Goedemorgen gemeente, ik bid ieder van jullie alvast heel veel zegen toe bij het horen én toepassen van deze preek.
Straks zullen we inzoomen op de eerste zes verzen van het derde hoofdstuk van het evangelie van Marcus.
Maar laat ons ook even kort het vorige hoofdstuk schetsen. We beginnen met een stuk dat u nog niet heeft gehoord tijdens de voordienst.
Allereerst vergeeft Jezus hier een verlamde man, gebracht, dóór het dak, door zijn vrienden en geneest hem (Marcus 2:1-12). Het punt hier is niet de genezing zelf maar het punt is: “opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven” (10b).
De menigte verheerlijkte God (12), terwijl de farizeeën hadden gezegd in hun harten: “Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” (7).
Jezus toonde duidelijk aan dat Hij zélfs hun harten kon lezen, door hen schérp terecht te wijzen: “Waarom overlegt gij deze dingen in uw harten?” (8b). Vervolgens genas Hij de verlamde om aan te tonen dat Hij wél zonden kon vergeven, in tegenstelling tot wat de farizeeën beweerden en dat hij dus wel degelijk God is. Want, inderdaad, met de woorden van de farizeeën: “Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” (7b). Jezus won dus duidelijk dit debat aangezien Hij hun opwerping had weerlegd.
Je zou denken: de mensen zagen het wonder duidelijk gebeuren en verheerlijkten God (12), Jezus had zijn punt gemaakt (12), de farizeeën vielen op hun knieën en zeiden: “Sorry, U bent onze langverwachte Messias! Wilt U ook onze zonden, onze innerlijke ziekten genezen alstublieft?” Maar dit gebeurde, spijtig genoeg, niet. Hun hart was niet veranderd; ze waren niet tot inkeer gekomen en, bijgevolg, zeiden ze: “Waarom eet Hij met de tollenaars en zondaars?” (16b). Jezus wees hen expliciet op hun 'zonde-en-hart-probleem': “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (17b).
Nog steeds waren ze niet tot inkeer gekomen en vervolgens zeiden ze: “Waarom vasten de discipelen van Johannes en de discipelen van de Farizeeën wèl, maar uw discipelen niet?” (18b). En: “Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet mag?” (24b). Vervolgens, in het verhaal waar we nog wat dieper in gaan duiken, probeerden ze aandachtig te zien of Jezus de man met de verschrompelde hand zou proberen te genezen: “en zij letten op Hem, of Hij hem op de sabbat genezen zou, om Hem te kunnen aanklagen” (Marcus 3:2b). Onthoud dit laatste: “om Hem te kunnen aanklagen” (2b).
De hieraan voorafgaande verzen zijn zéér interessant. Jahweh had de Sabbat ingesteld. Het was dus Zíjn Sabbat, zoals we bijvoorbeeld leren uit de Tien Geboden (Exodus 20). Maar hier leerde Jezus ons twee zeer interessante lessen:
1. Jezus is, net zo goed als Zijn Vader, Heer van de Sabbat. Zo claimde Hij, wederom, gelijkheid met God: “Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat” (Marcus 2:28).
2. “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat” (27b). Of, met andere woorden: “Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden?” (3:4a).
Ook hier loopt het verhaal eigenlijk niet goed af. Wél voor de man die een verschrompelde hand had gehad; hij was namelijk genezen (5). Níet voor de Farizeeën: zij gingen onmiddellijk naar de Herodianen om Christus aan de kant te ruimen (6).
Jezus was niet tevreden met de Farizeeën. Hij was “zeer bedroefd over de verharding van hun hart” (5b). Ze hadden hun harten verhard en dit bedroefde Jezus ten zeerste. Ze waren de weg kwijt. Zij hadden gekozen om, van het pad afdwalende, hun ogen voor deze verharding te sluiten. Ze waren namelijk meer geïnteresseerd in regels en eigen roem of profijt dan in naastenliefde en daarom zochten zij constant redenen om Jezus of Zijn discipelen of die van Johannes aan te klagen. Zo trachtten zij tweespalt te zaaien. Is dat niet precies de strategie van de duivel; christenen vervolgen en hen aanklagen? (lees Openbaring 12).
Hun gedrag is precíes wat Jezus door middel van een andere parabel aankloeg toen Hij zei: “De Farizéeër stond en bad dit bij zichzelf [of zélfs: tót zichzelf[1]]: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten” (Lucas 18:11-12, mijn nadruk, mijn toevoeging). “Hij [, Jezus,] sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis” (9, mijn toevoeging), staat er expliciet bij.
Dít was dus hét probleem van de farizeeërs: de splinter in het oog van de broeder of zuster zien, maar de balk in het eigen oog niet bemerken (naar Matteüs 7:3).
Soms wordt het begin van dat zevende hoofdstuk van het evangelie van Mattheüs echter verschrikkelijk uit zijn context gerukt. Dan zeggen sommige christenen: “Je mag nooit oordelen” (1a). Ze hebben dus zeer snel hun conclusie of oordeel al getrokken.
Maar, als huiswerk mag je eens nagaan hoeveel keer er in datzelfde hoofdstuk wel niet wordt gesproken over rechtváárdig oordelen. Zo was dit oordeel van Christus zeer toepasselijk op de farizeeërs: “Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen” (5). Hij sprak van hypocrieten die eerst hún verblinding; eerst hún 'zonde-en-hart-probleem' moesten oplossen maar dán ook anderen zouden kunnen helpen met het oplossen vanhún verblinding; hún 'zonde-en-hart-probleem'. (Zo lees ik Jezus’ woorden hier alleszins zo letterlijk mogelijk.)
En zo schreef bijvoorbeeld de christen Desiderius Erasmus van Rotterdam over zijn tijd: “De wereld was volledig ingeslapen in bijgeloof. Farizeïsme heerste straffeloos. Hebzucht beschouwde men als de hoogste godsvrucht, bijgeloof heerste in plaats van de dienst aan God.”[3] De stereotiep-zachte Erasmus oordeelde. Zo ook de stereotiep-zachte Johannes de Evangelist. Zij waren niet verwijfd. Zij waren niet laf maar kaartten duidelijk de problemen van hun tijd aan. Hetzelfde gold voor Paulus, hetzelfde voor Christus. Zo liepen zij voor de religieuzen van hun tijd dikwijls in de weg en waren zij voor hen regelrechte problemen.
Het besluit van de farizeeërs was niet: hun verharde harten verzachten, openstaan voor correctie, terechtwijzing en bekering en openstaan voor naastenliefde, maar net het tegenovergestelde: verhard blijven, niet openstaan voor correctie, terechtwijzing en bekering, noch openstaan voor naastenliefde maar net mensen blijven zien als middelen die húndoel heiligen. Zij wilden namelijk slaafjes die húnregels, voor hún eigen roem of profijt, volgden. Zo werd zelfverheerlijking, in plaats van het eren van God, hun hoogste doel en werden ze een soort anti-god, een soort anti-christ, net als hun vader de duivel of Lucifer (lees Johannes 8:37-47) die zichzelf probeerde te verheerlijken maar zo naar de laagste plaats viel of nog zal vallen (Jesaja 14:3-20, Openbaring 12:7-9, 20:1-3,10).
Beste broeders en zusters; als we even naar onze eigen harten en naar onze eigen wandel of handel kijken, zien we dan niet dat ook wij soms onszelf verheffen door zelfverheerlijking, door het neerkijken of verachten van anderen? Of zijn we totaal verblind en verhard geworden?
Misschien zeg je in je hart wel: “Gelukkig ben ik niet zoals hij of zij.” En hier zit een gevaarlijke zelfverzekering in: “In mijn ogen doe ik A, B en C voor God, en niet X, Y en Z, dus heb ik duidelijk eeuwig leven.” Hoogmoedige! Ga jij oordelen over hoe God over jou moet denken en over hoe Hij over jou zal oordelen? Vandaag leef je in jouw ogen heilig maar morgen val je misschien weer in zonde. En wie weet bekeert die broeder of zuster waarop je neerkijkt zich dan:
“De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden” (Lucas 18:11-14).
“Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.” Dit zijn duidelijke, waarschuwende woorden van onze Heer Jezus Christus, die voor ieder van ons van toepassing zijn. Laten we daarom dan ook oppassen voor hoogmoed, voor het neerkijken op anderen. Laten we ook oppassen voor valse nederigheid; het niet oordelen en mensen naar de mond praten omdat we dan goede christenen lijken. Dan zijn we – net zoals de farizeeërs – eigenlijk bezig met onze eigen roem, met ons eigen profijt: we willen zo graag positief beoordeeld en aanvaard worden.
Onthoud ook: degene die het luidst roept of het meest verzekerd en charismatisch of zoet spreekt, heeft niet altijd gelijk. Het is niet omdat een groep christenen allemaal hetzelfde zeggen en zo elkaar bevestigen dat ze gelijk hebben. De meerderheid of zelfs de hele groep heeft niet altijd gelijk. Ook ik heb niet altijd gelijk en als je denkt dat ik iets verkeerd doe of denk, mag je me hier altijd op aanspreken. Dit zal niet tegen je worden gebruikt, ook al zou ik misschien niet akkoord gaan met jouw stelling of oordeel.
Bewaak uw hart voor hoogmoed, valse oordelen, valse nederigheid, valse liefde, lafheid en meeloperij. Hoed u voor verharding, wat gemakkelijk in het christenhart kan binnensluipen, en sta open voor correctie, bekering, nederigheid en bovenal voor ware naastenliefde. Amen.
[1] “πρὸς á¼αυτá½¸ν” (nadruk van mijn hand). Zo bijvoorbeeld Jay P. Green, Sr., The Interlinear Hebrew-Greek-English Bible, volume IV (Grand Rapids, Michigan: Baker Book House, 1981), 189.
[2] Geciteerd uit C. Augustijn, “Erasmus en de reformatie,” in idem et al., Erasmus: Genie en Wereld (Hasselt: Heideland - Orbis, 1971), 214.
Categorie:Preken
08-02-2026
Israël de zoon â Jezus de Zoon â zijn wij ook zonen?
Deze ochtend heeft u, tijdens de voordienst, twee Oudtestamentische Bijbelpassages gehoord. Eentje uit Hosea en eentje uit Exodus, waarop die passage uit Hosea gebaseerd is.[1] – De profeten bouwen trouwens dikwijls verder op de Thora. – In beide Bijbelgedeelten en doorheen het gehele Oude Testament wordt het Israël van toen voorgesteld als een geadopteerde zoon. “Zo wordt ons een liefdevol beeld getekend van God, de vader die de eigenzinnige zoon die Hij heeft geadopteerd, met tedere zorg omringt en grootbrengt,” weet de Schotse theoloog George A. F. Knight ons te vertellen.[2]
Het beeld van een geadopteerde zoon. Zelf heb ik geen geadopteerde zoon, wel een biologische dochter. Wat mij opvalt aan haar, is dat ze, zoals alle kinderen, een soort spiegel is. Dit leidt soms tot leuke, grappige momenten. Als ik bijvoorbeeld al eens op een bepaalde manier zucht of zit, dan doet ze dat, bewust of onbewust, precies na. Zo zie je je leuke kanten, maar spijtig genoeg soms ook je mindere kanten… Dank God hiervoor want ook dat is genade…
Doorheen het Oude Testament wordt God de 'vader' van Israël genoemd, wordt Israël 'Zijn zoon' genoemd en worden individuele Israëlieten 'zonen van God' genoemd. Niet slechts de 'zoon' of 'zonen' van de Vader maar zélfs de gelíefde 'zoon' of gelíefde 'zonen' van de Vader.[3] Ook de Hebreeuwse woorden voor 'eerstgeborene' of 'enige' werden dikwijls naar 'geliefde' omgezet in de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Het woord 'geliefde' vatte beide woorden dus samen.[4]
'Zoon van de Vader' kan zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament minstens twee betekenissen hebben: hetzij afstammeling, hetzij navolger van iemands zeden.[5] Welke van de twee betekenissen gold voor Israël?
In het Boek Hosea – zo hoorden we daarnet – werd Israël voorgesteld als een geadopteerde zoon; door de onverdiende goedheid en liefde van God geroepen uít Egypte: “Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen” (Hosea 11:1). Waarom? Zoals Mozes van God moest vertellen: “laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij díene” (Exodus 4:23b, met mijn nadruk). Dus: geliefd door de Vader, verlost uit Egypte, om die liefdevolle Vader te dienen.
Maar, dit dienen zou niet vanzelf gaan, nogmaals met Gods woorden in het Bijbelboek Hosea:
“En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij erkenden niet, dat Ik hen genas. Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten” (Hosea 11:3-4).
Hoe deed God dat dan? Hoe leerde God Zijn volk Israël lopen (halach)?
Door hen de weg (de halacha) te tonen. Met andere woorden, God leerde Israël lopen door het te leren zich te houden aan Zijn geopenbaarde wil, Zijn Wet of Thora.[6]
Spijtig genoeg was het Israël van het Oude Testament – dat wil zeggen minstens velen van de Israëlieten die destijds geleefd hebben – niet erkentelijk en dwaalde het dikwijls af richting andere stemmen, richting andere goden (Hosea 11:2-3,7).
Bemerk dan toch het contrast met de geheel positieve boodschap (of εá½-αγγÎλιον) van Mattheüs over Jezus hetwelk óók duidelijk op die oorspronkelijke passage uit het Bijbelboek Exodus gebaseerd lijkt te zijn.[7]
Mattheüs’ bedoeling was namelijk aantonen dat Jezus de perfect gehoorzame Zoon was, de perfecte vervulling van Israëls beeld van de zoon: “opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen” (Mattheüs 2:15b).
De geliefde Zoon Jezus, niet geliefd ondánks Zijn fouten maar net omdát Hij perfect gehoorzaamde en nooit van de weg afweek: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn wélbehagen heb” (Matteüs 3:17b, nadruk van mij), zei de Vader publiekelijk over Hem.
Hij kon zélfs met récht antwoorden: “Ik ben dé weg [dé halacha] en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien” (Johannes 14:6b-7, nadruk van mij). En: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf” (Johannes 14:9b-11).[8]
In Jezus kon je geloven, niet omdat Hij het zomaar zei, maar, óf vanwege Zijn werken, óf vanwege die Stem uit de hemelen, die Stem van Zijn Vader Die Hem bevestigde: “Deze is mijn Zoon, dé geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb” (Matteüs 3:17b, nadruk van mij). Er was dus reden genoeg om in Hem te geloven!
En omdat Hij de werken voordeed in alle gehoorzaamheid en duidelijk aantoonde dat Hij Die perfecte Zoon was, kon ook Hij Zelf met reden vragen: “Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren” (Johannes 14:15).
Hoe zit dat nu met ons, geliefde broeders en zusters? Zijn wij geliefde zonen en dochters van de Vader die in onze wandel en handel op Hem gelijken? Hebben wij Zijn trekken? Herkent de Vader Zich in ons?
Jezus deed niet alleen wonderen en andere vormen van gehoorzaamheid, maar Hij stelde ons het ultieme voorbeeld. Paulus zei én vroeg het als volgt:
“Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen. Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises” (Filippenzen 2:1-8).
Laten we, wanneer we zo meteen samen aan het avondmaal gaan, beslissen dit geheel getrouw toe te passen en Jezus de Weg naar de Vader geheel getrouw na te volgen. Door Zijn nederigheid en gehoorzaamheid tot de dood des kruises, heeft Hij immers Zichzelf bewezen. Hij zei met recht: “Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (Johannes 8:12b). Wij mogen zonen en dochters zijn naar adoptie én naar navolging van de Vader en Zijn geliefde Zoon. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 8 februari 2026.
[1] George A. F. Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, vert. A. Burger (Utrecht / Antwerpen: Het Spectrum, 1961), 141.
[2] Ibid., 142.
[3] Ibid., 142-143. Voor Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Abraham Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel 14e herz. ed. (Den Haag: J. N. Voorhoeve, z. d.), 238.
[4] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 142-143. Deze gedachte loopt dus ook verder in het Nieuwe Testament! Voor Oud- en Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Trommius, Nederlandse Concordantie van de Bijbel 14e herz. ed., 197.
[5] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 143-144. Enkele duidelijk voorbeelden van de tweede betekenis zijn bijvoorbeeld te vinden in Johannes 8 en Handelingen 13.
[6] Knight, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 144-145. Met dank aan professor Kathleen Abraham van de Katholieke Universiteit Leuven voor haar uitleg over Hebreeuwse radices én met dank aan postdoctoraal onderzoeker Mateusz Kusio aan dezelfde universiteit voor zijn uitleg over de Joodse en Rabbijnse denkwijzen over de halacha in zijn cursus Greek Patrology [= Griekse Patristiek]. Voor Oud- en Nieuwtestamentische verwijzingen, lees Trommius, 895-896.
[7] Lees Mattheüs 2:13-15.
[8] Knight lijkt hier ook wat op te zinspelen in idem, Christelijke Theologie van het Oude Testament, 145.
Categorie:Preken
28-12-2025
Jesaja 40: vertrouwen
Voordienstbijbeltekst: Jesaja 40:15-31 (CV).
Goedemorgen iedereen.
Je hebt het waarschijnlijk allemaal wel eens meegemaakt: het is een heldere avond. Je staat buiten, boven je schittert een heldere sterrenhemel. Het is echt prachtig en ó zo overweldigend!
Op dat moment voel je misschien hetzelfde als koning David die in de achtste psalm uitriep: “Als ik de hemelen zie, het werk uwer vingers, De maan en de sterren, die Gij een plaats hebt bereid: Wat is dan een mens, dat Gij hem zoudt gedenken, Een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?” (Psalm 8:4-5).
Wanneer je gelovig bent, dank je God: “Wat een grote Schepper bent U, Heer!” Wanneer je niet gelovig bent, voel je misschien toch nog steeds verwondering voor die prachtige sterrenhemel. Zoals koning David het schreef in de negentiende psalm: “De hemelen verhalen de glorie van God, Het firmament verkondigt het werk zijner handen; De dag roept het toe aan de andere dag, En de nacht meldt het weer aan de nacht. Geen taal en geen woorden, Hun stem hoort men niet; Toch galmen over heel de aarde hun klanken, Tot aan de grenzen der wereld hun tonen” (Psalm 19:2-5).
Als mensen kunnen wij ons verwonderen over waarom wij bestaan en bewust zijn. Deze ochtend gaan we wat dieper kijken naar Jesaja hoofdstuk veertig. Je hebt er al een stuk uit gehoord tijdens de voordienst. Jesaja nodigt ons in dit hoofdstuk uit om te zien wie God is en wie wij zijn in verhouding tot Hem.
Het volk Israël stelt deze vraag meerdere keren in het Oude Testament. Zo waren ze op een gegeven moment bijvoorbeeld reeds vijftig jaar in ballingschap. De tempel was verwoest, Jeruzalem lag in puin. Waar is dan die liefdevolle God? Deze vraag is zeer menselijke en geldt niet alleen in het verleden. Ook nu stellen we dikwijls deze vraag.
Herken je dit? We staan nu aan het einde van het jaar. Wanneer we nadenken over het voorbije jaar kunnen we met dankbaarheid terugkijken maar we kunnen ons ook afvragen: “Waar was U God? Waar was U bij ziekte, verlies of zorgen?”
De profeet Jesaja stelt vragen om de ballingen en ons wakker te schudden. Vragen die ons eraan herinneren wie God is en hoe groot Hij is. Zo vraagt Jesaja bijvoorbeeld: “Wie heeft de wateren gepeild in zijn vuist, De hemel omspannen met de palm van zijn hand; Wie het stof van de aarde in een maatje gemeten, De bergen op een weegschaal gewogen, de heuvels op een balans? Wie heeft de geest van Jahweh geleid, Wie was zijn raadsman, die Hem onderricht gaf; Wien heeft Hij gevraagd, Hem te leren, de juiste weg te wijzen, Hem kennis te brengen, en het pad der wijsheid te tonen?” (Jesaja 40:12-14).
Het antwoord op deze retorische vragen is natuurlijk dat geen schepsel in staat is om dit te doen. Geen mens, geen volk, geen geleerde. Alleen God is in staat om zoiets te doen. Wij mensen willen God zo vaak begrijpen, beredeneren of verklaren en in ons “denkdoosje” stoppen. En natuurlijk is het goed om aan theologie te doen, om de Bijbel proberen te begrijpen endergelijke zaken meer. Maar God is niet ultiem te meten. Hij blijft altijd groter dan wij en onze denkwijzen.
Dit stuk doet me trouwens denken aan Job. Misschien heeft Jesaja zich hier wel op gebaseerd. Wanneer Job God ter verantwoording riep met de woorden: “Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!” (Job 31:35b), antwoordt God Job wat later met ironie: niet God zou hem iets leren maar hij zou God zogenaamd iets mogen leren: “Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!” (Job 38:3b). God stelt hem onder andere de volgende vragen: “Wie zijt gij, die de Voorzienigheid duister maakt Door woorden zonder verstand?” (2) “Waar waart ge, toen Ik de aarde grondde: Vertel het, zo ge er iets van weet!” (4) “Wie heeft haar grootte bepaald: gij weet het zo goed; Wie het meetsnoer over haar gespannen?” (5).
God is Degene Die de natuur en de natuurwetten geschapen heeft en God is natuurlijk niet afhankelijk van menselijke kennis. Hij is net degene die harten doorgrondt en nieren peilt (Jeremia 17:10). Ja, “Het hart is dieper dan alles, de mens is dat ook, wie zal hem kennen?” (Jeremia 17:9 Grieks)[1] “Ik, Jahweh, doorgrond het hart, En peil de nieren, Om iedereen naar zijn gedrag te vergelden, En naar de vrucht van zijn werken” (Jeremia 17:10). Het is dus volstrekt logisch dat wij, Zijn schepselen die Hij geschapen heeft met een vrije wil, rekenschap zullen afleggen voor het juiste gebruik én voor het misbruik van die vrije wil die wij van Hem ontvangen hebben.
Jesaja zegt verder: “Zie, de volken zijn als een drup aan de emmer, Niet meer dan een stofje op de balans” (40:15).
Volken, koninkrijken, zogenaamde grootmachten en alle menselijke vormen van glorie zijn bij God niet meer dan een stofdeeltje op een weegschaal. Als Hij wil, doet Hij die zo weg.
De Israëlieten hadden zich laten imponeren door Babylon met zijn rijkdom en macht. Misschien zijn hun goden groter dan onze God, dachten ze. Onze God is ons vergeten of is niet bij machte om ons te redden.
Maar Jesaja geeft hier de raad om je niet te laten misleiden door grootmachten en mensen. Wat voor de wereld groot lijkt, is in Gods ogen slechts klein. En wat of wie zwak lijkt, gebruikt Hij dikwijls tóch op machtige wijze.
Denk bijvoorbeeld maar aan de zaligsprekingen uit de Matteüs- en Lucasevangeliën (respectievelijk: 5:3-10 en 6:20-23). Daar worden zij die laag en zwak zijn in de ogen van de maatschappij, toch geprezen en verhoogd.
Denk bijvoorbeeld aan de lofzang van de jonge arme onbeduidende maagd Maria die concludeert: “[Gods] barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht Over hen, die Hem vrezen; Hij toont de kracht van zijn arm, En slaat de trotsen van harte uiteen. De machtigen haalt Hij neer van de troon, Maar Hij verheft de geringen; Behoeftigen overlaadt Hij met gaven, En rijken zendt Hij ledig heen” (Lucas 1:50-53).
En dan heb ik nog niet gesproken over Oudtestamentische voorbeelden waaronder het kleine en onbeduidende slavenvolkje Israël, Hanna die geen kind kon krijgen en waar de grote ziener Samuël tóch uit ontsproot, de drie mannen die moesten buigen voor het gouden beeld van Nebukadnezar maar die God tóch redde enzovoort enzoverder.
Wij leven in een tijd waarin wereldmachten elkaar bevechten. Dat wil concreet zeggen dat het gewone voetvolk elkaar maar moeten bevechten voor mensen die zij niet persoonlijk kennen. Een tijd waarin de kranten vol staan over oorlogen en economische onzekerheden. En ook nu klinken dezelfde woorden die toen klonken: “Zie, de volken zijn als een drup aan de emmer, Niet meer dan een stofje op de balans” (Jesaja 40:15). Wat een geruststelling is dat.
God is niet onder de indruk van wereldmachten. Hij wordt niet zenuwachtig van verkiezingen of samenzweringen of van crashende markten. Hij regeert. Nog steeds. Hij heeft alles nog steeds in zijn hand. Ook jouw leven, zelfs over de dood heen. Daarom mogen we ons bij het begin van een nieuw jaar verheugen, want de grootmachten zijn bekend bij God. Zijn Zoon heeft nog steeds de sleutels van de dood en het dodenrijk (Matteüs 28:18, Openbaring 1:18b). Hij heeft nog steeds het laatste woord:
“Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan den Zoon, het leven in Zichzelf te hebben. Ook gaf Hij Hem macht, om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is. Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen; en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel.” (Johannes 5:26-29) “Wie onrecht doet, laat hem onrecht bedrijven, Wie onrein is, laat hem zich verder bevlekken; Maar de gerechte moet steeds gerechtiger, De heilige moet nog heiliger worden. Zie, Ik kom spoedig; mijn loon draag Ik bij Mij, Om ieder te vergelden naar werken. Ik ben de Alfa en Omega, De Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde! Zalig zij, die hun klederen wassen, Om recht te verkrijgen Op de Boom des Levens, En door de poorten de Stad mogen binnengaan. Maar naar buiten, de honden, De tovenaars en ontuchtigen, De moordenaars en de afgodendienaars, En alwie de leugen liefheeft en spreekt!” (Openbaring 22:11-15).
Wat er ook gebeurt en welke beslissingen er ook worden genomen op deze aardbol, Jezus is en blijft “den waarachtigen Getuige, den Eerstgeborene der doden en den Opperste van de koningen der aarde” (Openbaring 1:5a).
“Met wien vergelijkt ge Mij dan, Zegt de Heilige: op wien zou Ik lijken?” (Jesaja 40:25), schrijft Jesaja verder.
Onze menselijke neiging is om God te reduceren tot iemand die in ons denken past, tot een religieuze formule, mooi afgemeten, veilig. Maar we vergeten dat God heilig is. Maar zijn grootheid is niet bedoeld om een ongewenste afstand tussen Hem en ons te scheppen – wat dikwijls gebeurt is vanwege platonistisch filosofisch denken, menselijke redeneringen. Zijn grootheid is net bedoeld om ons te helpen op Hem te gaan vertrouwen. Daarom staan er zo veel getuigenissen in de Bijbel, bijvoorbeeld over hoe Hij Zijn volk Israël geholpen heeft in het Oude Testament.
Jesaja vraagt met profetische autoriteit: “Heft uw ogen omhoog: Zie, wie heeft dat geschapen? Wie telde hun heir, en liet het marcheren, Wie riep ze allen bij naam, Door zijn grote macht en geweldige sterkte, Zodat er niet één aan ontbrak?” (Jesaja 40:26).
God vergeet geen enkele mus en geen enkele lelie en al zeker geen enkel christenmens (Matteüs 6). Wat er ook op ons pad mag komen, wat er ook verandert in de wereld, je mag er zeker van zijn dat God steeds dezelfde blijft: ons Anker, onze vaste Burcht.
Toch blijft de concrete vraag dikwijls nog steeds: “Waarom grijpt God niet sneller in? Waarom laat Hij dit alles gebeuren?”
“Hebt ge het dan niet gehoord en vernomen:” (28a), vraagt God. “Jahweh is een eeuwige God, Schepper van de grenzen der aarde! Hij wordt moede noch mat, Zijn wijsheid is niet te doorgronden!” (28b).
Dat hebben we nodig aan het begin van het nieuwe jaar: geen antwoorden op alle vragen, maar vertrouwen op Iemand die het overzicht heeft en houdt en veel groter en machtiger is dan wijzelf. Dit moet ons dan niet leiden tot een fatalistisch: “God is toch groter, ik ben slechts een klein waardeloos wormpje of een kleine garnaal die er niet toe doet.” Neen! Het mag ons juist tot vertrouwen en vanuit dat vertrouwen in die grote God tot actie aanmanen:
“Hij versterkt den vermoeide, En verdubbelt de kracht van den zwakke. Jonge mannen worden nog moede en mat, Forse knapen kunnen bezwijken: Maar die op Jahweh vertrouwen, vernieuwen hun kracht, Slaan hun vleugels als adelaars uit; Ze lopen, maar worden niet moe, Ze rennen, maar worden niet mat!” (29-31).
Dát is vertrouwen in actie. Over dat vertrouwen sprak de Heer tot het Oude Israël de volgende tedere woorden die ook voor óns staan geschreven:
“Maar gij, Israël, Mijn dienstknecht, Jakob, dien Ik heb uitverkoren, Kroost van Abraham, mijn vriend; Dien Ik van de grenzen der aarde heb gehaald, En van haar eindpaal geroepen: Ik heb u gezegd: Gij zijt mijn dienstknecht, U heb ik verkoren en nimmer versmaad! Ge moet niet vrezen, want Ik sta u bij; Niet radeloos rondzien, want Ik ben uw God! Ik maak u sterk, Ik kom u te hulp; Ik zal u steunen met de rechter van mijn ontferming! Zie, die u bestoken, worden met schaamte en schande bedekt; Ze worden vernield en verdelgd, die tegen u strijden. Ge zult ze zoeken, die met u twisten, maar ze niet vinden; Die u bekampen, zullen vergaan en verdwijnen. Want Ik ben Jahweh, uw God, Ik houd u vast bij de rechterhand; Ik zeg u: Wees niet bang, Ik zal u helpen! Wees niet angstig, wormpje van Jakob, Israël, mijn kindje; Ik ben uw helper, spreekt Jahweh, Ik uw verlosser, Israëls Heilige!” (41:8-14).
Aan het begin van het nieuwe jaar voel je je misschien onzeker: wat gaat 2026 brengen op wereldschaal? Wat gaat er allemaal gebeuren in en rondom ons land? Blijf ik gezond? Zal ik genezen?
De toekomst lijkt soms bedreigend op wereldschaal of in onze persoonlijke levens maar wij worden in de preek van vandaag uitgenodigd om steeds op God te blijven vertrouwen. Hij heeft immers het laatste woord.
Zelfs als boosaardige leiders twisten en de wereld misschien nog verder de afgrond in helpen vanwege hun egoïstische harten, als naties vallen en miljoenen op onmenselijke wijze sterven, blijft Hij nog steeds dezelfde. Hij wordt niet moe of afgemat. Hij heeft de wereld in Zijn hand. Op Hém – en niet op mensen – mogen wij blijven vertrouwen:
“Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild! En Jahweh zal ons gedenken, Ons zijn zegen verlenen: Het huis van Israël zegenen, Het huis van Aäron zegenen, Die Jahweh vrezen zegenen, Kleinen en groten; En Jahweh zal u blijven zegenen, U en uw kinderen! Weest dan gezegend door Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt: De hemel blijft de hemel van Jahweh, Maar de aarde gaf Hij aan de kinderen der mensen. De doden zullen Jahweh niet prijzen, Niemand, die in het oord van Stilte is gedaald: Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!” (Psalm 115:11-18). Amen.
Ik wens jullie allemaal een geweldig en gezegend nieuwjaar!
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 28 december 2025.
Behalve indien anders aangegeven zijn de bijbelteksten voor deze preek genomen uit de Petrus Canisiusvertaling (Utrecht/Brussel: het Spectrum, 1948).
De bronnen die tot inspiratie van deze preek hebben gediend:
Matthew Henry, Commentary on the Whole Bible, Jesaja 40 – nadruk op Gods troostende grootheid en vernieuwende kracht.
John Goldingay, The Message of Isaiah 40–55 (Tyndale Old Testament Commentaries, 2005) – over Jesaja’s visie op Gods trouw tijdens ballingschap.
C.S. Lewis, The Problem of Pain (1940) – reflectie op lijden en Gods goedheid tijdens beproeving (past bij Jesaja 40:27-31).
Dietrich Bonhoeffer, Navolging (1937) – over vertrouwen en gehoorzaamheid aan Gods leiding, zelfs onder druk.
[1] βαθεá¿α ἡ καρδá½·α παρá½° πá½±ντα καá½¶ á¼νθρωπá½¹ς á¼στιν καá½¶ τá½·ς γνá½½σεται αá½τá½¹ν; Zo bijvoorbeeld ook bij JohannesChrysostomos, TheHomiliesofSt. JohnChrysostom,Homily 24 on Matthew (Schaff).O.a. bij de kerkvaders Irenaeus, Lactantius, Tertullianus, Cyprianus, Hippolytus, Hilarius, Ambrosius, Augustinus (in de editie van Philip Schaff) wordt deze passage steeds op Christus betrokken. Chrysostomos heeft de neiging om bij de tekst en context van de Bijbel te blijven en minder vrijheden hierin te nemen.
Ik ga de preek van deze ochtend niet te lang en niet te moeilijk proberen te maken. Wel kan het zo zijn, beste kinderen, dat het voor jullie nog een beetje moeilijk gaat zijn. Maar dat is goed want zo kan je heel veel bijleren. Wat je vandaag zal leren, kan je je héle leven meenemen. Luister dus vooral met volle aandacht!
A.Jezus: het Licht dat bij ons blijft
Om te beginnen ga ik jullie een verhaal vertellen uit het verre India. Toen de familie van mijn vrouw nog in hun vorige huis woonde in dat verre India, hadden we achter dat huis een diepe vallei met daarin een waterbron. Als het in de avond vliegensvlug pikkedonker was geworden – dat heb je daar zo rond de evenaar –, dan zag je helemaal niets meer. Het wordt daar namelijk zo vlug donker dat als je buiten een boek aan het lezen en even in je gedachten verzonken bent, dat je, om het zo te zeggen, weer wakker wordt en je helemaal niets meer kunt lezen. Het is me daar dikwijls zelf overkomen…
Maar stel je nu eens voor dat je je op dat moment in die diepe vallei bevindt waar ik het daarstraks over had, dan vind je je weg terug naar huis, op die steile heuvel, vast en zeker niet meer. Er zitten daar trouwens giftige slangen, dikke spinnen en giftige schorpioenen…
Hoe ga je dan de weg nog terugvinden? Wat ga je dan nog kunnen doen? Je kan doen wat de papa van mijn vrouw altijd deed. Hij had altijd een mijnwerkerslamp rond zijn hoofd gespannen. Hij moest de lamp maar aanzetten en hij had licht en kon gemakkelijk daar nog uren verder werken en dan rustig terugkeren naar zijn huis. In het donker was er dus doodsgevaar maar in het licht was er leven.
Op dezelfde manier hebben we daarstraks al gehoord dat er weer licht zou komen voor het volk dat al vlak voor de poorten van de dood leefde (Jesaja 9:1). Welnu, Jézus is dat Licht. Over Hém zei een engel van God tot Maria, toen Die Jezus nog in haar buik zat: “De mensen zullen Hem Immanuël noemen. Dat betekent: ‘God is met ons’” (Matteüs 1:23b). En na Zijn leven, sterven en opstanding zei Jezus over Zichzelf: “En IK BEN alle dagen met jullie, totdat de tijd van de wereld om is” (Matteüs 28:20).[1] Jezus is dus het Licht dat bij ons wil blijven, al de dagen van onze levens. Óók al de dagen van júllie levens!
B.Dit Licht geeft betekenis
Jezus was een Baby, net zoals jullie ooit geweest zijn, maar Hij maakte in héél Zijn leven, dat wel 33 jaar duurde, geen enkele fout! Hij leefde steeds in perfecte gehoorzaamheid aan God Zijn Vader. Zó is Hij ook hét perfecte voorbeeld voor jullie en zó geeft Hij ook jullie levens betekenis. Iemand Die nooit ook maar één fout maakte, Die nooit loog of bedroog, kunnen we namelijk volledig vertrouwen. En ook júllie mogen Hem volledig vertrouwen! Hij wil onze levens betekenis, licht en kleur geven!
En dan maakt het trouwens niet uit welke huidskleur jullie hebben of van welk land jullie oorspronkelijk komen en of jullie mama en papa rijk of arm zijn. Hoe weet ik dit? Omdat in de Bijbel staat geschreven dat er arme Joodse herders en rijke buitenlandse wijzen naar Jezus kwamen om voor Hem te knielen als hún Koning – daarom trouwens dat, in de (veel) latere westerse traditie van de “drie koningen” – zij stellen de wijzen uit het Oosten voor –, Caspar als Afrikaan, Melchior als Europeaan en Balthasar als Aziaat werden afgebeeld, zwart, wit en geel dus –,[2] dat Jezus afstamde van koning David – een Jood – én van Abraham – een niet-Jood – (Matteüs 1:1) – deze stamboom gaat dan zelfs helemaal terug tot Adam en Eva, de allereerste mensen (Genesis 1-11) –, dat de Bijbel niet spreekt over 'mensenrassen' maar over één 'mensenras' en één 'bloed' en dan pas over 'volken' (Genesis 1, 10-11, Handelingen 17:24-30) en dat Jezus voor íédereen – dus ook voor jóú – Zijn leven en Zijn bloed gegeven heeft aan het kruis (Johannes 3:16).[3]
Omdat Jezus Zijn leven al voor jou aan het kruis gegeven heeft – en wat kon Hij nog meer geven? –, is het duidelijk dat Hij ook jouw leven zomaar gratis en voor niets licht, kleur, smaak en betekenis wil geven. Dan wordt het als een leuk en vrolijk liedje. Dan zingt Jezus als het ware: “Yes! Ik heb mijn beste vriend of vriendin weer terug!” Dan mogen ook jullie levens echt vreugdevol, smakelijk en plezierig worden![4]
C.Dit Licht toont ons de weg
Weten jullie nog dat ik vertelde dat de papa van mijn vrouw die lamp écht nodig had om niet verloren te lopen in het donker en om niet te vallen of door een slang gebeten te worden?
Jezus is net als die lamp. Hij zei over Zichzelf: “IK BEN het licht voor de mensen. Iemand die Mij volgt, hoeft nooit meer in het donker te leven. Hij zal wandelen in het licht dat leven geeft” (Johannes 8:12). Als Jézus dat zegt, dan mogen we Zijn woorden volledig vertrouwen want Hij heeft nooit gelogen. Mag Hij ook jóúw leven leiden? Mag Hij ook de Koning van jóúw hart worden?
Hij is Die God die alle dagen met jou is en blijft (Matteüs 1:23b, 28:20), wat betekent dat Hij bij je wil zijn en blijven en je wil helpen. Hij is de Aanwezigheid van God Die heel je leven bij je wil blijven.[5] Daarom noemen we Hem 'God met ons'. Hij wil ook 'God met jóú' zijn. Daarom is de Verlosser voor jóú geboren, daarom werd de Zoon van God Mens, já, zélfs een arm Kind,[6] om de Redder van de wereld – en dus ook jóúw Redder – te worden.[7] Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 21 december 2025.
Behalve indien anders aangegeven zijn de bijbelteksten voor deze preek genomen uit de BasisBijbel.
[1] John C. Fenton, The Gospel of St Matthew (Harmondsworth, Middlesex, England: Penguin Books, 1963), 43. Cf. Robert H. Mounce, New International Biblical Commentary - Matthew (Peabody, Massachusetts: Hendrickson Publishers, 1991), 10-11 en J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs I (Nijkerk: G. F. Callenbach, 1974), 45.
[2] Cf. de (veel) latere westerse traditie van de “drie koningen”. Deze drie “koningen” werden traditioneel afgebeeld als een Afrikaan (Caspar), een Europeaan (Melchior) en een Aziaat (Balthasar). Naar alle waarschijnlijkheid kwamen de drie wijzen (of Magi / μάγοι) echter uit Perzië (vandaar hun verbasterde Perzische namen!). Toch representeren zij dus vreemdelingen of niet-Joden én rijken. De herders representeren Joden én armen. Zo zijn dus allen welkom bij Jezus de Redder van de gehele mensheid!
[3] Naar Ernst Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, vert. R.J. Diepersloot (BH Culemborg: Internationale Bijbelbond, 1978), 108, 116, 118, Daniel J. Harrington, The Gospel of Matthew (Collegeville, Minnesota: The Liturgical Press, 1991), 32-33, 46, Mounce, Matthew, 4, Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs I, 10-11, 49.
[4] Naar Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, 118.
[5] Naar Mounce, Matthew, 10.
[6] Lees Norval Geldenhuys, Commentary on the Gospel of Luke (Grand Rapids, Michigan: Wm. B. Eerdmans, 1951), 103, n. 9.
[7] Naar Geldenhuys, Commentary on the Gospel of Luke, 101.
Categorie:Preken
14-12-2025
Een inzegening van een kerkenraad
Geachte gemeenteleden,
Vandaag wordt jullie keuze, die jullie individueel gemaakt hebben met een rein geweten voor het Oog van God, officieel bevestigd. Daarom mag ik zo meteen, ook voor Gods Aangezicht, een zegen uitbidden over deze mensen die zich kandidaat hebben gesteld én door jullie verkozen zijn tot leden van de nieuwe kerkenraad.
Maar allereerst mag ik hen een korte aanmoediging meegeven. Luister dus goed! Ik lees u voor uit de eerste brief van Paulus aan zijn leerling Timoteüs, het derde hoofdstuk, vanaf vers acht:
“Ook een diaken [alsook een diacones] moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn; hij moet vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten. Ook hij moet eerst op zijn geschiktheid worden getoetst; pas daarna, als blijkt dat hij een onberispelijk mens is, kan hij zijn dienst verrichten. Dit geldt ook voor de vrouwen: ook zij moeten zich waardig gedragen, ze mogen niet kwaadspreken en moeten sober en in alles betrouwbaar zijn. Een diaken mag maar één vrouw hebben en moet goed leiding geven aan zijn kinderen en zijn huisgenoten. Degenen die hun dienst goed verrichten, verwerven aanzien en kunnen door hun geloof in Christus Jezus vrijuit spreken” (NBV).
Bemerk hier enkele dingen. Verkozen worden tot de kerkenraad, houdt voornamelijk plíchten in: oprecht zijn, je waardig gedragen, betrouwbaar zijn, niet roddelen, niet voor eigen winstbejag gaan, trouw zijn aan het geloof met een zuiver geweten. Het mag dus niet om jezelf draaien. Het gaat dus niet om positie maar om een vertrouwensfunctie. Als jullie dit goed vervullen, mogen jullie, zo leert Paulus ons, óók vrijuit spreken! Het recht om te zeggen wat moet gezegd worden, in lijn met je geweten én met het ware geloof. Onthoud dus: niet ik maar de ánder, niet allereerst mijn rechten maar mijn plíchten en vandaaruit niet het recht om mensen naar de mond te praten maar het recht om vrijuit de waarheid te spreken, voor het goed van de ánder, zoals het gezegde: “Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.”
Houd bij dit alles steeds Chrístus centraal, Chrístus als doel: “hij [, Christus,] is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus” (Efeziërs 4:11-15, NBV).
Doe alles steeds in oprechte liefde want zonder liefde zijn jullie niets (1 Korinthe 13). Probeer daarbij ook steeds, zo goed als jullie kunnen, de waarheid of het ware geloof na te volgen.
Laten we bidden:
“Heer, U Die alles overziet, hebt ook de keuze van onze gemeente gezien. Moge U elk lid van deze nieuwe kerkenraad zegenen. Voor Uw Aangezicht proberen zij deze taak, waar zij uit vrije wil voor gekozen hebben, zo goed mogelijk uit te voeren. Geef hen de genade daartoe en help hen daarbij, opdat zij op hun beurt velen mogen helpen, Uw Naam mogen verheerlijken en veelvoudig vrucht mogen dragen. Dit alles vragen wij in de Naam van de Heilige Drievuldigheid, namelijk de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest. Amen.”
Tijdens mijn vorige preek had ik het (onder andere) over Johannes’ aankondiging van de (eerste) komst van Christus. Tijdens deze preek zal ik het (onder andere) hebben over Zijn wederkomst en wat dit zoal met ons te maken heeft.
Iets wat me opvalt aan onze tijd is dat God voor velen onder ons ver weg lijkt en dat we aan vele verleidingen worden blootgesteld. Men durft dan ook al eens spreken van een post-christelijk Europa. Het antichristelijke element lijkt soms zo sterk de bovenhand te voeren dat ware christenen zich in het nauw gedreven voelen, alsof ze bijeen worden gedrukt in een klein hoekje – in sommige streken zelfs letterlijk – en worden weggezet als “anders” of “te extreem”. Geloof mag nog slechts een persoonlijke hobby zijn en je behoort er eigenlijk bij te denken dat alle godsdiensten wel hetzelfde zijn. Dit ontkennen dat de komst van Christus in het vlees waarlijk is gebeurd en – samen met Zijn leven, sterven en opstaan – ál het verschil heeft gemaakt voor de wereldgeschiedenis, is kenmerkend voor de denkwijze van een antichrist (lees de geschriften van Johannes de Evangelist hierover).
Ik wil dit vandaag even vergelijken met heel wat Bijbelse beelden. Ik kan je er voorlopig al twee meegeven: namelijk: A) David die voor de reuzengrote Goliat staat (1 Samuël 17) en B) Sadrach, Mesach, en Abednego die voor het gouden beeld van koning Nebukadnezar staan en voor dit beeld behoren te knielen (Daniël 3). Ook zij leken in het nauw gedreven. Zij leken zich in situaties te bevinden waaraan geen ontkomen meer was. Ook voor hen zou het best knielen en meelopen worden, toch?
Ook Jezus werd in de woestijn verzocht met die wereldse faam die voor Hem zomaar voor het grijpen lag, ja, die de god van deze wereld (2 Korinthe 4:4) Hem schijnbaar zomaar zou geven. Zo zou Hij kunnen ontkomen aan een gruwelijke dood en bespotting. In plaats daarvan zou Hij alle eer krijgen. Hij zou maar even moeten knielen…
Ook in de tuin van Gethsémane moest Hij er maar eventjes voor kiezen om de wil van Zijn Vader niet te doen. Zo zou Hij voor een snellere, veel zachtere overwinning kunnen gaan… maar Hij hield Zijn ogen op Zijn Vader gericht (Mattheüs 4:1-11) en koos ervoor om de Weg van het Kruis uit te lopen in plaats van voor een snellere, veel zachtere overwinning te gaan (Mattheüs 26:36-56). “Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?” (vers 53), zei Hij. Hij wist heel goed dat Hij ervoor koos om de gemakkelijke weg te laten varen en in plaats daarvan, koos Hij de weg van vernedering, bespotting en marteling. Jezus leek verslagen aan het Kruis; Hij leek de ultieme Loser… Ook Zijn leven, leek de dood te hebben verslonden…
Dit leek verdergezet te worden door het feit dat Paulus, na ingestemd te hebben met de dood van de eerste christelijke martelaar (Handelingen 6-7), vele christenen uit hun huizen sleurde om hen de gevangenis in te stoppen (Handelingen 8:3). Een bende in het nauw gedrukte losers die een als een crimineel veroordeelde en gestorven Gekruisigde volgden. Bespottelijk… leek het wel in de ogen van de wereld…
Maar… Die gekruisigde en gestorven “Crimineel” stond weer op uit de dood en God heeft Hem de hoogste Naam, de hoogste plaats aan Zijn rechterhand gegeven (Filippenzen 2). Hierin zit voor ons een zeer belangrijke en álles-veranderende les!
Onze Heer en God Jezus Christus is een Heer en God Die wint ondanks onmogelijke situaties.
Hij was de Rots die de Israëlieten – ondanks dat ze logischerwijze ten dode opgeschreven stonden – in de woestijn te drinken gaf (1 Korinthe 10:4).
Ondanks dat David in de ogen van de wereld al verslagen leek, toen hij voor Goliat stond, was het een rotsje dat uit zijn slinger vloog, dat ervoor zorgde dat Hij Goliat en de wereld zou overwinnen (1 Samuël 17:48-51a).
Sadrach, Mesach, en Abednego bogen niet voor het beeld, werden in de brandende vuuroven geworpen maar de Mensenzoon vervoegde Zich bij hen in die brandende oven en ze werden niet verteerd door het vuur. Het leven werd hen als het ware teruggegeven door de Godmens die hen uit de handen van de dictatoriale koning Nebukadnezar redde (Daniël 3:12-27).
Hij is de Heer van het leven en Hij bezit nog steeds de sleutels van de dood en het dodenrijk! En ook voor hen die voor Hem gestorven zijn opent Hij de poorten van het hemelrijk op royale wijze!
Aan alle antichristelijke, allesoverheersende, dictatoriale groepen, kabalen, regeringen, globale of nationale wereldordes, waaraan geen einde of ontsnapping lijkt – hier allemaal samengebracht in dit beeld van het gouden beeld – zal een einde komen. Diezelfde Godmens die Zijn drie heiligen uit de vuuroven redde, is namelijk Diezelfde Rots Die het uit verscheidene legéringen bestaande beeld, zonder toedoen van mensenhanden – er was immers geen man gemoeid met Zijn geboorte – het beeld zal treffen aan de voeten – in nederigheid handelde die God die Mens geworden was, van onder uit – deze steen werd een gigantische berg, die de gehele aarde vulde. Luister maar:
“Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde” (Daniël 2:34-35).
Hij groeide op in alle nederigheid, vervulde alles, Zijn faam en Koninkrijk verspreidden zich over de hele wereld. Welke religie heeft zo een nederige Dienaar en Koning Die Zich klein en nederig opstelde, vrijwillig stierf als een schijnbare “Crimineel” aan een Kruis en wiens Koninkrijk zich toch over heel de wereld heeft verspreid en nog steeds aan het verspreiden is? Talloze stammen en volkeren knielen voor deze Nederige neer! Vanuit de profeet Daniël leren we dus dat Jezus Christus de lang-van-tevoren-voorspelde Gezalfde van God is, Die zou komen! Verder leren we hier dat aan de dictatoriale regimes van hypertolerantie en lauwheid een einde zullen komen!
Net zoals de oude wereld vond dat Noach maar een loser was maar hij die wereld uiteindelijk met rechtvaardige daden van gehoorzaamheid aan God overwon en de nieuwe wereld als het ware de oude wereld verslond door de vloed (Hebreeën 11:7), zo zal de dood die alles lijkt te verslinden op haar beurt zelf verslonden worden: “En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning” (1 Korintiërs 15:54).
De door de dood “verslagen” Christus werd de grootste overwinnaar. “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus…” (1 Korintiërs 15:55-57), deze woorden werden trouwens neergepend door Paulus die eertijds Jezus’ volgelingen en daarmee ook Jezus Zelf vervolgde. Zelfs hem kon de opgestane Jezus overwinnen en gebruiken voor de uitbreiding van Zijn overwinnend Koninkrijk (Handelingen 9:1-31).
Wat is er dus van onze kant nodig? Vertrouwen. Zonder Geloof of vertrouwen in God kan je God niet behagen en zo overwinnen: “maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (Hebreeën 11:6). We behoren geloof, hoop en liefde in onze harten te houden (1 Korintiërs 13:12-13), zo onze ogen hoopvol op God te houden en door trouwe liefde samen met Hem te overwinnen (Openbaring 2 en 3).
Kan Hij Die ons geschapen heeft niet weder scheppen? Heeft Hij dan niet beloofd dat Hij zou wederkomen en onze lichamen weder op zou doen staan? Als de dood ons zal opslokken, zal – als we voor God hebben geleefd met geloof, hoop en liefde – het leven ons op haar beurt weer opslokken:
“Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen” (1 Tessalonicenzen 4:15-17).
Dankzij de dood en de daarop volgende opstanding van onze Heer Jezus Christus mogen we vast geloven dat de dood niet het laatste woord zal hebben voor eenieder die met hoop, geloof en liefde leeft naar het komende Rijk. Dit mogen we alvast samen vieren tijdens het avondmaal en uitleven tijdens onze relatief kortstondige levens hier op aarde, tot we onze Heer zullen treffen na onze lichamelijke dood of bij Zijn wederkomst. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 7 december 2025.
Stel je voor, Koning Filip en Koningin Mathilde komen bij jou op de koffie. Wat je politieke voorkeur ook moge zijn, of je nu koningsgezind bent of helemaal niet, je zou minstens je huis zo proper mogelijk maken, misschien zelfs een speciaal buffet laten brengen en een mooi cadeau kopen voor Zijne Majesteit de Koning en zijn echtgenote Hare Majesteit de Koningin. Voor zover het in je macht ligt, zou je je uiterste best doen om hen met het nodige respect te behandelen.
Vanuit de Bijbel leren we dit principe ook: “Onderwerp u, ter wille van de Heer, aan het bestuur van mensen: aan de koning, omdat hij het hoogste gezag is; aan de gouverneurs, omdat zij door hem zijn aangesteld om hen die het slechte doen te straffen en hen die het goede doen te prijzen. God wil dat u door uw goed gedrag het zwijgen oplegt aan de domme praat van onwetende lieden. Leef als vrije mensen, zonder de vrijheid te misbruiken als dekmantel voor zondige praktijken. Met uw vrijheid moet u God dienen. Eer alle mensen, heb de gemeenteleden lief, heb ontzag voor God en eer de koning” (1 Petrus 2:13-17, GNB).
We geven dus, als goede christenen, eerbied en ontzag aan wie we dit verschuldigd zijn: “Iedereen moet zich aan de overheid onderwerpen. Want overheidsgezag is iets dat alleen maar bestaat bij de gratie van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld. Wie zich dus verzet tegen het gezag, verzet zich tegen een instelling van God, en wie dat doen, hebben hun veroordeling aan zichzelf te wijten. Wie doet wat goed is, hoeft niet bang te zijn voor de overheid; alleen wie het kwade doet. Wilt u zonder angst voor haar leven? Doe dan wat goed is, en ze zal u prijzen. Want de overheid is een instrument dat God gebruikt voor uw eigen bestwil. Maar als u het kwade doet, hebt u alle reden om bang te zijn. Het is niet voor niets dat de overheid het zwaard voert. Want de overheid is ook een instrument dat God gebruikt om wie het kwade doet, zijn verdiende straf te geven. Daarom moet u zich dus aan de overheid onderwerpen: niet alleen uit angst voor straf, maar ook ter wille van een goed geweten. Dat is ook de reden dat u belasting betaalt. Want de gezagdragers staan in dienst van God en doen wat hun plicht is. Geef ieder dus wat hem toekomt: belasting en accijns aan wie u belasting en accijns moet betalen; eerbied en ontzag aan wie u eerbied en ontzag verschuldigd bent” (Romeinen 13:1-7, GNB). Kort samengevat verwoordt Christus dit als volgt: “Geef dan de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt” (Matteüs 22:21b).
We zouden hier vandaag een hele discussie kunnen voeren, of een hele preek of redevoering kunnen uiteenzetten over hoe ver dat gezag en die verwachte gehoorzaamheid al dan niet reikt maar dat is vandaag niet mijn punt.
Mijn punt is: als we hoogstaande mensen het beste eten voorschotelen en hen de verschuldigde eerbied en het verschuldigde gezag geven, hoeveel te meer behoren we die verschuldigde eerbied en dat verschuldigde gezag dan wel niet aan God de Vader en aan Zijn Gezalfde te geven?
Ja, zelfs kóningen, waaronder ook onze Koning Filip, behoren dit te doen!: “Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. Dient de Here met vreze en verheugt u met beving. Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!” (Psalm 2:10-12). En voor ons allen geldt: “Geef dan de keizer wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt” (Matteüs 22:21b).
Misschien kan je dit wat vergelijken met de vergrotende trap (of comparatief) en de overtreffende trap (of superlatief); je geeft aan de keizer of koning wat hem toekomt, hoeveel te meer dan aan God, die daar nog eens boven staat; oneindig ver boven staat? De boodschap van Johannes de Doper, was dan ook: “Bekeert u, want het Kóninkrijk der hémelen is nabijgekomen. (…) Bereidt de weg des Héren, maakt recht zijn paden” (Matteüs 3:2b, 3b, mijn nadruk).
“Maar, Tom,” zou je kunnen zeggen, “ik ben al bekeerd.” Verder zou je kunnen zeggen: “Deze verzen zijn opgeschreven voor niet-bekeerden.”
Maar, dan stel ik je de volgende wedervragen: “Zijn er dan geen dingen in jouw leven die je in vraag kunt stellen? Dingen waarvan je weet dat ze de Heer niet behagen? Dingen waardoor jij God de Koning van het Universum nog niet de gepaste eerbied en het gepaste ontzag geeft?”
“Of denk je dat het beter is je hier niet te veel van aan te trekken?” Zei Johannes echter niet: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen” (vers 10) en: “De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur” (vers 12)?
Vandaag viert de christelijke wereld, over het algemeen genomen, twee feestdagen tegelijkertijd: de eerste zondag van de Advent én de feestdag van de heilige Andreas.
Omdat het de eerste zondag van de Advent is, wil ik jou als christen uitnodigen om als het ware alvast zélf het kaf van het koren te scheiden in jouw eigen leven (naar vers 12) en je te heiligen om jezelf zo te maken tot een boom die goede vruchten kan dragen voor de Heer (Matteüs 12:33). Of, om een ander beeld van Johannes te gebruiken, er voor te zorgen dat er tussen jou en de Heer Die komt noch iets wat blokkeert, noch een struikelblok in de weg zit of ligt – Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden (Matteüs 3:3b) –.
Omdat het tevens de feestdag van de heilige Andreas is, wil ik je vandaag uitnodigen, ja, uitdagen om ten minste het verhaal dat over hem verteld wordt, na te volgen. Net zoals Johannes “de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,” (Marcus 1:3) was, zo zou Andreas in een andere geestelijke woestijn, namelijk die van het huidige Turkije, Griekenland en omstreken, vele mensen die de Heer nog niet kenden, tot Hem uitgenodigd hebben; ook zij mochten hun harten voor Hem openstellen. En ook wíj mogen deze uitnodiging verspreiden. Wíj worden vanuit de evangeliën stérk uitgenodigd, já, zelfs bevólen, om dit te doen.
Wij mogen allereerst onszelf aan de Heer geven, onze harten vollédig voor Hem openstellen; vollédig aan Hem geven. Ervoor zorgen dat wij als veld of weg volledig opgeruimd; volledig geheiligd zijn voor Hem. Ook als chrísten behoren we dit nog steeds, waar of wanneer nodig, te doen.
Vervolgens mogen wij ánderen ook uitnodigen om de weg voor de Heer, die dikwijls zo hopeloos… verstopt is geraakt, dat het lijkt alsof er nooit een weg was, weer op te ruimen door bekering. Samen met de heilige Johannes en de heilige Andreas en nog vele andere heiligen, waaronder de apostelen Petrus en Paulus, mogen we de profetische stem van Jesaja, já, van de heilige Geest, Die Stem van Hoop, weer laten klinken:
“‘Baan een weg voor de Heer, onze God, een weg in de woestijn, een recht pad door de steppe. Hoog dalen op, graaf bergen en heuvels af, trek bochten recht, maak wat oneffen is vlak. Dan zal de Heer verschijnen in al zijn majesteit, heel de mensheid zal getuige zijn. Het zijn zijn eigen woorden.’ Hoor! Iemand zegt: ‘Maak het bekend!’ ‘Wat moet ik bekendmaken?’ Dit moet je zeggen: ‘De mensen zijn als gras, hun trouw[1] is als een veldbloem. Gras verdort, bloemen verwelken wanneer de Heer eroverheen blaast. Ja, mensen zijn als gras. Gras verdort, bloemen verwelken, maar de woorden van onze God blijven van kracht, voor altijd.’ Jeruzalem, klim op een hoge berg en verkondig het goede nieuws. Maak het goede nieuws bekend, zo luid als je kunt. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Jullie God is in aantocht. God, de Heer, komt met groot vertoon, de macht heeft hij vast in handen. Zijn loon heeft hij bij zich, zijn buit neemt hij mee. Hij is als een herder voor zijn kudde. De lammeren houdt hij bijeen en neemt hij op de arm; de ooien jaagt hij niet op.’” (Jesaja 40:3b-11, GNB).
Naar Kerst mogen wij het Licht van Kerstmis, het Licht voor gebrokenen en zondaars, weer laten schijnen. Dit Licht is niet zomaar een licht, een oppervlakkig gevoel van knusse warmte en gezelligheid, maar Dit Licht is Jezus Christus, “het licht, het echte licht, dat ieder mens verlicht, en dat kwam in de wereld” (Johannes 1:8b-9, GNB), Zélf. Mogen zij die door zonde verborgen, misschien wel vergeten of onbekende weg weer openstellen, zodat de Heer ook bij hén binnen kan komen: “Open wijd de poorten, open de oude deuren; daar komt de machtige koning. Wie is die machtige koning? Het is de Heer, sterk en krachtig, krachtig in de strijd. Open wijd de poorten, open de oude deuren; daar komt de machtige koning. Wie is die machtige koning? Het is de Heer, hij is almachtig. Hij is de machtige koning!” (Psalm 24:7-10, GNB).
De volgende belofte van Jezus geldt voor ons allen, of we nu al heel gelovig zijn of nog niet zo: “‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt [eigenlijk: “hij die mij aan het volgen is”[2]], zal niet meer in het donker lopen, maar hij zal het licht bezitten dat leven geeft.’” (Johannes 8:12, GNB). Laten we ons dus aan deze belofte vastklampen en ernaar leven. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 30 november 2025.
[1] Voor een bevestiging van en verhelderende uitleg over deze vertaalkeuze, lees bijvoorbeeld: Net Bible, Full Notes Edition (Nashville: Thomas Nelson, 2019), 1317, n. V.
[2] “á½á¼κολουθá¿¶νá¼μοá½¶”, zoals hierboven vertaald in bijvoorbeeld: Jay P. Green, Sr., The Interlinear Hebrew-Greek-English Bible, volume IV (Grand Rapids, Michigan: Baker Book House, 1981), 236.
Categorie:Preken
09-11-2025
De Doop: uitnodiging tot en belofte voor een heel nieuw leven
Voordienst: Handelingen 2:22-47 (NBV).
Goedemorgen iedereen. In een recente preek had ik het met jullie over de waterdoop. Ik had het namelijk over de volgende drie logische punten: 1. Wat is de doop? 2. Waarom je laten dopen? En 3. Is dat alles? Of, anders gezegd, wat komt hierna? Zo kregen jullie al een logisch overzicht, maar op deze zoektocht – dit verzoek om iets meer over de doop te weten –, zou ik met jullie vandaag wat verder willen op weg gaan. Ik wil jullie een ietwat andere schakering tonen die belangrijk is voor jullie allemaal maar ook voor onze dopeling. Moge de Heer mijn woorden kracht bij zetten en ze diep in jullie harten planten door Zijn Heilige Geest.
Herinner u deze belangrijke verzen, zo u wil, deze zéér korte catechismus van Petrus:
“‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’” (Handelingen 2:38b-40).
Bemerk dat dit een antwoord was op de vraag “Wat moeten we doen, broeders?” (Handelingen 2:37b) en dat Petrus hier heel wat bevelvormen gebruikt: “Bekeer u” of “Keer u af” (38a), “laat u dopen” (38), “laat u redden” of “laat u behouden” (40). En met nog vele andere woorden “legde hij getuigenis af” en “vermaande hij” hen of “deed een dringend beroep op zijn toehoorders” (40).
Het komt dus allemaal een beetje op hetzelfde neer: God roept of nodigt hen uit (40) en zij beantwoorden deze oproep of uitnodiging: “Degenen die zijn woorden aanvaardden [of: “met vreugde aannamen” (HSV) of “bereidwillig aanvaardden” (Nierop) (naar heel wat handschriften)[1]], lieten zich dopen” (41a). Bemerk dat het debat of ze al dan niet uitverkoren waren of geroepen waren tot redding hier nog niet speelde. Deze mensen wisten: “De keuze ligt bij mij, ik kan al dan niet ingaan op deze oproep, deze uitnodiging van Godswege, die ook voor mij is bedoeld.” En sommigen van hen beantwoordden dan ook deze oproep of uitnodiging: “Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen” (41a).
Bij Paulus gebeurde trouwens hetzelfde maar op een misschien nog straffere manier: Jezus wierp Paulus op de grond, sprak hem streng toe en Paulus koos ervoor om te gaan in gehoorzaamheid en zich te laten dopen (9:1-18). Ja, Paulus werd op de grond gegooid, zelfs verblind, ja, Petrus’ toehoorders werden in hun hart geraakt, als het ware werd hun hart doorstoken (2:37), maar het was nog steeds aan Paulus en aan die toehoorders om de boodschap van redding, onderwerping en toewijding aan Jezus Christus te aanvaarden, zich te bekeren van hun huidige zondige levens en zich te laten dopen (2:37-41; 9:18), op deze manier vergiffenis van zonden en de heilige Geest te ontvangen (2:38-39; 9:17) om zich zo aan te sluiten bij de leerlingen van Jezus en trouw te blijven aan hun leer, die de leer van Jezus was (2:41-42, 9:26,31; Matteüs 28:18-20).
En die oorspronkelijke leer is belángrijk! Ik kan hier vandaag niet álles over uit de doeken doen – dat zou immers veel te veel tijd kosten voor een korte preek – maar herinner u dat ik zei dat het debat of de geïnteresseerden al dan niet uitverkoren waren of geroepen waren tot redding nog niet speelde in dat prille begin van de kerkgeschiedenis en dit is nog steeds zo in de Oosterse apostolische kerken.
Ook Augustinus, in het Westen, had dit concept nog toen hij zijn “wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af”,[2] beleefde. Pas later, toen hij een commentaar schreef op Romeinen op verzoek van zijn vriend Evodius, kwam hij tot het besluit dat het afhangt van Gods uitverkiezing of je al dan niet gered zal worden. In dat latere leven kwam hij tot nog heel wat besluiten die zogezegd teruggingen op die vroegste traditie, die vroegste leer, maar eigenlijk aantoonbaar nieuwe of soms minstens relatief nieuwe leren waren: het idee dat we zondigden in Adam en dat daarom alle baby’s zondig geboren worden, het idee dat baby’s die niet gedoopt zijn naar de hel gaan als ze sterven, het idee dat geloof en genade strikt gegeven worden aan de uitverkorenen en dat je zelf niet kan kiezen. Hieruit volgde dan het monergisme – God doet, wat betreft onze redding, alles – en de uitverkiezingsleren van Luther en Calvijn in tegenstelling tot het synergisme – wij mogen samenwerken met de genade van God –. Ook beweerde Augustinus dat de erfzondeleer níet weggewassen werd in de doop[3] en Luther beweerde dat we simultanus iustus et peccator zijn, dat wilt zeggen: tegelijk rechtvaardig en tegelijk zondaar; rechtvaardig louter omdat er zogezegd slechts een extérne rechtvaardigheid op ons zou worden gelegd.
Maar, beste broeders en zusters, dit is niet wat we in de Bijbel, noch in het vroegste christendom, minstens voor de eerste 350 jaar, tegenkomen. Ook zijn deze ideeën nooit universeel aanvaard en zo weten we dat ze innovaties zijn.[4] Sterker nog, de vroege Kerk was expliciet tégen de idee van een louter externe rechtvaardigheid en beschouwde dit expliciet als dwaalleer: “Gezegend is de mens aan wie de Heer de zonde niet toerekent; dat wil zeggen, als hij berouw heeft over zijn zonden, kan hij vergeving voor die zonden van God ontvangen; en niet zoals u uzelf bedriegt – en sommigen die hierin op u lijken – die zeggen dat, hoewel zij zondaars zijn, maar God kennen, de Heer hun de zonde niet zal toerekenen,”[5] zei Justinus de Martelaar in de tweede eeuw na Christus en: ‘Ik heb deze opmerkingen aangehaald om de Basilidianen die niet zuiver leven, te bewijzen dat ze ongelijk hebben in de veronderstelling dat ze ofwel de macht hebben om zelfs te zondigen vanwege hun volmaaktheid, ofwel dat ze van nature gered zullen worden, zelfs als ze in dit leven zondigen, omdat ze een aangeboren uitverkiezing bezitten. (…) Ze zouden [daarom] de naam van Christus niet als een dekmantel moeten nemen en, door een [nóg] losbandiger leven te leiden dan de meest losbandige heiden, godslastering over Zijn naam brengen. “Want zulke mensen zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders”, voor zover het gaat om de woorden “wier einde gelijk zal zijn aan hun werken”’,[6] schreef Clemens van Alexandrië ook in de tweede eeuw. Paulus schreef over dit alles het volgende: “Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden. Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door het geloof in Christus Jezus” (2 Timoteüs 3:13-15).
Bij Petrus, Paulus en bijvoorbeeld in misschien wel de vroegst uitgeschreven of nog bewaarde christelijke catechismus vanuit Jeruzalem, namelijk die van Cyrillus van Jeruzalem, leren we over volledige bekeringen, volledige keuzes om je als een soldaat in te schrijven in het leger van Christus, om je huis kundig te bouwen als een vooruitplannend bouwmeester,[7] het volledig afgewassen worden van en het volledig afsterven aan onze zonden (Handelingen 2:38-47, 1 Petrus 3:10-22, Romeinen 6), het volledig afgestorven zijn aan onze zonden, een nieuw geweten, ja, een nieuw leven krijgen en ook leren we over het wandelen en blijven wandelen in Christus (1 Petrus 3:10-22, Romeinen 6 en 8). In het vroege christendom was het allemaal zeer eenvoudig: “Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen” (Galaten 5:24). Geen valse tweedelingen dus tussen doop en redding, tussen geloof en daden (Jakobus 2), tussen handel, wandel en geloof, tussen een positionele externe rechtvaardigheid en een interne levenswijze vanuit het hart. Zoals Christus het zei: “Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid. Blinde farizeeër, spoel eerst de binnenkant van de beker om, dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon. Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. Zo lijken ook jullie voor de mensen uiterlijk op rechtvaardigen, terwijl jullie innerlijk vol huichelarij en wetsverachting zijn” (Matteüs 23:25-28).
Dus níet een louter positionele externe rechtvaardigheid! Dat is níet genoeg! Want wat baat het je als je positioneel in de ark bent maar eigenlijk in het water ligt te verdrinken? Wat baat het je, als je denkt dat je nog steeds gered bent terwijl je je redding verloren bent (Hebreeën 6:4-8)? En wat baat het je als je denkt dat je naar de hemel gaat, terwijl je naar de hel gaat? Herinner je daarom ook Paulus’ waarschuwing over die oplichters (2 Timoteüs 3:13-15)!
In plaats van je ziel te verliezen aan de hel, behoor je dus te blijven wandelen, “verkrijgende het einde uws geloofs namelijk de zaligheid der zielen” (1 Petrus 1:9, SV), wanneer de boeken geopend zullen worden en je geoordeeld zal worden naar je werken (2 Korinthiërs 5:9-10, Openbaring 20:11-15; 22:10-15) en de Heer tot je zal zeggen: “Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar” (Matteüs 25:23a).
Kortom: bekeer je van al je zonden, laat je dopen ter afwassing van je zonden, ontvang zo de heilige Geest, wandel in gehoorzaamheid aan Christus en aan Zijn oorspronkelijke leer en laat je niets wijsmaken door misleidende dwaalleraars binnen of buiten de kerken, met sluwe tongen als die sluwe oude slang van weleer (Genesis 3[8]), ook al klinken hun woorden nog zo zoet (Spreuken 5:1-15[9]). Wil je dit, beste X? Het zij zo.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 9 november 2025.
[1]In alternatieve handschriften: á¼σμá½³νως volgens rp sc ΨssE rel. pl sy ar Aug | αποδεξ.]: “gaarne aannamen” (SV), “gladly received” (KJV), etc. “bereidwillig” (Nierop en EBV24), “readily” (Murdock, Lamsa), “eagerly” (Etheridge), “with joy, gladness” (Strong), “joyeux, content” (Bailly 2024), “blij, tevreden, opgelucht, met genoegen, graag” (Grieks-Nederlands Woordenboek (onder leiding van I. Sluiter)). Hetzelfde woord wordt in Handelingen 21:17 gebruikt. In nog andere handschriften: πιστευσαντες volgens D (pr) syhm Aug: “and believed” (Etheridge). Bronnen: BibleWorks version 10, Logeion, aramaicnewtestament, Augustinus Merk, Novum Testamentum Graece et Latine (Romae: Sumptibus Pontificii Instituti Biblici, de derde editie van 1938 en de elfde editie van 1992), 400.
[3] Voor wat informatie over al deze onderwerpen, inclusief heel wat bronnen voor wat betreft de invloed op en van de theologie van Augustinus, kan de lezer beginnen met het lezen van de papers op mijn Academia-pagina: https://independentscholar.academia.edu/TomTorbeyns. Specifiek voor wat betreft de erfzondeleer en de verdoemenis van niet-gedoopte baby’s, lees Tom Torbeyns, “The Origins of Augustine’s Theology on Concupiscence, Massa Damnata and Limbo in light of Early Christian, Gnostic, Manichaean, (Neo-)Platonic,… Sources” (bachelor’s thesis, Continental Theological Seminary, 2017) aldaar.
[4] “Moreover, in the Catholic Church itself, all possible care must be taken, that we hold that faith which has been believed everywhere, always, by all. For that is truly and in the strictest sense Catholic, which, as the name itself and the reason of the thing declare, comprehends all universally. This rule we shall observe if we follow universality, antiquity, consent. We shall follow universality if we confess that one faith to be true, which the whole Church throughout the world confesses; antiquity, if we in no wise depart from those interpretations which it is manifest were notoriously held by our holy ancestors and fathers; consent, in like manner, if in antiquity itself we adhere to the consentient definitions and determinations of all, or at the least of almost all priests and doctors.” - Vincent of Lerins, Commonitorium, 2,6.
[5] “‘Blessed is the man to whom the Lord does not impute sin;’ that is, having repented of his sins he may receive remission of them from God; and not as you deceive yourselves—and some others who resemble you in this—who say that even though they are sinners, but know God, the Lord will not impute sin to them” - Justin Martyr, Dialogue with Trypho (141).
[6] ‘I have quoted these remarks to prove in error those Basilidians who do not live purely, supposing either that they have the power even to commit sin because of their perfection, or indeed that they will be saved by nature even if they sin in this life because they possess an innate election. For the original teachers of their doctrines do not allow one to do the same as they are now doing. They ought not, therefore, to take as a covering cloak the name of Christ and, by living lewder lives than the most uncontrolled heathen, bring blasphemy upon his name. “For such people are false apostles, deceitful workers” as far as the words “whose end shall be like their works.”’ - Clement of Alexandria, Stromata, 3.1.
[7] Cyril of Jerusalem, Procatechesis, 1; “Yield then, O children of justice, to the urging of John, when he says: “Make ready the way of the Lord.” Remove all hindrances and stumbling blocks, that you may hold a straight course unto eternal life. Make ready the vessels of the soul, purifying them by sincere faith, for the receiving of the Holy Spirit. Begin to wash your garments through repentance that, when you are called to the bridal chamber, you may be found clean. For the Bridegroom invites all without distinction, for His grace is bountifully bestowed, and the cry of His loud-voiced heralds draws all together (…). Cyril of Jerusalem, Catecheses, 3,2; Tom Torbeyns, “A critical Analysis of potential active Learning in Cyril of Jerusalem’s Catecheses” (master’s thesis, Evangelische Theologische Faculteit, Leuven, 2024): 6-21.
[8] “Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’” (Genesis 3:1-5).
[9] “Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid, schenk mijn inzicht een aandachtig oor, opdat bezonnenheid je blijft behoeden, kennis over je waakt bij wat je zegt tegen een lichtzinnige vrouw. Van haar lippen komen gladde praatjes, haar mond spreekt honingzoete woorden, maar uiteindelijk zijn ze als gif zo bitter, zo scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar pad voert naar het graf, haar voeten dalen af in het dodenrijk. Ze wil dat je de weg die naar het leven leidt niet inslaat, haar valse sporen volg je zonder dat je het beseft. Daarom, mijn zonen, luister naar mij, wijk nooit af van wat ik zeg. Blijf bij zo’n vrouw vandaan, houd afstand van haar woning. Want je zult bij anderen je eer verkwanselen, je verspeelt je leven aan die wrede vrouw. Van wat jij zo moeizaam hebt verworven, genieten vreemde mannen in de woning van die afgedwaalde. En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is, schreeuw je het uit: ‘Waarom heb ik wat mij is geleerd verworpen? Elke waarschuwing heb ik veracht. Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren? Ik sloot mijn oren voor hun raad. Nu ben ik bijna te gronde gegaan, voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’ Drink water uit je eigen bekken, ga naar de stromen van je eigen bron.”
Categorie:Preken
19-10-2025
De Doop
Voordienst: Psalm 119:137-146 (NBV).
Goedemorgen iedereen. Deze ochtend zou ik het met jullie willen hebben over de waterdoop. Ik ga deze preek hierover op een logische wijze indelen, namelijk als volgt: 1. Wat is de doop? 2. Waarom je laten dopen? En 3. Is dat alles? Of, anders gezegd, wat komt hierna? Niet alles kan ik vandaag over dit onderwerp bespreken. Dat zou te veel zijn voor één preek. Wel kan ik jullie enkele handreikingen geven. We beginnen met de eerste vraag:
1.Wat is de doop?
De doop in de Naam van de ware, Drie-ene God, is een gebod dat teruggaat op de Heer Jezus zelf. Op het einde van het Evangelie van Matteüs lezen we namelijk: “Mij [, zegt Jezus,] is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb” (Matteüs 28:18b-20a).
Dus, we worden uitgenodigd om leerlingen, discipelen of volgelingen te worden van de Heer Jezus Christus Die, hoewel Hij steeds God bleef, door Zijn eeuwige Vader (Johannes 1:1-3) in dit zondige bestaan werd gestuurd (Romeinen 8:3b), Zich vernederde tot een kwetsbaar Mens, ja, Zich zelfs zo ver vernederde dat Hij een zondig mens en een crimineel léék aan dat Kruis (Jesaja 53:12) waar Hij voor onze zonden is gestorven op gruwelijke wijze (Filippenzen 2:5-8). – Hij bleef echter steeds onschuldig. – Aan Die Koning van het universum was – vanuit het oogpunt van de mensen gekeken – niets moois meer aan. Zoals Jesaja het in de achtste eeuw voor Christus[1] reeds zo aangrijpend schreef: “Hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht” (Jesaja 53:2b-3). Zo werd Hij op schandelijke wijze mishandeld vóór en tijdens dat Hij aan dat Kruis hing (Matteüs 27).
Dit alles onderging Hij echter vrijwillig uit gehoorzaamheid tot Zijn Vader (Johannes 10:17-18, Filippenzen 2:8), Die Hem weer opwekte uit de dood (Matteüs 28) en net “daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader” (Filippenzen 2:9-11).
Het vorige brengt ons weer bij onze eerste tekst: “Mij [, zegt Jezus,] is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” (Matteüs 28:18b). Omdat Jezus alle macht heeft en de Koning is en wij het, vanwege onze zonden, tegenover Hem verprutst hebben, maar Hij uit liefde Zijn leven gegeven heeft voor ons aan dat Kruis, om een oplossing te bieden voor; of een weg te verschaffen uit onze zonden (Matteüs 1:21, Johannes 3:15-18, 10:7-18), mogen wij ons laten dopen tot leerlingen en onderdanen van Meester en Heer Jezus (Matteüs 28:19-20).
Toen er Joden tot besef kwamen van hun eigen zondigheid en hoorden dat Christus ook voor hun zonden gestoven was, vroegen ze immers: “Wat moeten we doen, broeders?” (Handelingen 2:37b), waarop de apostel Petrus kordaat maar liefdevol antwoordde: “Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ Ook op nog andere wijze legde [Petrus] getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’” (Handelingen 2:38-40).
Dit brengt ons bij onze tweede vraag, ons tweede deel van deze preek:
2.Waarom je laten dopen?
Wat ik daarnet heb gezegd, geeft het antwoord eigenlijk al weg. Waarom je bekeren en je laten dopen onder aanroeping van Jezus Christus?
Ten eerste: om vergeving van je zonden te krijgen. Zo gaat in vervulling: “Gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf [, dat is Jezus,] in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde” (1 Johannes 1:7b), “belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad” (1 Johannes 1:9) en: “want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden” (Matteüs 1:21b), “Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend” (Romeinen 8:3b). En niet alleen dat, hoe essentieel dat ook is, maar zélfs,…
…ten tweede: om de Heilige Geest te ontvangen, de derde goddelijke Persoon van de Heilige Drie-Eenheid, waardoor jij je, in plaats van door je eigen zondige verlangens, mag laten leiden!: “Opdat in ons wordt volbracht wat de wet [van God] van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest. Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. Wat onze eigen natuur wil brengt de dood, maar wat de Geest wil brengt leven en vrede. (…) Wie zich door zijn eigen wil laat leiden, kan God niet behagen. Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u” (Romeinen 8:4-6,8-9a).
Om dit misschien wat concreter te maken, kunnen we even kijken naar het leven van Augustinus die in zijn jeugd een befaamde hoereerder was. Augustinus was tot bekering gekomen en hij geloofde dat hij in de doop rust zou ervaren: “Maar dit geloof gaf me geen rust over mijn zonden van de voorbije jaren. Die moesten mij nog vergeven worden door uw [, dat is Gods,] doopsel.”[2] Ook na de doop zei hij: “Wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af. Ik kon in die dagen mijn verwondering en vreugde niet op, als ik nadacht over de diepte van uw [, Gods,] heilsplan voor de mensheid.”[3] Hiervóór had hij ook al aangegeven dat wie zijn vreugde buiten [God] zoekt, al gauw tot leegte vervalt.[4] Dit had hij, onder andere door zijn hoererij, op de harde manier vanuit eigen ervaring geleerd; zoals Johannes de Evangelist het verwoordde: “Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld” (1 Johannes 2:15-16, NBG51). Al deze dingen vervullen niet maar leiden ons dieper en dieper in de duisternis…
Maar… wij mogen de bewuste keuze maken om uit deze lusten of begeerten los te komen, om ze als het ware te verdrinken of om de vlam van de begeerte als het ware uit te doven in het water van de doop. Zoals Petrus het schreef: “en dat water [– de wereldwijde vloed die de aarde compleet bedekte in de dagen van Noach –] is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus” (1 Petrus 3:21). Net zoals Noach werd bevrijd van de goddelozen, mogen wij bevrijd worden van onze innerlijke negatieve begeerten, met de rake woorden van Augustinus: “Wij werden gedoopt en de onrust over ons vroegere leven viel van ons af.”[5]
Dit brengt ons bij onze derde vraag:
3.Is dat alles? Of: wat komt hierna?
Is dat dan alles? Eens-gered-altijd-gered? Strikt “geloof alleen” of “doop alleen”? Geïmputeerde rechtvaardigheid dus God ziet zelfs mijn toekomstige zonden niet meer en het is in de sacoche? Neen!
Het is niet voor niets dat Christus, aan Zijn doopbevel toevoegde: “(…) en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb” (Matteüs 28:20a) en het is niet voor niets dat er in onze tekst uit Handelingen, nádat de drieduizend bekeerlingen gedoopt werden, staat: “Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed” (Handelingen 2:42).
En, lees maar, Noach werd dronken nádat hij door middel van het water werd gered van de goddelozen (Genesis 9:21), het Oude Israël liet zich als het ware dopen onder Mozes en ook zij aten en dronken allemaal het geestelijke voedsel en de geestelijke drank toen zij door Mozes door de woestijn werden geleid. Toch wees God de meesten van hen hierna af omdat ze uit waren op het kwade, afgoden dienden, ontucht pleegden, Christus tartten en in opstand kwamen (1 Korintiërs 10:1-13). “Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen” (1 Korintiërs 10:11).
Ook Johannes schreef hetzelfde: “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid (…) Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven. En dit is de belofte, die Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven” (1 Johannes 2:17,24-25, NBG51).
Ook Paulus schreef in dezelfde trant over “(…) de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God. Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (Romeinen 2:5-12).
Já, er is genade voor eenieder die na zijn doop zondigt, deze zonde belijdt en zich hiervan bekeert. Maar we mogen niet met de genade van God spelen. Het is geen 'vrijgeleide om te blijven zondigen' (Romeinen 6), zoals sommige “geweldige predikanten die je zo graag hoort preken”, zonder schroom verkondigen.
De psalmist schreef ons ter stichting: “Zondaars hebben voor mij een net gespannen, maar ik wijk niet af van uw regels. Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit, ze zijn de vreugde van mijn hart. Met hart en ziel ben ik bereid uw wetten uit te voeren, eeuwig, tot het einde toe” (Psalm 119:110-112).
Blijft de weg van zelfverloochening met en voor Christus, die gij allen gekozen hebt, dus steeds voor ogen houden, “kinderkens, wacht u [of hoedt u] voor de afgoden” (1 Johannes 5:21) en blijft dit altijd doen. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 19 oktober 2025.
[1] Ernst Aebi, Korte Inleiding tot de Bijbelboeken, vert. R.J. Diepersloot (BH Culemborg: Internationale Bijbelbond, 1978), 64, cf. Roland Kenneth Harrison, Introduction to the Old Testament (Grand Rapids, Michigan: William B. Eerdmans Publishing Company, 1969), 764-800.
Zit het kwade al in de mens? - Een korte overdenking
Ja, mensen kunnen er ook voor kiezen om het kwáde te bedenken. Maar… zit het kwade dan niet in de mens ingebakken? Staat er niet geschreven: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?” (Jeremia 17:9). Toch mag je daarmee naar de Heere gaan, getuige de cóntext: “Ik, de Here, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden” (10). “Gezegend is de man die op de Here vertrouwt, wiens betrouwen de Here is; hij toch zal zijn als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen.” (7-8). Een positieve keuze is dus ook mogelijk. Het hart is niet van nature verdorven, de jeugdige “jaren des onderscheids” waarin zondige keuzes gemaakt kunnen worden, zijn niet de kinderjaren; “de jaren des onschulds” (Gen. 8:21[1], Jer. 22:21[2], Matt. 19:20[3], etc.). Let ook op de Griekse tekst die veel beter in de context past: “Het hart is dieper dan alles, de mens is dat ook, wie zal hem kennen?”[4] (9). De Heer doorgrondt het hart en toetst de nieren, om aan ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden (10), niet naar de zogezegde vruchten van Gods eigen daden, Zijn eigen schepping, het werk van Zijn handen. Veel vormen van godslastering doen de ronde, verpakt als vroomheid. Kortom, zoals Jakobus het verwoordde: “Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort. Dwaalt niet, mijn geliefde broeders. Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.” (Jakobus 1:13-17, mijn nadruk) of zoals onze Heer het verwoordde: “van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen[5]” (Marcus 7:21b). “Overwegen”, “overleggen”, zijn allemaal dingen die in het hart van de mens gebeuren, waarin hij zelf keuzes maakt.
06-07-2025
Zien en verwachten (deel 2)
Voordienst: Ezechiël 1:26-2:2
Eventjes herhalen…
Vorige week heb ik een inleiding gegeven over de priester en profeet Ezechiël en over het gelijknamige Bijbelboek. Ik sprak over het feit dat het boek Ezechiël begint met de hemel die open is en dat het boek eindigt met een paar geweldige hoofdstukken die beschrijven hoe er een stroom van levend water komt uit het huis Gods. En we lazen ook over dat prachtige beeld van de tempel die hersteld wordt.
Het laatste vers van het boek Ezechiël eindigt met: “en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar.” (Ezechiël 48:35b).
Ezechiël begon met een open hemel en met visioenen van Godswege. Bovendien hebben we vorige week gehoord dat Ezechiël in Babel zat tussen een niet bepaald opwekkend gezelschap van ballingen die weinig bemoedigende woorden spraken en weinig uitzicht of perspectief hadden. Met andere woorden: ze keken om zich heen zonder hoop.
In tegenstelling tot de ballingen zag Ezechiël met geestelijke ogen. Hij kijkt verder dan wat er allemaal op aarde om hem heen gebeurt.
Wij als christenen mogen ook, om het zo te zeggen, een visie hebben zoals Ezechiël en verder kijken dan het natuurlijke. We mogen met geestelijke ogen kijken en verder kijken dan onze problemen en de gebeurtenissen die ons omringen. Ezechiël heft zijn ogen op en verheft zijn geest. Dit mogen wij als christenen ook doen.
Vorige week hebben we ook gehoord aan de hand van het verhaal van de tien verspieders dat je beter oppast met kwade geruchten die verspreid worden zomaar te geloven. We zagen ook hoe belangrijk het is dat twee mannen, namelijk Jozua en Kaleb, zich niet lieten besmetten door die kwade geruchten. Van één van die twee mannen, namelijk van Kaleb, wordt gezegd:“hij had een ándere geest” (Numeri 14:24). Dat was zijn geheim. Goed, dit was de herhaling, nu naar het tweede deel, deze preek.
“Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon; en daarboven, op hetgeen een troon geleek, een gedaante, die er uitzag als een mens” (Ez. 1:26). Het eerste wat Ezechiël in het roepingsvisioen ziet, is een troon. Dat is ook zo énorm belangrijk voor ons in deze tijd. Wat zie je, zie je alleen maar negatieve omstandigheden of zie je nog steeds die troon en Hem Die erop gezeten is?. Een troon betekent: er wordt geregeerd. De troon vertegenwoordigt het koningschap, de heerschappij van God.
Ook als een andere profeet; profeet Jesaja geroepen wordt, is het eerste wat hij ziet: een troon: “Ik zag de Here zitten op een hoge en verheven troon” (Jesaja 6:1). Ook zien we dit bij Johannes op Patmos gebeuren: “Terstond kwam ik in vervoering des geestes en zie, er stond een troon in de hemel en iemand was op dien troon gezeten” (Op. 4:2). Straks zullen we hetzelfde vernemen van profeet Daniël. Ezechiël stond hier dus niet alleen in. ‘t Was geen inbeelding. Er stáát een troon in de hemel.
Dat is een belangrijk feit om mee te nemen, ook als we moeilijkere situaties tegemoet zouden gaan. Neem dit feit steeds mee, ook voor jou persoonlijk. Zo zag Stephanus Jezus, de Zoon des Mensen, ter bemoediging opstaan van Zijn troon, vlak voordat hij, omwille van Zijn vertrouwen in en trouw aan Die Christus, gestenigd zou worden (Handelingen 6-7): “Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol van den heiligen Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods. En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods” (Handelingen 7:54-56).
God wil een volk hebben, dat beschikbaar zal zijn, dat gaat denken en gaat streven vanuit de troon van God en vanuit “het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN” (Ez. 1:28), net zoals Stephanus niet keek naar de knarsetandende menigte die hem weldra zou stenigen omdat ze Christus haatten maar naar “de heerlijkheid Gods en Jezus [Christus]” Zélf (Handelingen 7:55)! Zo ook Ezechiël. Noch Ezechiël, noch Stephanus, noch Christus als Mens, noch God Zelf waren afhankelijk van die tempel in Jeruzalem of van de mensen die op godsdienstig of wereldlijk vlak heersten en hun goedkeuring al dan niet gaven (2 Koningen 24:8-17, Handelingen 6-7).
Ezechiël zit in een schrijnende ballingschap met mopperkonten rondom hem maar hij ziet op naar de troon, en op die troon die "Gedaante van een Mens". Hij ziet niet zomaar iets, die troon is ook niet leeg, maar op die troon zit de Gedaante van een Mens, een Mensenzoon. De troon is bedoeld voor de Mens, voor de Godmens Jezus Christus. Zoals profeet Daniël, trouwens een tijdgenoot van profeet Ezechiël, dit al zó lang op voorhand had voorspeld over Christus: “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot den Oude van dagen, en men leidde hem voor dezen; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is” (Daniël 7:13-14).
Je ziet doorheen deze Oudtestamentische profetische geschriften, doorheen de evangeliën, handelingen, de brieven en Openbaring eenzelfde overlappende boodschap: Ondanks zware vervolging of schrijnende geloofsafval, komt de heerschappij de Oude van dagen en de Zoon des mensen toe.
Het grootste gevaar dat bestaat is dat je hoop en verwachting op een bepaald moment dooft. Zo was het ook met de meeste ballingen; hun hoop en verwachting was uitgedoofd. Als Ezechiël daar te midden van de ballingen zich door de uiterlijke dingen had laten leiden, was er van zijn geloof en trouw niet veel overgebleven.
Over die ballingen was het klimaat van de dood uitgespreid. In het Hebreeuwse denken zijn ballingschap en dood nauw met elkaar verweven. Die twee begrippen worden naast en door elkaar gebruikt. Als iemand in ballingschap zat, zat hij eigenlijk ook in het dodenrijk. Dan had hij geen leven meer; hij was verstoten van God en verstoten van de tempel, zo sprak bijvoorbeeld ook Jona in de buik van de vis (Jona 2:2-9). Met andere woorden: de balling was buiten het land, om het zo te zeggen: buiten het domein van God. Dan was hij inderdaad ellendig, zo zonder land, buitengesloten.
Hier zit voor ons een mooie geestelijke les in: we zijn allen persoonlijk verantwoordelijk om in het reine met God te blijven en om ons, waar nodig, te bekeren. Maar het mooie hieraan is, onder andere, dat deze persoonlijke relatie in de eerste plaats niet afhankelijk is van externe factoren.
Staar je dus niet blind op het natuurlijke, hoed je voor achterklap, tegenslagen of negatieve omstandighedenmaar blijf met geestelijke ogen;metde ogen van de heilige Geest kijkenen blijf wandelen met en in de Geest, ongeacht teleurstellingenoftegenvallenderesultaten.
Laat tegenslagen je ook niet verbitteren, verharden, liefdeloos of gevoelloos maken. Blijf wandelen met God, blijf verbonden met die troon. Dan zal je zijn zoals de barmhartige rechtvaardige: “Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op den HERE; zijn hart is standvastig, hij vreest niet, terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet” (Ps. 112:7-8). Christus’ heerschappij in jouw leven, daar gaat het om. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 6 juli 2025.
Gebaseerd op: K.D. Goverts, Van Hart tot Hart en andere studies.
Categorie:Preken
29-06-2025
Zien en verwachten
Voordienst: Ezechiël: 1:1-4, 1:26-2:2
Lieve gemeente, tijdens de voordienst heeft u reeds gehoord over hoe Ezechiël visioenen van Godswege ontving. Of de heilige Geest of de Logos, het Woord; dat is Christus voor Zijn menswording, kwam tot hem en hij mocht God in visioenen aanschouwen (vers 3). Over dat aanschouwen of zien gaan we het straks hebben maar ik ga allereerst beginnen met jullie even een korte inleiding te geven over de priester en profeet Ezechiël en het gelijknamige boek.
Als we deze profeet Ezechiël bestuderen, dan is het opvallend hoe hij begint en hoe hij eindigt. Het boek Ezechiël begint met de hemel die open is en het eindigt met een paar geweldige hoofdstukken. Zo gaat er een stroom van levend water komen uit het huis Gods. Hier heb ik het recentelijk al twee maal over gehad tijdens mijn preken, geloof ik. En we lezen daar ook over dat prachtige beeld van de tempel die hersteld wordt. Het laatste hoofdstuk van Ezechiël eindigt met een stad. Dit is tevens bij mij een motief dat geregeld terugkomt, ook bij Augustinus trouwens.
Het laatste vers van het boek Ezechiël eindigt met: “(…) en de naam der stad zal voortaan zijn: de HERE is aldaar” (Ez. 48:35).
Dát is het hoogtepunt: díe tempelstad. Dat is de stad, waar God Zélf tegenwoordig is. Ezechiël heeft dat allemaal mogen zien. Het boek Ezechiël eindigt trouwens op dezelfde manier als het boek Openbaring. Ook het boek Openbaring eindigt met een stad: het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel. Ook in die laatste hoofdstukken van het boek Openbaring is sprake van een rivier des levens. En langs die rivier staat het geboomte des levens, dat zal zijn tot genezing van de volken. Hier had ik het trouwens onlangs ook over.
Ezechiël heeft geweldig vér mogen schouwen. Hij heeft die stad en die tempel mogen beschrijven. Hij heeft geschreven over het herstel van het paradijs van God.
We moeten er eens op letten, hoe het boek Ezechiël begint. Dat is van groot belang, want als we willen eindigen waar Ezechiël eindigde, moeten we ook beginnen, waar Ezechiël is begonnen.
Ezechiël begint met:
“In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege” (Ez. 1:1).
Ezechiël zegt: “Ik zag gezichten van Godswege.” Het begon bij Ezechiël dus met zíen. Dat is ook wat Jezus zegt tot zijn eerste discipelen: gij zult grotere dingen zíen. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zíen” (Joh. 1:52b).
Ook in het vierde vers van Ezech.1 komt dat weer naar voren: “En ik zag en zie” (Ez. 1:4)
Ezechiël begon met de hemel open te zien, hij begon met de visioenen te aanschouwen. En dan staat er zo mooi bij: “van Godswege”.
De plaats waar dit allemaal gebeurde wordt ook genoemd, en dat is toch wel heel opvallend: “toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was” (Ez. 1:1).
Ezechiël was in Babel en om hem heen zat een niet bepaald opwekkend gezelschap: die moeilijke mensen die in ballingschap zaten. Over deze mensen straks meer maar bovendien was het ook nog in het begin van de ballingschap. Dat staat er ook bij: “het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin” (vers 2).
Die ballingschap was dus nog maar net begonnen, ze hadden nog heel wat jaren te gaan. Je kunt je voorstellen, dat je daar aan die rivier de sfeer wel kon snijden. Die ballingen zullen over het algemeen elkaar niet bepaald bemoedigend hebben toegesproken: “Komen we hier nog ooit vandaan? Denk jij, dat het nog beter wordt? Nee, volgens mij kan het alleen nog maar minder worden. We moeten onze tijd hier uitzitten; laten we het beste er maar van zien te maken.”
Tevens vertoefde Ezechiël tussen deChaldeeën in(Babylonië). Zij waren sterrenwichelaars en astrologen. Waarschijnlijk vereerden de Chaldeeën de maangod Sin en nog vele andere goden. Dus Ezechiël zat tussen klagende en morrende mensen en tussen afgodendienaars. We kunnen het dus een beetje met onze tijd vergelijken.
Maar Ezechiël ziet vérder: hij zag die nieuwe tempel, hij zag die rivier van levend water. Hij zag niet enkel het fysieke met zijn fysieke ogen. Hij staarde zich niet blind op die ballingen maar keek met geestelijke ogen.
Die ballingen hadden allemaal hun harp aan de wilgen gehangen en zeiden: zingen kunnen we niet meer (Psalm 137:1-4). Einde verhaal. Maar de priester Ezechiël kijkt vérder. Hij kijkt vérder dan wat er daar allemaal op aarde om hem heen gebeurt. Ezechiël wil zien en er gaat een hemel voor hem open.
Ook als christenen mogen we visie hebben. Niet “volgens het boekske” – een “Amerikaans” businessplan –, wel volgens hét Boek, niet volgens wat we fysiek kunnen zien maar de hopen, wensen, dromen en inspiratie die we kunnen zien dankzij de Geest. Hetgeen we ons kunnen voor inzetten, ongeacht het natuurlijke, net zoals Ronny in de jungle, tussen de koppensnellers een heel christelijk dorp uit de grond stampte terwijl wereldse en geestelijke leiders zeiden dat dit onmogelijk was. Ongeacht de resultaten tóch verder doen met datgene waar je innerlijk van overtuigd bent.
Ezechiël zit daar in het land van de Chaldeeën aan de rivier de Kebar; dat was bepaald geen rivier met het water des levens. Maar Ezechiël gaat zijn ogen opheffen, hij gaat zijn geest verheffen. En God gaat hem de toekomst tonen; het patroon waarop hij zijn leven mag ijken. Ezechiël leefde van wat God hem liet zien. En ook wij mogen leven van wat God ons gaat tonen, dat ijkpunt of die blauwdruk: een stad, tempel of hemel. Dat is de kracht van je geloof, dat is je geheim, dat is je toekomst of eind- of streefdoel.Staar je dus niet blind op het natuurlijke maar blijf met geestelijke ogen; ja, met de ogen van de heilige Geest kijken.
Laat je niet meeslepen door datgene, wat je om je heen ziet en door wat je allemaal op je af ziet komen. Hoed u voor achterklap en voor geruchten. Kijk met ándere ogen.
Als de tien verspieders uit het Beloofde Land terugkomen, staat er: “De mannen nu, die Mozes uitgezonden had om het land te verspieden, en die, toen zij teruggekomen waren, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren door een kwaad gerucht over het land te verspreiden” (Numeri 14:36). En dan valt het op, hoe besmettelijk zo'n gerucht werkt en kan gebruikt worden in de geestelijke wereld. Tien mannen verspreiden een kwaad gerucht dat zich over het héle volk verspreidt en bijgevolg wordt het héle volk terneergeslagen.
Machiavellisme is trouwens een persoonlijkheidstrek waarbij iemand bereid is anderen te manipuleren en te misleiden om eigen doelen te bereiken, vaak zonder rekening te houden met ethiek of moraliteit. Sommige mensen hebben dit soort of vergelijkbare trekken. Dit komt ook voor in kerken. Wees niet goedgelovig.Bij die tien verspieders werd er een kwaad gerucht verspreid met alle nefaste gevolgen vandien – die God echter wel tegenwerkt (vers 38) –, maar dan zie je daar ook, hoe belangrijk het is, dat daar dan twee mannen dwars tegenin gaan. Die twee lieten zich niet beïnvloeden door het gerucht dat verspreid werd. Van Kaleb wordt dan gezegd: hij had een ándere geest (vers 24), dat was het geheim van Kaleb.
Als je het boek Ezechiël verder leest, bemerk je ook, hoe verschrikkelijk Ezechiël werd aangevallen. Dat was geen wonder, want die man was ziener. Dat zie je altijd weer: zieners; profeten die een hervorming moeten brengen, krijgen altijd de zwaarste klappen. De vijand wil dat ogen gesloten blijven. De duivel houdt er niet van, als een mens méérziet dan wat zogezegd normaal of de norm is. De schijnheilige status quo moet behouden blijven. En velen lopen hiermee mee want ze willen niet dat ze scheef zouden bekeken worden of dat er over hen geroddeld zou worden: hij is té extreem, zij is té charismatisch, zij nemen hun geloof té serieus,…
Zo echter niet Ezechiël. Hij zit te midden van de ballingen en tóch mag hij zijn mond niet houden. God Zélf is deze mening blijkbaar toegedaan. Hij staat er zelfs helemáál achter (!):
“Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, de opstandige volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn van Mij afgevallen tot op deze eigen dag; zelfs de kinderen zijn stug van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here Here. En zij, of zij horen dan wel het nalaten – want zij zijn een weerspannig geslacht – zullen weten, dat er in hun midden een profeet is geweest. En gij, mensenkind, wees niet bevreesd voor hen noch voor hun woorden, al groeien er netels en doornen bij u en al woont gij bij schorpioenen; wees niet bevreesd voor hun woorden noch beangst voor hun blik, want zij zijn een weerspannig geslacht. Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn weerspannig. En gij, mensenkind, hoor wat Ik tot u zeg; wees niet weerspannig gelijk het weerspannige geslacht; doe uw mond open” (Ezechiël 2:3b-8a).
Volledig in lijn met Ezechiël, schrijft de Psalmist ook over de barmhartige rechtvaardige: “Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op de HERE; zijn hart is standvastig, hij vreest niet, terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet.” (Ps. 112:7-8).
En ook Jeremia heeft over dit thema gesproken: “Wij hebben het gerucht ervan gehoord, onze handen zijn verslapt; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende” (Jer. 6:24). En: “(…) opdat uw hart niet week worde en gij vreest bij het gerucht dat in het land gehoord wordt; er komt in het ene jaar het ene gerucht en daarna in een ander jaar het andere; geweld is in het land, heerser tegen heerser” (Jeremia 51:46). Hij zei dus: “In het ene jaar hoor je misschien dit gerucht, in het volgende jaar hoor je dat gerucht maar pas op, dat je hart dan niet week wordt.”
Het principe geldt zeker nog steeds voor onze tijd. Als je naar het nieuws luistert of de krant leest, denk je al gauw: er is geen perspectief meer, alleen maar oorlog: “heerser tegen heerser”, onrust, opstanden, jacht naar geld,... We zien heel wat stormen om ons heen. Maar focus niet overdreven op die kwade geruchten. Laat ze je niet blind maken of je energie leegzuigen. Wees niet uitgeblust zoals de ballingen maar kijk met hoop en verwachting en wandel in de Geest. Doe wat je kunt.
Daarstraks zei ik het ook al: staar je niet blind op het natuurlijke maar blijf met geestelijke ogen; ja, met de ogen van de heilige Geest kijken. Blijf kijken naar de toekomst of het eind- of streefdoel. We mogen allen onze talenten inzetten en meewerken aan het feest van het Koninkrijk.
We behoren daarbij niet afgunstig te zijn zoals de oudste zoon in de parabel van de verloren zoon; “zij doet meer, hij doet minder” of proberen of beweren de hoogste te zijn (cf. Lukas 22:24-27 etc.) maar laten we de ander hoger achten dan onszelf en laten we gewoon onze talenten onzelfzuchtig gebruiken (cf. Filippenzen 2:1-8ff) hoe of op de manier waarop we ons specifiek geroepen voelen.
Staar je dus niet blind op het (schijnbaar) natuurlijke, hoed u voor achterklap, tegenslagen of negatieve omstandigheden maar blijf met geestelijke ogen; met de ogen van de heilige Geest kijken en blijf wandelen met en in de Geest, ongeacht teleurstellingen of tegenvallende resultaten. Onthoud dit en pas het toe. Meer vertel ik je volgende week. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 29 juni 2025.
Gebaseerd op: K.D. Goverts, Van Hart tot Hart en andere studies.
Categorie:Preken
08-06-2025
Herschepping
Voordiensttekst: Ezechiël 37:1-10 (NBG51).
Het is vandaag Pinksteren. Al van in het prille begin van de Bijbel lezen we dat de Geest van God nauw betrokken was bij de schepping: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren” (Genesis 1:1-2). De Geest Gods schept en geeft leven maar Hij herschept ook en geeft ook het leven weer, zoals je deze ochtend al uit de profeet Ezechiël hebt gehoord. Dit zien we ook in een ander beeld uit de profeet Ezechiël, precies tien hoofdstukken verder. Dit beeld gaat over de tempelbeek. Ik vernoemde het onlangs tijdens een preek over Jezus’ verschijning aan het meer van Tiberias. Zoals ik toen al zei, doelt Ezechiël hier inderdaad op de overvloed van Gods genade, die de wereld leefbaar maakt.[1] Beeld je dit beeld even in:
“Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis [dat wil zeggen: naar de ingang van de tempel]; zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant.
Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels. Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen. Hij mat nog eens duizend (el); nu was het een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden.
Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek. Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen. Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee; in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt (het water van de zee) gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven. Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglaïm; het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn, zoals de vissen van de grote zee, zeer talrijk. Maar de moerassen en poelen ervan zullen niet gezond worden; zij zijn aan het zout prijsgegeven.
Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel” (Ezechiël 47:1-12)
Zoals ik al zei in die voorgaande preek, doelt Ezechiël hier inderdaad op de overvloed van Gods genade, die de wereld leefbaar maakt; wéér leefbaar. Het water – symbool van de Heilige Geest – stroomt uit de tempel, niet alleen geeft het leven aan de vissen in de rivier, het geeft zelfs leven aan de omgeving: “Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt” (Ezechiël 47:12a). Dit gaat over de rechtvaardige: “Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt” (Psalm 1:3a). “Elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel” (Ezechiël 47:12b). Die bomen; die rechtvaardigen gevuld door de heilige Geest, mogen op hun beurt vrucht dragen. Er is zó véél overschot. Waar er armoede of geen leven was, komt rijkdom of leven.
Hierbij denk ik aan twee concrete schrijnende uitzichtloze situaties die via "rechtvaardige bomen", dienaren van de Heer die gebruikt worden door de heilige Geest, weer tot leven komen:
Jullie zijn bekend met het seksueel misbruik dat decennialang heeft plaatsgevonden in de Rooms-Katholieke kerk in België. Dit kwam aan het licht dankzij "operatie kelk". Dit specifiek soort misbruik vond niet alleen plaats in de Katholieke kerk in België maar ook in de Katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en Protestantse kerken wereldwijd. Niet alleen werden de zaken decennialang toegedekt, het was zelfs zo dat de daders “gewoon eventjes” werden overgeplaatst naar parochies in verre oorden waar dingen soms nog harder konden worden toegedekt. Zo werden bijvoorbeeld Anglicaanse en Katholieke geestelijken die schuldig waren aan zulke vergrijpen, overgeplaatst naar de Filippijnen.
Onlangs heeft St Christopher’s Anglican Church, een traditionele, onafhankelijke Anglicaanse kerk in de Filippijnen hier weerwerk tegen geboden. Naar ik verneem, doen zij daar prachtig werk. Zij helpen de armste kinderen uit de armoede en voorzien hen die misbruikt zijn door priesters en door andere "geestelijken" van professionele psychologische hulpverlening. Waar de duivel het water dat uit de tempel vloeit, probeerde tegen te houden, ja, als het ware probeerde te vergiftigen, breekt de heilige Geest tóch door!
Een ander voorbeeld in die uithoek van de wereld is het werk van Ronny Heyboer in Borneo. Waar kinderen voor dood werden achtergelaten, van eten verstoken, bouwde hij een plaats waar er werd voorzien voor die kinderen zodat zij weer tot bloei konden komen. Waar mensen arm en nagenoeg dood waren, kwam er tóch weer rijkdom en leven. Het water uit de tempel, de heilige Geest, doet bomen groeien, die bomen dragen vrucht en dragen zo op hun beurt nieuw leven uit.
Zo blies Jezus op Zijn leerlingen; zij ontvingen de heilige Geest en werden op hun beurt uitgezonden om herstel te brengen: “[Jezus] dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” (Johannes 20:21-23).
Een mooie uitwerking hiervan kan je trouwens lezen in Handelingen hoofdstuk 2: de heilige Geest komt daar onder andere op Petrus, hij roept hen die, menselijk gesproken, schuldig zijn aan het bloed van Christus, op tot bekering en onderwerping aan Christus, opdat zij vergeven en behouden zouden worden (Handelingen 2:1-40). “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd” (Handelingen 2:41). Waar er schuld was, kwam er vergeving en herstel.
Ook wij mogen al deze christelijke voorbeelden, van bij de Oudtestamentische profeten, doorheen de kerkgeschiedenis tot nu, navolgen! Ook wij mogen herscheppen; nieuw leven brengen!
Denk je dat je geen specifieke roeping hebt of heb je die nog niet ontdekt? Volg je passie, je talenten: waar wil jij een verschil maken? Waar ben jij goed in? Doe mee aan de herschepping van deze wereld: aan de kant van Jezus dat wat gebroken is weer heel maken. Hiertoe geef ik je nog drie korte Bijbelpassages mee:
“Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem. De heerlijkheid des Heren zij tot in eeuwigheid, de Here verheuge Zich over zijn werken” (Psalm 104:30-31). “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (Epheziërs 2:10). “Mij [, zegt Christus,] is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding [en: tot aan de uiteinden] der wereld” (Mattheüs 28:18b-20). Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 8 juni 2025.
[1] Kees van Dusseldorp, “Johannes 21:1-14,” keesvandusseldorp, laatst aangepast op 14 april 2013, https://keesvandusseldorp.com/2013/04/14/johannes-211-14/.
Categorie:Preken
18-05-2025
Alleen God heeft de macht over de wereld
Voordiensttekst: Psalm 31:14-25 (NBV21).
Goedemorgen allemaal,
Tegenwoordig hoor je overal om je heen zeggen: “Wat leven we toch in een vreemde wereld!” Overal zijn er oorlogen: in Soedan, Congo, Rwanda, Israël en Gaza, Oekraïne, Rusland, Pakistan en India! Tegen volgende week zijn er misschien weer andere gebeurtenissen waar we nu nog helemaal geen weet van hebben. De wereld verandert tegenwoordig énorm snel.
Hoe zat dit dan vroeger? Onlangs las ik een verhaal van de geschiedschrijver Titus Livius waarin, opgestookt door elkaars heersers, de Romeinen en Albanen, twee volkeren in Italië die ondertussen reeds met elkaar verwant waren, op een gegeven moment als het ware “als sport” of “wed-strijd” tegen elkaar zouden vechten.
Livius beschreef dit als volgt, door de mond van een gezant of officier van de Albanen: “Vermits we echter niet tevreden zijn met een verzekerde vrijheid en de onzekere kans op gezag of onderworpenheid willen wagen, laten we dan, met de gunst van de goden, een of ander middel zoeken om, zonder groot onheil of zonder te veel bloed te vergieten aan welke zijde ook, uit te maken welke van beide volkeren over het andere zal heersen.”[1]
En Livius ging als volgt verder: “Alvorens de strijd aan te gaan werd er tussen Romeinen en Albanen een verdrag gesloten, bepalend dat het volk, van wie de vertegenwoordigers in deze strijd zouden zegevieren, in rust en vrede over het andere zou regeren.”[2]
Kostbare levens werden dus letterlijk vergoten of verspild, gewoon om eens uit te maken wie nu eigenlijk over wie zou mogen heersen. En daar ging het hem nu eigenlijk om, zoals de eerstgenoemde gezant dit eerlijk zei: “Indien we de waarheid willen zeggen liever dan klinkende woorden, bekennen wij dan dat de heerszucht twee naburige en bloedverwante volkeren te wapen drijft.”[3]
Dit voorbeeld toont trouwens mooi aan hoe verdorven de mensen, in de zevende eeuw voor Christus, al geworden waren.
Inderdaad ging het, zoals vele Grieks-heidense geschiedschrijvers schreven, overeenkomstig met de Bijbelse geschiedenis, van een gouden eeuw uiteindelijk helemaal bergaf naar een ijzeren eeuw,[4] waarin “trouw, waarheid en geweten verbannen werden, hun tronen overgenomen door list, misleiding, verraderlijke plannen, brute kracht en een criminele lust naar bezit”[5] of, zoals we als christenen zouden zeggen, van de paradijselijke tuin (Genesis 1-3), waarna de aarde gevuld werd met boosaardigheid, geweld en onrecht (Genesis 6:1-12),[6] uiteindelijk naar de wereld na die grote vloed (Genesis 6-9) waaruit de mensheid nagenoeg niets heeft geleerd (Genesis 11).
Zo gebeurt het inderdaad nog steeds en het lijkt dikwijls van kwaad naar erger te gaan, getuige de vorige eeuw die véruit de meest bloederige der geschiedenis zou zijn geweest.[7] De groten der aarde willen macht, alleenheerschappij en overwinning.
Voor deze overwinningen laten ze álles gebeuren. Het lijden en overlijden van mensen, kinderen, ouderen, vrouwen etc. telt niet voor hen. Hun doel is simpelweg gebiedsuitbreiding en macht ten koste van alles. Elk excuus hiervoor lijkt wel een geldig excuus. Zo vertelde me gisteren een Rwandese broeder dat het verschil in etniciteit tussen Hutu’s en Tutsi’s gewoonweg het excuus was voor de lokale politiekers om in die streken tot genocide over te gaan en zo meer macht te vergaren.
Het lijkt allemaal wel een videogame, actiefilm of soapserie voor hen te zijn, tijdverdrijf, plezier. Broedervolkeren vechten tegen broedervolkeren: de Romeinen vochten met de Albanen, de Duitsers met de Vlamingen, de Russen vechten met de Oekraïners, de Palestijnen met de Joden, de Rwandezen met de Congolezen. Uiteindelijk zijn we allemaal broeders en zusters, of we nu wat verder familie zijn of niet. We komen allemaal van Adam en Eva, bannelingen van die gouden eeuw[8] of paradijselijke tuin (Genesis 1-4).
O ja, en aan elke kant zeggen ze wellicht meestal: “Onze oorlog is een rechtvaardige of zelfs heilige oorlog, de machthebbers aan de andere kant zijn echte duivels en psychopaten.” Zo dachten de Duitsers ook tijdens de Tweede Wereldoorlog dat ze voor een goede zaak aan het vechten waren, hoewel dit natuurlijk niet zo was. Goddeloze machthebbers hitsen hun volkeren op en manipuleren hen tot oorlog.
Deze manipulatie kan ver gaan. Als je niet meegaat in de algemene gepushte extreme ideologie of denkwijze of je weigert te knielen voor de hoogste leider en hem zelfs te aanbidden of de eer te bewijzen die alleen God toekomt, dan kun je zelfs worden gemarteld of gedood.
Eer bewijzen aan leiders is goed en zelfs Bijbels: “Iedereen moet de autoriteit van het bevoegd gezag erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. (…) Ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt” (Romeinen 13:1,7b), zo schrijft Paulus het. Het kan overigens ook zijn dat je niet akkoord bent met hoe het er momenteel aan toe gaat in de politiek, maar dan kan je nog steeds bidden voor je leiders, hen eerbiedigen en hen gehoorzamen. Als leiders echter aanbidding zouden vragen of het begaan van zonde, dan behoren we respectvol: “Neen! Bekeert u!” te zeggen.
Het boek Openbaring, waar we het vandaag over gaan hebben, werd geschreven in een tijd waarin christenen wierook moesten branden voor de beelden van de Romeinse keizers en hen zo de goddelijke eer bewijzen. Herinner u: de keizers eer bewijzen was oké, hen gehoorzamen, zolang het niet om een zonde ging, was oké. Hen aanbídden was echter níet oké. Aanbidding kwam sinds de vroegste geschiedenis van het christendom alleen de Drie-ene God toe.
Voor dit “verschil van mening”, deze “burgerlijke ongehoorzaamheid”, werden christenen dan ook vervolgd. Ook de apostel Johannes. De Romeinse keizer Domitianus had sinds het jaar 85 goddelijke verering voor zichzelf opgeëist. Hij liet zich 'dominus et deus' noemen, dat wil zeggen: heer en god. Hij had zijn ambtenaren in Efeze in het jaar 95 opdracht gegeven Johannes naar Patmos te verbannen,[9] zoals Johannes het zelf verwoordde: “Ik, Johannes, uw broeder, die door onze eenheid met Jezus net als u deel in de ellende, het koninkrijk en de standvastigheid – ik was op het eiland Patmos omdat ik over God had gesproken en van Jezus had getuigd. Op de dag van de Heer raakte ik in vervoering.” (Openbaring 1:9-10a).
Vanuit deze vervoering schreef Johannes onder andere het volgende in hoofdstuk 5: “Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizenden maal duizenden. Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid’” (Openbaring 5:11-13).
Aan het begin van deze Openbaring staat: “Johannes maakt bekend wat God gesproken heeft en waarvan Jezus Christus heeft getuigd; dit heeft hij allemaal gezien. Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat erin geschreven staat. Want de tijd is nabij” (Openbaring 1:2-3). Hetgeen Johannes zag en beschreef, was dus een troost en bemoediging voor de vroege christenen: zijn tijdgenoten, de christenen door alle eeuwen heen, én ook voor óns. Johannes’ geadresseerden kregen weer een uitzicht en wisten dat Jezus Christus dé Heerser was – en ís – Die eenmaal terug zal komen. Ze kregen weer nieuwe hoop want ze werden opnieuw bemoedigd. Troost en hoop ondanks verdrukking. Een hoger perspectief en een toekomstperspectief. Hoe zit dat met ons?
Waarom heb ik nu gesproken over veroveraars en machthebbers? In tegenstelling tot al deze machthebbers die wilden of willen aanbeden worden, is er maar Één waardig om aanbeden te worden: het Lám: “Met luide stem riepen ze: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.’ Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen hoorde ik zeggen: ‘Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid’” (Openbaring 5:12-13).
Dit Lam heeft alle macht en ziet alles wat er gebeurd: “het had zeven hoorns en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten van God, die over de hele wereld zijn uitgestuurd” (Openbaring 5:6c). Niet alleen ziet Het alles en weet Het alles, Het heeft zelfs Zijn leven voor ons gegeven: “Het zag eruit als een lam dat geslacht was” (Openbaring 5:6b).
Dit Lam krijgt, als rechtvaardige Ontvanger, de boekrol van de Allerhoogste (dat is: God de Vader) en mag dus heersen en oordelen: “Het lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand. Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het lam neer. Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen. En ze zetten een nieuw lied in: ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken. Want U bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal. U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt. Zij zullen als koningen heersen op aarde’” (Openbaring 5:7-10).
Inderdaad verschuift in ons vijfde hoofdstuk van Openbaring de focus van de aanbidding van God de Vader naar de aanbidding van de Verlosser: Zijn Zoon Jezus Christus. Dat is immers helemaal niet erg of helemaal geen afgoderij, aangezien Jezus Christus het Woord, de tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid is.
Opnieuw is Johannes hier getuige van de Here Jezus Christus. Christus, Die in dit visioen zowel wordt gezien als het waardige Lam van God Dat Zijn leven reeds gegeven had en als “de leeuw uit de stam van Juda, de telg van David,” Die de overwinning heeft behaald (Openbaring 5:5b), ís de rechtmatige Heerser van de aarde. Enkel Hij krijgt het recht, de macht en het gezag om over de gehele aarde te heersen. De lofprijs, aanbidding en wierook komen slechts Hem 24 op 24, vier seizoenen op vier seizoenen toe: “Het lam ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand. Op hetzelfde moment wierpen de vier wezens en de vierentwintig oudsten zich voor het lam neer. Ieder van hen had een lier en een gouden schaal vol wierook; dat zijn de gebeden van de heiligen” (Openbaring 5:7-8).
Zelfs de ganse schepping zal haar nakende verlossing niet kunnen bevatten. “Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen” (Openbaring 5:13a) zal op een dag zeggen: “Aan Hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid” (Openbaring 5:13b). Eindeloze eer, eindeloze heerlijkheid, eindeloze glorie en eindeloze aanbidding komen enkel de Vader, de Zoon en de Heilige Geest toe.
Doorheen de geschiedenis van de Kerk werden en worden gelovigen dikwijls vervolgd door degenen die over hen wilden en willen regeren. Bemoedigend voor de Gemeente toen en voor ons nu is dan te weten dat slechts één Persoon zulk een heerschappij, maar dan in de positieve zin van het woord, toekomt: namelijk het Lam van God. God had al van vooraf ingesteld dat Zijn Zoon de gehele aarde zou beërven. Omdat Hij de zonde heeft overwonnen tijdens Zijn leven en door Zijn dood, is Hij alleen bekwaam oordeel te brengen over de aarde en een volk te verlossen voor God. Wanneer deze dag komt en het oordeel ten uitvoer wordt gebracht, zal de gehele schepping voortdurend eer betuigen aan Degene die alle eerbied waardig is: het Lam, dat werd geslacht.
Dus hoe vreemd de wereld en machthebbers ook mogen regeren en gebiedsuitbreiding mogen willen ten koste van andere mensen, voor meer geld en macht, we weten dat er maar één Iemand is Die de heerschappij heeft. Laat dit een geruststelling zijn voor ons wanneer we al de vreemde dingen zien of horen gebeuren. Eens komt alles goed. Hoe groot je moeilijkheden en lijden ook zijn, uiteindelijk komt het goed.
Gods plan gaat dóór! Deze wereldgeschiedenis gaat ergens heen. Niet naar de ondergang, plotseling of langzaam uitdovend. Maar naar het doel dat God haar gesteld heeft. Het zal úitkomen, wat de Bijbel zegt. De heiligen en gelovigen zullen regeren met Hem – hopelijk u en ik dus ook. Al het kwade zal verdwijnen.
Gods nieuwe wereld zal komen. Het nieuwe Jeruzalem. Daar staat de troon van God en het Lam. Daar zal God alles en in allen zijn. Het Lam heeft overwonnen en zal als Overwinnaar ultiem heersen in onderwerping aan Zijn Vader Die alles aan Hem zal onderwerpen (1 Korintiërs 15:27-28) omdat Het Zich vernederde. Laten we Zijn voorbeeld navolgen en de overwinning onder Hem behalen.
Ik sluit af met iets wat Johannes verder nog in vervoering schreef:
“Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het lam!’ Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze wierpen zich neer voor de troon en aanbaden God met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’ (…) [Degenen die de grote verdrukking hebben doorstaan,] hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam. Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om Hem te vereren. En Hij die op de troon zit zal bij hen wonen. Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen” (Openbaring 7:9-12,14a-17).
Hier mogen wij allen aan meewerken uit vrije wil en met al onze unieke talenten en interesses. We mogen zelfs een deel van deze schare gaan uitmaken, ongeacht welke gekheid er in deze wereld nog boven ons hoofd zal worden geregeld.
Laten wij dan meejuichen met het hemelse koor. Laten we het Lam aanbidden, onze Soevereine Heer Die een Mens werd, zo klein en kwetsbaar als een lammetje. Aanbid Hem, zing voor Hem, leef voor Hem. Aan Hem die zit op de troon, en aan het Lam, zij de eer en de heerlijkheid in eeuwigheid! Laten we, ieder op zijn of haar unieke manier, onze krachten dan ook inzetten voor de uitbreiding en ondersteuning van Zijn Koninkrijk, opdat allen Zijn liefde en reinwassing persoonlijk en innig, diep vanbinnen, ook in hun harten, mogen ervaren. Amen.
[1] Titus Livius, Romeinse Geschiedenis, boeken I - II - III - V. Uittreksels, vert. J. Verdyck (Antwerpen: Standaard Uitgeverij, 1971), 26. De oorspronkelijke titel van dit werk luidt: Ab urbe condita.
[2] Idem, 27.
[3] Idem, 26.
[4] Vergelijk met de verschillende auteurs hier te vinden: https://en.wikipedia.org/wiki/Golden_Age.
[5] Vertaling naar David Raeburn, Ovid: Metamorphoses. A New Verse Translation (London: Penguin Books, 2004), 11.
[6] Vergelijk met idem, 9-23 over de vier eeuwen (paradijs en teloorgang), de reuzen, de toren van Babel, de grote vloed en Deucalion en Pyrrha (Noach en zijn vrouw) de rechtvaardigen in Ovidius, Metamorphoses.
[7] Niall Ferguson, The War of the World: Twentieth-Century Conflict and the Descent of the West (New York: The Penguin Press, 2006), xxxiii-xli.
[8] Genesis 2:11?
[9] Deze historische informatie werd genomen uit: “Patmos Johannes schreef hier het laatste bijbelboek,” Bijbelse Plaatsen, bezocht op 16 mei 2025, https://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/331.
Categorie:Preken
04-05-2025
Jezus verschijnt, ook aan Thomas
Voordiensttekst: Johannes 20:19-29 (NBG51).
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus. We hebben deze ochtend al gehoord dat de Verrezen Heer Jezus de Gezalfde, nadat Hij was verschenen aan Maria van Magdala, verscheen aan Zijn leerlingen en uiteindelijk ook aan Thomas, die er oorspronkelijk niet bij was.
Jezus had kunnen zeggen: “Ach, die Thomas weer, altijd sceptisch. Hoe durft hij nu nog niet in Mij te geloven?” of: “De rest zal hem wel overtuigen.” In plaats daarvan zei Hij als het ware bij Zichzelf: “Weet je wat Ik ga doen? Ik ga nog eens verschijnen, Ik zeg: ‘Vrede zij u!’ tot hen allemaal en dan richt Ik Mij persoonlijk tot Thomas. Ik geef hem, de scepticus, zelfs fysiek bewijs; het fysiek bewijs waar hij zelf achter gevraagd heeft. Hopelijk gelooft hij dan (naar Johannes 20:26-28). Zoals u al gehoord heeft, gebeurde dit als volgt:
“En na acht dagen waren zijn discipelen weer in het huis en Tomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zeide: Vrede zij u! Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. Tomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Here en mijn God! Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.” - Johannes 20:26-29
Jezus had niet hoeven te verschijnen aan Thomas. Hij had beledigd kunnen zijn vanwege zijn ongeloof: “Gelooft hij nu nog niet na alles wat hij van Mij gezien heeft, na alles wat Ik voor hem gedaan heb?”
Maar, neen, Jezus koos voor de weg van de liefde. Als we Zijn liefde ervaren, dan groeit ons geloof, ons vertrouwen weer. Slechts één ingewilligd verzoek, één daad van liefde: die verschijning aan Thomas, was genoeg om het ongeloof waarmee hij worstelde, om te zetten in geloof.
En ditzelfde principe geldt ook voor ons. Dan kunnen we uitroepen met Thomas: “Mijn Here en mijn God!” (Johannes 20:28b). Maar dan horen ook wij Die zachte, liefdevolle, ons verbeterende Stem: “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (Johannes 20:29b). Of: “Waarom zijt gij zó bevreesd? Hoe hebt gij geen geloof?” (Marcus 4:40b). “Waar was uw geloof?” (Lucas 8:25b). Ook richt deze Stem ons weer op de toekomst: “Wees niet bevreesd, geloof alleen” (Marcus 5:36b).
Wat betekent dit nu concreet voor ons? Wel, ik ga een heel concreet voorbeeld noemen. Als wij zo meteen naar het avondmaal gaan, dan ontbreken er mensen. Ik ga van al deze kostbare mensen één specifiek voorbeeld noemen: X. Ze zit momenteel opgesloten in Y.
Jullie hadden allemaal kunnen zeggen: “Ach, we hebben al zo veel gebeden en we kunnen toch niets aan deze situatie veranderen.” De ene noemt dat ongeloof, de andere noemt het realisme. Of jullie hadden kunnen zeggen: “Ik zal wel voor haar bidden.” Een excuus, als je goed te been bent. En zo is dan geloof zonder werken dood (lees Jakobus 2:14-17).
Neen, wat hebben jullie gedaan? Jullie hebben jullie geloof omgezet in daden. Jullie hebben de moed niet laten zakken en hebben haar als christenen naastenliefde betoond en jullie doen dit nog steeds. Ze heeft hier al heel veel liefde uit ervaren. Waarvoor mijn oprechte dank.
Ook waren er twee dames die haar vertelden: “Geef de moed niet op. Kop op!” Dit heeft haar énorm gesterkt. Ik kan aan haar stem, aan haar lichaamshouding zien dat het al veel beter met haar gaat.
Jullie hadden kunnen zeggen: “we willen; we geloven het beste voor haar.” En jullie hadden dan in vroomheid op jullie stoel kunnen blijven zitten maar, neen, jullie hebben werken aan jullie geloof toegevoegd en het zo krachtdadig of levend gemaakt (Jakobus 2:14-17,20) en zo de wet van de Koning naar het Schriftwoord vervuld: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” (naar Jakobus 2:8). Je houdt het niet voor mogelijk welke gigantisch-positieve gevolgen uit jullie schijnbaar kleine keuzes of daden voortvloeien. Vanuit jullie moed, heeft X weer moed gekregen. Vanuit jullie geloof heeft zij weer geloof gekregen. Een vlindereffect van positiviteit uit jullie “kleine” daden.[1]
Op vergelijkbare wijze, putte Thomas geloof en moed uit die verschijning van Jezus en gaf hij, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, op zijn beurt geloof en moed aan de “Thomaschristenen” van India. Hij staat daar, onder christenen, alom bekend als “de zeer gelovige Thomas”. Ze zijn hem eeuwig dankbaar.
Geloof, hoop en liefde, deze dingen werken aanstekelijk, deze dingen blijven. De liefde is daarvan het allerbelangrijkste (naar 1 Corinthiërs 13:13). Je houdt het niet voor mogelijk welke positieve gevolgen hieruit kunnen voortvloeien.
Eén ingewilligd verzoek, één daad van liefde: de verschijning aan Thomas, was genoeg om het ongeloof waarmee hij worstelde, om te zetten in geloof en uiteindelijk miljoenen zielen te bereiken, verspreid over het gigantische Aziatische continent. Kijk hiervoor maar eens op een wereldkaart of globe!
“Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (Johannes 20:29b), zei Jezus tot Thomas, zegt Jezus door Zijn woord tot ons. Soms moeten we éérst geloven en dán handelen uit geloof en dan zullen we de goede vruchten hiervan zien.
Hier ga ik het volgende week nog uitgebreider over hebben maar kom zo meteen met deze mindset naar het avondmaal: “Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp (naar Marcus 9:24b), zodat ik mijn gesterkt geloof in U in krachtdadige daden mag omzetten en op mijn beurt Uw krachtdadige werking mag opmerken (naar 1 Corinthiërs 2:1-5; 4:19-21).”
En blijf dit dan ook toepassen. Zo kan u uw geloof en het geloof van uw broeder of zuster sterken. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 4 mei 2025.
[1] Corlijn de Groot, “Chaostheorie: kan een vlinder een orkaan veroorzaken?,” NPO Kennis, laatst aangepast op 26 april 2024, https://npokennis.nl/longread/7959/chaostheorie-kan-een-vlinder-een-orkaan-veroorzaken, bezocht op 2 mei 2025. Merk op dat het voorlaatste filmpje (“Zo werkt het vlindereffect”) eigenlijk draait om de invloed van vrijewilskeuzes.
Categorie:Preken
06-04-2025
Manasse - De verloren zoon van het Oude Testament
Voordiensttekst: 2 Kronieken 33:1-11 (NBG51).
Goede morgen allemaal. Vandaag gaan we kijken wat we kunnen leren uit het verhaal over koning Manasse.
1. Wie was koning Manasse?
Hij was koning over Juda, en hij werd gekroond toen hij nog maar 12 jaar was. Het rijk Israël was verdeeld in 2 rijken. Het noordelijke rijk Israël en het zuidelijke rijk Juda. Hij regeerde dus over het zuiderrijk. Hij regeerde van ongeveer 695-641 voor Christus. Hij regeerde 55 jaar en stierf toen hij 67 was. De langst regerende koning over Juda.
Zijn vader was Hizkia van wie we lezen dat hij deed wat goed is in de ogen van de Heer: “Hizkia was in de ogen van de HERE een goed en rechtvaardig man” (2 Kron. 31:20). Zijn grootvader was Achaz. Achaz deed niet wat goed was in de ogen van de HERE (2 Koningen 16:2).
Wat deed Manasse? Hij werd bijgestaan door raadgevers omdat hij zo jong was. Hijzelf en zijn raadgevers voerden een goddeloos bewind. Hij moedigde zijn onderdanen aan de afgoden te aanbidden van de Kanaänieten. Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Hizkia had afgebroken evenals de altaren voor Baal en de Asjerabeelden.
Hij boog zich neer voor deze afgodsbeelden en voor “het gehele heer des hemels” (vers 3), dit wordt dikwijls geïnterpreteerd als de zon, maan en sterren maar ik denk dat “heer” of “leger” hier letterlijker kan opgevat worden: de gevallen hemelse wezens of ten minste hun voorstellingen: de afgodsbeelden, en aanbad deze regelmatig.
Hij plaatste zelfs heidense altaren op de beide voorpleinen van de tempel. Deze altaren dienden voor de verering van deze gevallen engelen. Hij wist heel goed dat de HERE gezegd had dat Hij, de HERE, op deze plaats altijd wilde vereerd worden. Toch liet Manasse daar heidense altaren plaatsen.
Wat deed hij nog? Evenals zijn grootvader Achaz offerde hij zijn eigen kinderen in het dal van Ben-Hinnom. In dit dal bracht men kinderoffers voor de god Moloch. Dit was een gruwelijke praktijk, waarbij men zijn of haar kinderen in de handen van of in een koperen beeld liet plaatsen. Men stak een vuur aan onder die handen of in de schoot van die afgod en zo kookte het kind langzaam. Nochtans had de Heere gezegd: “En gij zult geen van uw kinderen overgeven, om het aan de Moloch te wijden, opdat gij de naam van uw God niet ontwijdt. Ik ben de Here” (Leviticus 18:21).
Manasse ging verder te rade bij mediums, waarzeggers en bezweerders en hij moedigde zelfs elk soort goddeloosheid aan. Hij moedigde de bevolking aan om nog meer goddeloze daden te doen dan de volken die de Here voordien verdreven had. Hij plaatste zelfs een afgodsbeeld in de tempel (vers 7).
Kortom hij was door en door slecht. Hij deed veel wat kwaad was in de ogen des Heren en riep de toorn des Heren hierdoor over zichzelf uit (vers 6).
Maar dan gebeurt er iets. God stuurt het Assyrische leger. Nu zijn de Assyriërs grotendeels christen, omdat de HEERE hen genadig was na de prediking van Jona, maar toen waren ze uiterst wreedaardig en hoogmoedig. Koning Manasse wordt gevangengenomen en weggevoerd naar Babel rond 686 voor Christus. Hij was toen ongeveer 22 jaar oud. Gevangen genomen koningen werden in die dagen aan een touw dat verbonden was met een haak of ring die door hun lippen of hun kaak ging weggevoerd en nadien voor de overwinnende koning gebracht. Hij werd ook nog geboeid met twee koperen ketenen. Een zeer wrede behandeling. Geen ontsnapping was mogelijk.
Maar dan gebeurt er iets. Een ommekeer in het leven van Manasse: “Maar, toen hij in het nauw geraakt was, zocht hij de gunst van de Here, zijn God; hij verootmoedigde zich diep voor het aangezicht van de God zijner vaderen en bad tot Hem; toen liet Hij Zich door hem verbidden, hoorde zijn smeking, bracht hem naar Jeruzalem terug en herstelde hem in zijn koningschap. En Manasse erkende, dat de Here God is” (2 Kronieken 33:12-13). Hij verwijderde al de afgodsbeelden en verlangde van zijn inwoners dat ze de HERE gingen dienen (2 Kronieken 33:15-16). Met andere woorden hij begon opnieuw met een schone lei. Een volledige ommekeer in zijn leven.
Het verhaal van Manasse deed me denken aan een ander verhaal namelijk…
2. HET VERHAAL VAN DE VERLOREN ZOON. Een bekend Nieuwtestamentisch verhaal voor iedereen denk ik. Je kan het vinden in Lucas 15:11-32.
Je zou Manasse de verloren zoon van het Oude Testament kunnen noemen. We gaan enkele gelijkenissen tussen beide verhalen bespreken:
A.Zowel Manasse als de verloren zoon werkten zichzelf in de problemen:
Manasse werkte zich in de problemen door zijn goddeloosheid. De verloren zoon werkte zich in de problemen door weg te gaan bij zijn Vader. Beiden waren ik-gericht. Zo werkten ze zichzelf in de problemen.
De Vader schoof echter de wens van de zoon om het huis te verlaten niet terzijde; hij liet hem gaan, zodat hij zijn eigen weg kon gaan: “De jongste van hen zeide tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt. En hij verdeelde het bezit onder hen. En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad” (Lucas 15:12-13).
God liet zowel Manasse als de verloren zoon hun gang gaan zodat ze zichzelf tegenkwamen.
B. God waarschuwde zowel Manasse als de verloren zoon:
Manasse luisterde niet naar de waarschuwingen van de HERE: “De Here sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden niet. Daarom bracht de Here over hen de legeroversten van de koning van Assur, die Manasse grepen met haken, hem boeiden met twee koperen ketenen en naar Babel voerden” (2 Kronieken 33:10-11).
Over de verloren zoon zei Jezus: “Hij begon gebrek te lijden” (Lucas 15:14b).
C. Beiden keren terug naar God:
Manasse keert terug en beseft dat de HERE alleen God is (vers 13).
Over de verloren Zoon zei Jezus, nadat hij heel wat ontberingen had geleden: “Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners. En hij stond op en keerde naar zijn vader terug” (Lucas 15:17-20a). En het verhaal gaat verder: “En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Maar de vader zeide tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen feest te vieren” (Lucas 15:20b-24).
3. Wat is nu de les voor ons? Wat kunnen we leren uit beide verhalen?:
Punt 1: de jongste zoon dacht door egoïsme zijn leven te vullen, zo ook Manasse. Later zijn beiden tot besef gekomen. Ik-gerichtheid en “eigen-wijsheid” kan ons niet vervullen. Laten we ons daar dan ook van afkeren en deze wijsheid aanvaarden: “Deze wijsheid dan – vanwaar komt zij, en waar toch is de verblijfplaats van het inzicht? Zij is onttrokken aan het oog van al wat leeft, zelfs voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij haar gerucht vernomen. God kent de weg tot haar, Hij weet haar verblijfplaats. Want Hij schouwt tot de einden der aarde, wat onder de ganse hemel is, ziet Hij. Toen Hij voor de wind de kracht vaststelde, en van het water de maat bepaalde, toen Hij de regen een wet voorschreef en de bliksemschichten een weg, toen zag Hij haar en verkondigde haar, Hij stelde haar op haar plaats en doorgrondde haar; maar tot de mens zeide Hij: Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht” (Job 28:20-28). En: “Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken. Wees niet wijs in eigen ogen, vrees de Here en wijk van het kwaad; het zal medicijn wezen voor uw vlees, en lafenis voor uw gebeente” (Spreuken 3:5-8). Onthoud: “De vreze des Heren is het begin der wijsheid en het kennen van de Hoogheilige is verstand” (Spreuken 9:10).
Punt 2: Wij kunnen opstaan en ons afkeren van ons oude leven zoals we in beide verhalen zagen. Je ziet de grote verandering in het leven van Manasse en de verloren zoon als ze terugkeren tot God. Hun hele leven verandert door deze ommekeer.
Punt 3: Door deze verhalen, een parabel en een verhaal uit de geschiedenis, mogen we zeker zijn van de vergevingsgezindheid van de Heer. Voor Christus naar het Kruis zou gaan, was de Heer al vergevingsgezind naar deze wereld, immers, daarom stuurde Hij Zijn Zoon om te sterven voor ons allemaal aan het kruis (lees Johannes 3:16-17 aandachtig).
Binnen twee weken vieren we samen Pasen: het feest van de opstanding van onze Heer. Bij Pasen stond Vergiffenis op uit het graf; “vergeving straalde uit het graf.”[1]
“Iedereen die bij Christus hoort, hoort bij het nieuwe leven. De oude tijd is voorbij, de nieuwe tijd is gekomen. Daar heeft God voor gezorgd. God heeft ervoor gezorgd dat het weer goed is tussen hem en ons, dankzij Christus. En hij heeft mij de opdracht gegeven om dat goede nieuws aan iedereen te vertellen. God heeft ervoor gezorgd dat het goed kan komen tussen hem en heel de wereld. Want iedereen die bij Christus hoort, krijgt vergeving van zijn zonden. God wil dat wij dat goede nieuws doorgeven” (2 Korintiërs 5:17-19, BGT). Laten wij dan ook vergevingsgezind zijn en dit goede nieuws verkondigen. Dat is mijn vierde punt.
In het kort samengevat: 1. Wees niet ik-gericht en wees niet eigen-wijs. 2. Sta daarom op uit en keer je af van je oude zonden, van je eigen wegen. 3. Wees er zeker van dat de Heer vergevingsgezind is. 4. Wees zelf vergevingsgezind en verkondig dit goede nieuws. Amen.
--- Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 6 april 2025.
[1] Johannes Chrysostomos, Paaspreek.
Categorie:Preken
23-03-2025
De Weg van het Kruis - de Weg naar het Licht
Voordiensttekst: Mattheüs 16:21-28 (NBG51)
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus.
Eerst ga ik u iets vertellen over de weg van de duisternis en daarna iets over de weg van het licht. Alternatief zou je het de weg van de dood en de weg van het leven kunnen noemen.[1] Over de weg van de duisternis, de weg van de dood, schrijft Paulus onder andere het volgende:
“Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.
Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.”
- Romeinen 1:18-25
We zien hier dus dat mensen recht geschapen zijn, zélfs dat zij hun onzichtbare Schepper kenden en herkenden door Zijn zichtbare werken, maar dat zij vele bedenkselen zoeken (lees Prediker 7:29, NBG51) en zodoende van het pad afdwalen. Mensen beginnen dus goed maar gaan dan “overeenkomstig de loop dezer wereld”, “in de begeerten van hun vlees” wandelen of handelen (lees Efeze 2:1-3).
Ook ouders of geestelijke “ouders”, zoals bijvoorbeeld rabbijnen, imams of goeroes geven deze tegennatuurlijke manieren van leven (lees Romeinen 1:26 en context), de “ijdele wandel, die van de vaderen overgeleverd is,” door aan hun kinderen (1 Petrus 1:18). Zo leven zij dus op hun beurt in duisternis op de weg naar de dood en geven deze manier van denken ook weer door aan hun kinderen. “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben” (Romeinen 5:12).
Om een concreet voorbeeld te geven: neem nu bijvoorbeeld liberale ouders. Ze maakten verkeerde keuzes, hadden bijvoorbeeld seks voor het huwelijk met verschillende partners, voelden zich daar schuldig en slecht bij en beschaamd over, zoals Paulus het zo mooi verwoordt: “wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood” (Romeinen 6:21) maar uiteindelijk leren ze het toch ook hun kinderen aan, hetzij expliciet, hetzij impliciet, want: “We leven ten slotte in de 21ste eeuw, je moet er maar tegen kunnen”. En dit werd al dan niet expliciet doorgegeven, van vader op zoon, van moeder op dochter, van religieuze leider op volgeling.
Nochtans stapte Jezus binnen in de wereldgeschiedenis, in deze duistere wereld die Hem zou verwerpen (Johannes 1:10-11). Hij beweerde een alternatieve weg te kennen. Over Zichzelf zei Hij namelijk het volgende:
“En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde”
- Johannes 3:14-17
En:
“Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.”
- Johannes 8:12b
Kijken naar Jezus en Hem volgen. Vandaag ga ik het met u dus hebben over de weg van het kruis. Dit is, paradoxaal genoeg, de weg naar het licht. Hoe averechts lijkt het wel. U hoorde daarstraks ook al: “Wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben”, hoorden we Jezus net zeggen. “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.”
- Mattheüs 16:24b-25
In dezelfde trant zei Jezus, onder andere:
“Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”
- Mattheüs 11:28-30
Dít, in contrast tot de traditie of overlevering van duisternis vanaf Adam, is de traditie of overlevering die de Nieuwe Adam ons wilde laten doorgeven:
“Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.”
- Mattheüs 28:19
Er wordt mij al eens verweten: “Maar Tom, wij zíjn al bekeerd.” Dat moge zo zijn maar dan stel ik voor als alternatief dat Christus specifiek tot Zijn leerlingen zei dat ze hun kruis moesten opnemen en dat zij Zijn geboden op hun beurt aan Zijn latere leerlingen behoorden aan te leren, zoals we daarnet gehoord hebben.
Het is goed om te blijven focussen op het moment van je bekering; op de verandering die toen heeft plaatsgevonden maar pas op om het daarbij te laten. Deze eenzijdige en onvolledige focus kan leiden tot een wetteloos evangelie. Alsof hetgeen wat na je bekering gebeurt niet meer belangrijk is. Het evangelie van wetteloosheid, zo van, het is al in orde, in tegenstelling tot het ware evangelie van navolging en gehoorzaamheid, is tegenwoordig énorm populair. Het ene moge dan wel heel populair zijn, enkel het andere is Bijbels.
Jezus wil dus niet enkel dat we Hem aanvaarden, dat we Hem Heer noemen, of dat we ons bekeren en ons laten dopen. Hij wil ook dat we Hem vólgen. Neem je kruis op en volg Hem. Hoe? Door te “onderhouden al wat Ik [, Jezus,] u bevolen heb.” (Mattheüs 28:19b) Dit is, met andere woorden, niet optioneel. Dit is noodzakelijk: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.” - Mattheüs 24:13-14
Ik sprak deze week met een dame van deze kerk. We hadden het over een bijzonder moeilijke situatie waar heel wat mensen moeite mee hebben; een situatie die hun zwaar op hun hart ligt. Deze dame zei dat ze toch hoopvol was. Dat er bij God toch nog mogelijkheden, toch nog kansen zijn.
Inderdaad. God wil verder werken. “Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.” (2 Petrus 3:9b). Bemerk dat Petrus dit schrijft aan hen die zich christenen noemen. Toch vindt Petrus het belangrijk in zijn beide brieven “uw zuiver besef door herinnering wakker te houden.” (2 Petrus 3:1b).
Diegenen die niet meer op het rechte pad wandelen, vermaant hij: “Houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid” (2 Petrus 3:15a). De Heere is “lang-moedig”. Hij hoopt dus op de bekering van hen die zich al dan niet christen noemen maar niet meer op het rechte pad wandelen.
Een ander voorbeeld: “Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls? Want Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van de Here Here; daarom bekeert u, opdat gij leeft.” (Ezechiël 18:31-32). Bemerk dat het hier weer over het oude Israël, het toenmalige volk van God gaat.
De idee dat u toch al gered bent, ongeacht of u zich houdt aan de geboden van Christus of niet, is gevaarlijk. Het kan uw groei en zelfs uw uiteindelijke redding in de weg staan. Het is een excuus, een verharding. Waarom gaf Jezus dan zo veel geboden en gaf Hij ons het gebod dit aan Zijn leerlingen te onderwijzen?
Zoals Jozua, een voorloper of schaduwbeeld van Yeshua (of Jezus) het zei:
“Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: doordat ik u heden gebied de Here, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Here, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemen. Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden nederbuigt en hen dient, dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit gaat nemen. Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Here uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou.”
- Deuteronomium 30:15-20
en “kiest dan heden, wie gij dienen zult” (Jozua 24:15b).
Velen hoorden bij het volk van God maar hebben het beloofde land niet bereikt (Numeri 14:1-38, Deuteronomium 32, 1 Korintiërs 10:1-10, Hebreeën 3:16-18). Velen behoren tot het volk van God maar zullen het beloofde land, de hemel niet bereiken (Hebreeën 3:1-14, 1 Korintiërs 10:11-15). Zoals Paulus schreef:
“Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen. En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommigen van hen deden, en er vielen op één dag drieëntwintigduizend. En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen. En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is. Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.”
- 1 Korintiërs 10:1-12.
en:
“Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid [of: ondersteuning of onderstutting[2]] tot het einde onverwrikt vasthouden.”
- Hebreeën 3:12-14
Ook ik behoor dit aan jullie te leren en ik mag er niet van afwijken. Christus waarschuwde ons immers: “Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheüs 5:19). Daarom wil ik er niets van af doen.
Dit geldt ook voor jullie: doe er niets van af en probeer nederig van Hem te leren en in gehoorzaamheid te wandelen en dit ook aan anderen te leren. Dit alles is niet optioneel. Christus vervolgde immers: “Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan” (Mattheüs 5:20).
Herinner u: het zware juk is de zonde en de schuld en schaamte die daarmee gepaard gaan; het niet dragen van het kruis. Het lichte juk is de last die Jezus u geeft: het dragen van uw kruis en het navolgen van Hem. Zijn juk is licht, Zijn kruis is niet te zwaar voor je: het is vreugdevol.
Zoals we daarstraks zongen: “Gods weg is de beste, de beste altijd. (…) Gehoorzaam Zijn roepstem, neem je kruis op en volg Hem.”[3] En: “Volle verzeek’ring Jezus is mijn! Wat schenkt dat rust aan ’t volgzaam gemoed. (…) Voll’ onderwerping, zijn eigendom, in Hem te rusten, heerlijk genot. ’t Eigen ik doden, zijn wil alleen, rijk in mijn Heiland, leven voor God.”[4] Dit is inderdaad de weg van het licht, de weg van innerlijke rust die ten leven leidt.
Stel, je zegt nu bij jezelf: “X, ik heb het niet altijd goed volgehouden. Ik ben gevallen.” Of: “X, ik worstel nog met een bepaalde verslaving of een bepaalde zonde.” Dan mag je hoopvol zijn: je mag hoopvol opkijken naar Christus, net zoals die Israëlieten die God verzocht hadden ooit hoopvol opkeken naar die koperen slang in de woestijn (Numeri 21:4-9, 1 Korinthe 10:9; Johannes 3:14-15). Vandaag is de dag dat de Heilige Geest je roept om weer op te staan in volle glorie. Hij is de Geest Die weer hoop en leven geeft (Spreuken 24:13-16, Ezechiël 37:1-14, Hebreeën 3:12-14,19).
Herinner je: “Aan dat ruw’oude kruis blijf ik immer getrouw – En ik deel in zijn schande en hoon, - want als ‘k volg, waar Hij leidt, heeft God thuis mij bereid – Een gans schoon onverwelkbare kroon.”[5] Wandelt op die weg. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 23 maart 2025.
[2] “hupostasis (á½πÏστασις, 5287*)”in W. E. Vine, Merrill F. Unger, and William White Jr., Vine’s Complete Expository Dictionary of Old and New Testament Words (Nashville, TN: T. Nelson, 1996), 43. [* = Strong’s Greek #5287]
[3] Opwekking 26 – Gods weg is de beste (H.C. du Pree-Edelkoort)
[5] Glorieklokken 2 – Het ruwe, oude kruis (Johannes de Heer 836 – Op die heuvel daarginds heeft een andere tekst, minder getrouw aan het Engelstalige origineel van George Bennard).
Categorie:Preken
23-02-2025
1 Petrus 5
Voordiensttekst: 1 Petrus 5:1-14 (NBG51)
Goedemorgen allemaal.
We zijn vandaag aangekomen in het laatste hoofdstuk van de eerste Petrusbrief, namelijk in 1 Petrus hoofdstuk 5. Dit is een korter hoofdstuk, maar daarom niet minder belangrijk.
“De oudsten onder u vermaan ik dan als medeoudste en getuige van het lijden van Christus, die ook een deelgenoot ben van de heerlijkheid, welke zal geopenbaard worden: hoedt de kudde Gods, die bij u is, niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God, niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid, niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. En wanneer de opperherder verschijnt, zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven.” - 1 Petrus 5:1-4
In vers één lezen we dat Peter een getuige was van het lijden van Christus. In feite was Petrus getuige van dit lijden op een wel héél specifieke wijze… Hij verloochende Christus tot driemaal toe: “en de Here keerde Zich om en zag Petrus aan. En Petrus herinnerde zich het woord des Heren, hoe Hij tot hem gezegd had: Eer de haan heden kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.” (Lucas 22:61-62). Petrus had ontkend dat Hij Jezus, zijn dierbaarste vriend, kende. Hij had zijn boezemvriend verraden. Het mes dat hij als het ware in Christus had gestoken, stak nu in hem: “en hij ging naar buiten en weende bitter.” (Lucas 22:62).
Later werd Petrus in ere hersteld. Hij kreeg een nieuwe kans van zijn Vriend Jezus: “Hij [, dat is Jezus,] zeide ten derden male tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijn schapen.” (Johannes 21:17).
Petrus wist van zichzelf dat hij, onverdiend, weer werd aangesteld als mede-oudste.[1] Zijn taak werd weer het hoeden van de kudde Gods (naar Johannes 21:17b) en ook anderen hiertoe aansporen of oproepen[2] (zie 1 Petrus 5:1-2 én Lucas 22:32b) en, zoals we verder kunnen lezen, kreeg hij de genade, dat hij zijn leven zou mogen geven voor Hem die Zijn leven voor hem reeds gegeven had (naar Johannes 21:18). Hij, de ontrouwe, mocht trouw zijn in zijn verdere leven, ja, zelfs tot in de dood.[3]
Deze Petrus roept, door zijn brief, de oudsten overal ter wereld eigenlijk nog steeds op om de kudde Gods, uit bereidwilligheid, trouw te hoeden (naar 1 Petrus 5:2) naar het voorbeeld van en in onderwerping aan Jezus Christus de Opperherder (naar 1 Petrus 5:4).
“Naar de wil van God” staat niet in alle handschriften. Het is echter volstrekt logisch dat wie een verantwoordelijkheid wilt dragen voor de kudde Gods, dit zo goed mogelijk behoort te doen naar wat hij denkt dat de wil van God is.[4]
“Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid.” Met andere woorden, het gaat niet om winst of eer die we van jullie zouden kunnen krijgen maar om wat we voor jullie kunnen betekenen. Het verlangen moet altijd geven zijn, nooit krijgen.[5]
Soms willen mensen leidinggeven om veel geld, prestige, macht of autoriteit te verkrijgen, maar dit alles zijn wereldse verlangens, en geen christelijke verlangens.[6] Met de woorden van Christus onze Heer: “De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar.” (Lucas 22:25b-27). Dit waren geen loze woorden van Christus maar, inderdaad, Hij heeft het ons voorgeleefd.
Als de kerken niet volledig werelds geworden zijn -- en dat geloof ik niet, omdat ik bijvoorbeeld deze kerk zich zo goed mogelijk zie onderwerpen in gehoorzaamheid aan het woord van God -- dan is het God die ervoor zorgt dat er nog steeds oudsten worden aangesteld, en dan hebben zij inderdaad een voorbeeldfunctie, een grote, niet te onderschatten verantwoordelijkheid (naar vers 3b):[7] “model staan voor hen die aan hen zijn toevertrouwd. Zij zullen het goede voorbeeld geven in het verduren van lijden, in geloof en wandel, in woord en daad.”[8]
Hierbij is het niet de bedoeling dat zij anderen overheersen of, in het Grieks zou je letterlijk zeggen, “naar beneden heersen”.[9] Integendeel, ze moeten de kudde “verzorgen door haar te beschermen, te voeden en te weiden”, niet “omdat het nu eenmaal moet (gedwongen, met tegenzin), maar, ondanks de moeite en inspanning die het met zich meebrengt, bereidwillig en ijverig, ‘in overeenstemming met God’.”[10]
“Evenzo gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.” - 1 Petrus 5:5-7
De jongeren worden expliciet opgeroepen tot onderwerping maar dan worden we allemáál opgeroepen tot nederigheid.[11]
'Net zoals' de oudsten vrijwillig de kudde behoren te hoeden, 'zo'[12] behoren de jongeren zich vrijwillig te onderwerpen en behoort iedereen, uit oprechte liefde vanuit het hart, nederig jegens elkaar te zijn, zich te omgorden met nederigheid, zoals een knecht die zijn schort aantrekt om te gaan dienen.[13]
God geeft nederigen immers nog meer genade om het goede te doen, om alle verleidingen te weerstaan. Nederigheid, liefde voor en vertrouwen in de Vader, in navolging van de Opperherder Die gedurende Zijn ganse leven, ja, zelfs tot in de dood, hield van Zijn Vader en Zich onderwierp aan Hem, en zélfs als ultieme Voorbeeld van nederigheid, ons ter stichting, de voeten van Zijn eigen leerlingen waste (Johannes 13:4-17).[14] Die nederigheid, is de sleutel tot het ontwijken van zo vele ogenschijnlijk onoverwinbare vallen, die de duivel voor onze voeten probeert op te stellen, om als overwinnaars tevoorschijn te komen.[15]
Hoe? Door je te vernederen onder de goede Hand van de Vader en al je bekommernissen op Hem te werpen; aan de voeten te leggen van Hem Die voor je zorgt. Eigenlijk staat er: “Al de bezorgdheid van u geworpen hebbend op Hem.”[16] Dit zou dus eigenlijk al gebeurd moeten zijn.[17] Absoluut vertrouwen, wat er ook op je afkomt qua vallen en verleidingen.
Jordan Peterson, de bekende Canadese klinische psycholoog en emeritus hoogleraar in de psychologie, zei het volgende:
“De basis voor de hoogste vorm van geloof [of vertrouwen] is de beslissing te aanvaarden dat wat er ook gebeurd, als je in de waarheid leeft, per definitie het béste is wat mogelijk kan gebeuren, ondanks de onmogelijkheid, vanwege je [menselijke] limieten, dat je dit kan zien. (…) Dit is iets waar je je aan moet toewijden. (…) Als ik spreek, maak ik alles zo duidelijk mogelijk aan mezelf en aan iedereen rondom mij en laat ik de duivel de gevolgen dragen. (…) ‘Maar wat gaan ze van me zeggen als ik A of B zeg? Wat is het gevolg?’ Nee! ‘Dit is wat ik nu behoor te zeggen en daarom zeg ik het! Wat ook het gevolg moge zijn, laat het maar op me afkomen!’”[18]
Inderdaad is dit ultieme, standvastige vertrouwen in Christus, gekoppeld aan een voorzichtige, niet-naïeve waakzaamheid, de juiste optie:[19]
“Wordt nuchter en waakzaam.[20] Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof [of: vast in het vertrouwen], wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.” - 1 Petrus 5:8-9
Petrus schreef verder:
“Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen. Door Silvanus, die, naar ik meen [of: zoals ik oordeel[21]], voor u een betrouwbaar broeder is, heb ik in het kort geschreven om u te bemoedigen en te betuigen, dat dit de ware genade van God is; daarin moet gij vaststaan.” - 1 Petrus 5:10-12
Ik heb tijdens mijn vorige twee preken al uitvoerig gesproken over het verschil tussen de zeer populaire, wetteloze genade en de Bijbelse genade.
De Bijbelse genade stuwt júllie – en ook míj! – voort tot het volbrengen van goede, gode-welbevallige werken, om niet langer in wetteloosheid te leven (1 Petrus 4:1-6, Titus 2:11-14). Inderdaad, God “zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid!” (1 Petrus 5:10b).[22]
Net zoals Petrus, wil ik jullie bemoedigen en aanmoedigen om verder te wandelen in die heerlijke, Bijbelse genade van God, door die op Christus vertrouwende standvastigheid én nuchtere waakzaamheid,[23] waarover we het daarnet hadden, in de juiste proporties, en in alle nederigheid, toe te blijven passen!
“U laat de medeuitverkorene te Babylon groeten, en mijn zoon Marcus. Groet elkander met de kus der liefde.
Vrede zij u allen, die in Christus zijt.” - 1 Petrus 5:13-14
Deze liefde en vrede wens ook ik jullie, uitverkorenen, geliefden in Christus, van harte toe! “Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:3-4).
Ik zie heel wat werken van naastenliefde die worden gedaan in alle nederigheid en er gebeuren ongetwijfeld nóg heel veel dingen die nagenoeg niemand weet. Daarom wil ik jullie bij deze nog even kort bedanken voor jullie inzet en goed voorbeeld. Doe zo verder!
Als ik straks nog voor iets persoonlijks mag bidden, laat het me dan gerust weten. Blijf ook voor mij bidden, opdat we allen samen sterk mogen staan, als broeders en zusters, mede-uitverkorenen in Christus. Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 23 februari 2025.
[3] Een uitzondering kan men bijvoorbeeld vinden in Galaten 2:11-14. Petrus leek soms te worstelen met vrees voor mensen. “Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar.” (Spreuken 29:25). Volgens Clemens van Alexandrië, zou Petrus zijn vrouw hebben aangemoedigd op de Heere te blijven vertrouwen toen zij de marteldood voor zijn aangezicht stierf. Clemens van Alexandrië, Stromateis, 7.11.63. Barclay, 320.
[4] Barclay, 309. Arthur L. Farstad et al., The Majority Text Greek New Testament Interlinear (Nashville, Tennessee: Thomas Nelson, 2007), 807, n. a.
[19] Vergelijk met het commentaar op vers 7 in Studiebijbel, 571 en met Barclay, 313-315.
[20] Strong’s G3525: “νá½µφω” en Strong’s G1127: “γρηγορεá½»ω” zou hier ongeveer hetzelfde kunnen betekenen: waakzaamheid. W. E. Vine, Merrill F. Unger, and William White Jr., Vine’s Complete Expository Dictionary of Old and New Testament Words (Nashville, TN: T. Nelson, 1996), 583, 664.
[21] Studiebijbel, 577.
[22] Vergelijk met bijvoorbeeld Barclay, 315-317 voor meer (gekleurde) details.
[23] Lees voetnoot 20.
Categorie:Preken
09-02-2025
1 Petrus 4 - deel 2
Voordiensttekst: Epheziërs 5:1-21 (NBG51)
Goedemorgen allemaal.
We beginnen direct met het tweede deel van 1 Petrus 4:
“Weest gastvrij jegens elkander, zonder morren. Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen.” – 1 Petrus 4:9-11
Het christelijk geloof is een uiterst praktisch geloof. Door de genade van God hebben we allemaal charismata, gaven of talenten ontvangen die we veelkleurig, uiterst verscheiden en uiterst creatief in dienstbaarheid[1] mogen gebruiken vanuit de naastenliefde[2] “opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid!” (1 Petrus 4:11b). Als het goed is, helpt de heilige Geest ons hierbij.[3]
“Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid. Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust.” – 1 Petrus 4:12-14
We hebben het vorige keer al even gehad over het feit dat bij het oordeel van Christus alles wat je als christen hebt moeten lijden of doorstaan vervangen zal worden door eeuwig genot. Hier mag je nu al blij over worden, zoals Christus zelf zei: “Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.” (Matthéüs 5:10-12).[4]
“Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial.[5] Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam. Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? Laten derhalve ook zij, die naar de wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende.” – 1 Petrus 4:15-19
Nu maakt Petrus heel duidelijk dat de rechtvaardige ternauwernood behouden zal worden (vers 18a), niet de zondaar en niet de goddeloze (vers 18b).[6] Ook zij niet die zich, net als de stereotype Joodse religieuze leiders van weleer, in kerken en christelijke godsdienstigheid verschuilen en beweren: “wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden?” (Johannes 8:33b, lees Johannes 8:30-59). “Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.” (Matthéüs 7:13-14)
Daarom mag je je niets wijs laten maken vanuit een verdraaide definitie van genade. “Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven.” (Matthéüs 7:15) “Want er zijn zekere mensen binnengeslopen – reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven – goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen. Maar ik wil u te binnen brengen – gij hebt het immers alles eens voor goed vernomen – dat de Here een volk uit het land Egypte verlost heeft, maar een andermaal hen, die niet tot geloof gekomen waren, verdelgd heeft; en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur. Desgelijks bezoedelen ook deze dromenzieners hun vlees, verwerpen wat heerschappij heet en lasteren de heerlijkheden.” (Judas 1:4-8).
Wat betreft het gedrag van velen die dit soort genade preken, zij kunnen heilige christenen niet uitstaan en zullen hen zoals de ongelovigen, ja, zélfs precies zoals de duivel lasteren, uitschelden en zelfs vervolgen (Johannes 16:1-4)! Zo gooien zij zichzelf als het waarde uit de hemel op de aarde neer (Jesaja 14:3-23, Openbaring 12:7-12)! Voor hen geldt zeker: “daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u” (vers 4), immers, zij zijn erger dan de heidenen (1 Korinthe 5:1-2). “Vrijheid spiegelen zij hun voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men.” (2 Petrus 2:19)
Dit soort leraars brengt weer in vervulling: “Hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat.” (Romeinen 2:21-24).
Zo hoorde ik van een burgemeester dat ze hem bloedserieus vroegen of een predikant twee vrouwen mag hebben. Hij kon er wel mee lachen en hij besefte dat dit geen normaal christelijk gedrag was maar dan begrijp ik Paulus’ vraag: “Onteert gij God door uw overtreden van de wet? Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen” (Romeinen 2:23b-24a).
Een moslim deelde eens met me dat hij dacht dat christenen geloven dat we “gewoon Jezus moeten aanvaarden” en dan sowieso de hemel binnen mogen; dat God volgens de christenen geen rechtvaardig oordeel zal vellen. Zo wordt de naam Gods inderdaad om u gelasterd onder de heidenen (naar Romeinen 2:24b).
Zo een dwaalleer mogen we niet langer tolereren in naam van liefde die geen liefde is. “Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Doet dan niet met hen mede. (…) En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer.” (Epheziërs 5:6-7,11).
Verander uw leven, nu het nog kan. “Het einde aller dingen is nabijgekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden.” (1 Petrus 4:7) “Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen.” (Epheziërs 5:14b-15). “Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, te leven. Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.” (1 Petrus 4:1-3).
Geef uw ziel over aan de getrouwe Schepper, vertrouw uw ziel steeds toe aan uw Vader in de hemel, geef uw ziel aan Hem in bewaring, in navolging van Christus: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.” (Lukas 23:46b),[7] verheug je wanneer je lijdt – zelfs vanwege de schijnchristenen – omdat je een waar christen bent (1 Petrus 4:14,16)[8] en blijf bijgevolg steeds het goede doen (naar 1 Petrus 4:19). Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 9 februari 2025.
[1] Barclay, The Letters of James and Peter, 293; SB 553.
[2] Vanuit vers 8. Lees ook Studiebijbel,551-553.
[3] Lees ookBarclay, The Letters of James and Peter, 294-297.
[4] Lees ookBarclay, The Letters of James and Peter, 297-298 en Studiebijbel,557.
[5] Meer informatie over de betekenis van dit unieke woord in Barclay, The Letters of James and Peter, 300.
[6] Lees ook Spreuken 11:31.
[7] Lees ookBarclay, The Letters of James and Peter, 302 en Studiebijbel,563.
[8] Studiebijbel,559.
Categorie:Preken
02-02-2025
1 Petrus 4 - deel 1
Voordiensttekst: Judas 1:3-8 (NBG51)
Goedemorgen allemaal.
In 1 Petrus 4 zit heel veel om uit te pakken. Daarom zal ik de preek in twee delen snijden. Het eerste deel zal theoretischer zijn en daarom misschien ook moeilijker en je zal dus ook zitten met een cliffhanger. Het voordeel is wel dat je van mij een extra preek krijgt! Het tweede deel is praktischer.
We eindigden de bespreking van het vorige hoofdstuk met het feit dat Jezus Christus is opgestaan en nu troont aan de rechterhand van de Vader en dat daardoor de doop ingesteld door Christus kracht bezit om de vergiffenis van zonden en een nieuw leven te verkrijgen:
“En Jezus trad naderbij en sprak tot hen [, tot de elf discipelen], zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.” – Matthéüs 28:18-20
Nu “…redt u thans de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus, die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.” – 1 Petrus 3:21b-22
Natuurlijk geldt dit ook voor christenen die reeds gedoopt zijn. Voor hen en voor de doopkandidaten geldt:
“Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de wil van God de tijd, die nog rest in het vlees, te leven. Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.” – 1 Petrus 4:1-3
In deze passage gaat het duidelijk over of u de wil van God of de wil van de heidenen wilt doen. “De apostel benadrukt dat de oude manier van leven van de gelovigen definitief voorbij is. De doop (3:21) betekent een radicale breuk met het heidense verleden.”[1] “Christenen hebben hun zinnen gezet op het achter zich laten van de manieren en gebruiken van de heidenen en te leven zoals God het van hen verlangt.”[2]
Met andere woorden, wilt u de naam ‘christen’ waardig zijn door uw wil in de handen van de Heer te leggen of wilt u verder leven zoals de wereld het voorschrijft? Bent u een speelbal van de wereld, van uw eigen lusten of van de lusten van wereldse, valse leraars of voorgangers, zoals we straks en volgende keer nog zullen bespreken, of mag God met u doen wat Hij wilt? Daar gaat het hem hier om.[3]
De vertaalde studiebijbel, oorspronkelijk van de Noorse pinksterpredikant Thoralf Gilbrandt, verwoordt dit uiterst duidelijk: “De hoofdgedachte van Petrus’ betoog [is] nog altijd het lijden van de gelovigen (3:14) in navolging van het lijden van Christus. Christus heeft geleden ‘in’ of ‘naar’ het vlees (3:18), d.w.z. Hij heeft tijdens Zijn leven op aarde dat lijden aan den lijve ondervonden, m.n. aan het kruis (2:24). Zijn lijden was ‘voor ons’ d.w.z. ten behoeve van de gelovigen (2:21). Dat heeft consequenties. Omdat Christus voor hen heeft geleden, moeten de gelovigen zich wapenen (…) met dezelfde gedachte (…) nl. dat degene die evenals Christus lijden te verduren heeft, opgehouden heeft te zondigen. Anders gezegd: gelovigen die lijden als volgeling van Christus kunnen niet langer dezelfde blijven. Zij zijn tot het inzicht gekomen dat in hun leven de zonde het niet langer voor het zeggen mag hebben, omdat zij het eigendom van Christus zijn geworden en zo aan de heerschappij van de zonde onttrokken zijn (…). Het nieuwe leven in Christus betekent de dood van het oude leven zonder Christus. Het lijden van de gelovigen leidt tot een intensere gehoorzaamheid aan Christus en heeft een reinigend en louterend effect op hun levenswandel. De ‘gerechtigheid doen’ leidt tot lijden (3:13), maar omgekeerd is lijden een aansporing tot ‘recht handelen’.”[4] Concreet zien we deze beide kanten bijvoorbeeld in de volgende verzen:
“Daarom bevreemdt het hen [, de heidenen], dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u; maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen. Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.” – 1 Petrus 4:4-6
Dit is het ideale leven van de christen: onder zondaars, zelf niet zondigend. Immers, Christus at met zondaars maar zondigde zelf niet (Matthéüs 9:10-13). Als het goed is, vinden heidenen je anders, ietwat vreemd. Je hoort er niet helemaal bij. Net zoals Jezus predikte tot de hoeren en de tollenaars en hen opriep tot bekering (Lucas 5:30-32), zó behoort het evangelie gebracht te worden – door je levenswijze en woorden – aan de “doden” of heidenen. “Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat [ook] zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.” (1 Petrus 4:6)
En als je hierom gelasterd wordt… Wat dan nog? “Christenen beseffen heel goed dat het oordeel van God zal komen, wanneer alle oordelen van de aarde omgedraaid zullen worden en het eeuwige genot duizendvoudig zal compenseren voor de kortstondige geneugten die men in dit leven heeft moeten verlaten.”[5]
“Het einde aller dingen is nabijgekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden. Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de liefde bedekt tal van zonden.” – 1 Petrus 4:7-8
“Want de liefde bedekt tal van zonden” (vers 8b) kan heel verkeerd geïnterpreteerd worden in die zin dat de liefde alle zonden zou toedekken of door de vingers zien, ook al leven we helemaal niet naar de wil van God.
Gilbrandt verwijst ons naar hoofdstuk 2 vers 16 van onze Petrusbrief: “als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods.” Volgens hem gaat het hier om “dezelfde groep als de mensen (…) ‘die de genade van onze God in losbandigheid veranderen’! Deze libertinisten of libertinistische gnostici waren van mening dat de verlossing alleen geestelijk moest worden opgevat. Aangezien alleen de geest van de mens en toch niet zijn lichaam werd verlost, was het ook niet meer van belang, hoe men in het lichaam leefde. In hun ogen was door de doop de geest van zijn gevangenschap in het lichaam bevrijd. Een leven van lichamelijke losbandigheid zou dan geen invloed meer hebben op het geestelijk heil. (…) Wanneer de geest zich eenmaal vrij weet van de gebondenheid aan de materie (het lichaam), doet het er niet meer toe, hoe men op aarde leeft; immoraliteit en losbandigheid is het gevolg.”[6]
Om een kort, concreet voorbeeld te noemen: gisteren sprak ik met een vrouw die een vriendin had die lid was van deze kerk. Deze “vriendin” manipuleerde haar helemaal, zoog haar helemaal leeg en liet haar van de ene dag op de andere vallen. Ze vroeg zich af: is dit hoe Protestanten mensen behandelen? Vindt “hun” Jezus waar ze altijd over spreken dit dan oké? Ziehier de rotte vruchten van het extreme “Je moet enkel Jezus aanvaarden”, “geloof alleen”, “genade alleen”. Zoals de satanisten beweren: ‘“Doe wat je wil” zal het einde betekenen van de Wet.” Spijtig genoeg is dit ook waar in vele kerken.
Ja, zo denken velen ook tegenwoordig nog steeds in kerken, zelfs sommigen in deze kerk: “Ach, niet te serieus, X. Voor mij zal God wel een oogje dichtknijpen. Hij zal het wel door de vingers zien waar ik mee bezig ben. God is immers toch liefde? Immers, “de liefde bedekt [toch] tal van zonden.” (vers 8b)?
Ik antwoord: merk op dat dit vers gaat over dagdagelijkse christelijke relaties, waarbij we een ander behoren te vergeven en trouw behoren te zijn aan elkaar,[7] merk op dat dit niet gaat over een soort vrijbrief om maar te blijven zondigen (Romeinen 6:1-4).
Ik vraag u: als dit immers wel zo was, waarom stelt Petrus dan vlak hiervoor dat we tot bezinning behoren te komen en nuchter behoren te worden (vers 7)? Was Petrus misschien nog “onder de wet en niet onder de genade” zoals dat tegenwoordig heet?
Het Griekse woord dat Petrus hier gebruikt voor ‘bezinning’[8] komt van het woord σωφροσÏνη, wat een ordelijke en gebalanceerde levensstijl impliceert.[9] “De belangrijkste karaktertrek van [deze] geestelijke gezondheid is dat het de dingen in hun juiste proporties ziet; het doorgrondt welke dingen belangrijk zijn en welke dingen niet; het wordt niet meegevoerd door plotse en voorbijgaande opwellingen; het valt noch ten koste aan ongebalanceerd fanatisme noch aan onverschilligheid. Het is slechts wanneer we de aardse zaken in het licht van de eeuwigheid zien, dat we ze in hun juiste proporties zien; het is wanneer we God de plaats geven die Hem toekomt, dat alles op zijn plaats valt.”[10] In die zin behoren we dus ‘tot bezinning te komen’ en ‘nuchter te worden’ (naar 1 Petrus 4:7) of nuchter te zijn.[11]
Wat me opvalt is dat mensen die hypergenade verkopen, mijn interpretatie van de noodzakelijkheid van heiligheid zogezegd onnodig en te extreem vinden – zij zouden zelf zogenaamd meer gebalanceerd zijn – terwijl ze zelf christenen gek maken met hun praatjes en hen tot extreem wanordelijk en ongebalanceerd egoïstisch gedrag brengen, zoals we bijvoorbeeld zagen in het concrete voorbeeld dat ik u daarstraks gaf. Wie is er dan extreem? Wie is er dan niet gebalanceerd? Wat verboden zou moeten zijn onder christenen wordt getolereerd (1 Korinthe 5), waar de genade van God ons zou moeten helpen om het wereldse te verzaken (Titus 2:11-15), wordt zij in plaats daarvan vervangen[12] door een ander soort “genade”: losbandigheid (Judas 1:4).
Ik bemerk ook dat de mensen die altijd zo een verdraaide definitie van genade preken, lief, genadevol en vergevend zijn, enkel wanneer het hunzelf het beste uitkomt. Zoals de befaamde monnik Antonius het ooit verwoorde: “Er zal een tijd komen dat mensen gestoord zullen worden en als ze iemand zien die niet gestoord is, dan zullen ze hem aanvallen met woorden als: ‘Jij bent gestoord, jij bent niet zoals wij!’”[13]
Met hun “liefdevolle” judaskussen verraden dit soort mensen de zielen van anderen (Matthéüs 26:45-50) maar eigenlijk dienen ze slechts zichzelf: “Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Filippenzen 3:18-19).
“Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet. Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk.” (Titus 1:15b-16).
Door dit soort mensen, waaronder zelfs ook gemeenteleiders, werden en worden kostbare gemeenteleden van kerken in Vlaanderen en daarbuiten en zelfs ongelovigen en twijfelaars nog steeds gekwetst en dit niet uit ware liefde of bewogenheid. Hierover hoor je meer op het einde van de volgende preek.
Als christen behoor je jezelf niets wijs te laten maken door ongelovigen of zogenaamde christenen, die door hun tolerantie en vriendelijkheid liefdevol lijken maar het eigenlijk helemaal niet zijn. “Pas op dat niemand u misleidt. Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden. (…) En dan zullen er velen struikelen en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten. En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden. En doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen. Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.” (Mattheüs 24:4b-5,10-13, HSV). Als christen behoor je dus standvastig de wil van God te blijven doen. “En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.” (Mattheüs 24:14, HSV). “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.” (1 Johannes 2:17). Amen.
---
Gepreekt in Evangelische gemeente Pniël (Balen) op 2 februari 2025.
[1] G. van den Brink e.a. (oorspr. Thoralf Gilbrant), red., Studiebijbel Hebreeën tot en met Judas (Soest: In de Ruimte, 1988), 543. Verder aangeduid met Studiebijbel.
[2] William Barclay, The Letters of James and Peter, 3rd ed. (Louisville: Westminster John Knox Press, 2003), 284. “Christians are committed to abandon the ways of the Gentiles and to live as God would have them do.”
[3] Studiebijbel, 543.
[4] Studiebijbel,541-543.
[5] Barclay, The Letters of James and Peter, 286. “But Christians know very well that the judgment of God will come, when the judgments of the earth will be reversed and the pleasures that are eternal will compensate a thousandfold for the short-lived pleasures which had to be abandoned in this life.” Lees ook Studiebijbel,545-547.
[6] Studiebijbel,856.
[7] Barclay, The Letters of James and Peter, 290-292. Lees ook Studiebijbel,549-551.
[8] Strong’s Greek 4993: σωφρονÎω.
[9] Zo ook in de doopcatechismus van Cyrillus van Jeruzalem. Cyril of Jerusalem, Procatechesis 1.4. Meer over σωφροσÏνη kun je vinden in Plato and Aristoteles, viz. Francis E. Peeters, Greek Philosophical Terms: A Historical Lexicon (New York: New York University Press, 1967), 179 en Aristotle, Nicomachean Ethics 3.10-12 in Aristotle, Aristotle’s Nicomachean Ethics, trans. Robert C. Bartlett and Susan D. Collins (Chicago: University of Chicago Press, 2011), 62-66.
[10] Barclay, The Letters of James and Peter, 290-291. “The great characteristic of sanity is that it sees things in their proper proportions; it sees what things are important and what things are not; it is not swept away by sudden and transitory enthusiasms; it is prone neither to unbalanced fanaticism nor to unconcerned indifference. It is only when we see the affairs of the earth in the light of eternity that we see them in their proper proportions; it is when God is given his proper place that everything takes its proper place.”
[11] Barclay, The Letters of James and Peter, 291. Zo bijvoorbeeld de TELOS-vertaling, NCV (Nederlandse Concordante Vertaling), NBV, NBV21, NET-Bible,… “Tweemaal gebruikt Petrus de gebiedende wijs: 1) weest (of wordt) bezonnen (…) 2) weest (of wordt) nuchter.” Studiebijbel,549.
[12] Strong’s Greek 3346: μετατίθημι.
[13] Benedicta Ward, The Sayings of the Desert Fathers: The Apophthegmata Patrum: The Alphabetical Collection (Kalamazoo: Cistercian Publications, 1975, rev. ed. Collegeville, Minnesota: Liturgical Press, 1984). Kindle edition. Section: Anthony the Great. Saying 25: ‘A time is coming when men will go mad, and when they see someone who is not mad, they will attack him saying, “You are mad, you are not like us.”’