Wat ik met 'lot' bedoel? In ieder geval de kans op een tragedie. De determinante buitenwereld, de stigmatisering, die ons leven absurd maakt en het op gewelddadige wijze in een door totalitarisme beheerste situatie brengt, doet die kans teniet. Als we alleen de werkelijkheid van de ons opgelegde determinanten beleven, en niet de verplichtingen die uit onze eigen - betrekkelijke - vrijheid voortvloeien, ontstaat de toestand waarin men niet door het lot wordt bepaald, de toestand van lotloosheid. Imre Kértesz
De zeer oude zingt: er is niet meer bij weinig noch is er minder nog is onzeker wat er was wat wordt wordt willoos eerst als het is is het ernst het herinnert zich heilloos en blijft ijlings alles van waarde is weerloos wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk als het hart van de tijd als het hart van de tijd
In Bekentenissen van Zeno, wel de eerste Freudiaanse roman genoemd, vertelt Zeno Cosini, een bemiddelde zakenman uit Triëst, zijn levensgeschiedenis. Hij doet dit op aandringen van een psychiater, tot wie hij zich heeft gewend om van zijn kwalen, waaronder een ziekelijke verslaving aan het roken, te genezen.
In zes hoofdstukken, gegroepeerd rondom belangrijke episodes in zijn leven, onderwerpt hij zijn handelingen, overwegingen en gevoelens aan een minutieus onderzoek. Uit tal van bijzonderheden, die hij zich tot in detail herinnert, bouwt hij het beeld van zichzelf op. Hij wordt daarbij beheerst door een verlangen naar zelfverbetering en door een drang tot eerlijkheid ten opzichte van zichzelf, eerlijkheid verbonden met psychologisch inzicht, want Svevo was bekend met de analytische theorieën van Freud.
Zeno, een typische antiheld, leert zichzelf doorzien, maar aanvaardt wat hij ziet met humor. Hij bevindt zich met zijn geweten voortdurend in discussie en weet daarbij meestal op spitsvondige wijze te winnen.
Zijn ironische aanvaarding strekt zich niet alleen uit tot hemzelf met zijn hafheden en ziektes, maar ook tot zijn familie, zijn huwleijk, zijn overspel, zijn commerciële avonturen.
Het zonnestelsel heeft één ster : de zon. Daarrond draaien acht planeten, en een onbekend aantal dwergplaneten, planetoïden, kometen. De zon is dus zelf een ster zoals er nog vele anderen zijn in de Melkweg.
De sterren die je 's nachts aan de hemel ziet maken dus geen deel uit van het zonnestelsel, Het zijn in feite ook zonnen, maar dan op een enorme afstand. Maar eigenlijk zeg je beter : "onze zon is ook een ster" in plaats van "de andere sterren zijn ook zonnen".
De dichtstbijzijnde ster staat ongeveer 10 000 keer verder dan de afstand van de zon tot de laatste planeet (Neptunus). Het zonnestelsel is dus eigenlijk heel klein in vergelijking met de afstanden tussen de sterren.
Hoe groot is het melkwegstelsel?
De Melkweg zelf bevat naar schatting 100 miljard sterren. De sterren die wij met het blote oog kunnen zien liggen dan ook allemaal in de buurt van de zon. Erg ver kunnen we in de Melkweg niet kijken, althans niet in de richting van het centrum van de Melkweg. In de Melkweg bevinden er zich ook nog enorme gaswolken en stofwolken die ons het zicht belemmeren. De Melkweg heeft de vorm van een platte schijf, en heeft een diameter van 100 000 lichtjaar. De zon bevindt zich op ongeveer 30 000 lichtjaar van het centrum.
Hoe is het melkwegstelsel ontstaan?
Het melkwegstelsel, en ook de miljarden andere melkwegstelsels in het heelal, zijn ontstaan redelijk kort na het ontstaan van het heelal. Wellicht ontstonden er concentraties in de dichtheid van de materie uit het vroege heelal. Eens zo'n verdichting ontstaat zal ze de materie in de nabijheid aantrekken en dus langzaan groter worden. Een mogelijkheid is dat er zo eerst kleinere sterrenstelsels ontstonden, en dat onze Melkweg ontstaan is uit een aantal van die stelsels die met elkaar in contact kwamen, maar het precieze mechanisme is nog niet gekend.
Deze vraag werd beantwoord door: prof.dr. Paul Hellings hoogleraar toegepaste wiskunde
In België is de hemel heel erg vervuild door kunstlicht. Daardoor zien we maar een heel klein deel van de naar schatting 100 miljard sterren in ons melkwegstelsel. Zelfs op een heel donkere plaats ziet u met het blote oog maar zon 800 sterren. Ons eigen melkwegstelsel is in totaal zon 100 000 lichtjaar groot. Maar daarnaast zijn er ook nog sterren in andere melkwegstelsels van het heelal.
Hoeveel melkwegstelsels zijn er?
Op de foto hierboven ziet u er alvast een heleboel. Dit is de gevoeligste opname ooit en werd gemaakt met de Hubble Space Telescope. Het totale beeld is eigenlijk maar een heel klein stukje van de hemel, niet meer dan een graankorrel op een armlengte afstand. Toch staan er ongeveer 10 000 melkwegstelsels op.
De hele hemel is natuurlijk veel groter dan dit kleine stukje. Volgens een ruwe schatting zijn er in het heelal ongeveer 200 miljard melkwegstelsels met elk zon 100 miljard sterren! Het licht van de grootste stelsels op de foto deed er ongeveer een miljard jaar over om tot bij ons te komen; het licht van de kleinste lichtpuntjes zon 13 miljard jaar. Met deze foto kijken we dus tot 13 miljard jaar terug in de tijd: het prille begin van ons heelal!
Het heelal
Omstreeks 1820 kwam de astronoom Hubble tot een merkwaardige vaststelling: waar men ook kijkt, alle melkwegstelsels bewegen zich van ons weg. Bovendien merkte hij op dat de stelsels die verder van ons staan, zich ook sneller van ons verwijderen.
Als we deze beweging nu omkeren en als het ware terugkeren in de tijd, zien we in dat de melkwegstelsels in het heelal vroeger veel dichter bij elkaar stonden. Meer nog, uit de snelheidswet van Hubble kunnen we besluiten dat alle melkwegstelsels uit hetzelfde punt zijn ontstaan! Het begin van het uitdijen, zon 14 miljard jaar geleden, noemen we de geboorte van ons heelal.
Het is s nachts donker omdat het heelal niet oneindig groot, maar begrensd is. Het heelal is wel zodanig ijl dat, waar u ook kijkt, u bijna geen kans hebt om echt op een ster te botsen. Het astronomisch groot aantal sterren (een 2 met 22 nullen) blijft veel te klein in vergelijking met oneindig. De meest gevoelige foto die men ooit van het heelal maakte, is dus voornamelijk zwart Net zoals ook de nachtelijke hemel dat is voor ons blote oog.
Einstein en het evoluerende heelal
De Leuvense professor Lemaître bracht de waarnemingen over het uitdijende heelal samen met de algemene relativiteitstheorie van Einstein. Hij kwam tot de vaststelling dat er een begin moest zijn aan de evolutie van ons heelal. Tegenstanders van Lemaîtres heelalmodel bedachten er spottend de naam Big Bang voor . Na een ontmoeting met Lemaître, kwam Einstein echter al snel tot het inzicht dat de Big-Bangtheorie wel fundamenteel juist moest zijn.
Elie Wiesel Vuur in de duisternis 2 â Rabbi Nachman van Bratzlav en Rabbi Nathan van Nemirov blz 151
Eens ontbood de koning zijn raadsman en vertelde hem zijn bange gedachten: Ik heb in de stenen gelezen dat eenieder die van de eerstkomende oogst zal eten, gek zal worden: wat moet ik doen vriend?
Dat is eenvoudig, Sire, antwoordde de raadsman. Wij zullen er niet aankomen. De oogst van vorige jaar is nog niet op. Aan u om hem op te iesen, er is genoeg voor u. En voor mij.
En de anderen? zei de koning. Mijn onderdanen? Mijn trouwe dienaars? De mannen, de vrouwen, de dwazen en de bedelaars, die vergeet je! Je vergeet ook de kinderen?
Ik vergeet niemand, Sire. Maar als uw raadsman reëel wil zijn, moet hij rekening houden met de mogelijkheden. We hebben niet genoeg voorraden om iedereen te beschermen en tevreden te stellen. ER is maar net genoeg voor u en voor mij.
Toen werd koning somber en zei: Je oplossing bevalt me niet. Is er geen andere? Jammer. Maar ik hou er niet van om onderscheid te maken en nog minder om tegenstellingen te scheppen, ik weiger om helder van geest te blijven te midden van een volk dat het niet meer is. We zullen dus gek worden, jij en ik, zoals de anderen, met de anderen. In een gekke wereld dient het tot niets om van buitenaf te observeren: de gekken zullen denken dat wij gek zijn. Maar ik zou wel graag een zekere afstraling van onze tegenwoordige glorie en ook van onze tegenwoordige angst behouden; ik zou de herinnering aan deze beslissing levendig willen houden. Ik zou graag hebben dat wij dus op dat tijdstip, jij en ik, bewust zijn van wat er gebeurt.
Waar is dat goed voor, Sire?
Je zult zien, het zal ons helpen. Zo zullen we onze vrienden kunnen helpen. Wie weet, misschien zullen er dank zij ons later mensen resistent worden, zelfs als het te laat is.En de koning legde zijn arm om de schouders van zijn vriend en vervolgde: We zullen op ons voorhoofd het teken aanbrengen van de waanzin. En telkens als ik naar jou zal kijken, telkens als jij naar mij zult kijken, zullen allebei weten dat we gek zijn.
In een ver land verloor de prins zijn verstand en verbeeldde zich dat hij een kalkoen was. Hij leefde onder de tafel, naakt, en weigerde de koninklijke schotels die men voor de aanzittenden opdiende in het gouden servies van het palies; hij at alleen het graan dat bestemd was voor de kalkoenen.
De koning was ongelukkig en liet de beste artsen ontbieden, en de beroemdste specialisten; allen verklaarden dat ze er niets aan konden doen. Tovenaars ook en monniken, genezers, wonderdoeners; hun tussenkomst bleek vruchteloos.
Toen kwam er een Wijze aan het hof: Ik denk dat ik uw prins kan genezen, zie hij verlegen. Mag ik proberen? De koning stemde er in toe, en de Wijze deed tot ieders verbazing zijn kleren uit, kroop bij de prins onder tafel en begon te kakelen als een kalkoen.
Wantrouwig ondervroeg de prins hem: Wie ben jij? Wat doe jij daar? Zie je dat niet? Ik ben een kalkoen!
Hé, sprak de Wijze, wat gek om jou hier te ontmoeten!
Waarom gek? Zie je dat niet, echt niet? Zie je niet dat ik een kalkoen ben zoals jij?
De twee mannen werden vrienden en zwoeren om nooit meer uit elkaar te gaan.
En toen begon de Wijze de genezing van de prins weer aan te passen door middel van het voorbeeld. Eerst deed hij een hemd aan. De prins geloofde zijn eigen ogen niet: Ben je gek? Vergeet je wie je bent? Wil jij een mens zijn?
Weet je, sprak de Wijze rustig, geloof vooral niet dat een kalkoen die zich kleedt als een mens ophoudt een kalkoen te zijn.
De prins kan alleen maar toegeven. s Anderendaags kleedden ze zich allebei normaal. De Wijze liet zich een paar schotels brengen uit de koninklijke keuken. Wat doe je, ongelukkige! protesteerde de prins vol afschuw. GA je nu nog eten ook zoals zij?
Zijn vriend stelde hem gerust: Geloof vooral niet dat een kalkoen die eet als de mens, en met de mensen, aan hun tafel, ophoudt een kalkoen te zijn; geloof vooral niet dat het voor een kalkoen voldoende is om zich als een mens te gedragen om mens te worden; je mag alles doen samen met de mens, in hun wereld, je mag zelfs alles doen voor hen, toch blijf je de kalkoen die je bent.
En de prins was overtuigd, en hervatte zijn leven als prins.
De maker van deze verhalen is Rabbi Nachman van Bratzlav; zijn verhalen behoren tot de boeiendste in de Chassidische literatuur en vormen een wereld apart: de mens die droomt reikt verder dan zijn dromen, verder dan zijn verlangens, op zoek naar verbeelding en heil, gedragen door een verlangen naar het heilige en het wonderbaarlijke.
(Zijn werk doet denken aan dat van Franz Kafka, van wie hij volgens sommigen een soort voorloper is geweest of zelfs inspiratiebron.
Een verleidelijke en zelfs aannemelijke hypothese. Door meer dan een eeuw gescheiden Rabbi Nachman werd geboren in 1772 schijnen ze bepaalde themas en obsessies gemeen te hebben die maken dat hun geschriften tegelijk realistisch en buiten zinnen zijn. Hun hoofdpersonages beleen hun leven door het te fantaseren en hun dood door hem te vertellen.
Een merkwaardige overeenkomst: de Tsaddiek van de Oekraïne en de romanschrijver uit Praag ondergingen hetzelfde lot. Ze stierven allebei jong: de Rebbe toen hij achtendertig jaar was, de schrijver met eenenveertig jaar. Aan dezelfde ziekte: longkanker. Allebie hadden ze geëist dat hun geschriften verbrand werden. En elk had een trouwe vriend, een toegewijde tolk, een apostel aan wie we verschuldigd zijn d at hun werk bewaard bleef. Wat Max Brod was voor Kafka, dat was Rabbi Nathan geweest voor Rabbi Nachman.
Maar in tegenstelling tot de schrijver wilde Rabbi Nachman dat zijn onderwijs bewaard bleef en zelfs verspreid. Maak gebeden van mijn verhalen, zie hij tegen zijn vrienden. Gebeden, geen relikwieën.
Voordat hij stierf, beval hij zijn geschriften in het vuur te gooien, om ze naar daarboven te sturen.
Rabbi Nathan meende dat hij moest gehoorzamen en het bevel uitvoeren. Hij miste de durf van Max Brod. De twee vertellers leken meer op elkaar dan hun vurige kameraden en volgelingen.)
( )
Een vreemd mannetje, die Rabbi Nathan, genoemd van Nemirov. Hem behandelen als een gewone getuige of als schrijver aan het hof van Bratzlav, zou betekenen dat we zijn eigenlijke waarde onderschatten. Hij was niet minder origineel als discipel dan zijn Meester als Rebbe. Elk van beiden streefde op zijn manier naar zelfontplooiing. De tolk leefde alleen voor de Rebbe, en de Meester uitte zich slechts via zijn biograaf. Deze zei over het werk van de Rebbe: Je zult er het verstand van de Meester in vinden, alleen de mond is van mij.
Maar Rabbi Nathan was meer dan een instrument, dat bleek bij de dood van Rabbi Nachman. Zijn uitverkoren medewerker, primus inter pares, zal bijna als een onafhankelijke Rebbe worden beschouwd. Men kwam hem om raad vragen, om zijn zegen, men woonde zijn diensten bij. Er werd gezegd: zijn gebed is een commentaar op het Gebed. Hijzelf zou trouw en nederig blijven tot het laatste, en elke andere rol weigeren, alleen die van volgeling paste bij hem. Hij zou zeggen: De hele wereld is gek, ik incluis; maar ik heb het geluk gehad een helder denkend mens te ontmoeten. Hij zou ook zeggen: Gelukkig hij wiens ogen de ogen van Rabbi Nachman hebben gezien, gelukkig hij wiens ogen mijn ogen hebben gezien die zich hebben kunnen spiegelen in die van Rabbi Nachman.
Wat had hem er toe gedreven om naar de Rebbe van Bratzlav te gaan? Een droom, placht hij te zeggen. In mijn slaap ging ik naar de bakker om broodjes te kopen. Onderweg bleef ik staan, overvallen door een droef verdriet: zou dat het doel van mijn leven zijn? Brood halen bij deze om het aan gene te geven? Niets anders, niets meer? Op dat ogenblik verscheen mij iemand en die zei: Als je wilt dat ik je help, bind je dan aan mij. Het was Rabbi Nachman.
Rabbi Nachman bereidde hem een warm onthaal: We kennen elkaar al zo lang, maar we zien elkaar voor het eerst. Verblind, ontroerd, overrompeld, werd de bezoeker een ander mens.
Voor hem was het liefde op het eerste gezicht Hij verzaakte aan zijn reizen, verwaarloosde zijn zaak, en zelfs zijn gezin, hij hield er mee op zijn eigen leven te leiden om zich beter aan dat van de Meester aan te passen. Als de aarde overdekt was met dolken, zie hij, dan nog zou ik graag van de ene kant van de wereld naar de andere reizen om even het heilige gelaat van de Rebbe te zien.
Zijn taken: luisteren naar zijn onderwijs, zijn tafelgesprekken, flarden van zijn gedachten en toevallige uitspraken, zijn dromen, zijn humeur, zijn anekdotes; ze opvangen, ze op schrift stellen, er een lijn in brengen, ze uitgeven. Eens prees Rabbi Nachman hem, dankbaar. Elk van u heeft de hand in mijn verhalen, zei hij tot zijn vrienden, maar jouw deel, Nathan, is het grootste.
Een compliment? Neen. Een vaststelling. Dank zij het talent, de scherpzinnigheid en de waakzaamheid van Rabbi Nathan, hebben de gedachten en de legenden van de Meester ons bereikt. Hij was er g nauwgezet en daarom legde hij zijn aantekeningen aan de Meester voor, voor betering en commentaar. Zo kunnen we een verhaal soms op twee niveaus lezen, verteld, en beluisterd door de verteller zelf. Beter nog: Rabbi Nathan dacht aan zijn toekomstige lezers en stelde zich er niet mee tevreden een stukje dat hij had uitgekozen over te schrijven; hij voegde er zijn eigen uitleg aan toe en soms de omstandigheden die tot de totstandkoming eran hadden meegewerkt. Dank zij hem kan de lezer van Rabbi Nachman aanwezig zijn bij het ontstaan van sommige van zijn fabels.
`Opeens begon de bus te remmen en toen hij gestopt was, hoorde ik een gebiedende stem iets zeggen wat ik slechts gedeeltelijk kon verstaan maar via de conducteur en enkele medereizigers toch vernam. Het ging erom dat eventueel aanwezige joden de bus moesten verlaten. Aha, dacht ik bij mezelf, ze willen zeker controleren of iedereen die de stadsgrens overschrijdt wel een pasje heeft. En inderdaad, toen ik uit de bus was gestapt, stond ik tegenover een politieagent. Zonder een woord te spreken overhandigde ik hem dadelijk mijn pasje, maar hij keek het niet meteen in en gaf de chauffeur met een handbeweging te kennen dat hij moest doorrijden.'
`Hebben wij weet van de absurditeit van ons levenslot en van de schandelijke toevalligheid daarvan, van de schandelijke toevalligheid van elk ogenblik waaraan wij, feilbare mensen, ons zo schandelijk vastklampen omdat deze reeks absurde ogenblikken ons leven is?' Imre Kertész.
Imre Kertész (Boedapest, 1929) werd in 1944 als veertienjarige jongen afgevoerd naar Auschwitz. Hij keerde na de bevrijding terug naar Boedapest, waar hij sinds 1948 werkte voor de stadskrant Világosság, maar in 1951, toen de krant de partijlijn ging volgen, weer werd ontslagen. Na twee jaar militaire dienst legde hij zich toe op het vertalen van auteurs als Nietzsche, Schnitzler, Freud, Roth, Wittgenstein en Canetti, en op zijn eigen schrijverschap. Hij publiceerde romans, essays, lezingen, dagboekaantekeningen en schreef zelf het filmscript (Stap voor stap) naar zijn eerste roman, Onbepaald door het lot. In Hongarije werd zijn werk om politieke redenen lange tijd min of meer geboycot, maar in andere Europese landen werd het vertaald en gelauwerd met literaire onderscheidingen. Kertész is de eerste Hongaarse schrijver die de Nobelprijs heeft ontvangen. De auteur woont afwisselend in Boedapest en Berlijn. Liquidatie (2004) De verbannen taal (jubileumboekje 2004) Dossier K. (2007) Overige titels van Imre Kertész: Kaddisj voor een niet geboren kind (1994) Onbepaald door het lot (1995) Het fiasco (1999) Ik, de ander (2001) Dagboek van een galeislaaf (2003) Nobelprijs voor de literatuur 2002.
Opnieuw en opnieuw houdt Kertész zich (...) bezig met de voor hem zo typische notie van de lotloosheid, die hij niet opvat als ongedetermineerdheid en dus vrijheid, zoals wij misschien geneigd zouden zijn te doen, maar juist als dwang, als het ontbreken van de mogelijkheid zelf je levensbestemming, je lot te kiezen - iets wat hij kenmerkend vindt voor het leven onder de totalitaire Europese regimes van de twintigste eeuw.
De Standaard - donderdag 29 januari 2004 - auteur: Herman Jacobs
`Rebellie is in leven blijven' De nieuwe roman van Nobelprijswinnaar Imre Kertész, Liquidatie , sluit aan bij zijn magistrale `trilogie van de lotloosheid', waarin hij zijn ervaringen in Auschwitz en onder het Hongaarse communistische regime neerschreef. Een verbijsterend, uitdagend boek.
Imre Kertész' romans Onbepaald door het lot (of Lotloosheid, zoals het origineel heet, oorspronkelijk verschenen in 1975), Het fiasco (1988) en Kaddisj voor een niet geboren kind (1990) behoren zonder de geringste twijfel tot de indrukwekkendste en aangrijpendste boeken die de twintigste-eeuwse literatuur heeft voortgebracht. Deze ,,trilogie van de lotloosheid'' waarin Kertész zijn ervaringen in Auschwitz en de daar bijna naadloos op aansluitende decennia van knevelarij onder het socialisme heeft neergeschreven, leek een voltooid literair monument. Maar kennelijk vond de Hongaarse Nobelprijswinnaar dat ze toch nog aanvulling behoefde: nog eenmaal heeft hij zich, niet als essayist maar als romanschrijver, ingelaten met het thema dat hij tegen wil en dank tot het zijne heeft gemaakt. Het resultaat is de korte roman Liquidatie .
Het is een verbijsterend boek, je kunt niet anders zeggen. Alweer gaat het om een onvertelbaar verhaal, dat niettemin moet worden verteld - de oerkwestie die Kertész' werk vanaf het allereerste begin fundamenteel, existentieel heeft bepaald. Onvertelbaar omdat de ervaring van Auschwitz haast niet over te brengen valt op mensen die het geluk hebben zich bij het onbestaan in ,,de anus van de wereld'', zoals het uitroeiingskamp wel is genoemd, in feite niets te kunnen voorstellen.
Zeer beknopt samengevat gaat het in Liquidatie over de schrijver B., zijn vriend, de literair redacteur Keserü, en zijn ex-vrouw Judit. B. is een Auschwitz-overlevende die, zo vertelt Judit na zijn dood, ,,zijn hele talent in dienst van Auschwitz had gesteld: hij was de bevoegde en exclusieve kunstenaar van het Auschwitz-leven. Hij had het gevoel dat hij illegaal was geboren'' - namelijk in Auschwitz zelf - ,,zonder reden in leven was gebleven, en dat hij zich uitsluitend bestaansgrond kon verwerven door `de geheime code van Auschwitz te ontcijferen'.'' Maar daarbij was hij wel volstrekt soeverein gebleven: zijn vriend Keserü denkt later aan B. terug als iemand ,,die zich altijd onthield van handelen, die glimlachte om hoop, die nergens in geloofde, niets ontkende, niets wenste te veranderen en niets wenste goed te keuren''. B. was daarbij, misschien verrassend, tot de opvatting gekomen dat ,,rebellie is / IN LEVEN BLIJVEN / De grote ongehoorzaamheid is / ons leven vol te maken / en tegelijk de grote nederigheid / die we onszelf verschuldigd zijn / Het enig aanvaardbare middel / van zelfmoord is leven / zelfmoord plegen is / doorgaan met leven'', zoals hij het zelf formuleerde in een toneelstuk dat na zijn dood tussen zijn ongepubliceerde manuscripten wordt gevonden.
Opmerkelijk is dat B. zichzelf tóch van het leven heeft beroofd, en wel juist in 1990, toen het oude communistische regime als een mislukte soufflé in elkaar is gezakt. Nog opmerkelijker is dat B. in het zojuist vermelde toneelstuk dat in zijn nalatenschap wordt gevonden heel precies de reacties op zijn dood heeft beschreven van de mensen uit zijn naaste omgeving: Keserü en diens collega's bij de uitgeverij, onder wie Keserü's minnares Sára. Zozeer zelfs dat Keserü zich de bedenking maakt: ,,Uiteindelijk wist (hij) niet wat hij meer moest bewonderen: de kristalheldere vooruitziende blik van de auteur, zijn overleden vriend, of de welhaast berouwvolle vastberadenheid van zichzelf, waarmee hij zich met zijn voorgeschreven rol had vereenzelvigd en het verhaal had volbracht.''
Hier illustreert Imre Kertész in een soort Escheriaans doorkijkje de ,,geschrevenheid'' van zijn roman: die rol van Keserü is inderdaad voorgeschreven: hij is immers een romanfiguur. Wie weet zelfs wel een romanfiguur van B. - er wordt vrij vroeg in het boek namelijk een aanhaling geopend, waarna aantekeningen van B. geciteerd worden, die pas negen pagina's voor het slot weer wordt gesloten. Hetgeen suggereert dat alles daartussenin, inclusief de in de ik-vorm gestelde passages van de als verteller van het verhaal opgevoerde Keserü, eigenlijk uit de pen van B. afkomstig is.
Een typische Kertész-omkering bij dit alles is dat niet de schrijver B., maar juist de ,,schrijversknecht'' Keserü, zelf niet tot literaire creatie in staat, heilig in ,,het geschreven woord'' - en ,,in niets anders'' - gelooft: ,,De mens leeft als ongedierte, maar schrijft als een god. Eens kende men dit geheim, vandaag is men het vergeten: de wereld bestaat uit uiteenvallende scherven en is een onsamenhangende, donkere chaos, die alleen door de pen bijeengehouden wordt. Als je een beeld hebt van de wereld, als je niet alles vergeten bent wat er gebeurd is, dan is dat door het schrijven voor je gecreëerd, evenals het blote feit dat je een wereld hebt .'' Vandaar ook de zeer grote hardnekkigheid waarmee Keserü achter het verdwenen manuscript aangaat van de roman die B., zijn leermeester die hem ooit uit een suïcidale inzinking heeft gered, naar zijn stellige overtuiging voor diens dood nog moet hebben geschreven.
Op dat punt komt Judit in beeld, B.'s ex-vrouw (en Keserü's ex-minnares). Zij moet ten slotte toegeven dat B. die roman inderdaad nog geschreven heeft. Maar dan blijkt - het dramatisch hoogtepunt van het boek - dat zij B. over zijn absolute afwijzing van het gewone leven en de mogelijkheid tot geluk heen heeft geholpen (die ook in de trilogie, vanaf het slotstuk van Onbepaald door het lot, en zeer uitgesproken in Kaddisj, luid opklinkt). Nadat ze hem heeft verlaten, bezorgt hij haar het manuscript van zijn laatste werk met het verzoek het te verbranden, opdat op die manier Auschwitz ,,herroepen'' zij...
In Liquidatie wordt het onmogelijke op meer dan één manier mogelijk gemaakt. Van het opheffen van een permanent verliesgevende uitgeverij na de Wende , wat in het begin van het boek aan de orde is, manoeuvreert Kertész zijn vertelling via de liquidatie van de permanent verliesgevende maatschappijvorm die het Oostblokcommunisme was naar de liquidatie van het schrijven, opdat ,,Auschwitz'' (in de allerruimste zin van het woord) ongedaan gemaakt zou zijn. Het is tovenarij die je de adem beneemt, zonder tegelijk te willen verdoezelen dat een en ander onvermijdelijk (een subthemaatje in het boek) niet helemaal vrij van kitsch is. Kunst is eigenlijk niks gedaan. Tegelijk is kunst nu juist het enige waarmee in dit soort existentieel-ethische hogedrukgebieden überhaupt iets gedaan kan worden.
Kertész schrijft niet het luchtigst denkbare proza, maar af en toe stuit je op als diamant zo fonkelende, én harde, zinnen als deze (een uitspraak van Dr. Obláth, een van de collega's op de uitgeverij, in het toneelstuk van B.): ,,Hier verprutst iedereen zijn leven. Dat is een specialiteit hier, de genius loci. Wie hier zijn leven niet verprutst, heeft gewoon geen talent.''
Op heel wat meer van dergelijke aforismen, én op zeer indringende beschouwingen over de zin van het schrijven, Auschwitz en het verweer van de vrije geest in een totalitaire maatschappij vergast Kertész zijn lezers in zijn eind vorig jaar verschenen `essaydagboekroman' Dagboek van een galeislaaf. Die laat zich, blijkt nu, niet in de laatste plaats lezen als een verhelderende introductie tot de nieuwe roman.
Opnieuw en opnieuw houdt Kertész zich ook in dat boek bezig met de voor hem zo typische notie van de lotloosheid, die hij niet opvat als ongedetermineerdheid en dus vrijheid, zoals wij misschien geneigd zouden zijn te doen, maar juist als dwang, als het ontbreken van de mogelijkheid zelf je levensbestemming, je lot te kiezen - iets wat hij kenmerkend vindt voor het leven onder de totalitaire Europese regimes van de twintigste eeuw (de eerste aantekeningen in Dagboek van een galeislaaf dateren van 1961).
Kertész betoont zich in dit uitdagende boek geen systematisch denker - al is hier allerminst een warhoofd aan het woord - maar hij houdt zijn geest open voor allerlei indrukken en veronachtzaamt daarbij het schijnbaar onbeduidende niet, zoals het een goed volgeling van Montaigne past. En tegendraads is hij van nature. Wie anders dan een recalcitrante geest zou zich aan het volgende aforisme wagen: ,,Verveling is het zout des levens''?