Eens ontbood de koning zijn raadsman en vertelde hem zijn bange gedachten: Ik heb in de stenen gelezen dat eenieder die van de eerstkomende oogst zal eten, gek zal worden: wat moet ik doen vriend?
Dat is eenvoudig, Sire, antwoordde de raadsman. Wij zullen er niet aankomen. De oogst van vorige jaar is nog niet op. Aan u om hem op te iesen, er is genoeg voor u. En voor mij.
En de anderen? zei de koning. Mijn onderdanen? Mijn trouwe dienaars? De mannen, de vrouwen, de dwazen en de bedelaars, die vergeet je! Je vergeet ook de kinderen?
Ik vergeet niemand, Sire. Maar als uw raadsman reëel wil zijn, moet hij rekening houden met de mogelijkheden. We hebben niet genoeg voorraden om iedereen te beschermen en tevreden te stellen. ER is maar net genoeg voor u en voor mij.
Toen werd koning somber en zei: Je oplossing bevalt me niet. Is er geen andere? Jammer. Maar ik hou er niet van om onderscheid te maken en nog minder om tegenstellingen te scheppen, ik weiger om helder van geest te blijven te midden van een volk dat het niet meer is. We zullen dus gek worden, jij en ik, zoals de anderen, met de anderen. In een gekke wereld dient het tot niets om van buitenaf te observeren: de gekken zullen denken dat wij gek zijn. Maar ik zou wel graag een zekere afstraling van onze tegenwoordige glorie en ook van onze tegenwoordige angst behouden; ik zou de herinnering aan deze beslissing levendig willen houden. Ik zou graag hebben dat wij dus op dat tijdstip, jij en ik, bewust zijn van wat er gebeurt.
Waar is dat goed voor, Sire?
Je zult zien, het zal ons helpen. Zo zullen we onze vrienden kunnen helpen. Wie weet, misschien zullen er dank zij ons later mensen resistent worden, zelfs als het te laat is.En de koning legde zijn arm om de schouders van zijn vriend en vervolgde: We zullen op ons voorhoofd het teken aanbrengen van de waanzin. En telkens als ik naar jou zal kijken, telkens als jij naar mij zult kijken, zullen allebei weten dat we gek zijn.
In een ver land verloor de prins zijn verstand en verbeeldde zich dat hij een kalkoen was. Hij leefde onder de tafel, naakt, en weigerde de koninklijke schotels die men voor de aanzittenden opdiende in het gouden servies van het palies; hij at alleen het graan dat bestemd was voor de kalkoenen.
De koning was ongelukkig en liet de beste artsen ontbieden, en de beroemdste specialisten; allen verklaarden dat ze er niets aan konden doen. Tovenaars ook en monniken, genezers, wonderdoeners; hun tussenkomst bleek vruchteloos.
Toen kwam er een Wijze aan het hof: Ik denk dat ik uw prins kan genezen, zie hij verlegen. Mag ik proberen? De koning stemde er in toe, en de Wijze deed tot ieders verbazing zijn kleren uit, kroop bij de prins onder tafel en begon te kakelen als een kalkoen.
Wantrouwig ondervroeg de prins hem: Wie ben jij? Wat doe jij daar? Zie je dat niet? Ik ben een kalkoen!
Hé, sprak de Wijze, wat gek om jou hier te ontmoeten!
Waarom gek? Zie je dat niet, echt niet? Zie je niet dat ik een kalkoen ben zoals jij?
De twee mannen werden vrienden en zwoeren om nooit meer uit elkaar te gaan.
En toen begon de Wijze de genezing van de prins weer aan te passen door middel van het voorbeeld. Eerst deed hij een hemd aan. De prins geloofde zijn eigen ogen niet: Ben je gek? Vergeet je wie je bent? Wil jij een mens zijn?
Weet je, sprak de Wijze rustig, geloof vooral niet dat een kalkoen die zich kleedt als een mens ophoudt een kalkoen te zijn.
De prins kan alleen maar toegeven. s Anderendaags kleedden ze zich allebei normaal. De Wijze liet zich een paar schotels brengen uit de koninklijke keuken. Wat doe je, ongelukkige! protesteerde de prins vol afschuw. GA je nu nog eten ook zoals zij?
Zijn vriend stelde hem gerust: Geloof vooral niet dat een kalkoen die eet als de mens, en met de mensen, aan hun tafel, ophoudt een kalkoen te zijn; geloof vooral niet dat het voor een kalkoen voldoende is om zich als een mens te gedragen om mens te worden; je mag alles doen samen met de mens, in hun wereld, je mag zelfs alles doen voor hen, toch blijf je de kalkoen die je bent.
En de prins was overtuigd, en hervatte zijn leven als prins.
De maker van deze verhalen is Rabbi Nachman van Bratzlav; zijn verhalen behoren tot de boeiendste in de Chassidische literatuur en vormen een wereld apart: de mens die droomt reikt verder dan zijn dromen, verder dan zijn verlangens, op zoek naar verbeelding en heil, gedragen door een verlangen naar het heilige en het wonderbaarlijke.
(Zijn werk doet denken aan dat van Franz Kafka, van wie hij volgens sommigen een soort voorloper is geweest of zelfs inspiratiebron.
Een verleidelijke en zelfs aannemelijke hypothese. Door meer dan een eeuw gescheiden Rabbi Nachman werd geboren in 1772 schijnen ze bepaalde themas en obsessies gemeen te hebben die maken dat hun geschriften tegelijk realistisch en buiten zinnen zijn. Hun hoofdpersonages beleen hun leven door het te fantaseren en hun dood door hem te vertellen.
Een merkwaardige overeenkomst: de Tsaddiek van de Oekraïne en de romanschrijver uit Praag ondergingen hetzelfde lot. Ze stierven allebei jong: de Rebbe toen hij achtendertig jaar was, de schrijver met eenenveertig jaar. Aan dezelfde ziekte: longkanker. Allebie hadden ze geëist dat hun geschriften verbrand werden. En elk had een trouwe vriend, een toegewijde tolk, een apostel aan wie we verschuldigd zijn d at hun werk bewaard bleef. Wat Max Brod was voor Kafka, dat was Rabbi Nathan geweest voor Rabbi Nachman.
Maar in tegenstelling tot de schrijver wilde Rabbi Nachman dat zijn onderwijs bewaard bleef en zelfs verspreid. Maak gebeden van mijn verhalen, zie hij tegen zijn vrienden. Gebeden, geen relikwieën.
Voordat hij stierf, beval hij zijn geschriften in het vuur te gooien, om ze naar daarboven te sturen.
Rabbi Nathan meende dat hij moest gehoorzamen en het bevel uitvoeren. Hij miste de durf van Max Brod. De twee vertellers leken meer op elkaar dan hun vurige kameraden en volgelingen.)
(
)
Een vreemd mannetje, die Rabbi Nathan, genoemd van Nemirov. Hem behandelen als een gewone getuige of als schrijver aan het hof van Bratzlav, zou betekenen dat we zijn eigenlijke waarde onderschatten. Hij was niet minder origineel als discipel dan zijn Meester als Rebbe. Elk van beiden streefde op zijn manier naar zelfontplooiing. De tolk leefde alleen voor de Rebbe, en de Meester uitte zich slechts via zijn biograaf. Deze zei over het werk van de Rebbe: Je zult er het verstand van de Meester in vinden, alleen de mond is van mij.
Maar Rabbi Nathan was meer dan een instrument, dat bleek bij de dood van Rabbi Nachman. Zijn uitverkoren medewerker, primus inter pares, zal bijna als een onafhankelijke Rebbe worden beschouwd. Men kwam hem om raad vragen, om zijn zegen, men woonde zijn diensten bij. Er werd gezegd: zijn gebed is een commentaar op het Gebed. Hijzelf zou trouw en nederig blijven tot het laatste, en elke andere rol weigeren, alleen die van volgeling paste bij hem. Hij zou zeggen: De hele wereld is gek, ik incluis; maar ik heb het geluk gehad een helder denkend mens te ontmoeten. Hij zou ook zeggen: Gelukkig hij wiens ogen de ogen van Rabbi Nachman hebben gezien, gelukkig hij wiens ogen mijn ogen hebben gezien die zich hebben kunnen spiegelen in die van Rabbi Nachman.
Wat had hem er toe gedreven om naar de Rebbe van Bratzlav te gaan? Een droom, placht hij te zeggen. In mijn slaap ging ik naar de bakker om broodjes te kopen. Onderweg bleef ik staan, overvallen door een droef verdriet: zou dat het doel van mijn leven zijn? Brood halen bij deze om het aan gene te geven? Niets anders, niets meer? Op dat ogenblik verscheen mij iemand en die zei: Als je wilt dat ik je help, bind je dan aan mij. Het was Rabbi Nachman.
Rabbi Nachman bereidde hem een warm onthaal: We kennen elkaar al zo lang, maar we zien elkaar voor het eerst. Verblind, ontroerd, overrompeld, werd de bezoeker een ander mens.
Voor hem was het liefde op het eerste gezicht Hij verzaakte aan zijn reizen, verwaarloosde zijn zaak, en zelfs zijn gezin, hij hield er mee op zijn eigen leven te leiden om zich beter aan dat van de Meester aan te passen. Als de aarde overdekt was met dolken, zie hij, dan nog zou ik graag van de ene kant van de wereld naar de andere reizen om even het heilige gelaat van de Rebbe te zien.
Zijn taken: luisteren naar zijn onderwijs, zijn tafelgesprekken, flarden van zijn gedachten en toevallige uitspraken, zijn dromen, zijn humeur, zijn anekdotes; ze opvangen, ze op schrift stellen, er een lijn in brengen, ze uitgeven. Eens prees Rabbi Nachman hem, dankbaar. Elk van u heeft de hand in mijn verhalen, zei hij tot zijn vrienden, maar jouw deel, Nathan, is het grootste.
Een compliment? Neen. Een vaststelling. Dank zij het talent, de scherpzinnigheid en de waakzaamheid van Rabbi Nathan, hebben de gedachten en de legenden van de Meester ons bereikt. Hij was er g nauwgezet en daarom legde hij zijn aantekeningen aan de Meester voor, voor betering en commentaar. Zo kunnen we een verhaal soms op twee niveaus lezen, verteld, en beluisterd door de verteller zelf. Beter nog: Rabbi Nathan dacht aan zijn toekomstige lezers en stelde zich er niet mee tevreden een stukje dat hij had uitgekozen over te schrijven; hij voegde er zijn eigen uitleg aan toe en soms de omstandigheden die tot de totstandkoming eran hadden meegewerkt. Dank zij hem kan de lezer van Rabbi Nachman aanwezig zijn bij het ontstaan van sommige van zijn fabels.
|