Hebreeën 2:5 Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij
spreken, onderworpen. 6 Maar, iemand heeft ergens betuigd, zeggende :
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon,
dat Gij naar hem omziet? 7 Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen
gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, 8 alle dingen hebt Gij
onder zijn voeten onderworpen.
Want bij dit: alle dingen [hem] onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen
zou zijn. Doch thans zien wij nog niet,
dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 maar wij zien Jezus, die voor een
korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat
Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en
eer gekroond. 10 Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan,
dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner
behoudenis door lijden heen zou volmaken . 11 Want Hij, die heiligt, en zij,
die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen
broeders te noemen, 12 en Hij zegt :
Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden
der gemeente zal ik U lofzingen; 13 en wederom : Ik zal op Hem vertrouwen, en
wederom: Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft.
14 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft
ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem,
die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen , 15 en allen zou
bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij
gedoemd waren. 16 Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij
ontfermt Zich over het nageslacht van
Abraham. 17 Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk
worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om
de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want doordat Hij zelf in verzoekingen
geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen. (NBG Vertaling
1951)
|