Wettelijk depot: D/2009/Robert De Telder/Auteur uitgever
Trefwoorden: Bijbel, Eschatologie.
ISBN: 978 16 1627 432 0
NUR: 702
Tenzij anders aangeduid werd de vertaling van het NBG 1951 gebruikt.
Openbaring 9
1 En de vijfde engel
blies de bazuin, en ik zag een ster (Jesaja
14:12 Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads;
hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! 13 En gij overlegdet
nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten
en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; 14 ik wil opstijgen
boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen), uit
de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds
gegeven. 2 En zij opende de put des
afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de
zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put. 3 En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te
voorschijn en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht
hebben. 4 En hun werd gezegd, dat
zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas,
noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op
hun voorhoofden hadden. 5 En hun
werd gegeven, dat zij hen niet zouden doden, maar dat de mensen zouden
gepijnigd worden, vijf maanden lang; en hun pijniging was als de
pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt. 6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken,
maar hem geenszins vinden, en zij zullen begeren te sterven, maar de dood
vlucht van hen weg. 7 En de
gedaante der sprinkhanen was als van paarden, die uitgerust zijn tot de oorlog;
en op hun koppen waren kransen als van goud en hun aangezichten waren als
aangezichten van mensen; 8 en zij
hadden haar als vrouwenhaar en hun tanden waren als die van leeuwen; 9 en zij hadden borstschilden als
ijzeren harnassen en het gedruis van hun vleugels was als het gedruis van
wagens, wanneer vele paarden ten strijde draven. 10 En zij hadden staarten als schorpioenen en
angels, en in hun staarten was hun macht om de mensen schade toe te brengen,
vijf maanden lang. 11 Zij
hadden over zich als koning de engel des afgronds; zijn naam is in het
Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon.
12 Het eerste wee is
voorbijgegaan: zie, nog twee weeën komen hierna.
13En de zesde engel blies de bazuin, en ik hoorde een stem uit de vier horens van het gouden altaar,
dat voor God staat, 14 zeggende
tot de zesde engel, die de bazuin had: Laat de vier engelen los, die bij de
grote rivier, de Eufraat, gebonden zijn. 15 En
de vier engelen, die tegen het uur en de dag en de maand en het jaar waren
gereed gehouden, werden losgelaten om het derde deel van de mensen te doden.
16 En het getal der legerscharen
van de ruiterij was tweemaal tienduizend tienduizendtallen (200.000.000.000);
ik hoorde hun aantal. 17 En
aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij
hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden
waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel. 18 Door deze drie plagen werd het
derde deel van de mensen gedood: door het vuur en de rook en de zwavel, die uit
hun bek kwamen. 19 Want
de macht der paarden ligt in hun bek en in hun staarten. Want hun staarten zijn
als slangen, met koppen, en daarmede brengen zij schade toe. 20 En wie van de mensen overgebleven waren, die niet
gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner
handen, om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de gouden, zilveren,
koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, noch horen of gaan; 21 en zij bekeerden zich niet van
hun moorden, noch van hun toverijen (Grieks:PHARMAKEIA = drugs), noch van
hun hoererij, noch van hun dieverijen.
Openbaring 10
1 En ik zag een andere sterke
engel nederdalen uit de hemel, bekleed met een wolk, en de regenboog was op
zijn hoofd en
zijn gelaat
was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur, 2 en hij had in zijn hand een geopend
boekje en hij zette zijn rechtervoet op de zee en de linker op de aarde, 3 en hij riep met luider stem,
zoals een leeuw brult, en toen hij riep, lieten de zeven donderslagen hun
stemmen horen.
4 En toen de zeven donderslagen
gesproken hadden, wilde ik het opschrijven, maar ik hoorde een stem uit de
hemel zeggen:
Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf het
niet op.5 En de engel, die ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijn
rechterhand op naar de hemel, 6 en
zwoer bij Hem, die leeft tot in alle eeuwigheden, die de hemel geschapen heeft
en hetgeen daarin is en de aarde en hetgeen daarop is en de zee en hetgeen
daarin is: er zal geen uitstel meer zijn, 7 maar in de dagen van de stem van de zevende engel,
wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij
zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd (Daniël 12:7-9).
8 En de stem, die ik gehoord had
uit de hemel, (hoorde ik) wederom met mij spreken en zij zeide: Ga heen, neem
het boek, dat geopend ligt in de hand van de engel, die op de zee en op de
aarde staat. 9 En ik ging heen tot de
engel en zeide tot hem, dat hij mij het boekje zou geven. En hij zeide tot mij:
Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal
het zoet zijn als honing. 10 En ik
nam het boekje uit de hand van de engel en at het op, en het was in mijn mond
zoet als honing, maar toen ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. 11 En er werd tot mij gezegd: Gij
moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen.
Openbaring 11
1 En mij werd een riet gegeven,
een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en
hen, die daarin aanbidden. 2 Maar
laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij
is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden,
tweeënveertig maanden lang. 3 En
Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te
profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. 4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren,
die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. 5 En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt
er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade
wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. 6 Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat
er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht
over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met
allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.
7 En wanneer zij hun getuigenis
zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun
de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden (Daniël 7:20 en de betekenis van de tien horens op zijn kop en van de
nieuwe horen die opkwam, waarvoor er drie moesten wijken de horen met ogen en
een mond vol grootspraak die er groter uitzag dan de andere. 21 Ik had immers
gezien hoe die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overwon).
8 En hun lijk (zal liggen) op de
straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook
hun Here gekruisigd werd. 9 En uit
de volken en stammen en talen en natiën zijn er, die hun lijk zien, drie en een
halve dag, en zij laten niet toe, dat hun lijken in een graf worden bijgezet. 10 En zij, die op de aarde wonen,
zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat
deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
11 En na [die] drie en een halve
dag voer een levensgeest (Genesis 2:7 toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem
en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levende ziel SV)
uit Godin hen, en zij gingen op hun voeten
staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot
hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in de wolk, en
hun vijanden aanschouwden hen (Dit was
een moeilijk te verklaren vers voor het tijdperk van TV en Internet).
13 En te dien ure kwam er een
grote aardbeving en een tiende deel der stad stortte in, en zevenduizend
personen werden door de aardbeving gedood, en de overigen werden zeer bevreesd
en gaven de God des hemels eer.
14 Het tweede wee is
voorbijgegaan: zie, het derde wee komt spoedig.
15 En de zevende engel
blies de bazuin en luide stemmen klonken in de
hemel, zeggende:
Het
koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en
Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden.
16 En de vierentwintig oudsten,
die voor God op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en
aanbaden God, 17 zeggende:
Wij danken
U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt
opgenomen en het koningschap hebt aanvaard; 18 en de volkeren waren toornig geworden, maar
uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het
loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw
naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde
verderven.
19 En de tempel Gods, die in de
hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel,
en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware
hagel.
Openbaring 12
1 En er werd een groot teken in
de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten
en een krans van twaalf sterren op haar hoofd; 2 en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en
in haar pijn om te baren. 3 En er
werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met
zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. 4 En zijn staart
sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde.
En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard
had, dit te verslinden. 5 En zij
baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een
ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon.
6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn (Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de
woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden
geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop), waar zij een plaats
heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden
zou worden. 7 En er kwam oorlog in de
hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de
draak en zijn engelen voerden oorlog, 8 maar
hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de
grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd
wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd
op de aarde geworpen en zijn engelen met hem. 10 En ik hoorde
een luide stem in de hemel zeggen:
Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God
en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag
en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen. 11En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het
Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet
liefgehad, tot in de dood. 12 Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de
aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid,
wetende, dat hij weinig tijd heeft.
13 En toen de draak zag, dat hij
op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind
gebaard had. 14 En aan de vrouw werden de
twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar
haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een
tijd en tijden en een halve tijd.
15 En de slang wierp uit haar bek
water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten
medesleuren. 16 En de aarde kwam de vrouw
te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de stroom, die de draak uit
zijn bek had geworpen. 17 En de
draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de
overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis
van Jezus hebben; 18 en hij
bleef staan op het zand der zee.
Wettelijk
depot: D/2009/Robert De Telder/Auteur uitgever
Trefwoorden: Bijbel,
Eschatologie.
ISBN:
978 16 1627 432 0
NUR:
702
Tenzij
anders aangeduid werd de vertaling van het NBG 1951 gebruikt.
Openbaring 13
1 En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven
koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van
godslastering. 2 En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn
poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw.
(The Two Babylons, A. Hislop,
Chapter VII, section I : The dragon of the Greeks, says Pausanias, was only a
large snake; and the context shows that this is the very case here; for what in
the third verse is called "a dragon", in the fourteenth is simply
described as 'a serpent'. Then the word rendered 'red' properly means 'Fiery';
so that the 'Red Dragon' signifies the 'Fiery Serpent' or 'Serpent of Fire'.
Exactly so does it appear to have been in the first form of idolatry, that, under
the patronage of Nimrod, appeared in the ancient world. The 'Serpent of
Fire' in the plains of Shinar seems to have been the grand object of worship.
There is the strongest evidence that apostacy among the sons of Noah began in
fire-worship, and that in connection with the symbol of the serpent
En de draak gaf hem zijn kracht en zijn
troon en grote macht. 3 En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond,
en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing
achterna, 4 en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven
had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en:
Wie kan er oorlog tegen voeren? 5 En hem werd een mond gegeven, die grote
woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig
maanden (Profetieën in maanden uitgedrukt verwijzen naar Satans optreden)
lang te doen. 6 En (het beest) opende zijn mond tot lasteringen
tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de
hemel wonen. 7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te
voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en
natie en taal en volk. 8 En allen, die op de aarde wonen, zullen het (beest)
aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het
Lam, dat geslacht is, sedert de
grondlegging der wereld. 9 Indien iemand (Individu
aangesproken en niet langer de groep)een oor heeft, hij hore.
10 Indien iemand in gevangenschap voert, dan gaat hij in gevangenschap; indien
iemand met het zwaard zal doden, dan moet hij zelf met het zwaard gedood
worden. Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen.
11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en
het had twee horens als die van het Lam (De antichrist of pseudo-Messias), en het sprak als de draak. 12 En het
oefent al de macht van het eerste beest (de leider van het nieuwe Romeinse Rijk)
voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het
eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. 13 En het doet
grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde
ten aanschouwen van de mensen.
14 En het verleidt
hen, die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen
voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij
een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en (weer)
levend geworden is. 15 En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een
geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken dat
allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden. 16 En het
maakt, dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen
en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun
voorhoofd, 17 [en] dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest,
of het getal van zijn naam heeft. 18
Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want
het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig (Rome = Saturnia = STUR (Chaldeeuws) S = 60,
T = 400, U = 6, R = 200: 666, - de Hebreeuwse letter waw heeft als
getalswaarde 6 www = 666).
Openbaring 14
1 En ik zag en zie,
het Lam stond op de berg Sion (Jesaja 16:1 Heersers des lands, zendt de lammeren
van de rotsen (Petra) de woestijn in naar de berg der dochter van Sion)en met Hem
honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns
Vaders geschreven stonden. 2 En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van
vele wateren en als de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was
als van citerspelers, spelende op hun citers; 3 en zij zongen een nieuw gezang
vóór de troon en vóór de vier dieren en de oudsten; en niemand kon het gezang
leren dan de honderdvierenveertigduizend, de losgekochten van de aarde. 4 Dezen
zijn het, die zich niet met vrouwen (religie het religieuze systeem van
hoofdstuk 17) hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen
zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht uit de
mensen als eerstelingen voor God en het Lam. 5 En in hun mond is geen leugen
gevonden; zij zijn onberispelijk.
6 En ik zag een
andere engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie,
om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en
stam en taal en natie; 7 en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem
eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en
de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft.
8 En een andere, een
tweede engel, volgde, zeggende: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat
van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen
drinken.
9 En een andere
engel, een derde, volgde hen, zeggende met luider stem: Indien iemand het beest
en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand
ontvangt, 10 die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die
ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden
met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. 11 En
de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen
rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het
merkteken van zijn naam ontvangt.
12 Hier blijkt de
volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.
13 En ik hoorde een
stem uit de hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van
nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken
volgen hen na.
14 En ik zag en zie,
een witte wolk, en op de wolk iemand gezeten als eens mensen zoon met een
gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. 15 En een andere
engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tot Hem, die op de wolk
gezeten was: Zend uw sikkel uit en maai, want de ure om te maaien is gekomen,
want de oogst der aarde is geheel rijp geworden. 16 En Hij, die op de wolk
gezeten was, zond zijn sikkel uit op de aarde, en de aarde werd gemaaid.
17 En een andere
engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, ook hij met een scherpe sikkel.
18 En een andere engel kwam uit het altaar; deze had macht over het vuur en hij
riep met luider stem tot hem, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw
scherpe sikkel uit en oogst de trossen van de wijngaard der aarde, want zijn
druiven zijn rijp. 19 En de engel wierp zijn sikkel op de aarde en oogstte van
de wijngaard der aarde en wierp het in de grote persbak van de gramschap Gods.
20 En de persbak werd getreden buiten de stad, en er kwam bloed uit de persbak
tot aan de tomen der paarden, zestienhonderd stadiën ver.
Openbaring 15
1 En ik zag een ander
teken in de hemel, groot en wonderbaar: zeven engelen, die de zeven laatste
plagen hadden, want daarmede is de gramschap Gods voleindigd.
2 En ik zag (iets)
als een zee van glas met vuur vermengd, en de overwinnaars van het beest en van
zijn beeld en van het getal van zijn naam, staande aan de glazen zee, met de
citers Gods. 3 En zij zingen het lied (Zie Exodus 15:1-19 en Deuteronomium 32:1-43) van Mozes, de knecht Gods, en het lied
van het Lam, zeggende:
Groot en wonderbaar
zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen,
Gij, Koning der volkeren! 4 Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet
verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en
zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn
geworden. (zie ook: Psalm 86:9 Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen
en zich voor U nederbuigen, o Here, en uw naam eren; 10 want Gij zijt groot en
doet wonderen, Gij, o God, alleen)
5 En daarna zag ik,
en de tempel van de tent der getuigenis in de hemel ging open; 6 en de zeven
engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en
blinkend linnen en de borst omgord met een gouden gordel. 7 En een van de vier
dieren gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de gramschap van
God, die leeft tot in alle eeuwigheden. 8 En de tempel werd vervuld met rook
vanwege de heerlijkheid Gods en vanwege zijn kracht; en niemand kon de tempel
binnengaan, voordat de zeven plagen der zeven engelen voleindigd waren.
Openbaring 16
1 En ik hoorde een
luide stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: Gaat heen en giet de
zeven schalen van de gramschap Gods uit op de aarde.
2 En de eerste
ging heen en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een boos en
kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die
zijn beeld aanbaden.
3 En de tweede
goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode, en alle
levende wezens, die in de zee waren, stierven.
4 En de derde
goot zijn schaal uit in de rivieren en in de waterbronnen, en (het water) werd
bloed.
5 En ik hoorde de
engel der wateren zeggen: Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart, Gij
Heilige, dat Gij dit oordeel hebt geveld. 6 Omdat zij het bloed der heiligen en
der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; zij
hebben het verdiend!
7 En ik hoorde het
altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en
rechtvaardig.
8 En de vierde
goot zijn schaal uit over de zon en haar werd gegeven de mensen te verzengen
met vuur. 9 En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden
de naam van God, die de macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich
niet om Hem eer te geven.
10 En de vijfde
goot zijn schaal uit over de troon van het beest, en zijn rijk werd
verduisterd, en zij kauwden op hun tong van pijn, 11 en zij lasterden de God
des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen, en zij bekeerden zich
niet van hun werken.
12 En de zesde
goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat, en zijn water droogde op,
zodat de weg bereid werd voor de koningen, die van de
opgang der zon komen.
13 En ik zag uit de
bek van de draak en uit de bek van het beest en uit de mond van de valse
profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen; 14 want het zijn geesten van
duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der gehele wereld,
om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God.
15 Zie, Ik kom als
een dief. Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt
wandele en zijn schaamte niet gezien worde. 16 En hij verzamelde hen op de
plaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Harmagedon.
17 En de zevende
goot zijn schaal uit in de lucht en er kwam een luide stem uit de tempel, van
de troon, zeggende: Het is geschied. 18 En er kwamen bliksemstralen en stemmen
en donderslagen, en er geschiedde een grote aardbeving, zo groot als er geen
geweest is, sedert een mens op de aarde was: zó hevig was deze aardbeving, zó
groot. 19 En de grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden der volken
stortten in. En het grote Babylon werd voor God in gedachtenis gebracht, om
daaraan de beker met de wijn van de gramschap zijns toorns te geven. 20 En alle
eilanden vluchtten weg en bergen werden niet (meer) gevonden. 21 En grote
hagel(stenen), een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen, en de mensen
lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan was zeer
groot.
Wettelijk
depot: D/2009/Robert De Telder/Auteur uitgever
Trefwoorden: Bijbel,
Eschatologie.
ISBN:
978 16 1627 432 0
NUR:
702
Tenzij
anders aangeduid werd de vertaling van het NBG 1951 gebruikt.
Openbaring 17
1 En één van de zeven
engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom
hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer (Spreuken 6:16 Deze zes
dingen haat de HERE, ja, zeven zijn Hem een hartgrondige gruwel: 17 hoogmoedige
ogen, een valse tong, handen die onschuldig bloed vergieten, 18 een hart dat
heilloze plannen smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te snellen,
19 wie leugens uitblaast als een vals getuige en wie twist stookt tussen
broeders.), die zit aan vele wateren, 2 met wie de koningen der
aarde gehoereerd hebben, en zij, die op de aarde wonen, zijn dronken geworden
van de wijn harer hoererij. 3 En hij voerde mij in de geest weg naar een
woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest, dat
vol was van godslasterlijke namen, en het had zeven koppen en tien horens.
4 En de vrouw was gehuld in purper en scharlaken en rijk versierd met goud,
edelgesteente en paarlen, en zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen,
en de onreinheden van haar hoererij.
5 En op haar
voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon, moeder
van de hoeren en van de gruwelen der aarde.
6 En ik zag de vrouw dronken van het
bloed der heiligen (Joden) en van het bloed der getuigen (christenen) van Jezus.
En ik verbaasde mij,
toen ik haar zag, met grote verbazing. 7 En de engel zeide tot mij: Waarom
verbaast gij u? Ik zal u het geheimenis van de vrouw zeggen en van het beest
met de zeven koppen en tien horens, dat haar draagt. 8 Het beest, dat gij
zaagt, was en is niet, en het zal
opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve; en zij, die
op de aarde wonen, wier naam niet geschreven is in het boek des levens van de
grondlegging der wereld af, zullen zich verbazen, als zij zien, dat het beest
was en niet is en er toch zal zijn. 9 Hier is het verstand, dat wijsheid heeft:
De zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is. 10 Ook
zijn het zeven koningen: vijf (Egypte, Assyrië, Babylon, Meden & Perzen
en Grieken) ervan zijn gevallen, een is er nog (Rome
90 AD) en de andere is nog niet gekomen (Het
herstelde Rome van de eindtijd +2009 AD), en wanneer hij
komt, moet hij korte tijd blijven. 11 En het beest, dat was en niet is, is zelf
ook de achtste, maar het is uit de zeven en het vaart ten verderve. 12 En de
tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap
hebben ontvangen, maar één uur ontvangen zij macht als koningen, met het beest.
13 Dezen zijn één van zin en geven hun kracht en macht aan het beest. 14 Dezen
zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen want Hij is de Here der heren en de
Koning der koningen en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en
uitverkorenen en gelovigen. 15 En hij zeide tot mij: De wateren, die gij
zaagt, waarop de hoer gezeten is, zijn natiën en menigten en volken en
talen. 16 En de tien horens, die gij zaagt, en het beest, dezen zullen de
hoer haten, en zij zullen haar berooid maken en naakt, haar vlees eten en haar
met vuur verbranden. 17 Want God heeft in hun hart gegeven zijn zin te
volbrengen en dit eensgezind te doen en hun koningschap aan het beest te geven,
totdat de woorden Gods zullen voleindigd zijn. 18 En de vrouw, die gij
zaagt,is de grote stad, die het koningschap heeft over de
koningen der aarde.
Openbaring 18
1 Hierna zag ik een
andere engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd
door zijn lichtglans verlicht. 2 En hij riep met sterke stem, zeggende:
Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon en zij is geworden een woonplaats
van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van
alle onrein en verfoeid gevogelte, 3 omdat van de wijn van de hartstocht harer
hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar
gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht
harer weelderigheid. 4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap
hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. 5 Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de
hemel en God heeft aan haar ongerechtigheid gedacht. 6
Vergeldt haar, gelijk ook zij vergolden heeft, en geeft haar dubbel naar
haar werken; mengt haar het dubbele in de beker, die zij gemengd heeft; 7 geeft haar zoveel pijniging en rouw, als zij
heerlijkheid en weelde genoten heeft. Want zij zegt in haar hart: Ik troon als
koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien. 8
Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en
hongersnood, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Here God,
die haar geoordeeld heeft. 9 En de koningen
der aarde, die met haar gehoereerd hebben en weelderig geweest zijn, zullen
over haar wenen en weeklagen, wanneer zij de rook van haar verbranding zien, 10 van verre staande uit vrees voor haar pijniging,
zeggende: Wee, wee, gij grote stad, Babylon, gij sterke stad, want in één
uur is uw oordeel gekomen. 11 En de
kooplieden der aarde wenen en bedrijven rouw over haar, omdat niemand meer hun
lading koopt, 12 lading van goud, zilver,
edelgesteente en paarlen, van fijn linnen, purper, zijde en scharlaken;
allerlei welriekend hout, allerlei snijwerk van ivoor en allerlei voorwerpen
van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer, 13
kaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarwe,
lastdieren, schapen; (lading) van paarden en
wagens (Grieks: RHEDA. Een wagen met
vier wielen. Een teken van welvaart) en van lichamen; en zielen van mensen. 14 En het ooft, waarnaar uw ziel begerig was, is van
u weggegaan en al wat kostelijk en schitterend was, is voor u verloren en het
zal nooit meer gevonden worden. 15 De
kooplieden in deze dingen, die aan haar rijk geworden waren, zullen van verre
staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw bedrijvend, 16 en zeggende: Wee, wee, die grote stad, die gehuld
was in fijn linnen, purper en scharlaken, en rijk versierd was met goud en
edelgesteente en paarlen, want in één uur is al die zo grote rijkdom verwoest! 17 En iedere stuurman en iedere kustvaarder en de
zeelieden en allen, die de zee bevaren, bleven van verre staan, 18 en riepen, toen zij de rook van haar verbranding
zagen, zeggende: Welke stad was aan deze grote stad gelijk! 19 En zij wierpen stof op hun hoofden en riepen, wenend en
rouw bedrijvend, zeggende: Wee, wee die grote stad, waarin allen, die schepen
op zee hadden, door haar kostbaarheden rijk geworden zijn, want zij is in één
uur verwoest!
20 Wees vrolijk over
haar, gij hemel en gij heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft
uw rechtszaak tegen haar berecht. 21 En een sterke engel nam een steen op als
een grote molensteen en wierp hem in de zee, zeggende: Zó zal Babylon met
geweld geworpen worden, de grote stad, en zij zal nooit meer gevonden worden. 22
En geen stem van citerspelers en zangers, van fluitspelers of bazuinblazers zal
meer in u gehoord worden, en niemand, die enige kunst beoefent, zal meer in u
gevonden worden, en geen geluid van de molen zal meer in u gehoord worden. 23 En
geen lamplicht zal meer in u schijnen, en geen stem van bruidegom en bruid zal
meer in u gehoord worden, want uw kooplieden waren de machthebbers der aarde,
want door uw toverij werden alle volken verleid; 24 en in haar werd gevonden
het bloed van profeten en heiligen en van allen, die geslacht zijn op de aarde.
Openbaring 19
1 Hierna hoorde ik
als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen:
Halleluja! Het heil
en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, 2 want waarachtig en
rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die
de aarde met haar hoererij verdierf, en Hij heeft het bloed zijner knechten van
haar hand geëist.
3 En zij zeiden ten
tweeden male: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheden. 4 En
de vierentwintig oudsten en de vier dieren wierpen zich neder en aanbaden God,
die op de troon gezeten is, en zij zeiden: Amen, halleluja! 5 En een stem ging
uit van de troon, zeggende:
Looft onze God, al zijn
knechten, die Hem vreest, gij kleinen en gij groten!
6 En ik hoorde als
een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem
van zware donderslagen, zeggende:
Halleluja! Want de
Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. 7 Laten wij
blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams
is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; 8 en haar is gegeven zich
met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de
rechtvaardige daden der heiligen.
9 En hij zeide tot
mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het
bruiloftsmaal (Psalm 45) des Lams. En hij zeide tot mij: Dit zijn de
waarachtige woorden van God. 10 En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem
te aanbidden, maar hij zeide tot mij: Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht
van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want
het getuigenis van Jezus is de geest der profetie.
11 En ik zag de hemel
geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw
en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. 12 En zijn
ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een
geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. 13 En Hij was bekleed met een
kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods.
14 En de heerscharen,
die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos
fijn linnen. 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de
heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf
treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen.
16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen
en Here der heren.
17 En ik zag een
engel staan op de zon en hij riep met luider stem en zeide tot alle vogels, die
in het midden des hemels vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd Gods, 18
om te eten het vlees van koningen en het vlees van oversten over duizend en het
vlees van sterken en het vlees van paarden en van hen, die daarop zitten, en
het vlees van allen, vrijen en slaven, kleinen en groten.
19 En ik zag het
beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te
voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger. 20 En het beest
werd gegrepen en met hem de valse profeet, die de tekenen voor zijn ogen gedaan
had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen
hadden en die zijn beeld aanbaden; levend werden zij beiden geworpen in de poel
des vuurs, die van zwavel brandt. 21 En de overigen werden gedood met het
zwaard, dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat; en al de vogels
werden verzadigd van hun vlees.
Openbaring 20
1 En ik zag een engel
nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn
hand; 2 en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en
hij bond hem duizend jaren, 3 en hij wierp hem in de afgrond en sloot en
verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden,
voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij voor een korte tijd
worden losgelaten.
4 En ik zag tronen, en zij zetten
zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en (ik zag) de zielen van hen,
die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die
noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op
hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en
heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang. 5 De overige doden werden niet weder levend, voordat de
duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste
opstanding. 6 Zalig en heilig is hij, die
deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar
zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als
koningen heersen, [die] duizend jaren.
7 En wanneer de
duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden
losgelaten, 8 en hij zal uitgaan om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te
verleiden, Gog en Magog (zie epiloog),
om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand der zee. 9 En
zij kwamen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der
heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond
hen, 10 en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en
zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht
gepijnigd worden in alle eeuwigheden.
11 En ik zag een
grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de
aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. 12 En ik
zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden
boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het (boek) des
levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen
in de boeken geschreven stond, naar hun werken. 13 En de zee gaf de doden, die
in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en
zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. 14 En de dood en het
dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen.
Dat is de tweede
dood: de poel des vuurs. 15 En wanneer iemand
niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen
in de poel des vuurs.
Wettelijk
depot: D/2009/Robert De Telder/Auteur uitgever
Trefwoorden: Bijbel,
Eschatologie.
ISBN:
978 16 1627 432 0
NUR:
702
Tenzij
anders aangeduid werd de vertaling van het NBG 1951 gebruikt.
Openbaring 21
1 En ik zag een nieuwe hemel en een
nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik zag
de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God,
getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. 3 En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en
Hij zal bij hen wonen (IMMANUEL
Exodus 29:46 En zij zullen weten, dat Ik, de
HERE, hun God ben, die hen uit het land Egypte geleid heb, opdat Ik in hun
midden wone; Ik ben de HERE, hun God.), en zij zullen zijn volken zijn
en God zelf zal bij hen zijn, 4 en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen,
en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal
er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. 5 En Hij, die op de troon
gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide:
Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. 6 En Hij sprak
tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde.
Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet. 7 Wie overwint, zal deze dingen beërven,
en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de
verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars
en alle leugenaars hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit
is de tweede dood.
9 En er kwam een van
de zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren van de laatste zeven plagen,
en hij sprak met mij, zeggende: Kom hier,
ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in
de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem,
nederdalende uit de hemel, van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar
glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant.
12 En zij had een
grote en hoge muur en zij had twaalf poorten en op de poorten twaalf engelen,
en namen op (de poorten) geschreven, welke zijn die van de twaalf stammen der
kinderen Israëls.
13 Naar het oosten
waren drie poorten en naar het noorden drie poorten en naar het zuiden drie
poorten en naar het westen drie poorten. 14 En de muur der stad had twaalf
fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams.
15 En hij, die met
mij sprak, had een gouden meetstok om de stad op te meten, en haar poorten en
haar muur. 16 En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als
haar breedte; en hij mat de stad op met de stok: twaalfduizend stadiën; haar
lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk. 17 En hij mat haar muur op:
honderd vierenveertig el, mensenmaat, die engelenmaat is. 18 En de bouwstof van
haar muur was diamant; en de stad was zuiver goud, gelijk zuiver glas. 19 En de
fundamenten van de muur der stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het
eerste fundament was diamant, het tweede lazuursteen, het derde robijn, het
vierde smaragd, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende topaas,
het achtste beril, het negende chrysoliet, het tiende chrysopraas, het elfde
saffier, het twaalfde amethist. 21 En de twaalf poorten waren twaalf paarlen:
iedere poort afzonderlijk was uit één parel, en de straat der stad was zuiver
goud, gelijk doorschijnend glas.
22 En een tempel zag ik in haar
niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. 23 En de stad heeft de zon en de maan niet van
node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en
haar lamp is het Lam. 24 En de volken zullen
bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in
haar; 25 en haar poorten zullen nooit gesloten
worden des daags, want daar zal geen nacht zijn;26 en
de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden. 27 En in
haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar
alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.
Openbaring 22
1 En hij toonde mij
een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon
van God en van het Lam. 2 Midden op haar straat en aan weerszijden van de
rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn
vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren.
3 En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het
Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, 4 en zij zullen
zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. 5 En er zal geen
nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van
node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen
tot in alle eeuwigheden. 6 En Hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw
en waarachtig, en de Here, de God van de geesten der profeten, heeft zijn
engel gezonden om zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet. 7 En zie,
Ik kom spoedig. Zalig hij, die de woorden der profetie van dit boek bewaart!
8 En ik, Johannes,
ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze gehoord en gezien had,
wierp ik mij neder voor de voeten van de engel, die ze mij toonde, om te
aanbidden. 9 Maar hij zeide tot mij: Doe dat niet! Ik ben een mededienstknecht
van u en van uw broederen, de profeten, en van hen, die de woorden van dit boek
bewaren; aanbid God!
10 En hij zeide tot
mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. 11 Wie onrecht
doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie
rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij
worde nog meer geheiligd.
12 Zie, Ik kom
spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk
is. 13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het
einde. 14 Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben
op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad. 15 Buiten
zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de
afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet.
16 Ik, Jezus, heb mijn
engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel
en het geslacht van David, de blinkende morgenster.
17 En de Geest
en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft,
kome, en wie wil, neme het water des levens om niet.
18 Ik betuig aan een
ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan
toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; 19 en
indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn
deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit
boek beschreven zijn.
20 Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik
kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!
21 De genade van de
Here Jezus zij met allen.
Amen
EPILOOG
DE VOLKEN GOG EN MAGOG
De namen van de volken Gog en Magog die volgens
Openbaring hoofdstuk 20 aan het einde van het duizendjarige Messiaanse
Vrederijk naar de heilige plaats oprukken zijn identiek met de namen die de
profeet Ezechiël in het Oude Testament opgeeft. De profeet Ezechiël schildert
vanaf hoofdstuk 36 het nationale herstel van Israël en daarna het geestelijke
herstel. Het nationale herstel in de hoofdstukken 36 en 37 van Ezechiël gaat aldus
vooraf aan het geestelijk herleven en dit laatste als een gevolg van het
oprukken van Gog en Magog en de nederlaag van Gog op de bergen Israëls. Een
land Israël dat dan in gerustheid woont. Wanneer men beide Bijbelboeken
Ezechiël en Openbaring bestudeerd zijn het duidelijk twee verschillende invasies
die beschreven worden met ruim duizend jaar verschil in tijd. Ik neem aan dat
de beschreven invasie van Israël door de profeet Ezechiël zijn vervulling kent ten
tijde van het verbreken van de eerste twee zegels van de boekrol zoals
beschreven in Openbaring 6:2-4. De tweede ruiter neemt namelijk de vrede weg: En een tweede, een rossig paard, kwam, en
hem, die erop zat, werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zij
elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven. De volgende
vraag die zich onmiddellijk stelt is: wie zijn deze volken?
De profeet Ezechiël leefde in de zesde eeuw voor
Christus ten tijde van de Babylonische Ballingschap en dus zullen
we op een landkaart van die tijd, bij contemporaine auteurs van die tijd, de
identificatie moeten zoeken. Magog blijkt dan het gebied van de Scythen geweest te zijn,
het huidige Rusland. De profeet Ezechiël van het Oude Testament voorspelde het
herstel van de Joden in hun oude land der vaderen. Dat dit niet in vervulling
ging ten tijde van de terugkeer uit Babylonische Ballingschap onder Ezra en
Nehemia moet duidelijk zijn. Te veel details van de voorspelling werden toen
niet vervuld en wachten nog op hun openbaring. De nieuwe verdeling van het land
Israël bijvoorbeeld onder de twaalf stammen, gedetailleerd opgegeven door de
profeet werd nooit vervuld. De profetie over de tempelbeek die noordelijk van
Jeruzalem zal ontspringen en naar de Dode Zee vloeit tart alle verbeelding. De
profetie van Ezechiël (Ezechiël 47:1-12) leert dat als een gevolg van de nieuwe
rivier, dat zowel westelijk als oostelijk zal stromen, de Dode Zee uiteindelijk
gezond zal worden en in de toekomst een oostelijke zee vormt. Allegoriseren en
op de kerk van nu van toepassing brengen vergt ware acrobatie. De conclusie
moet zijn dat de profetie van Ezechiël nog op haar vervulling wacht. Ten tijde
van de Perzische periode onder Ezra en Nehemia vond er ook geen invasie vanuit
het noorden uit Magog plaats.
De belangrijkste bron ter identificatie van het land
Magog, blijft de Joodse historicus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van onze
jaartelling. Josephus heeft in zijn geschiedenis van het Joodse volk alle
volken van Genesis hoofdstuk 10 op de landkaart van zijn tijd geplaatst. Ook
Magog werd door Josephus nauwkeurig op de landkaart van toen geplaatst. Hierna
het citaat:
"Zo had Noachs zoon Japheth zeven
zoons. Ze vestigden zich eerst in het gebied dat zich uitstrekt vanaf het
Taurus- en Amanusgebergte en rukten vervolgens op in Azië tot aan de rivier de
Don en in Europa tot aan Cadiz en namen het land waar ze terechtkwamen in
bezit. Aangezien er zich voor die tijd nog niemand gevestigd had, benoemden zij
de volkeren met hun eigen namen. Het volk dat nu door de Grieken de Galaten
wordt genoemd, ging Gomaren heten, naar hun stichter Gomar. Magog stichtte
de naar hem genoemde Magogen. Zij werden door de Grieken de Scythen genoemd.
Van Japheths zoon Javan en Madus werd de laatste de stamvader van de Madeeën,
het volk dat bij de Grieken de Meden heet, en stammen Ionië en alle Grieken af
van Javan.
Joodse oudheden Boek I, 122-124
Dat de Scythen hun woonplaats in Rusland en de
Oekraïne hadden staat historisch vast. Het is Herodotus, de beroemde historicus
uit de vijfde eeuw voor Christus, die van de Scythen de zeden en gewoonten
beschreef. Eigenlijk is de naam een verzamelnaam voor verscheidene clans. Ten
tijde van Ezechiël beheersten zij een gebied van de Donau in Europa tot aan de
Gele Rivier in Azië.
Ten tijde van
het nationale herstel van Israël zou er volgens de profetie van Ezechiël
opnieuw een grote macht noordelijk van Israël op de landkaart te verwachten
zijn. In 1948, bij het tot stand komen van de staat Israël, was dit zonder
twijfel de Sovjet-Unie en anno 2009, het nieuwe Rusland dat zich herbewapent en
opnieuw de status van grootmacht zoekt. De profeet Ezechiël beschrijft nauwkeurig hoe het
leger van Magog of Rusland in het Midden-Oosten te gronde zal gericht worden.
Hierna volgt het volledige hoofdstuk uit het Bijbelboek Ezechiël 38:
1 Het woord des HEREN kwam tot mij: 2 Mensenkind, richt uw
aangezicht tegen Gog in het land Magog,
de grootvorst van Mesek en Tubal; profeteer tegen hem, 3 en zeg: zo zegt
de Here HERE: zie, ik zàl u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! 4 Ik zal
u komen halen, haken slaan in uw kaken en u doen uittrekken met uw gehele
leger: paarden en ruiters, allen volledig uitgerust, een grote schare, met
grote en kleine schilden, allen vertrouwd met het zwaard; 5 ook Perzen, Ethiopiërs en Puteeërs, allen
met schild en helm; 6 Gomer en al zijn krijgsbenden; Bet-Togarma ver in
het noorden met al zijn krijgsbenden vele volken met u. 7 Maak u
gereed en rust u toe, gij met al de scharen die zich bij u gevoegd hebben; wees
gij hun tot een leidsman. 8 Na geruime tijd zult gij een bevel ontvangen;
in toekomende jaren zult gij optrekken
tegen het land dat zich van de krijg hersteld heeft, (een volk) dat uit het
gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen Israëls die tot een
blijvende wildernis waren geworden, maar het is uit de volken uitgeleid; allen
wonen zij in gerustheid. 9 Dan zult gij optrekken als een opkomend
onweer; gij zult zijn als een wolk die de aarde bedekt, gij met al uw
krijgsbenden, en vele volken met u.
10 Zo zegt de Here HERE: Te dien dage zullen
er plannen in uw hart opkomen; gij zult een boze aanslag beramen, 11 gij
zult zeggen: ik zal optrekken tegen een land van dorpen, een overval plegen op
vreedzame lieden, die in gerustheid wonen,
allen zonder muur, grendels of poorten 12 om buit te maken en roof
te plegen, om uw hand te keren tegen de weer bewoonde puinhopen en tegen een natie die uit het gebied der
volken bijeengebracht is, die have en goed heeft verworven, die op de navel der
aarde woont. 13 Seba, Dedan, de
handelaars en al de machtigen van Tarsis zullen tot u zeggen: Komt gij om
buit te maken; hebt gij uw schare bijeengeroepen om roof te plegen, om zilver
en goud weg te slepen, om have en goed te bemachtigen, om een grote buit te
maken?
14 Daarom, profeteer, mensenkind, en zeg tot
Gog: Zo zegt de Here HERE: zult gij het niet gewaarworden, te dien dage als mijn volk Israël in gerustheid woont? 15 Dan
zult gij komen uit uw woonplaats uit het
verre noorden, gij en vele volken met u, allen ruiters, een grote schare en
een talrijk leger, 16 en gij zult optrekken tegen mijn volk Israël als een
wolk die het land bedekt. In toekomende dagen zal het geschieden, dat Ik u doe
optrekken tegen mijn land, opdat de volken Mij leren kennen, wanneer Ik Mij
voor hun ogen aan u, o Gog, de Heilige betonen zal. 17 Zo zegt de Here
HERE: Zijt gij het, van wie Ik in vroegere dagen gesproken heb door de dienst
van mijn knechten, de profeten van Israël, welke in die dagen jarenlang
geprofeteerd hebben, dat Ik u tegen hen zou doen optrekken? 18 Maar te
dien dage, wanneer Gog komt in het land van Israël, luidt het woord van de Here
HERE, dan zal mijn grimmigheid opstijgen in mijn neus, 19 en in mijn
naijver, in het vuur mijner verbolgenheid, zal Ik spreken: Waarlijk, te dien
dage zal een zware aardbeving het land van Israël teisteren. 20 Ja, beven
zullen voor Mij de vissen der zee, het gevogelte des hemels, het gedierte des
velds en al het kruipend gedierte dat op de aardbodem kruipt en alle mensen die
op de aarde leven; de bergen zullen neerstorten, de bergwanden zullen vallen, elke
muur zal ter aarde storten. 21 Dan zal Ik op al mijn bergen het zwaard
tegen hem oproepen, luidt het woord van de Here HERE; het zwaard van de een zal tegen de ander zijn. 22 Ik zal met
hem in het gericht treden door pest en door bloed; stromende regen en
hagelstenen, vuur en zwavel zal Ik doen neerregenen op hem, op zijn
krijgsbenden en op de vele volken die met hem zijn; 23 Ik zal Mij groot en
heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.