schorren zijn voor tal van vogels een broed-, foerageer - of beschermde en rustige overwinteringplaats.
Bij de stormvloed in 1134 was de monding ruim 6 km breed. Tot in de 19de E was het Zwin bovendien via andere getijdengeulen verbonden met de Westerschelde.
De tuin van de Koninklijke villa in het natuurgebied werd in 1952 op initiatief van graaf Léon Lippens aangewend om de gelegenheid te bieden de soortenrijkdom van inlandse vogels te aanschouwen.
De bezoekers konden van dichtbij kennismaken met de vogels die ze tijdens hun wandeling in het natuurreservaat van ver hadden waargenomen. Omwille van deze baanbrekende combinatie (educatief vogelpark speurtocht in de biotoop), was het Zwin een bijzonder populaire bestemming voor schoolreizen.
Meer ruimte voor hetZwin
Enkel door het Zwin uit te breiden kan het almaar sneller verzandend natuurreservaat worden gered.
Tegen 2014 worden 120 ha van de Willem Leopoldpolder, die destijds in landbouwgrond werd omgezet, aan de zee teruggegeven. Een uitbreiding met 180 ha ware beter geweest , maar dat stuitte op verzet van de plaatselijke landbouwers, niettegenstaande het verlies aan gronden op termijn wordt gecompenseerd via de grondenbank, die andere landbouwpercelen ter beschikking stelt.
Er komt een nieuwe afsluitdijk anderhalve km verder landinwaarts, waardoor het Zwin bijna 2 keer zo groot wordt. De nieuwe dijk moet net als de vorige in de eerste plaats de bevolking en het patrimonium beschermen tegen overstromingen, want als de klimaatverandering zich doorzet en niet wordt ingegrepen, zullen grote delen van de kuststrook onder water komen te staan.
Bij springvloed komt er zeewater met een vracht zand en slib binnen via de geul.
Doordat de overstromingsvlakte van het Zwin in de loop der eeuwen door inpolderingen sterk is ingekrompen, is ook de capaciteit van de waterkom te klein geworden. De stroming is niet krachtig genoeg meer om bij eb het zand en het slib weer mee te trekken, waardoor het bezinkt.
Hierdoor gaat het Zwin helemaal verzanden en verduinen. Al zijn duinen eveneens waardevol, toch zijn getijdengebieden een zeldzaamheid geworden.
Drie verschillende mogelijkheden werden afgewogen:
·Het gebied uitgraven, wegens de permanente aanvoer van zand, is een te dure optie.
·Zoet water uit de polders spuien om de geul open te houden, is schadelijk voor het zoutminnend leven in de Zwinkom.
·De bergingscapaciteit vergroten door het natuurgebied te annexeren leek de meest werkbare oplossing.
De mondinggeul naar zee wordt echter wel verbreed en uitgegraven. Er wordt ook een verbinding gegraven tussen de mondinggeul en de Dievegatkreek, die vandaag in het betreffend achterliggend poldergebied ligt. Aangezien de polder lager ligt dan de schorrengebieden van het huidige Zwin zal het nieuwe gedeelte meer onderlopen bij hoogtij.
Er zullen zich nog meer slikken vormen in de specifieke biotoop met zoute kreken, tijdelijke plassen en permanente vijvers.Kreken zijn kleine watergeulen die zijn ontstaan na de dichting van dijkdoorbraken. Deze verzand geraakte getijdengeulen zijn te herkennen aan hun steile oevers met veelal rietkraag en vaak met drassige oevers.
Ook aan de boomkikkerpopulatie wordt gedacht door op de nieuwe dijk een corridor van poeltjes en doornstruwelen aan te leggen. De dijk wordt ingekleed met onder meer meidoorn en sleedoorn, die op hun beurt vlinders en vogels aantrekken. Het fietspad rond het uitgebreid Zwin wordt heraangelegd en men voorziet eveneens nieuwe uitkijkpunten.
Men hoopt met de uitbreiding van het natuurreservaat nog een rijkere vogelpopulatie aan te trekken en onder meer de kanoet, de bonte strandloper, de rosse grutto, de kluut, de wulp, de tureluur, de kemphaan, de scholekster, de zilverplevier, het visdiefje, vaker te kunnen verwelkomen.
Voor de natuurvrienden en vogelkenners onder ons meer dan leuke vooruitzichten.
Wie zin heeft om de folder eens door te nemen, kan onderstaande weblink invoeren:
De Vlaamse gaai is een schuwe bewoner van landelijke en bosrijke gebieden, die men vaker hoort dan ziet. Het is een nieuwsgierige vogel, die echter wel voorzichtig is en zich niet, zoals kraaien en kauwen, lang in weidse open vlakten of uitgestrekte akkergebieden waagt.
Deze kraaiachtige werd immers jarenlang geschoten door jagers, omdat hij de eieren en kuikens stal van fazanten, patrijzen en andere jaagbare vogels. Van plundertochten was er echter helemaal geen sprake.
Deze buitengewoon begaafde en schitterende gevederde boswachter is een handige jongen die overal brood in ziet, al kan hij niet buiten zijn jaarlijkse portie eikels, zijn broodnodige winterkost. Daarom is hij ook zo hartstochtelijk verknocht aan eikenbomen.
Parkachtige boomrijke plaatsen en ouderwetse boomgaarden vormen de ideale biotoop, maar zolang bomen en struiken voldoende beschutting bieden, durft hij nu al eens vaker in verstedelijkte gebieden op te dagen.
De vogel heeft een lengte van 34 tot 35 cm; de spanwijdte varieert van 52 tot 58 cm en het gewicht schommelt tussen 140 en 190 g.
Typerend aan zijn verschijning, zijn de hemelsblauwe dekveertjes met fijne dwarse streepjes op de vleugels, alsook de grote blauwe kraalogen (met duidelijke pupil). De rug, buik en borst zijn roosbruin; de stuit is helder wit en de staart zwart; op de wangen contrasteert de zwarte afbuigende baardstreep fel met de vuilwitte keel; de gestreepte kruin kan de Vlaamse gaai bij opwinding of irritatie tot een fraaie kuif opzetten. De korte dikke snavel is donker gekleurd.
Bosbeheerder
s Zomers is zijn menu buitengewoon gevarieerd. Dan zoekt hij hippend op de bodem naar bessen, insecten, spinnen, wormen, slakken, maar hogerop naar rupsen, eieren en juveniele vogels.
In de winter houdt hij het voornamelijk op eikels, waarop hij ongewoon verlekkerd is.
Jaarlijks vormen eikels immers een uiterst betrouwbare voedselbron. Als de vruchten nog maar net volgroeid zijn nog onrijp en keihard begint hij ze als een maniak van de bomen te rukken. Hij kan er een aantal van meenemen in een zak onder zijn keel.
De methode om de groene eikels geschikt te maken voor consumptie is even simpel als doeltreffend. De gaai begraaft er honderden met zorg op een ideale plek in de dikke strooisellaag in het bos, die voldoende zuren bevat om de eikels te fermenteren. De eikel die goed gecamoufleerd en dank zij de stevige vruchtwand verder rijpt, levert voldoende proteïnen om de winter door te komen.
Zo nu en dan inspecteert hij zijn voorraad, graaft een eikel op, keurt hem en stopt hem weer onder; ook hazel- en beukennootjes behandelt hij wel eens op deze manier. Deze vruchten worden lang niet allemaal teruggevonden. Ze krijgen zodoende de gelegenheid te ontkiemen en voor bosverjonging te zorgen.
Als indringers de buit bedreigen of gevaar in aantocht is, weerklinkt een alarmerend geschetter of schril gekrijs, waar alle bosbewoners de Vlaamse gaai dankbaar voor zijn. Toch heeft de vogel ook wel degelijk meer verfijnde noten op zijn zang.
Sluwe opportunist
Tijdens ware ceremoniële baltsbijeenkomsten, die in het vroege voorjaar plaatsvinden, weerklinkt fijnzinnig gezang. Het lijkt alsof de vogels bij elkaar komen om uit te maken wie met wie een nestje gaat bouwen. Troepen van wel 20 tot 30 dieren organiseren dit soort huwelijksmarkten.
De mannetjes jagen de vrouwtjes door de bossen en pronken met hun kuif fier omhoog en de vleugels wijd uiteengespreid. De heren heffen een heus melodieus en zacht lied aan. Heeft de hofmakerij met het gekend voederritueel succes dan volgt de paring.
In een rommelig nest van takjes, dichtgesmeerd met wat aarde en bezet met dor gras, mos en plukjes haar laag verborgen in dichte begroeiing legt het vrouwtje 5 tot 7 bruin gespikkelde groengrijze eieren, die door beide vogels worden bebroed. Na 17 dagen komen de jongen uit, die nog circa 3 weken doorbrengen in het nest.
Vlaamse gaaien laten soms opzettelijk mieren over hun vleugels kruipen, waarmee ze zich bevrijden van parasieten zoals veerluizen en mijten. Wanneer de Vlaamse gaai met zijn dikke snavel de mieren tegen de veren aandrukt, verdedigen de insecten zich door mierenzuur te spuiten, waartegen het ongedierte niet is opgewassen.
Vlaamse gaaien zijn, net als spreeuwen en spotvogels, in staat om andere vogels te imiteren.
Deze grootste en sterkste uil van Europa treft men doorgaans aan in voor menselijke verstoring gevrijwaarde onherbergzame rotsgebieden, maar ook in bossen komt hij voor.
De koningin van de nacht bereikt een vleugelspanwijdte van 165 tot 170 cm en kan tot 3 kg wegen. De vrouwtjes zijn immers forser gebouwd dan de mannetjes; ze halen een lengte van 65 tot 70 cm.
Het verenkleed is overwegend bruin van kleur met een donker vlekken- en streepjespatroon.
De grote felgele tot oranjerode ogen met zwarte oogring bezorgen de nachtrover een scherpe blik. Ze laten toe met zeer weinig licht op jacht te gaan, hetgeen uilen vrijwel uitsluitend bij het invallen van de nacht (schemering) doen. Doordat de ogen onbeweeglijk voorin de kop staan, is het blikveld klein, maar het vermogen om afstanden te schatten des te sterker ontwikkeld. Om de gevoelige ogen overdag te kunnen beschermen, trekt er vanuit de ooghoek een 3de ooglid, het knipvlies, overheen.
De snavel is zwart en ligt verzonken in een wit gevederde huidplooi, de keelplooi.
Op de borst is het verenpak kenmerkend okergeel gekleurd.
Om de prooi te kunnen grijpen, doden en te verscheuren, beschikken oehoes over krachtige grijpvoeten en een haaksnavel. De poten eindigen in fors geklauwde tenen, die 2 tot 4 cm lang zijn.
De oren zitten in beweegbare huidflappen, die zich naar een geluidsbron kunnen richten.
Het formaat, de vorm of de positie van deze beweeglijke, overwegend zwarte, oorpluimen is licht asymmetrisch. Door de kop te draaien (tot 270° rondom) en op en neer (tot 180° naar boven) te bewegen, bepalen uilen de exacte positie van de prooi.
Doordat de slagpennen van de vleugels bedekt zijn met fijn dons kunnen uilen vrijwel geruisloos vliegen om hun prooi te verrassen.
Mijnheer de uil
Een oehoe heeft per dag nood aan een half pond vlees, maar zo nodig kan hij wel 4 weken vasten. Dan loopt de conditie natuurlijk terug en daarmee ook de kans om een snel prooidier te grijpen. Er komt ook wat geluk aan te pas. Als een jonge uil een paar keer makkelijk een prooi in de klauwen krijgt, dan kweekt dat zelfvertrouwen, meteen ook de basis om uit te groeien tot een gewiekste jager.
De oehoe overvalt zijn prooi, na die enige tijd te hebben gadegeslagen vanaf een gedekte uitkijkplaats. In een duikvlucht vat de uil de prooi in de nek om het op de plukplaats te ontdoen van veren of huid. Zo worden ook egels vakkundig ontdaan van hun stekelige vacht. Oehoes zijn zelfs in staat om volwassen vossen te slaan en in hun geheel al vliegend, mee te sleuren naar de plukplaats. Kleine prooien worden geheel opgeslokt en de uilenballen zijn de onverteerbare uitgebraakte resten, die men geregeld onder de plukplaats op de bodem aantreft.
Tijdens de najaarsbalts bakenen de mannetjes de territoria af door middel van luidkeelse roepen, waarbij de witte keelplooi wordt opgezet.
De eigenlijke balts vindt in februari-maart plaats. Mannetjes zingen dan intensief en voeren demonstratievluchten uit, die als doel hebben de vrouwtjes te imponeren. De mannetjes wijzen de definitieve broedlocatie aan, vaak op haast onbereikbare rotsachtige richels.
Het mannetje voert ook vers gevangen prooien aan om bij de vrouwtjes een goede indruk te maken. De paring vindt vaak plaats op merkwaardige plekken, zoals op uitstekende rotsrichels, boomtoppen of hoge palen.
Hij is gene uil
Oehoekuikens treffen het anders wel met hun ouders. Vader en moeder blijven hun leven lang bij elkaar en nemen er alle tijd voor om hun kinderen te leren jagen. Ze bieden zelfs opzettelijk verminkte prooien aan, waarop de jongen kunnen oefenen. Als de jongen een week of 5 zijn geworden, neemt hun vader niet meer de moeite om met de prooi op het nest te landen.
Hij dumpt vanuit de lucht een konijn als een bom op het nest en de jongen moeten maar zien hoe ze er mee klaar komen. In een later stadium gaan ze mee op jacht. Pas in het najaar, als pa en ma weer in baltsstemming komen, moeten de kinderen hun eigen weg zoeken.
Het nest ligt vaak in een nis of een holte van een rotswand; is die niet beschikbaar dan ook gewoon op de grond, in een boomholte of in verlaten roofvogelhorsten.
Het legsel bestaat uit 2 of 3 spierwitte volronde eieren, waaruit na een broedduur van ongeveer 35 dagen uilskuikens kruipen.
Oehoes voeden zich hoofdzakelijk met kleine zoogdieren, zoals muizen, ratten, eekhoorns, egels, konijnen, hazen. Bovendien vangen ze grote vogels zoals kraaien, roeken, kauwen, eksters, gaaien, duiven, lijsters, jonge fazanten, patrijzen en eenden; ook marterachtigen en vossen, maar ook insecten, amfibieën en reptielen staan op het uitgebreid menu. Oehoes tolereren zeker geen slechtvalken in hun territorium en deze worden als eersten geëlimineerd. Deze absolute toppredator (toprover) in de voedselpiramide duldt immers geen enkele concurrentie.
De oehoe is zeker niet schuw, zelfs wanneer hij heel dicht wordt genaderd op zijn rustplaats. Bij bedreiging leunt de vogel voorover, staart naar de uitdager, zet de borstveren op, spreidt de staart uit, tilt de gekantelde vleugels op, sist en knapt met de snavel.
Wie hier een uiltje heeft gekn(.)pt? Is het niet de Jo dan is het deWim
De roek is één van de 7 kraaiachtigen, waartoe ook de kauw, de ekster, de Vlaamse Gaai, de raaf, de zwarte en de bonte kraai behoren. De Latijnse naam Corvus frugilegus, betekent letterlijk vertaald de veldvruchtenverzamelende raaf.
Zijn leefgebied omvat open gecultiveerde landschappen of graslanden met boomgroepen of open bosgebieden en parklandschappen. De nabijheid van mensen schrikt hem niet af. Als ze vlak bij een woonbuurt nestelen, kunnen mensen echter wel last hebben van de grote luidruchtige roekenkolonies, met vaak poepoverlast op parkbanken, wegen en autos tot gevolg.
De roek is vrijwel even groot als een kraai, ongeveer 45 cm lang. Hij haalt een spanwijdte die varieert van 81 tot 99 cm; het gewicht schommelt tussen 460 tot 520 g. De slanke en puntige snavel is grijs tot zwart en wat naar beneden gebogen. De eerstejaars roeken hebben een borstelachtig beveerde bovensnavel. Als het dier ouder is, wordt de snavelbasis kaal en de onderliggende witgrijze huid zichtbaar, ook rond de kin en de ogen. Daarom wordt hij in sommige streken ook de schurftkraai genoemd. De kop vertoont en puntige kruin.
Het verenpak is zwart met een purperen metaalglans. Het bovendeel van de poten is met afhangende dijveren bezet wat de jonge roek een broek of rok oplevert, al naargelang van het geslacht.
Roeken zijn net als andere kraaien alleseters. Ze verkiezen dierlijk voedsel, zoals regenwormen, slakken, insecten, ritnaalden [de larven van kniptorren], emelten [de larven van de langpootmug], engerlingen [de larven van (mei)kevers], maar ook plantaardige kost [graan, noten, eikels, appels, peren, kersen en pruimen] die ca 3/5 van hun dieet uitmaakt, alsook muizen, piepjonge vogels en aas. Al huppelend of met plechtige tred inspecteert de roek als een heer van stand de akkers, waarbij aan zijn scherpe blik niets ontgaat. Waneer de roek op de grond scharrelt wroet, pikt, graaft of grijpt hij met zijn snavel wat voor zijn neus opduikt.
Eendracht maakt macht
Partners begroeten elkaar met een soort paradepas, waarbij de vleugels lichtjes worden opgetild. Tijdens de balts helpen wederzijdse verenkleedverzorging, voedsel bedelen en lange baltsduetten toenadering te vinden.
De nestbouw begint vroeg in maart, meestal in de kruin van een hoge loofboom. De nesten liggen gezellig dicht tegen elkaar [op amper één meter afstand]. Het omvangrijk komvormig bouwsel van dunne buigzame twijgen, wordt binnenin bestreken met aarde en bezet met stro, wortels, bladeren, gras, mos en plukjes wol. Takkenroof of het jatten van nestmateriaal bij koloniegenoten is een bekend verschijnsel.
De broedtijd start in maart of april, al naargelang van het klimaat in de streek en brengt in één legsel 4 tot 5 eieren voor die van licht blauwgroen over olijfgroen tot dofgroen gekleurd zijn en donkerbruine spikkels, streepjes of vlekken vertonen. De jongen breken na 16 tot 20 dagen uit hun eierschalen en de donzige nestblijvers bivakkeren nog zon 30 dagen in het nest.
Roeken doen zoveel mogelijk alles samen en hebben zowel vaste nestkolonies als vaste gezamenlijke slaapplaatsen, waar ze altijd weer trouw naar terugkeren. Met honderden tegelijk groepen roeken dag en nacht samen. Gemakkelijk gezeten op een paaltje houden ze overdag de akkers in de gaten. Tegen de avond gaan ze gezamenlijk op slaaptrek om vervolgens in een groep hoge bomen, doorgaans dennenbossen, op afstanden van 10 tot 25 km de nacht door te brengen. Zo zijn ze vrijwel ongrijpbaar voor roofdieren. Reeds een uur voor zonsopgang zijn de roeken weer paraat en vliegen ze terug naar de nestkolonie. In het najaar komt het vaak voor dat kauwen zich bij de kolonies en overwinteringzwermen aansluiten; ook de bonte en zwarte kraaien doen dit wel eens. Ze vliegen dan met duizenden tegelijk.
Bestrijder van insectenplagen
De roek is een beschermde diersoort, die zeer nuttig is daar zij in landbouwgebieden op een natuurlijke wijze grote aantallen insecten en larven verdelgd.
In het voorjaar treedt echter wel schade op door het oppikken van zaaigoed en het uittrekken van kiemplanten van granen, maïs, peulen en doperwten. Daarbij lopen de roeken de rijtjes af, zodat er bepaalde delen van de akker worden uitgedund. Vaak blijkt later in het jaar dat de schade wel meevalt, omdat het overgebleven gewas meer uitgestoeld is. Er wordt overigens vaak te dicht gezaaid, wat evenmin een optimale opbrengst garandeert. Schade aan de melkrijpe korrel ontstaat als graan gelegerd (omgeknakt) geraakt en dat is niet perse de schuld van de roek. Ook een sterke onweerswind, overbemesting of te dicht op elkaar gestrooid zaaigoed spelen een niet onbelangrijke invloed.
Wil men toch op een diervriendelijke en heel efficiënte wijze roeken en kraaien verjagen dan kan dat a.h.v. een geluidsinstallatie door gedurende 30 seconden angstkreten over het perceel te verspreiden.
De roekitoys
Deze kraaiachtige bezit een hoge graad van sociaal gedrag en is behoorlijk intelligent.
Tijdens onze jongste reünie wist onze belezen Oswald het kleine gezelschap te boeien met een studie (bron: EOS-magazine en wat opzoekwerk) over merkwaardige gedragingen bij kraaiachtigen.
Recent hebben Britse onderzoekers die een groep roeken in gevangenschap met werktuigen lieten experimenteren, vastgesteld dat de kraaiachtigen met chimpansees kunnen wedijveren.
Enkel mensapen en Nieuw-Caledonische kraaien bleken inderdaad over vergelijkbare handelingsvaardigheden te beschikken.
De wetenschappers schotelden de vogels een aantal varianten van dezelfde proefopstelling voor: een plastic cilinder met daaronder een scharnierend klepje, waarop een lekker hapje ligt.
Door een steen in de cilinder te gooien, kantelt het klepje en krijgt de vogel zijn beloning.
Vervolgens kregen de vogels cilinders van verschillende formaten voorgeschoteld, telkens met een gamma aan steentjes, waarvan er slechts één in de cilinder paste. Schijnbaar zonder problemen kozen de dieren voor de juiste steen.
De roeken bleken ook in staat één en ander te voorspellen. Geconfronteerd met 2 opstellingen een brede cilinder met op de bodem een kleine steen en een smalle cilinder met op de bodem een beloning keilden de dieren een grote steen in de brede cilinder om vervolgens met het kleine steentje in de smalle cilinder de beloning te bemachtigen.
Daarnaast slaagden de vogels er ook nog in zelf werktuigen te vervaardigen. De dieren plooiden een stuk ijzerdraad tot een haak om een emmertje met daarin een beloning uit een put te vissen.
Verbluffende vindingrijkheid
Verbazend is dat roeken in het wild helemaal geen werktuigen gebruiken, terwijl de Nieuw-Caledonische kraai wel afhankelijk is van zulke werktuigen om larven uit gaten te peuteren.
Enkele jaren geleden ontdekte gedragsbioloog Gavin Hunt (universiteit Auckland in Nieuw-Zeeland), dat deze kraaien diverse soorten gereedschap, waaronder haakvormige, gebruikt om zijn prooien uit voor de snavel onbereikbare plekken te plukken.
Eén haak wordt gemaakt door een tak met een zijtak zo door te knabbelen dat de zijtak een steel vormt met een restje van de grotere tak als haak.
Een ander wordt gemaakt door van een gedoornd blad alles af te knabbelen, behalve de stevige middennerf en één van de doorns aan het uiteinde.
Het knapste hulpmiddel is een reepje van het taaie blad van het palmgeslacht Pandanus dat een uitgesproken gezaagde bladrand heeft. Dit naar het uiteinde toe smaller wordend stevig gestructureerde steekwapen, is een handig als het ware van weerhaken voorzien werktuig, waarmee de vogel in nauwe spleten kan koteren om prooien uit hun schuilplaats te rukken.
Het team uit Oxford wou in hunlaboratorium testen of de in het wild gevangen Nieuw-Caledonische kraaien echt begrijpen wat ze doen als ze gereedschap gebruiken.
Als probleem zetten de wetenschappers onder andere een emmertje met voedsel erin en een hengsel eraan in een plastic buis in een waterbad. De kraaien kregen vervolgens de keuze tussen een rechte stok en een stok met een haak aan het uiteinde. Na bestudering van de buis met de emmer kozen de kraaien voor het gereedschap met de haak en haalden feilloos het emmertje eruit. Dit was meteen het bewijs dat de kraaien wel degelijk beseffen welke gereedschap het efficiëntst is.
Zelfs toen een rechte ijzerdraad werd aangeboden, wist de kraai het uiteinde van de ijzerdraad tot een haak om te buigen door hem in de tape te stoppen , die om de buis heen gewikkeld zat enom de buis te lopen.
De intelligente kraaien hebben net als papegaaien extra hersenen ten opzichte van andere vogels, maar dit vermogen tot het maken van gereedschappen wordt eerder toegeschreven aan het instinctieve dan aan het inzichtelijke. Er zijn immers meer dieren die tot zeer complexe handelingen in staat zijn: denk maar aan de architecturale vaardigheden om vogelnesten te bouwen.
Oswald besluit zijn verhaal met een authentieke waarneming en wijs besluit.
Ooit was door een hetezomerdag een stuk brood hard gebakken. Een ekster hakte er met zijn snavel op los, maar kreeg de buit niet in hapklare stukken verdeeld. Toen de smulpaap een waterkommetje in de gaten kreeg, vloog die meteen met het kurkdroog broodhompje er naartoe, dompelde het onder en genoot van een sompige lunch. Ook wie oog heeft voor de natuur vergaart een rijkdom aan ervaringskennis.
Doorgaans treft men deze middelgrote roofvogel aan langs bosranden of in open weiden met boomgroepen.
Roofvogels zijn al moeilijk van elkaar te onderscheiden en zeker buizerds die qua verenkleed enorm kunnen variëren. Vaak worden ze verward met de bruine kiekendief.
Beter is het om te luisteren naar het typische klaaglijke gemiauw dat zowel het mannetje als het vrouwtje het hele jaar door voortbrengen.
Bovendien is de buizerd de enige roofvogel, net als de torenvalk, die biddend stil hangt in de lucht en zich dan opeens als een baksteen op zijn prooi stort.
De buizerd heeft een gedrongen lichaamsbouw met een ingetrokken ronde kop en een relatief korte, maar breed gespreide staart.
De spanwijdte van de brede en hoekige vleugels varieert van 113 tot 128 cm; van kop tot staart is de lengte 50 tot 57 cm. Het gewicht schommelt tussen 550 en 1200 g.
Het verenkleed wisselt van donkerbruin tot roomkleurig; het bovengedeelte is meestal effen van kleur terwijl aan de buikzijde verschillende dwarsbanden voorkomen, die vooral op ondervleugels en staart regelmatig verdeelde bruine streepjes vertonen.
Net als de slechtvalk besteedt de buizerd veel aandacht aan zijn verenkleed en poetst hij nauwgezet de veren aan zijn onderstaart.
De buizerd is een stijlvlieger die de allure aanneemt van een arend en alle kneepjes van het vak beheerst: zwevend, cirkelend, glijdend op de horizontaal gestrekte vleugels met opwaarts gebogen slagpennen aan de vleugeltippen en de waaiervormig gespreide staart.
Energie besparen
In gebieden met veel konijnen vormt de voorkeursbuit het hoofdvoedsel, maar als opportunist kan een buizerd, bij gebrek aan (woel)muizen, jonge hazen of konijnen, vlug overschakelen op een ander voedingspatroon, waarbij eekhoorns, mollen, hazelwormen, padden, kikkers en waterhoenen ook tot lekkere hapjes worden gerekend.
Ook eet hij aas, want de buizerd is dol op roadpizzas. Geen wonder dat hij vaak langs snelwegen wordt waargenomen, zittend op een uitkijkpost van waaruit hij de omgeving afspeurt. Behalve veel (woel)muizen in de wegberm, liggen er ontelbare malse verkeersslachtoffers op consumptie te wachten.
De buizerd weet dat luiheid loont en werken energie kost; hij werkt om te leven en niet andersom. Meewarig kijkt hij naar zijn sportieve concurrent, de havik, die in een vermoeiende achtervolging op duiven jaagt of een wendbaar konijn probeert te verschalken.
De buizerd wacht gewoon tot het konijn, aangetast door myxomatose (konijnenziekte) traag wordt of een duif door ouderdom of een aanrijding onweerbaar is geworden.
Al is de buizerd inderdaad niet zon flitsende rover als de slechtvalk, havik en sperwer, gaat hij met veel overleg te werk en houdt hij er zelfs verschillende jachtmethodes op na: de jacht vanuit de lucht, de hoogzitjacht en de grondjacht.
Vanuit de lucht, meestal op een hoogte van 20 tot 40 m, zoekt de vogel al zwevend en cirkelend naar een prooi: een konijntje, een jonge haas of een vogel. Plotseling begint hij te bidden, net als de torenvalk. De intensiteit waarmee hij bidt, hangt van de windsterkte af.
Hij laat zich zakken in de overtuiging dat het prooidier zich van geen gevaar bewust is en dan komt het moment dat de buizerd met omhoog gestrekte vleugels op zijn slachtoffer neerploft.
In streken waar weinig bodemdieren zijn, heeft hij het voornamelijk op jonge, zwakke of verzwakte vogels gemunt. Het meeste succes heeft hij echter met de vangst van knaagdieren, die nietsvermoedend op de grond rondscharrelen.
De jacht vanuit de lucht past de buizerd vooral in de zomermaanden toe, daar er dan veel thermiek is.
De hoogzitjacht wordt het hele jaar bedreven. Dikwijls vanaf paaltjes langs weilanden, van waar hij in de naaste omgeving veldmuizen en gravende mollen detecteert. De grondjacht is aantrekkelijk in voor- en najaar. Een beetje stumperig struint de buizerd door het veld op zoek naar het ruim aanbod aan wormen, slakken en kevers. Ook vat hij post aan muizenholletjes waar hij wacht tot een knaagdiertje tevoorschijn komt.
Waag je niet te dichtbij
Reeds in de wintermaanden voeren de buizerds baltsvluchten uit die de komende broedperiode aankondigen.
Een indrukwekkend manoeuvre tijdens deze demonstratievluchten is de stuitervlucht van de mannetjesbuizerd, waarbij de vogel in min of meer neergaande bewegingen afdaalt, een soort geritualiseerde agressie om mogelijke vijanden te imponeren.
Een gevecht tussen twee dominante buizerds lijkt erger dan het eigenlijk is. De rivalen gedragen zich volgens een vast ritueel, waarbij ze de klauwen ineen haken, de snavels wijd opensperren en elkaar diep in de ogen kijken. De kopveren worden opgezet en af en toe slaan ze met de vleugels. Degene die zijn kop het eerst afwendt, is de verliezer. De winnaar verdient het verse kadaver, vaak de aanleiding voor zon krachtmeting.
Buizerds bouwen hoog in de bomen in een gaffelvormige boomtak of tegen de stam aanleunend een horst van dode takken met daarop dennen- en larikstakken (lork).
Binnenin wordt de nestkom bedekt met frisgroene twijgjes, varens, gras en mos.
Buizerds hebben de gewoonte hun nest schoon te houden en verversen geregeld het plantmateriaal uit vrees voor parasieten, zoals mijten, teken en luisvliegen.
Het vrouwtje legt in mei 2 tot 4 witachtige eieren met bruine vlekken. De broedtijd duurt 33 tot 36 dagen. Jongen die uit de eieren van hetzelfde legsel kruipen, kunnen onderling enorm van kleur verschillen. In één horst kun je zowel sneeuwwitte, roodbruine als zwarte buizerdkuikens aantreffen. Bij gebrek aan voedsel sterft het zwakste kuiken en wordt dat uit het nest gekieperd of gewoon opgepeuzeld door de rest. De jongen blijven 6 tot 7 weken in het nest. Pas na 3 jaar is de buizerd geslachtsrijp.
Buizerds zoeken bij het bepalen van een nestplaats vooral naar plekjes waar de rust min of meer is gewaarborgd. Met jongen op het nest, voelen ze zich erg geprikkeld, enerzijds door hun jachtinstinct, anderzijds door hun beschermingsdrang wanneer indringers die rust in hun biotoop komen verstoren.
Dreigende buizerds durven al eens (schijn)aanvallen uitvoeren op racende fietsers, hardlopers of joggende voorbijgangers in kleurige pakjes, die het territorium waar de nesten zich bevinden te dicht naderen. Ofwel delen ze enkele klappen uit met hun wieken of zetten ze hun klauwen eens in het achterhoofd, wat wel bloedende verwondingen kan opleveren.
Opnieuw wist WIM met enkele knappe opnames de levenskracht die de buizerd uitstraalt, vast te leggen.
Valkerij, één van de oudste africhtdisciplines en jachtvormen, is de kunst van het trainen van een roofvogel om te jagen in partnerschap met de mens. Uniek hierbij is dat het wilde dier centraal staat,de echte speler blijft en de valkenier de toeschouwer van de actie. De getrainde vogel is immers geen huisdier, die is afgericht om de mens te dienen. Een valkeniersvogel zal niet reageren op zijn meester uit genegenheid, noch uit angst, maar omdat hij werd getraind de trainer te associëren met jacht en vangst. Geduld en doorzettingsvermogen zijn nodig en alleen op basis van vertrouwen en beloning zal de roofvogel zich volledig ontplooien.
In de 16de E ontwikkelde zich de kunst van het vangen en het africhten van valken in het Brabantse Valkenswaard, gelegen op de trekroute van de slechtvalk. Valkeniers waren toen welgestelde lieden die voor het populair vertier instonden aan de hoven van vorsten. Staatshoofden deden elkaar valken cadeau. Zijn status had de slechtvalk mede door zijn uiterlijk verworven.
Door zijn zwarte koptekening lijkt het of hij ridderlijk is gehelmd en op de valkeniershandschoen van zijn meester blijft hij onverminderd soeverein, met hoge, brede schouders. De lederen huif die de ogen afdekt waardoor de valkeniersvogel kalm blijft, is getooid met aigrettes (rechtopstaande pluimen van de reiger) en praalveren van zijn geslagen prooien.
Alle getrainde vogels dragen schoenen; dit zijn lederen riempjes vastgemaakt aan de poten.
Vlak boven die schoenen worden belletjes aangebracht, die elk hun eigen klank voortbrengen en over een lange afstand dragen. Het gerinkel waarschuwt de valkenier waar de vogel zich precies bevindt als deze een prooi heeft geslagen.
Tot de Franse revolutie onderscheidde men 2 jachtvormen in de plezierjacht met roofvogels.
Met de term hoge vlucht, waarbij hoog in de lucht veerwild tot prooi wordt gekozen, bedoelt men het jagen op de reiger.
Deze jacht met valken was voorbehouden aan de adel en de hogere klasse. Niet de opbrengst, maar het weidespel was hier van belang. Het was inderdaad de geliefkoosde ontspanning van koningen, keizers en edellieden. Met de valken joeg men o.a. op kraaien, wouwen, eenden, maar bovenal op reigers. Hiervoor stegen de valken erg hoog om boven de reigers uit te komen, zodat zij hen naar beneden konden dringen.
Bij het aanwachten zoekt de valk voldoende hoogte om uit het veld opgejaagde prooien, zoals fazant of patrijs in een verrassende snelle duikvlucht te kunnen stoten. Niet zelden wordt die verschrikkelijk harde klap met een tot vuist gebalde klauw toegediend.
De term lage vlucht slaat dan eerder op de vogels die doorgaans laag bij de grond jagen op haarwild. De havik en de sperwer (duivenklamper),de zogenaamde keukenvogels, die vlees op tafel brachten, waren bijzonder geschikt voor het gewone volk.
Men joeg tot gruwel van de adel vaak met veel herrie o.a. op konijn, haas, ook wel op fazant en eend.
Roofdieren zijn altijd op zoek naar situaties in hun voordeel omdat energie besparen een prioriteit is. Net als de mens zijn ze opportunist en liever lui dan moe. Van leeuwen weten we dat ze ¾ van de dag rusten en slapen. Investeren in een jachtvlucht kost de roofvogel veel energie en een directe trofee is niet altijd gewaarborgd. Daarentegen levert iedere vlucht naar de handschoen van de valkenier voedsel op. Op deze manier kan een valk zeeg worden gemaakt. Een wild dier duldt de nabijheid van mensen omdat het vanaf de eerste kennismaking nimmer een negatieve ervaring heeft gehad en uitsluitend is geconfronteerd met de voordelen die de samenwerking biedt.
Inmiddels herkent de lezer de bijzondere kwaliteit van de merkwaardige opnames van WIM
Er bestaan 13 albatrossoorten: 4 op het noordelijke en 9 op het zuidelijke halfrond. De onbetwiste koning van allemaal is de reuzenalbatros, die perfect uitgerust voor een zwervend zeebestaan, ronddoolt boven een enorm verspreidingsgebied dat zich met woeste kusten, wilde zeeën en ijzige kliffen uitstrekt van de Steenbokskeerkring tot het zuidelijk halfrond (Antarctica).
Het is een woelig en onstuimig gebied van ijsschotsen, weinig toegankelijke eilanden en onbegaanbare reusachtige rotsformaties. De zee kolkt er en de winden waaien er constant uit het westen. De reuzenalbatros zoekt de felste winden op en de vrees van de zeelieden voor deze bode van stormen is dan ook begrijpelijk. Dit gigantisch zweefvliegtuig is met vleugels van meer dan 3 m breedte, de vogel met de grootste spanwijdte ter wereld.
De indrukwekkende vleugels bevatten 88 slagpennen, het grootste aantal in het hele vogelrijk.
De vleugelspieren zijn echter veel te zwak om ze voortdurend op en neer te bewegen. Trouwens albatrossen vliegen niet, maar zweven en leggen hierbij gemakkelijk honderden km af zonder ook maar één vleugelslag te maken.
Het geheim van hun vliegkunst, het dynamisch zweven, schuilt in het feilloos begrijpen van de capriolen van briesjes en stormen en in de behendigheid van de vogel zelf om op deze wervelingen opportuun in te spelen. De reuzenalbatros vliegt tegen de wind in en maakt nuttig gebruik van de opwaartse druk om omhoog te zweven.
Op het hoogste punt, als zijn vaart sterk is afgenomen, laat hij zich met de wind meevoeren en wint zo in een dalende vlucht weer aan snelheid. Deze versnelling benut hij om vlakbij zee in een windstil golfdal te duiken. Zodra hij met een vleugelslag weer boven de schuimende golftop uitstijgt en door de tegenwind wordt gegrepen, wordt hij met grote kracht omhoog gestuwd. Door tijdens zijn zweefvlucht voortdurend wervelende luchtlagen op te zoeken, weet hij weer gauw hoogte te winnen. Eens de snelheid weer fel afneemt, herhaalt hij het vliegmanoeuvre. Op deze manier worden per dag wel 500 km afgelegd.
Als de wind helemaal gaat liggen en er ook geen golven zijn, raken de albatrossen vleugellam. Hulpeloos landen ze op het water en zijn gedwongen daar te wachten tot er weer en bries opsteekt. Vanaf het water opstarten is voor een zweefvlieger geen vanzelfsprekende opdracht. Alleen met een flinke aanrollende golf lukt dat. Peddelend met de zwemvliezen probeert de reuzenalbatros dan een golfkruin te bereiken om dan boven het golfdal uit het water te kunnen loskomen. De inspanning dient wel geregeld herhaald, daar om voedsel te zoeken, de albatros ook op water dient te landen.
s Nachts helpt zijn reukvermogen hem om scholen pijlinktvis te detecteren als deze naar het wateroppervlak komen, maar ook kleine vissen, kreeftachtige, krill, schaaldieren, aasen andere zeevogels staan op de spijskaart. Dol zijn ze op scheepsafval . De reuzenalbatros drinkt zeewater om zijn dorst te lessen; het overtollige zout scheidt hij uit via de neusklieren.
Liefde aan wal
Alleen om te broeden keert hij één keer in de twee jaar terug naar het land. Tijdens de zoektocht naar een ideale nestplaats houdt het echtpaar altijd rekening met de windrichting en kiest doorgaans een eiland uit met een open winderig terrein (een startbaan), dat door zijn hoogte onderhevig is aan opstijgende luchtstromen.
Reuzenalbatrossen zijn solitaire dolers, erg op zichzelf, maar ze onderhouden wel een huwelijkse band die in het broedseizoen stevig wordt opgepoetst. Twee machtige vogels, die jarenlang als eenzame zwervers op zee hebben geleefd, groeien na een lange hofmakerij met ingewikkelde paringsrituelen naar elkaar toe. Meestal hebben de mannetjes een broedpartner voor het leven, ofschoon ze die voor de vorm wel ieder jaar heroveren. Dit leidt tot baltsrituelen die tot de fraaiste pas de deux ter wereld behoren. Met overgave vieren de dieren het feest der herkenning.
Het mannetje, dat meestal als eerste op de broedplek van vorig jaar aankomt, vecht eerst een robbertje met rivalen die hebben geprobeerd zijn oude nestplaats in te pikken en wacht dan geduldig de komst van zijn vrouwtje op.
De begroetingsceremonie en de daaropvolgende balts bestaat uit een dans, waarbij de geliefden met kleine stapjes ronddraaien, elkaar blijven aankijken en hun gigantische vleugels als molenwieken in de lucht steken. Af en toe raken ze het puntje van elkaars snavels aan en kleppert het mannetje met zijn bek, terwijl hij met de poten waarlijk een tapdans uitvoert. Dan weer neigen de dieren hun halzen naar elkaar toe. De dans die gepaard gaat met kreunende, fluitende en rochelende geluiden, bereikt een hoogtepunt met het loodrecht opheffen van de snavels, een gebaar van definitieve overwinning op buren en belagers. Bij de dans hoort als naspel een uitvoerig heen en weer verenpoetsen en kopje kriebelen. Als de verlovingsceremonie is volbracht, wordt er een nieuw nest gemaakt, een stevige verhoging van modder, aarde en gras met een kuiltje bovenaan.
Hard jeugdig bestaan
Het grootste deel van zijn eerste levensjaar brengt het albatrosjong in volstrekte eenzaamheid door. In de vrieskou wacht het gelaten tot de ouders terugkomen met een vracht voedsel. Reuzenalbatrossen leggen slechts één ei, dat beurtelings door het ouderpaar 80 dagenlang wordt bebroed.Na het uitkomen wordt het jong nog een tijdje door de vogels warm gehouden. Maar dan, na een paar weken, wordt het aan zijn lot overgelaten en gaan de ouders voor langere tijd naar zee op zoek naar voedsel.
Na 10 dagen komen ze pas weer aan op het eiland, waarbij ze op de vaste grond vlotjes trachten neer te strijken. Maar vaak smakken ze tegen de vlakte, wat meer gelijkt op een crash dan op een noodlanding. Landingstechnieken beheersen albatrossen immers niet en de vis in hun maag maakt hen nog twee keer zo zwaar. Als ze van deze onzachte landing zijn bekomen, braken ze een enorme hoeveelheid halfverteerde vis en inktvis, vermengd met scheuten maagolie, voor het jong op.
Daarna zijn ze weer voor 10 dagen vertrokken. Die lange zoekperiodes hebben te maken met de schaarste aan voedsel op volle zee. Dit gaat maandenlang door tot de winter nadert.
Het albatrosjong brengt 9 maanden evenwel in eenzaamheid door, met in de onmiddellijke omgeving en op enige afstand enkel andere jonge lotgenoten.
Wanneer de donzige vleugelstompjes uitgroeien tot regelrechte meterlange vlerken, beginnen de jonge vogels onwennig te flapperen. Hun eerste huppelende vliegpogingen zijn lachwekkend onbeholpen. Na herhaaldelijke testvluchten ervaart de jonge vliegenier dat een flinke aanloop nodig is om los te komen.
Op winderige dagen wordt er massaal en ijverig geoefend.
Op vaste tijdstippen staan de ouders in voor de catering, maar na 14 maanden houden ze het voor bekeken. Ze zijn doodmoe en zien er vreselijk uit. Hun snavels zijn volkomen verweerd, hun ogen roze omrand en hun vleugels sjofel en versleten; ze zijn op. Ze gaan er van door en laten het jong voor goed achter.
Als de laatste veren klaar zijn, slaat ook de jonge reuzenalbatros de gigantische vleugels uit en zweeft weg op de westenwinden. Tijdens zijn eerste weken van onafhankelijkheid moet de jonge albatrosop zee in korte tijd leren zijn kostje bijeen te scharrelen, voordat zijn van huis uit meegekregen vetvoorraad is opgebruikt.
Hij blijft 7 tot 8 jaar ronddolen over de zuidelijke oceanen en op een dag verschijnt hij weer op zijn geboorte-eiland, waar hij meteen met concurrenten in felle gevechten verwikkeld geraakt. Nu gaat het erom een nestplaats en de vrouw van zijn leven te veroveren.
Met hun krachtige en scherpe snavels brengen rivalen elkaar flinke verwondingen toe, maar de winnaar verwerft de beste plek en het mooiste vrouwtje.
De langzame voortplanting, het gevolg van de lange verzorging die het jong nodig heeft, vormt echter geen gevaar voor het voortbestaan van de soort, aangezien de reuzenalbatros geen natuurlijke vijanden heeft. Hij bereikt ook een relatief hoge leeftijd.
Weinig vogels zijn in het verleden zo meedogenloos door boeren en jagers vervolgd als eksters en zelfs heel wat natuurliefhebbers kunnen niet veel waardering opbrengen voor deze wildebras. Zijn slechte naam dankt hij aan zijn voedselgewoonten: behalve granen, vruchten, fruit, insecten, spinnen, (naakt)slakken en kleine knaagdieren, eet hij ook graag gewonde vogels, nestjongen en eieren.
Het verenpatroon is opvallend: een zwart glanzende kop en rug; een zwarte borst en witte buik; een grote witte vlek op de schouder; zwarte vleugels met groenblauwe weerschijn; lange zwarte staart met purpergroene glans. De stevige zwarte snavel is sterk genoeg om vlees van karkassen af te scheuren.
Als leefgebied geniet het parkachtige cultuurlandschap bij de ekster de voorkeur; ruimte met dekking in de vorm van struiken en boomgroepen, maar hij komt ook voor tegen bosranden, in duinlandschappen en boerenerven.
De arrogante en zelfverzekerde ekster is een opportunistische en snelle schavuit, maar tevens een volhouder en doordouwer. Hij kan zich dankzij de beweeglijke staart gemakkelijk wenden, ook tussen een wirwar van takken en struiken. In tegenstelling tot de lange staart zijn de vleugels, die hij in volle vlucht snel op en neer beweegt, eigenlijk vrij kort. Als de vogel neerstrijkt, wordt de lange staart meteen omhoog getild en zorgvuldig van de grond gehouden. Het is meer een sprinter dan een afstandsvlieger. Vliegend over een uitgestrekt veld, maakt hij nuttig gebruik van paaltjes en damhekken om bliksemsnel toe te slaan, de buurt af te speuren en bij het minste onraad zich weer uit de voeten te maken. Het zijn ware spionnen die als oudjes van achter de gordijntjes het doen en laten van de buren secuur gadeslaan en weten wanneer er iets valt te jatten.
s Morgens vroeg begint hun geschetter en geschater, dat klinkt als een hele sloot schorre kikkers bij elkaar.
Stevig bastion
Een eksterpaar kent evenals kauwen en kraaien de huwelijkstrouw. De vogels zijn altijd samen en zijn sterk plaatsgebonden. Vernielt men hun nest dan beginnen ze onverdroten opnieuw, desnoods 4 tot 5 keer toe.
Met de nestbouw wordt al heel vroeg in het voorjaar begonnen, nog voordat de bomen uitbotten. Niet zelden zie je ze al eind februari met takjes in de weer.
Meestal in een populier of schietwilg zit het nest stevig verankerd in de vaak niet eens zo dikke vork van een tak. Eerst wordt een bodemlaag van takjes gelegd; daar wordt van aarde of klei, die ze bij de sloot weghalen of van koeienvla de nestkom gemetseld. Deze behoorlijk diepe holte bekleden eksters met dode grassprieten, soms ook met wat gevonden haar en plukjes wol. Boven de nestkom wordt een koepel gevlochten, liefst van sterke doornige takken, zelfs met stukjes prikkeldraad. De koepel heeft een opening aan de zijkant. Dit afweermateriaal moet rovers (katten, vossen, kraaien, meeuwen, sperwers, haviken, buizerds) en andere indringers op veilige afstand houden.
Kraaien trachten te voorkomen dat eksters in de buurt van hun territorium gaan broeden en breken de eksternesten af als zij de kans zien. Daarom ook bouwen de eksters verschillende proefnesten om te zien of ze door kraaien worden verstoord.
Eekhoorns bewonen graag een stevig eksternest, dat jaren meegaat. Ook ransuilen en torenvalken nemen er hun intrek als de woning leegstaat. Tijdens de wintermaanden zijn eksternesten in kale boomkruinen te herkennen aan hun hoge eironde vorm.
Eksters broeden maar één keer per jaar; het wijfje zit op de eieren en wordt door het mannetje gevoerd. Het legsel bestaat uit 5 tot 8 groenachtig blauwe eieren, die na 17 tot 18 dagen broeden uitkomen. Na ongeveer 4 weken vliegen de jonge eksters uit en worden door de ouders nog lange tijd gevoerd.
Omnivoor
De ekster zoekt hippend met die typische sprongetjes en hoog opgerichte staart, naar slakken en insecten op de grond. Hij rooft echter ook eieren en jonge vogels, vooral in het vroege voorjaar, wanneer zijn behoefte aan eiwitten groter is na de magere winterperiode. De meeste bomen en struiken zijn dan nog kaal en de ekster vindt vrij gemakkelijk de nesten van sommige kleine zangvogels. Later wordt het zoeken moeilijker naarmate het bladerdak zich afsluit, maar dan wordt het aanbod van wormen en insecten steeds groter, waarop de ekster vooral s zomers is aangewezen.
Als echte alleseteris de ekster niet vies van afval en aas (rottende kadavers). Hij is op snelwegen een nuttige opruimer van verkeersslachtoffers onder de dieren. Niets ontgaat de ekster van hetgeen in zijn omgeving gebeurt en overal valt er wel wat mee te pikken, ook op de vuilnisbelten van de moderne verstedelijkte maatschappij.
Soms vinden er in de lente lawaaierige samenscholingen van wel honderd eksters plaats.
De vogels pronken, springen rond en zitten kwetterend achter elkaar aan. Waar deze ceremonies precies voor dienen is niet duidelijk, al wordt vermoed dat vogels die hoog in de hiërarchie staan de territoria van andere eksters betreden om hen uit te dagen. Door het rumoer en de opschudding komen alle naburige eksters de wedstrijd bijwonen.
Het territorium kan tot 5 hectaren groot zijn. Vaak worden de indringers na het opgezweept machovertoon weer verjaagd.
Killer-imago
De ekster wordt verweten een dief en een moordenaar te zijn; een plunderaar van nestjes van andere vogels en een regelrechte bedreiging van zangvogels. Hij stroopt verborgen plaatsen af naar nesten van zangvogels, waarbij eieren even welkom zijn als piepende jongen.
Uiteraard is het een naïeve gedachte te menen dat men in de natuur geen vijandelijkheid kent. In werkelijkheid is de natuur heel vaak het strijdtoneel met geboortes en sterfgevallen die doorgaans de balans min of meer in evenwicht houden.
Of de ekster zon extreem schadelijke engerd is als men denkt, spreekt wetenschappelijk onderzoek tegen. Men stelt immers vast dat het voedselpakket voornamelijk uit insecten en plantaardig materiaal bestaat, aangevuld met een paar procenten muizen, jonge konijntjes en vogels. Wanneer incidenteel een ekster een jonge vogel of ei vindt, dan blijft dit een bescheiden, doch natuurlijk onderdeel van zijn menukaart.
Eksters zijn nieuwsgierige vogels. Als ze blinkende voorwerpen vinden, zullen ze deze aan een onderzoek onderwerpen. Er is tijdens nestcontroles echter nog nooit vastgesteld dat ze blinkende voorwerpen als juwelen verzamelen en ze vervolgens mee naar hun nest nemen.
Naast mensapen, dolfijnen en olifanten behoren ook eksters tot de dieren die zichzelf in de spiegel herkennen. Dat hebben wetenschappers van de Goethe Universiteit in Duitsland onlangs ontdekt. De onderzoekers beplakten de vogels met rode, gele en zwarte stickers en plaatsten een spiegel tegen een zijwand van hun kooi. De eksters begonnen vervolgens druk naar de zelfklevers te pikken, althans naar de gele en rode. De zwarte stickers werden met rust gelaten, daar de vogels ze vanwege hun schutkleur niet opmerkten. Dit was ook meteen het bewijs dat de stickers niet werden weggepikt omdat ze als irritant aanvoelden. Eksters bezitten aldus het vermogen om zich in een ander standpunt te verplaatsen en zich in te leven in soortgenoten, alsook een beeld te krijgen van hoe slachtoffers en rivalen zich gedragen, wat een handig voordeel oplevert.
Het pimpelmeesje is een goed herkenbaar en kleurrijk vogeltje. Het heeft een gele buik en een groene rug. De bovenkant van het kopje, de staart en een deeltje van de vleugels zijn helderblauw. De wangen zijn wit en vanaf de snavel loopt door het oog een dunne zwarte streep.
Omdat het pimpelmeesje een holenbroeder is, worden de nesten vaak in natuurlijke holen of gaten gemaakt, maar een nestkastje is ook een gegeerde verblijfplaats.
Vanaf half april legt het vogeltje 7 tot 14 witte eieren met rode puntjes. Het vrouwtje broedt een halve maand op het nest, terwijl zij door het mannetje wordt gevoed. Na 15 tot 20 dagen kunnen de kuikens die door beide ouders worden verzorgd, uitvliegen.
Zowat twee weken geleden meldden vogelbeschermers Georges & Jeannine bewoners van de Kille Meutel met genoegen dat in het nestkastje aan hun garagepoort een familie pimpelmezen hun intrek heeft genomen (zie eigen gemaakte foto).
Het naïeve geloof van sommige mensen in het succes van verdelgingsoperaties is weerzinwekkend.
Reigers
Zon vijftig jaar geleden was de blauwe reiger zogoed als uitgestorven in ons land. Een combinatie van overdreven bejaging en grootschalig gebruik van pesticiden als DDT, die een normale voortplanting van de vogel haast onmogelijk maakten, had hem (bijna) de das omgedaan. Net bijtijds kwamen er beschermingsmaatregelen en werd het gebruik van schadelijke chemische stoffen aan banden gelegd.
De vogel herstelde en is de laatste 20 jaar in ons land niet meer weg te denken uit het landschap. Hier en daar is hij zelfs onderdeel van het stadsbeeld geworden.
Maar niet iedereen was destijds blij met die wederopstanding.
Vissers begonnen een campagne om de reiger opnieuw te mogen bejagen zelfs het woord verdelgen viel. Gelukkig is de overheid daar nooit op ingegaan.
Studies wezen uit dat de impact van de blauwe reiger op het visbestand klein is, behalve als het om kleine vijvers gaat met opvallende vissen die weinig plaats hebben om zich te verschuilen, zoals goudvissen in tuinvijvertjes.
Daar de logge vogel niet kan landen op 1 m² volgt hij een bepaald patroon om een vijver te benaderen. Vaak maakt hij eerst een tussenlanding op een dak van een huis of in een boomtop om vooraf zijn toenaderingstactiek te bestuderen.
Om te beletten dat de reiger tot vlak bij de vijverrand geraakt, kan je oeverbeplanting aanbrengen met hoge en dicht opeen staande planten. Het kan nog eenvoudiger en minder opmerkelijk door boven de vijver zeer fijne visdraad te spannen. Ze zijn sterk, kleurloos en vallen niet op. Wanneer de reiger bij een landingspoging zon draadje raakt, vliegt hij meteen opgeschrikt weg.
Ook viskwekers eisten aanvankelijk dat ze de reiger zouden mogen verdelgen, maar na verloop van tijd stelden ze vast dat hij een bondgenoot was: hij vrat vooral vissen van hun klanten weg, zodat die nieuwe moesten kopen.
Vissers en reigers hebben met elkaar leren leven. Ze zitten soms zij aan zij langs een kanaal te wachten tot er iets wordt gevangen.
Aalscholvers
De vissers hebben sinds enkele jaren evenwel een nieuwe vijand, die de reiger als visverdelger in de schaduw stelt: de aalscholver, de zwarte duivel.
Ook een vogel die 20 jaar geleden nog vrij zeldzaam was in ons land, maar die nu een regelmatige broedvogel is. Je ziet hem zelfs op verlichtingspalen langs de autosnelweg. In tegenstelling tot de reiger, die vanaf de kant vist, is de aalscholver een zwemmer en duiker die zijn prooien onder water te lijf gaat.
Vorig jaar lanceerden vissers en andere uitbuiters van het buitengebied een petitie waarin ze verdelgingsmaatregelen tegen de aalscholver eisten omdat die hen zou broodroven.
Daarop startte Vogelbescherming Vlaanderen een petitie voor de aalscholver en verzamelde al snel vele duizenden handtekeningen. De natuurvereniging wil dat de aalscholver zijn beschermde status gewoon behoudt.
Zoals altijd en overal vinden rovers en prooien een balans en is het de hoeveelheid prooien die het aantal rovers bepaalt en niet omgekeerd. We hoeven dus niet te vrezen dat aalscholvers fragiele natuurlijke visbestanden de genadeslag zullen toebrengen. Factoren als watervervuiling en een slecht beheer van stromen en rivieren zijn noodlottiger voor het visbestand dan de aanwezigheid van wat viseters.
Bovendien is niet iedere vis die in de maag van een aalscholver verdwijnt daarom een schadegeval. Immers ook in dichte visbestanden kan een vorm van selectie (het wegvissen van beschadigde en andere zwakke vissen) nuttig zijn om het welzijn van de gezonde vissen te bevorderen. Op vele plaatsen hebben rovers een heilzaam effect op de gezondheid van een prooipopulatie.
Wel is het zo dat aalscholvers de economische waarde van kunstmatig dichte visstocks in kwekerijen kunnen aantasten. De vogels zullen immers altijd worden aangetrokken door gemakkelijke visplaatsen. Daarom is het beter het vissen voor de aalscholvers te bemoeilijken, door de bereikbaarheid van de vis te verkleinen of zelfs onmogelijk te maken. Maar dat horen vele vissers en viskwekers niet graag; zij verkiezen dode vogels te zien.
De hengelvijver in Wemmel heeft al een oplossing gevonden om met een elektronische vogelverschrikker de aalscholver af te schrikken: een versterker met orkageluiden onder water. Aalscholvers schijnen doodsbenauwd te zijn voor de geluiden van de zwart-witte walvis en durven na één duik in beschermde afgesloten wateren of kleine visvijvers niet meer op te dagen.
Houtduiven
Houtduiven eten vooral zaden, zoals tarwekorrels, maar ook met groene bladeren, koolplanten, spruitjes en witloof. Omdat ze in groep voedsel zoeken, ontstaat al snel aanzienlijke schade aan landbouwvelden.
Vorig jaar sloegen boeren en jagers de handen in elkaar om een weekendje houtduiven te gaan schieten in de veronderstelling dat daardoor de schade aan gewassen zou verminderen. Bijna achthonderd jagers schoten dat weekend exact 8299 houtduiven in de provincie West-Vlaanderen. Alsof dat enig verschil zou maken voor het houtduivenbestand, laat staan voor de aantrekkingskracht van akkers op houtduiven.
Oproepen tot een massale slachting is een flagrante overtreding van de Europese Vogelrichtlijn, die de jacht verbiedt op trekvogels tijdens de lentetrek.
Tijdens de vogeltrek passeren er miljoenen houtduiven in Vlaanderen. Het is de meest voorkomende soort tijdens vogeltrektellingen.
De houtduiven worden onder meer aangetrokken door de maïs die de boeren tijdens het oogsten verspillen. Wellicht zorgen de warmere winters er ook voor dat ze minder ver naar het zuiden trekken.
Een afschietdag of weekend kan, maar dan in de gebruikelijke jachtgebieden, niet in natuurgebieden en zeker niet in natuurreservaten, waarrond best een bufferzone wordt gerespecteerd. Na enkele jaren moet worden geëvalueerd of een dergelijke afschotactie effect heeft op het in bedwang houden van de populatie en de bestrijding het gewenste resultaat oplevert.
Wat niet kan is duivencarrousels, een ronddraaiende molen, waarop aan beide zijden een houtduif wordt bevestigd, waardoor houtduiven worden aangetrokken. Door de schijnbaar levende rondvliegende lokduiven denken hun soortgenoten dat de plek veilig is en dat er voedsel te vinden is.
De blauwe kiekendief is pure schoonheid, een engelachtige rover die dansend op natte duinvalleien en zompige rietlanden afstruint. Hij bewoont de grootste verscheidenheid aan biotopen. s Zomers leeft hij op de heide, maar s winters wordt hij vaak aangetroffen boven kustmoerassen, vochtige duinpannen, laaggelegen graslanden of kruidenrijke akkerranden.
In Frankrijk tref je hem aan in het golvend landschap van uitgestrekte landbouwgebieden met koren-, klaver- en luzernevelden (tot 1 m hoge kruidenplant met trosjes kleine blauwe bloemen, wereldwijd verbouwd als veevoeder) en in droge heiden met lage dennen.
Broedbiotoop en verspreidingsgebied komen in veel opzichten overeen met die van de velduil.
Het mannetje heeft grijsachtige bovendelen en een haast witte borst- en buikzijde.
De zilverkleurige ondervleugels vertonen donkere vleugelpunten. Mannetje en vrouwtje hebben een karakteristieke witte vlek op de staart en door de bevedering van de kop een gezichtssluier zoals bij uilen. Mogelijk wordt het opvangen van geluiden erdoor verbeterd, wat een groot voordeel is voor een vogel die in dichte rietvelden op zijn prooi jaagt.
Lengte: 43-50 cm
Spanwijdte: 100-120 cm
Gewicht: 300-700 g
Levensduur: tot 15 jaar
De blauwe kiekendief heeft een verrassend snelle vlucht met regelmatige diepe vleugelslagen en een zeilvlucht met licht opgeheven vleugels in V-stand.
Laag vliegend over de grond spoort de blauwe kiekendief zijn prooi op. Hij is weinig kieskeurig en kan vrijwel elk dier tot de grootte van een jonge haas of eend aan.
Zijn menu bestaat voor het grootste deel uit kleine zoogdieren en vogels, waarbij zelfs jongen van andere roofvogels niet veilig zijn. Daarnaast eet hij ook hagedissen, slangen, kikkers, kevers en eieren van op de grond broedende vogels.
Eens in de winter de voedselbronnen schaars zijn worden, ontpopt hij zich als een echte vogeljager. Bij afwezigheid van woelmuizen valt de prooikeuze dan op: kneu, frater, geelgors, rietgors, graspieper, groenling, veldleeuwerik en spreeuw.
Eeuwen geleden, toen de soort in Europa talrijker was, vergreep hij zich ook wel eens aan pluimvee, vandaar de naam. Hij werd dan ook meedogenloos achtervolgd en in sommige streken, zoals in Ierland en Schotland aan het begin van de vorige eeuw vrijwel uitgeroeid.
Sedert de soort in vele landen is beschermd, neemt zijn aantal gelukkig weer toe.
De blauwe kiekendief broedt vooral in rietvelden, op heide in hoogveengebieden, in duinvalleien, graslanden, moerassen en op open plekken in naaldwouden.
Het nest wordt op de grond gebouwd met riet, gras en varens, vaak tussen hoge vegetatie die bescherming moet bieden tegen de vos of de hermelijn. Op vochtigere plekken kiest hij voor een hogere en drogere nestgelegenheid.
De 4 tot 6 ronde blauwachtige witte eieren worden in ruim 4 weken uitgebroed. Na ongeveer 5 weken vliegen de jongen uit.
De grauwe kiekendief
De grauwe kiekendief behoort thans tot de zeldzaamste roofvogelsoorten van Europa.
Sinds het begin van de vorige eeuw zijn de meeste hoogvenen afgegraven, werden laagvenen herschapen in grasland en verdwenen heidevelden onder bosaanplant. Toch heeft de grauwe kiekendief zich in het algemeen aardig aan de gewijzigde biotopen weten aan te passen.
Vooral de mannetjes jagen wel eens op afstanden van 20 tot 25 km van het nest.
De grauwe kiekendief is moeilijk te onderscheiden van de blauwe kiekendief. Hij is een slankere vogel met smalle vleugels in spits toelopende vleugelpunten.
Van alle kiekendieven is hij de enige echte circusartiest, die soms zelfs complete loopings kan maken. In de vlucht en biddend boven een tarweveld is en blijft hij één en al élégance. Karakteristiek voor alle kiekendieven is de wijze waarop de staart als een waaier wordt gespreid om af te remmen en de romp in evenwicht te houden op het moment dat een argeloos prooidier wordt gedetecteerd.
De grauwekiekendief zeilt meer dan hij vliegt met nu en dan en paar vleugelslagen om op hoogte te blijven. Intussen speurt hij intensief naar een buit tussen de begroeiing. Het minste geritsel of de beweging van één enkele grasspriet brengt hem in de lucht tot stilstand. Zo hangt hij wel vaker klaar met de zintuigen op scherp om hard toe te slaan.
De kop en de bovendelen zijn grijs; de flanken zijn gestreept en de ondervleugels vertonen roodbruine banden; de binnenvleugel heeft overlangs een zwarte band.
Lengte: 40-45 cm
Spanwijdte: 100-120 cm
Gewicht: 225-450 g
Levensduur: tot 15 jaar
Beide soorten kiekendieven broeden in dezelfde gebieden, al heeft de grauwe kiekendief een voorkeur voor drogere akkerlanden.
De vlucht is sierlijk en sterk zwevend, waarbij de vleugels in een lage V worden gehouden.
In april keren de grauwe kiekendieven van hun overwinteringkwartieren in tropisch Afrika terug en beginnen de acrobatische verleidingsvluchten, waarbij het mannetje duikvluchten en saltos uitvoert.
Meer dan de andere soorten bestaat het menu van de grauwe kiekendief uit kleine prooien (10 x meer uit eieren en nestjongen van kleine zangvogels; 20 x meer uit grote insecten en 30 x meer uit hagedissen). Vaak zit het mannetje op een uitkijkpost, waar hij op zijn prooi loert; het menu bestaat uit: kleine zoogdieren (5 tot 10 veld- of spitsmuizen per dag), kleine vogels (meestal leeuweriken), hun nestjongen of eieren, hazelwormen, hagedissen, kikkers en zelfs regenwormen of insecten (sprinkhanen en krekels).
Het nest van de grauwekiekendief ligt goed verborgen, maar stelt als bouwwerk niet veel voor. In een kom van takjes en stengels, droog gras bezet met dor plantenmateriaal (halmen en sprietjes), op de grond van akker of heide tussen hoge gewassen, wordt één legsel van 4 tot 5 witte eieren gedeponeerd.
De eieren worden met tussenpozen van 2 tot 3 dagen gelegd en aangezien het wijfje direct begint te broeden, verschijnen de jongen na 4 weken met dezelfde tussenpozen.
Wanneer het mannetje met een buit tussen de klauwen boven het nest vliegt, stoot hij korte kreetjes uit, waarna het vrouwtje zich bij haar partner voegt. Ze zorgt ervoor dat zij enkele meters achter hem blijft en een stukje lager vliegt. Beide vogels vliegen tegen de wind in om zo goed mogelijk hun vliegbaan aan te houden. Wanneer plots het mannetje de prooi loslaat, wentelt enkele meters lager het wijfje zich bliksemsnel op de rug en vangt het knaagdier met gestrekte poten in haar klauwen op, waarna ze naar het nest terugvliegt.
Na ca 3 weken gaat ze ook op jacht om de honger van de nakomelingen te kunnen stillen, die na ca 5 weken uitvliegen.
De gewijzigde klimatologische omstandigheden, de ontginning en verstoring van heidevelden en andere open landschappen met alles wat daar in groeide en leefde, alsook de massale insectenbestrijding vormen ernstige bedreigingen voor zijn voortbestaan.
Menselijke maatregelen zoals braaklegging van overtollige landbouwgrond, beheer van akkerranden, alsook nestbescherming waarbij landbouwers om opgespoorde nesten heen maaien, blijken gunstige remedies te zijn om de soort te handhaven.
Daarbij proberen ze de plek te vinden waar de vrouwtjes neerdalen die altijd in de buurt van het nest blijven. Elke voedseloverdracht in de lucht wordt gevolgd om er achter te komen waar de kuikens in het veld liggen. Eens gelokaliseerd besprenkelen de roofvogelredders de directe omgeving van het nest met naftaline, dit om rovers af te schrikken en vooral de vossen die zo link zijn om de menselijke voetsporen te volgen tot bij de weerloze kuikens. Na de nestplaats te hebben gemarkeerd volgt de tweede actie: het overtuigen van de boer, die moet inzien dat de perfecte muizenverdelger niet het slachtoffer mag worden van zijn moordende landbouwmachines.
De bruine kiekendief
De bruine kiekendief of ook wel eens kuikendief genoemd, is niet bepaald de meest flatteuze naam. Heel begrijpelijk ook, maar tegelijkertijd wat betreurenswaardig daar hij tijdens het grootste deel van zijn bestaan van heel andere prooien moet leven dan van kiekens.
De rietwouw, een oude streeknaam, zou eigenlijk beter bij hem passen.
Waar rietmoerassen verdwijnen en in cultuur worden gebracht, broeden zij tijdelijk tussen landbouwgewassen, zoals in luzerne- en koolzaadvelden en ook wel in graan- en klavervelden.
Deze grootste en zwaarste van de kiekendieven vliegt laag over open terrein, brakke gronden en weilanden met sloten. Hij is in onze streken een uiterst zeldzame broedvogel die het meest voorkomt in het krekengebied van Meetjesland, in het poldergebied rond Veurne en de Ijzerbroeken, alsook in het havengebied van Waasland, waar hij de beste natuurlijke nestbeschutting zoekt. Hij vindt in het rietmoeras veiligheid, rust, alsook overvloed en verscheidenheid aan voedsel.
Het verenpak is donkerbruin aan de rugzijde en de opvallend lange staart is grijs, de kop alsook de onderkant van de vleugels is crèmekleurig en vleugelpunten vertonen brede zwarte veren; de onderdelen zijn roestbruin.
Lengte: 48-55 cm
Spanwijdte: 110-125 cm
Gewicht: 600-1300 g
Levensduur: tot 10 jaar
Ongeveer begin april keren de bruine kiekendieven van hun zuidelijke overwinteringgebieden (tropisch Afrika en Azië) terug. Verblijft de bruine kiekendief tijdens de winter in Europa, dan jaagt hij op verzwakt en aangeschoten waterwild, op woelratten en muizen, ook op aas en krengen van vis en konijnen.
Eens de bruine kiekendieven beginnen aan hun balts- en territoriale vliegdemonstraties, laten ze zich van grote hoogte naar beneden storten en schieten vlak boven de grond weer omhoog. Vaak geeft het mannetje hierbij een prooi over aan het wijfje.
De langzaam vliegende maar behendige zweefvlieger, wisselt gelijkmatige vleugelslagen af met lange glijvluchten met een vleugelstand in een zeer afgeplatte V-vorm; dank zij zijn lange staart die hij als roer gebruikt is hij erg wendbaar. De speelse duik- en stootvluchten en het gezamenlijk omhoog kringen moet klaarblijkelijk de territoriumgrenzen en de partnerverbinding van de broedparen bevestigen of versterken.
Het nest is een komvormig platform dat als een paalwoning boven water staat.
In dat tussen het riet gemaakte nest deponeert het wijfje 4 tot 5 blauwachtig witte eieren, die 38 dagen door haar worden bebroed.
Buiten de broedtijd verzamelen tientallen bruine kiekendieven tegen het invallen van de duisternis zich op gemeenschappelijke slaapplaatsen op een rustige plek ergens tussen de rietvelden.
WIMwist nog eens in de buurt van het vormingsstation, dat zich in het beschermd natuurreservaat Oude Landen bevindt, deze fraaie luchtopnames te maken.
Ooit maakte dit gebied van ca 80 ha groot tussen de hoogbouwwijken van Luchtbal en de Rozemaai en de oorspronkelijke dorpskern van Ekeren, deel uit van de uitgestrekte Scheldepolders ten noorden van Antwerpen. De grote variatie aan landschapskenmerken verhoogt de biologisch waarde van het gebied. Naast 3 aaneengesloten bospartijen, die onderling zeer sterk verschillen, vindt men er voornamelijk open landschap van grillig begrensde riet- en graslanden, die dank zij de verspreide boom- en struweelpartijen (houtrand met laaggroeiend struikgewas en heggen die percelen binnen de biotoop afzomen) helemaal niet eentonig aandoen. De kronkelende loop van de Oudelandse beek met moerasvegetatie en gemeenschappen van waterplanten in grachten, plassen en poelen versterken de aantrekkelijkheid van het natuurgebied.
De torenvalk is overal de bekendste en meest waargenomen roofvogel, al is hij de afgelopen jaren toch wel in aantal afgenomen. Hij is een overdag actieve jager die meestal zittend op elektriciteitspalen (uitkijkpost) of biddend langs de snelweg wordt gezien.
Anders dan bij de sperwer is er weinig verschil in grootte tussen de geslachten, maar des temeer in de tekening: het mannetje heeft een korte ronde blauwgrijze kop en licht roodbruine bovendelen met zwarte stippen, lange vleugels, een slanke staart met dwars aan het uiteinde een zwarte band en zwarte klauwen; de kop en staart van het vrouwtje zijn roestbruin.
Lengte: 34-39 cm
Spanwijdte: 65-80 cm
Gewicht: 190-300 g
Levensduur: tot 15 jaar
Een jagende torenvalk vliegt langzaam door tot wanneer hij een prooi in het vizier krijgt.
Dan blijft hij biddend hangen, waarbij hij af en toe een diepe vleugelslag maakt en zijn staart omlaag gericht uitspreidt, uitgeklapt als een waaier. Als een lift laat hij zich steeds een stukje zakken, stoot dan eensklaps de prooi die hij vervolgens stevig vastgrijpt met de krachtige klauwen. De waaiervormige staart dient ook als rem als de vogel wil gaan landen.
Kenmerkend aan zijn vlucht zijn de diepe vleugelslagen, de glijvluchten met uitgespreide staart en vleugels en het opvallend bidden.
Het nest treft men aan op kale rotsrichels, in steengroeven, vervallen gebouwen, op hoge vensterbanken. Natuurlijke broedplaatsen komen voor in verlaten kraaiennesten of boomholten.
De 4 tot 5 ronde eieren zijn zeer sterk roodbruin gespikkeld; ze worden vrijwel alleen door het wijfje in ca 4 weken uitgebroed (één legsel tijdens de periode maart juli)
De torenvalk vangt hoofdzakelijk veldmuizen, maar ook andere muizen (woelmuizen) en bij gebrek hieraan jaagt hij ook op vogels, zoals pas uitgevlogen jonge spreeuwen en jonge weidevogels, die nog niet kunnen vliegen; ook kevers, regenwormen en hagedissen staan ook al eens op het menu.
De boomvalk, de acrobaat
Wat snelheid, sierlijkheid en wendbaarheid betreft heeft de boomvalk zelfs onder de verwante valken weinig rivalen.
De boomvalk heeft een leigrijze rug, donkere kruin, een lichtgekleurde keel en wangen met een zwarte snorstreep; rossige dijen, een bleke onderzijde overlangs zwartgestreept en een korte smalle effen staart.
Lengte: 28-35 cm
Spanwijdte: 70-84 cm
Gewicht: 130-340 g
Levensduur: tot 10 jaar
Eens terug uit het zuidelijke Afrika, waarbij boomvalken grote afstanden overbruggen (3000 km), gaan de ultra snelle jagers op zoek naar de vertrouwde nestelplek van het vorige jaar. Soms komen de mannetjes het eerst toe, maar meestal ontmoet het paar elkaar al onderweg.
Wordt een oud kraaiennest tussen donkere naaldbomen aan de bosrand gekozen, dan wordt enkel het takkenbos een beetje gefatsoeneerd. Ongepaste rommel wordt eruit gekieperd en klaar is het zomerverblijf.
In de baltsperiode vertonen de broedparen ook sterke staaltjes van hun vliegvermogen: ze zweven, bidden, suizen omlaag en stijgen in duizelingwekkende vaart weer op.
De zomergasten hebben het vooral gemunt op de rondzoemende prooidieren die in het lichtspel van avondschemering tot ochtendgloren duidelijke mikpunten zijn voor het squadron luchtjagers. Snel en trefzeker weten ze in felle duikvluchten met de lange spitse sikkelvormige vleugels langs de romp gevouwen met één poot libellen of kevers uit de lucht te graaien.
Lang niet alle boomvalken eten alleen maar insecten. Paartjes die zich hebben gevestigd in landbouwgebieden, voeden zich met allerhande kleine vogelsoorten.
Het mannetje is diegene die het menu bepaalt, terwijl het vrouwtje op de 2 eieren zit of de jongen voert. Vaak zijn dat zwaluwen, inclusief de supersnelle gierzwaluwen. Als die er niet zijn, past hij de spijskaart makkelijk aan. Dan grijpt hij een vleermuis, een mol of zelfs een jong konijn. Ook durft hij zelfs een torenvalk van zijn pas gevangen muis te beroven.
In een stevige greep draagt hij de buit naar het nest. Van verre waarschuwt hij met hoge kreten het vrouwtje. Zij vliegt hem dan een eindje tegemoet en pakt de hap in de lucht over. Soms maken de partners er een nog leuker spelletje van. Dan laat het mannetje de prooi hoog uit de lucht vallen en grist het vrouwtje hem in een flitsende reuzenzwaai mee.
Vooral s morgens en s avonds spelen deze spectaculaire taferelen zich af rond het boomvalkennest.
Nog doller wordt het als na een maand de jongen zijn uitgevlogen. Ze zijn de eerste weken nog afhankelijk van wat hun ouders aanslepen. De jonge valkjes, nog niet getooid met de prachtige rode en bruine broek van hun ouders, spelen tikkertje en proberen net als moeder aangedragen hapjes uit de lucht te plukken om de jachttechnieken te oefenen.
Het vliegfeest is telkens weer een adembenemend schouwspel en duurt de hele augustusmaand tot de ouders weer koers zetten naar het zuiden.
De jongen, die op hun zwerftochten tot in december worden waargenomen, blijven nog even in het vertrouwde jachtgebied. In hun tweede levensjaar zijn ze zelf rijp voor het stichten van een eigen nest.
De slechtvalk, de gevederde straaljager
De slechtvalk, één van de grotere valken is het symbool van overleving ondanks zware tegenslagen in de vorm van bejaging en vergiftiging met chemische bestrijdingsmiddelen (pesticiden). Hij heeft inmiddels een sterk herstel doorgemaakt.
De slechtvalk heeft een groot stevig en kogelvormig gestroomlijnd lijf met zwaar ontwikkelde borstspieren en brede schouders, een witte borst en dicht gestreepte flanken en buikzijde, blauwgrijze bovendelen; de poten zijn geel en de donkergrijze kop vertoont een gele oogring, een witte wangvlek met een zwarte baardstreep in lobvorm en een gele snavelbasis.
Lengte: 39-50 cm
Spanwijdte 95-115 cm
Gewicht: 600- 1300 g
Levensduur: tot 15 jaar
De slechtvalk nestelt op een brede richel op een klif, in een steengroeve of soms op een hoog gebouw.
Hij doodt vogels ter grootte van lijster tot duif of hoender, soms zelfs groter. Vaak valt hij ze in de vlucht van onderaf aan, achtervolgt ze in een lijnrechte vlucht of duikt van grote hoogte pijlsnel naar doel. Voor het slachtoffer van de slechtvalk komt de dood snel één enkele verschrikkelijke stoot uit het niets. Immers de jager, slechts een stipje aan de hemel, als hij op zoek naar een prooi rondcirkelt, vouwt plotseling zijn vleugels achterwaarts en suist met een snelheid van 300 km/u naar beneden.
Bij een geslaagde aanval breekt de klap van de klauwen onmiddellijk de nek of de rug van de prooi.
Meestal is de buit een duif, een eend of zelfs een rotgans. Barmhartig als de engel des doods verlost hij een prooi snel uit zijn lijden. Juist achter de snavelpunt is de bek gekarteld: een speciale voorziening om in een oogwenk halswervels te kunnen doorbijten.
De valk doet zich vervolgens vrijwel uitsluitend te goed aan het vlees ter weerszijden van het borstbeen. Hij krijgt tijdens de maaltijd ook veertjes binnen en die zijn ook nodig. Ze vormen een prop in het spijsverteringskanaal, die een reinigende functie heeft. Meestal wordt de prop daags na de maaltijd uitgespuugd als braakbal.
Vanwege zijn voorkeur voor jachtvogels is de slechtvalk meedogenloos door jachtopzieners vervolgd.
De meestal 3 tot 4 bruin gevlekte eieren komen na ca 4 weken uit en de jongen vliegen na 5 tot 6 weken het nest uit. Op een slechtvalkenhorst heerst huiselijke vrede. Er is altijd genoeg voedsel en dan hoeven de jongen er nooit om te vechten.
Wereldwijde valkenierstraditie
Oliemiljardairs uit sommige woestijnrijke landen tellen heel wat geld neer voor zon jachtvalk. Voor één ei hebben ze een aanzienlijk bedrag over in de hoop dat dit uitgebroed en opgefokt, een goede jachtvalk zal opleveren. Uiteraard is dit allemaal pikzwarte handel, want de slechtvalk is een bedreigde soort, die westerse wetgevers onder strenge bescherming hebben geplaatst. Maar als er zoveel geld mee valt te verdienen, blijven er natuurlijk altijd malafide vogelhandelaars, die eieren en jongen uit valkenhorsten plunderen of de volwassen vogels proberen te strikken. Dit allemaal voor een heel winstgevende handel met sjeiks, die er jaarlijks een paar duizenden afnemen en daardoor een ernstige bedreiging vormen voor het voortbestaan van de slechtvalk.
Voor deze oliebaronnen is de jachtvalk het symbool van status, macht en prestige.
Nestplunderaars opereren in perfect georganiseerde bendes en hun buit reist meestal mee als diplomatieke bagage met een Arabische luchtvaartmaatschappij, wat inhoudt dat de douane er weinig tegen kan doen. Ondanks het weerwerk van actiegroepen wenst men het speelgoed van de oliesjeiks niet zomaar af te pakken want zon belediging zou wel eens kunnen uitmonden in het dichtdraaien van oliekranen.
De fotos van de torenvalk in volle vlucht nam WIM naast het rangeerstation in Ekeren.
De groenling of groenvink heeft in de loop van de 20ste eeuw geleidelijk de steden gekoloniseerd en is nu een algemene tuinvogel. Oorspronkelijk was het een schuwe vogel die zijn toevlucht zocht in dichte heggen, maar inmiddels heeft die zich goed aangepast aan het leven in wilde tuinen en is hij ook erg verdraagzaam in de nabijheid van andere tuinbezoekers.
De groenling, een grote gedrongen vink met een gespierde lichaamsbouw, wordt 15 cm lang, heeft een spanwijdte van 25 tot 27 cm en weegt 25 tot 30 g.
Het verenkleed is overwegend appelgroen van kleur, de fors gebouwde kegelsnavel is lichtroze, de wangen zijn grijs, de onderdelen groengeel, de donkere gevorkte staart vertoont felgele randen en de grijsgroene vleugels hebben een even opvallende gele streep, de poten zijn lichtroze.
Doorgaans nestelen groenlingen in kleine kolonies van zon zes paren, gewoonlijk in dicht besrijk struikgewas, tussen oude hagen, kreupelhout of in verstrengelde klimplanten. Coniferen en andere groenblijvende soorten worden veel gebruikt, vooral voor vroege nesten, als de loofbomen nog niet in blad staan.
Ofschoon de groenling tot de familie van de zangvogels behoort, is zijn zang een druk gekwetter, vermengd met roepen die hij vaak in een vleermuisachtige baltsvlucht ten gehore brengt. Van de eerste mooie voorjaarsdagen maken de mannetjes meteen gebruik om in het topje van een hoge boom de karakteristieke zang te laten horen, waarbij het langgerekt, nasaal klinkend geblèr kenmerkend is.
Het vrouwtje bouwt een omvangrijke kom van doorvlochten twijgen en stengels, bezet met gras en mos en gevoerd met penen, vezels en haren. Zij broedt ook de eieren uit, maar het mannetje helpt bij het voeren van de jongen. Hij kan daar geheel verantwoordelijk voor worden als het vrouwtje voordat de jongen (14 tot 15 dagen later) zijn uitgevlogen, een nieuw nest gaat bouwen. Er zijn jaarlijks van april tot augustus 2 tot 3 legsels van 4 tot 6 roodbruin gespikkelde bleke eieren.
Groenlingen zijn vrijwel geheel afhankelijk van zaden, vooral onkruidzaden, zoals van de distel, de hederik of akkermosterd, de paardenbloem en de klis (bekend om zijn zuiverende eigenschappen voor huidaandoeningen), maar ook van boomzaden afkomstig van iep, jeneverbes en cipres. De voorkeur gaat naar de schijnvruchten van de rozenbottels, waar ze uit het vruchtvlees de zaadjes peuteren.
Zelden worden in het broedseizoen insecten gegeten.
Voedersilos vallen anders ook wel in de smaak, waar groenlingen pindas en zonnepitten kunnen uit pulken; ook foerageren zij op de grond om restjes op te pikken die andere vogels laten vallen. De hoge sterfte onder groenlingen is dan ook hoofdzakelijk te wijten aan de overmatige eetlust. Hij is een echte schrokkop en praktisch alles wat voor zijn snavel komt, werkt hij naar binnen.
Het ei is geen uitvinding van de kip. Lang voordat er vogels op aarde waren, leefden er al dieren die eieren produceerden om zich voort te planten.
Zo bekeken was het ei er eerder dan de kip. Ook vliegen, vlinders, vlooien, kreeften, zeesterren, mosselen, inktvissen, slakken, wormen, vissen, kikkers, slangen, schildpadden en alle vogels die geen kippen zijn, doen het.
Levende jongen ter wereld brengen, zonder dat het ei ooit zichtbaar wordt, is in het dierenrijk een uitzondering. Er is zelfs geen enkele diergroep waarvan alle vertegenwoordigers levendbarend zijn, want ook enkele zoogdieren zoals de mierenegel en het vogelbekdier leggen eieren.
Het vrouwelijk dier produceert vaak vele duizenden eicellen, die doorgaans kleiner zijn dan één millimeter. Een mannelijk dier produceert een nog veel groter aantal zaadcellen.
Verenigt een zaadcel zich met een eicel, dan spreekt men van bevruchting en kan een ei zich ontwikkelen.
In het vogelei is de dooier de eigenlijke eicel, die door een geweldige ophoping van bouwstoffen zeer groot is geworden. Deze is door eiwitstrengen, de zogenaamde hagelsnoeren inwendig bevestigd. Die houden de dooier op zijn plaats en hangen hem flexibel op, zodat de kiemschijf (de levende stof, het zogenaamde protoplasma) steeds naar boven kan draaien.
De warmte die de broedende vogel uitstraalt, stimuleert de kiemschijf.
Als de onderkant van het ei iets kouder is, bv. omdat het nest op de grond ligt, dan is dat geen probleem, want de onderkant van de dooier hoeft zich niet zelf te ontwikkelen, daar die enkel als voedselbron dient voor de kiemende schijf.
Om de dooier ligt een laag wit, die weer omgeven is door twee schaalvliezen, die aan de stompe top een ruimte overlaten, de luchtkamer.
Daarbuiten bevindt zich bij vogels de kalkschaal, die een kenmerkend patroon van vlekken en kleuren heeft.
De meeste vogelsoorten gaan pas broeden als het hele legsel is voltooid. Al ligt er tussen het leggen van het eerste en het laatste ei een tijdsverloop van bijna twee weken, toch komen bij de meeste soorten vogels de eieren alle vrijwel gelijk uit. Dat is ook heel erg belangrijk.
De moeder verlaat het nest als de jongen uitkomen en gaat met haar kinderen op zoek naar voedsel; zouden ze niet vrijwel gelijk uitkomen, dan zou een aantal eieren in een ver gevorderd stadium van ontwikkeling in het nest blijven liggen en niet meer worden bebroed.
Kunstwerk van de natuur
Een vogelei is een wonder van doeltreffendheid, verschil in tekening en vormverscheidenheid. Al die eivormen zijn een beetje het gevolg van de vorm van het vogelbekken en vaak gekoppeld aan een bepaald doel. Een zeevogel als de alk, die zonder nest op rotsrichels broedt, legt langwerpige eieren die een windvlaag of een stootje hooguit een rondje draaien, maar niet wegrollen. Zo groot als de vormenrijkdom bij vogeleieren, zo groot is ook de rijkdom aan kleuren en tekenpatronen.
Niemand weet om maar een vb te noemen dat het grootste ei wordt gelegd door de kleinste vogel, nl. de kolibrie. De kleinste kolibrie weegt 1.65 g en legt eieren van ongeveer 0.2 g. Dat is eigenlijk indrukwekkender dan het gemiddelde gewicht van 1.620 kg van een struisvogelei, gelegd door een hen van gemiddeld 90 kg.
Ook als verpakking en tijdelijk verblijf van een kuiken is het ei een functioneel kunstwerk, een levendecel voorzien van biologische beschermings- en verdedigingsmiddelen, zoals de vaste schaal met dubbele vliezen aan de binnenkant en de dikke eiwitlaag die bacteriën doodt en verder alle ongewenste kiemen zoveel mogelijk weert. Het wonderbaarlijkste echter is dat deze cel ademt door zijn kalkverpakking heen.
Immers de schaal is voorzien van poriën die zuurstof doorlaten en kooldioxide afvoeren.Afhankelijk van de omvang, de schaaldikte en het aantal poriën hebben vogeleieren tijdens het uitbroeden een constant waterverlies. Elk ei beschikt naast voedingsstoffen en mineralen over een hoeveelheid water, waarvan niet teveel mag verdampen, anders verdroogt het embryo, maar ook niet te weinig, want anders verdrinkt het.
Eieren verdragen niet het gebruik van pesticiden en herbiciden spuitmiddelen die de moedervogel tijdens de voedselopname binnenkrijgt. Dergelijke chemische stoffen zijn de oorzaak van dunne schalen, waardoor het hele proces van ademen en verdampen wordt verstoord. Gevolg: het ei breekt al tijdens de baring of het kan later door de broedende vogel worden stuk getrapt of het brengt geen levend kuiken voort.
Dit weekend zowel zaterdag als zondag organiseert Vogelbescherming Vlaanderen voor de achtste keer op rij een huismussentelling. April is immers dé uitgesproken maand om huismussen (Passer domesticus) te observeren omdat de mannetjes uitbundig zitten te tsjilpen bij hun nestplaats. Hiermee willen ze ofwel een vrouwtje aantrekken ofwel indruk maken op hun eigen vrouwtje. Gegevens over het aantal tsjilpende mussenmannetjes geven duidelijkheid over het op die plaats aantal aanwezige broedparen enerzijds en de locatie van de nestplaatsen anderzijds. Vogelbescherming Vlaanderen en de Universiteit Gent willen hiermee een zicht krijgen op de mussenarme en mussenrijke plaatsen in Vlaanderen. In april 2002 werd voor het eerst een nationale mussentelling georganiseerd. Aanleiding hiertoe was het gebrek aan actuele gegevens over de status van de huismus in het sterk verstedelijkte Vlaanderen en dit terwijl ons uit andere Europese landen berichten bereikten over een alarmerende achteruitgang van de soort. In Nederland en Engeland doet de huismus het zó slecht dat ze ondertussen op de Rode Lijst verzeild raakte.
Deze kleine minst schuwe kraaiachtige vogel (lengte 35 cm, spanwijdte 75 cm, gewicht 250 g) is gemakkelijk te herkennen aan zijn lichtgrijze nek en wangen met langere veertjes dan bovenop; zijn gitzwarte kap; wit oog met lichtgroen grijze oogring; de korte dikke snavel; zijn donkergrijze onderlijf, zijn zwarte rug met blauwe glans.
Tijdens de vlucht van de uitstekende vlieger zijn de donkergrijze staart en de donkere banden onder de vleugels duidelijk te onderscheiden. Er is tussen beide geslachten geen onderscheid in verenkleed.
De kauw is een bewoner van open landschappen met groepen oude bomen en dicht in de buurt van menselijke nederzettingen; zij hebben een voorliefde voor vervallen gebouwen.
Kauwen broeden vaak in kolonies van tientallen tot zelfs honderden vogels, waarbij ze hoofdzakelijk gebruik maken van kunstmatige en natuurlijke holten en spleten.
Ze nestelen wel eens in schoorstenen; vandaar ook de naam schoorsteenvogels en de raad om roosters met boldraad te plaatsen wil je voorkomen dat jij ooit zwarte piet wordt. Ook in nissen van kerktorens treft men nesten aan; vandaar die andere volksnaam torenkraai. Ze zoeken eveneens nestgelegenheid in boomholten (oude nesten van zwarte spechten) of zelfs in bosuilenkasten, maar evengoed vinden ze een nestelplek in verlaten konijnenholen te midden van duingebieden of tussen gekloofde kliffen en rotswanden. Het groot open nest is meestal gevoerd met een wirwar gedroogde takjes, stro, droog gras, mos, haar en plukjes wol, soms zelfs rechtstreeks van een schapenrug gepikt.
De kauw is lenig en als zij in vluchten overvliegen (slaaptrek) zie je ze in het luchtruim in formatie door elkaar buitelen en acrobatentoeren uithalen. Tijdens voorjaarsstormen voelen kauwen zich in hun sas. Het spel van afstanden schatten, weten van opwaartse luchtstromingen, luchtzakken en wervelingen. Een lust voor het oog hoe ze al tuimelend omhoog en omlaag vallen, met nauwelijks merkbare vleugelslag zich draaien en snelheden van meer dan 100 km per uur bereiken. Al die kneepjes in vliegkunst worden de jonge onervaren kauwen door ouders en koloniegenoten aangeleerd. Ook het onderscheiden van en reageren op gevaren, is bij jonge vogels geen aangeboren kennis en dient onderricht.
Pientere zwartjas
Kauwen zijn intelligente en sociale vogels die vaak in groep op weilanden of wegbermen samen met roeken en kraaien foerageren. Het zijn levendige, behendige en slimme vogels die onder alle omstandigheden hun opgewekte humeur weten te bewaren en hun omgeving opvrolijkt. Deze altijd goedgemutste en aanhankelijke vogels zijn niet bang voor de mens en kunnen gemakkelijk tam worden gemaakt. Toch al is de verleiding groot doe je dat beter niet daar eens getemd de kauw een trouwe compagnon blijft die dan helemaal afhankelijk wordt van zijn opvoeder. Het is overigens wettelijk niet meer toegestaan.
Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de slimmeriken gevoelig lijken voor de oogsignalen van de menselijke blik; het oog vertoont immers ook een donkere pupil en oogwit; het zijn geen van die zwarte zielloze kraaloogjes.
Het zijn slimme helemaal geen kieskeurige alleseters, die zowel in cultuur- als in natuurgebieden voorkomen. Op de grond zoekt de kauw naar regen- en meelwormen, slakken, zelfs eieren uit vogelnesten, kleine gewervelde dieren, mestkevers, insectenlarven, zaden, granen, broodkruimels en etensafval, ook rupsen en bessen tussen het gebladerte. Kauwen zijn opportunisten die ook in de omgeving van de mens vrij gemakkelijk voedsel vinden, zelfs tussen vuilnisbelten.
Het broeden begint eind april; het legsel bestaat uit 4 tot 6 eieren met zwarte en grijze vlekjes. Na 17 tot 18 dagen verschijnen de jongen, die na ongeveer een maand de vleugels uitslaan. Kauwen worden doorgaans 5 tot 10 jaar oud, maar in gebieden waar ze heel goed aarden zijn 60-jarige huwelijken geen zeldzaamheid.
Evenals de ekster heeft de kauw de reputatie glimmende voorwerpen, zoals lepeltjes en sieraden te stelen en in zijn nest te bewaren.
Kauwen behoren tot de hoogst ontwikkelde zangvogels en beschikken over een complexe communicatietaal. Hun meer dan 20 verschillende voortgebrachte geluiden hebben elk een betekenis tijdens het druk overleg met de andere groepsleden.
Een sperwer die overvliegt in de nabijheid van hun verblijfplaats wordt steevast verjaagd; om beurten voeren ze schijnaanvallen uit en de roofvogel weet op den duur niet meer waar hij het heeft. Links, rechts, achter zich en boven hem is er altijd wel een kauw die hem wil belagen. Zich uit de voeten maken is dan ook meestal de enige optie. De kauw heeft ook de driftmatige drang om steeds de snelste te volgen en iedereen achterna te vliegen die hem voorbijsteekt.
Kruintje krabben is vrede sluiten
Wie de tijd neemt om een groepje neergestreken kauwen te observeren, wordt getrakteerd op een demonstratie van sociale intriges, hiërarchische pikordes, blikken van verstandhouding tussen verliefde stelletjes.
Als het mannetje tijdens de broedtijd zijn vrouwtje voert, neemt zij meteen de bedelhouding aan van een hulpeloos jong, dat nog niet voor zichzelf kan zorgen. Verliefde kauwtjes maken ook allerlei fluisterende, bijna kinderlijke geluidjes.
Na een dreigement vrede sluiten uiten kauwen door vriendelijk aan de veertjes van de onderworpene te krabbelen. Bij koppeltjes is dit de grootste blijk van tederheid, vooral wanneer zij het is dat ventjes veertjes poetst, zit hij met toegeknepen oogjes te kneuteren. Kauwen sluiten een band voor het leven en zijn vervolgens onafscheidelijk.
Een hogere in rang zal het altijd opnemen voor een lager geplaatste. Als het in een strijd tussen twee ondergeschikte kauwen menens wordt, komt er een superieur aangestapt die het gegarandeerd zal opnemen voor de zwakkere partij. Bijna altijd gaan ernstige ruzies over de keuze van een nestplaats. Via de kordate tussenkomst van de hoge bazen genieten de nesten van de sociaal zwakkere in de kauwensamenleving de nodige bescherming.
Andere minder ernstige kwesties die de agressie wekken, zoals onenigheid over een korst brood, kunnen ook in een gevecht ontaarden, maar een agressieafremmend signaal weerhoudt de sterkere in te hakken op de zwakkere. Juist het tegendeel gebeurt. Kauwen hebben namelijk op hun kop dat prachtig lichtgrijs gekleurd kroontje, dat ze kaarsrecht omhoog gestoken naar de aanvaller richten. Op slag denkt deze er niet meer aan zijn snavel als steekwapen te gebruiken.
Dreigende kauwen
In de eerste houding richt de vogel zich hoog op met de snavel naar boven en de veren strak tegen het lijf aan. De rivalen vliegen dan opeens omhoog, proberen boven elkaar uit te stijgen en op de rug van de ander te springen en deze dan met de snavel te bewerken. Hiermee wordt de rangorde beslecht.
Bij de tweede houding is het net andersom. De vogel drukt zich, buigt kop en hals omlaag, spreidt de staartveren, zet een hoge rug en de veren op. Hiermee geeft hij aan dat die bereid is zich te verdedigen. Neemt de concurrent ook die dreighouding aan, dan doen de vogels blazend en met knappende snavels uitvallen naar elkaar, maar tot een echte knokpartij komt het nooit. Het gaat erom wie van de twee dit het langste volhoudt.
Als een indringer het echter waagt de rust de verstoren in een nestholte van een laaggeplaatst gezinnetje, dan prikkelt de noodroep van de bedreigde nestbezitter alle kauwen binnen gehoorsafstand om meteen met opgezette veren naar de plaats van onheil te stormen. Door die regelrechte oproer en de opwinding over dat onrecht geraakt de dader van streek en slaat die mee alarm om niet te worden herkend; wordt die toch gesnapt, dan volgt een ferme afstraffing.
Tijdens onze jongste reünie, hoorden wij Wimvertellen over de talrijk voorkomende kauwen in de residentiële wijk, waar hij woont.
Hieronder bezorgde hij weer een sublieme reeks opnames van een kauw die zich bij hem thuis op het terras waagt om eten te zoeken in de bloemenbak, die momenteel dienst doet als voedertafel.
Jo wist dan weer een kauw in zijn natuurlijke biotoop te schieten.
De bijzonder fraaie en populaire siereend ziet er passend exotisch uit voor een vogel van Zuidoost Aziatische herkomst. Hij is wat schuw en terughoudend. Het pronkkleed tijdens het broedseizoen is erg kleurrijk. Woerden hebben afhangende kuifveren, borstelige oranje bakkebaarden en driehoekige oranje zeilen op hun rug. De kop vertoont een brede witte wenkbrauwstreep. De borst is paarsbruin en wordt met enkele witte banden gescheiden van de lichtbruine buik. De snavel is vuurrood en de poten zijn geel. Hij is van 41 tot 49 cm lang, weegt 600 g en heeft een spanwijdte van 65 tot 75 cm. Vrouwtjes zijn donker grijsbruin met gespikkelde flanken en een fijne witte bril.
Al worden de eenden gekweekt in een beschermd milieu, toch treft men vaak nakomelingen van ontsnapte exemplaren aan in de volle natuur. Ze leven in oude loofbossen en parken, langs riviertjes, poelen en meren. In het wild rusten mandarijneenden graag in boomholten, vaak verlaten spechtenholten, die doorgaans ook als broedplaats dienst doen. Ze vliegen behendig tussen de vertakkingen van de bomen door en landen even makkelijk op de takken om er soms in groep te rusten. Mandarijneenden zijn goede klimmers doordat de zwemvliezen voorzien zijn van scherpe nagels die de nodige houvast bieden.
Het baltsgedrag met pompbewegingen begint met rondzwemmen en liefkozen van het uitverkoren wijfje. Gaat het vrouwtje in op deze avances, dan strekt ze zich languit dieper in het water.
Het vrouwtje heeft bij de nestkeuze het laatste woord. Ze bekleedt het nest met donsveertjes en legt een broedsel van 10 tot 14 ovale witte eieren. Terwijl het vrouwtje broedt, zorgt het mannetje voor het voedsel, waaronder vooral zaden, noten, graantjes en waterplanten, zoals lelies en algen. Mandarijneenden eten ook slakken en insecten en als ze vlug genoeg zijn zelfs kleine goudvisjes of jonge koikarpers.
Wanneer de moeder vanaf de grond de jonge eendjes roept die na 31 dagen tevoorschijn komen, verlaten de kuikens het nest op een spectaculaire wijze door zich van meer dan 10 m hoogte naar beneden te laten storten in de dikke strooisellaag. Dank zij de kleine vleugeltjes bezeren de vederlichte eendjes zich niet bij het neerkomen. Eenmaal op de begane grond blijven ze dicht bij de ouders tot ze kunnen zwemmen en vliegen.
Seksuele aantrekkingskracht
Bij iedere eendensoort heeft de haan zijn eigen, markante verenpak en het is de vrouwtjes aangeboren dat ze een haan van hun eigen soort het mooist vinden en daar ook het liefst mee paren. Hoe duidelijker die mannelijke kleursignalen, hoe liever ze hem hebben. Op die manier bevordert de natuur de soortzuiverheid, die van belang is voor het voortbestaan van al die verschillende soorten.
Zouden ze allemaal door elkaar kruisen dan zou je een gemiddelde vogel krijgen die alleen onder gemiddelde omstandigheden kan leven. Daartegenover staat dat de hanen kakelbont door het leven moeten, waarbij ze de kans lopen om door een roofdier te worden gepakt. Vandaar de voortplantingsmethode, waarbij de schutkleurige hen de broedzorg volledig op zich neemt.
De bontgekleurde haan doet niet mee, omdat het broedsel dan teveel risico zou lopen. Wat zijn overlevingskansen betreft, is hij dus niet zo eerlijk bedeeld met zijn mooie pak.
Het ballet van componist Tsjaikovski en choreografen Pepita en Ivanov, geldt als één van de hoogtepunten van het klassiek-romantische balletgenre.
Prins Siegfried wordt op zijn verjaardagsfeest aan het Koninklijk hof door zijn ouders gedwongen uit de aanwezige meisjes een bruid te kiezen. Hij is ontgoocheld en droef omdat hem het recht wordt ontzegd uit pure liefde een partner vrij te kiezen. Hij verlaat het bal en trekt het bos in om te gaan jagen en zo zijn zinnen te verzetten.
De prins ziet een vlucht zwanen overvliegen, volgt ze naar de rand van een meertje en richt zijn boog. Op het moment dat hij een knobbelzwaan in het vizier heeft, kan hij de pijl niet afvuren, daar plots een prachtige jonge vrouw, gehuld in een witte jurk van zwanenveren, verschijnt. Beiden aangezogen door elkaars zuivere schoonheid, zoeken ze meteen toenadering. Het teder meisje onthult dat zij prinses Odette is die met haar gezellen door de boze tovenaar Von Rothbart is ontvoerd en betoverd, waardoor ze overdag in de gedaante van zwaan en s nachts weer in hare ware gedaante verschijnt.
De zwanen verblijven s nachts bij het meer, dat waste en zwol door de tranen van Odettes ouders, toen die hoorden van de ontvoering.
Siegfried wordt verliefd op de prinses, zweert haar eeuwige trouw en wenst zijn intenties te bezegelen door een huwelijk, overigens de enige manier om de betovering van de tovenaar te verbreken.
Wanneer dit malafide personage ten tonele verschijnt, dreigt Siegfried hem te doden, maar Odette komt tussenbeide. Mocht Von Rothbart sterven alvorens de betovering is verbroken, kan deze vloek niet meer ongedaan worden gemaakt. Daarom keert de prins terug naar het bal in het koninklijk kasteel.
Even later verschijnt de vermomde Von Rothbart met eigen dochter Odille, die er identiek uitziet als Odette, al is ze uitgedost met een zwart verenkleed. De prins, die denkt Odette te herkennen, danst met haar, stelt haar aan de hofhouding voor en verklaart met haar te willen trouwen. Wanneer hij opmerkt dat de echte Odette inmiddels is toegekomen, realiseert hij welke vreselijke vergissing hij beging. Het is echter te laat daar hij zijn verklaring niet trouw is gebleven, waardoor de betovering niet ongedaan kan worden gemaakt.
In de originele uitvoering, beseffend dat de betovering nimmer kan worden verbroken, plegen Odette en Siegfried samen zelfmoord.
Al dankt vermoedelijk de eend haar naam aan het oorspronkelijke leef- en broedgebied in de duinen, die door Hollandse bewoners van de Lage Landen als heuse bergen werden gepercipieerd, toch zou de benaming eerder verwijzen naar de voortplanting: de soort kan relatief veel jongen grootbrengen of (ver)bergen.
Terwijl het verenkleed van andere vrouwtjeseenden opmerkelijk schuil- en schutkleuren bezit, waardoor broedende vogels weinig opvallen, is het vrouwtje van de bergeend even kleurrijk uitgedost als het mannetje. Als enig onderscheidingsteken geldt de vlezige knobbel op de basis van de bovensnavel van het mannetje, die in het broedseizoen verder opzwelt.
Met de zwarte kop en hals met metaalgroene weerschijn, de vuurrode snavel, de roze poten en de roestbruine borstband op het witte lichaam, alsook de zwarte schouderstreep naar de stuit toe, is de siereend een opvallende verschijning.
De bergeend komt overal langs zanderige en slikrijke kuststreken (kwelders en polders) van Europa voor; ook wel in brakke binnenlandse riviermondingen en zoute meren of in ondergelopen weilanden. De eend is een echte holenbroeder die vaak het nest bouwt in een verlaten konijnenhol in de duinen of langs rivierdijken. Men treft ook wel nesten aan in de buurt van menselijke bouwwerken zoals in nissen van dammen en ongebruikte afvoerbuizen of tussen strobalen in schuren, onder hooibergen of in dicht struikgewas. In de winter trekken de bergeenden vaak meer zuidwaarts.
De bergeend is een grote stevige eend met een lengte die varieert van 55 tot 65 cm, kleiner dan een gans. De woerd weegt 1.2 kg en het vrouwtje 900 g. Het voedsel van de bergeend bestaat voornamelijk uit kleine ongewervelde dieren zoals wadslakken, wormen, schelpdieren (kokkels), kleine kreeftachtigen, insecten en ook wel algen en groenwieren. Door met de poten in ondiep water trappelende bewegingen te maken of door te grondelen maakt de bergeend jacht op de prooidieren. De buit in de slijkerige bovenlaag wordt met de kenmerkende maaibeweging van de slobberende snavel uitgezeefd.
Bergeenden zijn nogal bazig, zelfs vrij agressief tijdens het broedseizoen. Het wijfje gebruikt weinig plantaardig materiaal om de uitgeholde ruimte aan het uiteinde van een 2.5 tot 3 m diepe gang in te richten, maar vult het goed op met dons en veertjes. Het legsel dat doorgaans bestaat uit 8 tot 12 roomwit gekleurde eieren wordt enkel door het vrouwtje gedurende 28 tot 30 dagen bebroed. Vaak liggen de nesten niet in de directe buurt van water en moeten de kuikens wanneer ze uitgekomen zijn, door beide ouders over grote afstanden (enkele km) al wandelend naar gunstig voedselrijke modderige vlakten worden gebracht, waarbij de weerloze kroost vaak ten prooi valt van zilvermeeuwen en andere roofvogels. Na 8 weken kunnen de volgroeide kuikens uitvliegen. In de overwinteringgebieden die doorgaans ook dienst doen als ruiplaats verliezen de eenden al hun slagpennen, waardoor ze enkele weken lang niet in staat zijn te vliegen.
Fotos hieronder zijn van onze alom geprezen natuurfotograaf DKW
Ostara stamt van de naam van de godin Eostra en duidt het begin van de lente aan. Het is geen toeval dat dit precies zo klinkt als het Engelse Easter (Pasen). Ostara symboliseert de lente-equinox, wanneer dag en nacht even lang zijn omdat de zon in het noordelijk halfrond loodrecht op de evenaar staat. Het is één van de meer kleurrijke feestdagen, waarbij in het teken van de terugkeer van kleur en leven feestvieren en gezellig omgaan met elkaar belangrijk zijn. Equinoxen zijn tijden van balans tussen licht en duisternis. De natuur is herboren en komt opnieuw bruisend tot leven. Licht overwint de duisternis.
De lentezon wekt
telkens weer de levenskracht op
voedt de kleurenpracht
De fotos zijn van natuurfotografe Monique Bogaerts
De veldleeuwerik is maar gedeeltelijk een standvogel die bij sneeuwval naar winterkwartieren trekt in het Zuidwesten van Europa en rond de Middellandse Zee.
Het vaakst komt hij voor op natuurlijke en op kunstmatig aangelegde graslanden, overwegend langs slootkanten, op akkerland, klaver- en graanvelden of op braakliggende grasrijke terreinen. De vogel houdt ook van heide, zoutmoerassen, duinen en krijtheuvels. Soms treft men de veldleeuwerik ook aan op de middenberm van de autosnelweg.
Zijn verenpak is geelbruin met zwartbruine strepen en vlekken, grijswitte onderdelen en een gestreepte borst, een bruinzwarte staart met witte buitenste staartpennen en een witte achterrand aan de vleugels. Op de kop staat een stomp kuifje.
Hij voedt zich met gras- en onkruidzaden (van bandnetel, boterbloem, madeliefje), groene grassprietjes en kiemplantjes, maar ook vliegen, motten, sprinkhanen, kevers, wormen, naakt- of huisslakjes staan op het menu. Hij bezit een stevige driehoekige snavel.
Veldleeuweriken zijn krachtige vliegers met lange, vaak hoekige vleugels. Ze hebben korte poten, maar lange tenen en nagels; vooral de nagels aan de achtertenen, wat een aanpassing lijkt om in een snelle ren door de grasrijke begroeiing te kunnen lopen.
Tijdens de broedtijd klimt de veldleeuwerik in een wervelende vlucht hoog in de lucht en laat op uitbundige wijze zijn helder klinkende gezang minutenlang achtereen horen terwijl hij een tijdje stil in de lucht hangt. Na deze stijgende biddende vlucht met fladderende reeksen vleugelslagen daalt de vogel al zingend spiraalsgewijs in glijvluchten met gesloten vleugels tot hij weer bij de grond is.
Het mannetje maakt een vrouwtje dat zijn territorium betreedt het hof door op en neer te springen en te buigen. Na de paring maakt de veldleeuwerik een goed verborgen grondnest in een kleine uitholling van de bodem. Dit wordt bekleed met droge grashalmen en worteltjes, bedekt met plukken dierenhaar.
De 3 tot 5 vaalgele tot bruine of lichtgroene tot olijfkleurige eieren vertonen bruine stipjes.
De jongen vertrouwen wat hun veiligheid betreft op hun schutkleur en de dichte begroeiing van de bodem. De eitjes worden gedurende 11-12 dagen door het vrouwtje bebroed. Reeds na 9 dagen lopen de jongen het nest uit, maar het duurt nog 10 dagen eer ze kunnen vliegen. In gunstige omstandigheden zijn er tussen april en juli 2 tot 3 legsels.
Smellekens jennen
De boemannen in het leven van de leeuwerik zijn boerderijkatten en het smelleken. De jachttechniek van deze kleinste roofvogel uit de valkenfamilie is een sprint trekken naar een zingende leeuwerik, die hoe onwaarschijnlijk ook trots blijft doorzingen al zet zijn belager de ene luchtaanval na de andere in. Zon superieur vertoon van gezonde conditie moet wel een deuk slaan in het ego van het smelleken, maar leeuweriken zijn onverbeterlijke optimisten.
De foto hieronder is ook van een zekere "JO", maar dan wel afkomstig uit Helchteren - superknappe opname
De heggenmus trekt doorgaans meer naar het westen dan naar het zuiden. Een bekend overwinteringoord vormen de Orknay-eilanden, ten noorden van Schotland. Toch overwintert hij ook in het Middellandse Zeegebied.
In onze streken is hij bekend als wintervogel en daar heeft hij ook het passend warmte-isolerend verenpakje naar: een lekker dik pakje, waarvan de veertjes wel heel losjes zitten. Even een zuchtje wind en dan waaien ze op. Vandaar dat een heggenmus altijd zijn kopje naar de wind toe keert.
De rugveren zitten zo los dat ze bij de minste aanraking zelfs kunnen uitvallen. Hoe de heggenmus het klaarspeelt om het fragiel verenkleed tijdens kruiptochten door heggen en struiken ongeschonden te houden, blijft dan ook een raadsel.
De heggenmus is een echte joker, die iedereen in de maling neemt, maar dan wel vanachter de coulissen, verscholen in warrig struikgewas, braamstruiken, doornige heggen of heesters.
De heggenmus zingt niet één wijsje maar heft verschillende deuntjes aan telkens vanaf een andere plaats in zijn woongebied. Andere mannetjes laten zich daardoor om de tuin leiden; zij denken dat het erg druk is in het verkend landgoedje. Vrouwtjes zoeken net die drukte op en flaneren bij voorkeur in de domeinen van meerdere mannetjes, waarmee zij graag flirten.
Al is in grote delen van Europa de heggenmus bekend als een uiterst schuwe bosvogel toch komt hij ook voor in onze tuinen. Wel blijft hij erg behoedzaam en zoekt hij doorgaans beschutting tussen dichte begroeiing. Bij de geringste rustverstoring glipt hij ineengedoken en met kleine sprongetjes langs de grond zover mogelijk weg naar een donkere schuilplaats. Het is niet zon zeldzaam voorkomend vogeltje, als men wel denkt. Door zijn verborgen leventje en musachtig uiterlijk ziet men de grootste onder onze kleine zangers gemakkelijk over het hoofd.
Tijdens het lange broedseizoen dat van half maart tot in augustus duurt en waarin veel heggenmussenpaartjes drie broedsels grootbrengen, klinkt het welluidend en vrolijk lied van de bastaardnachtegaal zowel in de lente als in de zomer.
Het kopje, keel en borst zijn blauwgrijs; wang en oorstreek zijn bruin met lichte streepjes er doorheen; de bovendelen van het vederpak zijn bruin met zwarte lengtevlekken; de stuit is grijsbruin en de poten oranjebruin. De snavel is geen dikke mussenkegel, maar een fijne spitse en vrij lange priem. De lichaamslengte is 14 cm; de vleugelspanwijdte varieert van 19 tot 21 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 19 en 24 g.
Een groot deel van de dag besteden heggenmussen aan het zoeken van voedsel en in de winter kan dat zelfs oplopen tot alle beschikbare tijd in daglicht.
De heggenmus hipt over de grond en pikt voortdurend voedsel op. Het dieet bestaat s zomers voornamelijk uit kleine insecten, spinnen, slakken en wormen. Tijdens de speurtocht naar insecten rukt de heggenmus soms bladeren af die heen en weer worden geschud om de prooidiertjes ten val te brengen, een methode die ook de merel gebruikt. Het winterdieet bestaat voornamelijk uit zaden, of gemorst strooivoer van de voedertafel die van de grond worden gepikt.
Vrije opvattingen over huwelijksrelaties
Heggenmussen hebben een eigenaardige balts. De vogels slaan maar nu veel duidelijker dan tijdens het voedsel zoeken de vlerkjes uit, maken danspasjes en waaieren met de staart. Ook laten ze een schel gefluit horen.
Vrij laag in een donker, verborgen hoekje tussen heggen en struiken bouwt het vrouwtje haar stevig komvormig bouwsel met dunne twijgen, plantenstengels, bladeren, keurig gevoerd met mos, haar en donsveertjes. Het legsel bestaat meestal uit 4 tot 5 diepblauwe gladde eitjes, die gedurende 12 tot 14 dagen worden uitgebroed.
Bij heggenmussen is ontdekt dat ze ook een complex en ongebruikelijk paarsysteem hebben. Mannetjes en vrouwtjes handhaven afzonderlijke, maar overlappende territoria, afhankelijk van betrouwbare voederplaatsen.
Eén enkel mannetje kan samenleven met één of twee vrouwtjes; één vrouwtje kan twee mannetjes delen en soms leven twee van ieder geslacht samen. Het voordeel van een vrouwtje om extra mannetjes te hebben is dat elk mannetje helpt bij het voeren van de nestjongen van ieder vrouwtje waarmee ze hebben gepaard. Als de jongen uit het ei zijn gekropen, krijgen de meeste ouders hulp van een maatschappelijke assistent, een tweede mannetje wordt aangenomen om mee de kinderen te helpen voeden en verzorgen.
Het huwelijksleven van de heggenmus is het best te vergelijken met de vrije opvattingen over relaties binnen een commune, waarbij de favoriete hobby het plegen van overspel is.
Mijnheer heeft amper zijn kop gedraaid of mevrouw ontvangt de buurman in haar bed of andersom; als mevrouw even van huis is komt de buurvrouw even stoeien.
Als het mannetje thuiskomt en zijn wijfje op overspel betrapt, dan gooit hij prompt de indringer de deur uit en pikt haar in het achterlijf tot zij het zaad verliest dat haar minnaar heeft achtergelaten. Ogenblikkelijk nadat het sperma van de verboden liefde is verwijderd, paart hij met zijn eega, zodat hij er bijna zeker van mag zijn dat het de eigen kinderen zijn die straks worden geboren.
De jongen die na twee weken ongeveer het nest verlaten, kunnen nog niet zo best vliegen en vallen vaak ten prooi van eksters, kraaien of Vlaamse gaaien.
Pleegouders
Er kan nog meer mislopen met het nageslacht want de heggenmus is de geliefkoosde waardvogel van de ver rondtrekkende koekoek. Een andere favoriete waardvogel die het koekoeksei uitbroedt en grootbrengt is de kleine karekiet.
Het broedparasitisme als voortplantingsstrategie kan worden gezien als een aanpassing aan het korte verblijf in het broedgebied. Voordeel is hierbij dat de noodzaak tot nestbouw vervalt.
Het koekoekswijfje legt stiekem begin juni zon 10 tot 25 eieren in verschillende nesten, echter steeds maar één ei per nest en meestal van een zangvogelsoort. Soms worden meerdere eieren verwijderd alvorens het eigen ei wordt gelegd. Na een zeer korte broedtijd van ongeveer 12 dagen komt de jonge koekoek uit het ei. De aanraking door andere nestbewoners zetten hem er instinctief toe aan deze uit het nest te werpen. Zo krijgt hij de volle aandacht van de waardouders.
Dit gedrag levert voor de jonge koekoek echter wel een probleem op omdat de meeste vogelouders de hoeveelheid voedsel afstemmen op het aantal opengesperde bekjes in het nest. De jonge koekoek kan echter het ontbreken van behoeftige soortgenoten compenseren door snelle geluidssignalen te produceren; ook de grote oranjerode keel prikkelt de voederreflex bij de waardvogel.
Al is in onze streken de ijsvogel hoofdzakelijk een standvogel, die men tijdens de winter soms wel eens aantreft aan de rand van een wak in half dichtgevroren water, toch wijkt hij bij strenge vorst snel uit naar andere streken, want hij heeft een bloedhekel aan ijs.
Weinig vogels zijn schuwer dan de ijsvogel en men zal hem dan ook maar zelden goed kunnen waarnemen in zijn geliefkoosde biotoop: rond meanders van waterlopen, die zich slingerend een weg banen door het landschap en holle steile oevers vormen waarin het vogeltje zijn nesthol kan uitgraven. Liefst vertoeft hij in de buurt van heldere, ondiepe, langzaam stromende rivieren of visrijke waters die beschut zijn tegen wind.
De ijsvogel heeft mooie bijna exotische kleuren: een fel metaalglanzende blauwgroene rug met een helderblauwe middenstreep, een oranjewitte wangvlek, een staalblauwe kop, een zwarte lange dolkvormige snavel, een witte keel- en halsvlek, kleine rode poten, roestoranje borst- en buikzijde en een kobaltblauwe korte staart en stuit. De lichaamslengte varieert tussen 15-17 cm; de vleugelspanwijdte reikt tot 25 cm; het gewicht schommelt rond de 40 g.
Met zijn opvallend gedrongen lichaamsbouw, grote kop en afgeronde vleugels scheert de vogel laag, rechtlijnig en snel met korte vleugelslagen als een kleurrijke pijl rakelings over het wateroppervlak.
Het waterdichte en isolerend verenkleed, dat bestaat uit korte, dichte veren, wordt tot 6 keer per dag op een unieke wijze gepoetst (met de binnenkant van de vleugel over de kruin) en gekamd.
Ook houdt de ijsvogel geregeld een bad, waarbij hij wel 20 keer na elkaar het water induikt om zijn door braakballen besmeurd verenpak (vooral tijdens de periode waarin jongen worden grootgebracht) te reinigen.
Koningsvisser
Meestal zit de ijsvogel onbeweeglijk stil op de uitkijk. Met zijn scherpe blik kan hij in het heldere water de precieze positie lokaliseren van zijn prooi, die zich doorgaans niet dieper dan 25 cm onder het wateroppervlak bevindt. De ijsvogel drijft vanzelf weer boven en verlaat direct na de vangst het water met één krachtige vleugelslag. Hierna vliegt die naar zijn uitkijkpost waar hij het visje tegen de overhangende tak doodslaat. Zijn voorkeur gaat naar vis. De soort doet er niet toe; als de prooi maar niet groter is dan 7 cm. De buit wordt in zijn geheel met de kop naar voor binnengezwolgen om te voorkomen dat vinnen of schubben in de keel blijven steken. De dagelijks portie vis haalt zowat 2/3
van het eigen lichaamsgewicht.
Nog andere prooidieren staan op het menu: libellarven, waterschorpioenen, vijverlopers, bootsmannetjes, schaatsenrijders, duikerwantsen, larfjes van de watertor, kikkervisjes, zoetwater garnalen. Om al die waterdiertjes buit te maken, beschikt de vissende briljant over een waaier vangtechnieken. Vanaf een lage tak vliegt hij eerst met een sprong omhoog, voor hij op zijn prooi plonst. Is er geen tak in de buurt dan kan hij fladderend stil in de lucht hangen voor hij duikt. Diertjes die vlak onder het wateroppervlak zwemmen, pikt hij in het voorbijvliegen op. Hij achtervolgt op eendagsvliegen en rondsnorrende libellen of plukt een spin uit haar vangnet.
De pluimen maken de vogel niet
Merkwaardig dat zon schitterend kroonjuweeltje als de ijsvogel zich geen moer aantrekt van netheid in de woning. Het diep verborgen huishouden van de ijsvogel mag dan vanwege de rottende visresten en de uitwerpselen van de jongen een stinkboel zijn, het gezinsleven mag wel als model staan. Ook al zijn de extreem territoriaal ingestelde ijsvogels buiten de broedtijd onverdraagzaam en verdrijven ze elke rivaal uit hun woongebied, in de tijd van de nestbouw en de opvoeding van de jongen zijn de ouders één en al zorg en toewijding.
Al van bij het geflirt gedraagt het mannetje zich als een attente minnaar die zijn verloofde verse visjes aanreikt. Als zij de gift gewillig aanneemt, is de zaak snel beklonken.
Begin april, soms al eerder, paren de ijsvogels en beginnen gezwind met de nestbouw.
Daar hebben ze een steile, zandige en droge oever voor nodig. De plek die zij in de loodrechte wand uitkiezen kan echter sterk in hoogte verschillen: tussen 60 cm en 30 m! Dat de hoger gelegen nestholten het veiligst zijn en zo goed als onbereikbaar voor insluipers als wezel en waterrat, is evident. Met hun snavel hakken ze stukjes aarde weg en na een dag kan het wijfje met haar korte pootjes al aan de rand van het gat postvatten. Evenals bij een spechtennest is dat gat keurig rond gemaakt. Dan beginnen de grote graafwerkzaamheden, waarbij ijverig met de pootjes de uitgegraven aarde uit het hol wordt geveegd tot een gang van 40 tot 100 cm lang is gevormd. De doorsnede van de licht oplopende tunnel is 5 tot 5.5 cm. Aan het einde ervan wordt een broedruimte met min of meer ronde randen uitgehold, 10 tot 12 cm breed en 8 tot 10 cm hoog.
De gang loopt wat op om tijdens gure weersomstandigheden het inregenen en onderlopen van de nestruimte te voorkomen.
Aan een fraaie inrichting van de solide oevervilla wordt helemaal geen aandacht geschonken; er komt voor de binnenbekleding geen nestmateriaal aan te pas. Wel ontstaat een ruwe mat van uitgespuwde visgraten en schubben in het droge onderkomen. Een plantaardig tapijt zou vocht, vermengd met visafval, uitwerpselen en mogelijk ongedierte alleen maar vasthouden en voor een verstikkende troep zorgen.
In het nesthol legt het vrouwtje 6 tot 7 grote, bijna bolvormige witglanzende eieren. Het vrouwtje offert de meeste tijd aan het uitbroeden, terwijl het behulpzaam mannetje geregeld met een vers gevangen visje haar plichtsgetrouwheid beloont. Ongeveer 2 weken duurt het voordat de jongen uitkomen; jonge ijsvogeltjes zijn blind en bloot en volkomen hulpbehoevend. In de begintijd worden zij door de ouders gevoerd met insectenlarven en later met kleine visjes.
Bijzonder merkwaardig is wat zich in het compleet verduisterd interieur afspeelt wanneer een oudervogel de gang binnenkomt. Het jong dat het dichtst bij het vlieggat zit, spert wijd zijn snavel open, neemt zijn portie in ontvangst en staat dan heel gedisciplineerd zijn plaats af aan het tweede jong in de rij, waarbij het wel een straal dunne vloeibare ontlasting een eind de gang in spuit.
Het visje wordt met de kop naar voren aangeboden, dus met de rugvinstekels naar achteren gericht. In de ruim drie weken lang dat de jongen opgroeien, is het dabberen in een onwelriekende drek, al mag uit dit opvoedingsritueel niet worden geconcludeerd dat de uitdrukking stank voor dank geldt.
De zwarte zwaan is hier een uiterst schaarse broedvogel omdat die helemaal niet honkvast is en geprikkeld door zwerflust afstanden van wel honderden km aflegt.
Oorspronkelijk is de zwarte vogel afkomstig uit Australië, Tasmanië, Nieuw-Guinea en Nieuw-Zeeland, waar die in gematigde (sub)tropische streken in zoet- en brakwatergebieden verblijft en zich al grondelend te goed doet aan oevervegetatie, zoals grassen en waterplanten. Deze exoot voelt zich net als de nijlgans en halsbandparkiet inmiddels wel thuis in onze streken.
De populaire sierwatervogel heeft een bijna volledig zwart verenkleed met enkele witte handpennen, een roodroze snavel met een witte dwarse streep aan het uiteinde. De poten zijn donkergrijs, de ogen helderrood.
Een volwassen exemplaar haalt een lichaamslengte, die varieert tussen 120 en 150 cm en een lichaamsgewicht van om en bij de 6 kg. Van alle soorten heeft de zwarte zwaan de langste hals, die de helft van de lichaamslengte overtreft. Watervogels hebben een snelle stofwisseling, wat betekent dat zij de hele dag door kleine porties dienen te eten.
Zwarte zwanen vormen koppels voor het leven.
Het nest, een constructie van takken, riet en stro, wordt ongeveer 1 m² groot en wordt op een open plaats gebouwd, omdat het koppel bij het uitbroeden graag het overzicht bewaart.
Het hele jaar door kunnen zwarte zwanen beginnen met nestelen. Immers in Australië waar ze van nature voorkomen, is het zomer als het in Europa winter is. Daardoor wagen zwarte zwanen het erop zelfs in de sneeuw te nestelen, wat vaak problematisch wordt voor de opgroeiende kuikens.
Doorgaans worden de 4 tot 10 grijsgroene eieren in april of mei gelegd, die na 35 dagen broeden, uitkomen.
Sierwatervogels, die worden gekweekt vanwege hun gracieuze verschijning en bijzonder gedrag, tref je voornamelijk aan in omsloten tuinen en parken met uitgestrekte grasperken en vijverpartijen, die debiotoop zo natuurgetrouw mogelijk trachten na te bootsen. Er bestaan vele soorten siergrassen, bamboesoorten en geschikte waterplanten voor watervogelperken, zoals de hosta, de daglelie, varens, bont liesgras en de dovenetel.
De parmantige zwarte vogel brengt de dag vooral zwemmend in het water door. Vergeleken met andere soorten zwanen, kan hij zich vrij goed voortbewegen op het land. Overdag zijn zwarte zwanen niet zo luidruchtig, maar tijdens nachtvluchten laten ze wel vaak dat typisch klagend trompetterend geluid horen. Geregeld rusten en slapen ze op het water, maar ook op de oevers met de snavel tussen de rugveren.
Black and white
In de liefde trekken tegenpolen elkaar aan. In totaal zijn er 6 soorten zwanen: vier zijn wit, één is zwart en één is wit met een zwarte hals, de zogenaamde zwarthalszwaan.
De witte Euraziatische knobbelzwaan en de zwarte Australische zwaan, die van oorsprong in geografisch gescheiden gebieden leven, zullen niet geneigd zijn met elkaar te paren ook al zijn ze al twee eeuwen door de mens in parken samengebracht.
Als zwanen zich voortplanten, houden ze het liever bij hun gelijken. Ze zouden samen wel nakomelingen kunnen krijgen, maar net als bij de kruising van een paard en een ezel kan het jong dan zelf geen afstammelingen hebben.
Mochten een witte en zwarte zwaan jongen ter wereld brengen dan zouden de genvarianten die de kleur coderen ervoor zorgen dat de jongen óf met een wit óf met een zwart verenpak ter wereld zouden komen, al valt niet uit te sluiten dat binnen een geïsoleerde biotoop na vele generaties een grijze variant zou opduiken.
Ook deze reeks knappe fotos zijn van jawel onze WIM voortaan gesigneerd als DKW
Iedereen kent de talrijk voorkomende en tamme sierlijke standvogel met zijn karakteristieke gebogen hals in S-vorm, zijn sneeuwwit verenkleed met een relatief lange puntige staart, zwarte voorhoofdsknobbel, roodoranje naar beneden gerichte snavel en grijs tot zwarte poten.
De knobbelzwaan maakt met zijn sterke en regelmatige vleugelslagen (tot 2.5 m spanwijdte) tijdens zijn vlucht met gestrekte hals een uniek zoemend geluid. Hoewel de knobbelzwaan uitstekend kan vliegen, heeft hij met zijn lichaamsgewicht van om en bij de 13 kg behoorlijk last om op te stijgen.
In vrijwel geheel Europa broeden knobbelzwanen langs sloten vlakbij parkvijvers, meren of spaarbekkens, rivieren of brakke gronden in beschutte kustgebieden. Knobbelzwanen houden van stilstaand of langzaal stromend water met veel waterplanten. Ze plukken plantaardig materiaal uit kort gras op velden en zoutmoerassen, grazen in ondiepe plassen of grondelen in dieper water, waarin ze al eens kleine visjes of kikkertjes buit maken. Bij gebrek aan voldoende waterplanten, durven ze ook uitwijken naar graslanden en braakliggende akkers met oogstresten. In parken bestaat een aanzienlijk deel van hun voeding met brood dat ze toegeworpen krijgen.
Wanneer een indringer (ook mensen of honden) het territorium van de knobbelzwanen betreedt, wordt die op erg agressieve wijze met veel machtsvertoon onthaald. De zwaan neemt hierbij een indrukwekkend dreigende houding aan, waarbij die de vleugels wijd uitspreidt, de kop laat zakken en luid sissend op de rustverstoorder afgaat.
Het nest, dicht tegen de waterkant, is één grote stapel plantenmateriaal (takken, riet, stro) soms met een doorsnede van 4 m en een hoogte van 75 cm. Het legsel (maart juni) telt 4 tot 7 eieren, die hoofdzakelijk door het wijfje gedurende 34 38 dagen worden bebroed. Kleine zwaantjes schuilen tussen de vleugels van hun ouders; na 20 weken kunnen de zwanenjongen uitvliegen.
Voor de Kille Meutel-vogelvrienden is vogelkenner en weldoener WIM geen onbekende meer en sedert enkele maanden wijdt hij zich terug met volle goesting aan natuurfotografie. De onderstaande reeks betoverende opnames getuigen van zijn deskundigheid en voorliefde voor natuurschoon.
Een Haiku is een Japanse dichtvorm, die bestaat uit 3 versregels en 5 7 5 lettergrepen telt. De Haiku is een vingerhoed vol emotie, waarin weinig ruimte is voor ontledingen of verklarende omschrijvingen. Een leuke momentopname wekt een innerlijk gevoel, een spontane indruk op, die je verwoordt in een notendop.
Je zou het niet meteen denken dat een Grauwe Franjepoot een echte zeevogel is althans voor een groot deel van zijn leven als je hem ziet dobberen op een ondiep plasje in de buurt van vennen of vloeivelden.
Hij overwintert immers op volle zee en leeft daar van oppervlakteplankton. Een zeer ongewone habitat voor een steltloper, maar qua lichaamsbouw is hij perfect aangepast. De tenen vertonen brede lobben haast halve zwemvliezen waardoor de Grauwe Franjepoot goed kan zwemmen en zijn onderzijde is voorzien van een dik en donzig verenkleed.
Het is hoofdzakelijk een broedvogel van poolgebieden, maar hij nestelt ook iets zuidelijker: o.a. in IJsland, Ierland, Skandinavië, Noord-Rusland.
Zelden kan men de herfst- of lentegast (dwaalgast) op doortocht naar Afrika, langs de kusten van de Atlantische Oceaan in onze streken waarnemen, tenzij in rustgebieden die op zijn trekroute liggen.
De lengte van de vogel varieert tussen 15 en 20 cm en het zomers prachtkleed staat in schril contrast met het vale winterkostuum.
Hij heeft een naaldfijne zwarte snavel, een donkere kop, een witte kin en keel, een oranjerode hals, een leigrijze buikzijde, bespikkeld met witte vlekjes, blauwgrijze bovendelen met crèmekleurige lengtestrepen en zwartige vleugels met een opvallende witte streep.
Druppeltruc
Franjepoten zijn vogels die een heel bizarre manier ontwikkelden om aan voedsel te geraken.
Ze gebruiken hun gelobde poten om in kringen rond te tollen, met de bedoeling voedsel in het water op te woelen. De Franjepoot draait wel 60 keer in één minuut om zijn eigen as, waarbij zijn roeipoten in één seconde tijd wel 6 tot 8 maal over en weer bewegen. Door voortdurend rondjes te draaien, verwekken de vogels alzo stromingen die de kleine planktondiertjes naar het wateroppervlak opwellen.
Om te weten hoe de minuscule prooien in de vogelbek terechtkomen, hebben wetenschappers een franjepotenbek nagebouwd. De onderzoeksresultaten met waterdruppels in de mechanische bek verschenen in het topvakblad Science.
De vogel doet met een waterdruppel een truc die je haast doet twijfelen aan de wetten van de zwaartekracht. Zodra die een met voedsel gevuld waterdruppeltje heeft opgenomen, sluit hij zijn bek net genoeg om de druppel wat plat te duwen. Als gevolg van de oppervlaktespanning, schuift de afgeplatte druppel verder in de snavel om finaal in de maag te verdwijnen.
De mate waarin de bek wordt gesloten, is enorm belangrijk om te voorkomen dat de druppel weer naar buiten rolt. Het lijkt bijna magie dat natuurlijke selectie in staat is een voedingssysteem zo scherp te stellen dat het de wetten van de fysica tart.
Mannenverleidster
Een ander opmerkelijk feit van Franjepoten is dat de gebruikelijke rollen van de geslachten zijn omgedraaid. Bij de Franjepoten nemen de dames het seksueel initiatief. Het wijfje bezit het fraaiste verenkleed en maakt het mannetje het hof, die dientengevolge de taak heeft voor het nageslacht te moeten zorgen.
Meestal broeden de vogels in kolonies van eind mei tot eind juni. Het vrouwtje bezet het territorium en samen bouwen de ouders het nest een met gras gevoerde kleine ronde kuil in een drassig moerasgebied. Het wijfje legt gewoonlijk 4 bruingevlekte geelachtige eieren die door het mannetje in 18 dagen worden uitgebroed. Hij verzorgt ook de jongen die na 16 20 dagen onafhankelijk zijn.
Of je de heren Franjepoten aanziet als grootmoedige sukkels en brave hoorndragers is afhankelijk van de positie die je inneemt in het ornithologisch emancipatiedebat.
Oswald maakte de bewoners van de Kille Meutel er reeds attent op.
Dit weekendroept Natuurpuntiedereen op zaterdag en/of zondag tuinvogels te tellen. Vogels Voeren en Beloeren, heet het laagdrempelige project dat Vlaamse gezinnen via het voederen van vogels in contact wil brengen met de natuur in hun tuin.
Vorig jaar namen 3.000 Vlaamse gezinnen deel aan de actie en telden samen meer dan 135.000 vogels.De voorbije 4 winters verzamelden deelnemers aan afleveringen van Vogels Voeren en Beloeren waarnemingen over vogels in meer dan 3.000 tuinen. Met deze herhaaldelijke observaties probeert Natuurpunt een beeld te krijgen hoe de vogelpopulatie van een gemiddelde Vlaamse tuin is samengesteld en hoe die van jaar tot jaar wijzigt.
Bijna 1 op 5 tuinbezoekers is een mus of een mees, zo blijkt uit de statistieken van de voorbije tellingen. De merel is de meest verspreide soort, die haast in elke tuin voorkomt. Door de gevederde tuinbezoekers te voederen, naderen ze de voedertafel dicht genoeg waardoor je ze gemakkelijk kan identificeren.
Wie actief aan de telling wenst deel te nemen, moet het maar eens wagen op 5 en/of 6 februari een half uurtje of langer te noteren welke vogelsoorten neerstrijken en op te tekenen welk maximaal aantal van dezelfde soort tegelijkertijd in de tuin te zien was. De resultaten kunnen meteen op de site van Natuurpunt worden ingegeven: zie www.natuurpunt.be/tuinvogels
Je vindt er ook foto's van de meest voorkomende tuinvogels, met een woordje uitleg erbij. In de rechter kolom van het elektronisch invulformulier geeft men nog eens aan waar je moet op letten.
De vogelbeschermingregeling biedt nog steeds niet de gewenste efficiënte bescherming van wilde vogels. Heel wat Vlaamse vogelsjoemelaars kunnen ongestoord over heel Europa beroep doen op goed georganiseerde netwerken van vogelvangers en nestrovers. Zeldzame en beschermde vogels worden zo massaal in beslag genomen en in de natuur geroofde eieren worden in broedmachines uitgebroed. De bedriegers trachten via frauduleuze kweekringen hun vangst tot gekweekte vogels te legaliseren om ze in het handelscircuit te krijgen.
Sedert de oprichting van het Agentschap voor Natuur & Bos een herstructurering in het kader van het vernieuwingsproject Beter Bestuurlijk Beleid worden de natuur- en boswachters van de gewezen afdelingen Bos & Groen en Natuur omgevormd tot domeinwachters, adviesverleners of handhavers.
Hierdoor riskeert de expertise aanwezig bij de meeste natuur- en boswachters onbenut te worden gelaten. Bovendien lijdt het geen twijfel dat het te geringe aantal voorziene handhavingwachters à rato van een vijftal per provincie een onvoldoend bemand effectief is om alle taken naar behoren uit te voeren. Het voorkomen van illegale praktijken is immers niet louter een kwestie van wetswijzigingen, maar vereist evenzeer een degelijk en gecoördineerd handhavingsbeleid met een contingent gespecialiseerde veldwerkers, die de pakkans van fraudeurs vergroot. Anders blijft het dweilen met de kraan open.
Een tijd geleden is een man op leeftijd uit Mechelen, die op grote schaal beschermde vogels ving en ze ook opat, zwaar beboet.
Reeds in 2005 troffen speurders er een volledig omheinde tuin aan die als één grote vangplaats was ingericht met een heel assortiment aan professioneel vangmateriaal (lokvogel, inloop- en klepkooi, kleverige lijmstok, pootstrik, haagnet, automatisch springnet, fijnmazige mistnet, opverende slagnet, )
Ook trof men in de diepvriezer vogelkadavers aan van spreeuwen, kramvogels, koperwieken, lijsters en zelfs roofvogels (buizerds, sperwers en torenvalken). Alle lijken waren gepluimd, ontweid (ontdaan van de ingewanden) en in aparte plasticzakjes verpakt, klaar voor consumptie.
De man maakte zich eveneens schuldig aan het frauduleus ringen van beschermde zangvogels, die hij vervolgens op de markt als eigen kweekvogels aanprees.
Spreeuwen zouden een delicatesse zijn die in het verleden al vaker illegaal werden verhandeld aan slagerijen en restaurants, die ze als kwartels (hoendervogels) op de spijskaart zetten.
Ruim 10 jaar geleden werden de uitbaters van een restaurant in Oudenburg betrapt met ca 500 spreeuwen in hun diepvriezers.
De spreeuwenvangst is sinds het Europees verbod wel fel verminderd. Desondanks lopen er nog steeds vogelstropers rond die op een geoogste maïsakker in samenspraak met de landbouwer a.h.v. hun vangnetten hun slag proberen te slaan.
Bewerking bron: Vogelbescherming Vlaanderen
Op onderstaande foto zie je een arsenaal in beslag genomen vangstmaterialen uitgestald.
De jonge Britse Charles Darwin (1809 1882) ving eind jaren 1830 aan met een wetenschappelijke studie over de evolutie, een theorie die de enorme verscheidenheid van het leven op aarde en natuurlijke selectieprocedures trachtte te verklaren. Tijdens zijn exploratiereis met de HMS Beagle een onderzoekschip van de Royal Navy (27/12/1831 02/10/1836), ontdekte de natuurverkenner op de Galápagoseilanden een merkwaardige soortenrijkdom aan vinken, één van zijn vele honderden deelstudies die aantonen dat diersoorten niet onveranderlijk zijn.
Via nauwkeurige observaties merkte de natuuronderzoeker op dat er subtiele verschillen bestonden tussen de variëteiten aan vinken, die op de verschillende eilanden geïsoleerd leefden.
De waarnemingen, secuur opgetekend in logboeken tijdens zijn haast 5-jarige speurtocht leverden voldoende bewijsmateriaal aan om 20 jaar later zijn geniale en grensverleggende inzichten neer te schrijven in de wereldbekende en krachtige evolutietheorie. Dankzij deze theorie hebben we niet langer een bovennatuurlijke verklaring nodig voor de ontwikkeling van het leven op aarde.
Charles Darwin worstelde echter nog met de vraag hoe die eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven.
Rond de tijd dat hij zijn werk publiceerde, ontwikkelde de Oostenrijkse monnik Gregor Mendel zijn erfelijkheidswetten op basis van experimenten met erwtenplanten.
Ruim 40 jaar later ontdekten celbiologen celkernen en chromosomen, de opslagplaatsen voor erfelijke informatie.
Al staan vandaag de basisprincipes van de evolutieleer nog altijd stevig overeind, toch wordt de theorie voortdurend bijgeschaafd op basis van nieuwe inzichten, voornamelijk in de genetica en de ontwikkelingsbiologie. Sommige wetenschappers verwachten dan ook dat er binnenkort weer een nieuwe synthese zal komen, die de genetische samenstelling van het individu (het genotype) tracht te koppelen aan de manier waarop dit wezen eruitziet en zich aan omgevingsomstandigheden weet aan te passen (het fenotype).
Charles Darwin had reeds opgemerkt dat men op de Galápagoseilanden vinken aantreft met lange puntige snavels die van cactusbloemen leven, met brede bekken die zaden van de grond oprapen of met heel smalle snavels die insecten vangen. De eigenschappen van de bek bepalen ook de structuur van de schedel van de vogeltjes, want zwaardere snavels hebben een stevigere kop nodig.
De oorsprong van de verschillen in snavelvorm moet worden gezocht in eiwitten. Het eiwit stuurt de keten van boodschappers die bepaalt wanneer er beenweefsel wordt gevormd en hoeveel.
Charles Darwin op Canvas vanaf 17/02/09: Dirk Doet Darwin. Bioloog en Knack-journalist Dirk Draulans neemt je mee op een rondreis door de wetenschappen in de tijd.
In coproductie met de VPRO wil men aan boord van de clipper Stad Amsterdam (zie verticale foto onderaan) in de voetsporen van Charles Darwin de tocht om de wereld opnieuw afleggen en deze wonderbaarlijke verkenningstocht in 41 afleveringen op de beeldbuis brengen.
Charles Darwin in het Koninklijk Belgische Instituut voor natuurwetenschappen vanaf 12/02/09: Galerij van de Evolutie. In een unieke zaal illustreert de tentoonstelling de veranderingen die levende organismen in de loop van de tijd ondergaan.
Vogelbotsingen gebeuren meestal op lage hoogte (80%) en in de directe buurt van vliegvelden. Van grote invloed is de vegetatie rond het luchthaventerrein. In onze luchthavengemeente bestrijkt het banenstelsel van 3 start- en landingsbanen in Z-vorm een oppervlak van 1 245 ha op de grondgebieden van de gemeenten Machelen, Steenokkerzeel en Zaventem.
Dagelijks belanden in straalmotoren, die door hun grote luchtinlaat gevoelig zijn, heel wat vogels in de turbine, maar zelden lees je daar wat over. Immers de motoren zijn zo ontworpen dat ze bij een klein impact niet in brand schieten.
Zodra er meer dan 3.5 kg in de motor terechtkomt, wordt het wel gevaarlijk. De aanvaring met een gans bv. versplintert door de hevige schok de rotorbladen en op het moment dat deze brokstukken de motor worden ingezogen, richten zij een enorme ravage aan.
Maar ook een duif van 500 g die tegen een F-16 met een snelheid van ongeveer 700 km/u knalt, stemt overeen met een impact van zowat 15 ton, een behoorlijk stevige klap. Tralies voor de motoren aanbrengen kan niet, daar je daarmee de luchtinvoer uit balans brengt.
Statistisch gezien gebeuren de meeste birdstrikes in Europa (42%) tegenover 32% in Noord-Amerika. Hoewel het gewicht van een vogel bijna onbeduidend is vergeleken bij dat van een vliegtuig, veroorzaken vogelbotsingen toch enorme schade. Ondanks alle afschrikkingmethodes (gaskanonnen, ballonnen, pistolen met knalpatronen, angstkreten via megafoonsysteem, roofvogels om andere vogels, zoals kieviten, meeuwen, spreeuwen, kraaien, te verjagen), krijgt men het luchthavengebied nooit vogelvrij.
Het is aartsmoeilijk de vermaalde restjes te identificeren; niettemin is het belangrijk te weten welke vogelsoorten de meeste aanvaringen veroorzaken.
In het Nederlandse en Belgische luchtruim springen de kokmeeuw, spreeuw, buizerd en gierzwaluw er uit als de belangrijkste slachtoffers / daders.
De Hudsonheld
Het is zeer uitzonderlijk dat opvliegende vogels vrijwel tegelijkertijd alle motoren onklaar maken. Het vereist van een gezagvoerder dan ook enige koelbloedigheid en vliegkunst om een passagiersvliegtuig, dat eensklaps alle drijfkracht verliest, als een zweefvliegtuig op het water neer te vlijen.
Dit overkwam de oud-luchtmachtpiloot en ervaren zweefvlieger Chesley Sullenberg (57 jaar), bijgenaamd Sully, die een succesvolle noodlanding maakte met een Airbus A-320 op de Hudson-rivier. Een staaltje van puik vakmanschap en grootmoedigheid, getuigden kenners alom.
De 155 inzittenden beseften vrij snel dat er wat misliep toen het vliegtuig van op de luchthaven La Guardia (New York) opsteeg.
De piloot meldde dat het vliegtuig door een zwerm Canadese ganzen was getroffen en besliste na het uitvallen van beide motoren meteen koers te zetten op de dichtstbijzijnde luchthaven, New Jersey. Snel bleek dat zelfs dit alternatief niet haalbaar was en wat later streek de ijzeren vogel neer in het ijskoude water van de Hudsonrivier.
Om je een idee te vormen van het voorval, kan je even dit filmfragment bekijken:
De taak van de Bird Control Section is de vogelbewegingen in kaart te brengen en ze weg te houden van de vliegtuigen tijdens cruciale fases, zoals bij start en landing.
Op radar worden grote troepen overvliegende vogels (bv. meeuwen die iedere morgen uit de buurt van Mechelen naar de stortplaats van Mont Saint-Guibert trekken) getraceerd.
Onder leiding van defensiebioloog Luit Buurma ontwikkelde de Koninklijke Luchtmacht in Nederland een heus detectiesysteem. Met behulp van een door TNO (Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) ontwikkeld vogelecho-extractiesysteem ROBIN (Radar Observation of Bird Intensity) wordt nauwkeurige informatie over de vogeltrek verkregen binnen een straal van 150 km.
Naast de radarbeelden beschikt men over de tellingen van 7500 vrijwilligers van de SOVON(Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland).
Het voorspellen van pieken in de vogeltrek (vogeldichtheid) kan je wat vergelijken met filewaarschuwingen.
Via radarbeelden kunnen ornithologen in een bepaalde periode op verschillende hoogtes boven het land de verdeling van vogelpopulaties observeren. Ook kunnen zij tot 5 dagen vooruit via computermodellen en wiskundige berekeningstechnieken de vogeldichtheid voorspellen op basis van de verwachte weersomstandigheden.
Aangezien vogeltrek grensoverschrijdend is, moet het vogelwaarschuwingssysteem dat ook zijn.
Eeuwen geleden, toen bos, heide en moeras nog wijd verbreid waren en de landbouw nog kleinschalig was, moet de houtduif een weinig voorkomende broedvogel zijn geweest.
De moderniseringen in de landbouwpraktijk (intensivering en mechanisering) zorgden voor een verhoogd voedselaanbod waardoor houtduiven vaker en succesvoller konden broeden.
Op hun beurt vormen houtduiven een belangrijke voedselbron voor een groot aantal rovers.
Houtduiven zijn strikt gebonden aan territoria met voldoende dekking, al kunnen zang en balts(vlucht) ook ver buiten de broedplaatsen plaatsvinden.
De houtduif is een fraaie maar schuwe duif, die ook naar tuinen trekt, waar hij mak wordt op plekken waar hij met rust wordt gelaten.
Met zijn krachtige, snelle vlucht en gedrongen bouw vormt de houtduif een vertrouwd beeld in onze streken.
Het lichaam meet 40 42 cm en de staart 11 15 cm; de vleugelspanwijdte bedraagt 75 80 cm.
De spiermassa met de stevige vliegspieren is erg groot en schommelt bij een volwassen dier rond de 500 g.
De houtduif heeft een blauwgrijze rug, een donkerroze borst, vaalrode poten, een witte kenmerkende vlek aan weerszijden van de groenpurperen nek, een staart met aan de bovenzijde een brede zwarte dwarse band en aan de onderzijde een lichtgekleurde band. De stuit is lichter van kleur dan de rug. Over de middenvleugel lopen grote witte banen. De snavel is geel met een roze basis onder de witte washuid. De ogen zijn geel.
De houtduif voedt zich hoofdzakelijk op de grond, waarbij hij parmantig rondstapt en alle plantenmateriaal oppikt dat hij tegenkomt. Graankorrels vormen zijn voornaamste voedselbron: tarwe, haver, maïs, gerst en koolzaad, maar hij zoekt ook tussen het strooivoer op de grond of eet van de voedertafel. Vindt hij geen graanmix dan vult hij zijn dieet aan met bladeren, knoppen en bloemen en zo nu en dan met ongewervelde dieren zoals regenwormen, kevers en slakken.
Dit behendige dier voedt zich ook in bomen door langs de takken te klauteren en zich er stevig aan vast te klampen, zodat hij ondersteboven met zijn snavel bij een sappige (vlier)bes of (beuken)noot kan die hij met een handige draai van zijn kop afrukt.
De hoge nestbezetting in de nazomer hangt nauw samen met de voedselvoorziening. In de loop van de winter raken de voedselbronnen immers uitgeput en vermoedelijk wordt de populatiegrootte van de houtduif bepaald door het aantal houtduiven dat erin slaagt deze kritische periode van voedselschaarste te overbruggen. Pas met de groei van de planten en de inzaai van de granen volgt een eerste legselpiek. In hartje zomer zijn houtduiven afhankelijk van scheuten en bladeren van hogere planten, aangevuld met zaad van vroegbloeiers. In de nazomer ontstaat een groot voedselaanbod door de oogst van granen.
Tijdens de baltsvluchten, waarbij hij met de klapwiekende vleugels een luid zwepend geluid maakt, vliegt de houtduif steil omhoog.
Al in vroege tijden zag men in de balts en de innige band van een duivenpaartje het symbool van hemelse liefde, schoonheid en vruchtbaarheid of van de vredesduif met een olijftakje.
Een doffer sleept immers een takje aan voor zijn duifje om samen een nest te bouwen. Hij maakt het wijfje het hof door met hoog opgezette borst koerend en kirrend pronkende rondjes te lopen. Vervolgens begint het voeren, waarbij het mannetje zich tegen de duif aanvlijt en haar zijn geopende bek aanbiedt. Als zij als een jonge vogel het opgebraakt voedsel aanneemt, is het tijdelijk huwelijk een feit.
De meerderheid van de paren wacht met nestelen tot de bomen in blad zijn gekomen (juni).
De weinige paren die het er in april tot en met mei op wagen, bouwen hun nesten aanzienlijk hoger dan latere paren (respectievelijk op 12 en 7 m), ongetwijfeld om op zijn minst buiten het bereik van grondrovers te blijven (hermelijnen en ratten). Tijdens zachte winters wordt nestbouw al vanaf december tot januari waargenomen.
Het nest van de houtduif is een licht maar stevig met dunne twijgen doorvlochten platform, waar men doorgaans van onderaf de 2 witte eieren doorheen kan zien. Doorgaans begint de eileg in de nazomer, vooral in augustus en september. De pas uitgekomen kuikens zijn spaarzaam met geelachtig dons bedekt, maar gedurende hun verblijf van 29 35 dagen in het nest ontwikkelen ze een grijs verenkleed.
Bij de houtduif bebroeden zowel doffer als duif beide eieren. Toch worden zeer veel legsels door andere vogels opgesoupeerd, vooral wanneer de duiven te lang hun nest onbeheerd achterlaten.
Vooral Vlaamse gaaien hebben zich op dit verzuim getraind.
Een koppel houtduiven lost elkaar trouw af bij het broeden, tenzij er voedselgebrek heerst.
De pas uitgekomen nestjongen worden gevoerd met een eiwitrijke substantie afkomstig uit de krop, waarin het opgenomen voedsel wordt voorverteerd tot een kaasachtige brij, duivenmelk genaamd.
Dat duiven poepen als de beste bewijzen gebouwen waarop talrijke tonnen duivenmest worden gestort.
Nestjongen van houtduiven staan anders wel best hun mannetje. Vanaf de tiende levensdag worden mogelijke vijanden onthaald met dreigend gesis, een uitgezette krop, heftig vleugelgefladder en gepik. Meestal mist deze verdedigingsreflex zijn effect niet.
Hoewel houtduivenlegsels op grote schaal door roofdieren worden weggesnoept, proberen de houtduiven wel degelijk deze rooftochten te ontlopen. Hun voorkeur om in haast ondoordringbare sparrenbomen te nestelen, is daar een voorbeeld van.
Een andere tactiek bestaat uit het broeden in de buurt van een paartje boomvalken, die geen bedreiging vormen, maar door hun aanwezigheid menig lastpost uit de buurt houden.
Sommige houtduiven kiezen zelfs voor een plek in dezelfde boom op amper enkele meters van het boomvalknest. Het broedsucces van houtduiven nestelend in de buurt van boomvalken liegt er niet om: 73 % tegenover 36 % bij houtduiven die in dezelfde periode elders broeden.
Houtduiven zijn uitsluitend overdag actief. Tijdens de broedtijd overnachten de duiven paarsgewijs in de buurt van het nest. Daarna worden gemeenschappelijke slaapplaatsen benut. s Ochtends vroeg verlaten de duiven deze rustplekken en vliegen rechtstreeks naar de omringende akkers, waar ze in groepsverband foerageren. Binnen deze groepen bestaat een uitgesproken hiërarchie; volwassen vogels zijn dominant en nemen de beste en veiligste plekjes in beslag. Jonge vogels moeten genoegen nemen met minder gunstige locaties, vaak aan de rand van de groep. Toch zijn deze onervaren vogels gebaat bij het foerageren in groep, daar ze profiteren van de ervaring van de volwassen vogels bij het opsporen van voedselbronnen. Bovendien zien een honderd paar ogen een havik eerder aankomen dan één enkel paar.
Wellicht hebben de witte halsvlekken een signaalfunctie voor soortgenoten; van bovenaf gezien, vallen deze halvemaantjes bij voedselzoekende houtduiven enorm op, mogelijk als trekpleisters voor overvliegende duiven.
Door hun bevoorrechte positie binnen de groepen hebben volwassen houtduiven maag en krop eerder gevuld dan hun minder geroutineerde groepsgenoten. Bij een zeer groot voedselaanbod verlaten de volwassen vogels de voedselgebieden al vóór het middaguur. In de toppen van de omringende bomen wachten ze de schemering af en vliegen pas dán naar de slaapplaatsen.
Buiten de broedtijd zijn het duidelijk groepsdieren, die in grote aantallen rusten en eten. In de koude wintermaanden richten zij vaak enorme schade aan voedergewassen en groenten, waaronder erwten en bonen, allerlei koolsoorten, koolrapen, knollen en spruitjes.
De frequente dagelijkse verzorging bestaat uit het gladstrijken van het verenpak, in regen en poeltjes baden en zich lekker in het zonnetje koesteren. Alle duiven drinken door de snavel onder te dompelen en zo het water op te zuigen, wat bij vogels een ongewone drinkwijze is.
Illustraties zijn van natuurfotografen: Rudi Debruyne Yves Adams Erwin Bruulsema
In een artikel, op dit blog gepubliceerd op 15/06/08, werd reeds gewezen op het bestaan van een petitie opgestart op 13/02/08,waarin men alle vissers in Vlaanderen opriep om het aalscholverprobleem met drastische maatregelen aan te pakken.
Inmiddels verzamelde deze actie reeds 11.139 handtekeningen tegen de aalscholver, vooral bij hengelsportorganisaties en hun achterban.
Ook de jagersvereniging Hubertus roept sympathisanten op om deze petitie te ondertekenen.
Aan deze petitieactie van het zogenaamde witvisforum, die past in de keiharde lobby van de Europese vereniging van sportvissers om de aalscholver zijn Europese beschermde status te ontnemen, schenkt Vogelbescherming Vlaanderen in zijn jongste nummer van zijn driemaandelijks tijdschrift Mens en Vogel de volle aandacht.
Een realistische stand van zaken
Deze visetende vogel broedt in natuurgebieden, veelal in de buurt van grote wateren, kusten, meren en rivieren. Daar waar ook de sportvisserij voor zijn belang opkomt, lopen vooral in de wintergebieden de klachten hoog op. Geen enkele andere vogelsoort stond de voorbije 15 jaar zó onder vuur.
Uit langlopend braakballenonderzoek, blijkt dat niet minder dan 70% van het dieet van de aalscholver bestaat uit pos; dat is niet alleen een oninteressante soort, het is zelfs een vis die de visserij dwarszit. De grote vissen aan de top van de voedselketens zijn bijna allemaal weggevist waardoor er een overmaat ontstaat van bv. possen.
De effecten van de aalscholverroof zijn soms onmiskenbaar, vooral in kunstmatig aangelegde vijvers, waar uitgezette of gekweekte vis ten prooi valt. Hier kan men zeker uit de afvissingscijfers de geleden schade opmaken en deze vergoeden.
Daarentegen is het moeilijker dalende opbrengsten in open systemen, zoals rivieren, grote meren en kustgebieden enkel toe te schrijven aan de aalscholvers.
Belangrijke factoren die de visproductie mee bepalen zijn fluctuaties in de sterkte van de jaarklassen, de voedselbeschikbaarheid beïnvloed door algenbloei en vertroebeling als gevolg van opwoelend sediment en effecten van het waterbeheer (nutriënten, doorstroming, oeverbeheer, maaien van waterplanten en dergelijke).
De wateren die van nature door de aalscholvers worden bewoond, liggen in voedselrijke zones van grote watergebieden: grotere laaglandrivieren, grote meren, estuaria (wijde trechtervormige riviermonden, waarin eb en vloed zich sterk doen gevoelen, zoals bv. in de Sommevalei). Hier zijn natuurlijke visbestanden tussen de 100 400 kg / ha geen uitzondering en in vrijwel alle gevallen gaan de aalscholvers hooguit met 10 20 % daarvan aan de haal.
Ecologische schade is in de meeste gevallen niet aan de orde. Schade in kleinere en veelal door de mens intensief gestuurde teelten, zoals in viskwekerijen vergt wel een lokale bestrijding, maar daarom nog geen grootschalige vervolging.
Portret
Al eeuwenlang wordt in China en Japan de vogel voor de visvangst gebruikt. Aalscholvers laten zich vrij gemakkelijk als vis-apporteurs africhten. Tijdens de visvangst houdt de visser de vogels aan het lijntje m.b.v. ring om hun hals. Deze ring belet niet de verschalkte vis te verzwelgen, want een goed gedresseerde aalscholver verorbert geen buitgemaakte vissen.
Aalscholvers maken gezamenlijke voedselvluchten naar de visgronden. Het zijn meesterlijke zwemmers en duikers. Met hun grote roeipoten klieven ze met snelle vaart door het water, meestal met de staart slepend op het wateroppervlak. Omdat de aalscholver veel gewiekster dan de mens op vis jaagt, werd hij eeuwenlang massaal vervolgd. Als beroepsvisser is deze vogel in staat om hele scholen vissen in een hoek van een grote vijver te drijven om dan met talrijke soortgenoten toe te slaan. Ze kunnen duiken tot diepten van 16 meter en blijven 15 tot 30 onder. Met de haaksnavel grijpen zij de prooi achter de kieuwen of sleuren grotere vissen naar boven, waarna deze in de snavel worden gekeerd en met kop, richting keelgat, naar binnen worden gewerkt. Paling en aal genieten de voorkeur, maar de aalscholver eet wat de visgronden hem verschaffen: brasem, pos, snoekbaars, blankvoorn, spiering, kolblei, baars en rietvoorn.
Een volwassen aalscholver heeft dagelijks ongeveer 400 g vis nodig. Daar hoeft hij maar één voedseltocht voor te maken. Met jongen op het nest echter, is hij genoodzaakt om meer vluchten te ondernemen; zowat 3 vluchten per paar.
In prachtkleed lijkt een aalscholver wel een exotische vogel. Merkwaardig is het rode vlekje bij het oog. Het verenpak varieert qua kleur van donkerbruin tot zwart met diepgroene gloed. Tijdens de broedperiode vertoont het bruiloftskleed grote witte vlekken op dijen en wangen, die gelden als loksignalen. De wangvlek loopt vanaf het oog door tot onder de kin. Op het achterhoofd prijkt een pluk groenzwarte veren, terwijl in de halsstreek talrijke vaak haardunne, witgrijze veertjes doorschemeren.
Baltsende aalscholvers leggen kop en hals bijna horizontaal op de rug, waarbij de kop snel heen en weer wordt geschud. Vooraf wordt kop en hals hoog gestrekt en maakt de vogel met zijn halfontvouwde vleugels langzame ritmische slagen.
Tijdens de paring toont het mannetje zich als een respectvolle en tedere minnaar en daarna volgt zelfs nog een aandoenlijk naspel, waarbij beide partners elkaar in de halsstreek aaien.
Het uitwisselen van tederheden zie je bij het aalscholver-echtpaar het hele broedseizoen door. Hun zorg en aandacht voor de jongen mag nog zo toegewijd zijn, toch schiet de wederzijdse genegenheid van vader en moeder er niet bij in. Geregeld offreren zij elkaar takjes, strelen elkaars halzen of de één poetst met zijn snavel de veren van de ander. Een ouder zal de horst niet verlaten alvorens zijn partner te hebben verwittigd met geluiden, halsbuigingen en een vleugelceremonieel. Bij de terugkomst volgt dan weer een hartelijke begroeting.
Een legsel bestaat uit 2 tot 4 blauwe eieren. Ze liggen op een bekleding van grassen, riet, bladeren, slierten van waterplanten, wieren en worden al gauw grijs van het vuil.
Het broeden, dat in maart reeds aanvangt en waarbij de ouders elkaar afwisselen, neemt ongeveer een maand in beslag. Na een periode van 23 tot 26 dagen verlossen de jongen zich uit de eierschaal. De jonge aalscholver wordt kaal geboren en moet de eerste weken goed warm worden gehouden. Na ongeveer 6 dagen vormt zich het eerste donspakje. Als de jongen 50 dagen oud zijn, kunnen ze vliegen maar nog niet voor hun eigen kostje zorgen. Nog 6 tot 7 weken blijven ze afhankelijk van hun ouders. Dan maken ze uitstapjes in de boom, klauterend van tak tot tak.
Wanneer de jongen met hun snavel de keelzak van vader of moeder betasten, wekt dit bij de oudervogel braakneigingen op. De jongen ongeduldig als ze zijn dringen zich steeds meer op, waarbij de oudervogel niet weet hoe de hals te wenden om even rustig de visstomp op te braken. Als het zover is, buigt de vogel zich voorover naar de jongen toe, die met kop en hals in de snavel en het keelgat verdwijnt. Het smikkelen kan wel 15 duren en terwijl het ouderdier heftig heen en weer staat te schudden, komt het kopje van de kleine weer te voorschijn.
Bij warm weer bedelen de jonge aalscholvers wanneer ze dorst hebben. Dan houden ze hun snavels wijd open en zwijgend omhoog.
Al verblijven aalscholvers op een mestvaalt toch zijn ze heel netjes op hun lijf. De biotoop van de aalscholvers heeft niets aantrekkelijks, integendeel heel wat bomen die ter ziele zijn gegaan als gevolg van de witte bijtende smurrie die de visklanten kwistig rondstrooien, geven eerder een desolate impressie. Ook houden aalscholvers geen rekening met de buren en vaak worden de naburige nestplaatsen door de royaal rond gespritste troep herleid tot walgelijke, kledderige mestvaalten met rottend nestmateriaal. Ook onder de bomen is de bodem bezaaid met een vieze brij, een gezamenlijke bijdrage van alle boombewoners, die een scherpe stank verspreidt.
De verblijfplaatsen, doorsneden met poeltjes en sloten en omzoomd met bomen die wit uitslaan van de zure uitwerpselen, bieden geen fraai uitzicht.
Van sommige horsten is ondanks najaarsstormen nog wat materiaal op zijn plaats blijven liggen. Die reparaties worden met veel ijver en met nog veel meer gekrakeel uitgevoerd. In een aalscholverkolonie heerst vrijwel altijd schaarste aan nestmateriaal. Aalscholvers zijn geen echte sprokkelaars van dood hout. Liever rukken zij in de omgeving levende takken af van struiken en bomen, waarbij populieren een zekere voorkeur genieten, omdat daarvan de twijgen zich het gemakkelijkst laten afbreken.
Afgezien van het familieleven, is de sfeer in de kolonie tijdens het grootbrengen van de jongen verre van ideaal. De grootste lastpakken zijn de niet broedende aalscholvers, voor het grootste deel één- tot driejarige vogels, die in april in grote getale in de kolonie terugkeren. De meeste zijn nog niet geslachtrijp (pas vanaf de leeftijd van 3 tot 5 jaar) maar beginnen alvast met oefenen in nestbouw en schrikken niet om hierbij onbewaakte nesten van gelukkige families te plunderen of te kraken. Vanwege het gebrek aan materiaal in de meeste kolonies, kunnen de vogels eigenlijk van alles gebruiken. Men treft wel vaker in hun nesten krantenpapier, flarden plastiek, stukken rubber, touwtjes en nog meer dergelijke afval aan. Ook tijdens het grootbrengen van de jongen zijn de oudervogels geregeld met takjes en plantenresten in de weer.
Vogelbescherming Vlaanderen wil met een tegenpetitie de hengelsportlobby weerwerk bieden. De vereniging is immers van mening dat de 40-jaar lange bescherming van deze vogel die een indicatorsoort is voor de kwaliteit van ons leefmilieu en vooral dan van ons oppervlaktewater niet zomaar kan worden opgeheven. Onderteken de petitie te vinden op volgende weblink: http://www.vogelbescherming.be/site/index.php?option=com_chronocontact&chronoformname=Enquete-aalscholver en help de belangen verdedigen van de aalscholver.
De fotos hieronder zijn van natuurfotograaf Yves Adams - VILDA
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 71 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.