Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid. Imre Kértesz
Martin Buber - De weg van de mens - Zich niet met zichzelf bezighouden 47-54
ZICH NIET MET ZICHZELF BEZIGHOUDEN (47-54)
Toen Rabbi Chajim van Zans het huwelijk van zijn zoon met de dochter van Rabbi Elieser had ingezegend, trad hij de dag na de bruiloft de woning van de vader vande bruid binnen en zei: "Schoonvader van mijn zoon, gij zijt mij zeer na gekomen en ik moge u zeggen, wat mijn hart kwelt. Zie, mijn hoofd- en baardharen zin wit geworden en nog heb ik geen boete gedaan!""Och, schoonvader van mijn dochter", antwoordde hem Rabbi Elieser, "Gij denkt slechts aan uzelf. Vergeet uzelf en gedenk de wereld!"
Wat hier wordt gezegd, is ogenschijnlijk in tegenspraak met alles wat ik tot dusver uit de leer van het chassidisme heb vermeld. Wij hebben gehoord: ieder moet zich op zichzelf bezinnen, hij moet zijn bijzondere weg kiezen, hij moet zijn wezen tot eenheid brengen, hij moet bij zichzelf beginnen; nu echter wordt ons gezegd: men moet zichzelf vergeten. Maar men behoeft slechts scherper toe te horen, dan stemt dit niet alleen met het andere overeen, maar voegt het zich als noodzakelijk onderdeel, als noodzakelijk stadium op zijn plaats in het geheel. Men behoeft maar één vraag te stellen: Waarom? Waarom moet ik mij op mijzelf bezinnen, waarom mijn wezen tot eenheid brengen? Het antwoord luidt: Niet ter wille van mijzelf. Daarom heette het ook een vorige keer: bij zichzelf beginnen. Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen; van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toe streven; zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.
Wij zien een zaddik, een wijze, vrome, hulpvaardige man, zichzelf op zijn oude dag verwijten maken dat hij de ware omkeer nog niet voleindigd heeft. Achter het antwoord staat kennelijk de opvatting dat hij zijn zonden ver overschat en de tot dusver gedane boete ver onderschat. Mar gezegd wat gezegd wordt, gaat daarboven uit. Er wordt zeer in het algemeen gezegd: Gij moet uzelf niet voortdurend kwellen met datgene wat gij verkeerd hebt gedaan, maar de innerlijke kracht die gij voor zulke zelfverwijten verbruikt, moet gij besteden aan uw taak in de wereld waartoe gij bestemd zijt. Niet met uzelf moet gij u bezighouden, maar met de wereld.
Men moet om te beginnen goed begrijpen wat hier met betrekking tot de ommekeer wordt gezegd. De ommekeer staat, zoals bekend, in het middelpunt van de joodse opvatting omtrent de weg van de mens. Zij vermag de mens innerlijk te vernieuwen en zijn plaats in Gods wereld te veranderen, zodanig, dat degene die omkeert, verhoogd wordt boven de volmaakte zaddik die de afgrond van de zonde niet kent. Maar ommekeer betekent hier iets veel grootsers dan berouw en boetedoening: het betekent dat de mens, verdwaald in de doolhof van de zelfzucht, waarin hij steeds zichzelf als einddoel plaatste, door een wending van zijn gehele wezen een weg naar God vindt; en dat betekent: de weg vindt ter vervulling van de bijzondere taak voor welke God hem, deze bijzondere mens, bestemd heeft. Het berouw kan slechts de drijfveer tot deze werkelijke wending zijn; wie zichzelf echter meer en meer met berouw kwelt, wie zichzelf martelt omdat zijn herhaalde boetedoening nog niet toereikend zou zijn, ontneemt de ommekeer zijn beste kracht. Met koene, forse woorden heeft rabbi van Ger in een preek op Grote Verzoendag gewaarschuwd voor de zelfkwelling. Wie over een kwaad, dat hij heeft gedaan, zei hij,n steeds weer praat en piekert, houdt niet op het slechte, dat hij heeft gedaan, te denken, en in dat wat men denkt, daarin ligt men vast, de ziel is geheel gebed in dat wat men denkt zo ligt hij dus vast in het slechte: hij zal stellig niet kunnen omkeren, want zijn geest vergroft en zijn hart wordt verstokt en bovendien kan zwaarmoedigheid hem nog overvallen. Wat wilt gij? Of wij de drek zus roeoren, of zoroeren, drek blijft het. Ja gezondigd, neen gezondigd, wat heeft de hemel daaraan? In de tijd, dat ik daarover tob kan ik toch parels rijgen, de hemel tot vreugde? Daarom staat er: Laat af van het kwade en doe het goede wend u geheel van het kwade en doe het goede wend u geheel van het kwade af, pieker er niet over en doe het goede. Kwaad hebt gij gedaan? Doe daar goed tegenover.
Maar de strekking van ons verhaal gaat daarboven uit. Wie er zich onophoudelijk mee kwelt dat hij nog niet voldoende boete heeft gedaan, die is het in wezen om het heil zijner ziel, dus om zijn persoonlijk lot in de eeuwigheid te doen. De chassidische leer maakt slechts een ge volgtrekking uit de algemene leer van het jodendom, wanneer zij dit oogmerk afwijst. Dit is immers een van de hoofdpunten waarop het christendom zich van het jodendom heeft afgescheiden: dat het voor elke mens zijn eigen zielenheil tot hoogste doel stelde. In het jodendom is iedere menselijke ziel een dienende schakel in Gods schepping, die door het werk van de mens tot het Rijk Gods moet worden; zo is dan ook aan geen enkele ziel een doel tot haar zelf, tot haar eigen heil gesteld. Wel zal iedere ziel zichzelf bewust moeten worden, zichzelf louteren; zichzelf vervolmaken, maar niet ter wille van haar zelf, zomin als ter wille van haar aards geluk, en al evenmin ter wille van haar hemelse zaligheid, maar ter wille van het werk dat zij aan Gods wereld moet volbrengen. Men moet zichzelf vergeten en de wereld gedenken.
Het streven naar het eigen zielenheil geldt hier slechts als de verhevenste vorm van het streven naar zichzelf. Dit is wat de chassidische leer ten krachtigste verwerpt, en zeer in het bijzonder voor de mens die zijn zelf heeft gevonden en ontvouwd. Rabbi Bunam verkondigde: Er staat geschreven: En Korah nam! Wat nam hij? Zichzelf wilde hij nemen daarom kon niets meer deugen wat hij deed. Daarom plaatste hij tegenover de eeuwige Korah de eeuwige Mozes, de deemoedige, de mens die met dat wat hij doet niet zichzelf voorstaat. Met ieder geslacht, zei hij, keren de ziel van Mozes en de ziel van Korah terug. En wanneer eens de ziel van Korah zich gewillig aan de ziel van Mozes onderwerpt, wordt Korah verlost. Zo ziet Rabbi Bunam als het ware de geschiedenis van het mensengeslacht op zijn weg naar verlossing als een proces tussen deze beide mensensoorten, de hoogmoedige, die, al is het in de verhevenste vorm, zichzelf zoekt, en de deemoedige, die in alles de wereld zoekt. pas wanneer de hoogmoed zich voor de deemoed buigt, wordt hij verlost; en pas wanneer hij verlost wordt, kan de wereld verlost worden. Na de dood van Rabbi Bunam zei een van zijn leerlingen, de rabbi van Ger, uit wiens preek op Grote Verzoendag ik enige zinnen heb aangehaald: Rabbi Bunam bezat de sleutels van het heelal. En waarom ook niet? Alle sleutels worden die mens gegeven, die niet zichzelf zoekt.
En de grootste onder Rabbi Bunams volgelingen, Rabbi Mendel van Kozk, onder alle zaddikim eigenlijk een tragische figuur, sprak eens tot de verzamelde gemeente: Wat ik van u verlang? Slechts drie zaken: niet naar buiten gluren,niet bij een ander naar binnen gluren en zichzelf niet beogen.
Dat betekent: in de eerste plaats moet ieder zijn eigen ziel in haar eigen hoedanigheid en op haar eigen plaats hoeden en heiligen. Niet echter andermans wezen en andermans plaats benijden; in de tweede plaats: ieder moet het zielsgeheim van de medemens eerbiedigen, en daarin niet met onbeschaamde nieuwsgierigheid binnendringen en er gebruik van maken; en in de derde plaats: ieder moet er tegen waken, in het leven met zichzelf en in het leven met de wereld, zichzelf te zoeken.
Martin Buber - De weg van de mens -Bij zichzelf beginnen 39-46
BIJ ZICHZELF BEGINNEN (39-46)
Enkele vooraanstaande mannen in Israël waren eens bij Rabbi Jizchak van Worki te gast. Men had het over de waarde van een rechtschapen dienaar voor het huishoudelijk beheer; is deze goed, dan keert zich alles ten goede, zoals men ziet bij Jozef, in wiens hand alles gedijde. Rabbi Jizchak betwistte dit. "Eens was ook ik die mening toegedaan", zei hij, "maar toen toonde mijn leermeester mij aan, dat alles afhangt van de heer des huizes. In mijn jeugd namelijk, veroorzaakte mijn vrouw mij grote moeilijkheden, en al kon ik die zelf wel dragen, ik had toch medelijden met de bedienden. Daarom toog ik naar mijn leermeester, Rabbi David van Lelow, en vroeg hem, of ik tegen mijn vrouw moest optreden. Hij antwoordde: 'Waarom spreek je tot mij? Spreek tot jezelf!' Ik moest mij op deze uitlating enige tijd bezinnnen voordat ik haar begreep; ik begreep haar echter, toen ik mij op een uitspraak van de Baalsjem bezon: 'Er is de gedachte, het woord, de handeling. De gedachte komt overeen met de echtgenote, het woord met de kinderen, de handeling met het dienstpersoneel. Bij hem, die in zichzelf aan deze drie de juiste plaats toekent, zal alles zich ten goede keren.' Toen begreep ik wat mijn leermeester bedoeld had: dat alles van mijzelf afhangt."
Dit verhaal raakt aan een van de diepste en moeilijkste problemen van ons leven: aan de ware oorsprong van het conflict tussen de mensen. Men pleegt de verschijnselen van het conflict allereerst te verklaren uit die motieven, waarvan de tegenstanders zich bewust zijn dat zij de aanleiding tot de botsing vormden, en uit de aan deze motieven ten grondslag liggende feitelijke situaties en voorvallen waarin de partijen verwikkeld zijn geraakt: ofwel, men gaat analytische te werk en tracht de onbewuste complexen te ontdekken tot welke de genoemde motieven zich slechts verhouden als de symptomen van een ziekte tot het organische letsel zelf.
De chassidische leer heeft met deze opvatiing dit gemeen dat ook zij de problematiek van het uitelrijke leven tot die van het innerlijke terugbrengt. maar zij verschilt hiervan op twee essentiële punten, een principieel en een praktisch punt; dat laatste is echter van nog groter gewicht.
Het principiële verschil bestaat daarin, dat de chassidische leer zich niet ten doel stelt op zichzelf staande innerlijke conflicten te onderzoeken, maar de gehele mens beschouwt. Daarmee komt echter geenszins een kwantitatief verschil tot uiting. Veeleer gaat het hier om het inzicht dat een losmaken van samenstellende bestanddelen en processen uit het geheel steeds belemmerend werkt op een omvatten van het beeld in zijn geheel, en dat tot een werkelijke ommekeer, tot een werkelijke genezing van het individu in de eerste plaats, en daarna van diens verhouding tot zijn medemensen, uitsluitend een doorschouwen van het geheel als geheel kan voeren. (Pardoxaal uitgedrukt: het peilen naar het zwaartepunt verlegt dit en verijdelt daarmee het gehel pogen de problematiek te overwinnen.) Dit wil niet zeggen dat niet aan alle ziele-uitingen aandacht geschonken zou moeten worden; maar geen enkele hiervan mag dusdanig in het middelpunt van de bescouwing worden geplaatst alsof al het andere daaruit afgeleid zou kunnen worden; men moet veeleer op alle punten tegelijk aanpakken, juist in hun vitale samenhang, en dus niet op ieder punt afzonderlijk.
Het praktische verschil ligt echter daarin, dat de mens hier in het geheel niet als object van onderzoek wordt behandeld, maar aangespoord wordt orde in zichzelf te scheppen. De mens moet eerst zelf inzien dat de conflictsituaties tussen hem en de anderen slechts uitvloeisels zijn van de conflictsituaties in zijn eigen ziel, en dan moet hij trachten dit eigen innerlijke conflict te overwinnen, om nu, herboren en tot innerlijke vrede gekomen, zijn medemensen tegenmoet te treden en een nieuwe, andere verhouding tot hen op te bouwen.
Weliswaar tracht de mens naar zijn aard aan deze beslissende, voor zijn gangbare verhouding tot de wereld bijzonder pijnlijke wending te ontkomen, door degene die hem aldus maant of zijn eigen ziel, indien die het is, die hem oproept te wijzen op het feit dat er aan ieder conflict twee partijen deelnemen. Indien men van hem eist dat hij dit conflict tot zijn innerlijke conflict herleidt, dan moet men dit toch ook van zijn tegenstander eisen. Maar juist in deze zienswijze, waarin de enkeling zichzelf slechts als individu beschouwt waartegen andere individuen botsen, en niet werkelijk als volledig mens wiens ommekeer meehelpt aan de ommekeer in de wereld, juist hier ligt de fundamentele dwaling waartegen de chassidische leer opkomt. Het enige wat mij te doen staat, is BIJ MIJZELF te BEGINNEN, en op dat ogenblik heb ik mij om niets ter wereld te bekommeren dan om dit begin. Ieder ander standpunt leidt mij af van dit begin, verzwakt mijn initiatief ertoe, verijdelt deze gehele koene en geweldige onderneming. Het punt van Archimedes, vanwaar ik op mijn plaats de wereld in beweging kan brengen, is de verandering van mijzelf; neem ik in plaats hiervan twee punten van Archimedes, het ene hier in mijn ziel en het andere in de ziel van de met mij in conflict geraakte medemens, dan verdwijnt al spoedig het ene, vanwaar zich voor mij een nieuw uitzicht zou hebben geopend.
Rabi Bunam verkondigde: "Onze wijzen zeggen: 'Zoek de vrede daar, waar gij staat.' Men kan de vrede nergens anders zoeken dan bij zichzelf, tot men hem daar gevonden heeft. In de psalm wordt gezegd: 'Daar is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.' Eerst wanneer de mens de vrede in zichzelf heeft gevonden, kan hij beginnen, haar in de hele wereld te zoeken."
Maar het verhaal waarvan ik ben uitgegaan stelt er zich niet mee tevreden naar de ware oorsprong van de uiterlijke conflicten, namelijk het innerlijke conflict, eenvoudig te verwijzen. In de uitspraak van de Baalsjem die daarin wordt aangehaald, wordt ook nauwkeurig gezegd waaruit het beslissende innerlijke conflict bestaat. Het is het conflict tussen drie beginselen in het wezen en in het leven van de mens: het beginsel van de gedachte, het beginsel van het woord en het beginsel van de handeling. De oorsprong van elke conflict tussen mij en mijn medemensen is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg. Want daardoor wordt de situatie tussen mij en de ander telkens weer en steeds meer verward en vergiftigd, en ik, met mijn innerlijke gespletenheid, ben helemaal niet meer in staat haar te beheersen, en tegen al mijn illusies in ben ik haar willoze slaaf geworden. Door onze tegenstrijdigheid, door onze leugenachtigheid, geven wij nieuw voedsel aan conflictsituaties, geven hun macht over ons, totdat zij ons tot slaaf maken. Van hier af leidt geen andere uitweg dan door het inzicht in de wending: Alles hangt van mij af, en van mijn wil tot wending: Ik wil orde scheppen in mijzelf. Opdat de mens echter tot dit grote in staat zij, moet hij eerst van alle uiterlijke franje van zijn leven tot zijn 'zelf' doordringen, hij moet zichzelf vinden, niet het vanzelfsprekende 'ik' van het egocentrische individu, maar het diepe 'zelf' van de aan de samenleving deelhebbende mens. En ook dit wordt door al onze gewoonten tegengewerkt.
Ik wil dit hoofdstuk besluiten met een anekdote, die door een zaddik opnieuw is verteld.
Rabbi Henoch verhaalde: "Er was eens een dwaas, die men de Golem noemde, zo zot was hij. 's Morgens bij het opstaan kostte het hem altijd zoveel moeite, zijn kleren bij elkaar te zoeken, dat hij 's avonds, als hij daaraan dacht, dikwijls bang was om te gaan slapen. Eens op een avond vatte hij ten slotte moed, nam potlood en papier en schreef bij het uitkleden op, waar hij elk kledingstuk had neergelegd. 's Morgens haalde hij welgemoed het papier tevoorschijn en las: 'm'n muts, hier', hij zette haar op; 'm'n broek, daar'; hij stapte er in en zo voort, tot hij alles aan had. 'Ja, maar waar ben ik nu?', vroeg hij zichzelf angstig af, 'waar ben ik toch gebleven?' Tevergeefs zocht en zocht hij, hij kon zichzelf niet vinden. Zo vergaat het ook ons", zei de rabbi.
Sussja en Elimelech trokken drie jaar lang door het land, om het lot der ronddolende Sjechina te delen en de verdwaalde mensen tot haar te bekeren. Eens overnachtten ze in een herberg, waar een bruiloft gevierd werd. De gasten waren ruwe kwanten, die bovendien veel te veel gedronken hadden. Ze zonnen net op een nieuwe grap en de andere reizigers kwamen juist van pas. Nauwelijks waren de twee in een hoekje gaan liggen, rabbi Elimelech tegen de muur en rabbi Sussja naast hem of daar kwamen de kerels al aan, pakten Sussja die het meest voor de hand lag en sloegen en pijnigden hem; tenslotte gooiden ze hem weer neer en begonnen te dansen. Elimelech had het verdroten ongestoord op zijn ransel te hebben gelegen, en hij benijdde zijn broer de slagen. Daarom zei hij tegen hem: Beste broer laat mij toch op jouw plaats liggen en ga jij in de hoek. Ze ruilden van plaats. Toen de kerels klaar waren met de dans wilden ze met de vorige grap doorgaan en pakten rabbi Elimelech al beet, maar een van hen riep: Dat is niet recht en billijk, de ander moet ook zijn aandeel hebben in onze eregaven. Dus trokken ze Sussja uit zijn hoekje en dienden hem een nieuw pak slaag toe en riepen: Jij moet ook een aandenken aan de bruiloft hebben!
Later zij Sussja lachend tegen Elimelech: Kijk, beste broer. Wie slagen beschoren zijn, die vinden ze, waar hij zich ook versteekt.
Uit Martin Buber Chassidische vertellingen blz. 262
"Ik ben er klaar voor," zei ze. Ze had de film van haar leven nog eens helemaal bekeken, gewikt en gewogen. Met de ogen van Gods mildheid die ze uit het evangelie geplukt had, had ze gans haar leven naar anderen gekeken.
Velen hadden bij haar gevoeld dat ze er mochten zijn, dat ze niet werden vastgepind op hun kleinheid.
"Weet je," zei ze, "een paar dagen geleden kwam ik tot het inzicht dat ik met diezelfde milde ogen ook naar mijn eigen levensverhaal mag kijken."
Ze wachtte even en ze glimlachte. "Daarom kan ik nu rustig zeggen dat ik klaar ben voor mijn laatste tocht. Ik weet dat God mij verwacht."
Een paar dagen later is ze vertrokken. Haar gezicht sprak boekdelen. Zij was niet naar nergens afgereisd, maar naar een heel vertrouwde bestemming.
Wie bij leven liefheeft, komt bij sterven toch weer uit in Liefde. Moge dit een troostend vermoeden zijn.
Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan - Hughes C. Pernath
Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan Geen lichaam kan ooit het mijne voelen Geen ander oor mijn verwarring, mijn onrust In de sprakeloze plaag van de taal. Dagelijks en dodelijker verkrampt mijn wereld In de vreselijke vertakkingen van de pijn. Ik heb het laatste boek gedragen, van rechts naar links En met al mijn tekortkomingen veroordeel ik Wie verbrandt en wie poogt door de leugen.
Want anders niets dan de nederigheid Dan het voltrekken van de twijfel, Want anders niets heeft ons bepaald. Ik laat het licht de duisternis herhalen, Herrijzen uit de roemloze rust van de rots En terwijl het schrale water uit de wonden sijpelt Beluistert de nakende nacht mijn schroevend hart.
Geen entstof heeft mij veranderd Geen vrijgevig verleden mij bedwelmd. Geen smeulen. Zoveel werd gescheiden, zoveel kwam terecht. Ik bemin, ik schrijf en onderga de vriendschap Maar als een metselaar, vrij en ommuurd Voltooi ik de tempel waarvan de laatste hoeksteen Mijn einde zal betekenen. En met datzelfde woord Al mijn liefde verwoordend, leef ik verder In de gesel van die zonnetekens waartoe ik behoor.
De zeer oude zingt: er is niet meer bij weinig noch is er minder nog is onzeker wat er was wat wordt wordt willoos eerst als het is is het ernst het herinnert zich heilloos en blijft ijlings alles van waarde is weerloos wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk als het hart van de tijd als het hart van de tijd
In Bekentenissen van Zeno, wel de eerste Freudiaanse roman genoemd, vertelt Zeno Cosini, een bemiddelde zakenman uit Triëst, zijn levensgeschiedenis. Hij doet dit op aandringen van een psychiater, tot wie hij zich heeft gewend om van zijn kwalen, waaronder een ziekelijke verslaving aan het roken, te genezen.
In zes hoofdstukken, gegroepeerd rondom belangrijke episodes in zijn leven, onderwerpt hij zijn handelingen, overwegingen en gevoelens aan een minutieus onderzoek. Uit tal van bijzonderheden, die hij zich tot in detail herinnert, bouwt hij het beeld van zichzelf op. Hij wordt daarbij beheerst door een verlangen naar zelfverbetering en door een drang tot eerlijkheid ten opzichte van zichzelf, eerlijkheid verbonden met psychologisch inzicht, want Svevo was bekend met de analytische theorieën van Freud.
Zeno, een typische antiheld, leert zichzelf doorzien, maar aanvaardt wat hij ziet met humor. Hij bevindt zich met zijn geweten voortdurend in discussie en weet daarbij meestal op spitsvondige wijze te winnen.
Zijn ironische aanvaarding strekt zich niet alleen uit tot hemzelf met zijn hafheden en ziektes, maar ook tot zijn familie, zijn huwleijk, zijn overspel, zijn commerciële avonturen.
Het zonnestelsel heeft één ster : de zon. Daarrond draaien acht planeten, en een onbekend aantal dwergplaneten, planetoïden, kometen. De zon is dus zelf een ster zoals er nog vele anderen zijn in de Melkweg.
De sterren die je 's nachts aan de hemel ziet maken dus geen deel uit van het zonnestelsel, Het zijn in feite ook zonnen, maar dan op een enorme afstand. Maar eigenlijk zeg je beter : "onze zon is ook een ster" in plaats van "de andere sterren zijn ook zonnen".
De dichtstbijzijnde ster staat ongeveer 10 000 keer verder dan de afstand van de zon tot de laatste planeet (Neptunus). Het zonnestelsel is dus eigenlijk heel klein in vergelijking met de afstanden tussen de sterren.
Hoe groot is het melkwegstelsel?
De Melkweg zelf bevat naar schatting 100 miljard sterren. De sterren die wij met het blote oog kunnen zien liggen dan ook allemaal in de buurt van de zon. Erg ver kunnen we in de Melkweg niet kijken, althans niet in de richting van het centrum van de Melkweg. In de Melkweg bevinden er zich ook nog enorme gaswolken en stofwolken die ons het zicht belemmeren. De Melkweg heeft de vorm van een platte schijf, en heeft een diameter van 100 000 lichtjaar. De zon bevindt zich op ongeveer 30 000 lichtjaar van het centrum.
Hoe is het melkwegstelsel ontstaan?
Het melkwegstelsel, en ook de miljarden andere melkwegstelsels in het heelal, zijn ontstaan redelijk kort na het ontstaan van het heelal. Wellicht ontstonden er concentraties in de dichtheid van de materie uit het vroege heelal. Eens zo'n verdichting ontstaat zal ze de materie in de nabijheid aantrekken en dus langzaan groter worden. Een mogelijkheid is dat er zo eerst kleinere sterrenstelsels ontstonden, en dat onze Melkweg ontstaan is uit een aantal van die stelsels die met elkaar in contact kwamen, maar het precieze mechanisme is nog niet gekend.
Deze vraag werd beantwoord door: prof.dr. Paul Hellings hoogleraar toegepaste wiskunde
In België is de hemel heel erg vervuild door kunstlicht. Daardoor zien we maar een heel klein deel van de naar schatting 100 miljard sterren in ons melkwegstelsel. Zelfs op een heel donkere plaats ziet u met het blote oog maar zon 800 sterren. Ons eigen melkwegstelsel is in totaal zon 100 000 lichtjaar groot. Maar daarnaast zijn er ook nog sterren in andere melkwegstelsels van het heelal.
Hoeveel melkwegstelsels zijn er?
Op de foto hierboven ziet u er alvast een heleboel. Dit is de gevoeligste opname ooit en werd gemaakt met de Hubble Space Telescope. Het totale beeld is eigenlijk maar een heel klein stukje van de hemel, niet meer dan een graankorrel op een armlengte afstand. Toch staan er ongeveer 10 000 melkwegstelsels op.
De hele hemel is natuurlijk veel groter dan dit kleine stukje. Volgens een ruwe schatting zijn er in het heelal ongeveer 200 miljard melkwegstelsels met elk zon 100 miljard sterren! Het licht van de grootste stelsels op de foto deed er ongeveer een miljard jaar over om tot bij ons te komen; het licht van de kleinste lichtpuntjes zon 13 miljard jaar. Met deze foto kijken we dus tot 13 miljard jaar terug in de tijd: het prille begin van ons heelal!
Het heelal
Omstreeks 1820 kwam de astronoom Hubble tot een merkwaardige vaststelling: waar men ook kijkt, alle melkwegstelsels bewegen zich van ons weg. Bovendien merkte hij op dat de stelsels die verder van ons staan, zich ook sneller van ons verwijderen.
Als we deze beweging nu omkeren en als het ware terugkeren in de tijd, zien we in dat de melkwegstelsels in het heelal vroeger veel dichter bij elkaar stonden. Meer nog, uit de snelheidswet van Hubble kunnen we besluiten dat alle melkwegstelsels uit hetzelfde punt zijn ontstaan! Het begin van het uitdijen, zon 14 miljard jaar geleden, noemen we de geboorte van ons heelal.
Het is s nachts donker omdat het heelal niet oneindig groot, maar begrensd is. Het heelal is wel zodanig ijl dat, waar u ook kijkt, u bijna geen kans hebt om echt op een ster te botsen. Het astronomisch groot aantal sterren (een 2 met 22 nullen) blijft veel te klein in vergelijking met oneindig. De meest gevoelige foto die men ooit van het heelal maakte, is dus voornamelijk zwart Net zoals ook de nachtelijke hemel dat is voor ons blote oog.
Einstein en het evoluerende heelal
De Leuvense professor Lemaître bracht de waarnemingen over het uitdijende heelal samen met de algemene relativiteitstheorie van Einstein. Hij kwam tot de vaststelling dat er een begin moest zijn aan de evolutie van ons heelal. Tegenstanders van Lemaîtres heelalmodel bedachten er spottend de naam Big Bang voor . Na een ontmoeting met Lemaître, kwam Einstein echter al snel tot het inzicht dat de Big-Bangtheorie wel fundamenteel juist moest zijn.