Goedemorgen gemeente. Goedemorgen bezoekers. Uitzonderlijk ga ik nogmaals de tekst van de voordienst voorlezen. Het is namelijk belangrijk dat u deze goed hebt gehoord:
“Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten. En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!”
- Kolossenzen 3:12-17
Al een hele tijd geleden heb ik het al verschillende keren met u gehad over vergeving en verzoening, zowel binnen je familie als buiten je familie. Hopelijk past u dit dan ook toe. Vanochtend wil ik echter de nadruk leggen op het “verdraagt elkander”.
Het verdragen van anderen is soms niet gemakkelijk. En ik heb het hier niet over het tolereren of door de vingers zien van grove zonde. Laat dat duidelijk zijn van in het begin. Ik heb het vanochtend eerder over de “kleine” dingen, níet over zonde.
Als we het hebben over verdragen, dan komen er enkele voorbeelden in me op:
de ene vindt de preek te technisch of Bijbelstudie-achtig, de ander vindt die net te praktisch of vrij. De ene vindt dat de lengte van de preek slechts de lengte van een homilie bedroeg. De ander zegt dat mijn preek zó lang was als de helft van een preek van broeder Demeester. Allemaal verschillende voorkeuren, smaken, verwachtingen en dergelijke meer.
Laat ik een ander voorbeeld nemen: de een vindt de zangdienst te lang, de ander te kort, nog iemand vindt dat er te veel nieuwe of oude liederen tussensteken, te veel Engelstalige of Nederlandstalige liederen, en ga zo nog maar even door.
Dit laatste is nu eens een heel concreet praktisch voorbeeld van iets waarin we elkaar kunnen verdragen door rekening te houden met de voorkeuren van de ander. Het gaat namelijk niet om onszelf of onze voorkeuren, maar, als het goed is, komen we hier om God te eren en elkaar hierin te ondersteunen.
Elkaar vér-dragen is namelijk ook elkáár vérder-dragen. Het is aan degene die de liederen kiest om er allereerst proberen voor te zorgen dat hij of zij God eert en niet de mensen pleaset of behaagt. In die zin is het níet de bedoeling om voor iedereen proberen goed te doen en maar met de wind mee te waaien. MAAR… alle mensen zo veel mogelijk helpen God te eren tijdens de samenkomst door de daaraan voorafgaande keuze van de liederen is ook een vorm van God eren. Ik heb er het volste vertrouwen in dat dit in de toekomst zo goed mogelijk verdergezet zal worden.
De jongeren moeten rekening houden met de ouderen en de ouderen moeten rekening houden met de jongeren.
Als het goed is, hebben de ouderen een voorbeeldfunctie voor wat betreft zelfverloochening ten overstaan van de jongeren. Zij moeten zo veel mogelijk plaats ruimen en durven loslaten om het stokje door te geven. Paulus spreekt over een wedloop maar dat is misschien niet altijd een volledig accuraat beeld. Ik bedoel dit: we staan níet in competitie met elkaar maar werken samen. Het is dus eerder een estafetteloop waarbij de eerdere loper of generatie het stokje doorgeeft aan de latere loper of generatie.
Let ook op de aanmoedigende wolk of tribune van getuigen. In het “hierNÚmaals” hadden zij al een gewoonte gekweekt van bemoedigen of aanmoedigen (zie Hebreeën 12:1). Dit mag dus ook nu reeds gelden voor hen die nagenoeg daar aangekomen zijn.
Dus als er al eens een jeugdig lied wordt gespeeld, behoren zij – de ouderen – dus niet te grommelen maar hier net blij om te zijn. Stilstaand water brengt dood, stromend, bruisend water brengt leven.
De jongere leden moeten op hun beurt denken: hoe kunnen wij de oudere generatie nog voeden? Wat kunnen we leren van hun liederen? Zitten er gevaren in de jeugdigere stijl? Doet het iets af aan aanbidding? Want daarvoor zijn we toch hier?
In de zangdiensten en repetities wordt heel veel voorbereidingswerk gestoken. Dit opdat hier iedereen zo goed mogelijk de Heer kan aanbidden op zondagochtend. In de Bijbelpassage van deze ochtend sprak Paulus ook over dankbaarheid en die dankbaarheid voor jarenlange trouwe inzet is hier zeker op z’n plaats.
Als het goed is, komen of staan we hier niet voor mensen, maar staan we hier sámen om God te eren. Dat is een van de redenen waarom ik persoonlijk de oudere hymnes dikwijls beter vind dan de modernere liederen: in hymnes is het duidelijk níet muzikanten – volk maar dan staan we samen als één volk ondubbelzinnig God te bezingen of eventueel muziek voor Hem te spelen, en Hem te eren. Dat is ook de bedoeling van ons muziekteam. Laten we dus met díe ingesteldheid steeds samen blijven vieren.
Ik hoop dat hier, in tegenstelling met wat ik daarnet zei, nooit iets hiërarchisch zal ontstaan want dat heeft al heel veel kerken kapotgebroken of minstens ongezond gemaakt. Dan wordt het kerkje spelen of zichzelf geestelijk voordoen maar eigenlijk vleselijk, hoogmoedig en verblind zijn.
Zo’n gedrag past helemaal niet als individuele christen, als groep binnen de kerk of als kerk in z’n geheel. Dit is een extreem gevaarlijke valstrik waarin we allemaal kunnen vallen: “De koers der oprechten is: te wijken van het kwaad; wie acht geeft op zijn weg, bewaart zijn leven. Hovaardij gaat vooraf aan het verderf, en hoogmoed komt voor de val. Het is beter nederig van geest te zijn met de armen, dan buit te delen met de hovaardigen” (Spreuken 16:17-19). Het zich boven een ander verheffen (hoogmoed of trots) is dus een zonde die tot verblinding en vallen kan leiden.
In tegenstelling hiermee, gaat het om nederigheid en het dienen van de ander: “wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden” (Lucas 14:11b, NBV), zei Jezus. Om u even vriendelijk te berispen met de mannelijke woorden van Paulus: “U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander [of, in de NBG: “opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze”]. Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt?” (1 Korintiërs 4:6b-7, NBV).
In plaats van zelfverheffing roept de Bijbel ons dus op tot nederigheid en liefde voor onze naasten. Het mag dus nooit gaan om hybris, overmoed, hoogmoed of grootheidswaanzin of zelfs maar het minste gebluf of de minste schijn van iets te zijn of iets bereikt te hebben. Alles wat je hebt of hebt bereikt is je toch geschonken? Ben je slim, kan je hard werken, goed musiceren of zingen? God heeft het je geschonken, niet om erover op te scheppen maar om ermee in nederigheid te dienen.
Toen Hij de voeten van zijn discipelen had gewassen, onderrichtte onze Heer Jezus Christus dit principe Zelf. Hij had het zonet voorgedaan met daden, nu zou Hij het ook onderwijzen met woorden: “Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? Gij noemt Mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet” (Johannes 13:12b-17).
Kortom, pas dus steeds Jezus’ gouden regel toe: “behandel anderen [dus] steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen” (Matteus 7:12a, NBV) en “of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods” (1 Korinthe 10:31, cf. Kolossenzen 3:17) en “doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid” (Kolossenzen 3:14b).
Laten we met deze ingesteldheid zo meteen dus ook het avondmaal samen vieren, niet voor het oog van de mensen maar om God te eren, en laten we zo ook leven in onze dagdagelijkse levens en in onze relaties met elkaar. Amen.
Verder meelopen of een andere Weg kiezen? (Efeze 2)
Voordiensttekst: Efeze 2:1-10 (NBV).
Goedemorgen gemeente,
Deze ochtend heeft u, tijdens de voordienst, het eerste deel van het tweede hoofdstuk van Paulus’ Brief aan de Efeziërs gehoord. Volgens mij bevat dit hoofdstuk, net zoals vele andere hoofdstukken in de Bijbel, het evangelie of goede nieuws in een notendop. Het gaat namelijk over de wegen of groepen waartoe je je mag bekennen. Over dit alles straks meer.
Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk kan relatief kort samengevat worden als volgt: “U was dood door de misstappen en zonden waarmee u de weg ging van de god van deze wereld, de heerser over de machten in de lucht, de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn” (1-2). “U”, de heidenen, bent, door uw overtredingen, dus door uw eigen keuzes,[1] in plaats van de God die hemel en aarde geschapen heeft, eigenlijk de god van deze wereld – namelijk de duivel – gaan volgen.
“Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen” (3a): “wij” betekent hier “de Joodse christenen,” aangezien “u” in vers één verwijst naar “u, heidenen,” volgens professor Helmut Köster.[2]
Professor Köster heeft hier volgens mij gelijk in. Zijn interpretatie past namelijk ook overduidelijk bij het tweede deel van dit tweede hoofdstuk van de Efezebrief, dat we deze ochtend nog niet gelezen hebben: “U,” de heidenen, werden verzoend met “ons,” de Joodse christenen. Ook hierover straks meer.
Algemeen bekeken beschrijft Paulus hier dus eigenlijk hetzelfde argument als in de eerste drie hoofdstukken van zijn Brief aan de Romeinse christenen, wat in grote lijnen als volgt kan worden samengevat: hoofdstuk één: de heidenen zijn van Gods pad afgeweken. Hoofdstuk twee: ook wij, Joden, zijn van Gods pad afgeweken. Hoofdstuk drie: dus zijn wij allemaal – heidenen én Joden – afgeweken van Gods pad.
In het begin van ons hoofdstuk, schrijft Paulus verder dat we “van nature blootstonden aan Gods toorn, net als ieder ander” (3b parafrase). De datief φÏσει, hier omgezet naar onze Nederlandse taal als een genitief: “van nature”, kan betekenen: natuur, essentie of idee (bij Plato) maar de wortel “φÏ” heeft iets van “worden”, “groeien”.[3] Dit vinden we bijvoorbeeld overduidelijk in 2 Petrus 1:4 waar Petrus beschrijft dat we kunnen ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst en deel kunnen krijgen aan de goddelijke natuur.[4] Ook Ignatius van Antiochië, die leefde in de eerste en tweede eeuw na Christus, schreef: “Ik heb door God uw geliefde naam leren kennen, die u hebt verkregen door uw rechtvaardige natuur, overeenkomstig uw geloof en liefde in Christus Jezus, onze Heiland. U bent navolgers van God.”[5] We kunnen dus duidelijk spreken van een natuur gevormd door gewoonten.[6] Alleszins in onze passage lijkt de context duidelijker te wijzen op een natuurlijke ontwikkeling of gevolg dan op een natuurlijk gebrek, aangezien Paulus hier spreekt over misstappen, zonden, de weg gaan van de god van deze wereld, ongehoorzaam zijn, ons laten beheersen door wereldse begeerten, zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen volgen, enzovoort als oorzaken van deze natuurlijke ontwikkeling of dit natuurlijk gevolg. Daarnet noemde ik trouwens allemaal actieve werkwoorden op; acties die je doet en waar je uit vrije wil voor kiest; meelopen met de zondige wereld. Het tegengestelde, dat heidenen van nature [φÏσει] de Wet van God vervullen, vinden we trouwens ook bij Paulus (Romeinen 2:13-15) alsook bij de Hellenistisch-Joodse Philo van Alexandrië.[7]
In hoofdstuk vier van de Romeinenbrief leren we dan dat zowel heidenen als Joden door het geloof uit genade worden gered. Dit vinden we ook terug in het volgende gedeelte van ons hoofdstuk, namelijk vers vier tot en met vers negen. Maar in het tweede deel van ons hoofdstuk van de Efezebrief ligt de nadruk toch ergens anders op: het gaat hier namelijk om de inclusie van de heidenen bij de Joden. Ik lees u voor vanaf vers elf:
“Bedenk daarom dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent en onbesnedenen genoemd wordt door hen die door mensenhanden besneden zijn – bedenk dat u destijds niet verbonden was met Christus, geen deel had aan het burgerschap van Israël en niet betrokken was bij de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. U leefde in een wereld zonder hoop en zonder God. Maar nu bent u, die eens ver weg was, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed. Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht hij vrede en verzoende hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden. Vrede kwam hij verkondigen aan u die ver weg was en vrede aan hen die dichtbij waren: dankzij hem hebben wij allen door één Geest toegang tot de Vader. Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen” (11-20).
Bemerk wel dat de Joden eigenlijk géén bevoorrechte positie meer innemen: “de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen” en “Zo bracht hij vrede en verzoende hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden. Vrede kwam hij verkondigen aan u [, heidenen] die ver weg was en vrede aan hen [, Joden] die dichtbij waren: dankzij hem hebben wij allen [, heidenen en Joden,] door één Geest toegang tot de Vader.” Paulus noemt de christenen uit de heidenen, wij dus, verder “burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen”. Met andere woorden, er is dus géén onderscheid meer! Aan hedendaagse Zionistische christenen zou hij zelfs durven vragen: “Welk Jerusalem wilt u? Het aardse, slaafse Jerusalem of het hemelse Jerusalem? Kies!” (naar Galaten 4:21-31).
Bij Paulus krijg je dus, met andere woorden, heidense christenen verenigd met Joodse christenen tot één nieuwe mens; één verzameld christenvolk, zonder onderscheid of hiërarchie, “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen”.
Maar nu, vraag ik de nieuwelingen – ik hoop dat ze nog wakker zijn – wat doen jullie met deze nieuwe kennis? Voor jullie geldt nog steeds het slechte nieuws, dat jullie als heidenen nog steeds veraf zijn van God, nog steeds niet tot Zijn Volk zijn verzameld.
Maar er is ook goed nieuws. Let maar op die “maar” vanaf vers vier:
“Maar omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered. Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus. Zo zal hij, in de eeuwen die komen, laten zien hoe overweldigend rijk zijn genade is, hoe goed hij voor ons is door Christus Jezus. Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof [je kan trouwens ook vertalen: 'dankzij uw trouw' of: 'dankzij uw betrouwbaarheid'[8]]. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan. Want hij heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid” (4-10).
Dit goede nieuws kan kort samengevat worden als volgt: ondánks onze zonden, onze overtredingen, en hoewel we het dus zeker en vast niet verdienden, heeft God een weg tot verzoening gebaand voor ons: Zijn Zoon Jezus Christus is voor ons aan het kruis gegaan, gestorven, en uit de dood weer opgestaan, opdat Hij ons, uit liefde, tot Zijn volk mag verzamelen; opdat wij ons, uit vrije keuze, tot Zijn volk mogen bekennen.
Hoe doe je dit? Door je te bekeren van je zonden en het geschenk van God aan te nemen. Petrus verwoordt dit duidelijk als volgt:
“‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’” (Handelingen 2:38-40).
Je mag je dus laten redden uit het verdorven mensengeslacht, uit de groep die ervoor gekozen heeft om in en voor de zonde te leven door je te laten dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor je zonden, zo Gods heilige Geest te ontvangen en je op die manier tot de Heer laten verzamelen.
Dan geldt: “omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered”, “Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus” – dan behoor je dus tot Zijn verzameld volk, dat goede daden mag verrichten: “Want hij heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid” – niet uit eigen verdienste maar omdat Hij zo genadig en goed voor ons is: “door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan”. Dit kan en mag dus niet leiden tot gestoef maar louter tot dankbaarheid.
Kortom wil ik dus deze keuze van het veranderen van groep of weg aan de nieuwelingen voorleggen: wil je blijven meelopen met de misschien wel populaire groep van deze wereld en ver wegblijven van God of wil je tegenkiezen; kiezen voor God; kiezen om te leven zoals God het oorspronkelijk bedoeld had? Niet langer leven voor egoïstische begeerten maar als waarlijk mens met God? De keuze is aan jou! Amen.
[1]Zie ook Efeze 5:6. “Hence in Eph. 2:2; 5:6 sinners (obviously not merely from among the Gentiles) are called the υá¼±οá½¶ τá¿ς á¼πειθείας.” Rudolf Bultmann, “ΠιστεÏω, Πίστις, ΠιστÏς, ΠιστÏω, á¼πιστος, á¼πιστÎω, á¼πιστία, á½λιγÏπιστος, á½λιγοπιστία,” in Theological Dictionary of the New Testament, ed. Gerhard Kittel, Geoffrey W. Bromiley, and Gerhard Friedrich (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 1964–), 11.
[2]Helmut Köster, “ΦÏσις, ΦυσικÏς, Φυσικá¿¶ς,” in Theological Dictionary of the New Testament, 274-275.
[3]Köster, “ΦÏσις, ΦυσικÏς, Φυσικá¿¶ς,” in Theological Dictionary of the New Testament, 252–266. Met dank aan mijn leraar Oudgrieks Renan Marques Liparotti van Schola Latina (Montella, Italië) om me te wijzen op deze wortel.
[4] In het Grieks is dit een genitief: “van de goddelijke natuur” (φÏσεως).
[5] Mijn nadruk. “I Became acquainted through God with your much beloved name, which you have obtained by your righteous nature, according to faith and love in Christ Jesus our Saviour. You are imitators of God, and, having kindled your brotherly task by the blood of God, you completed it perfectly” Pope Clement I et al., The Apostolic Fathers, ed. Kirsopp Lake, vol. 1, The Loeb Classical Library (Cambridge MA; London: Harvard University Press, 1912–1913), 173.
[6] Jesse Morrell, “Erfzonde” (Texas: Biblical Truth Resources, 2026), 5-9 geeft nog wat meer of andere achtergrondinformatie voor deze opvatting.
[7] Köster, “ΦÏσις, ΦυσικÏς, Φυσικá¿¶ς,” in Theological Dictionary of the New Testament, 274.
[8]Bultmann, “ΠιστεÏω, Πίστις, ΠιστÏς, ΠιστÏω, á¼πιστος, á¼πιστÎω, á¼πιστία, á½λιγÏπιστος, á½λιγοπιστία,” in Theological Dictionary of the New Testament, 175–179. David Bentley Hart, The New Testament. A Translation (New Haven and London: Yale University Press, 2017), 382.
Categorie:Preken
05-04-2026
Paaspreek 2026
Voordiensttekst: Johannes 20:1-18 (NBV).
Goedemorgen geliefde gemeente van de Heer, Goedemorgen kostbare bezoekers,
Deze ochtend heeft u, tijdens de lezing, misschien wel hét Paasverhaal gehoord. Wat me deze keer opviel, is dat dit verhaal uit het evangelie van Johannes in schril contrast staat met wat vele mensen dénken te weten over het christelijk geloof.
Als ze eerlijk zijn, denken vele mensen dat het christelijk geloof iets is voor naïeve mensen; mensen die je heel snel iets kan wijsmaken. Zo hoor ik oudere mensen al eens zeggen: “Ha! Gij gelooft dat toch zeker ni? Wa ze os vroeger allemaal ni hebbe wijsgemaakt?!” Misschien hebben ze hen heel wat wijsgemaakt in kerken – het is trouwens zeer naïef te geloven dat mensen iets wijsmaken enkel of voornamelijk in kerken gebeurt – maar dit doet niets af van wat we deze ochtend reeds gelezen hebben…
Velen denken namelijk dat geloven een blind vertrouwen is; een soort kinderlijke naïviteit die indruist tegen alle feiten; een geloven zonder te zien of geloven om, als je dat echt graag wil of nodig hebt, iets ingebeelds te kunnen “zien”. Wat we hier leren, uit het evangelie van Johannes, is precíes het ómgekeerde!
Maria uit Magdala zág “dat de steen van de opening van het graf was weggehaald” (Johannes 20:1b), ze haalde Petrus en Johannes, die naar het graf spurten. Bijgevolg zág Johannes “de linnen doeken liggen” (5b). Deze Maria, Johannes alsook Petrus – zoals we spoedig zullen zien – zagen gewoon enkele weliswaar bijzondere fysieke feiten. Geloof of diep onderzoek kwamen hier nog niet ter sprake. Het was gewoon een letterlijk zien van enkele bijzondere feiten.[1]
Petrus ging echter wél nog een stapje verder: “Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek” (6-7). Petrus keek er aandachtig naar; bestudéérde de doeken. Hij onderzócht.[2] Géén blind geloof dus maar een onderzóéken! Doeken mooi oprollen en ordelijk apart leggen, doe je trouwens niet als je een lichaam rooft…[3]
En vervolgens ging Johannes weer een stapje verder: “Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde.Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij [, Jezus,] uit de dood moest opstaan” (8-9). Johannes beslóót! Hij besefte! Hij concludeerde![4] Hij besefte wat er gebeurd was: Jezus was opgestaan!: Hij zág het en gelóófde.WANT ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan. Hij zág het en gelóófde.Het was voor hem dus waarlijk een eureka- of een één-plus-één-is-twee-moment!
Vanuit de feiten: de weggerolde steen, de opgerolde linnen doeken én het lege graf, konden de leerlingen van Jezus dus reeds de conclusie trekken dat Hij was opgestaan, zoals Johannes dit deed!
Deze bewijsstukken lieten trouwens zulk een sterke indruk na, dat de vierde-eeuwse kerkvader Cyrillus van Jeruzalem, tijdens zijn catechese-les in de toen net klaargemaakte basiliek van het Heilige Graf in Jeruzalem nog steeds kon zeggen: “Er zijn vele getuigen voor de Opstanding van onze Heer (…) zelfs de steen die was weggerold, die hier tot op de dag van vandaag nog steeds ligt.”[5] Voor hen die geïnteresseerd waren in het christelijke geloof, kon Cyrillus de grafsteen dus nog steeds letterlijk aanwijzen!
Het christelijk geloof is dus feitelijk! Het is gebaseerd op tastbare feiten! We hebben deze aanwijzingen en dit historische verslag overgeleverd gekregen van eerlijke, onderzoekende mensen, die vervolgingen, martelingen, já zélfs een gruwelijke dood niet schuwden, om ons dit getuigenis over te leveren!
Ja maar, beste Tom, kunt u opwerpen, zei Jezus niet iets daarna: “Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven” (28b)?
Ja, dat klopt, maar let u even op de context. Na verschenen te zijn aan Zijn leerlingen en dan aan Thomas die er tijdens de eerste verschijning niet bij was, zei Jezus tegen die Thomas: “Omdat je me gezien hebt, geloof je” (29c). Tweemaal gaf Hij visuele en auditieve bewijzen en de tweede maal gaf Hij, op verzoek van Thomas, extra bewijs via mogelijk[6] fysiek contact (19-29). Maria van Magdala had de opgestane Jezus alleszins daadwerkelijk vastgehouden (17).
Jezus ontkende dus volstrekt niet dat er een relatie bestaat tussen zien – en nu kunnen we dus ook horen en aanraken toevoegen – en geloven. “Omdat je me gezien hebt, geloof je” (29b).
U kunt dus gerust eerst de feiten bestuderen en dan in Jezus geloven – dit noemt men wel eens de weg van het verstand – of eerst Jezus ervaren en dan in Hem geloven – dit noemt men wel eens de weg van het hart –. Waarom niet alle twee? Ik raad u ten stelligste aan uw verstand open te houden voor de feiten en uw hart open te houden voor een ontmoeting met Jezus! Ervoor kiezen om Hem nú al te geloven of te vertrouwen!: “Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven” (29c).
Misschien zegt u: “Welk verschil maakt deze theorie nu voor mijn leven? Wat maakt het uit of dit al dan niet de waarheid is?[7] Wat maakt het uit of ik Jezus al dan niet ken?”
Wel, beste vriend, dit zijn feiten die ertoe doen. Johannes, de schrijver van dit evangelie, verwoordde het als volgt: “Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, [zoveel zelfs, dat ze niet allemaal op te schrijven waren[8]] maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam” (30-31).
Door in Jezus te geloven; door op Hem te vertrouwen, mag je écht leven. Want dan wéét je, door de voorgenoemde feiten, dat dit sterfelijke leven niet het einde is, dat de dood reeds overwonnen is door Jezus (1 Korintiërs 15:35-58) en dat Hij bij de zijnen is en steeds zal blijven (Matteüs 28:20b, Marcus 16:19-20, Handelingen 14:3) en dat Hij tot Zijn Vader in de hemel is heengegaan om hen straks tot Zich zal halen in Zijn eeuwige huis (Johannes 14:1-3, 20:17). Dan leeft u nog steeds met beide voeten op de grond in de dagdagelijkse werkelijkheid en dan beseft u nog steeds dat dit leven ooit zal eindigen maar in plaats van wanhoop en nihilisme heeft u dan een vaste hoop en zekerheid vanuit de historische feiten en vanuit de wonderen die de Heer doet in uw leven.
Wat doet u met dit alles? Mag Jezus – de God Die Mens werd en als Mens voor u gestorven is om u weer met God te verzoenen – ook u vergeven, herstellen en weer hoop geven? Mag Hij de verbroken relatie tussen u en God weer herstellen? Dát is Zijn grootste wens en het heeft Hem Zijn leven en Zijn bloed gekost. Wat doet u hiermee? Blijft u weg bij Hem die uw schepper is en uw hart ware voldoening kan schenken óf komt u naar Hem toe? De keuze is steeds aan u. Amen.
[1] ‘βλá½³πω’ in de ordinaire zin van dat werkwoord. Cf. Wilhelm Michaelis “παρακÏπτω,” in Theological Dictionary of the New Testament, ed. Gerhard Kittel, Geoffrey W. Bromiley, and Gerhard Friedrich (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 1964–), vol. 5,815-816.
[2] ‘ΘεωρÎω (…) The fig. sense became particularly significant, “to contemplate,” “consider,” “investigate.”’ Wilhelm Michaelis, “á½ράω, Εá¼¶δον, ΒλÎπω, á½πτάνομαι, Θεάομαι, ΘεωρÎω, á¼Ïρατος, á½ρατÏς, á½ρασις, á½ραμα, á½πτασία, Αá½τÏπτης, á¼πÏπτης, á¼ποπτεÏω, á½φθαλμÏς,” in Theological Dictionary of the New Testament, ed. Gerhard Kittel, Geoffrey W. Bromiley, and Gerhard Friedrich (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 1964–), 315, in de digitale Logos / Verbum editie.
[3] Contra Matteüs 28:11-15!
[4] ‘οá¼¶δα is an Indo-Eur. perf. of the root εá¼°δ-, á¼°δ- (→εá¼¶δος, εá¼°δÎναι, á¼°δεá¿ν), though always used in the pres.: “to have realised, perceived” == “to know.” It often replaces the perf. á¼γνωκα (→ I, 689), “to have experienced, learned to know” == “to know.” But it can also be synon. with γινÏσκω; in the abs. use in the koine it is hard to establish any distinction of meaning. (…) There are few peculiarities in the NT use of the term. 1. In most of the 320 passages where οá¼¶δα occurs it has the sense “to know” as indicated above, and only rarely is it interchangeable with related senses of “know,” e.g., knowing a person (…) or understanding in the sense “to apprehend” (…). Unusual, though understandable, is the use for “to recognise” (“to know about someone”) (…).’ Heinrich Seesemann, “ΟιÌÍδα,” in ibid., 116–117. Het verdere over het gebruik van dit Griekse woord specifiek in “het vierde evangelie” (op pagina’s 118 tot en met 119) is ook nuttig. Echter is de zogenaamd (proto-)gnostische invloed op het evangelie van Johannes erg ver gezocht en zeer achterhaald.
[5] Cyril of Jerusalem, Catecheses 14.22. Cf. Tom Torbeyns, “A critical Analysis of potential active Learning in Cyril of Jerusalem’s Catecheses” (Master’s Thesis, Evangelische Theologische Faculteit, Leuven, 2024), 16, n. 88.
[6] Als ik me niet vergis, wijst Elaine Pagels van Princeton University op dit detail in haar bekend boek The gnostic Gospels.
[7] Naar Johannes 18:38a.
[8] Naar Johannes 21:25.
Categorie:Preken
15-03-2026
Psalm 66: vanuit vreugde verkondigen
Voordiensttekst: Psalm 66 (NBV).
Goedemorgen geliefde gemeente,
Vanochtend zullen we het voornamelijk hebben over psalm 66. Ik zal het deze keer relatief kort proberen te houden, zo kunnen we ons optimaal concentreren; de moeite nemen om zo goed als we kunnen te luisteren en deze prediking hierna ook toe te passen in onze levens. Daarom zijn we hier.
De titel van de psalm die u tijdens de voordienst hebt gehoord, is in de Septuagint – en later ook in de Vulgaat – best interessant. Deze klinkt namelijk als volgt: “Tot het einde, een lied van een psalm van opstanding.”[1] Dit viel Augustinus ook op. Hij schreef hier namelijk over:
“De titel die aan deze psalm wordt gegeven is ‘Tot het einde, een psalm die gezongen moet worden over de opstanding.’ Wanneer de psalmen gezongen worden en je hoort de zin: <>, dan moet je dit begrijpen als een verwijzing naar Christus, want de apostel [Paulus] zegt: “Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.” (Romeinen 10:4, NBV)’”[2]
Augustinus stond er dus voor open dat dit soort psalmen voorwaarts verwezen naar Christus.
Inderdaad wees David dus voorwaarts naar het einde, naar de volheid van de tijd; de eindtijd die eigenlijk al begonnen was bij de komst van Christus. Met de woorden van Paulus: “Maar toen de [volheid van de] tijd[3] gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen zouden worden” (Galaten 4:4-5).[4] Met dit gedacht bleef Augustinus dus in lijn met de Bijbelse gedachte van Paulus.
Maar wat zijn psalmen nu eigenlijk? In het Grieks zijn psalmen lofliederen en in het Hebreeuws lofzangen.[5] In het Hebreeuws worden de psalmen dan ook de sefer tehilim of “boek van de lofprijzingen” of “lofgezangen” genoemd.[6]
Een doel dat ook specifiek in onze psalm heel sterk naar voren komt, is dat heel de aarde God behoort te aanbidden en Zijn lof behoort te bezingen: “Heel de aarde, juich voor God,bezing de eer van zijn naam, breng hem eer en lof” (1b-2), “Laat heel de aarde voor u buigen en zingen, uw naam bezingen” (4) en “Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken” (8). Dat is het thema van de eerste negen verzen.
De volgende drie verzen gaan over het Oudtestamentische Israël en de uitredding of exodus uit Egypte: “U hebt ons beproefd, o God, ons gezuiverd, gezuiverd als zilver, ons in een vangnet gedreven, ons een zware last op de schouders gelegd. Mensen zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar u bracht ons naar een land van overvloed” (10-12).
Maar de laatste acht verzen gaan over koning David zelf. Zijn eigen verhaal dat hij wil vertellen (16-20) en daarrond zijn eigen relatie met God (13-15, 19-20).
Deze psalm zou je dus perfect in omgekeerde volgorde kunnen toepassen: je begint met je eigen relatie met God: “Maar God heeft mij gehoord, hij heeft geluisterd naar mijn gebed. Geprezen zij God, hij heeft mijn gebed niet afgewezen, mij zijn trouw niet geweigerd” (19-20) en jouw eigen offer dat je aan God wil geven: “Ik zal met offers uw huis binnengaan en doen wat ik u beloofd heb, wat mijn lippen hebben toegezegd, mijn mond in nood heeft gesproken: ‘Vetgemeste schapen zal ik u aanbieden, een geurig offer van rammen, ik zal stieren en bokken slachten’” (13-15), of zoals Paulus dit verwoordt voor ons, christenen die leven onder het nieuwe verbond: “Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u” (Romeinen 12:1). Wanneer je je dus in Zijn dienst hebt gesteld, probeer je jouw “land”, jouw omgeving te bereiken: “Kom en hoor wat ik wil vertellen, ieder die ontzag heeft voor God, hoor wat hij voor mij heeft gedaan.” (16). En zó probeer je ertoe te komen dat heel de aarde juicht voor onze God, de eer van Zijn naam bezingt, Hem eer en lof brengt en voor Hem buigt in onderwerping,[7] zoals het begin van deze psalm aangeeft.
Maar merk op dat er heel wat bevelvormen staan in deze psalm die ook wij, als gelovigen uit de volkeren, mogen toepassen: juichen voor God, de eer van Zijn naam bezingen, Hem eer en lof brengen, tot Hem spreken over hoe machtig Hij is – dat zijn heel wat zaken die we deze ochtend eigenlijk al tijdens de zangdienst hebben gedaan – en Hem ondersteunen in Zijn wens dat heel de aarde voor Hem zou buigen. Daar gaan we het trouwens straks nog wat over hebben. Verder mag je oog hebben voor Zijn werken en Zijn daden – doorheen de Bijbel en doorheen jouw leven – herdenken en zo jezelf vullen met ontzag voor Hem, je in Hem verheugen en Hem prijzen. Kortom, kiezen om niet tégen maar sámen met Hem te werken.
Hem prijzen, daar wil ik het deze ochtend nog even over hebben. Kijk even naar het achtste vers: “Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken” (8). Laat ik beginnen met het eerste stukje van dit vers: “Prijs, o volken, onze God” (8a). “Prijs”, betekent hier zowel in het Hebreeuws, als in het Grieks, als in het Latijn: “goed spreken over.”[8] Dus kan je vertalen: “Spreek goed, o volken, over onze God”. Wij, als christenen uit de volken, mogen dit doen. Goedspreken over de God van het Bijbelse Israël. Het tweede stukje van dit vers is iets ingewikkelder om uit te leggen maar komt ongeveer op hetzelfde neer: “laat luid uw lof weerklinken” (8b). Eigenlijk staat hier dus: “laat het geluid van hoe uitstekend Hij is gehoord worden”[9]. We spreken goed over de ware en levende God en laten het geluid weerklinken van hoe goed Hij is. Dát is onze taak, door daden maar overduidelijk ook door woorden.
Vandaag vieren rooms-katholieke christenen “laudate” zondag. Daarom mogen ook wij, algemene christenen die in Jezus geloven, gevuld zijn met vreugde en ons verheugen! Augustinus verwoordde dit als volgt:
“‘Heel de aarde, juich voor God’ (66:1b, NBV) Wat betekent juich voor God? Barst los met een vrolijk geluid, indien je niet de woorden kan vinden om uit te drukken wat je voelt. Juichen impliceert niet noodzakelijk woorden. We horen mensen zich verheugen door gewoon een geluid uit te stoten, zoals het geluid van een hart dat moeite doet om de blijdschap van wat het heeft bedacht om te zetten in geluid, iets dat niet uitgedrukt kan worden met woorden. ‘Heel de aarde, juich voor God’ (66:1b, NBV)”.[10]
De vreugde, die we als christenen ervaren, valt niet om te zetten in of te beschrijven met woorden. Maar laten we ten minste deze vreugde proberen uit te leven en in woorden om te zetten tot getuigenis voor de volkeren en voor onze naasten. Laten we, met onze daden maar zeker ook met onze woorden, goed spreken over de ware en levende God. Laten we het geluid doen weerklinken van hoe goed Hij is. Dát is onze taak. Amen.
[1]εá¼°ς τὸ τá½³λος á¾ δá½´ ψαλμοῦ á¼ναστá½±σεως (Ps. 65:1 BGT). | In finem. Canticum psalmi resurrectionis.(Ps. 65:1 VUC).Naar Lancelot C.L. Brenton, The Septuagint with Apocrypha: Greek and English (London: Samuel Bagster & Sons, 1851 | Peabody, Massachusetts: Hendrickson Publishers, 1986, 21st reprint 2019), 735, die de Griekse tekst van de Septuagint daar als volgt vertaalde: “For the end, a Song of a Psalm of resurrection.”
[2] “The title assigned to this psalm is, Unto the end, a psalm to be sung about the resurrection. Whenever the psalms are sung and you hear the phrase, unto the end, you must understand it to be a reference to Christ, for the apostle tells us, Christ is the end of the law, bringing justification to everyone who believes (Rom 10:4).” Maria Boulding with Saint Augustine, Expositions of the Psalms 51–72, ed. John E. Rotelle, vol. 17, The Works of Saint Augustine: A Translation for the 21st Century (Hyde Park, NY: New City Press, 2001), 284. Mijn toevoeging ter verduidelijking.
[3] τὸπλá½µρωματοῦχρá½¹νου (Gal. 4:4 BGT).
[4] Mijn toevoeging om beter met het Grieks overeen te komen.
[5]Jeffrey Geoghegan and Michael Homan, De Bijbel voor Dummies, vert. Paulina de Nijs (Amersfoort: BBNC Uitgevers, 2017), 251. Vertaling van: The Bible for Dummies (Indianapolis, Indiana: Wiley Publishing, 2003).
[6] Ernst Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, vert. R.J. Diepersloot (BH Culemborg: Internationale Bijbelbond, 1978), 54.
[9]á¼κουτá½·σασθετá½´νφωνá½´ντá¿ςαá¼°νá½³σεωςαá½τοῦ (Ps. 65:8 BGT)Zo ook Brenton: “… and make the voice of his praise to be heard.” | “αá¼´νεσις, εως, ἡ as an action praise, a speaking of how excellent a person, thing, or event is” Friberg, Analytical Greek Lexicon.
[10]“Shout with joy to God, all the earth. What does shout with joy suggest? Burst out into a joyful noise, if you cannot find words to express what you feel. Shouting does not necessarily imply words. We hear people rejoicing simply by making a noise, like the sound of a heart laboring to bring forth into its voice its happiness over what it has conceived, something that cannot be put into words. Shout with joy to God, all the earth. (…)” Boulding with Saint Augustine, Expositions of the Psalms 51–72, 286.
Categorie:Preken
01-03-2026
Een overdenking over de hel en het avondmaal
Voordiensttekst: Efeze 1:3-7,9-10 (NBG51).
Goedemorgen geliefde gemeente.
Ik denk dat ik hier, na al die jaren, nog geen preek heb gehouden, specifiek over de hel. Voor vele christenen is het echter een taboeonderwerp; iets waar je, uit liefde, niet over spreekt. Hebben zij hier gelijk in?
Ik zal je vandaag mijn meest recente, naar ik geloof Bijbelse gedachten hierover uit de doeken doen. Een goed besef en een goed begrip van de hel zouden wel eens zeer belangrijk of zélfs essentieel kunnen zijn. Een goed begrip van de hel kan ons namelijk in balans houden, zoals je spoedig zult horen in deze preek.
Misschien is het voor sommigen wat moeilijk te verteren en inderdaad is het een moeilijk onderwerp. Maar wat moeilijk is verzwijgen om Jezus zachter te doen lijken, is dat wel zo eerlijk? Wat moeten bekeerlingen dan besluiten als ze na een tijd bij de moeilijkere passages uitkomen? Dat ze voorgelogen waren? Dat ze eigenlijk niet bekeerd zijn tot de Bijbelse Jezus maar tot een verkooppraatje of verzonnen Jezus?
Laten we beginnen met het góede nieuws: in tegenstelling tot de uitverkiezingsdwaalleer, die hoogtij viert, is God liefde (1 Johannes 4:8b,16b), heeft God geen bijbedoelingen en heeft Hij dus geen addertjes onder het gras geplaatst (Genesis 3, Jakobus 1:13-17) en wil Hij niet “dat sommigen verloren gaan, maar dat allen zich zullen bekeren” (2 Petrus 3:9b, CV). God wordt in de Bijbel zelfs omschreven met de volgende woorden: “God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen” (1 Timoteüs 2:3b-4). Daarom heeft de Vader Zijn Zoon naar de wereld gestuurd: “opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde” (Johannes 3:15-17).
Vanuit Efeze 1 zou je zelfs kunnen opmaken dat God dit reddingsplan al had vóór de grondlegging of vóór de teloorgang van deze wereld.[1] Met andere woorden: er lag al vóór de schepping of in ieder geval vóór de zondeval een plan B klaar om ons te adopteren: dat heeft u al gehoord tijdens de voordienst.[2]
Kortom, in dé Uitverkorene, in dé Geliefde – herinner u mijn eerste preek van vorige maand –[3] is iedereen Geliefd, is iedereen uitverkoren, ligt er een reddingsplan voor iedereen klaar! Jezus’ armen strekten zich uit voor en naar iedereen op dat Kruis! “En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld” (1 Johannes 2:1b-2). Kon Johannes het nog helderder hebben verwoord? Ook zegt Jezus expliciet dat de hel “voor de duivel en zijn engelen bereid is” (Matteüs 25:41b), niet voor de mensen dus, niet voor één mens!
Maar… wat doen we dan met Judas Iskariot, Judas de verrader (Matteüs 10:4b, Markus 3:19b, Lukas 6:16b)? Lag het al vast dat hij verloren zou gaan? Noemde Jezus hem immers niet: “de zoon des verderfs” (Johannes 17:12b)? En zei Hij niet over hem: “wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was” (Matteüs 26:24b-25)? Is hij misschien de uitzondering op de regel?
Als dat zo geweest zou zijn, waarom werd Hij dan door Jezus uitverkoren en aangesteld tot Zijn twaalfde apostel om erop uit te gaan, boze geesten uit te drijven, de zieken te genezen en het goede nieuws te verkondigen (Matteüs 10:1-4, Marcus 3:13-19, Lucas 6:12-16)? En waarom beloofde Jezus dan expliciet het volgende, óók aan hem?: “Jezus zeide tot hen [dit wil zeggen: tot zijn twaalf apostelen]: Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten” (Matteüs 19:28, mijn toevoeging). De regel, namelijk dat God liefde is, niet wil dat er ook maar íemand verloren gaat, maar dat íeder-één behouden wordt, geldt dus nog steeds.
Het probleem ligt dus niet bij God maar bij de mens Judas. Dit wordt het duidelijkst omschreven door Lucas: “En toen het dag geworden was, riep Hij zijn discipelen tot Zich en koos er twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde: (…) en Judas Iskariot, die de verrader gewórden is” (Lucas 6:13,16, mijn nadruk).
Door zíjn verraad, en dus níet door een vermeende willekeur van God – wat een laster om zo nog maar iets te denken –, werd het 'wee' – die liefdevolle waarschuwing van Jezus – dus een feit en ware het bijgevolg goed voor die mens geweest, als hij niet geboren was.
Jezus zegt dat je in een positie kan verkeren waarin het beter ware geweest, als je niet geboren was.[4] En zo komen we bij het hárde nieuws over de hel. Jezus zegt hier onder andere over:
“Indien uw hand of uw voet u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg. Het is beter voor u verminkt of kreupel ten leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden,” (Matteüs 18:8) “En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust” (Marcus 9:47-48). En: “Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars” (Matteüs 13:40-42). En: “Dan zal Hij [dat is Jezus Zélf] ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is” (Matteüs 25:41).
In de context, maar ook in vele andere toespraken van Jezus, is er wel degelijk steeds een scheiding tussen de vervloekte wetsverkrachters en de gezegende gehoorzamen, tussen zondaars en de rechtvaardigen, tussen hen die het rechtvaardige betrachten en hen die het kwade betrachten, tussen de bokken en de schapen, tussen het kaf en het koren, tussen de bomen die hun vruchten goed maken en de bomen die geen goede vruchten opbrengen, tussen hen die links van Hem staan en hen die rechts van Hem staan, tussen hen die dit aards bestaan geleefd hebben in zonden die hen buiten het hemels Koninkrijk houden en hen die dit niet hebben gedaan (1 Korinthe 5-7) en ga zo maar verder. Dit is heel zwart-wit. Dit is heel nauwkeurig. En “zachte” Jezus zal dit oordeel uitspreken. Hij, “het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen” (Hebreeën 4:12b-13). Hij zal rechtvaardig oordelen in overeenstemming met de wil van God Zijn Vader (Johannes 5:25-30, 12:44-50).
Waarom dit oordeel? Je hebt er misschien al dikwijls overgelezen maar het staat letterlijk drie verzen na Johannes 3:16: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen” (Johannes 3:19-20). Dát is slecht nieuws maar ook dát onderdeel van het goede nieuws moet verteld worden, opdat zondaars beseffen dat ze een zonde-probleem hebben (Matteüs 9:9-13), vanwege de verkeerde keuzes die zij individueel gemaakt hebben – en niet vanwege een zondige natuur of vanwege Gods voorbestemming of eender andere drogreden of excuus – opdat ze Jezus hun liefdevolle Redder waarlijk omhelzen en werkelijk met God verzoend worden en opdat zij die zich christenen noemen zich eindelijk gaan afkeren van de zeemzoete afgod die zij in de tempels van hun harten opgesteld hebben – zo willen zij immers zelf bepalen hoe God moet zijn in plaats van God waarlijk te vrezen en de ware God in de tempel van hun harten te laten heersen (naar 2 Tessalonicenzen 2:3-12).
De dwazen verachten wijsheid en tucht, maar is het vrezen van God echter niet het begin van alle wijsheid (Psalm 111:10, Spreuken 1:7,9:10) waardoor we ons weghouden van de zonde (Exodus 20:20)? Ook dat alles wordt zeemzoet verdraaid door mooipraters met halve evangelies en verkooppraatjes. Laten wij echter níet zulke sluwe lieden nabootsen!
Ninevé had harde woorden nodig. Zij leefden in diepe duisternis en mensonterende zonden maar bekeerden zich tot God met woorden én daden (Jona). Tot op de dag van vandaag zijn velen onder hen práchtige christenen met een hart voor de ware Heer. In velen van hen zit de vreze des Heeren goed ingebakken. Dezen laten zich niet misleiden door een afgekookt en verzacht evangelie. Net zoals Jona tot hun voorouders sprak van verwoesting (Jona 3:4b), moeten ook wij soms eens een harde waarschuwing geven of een hard woord spreken om elkaar weer op het rechte pad te brengen of te houden (Judas 1:23), opdat onze “stad” (onze ziel) niet verwoest worde (Hebreeën 3:12-14, 6:4-8). Paulus beweerde zelfs dat we dit dagelijks behoren te doen: “vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde” (Hebreeën 3:13b).
Laten we van hieruit even kijken naar Judas: Jezus had Judas al meerdere keren gewaarschuwd, in bijvoorbeeld Johannes hoofdstuk zes, door te zeggen: “Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou” (Johannes 6:64). En: “Heb Ik niet u twaalven uitgekozen? En een van u is een duivel” (Johannes 6:70). Hij was dit allemaal over Judas, die hem spoedig zou verraden, hoewel hij één uit de twaalven was, aan het zeggen (Johannes 6:71).[5] Hij was dus gedurende een hele tijd over Judas aan het praten![6] Zo kon Hij zowel Zijn leerlingen vooraf waarschuwen – dit lees je bijvoorbeeld in Johannes 13:19 – alsook Judas Zijn liefde en meerdere uitwegen door middel van bekering aanbieden.
En laten we even kijken naar dat laatste avondmaal in Johannes hoofdstuk 13: Jezus waste als een knecht de voeten van Judas, als voorbeeld tot bekering en navolging in nederigheid en dienstbaarheid (Johannes 13:1-17), tot het zich als gezant of apostel niet langer te verheffen boven zijn zender[7] (Johannes 13:16, lees Johannes 13:12-17), tot het zich bekeren van zich “kortstondig”* tegen Christus gekeerd te hebben en Hem te hebben wederstaan (Johannes 13:18)[8] en zo weer werkelijk een nauwe vriend van Hem te worden.[9] Het is zelfs mogelijk dat Jezus dit visueel uitdrukte door het stukje brood te doppen en aan Judas te geven (Johannes 13:26). Volharding in het kwade was echter Judas’ grote fout. “En na dit stuk brood, toen voer de satan in hem” (Johannes 13:27). Judas had tot het einde de kans om zich te bekeren. Hiervoor had hij harde woorden, harde waarschuwingen nodig. Die kreeg hij veelvuldig en op meerdere momenten. Maar het mocht allemaal niet baten. Judas bleef tot op het einde verhard. Geheel anders was Petrus. Hij keerde terug tot Jezus en werd in zijn apostelschap herbevestigd. Ook Judas had die kans gekregen. Ook voor Hem had Christus immers Zijn armen uitgestrekt op dat kruis, zoals we leerden uit wat we deze ochtend al hebben gehoord, namelijk dat God de hel niet heeft gemaakt voor één enkel mens, dat Hij wil dat allen behouden en in de volheid der tijden samengevat zullen worden onder dat ene Hoofd, Christus. Maar wat doen wij? Keren we ons af van dat aanbod, net zoals Judas, door verdere verharding en door op te staan en weg te gaan na het brood ontvangen te hebben (Johannes 13:26-30) of gaan we voor bekering en voor herstelde vriendschap met Jezus door het ontvangen van het brood, wat we uitdrukken door het avondmaal (Johannes 13:26-27a)? Volgende week is aan u de keuze!
Het evangelie is namelijk óók goed nieuws omdat u die misschien nog een zondaar bent die het verdient om naar die verschrikkelijke hel te gaan vanwege uw verschrikkelijke zonden, tóch behouden kunt worden. Ook dát vieren we in het avondmaal. Ook al bent u een groot zondaar, voor zover ik kan zien, ligt er nog steeds een geweldige toekomst van bekering en hoop voor u open! Dát is het goede nieuws dat ons van de eeuwige duisternis – verdiend door onze zonden – naar het eeuwige licht – onverdiend door Gods liefde en genade – kan trekken. Ook al hebben we Christus als het ware verraden als Judas, tóch heeft Hij het brood voor ons allen gedopt en rijkt Hij ons nog steeds Zijn bebloede lichaam, Zijn liefde, Zijn vriendschap, Zijn verbond aan!
Laten we ons dus alstublieft niet nogmaals verharden, nogmaals ons wegkeren, nogmaals weggaan zoals Judas maar laten wij, zondaars, blijven zitten, ons bekeren en het offer en aanbod van Jezus, dat ons van de hel kan redden en ons hart kan bekeren tot navolging, aanvaarden. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 1 maart 2026.
[1] Vergelijk met de alternatieve interpretatie van Origenes: “This point, indeed, is not to be idly passed by, that the holy Scriptures have called the creation of the world by a new and peculiar name, terming it 'katabole,' which has been very improperly translated into Latin by 'constitution for in Greek 'katabole' signifies rather 'dejicere,' i.e.., to cast downwards,--a word which has been, as we have already remarked, improperly translated into Latin by the phrase 'constitutio mundi.'...From this it follows, that by the use of the word 'katabole,' a descent from a higher to a lower condition, shared by all in common, would seem to be pointed out.” - Origen, De Principiis, Book III, Chapter V. Voor meer informatie, lees: https://crosstheology.wordpress.com/before-the-foundation-of-the-world/.
[2] “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld [of voor de teloorgang der wereld – dit is een theologische discussie –], opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, (…) in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten” (Efeze 1:4-7,9b-10, mijn toevoeging).
[3] De titel van deze preek is: “Israël de zoon – Jezus de Zoon – zijn wij ook zonen?”.
[4] Een ander voorbeeld kan je ook vinden in Matteüs 18:6-7. Lees ook de verder aangehaalde voorbeelden.
[5] “á¼λεγενδá½²τὸνἸοá½»δανΣá½·μωνοςἸσκαριá½½την· οá½τοςγá½°ρá¼μελλεναá½τὸνπαραδιδá½¹ναι, εá¼·ςá½¢νá¼κτá¿¶νδá½½δεκα.” | “Dicebat autem Iudam Simonis Iscariotem: hic enim erat traditurus eum, cum esset unus ex duodecim.”
[6] á¼λεγεν | dicebat.
[7] “á¼μá½´νá¼μá½´νλá½³γωá½μá¿ν, Οá½κá¼στινδοῦλοςμεá½·ζωντοῦκυρá½·ουαá½τοῦ, οá½δá½²á¼πá½¹στολοςμεá½·ζωντοῦπá½³μψαντοςαá½τá½¹ν.” | “Amen, amen dico vobis: Non est servus maior Domino suo: neque apostolus maior est eo, qui misit illum.”
[8] Over deze uitdrukking: “á¼παá½·ρειν τá½´ν πτá½³ραν literally lift up one's heel against, i.e. turn against, oppose someone” (Friberg, Analytical Greek Lexicon). Bemerk weer de werkwoorden (en het gesubstantiveerde participium) in hun tijds- en aspectwaarden: (á½ τρá½½γων en *á¼πá¿ρεν | manducat en *levabit).
[9] “idiomatically τρá½½γειντινá½¹ςτὸνá¼ρτονliterally eat someone's bread, i.e. be a close companion” (Friberg, Analytical Greek Lexicon).
Categorie:Preken
15-02-2026
Farizeïsche Verharding
Voordiensttekst: Marcus 2:13-3:6 (NBG51).
Goedemorgen gemeente, ik bid ieder van jullie alvast heel veel zegen toe bij het horen én toepassen van deze preek.
Straks zullen we inzoomen op de eerste zes verzen van het derde hoofdstuk van het evangelie van Marcus.
Maar laat ons ook even kort het vorige hoofdstuk schetsen. We beginnen met een stuk dat u nog niet heeft gehoord tijdens de voordienst.
Allereerst vergeeft Jezus hier een verlamde man, gebracht, dóór het dak, door zijn vrienden en geneest hem (Marcus 2:1-12). Het punt hier is niet de genezing zelf maar het punt is: “opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven” (10b).
De menigte verheerlijkte God (12), terwijl de farizeeën hadden gezegd in hun harten: “Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” (7).
Jezus toonde duidelijk aan dat Hij zélfs hun harten kon lezen, door hen schérp terecht te wijzen: “Waarom overlegt gij deze dingen in uw harten?” (8b). Vervolgens genas Hij de verlamde om aan te tonen dat Hij wél zonden kon vergeven, in tegenstelling tot wat de farizeeën beweerden en dat hij dus wel degelijk God is. Want, inderdaad, met de woorden van de farizeeën: “Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” (7b). Jezus won dus duidelijk dit debat aangezien Hij hun opwerping had weerlegd.
Je zou denken: de mensen zagen het wonder duidelijk gebeuren en verheerlijkten God (12), Jezus had zijn punt gemaakt (12), de farizeeën vielen op hun knieën en zeiden: “Sorry, U bent onze langverwachte Messias! Wilt U ook onze zonden, onze innerlijke ziekten genezen alstublieft?” Maar dit gebeurde, spijtig genoeg, niet. Hun hart was niet veranderd; ze waren niet tot inkeer gekomen en, bijgevolg, zeiden ze: “Waarom eet Hij met de tollenaars en zondaars?” (16b). Jezus wees hen expliciet op hun 'zonde-en-hart-probleem': “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (17b).
Nog steeds waren ze niet tot inkeer gekomen en vervolgens zeiden ze: “Waarom vasten de discipelen van Johannes en de discipelen van de Farizeeën wèl, maar uw discipelen niet?” (18b). En: “Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet mag?” (24b). Vervolgens, in het verhaal waar we nog wat dieper in gaan duiken, probeerden ze aandachtig te zien of Jezus de man met de verschrompelde hand zou proberen te genezen: “en zij letten op Hem, of Hij hem op de sabbat genezen zou, om Hem te kunnen aanklagen” (Marcus 3:2b). Onthoud dit laatste: “om Hem te kunnen aanklagen” (2b).
De hieraan voorafgaande verzen zijn zéér interessant. Jahweh had de Sabbat ingesteld. Het was dus Zíjn Sabbat, zoals we bijvoorbeeld leren uit de Tien Geboden (Exodus 20). Maar hier leerde Jezus ons twee zeer interessante lessen:
1. Jezus is, net zo goed als Zijn Vader, Heer van de Sabbat. Zo claimde Hij, wederom, gelijkheid met God: “Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat” (Marcus 2:28).
2. “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat” (27b). Of, met andere woorden: “Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden?” (3:4a).
Ook hier loopt het verhaal eigenlijk niet goed af. Wél voor de man die een verschrompelde hand had gehad; hij was namelijk genezen (5). Níet voor de Farizeeën: zij gingen onmiddellijk naar de Herodianen om Christus aan de kant te ruimen (6).
Jezus was niet tevreden met de Farizeeën. Hij was “zeer bedroefd over de verharding van hun hart” (5b). Ze hadden hun harten verhard en dit bedroefde Jezus ten zeerste. Ze waren de weg kwijt. Zij hadden gekozen om, van het pad afdwalende, hun ogen voor deze verharding te sluiten. Ze waren namelijk meer geïnteresseerd in regels en eigen roem of profijt dan in naastenliefde en daarom zochten zij constant redenen om Jezus of Zijn discipelen of die van Johannes aan te klagen. Zo trachtten zij tweespalt te zaaien. Is dat niet precies de strategie van de duivel; christenen vervolgen en hen aanklagen? (lees Openbaring 12).
Hun gedrag is precíes wat Jezus door middel van een andere parabel aankloeg toen Hij zei: “De Farizéeër stond en bad dit bij zichzelf [of zélfs: tót zichzelf[1]]: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten” (Lucas 18:11-12, mijn nadruk, mijn toevoeging). “Hij [, Jezus,] sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis” (9, mijn toevoeging), staat er expliciet bij.
Dít was dus hét probleem van de farizeeërs: de splinter in het oog van de broeder of zuster zien, maar de balk in het eigen oog niet bemerken (naar Matteüs 7:3).
Soms wordt het begin van dat zevende hoofdstuk van het evangelie van Mattheüs echter verschrikkelijk uit zijn context gerukt. Dan zeggen sommige christenen: “Je mag nooit oordelen” (1a). Ze hebben dus zeer snel hun conclusie of oordeel al getrokken.
Maar, als huiswerk mag je eens nagaan hoeveel keer er in datzelfde hoofdstuk wel niet wordt gesproken over rechtváárdig oordelen. Zo was dit oordeel van Christus zeer toepasselijk op de farizeeërs: “Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen” (5). Hij sprak van hypocrieten die eerst hún verblinding; eerst hún 'zonde-en-hart-probleem' moesten oplossen maar dán ook anderen zouden kunnen helpen met het oplossen vanhún verblinding; hún 'zonde-en-hart-probleem'. (Zo lees ik Jezus’ woorden hier alleszins zo letterlijk mogelijk.)
En zo schreef bijvoorbeeld de christen Desiderius Erasmus van Rotterdam over zijn tijd: “De wereld was volledig ingeslapen in bijgeloof. Farizeïsme heerste straffeloos. Hebzucht beschouwde men als de hoogste godsvrucht, bijgeloof heerste in plaats van de dienst aan God.”[3] De stereotiep-zachte Erasmus oordeelde. Zo ook de stereotiep-zachte Johannes de Evangelist. Zij waren niet verwijfd. Zij waren niet laf maar kaartten duidelijk de problemen van hun tijd aan. Hetzelfde gold voor Paulus, hetzelfde voor Christus. Zo liepen zij voor de religieuzen van hun tijd dikwijls in de weg en waren zij voor hen regelrechte problemen.
Het besluit van de farizeeërs was niet: hun verharde harten verzachten, openstaan voor correctie, terechtwijzing en bekering en openstaan voor naastenliefde, maar net het tegenovergestelde: verhard blijven, niet openstaan voor correctie, terechtwijzing en bekering, noch openstaan voor naastenliefde maar net mensen blijven zien als middelen die húndoel heiligen. Zij wilden namelijk slaafjes die húnregels, voor hún eigen roem of profijt, volgden. Zo werd zelfverheerlijking, in plaats van het eren van God, hun hoogste doel en werden ze een soort anti-god, een soort anti-christ, net als hun vader de duivel of Lucifer (lees Johannes 8:37-47) die zichzelf probeerde te verheerlijken maar zo naar de laagste plaats viel of nog zal vallen (Jesaja 14:3-20, Openbaring 12:7-9, 20:1-3,10).
Beste broeders en zusters; als we even naar onze eigen harten en naar onze eigen wandel of handel kijken, zien we dan niet dat ook wij soms onszelf verheffen door zelfverheerlijking, door het neerkijken of verachten van anderen? Of zijn we totaal verblind en verhard geworden?
Misschien zeg je in je hart wel: “Gelukkig ben ik niet zoals hij of zij.” En hier zit een gevaarlijke zelfverzekering in: “In mijn ogen doe ik A, B en C voor God, en niet X, Y en Z, dus heb ik duidelijk eeuwig leven.” Hoogmoedige! Ga jij oordelen over hoe God over jou moet denken en over hoe Hij over jou zal oordelen? Vandaag leef je in jouw ogen heilig maar morgen val je misschien weer in zonde. En wie weet bekeert die broeder of zuster waarop je neerkijkt zich dan:
“De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden” (Lucas 18:11-14).
“Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” Dit zijn duidelijke, waarschuwende woorden van onze Heer Jezus Christus, die voor ieder van ons van toepassing zijn. Laten we daarom dan ook oppassen voor hoogmoed, voor het neerkijken op anderen. Laten we ook oppassen voor valse nederigheid; het niet oordelen en mensen naar de mond praten omdat we dan goede christenen lijken. Dan zijn we – net zoals de farizeeërs – eigenlijk bezig met onze eigen roem, met ons eigen profijt: we willen zo graag positief beoordeeld en aanvaard worden.
Onthoud ook: degene die het luidst roept of het meest verzekerd en charismatisch of zoet spreekt, heeft niet altijd gelijk. Het is niet omdat een groep christenen allemaal hetzelfde zeggen en zo elkaar bevestigen dat ze gelijk hebben. De meerderheid of zelfs de hele groep heeft niet altijd gelijk. Ook ik heb niet altijd gelijk en als je denkt dat ik iets verkeerd doe of denk, mag je me hier altijd op aanspreken. Dit zal niet tegen je worden gebruikt, ook al zou ik misschien niet akkoord gaan met jouw stelling of oordeel.
Bewaak uw hart voor hoogmoed, valse oordelen, valse nederigheid, valse liefde, lafheid en meeloperij. Hoed u voor verharding, wat gemakkelijk in het christenhart kan binnensluipen, en sta open voor correctie, bekering, nederigheid en bovenal voor ware naastenliefde. Amen.
[1] “πρὸς á¼αυτá½¸ν” (nadruk van mijn hand). Zo bijvoorbeeld Jay P. Green, Sr., The Interlinear Hebrew-Greek-English Bible, volume IV (Grand Rapids, Michigan: Baker Book House, 1981), 189.
[2] Geciteerd uit C. Augustijn, “Erasmus en de reformatie,” in idem et al., Erasmus: Genie en Wereld (Hasselt: Heideland - Orbis, 1971), 214.
Categorie:Preken
08-02-2026
Israël de zoon â Jezus de Zoon â zijn wij ook zonen?
Deze ochtend heeft u, tijdens de voordienst, twee Oudtestamentische Bijbelpassages gehoord. Eentje uit Hosea en eentje uit Exodus, waarop die passage uit Hosea gebaseerd is.[1] – De profeten bouwen trouwens dikwijls verder op de Thora. – In beide Bijbelgedeelten en doorheen het gehele Oude Testament wordt het Israël van toen voorgesteld als een geadopteerde zoon. “Zo wordt ons een liefdevol beeld getekend van God, de vader die de eigenzinnige zoon die Hij heeft geadopteerd, met tedere zorg omringt en grootbrengt,” weet de Schotse theoloog George A. F. Knight ons te vertellen.[2]
Het beeld van een geadopteerde zoon. Zelf heb ik geen geadopteerde zoon, wel een biologische dochter. Wat mij opvalt aan haar, is dat ze, zoals alle kinderen, een soort spiegel is. Dit leidt soms tot leuke, grappige momenten. Als ik bijvoorbeeld al eens op een bepaalde manier zucht of zit, dan doet ze dat, bewust of onbewust, precies na. Zo zie je je leuke kanten, maar spijtig genoeg soms ook je mindere kanten… Dank God hiervoor want ook dat is genade…
Doorheen het Oude Testament wordt God de 'vader' van Israël genoemd, wordt Israël 'Zijn zoon' genoemd en worden individuele Israëlieten 'zonen van God' genoemd. Niet slechts de 'zoon' of 'zonen' van de Vader maar zélfs de gelíefde 'zoon' of gelíefde 'zonen' van de Vader.[3] Ook de Hebreeuwse woorden voor 'eerstgeborene' of 'enige' werden dikwijls naar 'geliefde' omgezet in de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Het woord 'geliefde' vatte beide woorden dus samen.[4]
'Zoon van de Vader' kan zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament minstens twee betekenissen hebben: hetzij afstammeling, hetzij navolger van iemands zeden.[5] Welke van de twee betekenissen gold voor Israël?
In het Boek Hosea – zo hoorden we daarnet – werd Israël voorgesteld als een geadopteerde zoon; door de onverdiende goedheid en liefde van God geroepen uít Egypte: “Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen” (Hosea 11:1). Waarom? Zoals Mozes van God moest vertellen: “laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij díene” (Exodus 4:23b, met mijn nadruk). Dus: geliefd door de Vader, verlost uit Egypte, om die liefdevolle Vader te dienen.
Maar, dit dienen zou niet vanzelf gaan, nogmaals met Gods woorden in het Bijbelboek Hosea:
“En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij erkenden niet, dat Ik hen genas. Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten” (Hosea 11:3-4).
Hoe deed God dat dan? Hoe leerde God Zijn volk Israël lopen (halach)?
Door hen de weg (de halacha) te tonen. Met andere woorden, God leerde Israël lopen door het te leren zich te houden aan Zijn geopenbaarde wil, Zijn Wet of Thora.[6]
Spijtig genoeg was het Israël van het Oude Testament – dat wil zeggen minstens velen van de Israëlieten die destijds geleefd hebben – niet erkentelijk en dwaalde het dikwijls af richting andere stemmen, richting andere goden (Hosea 11:2-3,7).
Bemerk dan toch het contrast met de geheel positieve boodschap (of εá½-αγγÎλιον) van Mattheüs over Jezus hetwelk óók duidelijk op die oorspronkelijke passage uit het Bijbelboek Exodus gebaseerd lijkt te zijn.[7]
Mattheüs’ bedoeling was namelijk aantonen dat Jezus de perfect gehoorzame Zoon was, de perfecte vervulling van Israëls beeld van de zoon: “opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen” (Mattheüs 2:15b).
De geliefde Zoon Jezus, niet geliefd ondánks Zijn fouten maar net omdát Hij perfect gehoorzaamde en nooit van de weg afweek: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn wélbehagen heb” (Matteüs 3:17b, nadruk van mij), zei de Vader publiekelijk over Hem.
Hij kon zélfs met récht antwoorden: “Ik ben dé weg [dé halacha] en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien” (Johannes 14:6b-7, nadruk van mij). En: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf” (Johannes 14:9b-11).[8]
In Jezus kon je geloven, niet omdat Hij het zomaar zei, maar, óf vanwege Zijn werken, óf vanwege die Stem uit de hemelen, die Stem van Zijn Vader Die Hem bevestigde: “Deze is mijn Zoon, dé geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb” (Matteüs 3:17b, nadruk van mij). Er was dus reden genoeg om in Hem te geloven!
En omdat Hij de werken voordeed in alle gehoorzaamheid en duidelijk aantoonde dat Hij Die perfecte Zoon was, kon ook Hij Zelf met reden vragen: “Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren” (Johannes 14:15).
Hoe zit dat nu met ons, geliefde broeders en zusters? Zijn wij geliefde zonen en dochters van de Vader die in onze wandel en handel op Hem gelijken? Hebben wij Zijn trekken? Herkent de Vader Zich in ons?
Jezus deed niet alleen wonderen en andere vormen van gehoorzaamheid, maar Hij stelde ons het ultieme voorbeeld. Paulus zei én vroeg het als volgt:
“Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen. Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises” (Filippenzen 2:1-8).
Laten we, wanneer we zo meteen samen aan het avondmaal gaan, beslissen dit geheel getrouw toe te passen en Jezus de Weg naar de Vader geheel getrouw na te volgen. Door Zijn nederigheid en gehoorzaamheid tot de dood des kruises, heeft Hij immers Zichzelf bewezen. Hij zei met recht: “Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (Johannes 8:12b). Wij mogen zonen en dochters zijn naar adoptie én naar navolging van de Vader en Zijn geliefde Zoon. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 8 februari 2026.
[1] George A. F. Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, vert. A. Burger (Utrecht / Antwerpen: Het Spectrum, 1961), 141.
[2] Ibid., 142.
[3] Ibid., 142-143. Voor Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Abraham Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel 14e herz. ed. (Den Haag: J. N. Voorhoeve, z. d.), 238.
[4] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 142-143. Deze gedachte loopt dus ook verder in het Nieuwe Testament! Voor Oud- en Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel 14e herz. ed., 197.
[5] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 143-144. Enkele duidelijk voorbeelden van de tweede betekenis zijn bijvoorbeeld te vinden in Johannes 8 en Handelingen 13.
[6] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 144-145. Met dank aan professor Kathleen Abraham van de Katholieke Universiteit Leuven voor haar uitleg over Hebreeuwse radices én met dank aan postdoctoraal onderzoeker Mateusz Kusio aan dezelfde universiteit voor zijn uitleg over de Joodse en Rabbijnse denkwijzen over de halacha in zijn cursus Greek Patrology [= Griekse Patristiek]. Voor Oud- en Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Trommius, 895-896.
[7] Lees Mattheüs 2:13-15.
[8] Knight lijkt hier ook wat op te zinspelen in idem, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 145.
Categorie:Preken
28-12-2025
Jesaja 40: vertrouwen
Voordienstbijbeltekst: Jesaja 40:15-31 (CV).
Goedemorgen iedereen.
Je hebt het waarschijnlijk allemaal wel eens meegemaakt: het is een heldere avond. Je staat buiten, boven je schittert een heldere sterrenhemel. Het is echt prachtig en ó zo overweldigend!
Op dat moment voel je misschien hetzelfde als koning David die in de achtste psalm uitriep: “Als ik de hemelen zie, het werk uwer vingers, De maan en de sterren, die Gij een plaats hebt bereid: Wat is dan een mens, dat Gij hem zoudt gedenken, Een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?” (Psalm 8:4-5).
Wanneer je gelovig bent, dank je God: “Wat een grote Schepper bent U, Heer!” Wanneer je niet gelovig bent, voel je misschien toch nog steeds verwondering voor die prachtige sterrenhemel. Zoals koning David het schreef in de negentiende psalm: “De hemelen verhalen de glorie van God, Het firmament verkondigt het werk zijner handen; De dag roept het toe aan de andere dag, En de nacht meldt het weer aan de nacht. Geen taal en geen woorden, Hun stem hoort men niet; Toch galmen over heel de aarde hun klanken, Tot aan de grenzen der wereld hun tonen” (Psalm 19:2-5).
Als mensen kunnen wij ons verwonderen over waarom wij bestaan en bewust zijn. Deze ochtend gaan we wat dieper kijken naar Jesaja hoofdstuk veertig. Je hebt er al een stuk uit gehoord tijdens de voordienst. Jesaja nodigt ons in dit hoofdstuk uit om te zien wie God is en wie wij zijn in verhouding tot Hem.
Het volk Israël stelt deze vraag meerdere keren in het Oude Testament. Zo waren ze op een gegeven moment bijvoorbeeld reeds vijftig jaar in ballingschap. De tempel was verwoest, Jeruzalem lag in puin. Waar is dan die liefdevolle God? Deze vraag is zeer menselijke en geldt niet alleen in het verleden. Ook nu stellen we dikwijls deze vraag.
Herken je dit? We staan nu aan het einde van het jaar. Wanneer we nadenken over het voorbije jaar kunnen we met dankbaarheid terugkijken maar we kunnen ons ook afvragen: “Waar was U God? Waar was U bij ziekte, verlies of zorgen?”
De profeet Jesaja stelt vragen om de ballingen en ons wakker te schudden. Vragen die ons eraan herinneren wie God is en hoe groot Hij is. Zo vraagt Jesaja bijvoorbeeld: “Wie heeft de wateren gepeild in zijn vuist, De hemel omspannen met de palm van zijn hand; Wie het stof van de aarde in een maatje gemeten, De bergen op een weegschaal gewogen, de heuvels op een balans? Wie heeft de geest van Jahweh geleid, Wie was zijn raadsman, die Hem onderricht gaf; Wien heeft Hij gevraagd, Hem te leren, de juiste weg te wijzen, Hem kennis te brengen, en het pad der wijsheid te tonen?” (Jesaja 40:12-14).
Het antwoord op deze retorische vragen is natuurlijk dat geen schepsel in staat is om dit te doen. Geen mens, geen volk, geen geleerde. Alleen God is in staat om zoiets te doen. Wij mensen willen God zo vaak begrijpen, beredeneren of verklaren en in ons “denkdoosje” stoppen. En natuurlijk is het goed om aan theologie te doen, om de Bijbel proberen te begrijpen endergelijke zaken meer. Maar God is niet ultiem te meten. Hij blijft altijd groter dan wij en onze denkwijzen.
Dit stuk doet me trouwens denken aan Job. Misschien heeft Jesaja zich hier wel op gebaseerd. Wanneer Job God ter verantwoording riep met de woorden: “Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!” (Job 31:35b), antwoordt God Job wat later met ironie: niet God zou hem iets leren maar hij zou God zogenaamd iets mogen leren: “Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!” (Job 38:3b). God stelt hem onder andere de volgende vragen: “Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?” (2) “Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!” (4) “Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?” (5).
God is Degene Die de natuur en de natuurwetten geschapen heeft en God is natuurlijk niet afhankelijk van menselijke kennis. Hij is net degene die harten doorgrondt en nieren peilt (Jeremia 17:10). Ja, “Het hart is dieper dan alles, de mens is dat ook, wie zal hem kennen?” (Jeremia 17:9 Grieks)[1] “Ik, Jahweh, doorgrond het hart, En peil de nieren, Om iedereen naar zijn gedrag te vergelden, En naar de vrucht van zijn werken” (Jeremia 17:10). Het is dus volstrekt logisch dat wij, Zijn schepselen die Hij geschapen heeft met een vrije wil, rekenschap zullen afleggen voor het juiste gebruik én voor het misbruik van die vrije wil die wij van Hem ontvangen hebben.
Jesaja zegt verder: “Zie, de volken zijn als een drup aan de emmer, Niet meer dan een stofje op de balans” (40:15).
Volken, koninkrijken, zogenaamde grootmachten en alle menselijke vormen van glorie zijn bij God niet meer dan een stofdeeltje op een weegschaal. Als Hij wil, doet Hij die zo weg.
De Israëlieten hadden zich laten imponeren door Babylon met zijn rijkdom en macht. Misschien zijn hun goden groter dan onze God, dachten ze. Onze God is ons vergeten of is niet bij machte om ons te redden.
Maar Jesaja geeft hier de raad om je niet te laten misleiden door grootmachten en mensen. Wat voor de wereld groot lijkt, is in Gods ogen slechts klein. En wat of wie zwak lijkt, gebruikt Hij dikwijls tóch op machtige wijze.
Denk bijvoorbeeld maar aan de zaligsprekingen uit de Matteüs- en Lucasevangeliën (respectievelijk: 5:3-10 en 6:20-23). Daar worden zij die laag en zwak zijn in de ogen van de maatschappij, toch geprezen en verhoogd.
Denk bijvoorbeeld aan de lofzang van de jonge arme onbeduidende maagd Maria die concludeert: “[Gods] barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht Over hen, die Hem vrezen; Hij toont de kracht van zijn arm, En slaat de trotsen van harte uiteen. De machtigen haalt Hij neer van de troon, Maar Hij verheft de geringen; Behoeftigen overlaadt Hij met gaven, En rijken zendt Hij ledig heen” (Lucas 1:50-53).
En dan heb ik nog niet gesproken over Oudtestamentische voorbeelden waaronder het kleine en onbeduidende slavenvolkje Israël, Hanna die geen kind kon krijgen en waar de grote ziener Samuël tóch uit ontsproot, de drie mannen die moesten buigen voor het gouden beeld van Nebukadnezar maar die God tóch redde enzovoort enzoverder.
Wij leven in een tijd waarin wereldmachten elkaar bevechten. Dat wil concreet zeggen dat het gewone voetvolk elkaar maar moeten bevechten voor mensen die zij niet persoonlijk kennen. Een tijd waarin de kranten vol staan over oorlogen en economische onzekerheden. En ook nu klinken dezelfde woorden die toen klonken: “Zie, de volken zijn als een drup aan de emmer, Niet meer dan een stofje op de balans” (Jesaja 40:15). Wat een geruststelling is dat.
God is niet onder de indruk van wereldmachten. Hij wordt niet zenuwachtig van verkiezingen of samenzweringen of van crashende markten. Hij regeert. Nog steeds. Hij heeft alles nog steeds in zijn hand. Ook jouw leven, zelfs over de dood heen. Daarom mogen we ons bij het begin van een nieuw jaar verheugen, want de grootmachten zijn bekend bij God. Zijn Zoon heeft nog steeds de sleutels van de dood en het dodenrijk (Matteüs 28:18, Openbaring 1:18b). Hij heeft nog steeds het laatste woord:
“Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan den Zoon, het leven in Zichzelf te hebben. Ook gaf Hij Hem macht, om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is. Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen; en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel.” (Johannes 5:26-29) “Wie onrecht doet, laat hem onrecht bedrijven, Wie onrein is, laat hem zich verder bevlekken; Maar de gerechte moet steeds gerechtiger, De heilige moet nog heiliger worden. Zie, Ik kom spoedig; mijn loon draag Ik bij Mij, Om ieder te vergelden naar werken. Ik ben de Alfa en Omega, De Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde! Zalig zij, die hun klederen wassen, Om recht te verkrijgen Op de Boom des Levens, En door de poorten de Stad mogen binnengaan. Maar naar buiten, de honden, De tovenaars en ontuchtigen, De moordenaars en de afgodendienaars, En alwie de leugen liefheeft en spreekt!” (Openbaring 22:11-15).
Wat er ook gebeurt en welke beslissingen er ook worden genomen op deze aardbol, Jezus is en blijft “den waarachtigen Getuige, den Eerstgeborene der doden en den Opperste van de koningen der aarde” (Openbaring 1:5a).
“Met wien vergelijkt ge Mij dan, Zegt de Heilige: op wien zou Ik lijken?” (Jesaja 40:25), schrijft Jesaja verder.
Onze menselijke neiging is om God te reduceren tot iemand die in ons denken past, tot een religieuze formule, mooi afgemeten, veilig. Maar we vergeten dat God heilig is. Maar zijn grootheid is niet bedoeld om een ongewenste afstand tussen Hem en ons te scheppen – wat dikwijls gebeurt is vanwege platonistisch filosofisch denken, menselijke redeneringen. Zijn grootheid is net bedoeld om ons te helpen op Hem te gaan vertrouwen. Daarom staan er zo veel getuigenissen in de Bijbel, bijvoorbeeld over hoe Hij Zijn volk Israël geholpen heeft in het Oude Testament.
Jesaja vraagt met profetische autoriteit: “Heft uw ogen omhoog: Zie, wie heeft dat geschapen? Wie telde hun heir, en liet het marcheren, Wie riep ze allen bij naam, Door zijn grote macht en geweldige sterkte, Zodat er niet één aan ontbrak?” (Jesaja 40:26).
God vergeet geen enkele mus en geen enkele lelie en al zeker geen enkel christenmens (Matteüs 6). Wat er ook op ons pad mag komen, wat er ook verandert in de wereld, je mag er zeker van zijn dat God steeds dezelfde blijft: ons Anker, onze vaste Burcht.
Toch blijft de concrete vraag dikwijls nog steeds: “Waarom grijpt God niet sneller in? Waarom laat Hij dit alles gebeuren?”
“Hebt ge het dan niet gehoord en vernomen:” (28a), vraagt God. “Jahweh is een eeuwige God, Schepper van de grenzen der aarde! Hij wordt moede noch mat, Zijn wijsheid is niet te doorgronden!” (28b).
Dat hebben we nodig aan het begin van het nieuwe jaar: geen antwoorden op alle vragen, maar vertrouwen op Iemand die het overzicht heeft en houdt en veel groter en machtiger is dan wijzelf. Dit moet ons dan niet leiden tot een fatalistisch: “God is toch groter, ik ben slechts een klein waardeloos wormpje of een kleine garnaal die er niet toe doet.” Neen! Het mag ons juist tot vertrouwen en vanuit dat vertrouwen in die grote God tot actie aanmanen:
“Hij versterkt den vermoeide, En verdubbelt de kracht van den zwakke. Jonge mannen worden nog moede en mat, Forse knapen kunnen bezwijken: Maar die op Jahweh vertrouwen, vernieuwen hun kracht, Slaan hun vleugels als adelaars uit; Ze lopen, maar worden niet moe, Ze rennen, maar worden niet mat!” (29-31).
Dát is vertrouwen in actie. Over dat vertrouwen sprak de Heer tot het Oude Israël de volgende tedere woorden die ook voor óns staan geschreven:
“Maar gij, Israël, Mijn dienstknecht, Jakob, dien Ik heb uitverkoren, Kroost van Abraham, mijn vriend; Dien Ik van de grenzen der aarde heb gehaald, En van haar eindpaal geroepen: Ik heb u gezegd: Gij zijt mijn dienstknecht, U heb ik verkoren en nimmer versmaad! Ge moet niet vrezen, want Ik sta u bij; Niet radeloos rondzien, want Ik ben uw God! Ik maak u sterk, Ik kom u te hulp; Ik zal u steunen met de rechter van mijn ontferming! Zie, die u bestoken, worden met schaamte en schande bedekt; Ze worden vernield en verdelgd, die tegen u strijden. Ge zult ze zoeken, die met u twisten, maar ze niet vinden; Die u bekampen, zullen vergaan en verdwijnen. Want Ik ben Jahweh, uw God, Ik houd u vast bij de rechterhand; Ik zeg u: Wees niet bang, Ik zal u helpen! Wees niet angstig, wormpje van Jakob, Israël, mijn kindje; Ik ben uw helper, spreekt Jahweh, Ik uw verlosser, Israëls Heilige!” (41:8-14).
Aan het begin van het nieuwe jaar voel je je misschien onzeker: wat gaat 2026 brengen op wereldschaal? Wat gaat er allemaal gebeuren in en rondom ons land? Blijf ik gezond? Zal ik genezen?
De toekomst lijkt soms bedreigend op wereldschaal of in onze persoonlijke levens maar wij worden in de preek van vandaag uitgenodigd om steeds op God te blijven vertrouwen. Hij heeft immers het laatste woord.
Zelfs als boosaardige leiders twisten en de wereld misschien nog verder de afgrond in helpen vanwege hun egoïstische harten, als naties vallen en miljoenen op onmenselijke wijze sterven, blijft Hij nog steeds dezelfde. Hij wordt niet moe of afgemat. Hij heeft de wereld in Zijn hand. Op Hém – en niet op mensen – mogen wij blijven vertrouwen:
“Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild! En Jahweh zal ons gedenken, Ons zijn zegen verlenen: Het huis van Israël zegenen, Het huis van Aäron zegenen, Die Jahweh vrezen zegenen, Kleinen en groten; En Jahweh zal u blijven zegenen, U en uw kinderen! Weest dan gezegend door Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt: De hemel blijft de hemel van Jahweh, Maar de aarde gaf Hij aan de kinderen der mensen. De doden zullen Jahweh niet prijzen, Niemand, die in het oord van Stilte is gedaald: Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!” (Psalm 115:11-18). Amen.
Ik wens jullie allemaal een geweldig en gezegend nieuwjaar!
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 28 december 2025.
Behalve indien anders aangegeven zijn de bijbelteksten voor deze preek genomen uit de Petrus Canisiusvertaling (Utrecht/Brussel: het Spectrum, 1948).
De bronnen die tot inspiratie van deze preek hebben gediend:
Matthew Henry, Commentary on the Whole Bible, Jesaja 40 – nadruk op Gods troostende grootheid en vernieuwende kracht.
John Goldingay, The Message of Isaiah 40–55 (Tyndale Old Testament Commentaries, 2005) – over Jesaja’s visie op Gods trouw tijdens ballingschap.
C.S. Lewis, The Problem of Pain (1940) – reflectie op lijden en Gods goedheid tijdens beproeving (past bij Jesaja 40:27-31).
Dietrich Bonhoeffer, Navolging (1937) – over vertrouwen en gehoorzaamheid aan Gods leiding, zelfs onder druk.
[1] βαθεá¿α ἡ καρδá½·α παρá½° πá½±ντα καá½¶ á¼νθρωπá½¹ς á¼στιν καá½¶ τá½·ς γνá½½σεται αá½τá½¹ν; Zo bijvoorbeeld ook bij JohannesChrysostomos, TheHomiliesofSt. JohnChrysostom,Homily 24 on Matthew (Schaff).O.a. bij de kerkvaders Irenaeus, Lactantius, Tertullianus, Cyprianus, Hippolytus, Hilarius, Ambrosius, Augustinus (in de editie van Philip Schaff) wordt deze passage steeds op Christus betrokken. Chrysostomos heeft de neiging om bij de tekst en context van de Bijbel te blijven en minder vrijheden hierin te nemen.
Ik ga de preek van deze ochtend niet te lang en niet te moeilijk proberen te maken. Wel kan het zo zijn, beste kinderen, dat het voor jullie nog een beetje moeilijk gaat zijn. Maar dat is goed want zo kan je heel veel bijleren. Wat je vandaag zal leren, kan je je héle leven meenemen. Luister dus vooral met volle aandacht!
A.Jezus: het Licht dat bij ons blijft
Om te beginnen ga ik jullie een verhaal vertellen uit het verre India. Toen de familie van mijn vrouw nog in hun vorige huis woonde in dat verre India, hadden we achter dat huis een diepe vallei met daarin een waterbron. Als het in de avond vliegensvlug pikkedonker was geworden – dat heb je daar zo rond de evenaar –, dan zag je helemaal niets meer. Het wordt daar namelijk zo vlug donker dat als je buiten een boek aan het lezen en even in je gedachten verzonken bent, dat je, om het zo te zeggen, weer wakker wordt en je helemaal niets meer kunt lezen. Het is me daar dikwijls zelf overkomen…
Maar stel je nu eens voor dat je je op dat moment in die diepe vallei bevindt waar ik het daarstraks over had, dan vind je je weg terug naar huis, op die steile heuvel, vast en zeker niet meer. Er zitten daar trouwens giftige slangen, dikke spinnen en giftige schorpioenen…
Hoe ga je dan de weg nog terugvinden? Wat ga je dan nog kunnen doen? Je kan doen wat de papa van mijn vrouw altijd deed. Hij had altijd een mijnwerkerslamp rond zijn hoofd gespannen. Hij moest de lamp maar aanzetten en hij had licht en kon gemakkelijk daar nog uren verder werken en dan rustig terugkeren naar zijn huis. In het donker was er dus doodsgevaar maar in het licht was er leven.
Op dezelfde manier hebben we daarstraks al gehoord dat er weer licht zou komen voor het volk dat al vlak voor de poorten van de dood leefde (Jesaja 9:1). Welnu, Jézus is dat Licht. Over Hém zei een engel van God tot Maria, toen Die Jezus nog in haar buik zat: “De mensen zullen Hem Immanuël noemen. Dat betekent: ‘God is met ons’” (Matteüs 1:23b). En na Zijn leven, sterven en opstanding zei Jezus over Zichzelf: “En IK BEN alle dagen met jullie, totdat de tijd van de wereld om is” (Matteüs 28:20).[1] Jezus is dus het Licht dat bij ons wil blijven, al de dagen van onze levens. Óók al de dagen van júllie levens!
B.Dit Licht geeft betekenis
Jezus was een Baby, net zoals jullie ooit geweest zijn, maar Hij maakte in héél Zijn leven, dat wel 33 jaar duurde, geen enkele fout! Hij leefde steeds in perfecte gehoorzaamheid aan God Zijn Vader. Zó is Hij ook hét perfecte voorbeeld voor jullie en zó geeft Hij ook jullie levens betekenis. Iemand Die nooit ook maar één fout maakte, Die nooit loog of bedroog, kunnen we namelijk volledig vertrouwen. En ook júllie mogen Hem volledig vertrouwen! Hij wil onze levens betekenis, licht en kleur geven!
En dan maakt het trouwens niet uit welke huidskleur jullie hebben of van welk land jullie oorspronkelijk komen en of jullie mama en papa rijk of arm zijn. Hoe weet ik dit? Omdat in de Bijbel staat geschreven dat er arme Joodse herders en rijke buitenlandse wijzen naar Jezus kwamen om voor Hem te knielen als hún Koning – daarom trouwens dat, in de (veel) latere westerse traditie van de “drie koningen” – zij stellen de wijzen uit het Oosten voor –, Caspar als Afrikaan, Melchior als Europeaan en Balthasar als Aziaat werden afgebeeld, zwart, wit en geel dus –,[2] dat Jezus afstamde van koning David – een Jood – én van Abraham – een niet-Jood – (Matteüs 1:1) – deze stamboom gaat dan zelfs helemaal terug tot Adam en Eva, de allereerste mensen (Genesis 1-11) –, dat de Bijbel niet spreekt over 'mensenrassen' maar over één 'mensenras' en één 'bloed' en dan pas over 'volken' (Genesis 1, 10-11, Handelingen 17:24-30) en dat Jezus voor íédereen – dus ook voor jóú – Zijn leven en Zijn bloed gegeven heeft aan het kruis (Johannes 3:16).[3]
Omdat Jezus Zijn leven al voor jou aan het kruis gegeven heeft – en wat kon Hij nog meer geven? –, is het duidelijk dat Hij ook jouw leven zomaar gratis en voor niets licht, kleur, smaak en betekenis wil geven. Dan wordt het als een leuk en vrolijk liedje. Dan zingt Jezus als het ware: “Yes! Ik heb mijn beste vriend of vriendin weer terug!” Dan mogen ook jullie levens echt vreugdevol, smakelijk en plezierig worden![4]
C.Dit Licht toont ons de weg
Weten jullie nog dat ik vertelde dat de papa van mijn vrouw die lamp écht nodig had om niet verloren te lopen in het donker en om niet te vallen of door een slang gebeten te worden?
Jezus is net als die lamp. Hij zei over Zichzelf: “IK BEN het licht voor de mensen. Iemand die Mij volgt, hoeft nooit meer in het donker te leven. Hij zal wandelen in het licht dat leven geeft” (Johannes 8:12). Als Jézus dat zegt, dan mogen we Zijn woorden volledig vertrouwen want Hij heeft nooit gelogen. Mag Hij ook jóúw leven leiden? Mag Hij ook de Koning van jóúw hart worden?
Hij is Die God die alle dagen met jou is en blijft (Matteüs 1:23b, 28:20), wat betekent dat Hij bij je wil zijn en blijven en je wil helpen. Hij is de Aanwezigheid van God Die heel je leven bij je wil blijven.[5] Daarom noemen we Hem 'God met ons'. Hij wil ook 'God met jóú' zijn. Daarom is de Verlosser voor jóú geboren, daarom werd de Zoon van God Mens, já, zélfs een arm Kind,[6] om de Redder van de wereld – en dus ook jóúw Redder – te worden.[7] Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 21 december 2025.
Behalve indien anders aangegeven zijn de bijbelteksten voor deze preek genomen uit de BasisBijbel.
[1] John C. Fenton, The Gospel of St Matthew (Harmondsworth, Middlesex, England: Penguin Books, 1963), 43. Cf. Robert H. Mounce, New International Biblical Commentary - Matthew (Peabody, Massachusetts: Hendrickson Publishers, 1991), 10-11 en J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs I (Nijkerk: G. F. Callenbach, 1974), 45.
[2] Cf. de (veel) latere westerse traditie van de “drie koningen”. Deze drie “koningen” werden traditioneel afgebeeld als een Afrikaan (Caspar), een Europeaan (Melchior) en een Aziaat (Balthasar). Naar alle waarschijnlijkheid kwamen de drie wijzen (of Magi / μάγοι) echter uit Perzië (vandaar hun verbasterde Perzische namen!). Toch representeren zij dus vreemdelingen of niet-Joden én rijken. De herders representeren Joden én armen. Zo zijn dus allen welkom bij Jezus de Redder van de gehele mensheid!
[3] Naar Ernst Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, vert. R.J. Diepersloot (BH Culemborg: Internationale Bijbelbond, 1978), 108, 116, 118, Daniel J. Harrington, The Gospel of Matthew (Collegeville, Minnesota: The Liturgical Press, 1991), 32-33, 46, Mounce, Matthew, 4, Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs I, 10-11, 49.
[4] Naar Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, 118.
[5] Naar Mounce, Matthew, 10.
[6] Lees Norval Geldenhuys, Commentary on the Gospel of Luke (Grand Rapids, Michigan: Wm. B. Eerdmans, 1951), 103, n. 9.
[7] Naar Geldenhuys, Commentary on the Gospel of Luke, 101.
Categorie:Preken
14-12-2025
Een inzegening van een kerkenraad
Geachte gemeenteleden,
Vandaag wordt jullie keuze, die jullie individueel gemaakt hebben met een rein geweten voor het Oog van God, officieel bevestigd. Daarom mag ik zo meteen, ook voor Gods Aangezicht, een zegen uitbidden over deze mensen die zich kandidaat hebben gesteld én door jullie verkozen zijn tot leden van de nieuwe kerkenraad.
Maar allereerst mag ik hen een korte aanmoediging meegeven. Luister dus goed! Ik lees u voor uit de eerste brief van Paulus aan zijn leerling Timoteüs, het derde hoofdstuk, vanaf vers acht:
“Ook een diaken [alsook een diacones] moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn; hij moet vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten. Ook hij moet eerst op zijn geschiktheid worden getoetst; pas daarna, als blijkt dat hij een onberispelijk mens is, kan hij zijn dienst verrichten. Dit geldt ook voor de vrouwen: ook zij moeten zich waardig gedragen, ze mogen niet kwaadspreken en moeten sober en in alles betrouwbaar zijn. Een diaken mag maar één vrouw hebben en moet goed leiding geven aan zijn kinderen en zijn huisgenoten. Degenen die hun dienst goed verrichten, verwerven aanzien en kunnen door hun geloof in Christus Jezus vrijuit spreken” (NBV).
Bemerk hier enkele dingen. Verkozen worden tot de kerkenraad, houdt voornamelijk plíchten in: oprecht zijn, je waardig gedragen, betrouwbaar zijn, niet roddelen, niet voor eigen winstbejag gaan, trouw zijn aan het geloof met een zuiver geweten. Het mag dus niet om jezelf draaien. Het gaat dus niet om positie maar om een vertrouwensfunctie. Als jullie dit goed vervullen, mogen jullie, zo leert Paulus ons, óók vrijuit spreken! Het recht om te zeggen wat moet gezegd worden, in lijn met je geweten én met het ware geloof. Onthoud dus: niet ik maar de ánder, niet allereerst mijn rechten maar mijn plíchten en vandaaruit niet het recht om mensen naar de mond te praten maar het recht om vrijuit de waarheid te spreken, voor het goed van de ánder, zoals het gezegde: “Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.”
Houd bij dit alles steeds Chrístus centraal, Chrístus als doel: “hij [, Christus,] is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus” (Efeziërs 4:11-15, NBV).
Doe alles steeds in oprechte liefde want zonder liefde zijn jullie niets (1 Korinthe 13). Probeer daarbij ook steeds, zo goed als jullie kunnen, de waarheid of het ware geloof na te volgen.
Laten we bidden:
“Heer, U Die alles overziet, hebt ook de keuze van onze gemeente gezien. Moge U elk lid van deze nieuwe kerkenraad zegenen. Voor Uw Aangezicht proberen zij deze taak, waar zij uit vrije wil voor gekozen hebben, zo goed mogelijk uit te voeren. Geef hen de genade daartoe en help hen daarbij, opdat zij op hun beurt velen mogen helpen, Uw Naam mogen verheerlijken en veelvoudig vrucht mogen dragen. Dit alles vragen wij in de Naam van de Heilige Drievuldigheid, namelijk de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. Amen.”
Tijdens mijn vorige preek had ik het (onder andere) over Johannes’ aankondiging van de (eerste) komst van Christus. Tijdens deze preek zal ik het (onder andere) hebben over Zijn wederkomst en wat dit zoal met ons te maken heeft.
Iets wat me opvalt aan onze tijd is dat God voor velen onder ons ver weg lijkt en dat we aan vele verleidingen worden blootgesteld. Men durft dan ook al eens spreken van een post-christelijk Europa. Het antichristelijke element lijkt soms zo sterk de bovenhand te voeren dat ware christenen zich in het nauw gedreven voelen, alsof ze bijeen worden gedrukt in een klein hoekje – in sommige streken zelfs letterlijk – en worden weggezet als “anders” of “te extreem”. Geloof mag nog slechts een persoonlijke hobby zijn en je behoort er eigenlijk bij te denken dat alle godsdiensten wel hetzelfde zijn. Dit ontkennen dat de komst van Christus in het vlees waarlijk is gebeurd en – samen met Zijn leven, sterven en opstaan – ál het verschil heeft gemaakt voor de wereldgeschiedenis, is kenmerkend voor de denkwijze van een antichrist (lees de geschriften van Johannes de Evangelist hierover).
Ik wil dit vandaag even vergelijken met heel wat Bijbelse beelden. Ik kan je er voorlopig al twee meegeven: namelijk: A) David die voor de reuzengrote Goliat staat (1 Samuël 17) en B) Sadrach, Mesach, en Abednego die voor het gouden beeld van koning Nebukadnezar staan en voor dit beeld behoren te knielen (Daniël 3). Ook zij leken in het nauw gedreven. Zij leken zich in situaties te bevinden waaraan geen ontkomen meer was. Ook voor hen zou het best knielen en meelopen worden, toch?
Ook Jezus werd in de woestijn verzocht met die wereldse faam die voor Hem zomaar voor het grijpen lag, ja, die de god van deze wereld (2 Korinthe 4:4) Hem schijnbaar zomaar zou geven. Zo zou Hij kunnen ontkomen aan een gruwelijke dood en bespotting. In plaats daarvan zou Hij alle eer krijgen. Hij zou maar even moeten knielen…
Ook in de tuin van Gethsémane moest Hij er maar eventjes voor kiezen om de wil van Zijn Vader niet te doen. Zo zou Hij voor een snellere, veel zachtere overwinning kunnen gaan… maar Hij hield Zijn ogen op Zijn Vader gericht (Mattheüs 4:1-11) en koos ervoor om de Weg van het Kruis uit te lopen in plaats van voor een snellere, veel zachtere overwinning te gaan (Mattheüs 26:36-56). “Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?” (vers 53), zei Hij. Hij wist heel goed dat Hij ervoor koos om de gemakkelijke weg te laten varen en in plaats daarvan, koos Hij de weg van vernedering, bespotting en marteling. Jezus leek verslagen aan het Kruis; Hij leek de ultieme Loser… Ook Zijn leven, leek de dood te hebben verslonden…
Dit leek verdergezet te worden door het feit dat Paulus, na ingestemd te hebben met de dood van de eerste christelijke martelaar (Handelingen 6-7), vele christenen uit hun huizen sleurde om hen de gevangenis in te stoppen (Handelingen 8:3). Een bende in het nauw gedrukte losers die een als een crimineel veroordeelde en gestorven Gekruisigde volgden. Bespottelijk… leek het wel in de ogen van de wereld…
Maar… Die gekruisigde en gestorven “Crimineel” stond weer op uit de dood en God heeft Hem de hoogste Naam, de hoogste plaats aan Zijn rechterhand gegeven (Filippenzen 2). Hierin zit voor ons een zeer belangrijke en álles-veranderende les!
Onze Heer en God Jezus Christus is een Heer en God Die wint ondanks onmogelijke situaties.
Hij was de Rots die de Israëlieten – ondanks dat ze logischerwijze ten dode opgeschreven stonden – in de woestijn te drinken gaf (1 Korinthe 10:4).
Ondanks dat David in de ogen van de wereld al verslagen leek, toen hij voor Goliat stond, was het een rotsje dat uit zijn slinger vloog, dat ervoor zorgde dat Hij Goliat en de wereld zou overwinnen (1 Samuël 17:48-51a).
Sadrach, Mesach, en Abednego bogen niet voor het beeld, werden in de brandende vuuroven geworpen maar de Mensenzoon vervoegde Zich bij hen in die brandende oven en ze werden niet verteerd door het vuur. Het leven werd hen als het ware teruggegeven door de Godmens die hen uit de handen van de dictatoriale koning Nebukadnezar redde (Daniël 3:12-27).
Hij is de Heer van het leven en Hij bezit nog steeds de sleutels van de dood en het dodenrijk! En ook voor hen die voor Hem gestorven zijn opent Hij de poorten van het hemelrijk op royale wijze!
Aan alle antichristelijke, allesoverheersende, dictatoriale groepen, kabalen, regeringen, globale of nationale wereldordes, waaraan geen einde of ontsnapping lijkt – hier allemaal samengebracht in dit beeld van het gouden beeld – zal een einde komen. Diezelfde Godmens die Zijn drie heiligen uit de vuuroven redde, is namelijk Diezelfde Rots Die het uit verscheidene legéringen bestaande beeld, zonder toedoen van mensenhanden – er was immers geen man gemoeid met Zijn geboorte – het beeld zal treffen aan de voeten – in nederigheid handelde die God die Mens geworden was, van onder uit – deze steen werd een gigantische berg, die de gehele aarde vulde. Luister maar:
“Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde” (Daniël 2:34-35).
Hij groeide op in alle nederigheid, vervulde alles, Zijn faam en Koninkrijk verspreidden zich over de hele wereld. Welke religie heeft zo een nederige Dienaar en Koning Die Zich klein en nederig opstelde, vrijwillig stierf als een schijnbare “Crimineel” aan een Kruis en wiens Koninkrijk zich toch over heel de wereld heeft verspreid en nog steeds aan het verspreiden is? Talloze stammen en volkeren knielen voor deze Nederige neer! Vanuit de profeet Daniël leren we dus dat Jezus Christus de lang-van-tevoren-voorspelde Gezalfde van God is, Die zou komen! Verder leren we hier dat aan de dictatoriale regimes van hypertolerantie en lauwheid een einde zullen komen!
Net zoals de oude wereld vond dat Noach maar een loser was maar hij die wereld uiteindelijk met rechtvaardige daden van gehoorzaamheid aan God overwon en de nieuwe wereld als het ware de oude wereld verslond door de vloed (Hebreeën 11:7), zo zal de dood die alles lijkt te verslinden op haar beurt zelf verslonden worden: “En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning” (1 Korintiërs 15:54).
De door de dood “verslagen” Christus werd de grootste overwinnaar. “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus…” (1 Korintiërs 15:55-57), deze woorden werden trouwens neergepend door Paulus die eertijds Jezus’ volgelingen en daarmee ook Jezus Zelf vervolgde. Zelfs hem kon de opgestane Jezus overwinnen en gebruiken voor de uitbreiding van Zijn overwinnend Koninkrijk (Handelingen 9:1-31).
Wat is er dus van onze kant nodig? Vertrouwen. Zonder Geloof of vertrouwen in God kan je God niet behagen en zo overwinnen: “maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (Hebreeën 11:6). We behoren geloof, hoop en liefde in onze harten te houden (1 Korintiërs 13:12-13), zo onze ogen hoopvol op God te houden en door trouwe liefde samen met Hem te overwinnen (Openbaring 2 en 3).
Kan Hij Die ons geschapen heeft niet weder scheppen? Heeft Hij dan niet beloofd dat Hij zou wederkomen en onze lichamen weder op zou doen staan? Als de dood ons zal opslokken, zal – als we voor God hebben geleefd met geloof, hoop en liefde – het leven ons op haar beurt weer opslokken:
“Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen” (1 Tessalonicenzen 4:15-17).
Dankzij de dood en de daarop volgende opstanding van onze Heer Jezus Christus mogen we vast geloven dat de dood niet het laatste woord zal hebben voor eenieder die met hoop, geloof en liefde leeft naar het komende Rijk. Dit mogen we alvast samen vieren tijdens het avondmaal en uitleven tijdens onze relatief kortstondige levens hier op aarde, tot we onze Heer zullen treffen na onze lichamelijke dood of bij Zijn wederkomst. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 7 december 2025.
Stel je voor, Koning Filip en Koningin Mathilde komen bij jou op de koffie. Wat je politieke voorkeur ook moge zijn, of je nu koningsgezind bent of helemaal niet, je zou minstens je huis zo proper mogelijk maken, misschien zelfs een speciaal buffet laten brengen en een mooi cadeau kopen voor Zijne Majesteit de Koning en zijn echtgenote Hare Majesteit de Koningin. Voor zover het in je macht ligt, zou je je uiterste best doen om hen met het nodige respect te behandelen.
Vanuit de Bijbel leren we dit principe ook: “Onderwerp u, ter wille van de Heer, aan het bestuur van mensen: aan de koning, omdat hij het hoogste gezag is; aan de gouverneurs, omdat zij door hem zijn aangesteld om hen die het slechte doen te straffen en hen die het goede doen te prijzen. God wil dat u door uw goed gedrag het zwijgen oplegt aan de domme praat van onwetende lieden. Leef als vrije mensen, zonder de vrijheid te misbruiken als dekmantel voor zondige praktijken. Met uw vrijheid moet u God dienen. Eer alle mensen, heb de gemeenteleden lief, heb ontzag voor God en eer de koning” (1 Petrus 2:13-17, GNB).
We geven dus, als goede christenen, eerbied en ontzag aan wie we dit verschuldigd zijn: “Iedereen moet zich aan de overheid onderwerpen. Want overheidsgezag is iets dat alleen maar bestaat bij de gratie van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld. Wie zich dus verzet tegen het gezag, verzet zich tegen een instelling van God, en wie dat doen, hebben hun veroordeling aan zichzelf te wijten. Wie doet wat goed is, hoeft niet bang te zijn voor de overheid; alleen wie het kwade doet. Wilt u zonder angst voor haar leven? Doe dan wat goed is, en ze zal u prijzen. Want de overheid is een instrument dat God gebruikt voor uw eigen bestwil. Maar als u het kwade doet, hebt u alle reden om bang te zijn. Het is niet voor niets dat de overheid het zwaard voert. Want de overheid is ook een instrument dat God gebruikt om wie het kwade doet, zijn verdiende straf te geven. Daarom moet u zich dus aan de overheid onderwerpen: niet alleen uit angst voor straf, maar ook ter wille van een goed geweten. Dat is ook de reden dat u belasting betaalt. Want de gezagdragers staan in dienst van God en doen wat hun plicht is. Geef ieder dus wat hem toekomt: belasting en accijns aan wie u belasting en accijns moet betalen; eerbied en ontzag aan wie u eerbied en ontzag verschuldigd bent” (Romeinen 13:1-7, GNB). Kort samengevat verwoordt Christus dit als volgt: “Geef dan de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt” (Matteüs 22:21b).
We zouden hier vandaag een hele discussie kunnen voeren, of een hele preek of redevoering kunnen uiteenzetten over hoe ver dat gezag en die verwachte gehoorzaamheid al dan niet reikt maar dat is vandaag niet mijn punt.
Mijn punt is: als we hoogstaande mensen het beste eten voorschotelen en hen de verschuldigde eerbied en het verschuldigde gezag geven, hoeveel te meer behoren we die verschuldigde eerbied en dat verschuldigde gezag dan wel niet aan God de Vader en aan Zijn Gezalfde te geven?
Ja, zelfs kóningen, waaronder ook onze Koning Filip, behoren dit te doen!: “Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!” (Psalm 2:10-12). En voor ons allen geldt: “Geef dan de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt” (Matteüs 22:21b).
Misschien kan je dit wat vergelijken met de vergrotende trap (of comparatief) en de overtreffende trap (of superlatief); je geeft aan de keizer of koning wat hem toekomt, hoeveel te meer dan aan God, die daar nog eens boven staat; oneindig ver boven staat? De boodschap van Johannes de Doper, was dan ook: “Bekeert u, want het Kóninkrijk der hémelen is nabijgekomen. (…) Bereidt de weg des Héren, maakt recht zijn paden” (Matteüs 3:2b, 3b, mijn nadruk).
“Maar, Tom,” zou je kunnen zeggen, “ik ben al bekeerd.” Verder zou je kunnen zeggen: “Deze verzen zijn opgeschreven voor niet-bekeerden.”
Maar, dan stel ik je de volgende wedervragen: “Zijn er dan geen dingen in jouw leven die je in vraag kunt stellen? Dingen waarvan je weet dat ze de Heer niet behagen? Dingen waardoor jij God de Koning van het Universum nog niet de gepaste eerbied en het gepaste ontzag geeft?”
“Of denk je dat het beter is je hier niet te veel van aan te trekken?” Zei Johannes echter niet: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen” (vers 10) en: “De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur” (vers 12)?
Vandaag viert de christelijke wereld, over het algemeen genomen, twee feestdagen tegelijkertijd: de eerste zondag van de Advent én de feestdag van de heilige Andreas.
Omdat het de eerste zondag van de Advent is, wil ik jou als christen uitnodigen om als het ware alvast zélf het kaf van het koren te scheiden in jouw eigen leven (naar vers 12) en je te heiligen om jezelf zo te maken tot een boom die goede vruchten kan dragen voor de Heer (Matteüs 12:33). Of, om een ander beeld van Johannes te gebruiken, er voor te zorgen dat er tussen jou en de Heer Die komt noch iets wat blokkeert, noch een struikelblok in de weg zit of ligt – Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden (Matteüs 3:3b) –.
Omdat het tevens de feestdag van de heilige Andreas is, wil ik je vandaag uitnodigen, ja, uitdagen om ten minste het verhaal dat over hem verteld wordt, na te volgen. Net zoals Johannes “de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,” (Marcus 1:3) was, zo zou Andreas in een andere geestelijke woestijn, namelijk die van het huidige Turkije, Griekenland en omstreken, vele mensen die de Heer nog niet kenden, tot Hem uitgenodigd hebben; ook zij mochten hun harten voor Hem openstellen. En ook wíj mogen deze uitnodiging verspreiden. Wíj worden vanuit de evangeliën stérk uitgenodigd, já, zelfs bevólen, om dit te doen.
Wij mogen allereerst onszelf aan de Heer geven, onze harten vollédig voor Hem openstellen; vollédig aan Hem geven. Ervoor zorgen dat wij als veld of weg volledig opgeruimd; volledig geheiligd zijn voor Hem. Ook als chrísten behoren we dit nog steeds, waar of wanneer nodig, te doen.
Vervolgens mogen wij ánderen ook uitnodigen om de weg voor de Heer, die dikwijls zo hopeloos… verstopt is geraakt, dat het lijkt alsof er nooit een weg was, weer op te ruimen door bekering. Samen met de heilige Johannes en de heilige Andreas en nog vele andere heiligen, waaronder de apostelen Petrus en Paulus, mogen we de profetische stem van Jesaja, já, van de heilige Geest, Die Stem van Hoop, weer laten klinken:
“‘Baan een weg voor de Heer, onze God, een weg in de woestijn, een recht pad door de steppe. Hoog dalen op, graaf bergen en heuvels af, trek bochten recht, maak wat oneffen is vlak. Dan zal de Heer verschijnen in al zijn majesteit, heel de mensheid zal getuige zijn. Het zijn zijn eigen woorden.’ Hoor! Iemand zegt: ‘Maak het bekend!’ ‘Wat moet ik bekendmaken?’ Dit moet je zeggen: ‘De mensen zijn als gras, hun trouw[1] is als een veldbloem. Gras verdort, bloemen verwelken wanneer de Heer eroverheen blaast. Ja, mensen zijn als gras. Gras verdort, bloemen verwelken, maar de woorden van onze God blijven van kracht, voor altijd.’ Jeruzalem, klim op een hoge berg en verkondig het goede nieuws. Maak het goede nieuws bekend, zo luid als je kunt. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Jullie God is in aantocht. God, de Heer, komt met groot vertoon, de macht heeft hij vast in handen. Zijn loon heeft hij bij zich, zijn buit neemt hij mee. Hij is als een herder voor zijn kudde. De lammeren houdt hij bijeen en neemt hij op de arm; de ooien jaagt hij niet op.’” (Jesaja 40:3b-11, GNB).
Naar Kerst mogen wij het Licht van Kerstmis, het Licht voor gebrokenen en zondaars, weer laten schijnen. Dit Licht is niet zomaar een licht, een oppervlakkig gevoel van knusse warmte en gezelligheid, maar Dit Licht is Jezus Christus, “het licht, het echte licht, dat ieder mens verlicht, en dat kwam in de wereld” (Johannes 1:8b-9, GNB), Zélf. Mogen zij die door zonde verborgen, misschien wel vergeten of onbekende weg weer openstellen, zodat de Heer ook bij hén binnen kan komen: “Open wijd de poorten, open de oude deuren; daar komt de machtige koning. Wie is die machtige koning? Het is de Heer, sterk en krachtig, krachtig in de strijd. Open wijd de poorten, open de oude deuren; daar komt de machtige koning. Wie is die machtige koning? Het is de Heer, hij is almachtig. Hij is de machtige koning!” (Psalm 24:7-10, GNB).
De volgende belofte van Jezus geldt voor ons allen, of we nu al heel gelovig zijn of nog niet zo: “‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt [eigenlijk: “hij die mij aan het volgen is”[2]], zal niet meer in het donker lopen, maar hij zal het licht bezitten dat leven geeft.’” (Johannes 8:12, GNB). Laten we ons dus aan deze belofte vastklampen en ernaar leven. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 30 november 2025.
[1] Voor een bevestiging van en verhelderende uitleg over deze vertaalkeuze, lees bijvoorbeeld: Net Bible, Full Notes Edition (Nashville: Thomas Nelson, 2019), 1317, n. V.
[2] “á½á¼κολουθá¿¶νá¼μοá½¶”, zoals hierboven vertaald in bijvoorbeeld: Jay P. Green, Sr., The Interlinear Hebrew-Greek-English Bible, volume IV (Grand Rapids, Michigan: Baker Book House, 1981), 236.
Categorie:Preken
09-11-2025
De Doop: uitnodiging tot en belofte voor een heel nieuw leven
Voordienst: Handelingen 2:22-47 (NBV).
Goedemorgen iedereen. In een recente preek had ik het met jullie over de waterdoop. Ik had het namelijk over de volgende drie logische punten: 1. Wat is de doop? 2. Waarom je laten dopen? En 3. Is dat alles? Of, anders gezegd, wat komt hierna? Zo kregen jullie al een logisch overzicht, maar op deze zoektocht – dit verzoek om iets meer over de doop te weten –, zou ik met jullie vandaag wat verder willen op weg gaan. Ik wil jullie een ietwat andere schakering tonen die belangrijk is voor jullie allemaal maar ook voor onze dopeling. Moge de Heer mijn woorden kracht bij zetten en ze diep in jullie harten planten door Zijn Heilige Geest.
Herinner u deze belangrijke verzen, zo u wil, deze zéér korte catechismus van Petrus:
“‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’” (Handelingen 2:38b-40).
Bemerk dat dit een antwoord was op de vraag “Wat moeten we doen, broeders?” (Handelingen 2:37b) en dat Petrus hier heel wat bevelvormen gebruikt: “Bekeer u” of “Keer u af” (38a), “laat u dopen” (38), “laat u redden” of “laat u behouden” (40). En met nog vele andere woorden “legde hij getuigenis af” en “vermaande hij” hen of “deed een dringend beroep op zijn toehoorders” (40).
Het komt dus allemaal een beetje op hetzelfde neer: God roept of nodigt hen uit (40) en zij beantwoorden deze oproep of uitnodiging: “Degenen die zijn woorden aanvaardden [of: “met vreugde aannamen” (HSV) of “bereidwillig aanvaardden” (Nierop) (naar heel wat handschriften)[1]], lieten zich dopen” (41a). Bemerk dat het debat of ze al dan niet uitverkoren waren of geroepen waren tot redding hier nog niet speelde. Deze mensen wisten: “De keuze ligt bij mij, ik kan al dan niet ingaan op deze oproep, deze uitnodiging van Godswege, die ook voor mij is bedoeld.” En sommigen van hen beantwoordden dan ook deze oproep of uitnodiging: “Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen” (41a).
Bij Paulus gebeurde trouwens hetzelfde maar op een misschien nog straffere manier: Jezus wierp Paulus op de grond, sprak hem streng toe en Paulus koos ervoor om te gaan in gehoorzaamheid en zich te laten dopen (9:1-18). Ja, Paulus werd op de grond gegooid, zelfs verblind, ja, Petrus’ toehoorders werden in hun hart geraakt, als het ware werd hun hart doorstoken (2:37), maar het was nog steeds aan Paulus en aan die toehoorders om de boodschap van redding, onderwerping en toewijding aan Jezus Christus te aanvaarden, zich te bekeren van hun huidige zondige levens en zich te laten dopen (2:37-41; 9:18), op deze manier vergiffenis van zonden en de heilige Geest te ontvangen (2:38-39; 9:17) om zich zo aan te sluiten bij de leerlingen van Jezus en trouw te blijven aan hun leer, die de leer van Jezus was (2:41-42, 9:26,31; Matteüs 28:18-20).
En die oorspronkelijke leer is belángrijk! Ik kan hier vandaag niet álles over uit de doeken doen – dat zou immers veel te veel tijd kosten voor een korte preek – maar herinner u dat ik zei dat het debat of de geïnteresseerden al dan niet uitverkoren waren of geroepen waren tot redding nog niet speelde in dat prille begin van de kerkgeschiedenis en dit is nog steeds zo in de Oosterse apostolische kerken.
Ook Augustinus, in het Westen, had dit concept nog toen hij zijn “wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af”,[2] beleefde. Pas later, toen hij een commentaar schreef op Romeinen op verzoek van zijn vriend Evodius, kwam hij tot het besluit dat het afhangt van Gods uitverkiezing of je al dan niet gered zal worden. In dat latere leven kwam hij tot nog heel wat besluiten die zogezegd teruggingen op die vroegste traditie, die vroegste leer, maar eigenlijk aantoonbaar nieuwe of soms minstens relatief nieuwe leren waren: het idee dat we zondigden in Adam en dat daarom alle baby’s zondig geboren worden, het idee dat baby’s die niet gedoopt zijn naar de hel gaan als ze sterven, het idee dat geloof en genade strikt gegeven worden aan de uitverkorenen en dat je zelf niet kan kiezen. Hieruit volgde dan het monergisme – God doet, wat betreft onze redding, alles – en de uitverkiezingsleren van Luther en Calvijn in tegenstelling tot het synergisme – wij mogen samenwerken met de genade van God –. Ook beweerde Augustinus dat de erfzondeleer níet weggewassen werd in de doop[3] en Luther beweerde dat we simultanus iustus et peccator zijn, dat wilt zeggen: tegelijk rechtvaardig en tegelijk zondaar; rechtvaardig louter omdat er zogezegd slechts een extérne rechtvaardigheid op ons zou worden gelegd.
Maar, beste broeders en zusters, dit is niet wat we in de Bijbel, noch in het vroegste christendom, minstens voor de eerste 350 jaar, tegenkomen. Ook zijn deze ideeën nooit universeel aanvaard en zo weten we dat ze innovaties zijn.[4] Sterker nog, de vroege Kerk was expliciet tégen de idee van een louter externe rechtvaardigheid en beschouwde dit expliciet als dwaalleer: “Gezegend is de mens aan wie de Heer de zonde niet toerekent; dat wil zeggen, als hij berouw heeft over zijn zonden, kan hij vergeving voor die zonden van God ontvangen; en niet zoals u uzelf bedriegt – en sommigen die hierin op u lijken – die zeggen dat, hoewel zij zondaars zijn, maar God kennen, de Heer hun de zonde niet zal toerekenen,”[5] zei Justinus de Martelaar in de tweede eeuw na Christus en: ‘Ik heb deze opmerkingen aangehaald om de Basilidianen die niet zuiver leven, te bewijzen dat ze ongelijk hebben in de veronderstelling dat ze ofwel de macht hebben om zelfs te zondigen vanwege hun volmaaktheid, ofwel dat ze van nature gered zullen worden, zelfs als ze in dit leven zondigen, omdat ze een aangeboren uitverkiezing bezitten. (…) Ze zouden [daarom] de naam van Christus niet als een dekmantel moeten nemen en, door een [nóg] losbandiger leven te leiden dan de meest losbandige heiden, godslastering over Zijn naam brengen. “Want zulke mensen zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders”, voor zover het gaat om de woorden “wier einde gelijk zal zijn aan hun werken”’,[6] schreef Clemens van Alexandrië ook in de tweede eeuw. Paulus schreef over dit alles het volgende: “Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door het geloof in Christus Jezus” (2 Timoteüs 3:13-15).
Bij Petrus, Paulus en bijvoorbeeld in misschien wel de vroegst uitgeschreven of nog bewaarde christelijke catechismus vanuit Jeruzalem, namelijk die van Cyrillus van Jeruzalem, leren we over volledige bekeringen, volledige keuzes om je als een soldaat in te schrijven in het leger van Christus, om je huis kundig te bouwen als een vooruitplannend bouwmeester,[7] het volledig afgewassen worden van en het volledig afsterven aan onze zonden (Handelingen 2:38-47, 1 Petrus 3:10-22, Romeinen 6), het volledig afgestorven zijn aan onze zonden, een nieuw geweten, ja, een nieuw leven krijgen en ook leren we over het wandelen en blijven wandelen in Christus (1 Petrus 3:10-22, Romeinen 6 en 8). In het vroege christendom was het allemaal zeer eenvoudig: “Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen” (Galaten 5:24). Geen valse tweedelingen dus tussen doop en redding, tussen geloof en daden (Jakobus 2), tussen handel, wandel en geloof, tussen een positionele externe rechtvaardigheid en een interne levenswijze vanuit het hart. Zoals Christus het zei: “Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid. Blinde farizeeër, spoel eerst de binnenkant van de beker om, dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon. Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. Zo lijken ook jullie voor de mensen uiterlijk op rechtvaardigen, terwijl jullie innerlijk vol huichelarij en wetsverachting zijn” (Matteüs 23:25-28).
Dus níet een louter positionele externe rechtvaardigheid! Dat is níet genoeg! Want wat baat het je als je positioneel in de ark bent maar eigenlijk in het water ligt te verdrinken? Wat baat het je, als je denkt dat je nog steeds gered bent terwijl je je redding verloren bent (Hebreeën 6:4-8)? En wat baat het je als je denkt dat je naar de hemel gaat, terwijl je naar de hel gaat? Herinner je daarom ook Paulus’ waarschuwing over die oplichters (2 Timoteüs 3:13-15)!
In plaats van je ziel te verliezen aan de hel, behoor je dus te blijven wandelen, “verkrijgende het einde uws geloofs namelijk de zaligheid der zielen” (1 Petrus 1:9, SV), wanneer de boeken geopend zullen worden en je geoordeeld zal worden naar je werken (2 Korinthiërs 5:9-10, Openbaring 20:11-15; 22:10-15) en de Heer tot je zal zeggen: “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar” (Matteüs 25:23a).
Kortom: bekeer je van al je zonden, laat je dopen ter afwassing van je zonden, ontvang zo de heilige Geest, wandel in gehoorzaamheid aan Christus en aan Zijn oorspronkelijke leer en laat je niets wijsmaken door misleidende dwaalleraars binnen of buiten de kerken, met sluwe tongen als die sluwe oude slang van weleer (Genesis 3[8]), ook al klinken hun woorden nog zo zoet (Spreuken 5:1-15[9]). Wil je dit, beste X? Het zij zo.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 9 november 2025.
[1]In alternatieve handschriften: á¼σμá½³νως volgens rp sc ΨssE rel. pl sy ar Aug | αποδεξ.]: “gaarne aannamen” (SV), “gladly received” (KJV), etc. “bereidwillig” (Nierop en EBV24), “readily” (Murdock, Lamsa), “eagerly” (Etheridge), “with joy, gladness” (Strong), “joyeux, content” (Bailly 2024), “blij, tevreden, opgelucht, met genoegen, graag” (Grieks-Nederlands Woordenboek (onder leiding van I. Sluiter)). Hetzelfde woord wordt in Handelingen 21:17 gebruikt. In nog andere handschriften: πιστευσαντες volgens D (pr) syhm Aug: “and believed” (Etheridge). Bronnen: BibleWorks version 10, Logeion, aramaicnewtestament, Augustinus Merk, Novum Testamentum Graece et Latine (Romae: Sumptibus Pontificii Instituti Biblici, de derde editie van 1938 en de elfde editie van 1992), 400.
[3] Voor wat informatie over al deze onderwerpen, inclusief heel wat bronnen voor wat betreft de invloed op en van de theologie van Augustinus, kan de lezer beginnen met het lezen van de papers op mijn Academia-pagina: https://independentscholar.academia.edu/TomTorbeyns. Specifiek voor wat betreft de erfzondeleer en de verdoemenis van niet-gedoopte baby’s, lees Tom Torbeyns, “The Origins of Augustine’s Theology on Concupiscence, Massa Damnata and Limbo in light of Early Christian, Gnostic, Manichaean, (Neo-)Platonic,… Sources” (bachelor’s thesis, Continental Theological Seminary, 2017) aldaar.
[4] “Moreover, in the Catholic Church itself, all possible care must be taken, that we hold that faith which has been believed everywhere, always, by all. For that is truly and in the strictest sense Catholic, which, as the name itself and the reason of the thing declare, comprehends all universally. This rule we shall observe if we follow universality, antiquity, consent. We shall follow universality if we confess that one faith to be true, which the whole Church throughout the world confesses; antiquity, if we in no wise depart from those interpretations which it is manifest were notoriously held by our holy ancestors and fathers; consent, in like manner, if in antiquity itself we adhere to the consentient definitions and determinations of all, or at the least of almost all priests and doctors.” - Vincent of Lerins, Commonitorium, 2,6.
[5] “‘Blessed is the man to whom the Lord does not impute sin;’ that is, having repented of his sins he may receive remission of them from God; and not as you deceive yourselves—and some others who resemble you in this—who say that even though they are sinners, but know God, the Lord will not impute sin to them” - Justin Martyr, Dialogue with Trypho (141).
[6] ‘I have quoted these remarks to prove in error those Basilidians who do not live purely, supposing either that they have the power even to commit sin because of their perfection, or indeed that they will be saved by nature even if they sin in this life because they possess an innate election. For the original teachers of their doctrines do not allow one to do the same as they are now doing. They ought not, therefore, to take as a covering cloak the name of Christ and, by living lewder lives than the most uncontrolled heathen, bring blasphemy upon his name. “For such people are false apostles, deceitful workers” as far as the words “whose end shall be like their works.”’ - Clement of Alexandria, Stromata, 3.1.
[7] Cyril of Jerusalem, Procatechesis, 1; “Yield then, O children of justice, to the urging of John, when he says: “Make ready the way of the Lord.” Remove all hindrances and stumbling blocks, that you may hold a straight course unto eternal life. Make ready the vessels of the soul, purifying them by sincere faith, for the receiving of the Holy Spirit. Begin to wash your garments through repentance that, when you are called to the bridal chamber, you may be found clean. For the Bridegroom invites all without distinction, for His grace is bountifully bestowed, and the cry of His loud-voiced heralds draws all together (…). Cyril of Jerusalem, Catecheses, 3,2; Tom Torbeyns, “A critical Analysis of potential active Learning in Cyril of Jerusalem’s Catecheses” (master’s thesis, Evangelische Theologische Faculteit, Leuven, 2024): 6-21.
[8] “Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’” (Genesis 3:1-5).
[9] “Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid, schenk mijn inzicht een aandachtig oor, opdat bezonnenheid je blijft behoeden, kennis over je waakt bij wat je zegt tegen een lichtzinnige vrouw. Van haar lippen komen gladde praatjes, haar mond spreekt honingzoete woorden, maar uiteindelijk zijn ze als gif zo bitter, zo scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar pad voert naar het graf, haar voeten dalen af in het dodenrijk. Ze wil dat je de weg die naar het leven leidt niet inslaat, haar valse sporen volg je zonder dat je het beseft. Daarom, mijn zonen, luister naar mij, wijk nooit af van wat ik zeg. Blijf bij zo’n vrouw vandaan, houd afstand van haar woning. Want je zult bij anderen je eer verkwanselen, je verspeelt je leven aan die wrede vrouw. Van wat jij zo moeizaam hebt verworven, genieten vreemde mannen in de woning van die afgedwaalde. En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is, schreeuw je het uit: ‘Waarom heb ik wat mij is geleerd verworpen? Elke waarschuwing heb ik veracht. Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren? Ik sloot mijn oren voor hun raad. Nu ben ik bijna te gronde gegaan, voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’ Drink water uit je eigen bekken, ga naar de stromen van je eigen bron.”
Categorie:Preken
19-10-2025
De Doop
Voordienst: Psalm 119:137-146 (NBV).
Goedemorgen iedereen. Deze ochtend zou ik het met jullie willen hebben over de waterdoop. Ik ga deze preek hierover op een logische wijze indelen, namelijk als volgt: 1. Wat is de doop? 2. Waarom je laten dopen? En 3. Is dat alles? Of, anders gezegd, wat komt hierna? Niet alles kan ik vandaag over dit onderwerp bespreken. Dat zou te veel zijn voor één preek. Wel kan ik jullie enkele handreikingen geven. We beginnen met de eerste vraag:
1.Wat is de doop?
De doop in de Naam van de ware, Drie-ene God, is een gebod dat teruggaat op de Heer Jezus zelf. Op het einde van het Evangelie van Matteüs lezen we namelijk: “Mij [, zegt Jezus,] is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb” (Matteüs 28:18b-20a).
Dus, we worden uitgenodigd om leerlingen, discipelen of volgelingen te worden van de Heer Jezus Christus Die, hoewel Hij steeds God bleef, door Zijn eeuwige Vader (Johannes 1:1-3) in dit zondige bestaan werd gestuurd (Romeinen 8:3b), Zich vernederde tot een kwetsbaar Mens, ja, Zich zelfs zo ver vernederde dat Hij een zondig mens en een crimineel léék aan dat Kruis (Jesaja 53:12) waar Hij voor onze zonden is gestorven op gruwelijke wijze (Filippenzen 2:5-8). – Hij bleef echter steeds onschuldig. – Aan Die Koning van het universum was – vanuit het oogpunt van de mensen gekeken – niets moois meer aan. Zoals Jesaja het in de achtste eeuw voor Christus[1] reeds zo aangrijpend schreef: “Hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht” (Jesaja 53:2b-3). Zo werd Hij op schandelijke wijze mishandeld vóór en tijdens dat Hij aan dat Kruis hing (Matteüs 27).
Dit alles onderging Hij echter vrijwillig uit gehoorzaamheid tot Zijn Vader (Johannes 10:17-18, Filippenzen 2:8), Die Hem weer opwekte uit de dood (Matteüs 28) en net “daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader” (Filippenzen 2:9-11).
Het vorige brengt ons weer bij onze eerste tekst: “Mij [, zegt Jezus,] is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” (Matteüs 28:18b). Omdat Jezus alle macht heeft en de Koning is en wij het, vanwege onze zonden, tegenover Hem verprutst hebben, maar Hij uit liefde Zijn leven gegeven heeft voor ons aan dat Kruis, om een oplossing te bieden voor; of een weg te verschaffen uit onze zonden (Matteüs 1:21, Johannes 3:15-18, 10:7-18), mogen wij ons laten dopen tot leerlingen en onderdanen van Meester en Heer Jezus (Matteüs 28:19-20).
Toen er Joden tot besef kwamen van hun eigen zondigheid en hoorden dat Christus ook voor hun zonden gestoven was, vroegen ze immers: “Wat moeten we doen, broeders?” (Handelingen 2:37b), waarop de apostel Petrus kordaat maar liefdevol antwoordde: “Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ Ook op nog andere wijze legde [Petrus] getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’” (Handelingen 2:38-40).
Dit brengt ons bij onze tweede vraag, ons tweede deel van deze preek:
2.Waarom je laten dopen?
Wat ik daarnet heb gezegd, geeft het antwoord eigenlijk al weg. Waarom je bekeren en je laten dopen onder aanroeping van Jezus Christus?
Ten eerste: om vergeving van je zonden te krijgen. Zo gaat in vervulling: “Gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf [, dat is Jezus,] in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde” (1 Johannes 1:7b), “belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad” (1 Johannes 1:9) en: “want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden” (Matteüs 1:21b), “Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend” (Romeinen 8:3b). En niet alleen dat, hoe essentieel dat ook is, maar zélfs,…
…ten tweede: om de Heilige Geest te ontvangen, de derde goddelijke Persoon van de Heilige Drie-Eenheid, waardoor jij je, in plaats van door je eigen zondige verlangens, mag laten leiden!: “Opdat in ons wordt volbracht wat de wet [van God] van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest. Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. Wat onze eigen natuur wil brengt de dood, maar wat de Geest wil brengt leven en vrede. (…) Wie zich door zijn eigen wil laat leiden, kan God niet behagen. Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u” (Romeinen 8:4-6,8-9a).
Om dit misschien wat concreter te maken, kunnen we even kijken naar het leven van Augustinus die in zijn jeugd een befaamde hoereerder was. Augustinus was tot bekering gekomen en hij geloofde dat hij in de doop rust zou ervaren: “Maar dit geloof gaf me geen rust over mijn zonden van de voorbije jaren. Die moesten mij nog vergeven worden door uw [, dat is Gods,] doopsel.”[2] Ook na de doop zei hij: “Wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af. Ik kon in die dagen mijn verwondering en vreugde niet op, als ik nadacht over de diepte van uw [, Gods,] heilsplan voor de mensheid.”[3] Hiervóór had hij ook al aangegeven dat wie zijn vreugde buiten [God] zoekt, al gauw tot leegte vervalt.[4] Dit had hij, onder andere door zijn hoererij, op de harde manier vanuit eigen ervaring geleerd; zoals Johannes de Evangelist het verwoordde: “Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld” (1 Johannes 2:15-16, NBG51). Al deze dingen vervullen niet maar leiden ons dieper en dieper in de duisternis…
Maar… wij mogen de bewuste keuze maken om uit deze lusten of begeerten los te komen, om ze als het ware te verdrinken of om de vlam van de begeerte als het ware uit te doven in het water van de doop. Zoals Petrus het schreef: “en dat water [– de wereldwijde vloed die de aarde compleet bedekte in de dagen van Noach –] is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus” (1 Petrus 3:21). Net zoals Noach werd bevrijd van de goddelozen, mogen wij bevrijd worden van onze innerlijke negatieve begeerten, met de rake woorden van Augustinus: “Wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af.”[5]
Dit brengt ons bij onze derde vraag:
3.Is dat alles? Of: wat komt hierna?
Is dat dan alles? Eens-gered-altijd-gered? Strikt “geloof alleen” of “doop alleen”? Geïmputeerde rechtvaardigheid dus God ziet zelfs mijn toekomstige zonden niet meer en het is in de sacoche? Neen!
Het is niet voor niets dat Christus, aan Zijn doopbevel toevoegde: “(…) en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb” (Matteüs 28:20a) en het is niet voor niets dat er in onze tekst uit Handelingen, nádat de drieduizend bekeerlingen gedoopt werden, staat: “Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed” (Handelingen 2:42).
En, lees maar, Noach werd dronken nádat hij door middel van het water werd gered van de goddelozen (Genesis 9:21), het Oude Israël liet zich als het ware dopen onder Mozes en ook zij aten en dronken allemaal het geestelijke voedsel en de geestelijke drank toen zij door Mozes door de woestijn werden geleid. Toch wees God de meesten van hen hierna af omdat ze uit waren op het kwade, afgoden dienden, ontucht pleegden, Christus tartten en in opstand kwamen (1 Korintiërs 10:1-13). “Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen” (1 Korintiërs 10:11).
Ook Johannes schreef hetzelfde: “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid (…) Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven. En dit is de belofte, die Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven” (1 Johannes 2:17,24-25, NBG51).
Ook Paulus schreef in dezelfde trant over “(…) de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God. Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (Romeinen 2:5-12).
Já, er is genade voor eenieder die na zijn doop zondigt, deze zonde belijdt en zich hiervan bekeert. Maar we mogen niet met de genade van God spelen. Het is geen 'vrijgeleide om te blijven zondigen' (Romeinen 6), zoals sommige “geweldige predikanten die je zo graag hoort preken”, zonder schroom verkondigen.
De psalmist schreef ons ter stichting: “Zondaars hebben voor mij een net gespannen, maar ik wijk niet af van uw regels. Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit, ze zijn de vreugde van mijn hart. Met hart en ziel ben ik bereid uw wetten uit te voeren, eeuwig, tot het einde toe” (Psalm 119:110-112).
Blijft de weg van zelfverloochening met en voor Christus, die gij allen gekozen hebt, dus steeds voor ogen houden, “kinderkens, wacht u [of hoedt u] voor de afgoden” (1 Johannes 5:21) en blijft dit altijd doen. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 19 oktober 2025.
[1] Ernst Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, vert. R.J. Diepersloot (BH Culemborg: Internationale Bijbelbond, 1978), 64, cf. Roland Kenneth Harrison, Introduction to the Old Testament (Grand Rapids, Michigan: William B. Eerdmans Publishing Company, 1969), 764-800.
Zit het kwade al in de mens? - Een korte overdenking
Ja, mensen kunnen er ook voor kiezen om het kwáde te bedenken. Maar… zit het kwade dan niet in de mens ingebakken? Staat er niet geschreven: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?” (Jeremia 17:9). Toch mag je daarmee naar de Heere gaan, getuige de cóntext: “Ik, de Here, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden” (10). “Gezegend is de man die op de Here vertrouwt, wiens betrouwen de Here is; hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen.” (7-8). Een positieve keuze is dus ook mogelijk. Het hart is niet van nature verdorven, de jeugdige “jaren des onderscheids” waarin zondige keuzes gemaakt kunnen worden, zijn niet de kinderjaren; “de jaren des onschulds” (Gen. 8:21[1], Jer. 22:21[2], Matt. 19:20[3], etc.). Let ook op de Griekse tekst die veel beter in de context past: “Het hart is dieper dan alles, de mens is dat ook, wie zal hem kennen?”[4] (9). De Heer doorgrondt het hart en toetst de nieren, om aan ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden (10), niet naar de zogezegde vruchten van Gods eigen daden, Zijn eigen schepping, het werk van Zijn handen. Veel vormen van godslastering doen de ronde, verpakt als vroomheid. Kortom, zoals Jakobus het verwoordde: “Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort. Dwaalt niet, mijn geliefde broeders. Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.” (Jakobus 1:13-17, mijn nadruk) of zoals onze Heer het verwoordde: “van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen[5]” (Marcus 7:21b). “Overwegen”, “overleggen”, zijn allemaal dingen die in het hart van de mens gebeuren, waarin hij zelf keuzes maakt.
06-07-2025
Zien en verwachten (deel 2)
Voordienst: Ezechiël 1:26-2:2
Eventjes herhalen…
Vorige week heb ik een inleiding gegeven over de priester en profeet Ezechiël en over het gelijknamige Bijbelboek. Ik sprak over het feit dat het boek Ezechiël begint met de hemel die open is en dat het boek eindigt met een paar geweldige hoofdstukken die beschrijven hoe er een stroom van levend water komt uit het huis Gods. En we lazen ook over dat prachtige beeld van de tempel die hersteld wordt.
Het laatste vers van het boek Ezechiël eindigt met: “en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar.” (Ezechiël 48:35b).
Ezechiël begon met een open hemel en met visioenen van Godswege. Bovendien hebben we vorige week gehoord dat Ezechiël in Babel zat tussen een niet bepaald opwekkend gezelschap van ballingen die weinig bemoedigende woorden spraken en weinig uitzicht of perspectief hadden. Met andere woorden: ze keken om zich heen zonder hoop.
In tegenstelling tot de ballingen zag Ezechiël met geestelijke ogen. Hij kijkt verder dan wat er allemaal op aarde om hem heen gebeurt.
Wij als christenen mogen ook, om het zo te zeggen, een visie hebben zoals Ezechiël en verder kijken dan het natuurlijke. We mogen met geestelijke ogen kijken en verder kijken dan onze problemen en de gebeurtenissen die ons omringen. Ezechiël heft zijn ogen op en verheft zijn geest. Dit mogen wij als christenen ook doen.
Vorige week hebben we ook gehoord aan de hand van het verhaal van de tien verspieders dat je beter oppast met kwade geruchten die verspreid worden zomaar te geloven. We zagen ook hoe belangrijk het is dat twee mannen, namelijk Jozua en Kaleb, zich niet lieten besmetten door die kwade geruchten. Van één van die twee mannen, namelijk van Kaleb, wordt gezegd:“hij had een ándere geest” (Numeri 14:24). Dat was zijn geheim. Goed, dit was de herhaling, nu naar het tweede deel, deze preek.
“Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon; en daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens” (Ez. 1:26). Het eerste wat Ezechiël in het roepingsvisioen ziet, is een troon. Dat is ook zo énorm belangrijk voor ons in deze tijd. Wat zie je, zie je alleen maar negatieve omstandigheden of zie je nog steeds die troon en Hem Die erop gezeten is?. Een troon betekent: er wordt geregeerd. De troon vertegenwoordigt het koningschap, de heerschappij van God.
Ook als een andere profeet; profeet Jesaja geroepen wordt, is het eerste wat hij ziet: een troon: “Ik zag de Here zitten op een hoge en verheven troon” (Jesaja 6:1). Ook zien we dit bij Johannes op Patmos gebeuren: “Terstond kwam ik in vervoering des geestes en zie, er stond een troon in de hemel en iemand was op dien troon gezeten” (Op. 4:2). Straks zullen we hetzelfde vernemen van profeet Daniël. Ezechiël stond hier dus niet alleen in. ‘t Was geen inbeelding. Er stáát een troon in de hemel.
Dat is een belangrijk feit om mee te nemen, ook als we moeilijkere situaties tegemoet zouden gaan. Neem dit feit steeds mee, ook voor jou persoonlijk. Zo zag Stephanus Jezus, de Zoon des Mensen, ter bemoediging opstaan van Zijn troon, vlak voordat hij, omwille van Zijn vertrouwen in en trouw aan Die Christus, gestenigd zou worden (Handelingen 6-7): “Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol van den heiligen Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods. En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods” (Handelingen 7:54-56).
God wil een volk hebben, dat beschikbaar zal zijn, dat gaat denken en gaat streven vanuit de troon van God en vanuit “het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN” (Ez. 1:28), net zoals Stephanus niet keek naar de knarsetandende menigte die hem weldra zou stenigen omdat ze Christus haatten maar naar “de heerlijkheid Gods en Jezus [Christus]” Zélf (Handelingen 7:55)! Zo ook Ezechiël. Noch Ezechiël, noch Stephanus, noch Christus als Mens, noch God Zelf waren afhankelijk van die tempel in Jeruzalem of van de mensen die op godsdienstig of wereldlijk vlak heersten en hun goedkeuring al dan niet gaven (2 Koningen 24:8-17, Handelingen 6-7).
Ezechiël zit in een schrijnende ballingschap met mopperkonten rondom hem maar hij ziet op naar de troon, en op die troon die "Gedaante van een Mens". Hij ziet niet zomaar iets, die troon is ook niet leeg, maar op die troon zit de Gedaante van een Mens, een Mensenzoon. De troon is bedoeld voor de Mens, voor de Godmens Jezus Christus. Zoals profeet Daniël, trouwens een tijdgenoot van profeet Ezechiël, dit al zó lang op voorhand had voorspeld over Christus: “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot den Oude van dagen, en men leidde hem voor dezen; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is” (Daniël 7:13-14).
Je ziet doorheen deze Oudtestamentische profetische geschriften, doorheen de evangeliën, handelingen, de brieven en Openbaring eenzelfde overlappende boodschap: Ondanks zware vervolging of schrijnende geloofsafval, komt de heerschappij de Oude van dagen en de Zoon des mensen toe.
Het grootste gevaar dat bestaat is dat je hoop en verwachting op een bepaald moment dooft. Zo was het ook met de meeste ballingen; hun hoop en verwachting was uitgedoofd. Als Ezechiël daar te midden van de ballingen zich door de uiterlijke dingen had laten leiden, was er van zijn geloof en trouw niet veel overgebleven.
Over die ballingen was het klimaat van de dood uitgespreid. In het Hebreeuwse denken zijn ballingschap en dood nauw met elkaar verweven. Die twee begrippen worden naast en door elkaar gebruikt. Als iemand in ballingschap zat, zat hij eigenlijk ook in het dodenrijk. Dan had hij geen leven meer; hij was verstoten van God en verstoten van de tempel, zo sprak bijvoorbeeld ook Jona in de buik van de vis (Jona 2:2-9). Met andere woorden: de balling was buiten het land, om het zo te zeggen: buiten het domein van God. Dan was hij inderdaad ellendig, zo zonder land, buitengesloten.
Hier zit voor ons een mooie geestelijke les in: we zijn allen persoonlijk verantwoordelijk om in het reine met God te blijven en om ons, waar nodig, te bekeren. Maar het mooie hieraan is, onder andere, dat deze persoonlijke relatie in de eerste plaats niet afhankelijk is van externe factoren.
Staar je dus niet blind op het natuurlijke, hoed je voor achterklap, tegenslagen of negatieve omstandighedenmaar blijf met geestelijke ogen;metde ogen van de heilige Geest kijkenen blijf wandelen met en in de Geest, ongeacht teleurstellingenoftegenvallenderesultaten.
Laat tegenslagen je ook niet verbitteren, verharden, liefdeloos of gevoelloos maken. Blijf wandelen met God, blijf verbonden met die troon. Dan zal je zijn zoals de barmhartige rechtvaardige: “Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op den HERE; zijn hart is standvastig, hij vreest niet, terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet” (Ps. 112:7-8). Christus’ heerschappij in jouw leven, daar gaat het om. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 6 juli 2025.
Gebaseerd op: K.D. Goverts, Van Hart tot Hart en andere studies.
Categorie:Preken
29-06-2025
Zien en verwachten
Voordienst: Ezechiël: 1:1-4, 1:26-2:2
Lieve gemeente, tijdens de voordienst heeft u reeds gehoord over hoe Ezechiël visioenen van Godswege ontving. Of de heilige Geest of de Logos, het Woord; dat is Christus voor Zijn menswording, kwam tot hem en hij mocht God in visioenen aanschouwen (vers 3). Over dat aanschouwen of zien gaan we het straks hebben maar ik ga allereerst beginnen met jullie even een korte inleiding te geven over de priester en profeet Ezechiël en het gelijknamige boek.
Als we deze profeet Ezechiël bestuderen, dan is het opvallend hoe hij begint en hoe hij eindigt. Het boek Ezechiël begint met de hemel die open is en het eindigt met een paar geweldige hoofdstukken. Zo gaat er een stroom van levend water komen uit het huis Gods. Hier heb ik het recentelijk al twee maal over gehad tijdens mijn preken, geloof ik. En we lezen daar ook over dat prachtige beeld van de tempel die hersteld wordt. Het laatste hoofdstuk van Ezechiël eindigt met een stad. Dit is tevens bij mij een motief dat geregeld terugkomt, ook bij Augustinus trouwens.
Het laatste vers van het boek Ezechiël eindigt met: “(…) en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar” (Ez. 48:35).
Dát is het hoogtepunt: díe tempelstad. Dat is de stad, waar God Zélf tegenwoordig is. Ezechiël heeft dat allemaal mogen zien. Het boek Ezechiël eindigt trouwens op dezelfde manier als het boek Openbaring. Ook het boek Openbaring eindigt met een stad: het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel. Ook in die laatste hoofdstukken van het boek Openbaring is sprake van een rivier des levens. En langs die rivier staat het geboomte des levens, dat zal zijn tot genezing van de volken. Hier had ik het trouwens onlangs ook over.
Ezechiël heeft geweldig vér mogen schouwen. Hij heeft die stad en die tempel mogen beschrijven. Hij heeft geschreven over het herstel van het paradijs van God.
We moeten er eens op letten, hoe het boek Ezechiël begint. Dat is van groot belang, want als we willen eindigen waar Ezechiël eindigde, moeten we ook beginnen, waar Ezechiël is begonnen.
Ezechiël begint met:
“In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege” (Ez. 1:1).
Ezechiël zegt: “Ik zag gezichten van Godswege.” Het begon bij Ezechiël dus met zíen. Dat is ook wat Jezus zegt tot zijn eerste discipelen: gij zult grotere dingen zíen. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zíen” (Joh. 1:52b).
Ook in het vierde vers van Ezech.1 komt dat weer naar voren: “En ik zag en zie” (Ez. 1:4)
Ezechiël begon met de hemel open te zien, hij begon met de visioenen te aanschouwen. En dan staat er zo mooi bij: “van Godswege”.
De plaats waar dit allemaal gebeurde wordt ook genoemd, en dat is toch wel heel opvallend: “toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was” (Ez. 1:1).
Ezechiël was in Babel en om hem heen zat een niet bepaald opwekkend gezelschap: die moeilijke mensen die in ballingschap zaten. Over deze mensen straks meer maar bovendien was het ook nog in het begin van de ballingschap. Dat staat er ook bij: “het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin” (vers 2).
Die ballingschap was dus nog maar net begonnen, ze hadden nog heel wat jaren te gaan. Je kunt je voorstellen, dat je daar aan die rivier de sfeer wel kon snijden. Die ballingen zullen over het algemeen elkaar niet bepaald bemoedigend hebben toegesproken: “Komen we hier nog ooit vandaan? Denk jij, dat het nog beter wordt? Nee, volgens mij kan het alleen nog maar minder worden. We moeten onze tijd hier uitzitten; laten we het beste er maar van zien te maken.”
Tevens vertoefde Ezechiël tussen deChaldeeën in(Babylonië). Zij waren sterrenwichelaars en astrologen. Waarschijnlijk vereerden de Chaldeeën de maangod Sin en nog vele andere goden. Dus Ezechiël zat tussen klagende en morrende mensen en tussen afgodendienaars. We kunnen het dus een beetje met onze tijd vergelijken.
Maar Ezechiël ziet vérder: hij zag die nieuwe tempel, hij zag die rivier van levend water. Hij zag niet enkel het fysieke met zijn fysieke ogen. Hij staarde zich niet blind op die ballingen maar keek met geestelijke ogen.
Die ballingen hadden allemaal hun harp aan de wilgen gehangen en zeiden: zingen kunnen we niet meer (Psalm 137:1-4). Einde verhaal. Maar de priester Ezechiël kijkt vérder. Hij kijkt vérder dan wat er daar allemaal op aarde om hem heen gebeurt. Ezechiël wil zien en er gaat een hemel voor hem open.
Ook als christenen mogen we visie hebben. Niet “volgens het boekske” – een “Amerikaans” businessplan –, wel volgens hét Boek, niet volgens wat we fysiek kunnen zien maar de hopen, wensen, dromen en inspiratie die we kunnen zien dankzij de Geest. Hetgeen we ons kunnen voor inzetten, ongeacht het natuurlijke, net zoals Ronny in de jungle, tussen de koppensnellers een heel christelijk dorp uit de grond stampte terwijl wereldse en geestelijke leiders zeiden dat dit onmogelijk was. Ongeacht de resultaten tóch verder doen met datgene waar je innerlijk van overtuigd bent.
Ezechiël zit daar in het land van de Chaldeeën aan de rivier de Kebar; dat was bepaald geen rivier met het water des levens. Maar Ezechiël gaat zijn ogen opheffen, hij gaat zijn geest verheffen. En God gaat hem de toekomst tonen; het patroon waarop hij zijn leven mag ijken. Ezechiël leefde van wat God hem liet zien. En ook wij mogen leven van wat God ons gaat tonen, dat ijkpunt of die blauwdruk: een stad, tempel of hemel. Dat is de kracht van je geloof, dat is je geheim, dat is je toekomst of eind- of streefdoel.Staar je dus niet blind op het natuurlijke maar blijf met geestelijke ogen; ja, met de ogen van de heilige Geest kijken.
Laat je niet meeslepen door datgene, wat je om je heen ziet en door wat je allemaal op je af ziet komen. Hoed u voor achterklap en voor geruchten. Kijk met ándere ogen.
Als de tien verspieders uit het Beloofde Land terugkomen, staat er: “De mannen nu, die Mozes uitgezonden had om het land te verspieden, en die, toen zij teruggekomen waren, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren door een kwaad gerucht over het land te verspreiden” (Numeri 14:36). En dan valt het op, hoe besmettelijk zo'n gerucht werkt en kan gebruikt worden in de geestelijke wereld. Tien mannen verspreiden een kwaad gerucht dat zich over het héle volk verspreidt en bijgevolg wordt het héle volk terneergeslagen.
Machiavellisme is trouwens een persoonlijkheidstrek waarbij iemand bereid is anderen te manipuleren en te misleiden om eigen doelen te bereiken, vaak zonder rekening te houden met ethiek of moraliteit. Sommige mensen hebben dit soort of vergelijkbare trekken. Dit komt ook voor in kerken. Wees niet goedgelovig.Bij die tien verspieders werd er een kwaad gerucht verspreid met alle nefaste gevolgen vandien – die God echter wel tegenwerkt (vers 38) –, maar dan zie je daar ook, hoe belangrijk het is, dat daar dan twee mannen dwars tegenin gaan. Die twee lieten zich niet beïnvloeden door het gerucht dat verspreid werd. Van Kaleb wordt dan gezegd: hij had een ándere geest (vers 24), dat was het geheim van Kaleb.
Als je het boek Ezechiël verder leest, bemerk je ook, hoe verschrikkelijk Ezechiël werd aangevallen. Dat was geen wonder, want die man was ziener. Dat zie je altijd weer: zieners; profeten die een hervorming moeten brengen, krijgen altijd de zwaarste klappen. De vijand wil dat ogen gesloten blijven. De duivel houdt er niet van, als een mens méérziet dan wat zogezegd normaal of de norm is. De schijnheilige status quo moet behouden blijven. En velen lopen hiermee mee want ze willen niet dat ze scheef zouden bekeken worden of dat er over hen geroddeld zou worden: hij is té extreem, zij is té charismatisch, zij nemen hun geloof té serieus,…
Zo echter niet Ezechiël. Hij zit te midden van de ballingen en tóch mag hij zijn mond niet houden. God Zélf is deze mening blijkbaar toegedaan. Hij staat er zelfs helemáál achter (!):
“Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van Mij afgevallen tot op deze eigen dag; zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here Here. En zij, of zij horen dan wel het nalaten – want zij zijn een weerspannig geslacht – zullen weten, dat er in hun midden een profeet is geweest. En gij, mensenkind, wees niet bevreesd voor hen noch voor hun woorden, al groeien er netels en doornen bij u en al woont gij bij schorpioenen; wees niet bevreesd voor hun woorden noch beangst voor hun blik, want zij zijn een weerspannig geslacht. Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn weerspannig. En gij, mensenkind, hoor wat Ik tot u zeg; wees niet weerspannig gelijk het weerspannige geslacht; doe uw mond open” (Ezechiël 2:3b-8a).
Volledig in lijn met Ezechiël, schrijft de Psalmist ook over de barmhartige rechtvaardige: “Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op de HERE; zijn hart is standvastig, hij vreest niet, terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet.” (Ps. 112:7-8).
En ook Jeremia heeft over dit thema gesproken: “Wij hebben het gerucht ervan gehoord, onze handen zijn verslapt; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende” (Jer. 6:24). En: “(…) opdat uw hart niet week worde en gij vreest bij het gerucht dat in het land gehoord wordt; er komt in het ene jaar het ene gerucht en daarna in een ander jaar het andere; geweld is in het land, heerser tegen heerser” (Jeremia 51:46). Hij zei dus: “In het ene jaar hoor je misschien dit gerucht, in het volgende jaar hoor je dat gerucht maar pas op, dat je hart dan niet week wordt.”
Het principe geldt zeker nog steeds voor onze tijd. Als je naar het nieuws luistert of de krant leest, denk je al gauw: er is geen perspectief meer, alleen maar oorlog: “heerser tegen heerser”, onrust, opstanden, jacht naar geld,... We zien heel wat stormen om ons heen. Maar focus niet overdreven op die kwade geruchten. Laat ze je niet blind maken of je energie leegzuigen. Wees niet uitgeblust zoals de ballingen maar kijk met hoop en verwachting en wandel in de Geest. Doe wat je kunt.
Daarstraks zei ik het ook al: staar je niet blind op het natuurlijke maar blijf met geestelijke ogen; ja, met de ogen van de heilige Geest kijken. Blijf kijken naar de toekomst of het eind- of streefdoel. We mogen allen onze talenten inzetten en meewerken aan het feest van het Koninkrijk.
We behoren daarbij niet afgunstig te zijn zoals de oudste zoon in de parabel van de verloren zoon; “zij doet meer, hij doet minder” of proberen of beweren de hoogste te zijn (cf. Lukas 22:24-27 etc.) maar laten we de ander hoger achten dan onszelf en laten we gewoon onze talenten onzelfzuchtig gebruiken (cf. Filippenzen 2:1-8ff) hoe of op de manier waarop we ons specifiek geroepen voelen.
Staar je dus niet blind op het (schijnbaar) natuurlijke, hoed u voor achterklap, tegenslagen of negatieve omstandigheden maar blijf met geestelijke ogen; met de ogen van de heilige Geest kijken en blijf wandelen met en in de Geest, ongeacht teleurstellingen of tegenvallende resultaten. Onthoud dit en pas het toe. Meer vertel ik je volgende week. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 29 juni 2025.
Gebaseerd op: K.D. Goverts, Van Hart tot Hart en andere studies.
Categorie:Preken
08-06-2025
Herschepping
Voordiensttekst: Ezechiël 37:1-10 (NBG51).
Het is vandaag Pinksteren. Al van in het prille begin van de Bijbel lezen we dat de Geest van God nauw betrokken was bij de schepping: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren” (Genesis 1:1-2). De Geest Gods schept en geeft leven maar Hij herschept ook en geeft ook het leven weer, zoals je deze ochtend al uit de profeet Ezechiël hebt gehoord. Dit zien we ook in een ander beeld uit de profeet Ezechiël, precies tien hoofdstukken verder. Dit beeld gaat over de tempelbeek. Ik vernoemde het onlangs tijdens een preek over Jezus’ verschijning aan het meer van Tiberias. Zoals ik toen al zei, doelt Ezechiël hier inderdaad op de overvloed van Gods genade, die de wereld leefbaar maakt.[1] Beeld je dit beeld even in:
“Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis [dat wil zeggen: naar de ingang van de tempel]; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant.
Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels. Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen. Hij mat nog eens duizend (el); nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden.
Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek. Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen. Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt (het water van de zee) gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven. Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglaïm; het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn, zoals de vissen van de grote zee, zeer talrijk. Maar de moerassen en poelen ervan zullen niet gezond worden; zij zijn aan het zout prijsgegeven.
Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel” (Ezechiël 47:1-12)
Zoals ik al zei in die voorgaande preek, doelt Ezechiël hier inderdaad op de overvloed van Gods genade, die de wereld leefbaar maakt; wéér leefbaar. Het water – symbool van de Heilige Geest – stroomt uit de tempel, niet alleen geeft het leven aan de vissen in de rivier, het geeft zelfs leven aan de omgeving: “Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt” (Ezechiël 47:12a). Dit gaat over de rechtvaardige: “Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt” (Psalm 1:3a). “Elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel” (Ezechiël 47:12b). Die bomen; die rechtvaardigen gevuld door de heilige Geest, mogen op hun beurt vrucht dragen. Er is zó véél overschot. Waar er armoede of geen leven was, komt rijkdom of leven.
Hierbij denk ik aan twee concrete schrijnende uitzichtloze situaties die via "rechtvaardige bomen", dienaren van de Heer die gebruikt worden door de heilige Geest, weer tot leven komen:
Jullie zijn bekend met het seksueel misbruik dat decennialang heeft plaatsgevonden in de Rooms-Katholieke kerk in België. Dit kwam aan het licht dankzij "operatie kelk". Dit specifiek soort misbruik vond niet alleen plaats in de Katholieke kerk in België maar ook in de Katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en Protestantse kerken wereldwijd. Niet alleen werden de zaken decennialang toegedekt, het was zelfs zo dat de daders “gewoon eventjes” werden overgeplaatst naar parochies in verre oorden waar dingen soms nog harder konden worden toegedekt. Zo werden bijvoorbeeld Anglicaanse en Katholieke geestelijken die schuldig waren aan zulke vergrijpen, overgeplaatst naar de Filippijnen.
Onlangs heeft St Christopher’s Anglican Church, een traditionele, onafhankelijke Anglicaanse kerk in de Filippijnen hier weerwerk tegen geboden. Naar ik verneem, doen zij daar prachtig werk. Zij helpen de armste kinderen uit de armoede en voorzien hen die misbruikt zijn door priesters en door andere "geestelijken" van professionele psychologische hulpverlening. Waar de duivel het water dat uit de tempel vloeit, probeerde tegen te houden, ja, als het ware probeerde te vergiftigen, breekt de heilige Geest tóch door!
Een ander voorbeeld in die uithoek van de wereld is het werk van Ronny Heyboer in Borneo. Waar kinderen voor dood werden achtergelaten, van eten verstoken, bouwde hij een plaats waar er werd voorzien voor die kinderen zodat zij weer tot bloei konden komen. Waar mensen arm en nagenoeg dood waren, kwam er tóch weer rijkdom en leven. Het water uit de tempel, de heilige Geest, doet bomen groeien, die bomen dragen vrucht en dragen zo op hun beurt nieuw leven uit.
Zo blies Jezus op Zijn leerlingen; zij ontvingen de heilige Geest en werden op hun beurt uitgezonden om herstel te brengen: “[Jezus] dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” (Johannes 20:21-23).
Een mooie uitwerking hiervan kan je trouwens lezen in Handelingen hoofdstuk 2: de heilige Geest komt daar onder andere op Petrus, hij roept hen die, menselijk gesproken, schuldig zijn aan het bloed van Christus, op tot bekering en onderwerping aan Christus, opdat zij vergeven en behouden zouden worden (Handelingen 2:1-40). “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd” (Handelingen 2:41). Waar er schuld was, kwam er vergeving en herstel.
Ook wij mogen al deze christelijke voorbeelden, van bij de Oudtestamentische profeten, doorheen de kerkgeschiedenis tot nu, navolgen! Ook wij mogen herscheppen; nieuw leven brengen!
Denk je dat je geen specifieke roeping hebt of heb je die nog niet ontdekt? Volg je passie, je talenten: waar wil jij een verschil maken? Waar ben jij goed in? Doe mee aan de herschepping van deze wereld: aan de kant van Jezus dat wat gebroken is weer heel maken. Hiertoe geef ik je nog drie korte Bijbelpassages mee:
“Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem. De heerlijkheid des Heren zij tot in eeuwigheid, de Here verheuge Zich over zijn werken” (Psalm 104:30-31). “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (Epheziërs 2:10). “Mij [, zegt Christus,] is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding [en: tot aan de uiteinden] der wereld” (Mattheüs 28:18b-20). Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 8 juni 2025.
[1] Kees van Dusseldorp, “Johannes 21:1-14,” keesvandusseldorp, laatst aangepast op 14 april 2013, https://keesvandusseldorp.com/2013/04/14/johannes-211-14/.
Categorie:Preken
18-05-2025
Alleen God heeft de macht over de wereld
Voordiensttekst: Psalm 31:14-25 (NBV21).
Goedemorgen allemaal,
Tegenwoordig hoor je overal om je heen zeggen: “Wat leven we toch in een vreemde wereld!” Overal zijn er oorlogen: in Soedan, Congo, Rwanda, Israël en Gaza, Oekraïne, Rusland, Pakistan en India! Tegen volgende week zijn er misschien weer andere gebeurtenissen waar we nu nog helemaal geen weet van hebben. De wereld verandert tegenwoordig énorm snel.
Hoe zat dit dan vroeger? Onlangs las ik een verhaal van de geschiedschrijver Titus Livius waarin, opgestookt door elkaars heersers, de Romeinen en Albanen, twee volkeren in Italië die ondertussen reeds met elkaar verwant waren, op een gegeven moment als het ware “als sport” of “wed-strijd” tegen elkaar zouden vechten.
Livius beschreef dit als volgt, door de mond van een gezant of officier van de Albanen: “Vermits we echter niet tevreden zijn met een verzekerde vrijheid en de onzekere kans op gezag of onderworpenheid willen wagen, laten we dan, met de gunst van de goden, een of ander middel zoeken om, zonder groot onheil of zonder te veel bloed te vergieten aan welke zijde ook, uit te maken welke van beide volkeren over het andere zal heersen.”[1]
En Livius ging als volgt verder: “Alvorens de strijd aan te gaan werd er tussen Romeinen en Albanen een verdrag gesloten, bepalend dat het volk, van wie de vertegenwoordigers in deze strijd zouden zegevieren, in rust en vrede over het andere zou regeren.”[2]
Kostbare levens werden dus letterlijk vergoten of verspild, gewoon om eens uit te maken wie nu eigenlijk over wie zou mogen heersen. En daar ging het hem nu eigenlijk om, zoals de eerstgenoemde gezant dit eerlijk zei: “Indien we de waarheid willen zeggen liever dan klinkende woorden, bekennen wij dan dat de heerszucht twee naburige en bloedverwante volkeren te wapen drijft.”[3]
Dit voorbeeld toont trouwens mooi aan hoe verdorven de mensen, in de zevende eeuw voor Christus, al geworden waren.
Inderdaad ging het, zoals vele Grieks-heidense geschiedschrijvers schreven, overeenkomstig met de Bijbelse geschiedenis, van een gouden eeuw uiteindelijk helemaal bergaf naar een ijzeren eeuw,[4] waarin “trouw, waarheid en geweten verbannen werden, hun tronen overgenomen door list, misleiding, verraderlijke plannen, brute kracht en een criminele lust naar bezit”[5] of, zoals we als christenen zouden zeggen, van de paradijselijke tuin (Genesis 1-3), waarna de aarde gevuld werd met boosaardigheid, geweld en onrecht (Genesis 6:1-12),[6] uiteindelijk naar de wereld na die grote vloed (Genesis 6-9) waaruit de mensheid nagenoeg niets heeft geleerd (Genesis 11).
Zo gebeurt het inderdaad nog steeds en het lijkt dikwijls van kwaad naar erger te gaan, getuige de vorige eeuw die véruit de meest bloederige der geschiedenis zou zijn geweest.[7] De groten der aarde willen macht, alleenheerschappij en overwinning.
Voor deze overwinningen laten ze álles gebeuren. Het lijden en overlijden van mensen, kinderen, ouderen, vrouwen etc. telt niet voor hen. Hun doel is simpelweg gebiedsuitbreiding en macht ten koste van alles. Elk excuus hiervoor lijkt wel een geldig excuus. Zo vertelde me gisteren een Rwandese broeder dat het verschil in etniciteit tussen Hutu’s en Tutsi’s gewoonweg het excuus was voor de lokale politiekers om in die streken tot genocide over te gaan en zo meer macht te vergaren.
Het lijkt allemaal wel een videogame, actiefilm of soapserie voor hen te zijn, tijdverdrijf, plezier. Broedervolkeren vechten tegen broedervolkeren: de Romeinen vochten met de Albanen, de Duitsers met de Vlamingen, de Russen vechten met de Oekraïners, de Palestijnen met de Joden, de Rwandezen met de Congolezen. Uiteindelijk zijn we allemaal broeders en zusters, of we nu wat verder familie zijn of niet. We komen allemaal van Adam en Eva, bannelingen van die gouden eeuw[8] of paradijselijke tuin (Genesis 1-4).
O ja, en aan elke kant zeggen ze wellicht meestal: “Onze oorlog is een rechtvaardige of zelfs heilige oorlog, de machthebbers aan de andere kant zijn echte duivels en psychopaten.” Zo dachten de Duitsers ook tijdens de Tweede Wereldoorlog dat ze voor een goede zaak aan het vechten waren, hoewel dit natuurlijk niet zo was. Goddeloze machthebbers hitsen hun volkeren op en manipuleren hen tot oorlog.
Deze manipulatie kan ver gaan. Als je niet meegaat in de algemene gepushte extreme ideologie of denkwijze of je weigert te knielen voor de hoogste leider en hem zelfs te aanbidden of de eer te bewijzen die alleen God toekomt, dan kun je zelfs worden gemarteld of gedood.
Eer bewijzen aan leiders is goed en zelfs Bijbels: “Iedereen moet de autoriteit van het bevoegd gezag erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. (…) Ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt” (Romeinen 13:1,7b), zo schrijft Paulus het. Het kan overigens ook zijn dat je niet akkoord bent met hoe het er momenteel aan toe gaat in de politiek, maar dan kan je nog steeds bidden voor je leiders, hen eerbiedigen en hen gehoorzamen. Als leiders echter aanbidding zouden vragen of het begaan van zonde, dan behoren we respectvol: “Neen! Bekeert u!” te zeggen.
Het boek Openbaring, waar we het vandaag over gaan hebben, werd geschreven in een tijd waarin christenen wierook moesten branden voor de beelden van de Romeinse keizers en hen zo de goddelijke eer bewijzen. Herinner u: de keizers eer bewijzen was oké, hen gehoorzamen, zolang het niet om een zonde ging, was oké. Hen aanbídden was echter níet oké. Aanbidding kwam sinds de vroegste geschiedenis van het christendom alleen de Drie-ene God toe.
Voor dit “verschil van mening”, deze “burgerlijke ongehoorzaamheid”, werden christenen dan ook vervolgd. Ook de apostel Johannes. De Romeinse keizer Domitianus had sinds het jaar 85 goddelijke verering voor zichzelf opgeëist. Hij liet zich 'dominus et deus' noemen, dat wil zeggen: heer en god. Hij had zijn ambtenaren in Efeze in het jaar 95 opdracht gegeven Johannes naar Patmos te verbannen,[9] zoals Johannes het zelf verwoordde: “Ik, Johannes, uw broeder, die door onze eenheid met Jezus net als u deel in de ellende, het koninkrijk en de standvastigheid – ik was op het eiland Patmos omdat ik over God had gesproken en van Jezus had getuigd. Op de dag van de Heer raakte ik in vervoering.” (Openbaring 1:9-10a).
Vanuit deze vervoering schreef Johannes onder andere het volgende in hoofdstuk 5: “Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizenden maal duizenden. Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid’” (Openbaring 5:11-13).
Aan het begin van deze Openbaring staat: “Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien. Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat erin geschreven staat. Want de tijd is nabij” (Openbaring 1:2-3). Hetgeen Johannes zag en beschreef, was dus een troost en bemoediging voor de vroege christenen: zijn tijdgenoten, de christenen door alle eeuwen heen, én ook voor óns. Johannes’ geadresseerden kregen weer een uitzicht en wisten dat Jezus Christus dé Heerser was – en ís – Die eenmaal terug zal komen. Ze kregen weer nieuwe hoop want ze werden opnieuw bemoedigd. Troost en hoop ondanks verdrukking. Een hoger perspectief en een toekomstperspectief. Hoe zit dat met ons?
Waarom heb ik nu gesproken over veroveraars en machthebbers? In tegenstelling tot al deze machthebbers die wilden of willen aanbeden worden, is er maar Één waardig om aanbeden te worden: het Lám: “Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid’” (Openbaring 5:12-13).
Dit Lam heeft alle macht en ziet alles wat er gebeurd: “het had zeven hoorns en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten van God, die over de hele wereld zijn uitgestuurd” (Openbaring 5:6c). Niet alleen ziet Het alles en weet Het alles, Het heeft zelfs Zijn leven voor ons gegeven: “Het zag eruit als een lam dat geslacht was” (Openbaring 5:6b).
Dit Lam krijgt, als rechtvaardige Ontvanger, de boekrol van de Allerhoogste (dat is: God de Vader) en mag dus heersen en oordelen: “Het lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand. Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het lam neer. Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen. En ze zetten een nieuw lied in: ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken. Want U bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal. U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt. Zij zullen als koningen heersen op aarde’” (Openbaring 5:7-10).
Inderdaad verschuift in ons vijfde hoofdstuk van Openbaring de focus van de aanbidding van God de Vader naar de aanbidding van de Verlosser: Zijn Zoon Jezus Christus. Dat is immers helemaal niet erg of helemaal geen afgoderij, aangezien Jezus Christus het Woord, de tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid is.
Opnieuw is Johannes hier getuige van de Here Jezus Christus. Christus, Die in dit visioen zowel wordt gezien als het waardige Lam van God Dat Zijn leven reeds gegeven had en als “de leeuw uit de stam van Juda, de telg van David,” Die de overwinning heeft behaald (Openbaring 5:5b), ís de rechtmatige Heerser van de aarde. Enkel Hij krijgt het recht, de macht en het gezag om over de gehele aarde te heersen. De lofprijs, aanbidding en wierook komen slechts Hem 24 op 24, vier seizoenen op vier seizoenen toe: “Het lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand. Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het lam neer. Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen” (Openbaring 5:7-8).
Zelfs de ganse schepping zal haar nakende verlossing niet kunnen bevatten. “Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen” (Openbaring 5:13a) zal op een dag zeggen: “Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid” (Openbaring 5:13b). Eindeloze eer, eindeloze heerlijkheid, eindeloze glorie en eindeloze aanbidding komen enkel de Vader, de Zoon en de Heilige Geest toe.
Doorheen de geschiedenis van de Kerk werden en worden gelovigen dikwijls vervolgd door degenen die over hen wilden en willen regeren. Bemoedigend voor de Gemeente toen en voor ons nu is dan te weten dat slechts één Persoon zulk een heerschappij, maar dan in de positieve zin van het woord, toekomt: namelijk het Lam van God. God had al van vooraf ingesteld dat Zijn Zoon de gehele aarde zou beërven. Omdat Hij de zonde heeft overwonnen tijdens Zijn leven en door Zijn dood, is Hij alleen bekwaam oordeel te brengen over de aarde en een volk te verlossen voor God. Wanneer deze dag komt en het oordeel ten uitvoer wordt gebracht, zal de gehele schepping voortdurend eer betuigen aan Degene die alle eerbied waardig is: het Lam, dat werd geslacht.
Dus hoe vreemd de wereld en machthebbers ook mogen regeren en gebiedsuitbreiding mogen willen ten koste van andere mensen, voor meer geld en macht, we weten dat er maar één Iemand is Die de heerschappij heeft. Laat dit een geruststelling zijn voor ons wanneer we al de vreemde dingen zien of horen gebeuren. Eens komt alles goed. Hoe groot je moeilijkheden en lijden ook zijn, uiteindelijk komt het goed.
Gods plan gaat dóór! Deze wereldgeschiedenis gaat ergens heen. Niet naar de ondergang, plotseling of langzaam uitdovend. Maar naar het doel dat God haar gesteld heeft. Het zal úitkomen, wat de Bijbel zegt. De heiligen en gelovigen zullen regeren met Hem – hopelijk u en ik dus ook. Al het kwade zal verdwijnen.
Gods nieuwe wereld zal komen. Het nieuwe Jeruzalem. Daar staat de troon van God en het Lam. Daar zal God alles en in allen zijn. Het Lam heeft overwonnen en zal als Overwinnaar ultiem heersen in onderwerping aan Zijn Vader Die alles aan Hem zal onderwerpen (1 Korintiërs 15:27-28) omdat Het Zich vernederde. Laten we Zijn voorbeeld navolgen en de overwinning onder Hem behalen.
Ik sluit af met iets wat Johannes verder nog in vervoering schreef:
“Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het lam!’ Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze wierpen zich neer voor de troon en aanbaden God met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’ (…) [Degenen die de grote verdrukking hebben doorstaan,] hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam. Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om Hem te vereren. En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen” (Openbaring 7:9-12,14a-17).
Hier mogen wij allen aan meewerken uit vrije wil en met al onze unieke talenten en interesses. We mogen zelfs een deel van deze schare gaan uitmaken, ongeacht welke gekheid er in deze wereld nog boven ons hoofd zal worden geregeld.
Laten wij dan meejuichen met het hemelse koor. Laten we het Lam aanbidden, onze Soevereine Heer Die een Mens werd, zo klein en kwetsbaar als een lammetje. Aanbid Hem, zing voor Hem, leef voor Hem. Aan Hem die zit op de troon, en aan het Lam, zij de eer en de heerlijkheid in eeuwigheid! Laten we, ieder op zijn of haar unieke manier, onze krachten dan ook inzetten voor de uitbreiding en ondersteuning van Zijn Koninkrijk, opdat allen Zijn liefde en reinwassing persoonlijk en innig, diep vanbinnen, ook in hun harten, mogen ervaren. Amen.
[1] Titus Livius, Romeinse Geschiedenis, boeken I - II - III - V. Uittreksels, vert. J. Verdyck (Antwerpen: Standaard Uitgeverij, 1971), 26. De oorspronkelijke titel van dit werk luidt: Ab urbe condita.
[2] Idem, 27.
[3] Idem, 26.
[4] Vergelijk met de verschillende auteurs hier te vinden: https://en.wikipedia.org/wiki/Golden_Age.
[5] Vertaling naar David Raeburn, Ovid: Metamorphoses. A New Verse Translation (London: Penguin Books, 2004), 11.
[6] Vergelijk met idem, 9-23 over de vier eeuwen (paradijs en teloorgang), de reuzen, de toren van Babel, de grote vloed en Deucalion en Pyrrha (Noach en zijn vrouw) de rechtvaardigen in Ovidius, Metamorphoses.
[7] Niall Ferguson, The War of the World: Twentieth-Century Conflict and the Descent of the West (New York: The Penguin Press, 2006), xxxiii-xli.
[8] Genesis 2:11?
[9] Deze historische informatie werd genomen uit: “Patmos Johannes schreef hier het laatste bijbelboek,” Bijbelse Plaatsen, bezocht op 16 mei 2025, https://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/331.
Categorie:Preken
04-05-2025
Jezus verschijnt, ook aan Thomas
Voordiensttekst: Johannes 20:19-29 (NBG51).
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus. We hebben deze ochtend al gehoord dat de Verrezen Heer Jezus de Gezalfde, nadat Hij was verschenen aan Maria van Magdala, verscheen aan Zijn leerlingen en uiteindelijk ook aan Thomas, die er oorspronkelijk niet bij was.
Jezus had kunnen zeggen: “Ach, die Thomas weer, altijd sceptisch. Hoe durft hij nu nog niet in Mij te geloven?” of: “De rest zal hem wel overtuigen.” In plaats daarvan zei Hij als het ware bij Zichzelf: “Weet je wat Ik ga doen? Ik ga nog eens verschijnen, Ik zeg: ‘Vrede zij u!’ tot hen allemaal en dan richt Ik Mij persoonlijk tot Thomas. Ik geef hem, de scepticus, zelfs fysiek bewijs; het fysiek bewijs waar hij zelf achter gevraagd heeft. Hopelijk gelooft hij dan (naar Johannes 20:26-28). Zoals u al gehoord heeft, gebeurde dit als volgt:
“En na acht dagen waren zijn discipelen weer in het huis en Tomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zeide: Vrede zij u! Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. Tomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Here en mijn God! Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.” - Johannes 20:26-29
Jezus had niet hoeven te verschijnen aan Thomas. Hij had beledigd kunnen zijn vanwege zijn ongeloof: “Gelooft hij nu nog niet na alles wat hij van Mij gezien heeft, na alles wat Ik voor hem gedaan heb?”
Maar, neen, Jezus koos voor de weg van de liefde. Als we Zijn liefde ervaren, dan groeit ons geloof, ons vertrouwen weer. Slechts één ingewilligd verzoek, één daad van liefde: die verschijning aan Thomas, was genoeg om het ongeloof waarmee hij worstelde, om te zetten in geloof.
En ditzelfde principe geldt ook voor ons. Dan kunnen we uitroepen met Thomas: “Mijn Here en mijn God!” (Johannes 20:28b). Maar dan horen ook wij Die zachte, liefdevolle, ons verbeterende Stem: “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (Johannes 20:29b). Of: “Waarom zijt gij zó bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?” (Marcus 4:40b). “Waar was uw geloof?” (Lucas 8:25b). Ook richt deze Stem ons weer op de toekomst: “Wees niet bevreesd, geloof alleen” (Marcus 5:36b).
Wat betekent dit nu concreet voor ons? Wel, ik ga een heel concreet voorbeeld noemen. Als wij zo meteen naar het avondmaal gaan, dan ontbreken er mensen. Ik ga van al deze kostbare mensen één specifiek voorbeeld noemen: X. Ze zit momenteel opgesloten in Y.
Jullie hadden allemaal kunnen zeggen: “Ach, we hebben al zo veel gebeden en we kunnen toch niets aan deze situatie veranderen.” De ene noemt dat ongeloof, de andere noemt het realisme. Of jullie hadden kunnen zeggen: “Ik zal wel voor haar bidden.” Een excuus, als je goed te been bent. En zo is dan geloof zonder werken dood (lees Jakobus 2:14-17).
Neen, wat hebben jullie gedaan? Jullie hebben jullie geloof omgezet in daden. Jullie hebben de moed niet laten zakken en hebben haar als christenen naastenliefde betoond en jullie doen dit nog steeds. Ze heeft hier al heel veel liefde uit ervaren. Waarvoor mijn oprechte dank.
Ook waren er twee dames die haar vertelden: “Geef de moed niet op. Kop op!” Dit heeft haar énorm gesterkt. Ik kan aan haar stem, aan haar lichaamshouding zien dat het al veel beter met haar gaat.
Jullie hadden kunnen zeggen: “we willen; we geloven het beste voor haar.” En jullie hadden dan in vroomheid op jullie stoel kunnen blijven zitten maar, neen, jullie hebben werken aan jullie geloof toegevoegd en het zo krachtdadig of levend gemaakt (Jakobus 2:14-17,20) en zo de wet van de Koning naar het Schriftwoord vervuld: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” (naar Jakobus 2:8). Je houdt het niet voor mogelijk welke gigantisch-positieve gevolgen uit jullie schijnbaar kleine keuzes of daden voortvloeien. Vanuit jullie moed, heeft X weer moed gekregen. Vanuit jullie geloof heeft zij weer geloof gekregen. Een vlindereffect van positiviteit uit jullie “kleine” daden.[1]
Op vergelijkbare wijze, putte Thomas geloof en moed uit die verschijning van Jezus en gaf hij, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, op zijn beurt geloof en moed aan de “Thomaschristenen” van India. Hij staat daar, onder christenen, alom bekend als “de zeer gelovige Thomas”. Ze zijn hem eeuwig dankbaar.
Geloof, hoop en liefde, deze dingen werken aanstekelijk, deze dingen blijven. De liefde is daarvan het allerbelangrijkste (naar 1 Corinthiërs 13:13). Je houdt het niet voor mogelijk welke positieve gevolgen hieruit kunnen voortvloeien.
Eén ingewilligd verzoek, één daad van liefde: de verschijning aan Thomas, was genoeg om het ongeloof waarmee hij worstelde, om te zetten in geloof en uiteindelijk miljoenen zielen te bereiken, verspreid over het gigantische Aziatische continent. Kijk hiervoor maar eens op een wereldkaart of globe!
“Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (Johannes 20:29b), zei Jezus tot Thomas, zegt Jezus door Zijn woord tot ons. Soms moeten we éérst geloven en dán handelen uit geloof en dan zullen we de goede vruchten hiervan zien.
Hier ga ik het volgende week nog uitgebreider over hebben maar kom zo meteen met deze mindset naar het avondmaal: “Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp (naar Marcus 9:24b), zodat ik mijn gesterkt geloof in U in krachtdadige daden mag omzetten en op mijn beurt Uw krachtdadige werking mag opmerken (naar 1 Corinthiërs 2:1-5; 4:19-21).”
En blijf dit dan ook toepassen. Zo kan u uw geloof en het geloof van uw broeder of zuster sterken. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 4 mei 2025.
[1] Corlijn de Groot, “Chaostheorie: kan een vlinder een orkaan veroorzaken?,” NPO Kennis, laatst aangepast op 26 april 2024, https://npokennis.nl/longread/7959/chaostheorie-kan-een-vlinder-een-orkaan-veroorzaken, bezocht op 2 mei 2025. Merk op dat het voorlaatste filmpje (“Zo werkt het vlindereffect”) eigenlijk draait om de invloed van vrijewilskeuzes.